Artikel 1. Definities
Voor de toepassing van dit samenwerkingsakkoord, wordt verstaan onder :
- het akkoord : het huidige samenwerkingsakkoord;
- de partijen : de partijen van dit samenwerkingsakkoord;
- het Centrum : het interfederaal Centrum voor gelijke kansen en bestrijding van discriminatie en racisme;
- het college : de twee codirecteurs.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
12 JUNI 2013. - Samenwerkingsakkoord van 12 juni 2013 tussen de federale overheid, de Gewesten en de Gemeenschappen voor de oprichting van het interfederaal Centrum voor gelijke kansen en bestrijding van discriminatie en racisme onder de vorm van een gemeenschappelijke instelling zoals bedoeld in artikel 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980
Titre
12 JUIN 2013. - Accord de coopération du 12 juin 2013 entre l'autorité fédérale, les Régions et les Communautés visant à créer un Centre interfédéral pour l'égalité des chances et la lutte contre le racisme et les discriminations sous la forme d'une institution commune au sens de l'article 92bis de la loi spéciale de réformes institutionnelles du 8 août 1980
Dokumentinformationen
Numac: 2014A29149
Datum: 2013-06-12
Info du document
Numac: 2014A29149
Date: 2013-06-12
Tekst (17)
Texte (17)
Article 1er. Définitions
Pour l'application du présent accord de coopération, il y a lieu d'entendre par :
- l'accord : le présent accord de coopération;
- les parties : les parties signataires du présent accord;
- le Centre : le Centre interfédéral pour l'égalité des chances et la lutte contre le racisme et les discriminations
- le collège : les deux co-directeurs
Pour l'application du présent accord de coopération, il y a lieu d'entendre par :
- l'accord : le présent accord de coopération;
- les parties : les parties signataires du présent accord;
- le Centre : le Centre interfédéral pour l'égalité des chances et la lutte contre le racisme et les discriminations
- le collège : les deux co-directeurs
Art. 2. Voorwerp van het akkoord
§ 1. Het voorwerp van het huidig akkoord is het oprichten van een onafhankelijk interfederaal Centrum voor gelijke kansen en bestrijding van discriminatie en racisme, onder de vorm van een gemeenschappelijke instelling zoals bedoeld in artikel 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.
§ 2. Het Centrum beschikt over rechtspersoonlijkheid.
§ 3. De zetel van het Centrum, dat het centrale meldpunt is, is gelegen in een van de gemeentes van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, momenteel te 1000 Brussel, Koningsstraat 138.
Het Centrum zal gehuisvest worden in een toegankelijke locatie overeenkomstig de bepalingen van de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening, Titel IV van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
§ 1. Het voorwerp van het huidig akkoord is het oprichten van een onafhankelijk interfederaal Centrum voor gelijke kansen en bestrijding van discriminatie en racisme, onder de vorm van een gemeenschappelijke instelling zoals bedoeld in artikel 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.
§ 2. Het Centrum beschikt over rechtspersoonlijkheid.
§ 3. De zetel van het Centrum, dat het centrale meldpunt is, is gelegen in een van de gemeentes van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, momenteel te 1000 Brussel, Koningsstraat 138.
Het Centrum zal gehuisvest worden in een toegankelijke locatie overeenkomstig de bepalingen van de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening, Titel IV van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
Art. 2. Objet de l'accord
§ 1er. L'objet du présent accord est de créer un Centre interfédéral indépendant pour l'égalité des chances et la lutte contre le racisme et les discriminations sous la forme d'une institution commune au sens de l'article 92 bis de la loi spéciale de réformes institutionnelles du 8 août 1980.
§ 2. Le Centre jouit de la personnalité juridique.
§ 3. Le siège du Centre, qui est le point de contact central, est établi dans l'une des communes de la Région de Bruxelles-Capitale et actuellement à 1000 Bruxelles, rue Royale, 138.
Le Centre sera hébergé dans un emplacement accessible, conformément aux dispositions du Règlement régional d'Urbanisme, Titre IV de la Région de Bruxelles-Capitale.
§ 1er. L'objet du présent accord est de créer un Centre interfédéral indépendant pour l'égalité des chances et la lutte contre le racisme et les discriminations sous la forme d'une institution commune au sens de l'article 92 bis de la loi spéciale de réformes institutionnelles du 8 août 1980.
§ 2. Le Centre jouit de la personnalité juridique.
§ 3. Le siège du Centre, qui est le point de contact central, est établi dans l'une des communes de la Région de Bruxelles-Capitale et actuellement à 1000 Bruxelles, rue Royale, 138.
Le Centre sera hébergé dans un emplacement accessible, conformément aux dispositions du Règlement régional d'Urbanisme, Titre IV de la Région de Bruxelles-Capitale.
Art. 3. Opdrachten
§ 1. Het Centrum heeft als opdracht :
a. het bevorderen van de gelijkheid van kansen en omgaan met de diversiteit in onze samenleving en het bestrijden van elke vorm van discriminatie, onderscheid, uitsluiting, beperking, uitbuiting of voorkeur op grond van :
een zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, nationaliteit, nationale of etnische afstamming, seksuele geaardheid, burgerlijke staat, sociale positie, geboorte, vermogen, leeftijd, het geloof, levensbeschouwing, gezondheidstoestand, politieke overtuiging of syndicale overtuiging, handicap, fysieke of genetische eigenschap;
b. de taken vervullen voorzien in artikel 33 § 2 van het Verdrag van de Verenigde Naties van 13 december 2006 inzake de rechten van de personen met een handicap.
§ 2. Het Centrum voert zijn opdrachten uit in een geest van dialoog en van samenwerking met de verenigingen, instellingen, organen en diensten die, geheel of gedeeltelijk, dezelfde opdrachten uitvoeren als het Centrum of rechtstreeks betrokken zijn bij de uitvoering van deze opdrachten.
§ 3. Het Centrum is in de uitoefening van zijn opdrachten volkomen onafhankelijk, overeenkomstig de Principes van Parijs zoals bepaald in de bijlage van resolutie 48/138 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 20 december 1993.
§ 1. Het Centrum heeft als opdracht :
a. het bevorderen van de gelijkheid van kansen en omgaan met de diversiteit in onze samenleving en het bestrijden van elke vorm van discriminatie, onderscheid, uitsluiting, beperking, uitbuiting of voorkeur op grond van :
een zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, nationaliteit, nationale of etnische afstamming, seksuele geaardheid, burgerlijke staat, sociale positie, geboorte, vermogen, leeftijd, het geloof, levensbeschouwing, gezondheidstoestand, politieke overtuiging of syndicale overtuiging, handicap, fysieke of genetische eigenschap;
b. de taken vervullen voorzien in artikel 33 § 2 van het Verdrag van de Verenigde Naties van 13 december 2006 inzake de rechten van de personen met een handicap.
§ 2. Het Centrum voert zijn opdrachten uit in een geest van dialoog en van samenwerking met de verenigingen, instellingen, organen en diensten die, geheel of gedeeltelijk, dezelfde opdrachten uitvoeren als het Centrum of rechtstreeks betrokken zijn bij de uitvoering van deze opdrachten.
§ 3. Het Centrum is in de uitoefening van zijn opdrachten volkomen onafhankelijk, overeenkomstig de Principes van Parijs zoals bepaald in de bijlage van resolutie 48/138 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 20 december 1993.
Art. 3. Missions
§ 1er. Le Centre a pour missions :
a. de promouvoir l'égalité des chances prenant en considération la diversité dans notre société et de combattre toute forme de discriminations, de distinction, d'exclusion, de restriction, d'exploitation ou de préférence fondée sur une prétendue race, la couleur de peau, l'ascendance, la nationalité, l'origine nationale ou ethnique, l'orientation sexuelle, l'état civil, l'origine sociale, la naissance, la fortune, l'âge, la conviction religieuse ou philosophique, l'état de santé, la conviction politique ou la conviction syndicale, un handicap, une caractéristique physique ou génétique;
b. de remplir les tâches prévues dans l'article 33 § 2 de la Convention des Nations Unies du 13 décembre 2006 relative aux droits des personnes handicapées.
§ 2. Le Centre exerce ses missions dans un esprit de dialogue et de collaboration avec les associations, instituts, organes et services qui, en tout ou en partie, accomplissent les mêmes missions ou sont directement concernés par l'accomplissement de ces missions.
§ 3 Le Centre exerce ses missions en toute indépendance, conformément aux Principes de Paris tels qu'ils figurent à l'annexe de la résolution 48/138 de l'Assemblée générale des Nations Unies du 20 décembre 1993.
§ 1er. Le Centre a pour missions :
a. de promouvoir l'égalité des chances prenant en considération la diversité dans notre société et de combattre toute forme de discriminations, de distinction, d'exclusion, de restriction, d'exploitation ou de préférence fondée sur une prétendue race, la couleur de peau, l'ascendance, la nationalité, l'origine nationale ou ethnique, l'orientation sexuelle, l'état civil, l'origine sociale, la naissance, la fortune, l'âge, la conviction religieuse ou philosophique, l'état de santé, la conviction politique ou la conviction syndicale, un handicap, une caractéristique physique ou génétique;
b. de remplir les tâches prévues dans l'article 33 § 2 de la Convention des Nations Unies du 13 décembre 2006 relative aux droits des personnes handicapées.
§ 2. Le Centre exerce ses missions dans un esprit de dialogue et de collaboration avec les associations, instituts, organes et services qui, en tout ou en partie, accomplissent les mêmes missions ou sont directement concernés par l'accomplissement de ces missions.
§ 3 Le Centre exerce ses missions en toute indépendance, conformément aux Principes de Paris tels qu'ils figurent à l'annexe de la résolution 48/138 de l'Assemblée générale des Nations Unies du 20 décembre 1993.
Art. 4. Studies en onderzoeken
§ 1. Het Centrum is bevoegd om alle studies en onderzoeken uit te voeren die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van zijn opdrachten. Het kan daartoe alle nodige informatie en documentatie aanleggen en verstrekken. Het kan daartoe eveneens statistische gegevens en gerechtelijke beslissingen die nuttig zijn voor de evaluatie van de toepassing van de in artikel 6 van dit akkoord bedoelde wetten, decreten en ordonnanties inwinnen en bekend maken, zonder dat de betrokken partijen kunnen worden geïdentificeerd.
§ 2. Op vraag van het Centrum stelt elke overheid en elke openbare instelling het de informatie ter beschikking die vereist is voor het volbrengen van zijn opdrachten.
§ 3. De minister van Justitie deelt het Centrum jaarlijks de gerechtelijke statistieken mee die verband houden met de toepassing van de wetten, decreten en ordonnanties bedoeld in artikel 6 van dit akkoord, evenals de gerechtelijke beslissingen genomen met toepassing van deze wetten, decreten en ordonnanties, zonder dat de betrokken partijen kunnen worden geïdentificeerd.
§ 1. Het Centrum is bevoegd om alle studies en onderzoeken uit te voeren die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van zijn opdrachten. Het kan daartoe alle nodige informatie en documentatie aanleggen en verstrekken. Het kan daartoe eveneens statistische gegevens en gerechtelijke beslissingen die nuttig zijn voor de evaluatie van de toepassing van de in artikel 6 van dit akkoord bedoelde wetten, decreten en ordonnanties inwinnen en bekend maken, zonder dat de betrokken partijen kunnen worden geïdentificeerd.
§ 2. Op vraag van het Centrum stelt elke overheid en elke openbare instelling het de informatie ter beschikking die vereist is voor het volbrengen van zijn opdrachten.
§ 3. De minister van Justitie deelt het Centrum jaarlijks de gerechtelijke statistieken mee die verband houden met de toepassing van de wetten, decreten en ordonnanties bedoeld in artikel 6 van dit akkoord, evenals de gerechtelijke beslissingen genomen met toepassing van deze wetten, decreten en ordonnanties, zonder dat de betrokken partijen kunnen worden geïdentificeerd.
Art. 4. Etudes et recherches
§ 1er. Le Centre est habilité à effectuer toutes les études et recherches nécessaires à l'accomplissement de ses missions. Il peut, à cet effet, produire et fournir toute information et toute documentation utiles. Il peut également, à cet effet, recueillir et publier sans possibilité d'identification des parties en cause, les données statistiques et les décisions jurisprudentielles utiles à l'évaluation de l'application des lois, des décrets et des ordonnances visées à l'article 6 du présent accord.
§ 2. A la demande du Centre, chaque autorité et chaque institution publique mettent à sa disposition les informations nécessaires à l'accomplissement de ses missions.
§ 3. Le Ministre de la Justice communique annuellement au Centre les statistiques judiciaires relatives à l'application des lois, des décrets et des ordonnances visés à l'article 6 du présent accord, ainsi que les décisions de justice prises en application de ces lois, décrets et ordonnances, sans possibilité d'identification des parties en cause.
§ 1er. Le Centre est habilité à effectuer toutes les études et recherches nécessaires à l'accomplissement de ses missions. Il peut, à cet effet, produire et fournir toute information et toute documentation utiles. Il peut également, à cet effet, recueillir et publier sans possibilité d'identification des parties en cause, les données statistiques et les décisions jurisprudentielles utiles à l'évaluation de l'application des lois, des décrets et des ordonnances visées à l'article 6 du présent accord.
§ 2. A la demande du Centre, chaque autorité et chaque institution publique mettent à sa disposition les informations nécessaires à l'accomplissement de ses missions.
§ 3. Le Ministre de la Justice communique annuellement au Centre les statistiques judiciaires relatives à l'application des lois, des décrets et des ordonnances visés à l'article 6 du présent accord, ainsi que les décisions de justice prises en application de ces lois, décrets et ordonnances, sans possibilité d'identification des parties en cause.
Art. 5. Adviezen, aanbevelingen en begeleiding
Het Centrum is bevoegd om, binnen de perken van zijn opdrachten bepaald bij artikel 3 van dit akkoord :
1° onafhankelijke adviezen en aanbevelingen te richten tot elke overheid ter verbetering van de reglementering en de wetgeving;
2° onafhankelijke adviezen en aanbevelingen te richten tot elke overheid of privé-instelling of -persoon naar aanleiding van de resultaten van de in artikel 4 van dit akkoord bedoelde studies en onderzoeken;
3° iedereen bij te staan die om raad vraagt in verband met de omvang van zijn rechten en verplichtingen. Die bijstand bestaat in het verstrekken van inlichtingen en raadgevingen aan de betrokkenen, onder meer over de middelen die eenieder kan aanwenden om de rechten gegarandeerd door de in artikel 6 van dit akkoord bedoelde wetten, decreten en ordonnanties te kunnen afdwingen;
4° instellingen, organisaties en rechtshulpverleners te ondersteunen en te begeleiden;
5° alle overheden te vragen, wanneer het Centrum feiten aandraagt die wijzen op een vermoeden van discriminatie, zoals bedoeld in de wetten, decreten en ordonnanties vermeld in artikel 6 van dit akkoord, zich te informeren en het Centrum op de hoogte te houden van de resultaten van de analyse van de betreffende feiten. Deze overheden informeren het Centrum op een met redenen omklede wijze over het gevolg dat aan deze vraag is gegeven.
6° sensibiliseringsacties te organiseren.
Het Centrum is bevoegd om, binnen de perken van zijn opdrachten bepaald bij artikel 3 van dit akkoord :
1° onafhankelijke adviezen en aanbevelingen te richten tot elke overheid ter verbetering van de reglementering en de wetgeving;
2° onafhankelijke adviezen en aanbevelingen te richten tot elke overheid of privé-instelling of -persoon naar aanleiding van de resultaten van de in artikel 4 van dit akkoord bedoelde studies en onderzoeken;
3° iedereen bij te staan die om raad vraagt in verband met de omvang van zijn rechten en verplichtingen. Die bijstand bestaat in het verstrekken van inlichtingen en raadgevingen aan de betrokkenen, onder meer over de middelen die eenieder kan aanwenden om de rechten gegarandeerd door de in artikel 6 van dit akkoord bedoelde wetten, decreten en ordonnanties te kunnen afdwingen;
4° instellingen, organisaties en rechtshulpverleners te ondersteunen en te begeleiden;
5° alle overheden te vragen, wanneer het Centrum feiten aandraagt die wijzen op een vermoeden van discriminatie, zoals bedoeld in de wetten, decreten en ordonnanties vermeld in artikel 6 van dit akkoord, zich te informeren en het Centrum op de hoogte te houden van de resultaten van de analyse van de betreffende feiten. Deze overheden informeren het Centrum op een met redenen omklede wijze over het gevolg dat aan deze vraag is gegeven.
6° sensibiliseringsacties te organiseren.
Art. 5. Avis, recommandations et guidance
Dans les limites de ses missions, définies à l'article 3 de cet accord, le Centre est habilité à :
1° adresser des avis et recommandations indépendants à tout pouvoir public en vue de l'amélioration de la réglementation et de la législation;
2° adresser des avis et recommandations indépendants à tout pouvoir public ou organisme privé ou personne privée sur la base des résultats des études et des recherches visées à l'article 4 de cet accord;
3° assister toute personne sollicitant une consultation sur l'étendue de ses droits et obligations. Cette assistance permet au bénéficiaire d'obtenir des informations et des conseils, notamment sur les moyens que chacun peut utiliser pour faire valoir ses droits garantis par les lois, décrets et ordonnances visés à l'article 6 du présent accord;
4° assurer un soutien et une guidance à des institutions et organisations et dispensateurs d'assistance juridique;
5° demander à toute autorité, lorsqu'il invoque des faits qui permettent de présumer l'existence d'une discrimination visée par les lois, décrets et ordonnances mentionnés à l'article 6 du présent accord, de s'informer et de tenir le Centre informé des résultats de l'analyse des faits dont question. Ces autorités informent le Centre de manière motivée des suites qui y sont réservées.
6° d'organiser des actions de sensibilisation.
Dans les limites de ses missions, définies à l'article 3 de cet accord, le Centre est habilité à :
1° adresser des avis et recommandations indépendants à tout pouvoir public en vue de l'amélioration de la réglementation et de la législation;
2° adresser des avis et recommandations indépendants à tout pouvoir public ou organisme privé ou personne privée sur la base des résultats des études et des recherches visées à l'article 4 de cet accord;
3° assister toute personne sollicitant une consultation sur l'étendue de ses droits et obligations. Cette assistance permet au bénéficiaire d'obtenir des informations et des conseils, notamment sur les moyens que chacun peut utiliser pour faire valoir ses droits garantis par les lois, décrets et ordonnances visés à l'article 6 du présent accord;
4° assurer un soutien et une guidance à des institutions et organisations et dispensateurs d'assistance juridique;
5° demander à toute autorité, lorsqu'il invoque des faits qui permettent de présumer l'existence d'une discrimination visée par les lois, décrets et ordonnances mentionnés à l'article 6 du présent accord, de s'informer et de tenir le Centre informé des résultats de l'analyse des faits dont question. Ces autorités informent le Centre de manière motivée des suites qui y sont réservées.
6° d'organiser des actions de sensibilisation.
Art. 6. Aangiften, beroepen en in rechte optreden
§ 1. Het Centrum verzekert de toegankelijkheid van zijn diensten, met inbegrip voor de personen met beperkte mobiliteit door het organiseren, naast het centraal meldpunt van lokale meldpunten waar een melding kan worden gedaan, in samenwerking met de Gewesten, de Gemeenschappen, provincies en gemeenten. Deze lokale meldpunten dienen voldoende geografisch verspreid te zijn om de laagdrempelige toegang voor de burger te waarborgen.
Deze meldpunten hebben als opdracht de werking van het Centrum te ondersteunen en mogelijk te maken. De interfederale raad van bestuur en de kamers kunnen de opdrachten van de meldpunten, binnen de perken van hun respectievelijke bevoegdheid, nader bepalen.
De gemeenten van het werkingsgebied van het meldpunt kunnen bijdragen aan de financiering ervan mits respect voor de onafhankelijkheid van de meldpunten.
§ 2. Het Centrum is bevoegd om, binnen de perken van zijn opdrachten bepaald bij artikel 3 van dit akkoord, meldingen te ontvangen, te behandelen en elke bemiddelings- of verzoeningsopdracht uit te voeren die het nuttig acht, onverminderd de bevoegdheid van de ombudsdiensten wiens bevoegdheid wordt bepaald door of krachtens een wet, decreet of ordonnantie en onverminderd de bevoegdheid van de bemiddelaars aangeduid door de betrokkenen.
§ 3. Binnen de perken van de opdrachten van het Centrum, zoals bepaald in artikel 3 van dit akkoord en binnen de grenzen van de lijst van wetten, decreten en ordonnanties opgesomd in deze paragraaf, bepaalt elke partij respectievelijk per wet, decreet of ordonnantie, en voor wat zijn eigen bevoegdheden betreft, de zaken waarbij het Centrum bevoegd is om in rechte op te treden.
Het Centrum is bevoegd om, binnen de perken van zijn opdrachten bepaald bij artikel 3 van huidig akkoord, in rechte op te treden in alle rechtsgeschillen zoals bij de toepassing van volgende wetten, decreten en ordonnanties :
- de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden;
- de wet van 23 maart 1995 tot bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de Tweede Wereldoorlog door het Duitse nationaalsocialistische regime is gepleegd;
- Hoofdstuk 5bis van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk;
- de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie;
- het Vlaams decreet van 8 mei 2002 houdende evenredige participatie op de arbeidsmarkt;
- het Vlaamse decreet van 10 juli 2008 houdende een kader voor het Vlaamse gelijkekansen- en gelijkebehandelingsbeleid;
- het decreet van de Franse Gemeenschap van 12 december 2008, betreffende de bestrijding van sommige vormen van discriminatie;
- het decreet van 6 november 2008 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie, met inbegrip van de discriminatie tussen vrouwen en mannen inzake economie, tewerkstelling en beroepsopleiding;
- de ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 14 juli 2011 betreffende het gemengd beheer van de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
- de ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 4 september 2008 betreffende de strijd tegen discriminatie en de gelijke behandeling op het vlak van de tewerkstelling;
- de ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 4 september 2008 ter bevordering van diversiteiten ter bestrijding van discriminatie in het Brussels gewestelijk openbaar ambt;
- het decreet van 22 maart 2007 van de Franse Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de gelijkheid van behandeling van personen in de beroepsopleiding;
- het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 19 maart 2012 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie;
- de ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 17 juli 2003 houdende de Brusselse Huisvestingcode;
- het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 3 juli 2010 betreffende de bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie en de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling.
§ 4. Een procedure waarvan sprake in dit artikel kan worden opgestart na uitdrukkelijke toestemming van het slachtoffer van discriminatie indien het slachtoffer gekend is. De procedure kan eveneens worden opgestart als er geen slachtoffers gekend zijn.
§ 1. Het Centrum verzekert de toegankelijkheid van zijn diensten, met inbegrip voor de personen met beperkte mobiliteit door het organiseren, naast het centraal meldpunt van lokale meldpunten waar een melding kan worden gedaan, in samenwerking met de Gewesten, de Gemeenschappen, provincies en gemeenten. Deze lokale meldpunten dienen voldoende geografisch verspreid te zijn om de laagdrempelige toegang voor de burger te waarborgen.
Deze meldpunten hebben als opdracht de werking van het Centrum te ondersteunen en mogelijk te maken. De interfederale raad van bestuur en de kamers kunnen de opdrachten van de meldpunten, binnen de perken van hun respectievelijke bevoegdheid, nader bepalen.
De gemeenten van het werkingsgebied van het meldpunt kunnen bijdragen aan de financiering ervan mits respect voor de onafhankelijkheid van de meldpunten.
§ 2. Het Centrum is bevoegd om, binnen de perken van zijn opdrachten bepaald bij artikel 3 van dit akkoord, meldingen te ontvangen, te behandelen en elke bemiddelings- of verzoeningsopdracht uit te voeren die het nuttig acht, onverminderd de bevoegdheid van de ombudsdiensten wiens bevoegdheid wordt bepaald door of krachtens een wet, decreet of ordonnantie en onverminderd de bevoegdheid van de bemiddelaars aangeduid door de betrokkenen.
§ 3. Binnen de perken van de opdrachten van het Centrum, zoals bepaald in artikel 3 van dit akkoord en binnen de grenzen van de lijst van wetten, decreten en ordonnanties opgesomd in deze paragraaf, bepaalt elke partij respectievelijk per wet, decreet of ordonnantie, en voor wat zijn eigen bevoegdheden betreft, de zaken waarbij het Centrum bevoegd is om in rechte op te treden.
Het Centrum is bevoegd om, binnen de perken van zijn opdrachten bepaald bij artikel 3 van huidig akkoord, in rechte op te treden in alle rechtsgeschillen zoals bij de toepassing van volgende wetten, decreten en ordonnanties :
- de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden;
- de wet van 23 maart 1995 tot bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de Tweede Wereldoorlog door het Duitse nationaalsocialistische regime is gepleegd;
- Hoofdstuk 5bis van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk;
- de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie;
- het Vlaams decreet van 8 mei 2002 houdende evenredige participatie op de arbeidsmarkt;
- het Vlaamse decreet van 10 juli 2008 houdende een kader voor het Vlaamse gelijkekansen- en gelijkebehandelingsbeleid;
- het decreet van de Franse Gemeenschap van 12 december 2008, betreffende de bestrijding van sommige vormen van discriminatie;
- het decreet van 6 november 2008 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie, met inbegrip van de discriminatie tussen vrouwen en mannen inzake economie, tewerkstelling en beroepsopleiding;
- de ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 14 juli 2011 betreffende het gemengd beheer van de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
- de ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 4 september 2008 betreffende de strijd tegen discriminatie en de gelijke behandeling op het vlak van de tewerkstelling;
- de ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 4 september 2008 ter bevordering van diversiteiten ter bestrijding van discriminatie in het Brussels gewestelijk openbaar ambt;
- het decreet van 22 maart 2007 van de Franse Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de gelijkheid van behandeling van personen in de beroepsopleiding;
- het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 19 maart 2012 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie;
- de ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 17 juli 2003 houdende de Brusselse Huisvestingcode;
- het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 3 juli 2010 betreffende de bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie en de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling.
§ 4. Een procedure waarvan sprake in dit artikel kan worden opgestart na uitdrukkelijke toestemming van het slachtoffer van discriminatie indien het slachtoffer gekend is. De procedure kan eveneens worden opgestart als er geen slachtoffers gekend zijn.
Art. 6. Signalements, recours et actions en justice
§ 1er. Le Centre assure l'accessibilité de ses services, en ce compris aux personnes à mobilité réduite, et organise, outre le point de contact central, des points de contactlocaux, auprès desquels un signalement peut être déposé, en collaboration avec les Régions, les Communautés, les Provinces et les communes. Ces points de contact locaux doivent être suffisamment répartis au niveau géographique afin de garantir pour le citoyen un accès aisé.
Lesdits points de contact ont pour tâche de soutenir et de rendre possible le fonctionnement du Centre. Le conseil d'administration interfédéral et les chambres pourront déterminer avec plus de précision les tâches des points de contact, dans les limites de leurs compétences respectives.
Les communes du ressort du point de contact peuvent contribuer à leur financement pour autant qu'elles respectent l'indépendance desdits points de contact.
§ 2. Dans les limites de ses missions définies à l'article 3 du présent accord, le Centre est habilité à recevoir des signalements, à les traiter et à accomplir toute mission de conciliation ou de médiation qu'il juge utile, ceci sans préjudice de la compétence des services de médiation dont la compétence est définie par ou en vertu d'une loi, d'un décret ou d'une ordonnance et sans préjudice de la compétence des médiateurs désignés par les parties concernées.
§ 3. Dans les limites des missions du Centre telles que définies à l'article 3 du présent accord, et dans les limites des lois, décrets et ordonnances énumérés dans le présent paragraphe, chaque partie détermine respectivement par loi, décret ou ordonnance, en ce qui concerne ses propres compétences, les cas où le Centre est habilité à ester en justice.
Le Centre est habilité à ester en justice, dans les limites de ses missions définies à l'article 3 du présent accord, dans tous les litiges auxquels pourrait donner lieu notamment l'application des lois, des décrets et des ordonnances suivants :
- la loi du 30 juillet 1981 tendant à réprimer certains actes inspirés par le racisme ou la xénophobie;
- la loi du 23 mars 1995 tendant à réprimer la négation, la minimisation, la justification ou l'approbation du génocide commis par le régime national-socialiste allemand pendant la Seconde Guerre mondiale;
- le chapitre 5bis de la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs dans l'exécution de leur travail;
- la loi du 10 mai 2007 tendant à lutter contre certaines formes de discrimination;
- le décret de la Communauté flamande du 8 mai 2002 sur la participation proportionnelle sur le marché de l'emploi;
- le décret de la Communauté flamande du 10 juillet 2008 portant le cadre de la politique flamande de l'égalité des chances et de traitement;
- le décret de la Communauté française du 12 décembre 2008 relatif à la lutte contre certaines formes de discrimination;
- le décret du 6 novembre 2008 relatif à la lutte contre certaines formes de discrimination, en ce compris la discrimination entre les femmes et les hommes, en matière d'économie, d'emploi et de formation professionnelle;
- l'ordonnance de la Région de Bruxelles-Capitale du 14 juillet 2011 relative à la gestion mixte du marché de l'emploi dans la Région de Bruxelles-Capitale;
- l'ordonnance de la Région de Bruxelles-Capitale du 4 septembre 2008 relative à la lutte contre la discrimination et à l'égalité de traitement en matière d'emploi;
- l'ordonnance de la Région de Bruxelles-Capitale du 4 septembre 2008 visant à promouvoir la diversité et à lutter contre la discrimination dans la fonction publique régionale bruxelloise;
- le décret du 22 mars 2007 de la Commission communautaire française de la Région de Bruxelles-Capitale relatif à l'égalité de traitement entre les personnes dans la formation professionnelle;
- le décret de la Communauté germanophone du 19 mars 2012 visant à lutter contre certaines formes de discrimination;
- l'ordonnance de la Région de Bruxelles-Capitale du 17 juillet 2003 portant le Code bruxellois du logement;
- le décret de la Commission Communautaire française de la région Bruxelles-Capitale du 3 juillet 2010 relatif à la lutte contre certaines formes de discrimination et à la mise en oeuvre du principe de l'égalité de traitement.
§ 4. La procédure dont il est question au présent article pourra être entamée si la victime est connue avec l'autorisation expresse de la victime de discrimination. La procédure peut aussi être entamée s'il n'y a pas de victimes connues.
§ 1er. Le Centre assure l'accessibilité de ses services, en ce compris aux personnes à mobilité réduite, et organise, outre le point de contact central, des points de contactlocaux, auprès desquels un signalement peut être déposé, en collaboration avec les Régions, les Communautés, les Provinces et les communes. Ces points de contact locaux doivent être suffisamment répartis au niveau géographique afin de garantir pour le citoyen un accès aisé.
Lesdits points de contact ont pour tâche de soutenir et de rendre possible le fonctionnement du Centre. Le conseil d'administration interfédéral et les chambres pourront déterminer avec plus de précision les tâches des points de contact, dans les limites de leurs compétences respectives.
Les communes du ressort du point de contact peuvent contribuer à leur financement pour autant qu'elles respectent l'indépendance desdits points de contact.
§ 2. Dans les limites de ses missions définies à l'article 3 du présent accord, le Centre est habilité à recevoir des signalements, à les traiter et à accomplir toute mission de conciliation ou de médiation qu'il juge utile, ceci sans préjudice de la compétence des services de médiation dont la compétence est définie par ou en vertu d'une loi, d'un décret ou d'une ordonnance et sans préjudice de la compétence des médiateurs désignés par les parties concernées.
§ 3. Dans les limites des missions du Centre telles que définies à l'article 3 du présent accord, et dans les limites des lois, décrets et ordonnances énumérés dans le présent paragraphe, chaque partie détermine respectivement par loi, décret ou ordonnance, en ce qui concerne ses propres compétences, les cas où le Centre est habilité à ester en justice.
Le Centre est habilité à ester en justice, dans les limites de ses missions définies à l'article 3 du présent accord, dans tous les litiges auxquels pourrait donner lieu notamment l'application des lois, des décrets et des ordonnances suivants :
- la loi du 30 juillet 1981 tendant à réprimer certains actes inspirés par le racisme ou la xénophobie;
- la loi du 23 mars 1995 tendant à réprimer la négation, la minimisation, la justification ou l'approbation du génocide commis par le régime national-socialiste allemand pendant la Seconde Guerre mondiale;
- le chapitre 5bis de la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs dans l'exécution de leur travail;
- la loi du 10 mai 2007 tendant à lutter contre certaines formes de discrimination;
- le décret de la Communauté flamande du 8 mai 2002 sur la participation proportionnelle sur le marché de l'emploi;
- le décret de la Communauté flamande du 10 juillet 2008 portant le cadre de la politique flamande de l'égalité des chances et de traitement;
- le décret de la Communauté française du 12 décembre 2008 relatif à la lutte contre certaines formes de discrimination;
- le décret du 6 novembre 2008 relatif à la lutte contre certaines formes de discrimination, en ce compris la discrimination entre les femmes et les hommes, en matière d'économie, d'emploi et de formation professionnelle;
- l'ordonnance de la Région de Bruxelles-Capitale du 14 juillet 2011 relative à la gestion mixte du marché de l'emploi dans la Région de Bruxelles-Capitale;
- l'ordonnance de la Région de Bruxelles-Capitale du 4 septembre 2008 relative à la lutte contre la discrimination et à l'égalité de traitement en matière d'emploi;
- l'ordonnance de la Région de Bruxelles-Capitale du 4 septembre 2008 visant à promouvoir la diversité et à lutter contre la discrimination dans la fonction publique régionale bruxelloise;
- le décret du 22 mars 2007 de la Commission communautaire française de la Région de Bruxelles-Capitale relatif à l'égalité de traitement entre les personnes dans la formation professionnelle;
- le décret de la Communauté germanophone du 19 mars 2012 visant à lutter contre certaines formes de discrimination;
- l'ordonnance de la Région de Bruxelles-Capitale du 17 juillet 2003 portant le Code bruxellois du logement;
- le décret de la Commission Communautaire française de la région Bruxelles-Capitale du 3 juillet 2010 relatif à la lutte contre certaines formes de discrimination et à la mise en oeuvre du principe de l'égalité de traitement.
§ 4. La procédure dont il est question au présent article pourra être entamée si la victime est connue avec l'autorisation expresse de la victime de discrimination. La procédure peut aussi être entamée s'il n'y a pas de victimes connues.
Art. 7. Jaarlijkse rapportering aan de parlementen van de partijen
Het Centrum legt jaarlijks verantwoording af aan de parlementen van de partijen via een rapport over de uitvoering van zijn opdrachten, de aanwending van de middelen en de werking van het Centrum. Het Centrum staat in voor de redactie en de publicatie van dit rapport.. Het Centrum maakt dit rapport over aan de respectievelijke parlementen en een kopie aan de regeringen.
Het Centrum legt jaarlijks verantwoording af aan de parlementen van de partijen via een rapport over de uitvoering van zijn opdrachten, de aanwending van de middelen en de werking van het Centrum. Het Centrum staat in voor de redactie en de publicatie van dit rapport.. Het Centrum maakt dit rapport over aan de respectievelijke parlementen en een kopie aan de regeringen.
Art. 7. Rapportage annuel aux parlements des parties
Le Centre justifie annuellement par le biais d'un rapport sur l'exécution de ses missions, l'utilisation des moyens et le fonctionnement du Centre aux parlements des parties. Il en assure la rédaction et la publication, et l'adresse aux parlements. Une copie du rapport est communiquée aux Gouvernements.
Le Centre justifie annuellement par le biais d'un rapport sur l'exécution de ses missions, l'utilisation des moyens et le fonctionnement du Centre aux parlements des parties. Il en assure la rédaction et la publication, et l'adresse aux parlements. Une copie du rapport est communiquée aux Gouvernements.
Art. 8. De interfederale raad van bestuur en de kamers
§ 1. Het Centrum wordt beheerd door een interfederale raad van bestuur bestaande uit 20 leden, aangevuld met 1 lid van de Duitstalige Gemeenschap voor de materies die betrekking hebben op de Duitstalige gemeenschap, van wie :
- er 10 leden, maximaal 5 van hetzelfde geslacht, worden aangeduid door de Kamer van volksvertegenwoordigers, waarbij 5 leden tot de Nederlandstalige taalrol en 5 leden tot de Franstalige taalrol behoren;
- er 10 plus 1 leden, maximaal 6 van hetzelfde geslacht, worden aangeduid door de gewesten en de gemeenschappen volgens de volgende verdeling;
- 4 leden worden aangeduid door het Vlaams Parlement waarvan maximum 2 van hetzelfde geslacht;
- 2 leden worden aangeduid door het Parlement van het Waalse Gewest waarvan één vrouw en één man;
- 2 leden worden aangeduid door het Parlement van de Franse Gemeenschap waarvan één vrouw en één man;
- 2 leden worden aangeduid door het parlement van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, waarvan één man en één vrouw, waarbij één lid tot de Nederlandstalige taalgroep en één lid tot de Franstalige taalgroep behoort;
- 1 lid wordt aangeduid door het Parlement van de Duitstalige gemeenschap.
Het lid aangeduid door het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap neemt deel aan de debatten van de interfederale raad van bestuur en neemt uitsluitend deel aan de beslissingen in de materies die de bevoegdheden aangaan van de Duitstalige Gemeenschap. Dit lid maakt deel uit van de Franstalige kamer.
§ 2. De leden van de interfederale raad van bestuur die door de respectieve parlementen van de deelstaten en van de Kamer van volksvertegenwoordigers voor de federale overheid worden aangeduid, worden aangeduid op basis van hun deskundigheid, hun ervaring, hun onafhankelijkheid en hun moreel gezag. Zij komen voort uit de academische, gerechtelijke wereld, het middenveld en de sociale partners. De interfederale raad van bestuur en de kamers dienen zo pluralistisch mogelijk te worden samengesteld.
§ 3. De interfederale raad van bestuur kan vergaderen onder de vorm van een voltallige zitting of onder de vorm van beperkte kamers. Deze kamers zijn :
- een federale kamer samengesteld uit de 10 leden die door de Kamer van volksvertegenwoordigers worden aangeduid;
- een Vlaamse kamer samengesteld uit de 4 leden aangeduid door het Vlaams Parlement;
- een Franstalige kamer samengesteld uit de 4 leden van wie er 2 worden aangeduid door het Parlement van het Waals Gewest en 2 door het Parlement van de Franse Gemeenschap;
- een Brusselse kamer samengesteld uit de 2 leden die door de respectievelijke taalgroep van zowel het Brussels Hoofdstedelijk Parlement als van de Verenigde Vergadering van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie worden aangeduid;
De Franstalige kamer wordt aangevuld door het lid dat aangeduid wordt door het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap.
Wanneer een dossier betreffende de uitoefening van gemeenschapsbevoegdheden in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bij de Vlaamse kamer aanhangig wordt gemaakt, wordt die aangevuld door het lid van de Brussels kamer dat tot de overeenkomstige taalgroep behoort. Wanneer een dossier betreffende de uitoefening van gemeenschapsbevoegdheden in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, inclusief de bevoegdheden van de Franse Gemeenschapscommissie, bij de Franstalige kamer aanhangig wordt gemaakt, wordt die aangevuld door het lid van de Brussels kamer dat tot de overeenkomstige taalrol behoort.
Het aantal leden van elke kamer kan door het betrokken Parlement worden verhoogd tot maximaal 15 leden, waarvan het verschil tussen het aantal leden van elk geslacht niet groter mag zijn dan één. Deze bijkomende leden zetelen niet in de interfederale raad van bestuur. In de Brusselse en federale kamer, dient de uitbreiding de taalpariteit na te leven. De aanduiding van deze bijkomende leden verloopt volgens dezelfde werkwijze als de andere leden.
§ 4. De interfederale raad van bestuur wordt voorgezeten door twee covoorzitters die behoren tot een verschillende taalrol en van het andere geslacht. De twee covoorzitters zullen elkaar ieder jaar in de functie van voorzitter en vicevoorzitter afwisselen. De covoorzitters worden aangeduid door de interfederale raad van bestuur. De ene wordt aangeduid door de leden aangeduid door de Kamer van volksvertegenwoordigers en de andere door de leden aangeduid door de parlementen van de Gemeenschappen en Gewesten.
§ 5. De voorzitters, en de leden van de interfederale raad van bestuur worden aangeduid voor 6 jaar. Hun mandaat is twee maal hernieuwbaar.
§ 6. Elk effectief lid heeft een plaatsvervanger die hem vervangt bij afwezigheid. De plaatsvervangende leden worden benoemd conform de organisatie bedoeld § 1 en de procedure bedoeld in § 2.
Wanneer een effectief lid om een of andere reden zijn mandaat niet beëindigt, wordt het lid dat hem vervangt benoemd tot effectief lid en wordt een nieuw plaatsvervangend lid benoemd voor de duur die het mandaat nog loopt.
De plaatsvervangende leden worden, bij de eerste benoemingen, benoemd voor de duur die het mandaat van de effectieve leden nog loopt.
§ 7. Het mandaat van een effectief lid of van een plaatsvervangend lid kan niet worden verenigd met :
- het mandaat van lid van het Europees Parlement, de federale Kamers, of van een Gemeenschaps- of Gewestparlement;
- het mandaat van een lid van de federale Regering, een gemeenschaps- of gewestregering of gewestelijke staatssecretaris
- de hoedanigheid van codirecteur, coördinator of personeelslid van het Centrum.
- een tewerkstelling op een ministerieel kabinet of beleidscel.
§ 8. Het bedrag van de zitpenningen en de verplaatsingskosten toegekend aan de covoorzitters en de effectieve en plaatsvervangende leden van de interfederale raad van bestuur, worden door deze raad bepaald.
§ 1. Het Centrum wordt beheerd door een interfederale raad van bestuur bestaande uit 20 leden, aangevuld met 1 lid van de Duitstalige Gemeenschap voor de materies die betrekking hebben op de Duitstalige gemeenschap, van wie :
- er 10 leden, maximaal 5 van hetzelfde geslacht, worden aangeduid door de Kamer van volksvertegenwoordigers, waarbij 5 leden tot de Nederlandstalige taalrol en 5 leden tot de Franstalige taalrol behoren;
- er 10 plus 1 leden, maximaal 6 van hetzelfde geslacht, worden aangeduid door de gewesten en de gemeenschappen volgens de volgende verdeling;
- 4 leden worden aangeduid door het Vlaams Parlement waarvan maximum 2 van hetzelfde geslacht;
- 2 leden worden aangeduid door het Parlement van het Waalse Gewest waarvan één vrouw en één man;
- 2 leden worden aangeduid door het Parlement van de Franse Gemeenschap waarvan één vrouw en één man;
- 2 leden worden aangeduid door het parlement van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, waarvan één man en één vrouw, waarbij één lid tot de Nederlandstalige taalgroep en één lid tot de Franstalige taalgroep behoort;
- 1 lid wordt aangeduid door het Parlement van de Duitstalige gemeenschap.
Het lid aangeduid door het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap neemt deel aan de debatten van de interfederale raad van bestuur en neemt uitsluitend deel aan de beslissingen in de materies die de bevoegdheden aangaan van de Duitstalige Gemeenschap. Dit lid maakt deel uit van de Franstalige kamer.
§ 2. De leden van de interfederale raad van bestuur die door de respectieve parlementen van de deelstaten en van de Kamer van volksvertegenwoordigers voor de federale overheid worden aangeduid, worden aangeduid op basis van hun deskundigheid, hun ervaring, hun onafhankelijkheid en hun moreel gezag. Zij komen voort uit de academische, gerechtelijke wereld, het middenveld en de sociale partners. De interfederale raad van bestuur en de kamers dienen zo pluralistisch mogelijk te worden samengesteld.
§ 3. De interfederale raad van bestuur kan vergaderen onder de vorm van een voltallige zitting of onder de vorm van beperkte kamers. Deze kamers zijn :
- een federale kamer samengesteld uit de 10 leden die door de Kamer van volksvertegenwoordigers worden aangeduid;
- een Vlaamse kamer samengesteld uit de 4 leden aangeduid door het Vlaams Parlement;
- een Franstalige kamer samengesteld uit de 4 leden van wie er 2 worden aangeduid door het Parlement van het Waals Gewest en 2 door het Parlement van de Franse Gemeenschap;
- een Brusselse kamer samengesteld uit de 2 leden die door de respectievelijke taalgroep van zowel het Brussels Hoofdstedelijk Parlement als van de Verenigde Vergadering van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie worden aangeduid;
De Franstalige kamer wordt aangevuld door het lid dat aangeduid wordt door het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap.
Wanneer een dossier betreffende de uitoefening van gemeenschapsbevoegdheden in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bij de Vlaamse kamer aanhangig wordt gemaakt, wordt die aangevuld door het lid van de Brussels kamer dat tot de overeenkomstige taalgroep behoort. Wanneer een dossier betreffende de uitoefening van gemeenschapsbevoegdheden in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, inclusief de bevoegdheden van de Franse Gemeenschapscommissie, bij de Franstalige kamer aanhangig wordt gemaakt, wordt die aangevuld door het lid van de Brussels kamer dat tot de overeenkomstige taalrol behoort.
Het aantal leden van elke kamer kan door het betrokken Parlement worden verhoogd tot maximaal 15 leden, waarvan het verschil tussen het aantal leden van elk geslacht niet groter mag zijn dan één. Deze bijkomende leden zetelen niet in de interfederale raad van bestuur. In de Brusselse en federale kamer, dient de uitbreiding de taalpariteit na te leven. De aanduiding van deze bijkomende leden verloopt volgens dezelfde werkwijze als de andere leden.
§ 4. De interfederale raad van bestuur wordt voorgezeten door twee covoorzitters die behoren tot een verschillende taalrol en van het andere geslacht. De twee covoorzitters zullen elkaar ieder jaar in de functie van voorzitter en vicevoorzitter afwisselen. De covoorzitters worden aangeduid door de interfederale raad van bestuur. De ene wordt aangeduid door de leden aangeduid door de Kamer van volksvertegenwoordigers en de andere door de leden aangeduid door de parlementen van de Gemeenschappen en Gewesten.
§ 5. De voorzitters, en de leden van de interfederale raad van bestuur worden aangeduid voor 6 jaar. Hun mandaat is twee maal hernieuwbaar.
§ 6. Elk effectief lid heeft een plaatsvervanger die hem vervangt bij afwezigheid. De plaatsvervangende leden worden benoemd conform de organisatie bedoeld § 1 en de procedure bedoeld in § 2.
Wanneer een effectief lid om een of andere reden zijn mandaat niet beëindigt, wordt het lid dat hem vervangt benoemd tot effectief lid en wordt een nieuw plaatsvervangend lid benoemd voor de duur die het mandaat nog loopt.
De plaatsvervangende leden worden, bij de eerste benoemingen, benoemd voor de duur die het mandaat van de effectieve leden nog loopt.
§ 7. Het mandaat van een effectief lid of van een plaatsvervangend lid kan niet worden verenigd met :
- het mandaat van lid van het Europees Parlement, de federale Kamers, of van een Gemeenschaps- of Gewestparlement;
- het mandaat van een lid van de federale Regering, een gemeenschaps- of gewestregering of gewestelijke staatssecretaris
- de hoedanigheid van codirecteur, coördinator of personeelslid van het Centrum.
- een tewerkstelling op een ministerieel kabinet of beleidscel.
§ 8. Het bedrag van de zitpenningen en de verplaatsingskosten toegekend aan de covoorzitters en de effectieve en plaatsvervangende leden van de interfederale raad van bestuur, worden door deze raad bepaald.
Art. 8. Le conseil d'administration interfédéral et les chambres
§ 1er. Le Centre est géré par un conseil d'administration interfédéral composé de 20 membres, auquel s'ajoute le membre de la Communauté germanophone pour les matières qui concernent la Communauté germanophone, dont :
- 10 membres sont désignés par la Chambre des représentants, dont au maximum 5 sont du même sexe, 5 membres appartenant au rôle linguistique néerlandophone, 5 membres appartenant au rôle linguistique francophone;
- 10 membres plus 1 membre, dont au maximum 6 sont du même sexe, sont désignés par les régions et les communautés selon la répartition suivante;
- 4 membres sont désignés par le Parlement flamand dont au maximum 2 sont du même sexe;
- 2 membres sont désignés par le Parlement de la Région wallonne dont une femme et un homme;
- 2 membres sont désignés par le Parlement de la Communauté française dont une femme et un homme;
- 2 membres sont désignés par le Parlement de la Région de Bruxelles-capitale, dont une femme et un homme dont un membre appartient au groupe linguistique néerlandophone et un membre au groupe linguistique francophone;
- 1 membre est désigné par le Parlement de la Communauté germanophone.
Le membre désigné par le Parlement de la Communauté germanophone prend part aux débats du conseil d'administration interfédéral et participe exclusivement aux décisions dans les matières qui concernent les compétences de la Communauté Germanophone. Ce membre fait partie de la chambre francophone.
§ 2. Les membres du conseil d'administration interfédéral sont désignés par les Parlements respectifs des entités fédérées et la Chambre des représentants pour l'Etat fédéral, sur base de leur compétence, de leur expérience, de leur indépendance et de leur autorité morale. Ils sont notamment issus du monde académique, judiciaire, de la société civile, et des partenaires sociaux. Le conseil d'administration interfédéral et les chambres doivent être composés de la manière la plus pluraliste possible.
§ 3. Le conseil d'administration interfédéral peut se réunir sous la forme d'une session plénière ou sous la forme de chambres restreintes. Ces chambres sont :
- une chambre fédérale composée des 10 membres désignés par la Chambre des représentants;
- une chambre flamande composée des 4 membres désignés par le Parlement flamand;
- une chambre francophone composée des 4 membres dont 2 sont désignés par le Parlement de la Région wallonne et 2 par le Parlement de la Communauté française;
- une chambre bruxelloise composée des 2 membres, désignés par les groupes linguistiques respectifs du Parlement de la Région Bruxelles-Capitale et de l'assemblée réunie de la commission communautaire commune.
La chambre francophone est complétée par le membre désigné par le parlement de la Communauté germanophone.
Lorsque la chambre flamande est saisie d'un dossier concernant l'exercice des compétences communautaires dans la Région de Bruxelles-Capitale, elle est complétée par le membre de la chambre bruxelloise appartenant au groupe linguistique flamand. Lorsque la chambre francophone est saisie d'un dossier concernant l'exercice des compétences communautaires dans la Région de Bruxelles-Capitale, y compris les compétences de la Commission Communautaire Française, elle est complétée par le membre de la chambre bruxelloise appartenant au rôle linguistique francophone.
Le nombre de membres de chaque chambre peut être augmenté par le Parlement concerné jusqu'à 15 membres au maximum, parmi lesquels l'écart entre le nombre des membres de chaque sexe ne peut être supérieur à un. Ces membres supplémentaires ne siègent pas au conseil d'administration interfédéral. Dans les chambres bruxelloise et fédérale, l'élargissement doit respecter la parité linguistique. La désignation de ces membres supplémentaires se déroule selon les mêmes modalités que les autres membres.
§ 4. Le conseil d'administration interfédéral est présidé par deux co-présidents appartenant à un rôle linguistique différent et de sexe opposé. Les deux co-présidents alterneront la fonction de président et de vice-président chaque année. Les co-présidents sont désignés par le conseil d'administration interfédéral. L'un est désigné par les représentants désignés par la Chambre des représentants et l'autre par les membres désignés par les parlements des Communautés et Régions.
§ 5. Les présidents, et les membres du conseil d'administration interfédéral sont désignés pour 6 ans. Leur mandat est renouvelable deux fois.
§ 6. Chaque membre effectif a un suppléant qui le remplace en cas d'absence. Les membres suppléants sont désignés conformément à l'organisation visée au § 1er et à la procédure visée au § 2.
Lorsqu'un membre effectif ne peut pour une raison quelconque achever son mandat, le membre qui le supplée est nommé membre effectif et un nouveau membre suppléant est nommé pour la durée du mandat qui reste à courir.
Lors de la première nomination des membres suppléants, ceux-ci sont nommés pour la durée du mandat des membres effectifs qui reste à courir.
§ 7. Le mandat de membre effectif ou de membre suppléant est incompatible avec :
- le mandat de membre du Parlement européen, d'une des Chambres fédérales, ou d'un parlement de Communauté ou de Région;
- le mandat d'un membre de Gouvernement fédéral, d'un Gouvernement de Communauté ou de Région ou d'un secrétaire d'Etat ou régional;
- la qualité de co-directeur, de coordinateur ou de membre du personnel du Centre;
-membre d'un cabinet ministériel ou d'une cellule stratégique.
§ 8. Le montant des jetons de présence et des frais de parcours attribués aux co-présidents, et aux membres effectifs et suppléants du conseil d'administration sont fixés par le conseil d'administration interfédéral.
§ 1er. Le Centre est géré par un conseil d'administration interfédéral composé de 20 membres, auquel s'ajoute le membre de la Communauté germanophone pour les matières qui concernent la Communauté germanophone, dont :
- 10 membres sont désignés par la Chambre des représentants, dont au maximum 5 sont du même sexe, 5 membres appartenant au rôle linguistique néerlandophone, 5 membres appartenant au rôle linguistique francophone;
- 10 membres plus 1 membre, dont au maximum 6 sont du même sexe, sont désignés par les régions et les communautés selon la répartition suivante;
- 4 membres sont désignés par le Parlement flamand dont au maximum 2 sont du même sexe;
- 2 membres sont désignés par le Parlement de la Région wallonne dont une femme et un homme;
- 2 membres sont désignés par le Parlement de la Communauté française dont une femme et un homme;
- 2 membres sont désignés par le Parlement de la Région de Bruxelles-capitale, dont une femme et un homme dont un membre appartient au groupe linguistique néerlandophone et un membre au groupe linguistique francophone;
- 1 membre est désigné par le Parlement de la Communauté germanophone.
Le membre désigné par le Parlement de la Communauté germanophone prend part aux débats du conseil d'administration interfédéral et participe exclusivement aux décisions dans les matières qui concernent les compétences de la Communauté Germanophone. Ce membre fait partie de la chambre francophone.
§ 2. Les membres du conseil d'administration interfédéral sont désignés par les Parlements respectifs des entités fédérées et la Chambre des représentants pour l'Etat fédéral, sur base de leur compétence, de leur expérience, de leur indépendance et de leur autorité morale. Ils sont notamment issus du monde académique, judiciaire, de la société civile, et des partenaires sociaux. Le conseil d'administration interfédéral et les chambres doivent être composés de la manière la plus pluraliste possible.
§ 3. Le conseil d'administration interfédéral peut se réunir sous la forme d'une session plénière ou sous la forme de chambres restreintes. Ces chambres sont :
- une chambre fédérale composée des 10 membres désignés par la Chambre des représentants;
- une chambre flamande composée des 4 membres désignés par le Parlement flamand;
- une chambre francophone composée des 4 membres dont 2 sont désignés par le Parlement de la Région wallonne et 2 par le Parlement de la Communauté française;
- une chambre bruxelloise composée des 2 membres, désignés par les groupes linguistiques respectifs du Parlement de la Région Bruxelles-Capitale et de l'assemblée réunie de la commission communautaire commune.
La chambre francophone est complétée par le membre désigné par le parlement de la Communauté germanophone.
Lorsque la chambre flamande est saisie d'un dossier concernant l'exercice des compétences communautaires dans la Région de Bruxelles-Capitale, elle est complétée par le membre de la chambre bruxelloise appartenant au groupe linguistique flamand. Lorsque la chambre francophone est saisie d'un dossier concernant l'exercice des compétences communautaires dans la Région de Bruxelles-Capitale, y compris les compétences de la Commission Communautaire Française, elle est complétée par le membre de la chambre bruxelloise appartenant au rôle linguistique francophone.
Le nombre de membres de chaque chambre peut être augmenté par le Parlement concerné jusqu'à 15 membres au maximum, parmi lesquels l'écart entre le nombre des membres de chaque sexe ne peut être supérieur à un. Ces membres supplémentaires ne siègent pas au conseil d'administration interfédéral. Dans les chambres bruxelloise et fédérale, l'élargissement doit respecter la parité linguistique. La désignation de ces membres supplémentaires se déroule selon les mêmes modalités que les autres membres.
§ 4. Le conseil d'administration interfédéral est présidé par deux co-présidents appartenant à un rôle linguistique différent et de sexe opposé. Les deux co-présidents alterneront la fonction de président et de vice-président chaque année. Les co-présidents sont désignés par le conseil d'administration interfédéral. L'un est désigné par les représentants désignés par la Chambre des représentants et l'autre par les membres désignés par les parlements des Communautés et Régions.
§ 5. Les présidents, et les membres du conseil d'administration interfédéral sont désignés pour 6 ans. Leur mandat est renouvelable deux fois.
§ 6. Chaque membre effectif a un suppléant qui le remplace en cas d'absence. Les membres suppléants sont désignés conformément à l'organisation visée au § 1er et à la procédure visée au § 2.
Lorsqu'un membre effectif ne peut pour une raison quelconque achever son mandat, le membre qui le supplée est nommé membre effectif et un nouveau membre suppléant est nommé pour la durée du mandat qui reste à courir.
Lors de la première nomination des membres suppléants, ceux-ci sont nommés pour la durée du mandat des membres effectifs qui reste à courir.
§ 7. Le mandat de membre effectif ou de membre suppléant est incompatible avec :
- le mandat de membre du Parlement européen, d'une des Chambres fédérales, ou d'un parlement de Communauté ou de Région;
- le mandat d'un membre de Gouvernement fédéral, d'un Gouvernement de Communauté ou de Région ou d'un secrétaire d'Etat ou régional;
- la qualité de co-directeur, de coordinateur ou de membre du personnel du Centre;
-membre d'un cabinet ministériel ou d'une cellule stratégique.
§ 8. Le montant des jetons de présence et des frais de parcours attribués aux co-présidents, et aux membres effectifs et suppléants du conseil d'administration sont fixés par le conseil d'administration interfédéral.
Art. 9. Werking van de interfederale raad van bestuur en van de kamers :
§ 1. De interfederale raad van bestuur en de kamers kunnen slechts geldig beslissen wanneer ten minste de meerderheid van de leden de vergadering bijwoont, met een minimum van twee aanwezige leden.
Is dit quorum niet bereikt dan kan de interfederale raad van bestuur of de kamer over dezelfde agenda geldig beraadslagen en beslissen, ongeacht het aantal aanwezige leden binnen een termijn die ze zelf bepalen doch die niet korter mag zijn dan 72 uur. De uitnodiging zal de aard van de vergadering aangeven.
De beslissingen van de interfederale raad van bestuur en van de kamers worden genomen met een absolute meerderheid van de uitgebrachte stemmen door de aanwezigen. Onder uitgebrachte stemmen worden stemmen voor en tegen verstaan, onthoudingen niet meegerekend.
Er mag niet bij volmacht of per brief worden gestemd.
Bij staking van stemmen is het voorstel verworpen.
§ 2. De stemming geschiedt bij handopsteken.
Er wordt evenwel tot een geheime stemming overgegaan :
- op verzoek van de covoorzitters of van ten minste twee derde van de leden;
- bij het nemen van beslissingen over personen.
§ 3. Rekening houdend met de bepalingen van de artikelen 4, 5 en 6 van dit akkoord worden de dossiers tussen de federale, de Vlaamse, de Franstalige en de Brusselse kamers verdeeld volgens de regelgeving waarvoor zij de exclusieve bevoegdheid hebben.
De federale kamer is bevoegd voor dossiers die de bevoegdheid van de federale overheid betreffen. De Vlaamse, de Franstalige et de Brusselse kamer zijn telkens bevoegd voor dossiers die aansluiten op de bevoegdheden van de parlementen die de leden van deze kamers aanwijzen.
De Franstalige kamer is bevoegd voor de dossiers die onder de bevoegdheid van de Duitstalige gemeenschap vallen.
De Brusselse kamer is bevoegd voor de dossiers die onder de bevoegdheid van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie vallen.
De dossiers die een gedeelde bevoegdheid betreffen, dat wil zeggen dossiers waarin onlosmakelijke elementen voorkomen die tot de bevoegdheid van meer dan een kamer moeten gerekend worden, vallen onder de bevoegdheid van de interfederale raad van bestuur.
In geval van geschillen tussen twee kamers, met betrekking tot de toekenning van een dossier, neemt de interfederale raad van bestuur beslissingen met een absolute meerderheid van de uitgebrachte stemmen van de aanwezige leden.
§ 4. De agenda en de nota's die hierop betrekking hebben, worden bezorgd aan de leden van de interfederale raad van bestuur van het Centrum ten minste 6 werkdagen voor de interfederale raad van bestuur of de kamers plaatsvindt.
§ 1. De interfederale raad van bestuur en de kamers kunnen slechts geldig beslissen wanneer ten minste de meerderheid van de leden de vergadering bijwoont, met een minimum van twee aanwezige leden.
Is dit quorum niet bereikt dan kan de interfederale raad van bestuur of de kamer over dezelfde agenda geldig beraadslagen en beslissen, ongeacht het aantal aanwezige leden binnen een termijn die ze zelf bepalen doch die niet korter mag zijn dan 72 uur. De uitnodiging zal de aard van de vergadering aangeven.
De beslissingen van de interfederale raad van bestuur en van de kamers worden genomen met een absolute meerderheid van de uitgebrachte stemmen door de aanwezigen. Onder uitgebrachte stemmen worden stemmen voor en tegen verstaan, onthoudingen niet meegerekend.
Er mag niet bij volmacht of per brief worden gestemd.
Bij staking van stemmen is het voorstel verworpen.
§ 2. De stemming geschiedt bij handopsteken.
Er wordt evenwel tot een geheime stemming overgegaan :
- op verzoek van de covoorzitters of van ten minste twee derde van de leden;
- bij het nemen van beslissingen over personen.
§ 3. Rekening houdend met de bepalingen van de artikelen 4, 5 en 6 van dit akkoord worden de dossiers tussen de federale, de Vlaamse, de Franstalige en de Brusselse kamers verdeeld volgens de regelgeving waarvoor zij de exclusieve bevoegdheid hebben.
De federale kamer is bevoegd voor dossiers die de bevoegdheid van de federale overheid betreffen. De Vlaamse, de Franstalige et de Brusselse kamer zijn telkens bevoegd voor dossiers die aansluiten op de bevoegdheden van de parlementen die de leden van deze kamers aanwijzen.
De Franstalige kamer is bevoegd voor de dossiers die onder de bevoegdheid van de Duitstalige gemeenschap vallen.
De Brusselse kamer is bevoegd voor de dossiers die onder de bevoegdheid van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie vallen.
De dossiers die een gedeelde bevoegdheid betreffen, dat wil zeggen dossiers waarin onlosmakelijke elementen voorkomen die tot de bevoegdheid van meer dan een kamer moeten gerekend worden, vallen onder de bevoegdheid van de interfederale raad van bestuur.
In geval van geschillen tussen twee kamers, met betrekking tot de toekenning van een dossier, neemt de interfederale raad van bestuur beslissingen met een absolute meerderheid van de uitgebrachte stemmen van de aanwezige leden.
§ 4. De agenda en de nota's die hierop betrekking hebben, worden bezorgd aan de leden van de interfederale raad van bestuur van het Centrum ten minste 6 werkdagen voor de interfederale raad van bestuur of de kamers plaatsvindt.
Art. 9. Fonctionnement du conseil d'administration interfédéral et des chambres
§ 1er. Le conseil d'administration interfédéral et les chambres ne peuvent prendre de décision que si la majorité des membres est présente, avec un minimum de deux membres présents.
Si ce quorum n'est pas atteint, le conseil d'administration interfédéral ou la chambre peut délibérer et statuer valablement sur le même ordre du jour, quel que soit le nombre de membres présents, dans un délai qu'il fixe lui-même mais qui ne peut être inférieur à 72 heures. La convocation précisera la nature de cette réunion.
Les décisions du conseil d'administration interfédéral et des chambres sont prises à la majorité absolue des voix émises par les membres présents. Par voix émises, on entend les votes pour et contre, à l'exclusion des abstentions.
Le vote par procuration ou par lettre n'est pas admis.
En cas de partage des voix, la proposition est rejetée.
§ 2. Le vote se fait à main levée.
Il est toutefois procédé au vote secret :
- à la demande des co-présidents ou d'au moins deux tiers des membres;
- lorsque des décisions sont prises à l'égard de personnes.
§ 3. En tenant compte des dispositions contenues dans les articles 4, 5 et 6 du présent accord, les dossiers sont répartis entre les chambres fédérales, flamande, francophone et bruxelloise selon la réglementation pour laquelle elles exercent une compétence exclusive.
La chambre fédérale est compétente pour les dossiers relevant de la compétence de l'autorité fédérale. La chambre flamande, la chambre francophone et la chambre bruxelloise sont respectivement compétentes pour les dossiers entrant dans les compétences des parlements qui désignent les membres de ces chambres.
La chambre francophone est compétente pour les dossiers qui sont de la compétence de la Communauté germanophone
La chambre bruxelloise est compétente pour les dossiers relevant de la compétence de la Commission communautaire commune.
Les dossiers présentant des compétences partagées, c'est-à-dire de dossiers présentant des éléments indissociables relevant de la compétence de plus d'une chambre, sont du ressort du conseil d'administration interfédéral.
En cas de litige entre deux chambres concernant l'attribution d'un dossier, le conseil d'administration interfédéral prend la décision à la majorité absolue des voix émises par les membres présents.
§ 4. L'ordre du jour et les notes qui s'y rapportent sont communiqués aux membres du conseil d'administration interfédéral du Centre au moins 6 jours ouvrables avant la tenue du conseil d'administration interfédéral ou des chambres.
§ 1er. Le conseil d'administration interfédéral et les chambres ne peuvent prendre de décision que si la majorité des membres est présente, avec un minimum de deux membres présents.
Si ce quorum n'est pas atteint, le conseil d'administration interfédéral ou la chambre peut délibérer et statuer valablement sur le même ordre du jour, quel que soit le nombre de membres présents, dans un délai qu'il fixe lui-même mais qui ne peut être inférieur à 72 heures. La convocation précisera la nature de cette réunion.
Les décisions du conseil d'administration interfédéral et des chambres sont prises à la majorité absolue des voix émises par les membres présents. Par voix émises, on entend les votes pour et contre, à l'exclusion des abstentions.
Le vote par procuration ou par lettre n'est pas admis.
En cas de partage des voix, la proposition est rejetée.
§ 2. Le vote se fait à main levée.
Il est toutefois procédé au vote secret :
- à la demande des co-présidents ou d'au moins deux tiers des membres;
- lorsque des décisions sont prises à l'égard de personnes.
§ 3. En tenant compte des dispositions contenues dans les articles 4, 5 et 6 du présent accord, les dossiers sont répartis entre les chambres fédérales, flamande, francophone et bruxelloise selon la réglementation pour laquelle elles exercent une compétence exclusive.
La chambre fédérale est compétente pour les dossiers relevant de la compétence de l'autorité fédérale. La chambre flamande, la chambre francophone et la chambre bruxelloise sont respectivement compétentes pour les dossiers entrant dans les compétences des parlements qui désignent les membres de ces chambres.
La chambre francophone est compétente pour les dossiers qui sont de la compétence de la Communauté germanophone
La chambre bruxelloise est compétente pour les dossiers relevant de la compétence de la Commission communautaire commune.
Les dossiers présentant des compétences partagées, c'est-à-dire de dossiers présentant des éléments indissociables relevant de la compétence de plus d'une chambre, sont du ressort du conseil d'administration interfédéral.
En cas de litige entre deux chambres concernant l'attribution d'un dossier, le conseil d'administration interfédéral prend la décision à la majorité absolue des voix émises par les membres présents.
§ 4. L'ordre du jour et les notes qui s'y rapportent sont communiqués aux membres du conseil d'administration interfédéral du Centre au moins 6 jours ouvrables avant la tenue du conseil d'administration interfédéral ou des chambres.
Art. 10. Bevoegdheden van de interfederale raad van bestuur
§ 1. De interfederale raad van bestuur beschikt over alle bevoegdheden die voor de werking van het Centrum en de uitvoering van zijn taken vereist zijn.
§ 2. De interfederale raad van bestuur is belast met volgende taken :
- het algemene beleid van het Centrum bepalen;
- op voorstel van de codirecteurs het driejaarlijkse strategisch plan aannemen;
- op voorstel van de codirecteurs een ontwerp van begroting aannemen;
- op voorstel van de codirecteurs, een jaarlijks operationeel plan aannemen;
- op voorstel van de codirecteurs het organigram en de functieomschrijvingen en het personeelsplan vastleggen;
- beslissen over de aanwervingen en de aanwervingsprocedure binnen het beschikbare budget;
- beslissen over de wijze waarop gecommuniceerd wordt en het budget en het communicatiebeleid van het Centrum bepalen;
- al dan niet in rechte op te treden met betrekking tot de dossiers die aan de interfederale raad van bestuur werden voorgelegd;
- studies laten verrichten die verband houden met de opdrachten van het Centrum;
- het nemen van gezamenlijke initiatieven om gelijke kansen en de strijd tegen discriminatie en racisme te bevorderen, in overeenstemming met de machtiging van het Centrum omschreven in de artikelen 4 en 5 van dit akkoord in aangelegenheden die onder de respectieve bevoegdheden van de kamers vallen waarvoor een meerderheid van de aanwezige leden van meerdere kamers om een gezamenlijke behandeling verzoekt;
- de interfederale raad van bestuur kan de bevoegdheid tot aanwerving van personeel, andere dan de codirecteurs en de coördinatoren delegeren aan het college.
§ 3. De interfederale raad van bestuur stelt binnen de 3 maanden na zijn aanstelling het huishoudelijk reglement op van deze raad. Dit huishoudelijk reglement bepaalt de interne organisatie van de interfederale raad van bestuur en verschijnt in het Belgisch Staatsblad.
§ 1. De interfederale raad van bestuur beschikt over alle bevoegdheden die voor de werking van het Centrum en de uitvoering van zijn taken vereist zijn.
§ 2. De interfederale raad van bestuur is belast met volgende taken :
- het algemene beleid van het Centrum bepalen;
- op voorstel van de codirecteurs het driejaarlijkse strategisch plan aannemen;
- op voorstel van de codirecteurs een ontwerp van begroting aannemen;
- op voorstel van de codirecteurs, een jaarlijks operationeel plan aannemen;
- op voorstel van de codirecteurs het organigram en de functieomschrijvingen en het personeelsplan vastleggen;
- beslissen over de aanwervingen en de aanwervingsprocedure binnen het beschikbare budget;
- beslissen over de wijze waarop gecommuniceerd wordt en het budget en het communicatiebeleid van het Centrum bepalen;
- al dan niet in rechte op te treden met betrekking tot de dossiers die aan de interfederale raad van bestuur werden voorgelegd;
- studies laten verrichten die verband houden met de opdrachten van het Centrum;
- het nemen van gezamenlijke initiatieven om gelijke kansen en de strijd tegen discriminatie en racisme te bevorderen, in overeenstemming met de machtiging van het Centrum omschreven in de artikelen 4 en 5 van dit akkoord in aangelegenheden die onder de respectieve bevoegdheden van de kamers vallen waarvoor een meerderheid van de aanwezige leden van meerdere kamers om een gezamenlijke behandeling verzoekt;
- de interfederale raad van bestuur kan de bevoegdheid tot aanwerving van personeel, andere dan de codirecteurs en de coördinatoren delegeren aan het college.
§ 3. De interfederale raad van bestuur stelt binnen de 3 maanden na zijn aanstelling het huishoudelijk reglement op van deze raad. Dit huishoudelijk reglement bepaalt de interne organisatie van de interfederale raad van bestuur en verschijnt in het Belgisch Staatsblad.
Art. 10. Compétences du conseil d'administration interfédéral
§ 1er. Le conseil d'administration interfédéral dispose de tous les pouvoirs nécessaires au fonctionnement du Centre et à l'exécution de ses missions.
§ 2. Le conseil d'administration interfédéral est chargé des tâches suivantes :
- déterminer la politique générale du Centre;
- adopter le plan stratégique triennal, sur proposition des co-directeurs;
- adopter un projet de budget, sur proposition des co-directeurs;
- adopter un plan opérationnel annuel, sur proposition des co-directeurs;
- fixer, sur proposition des co-directeurs, l'organigramme, les profils de fonction et le plan du personnel;
- décider des engagements et de la procédure d'engagement, dans le cadre des crédits disponibles;
- définir les modalités, le budget et la politique de communication du Centre;
- décider ou non d'ester en justice dans les dossiers qui sont soumis au conseil d'administration interfédéral;
- faire réaliser des études en rapport avec les missions du Centre;
- Prendre des initiatives communes pour promouvoir l'égalité des Chances et la lutte contre le racisme et les discriminations, conformément aux habilitations du Centre définies dans les articles 4 et 5 de cet accord, dans des matières qui sont du ressort respectif des chambres pour lesquelles une majorité des membres présents de plusieurs chambres effectue une demande de traitement commun;
Le conseil d'administration interfédéral peut déléguer au collège le pouvoir d'engagement du personnel, à l'exception des co-directeurs et des coordinateurs.
§ 3. Le conseil d'administration interfédéral établit endéans les 3 mois de sa désignation le règlement d'ordre intérieur de ce conseil. Ce règlement d'ordre intérieur vise l'organisation interne du conseil d'administration interfédéral et est publié au Moniteur belge.
§ 1er. Le conseil d'administration interfédéral dispose de tous les pouvoirs nécessaires au fonctionnement du Centre et à l'exécution de ses missions.
§ 2. Le conseil d'administration interfédéral est chargé des tâches suivantes :
- déterminer la politique générale du Centre;
- adopter le plan stratégique triennal, sur proposition des co-directeurs;
- adopter un projet de budget, sur proposition des co-directeurs;
- adopter un plan opérationnel annuel, sur proposition des co-directeurs;
- fixer, sur proposition des co-directeurs, l'organigramme, les profils de fonction et le plan du personnel;
- décider des engagements et de la procédure d'engagement, dans le cadre des crédits disponibles;
- définir les modalités, le budget et la politique de communication du Centre;
- décider ou non d'ester en justice dans les dossiers qui sont soumis au conseil d'administration interfédéral;
- faire réaliser des études en rapport avec les missions du Centre;
- Prendre des initiatives communes pour promouvoir l'égalité des Chances et la lutte contre le racisme et les discriminations, conformément aux habilitations du Centre définies dans les articles 4 et 5 de cet accord, dans des matières qui sont du ressort respectif des chambres pour lesquelles une majorité des membres présents de plusieurs chambres effectue une demande de traitement commun;
Le conseil d'administration interfédéral peut déléguer au collège le pouvoir d'engagement du personnel, à l'exception des co-directeurs et des coordinateurs.
§ 3. Le conseil d'administration interfédéral établit endéans les 3 mois de sa désignation le règlement d'ordre intérieur de ce conseil. Ce règlement d'ordre intérieur vise l'organisation interne du conseil d'administration interfédéral et est publié au Moniteur belge.
Art. 11. : bevoegdheden van de Kamers
§ 1. De Kamers zoals bepaald in artikel 8 § 3 zijn bevoegd voor de opvolging en het behandelen van de dossiers die hen zijn toegekend zoals voorzien in artikel 9, § 3.
§ 2. Overeenkomstig de artikelen 4, 5 en 6 van dit akkoord en voor de dossiers die hen exclusief zijn toegewezen, zijn de kamers gemachtigd om :
- alle studies en onderzoeken uit te voeren zoals omschreven in artikel 4;
- adviezen en aanbevelingen te formuleren overeenkomstig artikel 5.1° en 2° ;
- bijstand te verlenen aan elke persoon die om een onderhoud verzoekt overeenkomstig artikel 5.3° ;
- instellingen en organisaties en rechtshulpverleners te ondersteunen en te begeleiden overeenkomstig artikel 5.4° ;
- aan alle overheden verduidelijkingen te vragen als er een vermoeden van discriminatie bestaat en dit overeenkomstig artikel 5.5° ;
- sensibiliseringsacties te ondernemen;
- meldingen te ontvangen en ze te behandelen zoals voorzien in artikel 6, § 2;
- te beslissen over de wijze van communiceren voor wat de eigen bevoegdheden betreft, op voorwaarde dat deze communicatie in lijn is met het algemene communicatiebeleid waarvan sprake is in artikel 10 paragraaf 2, zevende streepje;
- al dan niet in rechte op te treden overeenkomstig de bepalingen van artikel 6, § 3.
De kamers verzekeren de toegang van hun diensten zoals voorzien in artikel 6, § 1.
§ 1. De Kamers zoals bepaald in artikel 8 § 3 zijn bevoegd voor de opvolging en het behandelen van de dossiers die hen zijn toegekend zoals voorzien in artikel 9, § 3.
§ 2. Overeenkomstig de artikelen 4, 5 en 6 van dit akkoord en voor de dossiers die hen exclusief zijn toegewezen, zijn de kamers gemachtigd om :
- alle studies en onderzoeken uit te voeren zoals omschreven in artikel 4;
- adviezen en aanbevelingen te formuleren overeenkomstig artikel 5.1° en 2° ;
- bijstand te verlenen aan elke persoon die om een onderhoud verzoekt overeenkomstig artikel 5.3° ;
- instellingen en organisaties en rechtshulpverleners te ondersteunen en te begeleiden overeenkomstig artikel 5.4° ;
- aan alle overheden verduidelijkingen te vragen als er een vermoeden van discriminatie bestaat en dit overeenkomstig artikel 5.5° ;
- sensibiliseringsacties te ondernemen;
- meldingen te ontvangen en ze te behandelen zoals voorzien in artikel 6, § 2;
- te beslissen over de wijze van communiceren voor wat de eigen bevoegdheden betreft, op voorwaarde dat deze communicatie in lijn is met het algemene communicatiebeleid waarvan sprake is in artikel 10 paragraaf 2, zevende streepje;
- al dan niet in rechte op te treden overeenkomstig de bepalingen van artikel 6, § 3.
De kamers verzekeren de toegang van hun diensten zoals voorzien in artikel 6, § 1.
Art. 11. Compétences des chambres.
§ 1er. Les chambres définies à l'article 8, § 3, sont compétentes pour le suivi et les traitement des dossiers qui leur sont attribués comme prévu à l'article 9, § 3.
§ 2. Conformément aux articles 4, 5 et 6 du présent accord et pour les dossiers qui leur sont attribués exclusivement, les chambres sont habilitées à :
- effectuer toutes les études et recherches comme décrites à l'article 4;
- adresser des avis et recommandations indépendants conformément à l'article 5.1° et 2° ;
- assister toute personne sollicitant une consultation conformément à l'article 5.3° ;
- assurer soutien et guidance à des institutions et organisations dispensateurs d'assistance juridique, conformément à l'article 5.4° ;
- demander à toute autorité des précisions quand est présumée l'existence d'une discrimination, conformément à l'article 5.5° ;
- organiser des actions de sensibilisation;
- recevoir des signalements et les traiter conformément à l'article 6, § 2;
- décider de la méthode de communication dans leurs propres compétences, à condition que cette communication soit en ligne avec la politique de communication globale visée à l'article 10, alinéa 2, tiret sept
- décider de faire usage ou non du droit d'aller en justice conformément à l'article 6, § 3.
Les chambres assurent l'accessibilité de leurs services conformément à l'article 6, § 1er.
§ 1er. Les chambres définies à l'article 8, § 3, sont compétentes pour le suivi et les traitement des dossiers qui leur sont attribués comme prévu à l'article 9, § 3.
§ 2. Conformément aux articles 4, 5 et 6 du présent accord et pour les dossiers qui leur sont attribués exclusivement, les chambres sont habilitées à :
- effectuer toutes les études et recherches comme décrites à l'article 4;
- adresser des avis et recommandations indépendants conformément à l'article 5.1° et 2° ;
- assister toute personne sollicitant une consultation conformément à l'article 5.3° ;
- assurer soutien et guidance à des institutions et organisations dispensateurs d'assistance juridique, conformément à l'article 5.4° ;
- demander à toute autorité des précisions quand est présumée l'existence d'une discrimination, conformément à l'article 5.5° ;
- organiser des actions de sensibilisation;
- recevoir des signalements et les traiter conformément à l'article 6, § 2;
- décider de la méthode de communication dans leurs propres compétences, à condition que cette communication soit en ligne avec la politique de communication globale visée à l'article 10, alinéa 2, tiret sept
- décider de faire usage ou non du droit d'aller en justice conformément à l'article 6, § 3.
Les chambres assurent l'accessibilité de leurs services conformément à l'article 6, § 1er.
Art. 12. Het college
§ 1. Het Centrum wordt geleid door het college van twee codirecteurs die niet tot dezelfde taalrol mogen behoren en een verschillend geslacht hebben. Zij worden onder de voogdij geplaatst van de interfederale raad van bestuur en moeten hun beslissingen collegiaal nemen. Ze worden bijgestaan door coördinatoren.
§ 2. Het college en de coördinatoren worden benoemd door de interfederale raad van bestuur, voor een periode van 6 jaar. Hun mandaat is tweemaal hernieuwbaar, mits een evaluatie die door een externe audit wordt uitgevoerd.
Met het oog op deze benoeming stelt de interfederale raad van bestuur een oproep tot kandidaatstelling op die in het Belgisch Staatsblad verschijnt. Dat bericht verschijnt ook in minstens twee Nederlandstalige en twee Franstalige kranten wanneer de vacatures openstaan voor beide taalrollen of minstens twee Nederlandstalige of twee Franstalige kranten wanneer de vacature enkel openstaat voor de ene of de andere taalrol.
Deze oproep nodigt de kandidaten uit hun bekwaamheid aan te tonen en bepaalt de termijn waarin de kandidaturen moeten worden ingediend. De covoorzitters van de interfederale raad van bestuur maken de kandidaturen die werden ontvangen na de oproep over aan de interfederale raad van bestuur.
§ 3. Het college is belast met het voorstellen van de volgende elementen aan de interfederale raad van bestuur :
- de uitvoering van een driejaarlijks strategisch plan;
- een ontwerp van begroting;
- een jaarlijks operationeel plan;
- een organigram en functieomschrijvingen;
§ 4. Het college is belast met de volgende elementen :
- het dagelijks en budgettair beheer van het Centrum;
- het personeelsbeheer;
- de uitvoering van de beslissingen van de interfederale raad van bestuur, waarvan het college het secretariaat verzorgt;
- de voorbereiding van de aanbevelingen.
§ 1. Het Centrum wordt geleid door het college van twee codirecteurs die niet tot dezelfde taalrol mogen behoren en een verschillend geslacht hebben. Zij worden onder de voogdij geplaatst van de interfederale raad van bestuur en moeten hun beslissingen collegiaal nemen. Ze worden bijgestaan door coördinatoren.
§ 2. Het college en de coördinatoren worden benoemd door de interfederale raad van bestuur, voor een periode van 6 jaar. Hun mandaat is tweemaal hernieuwbaar, mits een evaluatie die door een externe audit wordt uitgevoerd.
Met het oog op deze benoeming stelt de interfederale raad van bestuur een oproep tot kandidaatstelling op die in het Belgisch Staatsblad verschijnt. Dat bericht verschijnt ook in minstens twee Nederlandstalige en twee Franstalige kranten wanneer de vacatures openstaan voor beide taalrollen of minstens twee Nederlandstalige of twee Franstalige kranten wanneer de vacature enkel openstaat voor de ene of de andere taalrol.
Deze oproep nodigt de kandidaten uit hun bekwaamheid aan te tonen en bepaalt de termijn waarin de kandidaturen moeten worden ingediend. De covoorzitters van de interfederale raad van bestuur maken de kandidaturen die werden ontvangen na de oproep over aan de interfederale raad van bestuur.
§ 3. Het college is belast met het voorstellen van de volgende elementen aan de interfederale raad van bestuur :
- de uitvoering van een driejaarlijks strategisch plan;
- een ontwerp van begroting;
- een jaarlijks operationeel plan;
- een organigram en functieomschrijvingen;
§ 4. Het college is belast met de volgende elementen :
- het dagelijks en budgettair beheer van het Centrum;
- het personeelsbeheer;
- de uitvoering van de beslissingen van de interfederale raad van bestuur, waarvan het college het secretariaat verzorgt;
- de voorbereiding van de aanbevelingen.
Art. 12. Le collège
§ 1er. Le Centre est dirigé par le collège de deux co-directeurs, qui ne peuvent appartenir au même rôle linguistique, qui sont de sexe différent, qui sont placés sous la tutelle du conseil d'administration interfédéral et qui doivent prendre leurs décisions collégialement. Ils sont assistés par des coordinateurs.
§ 2. Le collège et les coordinateurs sont nommés par le conseil d'administration interfédéral pour 6 ans. Leur mandat est renouvelable deux fois, moyennant une évaluation effectuée par un audit externe.
En vue de cette nomination, le conseil d'administration interfédéral rédige un appel à candidature qui est publié au Moniteur belge. Cet avis est publié dans au moins deux journaux néerlandophones et deux journaux francophones lorsque les postes sont ouverts aux deux rôles linguistiques ou deux journaux néerlandophones ou deux journaux francophones selon que les postes sont ouverts uniquement pour l'un ou l'autre rôle linguistique.
Cet appel invite les candidats à démontrer leurs aptitudes et fixe un délai pour le dépôt des candidatures. Les coprésidents du conseil d'administration interfédéral transmettent au conseil d'administration interfédéral les candidatures reçues suite à l'appel.
§ 3. Le collège est chargé de proposer au conseil d'administration interfédéral :
- la mise en oeuvre du plan stratégique triennal;
- un projet de budget;
- un plan opérationnel annuel;
- l'organigramme et les descriptions de fonction.
§ 4. Le collège est chargé de :
- la gestion journalière et budgétaire du Centre;
- la gestion du personnel;
- l'exécution des décisions du conseil d'administration interfédéral, dont le collège assure le secrétariat;
- la préparation des recommandations.
§ 1er. Le Centre est dirigé par le collège de deux co-directeurs, qui ne peuvent appartenir au même rôle linguistique, qui sont de sexe différent, qui sont placés sous la tutelle du conseil d'administration interfédéral et qui doivent prendre leurs décisions collégialement. Ils sont assistés par des coordinateurs.
§ 2. Le collège et les coordinateurs sont nommés par le conseil d'administration interfédéral pour 6 ans. Leur mandat est renouvelable deux fois, moyennant une évaluation effectuée par un audit externe.
En vue de cette nomination, le conseil d'administration interfédéral rédige un appel à candidature qui est publié au Moniteur belge. Cet avis est publié dans au moins deux journaux néerlandophones et deux journaux francophones lorsque les postes sont ouverts aux deux rôles linguistiques ou deux journaux néerlandophones ou deux journaux francophones selon que les postes sont ouverts uniquement pour l'un ou l'autre rôle linguistique.
Cet appel invite les candidats à démontrer leurs aptitudes et fixe un délai pour le dépôt des candidatures. Les coprésidents du conseil d'administration interfédéral transmettent au conseil d'administration interfédéral les candidatures reçues suite à l'appel.
§ 3. Le collège est chargé de proposer au conseil d'administration interfédéral :
- la mise en oeuvre du plan stratégique triennal;
- un projet de budget;
- un plan opérationnel annuel;
- l'organigramme et les descriptions de fonction.
§ 4. Le collège est chargé de :
- la gestion journalière et budgétaire du Centre;
- la gestion du personnel;
- l'exécution des décisions du conseil d'administration interfédéral, dont le collège assure le secrétariat;
- la préparation des recommandations.
Art. 13. Het personeel
§ 1. Voor het vervullen van zijn opdrachten beschikt het Centrum over personeel dat bij arbeidsovereenkomst wordt aangeworven.
Het personeel wordt, binnen de grenzen van de beschikbare kredieten, aangeworven op basis van de functieomschrijving, bedoeld in artikel 11 van dit akkoord. Dit personeel kan zijn opdrachten uitvoeren op de zetel van het Centrum of in de lokale meldpunten.
De codirecteurs en de coördinatoren kunnen niet het voorwerp van enige detachering zijn.
§ 2. De personeelsleden van het Centrum oefenen hun functie op loyale, zorgvuldige en integere wijze uit onder het gezag van de codirecteurs.
Buiten de uitoefening van hun ambt vermijden zij elke handelwijze die het vertrouwen van het publiek in hun dienst kan aantasten.
§ 3. Personeelsleden van de administraties van de partijen, kunnen ter beschikking van het Centrum gesteld worden, op vraag van het Centrum.
§ 1. Voor het vervullen van zijn opdrachten beschikt het Centrum over personeel dat bij arbeidsovereenkomst wordt aangeworven.
Het personeel wordt, binnen de grenzen van de beschikbare kredieten, aangeworven op basis van de functieomschrijving, bedoeld in artikel 11 van dit akkoord. Dit personeel kan zijn opdrachten uitvoeren op de zetel van het Centrum of in de lokale meldpunten.
De codirecteurs en de coördinatoren kunnen niet het voorwerp van enige detachering zijn.
§ 2. De personeelsleden van het Centrum oefenen hun functie op loyale, zorgvuldige en integere wijze uit onder het gezag van de codirecteurs.
Buiten de uitoefening van hun ambt vermijden zij elke handelwijze die het vertrouwen van het publiek in hun dienst kan aantasten.
§ 3. Personeelsleden van de administraties van de partijen, kunnen ter beschikking van het Centrum gesteld worden, op vraag van het Centrum.
Art. 13. Le personnel
§ 1er. Pour l'exécution de ses missions, le Centre dispose de personnel engagé par contrat.
Le personnel est engagé, dans les limites des crédits disponibles, sur base des profils ou descriptions de fonction visées à l'article 11 du présent accord. Ce personnel peut exercer ses missions au siège du Centre ou dans des points de contact locaux.
Les co-directeurs et les coordinateurs ne peuvent faire l'objet d'un détachement.
§ 2. Les membres du personnel du Centre remplissent leur fonction avec loyauté, conscience et intégrité, sous l'autorité des co-directeurs.
Ils s'abstiennent, en dehors de l'exercice de leur fonction, de tout comportement qui serait de nature à ébranler la confiance du public en leur service.
§ 3. Du personnel des administrations des parties peut être mis à la disposition du Centre, à sa demande.
§ 1er. Pour l'exécution de ses missions, le Centre dispose de personnel engagé par contrat.
Le personnel est engagé, dans les limites des crédits disponibles, sur base des profils ou descriptions de fonction visées à l'article 11 du présent accord. Ce personnel peut exercer ses missions au siège du Centre ou dans des points de contact locaux.
Les co-directeurs et les coordinateurs ne peuvent faire l'objet d'un détachement.
§ 2. Les membres du personnel du Centre remplissent leur fonction avec loyauté, conscience et intégrité, sous l'autorité des co-directeurs.
Ils s'abstiennent, en dehors de l'exercice de leur fonction, de tout comportement qui serait de nature à ébranler la confiance du public en leur service.
§ 3. Du personnel des administrations des parties peut être mis à la disposition du Centre, à sa demande.
Art. 14. Personeels- en taalkader
Op basis van het organigram en de functieomschrijvingen, bedoeld in artikel 10 van huidig akkoord, legt de interfederale raad van bestuur het personeels- en taalkader vast.
De gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken zijn van toepassing.
Op basis van het organigram en de functieomschrijvingen, bedoeld in artikel 10 van huidig akkoord, legt de interfederale raad van bestuur het personeels- en taalkader vast.
De gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken zijn van toepassing.
Art. 14. Cadre organique et linguistique
Sur base de l'organigramme et des descriptions de fonction visés à article 10 du présent accord, le conseil d'administration interfédéral fixe le cadre organique et le cadre linguistique du personnel.
La loi sur l'emploi des langues en matière administrative est d'application.
Sur base de l'organigramme et des descriptions de fonction visés à article 10 du présent accord, le conseil d'administration interfédéral fixe le cadre organique et le cadre linguistique du personnel.
La loi sur l'emploi des langues en matière administrative est d'application.
Art. 15. Budgettair toezicht en controle van de rekeningen
Het Rekenhof oefent toezicht uit op alle beslissingen van het Centrum die een budgettaire of financiële weerslag hebben.
De controle op de boekhouding van het Centrum wordt toevertrouwd aan een bedrijfsrevisor, gekozen onder de leden van het Instituut voor Bedrijfsrevisoren, aangeduid en herroepen door de interfederale raad van bestuur.
Hij voert zijn opdracht uit zonder zich in te laten met het bestuur van het Centrum.
De bedrijfsrevisor mag kennis nemen van alle boekhoudstukken. De jaarrekeningen worden hem bezorgd 45 dagen voor de bijeenkomst waarop de interfederale raad van bestuur de rekeningen onderzoekt.
De bedrijfsrevisor brengt verslag uit over deze rekeningen aan de interfederale raad van bestuur.
De bedrijfsrevisor wordt aangeduid voor een periode van drie jaar.
Het Rekenhof oefent toezicht uit op alle beslissingen van het Centrum die een budgettaire of financiële weerslag hebben.
De controle op de boekhouding van het Centrum wordt toevertrouwd aan een bedrijfsrevisor, gekozen onder de leden van het Instituut voor Bedrijfsrevisoren, aangeduid en herroepen door de interfederale raad van bestuur.
Hij voert zijn opdracht uit zonder zich in te laten met het bestuur van het Centrum.
De bedrijfsrevisor mag kennis nemen van alle boekhoudstukken. De jaarrekeningen worden hem bezorgd 45 dagen voor de bijeenkomst waarop de interfederale raad van bestuur de rekeningen onderzoekt.
De bedrijfsrevisor brengt verslag uit over deze rekeningen aan de interfederale raad van bestuur.
De bedrijfsrevisor wordt aangeduid voor een periode van drie jaar.
Art. 15. Contrôle budgétaire et contrôle des comptes
La Cour des Comptes exerce le contrôle sur toutes les décisions du Centre ayant un impact budgétaire ou financier.
Le contrôle de la comptabilité du Centre est confié à un réviseur d'entreprise, choisi parmi les membres de l'Institut des Réviseurs d'entreprises, désigné et révoqué par le conseil d'administration interfédéral.
Celui-ci exécute sa mission sans intervention dans la gestion du Centre.
Le réviseur d'entreprise peut prendre connaissance de toutes les pièces comptables. Il se voit communiquer les comptes annuels 45 jours avant la séance du conseil d'administration interfédéral à laquelle les comptes sont soumis.
Le réviseur d'entreprise fait rapport sur lesdits comptes au conseil d'administration interfédéral.
Le réviseur est désigné pour une durée de trois ans.
La Cour des Comptes exerce le contrôle sur toutes les décisions du Centre ayant un impact budgétaire ou financier.
Le contrôle de la comptabilité du Centre est confié à un réviseur d'entreprise, choisi parmi les membres de l'Institut des Réviseurs d'entreprises, désigné et révoqué par le conseil d'administration interfédéral.
Celui-ci exécute sa mission sans intervention dans la gestion du Centre.
Le réviseur d'entreprise peut prendre connaissance de toutes les pièces comptables. Il se voit communiquer les comptes annuels 45 jours avant la séance du conseil d'administration interfédéral à laquelle les comptes sont soumis.
Le réviseur d'entreprise fait rapport sur lesdits comptes au conseil d'administration interfédéral.
Le réviseur est désigné pour une durée de trois ans.
Art. 16. De financiering en het budget
§ 1. Voor het vervullen van zijn opdracht, mag het Centrum :
- schenkingen en legaten ontvangen;
- opbrengsten uit activieiten ontvangen;
- roerende en onroerende goederen verwerven of vervreemden;
- middelen ontvangen afkomstig van de Nationale Loterij;
- deelnemen aan oproepen voor gesubsidieerde project.
Indien het Centrum ontbonden zou worden, gaan de roerende en onroerende netto-activa naar de ondertekenende partijen naargelang hun bijdrage.
§ 2. De verdeling van de bijdragen van de partijen bij deze overeenkomst wordt bepaald op basis van de volgende beginselen :
- het budget van het Centrum wordt, exclusief eigen inkomsten verworven door het Centrum en inclusief de middelen voor de opdracht `handicap', vastgesteld op een bedrag van 7,84 miljoen euro vanaf 2015. Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd (op basis van de gezondheidsindex).
- de bijdrage van de federale Staat wordt vastgelegd op het bedrag van de huidige bijdrage (inclusief opdracht gehandicapten) voor het huidige Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding verminderd met de middelen nodig voor de financiering van het centrum dat na de oprichting van het interfederaal Centrum bevoegd wordt voor migratie en mensenhandel. De bijdrage ter financiering van het interfederaal Centrum wordt aldus vastgelegd op 6.2 miljoen euro vanaf 2015.
- de bijdrage van de deelstaten ten belope van een bedrag dat overeenstemt met 1.64 miljoen euro vanaf 2015;
- de verdeling van deze bijdrage onder de deelstaten gebeurt als volgt :
Vlaanderen : 48 % = 787.200 euro
Waals Gewest : 36 % = 590.400 euro
Franse Gemeenschap : 12 % = 196.800 euro
Brussels Gewest : 3 % = 49.200 euro
Duitstalige Gemeenschap : 1 % = 16.400 euro
Wanneer een deelstaat personeel ter beschikking van het Centrum stelt, zonder dat deze kost gedragen moet worden door het Centrum, wordt dit door de betrokken deelstaat afgetrokken van het bedrag dat hij bijdraagt aan het budget van het Centrum.
§ 3. Voor de periode 2013 en 2014 wordt in afwijking van § 1 voorzien in een overgangsfase waarbij de bijdrage van de federale overheid en de deelstaten wordt vastgelegd in artikel 16, § 5.
§ 4. Bijkomende taken, buiten het jaarlijkse operationele plan, mogen aan het Centrum toevertrouwd worden binnen de perken van de opdrachten zoals omschreven in het samenwerkingsakkoord en op voorwaarde dat de aanvragers instaan voor de financiële verantwoordelijkheid.
§ 5. De begroting, aangenomen door de interfederale raad van bestuur op voorstel van het college, wordt goedgekeurd door het overlegcomité.
Wanneer de goedkeuring van de begroting vertraging oploopt, wordt de begroting van het vorige jaar verlengd onder het stelsel van de voorlopige twaalfden.
§ 1. Voor het vervullen van zijn opdracht, mag het Centrum :
- schenkingen en legaten ontvangen;
- opbrengsten uit activieiten ontvangen;
- roerende en onroerende goederen verwerven of vervreemden;
- middelen ontvangen afkomstig van de Nationale Loterij;
- deelnemen aan oproepen voor gesubsidieerde project.
Indien het Centrum ontbonden zou worden, gaan de roerende en onroerende netto-activa naar de ondertekenende partijen naargelang hun bijdrage.
§ 2. De verdeling van de bijdragen van de partijen bij deze overeenkomst wordt bepaald op basis van de volgende beginselen :
- het budget van het Centrum wordt, exclusief eigen inkomsten verworven door het Centrum en inclusief de middelen voor de opdracht `handicap', vastgesteld op een bedrag van 7,84 miljoen euro vanaf 2015. Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd (op basis van de gezondheidsindex).
- de bijdrage van de federale Staat wordt vastgelegd op het bedrag van de huidige bijdrage (inclusief opdracht gehandicapten) voor het huidige Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding verminderd met de middelen nodig voor de financiering van het centrum dat na de oprichting van het interfederaal Centrum bevoegd wordt voor migratie en mensenhandel. De bijdrage ter financiering van het interfederaal Centrum wordt aldus vastgelegd op 6.2 miljoen euro vanaf 2015.
- de bijdrage van de deelstaten ten belope van een bedrag dat overeenstemt met 1.64 miljoen euro vanaf 2015;
- de verdeling van deze bijdrage onder de deelstaten gebeurt als volgt :
Vlaanderen : 48 % = 787.200 euro
Waals Gewest : 36 % = 590.400 euro
Franse Gemeenschap : 12 % = 196.800 euro
Brussels Gewest : 3 % = 49.200 euro
Duitstalige Gemeenschap : 1 % = 16.400 euro
Wanneer een deelstaat personeel ter beschikking van het Centrum stelt, zonder dat deze kost gedragen moet worden door het Centrum, wordt dit door de betrokken deelstaat afgetrokken van het bedrag dat hij bijdraagt aan het budget van het Centrum.
§ 3. Voor de periode 2013 en 2014 wordt in afwijking van § 1 voorzien in een overgangsfase waarbij de bijdrage van de federale overheid en de deelstaten wordt vastgelegd in artikel 16, § 5.
§ 4. Bijkomende taken, buiten het jaarlijkse operationele plan, mogen aan het Centrum toevertrouwd worden binnen de perken van de opdrachten zoals omschreven in het samenwerkingsakkoord en op voorwaarde dat de aanvragers instaan voor de financiële verantwoordelijkheid.
§ 5. De begroting, aangenomen door de interfederale raad van bestuur op voorstel van het college, wordt goedgekeurd door het overlegcomité.
Wanneer de goedkeuring van de begroting vertraging oploopt, wordt de begroting van het vorige jaar verlengd onder het stelsel van de voorlopige twaalfden.
Art. 16. Le financement et le budget
§ 1er. Pour l'accomplissement de ses missions, le Centre est autorisé à :
- recevoir des dons et des legs;
- recevoir le produit d'activités;
- acquérir ou aliéner des biens meubles ou immeubles;
- recevoir des moyens provenant de la Loterie nationale;
- participer à des appels à projets subventionnés.
En cas de dissolution du Centre, l'actif net, meubles et immeubles, sera remis aux autres parties signataires en proportion de leurs apports.
§ 2. La répartition des contributions des différentes entités est fixée sur base des principes suivants :
- le budget du Centre est, à l'exclusion des recettes propres acquises par le Centre et les moyens pour la mission `handicap' inclus, fixé à un montant de 7,84 millions d'euros à partir de 2015. Ce montant est indexé annuellement (sur base de l'index santé).
- l'intervention de l'Etat fédéral est fixée au montant de la contribution actuelle pour le Centre de l'égalité des chances et de lutte contre le racisme actuel (moyens pour la mission `handicap' inclus), diminuée des moyens nécessaires au financement de ce Centre qui sera, à l'issue de la création du Centre interfédéral, compétent de la Migration et de la traite des humains. La contribution au financement du Centre interfédéral est ainsi fixée à 6,2 millions d'euros à partir de 2015.
- L'intervention des entités fédérées à concurrence d'un montant qui correspond à 1,64 million d'euros à partir de 2015.
-La répartition de cette contribution entre les différentes entités fédérées est réalisée de la manière suivante :
Flandre : 48 % = 787.200 euros,
Région Wallonne : 36 % = 590.400 euros,
Communauté française : 12 % = 196.800 euros,
Région Bruxelloise : 3 % = 49.200 euros,
Communauté germanophone : 1 % = 16.400 euros.
Lorsqu'une entité met à disposition du Centre du personnel, sans que le Centre n'en supporte le coût, celui-ci est déduit par l'entité concernée du montant de sa contribution au budget du Centre.
§ 3. Par dérogation au § 1er, une période transitoire est prévue pour la période 2013 et 2014. Pendant cette période, l'intervention de l'Etat fédéral et des entités fédérées sont fixés dans l'article 16, § 5.
§ 4 Des tâches supplémentaires, hors plan annuel opérationnel, peuvent être confiées au Centre interfédéral dans les limites des missions telles que décrites dans l'accord de coopération et à la condition que les demandeurs en assument la responsabilité financière.
§ 5. Le budget, adopté par le conseil d'administration interfédéral sur proposition du collège, est approuvé par le comité de concertation.
En cas de retard dans l'approbation du budget, le budget de l'année précédente est prolongé sous le régime des douzièmes provisoires.
§ 1er. Pour l'accomplissement de ses missions, le Centre est autorisé à :
- recevoir des dons et des legs;
- recevoir le produit d'activités;
- acquérir ou aliéner des biens meubles ou immeubles;
- recevoir des moyens provenant de la Loterie nationale;
- participer à des appels à projets subventionnés.
En cas de dissolution du Centre, l'actif net, meubles et immeubles, sera remis aux autres parties signataires en proportion de leurs apports.
§ 2. La répartition des contributions des différentes entités est fixée sur base des principes suivants :
- le budget du Centre est, à l'exclusion des recettes propres acquises par le Centre et les moyens pour la mission `handicap' inclus, fixé à un montant de 7,84 millions d'euros à partir de 2015. Ce montant est indexé annuellement (sur base de l'index santé).
- l'intervention de l'Etat fédéral est fixée au montant de la contribution actuelle pour le Centre de l'égalité des chances et de lutte contre le racisme actuel (moyens pour la mission `handicap' inclus), diminuée des moyens nécessaires au financement de ce Centre qui sera, à l'issue de la création du Centre interfédéral, compétent de la Migration et de la traite des humains. La contribution au financement du Centre interfédéral est ainsi fixée à 6,2 millions d'euros à partir de 2015.
- L'intervention des entités fédérées à concurrence d'un montant qui correspond à 1,64 million d'euros à partir de 2015.
-La répartition de cette contribution entre les différentes entités fédérées est réalisée de la manière suivante :
Flandre : 48 % = 787.200 euros,
Région Wallonne : 36 % = 590.400 euros,
Communauté française : 12 % = 196.800 euros,
Région Bruxelloise : 3 % = 49.200 euros,
Communauté germanophone : 1 % = 16.400 euros.
Lorsqu'une entité met à disposition du Centre du personnel, sans que le Centre n'en supporte le coût, celui-ci est déduit par l'entité concernée du montant de sa contribution au budget du Centre.
§ 3. Par dérogation au § 1er, une période transitoire est prévue pour la période 2013 et 2014. Pendant cette période, l'intervention de l'Etat fédéral et des entités fédérées sont fixés dans l'article 16, § 5.
§ 4 Des tâches supplémentaires, hors plan annuel opérationnel, peuvent être confiées au Centre interfédéral dans les limites des missions telles que décrites dans l'accord de coopération et à la condition que les demandeurs en assument la responsabilité financière.
§ 5. Le budget, adopté par le conseil d'administration interfédéral sur proposition du collège, est approuvé par le comité de concertation.
En cas de retard dans l'approbation du budget, le budget de l'année précédente est prolongé sous le régime des douzièmes provisoires.
Art. 17. Overgangs- en inwerkingstredingsbepalingen
§ 1. Binnen de vijf maanden na zijn aanwijzing stelt de interfederale raad van bestuur het reglement van inwendige orde op.
§ 2. De partijen zullen ten laatste op 30 juni 2013 alle maatregelen treffen die de uitvoering van dit akkoord bewerkstelligen.
De partijen verbinden zich ertoe dat de interfederale raad van bestuur operationeel is binnen de zes maanden na de inwerkingtreding van dit akkoord.
§ 3. De huidige leden alsook de voorzitter en vice-voorzitter van de raad van bestuur, de directeur en de adjunct-directeur, alsook de coördinatoren van het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding oefenen hun mandaat uit uiterlijk tot op het ogenblik van de effectieve uitvoering van onderhavig akkoord.
Zodra onderhavig akkoord effectief uitgevoerd is, is het Centrum de opvolger van de rechten en plichten van het Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding voor de bevoegdheden die aan het interfederaal Centrum toegekend worden, met inbegrip van de rechten en plichten die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomsten van de personeelsleden die zijn tewerkgesteld voor het vervullen van die bevoegdheden.
§ 4. Dit akkoord wordt gesloten voor een periode van drie jaar. Na afloop van deze periode, wordt het stilzwijgend verlengd voor een nieuwe periode van drie jaar.
Op het einde van elke periode van drie jaar kan elke partij dit akkoord ontbinden via een notificatie aan de parlementsvoorzitters van alle partijen, zes maanden voor het verstrijken van deze termijn van drie jaar. In dit geval blijft dit akkoord bindend voor de andere partijen.
§ 5. Voor de periode 2013 en 2014 wordt in afwijking van artikel 16 § 2 voorzien in een overgangsfase waarbij de bijdrage van de federale overheid en de deelstaten wordt vastgelegd als volgt :
§ 1. Binnen de vijf maanden na zijn aanwijzing stelt de interfederale raad van bestuur het reglement van inwendige orde op.
§ 2. De partijen zullen ten laatste op 30 juni 2013 alle maatregelen treffen die de uitvoering van dit akkoord bewerkstelligen.
De partijen verbinden zich ertoe dat de interfederale raad van bestuur operationeel is binnen de zes maanden na de inwerkingtreding van dit akkoord.
§ 3. De huidige leden alsook de voorzitter en vice-voorzitter van de raad van bestuur, de directeur en de adjunct-directeur, alsook de coördinatoren van het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding oefenen hun mandaat uit uiterlijk tot op het ogenblik van de effectieve uitvoering van onderhavig akkoord.
Zodra onderhavig akkoord effectief uitgevoerd is, is het Centrum de opvolger van de rechten en plichten van het Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding voor de bevoegdheden die aan het interfederaal Centrum toegekend worden, met inbegrip van de rechten en plichten die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomsten van de personeelsleden die zijn tewerkgesteld voor het vervullen van die bevoegdheden.
§ 4. Dit akkoord wordt gesloten voor een periode van drie jaar. Na afloop van deze periode, wordt het stilzwijgend verlengd voor een nieuwe periode van drie jaar.
Op het einde van elke periode van drie jaar kan elke partij dit akkoord ontbinden via een notificatie aan de parlementsvoorzitters van alle partijen, zes maanden voor het verstrijken van deze termijn van drie jaar. In dit geval blijft dit akkoord bindend voor de andere partijen.
§ 5. Voor de periode 2013 en 2014 wordt in afwijking van artikel 16 § 2 voorzien in een overgangsfase waarbij de bijdrage van de federale overheid en de deelstaten wordt vastgelegd als volgt :
Art. 17. Dispositions transitoires et entrée en vigueur
§ 1er. Dans les cinq mois de sa désignation, le conseil d'administration interfédéral arrête le règlement d'ordre intérieur du Centre.
§ 2. Les parties prendront au plus tard le 30 juin 2013 toutes les mesures favorisant l'exécution de cet accord.
Les parties s'engagent à ce que le conseil d'administration interfédéral soit opérationnel endéans les six mois de l'entrée en vigueur du présent accord.
§ 3. Les membres actuels ainsi que le président et le vice-président du conseil d'administration, le directeur et le directeur adjoint ainsi que les coordinateurs du Centre pour l'égalité des chances et la lutte contre le racisme exercent leur mandat tout au plus jusqu'au moment de l'exécution effective du présent accord.
Dès l'exécution effective du présent accord, le Centre succède aux droits et obligations du Centre pour l'égalité des chances et la lutte contre le racisme pour ce qui concerne les compétences attribuées au Centre interfédéral, en ce compris ceux résultant des contrats de travail des membres du personnel employés pour l'accomplissement de ces compétences.
§ 4. Cet accord est conclu pour un délai de trois ans. Après l'expiration de ce délai, il sera prorogé par reconduction tacite pour une nouvelle période de trois ans.
Au terme de chaque période de trois ans, chaque partie peut résilier cet accord par une notification aux présidents des Parlements de toutes les parties six mois avant l'échéance de la période des trois ans concernées. Dans ce cas, cet accord reste contraignant pour les autres parties.
§ 5. En dérogation à l'article 16 § 2, une période transitoire est prévue pour la période 2013 et 2014. Pendant cette période l'intervention de l'Etat fédéral et des entités fédérées est fixée de la manière suivante :
§ 1er. Dans les cinq mois de sa désignation, le conseil d'administration interfédéral arrête le règlement d'ordre intérieur du Centre.
§ 2. Les parties prendront au plus tard le 30 juin 2013 toutes les mesures favorisant l'exécution de cet accord.
Les parties s'engagent à ce que le conseil d'administration interfédéral soit opérationnel endéans les six mois de l'entrée en vigueur du présent accord.
§ 3. Les membres actuels ainsi que le président et le vice-président du conseil d'administration, le directeur et le directeur adjoint ainsi que les coordinateurs du Centre pour l'égalité des chances et la lutte contre le racisme exercent leur mandat tout au plus jusqu'au moment de l'exécution effective du présent accord.
Dès l'exécution effective du présent accord, le Centre succède aux droits et obligations du Centre pour l'égalité des chances et la lutte contre le racisme pour ce qui concerne les compétences attribuées au Centre interfédéral, en ce compris ceux résultant des contrats de travail des membres du personnel employés pour l'accomplissement de ces compétences.
§ 4. Cet accord est conclu pour un délai de trois ans. Après l'expiration de ce délai, il sera prorogé par reconduction tacite pour une nouvelle période de trois ans.
Au terme de chaque période de trois ans, chaque partie peut résilier cet accord par une notification aux présidents des Parlements de toutes les parties six mois avant l'échéance de la période des trois ans concernées. Dans ce cas, cet accord reste contraignant pour les autres parties.
§ 5. En dérogation à l'article 16 § 2, une période transitoire est prévue pour la période 2013 et 2014. Pendant cette période l'intervention de l'Etat fédéral et des entités fédérées est fixée de la manière suivante :
| Federaal (zonder armoede) | Gewesten en Gemeenschappen | |
| Interfederaal Centrum Situatie in 2013 (jaarbasis) | 6,5 mio | 1.096,5 mio |
| Vl : 607.000 (de meldpunten worden ingekanteld in het Centrum) + 74.550 = 681.550 | ||
| W : 264.000 + 35.063 = 299.063 | ||
| FG = 67.000 + 9.200 = 76.200 | ||
| Br = 25.000 + 13.313 = 38.313 | ||
| Dts = 0 +1.000 = 1.000 | ||
| Interfederaal Centrum Situatie in 2014 | 6,350 mio | 1.355,200 mio |
| Vl : 738.000 | ||
| W : 437.000 | ||
| FG = 132.700 | ||
| Br = 40.000 | ||
| DTS = 7.500 |
Situatie in 2013
(jaarbasis) 6,5 mio 1.096,5 mio Vl : 607.000 (de meldpunten worden ingekanteld in het Centrum) + 74.550 = 681.550 W : 264.000 + 35.063 = 299.063 FG = 67.000 + 9.200 = 76.200 Br = 25.000 + 13.313 = 38.313 Dts = 0 +1.000 = 1.000 Interfederaal Centrum
Situatie in 2014 6,350 mio 1.355,200 mio Vl : 738.000 W : 437.000 FG = 132.700 Br = 40.000 DTS = 7.500
De bijdrage van de deelstaten zal voor 2013 worden vastgelegd op basis van de bijdragen voorzien voor 2013 op jaarbasis en pro rata de maanden waarin dit samenwerkingsakkoord operationeel is in 2013.
§ 6. De partijen kunnen overgaan tot de aanduiding van een transitiemanager die de uitvoering van dit akkoord zal opvolgen en begeleiden met inbegrip van de nodige maatregelen met betrekking tot het personeel dat momenteel is tewerkgesteld door het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding voor de uitvoering van de taken beschreven in dit akkoord.
§ 7. Dit akkoord treedt in werking na goedkeuring ervan door de wetgevende vergaderingen van alle partijen. De partijen zullen hiertoe onmiddellijk initiatief nemen.
| Fédérale (hors pauvreté) | Régions et Communautés | |
| Centre interfédéral Situation en 2013 (base anuelle) | 6,5 mio | 1.096,5 mio |
| Fl : 607.000 (les meldpunten seront incorporés au Centre) + 74.550 = 681.550 | ||
| Rw : 264.000 + 35.063 = 299.063 | ||
| CF = 67.000 + 9.200 = 76.200 | ||
| Br = 25.000 + 13.313 = 38.313 | ||
| Germ = 0 + 1.000 = 1.000 | ||
| Centre interfédéral Situation en 2014 | 6,350 mio | 1.355,200 mio |
| Fl : 738.000 | ||
| Rw : 437.000 | ||
| CF = 132.700 | ||
| Br= 40.000 | ||
| Germ = 7.500 |
Situation en 2013
(base anuelle) 6,5 mio 1.096,5 mio Fl : 607.000 (les meldpunten seront incorporés au Centre) + 74.550 = 681.550 Rw : 264.000 + 35.063 = 299.063 CF = 67.000 + 9.200 = 76.200 Br = 25.000 + 13.313 = 38.313 Germ = 0 + 1.000 = 1.000 Centre interfédéral
Situation en 2014 6,350 mio 1.355,200 mio Fl : 738.000 Rw : 437.000 CF = 132.700 Br= 40.000 Germ = 7.500
L'intervention des entités fédérées pour 2013 sera déterminée sur base des interventions prévues pour 2013 sur base annuelle au prorata des mois pendant lesquels l'Accord de Coopération est opérationnel en 2013.
§ 6. Les parties peuvent procéder à la désignation d'un manager de transition qui effectuera le suivi de cet accord et l'accompagnera, y compris en ce qui concerne les mesures nécessaires relatives au personnel actuellement employé par le Centre de l'égalité des chances et de lutte contre le racisme pour l'exécution des tâches décrites dans le présent accord.
§ 7. Cet accord entre en vigueur après son approbation par les assemblées législatives de toutes les parties. A cet effet, les parties prendront immédiatement les mesures nécessaires.