Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
3 JULI 2015. - DECREET houdende diverse bepalingen onderwijs
Titre
3 JUILLET 2015. - DECRET portant diverses dispositions relatives à l'enseignement
Dokumentinformationen
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK 1. - Algemeen
HOOFDSTUK 2. - Diverse bepalingen
Afdeling 1. - Lestijden buitengewoon basisonder...
Afdeling 2. - Benoemingen
Afdeling 3. - Verlof wegens opdracht
Afdeling 4. - Naadloze, flexibele trajecten ond...
Afdeling 5. - Industriële onderzoeksfondsen
Afdeling 6. - Globale puntenenveloppe secundair...
HOOFDSTUK 3. - Slotbepalingen
Inhoud
CHAPITRE 1er. - Généralités
CHAPITRE 2. - Dispositions diverses
Section 1re. - Périodes de cours dans l'enseign...
Section 2. - Nominations
Section 3. - Congé pour mission
Section 4. - Parcours enseignement-bien-être fl...
Section 5. - Fonds de recherches industrielles
Section 6. - Enveloppe globale de points dans l...
CHAPITRE 3. - Dispositions finales
Tekst (29)
Texte (29)
HOOFDSTUK 1. - Algemeen
CHAPITRE 1er. - Généralités
Artikel 1. Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.
Article 1er. Le présent décret règle une matière communautaire.
HOOFDSTUK 2. - Diverse bepalingen
CHAPITRE 2. - Dispositions diverses
Afdeling 1. - Lestijden buitengewoon basisonderwijs en buitengewoon secundair onderwijs
Section 1re. - Périodes de cours dans l'enseignement fondamental spécial et l'enseignement secondaire spécial
Art. 2. In artikel 173septies, § 1, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, gewijzigd bij het decreet van 21 maart 2014, worden de jaartallen "2014-2015" vervangen door de jaartallen "2013-2014".
Art. 2. A l'article 173septies, § 1er, du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental, remplacé par le décret du 21 mars 2014, les années " 2014-2015 " sont remplacées par les années " 2013-2014 ".
Art. 3. In artikel 314/5, § 1, van de Codex Secundair Onderwijs, gecodificeerd op 17 december 2010, gewijzigd bij het decreet van 21 maart 2014, worden de jaartallen "2014-2015" vervangen door de jaartallen "2013-2014".
Art. 3. A l'article 314/5, § 1er, du Code de l'Enseignement secondaire, codifié le 17 décembre 2010, modifié par le décret du 21 mars 2014, les années " 2014-2015 " sont remplacées par les années " 2013-2014 ".
Art. 4. Aan hoofdstuk XI. Projecten van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, gewijzigd bij het decreet van 25 april 2014, wordt een afdeling 3 toegevoegd, die luidt als volgt:
"Afdeling 3. Project voor opvang van de effecten van de invoering van het decreet van 21 maart 2014 betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften in het schooljaar 2015-2016.
Art. 172ter. § 1. Met het oog op het opvangen van de effecten van de leerlingendaling die zich met de invoering van het decreet van 21 maart 2014 betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften al hebben voorgedaan in scholen voor buitengewoon basisonderwijs op de teldag van de eerste schooldag van februari 2015 in vergelijking met de teldag van de eerste schooldag van februari 2014, kent de regering voor het schooljaar 2015-2016 lestijden en uren toe aan het buitengewoon basisonderwijs ten belope van 2346 lestijden onderwijzend personeel en 2174 uren paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel.
Deze lestijden of uren worden beschouwd als extra lestijden of extra uren, zoals bedoeld in artikel 3, 14° en 14° bis, van dit decreet.
§ 2. De lestijden en uren worden ingericht in de scholen voor buitengewoon basisonderwijs en aangewend om leraren en lerarenteams voor gewoon basisonderwijs te ondersteunen in het onderwijs aan leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften, in het bijzonder leerlingen met een inschrijvingsverslag, verslag of gemotiveerd verslag voor type 1, type basisaanbod, type 2 of type 3.
§ 3. De lestijden en uren worden proportioneel verdeeld per onderwijsnet op basis van het aandeel van de in paragraaf 1 bedoelde effecten in de scholen van het betrokken onderwijsnet.
§ 4. Per onderwijsnet wordt telkens een commissie opgericht die in een gelijke vertegenwoordiging is samengesteld uit leden van het GO!-onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap respectievelijk de representatieve verenigingen van inrichtende machten en de representatieve groeperingen van personeelsverenigingen aangesloten bij een in de Sociaal Economische Raad van Vlaanderen vertegenwoordigde syndicale organisatie.
De regering beslist, op voorstel van deze commissie, over de toewijzing van de in paragraaf 3 bedoelde lestijden en uren aan de scholen voor buitengewoon basisonderwijs van het onderwijsnet. De commissie houdt bij het uitwerken van het voorstel van toewijzing ten minste rekening met de volgende criteria:
1° de effecten van de leerlingendaling, vermeld in paragraaf 1, op niveau van de individuele scholen;
2° de organiseerbaarheid van de ondersteuning van de scholen zoals bedoeld in paragraaf 2;
3° de aanwezige expertise in de scholen voor buitengewoon basisonderwijs in functie van de aanwending voor de ondersteuningsbehoeften in scholen voor gewoon basisonderwijs zoals vermeld in paragraaf 2.
De commissie begeleidt de samenwerkende scholen bij de aanstelling en de inzetbaarheid van personeelsleden in betrekkingen in deze lestijden en uren.
§ 5. Het personeelslid dat in een betrekking wordt aangesteld op basis van deze lestijden of uren, wordt steeds aangesteld als tijdelijk personeelslid. De bepalingen van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs of het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs zijn, naargelang van het geval, van toepassing op deze aanstelling, met uitzondering van de volgende bepalingen:
1° de betrekking is niet onderworpen aan de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling. Het schoolbestuur van de school waar de betrekking wordt opgericht, kan evenwel op vrijwillige basis een personeelslid aanstellen dat ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking. Deze aanstelling gebeurt steeds met instemming van het ter beschikking gestelde personeelslid en is, naargelang van het geval, een reaffectatie, een wedertewerkstelling of een tewerkstelling. Indien deze aanstelling een tewerkstelling is, dan wordt ze beschouwd als een wedertewerkstelling;
2° het schoolbestuur van de school waaraan de betrekking wordt toegewezen, is niet verplicht om in de betrekking een personeelslid aan te stellen dat het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven, overeenkomstig artikelen 21 en 21bis van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs of artikelen 23 en 23bis van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs, naargelang van het geval;
3° de betrekking kan niet vacant worden verklaard. Het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in de betrekking.
§ 6. De afspraken die samenwerkende scholen in dit project maken betreffende de inzetbaarheid van de personeelsleden, vallen onder de toepassing van artikel 12quater van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs en artikel 17quater van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs.
§ 7. Onverminderd paragraaf 5 en paragraaf 6 wordt de regering gemachtigd om voor de duur van het project, zoals bepaald in paragraaf 1, af te wijken van de bepalingen van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs en het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs, voor de personeelsleden die worden aangesteld in een betrekking die in een school voor buitengewoon basisonderwijs wordt ingericht met lestijden en uren, bedoeld in paragraaf 1. Deze afwijkingen betreffen de uitwerking van een aangepaste prestatieregeling, van bijkomende aanstellingsvoorwaarden en van aanvullende secundaire arbeidsvoorwaarden.
De regering wordt gemachtigd de wijze vast te leggen waarop de lestijden en uren kunnen worden omgezet in ambten en betrekkingen.
De regering neemt deze beslissing op basis van een voorstel van een gemeenschappelijke vergadering van het Sectorcomité X - Onderwijs (Vlaamse Gemeenschap), het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten - afdeling 2 - onderafdeling `Vlaamse Gemeenschap' en het Overkoepelend onderhandelingscomité gesubsidieerd vrij onderwijs.
Een personeelslid kan enkel aangesteld worden in een betrekking die in een school voor buitengewoon basisonderwijs wordt ingericht met lestijden of uren, bedoeld in paragraaf 3, als het instemt met de afwijkingen die de regering heeft vastgelegd.
§ 8. Een stuurgroep die wordt opgericht in de schoot van deze gemeenschappelijke vergadering, zoals bepaald in paragraaf 7, staat in voor de voorbereiding, opvolging en aansturing van de uitvoering van dit tijdelijk project. De onderwijsinspectie zal, in het kader van de reguliere schooldoorlichting, toezicht houden op de correcte aanwending van deze middelen.".
"Afdeling 3. Project voor opvang van de effecten van de invoering van het decreet van 21 maart 2014 betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften in het schooljaar 2015-2016.
Art. 172ter. § 1. Met het oog op het opvangen van de effecten van de leerlingendaling die zich met de invoering van het decreet van 21 maart 2014 betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften al hebben voorgedaan in scholen voor buitengewoon basisonderwijs op de teldag van de eerste schooldag van februari 2015 in vergelijking met de teldag van de eerste schooldag van februari 2014, kent de regering voor het schooljaar 2015-2016 lestijden en uren toe aan het buitengewoon basisonderwijs ten belope van 2346 lestijden onderwijzend personeel en 2174 uren paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel.
Deze lestijden of uren worden beschouwd als extra lestijden of extra uren, zoals bedoeld in artikel 3, 14° en 14° bis, van dit decreet.
§ 2. De lestijden en uren worden ingericht in de scholen voor buitengewoon basisonderwijs en aangewend om leraren en lerarenteams voor gewoon basisonderwijs te ondersteunen in het onderwijs aan leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften, in het bijzonder leerlingen met een inschrijvingsverslag, verslag of gemotiveerd verslag voor type 1, type basisaanbod, type 2 of type 3.
§ 3. De lestijden en uren worden proportioneel verdeeld per onderwijsnet op basis van het aandeel van de in paragraaf 1 bedoelde effecten in de scholen van het betrokken onderwijsnet.
§ 4. Per onderwijsnet wordt telkens een commissie opgericht die in een gelijke vertegenwoordiging is samengesteld uit leden van het GO!-onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap respectievelijk de representatieve verenigingen van inrichtende machten en de representatieve groeperingen van personeelsverenigingen aangesloten bij een in de Sociaal Economische Raad van Vlaanderen vertegenwoordigde syndicale organisatie.
De regering beslist, op voorstel van deze commissie, over de toewijzing van de in paragraaf 3 bedoelde lestijden en uren aan de scholen voor buitengewoon basisonderwijs van het onderwijsnet. De commissie houdt bij het uitwerken van het voorstel van toewijzing ten minste rekening met de volgende criteria:
1° de effecten van de leerlingendaling, vermeld in paragraaf 1, op niveau van de individuele scholen;
2° de organiseerbaarheid van de ondersteuning van de scholen zoals bedoeld in paragraaf 2;
3° de aanwezige expertise in de scholen voor buitengewoon basisonderwijs in functie van de aanwending voor de ondersteuningsbehoeften in scholen voor gewoon basisonderwijs zoals vermeld in paragraaf 2.
De commissie begeleidt de samenwerkende scholen bij de aanstelling en de inzetbaarheid van personeelsleden in betrekkingen in deze lestijden en uren.
§ 5. Het personeelslid dat in een betrekking wordt aangesteld op basis van deze lestijden of uren, wordt steeds aangesteld als tijdelijk personeelslid. De bepalingen van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs of het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs zijn, naargelang van het geval, van toepassing op deze aanstelling, met uitzondering van de volgende bepalingen:
1° de betrekking is niet onderworpen aan de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling. Het schoolbestuur van de school waar de betrekking wordt opgericht, kan evenwel op vrijwillige basis een personeelslid aanstellen dat ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking. Deze aanstelling gebeurt steeds met instemming van het ter beschikking gestelde personeelslid en is, naargelang van het geval, een reaffectatie, een wedertewerkstelling of een tewerkstelling. Indien deze aanstelling een tewerkstelling is, dan wordt ze beschouwd als een wedertewerkstelling;
2° het schoolbestuur van de school waaraan de betrekking wordt toegewezen, is niet verplicht om in de betrekking een personeelslid aan te stellen dat het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven, overeenkomstig artikelen 21 en 21bis van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs of artikelen 23 en 23bis van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs, naargelang van het geval;
3° de betrekking kan niet vacant worden verklaard. Het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in de betrekking.
§ 6. De afspraken die samenwerkende scholen in dit project maken betreffende de inzetbaarheid van de personeelsleden, vallen onder de toepassing van artikel 12quater van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs en artikel 17quater van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs.
§ 7. Onverminderd paragraaf 5 en paragraaf 6 wordt de regering gemachtigd om voor de duur van het project, zoals bepaald in paragraaf 1, af te wijken van de bepalingen van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs en het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs, voor de personeelsleden die worden aangesteld in een betrekking die in een school voor buitengewoon basisonderwijs wordt ingericht met lestijden en uren, bedoeld in paragraaf 1. Deze afwijkingen betreffen de uitwerking van een aangepaste prestatieregeling, van bijkomende aanstellingsvoorwaarden en van aanvullende secundaire arbeidsvoorwaarden.
De regering wordt gemachtigd de wijze vast te leggen waarop de lestijden en uren kunnen worden omgezet in ambten en betrekkingen.
De regering neemt deze beslissing op basis van een voorstel van een gemeenschappelijke vergadering van het Sectorcomité X - Onderwijs (Vlaamse Gemeenschap), het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten - afdeling 2 - onderafdeling `Vlaamse Gemeenschap' en het Overkoepelend onderhandelingscomité gesubsidieerd vrij onderwijs.
Een personeelslid kan enkel aangesteld worden in een betrekking die in een school voor buitengewoon basisonderwijs wordt ingericht met lestijden of uren, bedoeld in paragraaf 3, als het instemt met de afwijkingen die de regering heeft vastgelegd.
§ 8. Een stuurgroep die wordt opgericht in de schoot van deze gemeenschappelijke vergadering, zoals bepaald in paragraaf 7, staat in voor de voorbereiding, opvolging en aansturing van de uitvoering van dit tijdelijk project. De onderwijsinspectie zal, in het kader van de reguliere schooldoorlichting, toezicht houden op de correcte aanwending van deze middelen.".
Art. 4. Le chapitre XI. Projets du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental, modifié par le décret du 25 avril 2014, est complété par une section 3, rédigée comme suit :
" Section 3. Projet visant à remédier aux effets de l'introduction du décret du 21 mars 2014 relatif à des mesures pour les élèves à besoins éducatifs spécifiques dans l'année scolaire 2015-2016
Art. 172ter. § 1er. Afin de remédier aux effets de la baisse du nombre d'élèves qui se sont déjà produits, par l'introduction du décret du 21 mars 2014 relatif à des mesures pour les élèves à besoins éducatifs spécifiques, dans des écoles d'enseignement fondamental spécial au jour de comptage du premier jour de classe de février 2015 par rapport au jour de comptage du premier jour de classe de février 2014, le Gouvernement attribue à l'enseignement fondamental spécial pour l'année scolaire 2015-2016 des périodes de cours et des heures au prorata de 2346 périodes de cours destinées au personnel enseignant et de 2174 heures destinées au personnel paramédical, médical, social, psychologique et orthopédagogique.
Ces périodes de cours ou heures sont considérées comme des périodes supplémentaires ou des heures supplémentaires, telles que visées à l'article 3, 14° et 14° bis du présent décret.
§ 2. Les périodes de cours et les heures sont organisées dans les écoles d'enseignement fondamental spécial et utilisées pour appuyer des enseignants et équipes d'enseignants de l'enseignement fondamental ordinaire dans l'enseignement qu'ils donnent à des élèves à besoins éducatifs spécifiques, notamment des élèves qui disposent d'un rapport d'inscription, d'un rapport ou d'un rapport motivé pour le type 1, le type offre de base, le type 2 ou le type 3.
§ 3. Les périodes de cours et heures sont réparties proportionnellement par réseau d'enseignement sur la base de la part des effets visés au paragraphe 1er dans les écoles du réseau d'enseignement concerné.
§ 4. Il est créé par réseau d'enseignement une commission qui se compose d'un nombre égal de représentants de l'enseignement communautaire (GO!) de la Communauté flamande, respectivement des associations représentatives des pouvoirs organisateurs et des groupements d'associations de personnels affiliés à une organisation syndicale représentée dans le Sociaal Economische Raad van Vlaanderen.
Le Gouvernement statue, sur la proposition de cette commission, sur l'affectation des périodes de cours et heures visées au paragraphe 3 aux écoles d'enseignement fondamental spécial du réseau d'enseignement. Lors de l'élaboration de la proposition d'affectation, la commission tient au moins compte des critères suivants :
1° les effets de la baisse du nombre d'élèves visée au paragraphe 1er, au niveau des écoles individuelles ;
2° l'organisabilité de l'appui des écoles tel que visé au paragraphe 2 ;
3° l'expertise présente dans les écoles d'enseignement fondamental spécial en fonction de l'utilisation pour les besoins de soutien dans les écoles d'enseignement fondamental ordinaire tels que visés au paragraphe 2.
La commission accompagne les écoles coopérantes pour la désignation et l'employabilité des membres du personnel dans des emplois organisés sur la base de ces périodes de cours et heures.
§ 5. Le membre du personnel qui est désigné à un emploi sur la base de ces périodes de cours ou heures, l'est toujours en qualité de membre du personnel temporaire. Les dispositions du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire et du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné s'appliquent, suivant le cas, à cette désignation, à l'exception des dispositions suivantes :
1° l'emploi n'est pas régi par la réglementation relative à la mise en disponibilité par défaut d'emploi, à la réaffectation et à la remise au travail. L'autorité scolaire de l'école où est organisé l'emploi peut toutefois désigner, sur une base volontaire, un membre du personnel mis en disponibilité par défaut d'emploi. Cette désignation se fait toujours moyennant le consentement du membre du personnel mis en disponibilité et constitue, suivant le cas, une réaffectation, une remise au travail ou une mise au travail. Si cette désignation est une mise au travail, elle est considérée comme une remise au travail ;
2° l'autorité scolaire de l'école à laquelle l'emploi est attribué n'est pas obligée de désigner à cet emploi un membre du personnel ayant acquis le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, conformément aux articles 21 et 21bis du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire ou aux articles 23 et 23bis du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné, suivant le cas ;
3° l'emploi ne peut être déclaré vacant. L'autorité scolaire ne peut en aucun cas nommer à titre définitif, affecter ou muter un membre du personnel dans cet emploi.
§ 6. Les accords que des écoles coopérantes concluent dans ce projet concernant l'employabilité des membres du personnel, relèvent de l'article 12quater du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire et de l'article 17quater du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné.
§ 7. Sans préjudice des paragraphes 5 et 6, le Gouvernement est autorisé, pour la durée du projet tel que visé au paragraphe 1er, à déroger aux dispositions du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire et du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné, pour ce qui est des membres du personnel qui sont désignés à un emploi organisé dans une école d'enseignement fondamental spécial sur la base de périodes de cours et d'heures telles que visées au paragraphe 1er. Ces dérogations concernent l'élaboration d'un régime de prestations adapté, de conditions de désignation supplémentaires et de conditions de travail secondaires complémentaires.
Le Gouvernement est autorisé à fixer la manière suivant laquelle les périodes de cours et les heures sont converties en fonctions et en emplois.
Le Gouvernement prend cette décision sur la base d'une proposition d'une réunion commune du Comité sectoriel X - Enseignement (Communauté flamande), du Comité des services publics provinciaux et locaux - Section 2 - Sous-section 'Communauté flamande' et du Comité coordinateur de négociation Enseignement libre subventionné.
Un membre du personnel ne peut être désigné que dans un emploi qui est organisé dans une école d'enseignement fondamental spécial sur la base de périodes de cours ou d'heures visées au paragraphe 3, s'il marque son accord sur les dérogations que le Gouvernement a fixées.
§ 8. Un groupe de pilotage installé au sein de cette réunion commune, telle que visée au paragraphe 7, est chargé de la préparation, du suivi et du pilotage de l'exécution de ce projet temporaire. Dans le cadre de la radioscopie scolaire régulière, l'Inspection de l'Enseignement exercera le contrôle sur l'utilisation correcte de ces moyens. ".
" Section 3. Projet visant à remédier aux effets de l'introduction du décret du 21 mars 2014 relatif à des mesures pour les élèves à besoins éducatifs spécifiques dans l'année scolaire 2015-2016
Art. 172ter. § 1er. Afin de remédier aux effets de la baisse du nombre d'élèves qui se sont déjà produits, par l'introduction du décret du 21 mars 2014 relatif à des mesures pour les élèves à besoins éducatifs spécifiques, dans des écoles d'enseignement fondamental spécial au jour de comptage du premier jour de classe de février 2015 par rapport au jour de comptage du premier jour de classe de février 2014, le Gouvernement attribue à l'enseignement fondamental spécial pour l'année scolaire 2015-2016 des périodes de cours et des heures au prorata de 2346 périodes de cours destinées au personnel enseignant et de 2174 heures destinées au personnel paramédical, médical, social, psychologique et orthopédagogique.
Ces périodes de cours ou heures sont considérées comme des périodes supplémentaires ou des heures supplémentaires, telles que visées à l'article 3, 14° et 14° bis du présent décret.
§ 2. Les périodes de cours et les heures sont organisées dans les écoles d'enseignement fondamental spécial et utilisées pour appuyer des enseignants et équipes d'enseignants de l'enseignement fondamental ordinaire dans l'enseignement qu'ils donnent à des élèves à besoins éducatifs spécifiques, notamment des élèves qui disposent d'un rapport d'inscription, d'un rapport ou d'un rapport motivé pour le type 1, le type offre de base, le type 2 ou le type 3.
§ 3. Les périodes de cours et heures sont réparties proportionnellement par réseau d'enseignement sur la base de la part des effets visés au paragraphe 1er dans les écoles du réseau d'enseignement concerné.
§ 4. Il est créé par réseau d'enseignement une commission qui se compose d'un nombre égal de représentants de l'enseignement communautaire (GO!) de la Communauté flamande, respectivement des associations représentatives des pouvoirs organisateurs et des groupements d'associations de personnels affiliés à une organisation syndicale représentée dans le Sociaal Economische Raad van Vlaanderen.
Le Gouvernement statue, sur la proposition de cette commission, sur l'affectation des périodes de cours et heures visées au paragraphe 3 aux écoles d'enseignement fondamental spécial du réseau d'enseignement. Lors de l'élaboration de la proposition d'affectation, la commission tient au moins compte des critères suivants :
1° les effets de la baisse du nombre d'élèves visée au paragraphe 1er, au niveau des écoles individuelles ;
2° l'organisabilité de l'appui des écoles tel que visé au paragraphe 2 ;
3° l'expertise présente dans les écoles d'enseignement fondamental spécial en fonction de l'utilisation pour les besoins de soutien dans les écoles d'enseignement fondamental ordinaire tels que visés au paragraphe 2.
La commission accompagne les écoles coopérantes pour la désignation et l'employabilité des membres du personnel dans des emplois organisés sur la base de ces périodes de cours et heures.
§ 5. Le membre du personnel qui est désigné à un emploi sur la base de ces périodes de cours ou heures, l'est toujours en qualité de membre du personnel temporaire. Les dispositions du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire et du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné s'appliquent, suivant le cas, à cette désignation, à l'exception des dispositions suivantes :
1° l'emploi n'est pas régi par la réglementation relative à la mise en disponibilité par défaut d'emploi, à la réaffectation et à la remise au travail. L'autorité scolaire de l'école où est organisé l'emploi peut toutefois désigner, sur une base volontaire, un membre du personnel mis en disponibilité par défaut d'emploi. Cette désignation se fait toujours moyennant le consentement du membre du personnel mis en disponibilité et constitue, suivant le cas, une réaffectation, une remise au travail ou une mise au travail. Si cette désignation est une mise au travail, elle est considérée comme une remise au travail ;
2° l'autorité scolaire de l'école à laquelle l'emploi est attribué n'est pas obligée de désigner à cet emploi un membre du personnel ayant acquis le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, conformément aux articles 21 et 21bis du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire ou aux articles 23 et 23bis du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné, suivant le cas ;
3° l'emploi ne peut être déclaré vacant. L'autorité scolaire ne peut en aucun cas nommer à titre définitif, affecter ou muter un membre du personnel dans cet emploi.
§ 6. Les accords que des écoles coopérantes concluent dans ce projet concernant l'employabilité des membres du personnel, relèvent de l'article 12quater du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire et de l'article 17quater du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné.
§ 7. Sans préjudice des paragraphes 5 et 6, le Gouvernement est autorisé, pour la durée du projet tel que visé au paragraphe 1er, à déroger aux dispositions du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire et du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné, pour ce qui est des membres du personnel qui sont désignés à un emploi organisé dans une école d'enseignement fondamental spécial sur la base de périodes de cours et d'heures telles que visées au paragraphe 1er. Ces dérogations concernent l'élaboration d'un régime de prestations adapté, de conditions de désignation supplémentaires et de conditions de travail secondaires complémentaires.
Le Gouvernement est autorisé à fixer la manière suivant laquelle les périodes de cours et les heures sont converties en fonctions et en emplois.
Le Gouvernement prend cette décision sur la base d'une proposition d'une réunion commune du Comité sectoriel X - Enseignement (Communauté flamande), du Comité des services publics provinciaux et locaux - Section 2 - Sous-section 'Communauté flamande' et du Comité coordinateur de négociation Enseignement libre subventionné.
Un membre du personnel ne peut être désigné que dans un emploi qui est organisé dans une école d'enseignement fondamental spécial sur la base de périodes de cours ou d'heures visées au paragraphe 3, s'il marque son accord sur les dérogations que le Gouvernement a fixées.
§ 8. Un groupe de pilotage installé au sein de cette réunion commune, telle que visée au paragraphe 7, est chargé de la préparation, du suivi et du pilotage de l'exécution de ce projet temporaire. Dans le cadre de la radioscopie scolaire régulière, l'Inspection de l'Enseignement exercera le contrôle sur l'utilisation correcte de ces moyens. ".
Afdeling 2. - Benoemingen
Section 2. - Nominations
Art. 5. In artikel 28 van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, vervangen bij het decreet van 1 juli 2011 en gewijzigd bij het decreet van 25 april 2014, worden paragraaf 1 en paragraaf 2 vervangen door wat volgt:
" § 1. De raad van bestuur - voor het vormingscentrum de afgevaardigd bestuurder - verklaart jaarlijks alle vacante betrekkingen vacant met het oog op een vaste benoeming op 1 juli van het schooljaar en op 1 oktober van het daaropvolgende schooljaar. De lijst van de vacant verklaarde betrekkingen omvat:
1° alle vacante betrekkingen in de betrokken instelling(en) op 1 maart van dat jaar;
2° de betrekkingen die in de periode van 1 maart tot en met 1 september vacant zullen worden ten gevolge van de pensionering of de terbeschikkingstelling voorafgaand aan het rustpensioen van de titularis. De raad van bestuur kan deze betrekkingen vacant verklaren;
3° de betrekking van een vastbenoemd personeelslid dat uiterlijk op 1 maart van dat jaar in toepassing van artikel 5, § 1ter, van het decreet van 9 april 1992 betreffende het onderwijs III ter beschikking wordt gesteld wegens ontstentenis van betrekking. Op het ogenblik van deze terbeschikkingstelling wordt de betrekking waar het personeelslid titularis van is een vacante betrekking.
In afwijking van het eerste lid bepaalt de raad van bestuur voor haar centra voor volwassenenonderwijs jaarlijks op basis van een beleidsplan en na onderhandelingen in het bevoegde lokaal comité welke vacante betrekkingen hij vacant verklaart. De raad van bestuur moet de vacante betrekkingen waarover in het bevoegde lokaal comité geen akkoord wordt bereikt vacant verklaren als het gaat om vacante betrekkingen die gedurende de drie aan het betrokken schooljaar voorafgaande schooljaren ook vacant waren.
§ 2. De lijst van de vacant verklaarde betrekkingen wordt elk jaar voor 1 april openbaar gemaakt, samen met een beschrijving van de wijze waarop de kandidaturen voor mutatie of vaste benoeming moeten worden ingediend.".
" § 1. De raad van bestuur - voor het vormingscentrum de afgevaardigd bestuurder - verklaart jaarlijks alle vacante betrekkingen vacant met het oog op een vaste benoeming op 1 juli van het schooljaar en op 1 oktober van het daaropvolgende schooljaar. De lijst van de vacant verklaarde betrekkingen omvat:
1° alle vacante betrekkingen in de betrokken instelling(en) op 1 maart van dat jaar;
2° de betrekkingen die in de periode van 1 maart tot en met 1 september vacant zullen worden ten gevolge van de pensionering of de terbeschikkingstelling voorafgaand aan het rustpensioen van de titularis. De raad van bestuur kan deze betrekkingen vacant verklaren;
3° de betrekking van een vastbenoemd personeelslid dat uiterlijk op 1 maart van dat jaar in toepassing van artikel 5, § 1ter, van het decreet van 9 april 1992 betreffende het onderwijs III ter beschikking wordt gesteld wegens ontstentenis van betrekking. Op het ogenblik van deze terbeschikkingstelling wordt de betrekking waar het personeelslid titularis van is een vacante betrekking.
In afwijking van het eerste lid bepaalt de raad van bestuur voor haar centra voor volwassenenonderwijs jaarlijks op basis van een beleidsplan en na onderhandelingen in het bevoegde lokaal comité welke vacante betrekkingen hij vacant verklaart. De raad van bestuur moet de vacante betrekkingen waarover in het bevoegde lokaal comité geen akkoord wordt bereikt vacant verklaren als het gaat om vacante betrekkingen die gedurende de drie aan het betrokken schooljaar voorafgaande schooljaren ook vacant waren.
§ 2. De lijst van de vacant verklaarde betrekkingen wordt elk jaar voor 1 april openbaar gemaakt, samen met een beschrijving van de wijze waarop de kandidaturen voor mutatie of vaste benoeming moeten worden ingediend.".
Art. 5. A l'article 28 du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire, remplacé par le décret du 1er juillet 2011 et modifié par le décret du 25 avril 2014, les paragraphes 1er et 2 sont remplacés par ce qui suit :
" § 1er. Chaque année, le conseil d'administration - l'administrateur délégué pour le centre de formation - fait une déclaration de vacance d'emploi pour tous les emplois devenus vacants, en vue d'une nomination à titre définitif au 1er juillet de l'année scolaire et au 1er octobre de l'année scolaire suivante. La liste des emplois déclarés vacants comprend :
1° toutes les vacances d'emploi dans l'(les) établissement(s) concerné(s) au 1er mars de l'année en question ;
2° les emplois qui, dans la période du 1er mars au 1er septembre inclus deviendront vacants par suite d'une mise à la retraite ou d'une mise en disponibilité préalable à la pension de retraite du titulaire. Le conseil d'administration peut faire une déclaration de vacance d'emploi pour ces emplois ;
3° l'emploi d'un membre du personnel nommé à titre définitif qui, au 1er mars de cette année au plus tard, est mis en disponibilité par défaut d'emploi en application de l'article 5, § 1ter, du décret du 9 avril 1992 relatif à l'enseignement-III. A la date de cette mise en disponibilité, l'emploi dont est titulaire le membre du personnel devient un emploi vacant.
Par dérogation à l'alinéa premier, le conseil d'administration détermine chaque année pour ses centres d'éducation des adultes, sur la base d'un plan de gestion et après concertation au sein du comité local compétent, quels sont les emplois vacants pour lesquels il fait une déclaration de vacance d'emploi. Le conseil d'administration doit déclarer vacants les emplois vacants n'ayant pas recueilli un accord au sein du comité local de négociation compétent, s'il s'agit d'emplois vacants qui étaient déjà vacants pendant les trois années scolaires précédant l'année scolaire en question.
§ 2. La liste reprenant les emplois déclarés vacants est publiée chaque année avant le 1er avril, conjointement avec une description de la façon dont les candidatures à une mutation ou une nomination définitive doivent être posées. ".
" § 1er. Chaque année, le conseil d'administration - l'administrateur délégué pour le centre de formation - fait une déclaration de vacance d'emploi pour tous les emplois devenus vacants, en vue d'une nomination à titre définitif au 1er juillet de l'année scolaire et au 1er octobre de l'année scolaire suivante. La liste des emplois déclarés vacants comprend :
1° toutes les vacances d'emploi dans l'(les) établissement(s) concerné(s) au 1er mars de l'année en question ;
2° les emplois qui, dans la période du 1er mars au 1er septembre inclus deviendront vacants par suite d'une mise à la retraite ou d'une mise en disponibilité préalable à la pension de retraite du titulaire. Le conseil d'administration peut faire une déclaration de vacance d'emploi pour ces emplois ;
3° l'emploi d'un membre du personnel nommé à titre définitif qui, au 1er mars de cette année au plus tard, est mis en disponibilité par défaut d'emploi en application de l'article 5, § 1ter, du décret du 9 avril 1992 relatif à l'enseignement-III. A la date de cette mise en disponibilité, l'emploi dont est titulaire le membre du personnel devient un emploi vacant.
Par dérogation à l'alinéa premier, le conseil d'administration détermine chaque année pour ses centres d'éducation des adultes, sur la base d'un plan de gestion et après concertation au sein du comité local compétent, quels sont les emplois vacants pour lesquels il fait une déclaration de vacance d'emploi. Le conseil d'administration doit déclarer vacants les emplois vacants n'ayant pas recueilli un accord au sein du comité local de négociation compétent, s'il s'agit d'emplois vacants qui étaient déjà vacants pendant les trois années scolaires précédant l'année scolaire en question.
§ 2. La liste reprenant les emplois déclarés vacants est publiée chaque année avant le 1er avril, conjointement avec une description de la façon dont les candidatures à une mutation ou une nomination définitive doivent être posées. ".
Art. 6. In artikel 56/1 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 8 mei 2009 en gewijzigd bij de decreten van 17 december 2010 en 1 juli 2011, worden paragraaf 4 en paragraaf 5 opgeheven.
Art. 6. A l'article 56/1 du même décret, inséré par le décret du 8 mai 2009 et modifié par les décrets des 17 décembre 2010 et 1er juillet 2011, les paragraphes 4 et 5 sont abrogés.
Art. 7. In artikel 56/2 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 12 juli 2013 en gewijzigd bij het decreet van 25 april 2014, wordt paragraaf 3 opgeheven.
Art. 7. A l'article 56/2 du même décret, inséré par le décret du 12 juillet 2013 et modifié par le décret du 25 avril 2014, le paragraphe 3 est abrogé.
Art. 8. In artikel 33 van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs van 27 maart 1991, het laatst gewijzigd bij het decreet van 25 april 2014, wordt paragraaf 1 vervangen door wat volgt:
" § 1. Behoudens andersluidende overeenkomst in het bevoegde paritair comité en onverminderd de bepalingen betreffende de reaffectatie en wedertewerkstelling, deelt de inrichtende macht ieder schooljaar met het oog op een vaste benoeming op 1 juli van het schooljaar of op 1 oktober van het daaropvolgende schooljaar, voor 1 april, aan de personeelsleden van haar instellingen de vacante betrekkingen mee. Behoort een instelling tot een scholengemeenschap dan deelt de inrichtende macht van die instelling de vacante betrekkingen in haar instellingen die behoren tot die scholengemeenschap mee aan de personeelsleden van de scholengemeenschap. De mededeling van de vacante betrekkingen omvat:
1° alle vacante betrekkingen in de betrokken instelling(en) op 1 maart van dat jaar;
2° eventueel de betrekkingen die in de periode van 1 maart tot en met 1 september vacant zullen worden ten gevolge van de pensionering of de terbeschikkingstelling voorafgaand aan het rustpensioen van de titularis. De inrichtende macht kan deze betrekkingen eveneens meedelen als vacante betrekking met het oog op een vaste benoeming;
3° de betrekking van een vastbenoemd personeelslid dat uiterlijk op 1 maart van dat jaar in toepassing van artikel 5, § 1ter, van het decreet van 9 april 1992 betreffende het onderwijs III ter beschikking wordt gesteld wegens ontstentenis van betrekking. Op het ogenblik van deze terbeschikkingstelling wordt de betrekking waar het personeelslid titularis van is een vacante betrekking.
De mededeling van de vacante betrekkingen bevat een duidelijke omschrijving van de aangeboden betrekkingen en vermeldt de vorm waarin en de termijn waarbinnen een personeelslid moet kandideren, evenals de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een vaste benoeming. Dit bericht wordt aan alle in het eerste lid bedoelde personeelsleden meegedeeld en openbaar gemaakt.
De vaste benoeming gaat in op 1 juli van hetzelfde schooljaar of op 1 oktober van het daaropvolgende schooljaar, voor zover de betrekkingen bedoeld in deze paragraaf op die datum nog vacant zijn.".
" § 1. Behoudens andersluidende overeenkomst in het bevoegde paritair comité en onverminderd de bepalingen betreffende de reaffectatie en wedertewerkstelling, deelt de inrichtende macht ieder schooljaar met het oog op een vaste benoeming op 1 juli van het schooljaar of op 1 oktober van het daaropvolgende schooljaar, voor 1 april, aan de personeelsleden van haar instellingen de vacante betrekkingen mee. Behoort een instelling tot een scholengemeenschap dan deelt de inrichtende macht van die instelling de vacante betrekkingen in haar instellingen die behoren tot die scholengemeenschap mee aan de personeelsleden van de scholengemeenschap. De mededeling van de vacante betrekkingen omvat:
1° alle vacante betrekkingen in de betrokken instelling(en) op 1 maart van dat jaar;
2° eventueel de betrekkingen die in de periode van 1 maart tot en met 1 september vacant zullen worden ten gevolge van de pensionering of de terbeschikkingstelling voorafgaand aan het rustpensioen van de titularis. De inrichtende macht kan deze betrekkingen eveneens meedelen als vacante betrekking met het oog op een vaste benoeming;
3° de betrekking van een vastbenoemd personeelslid dat uiterlijk op 1 maart van dat jaar in toepassing van artikel 5, § 1ter, van het decreet van 9 april 1992 betreffende het onderwijs III ter beschikking wordt gesteld wegens ontstentenis van betrekking. Op het ogenblik van deze terbeschikkingstelling wordt de betrekking waar het personeelslid titularis van is een vacante betrekking.
De mededeling van de vacante betrekkingen bevat een duidelijke omschrijving van de aangeboden betrekkingen en vermeldt de vorm waarin en de termijn waarbinnen een personeelslid moet kandideren, evenals de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een vaste benoeming. Dit bericht wordt aan alle in het eerste lid bedoelde personeelsleden meegedeeld en openbaar gemaakt.
De vaste benoeming gaat in op 1 juli van hetzelfde schooljaar of op 1 oktober van het daaropvolgende schooljaar, voor zover de betrekkingen bedoeld in deze paragraaf op die datum nog vacant zijn.".
Art. 8. A l'article 33 du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné, modifié en dernier lieu par le décret du 25 avril 2014, le paragraphe 1er est remplacé par la disposition suivante :
" § 1er. Sauf accord contraire au sein du comité paritaire compétent et sans préjudice des dispositions en matière de réaffectation et de remise au travail, le pouvoir organisateur annonce, chaque année scolaire avant le 1er avril, les vacances d'emploi aux membres du personnel de ses établissements d'enseignement, en vue d'une nomination à titre définitif au 1er juillet de l'année scolaire ou au 1er octobre de l'année scolaire suivante. Si un établissement appartient à un centre d'enseignement, le pouvoir organisateur de cet établissement communique les vacances d'emploi dans ses établissements faisant partie de ce centre d'enseignement aux membres du personnel dudit centre. La liste des emplois déclarés vacants comprend :
1° toutes les vacances d'emploi dans l'(les) établissement(s) concerné(s) au 1er mars de l'année en question ;
2° éventuellement les emplois qui, dans la période du 1er mars au 1er septembre inclus, deviendront vacants par suite d'une mise à la retraite ou d'une mise en disponibilité préalable à la pension de retraite du titulaire. Le pouvoir organisateur peut également communiquer ces emplois comme emplois vacants en vue d'une nomination à titre définitif dans l'établissement ;
3° l'emploi d'un membre du personnel nommé à titre définitif qui, au 1er mars de cette année au plus tard, est mis en disponibilité par défaut d'emploi en application de l'article 5, § 1ter, du décret du 9 avril 1992 relatif à l'enseignement-III. A la date de cette mise en disponibilité, l'emploi dont est titulaire le membre du personnel devient un emploi vacant.
La communication des vacances d'emploi comprend une description précise des emplois offerts et mentionne la forme et le délai dans lesquels un membre du personnel doit poser sa candidature, ainsi que les conditions pour être admissible à une nomination à titre définitif. Cet avis est communiqué à tous les membres du personnel visés à l'alinéa premier et est rendu public.
La nomination à titre définitif prend cours le 1er juillet de la même année scolaire ou le 1er octobre de l'année scolaire suivante, pour autant que les emplois visés au présent paragraphe soient encore vacants à cette date. ".
" § 1er. Sauf accord contraire au sein du comité paritaire compétent et sans préjudice des dispositions en matière de réaffectation et de remise au travail, le pouvoir organisateur annonce, chaque année scolaire avant le 1er avril, les vacances d'emploi aux membres du personnel de ses établissements d'enseignement, en vue d'une nomination à titre définitif au 1er juillet de l'année scolaire ou au 1er octobre de l'année scolaire suivante. Si un établissement appartient à un centre d'enseignement, le pouvoir organisateur de cet établissement communique les vacances d'emploi dans ses établissements faisant partie de ce centre d'enseignement aux membres du personnel dudit centre. La liste des emplois déclarés vacants comprend :
1° toutes les vacances d'emploi dans l'(les) établissement(s) concerné(s) au 1er mars de l'année en question ;
2° éventuellement les emplois qui, dans la période du 1er mars au 1er septembre inclus, deviendront vacants par suite d'une mise à la retraite ou d'une mise en disponibilité préalable à la pension de retraite du titulaire. Le pouvoir organisateur peut également communiquer ces emplois comme emplois vacants en vue d'une nomination à titre définitif dans l'établissement ;
3° l'emploi d'un membre du personnel nommé à titre définitif qui, au 1er mars de cette année au plus tard, est mis en disponibilité par défaut d'emploi en application de l'article 5, § 1ter, du décret du 9 avril 1992 relatif à l'enseignement-III. A la date de cette mise en disponibilité, l'emploi dont est titulaire le membre du personnel devient un emploi vacant.
La communication des vacances d'emploi comprend une description précise des emplois offerts et mentionne la forme et le délai dans lesquels un membre du personnel doit poser sa candidature, ainsi que les conditions pour être admissible à une nomination à titre définitif. Cet avis est communiqué à tous les membres du personnel visés à l'alinéa premier et est rendu public.
La nomination à titre définitif prend cours le 1er juillet de la même année scolaire ou le 1er octobre de l'année scolaire suivante, pour autant que les emplois visés au présent paragraphe soient encore vacants à cette date. ".
Art. 9. In artikel 74bis1 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 8 mei 2009 en gewijzigd bij de decreten van 17 december 2010 en 1 juli 2011, worden paragraaf 4 en paragraaf 5 opgeheven.
Art. 9. A l'article 74bis1 du même décret, inséré par le décret du 8 mai 2009 et modifié par les décrets des 17 décembre 2010 et 1er juillet 2011, les paragraphes 4 et 5 sont abrogés.
Art. 10. In artikel 74bis2 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 12 juli 2013 en gewijzigd bij het decreet van 25 april 2014, wordt paragraaf 3 opgeheven.
Art. 10. A l'article 74bis2 du même décret, inséré par le décret du 12 juillet 2013 et modifié par le décret du 25 avril 2014, le paragraphe 3 est abrogé.
Art. 11. In artikel 74ter van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 15 juli 2005 en gewijzigd bij het decreet van 1 juli 2011, wordt paragraaf 4 opgeheven.
Art. 11. A l'article 74ter du même décret, inséré par le décret du 15 juillet 2005 et modifié par le décret du 1er juillet 2011, le paragraphe 4 est abrogé.
Art. 12. Artikel IX.14 van het decreet van 25 april 2014 betreffende het onderwijs XXIV wordt opgeheven.
Art. 12. L'article IX.14 du décret du 25 avril 2014 relatif à l'enseignement XXIV est abrogé.
Art. 13. In het decreet van 9 april 1992 betreffende het onderwijs-III wordt een artikel 29/2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 29/2. Met ingang van 1 september 2015 heeft een nieuwe vaste benoeming voor een personeelslid dat is aangesteld in een ambt van een internaat dat voorziet in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen, zoals bedoeld in artikel 29, derde lid, geen uitwerking ten aanzien van de overheid.
In afwijking van het eerste lid heeft een vaste benoeming op 1 juli 2016 wel uitwerking ten aanzien van de overheid als het gaat om een personeelslid dat gebruikmaakt van artikel 40ter, § 2, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs.
In afwijking van het eerste lid heeft een vaste benoeming voor een personeelslid van een internaat dat voorziet in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen wel uitwerking ten aanzien van de overheid als het gaat om een personeelslid dat opgenomen is op de nominatieve lijst die op 30 april 2015 door de herplaatsingscommissie is vastgelegd en dat op 1 september 2015 het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven.
In afwijking van het eerste lid heeft een vaste benoeming voor een personeelslid van een internaat dat voorziet in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen wel uitwerking ten aanzien van de overheid als het gaat om een personeelslid dat vóór 1 september 2015 werd toegelaten tot de proeftijd in het ambt van hoofdopvoeder in een opvangcentrum en is opgenomen op de nominatieve lijst die op 30 april 2015 door de herplaatsingscommissie is vastgelegd. In afwijking van artikel 48, § 1, van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs moet het betrokken personeelslid tijdens zijn proeftijd effectief presteren in het ambt van hoofdopvoeder in een opvangcentrum of in een internaat dat in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen voorziet voor het volume waarin het werd toegelaten tot de proeftijd.".
"Art. 29/2. Met ingang van 1 september 2015 heeft een nieuwe vaste benoeming voor een personeelslid dat is aangesteld in een ambt van een internaat dat voorziet in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen, zoals bedoeld in artikel 29, derde lid, geen uitwerking ten aanzien van de overheid.
In afwijking van het eerste lid heeft een vaste benoeming op 1 juli 2016 wel uitwerking ten aanzien van de overheid als het gaat om een personeelslid dat gebruikmaakt van artikel 40ter, § 2, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs.
In afwijking van het eerste lid heeft een vaste benoeming voor een personeelslid van een internaat dat voorziet in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen wel uitwerking ten aanzien van de overheid als het gaat om een personeelslid dat opgenomen is op de nominatieve lijst die op 30 april 2015 door de herplaatsingscommissie is vastgelegd en dat op 1 september 2015 het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven.
In afwijking van het eerste lid heeft een vaste benoeming voor een personeelslid van een internaat dat voorziet in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen wel uitwerking ten aanzien van de overheid als het gaat om een personeelslid dat vóór 1 september 2015 werd toegelaten tot de proeftijd in het ambt van hoofdopvoeder in een opvangcentrum en is opgenomen op de nominatieve lijst die op 30 april 2015 door de herplaatsingscommissie is vastgelegd. In afwijking van artikel 48, § 1, van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs moet het betrokken personeelslid tijdens zijn proeftijd effectief presteren in het ambt van hoofdopvoeder in een opvangcentrum of in een internaat dat in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen voorziet voor het volume waarin het werd toegelaten tot de proeftijd.".
Art. 13. Dans le décret du 9 avril 1992 relatif à l'enseignement-III, il est inséré un article 29/2, rédigé comme suit :
" Art. 29/2. A compter du 1er septembre 2015, une nouvelle nomination à titre définitif pour un membre du personnel qui est désigné dans une fonction d'un internat qui assure l'hébergement et l'accompagnement pendant les jours où il n'y a pas de cours, tel que visé à l'article 29, troisième alinéa, ne produit pas d'effet vis-à-vis de l'autorité.
Par dérogation à l'alinéa premier, une nomination à titre définitif au 1er juillet 2016 produit toutefois ses effets vis-à-vis de l'autorité s'il s'agit d'un membre du personnel faisant usage de l'article 40ter, § 2, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire.
Par dérogation à l'alinéa premier, une nomination à titre définitif pour un membre du personnel d'un internat qui assure l'hébergement et l'accompagnement pendant les jours où il n'y a pas de cours produit toutefois ses effets vis-à-vis de l'autorité s'il s'agit d'un membre du personnel figurant sur la liste nominative fixée le 30 avril 2015 par la commission de réaffectation et qui a acquis le 1er septembre 2015 le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue.
Par dérogation à l'alinéa premier, une nomination à titre définitif pour un membre du personnel d'un internat qui assure l'hébergement et l'accompagnement pendant les jours où il n'y a pas de cours produit toutefois ses effets vis-à-vis de l'autorité s'il s'agit d'un membre du personnel ayant été admis, avant le 1er septembre 2015, au stage dans la fonction de chef éducateur dans un centre d'accueil et figurant sur la liste nominative fixée le 30 avril 2015 par la commission de réaffectation. Par dérogation à l'article 48, § 1er, du décret relatif au statut des membres du personnel communautaire, le membre du personnel concerné doit, durant son stage, rendre effectivement des prestations dans la fonction de chef éducateur dans un centre d'accueil ou dans un internat qui pourvoit en un séjour et accompagnement durant les jours où il n'y a pas de cours pour le volume dans lequel il a été admis au stage. ".
" Art. 29/2. A compter du 1er septembre 2015, une nouvelle nomination à titre définitif pour un membre du personnel qui est désigné dans une fonction d'un internat qui assure l'hébergement et l'accompagnement pendant les jours où il n'y a pas de cours, tel que visé à l'article 29, troisième alinéa, ne produit pas d'effet vis-à-vis de l'autorité.
Par dérogation à l'alinéa premier, une nomination à titre définitif au 1er juillet 2016 produit toutefois ses effets vis-à-vis de l'autorité s'il s'agit d'un membre du personnel faisant usage de l'article 40ter, § 2, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire.
Par dérogation à l'alinéa premier, une nomination à titre définitif pour un membre du personnel d'un internat qui assure l'hébergement et l'accompagnement pendant les jours où il n'y a pas de cours produit toutefois ses effets vis-à-vis de l'autorité s'il s'agit d'un membre du personnel figurant sur la liste nominative fixée le 30 avril 2015 par la commission de réaffectation et qui a acquis le 1er septembre 2015 le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue.
Par dérogation à l'alinéa premier, une nomination à titre définitif pour un membre du personnel d'un internat qui assure l'hébergement et l'accompagnement pendant les jours où il n'y a pas de cours produit toutefois ses effets vis-à-vis de l'autorité s'il s'agit d'un membre du personnel ayant été admis, avant le 1er septembre 2015, au stage dans la fonction de chef éducateur dans un centre d'accueil et figurant sur la liste nominative fixée le 30 avril 2015 par la commission de réaffectation. Par dérogation à l'article 48, § 1er, du décret relatif au statut des membres du personnel communautaire, le membre du personnel concerné doit, durant son stage, rendre effectivement des prestations dans la fonction de chef éducateur dans un centre d'accueil ou dans un internat qui pourvoit en un séjour et accompagnement durant les jours où il n'y a pas de cours pour le volume dans lequel il a été admis au stage. ".
Afdeling 3. - Verlof wegens opdracht
Section 3. - Congé pour mission
Art. 14. Aan artikel 77quater van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, het laatst gewijzigd bij het decreet van 19 december 2014, worden een paragraaf 4 en paragraaf 5 toegevoegd, die luiden als volgt:
" § 4. De Vlaamse Regering bepaalt de modaliteiten waarbij een financiële bijdrage aan een organisatie kan worden gevraagd voor de administratieve kosten met betrekking tot het aanvragen voor een personeelslid van een verlof wegens opdracht, verlof voor vakbondsopdrachten, verlof om een ambt uit te oefenen in een ministerieel kabinet, of verlof voor prestaties ten behoeve van in de wetgevende vergaderingen erkende politieke groeperingen of hun voorzitters. Deze financiële bijdrage wordt uitsluitend gevraagd aan organisaties die er zich toe verbonden hebben het salaris van het personeelslid, verhoogd met alle vergoedingen en bijslagen die door het Ministerie van Onderwijs en Vorming worden uitbetaald, voor de voormelde periode terug te betalen aan het Ministerie van Onderwijs en Vorming na voorlegging van een schriftelijke betalingsstaat.
§ 5. Als een organisatie in het kader van een verlof wegens opdracht beroep doet op een personeelslid voor een periode die geen volledig schooljaar, met inbegrip van de zomervakantie, omvat, dan wordt aan de organisatie naast de terugbetaling van het salaris van het betrokken personeelslid voor de periode van het genoten verlof een bijkomende salariskost aangerekend. Deze bijkomende salariskost wordt berekend op basis van een aantal kalenderdagen volgens volgende principes:
1° alle kalenderdagen van het genoten verlof wegens opdracht worden opgeteld met een maximum van driehonderd dagen per schooljaar;
2° het resultaat van de optelling wordt met 0,2 vermenigvuldigd;
3° het resultaat wordt naar de lagere eenheid afgerond.".
" § 4. De Vlaamse Regering bepaalt de modaliteiten waarbij een financiële bijdrage aan een organisatie kan worden gevraagd voor de administratieve kosten met betrekking tot het aanvragen voor een personeelslid van een verlof wegens opdracht, verlof voor vakbondsopdrachten, verlof om een ambt uit te oefenen in een ministerieel kabinet, of verlof voor prestaties ten behoeve van in de wetgevende vergaderingen erkende politieke groeperingen of hun voorzitters. Deze financiële bijdrage wordt uitsluitend gevraagd aan organisaties die er zich toe verbonden hebben het salaris van het personeelslid, verhoogd met alle vergoedingen en bijslagen die door het Ministerie van Onderwijs en Vorming worden uitbetaald, voor de voormelde periode terug te betalen aan het Ministerie van Onderwijs en Vorming na voorlegging van een schriftelijke betalingsstaat.
§ 5. Als een organisatie in het kader van een verlof wegens opdracht beroep doet op een personeelslid voor een periode die geen volledig schooljaar, met inbegrip van de zomervakantie, omvat, dan wordt aan de organisatie naast de terugbetaling van het salaris van het betrokken personeelslid voor de periode van het genoten verlof een bijkomende salariskost aangerekend. Deze bijkomende salariskost wordt berekend op basis van een aantal kalenderdagen volgens volgende principes:
1° alle kalenderdagen van het genoten verlof wegens opdracht worden opgeteld met een maximum van driehonderd dagen per schooljaar;
2° het resultaat van de optelling wordt met 0,2 vermenigvuldigd;
3° het resultaat wordt naar de lagere eenheid afgerond.".
Art. 14. L'article 77quater du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire, modifié en dernier lieu par le décret du 19 décembre 2014, est complété par un paragraphe 4 et un paragraphe 5, rédigés comme suit :
" § 4. Le Gouvernement flamand fixe les modalités suivant lesquelles une contribution financière peut être demandée à une organisation pour les frais administratifs relatifs à la demande, au profit d'un membre du personnel, d'un congé pour mission, d'un congé pour missions syndicales, d'un congé pour l'exercice d'une fonction auprès d'un cabinet ministériel ou d'un congé pour l'accomplissement de prestations au bénéfice de groupes politiques reconnus dans les chambres législatives ou au bénéfice des présidents de ces groupes. Cette contribution financière est exclusivement demandée aux organisations qui se sont engagées à rembourser le traitement du membre du personnel augmenté de toutes les indemnités et allocations payées par le Ministère de l'Enseignement et de la Formation pour la période précitée, après présentation d'un relevé de paiement écrit.
§ 5. Si une organisation fait appel, dans le cadre d'un congé pour mission, à un membre du personnel pour une période ne couvrant pas une année scolaire entière, y compris les vacances d'été, l'organisation devra non seulement rembourser le traitement du membre du personnel intéressé pour la période du congé dont il a bénéficié, mais il lui sera également imputé un coût salarial supplémentaire. Ce coût salarial supplémentaire est calculé sur la base d'un nombre de jours calendaires suivant les principes suivants :
1° tous les jours calendaires du congé accordé pour mission sont additionnés, avec un maximum de trois cent jours par année scolaire ;
2° le résultat de l'addition est multiplié par 0,2 ;
3° le résultat est arrondi à l'unité inférieure. ".
" § 4. Le Gouvernement flamand fixe les modalités suivant lesquelles une contribution financière peut être demandée à une organisation pour les frais administratifs relatifs à la demande, au profit d'un membre du personnel, d'un congé pour mission, d'un congé pour missions syndicales, d'un congé pour l'exercice d'une fonction auprès d'un cabinet ministériel ou d'un congé pour l'accomplissement de prestations au bénéfice de groupes politiques reconnus dans les chambres législatives ou au bénéfice des présidents de ces groupes. Cette contribution financière est exclusivement demandée aux organisations qui se sont engagées à rembourser le traitement du membre du personnel augmenté de toutes les indemnités et allocations payées par le Ministère de l'Enseignement et de la Formation pour la période précitée, après présentation d'un relevé de paiement écrit.
§ 5. Si une organisation fait appel, dans le cadre d'un congé pour mission, à un membre du personnel pour une période ne couvrant pas une année scolaire entière, y compris les vacances d'été, l'organisation devra non seulement rembourser le traitement du membre du personnel intéressé pour la période du congé dont il a bénéficié, mais il lui sera également imputé un coût salarial supplémentaire. Ce coût salarial supplémentaire est calculé sur la base d'un nombre de jours calendaires suivant les principes suivants :
1° tous les jours calendaires du congé accordé pour mission sont additionnés, avec un maximum de trois cent jours par année scolaire ;
2° le résultat de l'addition est multiplié par 0,2 ;
3° le résultat est arrondi à l'unité inférieure. ".
Art. 15. In artikel 51quater van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs van 27 maart 1991, het laatst gewijzigd bij het decreet van 19 december 2014, worden een paragraaf 4 en paragraaf 5 ingevoegd, die luiden als volgt:
" § 4. De Vlaamse Regering bepaalt de modaliteiten waarbij een financiële bijdrage aan een organisatie kan worden gevraagd voor de administratieve kosten met betrekking tot het aanvragen voor een personeelslid van een verlof wegens opdracht, verlof voor vakbondsopdrachten, verlof om een ambt uit te oefenen in een ministerieel kabinet, of verlof voor prestaties ten behoeve van in de wetgevende vergaderingen erkende politieke groeperingen of hun voorzitters. Deze financiële bijdrage wordt uitsluitend gevraagd aan organisaties die er zich toe verbonden hebben het salaris van het personeelslid, verhoogd met alle vergoedingen en bijslagen die door het Ministerie van Onderwijs en Vorming worden uitbetaald, voor de voormelde periode terug te betalen aan het Ministerie van Onderwijs en Vorming na voorlegging van een schriftelijke betalingsstaat.
§ 5. Als een organisatie in het kader van een verlof wegens opdracht beroep doet op een personeelslid voor een periode die geen volledig schooljaar, met inbegrip van de zomervakantie, omvat, dan wordt aan de organisatie naast de terugbetaling van het salaris van het betrokken personeelslid voor de periode van het genoten verlof een bijkomende salariskost aangerekend. Deze bijkomende salariskost wordt berekend op basis van een aantal kalenderdagen volgens volgende principes:
1° alle kalenderdagen van het genoten verlof wegens opdracht worden opgeteld met een maximum van driehonderd dagen per schooljaar;
2° het resultaat van de optelling wordt met 0,2 vermenigvuldigd;
3° het resultaat wordt naar de lagere eenheid afgerond.".
" § 4. De Vlaamse Regering bepaalt de modaliteiten waarbij een financiële bijdrage aan een organisatie kan worden gevraagd voor de administratieve kosten met betrekking tot het aanvragen voor een personeelslid van een verlof wegens opdracht, verlof voor vakbondsopdrachten, verlof om een ambt uit te oefenen in een ministerieel kabinet, of verlof voor prestaties ten behoeve van in de wetgevende vergaderingen erkende politieke groeperingen of hun voorzitters. Deze financiële bijdrage wordt uitsluitend gevraagd aan organisaties die er zich toe verbonden hebben het salaris van het personeelslid, verhoogd met alle vergoedingen en bijslagen die door het Ministerie van Onderwijs en Vorming worden uitbetaald, voor de voormelde periode terug te betalen aan het Ministerie van Onderwijs en Vorming na voorlegging van een schriftelijke betalingsstaat.
§ 5. Als een organisatie in het kader van een verlof wegens opdracht beroep doet op een personeelslid voor een periode die geen volledig schooljaar, met inbegrip van de zomervakantie, omvat, dan wordt aan de organisatie naast de terugbetaling van het salaris van het betrokken personeelslid voor de periode van het genoten verlof een bijkomende salariskost aangerekend. Deze bijkomende salariskost wordt berekend op basis van een aantal kalenderdagen volgens volgende principes:
1° alle kalenderdagen van het genoten verlof wegens opdracht worden opgeteld met een maximum van driehonderd dagen per schooljaar;
2° het resultaat van de optelling wordt met 0,2 vermenigvuldigd;
3° het resultaat wordt naar de lagere eenheid afgerond.".
Art. 15. L'article 51quater du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné, modifié en dernier lieu par le décret du 19 décembre 2014, est complété par un paragraphe 4 et un paragraphe 5, rédigés comme suit :
" § 4. Le Gouvernement flamand fixe les modalités suivant lesquelles une contribution financière peut être demandée à une organisation pour les frais administratifs relatifs à la demande, au profit d'un membre du personnel, d'un congé pour mission, d'un congé pour missions syndicales, d'un congé pour l'exercice d'une fonction auprès d'un cabinet ministériel ou d'un congé pour l'accomplissement de prestations au bénéfice de groupes politiques reconnus dans les chambres législatives ou au bénéfice des présidents de ces groupes. Cette contribution financière est exclusivement demandée aux organisations qui se sont engagées à rembourser le traitement du membre du personnel augmenté de toutes les indemnités et allocations payées par le Ministère de l'Enseignement et de la Formation pour la période précitée, après présentation d'un relevé de paiement écrit.
§ 5. Si une organisation fait appel, dans le cadre d'un congé pour mission, à un membre du personnel pour une période ne couvrant pas une année scolaire entière, y compris les vacances d'été, l'organisation devra non seulement rembourser le traitement du membre du personnel intéressé pour la période du congé dont il a bénéficié, mais il lui sera également imputé un coût salarial supplémentaire. Ce coût salarial supplémentaire est calculé sur la base d'un nombre de jours calendaires suivant les principes suivants :
1° tous les jours calendaires du congé accordé pour mission sont additionnés, avec un maximum de trois cent jours par année scolaire ;
2° le résultat de l'addition est multiplié par 0,2 ;
3° le résultat est arrondi à l'unité inférieure. ".
" § 4. Le Gouvernement flamand fixe les modalités suivant lesquelles une contribution financière peut être demandée à une organisation pour les frais administratifs relatifs à la demande, au profit d'un membre du personnel, d'un congé pour mission, d'un congé pour missions syndicales, d'un congé pour l'exercice d'une fonction auprès d'un cabinet ministériel ou d'un congé pour l'accomplissement de prestations au bénéfice de groupes politiques reconnus dans les chambres législatives ou au bénéfice des présidents de ces groupes. Cette contribution financière est exclusivement demandée aux organisations qui se sont engagées à rembourser le traitement du membre du personnel augmenté de toutes les indemnités et allocations payées par le Ministère de l'Enseignement et de la Formation pour la période précitée, après présentation d'un relevé de paiement écrit.
§ 5. Si une organisation fait appel, dans le cadre d'un congé pour mission, à un membre du personnel pour une période ne couvrant pas une année scolaire entière, y compris les vacances d'été, l'organisation devra non seulement rembourser le traitement du membre du personnel intéressé pour la période du congé dont il a bénéficié, mais il lui sera également imputé un coût salarial supplémentaire. Ce coût salarial supplémentaire est calculé sur la base d'un nombre de jours calendaires suivant les principes suivants :
1° tous les jours calendaires du congé accordé pour mission sont additionnés, avec un maximum de trois cent jours par année scolaire ;
2° le résultat de l'addition est multiplié par 0,2 ;
3° le résultat est arrondi à l'unité inférieure. ".
Afdeling 4. - Naadloze, flexibele trajecten onderwijs-welzijn
Section 4. - Parcours enseignement-bien-être fluides et flexibles
Art. 16. In deel III, titel 1, hoofdstuk 3, afdeling 3, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, bekrachtigd bij het decreet van 27 mei 2011, wordt het opschrift van onderafdeling 2 vervangen door wat volgt:
"Onderafdeling 2. Naadloze flexibele trajecten onderwijs-welzijn".
"Onderafdeling 2. Naadloze flexibele trajecten onderwijs-welzijn".
Art. 16. Dans la partie III, titre 1er, chapitre 3, section 3, du Code de l'Enseignement secondaire du 17 décembre 2010, sanctionné par le décret du 27 mai 2011, l'intitulé de la sous-section 2 est remplacé par ce qui suit :
" Sous-section 2. Parcours enseignement-bien-être fluides et flexibles ".
" Sous-section 2. Parcours enseignement-bien-être fluides et flexibles ".
Art. 17. Artikel 44 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 44. De Vlaamse Regering kan binnen de beschikbare kredieten subsidies verlenen aan organisaties die naadloze flexibele trajecten onderwijs-welzijn aanbieden. Deze trajecten kunnen preventief of curatief ingezet worden in functie van leerlingen bij wie schooluitval en/of ongekwalificeerde uitstroom dreigt omwille van pedagogische, juridische, sociale of persoonlijke redenen. De trajecten zijn gericht op het versterken van secundaire onderwijsinstellingen in hun omgang met deze leerlingen of op het bevorderen van de re-integratie van leerlingen in het onderwijs. De trajecten kunnen aangeboden worden binnen de onderwijsinstelling of op een andere locatie. Een traject dient qua duur, methodiek en invulling afgestemd te zijn op de behoeften en leeftijd van de individuele leerling of leerlingengroep.
De Vlaamse Regering bepaalt:
1° de voorwaarden waaronder deze subsidies kunnen worden toegekend;
2° de wijze van selectie, de duur en de evaluatie van de trajecten;
3° de wijze van toegang tot de trajecten;
4° de datum van inwerkingtreding van dit artikel.".
"Art. 44. De Vlaamse Regering kan binnen de beschikbare kredieten subsidies verlenen aan organisaties die naadloze flexibele trajecten onderwijs-welzijn aanbieden. Deze trajecten kunnen preventief of curatief ingezet worden in functie van leerlingen bij wie schooluitval en/of ongekwalificeerde uitstroom dreigt omwille van pedagogische, juridische, sociale of persoonlijke redenen. De trajecten zijn gericht op het versterken van secundaire onderwijsinstellingen in hun omgang met deze leerlingen of op het bevorderen van de re-integratie van leerlingen in het onderwijs. De trajecten kunnen aangeboden worden binnen de onderwijsinstelling of op een andere locatie. Een traject dient qua duur, methodiek en invulling afgestemd te zijn op de behoeften en leeftijd van de individuele leerling of leerlingengroep.
De Vlaamse Regering bepaalt:
1° de voorwaarden waaronder deze subsidies kunnen worden toegekend;
2° de wijze van selectie, de duur en de evaluatie van de trajecten;
3° de wijze van toegang tot de trajecten;
4° de datum van inwerkingtreding van dit artikel.".
Art. 17. L'article 44 du même Code est remplacé par ce qui suit :
" Art. 44. Dans les limites des crédits disponibles, le Gouvernement flamand peut accorder des subventions aux organisations qui offrent des parcours enseignement-bien-être fluides et flexibles. Ces parcours peuvent être utilisés en fonction d'élèves qui risquent de décrocher et/ou de sortir de l'enseignement sans qualification pour des raisons pédagogiques, juridiques, sociales ou personnelles. Les parcours visent le renforcement d'établissements d'enseignement secondaire dans leur fréquentation avec ces élèves ou l'encouragement de la réintégration d'élèves dans l'enseignement. Les parcours peuvent être offerts dans l'établissement d'enseignement même ou à un autre endroit. Il est nécessaire qu'un parcours soit adapté, pour ce qui est de la durée, la méthodique et la concrétisation, aux besoins et à l'âge de l'élève individuel ou du groupe d'élèves.
Le Gouvernement flamand fixe :
1° les conditions auxquelles ces subventions peuvent être accordées ;
2° le mode de sélection, la durée et l'évaluation des parcours ;
3° le mode d'accès aux parcours ;
4° la date d'entrée en vigueur du présent article. ".
" Art. 44. Dans les limites des crédits disponibles, le Gouvernement flamand peut accorder des subventions aux organisations qui offrent des parcours enseignement-bien-être fluides et flexibles. Ces parcours peuvent être utilisés en fonction d'élèves qui risquent de décrocher et/ou de sortir de l'enseignement sans qualification pour des raisons pédagogiques, juridiques, sociales ou personnelles. Les parcours visent le renforcement d'établissements d'enseignement secondaire dans leur fréquentation avec ces élèves ou l'encouragement de la réintégration d'élèves dans l'enseignement. Les parcours peuvent être offerts dans l'établissement d'enseignement même ou à un autre endroit. Il est nécessaire qu'un parcours soit adapté, pour ce qui est de la durée, la méthodique et la concrétisation, aux besoins et à l'âge de l'élève individuel ou du groupe d'élèves.
Le Gouvernement flamand fixe :
1° les conditions auxquelles ces subventions peuvent être accordées ;
2° le mode de sélection, la durée et l'évaluation des parcours ;
3° le mode d'accès aux parcours ;
4° la date d'entrée en vigueur du présent article. ".
Afdeling 5. - Industriële onderzoeksfondsen
Section 5. - Fonds de recherches industrielles
Art. 18. Aan artikel 59 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de organisatie en financiering van het wetenschaps- en innovatiebeleid worden een tweede, derde en vierde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
``Voor de berekening van de in artikel 10, § 5, van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009 betreffende de ondersteuning van de Industriële Onderzoeksfondsen en de interface-activiteiten van de associaties in de Vlaamse Gemeenschap bedoelde parameter, worden ook beschouwd als octrooien die aangevraagd of toegekend zijn door de associatie: de aangevraagde of toegekende octrooien die, zonder de universitaire of hogeschoolpartner van de associatie als medeaanvrager te vermelden, zijn aangevraagd door of toegekend zijn aan een strategisch onderzoekscentrum, als op het aangevraagde of toegekende octrooi een bezoldigd medewerker (zoals vermeld in artikel IV.48, § 1, van de Codex Hoger Onderwijs van 20 december 2013) van de universitaire of hogeschoolpartner van de associatie wordt vermeld als uitvinder.
Voor de berekening van de in artikel 10, § 6, van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009 betreffende de ondersteuning van de Industriële Onderzoeksfondsen en de interface-activiteiten van de associaties in de Vlaamse Gemeenschap bedoelde parameter wordt verstaan onder spin-offbedrijven van de associatie de spin-offbedrijven opgericht door de universiteit of door de hogescholen, partner bij de associatie, of door een universitair ziekenhuis als vermeld in artikel 4 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, evenals door de strategische onderzoekscentra via het onderzoek of onderzoeksgedeelte dat wordt uitgevoerd in een onderzoeksgroep van de universiteit of van de hogescholen, partner bij de associatie.
Dit artikel is van toepassing vanaf 5 juni 2009.".
``Voor de berekening van de in artikel 10, § 5, van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009 betreffende de ondersteuning van de Industriële Onderzoeksfondsen en de interface-activiteiten van de associaties in de Vlaamse Gemeenschap bedoelde parameter, worden ook beschouwd als octrooien die aangevraagd of toegekend zijn door de associatie: de aangevraagde of toegekende octrooien die, zonder de universitaire of hogeschoolpartner van de associatie als medeaanvrager te vermelden, zijn aangevraagd door of toegekend zijn aan een strategisch onderzoekscentrum, als op het aangevraagde of toegekende octrooi een bezoldigd medewerker (zoals vermeld in artikel IV.48, § 1, van de Codex Hoger Onderwijs van 20 december 2013) van de universitaire of hogeschoolpartner van de associatie wordt vermeld als uitvinder.
Voor de berekening van de in artikel 10, § 6, van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009 betreffende de ondersteuning van de Industriële Onderzoeksfondsen en de interface-activiteiten van de associaties in de Vlaamse Gemeenschap bedoelde parameter wordt verstaan onder spin-offbedrijven van de associatie de spin-offbedrijven opgericht door de universiteit of door de hogescholen, partner bij de associatie, of door een universitair ziekenhuis als vermeld in artikel 4 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, evenals door de strategische onderzoekscentra via het onderzoek of onderzoeksgedeelte dat wordt uitgevoerd in een onderzoeksgroep van de universiteit of van de hogescholen, partner bij de associatie.
Dit artikel is van toepassing vanaf 5 juni 2009.".
Art. 18. L'article 59 du décret du 30 avril 2009 relatif à l'organisation et au financement de la politique en matière de sciences et d'innovation est complété par un deuxième, un troisième et un quatrième alinéa ainsi rédigés :
" Pour le calcul du paramètre visé à l'article 10, § 5, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 mai 2009 portant aide aux Fonds de Recherches industrielles et aux activités d'interface des associations en Communauté flamande, sont également considérés comme des brevets demandés ou délivrés par l'association : les brevets demandés ou délivrés qui, sans mentionner le partenaire universitaire ou de l'institut supérieur de l'association en tant que co-demandeur, ont été demandés par ou délivrés à un centre de recherches stratégiques, lorsque le brevet demandé ou délivré mentionne un collaborateur rémunéré (tel que mentionné à l'article IV.48, § 1er, du Code de l'Enseignement supérieur du 20 décembre 2013) du partenaire universitaire ou de l'institut supérieur de l'association en tant qu'inventeur.
Pour le calcul du paramètre visé à l'article 10, § 6, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 mai 2009 portant aide aux Fonds de Recherches industrielles et aux activités d'interface des associations en Communauté flamande, il faut entendre par entreprises spin-off de l'association : les entreprises spin-off, établies par l'université ou les instituts supérieurs, partenaire de l'association, ou par un hôpital universitaire, tel que visé à l'article 4 de la loi sur les hôpitaux, coordonnée le 7 août 1987, ainsi que par les centres de recherches stratégiques via la recherche ou la partie de recherche effectuée dans un groupe de recherche de l'université ou des instituts supérieurs, partenaire de l'association.
Le présent article est d'application à partir du 5 juin 2009. ".
" Pour le calcul du paramètre visé à l'article 10, § 5, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 mai 2009 portant aide aux Fonds de Recherches industrielles et aux activités d'interface des associations en Communauté flamande, sont également considérés comme des brevets demandés ou délivrés par l'association : les brevets demandés ou délivrés qui, sans mentionner le partenaire universitaire ou de l'institut supérieur de l'association en tant que co-demandeur, ont été demandés par ou délivrés à un centre de recherches stratégiques, lorsque le brevet demandé ou délivré mentionne un collaborateur rémunéré (tel que mentionné à l'article IV.48, § 1er, du Code de l'Enseignement supérieur du 20 décembre 2013) du partenaire universitaire ou de l'institut supérieur de l'association en tant qu'inventeur.
Pour le calcul du paramètre visé à l'article 10, § 6, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 mai 2009 portant aide aux Fonds de Recherches industrielles et aux activités d'interface des associations en Communauté flamande, il faut entendre par entreprises spin-off de l'association : les entreprises spin-off, établies par l'université ou les instituts supérieurs, partenaire de l'association, ou par un hôpital universitaire, tel que visé à l'article 4 de la loi sur les hôpitaux, coordonnée le 7 août 1987, ainsi que par les centres de recherches stratégiques via la recherche ou la partie de recherche effectuée dans un groupe de recherche de l'université ou des instituts supérieurs, partenaire de l'association.
Le présent article est d'application à partir du 5 juin 2009. ".
Afdeling 6. - Globale puntenenveloppe secundair onderwijs
Section 6. - Enveloppe globale de points dans l'enseignement secondaire
Art. 19. In artikel 24 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, bekrachtigd bij het decreet van 27 mei 2011, wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Op het resultaat van de berekening van de globale puntenenveloppe als vermeld in, naargelang van het geval, artikel 25, 26, 27 of 28, wordt een aanwendings-percentage toegepast dat wordt vastgesteld op 96,57%. De Vlaamse Regering kan op basis van de budgettaire mogelijkheden dit aanwendingspercentage wijzigen.".
"Op het resultaat van de berekening van de globale puntenenveloppe als vermeld in, naargelang van het geval, artikel 25, 26, 27 of 28, wordt een aanwendings-percentage toegepast dat wordt vastgesteld op 96,57%. De Vlaamse Regering kan op basis van de budgettaire mogelijkheden dit aanwendingspercentage wijzigen.".
Art. 19. L'article 24 du Code de l'Enseignement secondaire du 17 décembre 2010, sanctionné par le décret du 27 mai 2011, est complété par un troisième alinéa, rédigé comme suit :
" Au résultat du calcul de l'enveloppe globale de points telle que visée, suivant le cas, à l'article 25, 26, 27 ou 28, est appliqué un pourcentage d'utilisation qui est fixée à 96,57%. Le Gouvernement flamand peut modifier ce pourcentage d'utilisation en fonction des possibilités budgétaires. ".
" Au résultat du calcul de l'enveloppe globale de points telle que visée, suivant le cas, à l'article 25, 26, 27 ou 28, est appliqué un pourcentage d'utilisation qui est fixée à 96,57%. Le Gouvernement flamand peut modifier ce pourcentage d'utilisation en fonction des possibilités budgétaires. ".
HOOFDSTUK 3. - Slotbepalingen
CHAPITRE 3. - Dispositions finales
Art. 20. Dit decreet treedt in werking op 1 september 2015, met uitzondering van:
- artikel 17, dat in werking treedt op een door de Vlaamse Regering vast te stellen datum;
- artikel 18, dat uitwerking heeft met ingang van 5 juni 2009.
- artikel 17, dat in werking treedt op een door de Vlaamse Regering vast te stellen datum;
- artikel 18, dat uitwerking heeft met ingang van 5 juni 2009.
Art. 20. Le présent décret entre en vigueur le 1er septembre 2015, à l'exception :
- de l'article 17, qui entre en vigueur à une date à fixer par le Gouvernement flamand ;
- de l'article 18, qui produit ses effets le 5 juin 2009.
- de l'article 17, qui entre en vigueur à une date à fixer par le Gouvernement flamand ;
- de l'article 18, qui produit ses effets le 5 juin 2009.
(NOTE : entrée en vigueur de l'art. 17 fixée au 01-12-2015 par AGF 2015-12-18/77, art. 13)