Zum Hauptinhalt

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
18 DECEMBER 2015. - Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2016 (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 29-12-2015 en tekstbijwerking tot 30-12-2025)
Titre
18 DECEMBRE 2015. - Décret contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2016 (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 29-12-2015 et mise à jour au 30-12-2025)
Dokumentinformationen
Numac: 2015036624
Datum: 2015-12-18
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2015036624
Date: 2015-12-18
Moniteur: Voir
Inhoud
HOOFDSTUK 1. - Algemeen HOOFDSTUK 2. - Kanselarij en Bestuur Afdeling 1. - Project- en conceptsubsidiëring Afdeling 2. - Machtiging verkoop vastgoed Afdeling 3. - Fonds Onroerende Goederen Afdeling 4. - Fonds Departement Kanselarij en B... Afdeling 5. - Wijziging naam DAB Informatie Vla... HOOFDSTUK 3. - Leefmilieu, Natuur en Energie Afdeling 1. - Gebruikstoestemmingen Minafonds Afdeling 2. - Wijziging heffingsregeling wet Op... Onderafdeling 1. - Wet Oppervlaktewateren Onderafdeling 2. - Grondwaterdecreet Afdeling 3. - Wijziging heffingsregeling onverg... Afdeling 4. - Machtiging landinrichtingsplan Afdeling 5. - Machtiging overeenkomsten voor te... HOOFDSTUK 4. - Mobiliteit en Openbare Werken HOOFDSTUK 5. - Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Afdeling 1. - Fonds Wetenschappelijk Onderzoek Afdeling 2. - Bevordering ICT-gebruik in de eer... Afdeling 3. - Indexatie werkingsmiddelen HOOFDSTUK 6. - Economie, Wetenschap en Innovatie Afdeling 1. - Aanpassing decreet Economisch Ond... Afdeling 2. - Oprichting Fonds winstuitkering LRM Afdeling 3. - Fonds voor Europese projecten en ... Afdeling 4. - Researchpark Zellik HOOFDSTUK 7. - Cultuur, Jeugd, Sport en Media Afdeling 1. - Correctiefactor loonsubsidies Afdeling 2. - Fonds CED-ECP Afdeling 3. - Aanpassing decreet Jeugd- en Kind... HOOFDSTUK 8. - Werk en Sociale Economie Afdeling 1. - Indieningstermijn betaald educati... Afdeling 2. - Oprichting begrotingsfonds terugv... HOOFDSTUK 9. - Onderwijs en Vorming Afdeling 1. - Uitzonderlijke maatregel geïntegr... Afdeling 2. - Uitzonderlijke maatregel geïntegr... Afdeling 3. - Heroriëntering middelen Expertise... Afdeling 4. - Middelenfonds Afdeling 5. - Verdeling ZAP, VOZun en puntengew... Afdeling 6. - Herinvestering financiering hoges... Afdeling 7. - `Kliks' variabele onderwijsdelen ... Afdeling 8. - Verdeling aanvullende onderzoeksm... Afdeling 9. - Verdeling bijkomende financiering... Afdeling 10. - Verdeling hbo5-middelen Afdeling 11. - Sociale toelage universiteiten Afdeling 12. - "Klik" zeevaartschool Afdeling 13. - Aanpassing middelen NT2 Afdeling 14. - Aanpassing deler voor de gelette... Afdeling 15. - Inschrijvingsgeld deeltijds kuns... Afdeling 16. - Begrotingsfonds dienstverlening ... Afdeling 17. - Middelen vluchtelingencrisis Afdeling 18. - Huursubsidies schoolinfrastructuur HOOFDSTUK 10. - Financiën en Begroting Afdeling 1. - Geïntegreerde woonbonus Afdeling 2. - Toepassing afgevlakte gezondheids... Afdeling 3. - Hervorming Financieringsfonds voo... Afdeling 4. - Opheffing DAB Veiling Emissierechten Afdeling 5. - Opheffing Vlaams Toekomstfonds Afdeling 6. - Erfbelasting Afdeling 7. - Verdeelrecht Afdeling 8. - Schenkbelasting Afdeling 9. - Onroerende voorheffing Afdeling 10. - Compensatie aan de gemeenten voo... Afdeling 11. - Kilometerheffing - Vervroegde aa... Afdeling 12. - Eurovignet Afdeling 13. - Vergroening van de verkeersbelas... Afdeling 14. - Bijsturing van de belasting op d... Afdeling 15. - Administratieve vereenvoudiging ... Afdeling 16. - Tarieven voor motorvoertuigen of... HOOFDSTUK 11. - Energie HOOFDSTUK 12. - Inwerkingtreding
Inhoud
CHAPITRE 1er. - Généralités CHAPITRE 2. - Chancellerie et Gouvernance publique Section 1re. - Subventionnement de projet et de... Section 2. - Autorisation de vente d'immobilier Section 3. - " Fonds Onroerende Goederen " (Fon... Section 4. - " Fonds Departement Kanselarij en ... Section 5. - Modification du nom du SGS " Infor... CHAPITRE 3. - Environnement, Nature et Energie Section 1re. - Permis d'utilisation " Minafonds " Section 2. - Modification du règlement de prélè... Sous-section 1re. - Loi sur les Eaux de Surface Sous-section 2. - Décret relatif aux eaux soute... Section 3. - Modification du règlement de prélè... Section 4. - Autorisation plan de rénovation ru... Section 5. - Autorisation conventions de gestio... CHAPITRE 4. - Mobilité et Travaux publics CHAPITRE 5. - Bien-Etre, Santé publique et Famille Section 1re. - " Fonds Wetenschappelijk Onderzo... Section 2. - Promotion de l'utilisation des ICT... Section 3. - Indexation des moyens de fonctionn... CHAPITRE 6. - Economie, Science et Innovation Section 1re. - Adaptation du décret relatif à l... Section 2. - Création " Fonds winstuitkering LR... Section 3. - Fonds pour projets européens et mi... Section 4. - Parc de recherches Zellik CHAPITRE 7. - Culture, Jeunesse, Sport et Médias Section 1re. - Facteur de correction subvention... Section 2. - Fonds CED-ECP Section 3. - Adaptation du décret relatif à la ... CHAPITRE 8. - Emploi et Economie sociale Section 1re. - Délai d'introduction congé-éduca... Section 2. - Création d'un " begrotingsfonds te... CHAPITRE 9. - Enseignement et Formation Section 1re. - Mesure exceptionnelle enseigneme... Section 2. - Mesure exceptionnelle enseignement... Section 3. - Réorientation des moyens du réseau... Section 4. - " Middelenfonds " (Fonds des moyens) Section 5. - Répartition ZAP, VOZun et pondérat... Section 6. - Réinvestissement financement des i... Section 7. - " Clics " volets variables " ensei... Section 8. - Répartition des moyens de recherch... Section 9. - Répartition du financement supplém... Section 10. - Répartition des moyens hbo5 Section 11. - Allocation sociale des universités Section 12. - " Clic " Zeevaartschool Section 13. - Adaptation des moyens NT2 Section 14. - Adaptation du diviseur pour les m... Section 15. - Droits d'inscription dans l'ensei... Section 16. - Fonds budgétaire de Services AHOVOKS Section 17. - Moyens crise des réfugiés. Section 18. - Subventions de location infrastru... CHAPITRE 10. - Finances et Budget Section 1re. - Bonus logement intégré Section 2. - Application de l'indice santé lissé Section 3. - Réforme du " Financieringsfonds vo... Section 4. - Abrogation SGS " Veiling Emissiere... Section 5. - Abrogation du " Vlaams Toekomstfon... Section 6. - Impôt sur la succession Section 7. - Droit de partage Section 8. - Impôt sur la donation Section 9. - Précompte immobilier Section 10. - Compensation aux communes pour la... Section 11. - Prélèvement kilométrique - Demand... Section 12. - Eurovignette Section 13. - Verdissement de la taxe de circul... Section 14. - Correction de la taxe de mise en ... Section 15. - Simplification administrative de ... Section 16. - Tarifs pour véhicules à moteur ou... CHAPITRE 11. - Energie CHAPITRE 12. - Entrée en vigueur
Tekst (205)
Texte (205)
HOOFDSTUK 1. - Algemeen
CHAPITRE 1er. - Généralités
Artikel 1. Dit decreet regelt een gemeenschaps- en gewestaangelegenheid.
Article 1er. Le présent décret règle une matière communautaire et régionale.
HOOFDSTUK 2. - Kanselarij en Bestuur
CHAPITRE 2. - Chancellerie et Gouvernance publique
Afdeling 1. - Project- en conceptsubsidiëring
Section 1re. - Subventionnement de projet et de concept
Art. 2. In artikel 2 van het decreet van 22 maart 2002 houdende de ondersteuning van stadsvernieuwingsprojecten worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de woorden "en het Financieringsfonds voor Schuldafbouw en Eenmalige Investeringsuitgaven" worden opgeheven;
  2° de zin "Deze uitgaven kunnen een projectsubsidie of een conceptsubsidie betreffen." wordt toegevoegd.
Art. 2. A l'article 2 du décret du 22 mars 2002 portant aide aux projets de rénovation urbaine, les modifications suivantes sont apportées :
  1° les mots " et du Fonds de Financement pour la Suppression des Dettes et les Dépenses uniques d'Investissement " sont abrogés ;
  2° la phrase " Ces dépenses peuvent avoir trait à une subvention de projet ou une subvention de concept. " est ajoutée.
Art. 3. In artikel 5, vijfde lid, van hetzelfde decreet, worden tussen het woord "brengt" en het woord "minimaal" de woorden "bij een projectsubsidie" ingevoegd.
Art. 3. Dans l'article 5, alinéa cinq, du même décret, les mots " , en cas d'une subvention de projet, " sont insérés entre les mots " apporte " et " au moins ".
Afdeling 2. - Machtiging verkoop vastgoed
Section 2. - Autorisation de vente d'immobilier
Art. 4. In afwijking van de wet van 31 mei 1923 betreffende de vervreemding van onroerende domeingoederen, gewijzigd bij de wetten van 2 juli 1969 en 6 juli 1989 en van overeenkomstige toepassing verklaard op de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest bij artikel 22 van het decreet van 20 december 1989 houdende bepalingen tot uitvoering van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap, wordt de Vlaamse Regering ertoe gemachtigd onroerende domeingoederen, ongeacht de geschatte waarde ervan, uit de hand of bij wijze van ruiling te vervreemden of er zakelijke rechten op te vestigen. Die machtiging geldt enkel voor het jaar 2016 en blijft van toepassing op de beslissingen tot vervreemding van of vestiging van zakelijke rechten op onroerende domeingoederen die gedurende het jaar 2016 zijn getroffen en die op 31 december 2016 nog niet zijn uitgevoerd.
  De voorwaarden tot overdracht worden bepaald door de Vlaamse Regering.
Art. 4. Par dérogation à la loi du 31 mai 1923 relative à l'aliénation d'immeubles domaniaux, modifiée en dernier lieu par les lois des 2 juillet 1969 et 6 juillet 1989 et déclarée applicable par analogie à la Communauté flamande et à la Région flamande par l'article 22 du décret du 20 décembre 1989 contenant des dispositions d'exécution du budget de la Communauté flamande, le Gouvernement flamand est autorisé à aliéner, de gré à gré ou par voie d'échange, des immeubles domaniaux, quelle qu'en soit la valeur, et constituer des droits réels sur ces biens. Cette autorisation s'applique uniquement pour l'année 2016 et reste d'application sur les décisions d'aliénation ou d'établissement de droits réels sur des immeubles domaniaux qui sont prises au cours de l'année 2016 et qui ne sont pas encore effectuées le 31 décembre 2016.
  Les conditions de transfert sont définies par le Gouvernement flamand.
Afdeling 3. - Fonds Onroerende Goederen
Section 3. - " Fonds Onroerende Goederen " (Fonds des biens immobiliers)
Art. 5. Aan artikel 19, § 3, van het decreet van 21 december 1990 houdende begrotingstechnische bepalingen alsmede bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991, vervangen bij decreet van 25 juni 1992 en gewijzigd bij decreet van 24 december 2004, wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "De middelen van het Fonds Onroerende Goederen mogen tevens aangewend worden voor de betaling van huur, huurlasten en belastingen met betrekking tot vastgoed.".
Art. 5. A l'article 19, § 2, (Justel lit: A l'article 19, §3,) du décret du 21 décembre 1990 contenant des dispositions budgétaires techniques ainsi que des dispositions accompagnant le budget 1991, remplacé par le décret du 25 juin 1992 et modifié par le décret du 24 décembre 2004, il est ajouté un alinéa trois, rédigé comme suit :
  " Les moyens du " Fonds Onroerende Goederen " peuvent également être affectés au paiement de loyer, de charges locatives et d'impôts relatifs à l'immobilier. ".
Afdeling 4. - Fonds Departement Kanselarij en Bestuur
Section 4. - " Fonds Departement Kanselarij en Bestuur " (Fonds du Département de la Chancellerie et de la Gouvernance publique)
Art. 6. In het decreet van 23 december 2005 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2006, het laatst gewijzigd bij het decreet van 28 februari 2014, wordt hoofdstuk VIII, dat bestaat uit artikel 11 en 12, opgeheven.
Art. 6. Dans le décret du 23 décembre 2005 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2006, modifié en dernier lieu par le décret du 28 février 2014, le chapitre VII, comprenant les articles 11 et 12, est abrogé.
Art. 7. In het decreet van 22 december 2006 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2007, het laatst gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2013, wordt hoofdstuk XXIV, dat bestaat uit artikel 80, opgeheven.
Art. 7. Dans le décret du 22 décembre 2006 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2007, modifié en dernier lieu par le décret du 5 juillet 2013, le chapitre XXIV, comprenant l'article 80, est abrogé.
Art. 8. In het decreet van 23 december 2010 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2011, het laatst gewijzigd bij het decreet van 13 december 2013, wordt hoofdstuk 7, dat bestaat uit artikel 53, opgeheven.
Art. 8. Dans le décret du 23 décembre 2010 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2011, modifié en dernier lieu par le décret du 13 décembre 2013, le chapitre 7, comprenant l'article 53, est abrogé.
Art. 9. Er wordt een begrotingsfonds [3 Werking Departement Kanselarij en Buitenlandse Zaken]3 opgericht. Dat fonds is een begrotingsfonds als vermeld in [2 artikel 15, § 2, van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019]2.
  Het fonds wordt gespijsd met ontvangsten uit:
  1° de verkoop van publicaties uit het elektronische bestelloket voor publicaties en van andere publicaties die verspreid worden door het [3 Departement Kanselarij en Buitenlandse Zaken]3;
  2° opleidingen van expertisedomeinen van het [3 Departement Kanselarij en Buitenlandse Zaken]3;
  3° contracten voor wetenschappelijke dienstverlening en ondersteuning van onderzoeksprojecten en andere expertisedomeinen van het [3 Departement Kanselarij en Buitenlandse Zaken]3;
  4° studiedagen die georganiseerd worden door het [3 Departement Kanselarij en Buitenlandse Zaken]3.
  [1 5° de publieksgerichte werking van het bouwmeesterschap in het kader van het Atelier Bouwmeester.]1
  Het fonds is gemachtigd uitgaven te doen voor:
  1° het onderhoud en de exploitatie van het elektronische bestelloket voor publicaties;
  2° het uitgeven en verspreiden van publicaties van het [3 Departement Kanselarij en Buitenlandse Zaken]3;
  3° de organisatie van opleidingen inzake expertisedomeinen van het [3 Departement Kanselarij en Buitenlandse Zaken]3;
  4° de (co-)organisatie van studiedagen door het [3 Departement Kanselarij en Buitenlandse Zaken]3.
  [1 5° de (co)productie van activiteiten in het kader van de publieksgerichte werking van het bouwmeesterschap en het Atelier Bouwmeester.]1
  De uitgaven kunnen betrekking hebben op allerlei werkingskosten, het tijdelijk in dienst nemen van personeel in het kader van de projecten waarvoor inkomsten worden verworven, en de realisatie van investeringen die nodig zijn om de opdrachten uit te voeren.
  De rekenplichtige die de ontvangsten gedaan heeft, beschikt rechtstreeks over de kredieten van het fonds.
  
Art. 9. Il est créé un fonds budgétaire [3 Fonctionnement Département de la Chancellerie et des Affaires étrangères]3. Le fonds est un fonds budgétaire, tel que visé à [2 l'article 15 du Code flamand des Finances publiques du 29 mars 2019]2.
  Le Fonds est alimenté par des recettes provenant :
  1° de la vente de publications du guichet électronique de commande de publications, et d'autres publications diffusées par le [3 Département de la Chancellerie et des Affaires étrangères]3 ;
  2° de formations en matière de domaines d'expertise du [3 Département de la Chancellerie et des Affaires étrangères]3 ;
  3° de contrats pour des services scientifiques et le soutien de projets de recherche et d'autres domaines d'expertise du [3 Département de la Chancellerie et des Affaires étrangères]3 ;
  4° de journées d'étude organisées par le [3 Département de la Chancellerie et des Affaires étrangères]3.
  [1 5° le fonctionnement axé sur le public du maître architecte dans le cadre de l'Atelier Bouwmeester.]1
  Le fonds est habilité à faire des dépenses pour :
  1° l'entretien et l'exploitation du guichet électronique de commande de publications ;
  2° l'édition et la diffusion de publications du [3 Département de la Chancellerie et des Affaires étrangères]3 ;
  3° l'organisation de formations en matière de domaines d'expertise du [3 Département de la Chancellerie et des Affaires étrangères]3 ;
  4° la (co-)organisation de journées d'étude par le [3 Département de la Chancellerie et des Affaires étrangères]3.
  [1 5° la (co)production d'activités dans le cadre du fonctionnement axé sur le public du maître architecte et de l'Atelier Bouwmeester.]1
  Les dépenses peuvent concerner des frais de fonctionnement divers, l'engagement temporaire de personnel dans le cadre de projets pour lesquels des revenus sont acquis, et la réalisation d'investissements nécessaires à l'exécution des missions.
  L'agent comptable ayant perçu les recettes, dispose directement des crédits du fonds.
  
Art. 10. De saldi en de vastgestelde rechten van de fondsen, vermeld in artikel 12 van het decreet van 23 december 2005 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2006, artikel 80 van decreet van 22 december 2006 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2007 en artikel 53 van het decreet van 23 december 2010 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2011, zoals van kracht vóór de inwerkingtreding van dit decreet, worden overgeheveld naar het begrotingsfonds Departement Kanselarij en Bestuur.
Art. 10. Les soldes et les droits établis des fonds, visés à l'article 12 du décret du 23 décembre 2005 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2006, à l'article 80 du décret du 22 décembre 2006 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2007, et à l'article 53 du décret du 23 décembre 2010 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2011, tels qu'ils étaient en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent décret, sont transférés au Fonds budgétaire " Departement Kanselarij en Bestuur ".
Afdeling 5. - Wijziging naam DAB Informatie Vlaanderen in DAB ICT
Section 5. - Modification du nom du SGS " Informatie Vlaanderen " en SGS TIC
Art. 11. In het decreet van 22 december 2006 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2007, gewijzigd bij de decreten van 21 december 2007, 19 december 2008, 23 december 2010 en 13 juli 2012, wordt het opschrift van hoofdstuk XXIII vervangen door wat volgt:
  ``HOOFDSTUK XXIII. - DAB Informatie- en communicatietechnologie''.
Art. 11. Dans le décret du 22 décembre 2006 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2007, modifié par les décrets des 21 décembre 2007, 19 décembre 2008, 23 décembre 2010 et 13 juillet 2012, l'intitulé du chapitre XXIII est remplacé par l'intitulé suivant :
  " Chapitre XXIII. SGS Technologie d'information et de communication ".
Art. 12. In artikel 79 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 worden de woorden ``Informatie Vlaanderen'' vervangen door het woord ``ICT'';
  2° in paragraaf 2 worden de woorden ``DAB Informatie Vlaanderen'' vervangen door de woorden ``DAB ICT'';
  3° in paragraaf 2bis, ingevoegd bij het decreet van 19 december 2008, worden de woorden ``DAB Informatie Vlaanderen'' vervangen door de woorden ``DAB ICT'';
  4° in paragraaf 3 worden de woorden ``DAB Informatie Vlaanderen'' telkens vervangen door de woorden "DAB ICT''.
Art. 12. A l'article 79 du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, les mots " Informatie Vlaanderen " sont remplacés par le mot " TIC " ;
  2° dans le paragraphe 2, les mots " DAB "Informatie Vlaanderen" (SGS Information Flandres) " sont remplacés par les mots " SGS TIC " ;
  3° dans le paragraphe 2, (Justel lit: dans le paragraphe 2bis,) inséré par le décret du 19 décembre 2008, les mots " DAB "Informatie Vlaanderen" (SGS Information Flandres) " sont remplacés par les mots " SGS TIC " ;
  4° dans le paragraphe 3, les mots " DAB "Informatie Vlaanderen" (SGS Information Flandres) " sont chaque fois remplacés par les mots " SGS TIC " ;
HOOFDSTUK 3. - Leefmilieu, Natuur en Energie
CHAPITRE 3. - Environnement, Nature et Energie
Afdeling 1. - Gebruikstoestemmingen Minafonds
Section 1re. - Permis d'utilisation " Minafonds "
Art. 13. De Vlaamse Regering wordt ertoe gemachtigd gebruikstoestemmingen te verlenen, hetzij van beperkte, hetzij van onbeperkte duur, voor de domeinen, gronden en gebouwen verworven of te verwerven ten laste van begrotingsartikels van de DAB Minafonds, bestemd voor aankoop van gronden voor de aanleg van openbare groene zones. De gebruiksovereenkomsten die niet kosteloos opzegbaar zijn door de Vlaamse Gemeenschap, mogen de duur van negen jaar niet overschrijden behalve na instemming van de Vlaamse Regering.
Art. 13. Le Gouvernement flamand est autorisé à octroyer des permis d'utilisation à durée limitée ou illimitée pour les domaines, terrains et bâtiments acquis ou à acquérir à charge d'articles budgétaires du Minafonds, affectés à l'acquisition de terrains pour l'aménagement de zones vertes publiques. Ces contrats d'utilisation qui ne sont pas résiliables à titre gratuit par la Communauté flamande, ne peuvent dépasser un délai de neuf ans sauf si le Gouvernement flamand y marque son accord.
Afdeling 2. - Wijziging heffingsregeling wet Oppervlaktewateren en Grondwaterdecreet
Section 2. - Modification du règlement de prélèvement de la Loi sur les Eaux de surface et du Décret relatif aux eaux souterraines
Onderafdeling 1. - Wet Oppervlaktewateren
Sous-section 1re. - Loi sur les Eaux de Surface
Art. 14. In artikel 35bis, § 6, van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, ingevoegd bij het decreet van 27 juni 2003 en gewijzigd bij het decreet van 7 december 2007, worden de woorden "het hoofd van de Maatschappij" vervangen door de woorden "de leidend ambtenaar van de Maatschappij".
Art. 14. Dans l'article 35bis, § 6, de la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux de surface contre la pollution, inséré par le décret du 27 juin 2003 et modifié par le décret du 7 décembre 2007, les mots " le chef de la Société " sont remplacés par les mots " le fonctionnaire dirigeant de la Société ".
Art. 15. In artikel 35quinquies, § 9, van dezelfde wet, vervangen bij het decreet van 24 juni 2005 en gewijzigd bij het decreet van 7 december 2007, worden de woorden "het hoofd van de Maatschappij" vervangen door de woorden "de leidend ambtenaar van de Maatschappij".
Art. 15. Dans l'article 35quinquies, § 9, de la même loi, remplacé par le décret du 24 juin 2005 et modifié par le décret du 7 décembre 2007, les mots " le chef de la Société " sont remplacés par les mots " le fonctionnaire dirigeant de la Société ".
Art. 16. In artikel 35sexies, § 1, van dezelfde wet, vervangen bij decreet van 18 december 1992, wordt de formule:
  "N2,0 = Qj.o x 40 x (Hg.o) + 10 x (Ag.o + Cd.o) + 5 x (Zn.o + Cu.o) + 2 x (Ni.o) + 1 x (Pb.o + As.o + Cr.o))"
  1 000
  vervangen door de volgende formule:
  "N2,0 = Qj.o x (40 x (Hg.o) + 10 x (Ag.o + Cd.o) + 5 x (Zn.o + Cu.o) + 2 x (Ni.o) + 1 x (Pb.o + As.o + Cr.o))"
  1 000
Art. 16. Dans l'article 35sexies, § 1er, de la même loi, remplacé par le décret du 18 décembre 1992, la formule :
  " N2,0 = Qj.o x 40 x (Hg.o) + 10 x (Ag.o + Cd.o) + 5 x (Zn.o + Cu.o) + 2 x (Ni.o) + 1 x (Pb.o + As.o + Cr.o)) "
  1 000
  est remplacé par la formule suivante :
  " N2,0 = Qj.o x (40 x (Hg.o) + 10 x (Ag.o + Cd.o) + 5 x (Zn.o + Cu.o) + 2 x (Ni.o) + 1 x (Pb.o + As.o + Cr.o)) ".
  1 000
Art. 17. In artikel 35quinquiesdecies, § 1, eerste lid, van dezelfde wet, vervangen bij het decreet van 22 december 2000 en gewijzigd bij decreten van 7 mei 2004 en 23 december 2010, worden de woorden "algemeen directeur" vervangen door de woorden "leidend ambtenaar of de door hem gedelegeerde ambtenaar".
Art. 17. Dans l'article 35quinquiesdecies, § 1er, alinéa premier, de la même loi, remplacé par le décret du 22 décembre 2000 et modifié par les décrets des 7 mai 2004 et 23 décembre 2010, les mots " directeur général " sont remplacés par les mots " fonctionnaire dirigeant ou le fonctionnaire délégué par lui ".
Art. 18. In artikel 35quinquiesdecies, § 2, van dezelfde wet, vervangen bij het decreet van 22 december 2000 en gewijzigd bij het decreet van 7 mei 2004, worden de woorden "algemeen directeur" vervangen door de woorden "leidend ambtenaar".
Art. 18. Dans l'article 35quinquiesdecies, § 2, de la même loi, remplacé par le décret du 22 décembre 2000 et modifié par le décret du 7 mai 2004, les mots " directeur général " sont remplacés par les mots " fonctionnaire dirigeant ".
Onderafdeling 2. - Grondwaterdecreet
Sous-section 2. - Décret relatif aux eaux souterraines
Art. 19. In artikel 28ter, § 2, 7°, b), van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer, vervangen bij het decreet van 22 december 1999, en gewijzigd bij het decreet van 7 mei 2004, worden de woorden "algemeen directeur" vervangen door de woorden "leidend ambtenaar".
Art. 19. Dans l'article 28ter, § 2, 7°, b) du décret du 24 janvier 1984 portant des mesures en matière de gestion des eaux souterraines, remplacé par le décret du 22 décembre 1999 et modifié par le décret du 7 mai 2004, les mots " directeur général " sont remplacés par les mots " fonctionnaire dirigeant ".
Art. 20. In artikel 28ter, § 5, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 22 december 1999 en gewijzigd bij de decreten van 7 mei 2004 en 18 december 2009, worden de woorden "het hoofd van het agentschap van de Maatschappij" vervangen door de woorden "de leidend ambtenaar van de Maatschappij".
Art. 20. Dans l'article 28ter, § 5, du même décret, remplacé par le décret du 22 décembre 1999 et modifié par les décrets des 7 mai 2004 et 18 décembre 2009, les mots " le chef de l'agence de la Société " sont remplacés par les mots " le fonctionnaire dirigeant de la Société ".
Art. 21. In artikel 28decies, § 5, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 22 december 1999 en gewijzigd bij het decreet van 7 mei 2004, worden de woorden "het hoofd van het agentschap van de Maatschappij" vervangen door de woorden "de leidend ambtenaar van de Maatschappij".
Art. 21. Dans l'article 28ter, § 5, du même décret, remplacé par le décret du 22 décembre 1999 et modifié par le décret du 7 mai 2004, les mots " le chef de l'agence de la Société " sont remplacés par les mots " le fonctionnaire dirigeant de la Société ".
Art. 22. In artikel 28undecies, § 1, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 22 december 1999 en gewijzigd bij de decreten van 7 mei 2004 en 18 december 2009, worden de woorden "het hoofd van het agentschap van de Maatschappij" vervangen door de woorden "de leidend ambtenaar van de Maatschappij".
Art. 22. Dans l'article 28undecies, § 1er, du même décret, remplacé par le décret du 22 décembre 1999 et modifié par les décrets des 7 mai 2004 et 18 décembre 2009, les mots " le chef de l'agence de la Société " sont remplacés par les mots " le fonctionnaire dirigeant de la Société ".
Art. 23. In artikel 28duodecies, § 1, eerste lid, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 22 december 1999 en gewijzigd bij de decreten van 7 mei 2004 en 23 december 2010, worden de woorden "algemeen directeur" vervangen door de woorden "leidend ambtenaar of de door hem gedelegeerde ambtenaar".
Art. 23. Dans l'article 28duodecies, § 1er, alinéa premier, du même décret, remplacé par le décret du 22 décembre 1999 et modifié par les décrets des 7 mai 2004 et 23 décembre 2010, les mots " directeur général " sont remplacés par les mots " fonctionnaire dirigeant ou le fonctionnaire délégué par lui ".
Art. 24. In artikel 28duodecies, § 2, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 22 december 1999 en gewijzigd bij het decreet van 7 mei 2004, worden de woorden "algemeen directeur" vervangen door de woorden "leidend ambtenaar".
Art. 24. Dans l'article 28duodecies, § 2, du même décret, remplacé par le décret du 22 décembre 1999 et modifié par le décret du 7 mai 2004, les mots " directeur général " sont remplacés par les mots " fonctionnaire dirigeant ".
Art. 25. In artikel 28terdecies van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 22 december 1999 en gewijzigd bij het decreet van 7 mei 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° voor de woorden "De algemeen directeur" worden de woorden " § 1" opgeheven;
  2° de woorden "algemeen directeur" worden vervangen door de woorden "leidend ambtenaar".
Art. 25. A l'article 28terdecies du même décret, remplacé par le décret du 22 décembre 1999 et modifié par le décret du 7 mai 2004, les modifications suivantes sont apportées :
  1° avant les mots " Le directeur général ", les mots " § 1er " sont abrogés ;
  2° les mots " le directeur général " sont remplacés par les mots " le fonctionnaire dirigeant ".
Afdeling 3. - Wijziging heffingsregeling onvergunde lozingen
Section 3. - Modification du règlement de prélèvement concernant les déversements non autorisés
Art. 26. In artikel 35ter van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, ingevoegd bij het decreet van 25 juni 1992 en laatst gewijzigd bij het decreet van 21 december 2012, wordt een paragraaf 10bis ingevoegd, die luidt als volgt:
  " § 10bis. Onder de in deze paragraaf bepaalde voorwaarden is paragraaf 10 niet van toepassing op lozingen zonder:
  - voorafgaande melding of meldingsakte of;
  - voorafgaande of tijdige verlenging van de lozings-, milieu- of omgevingsvergunning;
  zoals respectievelijk vermeld in het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning en het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en voor zover:
  1° de heffingsplichtige beschikt over meet- en bemonsteringsgegevens als vermeld in artikel 35quinquies, § 4, die betrekking hebben op de volledige afvalwaterstroom; ofwel
  2° aan de voorwaarden voor de toepassing van artikel 35quinquies, § 5, is voldaan en de meet- en bemonsteringsgegevens van de Maatschappij op de volledige afvalwaterstroom slaan.
  Er mag in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar geen enkele vaststelling zijn gedaan van een lozing van een gedeelte van de afvalwaterstroom via een ander niet bemonsterd lozingspunt.
  In geval van een in het eerste lid vermelde onvergunde lozing wordt de vuilvracht uitsluitend overeenkomstig artikel 35quinquies, § 1, berekend.".
Art. 26. Dans l'article 35ter de la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux de surface contre la pollution, inséré par le décret du 25 juin 1992 et modifié en dernier lieu par le décret du 21 décembre 2012, il est inséré un § 10bis, rédigé comme suit :
  " § 10bis. Aux conditions fixées dans le présent paragraphe, le paragraphe 10 ne s'applique pas aux déversements sans :
  - notification ou acte de notification préalable ou ;
  - prolongation préalable ou opportune de l'autorisation de déversement, écologique ou d'environnement ;
  telles que visées respectivement au décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique, et au décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement et dans la mesure où :
  1° le redevable dispose de données de mesure et d'échantillonnage, visées à l'article 35quinquies, § 4, qui ont trait au flux entier d'eaux usées ; ou
  2° les conditions pour l'application de l'article 35quinquies, § 5, sont remplies, et les données de mesure et d'échantillonnage de la Société ont trait au flux entier d'eaux usées.
  Au cours de l'année précédant l'année de redevance, aucune constatation ne peut être faite d'un déversement d'une partie du flux d'eaux usées via un autre point de déversement non échantillonné.
  En cas d'un déversement non autorisé, visé à l'alinéa premier, la charge polluée est calculée exclusivement conformément à l'article 35quinquies, § 1er. ".
Art. 27. [1 . Het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid de Vlaamse Milieumaatschappij past, ten aanzien van heffingsdossiers waarvoor nog een bezwaarschrift of een vordering in rechte hangende is of heffingsdossiers waarvoor een aanvraag tot ambtshalve ontheffing als vermeld in artikel 376 van het federale WIB 92 ingediend wordt bij en aanvaard wordt door de Vlaamse Milieumaatschappij of een navordering als vermeld in artikel 35terdecies, § 2, van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging gevestigd wordt, na schriftelijke aangetekende aanvraag van de heffingsplichtige gericht tot de Vlaamse Milieumaatschappij, ingediend ten laatste één jaar na publicatie van dit decreet, artikel 35ter, § 10bis, van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging toe op de heffingen, van de in dit artikel vermelde heffingsdossiers, gevestigd voor het heffingsjaar dat door de heffingsplichtige opgegeven werd in zijn aanvraag en voor zover voldaan wordt aan de in dat artikel gestelde voorwaarden en het heffingsjaar niet voor het heffingsjaar 2004 ligt. Voor de ambtshalve ontheffingen en navorderingen moet vermelde aanvraag ten laatste zes maanden na het verzoek tot ontheffing of kennisgeving van de navordering gericht worden aan de Vlaamse Milieumaatschappij.
   In dat geval kan, in afwijking van artikel 418 van het federale WIB 92, enkel het verschil tussen het oorspronkelijke heffingsbedrag vermeerderd met de eventuele heffingsverhoging én het bedrag berekend overeenkomstig artikel 35ter, § 10bis, van de in het eerste lid genoemde wet, vermeerderd met de eventuele heffingsverhoging, terugbetaald worden aan de heffingsplichtige.
   Alle kosten verbonden aan eerdere betwistingen in dit verband blijven ten laste van de heffingsplichtige. ]1

  
Art. 27. [1 L'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Vlaamse Milieumaatschappij " (Société flamande de l'Environnement) applique, à l'égard de dossiers d'imposition pour lesquels un recours ou une action en justice est toujours en instance ou de dossiers d'imposition pour lesquels une demande de dégrèvement d'office telle que visée à l'article 376 du CIR 92 fédéral est introduite auprès de et est acceptée par la " Vlaamse Milieumaatschappij " ou une redevance supplémentaire telle que visée à l'article 35terdecies, § 2, de la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux de surface contre la pollution est constituée, après la demande écrite recommandée du redevable adressée à la " Vlaamse Milieumaatschappij ", introduite au plus tard un an après la publication du présent décret, l'article 35ter, § 10bis, de la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux de surface contre la pollution aux redevances, des dossiers d'imposition visés au présent article, établies pour l'année d'imposition indiquée par le redevable dans sa demande et dans la mesure où il est satisfait aux conditions fixées audit article et l'année d'imposition ne précède pas l'année d'imposition 2004. Pour les dégrèvements d'office et les redevances supplémentaires, ladite demande doit être adressée à la " Vlaamse Milieumaatschappij " au plus tard six mois après la demande de dégrèvement ou de notification de la redevance supplémentaire.
   Dans ce cas, par dérogation à l'article 418 du CIR fédéral, seule la différence entre le montant original de la redevance, majoré de l'éventuelle augmentation de la redevance et le montant calculé conformément à l'article 35ter, § 10bis, de la loi visée à l'alinéa premier, majoré de l'éventuelle augmentation de la redevance, peut être remboursée au redevable.
   Tous les frais liés à des contestations antérieures à ce sujet demeurent à charge du redevable. ]1

  
Afdeling 4. - Machtiging landinrichtingsplan
Section 4. - Autorisation plan de rénovation rurale
Art. 28. In artikel 3.4.4 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Met behoud van de toepassing van artikel 3.3.7 wordt de Vlaamse Regering gemachtigd om het agentschap te belasten met de uitvoering van een landinrichtingsplan of gedeelten ervan op gronden van gemeenten, provincies, publiekrechtelijke rechtspersonen, privaatrechtelijke rechtspersonen of natuurlijke personen, met de uitvoering van een landinrichtingsplan of gedeelten ervan op verzoek van voormelde instanties en personen, en met de verwerving van onroerende goederen die vervolgens worden overgedragen aan een provincie of een gemeente.".
Art. 28. Dans l'article 3.4.4 du décret du 28 mars 2014 relatif à la rénovation rurale, il est inséré entre les alinéas premier et deux, un alinéa rédigé comme suit :
  " Sans préjudice de l'application de l'article 3.3.7, le Gouvernement flamand est autorisé à charger l'agence de l'exécution d'un plan de rénovation rurale ou de parties de celui-ci sur des terrains de communes, provinces, personnes morales de droit public, personnes morales de droit privé ou personnes physiques, de l'exécution d'un plan de rénovation rurale ou de parties de celui-ci à la demande des instances et personnes susvisées, et de l'acquisition de biens immobiliers qui sont ensuite transférés à une province ou une commune. ".
Afdeling 5. - Machtiging overeenkomsten voor technisch beheer
Section 5. - Autorisation conventions de gestion technique
Art. 29. De Vlaamse Regering wordt ertoe gemachtigd overeenkomsten voor technisch beheer af te sluiten, teneinde de uitvoering van de passende beheersmaatregelen te verzekeren op de onroerende goederen verworven krachtens artikel 72, § 2, van de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet, aangevuld door de wet van 11 augustus 1978 houdende bijzondere bepalingen eigen aan het Vlaamse Gewest. Deze overeenkomsten worden voor één jaar gesloten, eventueel met stilzwijgende verlenging voor telkens één jaar en jaarlijkse opzegmogelijkheid.
Art. 29. Le Gouvernement flamand est autorisé à conclure des conventions de gestion technique afin d'assurer l'exécution des mesures de gestion appropriées pour les biens immobiliers acquis en vertu de l'article 72, § 2, de la loi du 22 juillet 1970 relative au remembrement légal de biens ruraux, complétée par la loi du 11 août 1978 contenant des dispositions particulières propres à la Région flamande. Ces conventions sont conclues pour un an, éventuellement chaque fois prolongeable d'un an et une possibilité de résiliation annuelle.
HOOFDSTUK 4. - Mobiliteit en Openbare Werken
CHAPITRE 4. - Mobilité et Travaux publics
Art. 30. In artikel 42, § 3, van het decreet van 3 juli 2015 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2015, wordt punt 1° vervangen door wat volgt:
  "1° de bijdragen van de instellingen belast met de controle van de in het verkeer gebrachte voertuigen zoals opgenomen in artikel 22 van het koninklijk besluit van 23 december 1994 tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden en de regeling van de administratieve controle van de instellingen belast met de controle van de in het verkeer gebrachte voertuigen, in de mate dat deze jaarlijkse ontvangsten het bedrag van 5.539.000 euro overschrijden;".
Art. 30. Dans l'article 42, § 3, du décret du 3 juillet 2015 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2015, le point 1° est remplacé par ce qui suit :
  " 1° les contributions des organismes chargés du contrôle des véhicules en circulation, telles que reprises à l'article 22 de l'arrêté royal du 23 décembre 1994 portant détermination des conditions d'agrément et des règles du contrôle administratif des organismes chargés du contrôle des véhicules en circulation, dans la mesure où ces recettes annuelles dépassent le montant de 5.539.000 euros ; ".
HOOFDSTUK 5. - Welzijn, Volksgezondheid en Gezin
CHAPITRE 5. - Bien-Etre, Santé publique et Famille
Afdeling 1. - Fonds Wetenschappelijk Onderzoek
Section 1re. - " Fonds Wetenschappelijk Onderzoek "
Art. 31. Artikel 59 van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996 wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 59. § 1. Er wordt een "fonds voor wetenschappelijk onderzoek inzake Welzijn, Volksgezondheid en Gezin" opgericht, hierna genoemd "het fonds". Het fonds is een begrotingsfonds in de zin van artikel 12 van het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof.
  § 2. Het fonds wordt gespijsd met volgende middelen:
  1° de middelen die in uitvoering van een overeenkomst tussen de Vlaamse Gemeenschap en derden worden betaald voor contractonderzoek door het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;
  2° de middelen van derden met het oog op het subsidiëren van onderzoeken uitgevoerd door een steunpunt voor beleidsrelevant onderzoek;
  3° de middelen afkomstig uit de verkoop van onderzoekspublicaties van het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin of uit de medewerking aan dergelijke publicaties van derden door het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.
  § 3. Ten laste van dit fonds worden alle soorten uitgaven van het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin aangerekend, zowel voor personeel als voor werking of uitrusting, als voor subsidies, voor zover deze uitgaven strikt verband houden met volgende elementen:
  1° het onderzoek van het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin dat door derden wordt betaald;
  2° de middelen om voor derden gesubsidieerd onderzoek te laten uitvoeren door een steunpunt voor beleidsrelevant onderzoek;
  3° onderzoekspublicaties van het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.".
Art. 31. L'article 59 du décret du 22 décembre 1995 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 1996, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 59. § 1er. Il est créé un " fonds voor wetenschappelijk onderzoek inzake Welzijn, Volksgezondheid en Gezin " (fonds de recherche scientifique en matière de Bien-Etre, de Santé publique et de Famille), dénommé ci-après " le Fonds ". Le Fonds est un fonds budgétaire au sens de l'article 12 du décret du 8 juillet 2011 réglant le budget, la comptabilité, l'attribution de subventions et le contrôle de leur utilisation, et le contrôle par la Cour des Comptes.
  § 2. Le Fonds est alimenté par :
  1° les ressources payées en exécution d'une convention entre la Communauté flamande et des tiers pour des recherches contractuelles par le Département du Bien-être, de la Santé publique et de la Famille ;
  2° les ressources de tiers en vue du subventionnement de recherches effectuées par un centre de recherche politique ;
  3° les ressources provenant de la vente de publications de recherche du Département du Bien-être, de la Santé publique et de la Famille ou de la collaboration à des publications pareilles de tiers par le Département du Bien-être, de la Santé publique et de la Famille.
  § 3. Sont imputées à charge de ce Fonds, toutes sortes de dépenses du Département du Bien-être, de la Santé publique et de la Famille, tant pour le personnel que pour l'opération ou l'équipement, et pour les subventions, dans la mesure où ces dépenses ont strictement trait aux éléments suivants :
  1° la recherche du Département du Bien-être, de la Santé publique et de la Famille qui est payée par des tiers ;
  2° les ressources destinées à faire effectuer par un centre de recherche politique des recherches subventionnées pour des tiers ;
  3° des publications de recherche du Département de l'Aide sociale, de la Santé publique et de la Famille. ".
Afdeling 2. - Bevordering ICT-gebruik in de eerste lijn
Section 2. - Promotion de l'utilisation des ICT dans les soins primaires
Art. 32. In artikel 2 van het decreet van 7 juli 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 1998, vervangen bij het decreet van 19 december 2003 en gewijzigd bij de decreten van 8 juli 2011, 21 december 2012 en 19 december 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt tussen de zinsnede "2012," en het woord "wordt" de zinsnede "en voor de uitvoering van de overeenkomst (1 augustus 2015 - 31 juli 2016) van 13 oktober 2015 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid," ingevoegd;
  2° er wordt een paragraaf 2/3 ingevoegd, die luidt als volgt:
  " § 2/3. Het Fonds wordt gespijsd met middelen die in uitvoering van een overeenkomst tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid worden uitbetaald.";
  3° er wordt een paragraaf 3/3 ingevoegd, die luidt als volgt:
  " § 3/3. Ten laste van dit Fonds worden alle soorten uitgaven die gedaan worden door het Agentschap Zorg en Gezondheid aangerekend, voor zover die uitgaven verband houden met de uitvoering van de overeenkomst (1 augustus 2015-31 juli 2016) van 13 oktober 2015 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid.".
Art. 32. A l'article 2 du décret du 7 juillet 1998 contenant diverses mesures d'accompagnement de l'ajustement du budget 1998, remplacé par le décret du 19 décembre 2003 et modifié par les décrets des 8 juillet 2011, 21 décembre 2012 et 19 décembre 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, alinéa premier, le membre de phrase " et pour l'exécution de la convention (01/08/2015 - 31/07/2016) du 13 octobre 2015 entre le Comité de l'assurance soins de santé, institué auprès du Service des soins de santé de l'INAMI, et l'Agence des Soins et de la Santé, " est inséré entre le membre de phrase " 2012, " et le mot " dénommé " ;
  2° il est inséré un paragraphe 2/3, rédigé comme suit :
  " § 2/3. Le Fonds est alimenté par des moyens payés en exécution d'une convention entre le Comité de l'assurance soins de santé, institué auprès du Service des soins de santé de l'INAMI, et l'Agence des Soins et de la Santé. " ;
  3° il est inséré un paragraphe 3/3, rédigé comme suit :
  " § 3/3. Sont imputées à charge de ce Fonds, toutes sortes de dépenses réalisées par l'Agence des Soins et de la Santé, pour les dépenses liées à l'exécution de la convention (01/08/2015 - 31/07/2016) du 13 octobre 2015 entre le Comité de l'assurance soins de santé, institué auprès du Service des soins de santé de l'INAMI, et l'Agence des Soins et de la Santé. ".
Afdeling 3. - Indexatie werkingsmiddelen
Section 3. - Indexation des moyens de fonctionnement
Art. 33. § 1. Voor alle subsidieregelingen binnen de begroting van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin wordt voor alle subsidie-elementen die niet loon zijn en waarvan de evolutie gekoppeld is aan de schommelingen van het prijsindexcijfer dat berekend en toegepast wordt, overeenkomstig de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld, of de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden te worden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld, de indexaanpassing in 2016 niet verrekend.
  § 2. Voor de subsidie-elementen, andere dan loonkosten, die op een andere wijze aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld, wordt geen indexaanpassing toegekend in 2016.
  § 3. Bovenstaande twee paragrafen zijn niet van toepassing op:
  1° de vergoedingen betaald zoals bedoeld in artikel 16 van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg;
  2° artikel 2 en 2bis van het ministerieel besluit van 10 september 2008 betreffende de vergoeding voor aangesloten onthaalouders en diensten voor onthaalouders;
  3° artikel 55 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 november 2012 betreffende de erkenning en de subsidiëring van de centra voor kinderzorg en gezinsondersteuning;
  4° het zakgeld dat wordt toegekend voor minderjarigen binnen een module rechtstreeks toegankelijke pleegzorg;
  5° rustoorden voor bejaarden, vermeld in artikel 34, eerste lid, 12°, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen;
  6° centra voor kortverblijf, vermeld in artikel 34, eerste lid, 12°, van dezelfde wet;
  7° rust- en verzorgingstehuizen, vermeld in artikel 34, eerste lid, 12°, van dezelfde wet;
  8° dagverzorgingscentra, vermeld in artikel 34, eerste lid, 11°, van dezelfde wet;
  9° psychiatrische verzorgingstehuizen, vermeld in artikel 34, eerste lid, 11°, van dezelfde wet;
  10° revalidatieovereenkomsten, vermeld in artikel 23, § 3, van dezelfde wet;
  11° beschut wonen, vermeld in artikel 34, eerste lid, 18°, van dezelfde wet;
  12° geïntegreerde diensten voor thuisverpleging, vermeld in artikel 34, eerste lid, 13°, van dezelfde wet;
  13° multidisciplinaire begeleidingsequipes voor palliatieve verzorging, vermeld in artikel 23, § 3bis, van dezelfde wet;
  14° overeenkomsten in uitvoering van artikel 56, § 2, eerste lid, 3°, van dezelfde wet, gesloten met geïntegreerde diensten voor thuisverpleging en een initiatief beschut wonen;
  15° geïsoleerde G-diensten en Sp-diensten, zoals bepaald in artikel 5, § 1, I, 1°, d), 3° en 4°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.
Art. 33. § 1er. Pour tous les régimes de subvention au sein du budget du domaine politique Bien-Etre, Santé publique et Famille, l'indexation en 2016 n'est pas réglée pour tous les éléments de subvention qui ne sont pas des salaires et dont l'évolution est liée aux fluctuations de l'indice des prix qui est calculé et appliqué conformément à la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public, ou à la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
  § 2. Pour les éléments de subvention autres que les frais salariaux, qui sont lies d'une autre manière aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation, aucune indexation n'est accordée en 2016.
  § 3. Les deux paragraphes précédents ne s'appliquent pas :
  1° aux indemnités payées telles que visées à l'article 16 du décret du 29 juin 2012 portant organisation du placement familial ;
  2° aux articles 2 et 2bis de l'arrêté ministériel du 10 septembre 2008 relatif à l'indemnisation des familles d'accueil affiliées et des services pour familles d'accueil ;
  3° à l'article 55 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 novembre 2012 relatif à l'agrément et au subventionnement des centres d'aide aux enfants et d'assistance des familles ;
  4° à l'argent de poche qui est accordé aux mineurs au sein d'un module de l'accueil familial directement accessible ;
  5° aux maisons de repos, visées à l'article 34, alinéa premier, 12°, de la loi coordonnée du 14 juillet 1994 relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités ;
  6° aux centres de court séjour, visés à l'article 34, alinéa 1er, 12°, de la même loi ;
  7° aux maisons de repos et de soins, visées à l'article 34, alinéa 1er, 12°, de la même loi ;
  8° aux centres de soins de jour, visés à l'article 34, alinéa 1er, 11°, de la même loi ;
  9° aux maisons de soins psychiatriques, visées à l'article 34, alinéa 1er, 11°, de la même loi ;
  10° aux conventions de rééducation fonctionnelle, visées à l'article 23, § 3, de la même loi ;
  11° aux habitations protégées, visées à l'article 34, alinéa 1er, 18°, de la même loi ;
  12° aux services intégrés de soins infirmiers à domicile, visés à l'article 34, alinéa 1er, 13°, de la même loi ;
  13° aux équipes d'accompagnement multidisciplinaires de soins palliatifs, visées à l'article 23, § 3bis, de la même loi ;
  14° aux conventions en exécution de l'article 56, § 2, alinéa premier, 3°, de la même loi, conclues avec des services intégrés de soins infirmiers à domicile et une initiative d'habitation protégée ;
  15° aux Services G isolés et aux Services Sp isolés, tels que fixés à l'article 5, § 1er, I, 1°, d), 3° et 4°, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles.
HOOFDSTUK 6. - Economie, Wetenschap en Innovatie
CHAPITRE 6. - Economie, Science et Innovation
Afdeling 1. - Aanpassing decreet Economisch Ondersteuningsbeleid
Section 1re. - Adaptation du décret relatif à la politique d'aide économique
Art. 34. In artikel 39 van het decreet van 16 maart 2012 betreffende het economisch ondersteuningsbeleid wordt het woord "zes" vervangen door het woord "twaalf".
Art. 34. Dans l'article 39 du décret du 16 mars 2012 relatif à la politique d'aide économique, le mot " six " est remplacé par le mot " douze ".
Afdeling 2. - Oprichting Fonds winstuitkering LRM
Section 2. - Création " Fonds winstuitkering LRM " (Fonds de paiement de dividendes LRM)
Art. 35. Er wordt een fonds opgericht in de zin van [2 artikel 15, § 2, van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019]2.
  Het Fonds wordt gespijsd met de winstuitkering van de Limburgse Reconversiemaatschappij (LRM).
  De inkomsten uit het Fonds worden [1 ...]1 aangewend voor subsidie aan de provincie Limburg voor activiteiten die de economische ontwikkeling van Limburg bevorderen.
  
Art. 35. Il est créé un Fonds au sens de [2 l'article 15, § 2, du Code flamand des Finances publiques du 29 mars 2019]2.
   Le Fonds est alimenté par le paiement de dividendes de la " Limburgse Reconversiemaatschappij " (LRM).
   Les recettes du Fonds sont affectées [1 ...]1 au subventionnement de la province du Limbourg pour des activités promouvant le développement économique du Limbourg.
  
Afdeling 3. - Fonds voor Europese projecten en bijzondere opdrachten van het Agentschap Ondernemen
Section 3. - Fonds pour projets européens et missions spéciales de l'" Agentschap Ondernemen "
Art. 36. Aan artikel 92bis van het decreet van 19 december 2008 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2009 worden een paragraaf 5 en 6 toegevoegd die luiden als volgt:
  " § 5. Aan het fonds worden de ontvangsten van belaste kredietsaldi van het IWT toegevoegd. Deze belaste kredietsaldi betreffen belaste ontvangsten van Europese projecten die zullen aangewend worden voor de betaling van werkingsuitgaven voor de betreffende Europese projecten en voor de betaling van personeel dat werkt voor deze Europese projecten.
  § 6. Aan het fonds worden de ontvangsten toegevoegd van detacheringen van medewerkers van Agentschap Innoveren en Ondernemen, van consultancyopdrachten door medewerkers van Agentschap Innoveren en Ondernemen, van verkopen van klein materiaal en de ontvangsten van Europese projecten die uitgevoerd worden door het Agentschap Innoveren en Ondernemen. Deze ontvangsten zullen aangewend worden voor personeels- en werkingsuitgaven van het Agentschap Innoveren en Ondernemen.".
Art. 36. L'article 92bis du décret du 19 décembre 2008 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2009, est complété par un paragraphe cinq et six, rédigés comme suit :
  " § 5. Au Fonds sont ajoutées les recettes des soldes imposés des crédits de l'IWT. Ces soldes imposés des crédits concernent des recettes imposées de projets européens qui seront affectées au paiement de dépenses de fonctionnement pour les projets européens concernés et au paiement du personnel travaillant pour ces projets européens.
  § 6. Au Fonds sont ajoutées les recettes des détachements de collaborateurs de l'" Agentschap Innoveren en Ondernemen ", de missions de consultance par des collaborateurs de l'" Agentschap Innoveren en Ondernemen ", de ventes de petit matériel et des recettes de projets européens exécutés par l'" Agentschap Innoveren en Ondernemen ". Ces recettes seront affectées aux dépenses de personnel et de fonctinonement de l'" Agentschap Innoveren en Ondernemen ". ".
Afdeling 4. - Researchpark Zellik
Section 4. - Parc de recherches Zellik
Art. 37. In artikel 33 van het decreet van 30 juni 2006 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2006 wordt het derde lid opgeheven.
Art. 37. Dans l'article 33, § 3, du décret du 30 juin 2006 contenant diverses mesures d'accompagnement de l'ajustement du budget 2006, l'alinéa 3 est abrogé :
Art. 38. In artikel 41 van het decreet van 21 december 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2002, gewijzigd bij de decreten van 20 december 2002, 24 december 2004 en 19 december 2008, worden volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 3, 4°, wordt tussen de zinsnede " § 3bis" en de woorden "werd overgedragen" de zinsnede "of § 11" ingevoegd;
  2° aan paragraaf 4 wordt een punt f) toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "f) de verwerving, het beheer en de herinrichting van onroerende goederen.";
  3° er wordt een paragraaf 11 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 11. Het Hermesfonds neemt de op 31 december 2015 uitstaande vorderingen, verbintenissen en verplichtingen over van het Fonds voor de verwerving, het beheer en de vervreemding van onroerende goederen, opgericht bij het decreet van 18 december 2009 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2010.
  De middelen die voortvloeien uit de overgedragen vorderingen, verbintenissen en verplichtingen worden gevoegd bij de financiële middelen van het Fonds voor de verwerving, het beheer en de vervreemding van onroerende goederen.
  De op 31 december 2015 beschikbare saldi van het Fonds voor de verwerving, het beheer en de vervreemding van onroerende goederen worden overgedragen aan het Hermesfonds.".
Art. 38. A l'article 41 du décret du 21 décembre 2001 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2002, modifié par les décrets des 20 décembre 2002, 24 décembre 2004 et 19 décembre 2008, sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans le paragraphe 3, 4°, les mots " en application du § 3bis " sont remplacés par les mots " en application des §§ 3bis ou 11 " ;
  2° au paragraphe 4, il est ajouté un point f), rédigé comme suit :
  " f) de l'acquisition, de la gestion et du réaménagement de biens immobiliers. " ;
  3° un paragraphe 11 est ajouté qui s'énonce comme suit :
  " § 11. Le " Hermesfonds " reprend les créances, engagements et obligations en cours au 31 décembre 2015 du " Fonds voor de verwerving, het beheer en de vervreemding van onroerende goederen ", créé par le décret du 18 décembre 2009 portant mesures d'accompagnement du budget 2010.
  Les moyens découlant des créances, engagements et obligations transférés sont ajoutés aux moyens financiers du " Fonds voor de verwerving, het beheer en de vervreemding van onroerende goederen ".
  Les soldes du " Fonds voor de verwerving, het beheer en de vervreemding van onroerende goederen " disponibles au 31 décembre 2015 sont transférés au " Hermesfonds ".
HOOFDSTUK 7. - Cultuur, Jeugd, Sport en Media
CHAPITRE 7. - Culture, Jeunesse, Sport et Médias
Afdeling 1. - Correctiefactor loonsubsidies
Section 1re. - Facteur de correction subventions salariales
Art. 39. In artikel 23 van het decreet van 13 juli 2001 houdende de regeling van de erkenning en de subsidiëring van de Vlaamse sportfederaties, de koepelorganisatie en de organisaties voor de sportieve vrijetijdsbesteding wordt paragraaf 10 opgeheven.
Art. 39. Dans l'article 23 du décret du 13 juillet 2001 portant réglementation de l'agrément et du subventionnement des fédérations sportives flamandes, de l'organisation coordinatrice et des organisations des sports récréatifs, le paragraphe 10 est abrogé.
Art. 40. In artikel 37 van hetzelfde decreet wordt paragraaf 9 opgeheven.
Art. 40. Dans l'article 37 du même décret, le paragraphe 9 est abrogé.
Afdeling 2. - Fonds CED-ECP
Section 2. - Fonds CED-ECP
Art. 41. Aan artikel 18, derde lid, van het decreet van 8 juli 2011 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2011, vervangen bij het decreet van 19 december 2014, worden de woorden "en de middelen die het Vlaams Audiovisueel Fonds ter beschikking stelt van de Creative Europe Desk" toegevoegd.
Art. 41. A l'article 18, alinéa trois, du décret du 8 juillet 2011 contenant diverses mesures d'accompagnement de l'ajustement du budget 2011, remplacé par le décret du 19 décembre 2014, les mots " ainsi que les ressources que le Fonds flamand de l'Audiovisuel met à la disposition du Creative Europe Desk " sont ajoutés.
Afdeling 3. - Aanpassing decreet Jeugd- en Kinderrechtenbeleid
Section 3. - Adaptation du décret relatif à la politique des droits de l'enfant et de la jeunesse
Art. 42. In artikel 13 van het decreet van 20 januari 2012 houdende een vernieuwd jeugd- en kinderrechtenbeleid worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, tweede lid, wordt de laatste zin opgeheven;
  2° paragraaf 2 wordt opgeheven.
Art. 42. A l'article 13, § 5, (lire : l'article 13) du décret du 20 janvier 2012 relatif à une politique rénovée des droits de l'enfant et de la jeunesse, sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans le paragraphe 1er, alinéa deux, la dernière phrase est abrogée ;
  2° le paragraphe 2 est abrogé.
HOOFDSTUK 8. - Werk en Sociale Economie
CHAPITRE 8. - Emploi et Economie sociale
Afdeling 1. - Indieningstermijn betaald educatief verlof
Section 1re. - Délai d'introduction congé-éducation payé
Art. 44. In artikel 137bis, § 1, van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, ingevoegd bij de wet van 22 december 1989 en gewijzigd bij de wet van 17 mei 2007 en het koninklijk besluit van 28 maart 1995, worden tussen het tweede en het derde lid twee leden ingevoegd, die luiden als volgt:
  "De termijn, vermeld in het eerste lid, wordt voor het schooljaar 2014-2015 herleid tot een jaar en drie maanden.
  De termijn, vermeld in het eerste lid, wordt vanaf het schooljaar 2015-2016 herleid tot een jaar.".
Art. 44. Dans l'article 137bis, § 1er, de la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales, inséré par la loi du 22 décembre 1989 et modifié par la loi du 17 mai 2007 et l'arrêté royal du 28 mars 1995, deux alinéas sont insérés entre l'alinéa deux et l'alinéa trois, rédigés comme suit :
  " Le délai, visé à l'alinéa premier, est ramené à un an et trois mois pour l'année scolaire 2014-2015.
  Le délai, visé à l'alinéa premier, est ramené à un an à partir de l'année scolaire 2015-2016. ".
Afdeling 2. - Oprichting begrotingsfonds terugvorderingen VCF
Section 2. - Création d'un " begrotingsfonds terugvorderingen VCF " (fonds budgétaire recouvrements VCF)
Art. 45. § 1. Er wordt een fonds opgericht binnen het Departement WSE voor de uitvoering van projecten die tot stand komen met cofinanciering van de Europese Unie. Dit fonds is een begrotingsfonds [1 als vermeld in artikel 15, § 2, van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019]1, hierna het fonds te noemen.
  § 2. De inkomsten van het fonds worden gespijsd door de terugvorderingen van subsidies of bedragen voor de financiering van overeenkomsten betreffende de Vlaamse cofinanciering van ESF-projecten, die door de begunstigden niet of op onrechtmatige wijze werden aangewend of waarvan de aanwending onvoldoende wordt verantwoord [2 , en door de middelen die de vzw ESF-Agentschap, opgericht bij het decreet van 8 november 2002 houdende de oprichting van de vzw ESF-Agentschap, bezorgt aan het departement, vermeld in paragraaf 1, om het Europees Sociaal Fonds te ondersteunen en te implementeren]2.
  § 3. De inkomsten van het fonds mogen aangewend worden voor uitgaven voor diensten, werking, exploitatie en uitrusting, voor zover deze uitgaven verband houden met de realisatie van de projecten met cofinanciering van de EU.
  
Art. 45. § 1er. Il est créé un fonds au sein du département WSE en vue de l'exécution de projets réalisés moyennant le cofinancement de l'Union européenne. Ce fonds est un fonds budgétaire, [1 tel que mentionné à l'article 15, § 2, du Code flamand des Finances publiques du 29 mars 2019]1, dénommé ci-après le Fonds.
  § 2. Le fonds est alimenté par la récupération de subventions ou de montants pour le financement de conventions relatives au cofinancement flamand de projets FSE, qui n'ont pas été affectés ou affectés de manière injustifiée par les bénéficiaires, ou dont l'affectation est insuffisamment justifiée [2 , et par les fonds mis à disposition par l'asbl ESF-Agentschap, créée par le décret du 8 novembre 2002 portant création de l'asbl ESF-Agentschap, du département, visé au paragraphe 1er, pour soutenir et mettre en oeuvre le Fonds social européen]2.
  § 3. Les revenus du fonds peuvent être utilisés pour les dépenses destinées aux services, au fonctionnement, à l'exploitation et à l'équipement, pour autant que ces dépenses soient relatées à la réalisation de projets bénéficiant d'un cofinancement de l'UE.
  
HOOFDSTUK 9. - Onderwijs en Vorming
CHAPITRE 9. - Enseignement et Formation
Afdeling 1. - Uitzonderlijke maatregel geïntegreerd onderwijs 2015-2016 buitengewoon basisonderwijs
Section 1re. - Mesure exceptionnelle enseignement intégré 2015-2016 enseignement fondamental spécial
Art. 46. Met het oog op het in overeenstemming brengen van overschotten en tekorten aan begeleidingseenheden geïntegreerd onderwijs worden in het schooljaar 2015-2016 volgende afwijkingen voorzien in het buitengewoon basisonderwijs:
  1° afwijkingen op de artikelen 142 en 153bis van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997:
  a) ook de lestijden en uren toegekend overeenkomstig artikel 155 kunnen worden overgedragen;
  b) de overdracht kan gebeuren tot 1 november 2015;
  c) de overdracht kan meer bedragen dan 3 % van het totale lestijden- en urenpakket met inbegrip van de lestijden en uren toegekend in het kader van artikel 155;
  d) de lestijden en uren kunnen ook overgedragen worden naar een school voor buitengewoon secundair onderwijs;
  2° afwijking op artikel 155, § 1, van hetzelfde decreet: de lestijden en uren kunnen ook toegekend worden aan een school voor buitengewoon secundair onderwijs.
Art. 46. En vue de l'alignement des excédents et déficits de cours supplémentaires dans l'enseignement intégré, les dérogations suivantes sont prévues dans l'enseignement fondamental spécial pendant l'année scolaire 2015-2016 :
  1° dérogations aux articles 142 et 153bis du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental :
  a) les périodes ou heures de cours attribuées conformément à l'article 155 peuvent également être transférées ;
  b) le transfert peut avoir lieu jusqu'au 1er novembre 2015 ;
  c) le transfert peut dépasser les 3 % du capital-périodes et du capital-heures total, y compris les périodes et heures attribuées dans le cadre de l'article 155 ;
  d) les périodes et heures de cours peuvent également être transférées à une école d'enseignement secondaire spécial ;
  2° dérogation à l'article 155, § 1er, du même décret : les périodes et heures de cours peuvent également être attribuées à une école d'enseignement secondaire spécial.
Afdeling 2. - Uitzonderlijke maatregel geïntegreerd onderwijs 2015-2016 buitengewoon secundair onderwijs
Section 2. - Mesure exceptionnelle enseignement intégré 2015-2016 enseignement secondaire spécial
Art. 47. Met het oog op het in overeenstemming brengen van overschotten en tekorten aan begeleidingseenheden geïntegreerd onderwijs worden in het schooljaar 2015-2016 volgende afwijkingen voorzien in het buitengewoon secundair onderwijs:
  1° afwijking op de artikelen 19, 20 en 313, § 2, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010:
  a) ook de lesuren en uren toegekend overeenkomstig artikelen 304, §§ 1 en 4, en 312, §§ 1 en 4, kunnen worden overgedragen;
  b) de overdracht kan netoverschrijdend gebeuren;
  c) de overdracht kan meer bedragen dan 3% van het totale lesuren- en urenpakket met inbegrip van de lesuren en uren toegekend in het kader van de artikelen 304, §§ 1 en 4, en 312, §§ 1 en 4;
  2° afwijking op de artikelen 2, § 1, en 2, § 3, van de Codex Secundair Onderwijs: de lesuren en uren, bedoeld in punt 1°, kunnen ook overgedragen worden van een school van buitengewoon secundair onderwijs naar een school voor buitengewoon basisonderwijs;
  3° afwijking op artikel 2, § 3, van de Codex Secundair Onderwijs: de lesuren en de uren, bedoeld in de artikelen 304, § 1, en 312, § 1, kunnen ook toegekend worden aan een school voor buitengewoon basisonderwijs.
Art. 47. En vue de l'alignement des excédents et déficits de cours supplémentaires dans l'enseignement intégré, les dérogations suivantes sont prévues dans l'enseignement secondaire spécial pendant l'année scolaire 2015-2016 :
  1° dérogation aux articles 19, 20 et 313, § 2, du Code de l'Enseignement secondaire du 17 décembre 2010 :
  a) les périodes et heures attribuées conformément aux articles 304, §§ 1er et 4, et 312, §§ 1er et 4, peuvent également être transférées ;
  b) le transfert peut se faire de manière inter-réseaux ;
  c) le transfert peut dépasser les 3 % du capital-périodes et du capital-heures total, y compris les périodes et heures attribuées dans le cadre des articles 304, §§ 1er et 4, et 312, §§ 1er et 4 ;
  2° des dérogations aux articles 2, § 1er, et 2, § 3, du Code de l'Enseignement secondaire : les périodes et heures, visées au point 1°, peuvent également être transférées d'une école d'enseignement secondaire spécial à une école d'enseignement fondamental spécial ;
  3° une dérogation à l'article 2, § 3, du Code de l'Enseignement secondaire : les périodes et heures, visées aux articles 304, § 1er, et 312, § 1er, peuvent également être attribuées à une école d'enseignement fondamental spécial. ".
Afdeling 3. - Heroriëntering middelen Expertisenetwerk
Section 3. - Réorientation des moyens du réseau d'expertise
Art. 48. In artikel II.108 van de Codex Hoger Onderwijs, zoals gecodificeerd op 11 oktober 2013, wordt paragraaf 3 opgeheven.
Art. 48. Dans l'article II.108 du Code de l'Enseignement supérieur, tel que codifié le 11 octobre 2013, le paragraphe 3 est abrogé.
Art. 49. In artikel II.112, § 1, van de Codex Hoger Onderwijs, zoals gecodificeerd op 11 oktober 2013, worden volgende wijzigingen doorgevoerd:
  1° de zinsnede "van een strategisch beleidsplan van een Expertisenetwerk of regionaal platform dat de organisatie en ontwikkeling van de specifieke lerarenopleidingen en de kwaliteitszorg beschrijft, zoals vermeld in artikel II.115" wordt opgeheven;
  2° de woorden "in het Expertisenetwerk" worden opgeheven.
Art. 49. Dans l'article II.112, § 1er, du Code de l'Enseignement supérieur, tel que codifié le 11 octobre 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le membre de phrase " d'un plan directeur stratégique d'un Réseau d'expertise ou d'une plateforme régionale décrivant l'organisation et le développement des formations spécifiques des enseignants et le système d'assurance-qualité, tels que visés à l'article II.115 " est abrogé.
  2° les mots " dans le Réseau d'expertise " sont abrogés.
Art. 50. In artikel II.114, § 3, van de Codex Hoger Onderwijs, zoals gecodificeerd op 11 oktober 2013, wordt de zin "Daarbij wordt rekening gehouden met het assessment, vermeld in artikel II.115, tweede lid." opgeheven.
Art. 50. Dans l'article II.114, § 3, du Code de l'Enseignement supérieur, tel que codifié le 11 octobre 2013, la phrase " Dans ce contexte, il est tenu compte de l'assessment, visé à l'article II.115, deuxième alinéa. " est abrogée.
Art. 51. Afdeling 4. Samenwerking, Expertisenetwerken en regionale platformen inzake leraren, van de Codex Hoger Onderwijs, zoals gecodificeerd op 11 oktober 2013, die bestaat uit artikelen II.115 en II.116, wordt vervangen door wat volgt:
  "Afdeling 4. - Samenwerking en ondersteuning van lerarenopleidingen
  Art. II.115. De hogescholen en/of universiteiten en/of ambtshalve geregistreerde instellingen en/of centra voor volwassenenonderwijs kunnen een overeenkomst sluiten over de organisatie van de lerarenopleidingen, met name onderwijs- en studieactiviteiten, de kwaliteitszorg en het gebruik van infrastructuur.
  Art. II.116. De Vlaamse Regering kan middelen toekennen voor initiatieven die de kwaliteit van de lerarenopleidingen verbeteren en/of de samenwerking tussen lerarenopleidingen bevorderen. Hiertoe zal ze minstens vijfjaarlijks de beleidsprioriteiten vastleggen.
  Deze initiatieven kunnen georganiseerd worden door hogescholen en/of universiteiten en/of ambtshalve geregistreerde instellingen en/of centra voor volwassenenonderwijs, die één of meerdere lerarenopleidingen (zowel geïntegreerde lerarenopleidingen als specifieke lerarenopleidingen) organiseren.
  De Vlaamse Regering stelt nadere inhoudelijke, organisatorische en procedurele regels vast voor de toekenning van de middelen.".
Art. 51. Section 4. Coopération, Réseaux d'expertise et plates-formes régionales pour la formation des enseignants, du Code de l'Enseignement supérieur, tel que codifié le 11 octobre 2013, comprenant les articles II.115 et II.116, est remplacée par ce qui suit :
  " Section 4. Coopération et soutien aux formations des enseignants
  Art. II.115. Les instituts supérieurs et/ou universités et/ou institutions enregistrées d'office et/ou centres d'éducation des adultes peuvent conclure une convention sur l'organisation des formations des enseignants, notamment sur les activités d'enseignement et d'études, la gestion de la qualité et l'utilisation d'infrastructure.
  Art. II.116. Le Gouvernement flamand peut octroyer des moyens aux initiatives qui améliorent la qualité des formations des enseignants et/ou favorisent la coopération entre les formations des enseignants. Au moins tous les cinq ans, il fixera des priorités politiques à cet effet.
  Ces initiatives peuvent être organisées par des instituts supérieurs et/ou universités et/ou institutions enregistrées d'office et/ou centres d'éducation des adultes, qui organisent une ou plusieurs formations des enseignants (tant intégrées que spécifiques).
  Le Gouvernement flamand fixe des modalités quant au contenu, à l'organisation et à la procédure pour l'octroi des moyens. ".
Art. 52. In artikel III.33 van de Codex Hoger Onderwijs, zoals gecodificeerd op 11 oktober 2013, worden volgende wijzigingen doorgevoerd:
  1° de zinsnede "van een strategisch beleidsplan van een Expertisenetwerk of regionaal platform dat de organisatie en ontwikkeling van de specifieke lerarenopleidingen en de kwaliteitszorg beschrijft" wordt opgeheven;
  2° de zinsnede "in het Expertisenetwerk" wordt opgeheven.
Art. 52. Dans l'article III.33 du Code de l'Enseignement supérieur, tel que codifié le 11 octobre 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le membre de phrase " d'un plan directeur stratégique d'un Réseau d'expertise ou d'une plateforme régionale décrivant l'organisation et le développement des formations spécifiques des enseignants et le système d'assurance-qualité " est abrogé ;
  2° le membre de phrase " dans le Réseau d'expertise " est abrogé.
Art. 53. In artikel 17 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs wordt paragraaf 3 opgeheven.
Art. 53. Dans l'article 17 du décret du 15 juin 2007 relatif à l'éducation des adultes, le paragraphe 3 est abrogé.
Art. 54. Afdeling VII. Specifieke lerarenopleiding: samenwerking en expertisenetwerken, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, die bestaat uit artikelen 71 en 72, wordt vervangen door wat volgt:
  "Afdeling VII. Samenwerking en ondersteuning van lerarenopleidingen
  Art. 71. De besturen van de centra voor volwassenenonderwijs kunnen met de hogescholen en/of universiteiten en/of ambtshalve geregistreerde instellingen en/of centra voor volwassenenonderwijs een overeenkomst sluiten over de organisatie van de lerarenopleidingen, met name onderwijs- en studieactiviteiten, de kwaliteitszorg en het gebruik van infrastructuur.
  Art. 72. De Vlaamse Regering kan middelen toekennen voor initiatieven die de kwaliteit van de lerarenopleidingen verbeteren en/of de samenwerking tussen lerarenopleidingen bevorderen. Hiertoe zal ze minstens vijfjaarlijks de beleidsprioriteiten vastleggen.
  Deze initiatieven kunnen georganiseerd worden door hogescholen en/of universiteiten en/of ambtshalve geregistreerde instellingen en/of centra voor volwassenenonderwijs, die één of meerdere lerarenopleidingen (zowel geïntegreerde lerarenopleidingen als specifieke lerarenopleidingen) organiseren.
  De Vlaamse Regering stelt nadere inhoudelijke, organisatorische en procedurele regels vast voor de toekenning van de middelen.".
Art. 54. Section VII. Formation des enseignants spécifique : coopération et réseaux d'expertise, du décret du 15 juin 2007 relatif à l'éducation des adultes, comprenant les articles 71 et 72, est remplacée par ce qui suit :
  " Section VII. Coopération et soutien aux formations des enseignants
  Art. 71. Les administrations des Centres d'éducation des adultes peuvent conclure avec les instituts supérieurs et/ou universités et/ou institutions enregistrées d'office et/ou centres d'éducation des adultes, une convention sur l'organisation des formations des enseignants, notamment sur les activités d'enseignement et d'études, la gestion de la qualité et l'utilisation d'infrastructure.
  Art. 72. Le Gouvernement flamand peut octroyer des moyens aux initiatives qui améliorent la qualité des formations des enseignants et/ou favorisent la coopération entre les formations des enseignants. Au moins tous les cinq ans, il fixera des priorités politiques à cet effet.
  Ces initiatives peuvent être organisées par des instituts supérieurs et/ou universités et/ou institutions enregistrées d'office et/ou centres d'éducation des adultes, qui organisent une ou plusieurs formations des enseignants (tant intégrées que spécifiques).
  Le Gouvernement flamand fixe des modalités quant au contenu, à l'organisation et à la procédure pour l'octroi des moyens. ".
Afdeling 4. - Middelenfonds
Section 4. - " Middelenfonds " (Fonds des moyens)
Art. 55. § 1. Er wordt een begrotingsfonds opgericht voor de aanwending van teruggevorderde salarissen en salaristoelagen [1 en andere ontvangsten]1 van de sector Onderwijs, hierna genoemd `het middelenfonds'.
  § 2. Het middelenfonds is een begrotingsfonds [3 als vermeld in artikel 15, § 2, van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019]3.
  § 3. Het middelenfonds wordt gespijsd door alle ontvangsten die voortvloeien uit de terugvorderingen van salarissen en salaristoelagen [2 en andere onderwijsgerelateerde ontvangsten.]2.
  § 4. De middelen van het fonds dienen aangewend te worden voor de betaling van salarissen, salaristoelagen of andere uitgaven ten voordele van het Vlaamse onderwijs.
  § 5. De boekhoudkundige verwerking van de verrichtingen gebeurt voor elk onderwijsnet afzonderlijk.
  
Art. 55. § 1er. Il est créé un fonds budgétaire pour l'affectation des traitements et subventions-traitements recouvrés [1 et autres recettes]1 du secteur de l'Enseignement, dénommé ci-après le " Middelenfonds " (Fonds des moyens).
  § 2. Le Fonds des moyens est un fonds budgétaire [3 tel que visé à l'article 15, § 2, du Code flamand des Finances publiques du 29 mars 2019]3.
  § 3. Le Fonds des moyens est alimenté par toutes les recettes provenant des recouvrements de traitements et de subventions-traitements [2 , et d'autres recettes relatives à l'enseignement]2.
  § 4. Les moyens du Fonds doivent être affectés au paiement de traitements, de subventions-traitements ou d'autres dépenses en faveur de l'enseignement flamand.
  § 5. Le traitement comptable des opérations se fait pour chaque réseau d'enseignement séparément.
  
Art. 56. Het saldo en de vastgestelde rechten, vastgesteld op 31 december 2015 op het fonds voor de aanwending van teruggevorderde ten onrechte gestorte wedden en weddetoelagen van de sector onderwijs, opgericht bij artikel 21 van het decreet van 21 december 1990 houdende begrotingstechnische bepalingen alsmede de bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991, wordt overgedragen naar het middelenfonds, opgericht in artikel 55 van dit decreet.
Art. 56. Le solde et les droits établis, établis le 31 décembre 2015 sur le pour l'affectation de traitements et subventions-traitements indûment versés et recouvrés du secteur de l'Enseignement, créé par l'article 21 du décret du 21 décembre 1990 contenant des dispositions budgétaires techniques ainsi que des dispositions accompagnant le budget 1991, sont transférés au Fonds des moyens, créé à l'article 55 du présent décret.
Art. 57. Artikel 21 van het decreet van 21 december 1990 houdende begrotingstechnische bepalingen alsmede de bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991, wordt opgeheven.
Art. 57. L'article 21 du décret du 21 décembre 1990 contenant des dispositions techniques budgétaires ainsi que les dispositions accompagnant le budget 1991, est abrogé.
Afdeling 5. - Verdeling ZAP, VOZun en puntengewichten
Section 5. - Répartition ZAP, VOZun et pondérations
Art. 58. In artikel III.5, § 13, van de Codex Hoger Onderwijs, zoals gecodificeerd op 11 oktober 2013, wordt de tabel vervangen als volgt:
  "
Art. 58. Dans l'article III.5, § 13, du Code de l'Enseignement supérieur, tel que codifié le 11 octobre 2013, le tableau est remplacé par ce qui suit :
  "
Begrotingsjaar VOWun VOWun 2014  VOZun VOZun 2014
 ZAP Puntengewichten ZAP ZAP ZAP
2012 440.000   360.000  
2013 1.925.000   1.575.000  
2014  2.000.000 3.575.000  2.925.000
2015  3.000.000 5.115.000  4.185.000
2016  3.519.000 5.971.000  4.886.000
2017  4.519.000 7.511.000  6.146.000
2018  5.519.000 8.996.000  7.361.000
2019  6.519.000 10.591.000  8.666.000
2020  7.519.000 12.186.000  9.971.000
2021  8.519.000 13.726.000  11.231.000
2022  9.519.000 15.321.000  12.536.000
2023  11.219.000 16.476.000  13.481.000
vanaf 2024  11.700.000 17.270.000  14.130.000
Begrotingsjaar VOWun VOWun 2014 VOZun VOZun 2014ZAP Puntengewichten ZAP ZAP ZAP2012 440.000 360.000 2013 1.925.000 1.575.000 2014 2.000.000 3.575.000 2.925.0002015 3.000.000 5.115.000 4.185.0002016 3.519.000 5.971.000 4.886.0002017 4.519.000 7.511.000 6.146.0002018 5.519.000 8.996.000 7.361.0002019 6.519.000 10.591.000 8.666.0002020 7.519.000 12.186.000 9.971.0002021 8.519.000 13.726.000 11.231.0002022 9.519.000 15.321.000 12.536.0002023 11.219.000 16.476.000 13.481.000vanaf 2024 11.700.000 17.270.000 14.130.000
".
Année budgétaire VOWun VOWun 2014  VOZun VOZun 2014
 ZAP Pondération ZAP ZAP ZAP
2012 440.000   360.000  
2013 1.925.000   1.575.000  
2014  2.000.000 3.575.000  2.925.000
2015  3.000.000 5.115.000  4.185.000
2016  3.519.000 5.971.000  4.886.000
2017  4.519.000 7.511.000  6.146.000
2018  5.519.000 8.996.000  7.361.000
2019  6.519.000 10.591.000  8.666.000
2020  7.519.000 12.186.000  9.971.000
2021  8.519.000 13.726.000  11.231.000
2022  9.519.000 15.321.000  12.536.000
2023  11.219.000 16.476.000  13.481.000
à partir de 2024  11.700.000 17.270.000  14.130.000
Année budgétaire VOWun VOWun 2014 VOZun VOZun 2014ZAP Pondération ZAP ZAP ZAP2012 440.000 360.000 2013 1.925.000 1.575.000 2014 2.000.000 3.575.000 2.925.0002015 3.000.000 5.115.000 4.185.0002016 3.519.000 5.971.000 4.886.0002017 4.519.000 7.511.000 6.146.0002018 5.519.000 8.996.000 7.361.0002019 6.519.000 10.591.000 8.666.0002020 7.519.000 12.186.000 9.971.0002021 8.519.000 13.726.000 11.231.0002022 9.519.000 15.321.000 12.536.0002023 11.219.000 16.476.000 13.481.000à partir de 2024 11.700.000 17.270.000 14.130.000
".
Afdeling 6. - Herinvestering financiering hogescholen
Section 6. - Réinvestissement financement des instituts supérieurs
Art. 59. Aan artikel III.5 van de Codex Hoger Onderwijs, zoals gecodificeerd op 11 oktober 2013, wordt een paragraaf 15 toegevoegd die luidt als volgt:
  " § 15. Vanaf het begrotingsjaar 2016 worden de bedragen VOWprof2014 en VOWhko2014 als vermeld in of berekend conform dit artikel, vermeerderd met de volgende bedragen:
  1° VOWprof2014: 3.031.000 euro;
  2° VOWhko2014: 452.000 euro.
  De bedragen, vermeld in deze paragraaf, zijn op indexniveau 2016 en worden vanaf het begrotingsjaar 2017 jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in paragraaf 9 van dit artikel.".
Art. 59. L'article III.5 du Code de l'Enseignement supérieur, tel que codifié le 11 octobre 2013, est complété par un paragraphe 15, rédigé comme suit :
  " § 15. A partir de l'année budgétaire 2016, les montants VOWprof2014 et VOWhko2014, tels que visés au ou calculés conformément au présent article, sont majorés des montants suivants :
  1° VOWprof2014 : 3.031.000 euros ;
  2° VOWhko2014 : 452.000 euros.
  Les montants visés au présent paragraphe se trouvent au niveau de l'indice 2016 et sont indexés annuellement à partir de l'année budgétaire 2017 au moyen de la formule d'indexation visée au paragraphe 9 du présent article. ".
Afdeling 7. - `Kliks' variabele onderwijsdelen hoger onderwijs
Section 7. - " Clics " volets variables " enseignement " dans l'enseignement supérieur
Art. 60. Artikel III.6/1 van de Codex Hoger Onderwijs, zoals gecodificeerd op 11 oktober 2013, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. III.6/1. In afwijking van artikel III.6, § 1, § 2 en § 3, van deze codex, evolueren in de begrotingsjaren 2015 en 2016 de bedragen van de variabele onderwijsdelen niet als het aantal opgenomen studiepunten in het desbetreffende variabele onderwijsdeel berekend voor de begrotingsjaren 2015 en 2016 toeneemt met ten minste 2% ten opzichte van de referentiepunten. Er worden ook geen nieuwe referentiepunten vastgelegd bij een eventuele stijging van 2% of meer van het aantal opgenomen studiepunten voor het desbetreffende variabele onderwijsdeel.".
Art. 60. L'article III.6/1 du Code de l'Enseignement supérieur, tel que codifié le 11 octobre 2013, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. III.6/1. Par dérogation à l'article III.6, § 1er, § 2 et § 3, du présent Code, les montants destinés aux volets variables " enseignement " n'évoluent pas dans les années budgétaires 2015 et 2016 lorsque le nombre d'unités d'études dans le volet variable " enseignement " concerné calculé pour les années budgétaires 2015 et 2016 augmente d'au moins 2 % par rapport aux unités de référence. De nouvelles unités de référence ne sont pas non plus fixées en cas d'une augmentation éventuelle de 2 % ou plus du nombre d'unités d'études repris pour le volet variable "enseignement" concerné. ".
Afdeling 8. - Verdeling aanvullende onderzoeksmiddelen
Section 8. - Répartition des moyens de recherche complémentaires.
Art. 61. Aan artikel III.39 van de Codex Hoger Onderwijs, zoals gecodificeerd op 11 oktober 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 3, tweede lid, wordt de tabel vervangen door wat volgt:
  "
Art. 61. Dans l'article III.39 du Code de l'Enseignement supérieur, tel que codifié le 11 octobre 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 3, alinéa deux, le tableau est remplacé par ce qui suit :
  "
Begrotingsjaar Bedrag (uitgedrukt in miljoen euro)
2014 12,82
2015 18,64
2016 21,61
2017 27,43
2018 32,73
2019 38,23
2020 43,53
2021 48,83
2022 54,33
2023 58,01
vanaf 2024 60,67
Begrotingsjaar Bedrag (uitgedrukt in miljoen euro)2014 12,822015 18,642016 21,612017 27,432018 32,732019 38,232020 43,532021 48,832022 54,332023 58,01vanaf 2024 60,67
";
  2° er wordt een paragraaf 8 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 8. De bedragen van de aanvullende onderzoeksmiddelen, berekend overeenkomstig dit artikel, met uitzondering van de bedragen vermeld in paragraaf 1 en paragraaf 3 die vanaf 2015 toegevoegd worden, worden vanaf het begrotingsjaar 2016 bijkomend met 1% verminderd.".
Année budgétaire Montant (en millions d'euros)
2014 12,82
2015 18,64
2016 21,61
2017 27,43
2018 32,73
2019 38,23
2020 43,53
2021 48,83
2022 54,33
2023 58,01
à partir de 2024 60,67
Année budgétaire Montant (en millions d'euros)2014 12,822015 18,642016 21,612017 27,432018 32,732019 38,232020 43,532021 48,832022 54,332023 58,01à partir de 2024 60,67
";
  2° un paragraphe 8 est inséré qui s'énonce comme suit :
  " § 8. Les montants des moyens de recherche complémentaires, calculés conformément au présent article, à l'exception des montants visés au paragraphe 1er et au paragraphe 3 qui sont ajoutés à partir de 2015, sont réduits de 1 % complémentaire à partir de l'année budgétaire 2016. ".
Afdeling 9. - Verdeling bijkomende financiering hogeronderwijsinstellingen Brussel-Hoofdstad
Section 9. - Répartition du financement supplémentaire parmi les institutions d'enseignement supérieur Bruxelles-Capitale
Art. 62. Aan artikel III.41, § 1, van de Codex Hoger Onderwijs, zoals gecodificeerd op 11 oktober 2013, wordt een lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Vanaf begrotingsjaar 2016 wordt de som van de bedragen, vermeld en berekend overeenkomstig deze paragraaf, verminderd met een bedrag van 1.000.000 euro.".
Art. 62. L'article III.41, § 1er, du Code de l'Enseignement supérieur, tel que codifié le 11 octobre 2013, est complété par un alinéa, rédigé comme suit :
  " A partir de l'année budgétaire 2016, la somme des montants, mentionnés et calculés conformément au présent paragraphe, est réduite d'un montant de 1.000.000 euros. ".
Afdeling 10. - Verdeling hbo5-middelen
Section 10. - Répartition des moyens hbo5
Art. 63. Aan artikel III.55 van de Codex Hoger Onderwijs, zoals gecodificeerd op 11 oktober 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 worden de woorden "een nader te bepalen begrotingsjaar" vervangen door de zinsnede "het begrotingsjaar 2016";
  2° aan het einde van paragraaf 1 wordt de zinsnede "van 1.500.000 euro" toegevoegd;
  3° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 2. Het bedrag vermeld in paragraaf 1 wordt vanaf begrotingsjaar 2017 jaarlijks geïndexeerd volgende de bepalingen in artikel III.5, § 9.";
  4° in paragraaf 4 wordt de zinsnede "het bedrag waarin in paragraaf 2 voorzien wordt" vervangen door de zinsnede "182.250 euro".
Art. 63. Dans l'article III.55 du Code de l'Enseignement supérieur, tel que codifié le 11 octobre 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, les mots " une année budgétaire à préciser " sont remplacés par le membre de phrase " l'année budgétaire 2016 " ;
  2° le paragraphe 1er est complété par le membre de phrase " de 1.500.000 euros " ;
  3° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. A compter de l'année budgétaire 2017, le montant visé au paragraphe 1er est indexé annuellement conformément aux dispositions de l'article III.5, § 9. " ;
  4° dans le paragraphe 4, le membre de phrase " le montant prévu au paragraphe 2 " est remplacé par le membre de phrase " 182.250 euros ".
Afdeling 11. - Sociale toelage universiteiten
Section 11. - Allocation sociale des universités
Art. 64. In de Codex Hoger Onderwijs, zoals gecodificeerd op 11 oktober 2013, wordt een artikel III.71/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. III.71/1. In afwijking van artikel III.70 en III.71 ontvangen de universiteiten in het begrotingsjaar 2016 voor de sociale toelage hetzelfde bedrag als hetgene zij ontvangen hebben in het begrotingsjaar 2015.".
Art. 64. Dans le Code de l'Enseignement supérieur, tel que codifié le 11 octobre 2013, il est inséré un article III.71/1, rédigé comme suit :
  " Art. III.71/1. Par dérogation aux articles III.70 et III.71, les universités reçoivent, pendant l'année budgétaire 2016, le même montant pour l'allocation sociale que celui qu'elles ont reçu pendant l'année budgétaire 2015. "
Afdeling 12. - "Klik" zeevaartschool
Section 12. - " Clic " Zeevaartschool
Art. 65. In artikel 3 van het decreet van 20 februari 2009 betreffende de Hogere Zeevaartschool wordt paragraaf 5 vervangen door wat volgt:
  " § 5. In afwijking van paragraaf 1 van dit artikel evolueren in de begrotingsjaren 2015 en 2016 de bedragen van het variabel onderwijsdeel niet als het aantal opgenomen studiepunten berekend voor de begrotingsjaren 2015 en 2016 toeneemt met ten minste 2% ten opzichte van de referentiepunten. Er worden ook geen nieuwe referentiepunten vastgelegd bij een eventuele stijging van 2% of meer van het aantal opgenomen studiepunten.".
Art. 65. A l'article 3 du décret du 20 février 2009 relatif à la " Hogere Zeevaartschool " le paragraphe 5 est remplacé par ce qui suit :
  " § 5. Par dérogation au paragraphe 1er du présent article, les montants destinés au volet variable "enseignement" n'évoluent pas dans les années budgétaires 2015 et 2016 lorsque le nombre d'unités d'études calculé pour les années budgétaires 2015 et 2016 augmente d'au moins 2% par rapport aux unités de référence. De nouvelles unités de référence ne sont pas non plus fixées en cas d'une augmentation éventuelle de 2% ou plus du nombre d'unités d'études repris. ".
Afdeling 13. - Aanpassing middelen NT2
Section 13. - Adaptation des moyens NT2
Art. 66. In artikel 196quater van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, ingevoegd bij het decreet van 25 april 2014, worden volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 1. Voor schooljaar 2015-2016 worden in uitvoering van artikel 29, § 1, van het decreet van 7 juni 2013 betreffende het Vlaamse integratie- en inburgeringsbeleid, 44 949 aanvullende leraarsuren, 592 aanvullende punten en een bedrag van 382.802,30 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 87 aanvullende vte, 1 295 aanvullende punten en een bedrag van 912.974,39 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor basiseducatie toegekend.";
  2° het tweede lid van paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
  "Vanaf het schooljaar 2015-2016 wordt het aantal aanvullende leraarsuren voor de centra voor volwassenenonderwijs en het aantal aanvullende vte voor de centra voor basiseducatie verdeeld op basis van het aantal unieke cursisten Nederlands tweede taal, richtgraad 1 en alfabetisering Nederlands tweede taal in een inburgeringstraject.
  De aanvullende punten en werkingsmiddelen worden naar rato van het aantal toegekende aanvullende leraarsuren tussen de centra voor volwassenenonderwijs en naar rato van het aantal toegekende aanvullende vte tussen de centra voor de basiseducatie verdeeld.";
  3° het derde lid van paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
  "De beschikbare leraarsuren, vte, punten en werkingsmiddelen kunnen enkel aangewend worden voor de organisatie van de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1 van het studiegebied Nederlands tweede taal van het secundair volwassenenonderwijs voor de centra voor volwassenenonderwijs of voor de organisatie van de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1 van het leergebied Nederlands tweede taal van de basiseducatie en de opleidingen van het leergebied alfabetisering Nederlands tweede taal voor de centra voor basiseducatie.";
  4° in paragraaf 3 worden tussen het woord "leraarsuren" en het woord "vermeld" de woorden "en de aanvullende punten" ingevoegd;
  5° in paragraaf 4 worden de woorden "van de aanvullende leraarsuren en aanvullende vte" opgeheven.
Art. 66. A l'article 196quater du décret du 15 juin 2007 relatif à l'éducation des adultes, inséré par le décret du 25 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le paragraphe 1 est remplacé par ce qui suit :
  " § 1er. Pour l'année scolaire 2015-2016, en exécution de l'article 29, § 1er, du décret du 7 juin 2013 relatif à la politique flamande d'intégration et d'intégration civique, 44.949 périodes/enseignant complémentaires, 592 points complémentaires et un montant de 382.802,30 euros de moyens de fonctionnement sont octroyés aux centres d'éducation des adultes, et 87 ETP complémentaires, 1.295 points complémentaires et un montant de 912.974,39 euros de moyens de fonctionnement sont octroyés aux centres d'éducation de base. " ;
  2° l'alinéa deux du paragraphe 2er est remplacé par la disposition suivante :
  " A partir de l'année scolaire 2015-2016, le nombre de périodes/enseignant complémentaires pour les centres d'éducation des adultes et le nombre d'ETP complémentaires pour les centres d'éducation de base sont répartis sur la base du nombre d'apprenants uniques du néerlandais comme deuxième langue, degré-guide 1, et alphabétisation néerlandais deuxième langue dans un parcours d'intégration civique.
  Les points complémentaires et les moyens de fonctionnement sont répartis parmi les centres d'éducation des adultes au prorata du nombre de périodes/enseignant complémentaires octroyés, et parmi les centres d'éducation de base au prorata du nombre d'ETP complémentaires octroyés. " ;
  3° l'alinéa trois du paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
  " Les périodes/enseignant, ETP, points et moyens de fonctionnement disponibles ne peuvent être affectés qu'à l'organisation de la formation "Nederlands tweede taal richtgraad 1" de la discipline "Nederlands tweede taal" de l'enseignement secondaire des adultes pour les centres d'éducation des adultes ou pour l'organisation de la formation "Nederlands tweede taal richtgraad 1" du domaine d'apprentissage "Nederlands tweede taal" de l'éducation de base et les formations du domaine d'apprentissage "alfabetisering Nederlands tweede taal" pour les centres d'éducation de base. " ;
  4° dans le paragraphe 3, les mots " périodes/enseignant complémentaires visées " sont remplacés par les mots " périodes/enseignant complémentaires et les points complémentaires visés " ;
  5° dans le paragraphe 4, les mots " des périodes/enseignant complémentaires et des ETP complémentaires " sont abrogés.
Afdeling 14. - Aanpassing deler voor de geletterdheidsmodules Nederlands en Leren leren
Section 14. - Adaptation du diviseur pour les modules d'alphabétisation " Nederlands " et " Leren leren "
Art. 67. In artikel 98, § 1, tweede lid, 4°, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 12 juli 2013, worden tussen de woorden "voor de" en het woord "studiegebieden" de woorden "geletterdheidsmodules Nederlands en Leren leren en de" ingevoegd.
Art. 67. Dans l'article 98, § 1er, alinéa deux, 4°, du même décret, modifié par le décret du 12 juillet 2013, les mots " modules d'alphabétisation " Nederlands " et " Leren leren " " sont insérés entre les mots " pour les " et le mot " disciplines ".
Afdeling 15. - Inschrijvingsgeld deeltijds kunstonderwijs
Section 15. - Droits d'inscription dans l'enseignement artistique à temps partiel
Art. 68. In artikel 100quater, eerste lid, van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II, gewijzigd bij het decreet van 25 april 2014 betreffende het onderwijs XXIV, wordt punt 2° vervangen door wat volgt:
  "2° een attest overleggen, uitgereikt door de bevoegde overheid, waaruit blijkt dat hij:
  a) een leefloon van het OCMW ontvangt;
  b) een inkomensgarantie voor ouderen of een rentebijslag ontvangt;
  c) erkend is als gehandicapte en een tegemoetkoming van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid ontvangt;
  d) voor ten minste 66 % arbeidsongeschikt is;
  e) begunstigde is van een verhoogde kinderbijslag (erkend voor ten minste 66 %);
  f) persoon ten laste is van een persoon, bedoeld in a) of in b) of in c) of in d);".
Art. 68. Dans l'article 100quater, alinéa premier, du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement-II, modifié par le décret du 25 avril 2014 relatif à l'enseignement XXIV, le point 2° est remplacé par ce qui suit :
  " 2° fournir une attestation délivrée par l'autorité compétente, dont il ressort qu'il :
  a) reçoit un revenu d'intégration du CPAS ;
  b) reçoit un revenu garanti pour personnes âgées ou un supplément à la rente ;
  c) est reconnu comme personne handicapée et reçoit une allocation du Service public fédéral Sécurité sociale ;
  d) est atteint d'une incapacité de travail de 66% au moins ;
  e) est bénéficiaire d'allocations familiales majorées (reconnu pour 66 % au moins) ;
  f) est une personne à charge d'une personne, visée sous a) ou b) ou c) ou d) ;
Afdeling 16. - Begrotingsfonds dienstverlening AHOVOKS
Section 16. - Fonds budgétaire de Services AHOVOKS
Afdeling 17. - Middelen vluchtelingencrisis
Section 17. - Moyens crise des réfugiés.
Art. 70. In het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs wordt een artikel 196sexies ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 196sexies. § 1. Ten laste van het begrotingsjaar 2016 worden 111 449,50 aanvullende leraarsuren, 1 568,79 aanvullende punten en een bedrag van 972.650,20 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 128,12 aanvullende vte, 2 025,98 aanvullende punten en een bedrag van 1.446.102,48 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor basiseducatie toegekend.
  § 2. Deze middelen worden verdeeld op basis van het aantal unieke cursisten Nederlands tweede taal en alfabetisering Nederlands tweede taal in een inburgeringstraject.
  § 3. De middelen kunnen enkel aangewend worden voor de organisatie van de bijkomende opleidingen van het studiegebied Nederlands tweede taal van het secundair volwassenenonderwijs en de bijkomende opleidingen van de leergebieden alfabetisering Nederlands tweede taal en Nederlands tweede taal van de basiseducatie die de verhoogde instroom van vluchtelingen in een inburgeringstraject met zich meebrengt.
  § 4. De betrekking die met de aanvullende leraarsuren en de aanvullende punten, vermeld in paragraaf 1, wordt ingericht, kan niet worden vacant verklaard en het centrumbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen of muteren in deze betrekking.
  § 5. De Vlaamse Regering kan de verdeling, vermeld in paragraaf 1, aanpassen, wanneer blijkt dat de initiële verdeling niet voldoet aan de noden bij de centra voor volwassenenonderwijs en de centra voor basiseducatie.
  § 6. In afwijking van artikel 64, § 3, artikel 68, § 2, artikel 69 en artikel 70, kan het bestuur van een centrum voor volwassenenonderwijs een bestaande onderwijsbevoegdheid voor een opleiding van het studiegebied Nederlands tweede taal in een andere vestigingsplaats aanwenden dan in de vestigingsplaatsen waarvoor deze was toegekend, als aan onderstaande voorwaarden is voldaan:
  1° de aanvraag kadert in een project van beperkte duur in 2016;
  2° de opleiding waarop de aanvraag betrekking heeft wordt effectief ingericht in samenwerking met een bedrijf, een dienst of een organisatie waarmee een samenwerkingsovereenkomst werd afgesloten;
  3° er is een ondertekend akkoord van elk ander centrumbestuur dat in deze vestigingsplaats onderwijsbevoegdheid bezit voor dezelfde opleiding;
  4° er is een protocol van het lokaal comité van het aanvragende centrumbestuur.".
Art. 70. Dans le décret du 15 juin 2007 relatif à l'enseignement des adultes, il est inséré un article 196sexies, rédigé comme suit :
  " Art. 196sexies. § 1er. A charge de l'année budgétaire 2016, 111.449,50 périodes/enseignant complémentaires, 1.568,79 points complémentaires et un montant de 972.650,20 euros de moyens de fonctionnement sont octroyés aux centres d'éducation des adultes, et 128,12 ETP complémentaires, 2.025,98 points complémentaires et un montant de 1.446.102,48 euros de moyens de fonctionnement sont octroyés aux centres d'éducation de base.
  § 2. Ces moyens sont répartis sur la base du nombre d'apprenants uniques du néerlandais comme deuxième langue, degré-guide 1, et alphabétisation néerlandais deuxième langue dans un parcours d'intégration civique.
  § 3. Les moyens ne peuvent être affectés qu'à l'organisation de formations supplémentaires de la discipline "Nederlands tweede taal" de l'éducation secondaire des adultes et des formations supplémentaires des domaines d'apprentissage "alfabetisering Nederlands tweede taal" et "Nederlands tweede taal" de l'éducation de base résultant de l'augmentation des entrées de refugiés dans un parcours d'intégration civique.
  § 4. L'emploi organisé avec les périodes/enseignant complémentaires et les points complémentaires, visés au paragraphe 1er, ne peut être déclaré vacant et l'autorité du centre ne peut en aucun cas nommer à titre définitif ou muter un membre du personnel dans cet emploi.
  § 5. Le Gouvernement flamand peut adapter la répartition, visée au paragraphe 1er, lorsqu'il paraît que la répartition initiale ne répond pas aux besoins des centres d'éducation des adultes et des centres d'éducation de base.
  § 6. Par dérogation à l'article 64, § 3, l'article 68, § 2, l'article 69 et l'article 70, l'autorité d'un centre d'éducation des adultes peut affecter une compétence d'enseignement existante pour une formation de la discipline "Nederlands tweede taal" dans une implantation autre que les implantations pour lesquelles elle était accordée, si les conditions suivantes sont remplies :
  1° la demande s'inscrit dans un projet à durée limitée en 2016 ;
  2° la formation faisant l'objet de la demande est effectivement organisée en collaboration avec une entreprise, un service ou une organisation avec lequel (laquelle) un accord de coopération a été conclu ;
  3° il y a un accord signé de toute autre autorité de centre qui dispose d'une compétence d'enseignement dans cette implantation pour la même formation ;
  4° il y a un protocole du comité local de l'autorité du centre demanderesse. ".
Art. 71. Aan hoofdstuk II van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving wordt een artikel 19nonies toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 19nonies. § 1. Ten laste van het begrotingsjaar 2016 wordt bij het Departement Onderwijs en Vorming op FB0-1FGE2AJ-IS - Interne stromen - Schoolinfrastructuur een krediet ingeschreven.
  § 2. Deze middelen kunnen enkel aangewend worden voor AGIOn en voor het GO! voor de volledige subsidiëring en financiering van de realisatie van tijdelijke schoolinfrastructuur, namelijk de huur en plaatsing van tijdelijke modulaire units in het kader van de opvang van instromende minderjarigen in het onderwijssysteem (zowel kleuters, leerlingen basis- en secundair onderwijs, niet begeleide minderjarigen) naar aanleiding van de vluchtelingencrisis.".
Art. 71. Le chapitre II de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement est complété par un article 19nonies, rédigé comme suit :
  " Art. 19nonies. § 1er. A charge de l'année budgétaire 2016, il est inscrit un crédit à FBO-1FGE2AJ-IS - Flux internes - Infrastructure scolaire auprès du Département de l'Enseignement et de la Formation.
  § 2. Ces moyens ne peuvent être affectés qu'à AGIOn et GO!, pour le subventionnement et financement entier de la réalisation d'une infrastructure scolaire temporaire, à savoir la location et l'installation d'unités modulaires temporaires dans le cadre de l'accueil de mineurs entrants dans le système éducatif (tant des jeunes enfants que des élèves de l'enseignement fondamental et secondaire et des mineurs non accompagnés) à l'occasion de la crise des réfugiés. ".
Art. 72. Ten laste van het begrotingsjaar 2016 wordt bij het Departement Onderwijs en Vorming op FBO-1FBE2ZZ-PR Provisies - Provisies een krediet ingeschreven.
  Deze middelen kunnen enkel aangewend worden om, naar aanleiding van de vluchtelingencrisis, bijkomende specifieke maatregelen te nemen voor anderstalige nieuwkomers in het basis- of secundair onderwijs. De Vlaamse Regering wordt belast met de uitvoering van deze bepaling.
Art. 72. A charge de l'année budgétaire 2016, il est inscrit un crédit à FBO-1FBE2ZZ-PR - Provisions - Provisions auprès du Département de l'Enseignement et de la Formation.
  Ces moyens ne peuvent être affectés qu'à la prise de mesures spécifiques, à l'occasion de la crise des réfugiés, pour des primo-arrivants allophones dans l'enseignement fondamental ou secondaire. Le Gouvernement flamand est chargé de l'exécution de la présente disposition.
Afdeling 18. - Huursubsidies schoolinfrastructuur
Section 18. - Subventions de location infrastructure scolaire
Art. 73. Artikel 19bis van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 19bis. § 1. Elke inrichtende macht mag binnen de perken van de begrotingskredieten een dossier indienen bij AGIOn voor het huren van een schoolgebouw dat voorheen nog niet als onderwijsbestemming werd ingezet. Deze huursubsidie kadert in projecten voor bestaande gebouwen, vernieuwbouw of nieuwbouw waarbij ofwel nieuwe capaciteitsuitbreiding gerealiseerd wordt ofwel bedreigde capaciteit effectief hersteld wordt, binnen het basis- en secundair onderwijs en de internaten.
  § 2. De maximumtermijn van de huurovereenkomst bedraagt 18 jaar vanaf de aanvang van de huurovereenkomst.
  § 3. Op basis van een periodieke oproep bepaalt een selectiecommissie binnen AGIOn aan de hand van objectieve criteria, zoals de huurtermijn en multi-inzetbaarheid, de dossiers binnen de perken van de begrotingskredieten.
  § 4. Wijzigingen met betrekking tot de huurovereenkomst worden onmiddellijk voorgelegd aan AGIOn en kunnen leiden tot wijzigingen van de beslissing van AGIOn met betrekking tot de huursubsidie.
  § 5. Voor de huursubsidie die AGIOn toekent, geldt hetzelfde subsidiepercentage als in de reguliere subsidiëring, zoals vermeld in artikel 17, § 1.
  § 6. De Vlaamse Regering bepaalt de werkwijze met betrekking tot de periodieke oproep, de samenstelling en werking van de selectiecommissie binnen AGIOn, de wijze van selectie van de dossiers, de normen met inbegrip van de financiële norm, de modaliteiten, de berekeningswijze en de wijze van toekenning, uitbetaling en verantwoording van de huursubsidie.''.
Art. 73. L'article 19bis de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 19bis. § 1er. Tout pouvoir organisateur peut, dans les limites des crédits budgétaires, introduire un dossier auprès d'AGIOn pour la location d'un bâtiment scolaire qui n'avait pas encore d'affectation à l'enseignement auparavant. Cette subvention de location s'inscrit dans le cadre de projets pour bâtiments existants, rénovation ou constructions nouvelles, qui soit réalisent une nouvelle extension de capacité, soit réparent effectivement une capacité menacée, au sein de l'enseignement fondamental et secondaire et les internats.
  § 2. Le délai maximal du contrat de location s'élève à 18 ans à partir de la demande du contrat de location.
  § 3. Sur la base d'un appel périodique, une commission de sélection au sein d'AGIOn arrête les dossiers dans les limites des crédits budgétaires, à l'aide de critères objectifs comme le délai de location et la multi-employabilité.
  § 4. Des modifications relatives au contrat de location sont soumises immédiatement à AGIOn et peuvent aboutir à des modifications de la décision d'AGIOn concernant la subvention à la location.
  § 5. A la subvention à la location qu'accorde AGIOn s'applique le même pourcentage de subvention que pour le subventionnement régulier, tel que visé à l'article 17, § 1er.
  § 6. Le Gouvernement flamand arrête le mode de travail relatif à l'appel périodique, la composition et le fonctionnement de la commission de sélection au sein d'AGIOn, le mode de sélection des dossiers, les normes y compris la norme financière, les modalités, le mode de calcul et le mode d'octroi, de paiement et de justification de la subvention à la location. ".
Art. 74. Artikel 19ter van dezelfde wet wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 19ter. De huursubsidie vermeld in artikel 19bis kan met betrekking tot het betrokken schoolgebouw niet gecumuleerd worden met subsidies inzake schoolinfrastructuur voor of tijdens de periode van het huren.''.
Art. 74. L'article 19ter de la même loi est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 19ter. La subvention à la location, visée à l'article 19bis, ne peut pas être cumulée, en ce qui concerne le bâtiment scolaire concerné, avec des subventions relatives à l'infrastructure scolaire avant ou pendant la période de location. ".
Art. 75. Artikel 19quater van dezelfde wet wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 19quater. AGIOn kan alle initiatieven nemen die het nodig acht om toe te zien of de voorwaarden voor de huursubsidie vervuld zijn of blijven en of de huursubsidie niet ten onrechte wordt uitbetaald.
  AGIOn kan onder meer bijkomende documenten en gegevens opvragen, de inrichtende macht horen en een bezoek ter plaatse brengen.''.
Art. 75. L'article 19quater de la même loi est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 19quater. AGIOn peut prendre toutes les initiatives qu'elle juge nécessaire afin de vérifier que les conditions de la subvention à la location soient ou restent remplies et que la subvention à la location ne soit pas indûment payée.
  AGIOn peut entre autres demander des documents et des données supplémentaires, entendre le pouvoir organisateur et rendre une visite sur place. ".
Art. 76. Artikel 19quinquies van dezelfde wet wordt vervangen door wat volgt:
  ``Art. 19quinquies. Indien geen gevolg gegeven wordt aan de initiatieven van AGIOn zoals bepaald in artikel 19quater, kan de betaling van de huursubsidie opgeschort worden.''.
Art. 76. L'article 19quinquies de la même loi est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 19quinquies. Lorsqu'il n'est donné aucune suite aux initiatives d'AGIOn, telles que visées à l'article 19quater, le paiement de la subvention à la location peut être suspendu. ".
Art. 77. Artikel 19sexies van dezelfde wet wordt vervangen door wat volgt:
  ``Art. 19sexies. § 1. Indien de onderwijsbestemming van het schoolgebouw niet langer verzekerd is of in geval van oneigenlijk gebruik, stopt AGIOn met de betaling van de huursubsidie.
  § 2. Het behoort tot de appreciatie van AGIOn om te bepalen of de onderwijsbestemming niet langer verzekerd is of dat er sprake is van oneigenlijk gebruik, gebaseerd op alle feitelijke en juridische elementen die bekend zijn.''.
Art. 77. L'article 19sexies de la même loi est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 19sexies. § 1er. Lorsque l'affectation à l'enseignement du bâtiment scolaire n'est plus garantie ou en cas d'utilisation impropre, AGIOn arrête le paiement de la subvention à la location.
  § 2. Il appartient à l'appréciation d'AGIOn de déterminer si l'affectation à l'enseignement n'est plus garantie ou qu'il est question d'utilisation impropre, sur la base de tous les éléments de fait et juridiques connus. ".
Art. 78. Artikel 19septies van dezelfde wet wordt vervangen door wat volgt:
  ``Art. 19septies. § 1. De ten onrechte uitbetaalde huursubsidies worden verrekend met de nog verschuldigde huursubsidies.
  § 2. Bij gebrek aan verschuldigde huursubsidies, vordert AGIOn de ten onrechte uitgekeerde huursubsidies terug.''.
Art. 78. L'article 19septies de la même loi est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 19septies. § 1er. Les subventions à la location indûment payées sont décomptées des subventions à la location encore dues.
  § 2. A défaut de subventions à la location dues, AGIOn recouvre les subventions à la location indûment payées. ".
Art. 79. Aan hoofdstuk II van dezelfde wet wordt een artikel 19octies toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Artikel 19octies. De inrichtende macht die een beschikbaarheidstoelage voor een jaar werd toegekend door de raad van bestuur van AGIOn vóór de inwerkingtreding van artikel 19bis tot en met artikel 19septies over de huursubsidie, behoudt het recht op die beschikbaarheidstoelage krachtens de voorwaarden en modaliteiten die van kracht waren voor de inwerkingtreding van 19bis tot en met 19septies.".
Art. 79. Au chapitre II de la même loi, il est ajouté un article 19octies, rédigé comme suit :
  " Article 19octies. Le pouvoir organisateur auquel le conseil d'administration d'AGIOn a octroyé une allocation de disponibilité pour un an, avant l'entrée en vigueur de l'article 19bis à l'article 19septies inclus concernant la subvention à la location, maintient le droit à cette allocation de disponibilité en vertu des conditions et modalités qui étaient en vigueur avant l'entrée en vigueur des articles 19bis à 19septies inclus. ".
Art. 80. AGIOn wordt gemachtigd huursubsidies toe te kennen en de jaarlijkse weerslag hiervan moet binnen de toegekende begrotingskredieten blijven.
Art. 80. AGIOn est autorisée à octroyer des subventions à la location, dont l'incidence annuelle ne peut pas dépasser les crédits budgétaires accordés.
HOOFDSTUK 10. - Financiën en Begroting
CHAPITRE 10. - Finances et Budget
Afdeling 1. - Geïntegreerde woonbonus
Section 1re. - Bonus logement intégré
Art. 81. In artikel 14537 van het Wetboek van 10 april 1992 van de Inkomstenbelastingen, het laatst gewijzigd bij decreet van 19 december 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° aan paragraaf 1, eerste lid, eerste streepje, wordt de zinsnede "en waarvan de leningsovereenkomsten die op die hypothecaire lening betrekking hebben, uiterlijk op 31 december 2015 aangegaan werden" toegevoegd;
  2° aan paragraaf 1 wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Met behoud van de toepassing van het eerste en het tweede lid, wordt een hypothecaire lening als vermeld in het eerste lid, eerste streepje, waarvan het onderpand door hypotheekruil wordt vervangen ingevolge vervreemding bij authentieke akte verleden vanaf 1 januari 2016 van de woning waarvoor die hypothecaire lening werd aangegaan en waarvan de uitgaven, vermeld in het eerste lid, als gevolg van die vervreemding betrekking hebben op een andere woning, geacht te zijn aangegaan voor het verwerven of behouden van die andere woning.";
  3° aan paragraaf 1 wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Als voldaan is aan de voorwaarden van zorgwonen, vermeld in artikel 4.1.1, 18°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, worden de personen die de belastingplichtige conform artikel 4.1.1, 18°, d), van de voormelde codex huisvest, voor de toepassing van dit artikel geacht deel uit te maken van het gezin van de belastingplichtige.";
  4° in paragraaf 3 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
  "Als de leningsovereenkomsten met betrekking tot de hypothecaire lening, vermeld in paragraaf 1, aangegaan werden in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015, mag het bedrag van de intresten, betalingen en bijdragen, vermeld in paragraaf 1, met betrekking tot die overeenkomsten, dat in aanmerking wordt genomen voor de belastingvermindering, per belastingplichtige en per belastbaar tijdperk niet meer bedragen dan 1.520 euro.".
Art. 81. A l'article 14537 du Code des Impôts sur les Revenus du 10 avril 1992, modifié en dernier lieu par le décret du 19 décembre 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le paragraphe 1er, alinéa premier, premier tiret, est complété par le membre de phrase " et dont les contrats d'emprunt relatifs à l'emprunt hypothécaire, ont été contractés au plus tard le 31 décembre 2015 " ;
  2° au § 1er, il est ajouté un alinéa trois, rédigé comme suit :
  " Sans préjudice de l'application des alinéas premier et deux, un emprunt hypothécaire tel que visé à l'alinéa premier, premier tiret, dont le nantissement est remplacé par un transfert d'hypothèque suite à l'aliénation par acte authentique passé à partir du 1er janvier 2016 de l'habitation pour laquelle cet emprunt hypothécaire avait été contracté, et dont les dépenses, visées à l'alinéa premier, concernent une autre habitation suite à cette aliénation, est censé être contracté pour l'acquisition ou le maintien de cette autre habitation. " ;
  3° le paragraphe 1er est complété par un alinéa quatre, rédigé comme suit :
  " Si les conditions d'habitation supervisée, reprises à l'article 4.1.1, 18°, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 sont remplies, les personnes hébergées par le contribuable conformément à l'article 4.1.1, 18°, d), du code précité, sont censées faire partie de la famille du contribuable pour l'application du présent article. " ;
  4° au paragraphe 3, l'alinéa premier est remplacé par la disposition suivante :
  " Lorsque les contrats d'emprunt relatifs à l'emprunt hypothécaire, visé au paragraphe 1er, ont été conclus dans la période du 1er janvier 2015 au 31 décembre 2015 inclus, le montant des intérêts, des paiements et des contributions, visés au paragraphe 1er, relatifs à ces contrats, qui est pris en compte pour la réduction d'impôt ne peut pas être supérieur à 1.520 euros par contribuable et par période imposable. ".
Art. 82. In artikel 14538, § 1, van hetzelfde wetboek, ingevoegd bij wet van 8 mei 2014, wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Als artikel 14537, § 1, derde lid, wordt toegepast, kan de belastingvermindering, vermeld in artikel 14537, § 1, eerste lid, niet worden toegepast als de belastingplichtige voor dezelfde uitgaven tevens de toepassing vraagt van de belastingvermindering, vermeld in artikel 1455.".
Art. 82. L'article 14538, § 1er, du même Code, inséré par la loi du 8 mai 2014, est complété par un alinéa cinq, rédigé comme suit :
  " Si l'article 14537, § 1er, alinéa trois, est appliqué, la réduction d'impôt, visée à l'article 14537, § 1er, alinéa premier, ne peut pas être appliquée si le contribuable demande pour les mêmes dépenses également l'application de la réduction d'impôt, visée à l'article 1455. ".
Art. 83. In hetzelfde wetboek, het laatst gewijzigd bij wet van 10 augustus 2015, wordt een artikel 14538/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 14538/1. Voor de toepassing van artikel 14538/2 wordt verstaan onder:
  1° hypothecaire lening: een hypothecaire leningsovereenkomst met een looptijd van ten minste 10 jaar die door de belastingplichtige is aangegaan bij een instelling die in de Europese Economische Ruimte is gevestigd en die specifiek tot doel heeft om in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte een woning te verwerven of te behouden;
  2° levensverzekering: een aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood tot uitvoering van een individueel gesloten levensverzekeringscontract dat de belastingplichtige is aangegaan in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte om in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte zijn eigen woning te verwerven of te behouden en waarbij:
  a) de belastingplichtige alleen zichzelf heeft verzekerd;
  b) het levensverzekeringscontract werd aangegaan voor de leeftijd van 65 jaar;
  c) het levensverzekeringscontract een minimumlooptijd heeft van tien jaar als het in voordelen bij leven voorziet;
  d) de voordelen van het levensverzekeringscontract bij leven toekomen aan de belastingplichtige vanaf de leeftijd van 65 jaar;
  e) de voordelen van het levensverzekeringscontract bij overlijden:
  i. toekomen aan de personen die ingevolge het overlijden van de verzekerde de volle eigendom of het vruchtgebruik van de eigen woning verwerven ten belope van het verzekerde kapitaal dat dient voor het wedersamenstellen of het waarborgen van de hypothecaire lening;
  ii. toekomen aan de echtgenoot of de bloedverwanten van de belastingplichtige tot de tweede graad ten belope van het verzekerde kapitaal dat niet dient voor het wedersamenstellen of het waarborgen van de hypothecaire lening;
  f) die bijdragen niet geheel of gedeeltelijk in aanmerking kunnen komen voor de toepassing van artikel 52, 7° bis.
  Levensverzekeringen die tot na de oorspronkelijk bepaalde termijn worden verlengd, opnieuw van kracht gemaakt, gewijzigd of verhoogd als de verzekerde de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, worden geacht niet voor de leeftijd van 65 jaar, vermeld in het eerste lid, 2°, b), te zijn aangegaan.
  Onder het verwerven of behouden van een woning als vermeld in het eerste lid wordt het volgende verstaan:
  1° een onroerend goed aankopen;
  2° een onroerend goed bouwen;
  3° een onroerend goed volledig of gedeeltelijk vernieuwen;
  4° de erfbelasting, het successierecht, de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden van onroerende goederen betalen van een woning, met uitzondering van nalatigheidsinteresten, verschuldigd bij laattijdige betaling.
  Een hypothecaire lening als vermeld in het eerste lid, 1°, waarvan het onderpand door hypotheekruil wordt vervangen ingevolge vervreemding bij authentieke akte verleden vanaf 1 januari 2016 van de woning waarvoor die hypothecaire lening werd aangegaan, en waarvan de uitgaven, vermeld in artikel 14538/2, § 1, eerste lid, als gevolg van die vervreemding betrekking hebben op een andere woning, wordt geacht te zijn aangegaan voor het verwerven of behouden van die andere woning.
  Onder vernieuwing als vermeld in het derde lid, 3°, worden de dienstverrichtingen begrepen, vermeld in rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven.".
Art. 83. Dans le même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 10 août 2015, il est inséré un article 14538/1, rédigé comme suit :
  " Art. 14538/1. Pour l'application de l'article 14538/2, on entend par :
  1° emprunt hypothécaire : un contrat d'emprunt hypothécaire avec une durée d'au moins 10 années, contracté par le contribuable auprès d'une institution établie dans l'Espace économique européen, qui a spécifiquement pour but d'acquérir ou de maintenir une habitation dans un Etat membre de l'Espace économique européen ;
  2° assurance-vie : une assurance complémentaire contre la vieillesse et le décès prématuré, en exécution d'un contrat d'assurance-vie conclu individuellement, que le contribuable a contracté dans un Etat membre de l'Espace économique européen afin d'acquérir ou de maintenir sa propre habitation dans un Etat membre de l'Espace économique européen, et où :
  a) le contribuable n'a assuré que soi-même ;
  b) le contrat d'assurance-vie a été contracté avant l'âge de 65 ans ;
  c) le contrat d'assurance-vie a une durée minimale de dix ans s'il prévoit des avantages en cas de vie ;
  d) les avantages du contrat d'assurance-vie en cas de vie reviennent au contribuable à partir de l'âge de 65 ans ;
  e) les avantages du contrat d'assurance-vie en cas de décès :
  i. reviennent aux personnes qui, suite au décès de l'assuré, acquièrent la pleine propriété ou l'usufruit de la propre habitation à concurrence du capital assuré qui sert à la reconstitution ou la garantie de l'emprunt hypothécaire ;
  ii. reviennent au conjoint ou aux parents jusqu'au deuxième degré du contribuable, à concurrence du capital assuré qui ne sert pas à la reconstitution ou la garantie de l'emprunt hypothécaire ;
  f) ces contributions ne sont pas entièrement ou partiellement éligibles à l'application de l'article 52, 7° bis.
  Les assurances-vie qui sont prolongées, remises en vigueur, modifiées ou augmentées au-delà du délai initialement prévu, si l'assuré a atteint l'âge de 65 ans, sont censées ne pas être contractées avant l'âge de 65 ans, visé à l'alinéa premier, 2°, b).
  Par acquisition ou maintien d'une habitation, tel que visé à l'alinéa premier, on entend :
  1° l'acquisition d'un bien immobilier ;
  2° la construction d'un bien immobilier ;
  3° la rénovation entière ou partielle d'un bien immobilier ;
  4° le paiement de l'impôt de succession, du droit de succession, de l'impôt de donation ou du droit d'enregistrement sur les donations entre vifs de biens immobiliers, relatif à une habitation, à l'exception des intérêts de retard dus en cas de paiement tardif.
  Un emprunt hypothécaire tel que visé à l'alinéa premier, 1°, dont le nantissement est remplacé par un transfert d'hypothèque suite à l'aliénation par acte authentique passé à partir du 1er janvier 2016 de l'habitation pour laquelle cet emprunt hypothécaire avait été contracté, et dont les dépenses, visées à l'article 14538/2, § 1er, alinéa premier, concernent une autre habitation suite à cette aliénation, est censé être contracté pour l'acquisition ou le maintien de cette autre habitation.
  Par rénovation telle que visée à l'alinéa trois, 3°, on entend les prestations, visées à la rubrique XXXI du tableau A de l'annexe à l'arrêté royal n° 20 du 20 juillet 1970 fixant les taux de la taxe sur la valeur ajoutée et déterminant la répartition des biens et des services selon ces taux. ".
Art. 84. In hetzelfde wetboek, het laatst gewijzigd bij wet van 10 augustus 2015, wordt een artikel 14538/2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 14538/2. § 1. Er wordt een belastingvermindering verleend voor de volgende uitgaven die tijdens het belastbaar tijdperk werkelijk zijn betaald voor de woning van de belastingplichtige die op het ogenblik van de uitgaven zijn eigen woning is:
  1° de interesten en de betalingen voor de aflossing of de wedersamenstelling van een hypothecaire lening die aangegaan werd vanaf 1 januari 2016;
  2° de definitief betaalde bijdragen voor een levensverzekering voor het vestigen van een rente of van een kapitaal bij leven of bij overlijden, beperkt tot het gedeelte dat dient voor het weder samenstellen of het waarborgen van een hypothecaire lening als vermeld in punt 1°.
  Als artikel 14538/1, vierde lid, wordt toegepast, kan de belastingvermindering, vermeld in het eerste lid, niet worden toegepast als de belastingplichtige voor dezelfde uitgaven tevens de toepassing vraagt van de belastingvermindering, vermeld in artikel 1455.
  Als voldaan is aan de voorwaarden van zorgwonen, vermeld in artikel 4.1.1, 18°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, worden de personen die de belastingplichtige conform artikel 4.1.1, 18°, d), van de voormelde codex huisvest, voor de toepassing van dit artikel geacht deel uit te maken van het gezin van de belastingplichtige.
  § 2. Het bedrag van de uitgaven dat in aanmerking komt voor de belastingvermindering, vermeld in paragraaf 1, kan per belastingplichtige en per belastbaar tijdperk niet meer bedragen dan 1520 euro.
  Het bedrag, vermeld in het eerste lid, wordt verhoogd met 760 euro gedurende de eerste tien belastbare tijdperken vanaf het belastbaar tijdperk waarin de hypothecaire lening, vermeld in paragraaf 1, werd aangegaan, wanneer de woning, op 31 december van het belastbaar tijdperk waarin die hypothecaire lening is aangegaan, de enige woning is.
  De verhoging, vermeld in het tweede lid, wordt bijkomend verhoogd met 80 euro als de belastingplichtige drie of meer dan drie kinderen ten laste heeft op 1 januari van het jaar dat volgt op het belastbaar tijdperk waarin de hypothecaire lening, vermeld in paragraaf 1, wordt aangegaan.
  Voor de toepassing van het derde lid worden gehandicapte kinderen ten laste voor twee gerekend.
  In afwijking van het tweede lid sluiten de hierna vermelde andere woningen de toepassing van de verhoging niet uit:
  1° andere woningen waarvan de belastingplichtige door een erfenis mede-eigenaar, blote eigenaar of vruchtgebruiker is;
  2° andere woningen die op 31 december van het belastbaar tijdperk waarin de hypothecaire lening, vermeld in paragraaf 1, werd aangegaan op de vastgoedmarkt te koop zijn aangeboden, en die uiterlijk op 31 december van het jaar dat volgt op het belastbaar tijdperk waarin de hypothecaire lening, vermeld in paragraaf 1, werd aangegaan, ook daadwerkelijk zijn verkocht.
  De verhogingen, vermeld in het tweede en het derde lid, worden niet langer toegepast vanaf het eerste belastbaar tijdperk waarin de belastingplichtige op 31 december van dat belastbaar tijdperk volle eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker wordt van de andere woning dan de woning waarvoor uitgaven als vermeld in paragraaf 1, werden betaald.
  § 3. De belastingvermindering, vermeld in paragraaf 1, bedraagt 40 % van het bedrag, vermeld in paragraaf 2.
  Als een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd en beide echtgenoten uitgaven hebben gedaan die recht geven op de belastingvermindering, kunnen de echtgenoten die uitgaven vrij verdelen binnen de begrenzingen, vermeld in paragraaf 2.
  § 4. De belastingvermindering, vermeld in paragraaf 1, wordt enkel verleend als de belastingplichtige een attest ter beschikking houdt waaruit blijkt dat hij aan alle voorwaarden voldoet om van die belastingvermindering te genieten.''.
Art. 84. Dans le même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 10 août 2015, il est inséré un article 14538/2, rédigé comme suit :
  " Art. 14538/2. § 1er. Une réduction d'impôt est accordée pour les dépenses suivantes qui sont effectivement payées pendant la période imposable pour l'habitation du contribuable qui est sa propre habitation au moment des dépenses :
  1° les intérêts et les paiements pour l'amortissement ou la reconstitution d'un emprunt hypothécaire qui a été contracté à partir du 1er janvier 2016 ;
  2° les contributions payées définitivement pour une assurance-vie en vue de la constitution d'une rente ou d'un capital en cas de vie ou de décès, limitées à la partie qui sert à la reconstitution ou la garantie d'un emprunt hypothécaire, tel que visé au point 1°.
  Si l'article 14538/1, alinéa quatre, est appliqué, la réduction d'impôt, visée à l'alinéa premier, ne peut pas être appliquée si le contribuable demande pour les mêmes dépenses également l'application de la réduction d'impôt, visée à l'article 1455.
  Si les conditions d'habitation supervisée, reprises à l'article 4.1.1, 18°, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 sont remplies, les personnes hébergées par le contribuable conformément à l'article 4.1.1, 18°, d), du code précité, sont censées faire partie de la famille du contribuable pour l'application du présent article.
  § 2. Le montant des dépenses éligible à la réduction d'impôt, visée au paragraphe 1er, ne peut pas être supérieur à 1.520 euros par contribuable et par période imposable.
  Le montant, visé à l'alinéa premier, est majoré de 760 euros pendant les dix premières périodes imposables à partir de la période imposable dans laquelle l'emprunt hypothécaire, visé au paragraphe 1er, a été contracté, lorsque l'habitation est la seule habitation au 31 décembre de la période imposable pendant laquelle cet emprunt hypothécaire est contracté.
  La majoration, visée à l'alinéa deux, est également majorée de 80 euros lorsque le contribuable a trois enfants ou plus de trois enfants à charge au 1er janvier de l'année qui suit la période imposable dans laquelle l'emprunt hypothécaire, visé au paragraphe premier, est contracté.
  Pour l'application de l'alinéa trois, les enfants handicapés à charge sont comptés pour deux.
  Par dérogation à l'alinéa deux, les autres habitations suivantes n'excluent pas l'application de la majoration :
  1° d'autres habitations dont le contribuable est le copropriétaire, le nu-propriétaire ou l'usufruitier suite à un héritage ;
  2° d'autres habitations qui, au 31 décembre de la période imposable dans laquelle l'emprunt hypothécaire, visé au paragraphe 1er, a été contracté, sont proposées à la vente sur le marché immobilier, et qui sont effectivement vendues au plus tard le 31 décembre de l'année qui suit la période imposable dans laquelle l'emprunt hypothécaire, visé au paragraphe 1er, a été contracté.
  Les majorations, visées aux alinéas deux et trois, ne sont plus appliquées à partir de la première période imposable au 31 décembre de laquelle le contribuable devient le propriétaire, possesseur, emphytéote, superficiaire ou usufruitier de l'autre habitation que celle pour laquelle des dépenses, telles que visées au paragraphe 1er, ont été payées.
  § 3. La réduction d'impôt, visée au paragraphe 1er, correspond à 40 % du montant visé au paragraphe 2.
  Lorsqu'une imposition commune est établie et les deux conjoints ont fait des dépenses qui donnent droit à la réduction d'impôt, les conjoints peuvent répartir librement ces dépenses dans les limites, visées au paragraphe 2.
  § 4. La réduction d'impôt, visée au paragraphe 1er, n'est octroyée que lorsque le contribuable tient à disposition une attestation démontrant qu'il remplit toutes les conditions pour bénéficier de cette réduction d'impôt. ".
Art. 85. In artikel 14539, eerste lid, 1°, van hetzelfde wetboek, ingevoegd bij wet van 8 mei 2014, wordt tussen de woorden "het waarborgen van een lening die" en de woorden "specifiek is aangegaan voor" de zinsnede "uiterlijk op 31 december 2015 is aangegaan en die" ingevoegd.
Art. 85. Dans l'article 14539, alinéa premier, 1°, du même code, inséré par la loi du 8 mai 2014, le membre de phrase " au plus tard le 31 décembre 2015 et qui " est inséré entre les mots " la garantie d'un emprunt qui a été contracté " et les mots " a été contracté spécifiquement ".
Art. 86. In artikel 14540, § 2, eerste lid, van hetzelfde wetboek, het laatst gewijzigd bij decreet van 19 december 2014, wordt punt 1° vervangen door wat volgt:
  "1° de lening uiterlijk op 31 december 2015 is aangegaan voor een looptijd van ten minste tien jaar bij een instelling die in de Europese Economische Ruimte is gevestigd;".
Art. 86. Dans l'article 14540, § 2, alinéa premier, du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 19 décembre 2014, le point 1° est remplacé par ce qui suit :
  " 1° que l'emprunt soit contracté au plus tard le 31 décembre 2015 pour une durée minimum de 10 ans auprès d'un établissement ayant son siège dans l'Espace économique européen ; ".
Art. 87. In artikel 14543, eerste lid, van hetzelfde wetboek, het laatst gewijzigd bij decreet van 19 december 2014, wordt punt 1° vervangen door wat volgt:
  "1° de interesten van schulden die voor 1 januari 2016 specifiek zijn aangegaan om een woning te verwerven of te behouden die op het ogenblik dat de interesten worden betaald, de eigen woning is van de belastingplichtige en waarvan het inkomen begrepen is in zijn belastbare onroerende inkomsten vóór de toepassing van artikel 12, met uitzondering van de interesten die in aanmerking komen voor de belastingvermindering, vermeld in artikel 14537;".
Art. 87. Dans l'article 14543, alinéa premier, du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 19 décembre 2014, le point 1° est remplacé par ce qui suit :
  " 1° les intérêts de dettes contractées avant le 1er janvier 2016 spécifiquement en vue d'acquérir ou de maintenir l'habitation qui, au moment où ces intérêts sont payés, est l'habitation propre du contribuable dont les revenus sont compris dans ses revenus immobiliers imposables avant application de l'article 12, à l'exclusion des intérêts éligibles à la réduction d'impôt visée à l'article 14537 ; ".
Art. 88. In artikel 14546 van hetzelfde wetboek worden volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, eerste streepje, wordt de zinsnede "artikel 20" vervangen door de zinsnede "artikel 101";
  2° er wordt een paragraaf 2/1 ingevoegd, die luidt als volgt:
  " § 2/1. Wanneer de belastingplichtige vanaf 1 januari 2016:
  - een hypothecaire lening aangaat, als vermeld in artikel 14538/1, eerste lid, 1°, terwijl er nog een lening is die in aanmerking komt voor de toepassing van artikel 14537, § 2, of § 3, artikel 14539, 14541, tweede lid, 3°, artikel 14542, tweede lid, 2°, artikel 14543 of 14545, en
  - voor die hypothecaire lening of voor de levensverzekering, vermeld in artikel 14538/1, eerste lid, 2°, de toepassing vraagt van de belastingvermindering, vermeld in artikel 14538/2,worden de artikelen 14537, 14539, 14541, 14542, 14543, 14544 en 14545 niet langer toegepast voor de uitgaven met betrekking tot de voorheen gesloten leningen en levensverzekeringen.".
Art. 88. Dans l'article 14546 du même Code, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, premier tiret, le membre de phrase " l'article 20 " est remplacé par le membre de phrase " l'article 101 " ;
  2° il est inséré un paragraphe 2/1, rédigé comme suit :
  " § 2/1. Lorsque le contribuable, à partir du 1er janvier 2016 :
  - contracte un emprunt hypothécaire, tel que visé à l'article 14538/1, alinéa premier, 1°, tandis qu'il y a encore un emprunt qui entre en ligne de compte pour l'application de l'article 14537, § 2 ou § 3, l'article 14539, 14541, alinéa deux, 3°, l'article 14542, alinéa deux, 2°, l'article 14543 ou 14545, et
  - demande, pour cet emprunt hypothécaire ou pour l'assurance-vie, visée à l'article 14538/1, alinéa premier, 2°, l'application de la réduction d'impôt, visée à l'article 14538/2, les articles 14537, 14539, 14541, 14542, 14543, 14544 et 14545 ne sont plus appliqués pour les dépenses relatives aux emprunts et assurances-vie contractés antérieurement. ".
Afdeling 2. - Toepassing afgevlakte gezondheidsindex
Section 2. - Application de l'indice santé lissé
Art. 89. Voor de subsidies, forfaits en tegemoetkomingen die opgenomen zijn in de volgende wettelijke bepalingen of hun uitvoeringsbesluiten en die voorzien in een koppeling aan een prijsindex, moet altijd de afgevlakte gezondheidsindex in aanmerking worden genomen:
  1° hoofdstuk IV, afdeling 5, artikelen 99 tot en met 107bis, van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen;
  2° artikel 13, 41bis, 48, 85 en 87 van het Bosdecreet van 13 juni 1990, ingevoegd bij het decreet van 15 mei 1999 en gewijzigd bij de decreten van 30 april 2004 en 7 december 2007;
  3° artikel 3ter van het Onderwijsdecreet II van 31 juli 1990;
  4° artikel 11 tot en met 16 van het decreet van 29 april 1991 tot vaststelling van de algemene regelen inzake de erkenning en de subsidiëring van de milieu- en natuurverenigingen, gewijzigd bij decreten van 30 april 2004 en 21 december 2014;
  5° artikel 4 van het decreet van 26 juni 1991 betreffende de erkenning en subsidiëring van het maatschappelijk opbouwwerk;
  6° artikel 27 van het decreet van 1 december 1993 inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken;
  7° artikel 22, 6°, 23, § 3bis, 34, eerste lid, 13°, 35, § 3, 37, § 12 en § 20, 47, 56, § 2, eerste lid, 3°, en 56, § 3, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, gewijzigd bij de wetten van 20 december 1995, 22 februari 1998, 24 december 1999, 10 augustus 2001, 17 december 2004, 27 december 2005, 24 juli 2008, 19 december 2008, 22 december 2008, 10 december 2009 en 27 december 2012;
  8° artikel 10bis en artikel 10ter van het decreet van 24 juli 1996 houdende regeling tot erkenning en subsidiëring van de instellingen voor schuldbemiddeling en tot subsidiëring van een Vlaams Centrum Schuldenlast, gewijzigd bij de decreten van 28 april 2006, 10 juli 2008 en 21 juni 2013;
  9° artikel 91 en artikel 169 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997;
  10°[2 artikel 4.56, 4.70 en 4.74 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021]2;
  11° artikel 13, 36, 44 en 51 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, gewijzigd bij de decreten van 19 juli 2002, 30 april 2004, 7 december 2007, 1 maart 2013, 28 maart 2014 en 9 mei 2014;
  12° het decreet van 28 april 1998 betreffende het Vlaamse integratiebeleid, gewijzigd bij de decreten van 30 april 2009 en 6 juli 2012;
  13° artikel 29bis en 29ter van het decreet van 2 maart 1999 houdende het beleid en het beheer van de zeehavens, artikel 29bis, gewijzigd bij het decreet van 8 mei 2009, en artikel 29ter, ingevoegd bij het decreet van 24 december 2004;
  14° artikel 17, eerste lid, 3°, en derde lid, van het decreet van 30 maart 1999 houdende de organisatie van de zorgverzekering, gewijzigd bij het decreet van 18 mei 2001 en 24 juni 2005;
  15° artikel 26 van het decreet van 18 mei 1999 betreffende de geestelijke gezondheidszorg, gewijzigd bij het decreet van 25 november 2005;
  16° artikel 18 van het decreet van 8 december 2000 houdende diverse bepalingen;
  17° artikel 12 van het decreet van 22 december 2000 betreffende de amateurkunsten;
  18° artikel 57, 59, 59ter en 67bis van de programmawet van 2 januari 2001, gewijzigd bij de wetten van 24 december 2002, 23 december 2005 en 27 december 2006;
  19° artikel 43, § 7, 50, § 4, 53, 54, 55 en 56 van het decreet van 13 juli 2001 houdende de regeling van de erkenning en subsidiëring van de Vlaamse sportfederaties, de koepelorganisatie en de organisaties voor de sportieve vrijetijdsbesteding;
  20° artikel 4 van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen, gewijzigd bij de wetten van 17 juni 2009 en 22 juni 2012;
  21° artikel 65 tot en met 71 van het decreet van 21 december 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2002, gewijzigd bij het decreet van 20 december 2002;
  22° artikel X.5 van het Onderwijsdecreet XIV van 14 februari 2003;
  23° artikel 10, 14, 17 en 18/1 van het decreet van 21 maart 2003 betreffende de armoedebestrijding, gewijzigd bij decreet van 18 juli 2008 en 20 december 2013;
  24° artikel 47 van het decreet van 4 april 2003 betreffende het sociaal-cultureel volwassenenwerk;
  25° artikel 8, 10, 12 en 18 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende de verblijven en verenigingen die een werking uitoefenen in het kader van Toerisme voor Allen;
  26° artikel 16, 20, § 2, 21, § 3, 23, § 1 en § 3, 26, 28, § 1 en § 3, 75bis, § 3, vierde lid, van het decreet van 21 november 2003 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid, gewijzigd bij decreet van 20 maart 2009;
  27° artikel 6bis, 7, § 4, 8, § 1 en § 3, 14, vierde lid, 15bis, eerste en vierde lid, van het decreet van 3 maart 2004 betreffende de eerstelijnsgezondheidszorg en de samenwerking tussen de zorgaanbieders, gewijzigd bij decreten van 3 maart 2009, 20 maart 2009 en 21 juni 2013;
  28° artikel 12 van het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin;
  29° artikel 26 van het decreet van 7 mei 2004 betreffende de rechtspositie van de minderjarige in de integrale jeugdhulp, gewijzigd bij het decreet van 29 juni 2012;
  30° artikel 3 van het decreet van 7 mei 2004 betreffende de toepassing van intersectorale akkoorden voor organisaties ressorterend onder het paritair comité voor de sociaal-culturele sector;
  31° artikel 11 van het decreet van 7 mei 2004 houdende aanvullende subsidies voor tewerkstelling in de culturele sector;
  32° artikel 10 tot en met 10/2 van het decreet van 7 mei 2004 houdende omvorming van de v.z.w. ``de Rand'' tot een privaatrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap en houdende vaststelling van de bevoegdheden van de provincie Vlaams-Brabant inzake de ondersteuning van de Vlaamse Rand;
  33° artikel 8, 17, 18 en 19 van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, gewijzigd bij de decreten van 22 december 2006, 20 maart 2009, 21 juni 2013 en 25 april 2014;
  34° artikel 6, § 4, van het decreet van 5 mei 2006 houdende de erkenning van de Vlaamse Gebarentaal;
  35° artikel 32 van het decreet van 16 juni 2006 betreffende de begeleiding van de scheepvaart op de maritieme toegangswegen en de organisatie van het Maritiem Reddings- en Coördinatiecentrum;
  36° artikel 63 van het decreet van 22 december 2006 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2007;
  37° decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs;
  38° artikel 43 van het Participatiedecreet van 18 januari 2008;
  39° artikel 52 van het decreet van 7 maart 2008 inzake bijzondere jeugdbijstand;
  40° het decreet van 23 mei 2008 betreffende een inhaalbeweging in sportinfrastructuur via alternatieve financiering;
  41° artikel 95, 96, 105 en 170 van de wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, gecoördineerd op 10 juli 2008 en gewijzigd bij de wet van 10 april 2014;
  42° artikel 32, § 3, tweede lid, 65 en 66/30, § 3, tweede lid, van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het beheer en de uitbating van de regionale luchthavens Oostende-Brugge, Kortrijk-Wevelgem en Antwerpen, gewijzigd bij het decreet van 8 mei 2009;
  43° artikel 25 van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het toeristische logies;
  44° artikel 29 van het Circusdecreet van 21 november 2008;
  45° decreet hogere zeevaartschool van 20 februari 2009;
  46° artikel 60, 62, 64, 68 en 69 van het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009, gewijzigd bij het decreet van 21 juni 2013;
  47° artikel 4 van het decreet van 20 maart 2009 houdende diverse bepalingen betreffende het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;
  48° artikel 26/10, § 2, en 26/11, van het decreet van 20 maart 2009 betreffende het mobiliteitsbeleid, ingevoegd bij het decreet van 10 februari 2012;
  49° artikel 10 van het decreet van 3 april 2009 betreffende het georganiseerde vrijwilligerswerk in het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;
  50° artikel 3 van het decreet van 3 april 2009 houdende de toekenning voor de uitbouw, de coördinatie en de promotie van het sportaanbod van de studentenvoorzieningen van de Vlaamse universiteiten en hogescholen en de erkenning en subsidiëring van een Vlaamse overkoepelende studentensportvereniging;
  51° artikel 17 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende het algemeen welzijnswerk, gewijzigd bij het decreet van 25 mei 2012;
  52° decreet van 8 mei 2009 betreffende kwaliteit van onderwijs;
  53° artikel 6 van het decreet van 14 december 2009 houdende de organisatie en werking van de regionale technologische centra;
  54° artikel 10 van het decreet van 19 november 2010 tot oprichting van een Vlaams communicatiehuis in Brussel onder de vorm van het extern verzelfstandigd agentschap Muntpunt vzw;
  55° artikel 5 van het decreet van 15 juli 2011 houdende de erkenning van en de subsidieregeling voor het Memoriaal van de Vlaamse Ontvoogding en Vrede;
  56° artikel 2, 8, § 7, 13, § 3, en 20, van het decreet van 20 januari 2012 houdende een vernieuwd jeugd- en kinderrechtenbeleid;
  57° artikel 9, 13 en 19 van het decreet van 20 januari 2012 houdende regeling van de interlandelijke adoptie van kinderen;
  58° artikel 7 en 12 van het decreet van 20 april 2012 houdende de organisatie van kinderopvang van baby's en peuters;
  59° artikel 49 en 73 van het Antidopingdecreet van 25 mei 2012, gewijzigd bij het decreet van 19 december 2014;
  60° artikel 13 en 19, § 3, van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg;
  61° artikel 51 van het decreet van 6 juli 2012 betreffende het Lokaal Cultuurbeleid;
  62° artikel 182 en 185 van het Cultureel-erfgoeddecreet van 6 juli 2012;
  63° artikel 2, 3°, en 8, van het decreet van 6 juli 2012 houdende subsidiëring van hostels, jeugdverblijfcentra, ondersteuningsstructuren en de vzw Algemene Dienst voor Jeugdtoerisme;
  64° artikel 3 van het decreet van 6 juli 2012 houdende het stimuleren en subsidiëren van een lokaal sportbeleid;
  65° artikel 8 van het decreet van 7 december 2012 houdende de stimulering van een inclusief Vlaams ouderenbeleid en de beleidsparticipatie van ouderen;
  66° artikel 6 van het decreet van 21 december 2012 tot compensatie van de openbaredienstverplichting tot het vervoer van personen met een handicap of een ernstig beperkte mobiliteit;
  67° artikel 14 van het decreet van 21 juni 2013 houdende diverse bepalingen betreffende het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;
  68° artikel 22, 26, § 1, 28, 42, § 2, 67 en 68, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp;
  69° artikel 16, 20 en 59 van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling;
  70° artikel 3 van het decreet van 8 november 2013 houdende het stimuleren, het coördineren en het subsidiëren van de tewerkstelling in de sportsector;
  71° Codex Hoger Onderwijs, gecodificeerd op 11 oktober 2013;
  72° artikel 25 en 42 van het decreet van 22 november 2013 betreffende de lokale diensteneconomie;
  73° artikel 14, § 2, van het decreet van 29 november 2013 houdende de organisatie van preventieve gezinsondersteuning;
  74° artikel 25 van het Kunstendecreet van 13 december 2013, gewijzigd bij decreet van 18 mei 2015;
  75° het decreet van 20 december 2013 inzake gezond en ethisch sporten;
  76° het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting;
  77° artikel 10 van het decreet van 25 april 2014 houdende de persoonsvolgende financiering voor personen met een handicap en tot hervorming van de wijze van financiering van de zorg en de ondersteuning voor personen met een handicap.
  [1 78° artikel 12, § 3, van het decreet van 14 juli 1998 inzake sociale werkplaatsen.]1
  Voor alle overeenkomsten en akkoorden gesloten ter uitvoering van de bepalingen, vermeld in het eerste lid, die voorzien in een koppeling aan de prijsindex, moet ook altijd de afgevlakte gezondheidsindex in aanmerking worden genomen.
  De afgevlakte gezondheidsindex moet berekend en toegepast worden overeenkomstig artikel 2 tot en met 2quater van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen.
  De toepassing van het eerste tot en met het derde lid mag niet leiden tot een nominale vermindering van de subsidies, forfaits en tegemoetkomingen, vermeld in het eerste lid, in de periode van 1 april tot aan de referentiemaand, vermeld in artikel 2, § 4, van het voormelde koninklijk besluit.
  
Art. 89. Pour les subventions, forfaits et interventions reprises dans les dispositions légales suivantes ou leurs arrêtés d'exécution, et ceux qui prévoient une liaison à un indice des prix, il doit toujours être tenu compte de l'indice santé lissé :
  1° le chapitre IV, section 5, articles 99 à 107bis inclus, de la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales ;
  2° les articles 13, 41bis, 48, 85 et 87 du Décret forestier du 13 juin 1990, inséré par le décret du 15 mai 1999 et modifié par les décrets des 30 avril 2004 et 7 décembre 2007 ;
  3° l'article 3ter du Décret sur l'Enseignement II du 31 juillet 1990 ;
  4° les articles 11 à 16 inclus du décret du 29 avril 1991 fixant les règles générales relatives à l'agrément et au subventionnement des associations écologiques, modifiés par les décrets des 30 avril 2004 et 21 décembre 2014 ;
  5° l'article 4 du décret du 26 juin 1991 relatif à l'agrément des initiatives d'animation sociale et à l'octroi de subventions à ces initiatives ;
  6° l'article 27 du décret du 1er décembre 1993 relatif à l'inspection et à l'encadrement des cours philosophiques ;
  7° les articles 22, 6°, 23, § 3bis, 34, alinéa premier, 13°, 35, § 3, 37, § 12 et § 20, 47, 56, § 2, alinéa premier, 3° et 56, § 3, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, modifiés par les lois des 20 décembre 1995, 22 février 1998, 24 décembre 1999, 10 août 2001, 17 décembre 2004, 27 décembre 2005, 24 juillet 2008, 19 décembre 2008, 22 décembre 2008, 10 décembre 2009 et 27 décembre 2012 ;
  8° les articles 10bis et 10ter du décret du 24 juillet 1996 réglant l'agrément et le subventionnement des institutions de médiation de dettes et le subventionnement d'un "Vlaams Centrum Schuldenlast" (Centre flamand de l'Endettement), modifié par les décrets des 28 avril 2006, 10 juillet 2008 et 21 juin 2013 ;
  9° les articles 91 et 169 du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental ;
  10° [2 les articles 4.56, 4.70 et 4.74 du Code flamand du Logement de 2021 2 ;
  11° les articles 13, 36, 44 et 51 du décret du 21 octobre 1997 concernant la protection de la nature et le milieu naturel, modifié par les décrets des 19 juillet 2002, 30 avril 2004, 7 décembre 2007, 1er mars 2013, 28 mars 2014 et 9 mai 2014 ;
  12° le décret du 28 avril 1998 relatif à la politique flamande de l'intégration, modifié par les décrets des 30 avril 2009 et 6 juillet 2012 ;
  13° les articles 29bis et 29ter du décret du 2 mars 1999 portant sur la politique et la gestion des ports maritimes, l'article 29bis, modifié par le décret du 8 mai 2009, et l'article 29ter, inséré par le décret du 24 décembre 2004 ;
  14° l'article 17, alinéa premier, 3°, et alinéa trois, du décret du 30 mars 1999 portant organisation de l'assurance soins, modifié par les décrets des 18 mai 2001 et 24 juin 2005 ;
  15° l'article 26 du décret du 18 mai 1999 relatif au secteur de la santé mentale, modifié par le décret du 25 novembre 2005 ;
  16° l'article 18 du décret du 8 décembre 2000 contenant diverses dispositions ;
  17° l'article 12 du décret du 22 décembre 2000 relatif aux arts amateurs ;
  18° les articles 57, 59, 59ter et 67bis de la loi-programme du 2 janvier 2001, modifiés par les lois des 24 décembre 2002, 23 décembre 2005 et 27 décembre 2006 ;
  19° les articles 43, § 7, 50, § 4, 53, 54, 55 et 56 du décret du 13 juillet 2001 portant réglementation de l'agrément et du subventionnement des fédérations sportives flamandes, de l'organisation coordinatrice et des organisations des sports récréatifs ;
  20° l'article 4 de la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité, modifié par les lois des 17 juin 2009 et 22 juin 2012 ;
  21° les articles 65 à 71 inclus du décret du 21 décembre 2001 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2002, modifié par le décret du 20 décembre 2002 ;
  22° l'article X.5 du Décret sur l'Enseignement XIV du 14 février 2003 ;
  23° les articles 10, 14, 17 et 18/1 du décret du 21 mars 2003 relatif à la lutte contre la pauvreté, modifié par les décrets des 18 juillet 2008 et 20 décembre 2013 ;
  24° l'article 47 du décret du 4 avril 2003 relatif à l'animation socioculturelle des adultes ;
  25° les articles 8, 10, 12 et 18 du décret du 18 juillet 2003 relatif aux résidences et associations actives dans le cadre de " Toerisme voor Allen " ;
  26° les articles 16, 20, § 2, 21, § 3, 23, § 1er et § 3, 26, 28, § 1er et § 3, 75bis, § 3, alinéa quatre du décret du 21 novembre 2003 relatif à la politique de santé préventive, modifié par le décret du 20 mars 2009 ;
  27° les articles 6bis, 7, § 4, 8, § 1er et § 3, 14, alinéa quatre, 15bis, alinéas premier et quatre, du décret du 3 mars 2004 relatif aux soins de santé primaires et à la coopération entre les prestataires de soins, modifié par les décrets des 3 mars 2009, 20 mars 2009 et 21 juin 2013 ;
  28° l'article 12 du décret du 30 avril 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Kind en Gezin " (Enfance et Famille) ;
  29° l'article 26 du décret du 7 mai 2004 relatif au statut du mineur dans l'aide intégrale à la jeunesse, modifié par le décret du 29 juin 2012 ;
  30° l'article 3 du décret du 7 mai 2004 relatif à l'application des accords intersectoriels pour les organisations relevant du comité paritaire pour le secteur socioculturel ;
  31° l'article 11 du décret du 7 mai 2004 relatif aux subventions additionnelles à l'emploi dans le secteur culturel ;
  32° les articles 10 à 10/2 inclus du décret du 7 mai 2004 portant transformation de l'ASBL " de Rand " en une agence autonomisée externe de droit privé et portant fixation des compétences de la province du Brabant flamand relatives à l'appui du " Vlaamse Rand " ;
  33° les articles 8, 17, 18 et 19 du décret du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " (Agence flamande pour les Personnes handicapées), modifié par les décrets des 22 décembre 2006, 20 mars 2009, 21 juin 2013 et 25 avril 2014 ;
  34° l'article 6, § 4, du décret du 5 mai 2006 portant reconnaissance du langage gestuel flamand ;
  35° l'article 32 du décret du 16 juin 2006 relatif à l'assistance à la navigation sur les voies d'accès maritimes et à l'organisation du " Maritiem Reddings- en Coördinatiecentrum " (Centre de coordination et de sauvetage maritimes) ;
  36° l'article 63 du décret du 22 décembre 2006 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2007 ;
  37° le décret du 15 juin 2007 relatif à l'éducation des adultes ;
  38° l'article 43 du Décret de participation du 18 janvier 2008 ;
  39° l'article 52 du décret du 7 mars 2008 relatif à l'assistance spéciale à la jeunesse ;
  40° le décret du 23 mai 2008 relatif à un mouvement de rattrapage en matière d'infrastructure sportive par le biais du financement alternatif ;
  41° les articles 95, 96, 105 et 170 de la loi sur les hôpitaux et autres établissements de soins, coordonnée le 10 juillet 2008 et modifiée par la loi du 10 avril 2014 ;
  42° les articles 32, § 3, alinéa deux, 65 et 66/30, § 3, alinéa deux, du décret du 10 juillet 2008 relatif à la gestion et à l'exploitation des aéroports régionaux d'Ostende-Bruges, Courtrai-Wevelgem et Anvers, modifié par le décret du 8 mai 2009 ;
  43° l'article 25 du décret du 10 juillet 2008 relatif à l'hébergement touristique ;
  44° l'article 29 du Décret sur le cirque du 21 novembre 2008 ;
  45° le décret relatif à la " Hogere Zeevaartschool " du 20 février 2009 ;
  46° les articles 60, 62, 64, 68 et 69 du Décret sur les Soins et le Logement du 13 mars 2009, modifié par le décret du 21 juin 2013 ;
  47° l'article 4 du décret du 20 mars 2009 portant diverses dispositions relatives au domaine politique du Bien-être, de la Santé publique et de la Famille ;
  48° les articles 26/10, § 2, et 26/11 du décret du 20 mars 2009 relatif à la politique de mobilité, inséré par le décret du 10 février 2012 ;
  49° l'article 10 du décret du 3 avril 2009 relatif au bénévolat organisé dans le domaine politique " Welzijn, Volkgezondheid en Gezin " ;
  50° l'article 3 du décret du 3 avril 2009 réglant l'octroi de subventions pour le développement, la coordination et la promotion de l'offre sportive des services aux étudiants des universités et des instituts supérieurs flamands et pour l'agrément et le subventionnement d'une association coordinatrice sportive flamande des étudiants ;
  51° l'article 17 du décret du 8 mai 2009 relatif à l'aide sociale générale, modifié par le décret du 25 mai 2012 ;
  52° le décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement ;
  53° l'article 6 du décret du 14 décembre 2009 portant organisation et fonctionnement des centres technologiques régionaux ;
  54° l'article 10 du décret du 19 novembre 2010 portant création d'une Maison flamande de la Communication à Bruxelles sous la forme de l'agence autonomisée externe "Muntpunt VZW" ;
  55° l'article 5 du décret du 15 juillet 2011 portant agrément et subventionnement du Mémorial de l'Emancipation flamande et de la Paix ;
  56° les articles 2, 8, § 7, 13, § 3, et 20 du décret du 20 janvier 2012 relatif à une politique rénovée des droits de l'enfant et de la jeunesse ;
  57° les articles 9, 13 et 19 du décret du 20 janvier 2012 réglant l'adoption internationale d'enfants ;
  58° les articles 7 et 12 du décret du 20 avril 2012 portant organisation de l'accueil de bébés et de bambins ;
  59° les articles 49 et 73 du Décret antidopage du 25 mai 2012, modifié par le décret du 19 décembre 2014 ;
  60° les articles 13 et 19, § 3, du décret du 29 juin 2012 portant organisation du placement familial ;
  61° l'article 51 du décret du 6 juillet 2012 relatif à la Politique culturelle locale ;
  62° les articles 182 et 185 du décret du patrimoine culturel du 6 juillet 2012 ;
  63° les articles 2, 3°, et 8 du décret du 6 juillet 2012 portant subventionnement d'hôtels pour jeunes, de centres de séjour pour jeunes, de structures d'appui et de l'ASBL " Algemene Dienst voor Jeugdtoerisme " ;
  64° l'article 3 du décret du 6 juillet 2012 portant la promotion et le subventionnement d'une politique sportive locale ;
  65° l'article 8 du décret du 7 décembre 2012 encourageant une politique flamande inclusive à l'égard des personnes âgées et la participation à la politique des personnes âgées ;
  66° l'article 6 du décret du 21 décembre 2012 visant à compenser l'obligation de service public pour le transport des personnes handicapées ou à mobilité très réduite ;
  67° l'article 14 du décret du 21 juin 2013 portant diverses dispositions relatives au domaine politique du Bien-être, de la Santé publique et de la Famille ;
  68° les articles 22, 26, § 1er, 28, 42, § 2, 67 et 68 du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse ;
  69° les articles 16, 20 et 59 du décret du 12 juillet 2013 relatif au travail adapté dans la cadre de l'intégration collective ;
  70° l'article 3 du décret du 8 novembre 2013 portant la stimulation, la coordination et le subventionnement de l'emploi dans le secteur du sport ;
  71° le code de l'Enseignement supérieur, codifié le 11 octobre 2013 ;
  72° les articles 25 et 42 du décret du 22 novembre 2013 relatif à l'économie de services locaux ;
  73° l'article 14, § 2, du décret du 29 novembre 2013 portant organisation du soutien préventif aux familles ;
  74° l'article 25 du Décret sur les arts du 13 décembre 2013, modifié par le décret du 18 mai 2015 ;
  75° le décret du 20 décembre 2013 relatif à la pratique du sport dans le respect de la santé et de l'éthique ;
  76° le décret du 28 mars 2014 relatif à la rénovation rurale ;
  77° l'article 10 du décret du 25 avril 2014 portant le financement qui suit la personne pour des personnes handicapées et portant réforme du mode de financement des soins et du soutien pour des personnes handicapées.
  [1 78° l'article 12, § 3, du décret du 14 juillet 1998 relatif aux ateliers sociaux. ]1
  Pour tous les conventions et accords conclus en exécution des dispositions, visées à l'alinéa premier, qui prévoient une liaison à un indice des prix, il doit toujours être tenu compte de l'indice santé lissé.
  L'indice santé lissé doit être calculé et appliqué conformément à l'article 2 à 2quater inclus de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays.
  L'application des alinéas premier à trois inclus ne saurait entraîner une diminution nominale des subventions, forfaits et interventions, visés à l'alinéa premier, dans la période du 1 avril jusqu'au mois de référence, visé à l'article 2, § 4 de l'arrêté royal susvisé.
  
Afdeling 3. - Hervorming Financieringsfonds voor Schuldafbouw en Eenmalige Investeringsuitgaven (FFEU)
Section 3. - Réforme du " Financieringsfonds voor Schuldafbouw en Eénmalige Investeringsuitgaven " (FFEU - Fonds de financement pour le Désendettement et les Dépenses d'investissement uniques)
Art. 90. Het decreet van 22 december 2000 houdende oprichting van een Financieringsfonds voor Schuldafbouw en Eenmalige Investeringsuitgaven wordt opgeheven.
  Het gehele vermogen, met inbegrip van alle rechten en plichten, openstaande vastleggingen en vorderingen, activa en passiva, van het ontbonden Financieringsfonds voor schuldafbouw en eenmalige uitgaven wordt van rechtswege overgedragen aan de Vlaamse Gemeenschap op 31 december 2015.
  De Vlaamse Regering wordt gemachtigd om de verdeling van de overgekomen kredieten te bepalen.
  De Vlaamse Regering wordt gemachtigd om de vereffening van het Financieringsfonds voor Schuldafbouw en Eenmalige Investeringsuitgaven af te handelen.
Art. 90. Le décret du 22 décembre 2000 portant création d'un Fonds de financement pour le Désendettement et les Dépenses d'investissement uniques est abrogé.
  Le patrimoine entier, y compris tous les droits et obligations, engagements et créances non réglés, actifs et passifs, du Fonds de financement pour le Désendettement et les Dépenses d'investissement uniques dissous est transféré de plein droit à la Communauté flamande le 31 décembre 2015.
  Le Gouvernement flamand est autorisé à arrêter la répartition des crédits repris.
  Le Gouvernement flamand est autorisé à traiter la liquidation du Fonds de financement pour le Désendettement et les Dépenses d'investissement uniques.
Art. 91. De Vlaamse Regering wordt gemachtigd om jaarlijks de op het einde van het begrotingsjaar beschikbare vastleggingskredieten op de begroting van de Vlaamse Gemeenschap, beperkt tot de som van de niet-gebruikte vereffeningskredieten te herverdelen over de programma's heen naar de provisie investeringsmiddelen. Deze provisie kan voor investeringsgerelateerde uitgaven en schuldafbouw worden aangewend.
Art. 91. Le Gouvernement flamand est autorisé à répartir annuellement les crédits d'engagement disponibles à la fin de l'année budgétaire au budget de la Communauté flamande, limités à la somme des crédits de liquidation non utilisés, au-delà des programmes, sur la provision des moyens d'investissement. Cette provision peut être affectée à des dépenses liées à des investissements et au désendettement.
Afdeling 4. - Opheffing DAB Veiling Emissierechten
Section 4. - Abrogation SGS " Veiling Emissierechten "
Art. 92. Artikel 20 van het decreet van 9 november 2012 houdende diverse bepalingen betreffende financiën en begroting wordt opgeheven.
  Het gehele vermogen, met inbegrip van alle rechten en plichten, openstaande vastleggingen en vorderingen, activa en passiva van de ontbonden Dienst met Afzonderlijk Beheer Veiling Emissierechten wordt van rechtswege overgedragen aan de Vlaamse Gemeenschap op 31 december 2015.
Art. 92. L'article 20 du décret du 9 novembre 2012 portant diverses mesures relatives aux finances et au budget est abrogé.
  Le patrimoine entier, y compris tous les droits et obligations, engagements et créances non réglés, actifs et passifs, du Service à Gestion Séparée " Veiling Emissierechten " dissous est transféré de plein droit à la Communauté flamande le 31 décembre 2015.
Afdeling 5. - Opheffing Vlaams Toekomstfonds
Section 5. - Abrogation du " Vlaams Toekomstfonds " (Fonds flamand d'Avenir)
Art. 93. Artikel 93 tot en met 97 van het decreet van 22 december 2006 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2007 worden opgeheven.
  Het gehele vermogen, met inbegrip van alle rechten en plichten, openstaande vastleggingen en vorderingen en activa en passiva, van het ontbonden Vlaams Toekomstfonds wordt van rechtswege overgedragen aan de Vlaamse Gemeenschap op 31 december 2015.
Art. 93. Les articles 93 à 97 inclus du décret du 22 décembre 2006 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2007 sont abrogés.
  Le patrimoine entier, y compris tous les droits et obligations, engagements et créances non réglés, actifs et passifs, du " Vlaams Toekomstfonds " dissous est transféré de plein droit à la Communauté flamande le 31 décembre 2015.
Afdeling 6. - Erfbelasting
Section 6. - Impôt sur la succession
Art. 94. In artikel 3.10.4.3.1, derde lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, ingevoegd bij het decreet van 19 december 2014, wordt de zinsnede "artikel 2.7.1.0.6" vervangen door de zinsnede "de artikelen 2.7.1.0.5, § 1, tweede lid, en 2.7.1.0.6".
Art. 94. Dans l'article 3.10.4.3.1, alinéa trois, du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013, inséré par le décret du 19 décembre 2014, le membre de phrase " à l'article 2.7.1.0.6 " est remplacé par le membre de phrase " aux articles 2.7.1.0.5, § 1er, alinéa deux, et 2.7.1.0.6 ".
Afdeling 7. - Verdeelrecht
Section 7. - Droit de partage
Art. 95. In artikel 2.10.4.0.1 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, ingevoegd bij decreet van 19 december 2014, wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
  "Het recht wordt op 1% gebracht als de verdeling of de afstand, vermeld in artikel 2.10.1.0.1, 1° of 2° :
  1° tussen ex-echtgenoten plaatsvindt na of uitwerking heeft door de echtscheiding;
  2° tussen ex-wettelijke samenwonenden plaatsvindt binnen een termijn van drie jaar die volgt op de beëindiging van de wettelijke samenwoning conform artikel 1476, § 2, van het Burgerlijk Wetboek en op voorwaarde dat de personen op de dag van deze beëindiging ten minste een jaar ononderbroken met elkaar wettelijk samenwoonden.".
Art. 95. Dans l'article 2.10.4.0.1 du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013, inséré par le décret du 19 décembre 2014, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  " Le droit est ramené à 1 % si le partage ou la cession, visés à l'article 2.10.1.0.1, 1° ou 2°, :
  1° a lieu entre ex-époux après le divorce ou prend effet suite au divorce ;
  2° a lieu entre ex-cohabitants légaux dans un délai de trois ans, qui suit la cessation de la cohabitation légale conformément à l'article 1476, § 2, du Code civil, et à condition que les personnes aient cohabité légalement de manière ininterrompue pendant au moins un an le jour de cette cessation.
Afdeling 8. - Schenkbelasting
Section 8. - Impôt sur la donation
Art. 96. In artikel 2.8.4.3.1 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, ingevoegd bij het decreet van 19 december 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt tussen de zinsnede "wordt de schenkbelasting voor schenkingen van onroerende goederen gelegen in het Vlaamse Gewest" en de zinsnede "berekend volgens het tarief" de zinsnede "en gedaan met ingang van 1 juli 2015," ingevoegd;
  2° in paragraaf 2, eerste lid, wordt tussen de zinsnede "wordt de schenkbelasting voor schenkingen van onroerende goederen gelegen in het Vlaamse Gewest" en de zinsnede "berekend volgens het tarief" de zinsnede "en gedaan met ingang van 1 juli 2015," ingevoegd.
Art. 96. Dans l'article 2.8.4.3.1 du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013, inséré par le décret du 19 décembre 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, alinéa premier, le membre de phrase " , faites à partir du 1er juillet 2015, " est inséré entre le membre de phrase " l'impôt de donation pour les donations de biens immeubles situés en Région flamande " et le membre de phrase " est calculé selon le tarif " ;
  2° dans le paragraphe 2, alinéa premier, le membre de phrase " , faites à partir du 1er juillet 2015, " est inséré entre le membre de phrase " l'impôt de donation pour les donations de biens immeubles situés en Région flamande " et le membre de phrase " est calculé selon le tarif " ;
Afdeling 9. - Onroerende voorheffing
Section 9. - Précompte immobilier
Art. 97. Artikel 3 van het decreet van 17 juli 2015 tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 wordt opgeheven.
Art. 97. L'article 3 du décret du 17 juillet 2015 modifiant le Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013 est abrogé.
Art. 98. In artikel 2.1.5.0.1, § 2, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, gewijzigd bij het decreet van 19 december 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid worden punt 4° en 5° vervangen door wat volgt:
  ``4° 50 % van de onroerende voorheffing gedurende vijf jaar voor gebouwde onroerende goederen waarvoor de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning is ingediend na 31 december 2012 en die op 1 januari van het aanslagjaar ten hoogste een E-peil hebben volgens de volgende tabel:
Art. 98. Dans l'article 2.1.5.0.1, § 2, du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013, modifié par le décret du 19 décembre 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 1er, les points 4° et 5° sont remplacés par ce qui suit :
  " 4° de 50 % du précompte immobilier pendant cinq ans pour des biens immeubles bâtis pour lesquels la demande d'autorisation urbanistique est introduite après le 31 décembre 2012 et dont, le 1er janvier de l'année d'imposition, le niveau E maximal s'élève aux niveaux du tableau suivant :
Datum aanvraag stedenbouwkundige vergunning E-peil nieuwbouw
Vanaf 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013 E50
Vanaf 1 januari 2014 tot en met 31 december 2015 E40
Vanaf 1 januari 2016 E30
Datum aanvraag stedenbouwkundige vergunning E-peil nieuwbouwVanaf 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013 E50Vanaf 1 januari 2014 tot en met 31 december 2015 E40Vanaf 1 januari 2016 E30
;
  5° 100 % van de onroerende voorheffing gedurende vijf jaar voor gebouwde onroerende goederen waarvoor de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning is ingediend na 31 december 2012 en die op 1 januari van het aanslagjaar ten hoogste een E-peil hebben volgens de volgende tabel:
Date de la demande d'autorisation urbanistique Niveau E nouvelle construction
Du 1er janvier 2013 au 31 décembre 2013 E50
Du 1er janvier 2014 au 31 décembre 2015 E40
Du 1er janvier 2016 E30
Date de la demande d'autorisation urbanistique Niveau E nouvelle constructionDu 1er janvier 2013 au 31 décembre 2013 E50Du 1er janvier 2014 au 31 décembre 2015 E40Du 1er janvier 2016 E30
Datum aanvraag stedenbouwkundige vergunning E-peil nieuwbouw
Vanaf 1 januari 2013 tot en met 31 december 2015 E30
Vanaf 1 januari 2016 E20
Datum aanvraag stedenbouwkundige vergunning E-peil nieuwbouwVanaf 1 januari 2013 tot en met 31 december 2015 E30Vanaf 1 januari 2016 E20
.'';
  2° het zesde lid wordt vervangen door wat volgt:
  ``Alleen de gebouwde onroerende goederen waarvoor het vereiste E-peil voor het gebouw als geheel is bepaald, komen in aanmerking voor de verminderingen, vermeld in het eerste lid. De verminderingen worden alleen toegekend als het gaat om nieuwbouw, vermeld in artikel 1.1.1, § 2, 110°, van het Energiebesluit van 19 november 2010.''.
  5° de 100 % du précompte immobilier pendant cinq ans pour des biens immeubles bâtis pour lesquels la demande d'autorisation urbanistique est introduite après le 31 décembre 2012 et dont, le 1er janvier de l'année d'imposition, le niveau E maximal s'élève aux niveaux du tableau suivant :
-
Date de la demande d'autorisation urbanistique Niveau E nouvelle construction
Du 1er janvier 2013 au 31 décembre 2015 inclus E30
A partir du 1er janvier 2016 E20
Date de la demande d'autorisation urbanistique Niveau E nouvelle constructionDu 1er janvier 2013 au 31 décembre 2015 inclus E30A partir du 1er janvier 2016 E20
. " ;
  2° le sixième alinéa est remplacé par la disposition suivante :
  " Seuls les biens immeubles bâtis, pour lesquels le niveau E requis a été fixé pour l'ensemble du bâtiment, entrent en ligne de compte pour les réductions, visées à l'alinéa premier. Les réductions ne sont accordées que lorsqu'il s'agit de nouvelles constructions, telles que visées à l'article 1.1.1, § 2, 110° de l'Arrêté relatif à l'Energie du 19 novembre 2010. ".
Art. 99. Artikel 3.1.0.0.6 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 3.1.0.0.6. De provincies en de gemeenten die met toepassing van artikel 2.1.4.0.2 opcentiemen op de onroerende voorheffing heffen, en die met toepassing van artikel 2.1.4.0.1, § 2, eerste lid, 5°, 6° en 7°, en artikel 2.1.5.0.1, § 2, die opbrengsten derven, worden daarvoor volledig vergoed door het Vlaamse Gewest.".
Art. 99. L'article 3.1.0.0.6 du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013 est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 3.1.0.0.6. Les provinces et les communes levant des centimes additionnels sur le précompte immobilier en application de l'article 2.1.4.0.2, et perdant ces revenus en application de l'article 2.1.4.0.1, § 2, alinéa premier, 5°, 6° et 7°, et de l'article 2.1.5.0.1, § 2, sont entièrement indemnisées pour ces pertes par la Région flamande. ".
Afdeling 10. - Compensatie aan de gemeenten voor gederfde opcentiemen onroerende voorheffing
Section 10. - Compensation aux communes pour la perte de centimes additionnels sur le précompte immobilier
Art. 100. Als een gemeente met toepassing van artikel 3.1.0.0.6 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 recht had op een compensatie voor de opbrengsten, die zij derfde voor het aanslagjaar 2014 met toepassing van artikel 2.1.6.0.1, eerste lid, 4°, van deze codex en het bedrag van deze compensatie is groter dan het verschil tussen wat de gemeente met toepassing van de artikelen 6 tot en met 11 van het decreet van 5 juli 2002 tot vaststelling van de regels inzake de dotatie en de verdeling van het Vlaams Gemeentefonds uit de hoofddotatie van het Gemeentefonds ontving in 2013 en wat de gemeente met toepassing van die zelfde bepalingen uit de hoofddotatie van het Gemeentefonds ontving in 2014, wordt in 2016, 2017, 2018 en 2019 een bedrag x betaald aan de gemeente volgens volgende formule:
  x = a-b,
  waarbij:
  1° a = het in 2015 uitbetaalde bedrag van de compensatie voor gederfde opbrengsten voor het aanslagjaar 2014 met toepassing van de artikelen 2.1.6.0.1, eerste lid, 4°, en 3.1.0.0.6 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013;
  2° b = het verschil tussen het bedrag dat de gemeente uit de hoofddotatie van het Gemeentefonds ontving in 2013 en het bedrag dat de gemeente uit de hoofddotatie van het Gemeentefonds ontving in 2014, telkens met toepassing van de artikelen 6 tot en met 11 van het decreet van 5 juli 2002 tot vaststelling van de regels inzake de dotatie en de verdeling van het Vlaams Gemeentefonds.
  Het bedrag x, vermeld in het eerste lid, wordt aan de gemeente betaald uiterlijk op 15 oktober van elk jaar.
Art. 100. Lorsqu'une commune avait droit, en application de l'article 3.1.0.0.6 du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013, à une compensation pour la perte des produits pour l'année 2014 en application de l'article 2.1.6.0.1, alinéa premier, 4°, de ce code, et le montant de cette compensation est supérieur à la différence entre les recettes de la commune en application des articles 6 à 11 inclus du décret du 5 juillet 2002 réglant la dotation et la répartition du Fonds flamand des Communes de la dotation principale du Fonds des Communes en 2013, et les recettes de la commune en application de ces mêmes dispositions de la dotation principale du Fonds des Communes en 2014, un montant est payé à la commune en 2016, 2017, 2018 et 2019 selon la formule suivante :
  x = a-b,
  où :
  1° a = le montant payé en 2015 de la compensation pour la perte de produites pour l'année d'imposition 2014 en application des articles 2.1.6.0.1, alinéa premier, 4°, et 3.1.0.0.6 du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013 ;
  2° b = la différence entre le montant reçu par la commune de la dotation principale du Fonds des Communes en 2013 et le montant reçu par la commune de la dotation principale du Fonds des Communes en 2014, chaque fois en application des articles 6 à 11 inclus du décret du 5 juillet 2002 réglant la dotation et la répartition du Fonds flamand des Communes.
  Le montant x, visé à l'alinéa premier, est payé à la commune au plus tard le 15 octobre de chaque année.
Afdeling 11. - Kilometerheffing - Vervroegde aanvraag tot vrijstelling
Section 11. - Prélèvement kilométrique - Demande anticipée d'exonération
Art. 101. De vrijstellingen van de kilometerheffing, als vermeld in artikel 23 van het decreet van 3 juli 2015 tot invoering van de kilometerheffing en stopzetting van de heffing van het eurovignet en tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 in dat verband, kunnen worden aangevraagd vanaf 1 januari 2016.
Art. 101. Les exonérations du prélèvement kilométrique, telles que visées à l'article 23 du décret du 3 juillet 2015 introduisant le prélèvement kilométrique et annulant le prélèvement de l'Eurovignette et modifiant le Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013 en la matière, peuvent être demandées à partir du 1er janvier 2016.
Afdeling 12. - Eurovignet
Section 12. - Eurovignette
Art. 102. Artikel 3.1.0.0.1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 wordt vervangen door wat volgt:
  "De bepalingen van titel 3 zijn, behalve bij afwijkende bijzondere bepalingen, van toepassing op alle belastingen, vermeld in titel 2, alsook op het eurovignet.".
Art. 102. L'article 3.1.0.0.1, alinéa 1er, du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013 est remplacé par ce qui suit :
  " Les dispositions du titre 3 s'appliquent, sauf en cas de dispositions dérogatoires, à tous les impôts, visés au titre 2, ainsi qu'à l'eurovignette. ".
Art. 103. Artikel 39 van het decreet van 3 juli 2015 tot invoering van de kilometerheffing en stopzetting van de heffing van het eurovignet en tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 in dat verband wordt opgeheven.
Art. 103. L'article 39 du décret du 3 juillet 2015 introduisant le prélèvement kilométrique et annulant le prélèvement de l'Eurovignette et modifiant le Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013 en la matière, est abrogé.
Art. 104. Aan titel 5 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 wordt een artikel 5.0.0.0.12 toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 5.0.0.0.12. Op aanvraag van de belastingschuldige wordt voor de voertuigen die in België ingeschreven zijn of ingeschreven moeten zijn en waarvan de aangiftes, vermeld in artikel 3.3.1.0.3, voor 1 november 2015 werden onderschreven of overeenkomstig artikel 3.3.1.0.3, vierde lid, werden verlengd, een evenredige teruggave van het eurovignet verleend voor de resterende dagen van de belastbare periode van het eurovignet die betrekking hebben op de periode vanaf 1 april 2016.
  Voor de berekening van het terug te betalen bedrag wordt toepassing gemaakt van de volgende formule:
  JV x r/365 dagen,
  waarbij:
  1° JV = het toepasselijke tarief van een eurovignet met een geldigheidsduur van een jaar als vermeld in artikel 2.4.4.0.1;
  2° r = het resterend aantal dagen waarvoor al betaald werd, te rekenen vanaf 1 april 2016 tot het einde van de geldigheidsduur van het eurovignet.
  Artikel 3.4.7.0.4 is niet van toepassing.
  Op straffe van verval gebeurt de aanvraag, vermeld in het eerste lid, ten vroegste op 1 januari 2016 en uiterlijk op 1 mei 2016.".
Art. 104. Le titre 5 du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013 est complété par un article 5.0.0.0.12, rédigé comme suit :
  " Art. 5.0.0.0.12. A la demande du contribuable, un remboursement proportionnel de l'Eurovignette est accordé pour les jours restants de la période imposable de l'Eurovignette ayant trait à la période à partir du 1er avril 2016, pour les véhicules qui sont ou devraient être immatriculés en Belgique et pour lesquels les déclarations, visées à l'article 3.3.1.0.3, sont souscrites avant le 1er novembre 2015 ou ont été prolongées conformément à l'article 3.3.1.0.3, alinéa quatre.
  Pour le calcul du montant à rembourser, la formule suivante est appliquée :
  JV x r/365 jours,
  où :
  1° JV = le tarif applicable d'une Eurovignette ayant une durée de validité d'un an tel que visé à l'article 2.4.4.0.1 ;
  2° r = le nombre de jours restants déjà payés, à compter à partir du 1er avril 2016 jusqu'à la fin de la durée de validité de l'Eurovignette.
  L'article 3.4.7.0.4 ne s'applique pas.
  Sous peine de déchéance, la demande visée à l'alinéa premier se fait au plus tôt le 1er janvier 2016 et au plus tard le 1er mai 2016. ".
Afdeling 13. - Vergroening van de verkeersbelasting
Section 13. - Verdissement de la taxe de circulation
Art. 105. Aan artikel 1.1.0.0.2, derde lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 worden een punt 6° en een punt 7° toegevoegd, die luiden als volgt:
  "6° euronorm: de maximumdrempel voor de concentratie van bepaalde vervuilende stoffen in de uitlaatgassen van motorvoertuigen, bepaald in opeenvolgende Europese richtlijnen en verordeningen;
  7° wegvoertuigen: de personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen zoals die voertuigen zijn omschreven in de reglementering van de inschrijving van de motorvoertuigen en de aanhangwagens en zoals ze worden verstaan in de zin van de laatste zin van punt 2°, voor zover die voertuigen voorzien zijn van of voorzien moeten zijn van een andere nummerplaat dan een in het kader van de bedoelde regeling uitgereikte proefrittenplaat, handelaarsplaat of tijdelijke plaat die geen internationale kentekenplaat is.".
Art. 105. A l'article 1.1.0.0.2, alinéa 3, du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013, sont ajoutés un point 6° et un point 7°, rédigés comme suit :
  " euronorme : le seuil maximum pour la concentration de certains polluants dans les gaz d'échappement des véhicules à moteur, fixés dans des directives et règlements européen successifs ;
  7° véhicules routiers : les voitures particulières, voitures mixtes et minibus, tels que ces véhicules sont décrits dans la réglementation sur l'immatriculation des véhicules à moteur et des remorques et tels qu'ils sont entendus au sens de la dernière phrase du point 2°, pour autant que ces véhicules sont munis ou doivent être munis d'une plaque d'immatriculation, autre qu'une plaque d'essai, de marchand ou temporaire qui n'est pas une plaque d'immatriculation internationale, délivrée dans le cadre de la réglementation visée. ".
Art. 106. Aan artikel 2.2.4.0.1 van dezelfde codex wordt een paragraaf 2/1 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 2/1. Voor de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik en de minibussen die na 31 december 2015 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid wordt de belasting berekend, op basis van de tabel, vermeld in paragraaf 2, met in achtneming van volgende elementen:
  1° in functie van de CO2-uitstoot van het voertuig, gemeten tijdens de homologatie ervan volgens de geldende Europese regelgeving, wordt het tarief
  a) vermeerderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer boven 122 gram en niet hoger dan 500 gram;
  b) verminderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer onder 122 gram, maar hoger dan 24 gram;
  2° in functie van de euronorm en de brandstofsoort van het voertuig en desgevallend de aanwezigheid van een roetfilter wordt het tarief met een percentage vermeerderd of verminderd overeenkomstig de volgende tabel:
Art. 106. L'article 2.2.4.0.1 du même Code est complété par un paragraphe 1, rédigé comme suit :
  " § 2/1. Pour les voitures particulières, voitures mixtes et minibus, inscrits après le 31 décembre 2015 au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière, la taxe est calculée sur la base du tableau, repris au paragraphe 2, en tenant compte des éléments suivants :
  1° en fonction de l'émission de CO2 du véhicule, mesuré lors de son homologation selon la réglementation européenne en vigueur, le tarif est
  a) majoré de 0,30 % par gramme d'émission de CO2 par kilomètre au-dessus de 122 grammes et en-dessous de 500 grammes ;
  b) réduit de 0,30 % par gramme d'émission de CO2 par kilomètre en-dessous de 122 grammes et au-dessus de 24 grammes ;
  2° en fonction de l'euronorme et du type de carburant du véhicule et, le cas échéant, de la présence d'un filtre à particules, le tarif est majoré ou réduit d'un pourcentage, conformément au tableau suivant :
Euronorm Benzine en andere brandstoffen Diesel
euro 0 30 % 50 %
euro 1 10 % 40 %
euro 2 5 % 35 %
euro 3 0 % 30 %
euro 3 + roetfilter / 30 %
euro 4 - 12,5 % 25 %
euro 4 + roetfilter / 17,5 %
euro 5 of EEV - 15 % 17,5 %
euro 6 - 15 % 15 %
Euronorm Benzine en andere brandstoffen Dieseleuro 0 30 % 50 %euro 1 10 % 40 %euro 2 5 % 35 %euro 3 0 % 30 %euro 3 + roetfilter / 30 %euro 4 - 12,5 % 25 %euro 4 + roetfilter / 17,5 %euro 5 of EEV - 15 % 17,5 %euro 6 - 15 % 15 %
In afwijking van artikel 2.2.4.0.2, § 2, bedraagt de belasting, berekend overeenkomstig het eerste lid, minimum 40 euro.
  Deze paragraaf is alleen van toepassing op wegvoertuigen van natuurlijke personen en andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.".
EuronormeEssence et autres carburants Diesel
euro 0 30 % 50 %
euro 1 10 % 40 %
euro 2 5 % 35 %
euro 3 0 % 30 %
euro 3 + filtre à particules / 30 %
euro 4 - 12,5 % 25 %
euro 4 + filtre à particules / 17,5 %
euro 5 ou EEV - 15 % 17,5 %
euro 6 - 15 % 15 %
EuronormeEssence et autres carburants Dieseleuro 0 30 % 50 %euro 1 10 % 40 %euro 2 5 % 35 %euro 3 0 % 30 %euro 3 + filtre à particules / 30 %euro 4 - 12,5 % 25 %euro 4 + filtre à particules / 17,5 %euro 5 ou EEV - 15 % 17,5 %euro 6 - 15 % 15 %
Par dérogation à l'article 2.2.4.0.2, § 2, la taxe, calculée conformément à l'alinéa 1er, s'élève à 40 euros au minimum.
  Le présent paragraphe s'applique uniquement aux véhicules routiers de personnes physiques et d'autres personnes morales que les sociétés, les entreprises publiques autonomes et les associations sans but lucratif, qui exercent des activités de leasing. ".
Art. 107. In artikel 2.2.4.0.3 van dezelfde codex wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
  "De belasting, vastgesteld volgens artikel 2.2.4.0.1, § 2 en § 4, de minimumbelastingen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 2/1, tweede lid, en artikel 2.2.4.0.1, § 5, de belastingen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 7, alsook de belasting, vermeld in artikel 2.2.4.0.2, § 1, en de minimumbelasting, vermeld in artikel 2.2.4.0.2, § 2, alsook het bedrag, vermeld in artikel 2.2.5.0.4, zijn gekoppeld aan de schommelingen van het algemeen indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk. De belastingbedragen worden aangepast op 1 juli van elk jaar op grond van de schommelingen van het algemeen indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk, vastgesteld tussen de maand mei van het vorige jaar en de maand mei van het lopende jaar. De belastingbedragen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, met uitzondering van paragraaf 2/1, en artikel 2.2.4.0.2, zijn de bedragen die van toepassing waren op 1 juli 2013. Voor de toepassing van de indexatie zijn de bedragen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 2/1, tweede lid, en artikel 2.2.5.0.4, de bedragen die gelden alsof ze van toepassing waren op 1 juli 2015.".
Art. 107. Dans l'article 2.2.4.0.3 du même Code, l'alinéa premier est remplacé par ce qui suit :
  " La taxe, fixée selon l'article 2.2.4.0.1, §§ 2 et 4, les taxes minimum, visées à l'article 2.2.4.0.1, § 2/1, alinéa 2, et à l'article 2.2.4.0.1, § 5, les taxes, visées à l'article 2.2.4.0.1, § 7, ainsi que la taxe, visée à l'article 2.2.4.0.2, § 1er, et la taxe minimum, visée à l'article 2.2.4.0.2, § 2, et le montant, visé à l'article 2.2.5.0.4, sont liés aux fluctuations de l'indice général des prix à la consommation du Royaume. Les montants des taxes sont adaptés le 1er juillet de chaque année sur la base des fluctuations de l'indice général des prix à la consommation du Royaume, fixé entre le mois de mai de l'année précédente et le mois de mai de l'année en cours. Les montants des taxes, visés à l'article 2.2.4.0.1, à l'exception du paragraphe 2/1, et à l'article 2.2.4.0.2, sont les montants qui s'appliquaient au 1er juillet 2013. Pour l'application de l'indexation, les montants, visés aux articles 2.2.4.0.1, § 2/1, alinéa 2, et 2.2.5.0.4, sont les montants en vigueur tels qu'ils étaient d'application au 1er juillet 2015. ".
Art. 108. Aan titel 2, hoofdstuk 2, afdeling 4, van dezelfde codex wordt een artikel 2.2.4.0.6 toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 2.2.4.0.6. Als de euronorm van het wegvoertuig niet bekend is, wordt die parameter voor de toepassing van artikel 2.2.4.0.1, § 2/1, eerste lid, 2°, bepaald aan de hand van de datum van de eerste inschrijving van het wegvoertuig, vermeld in de volgende tabel:
Art. 108. Au titre 2, chapitre 2, section 4, du même Code, il est ajouté un article 2.2.4.0.6, rédigé comme suit :
  " Art. 2.2.4.0.6. Lorsque l'Euronorme du véhicule routier n'est pas connue, ce paramètre est déterminé pour l'application de l'article 2.2.4.0.1, § 2/1, alinéa 1er, 2°, au moyen de la date de première immatriculation du véhicule routier, visée au tableau suivant :
Datum van de eerste inschrijving van het wegvoertuig in het binnenland of in het buitenland Euronorm
tot en met 31 december 1993 euro 0
vanaf 1 januari 1994 tot en met 31 december 1996 euro 1
vanaf 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000 euro 2
vanaf 1 januari 2001 tot en met 31 december 2005 euro 3
vanaf 1 januari 2006 tot en met 31 december 2010 euro 4
vanaf 1 januari 2011 tot en met 31 augustus 2015 euro 5
vanaf 1 september 2015 euro 6
Datum van de eerste inschrijving van het wegvoertuig in het binnenland of in het buitenland Euronormtot en met 31 december 1993 euro 0vanaf 1 januari 1994 tot en met 31 december 1996 euro 1vanaf 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000 euro 2vanaf 1 januari 2001 tot en met 31 december 2005 euro 3vanaf 1 januari 2006 tot en met 31 december 2010 euro 4vanaf 1 januari 2011 tot en met 31 augustus 2015 euro 5vanaf 1 september 2015 euro 6
".
Date de première inscription du véhicule en Belgique ou à l'étranger Euronorme
jusqu'au 31 décembre 1993 inclus euro 0
du 1er janvier 1994 au 31 décembre 1996 inclus euro 1
du 1er janvier 1997 au 31 décembre 2000 inclus euro 2
du 1 janvier 2001 au 31 décembre 2005 inclus euro 3
du 1er janvier 2006 au 31 décembre 2010 inclus euro 4
du 1er janvier 2011 au 31 août 2015 inclus euro 5
à partir du 1er septembre 2015 euro 6
Date de première inscription du véhicule en Belgique ou à l'étranger Euronormejusqu'au 31 décembre 1993 inclus euro 0du 1er janvier 1994 au 31 décembre 1996 inclus euro 1du 1er janvier 1997 au 31 décembre 2000 inclus euro 2du 1 janvier 2001 au 31 décembre 2005 inclus euro 3du 1er janvier 2006 au 31 décembre 2010 inclus euro 4du 1er janvier 2011 au 31 août 2015 inclus euro 5à partir du 1er septembre 2015 euro 6
".
Art. 109. Aan titel 2, hoofdstuk 2, afdeling 4, van dezelfde codex wordt een artikel 2.2.4.0.7 toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 2.2.4.0.7. Als de CO2-uitstoot van het wegvoertuig niet bekend is, wordt die parameter voor de toepassing van artikel 2.2.4.0.1, § 2/1, eerste lid, 1°, bepaald aan de hand van de brandstofsoort, de cilinderinhoud en de euronorm, vermeld in de volgende tabel:
Art. 109. Au titre 2, chapitre 2, section 4, du même Code, il est ajouté un article 2.2.4.0.7, rédigé comme suit :
  " Art. 2.2.4.0.7. Lorsque l'émission de CO2 du véhicule routier n'est pas connue, ce paramètre est déterminé pour l'application de l'article 2.2.4.0.1, § 2/1, alinéa 1er, 1°, au moyen du type de carburant, de la cylindrée et de l'euronorme, repris au tableau suivant :
Brandstofsoort Cilinderinhoud in cc Euronorm
  6 5 4 3 2 1 0
 CO2-emissies in g/km
Benzine en andere branstoffen, met uitzondering van aardgas en diesel minder dan 1 400 117 125 140 150 164 173 175
 1 400 tot en met 2 000 150 159 172 185 200 211 213
 meer dan 2 000 228 238 247 259 279 295 297
Diesel minder dan 1 400 98 103 120 116 125 132 133
 1 400 tot en met 2 000 117 125 144 151 163 173 174
 meer dan 2 000 159 169 201 199 214 226 228
Aardgas minder dan 1 400 94 100 112 120 131 139 140
 1 400 tot en met 2 000 120 127 138 148 160 169 171
 meer dan 2 000 182 190 198 207 223 236 238
Brandstofsoort Cilinderinhoud in cc Euronorm6 5 4 3 2 1 0CO2-emissies in g/kmBenzine en andere branstoffen, met uitzondering van aardgas en diesel minder dan 1 400 117 125 140 150 164 173 1751 400 tot en met 2 000 150 159 172 185 200 211 213meer dan 2 000 228 238 247 259 279 295 297Diesel minder dan 1 400 98 103 120 116 125 132 1331 400 tot en met 2 000 117 125 144 151 163 173 174meer dan 2 000 159 169 201 199 214 226 228Aardgas minder dan 1 400 94 100 112 120 131 139 1401 400 tot en met 2 000 120 127 138 148 160 169 171meer dan 2 000 182 190 198 207 223 236 238
".
Type de carburant Cylindrée en cc Euronorm
  6 5 4 3 2 1 0
 Emissions de CO2 en g/km
Essence et autres carburants, à l'exception de gaz naturel et du dieselmoins de 1 400 117 125 140 150 164 173 175
 1 400 jusqu'à 2 000 150 159 172 185 200 211 213
 plus de 2 000 228 238 247 259 279 295 297
Diesel moins de 1 400 98 103 120 116 125 132 133
 1 400 jusqu'à 2 000 117 125 144 151 163 173 174
 plus de 2 000 159 169 201 199 214 226 228
Gaz naturel moins de 1 400 94 100 112 120 131 139 140
 1 400 jusqu'à 2 000 120 127 138 148 160 169 171
 plus de 2 000 182 190 198 207 223 236 238
Type de carburant Cylindrée en cc Euronorm6 5 4 3 2 1 0Emissions de CO2 en g/kmEssence et autres carburants, à l'exception de gaz naturel et du dieselmoins de 1 400 117 125 140 150 164 173 1751 400 jusqu'à 2 000 150 159 172 185 200 211 213plus de 2 000 228 238 247 259 279 295 297Diesel moins de 1 400 98 103 120 116 125 132 1331 400 jusqu'à 2 000 117 125 144 151 163 173 174plus de 2 000 159 169 201 199 214 226 228Gaz naturel moins de 1 400 94 100 112 120 131 139 1401 400 jusqu'à 2 000 120 127 138 148 160 169 171plus de 2 000 182 190 198 207 223 236 238
".
Art. 110. Aan titel 2, hoofdstuk 2, afdeling 4, van dezelfde codex wordt een artikel 2.2.4.0.8 toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 2.2.4.0.8. De aanwezigheid van een roetfilter als vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 2/1, eerste lid, 2°, wordt vastgesteld op basis van de PM-gegevens of op basis van de gegevens over de premie voor de aankoop en installatie van emissieverminderende voorzieningen in wegvoertuigen met een dieselmotor. Onder PM wordt verstaan: de uitstoot van deeltjes, gemeten tijdens de homologatie van het wegvoertuig volgens de geldende Europese regelgeving.
  Een roetfilter als vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 2/1, eerste lid, 2°, is een halfopen of een gesloten roetfilter.
  Een gesloten roetfilter wordt geacht aanwezig te zijn bij wegvoertuigen van euronorm 3 en 4 met een uitstoot kleiner dan of gelijk aan 10 mg/km PM. Als in de waarden de combinatie van 0 mg/km PM en 0 g/km CO2 voorkomt, wordt er geacht geen gesloten roetfilter aanwezig te zijn.
  Een halfopen roetfilter wordt geacht aanwezig te zijn bij wegvoertuigen als de premie-aanvraag voor de aankoop en installatie van de roetfilter door de Vlaamse overheid is goedgekeurd.".
Art. 110. Au titre 2, chapitre 2, section 4, du même Code, il est ajouté un article 2.2.4.0.8, rédigé comme suit :
  " Art. 2.2.4.0.8. La présence d'un filtre à particules tel que visé à l'article 2.2.4.0.1, § 2/1, alinéa 1er, 2°, est constatée sur la base des données PM ou sur la base des données sur la prime pour l'achat et l'installation d'équipements de réduction des émissions dans les véhicules routiers à moteur diesel. Par PM, on entend : les émissions de particules, mesurées lors de l'homologation du véhicule routier selon la réglementation européenne en vigueur.
  Un filtre à particules tel que visé à l'article 2.2.4.0.1, § 2/1, alinéa 1er, 2°, est un filtre à particules demi-ouvert ou fermé.
  Un filtre à particules fermé est censé être présent dans les véhicules routiers des Euronormes 3 et 4 ayant une émission inférieure ou égale à 10 mg/km PM. Lorsque, dans les valeurs, la combinaison de 0 mg/km PM et de 0 g/km CO2 se présente, un filtre à particules fermé est censé être absent.
  Un filtre à particules demi-ouvert est censé être présent dans les véhicules routiers lorsque la demande de prime pour l'achat et l'installation du filtre à particules a été approuvée par l'es autorités flamandes.
Art. 111. Aan titel 2, hoofdstuk 2, afdeling 4, van dezelfde codex wordt een artikel 2.2.4.0.9 toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 2.2.4.0.9. De belasting voor de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik en de minibussen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 2/1, wordt berekend op basis van de bepalingen van dit hoofdstuk zoals deze van toepassing waren vóór 1 januari 2016, meer bepaald wat betreft de tarieven, vermeld in deze afdeling, de verminderingen, vermeld in afdeling 5, en de vrijstellingen, vermeld in afdeling 6.
  Op straffe van verval wordt aan de volgende voorwaarden voldaan:
  1° het wegvoertuig werd vóór 31 oktober 2015 besteld;
  2° het wegvoertuig wordt na 31 december 2015 voor de eerste keer ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid;
  3° een kopie van de bestelbon wordt aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie bezorgd vóór 15 januari 2016, samen met een formulier, afgeleverd door deze entiteit, dat wordt ondertekend door de betrokken belastingplichtige, en dat minstens de volgende gegevens bevat:
  a) hetzij het identificatienummer uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, hetzij het ondernemingsnummer dat bekend is bij de Kruispuntbank van Ondernemingen, hetzij het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van de persoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid;
  b) de voornamen, de achternaam en het domicilieadres van de natuurlijke persoon of de naam, de rechtsvorm en het adres van de maatschappelijke zetel van de rechtspersoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid.".
Art. 111. Au titre 2, chapitre 2, section 4, du même Code, il est ajouté un article 2.2.4.0.9, rédigé comme suit :
  " Art. 2.2.4.0.9. La taxe pour les voitures particulières, voitures mixtes et minibus, visée à l'article 2.2.4.0.1, § 2/1, est calculée sur la base des dispositions du présent chapitre telles qu'elles s'appliquaient avant le 1er janvier 2016, notamment en ce qui concerne les tarifs, visés dans la présente section, les réductions, visées à la section 5, et les exonérations, visées à la section 6.
  A peine de déchéance, les conditions suivantes doivent être satisfaites :
  1° le véhicule routier a été commandé avant le 31 octobre 2015 ;
  2° le véhicule routier est inscrit pour la première fois après le 31 décembre 2015 au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière ;
  3° une copie du bon de commande est transmise avant le 15 janvier 2016 à l'entité compétente de l'administration flamande, accompagnée d'un formulaire délivré par cette entité et signé par le contribuable concerné, qui comprend au moins les données suivantes :
  a) soit le numéro d'identification du Registre national des personnes physiques, soit le numéro d'entreprise connu auprès de la Banque-Carrefour des Entreprises, soit le numéro d'identification, visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale, de la personne au nom de laquelle le véhicule est ou sera inscrit au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière ;
  b) les prénom, nom et adresse du domicile des personnes physiques ou le nom, la forme juridique et l'adresse du siège social de la personne morale au nom de laquelle le véhicule est ou sera inscrit au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière. ".
Art. 112. Aan titel 2, hoofdstuk 2, afdeling 5, van dezelfde codex wordt een artikel 2.2.5.0.4 toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 2.2.5.0.4. Voor de voertuigen waarvan de motor, ook al is het maar gedeeltelijk of tijdelijk, aangedreven wordt met vloeibaar petroleumgas of andere vloeibare koolwaterstofgassen, wordt de belasting verminderd met 100 euro, in voorkomend geval beperkt tot het bedrag van de belasting als berekend overeenkomstig artikel 2.2.4.0.1 tot en met 2.2.4.0.3, maar zonder toepassing van de minimumbelastingen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 2/1, tweede lid, en § 5, en in artikel 2.2.4.0.2, § 2.
  Dit artikel is alleen van toepassing op wegvoertuigen van natuurlijke personen en andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.".
Art. 112. Au titre 2, chapitre 2, section 5, du même Code, il est ajouté un article 2.2.5.0.4, rédigé comme suit :
  " Art. 2.2.5.0.4. Pour les véhicules dont le moteur est alimenté, même partiellement ou temporairement, au gaz de pétrole liquéfié ou autres hydrocarbures gazeux liquéfiés, la taxe est réduite de 100 euros, le cas échéant limité au montant de la taxe calculé conformément les articles 2.2.4.0.1 à 2.2.4.0.3 inclus, mais sans application des taxes minimum, visées à l'article 2.2.4.0.1, § 2/1, alinéa 2, en § 5, et à l'article 2.2.4.0.2, § 2.
  Le présent article s'applique uniquement aux véhicules routiers de personnes physiques et d'autres personnes morales que les sociétés, les entreprises publiques autonomes et les associations sans but lucratif, qui exercent des activités de leasing. ".
Art. 113. Aan titel 2, hoofdstuk 2, afdeling 6, van dezelfde codex wordt een artikel 2.2.6.0.6 toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 2.2.6.0.6. Op voertuigen die uitsluitend aangedreven worden door een elektrische motor of waterstof wordt geen belasting geheven.
  Dit artikel is alleen van toepassing op wegvoertuigen van natuurlijke personen en andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.".
Art. 113. Au titre 2, chapitre 2, section 6, du même Code, il est ajouté un article 2.2.6.0.6, rédigé comme suit :
  " Art. 2.2.6.0.6. Les véhicules fonctionnant exclusivement avec moteur électrique ou à l'hydrogène ne sont pas taxés.
  Le présent article s'applique uniquement aux véhicules routiers de personnes physiques et d'autres personnes morales que les sociétés, les entreprises publiques autonomes et les associations sans but lucratif, qui exercent des activités de leasing. ".
Art. 114. Aan titel 2, hoofdstuk 2, afdeling 6, van dezelfde codex wordt een artikel 2.2.6.0.7 toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 2.2.6.0.7. Er wordt tot en met 31 december 2020 geen belasting geheven op:
  1° voertuigen waarvan de motor, ook al is het maar gedeeltelijk of tijdelijk, aangedreven wordt met aardgas;
  2° plug-in hybride voertuigen met een maximale CO2-uitstoot van 50 gram per kilometer.
  Een plug-in hybride voertuig is een voertuig dat aangedreven wordt door een elektrische motor en een verbrandingsmotor waarvoor de energie geleverd wordt aan de elektrische motor door batterijen die volledig opgeladen kunnen worden via een aansluiting aan een externe energiebron buiten het voertuig.
  Dit artikel is alleen van toepassing op wegvoertuigen van natuurlijke personen en andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.".
Art. 114. Au titre 2, chapitre 2, section 6, du même Code, il est ajouté un article 2.2.6.0.7, rédigé comme suit :
  " Art. 2.2.6.0.7. Les véhicules suivants sont exonérés de taxes jusqu'au 31 décembre 2020 :
  1° véhicules dont le moteur est alimenté, même partiellement ou temporairement, au gaz naturel ;
  2° véhicules hybrides rechargeables avec une émission de CO2 jusqu'à 50 gr/km.
  Un véhicule hybride rechargeable est un véhicule à moteur électrique et à moteur à combustion, dont l'énergie est fournie au moteur électrique par des batteries pouvant être chargées complètement par un raccordement à une source d'énergie externe.
  Le présent article s'applique uniquement aux véhicules routiers de personnes physiques et d'autres personnes morales que les sociétés, les entreprises publiques autonomes et les associations sans but lucratif, qui exercent des activités de leasing. ".
Art. 115. In artikel 3.18.0.0.1 van dezelfde codex wordt een paragraaf 2/1 ingevoegd, die luidt als volgt:
  " § 2/1. In afwijking van paragraaf 1, kan het bevoegde personeelslid een administratieve geldboete van 5.000 euro opleggen voor een overtreding van artikel 2.2.4.0.9 als de overtreding is gepleegd met de bedoeling de belasting te ontduiken of om dat mogelijk te maken.".
Art. 115. Dans l'article 3.18.0.0.1 du même Code, il est inséré un paragraphe 2/1, rédigé comme suit :
  " § 2/1. Par dérogation au § 1er, le membre du personnel compétent peut imposer une amende administrative de 5.000 euros pour une infraction à l'article 2.2.4.0.9 si cette infraction avait pour but (de faciliter) la fraude fiscale. ".
Afdeling 14. - Bijsturing van de belasting op de inverkeerstelling
Section 14. - Correction de la taxe de mise en circulation
Art. 116. Aan artikel 1.1.0.0.2, vierde lid, van dezelfde codex wordt een punt 4° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "4° euronorm: de maximumdrempel voor de concentratie van bepaalde vervuilende stoffen in de uitlaatgassen van motorvoertuigen, bepaald in opeenvolgende Europese richtlijnen en verordeningen.".
Art. 116. A l'article 1.1.0.0.2, alinéa 4, du même Code, il est ajouté un point 4°, ainsi rédigé :
  " 4° euronorme : le seuil maximum pour la concentration de certains polluants dans les gaz d'échappement des véhicules à moteur, fixés dans des directives et règlements européen successifs. ".
Art. 117. In artikel 2.3.4.1.2 van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt:
  "De belasting wordt berekend volgens de volgende formule:
  BIV= ((CO2 * f + x) /246)6 * 4500 + c) * LC";
  2° in het tweede lid, 4°, wordt de tabel die de luchtcomponent (c) weergeeft vervangen door wat volgt:
  "
Art. 117. A l'article 2.3.4.1.2 du même Code sont apportées les modifications suivantes :
  1° l'alinéa premier est remplacé par les dispositions suivantes :
  " La taxe est calculée selon la formule suivante :
  BIV= ((CO2 * f + x) /246)6 * 4500 + c) * LC";
  2° dans l'alinéa 2, 4°, le tableau reprenant la composante aire (c) est remplacé par ce qui suit :
  "
Brandstofsoort Euronorm Bedrag in euro
Diesel euro 0 2.863,15
 euro 1 840,00
 euro 2 622,57
 euro 3 493,36
 euro 3 + roetfilter 467,06
 euro 4 467,06
 euro 4 + roetfilter 459,35
 euro 5 of EEV 459,35
 euro 6 454,07
Benzine, en andere brandstoffen euro 0 1138,78
 euro 1 509,28
 euro 2 152,29
 euro 3 95,53
 euro 4 22,93
 euro 5 of EEV 20,61
 euro 6 20,61
Brandstofsoort Euronorm Bedrag in euroDiesel euro 0 2.863,15euro 1 840,00euro 2 622,57euro 3 493,36euro 3 + roetfilter 467,06euro 4 467,06euro 4 + roetfilter 459,35euro 5 of EEV 459,35euro 6 454,07Benzine, en andere brandstoffen euro 0 1138,78euro 1 509,28euro 2 152,29euro 3 95,53euro 4 22,93euro 5 of EEV 20,61euro 6 20,61
";
Type de carburant Euronorme Montant en euros
Diesel euro 0 2.863,15
 euro 1 840,00
 euro 2 622,57
 euro 3 493,36
 euro 3 + filtre à particules 467,06
 euro 4 467,06
 euro 4 + filtre à particules 459,35
 euro 5 ou EEV 459,35
 euro 6 454,07
Essence, et autres carburants euro 0 1.138,78
 euro 1 509,28
 euro 2 152,29
 euro 3 95,53
 euro 4 22,93
 euro 5 ou EEV 20,61
 euro 6 20,61
Type de carburant Euronorme Montant en eurosDiesel euro 0 2.863,15euro 1 840,00euro 2 622,57euro 3 493,36euro 3 + filtre à particules 467,06euro 4 467,06euro 4 + filtre à particules 459,35euro 5 ou EEV 459,35euro 6 454,07Essence, et autres carburants euro 0 1.138,78euro 1 509,28euro 2 152,29euro 3 95,53euro 4 22,93euro 5 ou EEV 20,61euro 6 20,61
" ;
Art. 118. In artikel 2.3.4.1.3 van dezelfde codex worden de woorden "41,61 euro" vervangen door de woorden "41,99 euro" en worden de woorden "10.402 euro" vervangen door de woorden "10.497,70 euro".
Art. 118. Dans l'article 2.3.4.1.3 du même Code, les mots " 41,61 euros " sont remplacés par les mots " 41,99 euros ", et les mots " 10.402 euros " par les mots " 10.497,70 euros ".
Art. 119. In artikel 2.3.4.1.4, laatste zin, van dezelfde codex worden de woorden "1 juli 2013" vervangen door de woorden "1 juli 2015".
Art. 119. Dans l'article 2.3.4.1.4, dernière phrase, du même Code, les mots " 1er juillet 2013 " sont remplacés par les mots " 1er juillet 2015 ".
Art. 120. In de tabel in artikel 2.3.4.1.6 van dezelfde codex worden de woorden "benzine en lpg" vervangen door de woorden "benzine en andere brandstoffen, met uitzondering van diesel en aardgas".
Art. 120. Dans le tableau de l'article 2.3.4.1.6 du même Code les mots " essence et GPL " sont remplacés par les mots " essence et autres carburants, à l'exception du diesel et du gaz naturel ".
Art. 121. Aan titel 2, hoofdstuk 3, afdeling 4, onderafdeling 1, van dezelfde codex wordt een artikel 2.3.4.1.10 toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 2.3.4.1.10. De belasting voor de wegvoertuigen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 2/1, wordt berekend op basis van de bepalingen van dit hoofdstuk zoals deze van toepassing waren vóór 1 januari 2016, meer bepaald wat betreft de tarieven, vermeld in deze afdeling, en de vrijstellingen, vermeld in afdeling 6.
  Op straffe van verval wordt aan de volgende voorwaarden voldaan:
  1° het wegvoertuig werd vóór 31 oktober 2015 besteld;
  2° het wegvoertuig wordt na 31 december 2015 voor de eerste keer ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid;
  3° een kopie van de bestelbon wordt aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie bezorgd vóór 15 januari 2016, samen met een formulier, afgeleverd door deze entiteit, dat wordt ondertekend door de betrokken belastingplichtige, en dat minstens de volgende de gegevens bevat:
  a) hetzij het identificatienummer uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, hetzij het ondernemingsnummer dat bekend is bij de Kruispuntbank van Ondernemingen, hetzij het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van de persoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid;
  b) de voornamen, de achternaam en het domicilieadres van de natuurlijke persoon of de naam, de rechtsvorm en het adres van de maatschappelijke zetel van de rechtspersoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid.".
Art. 121. Au titre 2, chapitre 3, section 4, sous-section 1re, du même Code, il est ajouté un article 2.3.4.1.10, rédigé comme suit :
  " Art. 2.3.4.1.10. La taxe pour les véhicules routiers, visée à l'article 2.2.4.0.1, § 2/1, est calculée sur la base des dispositions du présent chapitre telles qu'elles s'appliquaient avant le 1er janvier 2016, notamment en ce qui concerne les tarifs, visés dans la présente section, et les exonérations, visées à la section 6.
  A peine de déchéance, les conditions suivantes doivent être satisfaites :
  1° le véhicule routier a été commandé avant le 31 octobre 2015 ;
  2° le véhicule routier est inscrit pour la première fois après le 31 décembre 2015 au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière ;
  3° une copie du bon de commande est transmise avant le 15 janvier 2016 à l'entité compétente de l'administration flamande, accompagnée d'un formulaire délivré par cette entité et signé par le contribuable concerné, qui comprend au moins les données suivantes :
  a) soit le numéro d'identification du Registre national des personnes physiques, soit le numéro d'entreprise connu auprès de la Banque-Carrefour des Entreprises, soit le numéro d'identification, visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale, de la personne au nom de laquelle le véhicule est ou sera inscrit au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière ;
  b) les prénom, nom et adresse du domicile des personnes physiques ou le nom, la forme juridique et l'adresse du siège social de la personne morale au nom de laquelle le véhicule est ou sera inscrit au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière. ".
Art. 122. Artikel 2.3.6.0.2 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 2.3.6.0.2. Op voertuigen die uitsluitend aangedreven worden door een elektrische motor of waterstof wordt geen belasting geheven.
  Dit artikel is alleen van toepassing op de wegvoertuigen, vermeld in artikel 2.3.4.1.1.".
Art. 122. L'article 2.3.6.0.2 du même Code est remplacé par ce qui suit :
  " Article 2.3.6.0.2 Les véhicules fonctionnant exclusivement avec moteur électrique ou à l'hydrogène ne sont pas taxés.
  Le présent article s'applique uniquement aux véhicules routiers, visés à l'article 2.3.4.1.1. ".
Art. 123. Aan titel 2, hoofdstuk 3, afdeling 6, van dezelfde codex wordt een artikel 2.3.6.0.3 toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 2.3.6.0.3. Er wordt tot en met 31 december 2020 geen belasting geheven op:
  1° voertuigen waarvan de motor, ook al is het maar gedeeltelijk of tijdelijk, aangedreven wordt met aardgas;
  2° plug-in hybride voertuigen met een maximale CO2-uitstoot van 50 gram per kilometer.
  Een plug-in hybride voertuig is een voertuig dat aangedreven wordt door een elektrische motor en een verbrandingsmotor waarvoor de energie geleverd wordt aan de elektrische motor door batterijen die volledig opgeladen kunnen worden via een aansluiting aan een externe energiebron buiten het voertuig.
  Dit artikel is alleen van toepassing op de wegvoertuigen, vermeld in artikel 2.3.4.1.1.".
Art. 123. Au titre 2, chapitre 3, section 6, du même Code, il est ajouté un article 2.3.6.0.3, rédigé comme suit :
  " Art. 2.3.6.0.3. Les véhicules suivants sont exonérés de taxes jusqu'au 31 décembre 2020 :
  1° véhicules dont le moteur est alimenté, même partiellement ou temporairement, au gaz naturel ;
  2° véhicules hybrides rechargeables avec une émission de CO2 jusqu'à 50 gr/km.
  Un véhicule hybride rechargeable est un véhicule à moteur électrique et à moteur à combustion, dont l'énergie est fournie au moteur électrique par des batteries pouvant être chargées complètement par un raccordement à une source d'énergie externe.
  Le présent article s'applique uniquement aux véhicules routiers, visés à l'article 2.3.4.1.1. "
Art. 124. In artikel 3.18.0.0.1 van dezelfde codex wordt een paragraaf 2/2 ingevoegd, die luidt als volgt:
  " § 2/2. In afwijking van paragraaf 1, kan het bevoegde personeelslid een administratieve geldboete van 5.000 euro opleggen voor een overtreding van artikel 2.3.4.1.10 als de overtreding is gepleegd met de bedoeling de belasting te ontduiken of dat mogelijk te maken.".
Art. 124. Dans l'article 3.18.0.0.1 du même Code, il est inséré un paragraphe 2/2, rédigé comme suit :
  " § 2/2. Par dérogation au § 1er, le membre du personnel compétent peut imposer une amende administrative de 5.000 euros pour une infraction à l'article 2.3.4.1.10 si cette infraction avait pour but (de faciliter) la fraude fiscale. ".
Art. 125. In artikel 2.3.4.1.1 van dezelfde codex worden de woorden "en artikel 2.3.6.0.2" vervangen door de woorden ", artikel 2.3.6.0.2 en 2.3.6.0.3".
Art. 125. A l'article 2.3.4.1.1 du même Code, les mots " et à l'article 2.3.6.0.2 " sont remplacés par les mots " et aux articles 2.3.6.0.2 et 2.3.6.0.3 ".
Afdeling 15. - Administratieve vereenvoudiging in de jaarlijkse verkeersbelasting wanneer een nultarief van toepassing is
Section 15. - Simplification administrative de la taxe de circulation annuelle lorsque le taux zéro s'applique
Art. 126. In artikel 3.3.1.0.1 van dezelfde codex wordt een vierde lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "De aangifteplicht voorzien in dit artikel geldt niet voor de voertuigen vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 6, eerste lid.".
Art. 126. L'article 3.3.1.0.1 du même Code est complété par un alinéa quatre, rédigé comme suit :
  " L'obligation de déclaration prévue par le présent article ne s'applique pas aux véhicules visés à l'article 2.2.4.0.1, § 6, alinéa 1er. ".
Afdeling 16. - Tarieven voor motorvoertuigen of de samengestelde voertuigen, bestemd voor het vervoer van goederen in de jaarlijkse verkeersbelasting
Section 16. - Tarifs pour véhicules à moteur ou ensembles de véhicules, destinés au transport de marchandises, dans la taxe de circulation annuelle
Art. 127. In artikel 2.2.4.0.2, § 2, van dezelfde codex wordt een tweede lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Deze paragraaf is niet van toepassing op de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 6.".
Art. 127. A l'article 2.2.4.0.2, § 2, du même Code, il est inséré un alinéa 2, rédigé comme suit :
  " Le présent paragraphe ne s'applique pas aux véhicules, visés à l'article 2.2.4.0.1, § 6. "
HOOFDSTUK 11. - Energie
CHAPITRE 11. - Energie
Art. 128. Aan artikel 3.2.1, § 3, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, laatst gewijzigd bij het decreet van 19 december 2014, worden de volgende woorden toegevoegd:
  "alsmede voor de financiering van energiegerelateerde kosten van de Vlaamse overheid.".
Art. 128. A l'article 3.2.1, § 3 du Décret sur l'Energie du 8 mai 2009, modifié en dernier lieu par le décret du 19 décembre 2014, sont ajoutés les mots suivants :
  " ainsi que pour le financement des frais d'énergie de l'Autorité flamande. ".
Art. 129. In artikel 14.1.1 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 19 december 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 worden de woorden "vanaf heffingsjaar 2015 een maandelijkse" vervangen door de woorden "vanaf 1 maart 2016 een jaarlijkse";
  2° aan paragraaf 1, 3°, worden de woorden "vermeld in artikel 4.6.1, artikel 15.3.5/1 en artikel 15.3.5/2, 3° ;" toegevoegd;
  3° aan paragraaf 2 wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Het geheel van afnamepunten van een gesloten distributienet, vermeld in paragraaf 1, 3°, dat voldoet aan artikel 1.1.3, 56° /2, wordt echter als één afnamepunt beschouwd. De heffing is in dat geval verschuldigd door de afnemer die volgens het toegangsregister titularis was van het afnamepunt op het transmissienet, het plaatselijk vervoersnet van elektriciteit, het elektriciteitsdistributienet.".
Art. 129. A l'article 14.1.1 du même décret, remplacé par le décret du 19 décembre 2014, sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans le § 1er, le membre de phrase " de l'année de redevance 2015, il est fixé un prélèvement mensuel " sont remplacés par le membre de phrase " du 1er mars 2016, il est fixé un prélèvement annuel " ;
  2° au § 1er, 3° le membre de phrase " visé aux articles 4.6.1, 15.3.5/1 et 15.3.5/2, 3° ; " est ajouté ;
  3° le paragraphe 2 est complété par un alinéa deux, rédigé comme suit :
  " L'ensemble des points de prélèvement d'un réseau de distribution fermé, visé au § 1er, 3°, qui répond à l'article 1.1.3, 56° /2, est cependant considéré comme un seul point de prélèvement. Dans ce cas la redevance est due par le preneur qui selon le registre d'accès était le titulaire du point de prélèvement sur le réseau de transmission, le réseau de transport local d'électricité ou le réseau de distribution d'électricité. ".
(NOTA : bij arrest nr.83/2017 van 22-06-2017 (B.St. 07-07-2017, p. 71064), heeft het Grondwettelijk Hof dit artikel vernietigd)
(NOTE : par son arrêt n° 83/2017 du 22-06-2017 (M.B. 07-07-2017, p. 71064), la Cour constitutionnelle a annulé le présent article)
Art. 130. Artikel 14.1.2 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 19 december 2014 en gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2015, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 14.1.2. De tarieven worden per afnamepunt, waarop de afnemer in het heffingsjaar is aangesloten geweest op één van de netten vermeld in artikel 14.1.1, als volgt bepaald:
  1° Categorie B: 100 euro;
  2° Categorie C: 130 euro;
  3° Categorie D: 290 euro;
  4° Categorie E: 770 euro;
  5° Categorie F: 1.300 euro;
  6° Categorie G: 1.850 euro;
  7° Categorie H: 2.600 euro;
  8° Categorie I: 6.500 euro;
  9° Categorie J: 16.000 euro;
  10° Categorie K: 30.000 euro;
  11° Categorie L: 75.000 euro;
  12° Categorie M: 100.000 euro;
  13° Categorie N: 120.000 euro.
  Waarbij
  Categorie B staat voor een schijf tot 5 MWh;
  Categorie C staat voor een schijf van 5 MWh tot 10 MWh;
  Categorie D staat voor een schijf van 10 MWh tot 20 MWh;
  Categorie E staat voor een schijf van 20 MWh tot 50 MWh;
  Categorie F staat voor een schijf van 50 MWh tot 100 MWh;
  Categorie G staat voor een schijf van 100 MWh tot 500 MWh;
  Categorie H staat voor een schijf van 500 MWh tot 1 GWh;
  Categorie I staat voor een schijf van 1 GWh tot 5 GWh;
  Categorie J staat voor een schijf van 5 GWh tot 20 GWh;
  Categorie K staat voor een schijf van 20 GWh tot 50 GWh;
  Categorie L staat voor een schijf van 50 GWh tot 100 GWh;
  Categorie M staat voor een schijf van 100 GWh tot 250 GWh en
  Categorie N staat voor een schijf vanaf 250 GWh.".
Art. 130. L'article 14.1.2, du même décret, remplacé par le décret du 19 décembre 2014 et modifié par le décret du 3 juillet 2015, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 14.1.2. Les tarifs par point de prélèvement, auquel le preneur était raccordé dans l'année de redevance sur l'un des réseaux visés à l'article 14.1.1, sont fixés comme suit :
  1° Catégorie B : 100 euros ;
  2° Catégorie C : 130 euros ;
  3° Catégorie D : 290 euros ;
  4° Catégorie E : 770 euros ;
  5° Catégorie F : 1.300 euros ;
  6° Catégorie G : 1.850 euros ;
  7° Catégorie H : 2.600 euros ;
  8° Catégorie I : 6.500 euros ;
  9° Catégorie J : 16.000 euros ;
  10° Catégorie K : 30.000 euros ;
  11° Catégorie L : 75.000 euros ;
  12° Catégorie M : 100.000 euros ;
  13° Catégorie N : 120.000 euros.
  Où :
  La catégorie B représente une tranche jusqu'à 5 MWh ;
  La catégorie C représente une tranche de 5 à 10 MWh ;
  La catégorie D représente une tranche de 10 à 20 MWh ;
  La catégorie E représente une tranche de 20 à 50 MWh ;
  La catégorie F représente une tranche de 50 à 100 MWh ;
  La catégorie G représente une tranche de 100 à 500 MWh ;
  La catégorie H représente une tranche de 500 MWh à 1 GWh ;
  La catégorie Ire>présente une tranche de 1 GWh à 5 GWh ;
  La catégorie J représente une tranche de 5 à 20 GWh ;
  La catégorie K représente une tranche de 20 à 50 GWh ;
  La catégorie L représente une tranche de 50 à 100 GWh ;
  La catégorie M représente une tranche de 100 à 250 GWh ;
  La catégorie N représente une tranche à partir de 250 GWh. ".
(NOTA : bij arrest nr.83/2017 van 22-06-2017 (B.St. 07-07-2017, p. 71064), heeft het Grondwettelijk Hof dit artikel vernietigd)
(NOTE : par son arrêt n° 83/2017 du 22-06-2017 (M.B. 07-07-2017, p. 71064), la Cour constitutionnelle a annulé le présent article)
Art. 131. In hoofdstuk I, titel XIV, van hetzelfde decreet wordt een artikel 14.1.3/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 14.1.3/1. Indien de afnemer, vermeld in artikel 14.1.1, § 2, een beschermde afnemer is, als bedoeld in artikel 1.1.1, § 2, 7°, van het Energiebesluit van 19 november 2010, of indien op het afnamepunt, vermeld in artikel 14.1.1, § 1, een actieve budgetmeter voor elektriciteit aanwezig is, of indien op het afnamepunt, vermeld in artikel 14.1.1, § 1, een actieve stroombegrenzer aanwezig is, wordt het tarief, vermeld in artikel 14.1.2, verminderd tot 25 euro. Deze vermindering wordt toegepast pro rata temporis voor de periode dat men tot de voormelde categorieën behoort. Deze afnemer behoort tot categorie A.".
Art. 131. Dans le chapitre Ier, titre XIV du même décret, il est inséré un article 14.1.3/1, ainsi rédigé :
  " Art. 14.1.3/1. Si le preneur, visé à l'article 14.1.1, § 2, est un preneur protégé, tel que visé à l'article 1.1.1, § 2, 7° du Décret relatif à l'Energie du 19 novembre 2010, ou que le point de prélèvement, visé à l'article 14.1.1, § 1er, dispose d'un compteur à budget pour l'électricité, ou que le point de prélèvement, visé à l'article 14.1.1, § 1er, dispose d'un limiteur de courant actif, le tarif, visé à l'article 14.1.2, est réduit à 25 euros. Cette réduction est appliquée au pro rata temporis pour la période d'appartenance aux catégories susvisées. Ce preneur appartient à la catégorie A. ".
(NOTA : bij arrest nr.83/2017 van 22-06-2017 (B.St. 07-07-2017, p. 71064), heeft het Grondwettelijk Hof dit artikel vernietigd)
(NOTE : par son arrêt n° 83/2017 du 22-06-2017 (M.B. 07-07-2017, p. 71064), la Cour constitutionnelle a annulé le présent article)
Art. 132. In artikel 14.1.3 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 19 december 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het jaartal "2016" wordt vervangen door het jaartal "2017";
  2° na de woorden "in artikel 14.1.2" en voor de woorden "te vermenigvuldigen" worden de woorden "en artikel 14.1.3/1" ingevoegd.
Art. 132. A l'article 14.1.3 du même décret, remplacé par le décret du 19 décembre 2014, sont apportées les modifications suivantes :
  1° l'année " 2016 " est remplacée par l'année " 2017 " ;
  2° le membre de phrase " à l'article 14.1.2 " est remplacé par le membre de phrase " aux articles 14.1.2 et 14.1.3/1 ".
(NOTA : bij arrest nr.83/2017 van 22-06-2017 (B.St. 07-07-2017, p. 71064), heeft het Grondwettelijk Hof dit artikel vernietigd)
(NOTE : par son arrêt n° 83/2017 du 22-06-2017 (M.B. 07-07-2017, p. 71064), la Cour constitutionnelle a annulé le présent article)
Art. 133. In artikel 14.2.2 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 19 december 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden "bepaalde kalendermaand" vervangen door de woorden "bepaald kalenderjaar";
  2° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden "voor die maand" opgeheven;
  3° aan paragraaf 1 worden een vierde, vijfde en zesde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
  "Het jaarverbruik, vermeld in artikel 14.1.2, wordt berekend op basis van de voortschrijdende jaarlijkse som van de afnamen.
  Wanneer de facturatie van de elektriciteitsafnamen voor een afnamepunt op maandelijkse basis gebeurt, wordt de heffing voor elke maandfactuur pro rata temporis berekend op basis van de afnamegegevens van de laatste twaalf maanden; indien de gegevens van deze periode niet volledig beschikbaar zijn, wordt een lineaire extrapolatie toegepast op basis van de meest recente gegevens over een periode van twaalf maanden.
  Wanneer de facturatie van de elektriciteitsafnamen voor een afnamepunt gebeurt met een jaarlijkse factuur, wordt de heffing berekend op basis, eventueel geëxtrapoleerd pro rata temporis, van de verbruiksgegevens over de twaalf maanden die voorafgaan aan de einddatum van de periode waarop de factuur betrekking heeft. Indien de verbruiksgegevens waarop de factuur betrekking heeft niet overeenstemmen met een periode van twaalf maanden die voorafgaan aan de einddatum van de periode waarop de factuur betrekking heeft, dan worden de verbruiksgegevens waarop de factuur betrekking heeft geëxtrapoleerd aan de hand van in de elektriciteitsmarkt vastgelegde verbruiksprofielen.".
Art. 133. A l'article 14.2.2 du même décret, remplacé par le décret du 19 décembre 2014, sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans le § 1er, alinéa 2, les mots " un certain mois calendaire " sont remplacés par les mots " une certain année calendaire " ;
  2° dans le § 1er, alinéa 2, les mots " pour ce mois " sont abrogés ;
  3° au § 1er sont ajoutés un quatrième, cinquième et sixième alinéa, ainsi rédigés :
  " La consommation annuelle, visée à l'article 14.1.2, est calculée sur la base du total annuel mobile des prélèvements.
  Si la facturation des prélèvements d'électricité pour un point de prélèvement se fait par mois, la redevance pour chaque facture mensuelle est calculée pro rata temporis sur la base des données de prélèvement des douze derniers mois ; si toutes les données de cette période ne sont pas disponibles, une extrapolation linéaire est appliquée sur la base des données les plus récentes sur une période de douze mois.
  Si la facturation des prélèvements d'électricité pour un point de prélèvement se fait par facture annuelle, la redevance est calculée, éventuellement par extrapolation pro rata temporis, sur la base des données de consommation des douze mois avant la fin de la période à laquelle la facture a trait. Si les données de consommation auxquelles la facture a trait ne correspondent pas à une période de douze mois qui précèdent la fin de la période à laquelle la facture a trait, les données de consommation auxquelles la facture à trait sont extrapolées à l'aide des profils de consommation fixés dans le marché de l'électricité. ".
(NOTA : bij arrest nr.83/2017 van 22-06-2017 (B.St. 07-07-2017, p. 71064), heeft het Grondwettelijk Hof dit artikel vernietigd)
(NOTE : par son arrêt n° 83/2017 du 22-06-2017 (M.B. 07-07-2017, p. 71064), la Cour constitutionnelle a annulé le présent article)
Art. 134. In artikel 14.2.3 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 19 december 2014, wordt paragraaf 2 vervangen door wat volgt:
  " § 2. In afwijking van artikel 14.2.2, § 2, dienen de eerste stortingen door de toegangshouders op de rekening van het Vlaamse Gewest van alle door hen conform artikel 14.2.2, § 1, voor het heffingsjaar 2016 reeds geïnde heffingen pas tegen uiterlijk 30 juli 2016 te geschieden.".
Art. 134. A l'article 14.2.3 du même décret, remplacé par le décret du 19 décembre 2014, le § 2 est remplacé par la disposition suivante :
  " § 2. Par dérogation à l'article 14.2.2, § 2, les premiers versements par les titulaires d'accès sur le compte de la Région flamande de tous les prélèvements déjà perçus par eux conformément à l'article 14.2.2, § 1er, ne doivent être effectués que pour le 30 juillet 2016 au plus tard. ".
(NOTA : bij arrest nr.83/2017 van 22-06-2017 (B.St. 07-07-2017, p. 71064), heeft het Grondwettelijk Hof dit artikel vernietigd)
(NOTE : par son arrêt n° 83/2017 du 22-06-2017 (M.B. 07-07-2017, p. 71064), la Cour constitutionnelle a annulé le présent article)
HOOFDSTUK 12. - Inwerkingtreding
CHAPITRE 12. - Entrée en vigueur
Art. 135. Dit decreet treedt in werking op 1 januari 2016, met uitzondering van:
  1° artikel 14 en 15, die in werking treden vanaf 1 maart 2016;
  2° artikel 17 tot en met 25, die in werking treden vanaf 1 maart 2016;
  3° artikel 39 en 40, die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2015;
  4° artikel 46 en 47, die uitwerking hebben met ingang van 1 september 2015;
  5° artikel 68, dat uitwerking heeft met ingang van 1 september 2015;
  6° artikel 81 tot en met 88, die in werking treden vanaf aanslagjaar 2017;
  7° artikel 89, dat uitwerking heeft met ingang van 27 april 2015;
  8° artikel 90 tot en met 93, die in werking treden vanaf 31 december 2015;
  9° artikel 96, dat uitwerking heeft met ingang van 1 juli 2015;
  10° artikel 97, dat in werking treedt vanaf 31 december 2015;
  11° artikel 98, dat in werking treedt vanaf aanslagjaar 2016;
  12° artikel 99, dat uitwerking heeft met ingang van aanslagjaar 2015;
  13° artikel 102, dat in werking treedt vanaf 1 april 2016;
  14° artikel 112 tot en met 114, die in werking treden vanaf aanslagjaar 2016;
  15° [1 ...]1
  16° [1 ...]1
  17° artikel 126 en 127, die in werking treden vanaf 1 april 2016;
  18° artikel 128 tot en met 134, die in werking treden op 1 maart 2016.
Art. 135. Le présent décret entre en vigueur le 1er janvier 2016, à l'exception :
  1° des articles 14 et 15 qui entrent en vigueur le 1er mars 2016 ;
  2° des articles 17 à 25 qui entrent en vigueur le 1 mars 2016 ;
  3° des articles 39 et 40, qui produisent leurs effets le 1er janvier 2015 ;
  4° des articles 46 et 47, qui produisent leurs effets le 1er septembre 2015 ;
  5° de l'article 68, qui produit ses effets le 1er septembre 2015 ;
  6° des articles 81 à 88 inclus, qui entrent en vigueur à partir de l'année d'imposition 2017 ;
  7° de l'article 89, qui produit ses effets le 27 avril 2015 ;
  8° des articles 90 à 93 qui entrent en vigueur le 31 décembre 2015 ;
  9° de l'article 96, qui produit ses effets le 1er juillet 2015 ;
  10° de l'article 97, qui entre en vigueur le 31 décembre 2015 ;
  11° de l'article 98, qui entre en vigueur à partir de l'année d'imposition 2016 ;
  12° de l'article 99, qui produit ses effets à partir de l'année d'imposition 2015 ;
  13° de l'article 102, qui entre en vigueur le 1er avril 2016 ;
  14° des articles 112 à 114 inclus, qui entrent en vigueur à partir de l'année d'imposition 2016 ;
  15° [1 ...]1
  16° [1 ...]1
  17° des articles 126 et 127 qui entrent en vigueur le 1er avril 2016 ;
  18° des articles 128 à 134 qui entrent en vigueur le 1er mars 2016.
(NOTA : bij arrest nr.83/2017 van 22-06-2017 (B.St. 07-07-2017, p. 71064), heeft het Grondwettelijk Hof nummer 18° van dit artikel vernietigd)
  
(NOTE : par son arrêt n° 83/2017 du 22-06-2017 (M.B. 07-07-2017, p. 71064), la Cour constitutionnelle a annulé le 18° du présent article)