Zum Hauptinhalt

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
7 MEI 2009. - Verdrag tussen het Koninkrijk België en de Federatieve Republiek Brazilië betreffende wederzijdse rechtshulp in strafzaken, gedaan te Brasilia op 7 mei 2009
Titre
7 MAI 2009. - Convention entre le Royaume de Belgique et la République fédérative du Brésil sur l'entraide judiciaire en matière pénale, faite à Brasilia le 7 mai 2009
Tekst (39)
Texte (39)
HOOFDSTUK I. - ALGEMENE BEPALINGEN
CHAPITRE I. - DISPOSITIONS GENERALES
Artikel 1. Toepassingsgebied van de wederzijdse rechtshulp
  1. De Partijen verlenen elkaar overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag rechtshulp in het kader van strafprocedures die worden gevoerd door de gerechtelijke autoriteiten, waaronder het openbaar ministerie, van de verzoekende Partij, met inbegrip van alle maatregelen of acties die verband houden met de opsporing of vervolging van misdrijven, alsmede de retentie, inbeslagneming of verbeurdverklaring van opbrengsten van misdrijven en, overeenkomstig het nationale recht van de aangezochte Partij, van hulpmiddelen van misdrijven.
  2. De wederzijdse rechtshulp omvat :
  a) afgifte van gerechtelijke akten;
  b) verzameling van bewijzen, getuigenissen en verhoren;
  c) tijdelijke overlevering van gedetineerden;
  d) verhoor per videoconferentie;
  e) de tenuitvoerlegging van verzoeken om huiszoeking en inbeslagneming;
  f) toezending van dossiers;
  g) onderzoek van voorwerpen en plaatsen;
  h) verkrijging en toezending van het oordeel van deskundigen;
  i) opsporing en identificatie van personen;
  j) identificatie, opsporing, retentie, inbeslagneming en verbeurdverklaring van en beschikking over hulpmiddelen en opbrengsten van misdrijven;
  k) overdracht van vermogensbestanddelen;
  l) verdeling van vermogensbestanddelen;
  m) enige andere vorm van rechtshulp waarover de centrale autoriteiten overeenstemming bereiken in het kader van het eerste lid.
  3. Dit Verdrag is niet van toepassing op de tenuitvoerlegging van beslissingen tot aanhouding of veroordeling, noch op de overdracht van strafprocedures.
  4. Voor de toepassing van dit Verdrag zijn de bevoegde autoriteiten om een verzoek om rechtshulp via hun centrale autoriteit toe te zenden de gerechtelijke autoriteiten, waaronder het openbaar ministerie, die verantwoordelijk zijn voor of gemachtigd zijn tot het instellen van een onderzoek, vervolging of een gerechtelijke procedure op de in het nationale recht van de verzoekende Partij omschreven wijze.
Article 1er. Champ d'application de l'entraide judiciaire
  1. Les Parties s'accordent l'entraide judiciaire, conformément aux dispositions de la présente Convention, dans le cadre de procédures menées en matières pénales par les autorités judiciaires, incluant le Ministère Public, de la Partie requérante, en ce compris toute mesure ou démarche en rapport avec la recherche ou la poursuite d'infractions, ainsi que la rétention, la saisie ou la confiscation de produits du crime et, conformément au droit interne de la Partie requise, des instruments du crime.
  2. L'entraide judiciaire comprend :
  a) la remise d'actes judiciaires;
  b) le recueil de preuves, de témoignages et d'auditions;
  c) la remise temporaire de personnes détenues;
  d) l'audition par vidéoconférence;
  e) l'exécution de demandes de perquisition et de saisie;
  f) la communication de dossiers;
  g) l'examen d'objets et de lieux;
  h) l'obtention et la communication d'évaluations d'experts;
  i) la localisation ou l'identification de personnes;
  j) l'identification, le dépistage, la rétention, la saisie, la confiscation et la disposition des instruments et produits du crime;
  k) la remise des avoirs;
  l) le partage des avoirs;
  m) toute autre entraide dont les autorités centrales conviennent dans le cadre du paragraphe 1er.
  3. La présente Convention ne s'applique ni à l'exécution des décisions d'arrestation et de condamnations, ni au transfert des procédures pénales.
  4. Pour la présente Convention, les autorités compétentes pour adresser une demande d'entraide judiciaire par l'intermédiaire de leur autorité centrale sont les autorités judiciaires, incluant le Ministère Public, responsables pour ou habilitées à mener une enquête, des poursuites ou des procédures judiciaires de la manière définie dans le droit interne de la Partie requérante.
Art. 2. Weigering tot rechtshulp
  1. De centrale autoriteit van de aangezochte Partij kan rechtshulp weigeren :
  a) indien zij van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van het verzoek de soevereiniteit, veiligheid, openbare orde of andere wezenlijke belangen van de aangezochte Partij kan aantasten; deze laatste kan niet het bankgeheim aanvoeren als wezenlijk belang in de zin van deze bepaling om rechtshulp te weigeren;
  b) indien het misdrijf wordt beschouwd als een politiek misdrijf;
  c) indien redenen bestaan om aan te nemen dat het verzoek is gedaan met het oog op de vervolging van een persoon op grond van zijn ras, geslacht, godsdienst, nationaliteit of etnische afkomst;
  d) indien het verzoek afkomstig is van een bijzonder tribunaal of ad-hoctribunaal;
  e) indien het verzoek een persoon betreft die, in geval van vervolging in de aangezochte Partij wegens het misdrijf waarop het verzoek betrekking heeft, het recht op ontslag van vervolging zou genieten wegens een eerdere vrijspraak of veroordeling;
  f) indien het verzoek betrekking heeft op een misdrijf dat door de aangezochte Partij wordt beschouwd als een militair misdrijf dat in het gewone strafrecht geen misdrijf oplevert;
  g) indien het verzoek betrekking heeft op misdrijven die door de aangezochte Partij worden beschouwd als stafbare feiten op grond van de wetgeving betreffende de belastingen, douanerechten, controle op wisseloperaties of andere financiële aangelegenheden, wanneer de belangrijkste doelstelling van de procedure erin bestaat belastingen te bepalen of te innen;
  h) indien het verzoek betrekking heeft op een misdrijf waarop de doodstraf is gesteld in het recht van de verzoekende Partij, tenzij :
  - redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de tenuitvoerlegging de kans op veroordeling tot de doodstraf kleiner maakt; of
  - dit verzoek gevolg geeft aan een verzoek van de verdachte of beklaagde zelf; of
  - de verzoekende Partij voldoende garanties geeft dat de doodstraf niet zal worden uitgesproken of, indien zulks wel het geval is, niet zal worden uitgevoerd;
  i) indien het verzoek betrekking heeft op een misdrijf waarop levenslange gevangenisstraf is gesteld in het recht van de verzoekende Partij, tenzij de verzoekende Partij voldoende garanties geeft dat die straf gepaard gaat met een mogelijkheid tot invrijheidsstelling van de veroordeelde op termijn.
  2. Alvorens rechtshulp te weigeren overeenkomstig dit artikel, overlegt de centrale overheid van de aangezochte Partij met de centrale overheid van de verzoekende Partij om te beslissen of rechtshulp kan worden verleend onder noodzakelijk geachte voorwaarden. Indien de verzoekende Partij ermee instemt dat de rechtshulp afhankelijk wordt gesteld van dergelijke voorwaarden, neemt zij die in acht.
  3. Indien de centrale overheid van de aangezochte Partij weigert rechtshulp te verlenen, deelt zij de redenen daarvan mee aan de centrale overheid van de verzoekende Partij.
Art. 2. Refus d'entraide judiciaire
  1. L'autorité centrale de la Partie requise peut refuser l'entraide judiciaire :
  a) si elle estime que l'exécution de la demande est de nature à porter atteinte à la souveraineté, à la sécurité, à l'ordre public ou à d'autres intérêts essentiels de la Partie requise, celle-ci ne pouvant pas invoquer le secret bancaire comme intérêt essentiel au sens de cette disposition pour refuser l'entraide;
  b) si l'infraction est considérée comme étant de nature politique;
  c) s'il y a des motifs de croire que la demande a été présentée en vue de poursuivre une personne en raison de sa race, de son sexe, de sa religion, de sa nationalité ou de son origine ethnique;
  d) si la demande émane d'un tribunal spécial ou ad hoc;
  e) si la demande concerne une personne qui, si elle était poursuivie dans la Partie requise pour l'infraction faisant l'objet de la demande, aurait le droit d'être relaxée en raison d'un acquittement ou d'une condamnation antérieur(e);
  f) si la demande concerne une infraction considérée par la Partie requise comme une infraction au droit militaire sans constituer en même temps une infraction au droit pénal ordinaire;
  g) si la demande se rapporte à des infractions considérées par la Partie requise comme des infractions pénales relatives à la législation relative aux impôts, aux droits de douane, au contrôle des opérations de change ou à d'autres questions financières, lorsque l'objectif principal de la procédure porte sur l'établissement ou la perception d'impôts;
  h) si la demande se rapporte à une infraction passible de la peine de mort dans la législation de la Partie requérante, à moins :
  - qu'il ne puisse être raisonnablement admis que l'exécution est de nature à réduire le risque d'une condamnation à une peine de mort; ou
  - que cette demande ne fasse suite à une demande émanant de l'inculpé ou du prévenu lui-même; ou
  - que la Partie requérante ne donne des garanties suffisantes que la peine de mort ne sera pas prononcée ou, si elle l'est, qu'elle ne sera pas exécutée;
  i) si la demande se rapporte à une infraction passible de la peine d'emprisonnement à perpétuité dans la législation de la Partie requérante, à moins que cette Partie ne donne des garanties suffisantes que cette peine s'accompagnera d'une possibilité de libération à terme du condamné.
  2. Avant de refuser l'entraide judiciaire conformément au présent article, l'autorité centrale de la Partie requise consulte l'autorité centrale de la Partie requérante pour décider si l'entraide judiciaire peut être accordée aux conditions jugées nécessaires. Si la Partie requérante accepte que l'entraide judiciaire soit soumise à ces conditions, elle respecte celles-ci.
  3. Si l'autorité centrale de la Partie requise refuse l'entraide judiciaire, elle en communique les motifs à l'autorité centrale de la Partie requérante.
Art. 3. Voorlopige maatregelen
  Op uitdrukkelijk verzoek van de verzoekende Partij neemt de bevoegde autoriteit van de aangezochte Partij voorlopige maatregelen om een bestaande toestand te handhaven, bedreigde juridische belangen te vrijwaren of bewijsmateriaal veilig te stellen, indien de in het verzoek bedoelde procedure niet kennelijk niet-ontvankelijk of niet passend blijkt volgens het recht van de aangezochte Partij.
Art. 3. Mesures provisoires
  A la demande expresse de la Partie requérante, l'autorité compétente de la Partie requise prend des mesures provisoires en vue de maintenir une situation existante, de sauvegarder des intérêts juridiques menacés ou de préserver des preuves si la procédure visée par la demande ne paraît pas manifestement irrecevable ou inappropriée conformément au droit de la Partie requise.
Art. 4. Vertrouwelijkheid en beperkt gebruik
  1. De aangezochte Partij garandeert, op verzoek, de vertrouwelijkheid van alle informatie die erop kan wijzen dat een verzoek is gedaan of dat erop is geantwoord. Indien het verzoek niet ten uitvoer kan worden gelegd zonder de vertrouwelijkheid te verbreken, brengt de aangezochte Partij de verzoekende Partij daarvan op de hoogte, die dan bepaalt in hoeverre zij wenst dat het verzoek ten uitvoer wordt gelegd.
  2. De verzoekende Partij gebruikt, noch verspreidt, zonder voorafgaande toestemming van de aangezochte Partij, op grond van dit Verdrag verkregen informatie of bewijs voor andere doeleinden dan de in het verzoek aangegeven procedure.
Art. 4. Confidentialité et limitation d'utilisation
  1. La Partie requise assure sur demande la confidentialité de toute information susceptible d'indiquer qu'une demande a été formulée ou qu'il y a été répondu. Si la demande ne peut être exécutée sans rompre la confidentialité, la Partie requise en informe la Partie requérante qui détermine alors la mesure dans laquelle elle souhaite que la demande soit exécutée.
  2. La Partie requérante n'utilise ni ne divulgue des informations ou des preuves obtenues sur la base de la présente Convention pour des fins autres que la procédure indiquée dans la demande sans le consentement préalable de la Partie requise.
HOOFDSTUK II. - VERZOEKEN OM RECHTSHULP
CHAPITRE II. - DEMANDES D'ENTRAIDE JUDICIAIRE
Art. 5. Afgifte van gerechtelijke akten
  1. Voor zover mogelijk gaat de aangezochte Partij over tot afgifte van gerechtelijke akten van de verzoekende Partij waarin een persoon wordt gedagvaard voor een autoriteit of gerecht op het grondgebied van de verzoekende Partij.
  2. Een persoon die geen gevolg geeft aan een dagvaarding waarvan om afgifte is verzocht, kan geen sanctie of dwangmaatregel worden opgelegd, zelfs niet wanneer die dagvaarding een bevel bevat, tenzij hij zich vervolgens uit eigen beweging naar het grondgebied van de verzoekende Partij begeeft en aldaar opnieuw behoorlijk wordt gedagvaard.
  3. De centrale autoriteit van de verzoekende Partij bezorgt verzoeken om afgifte van een stuk waarin een persoon wordt verzocht te verschijnen voor een autoriteit of gerecht in de verzoekende Partij binnen een redelijke termijn vóór de voor de verschijning bepaalde datum en uiterlijk 45 dagen vóór die datum, behoudens bijzondere spoedeisendheid.
  4. Indien mogelijk bezorgt de aangezochte Partij een bewijs van afgifte op de in haar recht bepaalde wijze. Op uitdrukkelijk verzoek van de verzoekende Partij kan de aangezochte Partij tot afgifte overgaan op een bijzondere wijze waarin haar recht niet voorziet, mits die wijze geen afbreuk doet aan fundamentele rechten of aan enig ander fundamenteel beginsel van haar recht.
Art. 5. Remise d'actes judiciaires
  1. Dans la mesure du possible, la Partie requise procède à la remise de tout acte judiciaire émanant de la Partie requérante, qui emporte citation ou assignation d'une personne à comparaître devant une autorité ou une jurisdiction sur le territoire de la Partie requérante.
  2. La personne qui n'a pas déféré à une citation à comparaître dont la remise a été demandée ne peut être soumise, même si cette citation contient une injonction, à aucune sanction ou mesure de contrainte, à moins qu'elle ne se rende par la suite de son plein gré sur le territoire de la Partie requérante et qu'elle y soit à nouveau citée régulièrement.
  3. L'autorité centrale de la Partie requérante transmet toute demande de remise de document requérant la comparution d'une personne devant une autorité ou une juridiction dans la Partie requérante dans un délai raisonnable avant la date fixée pour la comparution et, au plus tard, 45 jours avant cette date, sauf urgence particulière.
  4. Lorsque c'est possible, la Partie requise renvoie une preuve de la remise selon les modalités prévues par sa législation. Si la Partie requérante le demande expressément, la Partie requise pourra effectuer cette remise dans une forme particulière qui ne serait pas prévue par sa législation à condition que cette forme ne porte pas atteinte aux droits fondamentaux ou à tout autre principe fondamental de son droit.
Art. 6. Verzameling van bewijs en getuigenissen
  op het grondgebied van de aangezochte Partij
  1. Een persoon die zich op het grondgebied van de aangezochte Partij bevindt en die om bewijs is verzocht op grond van dit Verdrag, kan indien nodig worden gedwongen te verschijnen, door een dagvaarding of op enige andere wijze voor zover het recht van de aangezochte Partij zulks toelaat, om te getuigen, te worden ondervraagd of stukken, dossiers of bewijsmateriaal over te leggen.
  2. Een persoon die is opgeroepen om te getuigen, te worden ondervraagd of stukken of voorwerpen op het grondgebied van de aangezochte Partij over te leggen, kan worden gedwongen zulks te doen volgens de in het recht van de aangezochte Partij bepaalde voorwaarden. Indien die persoon aanspraak maakt op onschendbaarheid, onbekwaamheid of een voorrecht eigen aan het recht van de verzoekende Partij, wordt het bewijs desalniettemin verzameld en wordt zijn aanspraak meegedeeld aan de verzoekende Partij opdat haar autoriteiten daarover uitspraak doen.
  3. De centrale autoriteit van de aangezochte Partij verstrekt, op verzoek, van tevoren informatie over de datum en plaats waarop respectievelijk waar het bewijs overeenkomstig dit artikel wordt verzameld.
  4. De aangezochte Partij kan toestaan dat de in het verzoek aangegeven personen aanwezig zijn en kan hen tijdens de tenuitvoerlegging van het verzoek toestaan om de vragen te noemen waarvan zij willen dat zij worden gesteld aan de persoon die getuigt of bewijsmateriaal overlegt.
Art. 6. Recueil de preuves et de témoignages
  sur le territoire de la Partie requise
  1. Une personne se trouvant sur le territoire de la partie requise et à qui des preuves sont demandées en vertu de la présente Convention peut si nécessaire être contrainte à comparaître, par citation ou toute autre méthode autorisée dans la mesure où le droit de la Partie requise l'autorise, afin de témoigner, d'être interrogée ou de produire des documents, des dossiers ou des éléments de preuve.
  2. Une personne appelée à témoigner, à être interrogée ou à produire des documents ou des objets sur le territoire de la Partie requise peut être contrainte de s'exécuter conformément aux conditions du droit de la Partie requise. Si cette personne revendique une immunité, une incapacité ou un privilège propre au droit de la Partie requérante, les preuves sont néanmoins recueillies et la revendication est communiquée à la Partie requérante afin que les autorités de celle-ci se prononcent.
  3. L'autorité centrale de la Partie requise fournit sur demande des informations à l'avance sur la date et le lieu du recueil des preuves conformément au présent article.
  4. La Partie requise peut autoriser la présence des personnes spécifiées dans la demande et, pendant l'exécution de la demande, peut les autoriser à faire connaître les questions qu'elles souhaiteraient voir posées à la personne qui témoigne ou fournit des preuves.
Art. 7. Getuigenis in de verzoekende Partij
  1. In het kader van een op grond van dit Verdrag gedaan verzoek kan om rechtshulp worden verzocht ter vergemakkelijking van de verschijning van een persoon op het grondgebied van de verzoekende Partij om bewijsmateriaal over te leggen voor een gerecht of te worden geïdentificeerd in een procedure of zijn medewerking daaraan te verlenen door zijn aanwezigheid.
  2. De centrale autoriteit van de aangezochte Partij :
  a) vraagt de persoon wiens vrijwillige verschijning is gewenst op het grondgebied van de verzoekende Partij of hij ermee instemt om te verschijnen; en
  b) brengt de centrale autoriteit van de verzoekende Partij onverwijld op de hoogte van diens antwoord.
  3. In het in het eerste lid van dit artikel bedoelde geval moet in het verzoek opgave worden gedaan van het geraamde bedrag van de te storten vergoedingen, alsmede van de terug te betalen reis- en verblijfkosten.
  4. Indien daarom wordt verzocht, kan de aangezochte Partij een voorschot toestaan aan de getuige. Dat voorschotbedrag wordt vermeld op de dagvaarding en terugbetaald door de verzoekende Partij.
Art. 7. Témoignage dans la Partie requérante
  1. Une demande formulée sur la base de la présente Convention peut solliciter l'entraide judiciaire pour faciliter la comparution d'une personne sur le territoire de la Partie requérante afin de produire des preuves devant une juridiction ou d'être identifiée dans une procédure ou d'y apporter son aide par sa présence.
  2. L'autorité centrale de la Partie requise :
  a) demande à une personne dont la comparution volontaire est souhaitée sur le territoire de la Partie requérante si elle consent à comparaître; et
  b) informe rapidement l'autorité centrale de la Partie requérante de sa réponse.
  3. Dans le cas prévu au paragraphe 1er du présent article, la demande devra mentionner le montant approximatif des indemnités à verser, ainsi que des frais de voyage et de séjour à rembourser.
  4. Si une demande lui est présentée à cette fin, la Partie requise pourra consentir une avance au témoin. Celle-ci sera mentionnée sur la citation et remboursée par la partie requérante.
Art. 8. Tijdelijke overlevering van gedetineerden
  1. Een door een Partij gedetineerde persoon om wiens aanwezigheid op het grondgebied van de andere Partij wordt verzocht met het oog op een verhoor of confrontatie, wordt daartoe tijdelijk overgebracht indien hij en de centrale autoriteiten van beide Partijen daarmee instemmen.
  2. Voor de toepassing van dit artikel :
  a) is de verzoekende Partij verantwoordelijk voor de veiligheid van de overgebrachte persoon en is zij bevoegd en verplicht hem in detentie te houden, behoudens andersluidend verzoek van de aangezochte Partij;
  b) zendt de verzoekende Partij de overgebrachte persoon gedetineerd terug zodra de omstandigheden zulks toelaten en in ieder geval vóór de datum waarop hij in vrijheid zou zijn gesteld op het grondgebied van de aangezochte Partij, tenzij beide centrale autoriteiten en de overgebrachte persoon anders overeenkomen;
  c) verzoekt de verzoekende Partij de aangezochte Partij niet om een uitleveringsprocedure in te stellen voor de terugkeer van de overgebrachte persoon;
  d) wordt de periode van detentie op het grondgebied van de verzoekende Partij in mindering gebracht op de duur van de detentie die de persoon op het grondgebied van de aangezochte Partij moet of zal moeten ondergaan.
Art. 8. Remise temporaire de personnes détenues
  1. Une personne détenue par une Partie et dont la présence sur le territoire de l'autre Partie est demandée aux fins d'audition ou de confrontation est transférée temporairement à cette fin si elle y consent ainsi que les autorités centrales des deux Parties.
  2. Aux fins du présent article :
  a) la Partie requérante est responsable de la sécurité de la personne transférée et a autorité et obligation de garder la personne transférée en détention sauf demande contraire de la Partie requise;
  b) la Partie requérante renvoie la personne transférée en détention dans la Partie requise dès que les circonstances le permettent et en tout cas avant la date à laquelle elle aurait été mise en liberté sur le territoire de la Partie requise, sauf accord contraire des deux autorités centrales et de la personne transférée;
  c) la Partie requérante ne demande pas à la Partie requise de lancer une procédure d'extradition pour le retour de la personne transférée;
  d) la période de détention sur le territoire de la Partie requérante est déduite de la durée de la détention que doit ou devra subir la personne concernée sur le territoire de la Partie requise.
Art. 9. Vrijgeleide
  1. Wanneer een persoon zich in de verzoekende Partij bevindt op grond van een verzoek om rechtshulp in de in de artikelen 7 en 8 bedoelde gevallen :
  a) mag hij niet worden gedetineerd, vervolgd, gestraft of onderworpen aan enige andere beperking van zijn individuele vrijheid wegens handelingen of nalatigheden die voorafgaan aan zijn vertrek uit de aangezochte Partij;
  b) verstrekt hij geen bewijs of verleent hij geen medewerking in het kader van een ander onderzoek of een andere procedure dan bedoeld in het verzoek, tenzij hij daarmee instemt.
  2. Het eerste lid van dit artikel is niet langer van toepassing indien die persoon, die alle bewegingsvrijheid geniet, de verzoekende Partij niet heeft verlaten binnen een termijn van 15 achtereenvolgende dagen nadat hij officieel ervan in kennis is gesteld dat zijn aanwezigheid niet langer vereist was of indien hij na zijn vertrek uit de verzoekende Partij vrijwillig is teruggekeerd.
  3. Een persoon die weigert in te gaan op een uitnodiging overeenkomstig artikel 7 of die weigert in te stemmen met een verzoek overeenkomstig artikel 8, mag om die reden geen straf oplopen of aan een dwangmaatregel worden onderworpen.
Art. 9. Sauf-conduit
  1. Lorsqu'une personne se trouve dans la Partie requérante sur la base d'une demande d'entraide judiciaire dans les hypothèses visées par les articles 7 et 8 :
  a) elle ne peut être détenue, poursuivie, punie ou soumise à d'autres restrictions de liberté individuelle en raison d'actes ou d'omissions ayant précédé son départ de la Partie requise;
  b) elle ne fournit des preuves ou n'apporte son aide dans toute enquête ou procédure autre que celle visée dans la demande que si elle y consent.
  2. Le paragraphe 1 du présent article cesse de s'appliquer si cette personne, étant libre de s'en aller, n'a pas quitté la partie requérante dans un délai de 15 jours consécutifs après avoir été officiellement notifiée que sa présence n'était plus requise ou si elle est revenue volontairement après être partie.
  3. Toute personne refusant d'accéder à une invitation en application de l'article 7 ou de consentir à une demande en application de l'article 8 ne peut de ce fait encourir une peine ou être soumise à une mesure de coercition.
Art. 10. Verhoor per videoconferentie
  1. Indien een persoon die zich op het grondgebied van de aangezochte Partij bevindt door de bevoegde autoriteiten van de verzoekende Partij als getuige of deskundige moet worden gehoord en het niet wenselijk of mogelijk is dat de te horen persoon in persoon verschijnt op haar grondgebied, kan laatstgenoemde Partij verzoeken om een verhoor per videoconferentie.
  2. De aangezochte Partij stemt al dan niet in met een verhoor per videoconferentie. Indien zij daarmee instemt, net als de te horen persoon zelf, wordt het verhoor georganiseerd volgens de bepalingen van dit artikel.
  3. Een verzoek om verhoor per videoconferentie bevat behalve de in het artikel 22 bedoelde informatie ook de reden waarom het niet wenselijk of mogelijk is dat de getuige of deskundige in persoon verschijnt om te worden gehoord, evenals de naam van de bevoegde autoriteit en van de personen die het verhoor afnemen.
  4. De bevoegde autoriteit van de aangezochte Partij dagvaardt de te horen persoon overeenkomstig haar nationale recht.
  5. Het verhoor per videoconferentie wordt afgenomen met inachtneming van de volgende regels :
  a) het verhoor heeft plaats in aanwezigheid van de bevoegde autoriteit van de aangezochte Partij, die indien nodig wordt bijgestaan door een tolk. Deze autoriteit is ook verantwoordelijk voor de identificatie van de te horen persoon en voor de inachtneming van de fundamentele beginselen van het recht van de aangezochte Partij. Indien de bevoegde autoriteit van de aangezochte Partij van oordeel is dat de fundamentele beginselen van het recht van de aangezochte Partij niet in acht worden genomen tijdens het verhoor, treft zij onverwijld de nodige maatregelen opdat het verhoor wordt voortgezet volgens voornoemde beginselen;
  b) de bevoegde autoriteiten van de verzoekende en de aangezochte Partij komen indien nodig maatregelen overeen ter bescherming van de te horen persoon;
  c) het verhoor wordt afgenomen door de bevoegde autoriteit van de verzoekende Partij, of onder haar leiding, volgens het nationale recht van de verzoekende Partij;
  d) op verzoek van de verzoekende Partij of van de te horen persoon ziet de aangezochte Partij erop toe dat de persoon indien nodig wordt bijgestaan door een tolk;
  e) de te horen persoon kan een beroep doen op het hem in het recht van de aangezochte Partij of van de verzoekende Partij toegekende recht om niet te getuigen.
  6. Onverminderd de ter bescherming van personen overeengekomen maatregelen stelt de bevoegde autoriteit van de aangezochte Partij, na afloop van het verhoor, een proces-verbaal op met opgave van de datum en plaats van verhoor, de identiteit van de gehoorde persoon, de identiteit en hoedanigheid van alle andere personen van de aangezochte Partij die aan het verhoor hebben deelgenomen, de gedane verbintenis of afgelegde eed en de technische omstandigheden waarin het verhoor heeft plaatsgevonden. De bevoegde autoriteit van de aangezochte Partij bezorgt dit stuk aan de bevoegde autoriteit van de verzoekende Partij.
  7. Beide Partijen nemen passende maatregelen opdat hun nationale recht wordt toegepast zoals het zou worden toegepast voor een verhoor in het kader van een nationale procedure wanneer getuigen of deskundigen moeten worden gehoord op het grondgebied van één van beide Partijen overeenkomstig dit artikel en weigeren te getuigen, hoewel zij daartoe gehouden zijn, of valse verklaringen afleggen.
  8. De Partijen kunnen, indien nodig en met instemming van de bevoegde autoriteiten, de bepalingen van dit artikel desgewenst tevens toepassen op verhoren per videoconferentie waaraan een strafrechtelijk vervolgde persoon of verdachte deelneemt. In dat geval moeten de Partijen het eens worden over de beslissing een videoconferentie te houden en over de wijze waarop deze zal verlopen; de beslissing en de wijze moeten in overeenstemming zijn met hun nationale recht en met de internationale instrumenten ter zake, met name het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 16 december 1966. Verhoren waaraan een strafrechtelijk vervolgde persoon of verdachte deelneemt, kunnen alleen worden afgenomen wanneer deze daarmee instemt.
Art. 10. Audition par vidéoconférence
  1. Si une personne qui se trouve sur le territoire de la Partie requise doit être entendue comme témoin ou expert par les autorités compétentes de la Partie requérante, cette dernière peut demander, s'il est inopportun ou impossible pour la personne à entendre de comparaître en personne sur son territoire, que l'audition ait lieu par vidéoconférence.
  2. La Partie requise accepte ou non l'audition par vidéoconférence. Dans le cas où elle l'accepte et moyennant l'accord de la personne à entendre, l'audition est organisée selon les dispositions du présent article.
  3. Les demandes d'audition par vidéoconférence contiennent, outre les informations indiquées à l'article 22, la raison pour laquelle il n'est pas souhaitable ou pas possible que le témoin ou l'expert soit présent en personne à l'audition, le nom de l'autorité compétente et des personnes qui procéderont à l'audition.
  4. L'autorité compétente de la Partie requise cite à comparaître la personne à entendre conformément à son droit interne.
  5. L'audition par vidéoconférence est effectuée dans le respect des règles suivantes :
  a) l'audition a lieu en présence de l'autorité compétente de la Partie requise, assistée au besoin d'un interprète. Cette autorité est aussi responsable de l'identification de la personne à entendre et du respect des principes fondamentaux du droit de la Partie requise. Si l'autorité compétente de la Partie requise estime que les principes fondamentaux du droit de la Partie requise ne sont pas respectés pendant l'audition, elle prend immédiatement les mesures nécessaires pour veiller à ce que l'audition se poursuive conformément aux dits principes;
  b) les autorités compétentes des Parties requérante et requise conviennent, le cas échéant, des mesures relatives à la protection de la personne à entendre;
  c) l'audition est conduite par l'autorité compétente de la Partie requérante, ou sous sa direction, conformément au droit interne de la Partie requérante;
  d) à la demande de la Partie requérante ou de la personne à entendre, la Partie requise veille à ce que cette personne soit, au besoin, assistée d'un interprète;
  e) la personne à entendre peut invoquer le droit de ne pas témoigner qui lui serait reconnu par la loi soit de la Partie requise soit de la Partie requérante.
  6. Sans préjudice des mesures convenues en ce qui concerne la protection des personnes, l'autorité compétente de la Partie requise établit, à l'issue de l'audition, un procès-verbal indiquant la date et le lieu de l'audition, l'identité de la personne entendue, les identités et les qualités de toutes les autres personnes de la Partie requise ayant participé à l'audition, l'engagement pris ou la prestation de serment et les conditions techniques dans lesquelles l'audition s'est déroulée. Ce document est transmis par l'autorité compétente de la Partie requise à l'autorité compétente de la Partie requérante.
  7. Chaque Partie prend les mesures appropriées pour que son droit national s'applique comme il s'appliquerait si l'audition avait lieu dans le cadre d'une procédure nationale lorsque des témoins ou des experts doivent être entendus sur le territoire de l'une ou de l'autre Partie conformément au présent article et refusent de témoigner alors qu'ils sont tenus de le faire, ou font de fausses dépositions.
  8. Les Parties peuvent, si elles le souhaitent, appliquer également les dispositions du présent article, lorsqu'il y a lieu et avec l'accord des autorités compétentes, aux auditions par vidéoconférence auxquelles participe une personne poursuivie pénalement ou un suspect. Dans ce cas, la décision de tenir la vidéoconférence et la manière dont elle se déroule doivent faire l'objet d'un accord entre les Parties concernées et être conformes à leur droit national et aux instruments internationaux en la matière, en particulier le Pacte international relatif aux droits civils et politiques du 16 décembre 1966. Les auditions auxquelles participe la personne poursuivie pénalement ou le suspect ne peuvent avoir lieu que s'ils y consentent.
Art. 11. Huiszoeking en inbeslagneming
  1. De aangezochte Partij gaat over tot tenuitvoerlegging van een verzoek tot huiszoeking, inbeslagneming en overdracht van enig voorwerp aan de verzoekende Partij indien het verzoek informatie bevat waardoor een dergelijk optreden op grond van het recht van de aangezochte Partij verantwoord is en indien het overeenkomstig dat recht ten uitvoer wordt gelegd.
  2. De aangezochte Partij kan een verzoek afwijzen indien het betrekking heeft op handelingen op grond waarvan het in gelijksoortige omstandigheden niet mogelijk zou zijn een huiszoeking en een inbeslagneming te verrichten op het grondgebied van de aangezochte Partij.
  3. Personen die verantwoordelijk zijn voor de bewaring van een in beslag genomen voorwerp bevestigen, op verzoek, de continuïteit van de bewaring, de identiteit van het voorwerp en de integriteit ervan. Dergelijke verzoeken worden door één van beide centrale autoriteiten aan de andere gedaan en op dezelfde wijze wordt erop geantwoord.
  4. De centrale autoriteit van de aangezochte Partij kan verzoeken dat de verzoekende Partij de voorwaarden en bepalingen aanvaardt die de aangezochte Partij noodzakelijk acht ter bescherming van de belangen van derden ten aanzien van het over te dragen voorwerp.
Art. 11. Perquisitions et saisies
  1. La Partie requise exécute une demande de perquisition, de saisie et de remise de tout objet à la Partie requérante si la demande contient des informations justifiant une telle action en vertu du droit de la Partie requise et si elle est exécutée conformément à ce droit.
  2. La Partie requise peut rejeter une demande si elle porte sur des actes dans le chef desquels il ne serait pas possible de pratiquer une perquisition et une saisie sur le territoire de la Partie requise dans des circonstances similaires.
  3. Toute personne responsable ayant la garde d'un objet saisi atteste, sur demande, de la continuité de la garde, de l'identité de l'objet et de l'intégrité de sa condition. Ces demandes sont formulées par l'une des autorités centrales à l'autre et il y est répondu de la même manière.
  4. L'autorité centrale de la Partie requise peut demander que la Partie requérante accepte les termes et conditions jugés nécessaires par la Partie requise pour protéger les intérêts de tiers à l'égard de l'objet devant être transféré.
Art. 12. Toezending van dossiers
  1. De aangezochte Partij bezorgt de verzoekende Partij afschriften van voor het publiek toegankelijke dossiers, met inbegrip van stukken en informatie die in enigerlei vorm in het bezit zijn van de autoriteiten van de aangezochte Partij.
  2. De aangezochte Partij kan afschriften van niet voor het publiek toegankelijke dossiers bezorgen, met inbegrip van stukken en informatie die in enigerlei vorm in het bezit zijn van de autoriteiten van de aangezochte Partij, zulks in dezelfde mate en onder dezelfde voorwaarden als die welke van toepassing zijn op haar eigen gerechtelijke autoriteiten of wetshandhavingsautoriteiten.
Art. 12. Communication de dossiers
  1. La Partie requise communique à la Partie requérante des copies de dossiers accessibles au public, y compris des documents ou des informations sous quelque forme que ce soit, en la possession des autorités de la Partie requise.
  2. La Partie requise peut communiquer des copies de dossiers, y compris des documents ou des informations, sous quelque forme que ce soit, en la possession des autorités de cette Partie, mais non accessibles au public, dans la même mesure et aux mêmes conditions qu'elles le seraient à ses propres autorités judiciaires ou autorités chargées d'appliquer la loi.
Art. 13. Opbrengsten en instrumenten van criminaliteit
  1. De aangezochte Partij stelt, op verzoek, alles in het werk om na te gaan of opbrengsten en instrumenten van een in strijd met het recht van de verzoekende Partij gepleegd misdrijf zich in haar rechtsgebied bevinden en brengt de verzoekende Partij op de hoogte van het resultaat van haar onderzoek. In haar verzoek deelt de verzoekende Partij aan de aangezochte Partij mee waarom zij vermoedt dat voornoemde opbrengsten en instrumenten zich in het rechtsgebied van laatstgenoemde kunnen bevinden.
  2. Indien overeenkomstig het eerste lid vermoedelijke opbrengsten en instrumenten van een misdrijf worden aangetroffen, neemt de aangezochte Partij de nodige in haar wetgeving toegestane maatregelen om te voorkomen dat voornoemde opbrengsten en instrumenten worden verhandeld, overgedragen of vervreemd in afwachting van een definitieve beslissing daaromtrent van een gerecht van de verzoekende Partij.
  3. Indien een verzoek om rechtshulp wordt gedaan met het oog op de verbeurdverklaring van opbrengsten en instrumenten van een misdrijf, wordt het verzoek ten uitvoer gelegd overeenkomstig het recht van de aangezochte Partij.
  4. Op grond van dit Verdrag verbeurdverklaarde opbrengsten en instrumenten worden bewaard door de aangezochte Partij, tenzij de Partijen anders overeenkomen.
  5. Voor de toepassing van dit artikel omvatten de opbrengsten en instrumenten van een misdrijf de opbrengsten en instrumenten van de eventuele verkoop van door het misdrijf verkregen goederen.
Art. 13. Produits et instruments des activites criminelles
  1. La Partie requise s'efforce, sur demande, d'établir si les produits et instruments d'une infraction à la législation de la Partie requérante se trouvent dans sa juridiction et informe la Partie requérante des résultats de ses recherches. Dans sa demande, la Partie requérante communique à la Partie requise les motifs qu'elle a de présumer que de tels produits et instruments peuvent se trouver dans sa juridiction.
  2. Si, conformément au paragraphe 1er, les produits et instruments présumés provenir d'une infraction sont trouvés, la Partie requise prend les mesures nécessaires autorisées par sa législation pour empêcher que ceux-ci fassent l'objet de transactions, soient transférés ou cédés avant qu'un tribunal de la Partie requérante n'ait pris une décision définitive à leur égard.
  3. S'il est présenté une demande d'entraide visant à garantir la confiscation de produits et instruments d'une infraction, cette demande est exécutée conformément à la législation de la Partie requise.
  4. Les produits et instruments confisqués en vertu de la présente Convention sont conservés par la Partie requise, sauf accord contraire entre les Parties.
  5. Au sens du présent article, les produits et instruments d'une infraction incluent les produits et instruments de la vente éventuelle des biens issus de ces infractions.
Art. 14. Teruggave van stukken en voorwerpen
  De centrale autoriteit van de verzoekende Partij geeft zo spoedig mogelijk alle stukken en voorwerpen terug die haar zijn bezorgd met het oog op de tenuitvoerlegging van een verzoek op grond van dit Verdrag, tenzij de centrale autoriteit van de aangezochte Partij afstand doet van de teruggave van de stukken en voorwerpen.
Art. 14. Restitution de documents et d'objets
  L'autorité centrale de la Partie requérante restitue dès que c'est possible tous les documents ou objets qui lui ont été fournis en vue de l'exécution d'une demande en vertu de la présente Convention sauf si l'autorité centrale de la Partie requise renonce à la restitution des documents ou objets.
HOOFDSTUK III. - OVERDRACHT EN VERDELING VAN VERBEURDVERKLAARDE GOEDEREN OF VAN GELIJKWAARDIGE BEDRAGEN
CHAPITRE III. - REMISE ET PARTAGE DE BIENS CONFISQUES OU DES SOMMES D'ARGENT EQUIVALENTES
Art. 15. Overdracht van vermogensbestanddelen
  1. Wanneer een misdrijf is gepleegd en een verzoek tot verbeurdverklaring wordt gedaan door de verzoekende Partij, kunnen de door de aangezochte Partij in beslag genomen en verbeurdverklaarde vermogensbestanddelen overeenkomstig het nationale recht van de aangezochte Partij worden overgedragen aan de verzoekende Partij.
  2. De rechten op deze vermogensbestanddelen waarop derde Partijen te goeder trouw aanspraak maken, worden in acht genomen.
Art. 15. Remise des avoirs
  1. Lorsqu'une infraction a été commise et qu'une demande de confiscation est introduite par la Partie requérante, les avoirs saisis et confisqués par la Partie requise peuvent être remis à la Partie requérante, conformément au droit interne de la Partie requise.
  2. Les droits revendiqués sur ces avoirs par des tierces parties de bonne foi sont respectés.
Art. 16. Overdracht van verduisterde overheidsgelden
  1. Indien de aangezochte Partij vermogensbestanddelen verbeurdverklaart die al dan niet witgewassen overheidsgelden vormen en die zijn verduisterd ten nadele van de verzoekende Partij, kan de aangezochte Partij de in beslag genomen of verbeurdverklaarde vermogensbestanddelen, na aftrek van de transactiekosten, overeenkomstig het nationale recht van de aangezochte Partij overdragen aan de verzoekende Partij.
  2. De overdracht geschiedt op grond van een definitieve uitspraak in de aangezochte Partij volgens haar nationale recht.
Art. 16. Remise de fonds publics détournés
  1. Lorsque la Partie requise confisque des avoirs qui constituent des fonds publics, blanchis ou non, et qui ont été détournés de la Partie requérante, la Partie requise peut remettre les avoirs saisis ou confisqués, déduits des frais d'opération, à la Partie requérante, conformément au droit interne de la Partie requise.
  2. La remise s'effectue sur la base d'un jugement définitif dans la Partie requise conformément à son droit interne.
Art. 17. Verzoek tot verdeling van vermogensbestanddelen
  1. Een medewerkende Partij kan overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag een verzoek tot verdeling van vermogensbestanddelen doen bij de Partij die in het bezit is van de verbeurdverklaarde vermogensbestanddelen (de `bezittende Partij'), wanneer haar medewerking aanleiding heeft gegeven tot een verrichte of verwachte verbeurdverklaring.
  2. Indien de bezittende Partij van oordeel is dat de andere Partij haar medewerking heeft verleend, kan zij in het kader van een wederzijds akkoord en overeenkomstig haar nationale recht de vermogensbestanddelen delen met deze medewerkende Partij. Het verzoek tot verdeling van vermogensbestanddelen wordt in elk geval ingediend voor de beslissing tot verbeurdverklaring definitief en uitvoerbaar is geworden, tenzij de Partijen in uitzonderlijke omstandigheden anderszins zijn overeengekomen.
  3. In het overeenkomstig het eerste lid van dit artikel gedane verzoek worden de omstandigheden omschreven van de samenwerking waarop het verzoek betrekking heeft en worden voldoende aanwijzingen gegeven om de bezittende Partij de mogelijkheid te bieden de betrokken zaak, vermogensbestanddelen en dienst of diensten te identificeren.
  4. Wanneer de bezittende Partij een overeenkomstig de bepalingen van dit artikel gedaan verzoek tot verdeling van vermogensbestanddelen ontvangt :
  a) onderzoekt zij de mogelijkheid de vermogensbestanddelen te verdelen op de in dit artikel bepaalde wijze; en
  b) brengt zij de Partij die het verzoek heeft gedaan op de hoogte van het resultaat van dit onderzoek.
  5. In passende gevallen waarin slachtoffers kunnen worden geïdentificeerd, kan voorrang worden verleend aan het onderzoek van de rechten van de slachtoffers boven de verdeling van vermogensbestanddelen tussen de Partijen.
Art. 17. Demandes de partage d'avoirs
  1. Une Partie coopérante peut formuler une demande de partage d'avoirs auprès de la Partie qui est en possession des avoirs confisqués (la `Partie détentrice') conformément aux dispositions de la présente Convention lorsque sa coopération a donné lieu à une confiscation ou que celle-ci est escomptée.
  2. S'il apparaît à la Partie détentrice que la coopération a été apportée par l'autre Partie, la Partie détentrice peut, dans le cadre d'un accord mutuel et conformément à son droit interne, partager ces avoirs avec cette Partie coopérante. En tous les cas, la demande de partage d'avoirs est introduite avant que la décision de confiscation ne devienne définitive et exécutoire, sauf si les Parties en ont convenu autrement dans des cas exceptionnels.
  3. La demande formulée conformément au paragraphe 1er du présent article définit les circonstances de la coopération à laquelle elle se rapporte et comprend suffisamment de précisions pour permettre à la Partie détentrice d'identifier l'affaire, les avoirs et le ou les services concernés.
  4. Lorsqu'elle reçoit une demande de partage d'avoirs faite conformément aux dispositions du présent article, la Partie détentrice :
  a) examine la possibilité de partager les avoirs comme prévu au présent article; et,
  b) informe la Partie qui a formulé la demande du résultat de cet examen.
  5. Dans des cas appropriés où des victimes sont identifiables, l'examen des droits des victimes peut se voir accorder la priorité sur le partage d'avoirs entre les Parties.
Art. 18. Verdeling van vermogensbestanddelen
  1. Indien de bezittende Partij voorstelt vermogensbestanddelen te delen met de medewerkende Partij :
  a) neemt zij in overleg met de medewerkende Partij de nodige maatregelen opdat de bevoegde autoriteiten bepalen in welke verhouding de te verdelen vermogensbestanddelen worden verdeeld; en
  b) bezorgt zij de medewerkende Partij overeenkomstig artikel 19 een bedrag dat overeenstemt met de bepaalde verhouding.
  2. De Partijen komen overeen dat het niet wenselijk kan zijn over te gaan tot verdeling wanneer de waarde van de te gelde gemaakte vermogensbestanddelen of de door de medewerkende Partij verleende medewerking gering is.
Art. 18. Partage des avoirs
  1. Lorsque la Partie détentrice propose de partager des avoirs avec la Partie coopérante, elle :
  a) prendra en concertation avec la Partie coopérante les mesures nécessaires pour que les autorités compétentes déterminent la proportion des avoirs à partager; et,
  b) transfère une somme équivalente à cette proportion à la Partie coopérante conformément à l'article 19.
  2. Les Parties conviennent qu'il peut ne pas être approprié de procéder au partage lorsque la valeur des avoirs réalisés ou l'assistance fournie par la Partie coopérante est minime.
Art. 19. Betaling van verdeelde vermogensbestanddelen
  1. Tenzij de Partijen anders overeenkomen, worden overeenkomstig artikel 18, eerste lid, b), overgemaakte bedragen in beginsel betaald :
  a) in de munteenheid van de bezittende Partij; en
  b) door elektronische overdracht of per cheque.
  2. De betaling van het bedrag geschiedt :
  a) aan de Federatieve Republiek Brazilië wanneer de Federatieve Republiek Brazilië de medewerkende Partij is. Het bedrag wordt overgemaakt aan de dienst of op de rekening die daarvoor geschikt is en daartoe door de Federatieve Republiek Brazilië is aangewezen;
  b) aan het Koninkrijk België wanneer het Koninkrijk België de medewerkende Partij is. Het bedrag wordt overgemaakt aan de dienst of op de rekening die daarvoor geschikt is en daartoe door het Koninkrijk België is aangewezen;
  c) aan de ontvanger(s) die de medewerkende Partij soms door middel van een kennisgeving kan aanwijzen voor de toepassing van dit artikel.
Art. 19. Paiement des avoirs partagés
  1. Sauf convention contraire entre les Parties, toute somme transférée conformément à l'article 18, 1., b) est en règle générale payée :
  a) dans la devise de la Partie détentrice; et
  b) par transfert de fonds électronique ou par chèque.
  2. Le paiement de la somme s'effectue :
  a) lorsque la République Fédérative du Brésil est la Partie coopérante, à la République Fédérative du Brésil. Il est adressé au service ou sur le compte approprié désigné par la République Fédérative du Brésil;
  b) lorsque le Royaume de Belgique est la Partie coopérante, au Royaume de Belgique. Il est adressé au service ou sur le compte approprié désigné par le Royaume de Belgique;
  c) au(x) destinataire(s) que la Partie coopérante peut parfois indiquer par notification aux fins du présent article.
Art. 20. Oplegging van voorwaarden
  Tenzij de Partijen anders overeenkomen, kan de bezittende Partij, wanneer zij overeenkomstig voornoemd artikel 18, eerste lid, b), een bedrag overmaakt, de medewerkende Partij geen voorwaarden opleggen met betrekking tot het gebruik van dat bedrag en kan zij van de medewerkende Partij met name niet eisen dat laatstgenoemde het bedrag deelt met een andere staat, organisatie of individu.
Art. 20. Imposition de conditions
  Sauf convention contraire entre les Parties, lorsque la Partie détentrice transfère une somme conformément à l'article 18, 1., b) précité, elle ne peut imposer à la Partie coopérante de conditions quant à l'utilisation de cette somme et ne peut notamment pas requérir de la Partie coopérante qu'elle la partage avec un autre Etat, une autre organisation ou un autre individu.
HOOFDSTUK IV. - PROCEDURE
CHAPITRE IV. - PROCEDURE
Art. 21. Centrale autoriteiten
  1. De centrale autoriteiten worden door beide Partijen bepaald.
  2. De centrale autoriteit voor de Federatieve Republiek Brazilië is het Ministerie van Justitie.
  3. De centrale autoriteit voor het Koninkrijk België is de Federale Overheidsdienst Justitie.
  4. De op grond van dit Verdrag gedane verzoeken worden door de centrale autoriteit van de verzoekende Partij bezorgd aan de centrale autoriteit van de aangezochte Partij. Voor de toepassing van dit Verdrag kunnen de Partijen evenwel te allen tijde een andere autoriteit aanwijzen als centrale autoriteit. De kennisgeving van deze aanwijzing geschiedt door uitwisseling van diplomatieke nota's.
  5. Voor de toepassing van dit Verdrag communiceren de centrale autoriteiten rechtstreeks met elkaar.
Art. 21. Autorités centrales
  1. Les autorités centrales sont établies par les deux Parties.
  2. Pour la République Fédérative du Brésil, l'autorité centrale est le Ministère de la Justice.
  3. Pour le Royaume de Belgique, l'autorité centrale est le Service Public Fédéral Justice.
  4. Les demandes formulées en vertu de la présente Convention sont transmises par l'autorité centrale de la Partie requérante à l'autorité centrale de la Partie requise. Toutefois, les Parties peuvent à tout moment désigner une autre autorité en tant qu'autorité centrale aux fins de la présente Convention. La notification de cette désignation s'effectue par échange de notes diplomatiques.
  5. Aux fins de la présente Convention, les autorités centrales communiquent directement entre elles.
Art. 22. Vorm en inhoud van verzoeken
  1. Het verzoek om rechtshulp wordt schriftelijk gedaan. In spoedeisende gevallen kan de centrale autoriteit van de aangezochte Partij evenwel een verzoek aanvaarden in een andere, daaronder begrepen mondelinge, vorm. In een dergelijk uitzonderlijk geval wordt het verzoek bevestigd door de bezorging binnen vijftien dagen van het ondertekende originele schriftelijke verzoek, tenzij de centrale autoriteit van de aangezochte Partij daarover anders beslist.
  2. Het verzoek bevat :
  a) de naam van de autoriteit die de procedure waarop het verzoek betrekking heeft, voert;
  b) het onderwerp en de aard van het onderzoek, de vervolging of enige andere procedure, met inbegrip van de wettelijke bepalingen die van toepassing zijn op het geval waarop het verzoek betrekking heeft;
  c) een samenvatting van de informatie die aanleiding geeft tot het verzoek;
  d) een omschrijving van het bewijsmateriaal waarom wordt verzocht of van andere handelingen waarom in het kader van rechtshulp wordt verzocht; en
  e) het doel waarom wordt verzocht om bewijsmateriaal of andere handelingen in het kader van rechtshulp.
  3. Indien nodig bevat het verzoek tevens :
  a) de identiteit en de geboortedatum van een persoon tegen wie bewijsmateriaal wordt gezocht, alsmede de plaats waar hij kan worden gevonden;
  b) de identiteit van een persoon aan wie een kennisgeving moet worden gericht, de plaats waar hij kan worden gevonden, de band tussen deze persoon en de procedure, alsmede de wijze van kennisgeving;
  c) de beschikbare informatie over de identiteit en de verblijfplaats van een persoon die moet worden opgespoord;
  d) een nauwkeurige omschrijving van de plaats waar een huiszoeking moet worden verricht en van de in beslag te nemen goederen;
  e) een omschrijving van de wijze waarop de getuigenissen of verklaringen worden verzameld en opgenomen;
  f) een lijst van de aan een getuige of aan een deskundige te stellen vragen;
  g) een omschrijving van enige bij de tenuitvoerlegging van het verzoek te volgen bijzondere procedure;
  h) informatie over de vergoedingen en onkosten waarop een persoon die is gedagvaard op het grondgebied van de verzoekende Partij recht heeft;
  i) enige andere informatie die ter attentie van de aangezochte Partij kan worden gebracht ter vergemakkelijking van de tenuitvoerlegging van het verzoek;
  j) de vereisten inzake vertrouwelijkheid; en
  k) de termijnen waarbinnen de rechtshulp ten uitvoer moet worden gelegd.
  4. De aangezochte Partij kan de verzoekende Partij verzoeken om enige aanvullende informatie die haar noodzakelijk lijkt om het verzoek ten uitvoer te leggen.
Art. 22. Forme et contenu des demandes
  1. La demande d'entraide est formulée par écrit. Toutefois, dans des situations d'urgence, l'autorité centrale de la Partie requise peut accepter une demande sous une autre forme, y compris verbale. Dans pareil cas exceptionnel, la demande est confirmée par le dépôt, dans les quinze jours, de la demande écrite originale, signée, sauf si l'autorité centrale de la Partie requise en dispose autrement.
  2. La demande contient les indications suivantes :
  a) le nom de l'autorité qui dirige la procédure à laquelle la demande se rapporte;
  b) l'objet et la nature de l'enquête, des poursuites ou de toute autre procédure, y compris les dispositions légales applicables au cas auquel la demande se rapporte;
  c) un résumé des informations donnant lieu à la demande;
  d) une description des éléments de preuve ou autres actes d'entraide demandés; et
  e) le but dans lequel les éléments de preuve ou autres actes d'entraide sont recherchés.
  3. S'il y a lieu, la demande contient également :
  a) l'identité, la date de naissance et la localisation de toute personne dans le chef de laquelle des éléments de preuve sont recherchés;
  b) l'identité et la localisation d'une personne à qui une notification doit être adressée, le lien entre cette personne et la procédure ainsi que les modalités de la notification;
  c) les informations disponibles sur l'identité et le lieu de résidence d'une personne à localiser;
  d) une description précise du lieu devant faire l'objet de la perquisition et des biens à saisir;
  e) une description de la manière de recueillir et d'enregistrer les témoignages ou dépositions;
  f) une liste des questions à poser à un témoin ou à un expert;
  g) une description de toute procédure particulière à suivre dans l'exécution de la demande;
  h) des informations concernant les indemnités et dépenses auxquelles a droit une personne citée à comparaître sur le territoire de la Partie requérante;
  i) toute autre information pouvant être portée à l'attention de la Partie requise en vue de faciliter l'exécution de la demande;
  j) les exigences de confidentialité; et
  k) les délais dans lesquels l'entraide devrait être exécutée.
  4. La Partie requise peut demander à la Partie requérante toutes les informations complémentaires qui lui paraissent nécessaires pour exécuter la demande.
Art. 23. De taal
  Tenzij de Partijen anders overeenkomen, worden verzoeken en ter ondersteuning ervan bijgevoegde stukken voorgelegd in de taal van de verzoekende Partij en gaan zij vergezeld van een vertaling in één van de officiële talen van de aangezochte Partij. De andere mededelingen tussen centrale autoriteiten kunnen tevens in het Frans en in het Engels worden gedaan.
Art. 23. Langue
  Sauf convention contraire entre les Parties, les demandes et documents joints à l'appui de celles-ci sont présentés dans la langue de la Partie requérante et accompagnés d'une traduction dans une des langues officielles de la Partie requise. Les autres communications entre autorités centrales peuvent également être faites dans les langues française et anglaise.
Art. 24. Tenuitvoerlegging van verzoeken
  1. De centrale autoriteit van de aangezochte Partij legt het verzoek zo spoedig mogelijk ten uitvoer of bezorgt het in passende gevallen aan de personen die daartoe bevoegd zijn. De bevoegde autoriteiten van de aangezochte Partij, zoals omschreven in artikel 1, vierde lid, stellen alles in het werk om het verzoek ten uitvoer te leggen.
  2. Verzoeken om rechtshulp worden ten uitvoer gelegd volgens de procedurevormen en -regels van de aangezochte Partij. De aangezochte Partij kan evenwel andere door de verzoekende Partij uitdrukkelijk genoemde procedureregels in acht nemen, mits dergelijke regels geen fundamentele rechten of enig ander fundamenteel rechtsbeginsel van de aangezochte Partij schenden.
  3. Indien de centrale autoriteit van de aangezochte Partij van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van het verzoek zou interfereren met een lopende procedure of de veiligheid van een persoon op het grondgebied van de aangezochte Partij zou schaden, kan zij de tenuitvoerlegging ervan uitstellen of afhankelijk stellen van noodzakelijk geachte voorwaarden nadat zij heeft overlegd met de centrale autoriteit van de verzoekende Partij. Indien de verzoekende Partij aanvaardt dat de rechtshulp afhankelijk wordt gesteld van voorwaarden, neemt zij die voorwaarden in acht.
  4. Onverminderd het bepaalde in artikel 6, vierde lid, kunnen de autoriteiten van de verzoekende Partij en de daartoe door de verzoekende Partij gemachtigde personen aanwezig zijn bij de tenuitvoerlegging van het verzoek om rechtshulp indien de aangezochte Partij daarmee instemt.
  Daartoe brengt de aangezochte Partij de verzoekende Partij op de hoogte van de datum en plaats van tenuitvoerlegging van het verzoek om rechtshulp.
  5. De centrale autoriteit van de aangezochte Partij kan de centrale autoriteit van de verzoekende Partij verzoeken inlichtingen te verstrekken in de vereiste vorm teneinde de tenuitvoerlegging van het verzoek mogelijk te maken of om alle nodige maatregelen te nemen overeenkomstig het recht van de aangezochte Partij teneinde het verzoek van de verzoekende Partij ten uitvoer te leggen.
  6. De centrale autoriteit van de aangezochte Partij antwoordt op redelijke verzoeken van de centrale autoriteit van de verzoekende Partij met betrekking tot de voortgang bij de tenuitvoerlegging van het verzoek.
  7. De centrale autoriteit van de aangezochte Partij brengt de centrale autoriteit van de verzoekende Partij zo spoedig mogelijk op de hoogte van enige omstandigheid waardoor de tenuitvoerlegging van het verzoek niet langer passend is of een wijziging van de verzochte handeling noodzakelijk is.
  8. De centrale autoriteit van de aangezochte Partij brengt de centrale autoriteit van de verzoekende Partij zo spoedig mogelijk op de hoogte van het resultaat van de tenuitvoerlegging van het verzoek.
Art. 24. Exécution des demandes
  1. L'autorité centrale de la Partie requise exécute la demande dans les meilleurs délais ou, dans les cas appropriés, la transmet aux personnes ayant autorité pour le faire. Les autorités compétentes de la Partie requise, telles que précisées à l'article 1 alinéa 4, mettent tout en oeuvre pour exécuter la demande.
  2. Les demandes d'entraide sont exécutées selon les formes et règles de procédure de la Partie requise. Cette dernière peut toutefois satisfaire à des règles de procédure distinctes qui sont expressément indiquées par la Partie requérante, à condition que ces règles ne portent pas atteinte aux droits fondamentaux ou à tout autre principe fondamental du droit de la Partie requise.
  3. Si l'autorité centrale de la Partie requise estime que l'exécution de la demande interférerait avec une procédure en cours ou porterait atteinte à la sécurité d'une personne sur le territoire de la Partie requise, l'autorité centrale de cette Partie peut en ajourner l'exécution ou la soumettre à des conditions jugées nécessaires après avoir consulté les autorités centrales de la Partie requérante. Si la Partie requérante accepte que l'entraide soit soumise à des conditions, elle respecte ces conditions.
  4. Sans préjudice des dispositions de l'article 6 alinéa 4, les autorités et personnes mandatées par la Partie requérante pourront assister à l'exécution du devoir d'entraide si la Partie requise y consent.
  A cette fin, la Partie requise informera la Partie requérante de la date et du lieu d'exécution de la demande d'entraide.
  5. L'autorité centrale de la Partie requise peut demander à l'autorité centrale de la Partie requérante de fournir des renseignements sous la forme requise pour permettre l'exécution de la demande ou de prendre toutes les mesures nécessaires conformément à la législation de la Partie requise en vue d'exécuter la demande reçue de la Partie requérante.
  6. L'autorité centrale de la Partie requise répond aux demandes raisonnables de l'autorité centrale de la partie Requérante quant à l'évolution de l'exécution de la demande.
  7. L'autorité centrale de la Partie requise informe, dans les meilleurs délais, l'autorité centrale de la Partie requérante de toute circonstance rendant inappropriée l'exécution de la demande ou nécessitant une modification de l'action demandée.
  8. L'autorité centrale de la Partie requise informe, dans les meilleurs délais, l'autorité centrale de la Partie requérante du résultat de l'exécution de la demande.
Art. 25. Informatie uit eigen beweging
  1. De centrale autoriteit van een Partij kan zonder voorafgaand verzoek informatie bezorgen aan de centrale autoriteit van de andere Partij wanneer zij van oordeel is dat de mededeling van voornoemde informatie de Partij waarvoor zij bestemd is, kan helpen een onderzoek of procedure in te stellen of tot een goed einde te brengen, of wanneer voornoemde informatie ertoe kan leiden dat deze Partij een verzoek doet op grond van dit Verdrag.
  2. De Partij die de informatie verstrekt, kan overeenkomstig haar nationale recht bepaalde voorwaarden stellen aan het gebruik ervan door de Partij waarvoor zij bestemd is. De Partij waarvoor de informatie bestemd is, is gehouden die voorwaarden in acht te nemen.
Art. 25. Informations spontanées
  1. L'autorité centrale d'une Partie peut, sans demande préalable, transmettre des informations à l'autorité centrale de l'autre Partie lorsqu'elle estime que la communication de ces informations pourrait aider la Partie destinataire à engager ou à mener à bien des investigations ou des procédures ou lorsque ces informations pourraient aboutir à une demande formulée par cette Partie en vertu de la présente Convention.
  2. La Partie qui fournit ces informations peut, conformément à son droit interne, soumettre à certaines conditions leur utilisation par la Partie destinataire. La Partie destinataire est tenue de respecter ces conditions.
Art. 26. Legalisatie en certificatie
  Behoudens specifiek verzoek van één van beide centrale autoriteiten moeten de door de centrale autoriteiten volgens dit Verdrag behandelde stukken niet worden gelegaliseerd of gecertificeerd.
Art. 26. Légalisation et authentification
  Les documents traités par les autorités centrales conformément à la présente Convention sont dispensés de légalisation ou d'authentification, sauf demande particulière d'une de ces autorités centrales.
Art. 27. Kosten
  1. De aangezochte Partij betaalt alle aan de tenuitvoerlegging van het verzoek verbonden kosten, met uitzondering van :
  a) de honoraria van getuigen en deskundigen, alsmede de reisvergoedingen en -kosten van personen overeenkomstig de artikelen 6 en 7;
  b) de installatie- en gebruikskosten van verbindingen via videoconferentie of televisie en de kosten van tolken in het kader van dergelijke procedures;
  c) de kosten voor tijdelijke overlevering van gedetineerden overeenkomstig artikel 8.
  Deze honoraria, kosten, vergoedingen en uitgaven worden geregeld door de verzoekende Partij en omvatten de dienstverlening in de vorm van vertalen, overschrijven en tolken indien daarom is verzocht.
  2. Indien de centrale autoriteit van de aangezochte Partij de centrale autoriteit van de verzoekende Partij ervan op de hoogte brengt dat voor de tenuitvoerlegging van het verzoek buitengewone kosten of andere middelen noodzakelijk kunnen zijn of indien zij daarom verzoekt, plegen de centrale autoriteiten overleg ter bepaling van de voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van het verzoek en van de wijze waarop de kosten worden besteed.
Art. 27. Frais
  1. La Partie requise prend en charge tous les frais liés à l'exécution de la demande, excepté :
  a) les honoraires des témoins et experts ainsi que les indemnités et dépenses relatives au déplacement de personnes conformément aux articles 6 et 7;
  b) les frais d'installation et d'utilisation de liaisons par vidéoconférence ou télévision et les frais d'interprétation dans le cadre de telles procédures;
  c) les frais de remise temporaire de personnes détenues conformément à l'article 8.
  Ces honoraires, frais, indemnités et dépenses sont réglés par la Partie requérante et comprennent les services en matière de traduction, de transcription et d'interprétation s'ils ont été demandés.
  2. Si l'autorité centrale de la Partie requise avise l'autorité centrale de la Partie requérante que l'exécution de la demande pourrait nécessiter des frais ou d'autres ressources de nature extraordinaire, ou si elle en fait la demande, les autorités centrales se consultent afin de convenir des conditions d'exécution de la demande et des modalités relatives à l'affectation des frais.
HOOFDSTUK V. - SLOTBEPALINGEN
CHAPITRE V. - DISPOSITIONS FINALES
Art. 28. Verenigbaarheid met andere wettelijke instrumenten
  De in dit Verdrag vermelde rechtshulp en procedures beletten niet dat één van beide Partijen bijstand verleent aan de andere Partij op grond van de bepalingen van andere internationale overeenkomsten waarbij zij Partij is.
Art. 28. Compatibilité avec d'autres instruments légaux
  L'entraide judiciaire et les procédures énoncées dans la présente Convention n'empêchent aucune des Parties d'accorder son aide à l'autre Partie sur la base des dispositions d'autres accords internationaux auxquels elle serait partie.
Art. 29. Overleg
  De centrale autoriteiten van de Partijen overleggen met elkaar, op verzoek van één van beide Partijen, over de toepassing van dit Verdrag in het algemeen of in een specifiek geval. De centrale autoriteiten kunnen tevens praktische maatregelen overeenkomen die noodzakelijk kunnen blijken ter vergemakkelijking van voornoemde toepassing.
Art. 29. Consultation
  Les autorités centrales des Parties se consultent, à la demande de l'une ou de l'autre, au sujet de la mise en oeuvre de la présente Convention, soit en général, soit relativement à un cas particulier. Les autorités centrales peuvent également convenir des mesures pratiques pouvant s'avérer nécessaires pour faciliter cette mise en oeuvre.
Art. 30. Bekrachtiging en inwerkingtreding
  1. Het Verdrag wordt bekrachtigd en de akten van bekrachtiging worden zo spoedig mogelijk uitgewisseld.
  2. Het Verdrag treedt in werking 30 dagen na de uitwisseling van de akten van bekrachtiging.
  3. Het Verdrag is van toepassing op alle na de inwerkingtreding ervan gedane verzoeken, zelfs indien daarmee verband houdende handelingen of nalatigheden plaatsvonden vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag.
Art. 30. Ratification et entrée en vigueur
  1. La présente Convention sera ratifiée et les instruments de ratification seront échangés aussitôt que possible.
  2. La Convention entrera en vigueur 30 jours après l'échange des instruments de ratification.
  3. La Convention s'applique à toute demande présentée après son entrée en vigueur même si les actes ou omissions y afférentes se sont produits avant l'entrée en vigueur de la présente Convention.
Art. 31. Opzegging
  1. Een Partij kan dit Verdrag opzeggen door middel van een schriftelijke kennisgeving, die langs diplomatieke weg aan de andere Partij wordt bezorgd.
  2. De opzegging wordt van kracht zes maanden na de datum van kennisgeving.
  3. De vóór deze schriftelijke kennisgeving gedane of gedurende de zes maanden van de periode van kennisgeving ontvangen verzoeken worden behandeld volgens dit Verdrag.
Art. 31. Dénonciation
  1. Chaque Partie peut dénoncer la présente Convention par notification écrite adressée à l'autre Partie par la voie diplomatique.
  2. La dénonciation prend effet six mois après la date de notification.
  3. Les demandes formulées avant cette notification écrite ou reçues durant les six mois de la période de notification seront traitées conformément à la présente Convention.
Art. 32. Regeling van geschillen
  De Partijen streven ernaar geschillen over de uitlegging of de toepassing van dit Verdrag langs diplomatieke weg te regelen indien de centrale autoriteiten het niet eens worden.
Art. 32. Règlement de litige
  Les Parties s'efforcent de régler par voie diplomatique les litiges relatifs à l'interprétation ou à l'application de la présente Convention, à défaut d'accord entre les Autorités Centrales.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. Inwerkingtreding : 12 mei 2017 (art. 30)
Art. N. Entrée en vigueur : 12 mai 2017 (art; 30)