Zum Hauptinhalt

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
19 MAART 2014. - [Wet met betrekking tot de aanwijzing en de bevoegdheden van de personeelsleden van het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle belast met de nucleaire inspecties]
Titre
19 MARS 2014. - [Loi relative à la désignation et aux attributions des membres du personnel de l'Agence fédérale de Contrôle nucléaire chargés des inspections nucléaires]
Dokumentinformationen
Numac: 2014202560
Datum: 2014-03-19
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2014202560
Date: 2014-03-19
Moniteur: Voir
Tekst (26)
Texte (26)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
CHAPITRE 1er. - Disposition générale
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 78 de la Constitution.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle.
CHAPITRE 2. - Modifications de la loi du 15 avril 1994 relative à la protection de la population et de l'environnement contre les dangers résultant des rayonnements ionisants et relative à l'Agence fédérale de Contrôle nucléaire.
Art. 2. In artikel 1 van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle, gewijzigd bij de wetten van 2 april 2003 en 30 maart 2011, wordt de definitie van "nucleaire inspecteurs" opgeheven.
Art. 2. Dans l'article 1er de la loi du 15 avril 1994 relative à la protection de la population et de l'environnement contre les dangers résultant des rayonnements ionisants et relative à l'Agence fédérale de Contrôle nucléaire, modifié par les lois du 2 avril 2003 et du 30 mars 2011, la définition d'"inspecteurs nucléaires" est abrogée.
Art. 3. Artikel 9 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 2 april 2003, wordt vervangen door wat volgt :
  " Art. 9. § 1. Onverminderd de ambtsbevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie bedoeld in artikel 8 van het Wetboek van strafvordering, zien de daartoe door de Koning aangewezen statutaire en contractuele personeelsleden van het Agentschap toe op de naleving van de verordeningen van de Europese Unie die behoren tot de bevoegdheden van het Agentschap, van de bepalingen van deze wet, van de uitvoeringsbesluiten ervan, alsook op de naleving van de voorwaarden opgenomen in de vergunningen, toelatingen of erkenningen in uitvoering van deze bepalingen, en worden zij belast met de begeleiding overeenkomstig artikel 10, tweede lid, van de wet van 20 juli 1978 houdende geëigende beschikkingen teneinde de Internationale Organisatie voor Atoomenergie toe te laten inspectie- en verificatiewerkzaamheden door te voeren op Belgisch grondgebied in uitvoering van het Internationaal Akkoord van 5 april 1973 bij toepassing der §§ 1 en 4 van artikel III van het Verdrag van 1 juli 1968 inzake de niet-verspreiding van kernwapens.
  § 2. De overeenkomstig § 1 aangewezen personeelsleden worden "nucleaire inspecteurs" genoemd.
  § 3. De overeenkomstig § 1 aangewezen personeelsleden leggen, voorafgaand aan de uitoefening van hun functie, de eed af, in de termen bepaald bij artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831 betreffende de eedaflegging bij de aanvang der grondwettelijke vertegenwoordigende monarchie, in handen van de minister die toezicht uitoefent op het Agentschap of van zijn afgevaardigde.
  § 4. De nucleaire inspecteurs kunnen hun bevoegdheden uitoefenen op het gehele Belgische grondgebied, doch slechts met het oog op het toezicht op de uitvoering van de bepalingen van deze wet en de uitvoeringsbepalingen ervan, alsook op de naleving van de voorwaarden opgenomen in de vergunningen, toelatingen of erkenningen in uitvoering van deze bepalingen, de wet van 20 juli 1978 houdende geëigende beschikkingen teneinde de Internationale Organisatie voor Atoomenergie toe te laten inspectie- en verificatiewerkzaamheden door te voeren op Belgisch grondgebied in uitvoering van het Internationaal Akkoord van 5 april 1973 bij toepassing der §§ 1 en 4 van artikel III van het Verdrag van 1 juli 1968 inzake de niet-verspreiding van kernwapens, de wet van 1 juni 2005 betreffende de toepassing van het Aanvullend Protocol van 22 september 1998 bij de Internationale Overeenkomst van 5 april 1973 ter uitvoering van artikel III, leden 1 en 4, van het Verdrag van 1 juli 1968 inzake de niet-verspreiding van kernwapens en de artikelen 477 tot en met 477sexies en 488bis van het Strafwetboek.
  § 5. Een geactualiseerde nominatieve lijst van de overeenkomstig § 1 aangewezen personeelsleden wordt ten minste om de twee jaar in de vorm van een ministerieel besluit bekendgemaakt.
  De overeenkomstig § 1 toegewezen bevoegdheden kunnen door de Koning worden ontnomen. "
Art. 3. L'article 9 de la même loi, modifié par la loi du 2 avril 2003, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 9. § 1er. Sans préjudice des attributions des officiers de police judiciaire visées à l'article 8 du Code d'instruction criminelle, les membres du personnel statutaires et contractuels de l'Agence désignés par le Roi à cet effet surveillent le respect des règlements de l'Union européenne qui relèvent des compétences de l'Agence, des dispositions de la présente loi, de ses arrêtés d'exécution, ainsi que le respect des conditions reprises dans les autorisations, les permissions ou agréments en exécution de ces dispositions, et sont chargés de l'accompagnement conformément à l'article 10, alinéa 2, de la loi du 20 juillet 1978 établissant des dispositions propres à permettre à l'Agence internationale de l'Energie atomique d'effectuer des activités d'inspection et de vérification sur le territoire belge, en exécution de l'Accord international du 5 avril 1973 pris en application des §§ 1er et 4 de l'article III du Traité du 1er juillet 1968 sur la non-prolifération des armes nucléaires.
  § 2. Les membres du personnel désignés conformément au § 1er sont nommés "inspecteurs nucléaires".
  § 3. Les membres du personnel désignés conformément au § 1er prêtent serment, préalablement à l'exercice de leurs fonctions et dans les termes prévus à l'article 2 du décret du 20 juillet 1831 concernant le serment à la mise en vigueur de la monarchie constitutionnelle représentative, entre les mains du ministre qui exerce la tutelle sur l'Agence ou de son délégué.
  § 4. Les inspecteurs nucléaires peuvent exercer leurs attributions sur l'ensemble du territoire belge, mais uniquement en vue de contrôler l'exécution des dispositions de la présente loi et de ses arrêtés d'exécution, ainsi que le respect des conditions reprises dans les autorisations, les permissions ou agréments en exécution de ces dispositions, de la loi du 20 juillet 1978 établissant des dispositions propres à permettre à l'Agence internationale de l'Energie atomique d'effectuer des activités d'inspection et de vérification sur le territoire belge, en exécution de l'Accord international du 5 avril 1973 pris en application des §§ 1er et 4 de l'article III du Traité du 1er juillet 1968 sur la non-prolifération des armes nucléaires, de la loi du 1er juin 2005 relative à l'application du Protocole additionnel du 22 septembre 1998 à l'Accord international du 5 avril 1973 pris en application de l'article III, paragraphes 1er et 4, du Traité du 1er juillet 1968 sur la non-prolifération des armes nucléaires et des articles 477 à 477sexies et 488bis du Code pénal.
  § 5. Une liste nominative actualisée des membres du personnel désignés conformément au § 1er est publiée tous les deux ans au moins sous la forme d'un arrêté ministériel.
  Les attributions conférées conformément au § 1er peuvent être retirées par le Roi. "
Art. 4. In dezelfde wet wordt een artikel 9bis ingevoegd, luidende :
  " Art. 9bis. § 1. In afwijking van de mogelijkheid tot toepassing van artikel 29 van het Wetboek van strafvordering, hebben de in artikel 9 bedoelde personeelsleden het recht waarschuwingen te geven en een termijn te bepalen waarbinnen de overtreder zich in regel moet stellen.
  Deze termijn mag niet langer zijn dan zes maanden.
  Wanneer de dag waarop de termijn om zich in regel te stellen verstrijkt een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, wordt de vervaldag verschoven naar de eerstvolgende werkdag.
  § 2. De in artikel 9 bedoelde personeelsleden kunnen de inbreuken op deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, alsook op de voorwaarden opgenomen in de vergunningen, toelatingen of erkenningen in uitvoering van deze bepalingen, vaststellen bij proces-verbaal dat geldt tot het tegendeel wordt bewezen voor zover een afschrift ervan ter kennis gebracht wordt van de vermoedelijke dader van de inbreuk, binnen een termijn van zestig dagen die aanvangt de dag na de vaststelling van de inbreuk. Indien deze termijn niet wordt gerespecteerd, dan geldt het proces-verbaal ten titel van inlichting.
  § 3. Bij het opmaken van de processen-verbaal kunnen de door hen verrichte materiële vaststellingen, met bewijskracht, gebruikt worden door andere nucleaire inspecteurs, andere inspectiediensten of door statutaire of contractuele personeelsleden belast met het toezicht op de naleving van andere wetgevingen. "
Art. 4. Dans la même loi, il est inséré un article 9bis, rédigé comme suit :
  " Art. 9bis. § 1er. Par dérogation à la possibilité d'appliquer l'article 29 du Code d'instruction criminelle, les membres du personnel visés à l'article 9 ont le droit de donner des avertissements et de fixer au contrevenant un délai pour se mettre en règle.
  Ce délai ne peut excéder six mois.
  Lorsque le jour de l'échéance du délai pour se mettre en règle est un samedi, un dimanche ou un jour férié légal, il est reporté au jour ouvrable qui suit.
  § 2. Les membres du personnel visés à l'article 9 peuvent constater par des procès-verbaux faisant foi jusqu'à preuve du contraire les infractions à la présente loi, à ses arrêtés d'exécution, ainsi qu'aux conditions reprises dans les autorisations, les permissions ou agréments en exécution de ces dispositions, pour autant qu'une copie en soit transmise à l'auteur présumé de l'infraction dans un délai de soixante jours prenant cours le lendemain du jour de la constatation de l'infraction. En cas de non-respect de ce délai, le procès-verbal vaut à titre indicatif.
  § 3. Lors de l'établissement des procès-verbaux, les constatations matérielles faites par eux peuvent être utilisées, avec leur force probante, par d'autres inspecteurs nucléaires, par d'autres services d'inspection ou par les membres du personnel statutaires ou contractuels chargés de la surveillance du respect d'autres législations. "
Art. 5. Artikel 10 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 2 april 2003, wordt vervangen door wat volgt :
  " Art. 10. § 1. De in artikel 9 bedoelde personeelsleden, voorzien van bewijsstukken ter rechtvaardiging van hun ambt, beschikken over de hierna volgende toezichtbevoegdheden bij de uitoefening van hun opdracht, en dit zowel in het kader van de administratieve afhandelingsbevoegdheid als in het kader van de vaststelling van inbreuken bij proces-verbaal :
  1° zij hebben te allen tijde, zonder voorafgaande verwittiging, vrije toegang tot vervoermiddelen, fabrieken, opslagplaatsen, ziekenhuizen en, meer in het algemeen, alle inrichtingen waar toestellen of stoffen die ioniserende stralingen kunnen verspreiden, geproduceerd, vervaardigd, gehouden of gebruikt worden, evenals elke plaats waarvan zij redelijkerwijze kunnen vermoeden dat ofwel voormelde toestellen of stoffen, onderworpen aan de bepalingen van de wetgevingen waarop zij toezicht uitoefenen, aanwezig zijn ofwel bewijzen van het bestaan van een inbreuk kunnen aangetroffen worden. Tot bewoonde lokalen of andere ruimten en plaatsen die daadwerkelijk als woning zijn ingericht en als dusdanig worden gebruikt, hebben ze evenwel enkel toegang mits voorafgaande machtiging van de onderzoeksrechter. Een machtiging tot visitatie kan worden bekomen voor de toegang tot de bewoonde ruimten na 21 uur en voor 5 uur mits een met bijzondere redenen omkleed verzoek gericht aan de onderzoeksrechter;
  2° zij kunnen stoffen of een monster ervan aan een onderzoek of een analyse laten onderwerpen. De kosten zijn ten laste van de exploitant of houder van de stoffen, met toepassing van artikel 31, § 3;
  3° zij kunnen, onverminderd de toepassing van artikel 47bis van het Wetboek van strafvordering en van artikel 2bis, § 2, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, overgaan tot het ondervragen, hetzij alleen, hetzij in aanwezigheid van getuigen, van de exploitant of het ondernemingshoofd, zijn aangestelden of mandatarissen, de werknemers of de externe werknemers, evenals van alle personen van wie ze het verhoor noodzakelijk achten, over elke aangelegenheid waarvan de kennis nuttig is voor de uitoefening van het toezicht. Het verhoor wordt al naargelang het geval in een inspectieverslag dan wel in een proces-verbaal van verhoor opgetekend;
  4° zij kunnen de identiteit opnemen van de personen die zich bevinden op de plaatsen die aan hun controle onderworpen zijn en van wie ze redelijkerwijze kunnen vermoeden dat ze exploitanten, ondernemingshoofden, aangestelden of mandatarissen, werknemers of externe werknemers zijn, evenals van alle personen van wie ze het verhoor noodzakelijk achten voor het uitoefenen van het toezicht. Daartoe kunnen ze van deze personen de overlegging vorderen van officiële identiteitsdocumenten. Zij kunnen bovendien deze personen identificeren door middel van niet-officiële documenten die deze hen spontaan voorleggen wanneer deze personen niet bij machte zijn om officiële identiteitsdocumenten voor te leggen of wanneer de in artikel 9 bedoelde personeelsleden aan de authenticiteit ervan of aan de identiteit van deze personen twijfelen;
  5° zij kunnen zich ter plaatse alle inlichtingen doen verschaffen of op hun verzoek en zonder verplaatsing alle boeken, registers, documenten, schijven, magneetbanden of om het even welke andere informatiedrager die zij voor hun onderzoeken nuttig achten, laten voorleggen en er uittreksels, duplicata, afdrukken, uitdraaien, kopieën of fotokopieën van nemen of ze kosteloos laten bezorgen of, tegen ontvangstbewijs, beslag leggen op om het even welke voormelde informatiedrager. De originele drager van de informatie moet worden bewaard op het Agentschap totdat een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest is uitgesproken, het dossier is geseponeerd of de administratieve boete, opgelegd overeenkomstig de artikelen 53 tot 62, is betaald;
  6° zij kunnen alle voor hun onderzoek nuttige informatiedragers, die zich bevinden in de inrichtingen of op de andere plaatsen die aan hun toezicht onderworpen zijn, opsporen en onderzoeken;
  7° zij kunnen vaststellingen doen door het maken van foto's, afdrukken en film- of video-opnames, met uitsluiting van de vaststellingen die de vorm aannemen van observaties in de zin van artikel 47sexies en volgende van het Wetboek van strafvordering of van een telefoontap in de zin van artikel 90ter en volgende van het Wetboek van strafvordering.
  Zij kunnen eveneens beeldmateriaal afkomstig van derden gebruiken, voor zover deze personen dit beeldmateriaal rechtmatig hebben gemaakt of verkregen.
  De vaststellingen die de in artikel 9 bedoelde personeelsleden hebben gedaan door middel van het door hen gemaakte beeldmateriaal moeten de volgende gegevens bevatten :
  - de identiteit van de nucleaire inspecteur;
  - de bepaling waaraan de nucleaire inspecteur zijn bevoegdheid tot optreden ontleent;
  - de plaats en de datum van de inbreuk;
  - de identiteit van de vermoedelijke dader en van de betrokkenen;
  - de bepaling waarop inbreuk werd gepleegd;
  - een beknopt relaas van de feiten met betrekking tot de gepleegde inbreuken;
  - de dag, de datum, het uur waarop en de exacte beschrijving van de plaats waar het beeldmateriaal is gemaakt;
  - de volledige identificatie van het technisch hulpmiddel waarmee het beeldmateriaal is gemaakt;
  - een beschrijving van wat op dat beeldmateriaal te zien is, alsmede het verband met de vastgestelde inbreuk;
  - wanneer het gaat om een detailopname, een aanduiding op het beeldmateriaal waaruit de schaal blijkt;
  - wanneer er meerdere afdrukken of meerdere dragers zijn, een nummering van deze afdrukken of deze dragers.
  De originele drager van het beeldmateriaal wordt bewaard op het Agentschap totdat een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest is uitgesproken, het dossier is geseponeerd of de administratieve boete, opgelegd overeenkomstig de artikelen 53 tot 62, is betaald;
  8° zij kunnen rechtstreeks, kosteloos en op eenvoudig verzoek alle nuttige informatiedragers opvragen of opsporen en onderzoeken bij de dienst die de fysische controle uitoefent in de aan het onderzoek onderworpen inrichting, bij de dienst die hier toezicht op uitoefent of bij de in artikel 14bis bedoelde entiteiten, alsook bij de verkopers, leveranciers, fabrikanten en invoerders van bronnen van ioniserende stralingen en bij de deskundigen die werkzaamheden uitvoeren in de inrichtingen;
  9° zij kunnen bevelen dat de documenten die moeten worden aangeplakt ingevolge de wetgevingen waarop zij toezicht uitoefenen, daadwerkelijk aangeplakt worden en blijven, binnen een termijn die zij bepalen of onverwijld.
  § 2. De inbeslagname van medische dossiers kan enkel door de onderzoeksrechter worden bevolen.
  § 3. De in artikel 9 bedoelde personeelsleden kunnen, ingeval van verzet tegen de in het kader van § 1 bedoelde bevoegdheden, een proces-verbaal opstellen wegens verhindering van toezicht.
  Zij kunnen de bijstand vorderen van de federale of de lokale politiediensten. "
Art. 5. L'article 10 de la même loi, modifié par la loi du 2 avril 2003, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 10. § 1er. Les membres du personnel, visés à l'article 9, munis des pièces justificatives de leur fonction, disposent des compétences de contrôle suivantes dans l'exercice de leur mission, tant dans le cadre de la compétence de traitement administratif, que dans le cadre de la constatation d'infractions par procès-verbal :
  1° ils disposent, à tout moment et sans avertissement préalable, d'un libre accès aux moyens de transport, aux usines, aux lieux de stockage, aux hôpitaux et, de manière plus générale, à tous les établissements où sont produits, fabriqués, détenus ou utilisés des appareils ou substances capables d'émettre des rayonnements ionisants, ainsi qu'à tous les endroits pour lesquels ils peuvent avoir un motif raisonnable de présumer que peuvent être trouvés des appareils ou substances précités, soumis aux dispositions des législations dont ils exercent la surveillance, ou des preuves de l'existence d'une infraction. Toutefois, ils n'ont accès aux locaux habités ou aux autres espaces et lieux effectivement aménagés comme habitation et utilisés comme telle qu'avec l'autorisation préalable du juge d'instruction. Une autorisation de visite domiciliaire pour l'accès aux espaces habités peut être obtenue après 21 heures et avant 5 heures, moyennant une demande spécialement motivée adressée au juge d'instruction;
  2° ils peuvent faire procéder à l'examen ou à l'analyse de substances ou d'un échantillon. Les frais sont à charge de l'exploitant ou du détenteur des substances en application de l'article 31, § 3;
  3° ils peuvent, sans préjudice de l'application de l'article 47bis du Code d'instruction criminelle et de l'article 2bis, § 2, de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive, interroger soit seuls, soit en présence de témoins, l'exploitant ou le chef d'entreprise, ses préposés ou mandataires, les travailleurs, y compris les travailleurs externes, ainsi que toutes les personnes dont ils estiment l'audition nécessaire, sur tout fait dont la connaissance est utile à l'exercice de la surveillance. Selon le cas, l'audition est consignée dans un rapport d'inspection ou dans un procès-verbal d'audition;
  4° ils peuvent prendre l'identité des personnes qui se trouvent sur les lieux soumis à leur contrôle et dont ils peuvent raisonnablement présumer qu'elles sont des exploitants, des chefs d'entreprise, des préposés ou mandataires, des travailleurs, y compris des travailleurs externes, ainsi que de toutes les personnes dont ils estiment l'audition nécessaire pour l'exercice de la surveillance. A cet effet, ils peuvent exiger de ces personnes la présentation de documents officiels d'identification. Ils peuvent en outre identifier ces personnes à l'aide de documents non officiels que celles-ci leur soumettent spontanément lorsque ces personnes ne sont pas en mesure de présenter des documents officiels d'identification ou lorsque les membres du personnel visés à l'article 9 doutent de leur authenticité ou de l'identité de ces personnes;
  5° ils peuvent se faire communiquer sur place tous les renseignements ou se faire produire, sur réquisition et sans déplacement, tous livres, registres, documents, disques, bandes magnétiques ou tout autre support d'information qu'ils jugent utiles à leurs recherches et en prendre des extraits, des duplicata, des impressions, des listages, des copies ou des photocopies ou se faire fournir ceux-ci sans frais, ou même saisir n'importe quel support d'information précité contre récépissé. Le support original des informations doit être conservé à l'Agence jusqu'à ce qu'un jugement ou un arrêt ayant acquis force de chose jugée ait été prononcé, jusqu'à ce que le dossier ait été classé sans suite ou jusqu'à ce que l'amende administrative, imposée conformément aux articles 53 à 62, ait été payée;
  6° ils peuvent rechercher et examiner tous les supports d'information utiles à leurs recherches qui se trouvent dans les établissements ou autres lieux qui sont soumis à leur contrôle;
  7° ils peuvent faire des constatations en faisant des photos, des impressions et des prises de vue par film ou par vidéo, à l'exclusion des constatations sous forme d'observations au sens de l'article 47sexies et suivants du Code d'instruction criminelle ou d'écoutes téléphoniques au sens de l'article 90ter et suivants du Code d'instruction criminelle.
  Ils peuvent également utiliser des images provenant de tiers, pour autant que ces personnes aient fait ou obtenu ces images de façon légitime.
  Les constatations faites par les membres du personnel visés à l'article 9 au moyen des images qu'ils ont réalisées doivent comporter les données suivantes :
  - l'identité de l'inspecteur nucléaire;
  - la disposition en vertu de laquelle l'inspecteur nucléaire est compétent pour agir;
  - le lieu et la date de l'infraction;
  - l'identité de l'auteur présumé et des personnes concernées;
  - la disposition violée;
  - un exposé succinct des faits en rapport avec les infractions commises;
  - le jour, la date, l'heure et la description exacte du lieu où les images ont été réalisées;
  - l'identification complète de l'équipement technique ayant permis de réaliser les images;
  - une description de ce qui est visible sur les images en question, ainsi que le lien avec l'infraction constatée;
  - lorsqu'il s'agit d'une prise de vues d'un détail, une indication sur l'image permettant de déterminer l'échelle;
  - lorsqu'il y a plusieurs reproductions ou plusieurs supports, une numérotation de ces reproductions ou de ces supports.
  Le support originel des images est conservé à l'Agence jusqu'à ce qu'un jugement ou un arrêt ayant acquis force de chose jugée ait été prononcé, jusqu'au classement sans suite du dossier ou jusqu'au paiement de l'amende administrative imposée en vertu des articles 53 à 62;
  8° ils peuvent demander ou rechercher et examiner directement, sans frais et sur simple requête tous les supports d'information utiles auprès du service qui exerce le contrôle physique au sein de l'établissement qui fait l'objet des recherches, auprès du service qui surveille ce contrôle ou auprès des entités visées à l'article 14bis, ainsi qu'auprès des vendeurs, fournisseurs, fabricants et importateurs de sources des rayonnements ionisants et auprès des experts qui exécutent des travaux dans les établissements;
  9° ils peuvent ordonner que les documents dont l'affichage est prévu par les législations dont ils exercent la surveillance, soient et restent effectivement affichés dans un délai qu'ils déterminent ou sans délai.
  § 2. La saisie de dossiers médicaux ne peut être ordonnée que par le juge d'instruction.
  § 3. Les membres du personnel visés à l'article 9 peuvent, en cas d'obstruction aux attributions visées au § 1er, dresser un procès-verbal pour obstacle à la surveillance.
  Ils peuvent requérir l'assistance des services de police, fédérale ou locale. "
Art. 6. In dezelfde wet wordt een artikel 10bis ingevoegd, luidende :
  " Art. 10bis. § 1. De in artikel 9 bedoelde personeelsleden waarborgen het vertrouwelijk karakter van de gegevens van vertrouwelijke aard of bedrijfsgeheimen waarvan ze kennis nemen in de uitoefening van hun opdracht en verzekeren zich ervan dat deze gegevens uitsluitend worden aangewend voor de uitoefening van hun toezichtsopdracht.
  De inlichtingen betreffende medische gegevens van persoonlijke aard mogen slechts worden meegedeeld of gebruikt met inachtneming van het medisch beroepsgeheim.
  Indien de in artikel 10, § 1, 5°, 6° en 7°, bedoelde informatiedragers persoonsgegevens bevatten die de gezondheid betreffen, dan gebeurt de toegang tot deze informatiedragers en de verwerking en bewaring van de erin vervatte inlichtingen door de in artikel 9 bedoelde personeelsleden die beschikken over een wettelijk diploma van doctor in de geneeskunde.
  § 2. De in artikel 9 bedoelde personeelsleden delen de nuttige inlichtingen die zij bij hun onderzoek hebben ingewonnen mee aan de personeelsleden belast met het toezicht op andere wetgevingen.
  De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voordracht van de minister van Binnenlandse Zaken alsook van de ministers verantwoordelijk voor de in het eerste lid bedoelde inspectiediensten, de nadere regels van de gegevens-uitwisseling.
  Evenwel mogen de inlichtingen die werden ingewonnen naar aanleiding van de uitoefening van taken voorgeschreven door de rechterlijke overheid slechts worden medegedeeld mits toestemming van deze laatste en mogen de akten, stukken, registers, documenten of inlichtingen betreffende gerechtelijke procedures enkel worden medegedeeld met de uitdrukkelijke toestemming van de procureur-generaal.
  § 3. Alle overheidsdiensten die afhangen van de federale regering moeten, en de overige overheidsdiensten, hierin inbegrepen de parketten en de griffies van de hoven en rechtbanken, gemeenschappen, gewesten, provincies en agglomeraties, federaties van gemeenten, gemeenten, verenigingen waarvan deze deel uitmaken, overheidsinstellingen die ervan afhangen, kunnen aan de nucleaire inspecteurs, op hun verzoek, alle inlichtingen verstrekken, alsook hun alle boeken, registers, documenten, schijven, magneetbanden of om het even welke andere informatiedragers ter kennisneming voorleggen en hun de uittreksels, duplicata, afdrukken, uitdraaien, kopieën of fotokopieën die de nucleaire inspecteurs nuttig achten bij het toezicht op de naleving van de wet en haar uitvoeringsbesluiten waarmee zij zijn belast, overhandigen.
  Alle voornoemde diensten met uitzondering van de diensten van de gemeenschappen en de gewesten, zijn gehouden die inlichtingen, uittreksels, afschriften, afdrukken, uitdraaien, kopies of fotokopieën kosteloos te verstrekken.
  De vaststellingen, akten, stukken, registers, documenten of inlichtingen ingewonnen voor of naar aanleiding van de uitvoering van de taken opgelegd door de bevoegde rechterlijke overheid mogen evenwel enkel worden medegedeeld met de uitdrukkelijke toestemming van deze laatste.
  Een samenwerkingsakkoord tussen de Staat, de gemeenschappen en de gewesten, gesloten met toepassing van artikel 92bis, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, regelt de mededeling van inlichtingen door de diensten van de gemeenschappen en de gewesten, alsmede andere vormen van wederzijdse bijstand en samenwerking.
  § 4. Elke beslissing over de strafvordering uit hoofde van een inbreuk op de wetgevingen waarop zij toezicht uitoefenen, zal op hun verzoek ter kennis worden gebracht van de in artikel 9 bedoelde personeelsleden die proces-verbaal hebben opgemaakt.
  De mededeling van deze beslissing aan de in artikel 9 bedoelde personeelsleden, gebeurt door toedoen, naargelang van het geval, van het orgaan van het openbaar ministerie dat deze heeft genomen, van de griffier van de rechtbank van eerste aanleg die of van het hof van beroep dat ze heeft uitgesproken.
  § 5. Het openbaar ministerie bij de hoven en rechtbanken waarbij een strafrechtelijke zaak aanhangig is en waarvan het onderzoek ernstige aanwijzingen aan het licht brengt inzake een inbreuk op de wet en haar uitvoeringsbesluiten, kan de directeur-generaal van het Agentschap hierover informeren. "
Art. 6. Dans la même loi, il est inséré un article 10bis, rédigé comme suit :
  " Art. 10bis. § 1er. Les membres du personnel visés à l'article 9 garantissent le caractère confidentiel des données confidentielles ou des secrets d'entreprise dont ils prennent connaissance dans l'exercice de leur mission et s'assurent que ces données ne seront utilisées que dans l'exercice de leur mission de surveillance.
  Les renseignements concernant des données médicales à caractère personnel ne peuvent être communiqués ou utilisés que dans le respect du secret médical.
  Lorsque les supports d'information visés à l'article 10, § 1er, 5°, 6° et 7°, contiennent des données personnelles qui concernent la santé, l'accès à ces supports d'information, ainsi que le traitement et l'enregistrement des renseignements qu'ils contiennent, se fait par des membres du personnel visés à l'article 9 qui disposent d'un diplôme légal de docteur en médecine.
  § 2. Les membres du personnel visés à l'article 9 communiquent les renseignements utiles recueillis lors de leur enquête aux membres du personnel chargés du contrôle d'autres législations.
  Le Roi détermine par un arrêté délibéré en Conseil des Ministres et sur proposition du ministre de l'Intérieur et des ministres responsables des services d'inspections visés à l'alinéa 1er, les modalités de l'échange d'informations.
  Toutefois, les renseignements recueillis à l'occasion de l'exécution de devoirs prescrits par l'autorité judiciaire ne peuvent être communiqués qu'avec l'autorisation de celle-ci et les actes, pièces, registres, documents ou renseignements relatifs aux procédures judiciaires ne peuvent être communiqués que moyennant l'autorisation expresse du procureur général.
  § 3. Tous les services de l'Etat qui dépendent du gouvernement fédéral doivent, et les autres services de l'Etat, y compris les parquets et les greffes des cours et tribunaux, des communautés, des régions, des provinces, des agglomérations, des fédérations de communes, des communes, des associations dont elles font partie, des institutions publiques qui en dépendent, peuvent fournir aux inspecteurs nucléaires et, à leur demande, tous les renseignements, ainsi que leur produire, pour en prendre connaissance, tous les livres, registres, documents, disques, bandes magnétiques ou n'importe quel autre support d'information et leur en fournir des extraits, des duplicata, des impressions, des listages, des copies ou photocopies que les inspecteurs nucléaires estiment utiles à la surveillance de la loi et de ses arrêtés d'exécution dont ils sont chargés.
  Tous les services précités, à l'exception des services des communautés et des régions, sont tenus de fournir sans frais ces renseignements, extraits, duplicata, impressions, listages, copies ou photocopies.
  Toutefois, les constatations, actes, pièces, registres, documents ou renseignements recueillis avant ou à l'occasion de l'exécution de devoirs prescrits par l'autorité judiciaire compétente ne peuvent être communiqués qu'avec l'autorisation expresse de celle-ci.
  Un accord de coopération conclu entre l'Etat, les communautés et les régions, en application de l'article 92bis, § 1er, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, règle la communication des renseignements par les services des communautés et des régions, ainsi les autres formes d'assistance réciproque et de collaboration.
  § 4. Toute décision sur l'action publique du chef d'infraction aux législations dont ils exercent la surveillance sera portée, à leur demande, à la connaissance des membres du personnel visés à l'article 9 qui ont dressé procès-verbal.
  La communication de cette décision aux membres du personnel visés à l'article 9 est faite à la diligence, selon le cas, de l'organe du ministère public qui l'a prise, du greffier du tribunal de première instance ou de la cour d'appel qui l'a prononcée.
  § 5. Le ministère public près les cours et tribunaux qui est saisi d'une affaire pénale dont l'examen fait apparaître des indices sérieux d'infraction à la loi et à ses arrêtés d'exécution, peut en informer le directeur général de l'Agence. "
Art. 7. In dezelfde wet wordt een artikel 10ter ingevoegd, luidende :
  " Art. 10ter. De in artikel 9 bedoelde personeelsleden mogen geen enkel rechtstreeks of onrechtstreeks belang hebben in de inrichtingen of ondernemingen waarop zij toezicht dienen uit te oefenen en waardoor hun objectiviteit in opspraak zou kunnen worden gebracht."
Art. 7. Dans la même loi, il est inséré un article 10ter, rédigé comme suit :
  " Art. 10ter. Les membres du personnel visés à l'article 9 ne peuvent avoir un intérêt quelconque, direct ou indirect, dans les entreprises ou institutions qu'ils sont chargés de contrôler, susceptible de compromettre leur objectivité. "
Art. 8. In dezelfde wet wordt een artikel 10quater ingevoegd, luidende :
  " Art. 10quater. § 1. Ten gevolge van de vaststelling van een inbreuk op de wet of haar uitvoeringsbesluiten of van de niet-naleving van de voorwaarden opgenomen in de in uitvoering van deze bepalingen verleende vergunningen, toelatingen en erkenningen, kunnen de in artikel 9 bedoelde personeelsleden bestuurlijke maatregelen opleggen aan de exploitant of het ondernemingshoofd.
  § 2. De bestuurlijke maatregelen kunnen de vorm aannemen van :
  1° een bevel aan de exploitant of het ondernemingshoofd om maatregelen te nemen om de inbreuk te beëindigen, de gevolgen ervan geheel of gedeeltelijk te herstellen of herhaling ervan te voorkomen;
  2° een bevel aan de exploitant of het ondernemingshoofd om activiteiten, werkzaamheden, of het gebruik van zaken te beëindigen, de gevolgen ervan geheel of gedeeltelijk te herstellen of herhaling ervan te voorkomen;
  3° een feitelijke handeling van de in artikel 9 bedoelde personeelsleden, op kosten van de exploitant of het ondernemingshoofd, om de inbreuk te beëindigen, de gevolgen ervan geheel of gedeeltelijk te herstellen of herhaling ervan te voorkomen;
  4° een combinatie van de in 1°, 2° en 3°, bedoelde maatregelen;
  In de in § 2, 1° en 2°, bedoelde gevallen wordt aan de beslissing tot oplegging van een bestuurlijke maatregel een uitvoeringstermijn verbonden.
  In de in § 2, 1° en 2°, bedoelde gevallen worden desgevallend de voorwaarden die moeten zijn vervuld om de bestuurlijke maatregel op te heffen, omschreven in de beslissing tot oplegging van de bestuurlijke maatregel.
  § 3. De bestuurlijke maatregelen kunnen onder meer het volgende inhouden :
  1° de stopzetting of uitvoering van werkzaamheden, handelingen of activiteiten;
  2° het verbod op het gebruik of de verzegeling van gebouwen, installaties, machines, toestellen, transportmiddelen, colli en radioactieve stoffen;
  3° de volledige of gedeeltelijke sluiting van een inrichting;
  4° de afvoer van voorwerpen, machines, toestellen, colli en radioactieve stoffen;
  5° de opslag van voorwerpen, machines, toestellen, colli en radioactieve stoffen op een gepaste plaats.
  § 4. Voor de uitvoering van de in § 2, 3°, bedoelde bestuurlijke maatregelen kunnen de in artikel 9 bedoelde personeelsleden de toezichtbevoegdheden zoals deze worden omschreven in artikel 10bis, § 1, aanwenden.
Art. 8. Dans la même loi, il est inséré un article 10quater, rédigé comme suit :
  " Art. 10quater. § 1er. A la suite de la constatation d'une infraction à la loi ou à ses arrêtés d'exécution ou du non-respect des conditions reprises dans les autorisations, permissions et agréments délivrés en exécution de ces dispositions, les membres du personnel visés à l'article 9 peuvent imposer des mesures administratives à l'exploitant ou au chef d'entreprise.
  § 2. Les mesures administratives peuvent prendre la forme :
  1° d'un ordre à l'exploitant ou au chef d'entreprise de prendre des mesures en vue de mettre fin à l'infraction, de réparer entièrement ou partiellement ses conséquences ou d'en prévenir la répétition;
  2° d'un ordre à l'exploitant ou au chef d'entreprise de cesser les activités, les travaux ou l'utilisation d'affaires, de réparer entièrement ou partiellement leurs conséquences ou d'en prévenir la répétition;
  3° d'un acte effectif posé par les membres du personnel visés à l'article 9, aux frais de l'exploitant ou du chef d'entreprise, en vue de mettre fin à l'infraction, de réparer entièrement ou partiellement leurs conséquences ou d'en prévenir la répétition;
  4° d'une combinaison des mesures visées aux points 1°, 2° et 3°;
  Dans les cas visés au § 2, 1° et 2°, la décision d'imposer une mesure administrative est assortie d'un délai de mise en oeuvre.
  Dans les cas visés au § 2, 1° et 2°, les conditions à remplir en vue de la levée de la mesure administrative sont, le cas échéant, décrites dans la décision d'imposer la mesure administrative.
  § 3. Les mesures administratives peuvent entre autres impliquer :
  1° l'arrêt ou l'exécution de travaux, d'actes ou d'activités;
  2° l'interdiction d'utilisation ou l'apposition de scellés sur des bâtiments, installations, machines, appareils, moyens de transport, colis et substances radioactives;
  3° la fermeture entière ou partielle d'un établissement;
  4° l'enlèvement d'objets, machines, appareils, colis et substances radioactives;
  5° le stockage d'objets, machines, appareils, colis et substances radioactives en un endroit adéquat.
  § 4. Pour l'exécution des mesures administratives visées au § 2, 3°, les membres du personnel visés à l'article 9 peuvent utiliser les compétences de contrôle décrites à l'article 10bis, § 1er.
Art. 9. In dezelfde wet wordt een artikel 10quinquies ingevoegd, luidende :
  " Art. 10quinquies. § 1. De bestuurlijke maatregelen worden schriftelijk opgelegd. De beslissing houdende de oplegging van een bestuurlijke maatregel wordt ter kennis gebracht van de exploitant of het ondernemingshoofd bij aangetekende brief met ontvangstbewijs of bij afgifte tegen ontvangstbewijs.
  De beslissing vermeldt minstens :
  1° de bepaling(en) die niet werd(en) nageleefd;
  2° een overzicht van de vaststellingen met betrekking tot de inbreuk;
  3° de identiteit van de in artikel 9 bedoelde personeelsleden;
  4° een omschrijving van de opgelegde bestuurlijke maatregel en de uitvoeringstermijn ervan;
  5° in voorkomend geval, de voorwaarden waaronder de bestuurlijke maatregel die wordt omschreven in artikel 10quater, § 2, 1° en 2°, uitdooft;
  6° de mogelijkheid om bij de minister onder wie het Agentschap ressorteert beroep in te stellen tegen de beslissing tot oplegging van de bestuurlijke maatregel, en de geldende vormen en termijn.
  De bestuurlijke maatregelen worden, behoudens in dringende gevallen, opgelegd nadat de exploitant of het ondernemingshoofd werd gehoord.
  § 2. De in artikel 10quater, § 2, 1° en 2°, bedoelde bestuurlijke maatregelen kunnen, ambtshalve of op verzoek van de exploitant of het ondernemingshoofd, worden opgeheven hetzij wanneer de in de beslissing omschreven voorwaarden zijn vervuld hetzij wanneer uitzonderlijke omstandigheden zich voordoen of de situatie evolueert.
  § 3. De exploitant of het ondernemingshoofd aan wie een in artikel 10quater, § 2, 1° of 2°, bedoelde bestuurlijke maatregel is opgelegd, kan de opheffing van die bestuurlijke maatregel vragen aan het in artikel 9 bedoelde personeelslid dat de maatregel heeft opgelegd.
  Het in artikel 9 bedoelde personeelslid dat de maatregel heeft opgelegd, beslist binnen een termijn van vijftien dagen na de kennisgeving van het verzoek ingediend bij aangetekende brief met ontvangstbewijs of bij afgifte tegen ontvangstbewijs.
  De beslissing wordt ter kennis gebracht van de exploitant of het ondernemingshoofd binnen een termijn van tien dagen die ingaat de dag volgend op de dag waarop de beslissing werd genomen. "
Art. 9. Dans la même loi, il est inséré un article 10quinquies rédigé comme suit :
  " Art. 10quinquies. § 1er. Les mesures administratives sont imposées par voie écrite. La décision imposant une mesure administrative est notifiée à l'exploitant ou au chef d'entreprise soit par lettre recommandée avec accusé de réception, soit par remise contre récépissé.
  La décision mentionne au moins :
  1° la(les) disposition(s) qui n'a(ont) pas été respectée(s);
  2° un aperçu des constatations relatives à l'infraction;
  3° l'identité des membres du personnel visés à l'article 9;
  4° une description des mesures administratives imposées et leur délai de mise en oeuvre;
  5° le cas échéant, les conditions auxquelles la mesure administrative décrite à l'article 10quater, § 2, 1° et 2°, s'éteint;
  6° la possibilité d'introduire auprès du ministre dont relève l'Agence un recours contre la décision imposant une mesure administrative, ainsi que les formes et le délai à respecter.
  Sauf dans des cas d'urgence, les mesures administratives sont imposées après avoir entendu l'exploitant ou le chef d'entreprise.
  § 2. Les mesures administratives visées à l'article 10quater, § 2, 1° et 2°, peuvent être levées d'office ou à la demande de l'exploitant ou du chef d'entreprise, lorsque les conditions décrites dans la décision sont remplies ou en cas de circonstances exceptionnelles ou lorsque la situation évolue.
  § 3. L'exploitant ou le chef d'entreprise à qui une mesure administrative visée à l'article 10quater, § 2, 1° ou 2°, est imposée peut demander la levée de cette mesure administrative au membre du personnel visé à l'article 9 qui a imposé la mesure.
  Le membre du personnel visé à l'article 9 qui a imposé la mesure statue dans un délai de quinze jours suivant la notification de la demande introduite soit par lettre recommandée avec accusé de réception, soit par remise contre récépissé.
  La décision est communiquée à l'exploitant ou au chef d'entreprise dans un délai de dix jours prenant cours le lendemain du jour où la décision a été prise. "
Art. 10. In dezelfde wet wordt een artikel 10sexies ingevoegd, luidende :
  " Art.10sexies. § 1. Samen met de in artikel 10quater, § 2, 1° en 2°, bedoelde bestuurlijke maatregelen kan een bestuurlijke dwangsom worden opgelegd, voor het geval het regularisatie- of stakingsbevel niet of niet volledig wordt uitgevoerd.
  In de beslissing tot oplegging van een in artikel 10quater, § 2, 1° en 2°, bedoelde bestuurlijke maatregel worden de hoogte van het bedrag van de dwangsom en de nadere regels bepaald.
  § 2. De dwangsom kan worden vastgesteld hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid of per overtreding. In de laatste twee gevallen kan eveneens een bedrag worden bepaald waarboven geen dwangsom meer verbeurd wordt.
  § 3. Op verzoek van de exploitant of het ondernemingshoofd kan de dwangsom worden opgeheven, kan de looptijd ervan worden geschorst voor een bepaalde termijn of kan het bedrag van de dwangsom worden verminderd, in geval van blijvende of tijdelijke gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de exploitant of het ondernemingshoofd om aan zijn verplichtingen te voldoen.
  De opheffing van de bestuurlijke maatregel brengt automatisch de opheffing van de bestuurlijke dwangsom met zich mee.
  § 4. De dwangsom is van rechtswege opeisbaar als de uitvoeringstermijn van het regularisatie- of stakingsbevel is verstreken.
  De dwangsom verjaart na verloop van een termijn van zes maanden na de dag waarop ze is verbeurd.
  De bestuurlijke dwangsommen worden geïnd en ingevorderd overeenkomstig artikel 30bis, §§ 4 en 5, ten voordele van het Agentschap. "
Art. 10. Dans la même loi, il est inséré un article 10sexies, rédigé comme suit :
  " Art.10sexies. § 1er. Les mesures administratives visées à l'article 10quater, § 2, 1° et 2°, peuvent être assorties d'une astreinte administrative dans le cas où l'ordre de cessation ou de régularisation n'est pas exécuté ou pas pleinement exécuté.
  La décision imposant une mesure administrative visée à l'article 10quater, § 2, 1° et 2°, détermine le niveau du montant de l'astreinte et les modalités.
  § 2. L'astreinte peut être fixée soit à une somme unique, soit à une somme déterminée par unité de temps ou par contravention. Dans ces deux derniers cas, un montant au-delà duquel la condamnation aux astreintes cessera ses effets peut également être déterminé.
  § 3. L'astreinte peut être levée, son cours peut être suspendu durant un délai déterminé ou le montant de l'astreinte peut être réduit à la demande de l'exploitant ou du chef d'entreprise, si celui-ci est dans l'impossibilité définitive ou temporaire, totale ou partielle de satisfaire à ses obligations.
  La levée de la mesure administrative entraîne automatiquement la levée de l'astreinte administrative.
  § 4. L'astreinte est exigible de plein droit à l'expiration du délai d'exécution de l'ordre de cessation ou de régularisation.
  L'astreinte se prescrit par l'expiration d'un délai de six mois à partir de la date où elle est encourue.
  Les astreintes administratives sont perçues et recouvrées conformément à l'article 30bis, §§ 4 et 5, au profit de l'Agence. "
Art. 11. In dezelfde wet wordt een artikel 10septies ingevoegd, luidende :
  " Art. 10septies. § 1. De in artikel 9 bedoelde personeelsleden kunnen alle passende maatregelen, organisatorische maatregelen inbegrepen, treffen of opleggen die zij noodzakelijk achten voor de gezondheid en veiligheid van de werknemers en de bevolking en voor de bescherming van het leefmilieu op het vlak van de ioniserende stralingen, en dit zowel om gevaren te voorkomen als om de gebreken of vormen van hinder die zij vaststellen en als een gevaar beschouwen, te bestrijden of weg te werken.
  § 2. De veiligheidsmaatregelen worden schriftelijk opgelegd. De beslissing tot oplegging van een veiligheidsmaatregel wordt ter kennis gebracht van de verantwoordelijke persoon bij aangetekende brief met ontvangstbewijs of bij afgifte tegen ontvangstbewijs.
  De beslissing vermeldt minstens :
  1° een omschrijving van het gevaar voor de gezondheid en de veiligheid van de werknemers, de bevolking en het leefmilieu;
  2° een omschrijving van de veiligheidsmaatregel en de eventuele uitvoeringstermijn;
  3° de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen de beslissing tot oplegging van de veiligheidsmaatregel bij de minister onder wie het Agentschap ressorteert en de geldende vormen en termijn.
  Als een onmiddellijk optreden is vereist, kan een veiligheidsmaatregel ook mondeling worden opgelegd aan de verantwoordelijke persoon. Indien de verantwoordelijke persoon niet aanwezig is, wordt ter plaatse op een zichtbare plaats een schriftelijk bericht achtergelaten. De mondeling opgelegde veiligheidsmaatregel dient schriftelijk te worden bevestigd binnen vijf dagen.
  § 3. In geval de verantwoordelijke persoon geen uitvoering geeft of kan geven aan de opgelegde veiligheidsmaatregelen, kunnen de in artikel 9 bedoelde personeelsleden, op kosten van de verantwoordelijke persoon, bevelen de radioactieve stoffen die het voorwerp ervan uitmaken af te voeren en te behandelen als radioactief afval.
  De Koning stelt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de nadere regels vast volgens dewelke de kosten die voortvloeien uit de uitvoering van de in het eerste lid bedoelde beslissing zijn gedekt.
  § 4. De veiligheidsmaatregelen kunnen, ambtshalve of op verzoek van de betrokkene, worden opgeheven als het gevaar in kwestie is vermeden, bestreden of weggewerkt.
  De betrokkene aan wie een veiligheidsmaatregel is opgelegd, kan de opheffing van die maatregel vragen aan de nucleaire inspecteur die de maatregel heeft opgelegd.
  Het in artikel 9 bedoelde personeelslid dat de maatregel heeft opgelegd, beslist binnen een termijn van vijftien dagen volgend op de kennisgeving van het verzoek ingediend bij aangetekende brief met ontvangstbewijs of bij afgifte tegen ontvangstbewijs.
  De beslissing wordt ter kennis gebracht van de betrokkene binnen een termijn van tien dagen die ingaat de dag na de dag waarop de beslissing werd genomen. "
Art. 11. Dans la même loi, il est inséré un article 10septies, rédigé comme suit :
  " Art. 10septies. § 1er. Les membres du personnel visés à l'article 9 peuvent prendre ou imposer toutes les mesures adéquates, y compris d'ordre organisationnel, qu'ils estiment nécessaires pour la santé et la sécurité des travailleurs et de la population et pour la protection de l'environnement au niveau des radiations ionisantes, tant en vue de prévenir les dangers, qu'en vue de combattre ou d'éliminer les défectuosités ou les nuisances qu'ils constatent et qu'ils considèrent comme un danger.
  § 2. Les mesures de sécurité sont imposées par écrit. La décision imposant une mesure de sécurité est notifié à la personne responsable soit par lettre recommandée avec accusé de réception, soit par remise contre récépissé.
  La décision mentionne au moins :
  1° une description du danger pour la santé et la sécurité des travailleurs, de la population et de l'environnement;
  2° une description de la mesure de sécurité et de l'éventuel délai de mise en oeuvre;
  3° la possibilité d'introduire auprès du ministre dont relève l'Agence un recours contre la décision imposant une mesure de sécurité, ainsi que les formes et le délai à respecter.
  Lorsqu'une intervention immédiate est requise, une mesure de sécurité peut également être imposée oralement à la personne responsable. Si la personne responsable n'est pas présente, un avis écrit est apposé sur place à un endroit visible. La mesure de sécurité imposée oralement doit être confirmée par écrit dans les cinq jours.
  § 3. Si la personne responsable ne met pas ou ne peut pas mettre en oeuvre les mesures de sécurité imposées, les membres du personnel visés à l'article 9 peuvent ordonner, aux frais de la personne responsable, l'évacuation des substances radioactives qui en font l'objet, ainsi que leur gestion en tant que déchets radioactifs.
  Le Roi fixe par arrêté délibéré en Conseil des Ministres les modalités suivant lesquelles les frais résultant de l'exécution de la décision visée dans l'alinéa 1er sont couverts.
  § 4. Les mesures de sécurité peuvent être levées d'office ou à la demande de l'intéressé si le danger en question a été évité, combattu ou éliminé.
  L'intéressé à qui une mesure de sécurité a été imposée peut demander la levée de cette mesure à l'inspecteur nucléaire qui a imposé la mesure.
  Le membre du personnel visé à l'article 9 qui a imposé la mesure statue dans un délai de quinze jours suivant la notification de la demande introduite soit par lettre recommandée avec accusé de réception, soit par remise contre récépissé.
  La décision est communiquée à l'intéressé dans un délai de dix jours prenant cours le jour suivant l'adoption de la décision. "
Art. 12. Artikel 11 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 2 april 2003, wordt vervangen door wat volgt :
  " Art. 11. § 1. De verantwoordelijke persoon kan tegen de beslissing tot oplegging van een bestuurlijke maatregel, in voorkomend geval met een bestuurlijke dwangsom, tegen de beslissing houdende weigering tot opheffing van een bestuurlijke maatregel, tegen de beslissing tot oplegging van een veiligheidsmaatregel en tegen de beslissing houdende weigering tot opheffing van een veiligheidsmaatregel beroep instellen bij de minister onder wie het Agentschap ressorteert.
  § 2. Het beroep wordt, op straffe van onontvankelijkheid, ingesteld binnen een termijn van vijftien kalenderdagen vanaf de kennisgeving van de beslissing die het voorwerp van het beroep uitmaakt. Het beroep wordt ingesteld bij aangetekende brief, gericht aan de minister onder wie het Agentschap ressorteert.
  § 3. Het beroep schorst de uitvoering van de bestreden beslissing niet.
  § 4. Binnen een termijn van maximaal drie maanden na de instelling van het beroep wordt uitspraak gedaan. Indien de minister geen beslissing heeft genomen binnen een termijn van maximaal drie maanden na de instelling van het beroep, wordt het beroep geacht gegrond te zijn. In dat geval zijn de maatregelen waartegen beroep werd ingesteld, van rechtswege opgeheven.
  § 5. De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en op voordracht van de minister van Binnenlandse Zaken de procedureregels die van toepassing zijn op het in deze bepaling bedoelde beroep. "
Art. 12. L'article 11 de la même loi, remplacé par la loi du 2 avril 2003, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 11. § 1er. La personne responsable peut introduire un recours auprès du ministre dont relève l'Agence contre la décision imposant une mesure administrative assortie, le cas échéant, d'une astreinte administrative, contre la décision refusant la levée d'une mesure administrative, contre la décision imposant une mesure de sécurité et contre la décision refusant la levée d'une mesure de sécurité.
  § 2. Sous peine d'irrecevabilité, le recours est introduit dans un délai de quinze jours calendrier à compter de la notification de la décision faisant l'objet du recours. Le recours est introduit par lettre recommandée et adressé au ministre dont relève l'Agence.
  § 3. Le recours ne suspend pas l'exécution de la décision contestée.
  § 4. Il est statué dans un délai de maximum trois mois après l'introduction du recours. Si le ministre n'a pas pris de décision dans un délai de maximum trois mois suivant l'introduction du recours, le recours est réputé fondé. Dans ce cas, les mesures faisant l'objet du recours sont levées de plein droit.
  § 5. Le Roi détermine par un arrêté délibéré en Conseil des Ministres et sur proposition du ministre de l'Intérieur les règles de procédure applicables au recours visé dans la présente disposition. "
Art. 13. Artikel 19 van dezelfde wet wordt aangevuld met een lid, luidende :
  " Het Agentschap deelt aan de minister bevoegd voor de Volksgezondheid een kopie mee van de in het eerste lid bedoelde goedkeuringen, erkenningen en vergunningen. "
Art. 13. L'article 19 de la même loi est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  " L'Agence communique au ministre qui a la Santé publique dans ses attributions une copie des agréments et autorisations visés à l'alinéa 1er. "
Art. 14. Artikel 44, tweede lid, van dezelfde wet wordt aangevuld met een 3°, luidende :
  " 3° een eventuele bijkomende premie voor de leden van het statutair personeel ter beschikking gesteld van het Agentschap krachtens het artikel 46bis. "
Art. 14. L'article 44, alinéa 2, de la même loi est complété par le 3°, rédigé comme suit :
  " 3° une prime complémentaire éventuelle pour les membres du personnel statutaire mis à la disposition de l'Agence en vertu de l'article 46bis. "
Art. 15. Artikel 45, § 1, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 12 december 1997, wordt aangevuld met een lid, luidende :
  " De overgeplaatste personeelsleden die de hoedanigheid hebben van officier van gerechtelijke politie verliezen deze hoedanigheid van rechtswege bij hun overplaatsing naar het Agentschap. "
Art. 15. L'article 45, § 1er, de la même loi, remplacé par la loi du 12 décembre 1997, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  " Les membres du personnel transférés revêtus de la qualité d'officier de police judiciaire perdent d'office cette qualité lors de leur transfert à l'Agence. "
Art. 16. Artikel 46 van dezelfde wet wordt opgeheven.
Art. 16. L'article 46 de la même loi est abrogé.
Art. 17. Artikel 46bis, § 5, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 3 mei 1999, wordt vervangen door wat volgt :
  " § 5. De ter beschikking gestelde personeelsleden van de Federale Overheidsdienst Justitie die de hoedanigheid hebben van officier van gerechtelijke politie behouden deze hoedanigheid uiterlijk tot 1 januari 2015.
  In afwijking van artikel 9, kunnen de personeelsleden van de andere overheidsdiensten bedoeld in artikel 45, § 1, tijdens de terbeschikkingstelling door de Koning bekleed worden met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie. Zij behouden deze hoedanigheid uiterlijk tot 1 januari 2015.
  De Koning kan voor het verlies van de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie een datum vooropstellen voorafgaand aan deze vermeld in het eerste en tweede lid. "
Art. 17. L'article 46bis, § 5, de la même loi, inséré par la loi du 3 mai 1999, est remplacé par ce qui suit :
  " § 5. Les membres du personnel du Service public fédéral Justice mis à disposition et revêtus de la qualité d'officier de police judiciaire conservent cette qualité jusqu'au 1er janvier 2015 au plus tard.
  Par dérogation à l'article 9, les membres du personnel des autres services publics visés à l'article 45, § 1er, peuvent, au cours de leur mise à disposition, être revêtus de la qualité d'officier de police judiciaire par le Roi. Ils conservent cette qualité jusqu'au 1er janvier 2015 au plus tard.
  Pour la perte de la qualité d'officier de police judiciaire, le Roi peut fixer une date antérieure à celle mentionnée aux alinéas 1er et 2. "
Art. 18. In artikel 54, eerste lid, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 20 juli 2005, worden de woorden "een officier van gerechtelijke politie" vervangen door de woorden "de in artikel 9 bedoelde personeelsleden".
Art. 18. Dans l'article 54, alinéa 1er, de la même loi, remplacé par la loi du 20 juillet 2005, les mots "un officier de police judiciaire" sont remplacés par les mots "les membres du personnel visés à l'article 9".
Art. 19. In artikel 62, § 1, vierde lid, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 20 juli 2005, worden de woorden "de officieren van gerechtelijke politie die deel uitmaken van het Agentschap," vervangen door de woorden "de in artikel 9 bedoelde personeelsleden".
Art. 19. Dans l'article 62, § 1er, alinéa 4, de la même loi, remplacé par la loi du 20 juillet 2005, les mots "les officiers de police judiciaire membres de l'Agence" sont remplacés par les mots "les membres du personnel visés à l'article 9".
HOOFDSTUK 3. - Wijziging van de wet van 20 juli 1978 houdende geëigende beschikkingen teneinde de Internationale Organisatie voor Atoomenergie toe te laten inspectie- en verificatiewerkzaamheden door te voeren op Belgisch grondgebied, in uitvoering van het Internationaal Akkoord van 5 april 1973 bij toepassing der §§ 1 en 4 van artikel III van het Verdrag van 1 juli 1968 inzake de niet-verspreiding van kernwapens
CHAPITRE 3. - Modification de la loi du 20 juillet 1978 établissant des dispositions propres à permettre à l'Agence internationale de l'Energie atomique d'effectuer des activités d'inspection et de vérification sur le territoire belge, en exécution de l'Accord international du 5 avril 1973 pris en application des §§ 1er et 4 de l'article III du Traité du 1er juillet 1968 sur la non-prolifération des armes nucléaires
Art. 20. Artikel 10, tweede lid, van de wet van 20 juli 1978 houdende geëigende beschikkingen teneinde de Internationale Organisatie voor Atoomenergie toe te laten inspectie- en verificatiewerkzaamheden door te voeren op Belgisch grondgebied, in uitvoering van het Internationaal Akkoord van 5 april 1973 bij toepassing der §§ 1 en 4 van artikel III van het Verdrag van 1 juli 1968 inzake de niet-verspreiding van kernwapens, vervangen bij de wet van 15 april 1994, wordt vervangen door wat volgt :
  " De nucleaire inspecteurs van het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle opgericht door de wet van 15 april 1994, hebben het recht om de inspecteurs te vergezellen tijdens de in deze wet bedoelde inspectieopdrachten. "
Art. 20. L'article 10, alinéa 2, de la loi du 20 juillet 1978 établissant des dispositions propres à permettre à l'Agence internationale de l'Energie atomique d'effectuer des activités d'inspection et de vérification sur le territoire belge, en exécution de l'Accord international du 5 avril 1973 pris en application des §§ 1er et 4 de l'article III du Traité du 1er juillet 1968 sur la non-prolifération des armes nucléaires, remplacé par la loi du 15 avril 1994, est remplacé par ce qui suit :
  " Les inspecteurs nucléaires de l'Agence fédérale de Contrôle nucléaire, créée par la loi du 15 avril 1994, ont le droit d'accompagner les inspecteurs pendant les activités d'inspection visées dans la présente loi. "
HOOFDSTUK 4. - Opheffingsbepalingen
CHAPITRE 4. - Dispositions abrogatoires
Art. 21. Het koninklijk besluit van 20 juli 2001 betreffende de bevoegdheden en de aanduiding van de leden van de controledienst van het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle belast met het toezicht op de naleving van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle, wordt opgeheven.
Art. 21. L'arrêté royal du 20 juillet 2001 portant sur les attributions et la désignation des membres du service de contrôle de l'Agence fédérale de Contrôle nucléaire chargés de veiller à l'application de la loi du 15 avril 1994 relative à la protection de la population et de l'environnement contre les dangers résultant des rayonnements ionisants et relative à l'Agence fédérale de Contrôle nucléaire est abrogé.
Art. 22. In artikel 79.3. van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen wordt het eerste lid opgeheven.
Art. 22. Dans l'article 79.3. de l'arrêté royal du 20 juillet 2001 portant règlement général de la protection de la population, des travailleurs et de l'environnement contre le danger des rayonnements ionisants, l'alinéa 1er est abrogé.