Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder :
1° [2 de leidend ambtenaar: de persoon die aan het hoofd staat van het departement Kanselarij en Buitenlandse Zaken;]2
2° [1 het besluit van 9 december 2016: het besluit van de Vlaamse Regering van 9 december 2016 betreffende de subsidiëring van stages bij multilaterale organisaties]1;
3° het besluit van 7 december 2012 : het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2012 tot uitvoering van het kaderdecreet van 22 juni 2007 inzake ontwikkelingssamenwerking.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
3 APRIL 2014. - Ministerieel besluit tot delegatie van bepaalde bevoegdheden aan de leidend ambtenaar van het [departement Kanselarij en Buitenlandse Zaken] <MB2020-09-24/14, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 01-09-2020> (NOTA : opchrift gewijzigd bij MB2018-04-30/09, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 01-05-2018) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-04-2014 en tekstbijwerking tot 05-05-2025)
Titre
3 AVRIL 2014. - Arrêté ministériel déléguant certaines compétences au fonctionnaire dirigeant du [Département des Affaires étrangères](NOTE : Intitulé modifié par AGF2018-04-30/09, art. 1 , 003; En vigueur : 01-05-2018) (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 23-04-2014 et mise à jour au 05-05-2025)
Dokumentinformationen
Info du document
Inhoud
Inhoud
CHAPITRE 1er. - Définition
CHAPITRE 2. - Délégation de compétences
Section 1re. - Subventions dans le cadre de la ...
Section 2. - Contrôle sur le commerce des biens...
Section 3. - Obligation d'audition dans le cadr...
CHAPITRE 3. - Règlement en cas de remplacement ...
CHAPITRE 4. - Disposition finale
Tekst (14)
Texte (14)
HOOFDSTUK 1. - Definitie
CHAPITRE 1er. - Définition
Article 1er. Dans le présent arrêté, on entend par :
1° [1 le fonctionnaire dirigeant : la personne qui est à la tête du Département des Affaires étrangères]1 ;
2° [1 l'arrêté du 9 décembre 2016 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 décembre 2016 relatif au subventionnement de stages auprès des organisations internationales]1 ;
3° l'arrêté du 7 décembre 2012 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 décembre 2012 portant exécution du décret-cadre du 22 juin 2007 relatif à la coopération au développement.
1° [1 le fonctionnaire dirigeant : la personne qui est à la tête du Département des Affaires étrangères]1 ;
2° [1 l'arrêté du 9 décembre 2016 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 décembre 2016 relatif au subventionnement de stages auprès des organisations internationales]1 ;
3° l'arrêté du 7 décembre 2012 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 décembre 2012 portant exécution du décret-cadre du 22 juin 2007 relatif à la coopération au développement.
Änderungen
HOOFDSTUK 2. - Delegatie van bevoegdheden
CHAPITRE 2. - Délégation de compétences
Afdeling 1. - Subsidies in het kader van de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking of het Vlaamse buitenlands beleid
Section 1re. - Subventions dans le cadre de la coopération au développement flamande ou de la politique extérieure flamande
Art. 2. § 1. Aan de leidend ambtenaar wordt delegatie verleend om :
1° namens de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest projectovereenkomsten te ondertekenen ter begeleiding van door de Vlaamse Regering, de Vlaamse minister, bevoegd voor de internationale samenwerking, of de Vlaamse minister, bevoegd voor het buitenlands beleid en de Europese aangelegenheden, goedgekeurde subsidies in het kader van de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking of het Vlaamse buitenlands beleid;
2° subsidies toe te kennen aan kandidaten die voldoen aan de voorwaarden uit het [1 besluit van 9 december 2016]1;
3° met toepassing van artikel 7, § 2, van [1 besluit van 9 december 2016]1, jaarlijks de gedetailleerde lijst van maandbedragen per bestemming voor de kosten van levensonderhoud en huisvesting vast te stellen;
4° de modellen, vermeld in artikel 11 van [1 besluit van 9 december 2016]1, vast te stellen.
5° in het kader van het beleid inzake gemeentelijke ontwikkelingssamenwerking de bevoegdheden van de Vlaamse minister, bevoegd voor de internationale samenwerking, vermeld in artikel 12, § 4, en 13 van het besluit van 7 december 2012, uit te oefenen;
6° de wijzigingen in aard, opzet of uitvoering tijdens de looptijd van een project inzake ontwikkelingseducatie, vermeld in artikel 19 van het besluit van 7 december 2012, goed te keuren;
7° de eindverantwoording van een project inzake ontwikkelingseducatie, vermeld in artikel 22, tweede lid, van het besluit van 7 december 2012, goed te keuren;
8° de betrokkenen te horen wanneer, met toepassing van artikel 24/3, § 3, tweede lid, van het besluit van 7 december 2012, de erkenning van een Vlaams ontwikkelingsfonds wordt ingetrokken of geschorst;
9° de formulieren, vermeld in artikel 14 en 24 van het besluit van 7 december 2012, vast te stellen en deze op eenvoudig verzoek ter beschikking te stellen;
10° de eindverantwoording en de eventuele wijzigingen in aard, opzet of uitvoering goed te keuren van algemene werkingssubsidies, projectsubsidies of investeringssubsidies die de Vlaamse minister, bevoegd voor de internationale samenwerking, de Vlaamse minister, bevoegd voor het buitenlands beleid en de Europese aangelegenheden, of de Vlaamse Regering toekende in het kader van de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking of het Vlaamse buitenlands beleid;
11° subsidies, als vermeld in 2°, 6° en 10°, terug te vorderen als blijkt dat niet aan de subsidievoorwaarden is voldaan, nadat de betrokkenen de kans werd geboden om te worden gehoord.
§ 2. [2 Over het gebruik van deze bevoegdheid wordt jaarlijks gerapporteerd in het kader van het jaarrapport over het ondernemingsplan van het [3 departement Kanselarij en Buitenlandse Zaken]3.
Deze rapportering bevat alle noodzakelijke informatie over de subsidies die met toepassing van paragraaf 1, 2°, in de periode in kwestie zijn verleend]2.
1° namens de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest projectovereenkomsten te ondertekenen ter begeleiding van door de Vlaamse Regering, de Vlaamse minister, bevoegd voor de internationale samenwerking, of de Vlaamse minister, bevoegd voor het buitenlands beleid en de Europese aangelegenheden, goedgekeurde subsidies in het kader van de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking of het Vlaamse buitenlands beleid;
2° subsidies toe te kennen aan kandidaten die voldoen aan de voorwaarden uit het [1 besluit van 9 december 2016]1;
3° met toepassing van artikel 7, § 2, van [1 besluit van 9 december 2016]1, jaarlijks de gedetailleerde lijst van maandbedragen per bestemming voor de kosten van levensonderhoud en huisvesting vast te stellen;
4° de modellen, vermeld in artikel 11 van [1 besluit van 9 december 2016]1, vast te stellen.
5° in het kader van het beleid inzake gemeentelijke ontwikkelingssamenwerking de bevoegdheden van de Vlaamse minister, bevoegd voor de internationale samenwerking, vermeld in artikel 12, § 4, en 13 van het besluit van 7 december 2012, uit te oefenen;
6° de wijzigingen in aard, opzet of uitvoering tijdens de looptijd van een project inzake ontwikkelingseducatie, vermeld in artikel 19 van het besluit van 7 december 2012, goed te keuren;
7° de eindverantwoording van een project inzake ontwikkelingseducatie, vermeld in artikel 22, tweede lid, van het besluit van 7 december 2012, goed te keuren;
8° de betrokkenen te horen wanneer, met toepassing van artikel 24/3, § 3, tweede lid, van het besluit van 7 december 2012, de erkenning van een Vlaams ontwikkelingsfonds wordt ingetrokken of geschorst;
9° de formulieren, vermeld in artikel 14 en 24 van het besluit van 7 december 2012, vast te stellen en deze op eenvoudig verzoek ter beschikking te stellen;
10° de eindverantwoording en de eventuele wijzigingen in aard, opzet of uitvoering goed te keuren van algemene werkingssubsidies, projectsubsidies of investeringssubsidies die de Vlaamse minister, bevoegd voor de internationale samenwerking, de Vlaamse minister, bevoegd voor het buitenlands beleid en de Europese aangelegenheden, of de Vlaamse Regering toekende in het kader van de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking of het Vlaamse buitenlands beleid;
11° subsidies, als vermeld in 2°, 6° en 10°, terug te vorderen als blijkt dat niet aan de subsidievoorwaarden is voldaan, nadat de betrokkenen de kans werd geboden om te worden gehoord.
§ 2. [2 Over het gebruik van deze bevoegdheid wordt jaarlijks gerapporteerd in het kader van het jaarrapport over het ondernemingsplan van het [3 departement Kanselarij en Buitenlandse Zaken]3.
Deze rapportering bevat alle noodzakelijke informatie over de subsidies die met toepassing van paragraaf 1, 2°, in de periode in kwestie zijn verleend]2.
Art. 2. § 1er. La délégation est conférée au fonctionnaire dirigeant pour :
1° signer des conventions de projet au nom de la Communauté flamande et de la Région flamande, visant à encadrer des subventions, approuvées par le Gouvernement flamand, le Ministre flamand ayant la coopération internationale dans ses attributions ou le Ministre flamand ayant la politique extérieure et les affaires européennes dans ses attributions, dans le cadre de la coopération au développement flamande ou de la politique extérieure flamande ;
2° octroyer des subventions aux candidats qui répondent aux conditions de l'[1 arrêté du 9 décembre 2016]1 ;
3° fixer annuellement la liste détaillée des montants mensuels par destination pour les frais de subsistance et de logement, en application de l'article 7, § 2, de l'[1 arrêté du 9 décembre 2016]1 ;
4° fixer les modèles, visés à l'article 11 de l' [1 arrêté du 9 décembre 2016]1 ;
5° exercer, dans le cadre de la politique en matière de coopération communale au développement, les compétences du Ministre flamand ayant la coopération internationale dans ses attributions, visées à l'article 12, § 4, et 13 de l'arrêté du 7 décembre 2012 ;
6° approuver les modifications quant à la nature, l'objectif ou l'exécution pendant la durée d'un projet en matière d'éducation au développement, visées à l'article 19 de l'arrêté du 7 décembre 2012 ;
7° approuver la justification finale d'un projet en matière d'éducation au développement, visée à l'article 22, alinéa deux, de l'arrêté du 7 décembre 2012 ;
8° entendre les intéressés lorsque, en application de l'article 24/3, § 3, alinéa deux, de l'arrêté du 7 décembre 2012, l'agrément d'un fonds flamand de développement est retiré ou suspendu ;
9° fixer les formulaires, visés aux articles 14 et 24 de l'arrêté du 7 décembre 2012, et les mettre à disposition sur simple demande ;
10° approuver la justification finale et les modifications éventuelles quant à la nature, l'objectif ou l'exécution de subventions de fonctionnement, de subventions de projet ou de subventions d'investissement générales qui ont été octroyées par le Ministre flamand ayant la coopération internationale dans ses attributions, le Ministre flamand ayant la politique extérieure et les affaires européennes dans ses attributions ou le Gouvernement flamand, dans le cadre de la coopération au développement flamande ou de la politique extérieure flamande ;
11° réclamer les subventions, telles que visées à 2°, 6° et 10°, lorsqu'il paraît qu'il n'a pas été répondu à toutes les conditions de subventionnement, après avoir offert aux intéressés la possibilité d'être entendu ;
§ 2. [2 Un rapport annuel est établi sur l'utilisation de cette compétence dans le cadre du rapport annuel sur le plan d'entreprise du Département des Affaires étrangères.
Ce rapport comprend toutes les informations nécessaires sur les subventions octroyées en application du paragraphe 1er, 2°, au cours de la période en question]2.
1° signer des conventions de projet au nom de la Communauté flamande et de la Région flamande, visant à encadrer des subventions, approuvées par le Gouvernement flamand, le Ministre flamand ayant la coopération internationale dans ses attributions ou le Ministre flamand ayant la politique extérieure et les affaires européennes dans ses attributions, dans le cadre de la coopération au développement flamande ou de la politique extérieure flamande ;
2° octroyer des subventions aux candidats qui répondent aux conditions de l'[1 arrêté du 9 décembre 2016]1 ;
3° fixer annuellement la liste détaillée des montants mensuels par destination pour les frais de subsistance et de logement, en application de l'article 7, § 2, de l'[1 arrêté du 9 décembre 2016]1 ;
4° fixer les modèles, visés à l'article 11 de l' [1 arrêté du 9 décembre 2016]1 ;
5° exercer, dans le cadre de la politique en matière de coopération communale au développement, les compétences du Ministre flamand ayant la coopération internationale dans ses attributions, visées à l'article 12, § 4, et 13 de l'arrêté du 7 décembre 2012 ;
6° approuver les modifications quant à la nature, l'objectif ou l'exécution pendant la durée d'un projet en matière d'éducation au développement, visées à l'article 19 de l'arrêté du 7 décembre 2012 ;
7° approuver la justification finale d'un projet en matière d'éducation au développement, visée à l'article 22, alinéa deux, de l'arrêté du 7 décembre 2012 ;
8° entendre les intéressés lorsque, en application de l'article 24/3, § 3, alinéa deux, de l'arrêté du 7 décembre 2012, l'agrément d'un fonds flamand de développement est retiré ou suspendu ;
9° fixer les formulaires, visés aux articles 14 et 24 de l'arrêté du 7 décembre 2012, et les mettre à disposition sur simple demande ;
10° approuver la justification finale et les modifications éventuelles quant à la nature, l'objectif ou l'exécution de subventions de fonctionnement, de subventions de projet ou de subventions d'investissement générales qui ont été octroyées par le Ministre flamand ayant la coopération internationale dans ses attributions, le Ministre flamand ayant la politique extérieure et les affaires européennes dans ses attributions ou le Gouvernement flamand, dans le cadre de la coopération au développement flamande ou de la politique extérieure flamande ;
11° réclamer les subventions, telles que visées à 2°, 6° et 10°, lorsqu'il paraît qu'il n'a pas été répondu à toutes les conditions de subventionnement, après avoir offert aux intéressés la possibilité d'être entendu ;
§ 2. [2 Un rapport annuel est établi sur l'utilisation de cette compétence dans le cadre du rapport annuel sur le plan d'entreprise du Département des Affaires étrangères.
Ce rapport comprend toutes les informations nécessaires sur les subventions octroyées en application du paragraphe 1er, 2°, au cours de la période en question]2.
Afdeling 2. - Controle op de handel in strategische goederen
Section 2. - Contrôle sur le commerce des biens stratégiques
Art. 3. [1 § 1. Aan de leidend ambtenaar wordt delegatie verleend om te beslissen over de volgende types van aanvragen van vergunningen vermeld in het Wapenhandeldecreet van 15 juni 2012 en Verordening (EU) Nr. 258/2012 van 14 maart 2012 tot uitvoering van artikel 10 van het VN-protocol inzake vuurwapens:
1° aanvragen voor het verkrijgen van een vergunning voor invoer en overbrenging naar het Vlaamse Gewest van defensiegerelateerde producten, ordehandhavingsmateriaal, civiele vuurwapens, onderdelen en munitie als vermeld in artikel 18, 22, 23, 34, 36, 38 en 39 van het voormelde decreet;
2° aanvragen voor het verkrijgen van een vergunning voor uitvoer, doorvoer en overbrenging vanuit het Vlaamse Gewest van defensiegerelateerde producten, ordehandhavingsmateriaal, ander voor militair gebruik dienstig materiaal, civiele vuurwapens, onderdelen en munitie als vermeld in artikel 15, 16, 22, 23, 34, 36 en 38 van het voormelde decreet en artikel 4 van de voormelde verordening, als:
a) het eindgebruik zich afspeelt binnen een lidstaat van de EER of in één van de volgende lidstaten van de NAVO of van het Wassenaar Arrangement: Argentinië, Australië, Canada, Japan, Nieuw-Zeeland, [2 het Verenigd Koninkrijk,]2 de Verenigde Staten, Zuid-Korea en Zwitserland;
b) de aanvraag een tijdelijke uitvoer of overbrenging of een doorvoer met het oog op deelname aan een tentoonstelling of beurs betreft, met uitsluiting van besloten presentaties en demonstraties (bijv. ten aanzien van één specifieke potentiële eindgebruiker);
c) de aanvraag een in wezen identieke transactie betreft waarvoor in de afgelopen drie jaar al een vergunning werd toegekend of een positief voorlopig advies als vermeld in artikel 9, § 1, van het Wapenhandeldecreet werd afgeleverd;
d) de aanvraag een tijdelijke uitvoer of overbrenging met het oog op onderhoud of herstelling betreft; of
e) de aanvrager de EU, de NAVO, de VN, of het IAEA betreft, of een andere intergouvernementele organisatie waarvan het Vlaamse Gewest of België lid is;
[3 f) de goederen bestemd zijn voor het eigen gebruik door de EU, de NAVO, de VN, of het IAEA, of een andere intergouvernementele organisatie waarvan het Vlaamse Gewest of België lid is; of
g) de goederen bestemd zijn voor het eigen gebruik door de strijdkrachten, de binnenlandse veiligheidsdiensten of vergelijkbare entiteiten van een lidstaat van de EER of van één van de volgende lidstaten van de NAVO of van het Wassenaar Arrangement: Argentinië, Australië, Canada, Japan, Nieuw-Zeeland, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten, Zuid-Korea en Zwitserland;]3
3° aanvragen voor het verkrijgen van een verlenging van een eerder toegekende vergunning.
De delegatie, vermeld in het eerste lid, punt 1° en 2°, geldt ook voor het geven van een voorlopig advies over de betreffende invoer, uitvoer, doorvoer of overbrenging als vermeld in artikel 9, § 1, van het voormelde decreet.
De delegatie vermeld in het eerste lid, punt 2°, geldt ook voor het toekennen of weigeren van een vrijstelling van vergunning als vermeld in artikel 17 van het Wapenhandeldecreet van 15 juni 2012.
De delegatie, vermeld in het eerste lid, punt 2°, c) en 3°, geldt niet als er aanwijzingen bestaan dat sinds de oorspronkelijke vergunning toegekend is, of, naargelang het geval, sinds het positief voorlopig advies werd afgeleverd, omstandigheden hebben plaatsgevonden of plaatsvinden in het land van bestemming of het land van eindgebruik die een invloed kunnen hebben op de toetsing van de aanvraag aan de criteria, vermeld in artikelen 11, 26 en 28 van het voormelde decreet.
De delegatie, vermeld in het eerste lid, punt 2°, c), geldt niet voor het weigeren van vergunningen.
In het eerste lid, punt 2°, c), wordt verstaan onder een in wezen identieke transactie: een overbrenging, uitvoer of doorvoer door een identieke aanvrager, van identieke goederen of onderdelen daarvan, naar een identieke bestemmeling en, indien die verschillend is, een identieke eindgebruiker.
§ 2. Naast de gevallen, vermeld in paragraaf 1, heeft de leidend ambtenaar ook delegatie om te beslissen over de volgende types van aanvragen vermeld in het voormelde decreet:
1° aanvragen voor het verkrijgen van een voorafgaande machtiging als vermeld in artikel 10 van het voormelde decreet;
2° aanvragen voor het verkrijgen van een certificaat van gecertificeerde persoon als vermeld in artikel 14, § 3, van het Wapenhandeldecreet van 15 juni 2012, en voor de verlenging daarvan, vermeld in artikel 35 van het voormelde besluit;
3° aanvragen voor het verkrijgen van een schriftelijke bevestiging als vermeld in artikel 9, § 2, van het voormelde decreet, en voor de verlenging daarvan, vermeld in artikel 27 van het voormelde besluit;
4° aanvragen voor het verkrijgen van een internationaal invoercertificaat.
De delegatie, vermeld in het eerste lid, punt 1° en 2°, geldt niet voor het toekennen van een voorafgaande machtiging of een certificaat van gecertificeerde persoon als in het kader van de aanvraagprocedure een van de instanties, vermeld in respectievelijk artikel 10, § 2, tweede lid, van het voormelde decreet, en artikel 32, § 1, derde lid, van het voormelde besluit, een negatief advies over de aanvraag uitbrengt.
De delegatie, vermeld in het eerste lid, punt 2°, geldt ook niet voor het toekennen van een voorafgaande machtiging of een certificaat van gecertificeerde persoon als er gerede twijfel bestaat dat de aanvrager beschikt over een passend intern programma tot naleving van de overbrengings- en uitvoercontroleprocedure of het uitvoerbeheerssysteem.
De delegatie, vermeld in het eerste lid, punt 3°, geldt niet voor het weigeren van schriftelijke bevestigingen of van een verlenging van een eerder toegekende schriftelijke bevestiging, als geoordeeld wordt dat goederen in kwestie onder de toepassing van artikel 8, § 2, van het Wapenhandeldecreet van 15 juni 2012 vallen.
§ 3. Aan de leidend ambtenaar wordt tevens delegatie verleend om te beslissen over aanvragen voor het verkrijgen van een individuele of globale vergunning voor uitvoer of overbrenging van producten voor tweeërlei gebruik, als vermeld in artikel 9, tweede lid, en 22 van Verordening (EG) nr. 428/2009 van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik, met uitzondering van de volgende gevallen:
1° de eindgebruiker betreft strijdkrachten, binnenlandse veiligheidsdiensten, vergelijkbare eenheden of daaraan gerelateerde industrie;
2° de uitvoer of overbrenging wordt negatief geadviseerd door het Departement Buitenlandse Zaken, met uitzondering van aanvragen die negatief geadviseerd worden volgend op een bindend negatief antwoord op een consultatie conform artikel 11, eerste lid, van de voormelde verordening;
3° op het land van eindgebruik of de eindgebruiker rusten beperkende maatregelen met betrekking tot de uitvoer van strategische goederen opgelegd door een door de Raad van de EU aangenomen besluit, een besluit van de OVSE of een bindende resolutie van de Veiligheidsraad van de VN;
4° het eindgebruik speelt zich af binnen een land waarover het Vlaams Parlement een resolutie heeft aangenomen met betrekking tot de uitvoer van strategische goederen;
5° het Departement Buitenlandse Zaken acht concrete elementen van de aanvraag relevant in het kader van de actuele politieke gevoeligheid van het land van eindgebruik.
§ 4. De leidend ambtenaar rapporteert [4 halfjaarlijks]4 over het gebruik van de bevoegdheden, vermeld in dit artikel, aan de Vlaamse minister, bevoegd voor de in-, uit- en doorvoer van strategische goederen. Deze rapportering bevat alle noodzakelijke informatie over de aanvragen die met toepassing van dit besluit in de periode in kwestie zijn toegekend of geweigerd.
De rapportering, vermeld in het eerste lid, is opgedeeld in verschillende hoofdstukken. Elk aanvraagtype, vermeld in dit artikel, vormt een apart hoofdstuk.
§ 5. Als de leidend ambtenaar zijn bevoegdheid gebruikt om een aanvraag als vermeld in dit artikel te weigeren wordt dit onmiddellijk aan de Vlaamse minister, bevoegd voor de in-, uit- en doorvoer van strategische goederen, meegedeeld]1.
1° aanvragen voor het verkrijgen van een vergunning voor invoer en overbrenging naar het Vlaamse Gewest van defensiegerelateerde producten, ordehandhavingsmateriaal, civiele vuurwapens, onderdelen en munitie als vermeld in artikel 18, 22, 23, 34, 36, 38 en 39 van het voormelde decreet;
2° aanvragen voor het verkrijgen van een vergunning voor uitvoer, doorvoer en overbrenging vanuit het Vlaamse Gewest van defensiegerelateerde producten, ordehandhavingsmateriaal, ander voor militair gebruik dienstig materiaal, civiele vuurwapens, onderdelen en munitie als vermeld in artikel 15, 16, 22, 23, 34, 36 en 38 van het voormelde decreet en artikel 4 van de voormelde verordening, als:
a) het eindgebruik zich afspeelt binnen een lidstaat van de EER of in één van de volgende lidstaten van de NAVO of van het Wassenaar Arrangement: Argentinië, Australië, Canada, Japan, Nieuw-Zeeland, [2 het Verenigd Koninkrijk,]2 de Verenigde Staten, Zuid-Korea en Zwitserland;
b) de aanvraag een tijdelijke uitvoer of overbrenging of een doorvoer met het oog op deelname aan een tentoonstelling of beurs betreft, met uitsluiting van besloten presentaties en demonstraties (bijv. ten aanzien van één specifieke potentiële eindgebruiker);
c) de aanvraag een in wezen identieke transactie betreft waarvoor in de afgelopen drie jaar al een vergunning werd toegekend of een positief voorlopig advies als vermeld in artikel 9, § 1, van het Wapenhandeldecreet werd afgeleverd;
d) de aanvraag een tijdelijke uitvoer of overbrenging met het oog op onderhoud of herstelling betreft; of
e) de aanvrager de EU, de NAVO, de VN, of het IAEA betreft, of een andere intergouvernementele organisatie waarvan het Vlaamse Gewest of België lid is;
[3 f) de goederen bestemd zijn voor het eigen gebruik door de EU, de NAVO, de VN, of het IAEA, of een andere intergouvernementele organisatie waarvan het Vlaamse Gewest of België lid is; of
g) de goederen bestemd zijn voor het eigen gebruik door de strijdkrachten, de binnenlandse veiligheidsdiensten of vergelijkbare entiteiten van een lidstaat van de EER of van één van de volgende lidstaten van de NAVO of van het Wassenaar Arrangement: Argentinië, Australië, Canada, Japan, Nieuw-Zeeland, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten, Zuid-Korea en Zwitserland;]3
3° aanvragen voor het verkrijgen van een verlenging van een eerder toegekende vergunning.
De delegatie, vermeld in het eerste lid, punt 1° en 2°, geldt ook voor het geven van een voorlopig advies over de betreffende invoer, uitvoer, doorvoer of overbrenging als vermeld in artikel 9, § 1, van het voormelde decreet.
De delegatie vermeld in het eerste lid, punt 2°, geldt ook voor het toekennen of weigeren van een vrijstelling van vergunning als vermeld in artikel 17 van het Wapenhandeldecreet van 15 juni 2012.
De delegatie, vermeld in het eerste lid, punt 2°, c) en 3°, geldt niet als er aanwijzingen bestaan dat sinds de oorspronkelijke vergunning toegekend is, of, naargelang het geval, sinds het positief voorlopig advies werd afgeleverd, omstandigheden hebben plaatsgevonden of plaatsvinden in het land van bestemming of het land van eindgebruik die een invloed kunnen hebben op de toetsing van de aanvraag aan de criteria, vermeld in artikelen 11, 26 en 28 van het voormelde decreet.
De delegatie, vermeld in het eerste lid, punt 2°, c), geldt niet voor het weigeren van vergunningen.
In het eerste lid, punt 2°, c), wordt verstaan onder een in wezen identieke transactie: een overbrenging, uitvoer of doorvoer door een identieke aanvrager, van identieke goederen of onderdelen daarvan, naar een identieke bestemmeling en, indien die verschillend is, een identieke eindgebruiker.
§ 2. Naast de gevallen, vermeld in paragraaf 1, heeft de leidend ambtenaar ook delegatie om te beslissen over de volgende types van aanvragen vermeld in het voormelde decreet:
1° aanvragen voor het verkrijgen van een voorafgaande machtiging als vermeld in artikel 10 van het voormelde decreet;
2° aanvragen voor het verkrijgen van een certificaat van gecertificeerde persoon als vermeld in artikel 14, § 3, van het Wapenhandeldecreet van 15 juni 2012, en voor de verlenging daarvan, vermeld in artikel 35 van het voormelde besluit;
3° aanvragen voor het verkrijgen van een schriftelijke bevestiging als vermeld in artikel 9, § 2, van het voormelde decreet, en voor de verlenging daarvan, vermeld in artikel 27 van het voormelde besluit;
4° aanvragen voor het verkrijgen van een internationaal invoercertificaat.
De delegatie, vermeld in het eerste lid, punt 1° en 2°, geldt niet voor het toekennen van een voorafgaande machtiging of een certificaat van gecertificeerde persoon als in het kader van de aanvraagprocedure een van de instanties, vermeld in respectievelijk artikel 10, § 2, tweede lid, van het voormelde decreet, en artikel 32, § 1, derde lid, van het voormelde besluit, een negatief advies over de aanvraag uitbrengt.
De delegatie, vermeld in het eerste lid, punt 2°, geldt ook niet voor het toekennen van een voorafgaande machtiging of een certificaat van gecertificeerde persoon als er gerede twijfel bestaat dat de aanvrager beschikt over een passend intern programma tot naleving van de overbrengings- en uitvoercontroleprocedure of het uitvoerbeheerssysteem.
De delegatie, vermeld in het eerste lid, punt 3°, geldt niet voor het weigeren van schriftelijke bevestigingen of van een verlenging van een eerder toegekende schriftelijke bevestiging, als geoordeeld wordt dat goederen in kwestie onder de toepassing van artikel 8, § 2, van het Wapenhandeldecreet van 15 juni 2012 vallen.
§ 3. Aan de leidend ambtenaar wordt tevens delegatie verleend om te beslissen over aanvragen voor het verkrijgen van een individuele of globale vergunning voor uitvoer of overbrenging van producten voor tweeërlei gebruik, als vermeld in artikel 9, tweede lid, en 22 van Verordening (EG) nr. 428/2009 van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik, met uitzondering van de volgende gevallen:
1° de eindgebruiker betreft strijdkrachten, binnenlandse veiligheidsdiensten, vergelijkbare eenheden of daaraan gerelateerde industrie;
2° de uitvoer of overbrenging wordt negatief geadviseerd door het Departement Buitenlandse Zaken, met uitzondering van aanvragen die negatief geadviseerd worden volgend op een bindend negatief antwoord op een consultatie conform artikel 11, eerste lid, van de voormelde verordening;
3° op het land van eindgebruik of de eindgebruiker rusten beperkende maatregelen met betrekking tot de uitvoer van strategische goederen opgelegd door een door de Raad van de EU aangenomen besluit, een besluit van de OVSE of een bindende resolutie van de Veiligheidsraad van de VN;
4° het eindgebruik speelt zich af binnen een land waarover het Vlaams Parlement een resolutie heeft aangenomen met betrekking tot de uitvoer van strategische goederen;
5° het Departement Buitenlandse Zaken acht concrete elementen van de aanvraag relevant in het kader van de actuele politieke gevoeligheid van het land van eindgebruik.
§ 4. De leidend ambtenaar rapporteert [4 halfjaarlijks]4 over het gebruik van de bevoegdheden, vermeld in dit artikel, aan de Vlaamse minister, bevoegd voor de in-, uit- en doorvoer van strategische goederen. Deze rapportering bevat alle noodzakelijke informatie over de aanvragen die met toepassing van dit besluit in de periode in kwestie zijn toegekend of geweigerd.
De rapportering, vermeld in het eerste lid, is opgedeeld in verschillende hoofdstukken. Elk aanvraagtype, vermeld in dit artikel, vormt een apart hoofdstuk.
§ 5. Als de leidend ambtenaar zijn bevoegdheid gebruikt om een aanvraag als vermeld in dit artikel te weigeren wordt dit onmiddellijk aan de Vlaamse minister, bevoegd voor de in-, uit- en doorvoer van strategische goederen, meegedeeld]1.
Art. 3. [1 § 1er. La délégation est conférée au fonctionnaire dirigeant pour décider sur les types suivants de demandes d'autorisations visées au Décret sur le commerce des armes du 15 juin 2012 et au Règlement (UE) n° 258/2012 du 14 mars 2012 portant application de l'article 10 du protocole des Nations Unies relatif aux armes à feu :
1° les demandes d'obtention d'une autorisation d'importation et de transfert vers la Région flamande de produits liés à la défense, de matériel de maintien de l'ordre, d'armes à feu civiles, de pièces et de munitions telles que visées aux articles 18, 22, 23, 34, 36, 38 et 39 du décret précité ;
2° les demandes d'obtention d'une autorisation d'exportation, de transit ou de transfert de la Région flamande de produits liés à la défense, de matériel de maintien de l'ordre, d'autre matériel devant servir à un usage militaire, d'armes à feu civiles, de pièces et de munitions, telles que visées aux articles 15, 16, 22, 23, 34, 36 et 38 du décret précité et à l'article 4 du règlement précité si :
a) l'utilisation finale se situe au sein d'un état membre de l'Espace économique européen ou dans un des états membres de l'OTAN ou du Wassenaar Arrangement : l'Argentine, l'Australie, le Canada, le Japon, la Nouvelle-Zélande, les Etats-Unis, la Corée du Sud et la Suisse ;
b) la demande concerne une exportation ou un transfert temporaire ou un transit en vue de la participation à une exposition ou une foire, à l'exclusion de présentations et démonstrations privées (p.ex. à l'égard d'un seul utilisateur final potentiel spécifique) ;
c) la demande concerne une transaction identique en substance pour laquelle, au cours des trois années écoulées, une autorisation a déjà été accordée ou un avis provisoire positif tel que visé à l'article 9, § 1er, du Décret sur le commerce des armes, a été délivré ;
d) la demande concerne une exportation ou un transfert temporaire en vue de l'entretien ou de la réparation ; ou
e) le demandeur concerne l'UE, l'OTAN, l'ONU, l'AIEA ou une autre organisation intergouvernementale dont la Région flamande ou la Belgique est membre ;
3° les demandes d'obtention d'une prolongation d'une autorisation octroyée antérieurement.
La délégation, visée à l'alinéa 1er, points 1° et 2°, s'applique également à la formulation d'un avis provisoire sur l'importation, l'exportation, le transit ou le transfert tel que visé à l'article 9, § 1er, du décret précité.
La délégation, visée à l'alinéa 1er, point 2°, s'applique également à l'octroi ou au refus d'une exemption d'autorisation telle que visée à l'article 17 du Décret sur le commerce des armes du 15 juin 2012.
La délégation, visée à l'alinéa 1er, point 2°, c) et 3°, ne s'applique pas lorsqu'il existe des indications que, depuis l'octroi de l'autorisation originale ou, selon le cas, depuis la délivrance de l'avis provisoire positif, des circonstances se sont produites ou se produisent dans le pays de destination ou dans le pays d'utilisation finale qui peuvent influencer la confrontation de la demande aux critères, visés aux articles 11, 26 et 28 du décret précité.
La délégation, visée à l'alinéa 1er, point 2°, c), ne s'applique pas aux refus d'autorisations.
Dans l'alinéa 1er, point 2°, c), on entend par une transaction identique en substance : le transfert, l'exportation ou le transit par un demandeur identique, de biens identiques ou de parties de ceux-ci, à un destinataire identique et, si ce dernier est différent, un utilisateur final identique.
§ 2. Outre les cas visés au paragraphe 1er, le fonctionnaire dirigeant a également délégation pour décider sur les types suivants de demandes, visés au décret précité :
1° les demandes d'obtention d'une autorisation préalable, telles que visées à l'article 10 du décret précité ;
2° les demandes d'obtention d'un certificat de personne certifiée, telles que visées à l'article 14, § 3, du Décret sur le commerce des armes du 15 juin 2012, et pour sa prolongation, visée à l'article 35 de l'arrêté précité ;
3° les demandes d'obtention d'une confirmation écrite, telles que visées à l'article 9, § 2, du décret précité, et pour sa prolongation, visée à l'article 27 de l'arrêté précité ;
4° les demandes d'obtention d'un certificat d'importation international.
La délégation, visée à l'alinéa 1er, points 1° et 2°, ne s'applique pas à l'octroi d'une autorisation préalable ou d'un certificat de personne certifiée lorsque, dans le cadre de la procédure de demande, une des instances, visées respectivement à l'article 10, § 2, alinéa 2, du décret précité, et à l'article 32, § 1er, alinéa 3, de l'arrêté précité, émet un avis négatif sur la demande.
La délégation, visée à l'alinéa 1er, point 2°, ne s'applique pas non plus à l'octroi d'une autorisation préalable ou d'un certificat de personne certifiée lorsqu'il existe un doute justifié que le demandeur dispose d'un programme interne approprié visant le respect de la procédure de contrôle du transfert et de l'exportation ou du système de gestion de l'exportation.
La délégation, visée à l'alinéa 1er, point 3°, ne s'applique pas aux refus de confirmations écrites ou d'une prolongation d'une confirmation écrite octroyée antérieurement, si l'on considère que les biens en question relèvent de l'application de l'article 8, § 2, du Décret sur le commerce des armes du 15 juin 2012.
§ 3. La délégation est également conférée au fonctionnaire dirigeant pour décider sur les demandes d'obtention d'une autorisation individuelle ou globale d'exportation ou de transfert de produits à double usage, telles que visées à l'article 9, alinéa 2, et 22 du Règlement (CE) n° 428/2009 du 5 mai 2009 instituant un régime communautaire de contrôle des exportations, des transferts, du courtage et du transit de biens à double usage, à l'exception des cas suivants :
1° l'utilisateur final concerne des forces armées, des services de sécurité intérieurs, des unités comparables ou de l'industrie y afférente ;
2° l'exportation ou le transfert fait l'objet d'un avis négatif du Département des Affaires étrangères, à l'exception des demandes faisant l'objet d'un avis négatif suite à une réponse négative contraignante à une consultation conformément à l'article 11, alinéa 1er, du règlement précité ;
3° le pays de l'utilisation finale ou l'utilisateur final fait l'objet de mesures restrictives concernant l'exportation de biens stratégiques, imposées par une décision adoptée par le Conseil de l'UE, une décision de l'OSCE ou une résolution contraignante du Conseil de Sécurité de l'ONU ;
4° l'utilisation finale se déroule dans un pays sur lequel le Parlement flamand a adopté une résolution relative à l'exportation de biens stratégiques ;
5° le Département des Affaires étrangères estime que des éléments concrets de la demande sont pertinents dans le cadre de la sensibilité politique actuelle du pays de l'utilisation finale.
§ 4. Tous les trois mois, le fonctionnaire dirigeant établit un rapport sur l'utilisation des compétences, visées au présent article, au Ministre flamand qui a l'importation, l'exportation et le transit de biens stratégiques dans ses attributions. Ce rapport comprend toutes les informations nécessaires sur les demandes octroyées ou refusées en application du présent arrêté, au cours de la période en question.
Le rapport, visé à l'alinéa premier, est réparti en différents chapitres. Chaque type de demande, visé au présent article, constitue un chapitre séparé.
§ 5. Lorsque le fonctionnaire dirigeant utilise sa compétence pour refuser une demande telle que visée au présent article, le Ministre flamand ayant l'importation, l'exportation et le transit de biens stratégiques dans ses attributions en est informé immédiatement]1.
1° les demandes d'obtention d'une autorisation d'importation et de transfert vers la Région flamande de produits liés à la défense, de matériel de maintien de l'ordre, d'armes à feu civiles, de pièces et de munitions telles que visées aux articles 18, 22, 23, 34, 36, 38 et 39 du décret précité ;
2° les demandes d'obtention d'une autorisation d'exportation, de transit ou de transfert de la Région flamande de produits liés à la défense, de matériel de maintien de l'ordre, d'autre matériel devant servir à un usage militaire, d'armes à feu civiles, de pièces et de munitions, telles que visées aux articles 15, 16, 22, 23, 34, 36 et 38 du décret précité et à l'article 4 du règlement précité si :
a) l'utilisation finale se situe au sein d'un état membre de l'Espace économique européen ou dans un des états membres de l'OTAN ou du Wassenaar Arrangement : l'Argentine, l'Australie, le Canada, le Japon, la Nouvelle-Zélande, les Etats-Unis, la Corée du Sud et la Suisse ;
b) la demande concerne une exportation ou un transfert temporaire ou un transit en vue de la participation à une exposition ou une foire, à l'exclusion de présentations et démonstrations privées (p.ex. à l'égard d'un seul utilisateur final potentiel spécifique) ;
c) la demande concerne une transaction identique en substance pour laquelle, au cours des trois années écoulées, une autorisation a déjà été accordée ou un avis provisoire positif tel que visé à l'article 9, § 1er, du Décret sur le commerce des armes, a été délivré ;
d) la demande concerne une exportation ou un transfert temporaire en vue de l'entretien ou de la réparation ; ou
e) le demandeur concerne l'UE, l'OTAN, l'ONU, l'AIEA ou une autre organisation intergouvernementale dont la Région flamande ou la Belgique est membre ;
3° les demandes d'obtention d'une prolongation d'une autorisation octroyée antérieurement.
La délégation, visée à l'alinéa 1er, points 1° et 2°, s'applique également à la formulation d'un avis provisoire sur l'importation, l'exportation, le transit ou le transfert tel que visé à l'article 9, § 1er, du décret précité.
La délégation, visée à l'alinéa 1er, point 2°, s'applique également à l'octroi ou au refus d'une exemption d'autorisation telle que visée à l'article 17 du Décret sur le commerce des armes du 15 juin 2012.
La délégation, visée à l'alinéa 1er, point 2°, c) et 3°, ne s'applique pas lorsqu'il existe des indications que, depuis l'octroi de l'autorisation originale ou, selon le cas, depuis la délivrance de l'avis provisoire positif, des circonstances se sont produites ou se produisent dans le pays de destination ou dans le pays d'utilisation finale qui peuvent influencer la confrontation de la demande aux critères, visés aux articles 11, 26 et 28 du décret précité.
La délégation, visée à l'alinéa 1er, point 2°, c), ne s'applique pas aux refus d'autorisations.
Dans l'alinéa 1er, point 2°, c), on entend par une transaction identique en substance : le transfert, l'exportation ou le transit par un demandeur identique, de biens identiques ou de parties de ceux-ci, à un destinataire identique et, si ce dernier est différent, un utilisateur final identique.
§ 2. Outre les cas visés au paragraphe 1er, le fonctionnaire dirigeant a également délégation pour décider sur les types suivants de demandes, visés au décret précité :
1° les demandes d'obtention d'une autorisation préalable, telles que visées à l'article 10 du décret précité ;
2° les demandes d'obtention d'un certificat de personne certifiée, telles que visées à l'article 14, § 3, du Décret sur le commerce des armes du 15 juin 2012, et pour sa prolongation, visée à l'article 35 de l'arrêté précité ;
3° les demandes d'obtention d'une confirmation écrite, telles que visées à l'article 9, § 2, du décret précité, et pour sa prolongation, visée à l'article 27 de l'arrêté précité ;
4° les demandes d'obtention d'un certificat d'importation international.
La délégation, visée à l'alinéa 1er, points 1° et 2°, ne s'applique pas à l'octroi d'une autorisation préalable ou d'un certificat de personne certifiée lorsque, dans le cadre de la procédure de demande, une des instances, visées respectivement à l'article 10, § 2, alinéa 2, du décret précité, et à l'article 32, § 1er, alinéa 3, de l'arrêté précité, émet un avis négatif sur la demande.
La délégation, visée à l'alinéa 1er, point 2°, ne s'applique pas non plus à l'octroi d'une autorisation préalable ou d'un certificat de personne certifiée lorsqu'il existe un doute justifié que le demandeur dispose d'un programme interne approprié visant le respect de la procédure de contrôle du transfert et de l'exportation ou du système de gestion de l'exportation.
La délégation, visée à l'alinéa 1er, point 3°, ne s'applique pas aux refus de confirmations écrites ou d'une prolongation d'une confirmation écrite octroyée antérieurement, si l'on considère que les biens en question relèvent de l'application de l'article 8, § 2, du Décret sur le commerce des armes du 15 juin 2012.
§ 3. La délégation est également conférée au fonctionnaire dirigeant pour décider sur les demandes d'obtention d'une autorisation individuelle ou globale d'exportation ou de transfert de produits à double usage, telles que visées à l'article 9, alinéa 2, et 22 du Règlement (CE) n° 428/2009 du 5 mai 2009 instituant un régime communautaire de contrôle des exportations, des transferts, du courtage et du transit de biens à double usage, à l'exception des cas suivants :
1° l'utilisateur final concerne des forces armées, des services de sécurité intérieurs, des unités comparables ou de l'industrie y afférente ;
2° l'exportation ou le transfert fait l'objet d'un avis négatif du Département des Affaires étrangères, à l'exception des demandes faisant l'objet d'un avis négatif suite à une réponse négative contraignante à une consultation conformément à l'article 11, alinéa 1er, du règlement précité ;
3° le pays de l'utilisation finale ou l'utilisateur final fait l'objet de mesures restrictives concernant l'exportation de biens stratégiques, imposées par une décision adoptée par le Conseil de l'UE, une décision de l'OSCE ou une résolution contraignante du Conseil de Sécurité de l'ONU ;
4° l'utilisation finale se déroule dans un pays sur lequel le Parlement flamand a adopté une résolution relative à l'exportation de biens stratégiques ;
5° le Département des Affaires étrangères estime que des éléments concrets de la demande sont pertinents dans le cadre de la sensibilité politique actuelle du pays de l'utilisation finale.
§ 4. Tous les trois mois, le fonctionnaire dirigeant établit un rapport sur l'utilisation des compétences, visées au présent article, au Ministre flamand qui a l'importation, l'exportation et le transit de biens stratégiques dans ses attributions. Ce rapport comprend toutes les informations nécessaires sur les demandes octroyées ou refusées en application du présent arrêté, au cours de la période en question.
Le rapport, visé à l'alinéa premier, est réparti en différents chapitres. Chaque type de demande, visé au présent article, constitue un chapitre séparé.
§ 5. Lorsque le fonctionnaire dirigeant utilise sa compétence pour refuser une demande telle que visée au présent article, le Ministre flamand ayant l'importation, l'exportation et le transit de biens stratégiques dans ses attributions en est informé immédiatement]1.
Änderungen
Afdeling 3. - Hoorplicht in het kader van administratieve beroepen en handhavingsmaatregelen in de toeristische sector
Section 3. - Obligation d'audition dans le cadre des recours administratifs et des mesures de maintien dans le secteur touristique
Art. 4. Aan de leidend ambtenaar wordt delegatie verleend om de betrokkenen te horen :
1° [1 ...]1
2° bij een beroep bij de Vlaamse minister, bevoegd voor het toerisme, tegen de beslissing tot weigering, intrekking of schorsing van een erkenning als verblijf, vereniging of ondersteuningspunt in het kader van "Toerisme voor Allen", vermeld in artikel 14 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende de verblijven en verenigingen die een werking uitoefenen in het kader van "Toerisme voor Allen";
3° [1 ...]1
4° bij een beroep bij de Vlaamse minister, bevoegd voor het toerisme, tegen de volgende beslissingen van Toerisme Vlaanderen, vermeld in artikel 22 van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2012 betreffende toerismesubsidies :
a) de verklaring van niet-ontvankelijkheid;
b) de niet-toekenning van een subsidie;
c) de subsidiebeslissing.
Van elke hoorzitting wordt een proces-verbaal opgemaakt, dat onverwijld aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het toerisme, wordt bezorgd.
1° [1 ...]1
2° bij een beroep bij de Vlaamse minister, bevoegd voor het toerisme, tegen de beslissing tot weigering, intrekking of schorsing van een erkenning als verblijf, vereniging of ondersteuningspunt in het kader van "Toerisme voor Allen", vermeld in artikel 14 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende de verblijven en verenigingen die een werking uitoefenen in het kader van "Toerisme voor Allen";
3° [1 ...]1
4° bij een beroep bij de Vlaamse minister, bevoegd voor het toerisme, tegen de volgende beslissingen van Toerisme Vlaanderen, vermeld in artikel 22 van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2012 betreffende toerismesubsidies :
a) de verklaring van niet-ontvankelijkheid;
b) de niet-toekenning van een subsidie;
c) de subsidiebeslissing.
Van elke hoorzitting wordt een proces-verbaal opgemaakt, dat onverwijld aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het toerisme, wordt bezorgd.
Art. 4. La délégation est conférée au fonctionnaire dirigeant pour entendre les intéressés :
1° [1 ...]1
2° lors d'un recours auprès du Ministre flamand ayant le tourisme dans ses attributions contre la décision de refus, de retrait ou de suspension d'un agrément comme résidence, association ou point d'appui dans le cadre du " Toerisme voor Allen ", visé à l'article 14 du décret du 18 juillet 2003 relatif aux résidences et associations actives dans le cadre de " Toerisme voor Allen " ;
3° [1 ...]1
4° lors d'un recours auprès du Ministre flamand ayant le tourisme dans ses attributions contre les décisions suivantes de " Toerisme Vlaanderen ", visées à l'article 22 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 décembre 2012 relatif aux subventions au tourisme :
a) la déclaration de non-recevabilité ;
b) le non-octroi d'une subvention ;
c) la décision de subvention.
Un procès-verbal, dont une copie est transmise sans délai au Ministre flamand ayant le tourisme dans ses attributions, est dressé de chaque audition.
1° [1 ...]1
2° lors d'un recours auprès du Ministre flamand ayant le tourisme dans ses attributions contre la décision de refus, de retrait ou de suspension d'un agrément comme résidence, association ou point d'appui dans le cadre du " Toerisme voor Allen ", visé à l'article 14 du décret du 18 juillet 2003 relatif aux résidences et associations actives dans le cadre de " Toerisme voor Allen " ;
3° [1 ...]1
4° lors d'un recours auprès du Ministre flamand ayant le tourisme dans ses attributions contre les décisions suivantes de " Toerisme Vlaanderen ", visées à l'article 22 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 décembre 2012 relatif aux subventions au tourisme :
a) la déclaration de non-recevabilité ;
b) le non-octroi d'une subvention ;
c) la décision de subvention.
Un procès-verbal, dont une copie est transmise sans délai au Ministre flamand ayant le tourisme dans ses attributions, est dressé de chaque audition.
HOOFDSTUK 3. - Regeling bij vervanging en subdelegatie
CHAPITRE 3. - Règlement en cas de remplacement et de sous-délégation
Art. 5. § 1. De delegatie die bij dit besluit wordt verleend, wordt tevens verleend aan de ambtenaar die met de waarneming van het ambt van leidend ambtenaar is belast of die deze laatste vervangt bij tijdelijke afwezigheid of verhindering.
§ 2. De leidend ambtenaar kan de aangelegenheden, vermeld in dit besluit, verder subdelegeren aan personeelsleden van het departement die onder zijn hiërarchisch gezag staan.
Die subdelegatie wordt vastgelegd in een besluit waarvan een afschrift aan de bevoegde minister wordt bezorgd.
§ 2. De leidend ambtenaar kan de aangelegenheden, vermeld in dit besluit, verder subdelegeren aan personeelsleden van het departement die onder zijn hiërarchisch gezag staan.
Die subdelegatie wordt vastgelegd in een besluit waarvan een afschrift aan de bevoegde minister wordt bezorgd.
Art. 5. § 1er. La délégation conférée par le présent arrêté est également conférée au fonctionnaire chargé de la fonction de fonctionnaire dirigeant ou qui le supplée en cas d'absence temporaire ou d'empêchement.
§ 2. Le fonctionnaire dirigeant peut en outre sous-déléguer les matières, visées au présent arrêté, à des membres du personnel du département qui relèvent de son autorité hiérarchique.
Cette sous-délégation est fixée dans un arrêté dont une copie est transmise au Ministre compétent.
§ 2. Le fonctionnaire dirigeant peut en outre sous-déléguer les matières, visées au présent arrêté, à des membres du personnel du département qui relèvent de son autorité hiérarchique.
Cette sous-délégation est fixée dans un arrêté dont une copie est transmise au Ministre compétent.
HOOFDSTUK 4. - Slotbepaling
CHAPITRE 4. - Disposition finale
Art. 6. De volgende besluiten worden opgeheven :
1° het ministerieel besluit van 18 februari 2011 tot delegatie van bevoegdheden aan het hoofd van het Departement internationaal Vlaanderen in het kader van de subsidiëring van stages bij internationale organisaties;
2° het ministerieel besluit van 16 maart 2011 tot toekenning van een specifieke delegatie aan het hoofd van het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Internationale Samenwerking;
3° het ministerieel besluit van 21 september 2012 houdende delegatie van sommige bevoegdheden inzake de in-, uit-, doorvoer en overbrenging van defensiegerelateerde producten, ander voor militair gebruik dienstig materiaal, ordehandhavingsmateriaal, civiele vuurwapens, onderdelen en munitie en inzake de uitvoer en overbrenging van producten voor tweeërlei gebruik aan de secretaris-generaal van het Departement Internationaal Vlaanderen;
4° het ministerieel besluit van 28 februari 2013 tot delegatie van het horen in het kader van administratieve beroepen en handhavingsmaatregelen in de toeristische sector.
1° het ministerieel besluit van 18 februari 2011 tot delegatie van bevoegdheden aan het hoofd van het Departement internationaal Vlaanderen in het kader van de subsidiëring van stages bij internationale organisaties;
2° het ministerieel besluit van 16 maart 2011 tot toekenning van een specifieke delegatie aan het hoofd van het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Internationale Samenwerking;
3° het ministerieel besluit van 21 september 2012 houdende delegatie van sommige bevoegdheden inzake de in-, uit-, doorvoer en overbrenging van defensiegerelateerde producten, ander voor militair gebruik dienstig materiaal, ordehandhavingsmateriaal, civiele vuurwapens, onderdelen en munitie en inzake de uitvoer en overbrenging van producten voor tweeërlei gebruik aan de secretaris-generaal van het Departement Internationaal Vlaanderen;
4° het ministerieel besluit van 28 februari 2013 tot delegatie van het horen in het kader van administratieve beroepen en handhavingsmaatregelen in de toeristische sector.
Art. 6. Les arrêtés suivants sont abrogés :
1° l'arrêté ministériel du 18 février 2011 portant délégation de compétences au chef du Département flamand des Affaires étrangères dans le cadre du subventionnement de stages auprès des organisations internationales ;
2° l'arrêté ministériel du 16 mars 2011 octroyant une délégation spécifique au chef de l'agence autonomisée interne sans personnalité juridique " Vlaams Agentschap voor Internationale Samenwerking " (Agence flamande de la Coopération internationale) ;
3° l'arrêté ministériel du 21 septembre 2012 portant délégation au secrétaire général du Département flamand des Affaires étrangères de certaines compétences en matière d'importation, d'exportation et de transfert de produits liés à la défense, d'autre matériel devant servir à un usage militaire, de matériel de maintien d'ordre, d'armes à feu civiles, de pièces et de munitions, et en matière d'exportation et de transfert de produits à double usage ;
4° l'arrêté ministériel du 28 février 2013 portant délégation de l'audition dans le cadre des recours administratifs et des mesures de maintien dans le secteur touristique.
1° l'arrêté ministériel du 18 février 2011 portant délégation de compétences au chef du Département flamand des Affaires étrangères dans le cadre du subventionnement de stages auprès des organisations internationales ;
2° l'arrêté ministériel du 16 mars 2011 octroyant une délégation spécifique au chef de l'agence autonomisée interne sans personnalité juridique " Vlaams Agentschap voor Internationale Samenwerking " (Agence flamande de la Coopération internationale) ;
3° l'arrêté ministériel du 21 septembre 2012 portant délégation au secrétaire général du Département flamand des Affaires étrangères de certaines compétences en matière d'importation, d'exportation et de transfert de produits liés à la défense, d'autre matériel devant servir à un usage militaire, de matériel de maintien d'ordre, d'armes à feu civiles, de pièces et de munitions, et en matière d'exportation et de transfert de produits à double usage ;
4° l'arrêté ministériel du 28 février 2013 portant délégation de l'audition dans le cadre des recours administratifs et des mesures de maintien dans le secteur touristique.
Art. 7. Dit besluit treedt in werking op 1 april 2014.
Art. 7. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er avril 2014.