Zum Hauptinhalt

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
16 MEI 2014. - Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de uitvoering van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 (aangehaald als: het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014)(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 27-10-2014 en tekstbijwerking tot 27-01-2026)
Titre
16 MAI 2014. - Arrêté du Gouvernement flamand portant exécution du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 (cité comme : l'arrêté relatif au patrimoine immobilier du 16 mai 2014)(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 27-10-2014 et mise à jour au 27-01-2026)
Dokumentinformationen
Numac: 2014036539
Datum: 2014-05-16
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2014036539
Date: 2014-05-16
Moniteur: Voir
Inhoud
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepaling HOOFDSTUK 2. - Definities HOOFDSTUK 3. - Instanties en actoren van het on... Afdeling 1. - Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed Afdeling 2. - Erkenning als onroerenderfgoedgem... Afdeling 3. - Erkenning als intergemeentelijke ... Afdeling 4. - Erkenning als onroerenderfgoeddepot Afdeling 5. - Aanduiding als erkende archeoloog Afdeling 6. - Aanduiding als erkende metaaldete... Afdeling 7. - Kwaliteitslabel onroerenderfgoedo... HOOFDSTUK 4. - Inventarissen Afdeling 1. - Criteria voor opname in de vastge... Afdeling 1/1. [1 - Ontsluiting]1 Afdeling 2. [1 - Rechtsgevolgen]1 Onderafdeling 1. [1 - Zorgplicht]1 Onderafdeling 2. [1 - Toelatingsplichten]1 Onderafdeling 3. [1 - Toelatingsprocedure voor ... Onderafdeling 4. [1 - Advies erkende onroerende... HOOFDSTUK 5. - Archeologie ... Afdeling 1. - [1 Toevalsvondsten]1 Afdeling 2. - [1 Verplichtingen zakelijkrechtho... Afdeling 3. [1 - Code van goede praktijk]1 Afdeling 4. [1 - Archeologisch onderzoek bij ve... Onderafdeling 1. [1 - Gebieden waar geen archeo... Onderafdeling 2. - [1 Verplichtingen aangesteld... Onderafdeling 3. - [1 Verplichtingen aangesteld... Onderafdeling 4. [1 Verplichtingen aangestelde ... Onderafdeling 5. - [1 Verplichtingen aangesteld... Onderafdeling 6. - [1 Verplichtingen vergunning... Onderafdeling 7. - [1 Verplichtingen aangesteld... Onderafdeling 8. - [1 Ontsluiting en publicatie]1 Afdeling 5. - [1 Archeologisch onderzoek met he... Afdeling 6. - [1 Beroepsprocedure]1 HOOFDSTUK 6. - Beschermingen en erfgoedlandscha... Afdeling 1. - Algemene voorschriften voor de in... Onderafdeling 1. - Generieke voorschriften Onderafdeling 2. - Aanvullende voorschriften vo... Onderafdeling 3. - Aanvullende voorschriften vo... Afdeling 2. - Toelatingsplichten Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen Onderafdeling 2. - Generieke toelatingsplichten... Onderafdeling 3. - Specifieke toelatingsplichte... Onderafdeling 4. - Handelingen in beschermde st... Onderafdeling 5. - Specifieke toelatingsplichte... Onderafdeling 6. - Specifieke toelatingsplichte... Onderafdeling 7. - Specifieke toelatingsplichte... Onderafdeling 8. - Aanvullende toelatingsplicht... Onderafdeling 9. - Aanvullende toelatingsplicht... Onderafdeling 10. - Aanvullende toelatingsplich... Onderafdeling 11. - Aanvullende toelatingsplich... Onderafdeling 12. - Aanvullende toelatingsplich... Afdeling 3. - De toelatingsprocedure voor hande... Onderafdeling 1. - Aanvraag en behandeling Onderafdeling 2. - Beroepsprocedure Onderafdeling 3. - Beroepsprocedure vergunnings... Afdeling 4. - De meldingsprocedure voor schadeg... Afdeling 5. [1 Databank van toelatingen en advi... Afdeling 6. - Herkenningsteken Afdeling 7. - Erfgoedlandschappen Afdeling 8. [1 - Informatieplicht met betrekkin... HOOFDSTUK 7. - Onroerenderfgoedrichtplannen HOOFDSTUK 8. - Beheer van onroerend erfgoed Afdeling 1. - Beheersplannen Onderafdeling 1. - Opdrachtgever Onderafdeling 2. Onderafdeling 3. Onderafdeling 4. - Opmaak Onderafdeling 5. - Indiening Onderafdeling 6. - Goedkeuringsprocedure Onderafdeling 7. - Geldigheidsduur Onderafdeling 8. - Evaluatie en opvolging Onderafdeling 9. - Aanpassingen Onderafdeling 10. - Beroepsprocedure Afdeling 2. - Beheerscommissies Afdeling 3. [1 - Geïntegreerde beheersplannen]1 Onderafdeling 1. [1 - Opdrachtgever]1 Onderafdeling 2. [1 - Verkenning]1 Onderafdeling 3. [1 - Ontvankelijkheid van de v... Onderafdeling 4. [1 - Opmaak]1 Onderafdeling 5. [1 - Indiening]1 Onderafdeling 6. [1 - Goedkeuringsprocedure]1 Onderafdeling 7. [1 - Geldigheidsduur]1 Onderafdeling 8. [1 - Evaluatie en opvolging]1 Onderafdeling 9. [1 - Aanpassingen]1 Onderafdeling 10. [1 - Beroepsprocedure]1 Afdeling 4. [1 - Open Erfgoed]1 HOOFDSTUK 9. - Prijzen Afdeling 1. - Onroerenderfgoedprijs Afdeling 2. - Europese Landschapsprijs HOOFDSTUK 10. - Subsidies Afdeling 1. - Subsidies in het kader van samenw... Onderafdeling 1. - De subsidiëring van erkende ... Onderafdeling 2. - De subsidiëring van erkende ... Onderafdeling 3. [1 - De subsidiëring van erken... Onderafdeling 4. [1 - De indexering van de subs... Afdeling 2. - Subsidies in het kader van beheer... Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen Onderafdeling 2. - Doelstelling en toepassingsg... Onderafdeling 3. - Toezicht op de naleving van ... Onderafdeling 4. - Procedurebepalingen Onderafdeling 5. - Bijzondere bepalingen Afdeling 3. - Projectsubsidies Onderafdeling 1. - Toepassingsgebied Onderafdeling 2. - Aard van de projectsubsidie Onderafdeling 3. - De aanvraagprocedure Onderafdeling 4. - De beoordeling van de projec... Onderafdeling 5. - Verantwoording van de aanwen... HOOFDSTUK 11. - Premies Afdeling 1. [1 - Werken en diensten waarvoor ge... Afdeling 2. - Erfgoedpremie Onderafdeling 1. - Beheersmaatregelen, werkzaam... Onderafdeling 2. - Twee procedures voor het aan... Onderafdeling 3. Onderafdeling 4. - Bedrag op basis waarvan de e... Onderafdeling 5. - Premiepercentages Onderafdeling 6. - Aantal aanvragen voor een er... Onderafdeling 7. - Wijziging van de zakelijkrec... Onderafdeling 8. - Aanvragen van een erfgoedpre... Onderafdeling 9. - Uitbetaling van de erfgoedpr... Onderafdeling 10. [1 - De erfgoedpremie via opr... Onderafdeling 10/1. [1 - Oproep en preselectier... Onderafdeling 10/2. [1 - Dossier voor de aanvra... Onderafdeling 10/3. [1 - Toekenning van de erfg... Onderafdeling 11. [1 - Uitbetaling van de erfgo... Afdeling 3. - Onderzoekspremie Onderafdeling 1. [1 - Voorafgaande onderzoeken ... Onderafdeling 2. - Bedrag op basis waarvan de o... Onderafdeling 3. - Premiepercentages Onderafdeling 4. - Aantal aanvragen voor een on... Onderafdeling 5. - Wijziging van de zakelijkrec... Onderafdeling 6. - Aanvragen van een onderzoeks... Onderafdeling 7. - Uitbetaling van de onderzoek... Onderafdeling 8. [1 Ontsluiting van de onderzoe... Afdeling 4. - Meerjarenpremieovereenkomsten voo... Onderafdeling 1. [1 - Oproep voor projecten voo... Onderafdeling 2. [1 - Selectie van projecten di... Onderafdeling 3. - Inhoud van een meerjarenprem... Onderafdeling 4. - Bijdragen in het kader van e... Onderafdeling 5. - Dossier per fase Onderafdeling 6. - Voorschotten Onderafdeling 7. - Einddossier en definitieve b... Onderafdeling 8. - Bijkomende erfgoedpremie Afdeling 5. - Kwaliteit Afdeling 6. - Terugbetaling van premies Afdeling 7. - [1 Premie buitensporige opgraving... Onderafdeling 1. - [1 Archeologische opgravinge... Onderafdeling 2. - [1 Archeologische opgravinge... Onderafdeling 3. - [1 Bedrag van de premie voor... Onderafdeling 4. - [1 Aantal premies voor buite... Onderafdeling 5. - [1 Aanvragen van een premie ... Onderafdeling 6. - [1 Vastlegging en uitbetalin... Afdeling 8. - [1 Toelage voor een erkend archeo... Onderafdeling 1. - [1 Erkenning als archeologis... Onderafdeling 2. - [1 De betoelaging van erkend... Afdeling 9. Onderafdeling 1. Onderafdeling 2. Afdeling 10. [1 Premie voor archeologisch vooro... Onderafdeling 1. [1 - Archeologisch vooronderzo... Onderafdeling 2. [1 - Archeologisch vooronderzo... Onderafdeling 3. [1 - Bedrag van de premie voor... Onderafdeling 4. [1 - Aantal premies voor arche... Onderafdeling 5. [1 - Aanvragen van een premie ... Onderafdeling 6. [1 - Vastlegging en uitbetalin... Afdeling 11. [1 - Premie voor archeologisch ond... Onderafdeling 1. [1 - Archeologisch onderzoek w... Onderafdeling 2. [1 - Bedrag van de premie voor... Onderafdeling 3. [1 - Aantal premies voor arche... Onderafdeling 4. [1 - Aanvragen van een premie ... Onderafdeling 5. [1 - Vastlegging en uitbetalin... HOOFDSTUK 11/1. HOOFDSTUK 12. - Handhaving Afdeling 1. [1 Algemene bepalingen]1 Afdeling 2. [1 - Inspecteurs Onroerend Erfgoed]1 Afdeling 3. [1 - Toezichthouders en officiere... Afdeling 4. [1 - Opleiding]1 Afdeling 5. [1 - Beboetingsinstantie]1 Afdeling 6. [1 - Herstel]1 Onderafdeling 1. [1 - Herstelschikkingen]1 Onderafdeling 2. [1 - Beroep tegen bestuurlij... Onderafdeling 3. [1 - Herstel bij financieel ... Onderafdeling 4. [1 - Nadere regels voor de b... Afdeling 7. [1 - De toebedeling van handhavin... Afdeling 8. [1 - Beleidslijnen en handhavings... HOOFDSTUK 13. - Wijzigings-, opheffings-, overg... Afdeling 1. - Wijzigingsbepalingen Onderafdeling 1. - Wijziging van het besluit va... Onderafdeling 2. - Wijziging van het besluit va... Onderafdeling 3. - Wijzigingen van het besluit ... Onderafdeling 4. - Wijzigingen van het besluit ... Onderafdeling 5. - Wijziging van het besluit va... Onderafdeling 6. - Wijziging van het besluit va... Onderafdeling 7. - Wijzigingen van het besluit ... Onderafdeling 8. - Wijziging van het besluit va... Onderafdeling 9. - Wijziging van het besluit va... Onderafdeling 10. - Wijzigingen van het besluit... Onderafdeling 11. - Wijziging van het besluit v... Onderafdeling 12. - Wijzigingen van het besluit... Onderafdeling 13. - Wijziging van het besluit v... Onderafdeling 14. - Wijziging van het besluit v... Onderafdeling 15. - Wijziging van het besluit v... Onderafdeling 16. - Wijziging van het besluit v... Onderafdeling 17. - Wijziging van het besluit v... Onderafdeling 18. - Wijziging van het besluit v... Onderafdeling 19. - Wijziging van het besluit v... Onderafdeling 20. - Wijzigingen van het besluit... Onderafdeling 21. - Wijzigingen van het besluit... Onderafdeling 22. - Wijzigingen van het besluit... Onderafdeling 23. - Wijzigingen van het besluit... Onderafdeling 24. - Wijzigingen aan het besluit... Onderafdeling 25. - Wijziging van het besluit v... Onderafdeling 26. - Wijzigingen aan het besluit... Onderafdeling 27. - Wijzigingen aan het Energie... Onderafdeling 28. - Wijziging van het Financier... Afdeling 2. - Opheffingsbepalingen Afdeling 3. - Overgangsbepalingen Afdeling 4. - Inwerkingtreding
Inhoud
CHAPITRE 1er. - Disposition introductive CHAPITRE 2. - Définitions CHAPITRE 3. - Instances et acteurs de la politi... Section 1re. - Commission flamande du Patrimoin... Section 2. - Agrément comme commune du patrimoi... Section 3. - Agrément comme service du patrimoi... Section 4. - Agrément comme dépôt du patrimoine... Section 5. - Désignation comme archéologue agréé Section 6. - Désignation comme détectoriste de ... Section 7. - Label de qualité entrepreneurs du ... CHAPITRE 4. - Inventaires Section 1re. - Critères pour reprise dans les i... Section 1/1. [1 - Accès]1 Section 2. - [1 Effets juridiques]1 Sous-section 1. [1 - Obligation de soin]1 Sous-section 2. [1 Obligations d'autorisation]1 Sous-section 3. [1 - Procédure d'autorisation p... Sous-section 4. [1 - Avis de la commune du patr... CHAPITRE 5. - Archéologie ... Section 1re. - [1 Trouvailles fortuites]1 Section 2. - [1 Obligations des titulaires du d... Section 3. [1 - Code de bonne pratique]1 Section 4. [1 - Recherches archéologiques dans ... Sous-section 1. - [1 Les zones où l'on ne s'att... Sous-section 2. - [1 Obligations de l'archéolog... Sous-section 3. - [1 Obligations de l'archéolog... Sous-section 4. [1 Obligations de l'archéologue... Sous-section 5. - [1 Obligations de l'archéolog... Sous-section 6. - [1 Obligations de l'instance ... Sous-section 7. - [1 Obligations de l'archéolog... Sous-section 8. - [1 Ouverture et publication]1 Section 5. - [1 Recherches archéologiques en vu... Section 6. - [1 Procédure de recours]1 CHAPITRE 6. - Protections et paysages patrimoniaux Section 1re. - Prescriptions générales pour le ... Sous-section 1re. - Prescriptions génériques Sous-section 2. - Prescriptions supplémentaires... Sous-section 3. - Prescriptions supplémentaires... Section 2. - Obligations d'autorisation Sous-section 1re. - Dispositions générales Sous-section 2. - Obligations d'autorisation gé... Sous-section 3. - Obligations d'autorisation sp... Sous-section 4. - Actes dans des sites urbains ... Sous-section 5. - Obligations d'autorisation sp... Sous-section 6. - Obligations d'autorisation sp... Sous-section 7. - Obligations d'autorisation sp... Sous-section 8. - Obligations d'autorisation su... Sous-section 9. - Obligations d'autorisation su... Sous-section 10. - Obligations d'autorisation s... Sous-section 11. - Obligations d'autorisation s... Sous-section 12. - Obligations d'autorisation s... Section 3. - La procédure d'autorisation pour l... Sous-section 1re. - Demande et traitement Sous-section 2. - Procédure de recours Sous-section 3. - Procédure de recours actes so... Section 4. - La procédure de notification pour ... Section 5. - [1 Banque de donnée des autorisati... Section 6. - Signe distinctif Section 7. - Paysages patrimoniaux Section 8. [1 - Obligation d'information concer... CHAPITRE 7. - Plans directeurs du patrimoine im... CHAPITRE 8. - Gestion de patrimoine immobilier Section 1re. - Plans de gestion Sous-section 1re. - Donneur d'ordre Sous-section 2. Sous-section 3. Sous-section 4. - Etablissement Sous-section 5. - Introduction Sous-section 6. - Procédure d'approbation Sous-section 7. - Durée de validité Sous-section 8. - Evaluation et suivi Sous-section 9. - Adaptations Sous-section 10. - Procédure de recours Section 2. - Commissions de gestion Section 3. [1 - Plans de gestion intégrés]1 Sous-section 1re. [1 - Donneur d'ordre]1 Sous-section 2. [1 - Exploration]1 Sous-section 3. [1 - Recevabilité de l'explorat... Sous-section 4. [1 - Etablissement]1 Sous-section 5. [1 - Introduction]1 Sous-section 6. [1 - Procédure d'approbation]1 Sous-section 7. [1 - Durée de validité]1 Sous-section 8. [1 - Evaluation et suivi]1 Sous-section 9. [1 - Adaptations]1 Sous-section 10. [1 - Procédure de recours]1 Section 4. [1 - Patrimoine ouvert]1 CHAPITRE 9. - Prix Section 1re. - Prix du patrimoine immobilier Section 2. - Prix du paysage européen CHAPITRE 10. - Subventions Section 1re. - Subventions dans le cadre d'acco... Sous-section 1re. - Le subventionnement de serv... Sous-section 2. - Le subventionnement de dépôts... Sous-section 3. [1 - Le subventionnement de com... Sous-section 4. [1 - L'indexation des subventio... Section 2. - Subventions dans le cadre de contr... Sous-section 1re. - Dispositions générales Sous-section 2. - Objectif et champ d'application Sous-section 3. - Contrôle du respect des contr... Sous-section 4. - Dispositions de procédure Sous-section 5. - Dispositions particulières Section 3. - Subventions de projet Sous-section 1re. - Champ d'application Sous-section 2. - Nature de la subvention de pr... Sous-section 3. - La procédure de demande Sous-section 4. - L'évaluation des propositions... Sous-section 5. - Justification de l'affectatio... CHAPITRE 11. - Primes Section 1re. [1 - Travaux et services pour lesq... Section 2. - Prime du patrimoine Sous-section 1re. - Mesures de gestion, travaux... Sous-section 2. - Deux procédures pour la deman... Sous-section 3. Sous-section 4. - Montant sur la base duquel la... Sous-section 5. - Pourcentages de prime Sous-section 6. - Nombre de demandes d'une prim... Sous-section 7. - Modification du titulaire du ... Sous-section 8. - Demander une prime du patrimo... Sous-section 9. - Paiement de la prime du patri... Sous-section 10. [1 - La prime au patrimoine pa... Sous-section 10/1. [1 - Appel et phase de présé... Sous-section 10/2. [1 - Dossier de demande de p... Sous-section 10/3. [1 - Octroi de la prime au p... Sous-section 11. [1 - Paiement de la prime au p... Section 3. - Prime de recherche Sous-section 1re. [1 - Examens préliminaires po... Sous-section 2. - Montant sur la base duquel la... Sous-section 3. - Pourcentages de prime Sous-section 4. - Nombre de demandes d'une prim... Sous-section 5. - Modification du titulaire du ... Sous-section 6. - Demander une prime de recherche Sous-section 7. - Paiement de la prime de reche... Sous-section 8. [1 Ouverture des résultats de l... Section 4. - Accords de prime pluriannuels pour... Sous-section 1re. [1 - Appel à projets pour un ... Sous-section 2. [1 - Sélection de projets éligi... Sous-section 3. - Contenu d'un accord de prime ... Sous-section 4. - Contributions dans le cadre d... Sous-section 5. - Dossier par phase Sous-section 6. - Avances Sous-section 7. - Dossier final et contribution... Sous-section 8. - Prime du patrimoine supplémen... Section 5. - Qualité Section 6. - Remboursement de primes Section 7. - [1 Prime pour frais de fouilles ex... Sous-section 1. - [1 Fouilles archéologiques po... Sous-section 2. - [1 Fouilles archéologiques po... Sous-section 3. - [1 Montant de la prime pour f... Sous-section 4. - [1 Nombre de primes pour frai... Sous-section 5. - [1 Demandes d'une prime pour ... Sous-section 6. - [1 Fixation et paiement de la... Section 8. - [1 Allocation pour un fonds de sol... Sous-section 1. - [1 Agrément comme fonds de so... Sous-section 2. - [1 Le subventionnement de fon... Section 9. Sous-section 1ère. Sous-section 2. Section 10. [1 - Prime pour une étude archéolog... Sous-section 1ère. [1 - Etude archéologique pré... Sous-section 2. [1 - Etude archéologique prélim... Sous-section 3 [1 - Montant de la prime pour un... Sous-section 4. [1 - Nombre de primes pour une ... Sous-section 5. [1 - Demandes d'une prime pour ... Sous-section 6. [1 - Fixation et paiement de la... Section 11. [1 - Prime pour étude archéologique... Sous-section 1. [1 - Etude archéologique pour l... Sous-section 2. [1 - Montant de la prime pour é... Sous-section 3. [1 - Nombre de primes pour étud... Sous-section 4. [1 - Demande de prime pour étud... Sous-section 5. [1 - Fixation et paiement d'une... CHAPITRE 11/1. CHAPITRE 12. - Maintien Section 1re. [1 Dispositions générales]1 Section 2. [1 - Inspecteurs du Patrimoine imm... Section 3. [1 - Superviseurs et officiers de ... Section 4. [1 - Formation]1 Section 5. [1 - Instance verbalisante]1 Section 6. [1 - Réparation]1 Sous-section 1re. [1 - Dispositions de répara... Sous-section 2. [1 - Recours contre les décis... Sous-section 3. [1 - Réparation par équivalen... Sous-section 4. [1 - Modalités de conservatio... Section 7. [1 - L'affectation des recettes de... Section 8. [1 - Lignes directrices et program... CHAPITRE 13. - Dispositions modificatives, abro... Section 1re. - Dispositions modificatives Sous-section 1re. - Modification de l'arrêté du... Sous-section 2. - Modification de l'arrêté du G... Sous-section 3. - Modifications de l'arrêté du ... Sous-section 4. - Modifications de l'arrêté du ... Sous-section 5. - Modification de l'arrêté du G... Sous-section 6. - Modification de l'arrêté du G... Sous-section 7. - Modifications de l'arrêté du ... Sous-section 8. - Modification de l'arrêté du G... Sous-section 9. - Modification de l'arrêté du G... Sous-section 10. - Modifications de l'arrêté du... Sous-section 11. - Modification de l'arrêté du ... Sous-section 12. - Modifications de l'arrêté du... Sous-section 13. - Modification de l'arrêté du ... Sous-section 14. - Modification de l'arrêté du ... Sous-section 15. - Modification de l'arrêté du ... Sous-section 16. - Modification de l'arrêté du ... Sous-section 17. - Modification de l'arrêté du ... Sous-section 18. - Modification de l'arrêté du ... Sous-section 19. - Modification de l'arrêté du ... Sous-section 20. - Modifications de l'arrêté du... Sous-section 21. - Modifications de l'arrêté du... Sous-section 22. - Modifications de l'arrêté du... Sous-section 23. - Modifications de l'arrêté du... Sous-section 24. - Modifications de l'arrêté du... Sous-section 25. - Modification de l'arrêté du ... Sous-section 26. - Modifications de l'arrêté du... Sous-section 27. - Modifications de l'arrêté re... Sous-section 28. - Modification de l'arrêté de ... Section 2. - Dispositions abrogatoires Section 3. - Dispositions transitoires Section 4. - Entrée en vigueur
Tekst (800)
Texte (800)
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepaling
CHAPITRE 1er. - Disposition introductive
Artikel 1. Dit besluit wordt aangehaald als: het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014.
Article 1er. Le présent arrêté est cité comme : l'arrêté relatif au patrimoine immobilier du 16 mai 2014.
HOOFDSTUK 2. - Definities
CHAPITRE 2. - Définitions
Art. 2. In dit besluit wordt verstaan onder:
  [3 1° behandelende agentschap: de instantie waarbij een aanvraag tot opmaak van een geïntegreerd beheersplan wordt ingediend, namelijk het agentschap of het Agentschap voor Natuur en Bos;]3
  [3 1° /1]3 [13 beheersdienst: het agentschap of een andere Vlaamse administratieve overheid die ermee belast is de beheersovereenkomsten te sluiten en op te volgen]13;
  2° beheersmaatregel: het werk, de dienst of de handeling die de zakelijkrechthouder of beheerder in het kader van een beheersovereenkomst verricht, laat verrichten of achterwege laat, afhankelijk van de beheersdoelstelling;
  3° beheerspakket: een geheel van beheersmaatregelen die tegemoetkomen aan een specifieke beheersdoelstelling;
  4° belanghebbende: de zakelijkrechthouder en de gebruiker van het onroerend goed, de zakelijkrechthouders van percelen die grenzen aan het onroerend goed, de gemeente of de provincie waarin het onroerend goed gelegen is, het agentschap en in voorkomend geval de leden van de beheerscommissie;
  5° beleidsprioriteiten: de beleidsdoelstellingen die de Vlaamse Regering formuleert en waarbij ze, al dan niet met een subsidieregeling, de lokale besturen aanmoedigt of verplicht om binnen de geformuleerde doelstellingen een eigen lokaal beleid te voeren;
  6° bijwerken: de bijkomende [13 werken]13 of diensten die, door niet voorzienbare omstandigheden, tijdens de uitvoering van goedgekeurde [13 werken of diensten]13 noodzakelijk blijken en niet vermeld zijn in de kostenraming op basis waarvan de erfgoedpremie werd toegekend;
  7° Commissie: de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed, vermeld in artikel 3.1.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;
  8° [4 ...]4;
  9° discipline: een bepaald vakgebied, specialisme of beroep binnen de onroerenderfgoedsector;
  [5 9° /1 erfgoedgemeenschap: een gemeenschap die bestaat uit organisaties en personen die een bijzondere waarde hechten aan het onroerend erfgoed, en die dat onroerend erfgoed wil behouden en doorgeven aan de toekomstige generaties;]5
  10° forfaitaire werkzaamheden: de werkzaamheden of diensten, opgenomen in een door de minister vastgestelde lijst, die op forfaitaire basis overeenkomstig de bedragen, vermeld in die lijst, in aanmerking komen voor de toekenning van een [1 erfgoed- of onderzoekspremie]1;
  [3 10° /1 geïntegreerd beheersplan: een beheersplan waarin één gebiedsgerichte beheerplanning voor een onroerend erfgoed, voor erfgoedlandschappen, een natuurdomein of voor een ander terrein, beheerd ten behoeve van het natuurbehoud wordt vooropgesteld, en/of waarbij in geval van het overlappen van de verschillende beschermingsstatuten de verschillende beleidsdoelstellingen op elkaar worden afgestemd. Dat geïntegreerde beheersplan omvat steeds de verschillende beheerdoelstellingen en garandeert één afgestemde gebiedsgerichte visie binnen de geldende regelgeving;]3
  11° gespecialiseerde werkzaamheden:
  a) [13 werken of diensten]13 aan:
  1) orgels, beiaarden, torenuurwerken, luiklokken;
  2) historische instrumenten;
  3) beeldhouwwerken of grafstenen;
  4) panelen, schilderijen, muurschilderingen;
  5) muurbekledingen, textiel;
  6) [14 tuinen of parken met erfgoedwaarde en bomen]14;
  7) meubilair, lambriseringen, tuin- en straatmeubilair;
  8) heraldische wapens en symbolen;
  9) glasramen;
  10) smeedwerk;
  11) archeologische ensembles of sites;
  [14 11° /1 gezondheidsindex: het prijsindexcijfer dat berekend en benoemd wordt voor de toepassing van artikel 2, § 1, van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij de wet van 30 maart 1994;]14
  [15 11° /2 kerkenbeleidsplan: kerkenbeleidsplan vermeld in artikel 33/2 van het decreet van 7 mei 2004 betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten; ]15
  12) industrieel erfgoed met inbegrip van installaties, uitrustingsstukken en onderdelen;
  13) cultuurgoederen;
  b) beveiligingswerken tegen diefstal, brand en blikseminslag van beschermde monumenten en de cultuurgoederen die er integrerend deel van uitmaken;
  12° kostenraming: een lijst met posten van de beoogde maatregelen, werkzaamheden en diensten, met aanduiding van de benodigde hoeveelheden en hun vermoedelijke kostprijs, al dan niet gebaseerd op de goedgekeurde lijst met forfaitaire werkzaamheden;
  12° /1 [14 ...]14
  12° /2 [14 ...]14
  13° lokale beleidscyclus: de beleidscyclus van zes jaar die gekoppeld is aan de lokale bestuursperiode en die begint in het tweede jaar dat volgt op de lokale verkiezingen en eindigt op het einde van het jaar na de daaropvolgende verkiezingen;
  14° meerwerken: de bijkomende [13 werken]13 of diensten die de vermoedelijke hoeveelheden die in de aanvaarde kostenraming worden vermeld, overschrijden;
  [14 14° /1 menselijke inhumatieresten: alle resten van personen die in de bodem of onder water worden aangetroffen, waarbij op de stoffelijke resten geen inwerking van vuur is opgetreden tussen het tijdstip van overlijden en de opname in de bodem of in het water;]14
  15° minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor het onroerend erfgoed;
  16° [2 ...]2
  [3 16° /1 natuurdomein: een terrein als vermeld in artikel 2, punt 55°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;]3
  [7 16° /2 onderhoudslogboek: een overzicht van de maatregelen die zijn genomen om onroerend erfgoed of erfgoedlandschappen in goede staat te behouden, te verbeteren of te ontwikkelen. Het onderhoudslogboek toont aan dat het consequent wordt beheerd, fysisch gezond blijft of gunstig evolueert. Het onderhoudslogboek:
   a) bevat regelmatige toestandsrapporten;
   b) interageert, in voorkomend geval, met de beheersdoelstellingen geformuleerd in een goedgekeurd beheersplan, en de richtlijnen, eenmalige en terugkerende maatregelen en werkzaamheden die met het oog daarop zijn voorzien;
   c) is, als er geen goedgekeurd beheersplan voorhanden is, het referentiedocument en bevat altijd een toestandsrapport dat is opgemaakt aan het begin van de periode waarover wordt gerapporteerd, en een actueel toestandsrapport;
   d) omvat, in het geval van open erfgoed, indicatoren die specifiek inspelen op de erkenningsvoorwaarden voor open erfgoed;]7

  17° onderwijsgebouw: een onroerend goed dat op grond van zijn onderwijsbestemming vrijgesteld is van de onroerende voorheffing;
  18° onroerenderfgoedactoren: de betrokkenen en belanghebbenden bij de zorg voor het onroerend erfgoed op het grondgebied van de gemeente;
  19° ontwerper: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die het ontwerp maakt van de werkzaamheden of diensten aan of in beschermde goederen of in erfgoedlandschappen, en ze begeleidt en controleert of het beheersplan opmaakt;
  [8 20° open erfgoed: een beschermd goed of een erfgoedlandschap, dat geheel of gedeeltelijk opengesteld wordt en als zodanig is erkend door het agentschap;]8
  21° post: een gedetailleerde omschrijving per onderdeel van de te leveren goederen, diensten en te verrichten werkzaamheden;
  22° premienemer: elkeen die opdrachtgever is van de [13 werken of diensten]13, voorafgaande onderzoeken of de opmaak van het beheersplan en die de kosten ervan draagt;
  [1 22° /1 [9 premie voor buitensporige opgravingskosten: een premie ter financiering van de buitensporige directe kosten van de verplichte en al uitgevoerde archeologische opgraving, zoals opgenomen in de archeologienota of de nota waarvan akte is genomen ter uitvoering van artikel 5.4.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;]9]1
  23° [10 premie voor archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem: een premie ter financiering van verplicht uitgevoerd archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem bij vergunningsplichtige ingrepen in de bodem zoals opgenomen in de toelating of in de archeologienota waarvan akte is genomen ter uitvoering van artikel 5.4.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;]10
  24° regulier onderhoud: de preventieve en periodieke onderhoudswerken, gericht op het duurzaam in goede staat houden van een goed, die geen vervanging of wijziging van materiaal en uitvoeringstechniek impliceren en die geen negatieve impact op de erfgoedwaarde en geen impact op de bodem hebben;
  [3 24° /1 terrein beheerd ten behoeve van het natuurbehoud: een terrein dat beheerd wordt conform de bepalingen van hoofdstuk IIIbis van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;]3
  25° toekenning: de officiële kennisgeving aan de premienemer van het ministerieel besluit waarbij het bedrag van de erfgoedpremie [13 via oproep]13 wordt vastgesteld;
  [11 25° /1 toestandsrapport: een rapport over de fysische staat van onroerend erfgoed of erfgoedlandschappen waaruit de vereiste beheersmaatregelen kunnen worden afgelezen. Een toestandsrapport kan evaluaties en beheersaanbevelingen bevatten. Het rapport wordt gestaafd met duidelijk beeldmateriaal;]11
  26° uitvoerder: de natuurlijke persoon of rechtspersoon, die het beheer van of de werkzaamheden aan onroerend erfgoed en erfgoedlandschappen uitvoert;
  27° voorafgaand onderzoek: elke vorm van voorbereidend onderzoek dat noodzakelijk is voor het kwaliteitsvolle beheer of de herwaardering van een beschermd goed of een erfgoedlandschap en waarvan verondersteld mag worden dat het buiten de gebruikelijke opdracht van een eventuele ontwerper valt, met inbegrip van de werkzaamheden die nodig zijn om dat onderzoek uit te voeren;
  [14 27° /1 Vlaamse overheid: de Vlaamse overheid vermeld in artikel I.3, 1°, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018;]14
  [12 28° ZEN-erfgoed: beschermde onroerende goederen, erfgoedlandschappen of zelfstandige onderdelen ervan, die geen doorslaggevend economisch nut kunnen hebben of waarvan het beheer geen doorslaggevend economisch nut genereert.]12
  
Art. 2. Dans le présent arrêté, on entend par :
  [3 1° agence traitante : l'instance auprès de laquelle une demande d'établissement d'un plan de gestion intégré est introduite, à savoir l'agence ou l'Agence de la Nature et des Forêts ;]3
  [3 1° /1]3 [13 service de gestion : l'agence ou une autre autorité administrative flamande chargée de conclure les contrats de gestion et d'en assurer le suivi]13;
  2° mesure de gestion : le travail, le service ou l'acte que le titulaire du droit réel ou gestionnaire effectue, fait effectuer ou n'effectue pas dans le cadre d'un contrat de gestion, en fonction de l'objectif de gestion ;
  3° paquet de gestion : un ensemble de mesures de gestion qui répondent à un objectif de gestion spécifique ;
  4° personne intéressée : le titulaire du droit réel et l'utilisateur du bien immobilier, les titulaires du droit réel de parcelles qui touchent au bien immobilier, la commune ou la province dans laquelle se situe le bien immobilier, l'agence et le cas échéant les membres de la commission de gestion ;
  5° priorités politiques : les objectifs politiques qui sont formulés par le Gouvernement flamand et par lesquels, au moyen d'un régime de subvention ou non, elle encourage ou oblige les administrations locales à mener une propre politique locale au sein des objectifs formulés ;
  6° travaux supplémentaires : les [13 travaux]13 ou services supplémentaires qui, en raison de circonstances non prévisibles, s'avèrent nécessaires lors de l'exécution de [13 travaux ou services approuvés]13 et qui ne sont pas [13 mentionnés]13 dans l'estimation des frais sur la base de laquelle la prime du patrimoine a été octroyée ;
  7° Commission : la Commission flamande du Patrimoine immobilier, visée à l'article 3.1.1 du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 ;
  8° [4 ...]4 ;
  9° discipline : une certaine branche, spécialité ou profession au sein du secteur du patrimoine immobilier ;
  [5 9° /1 communauté patrimoniale : une communauté qui se compose d'organisations et de personnes qui attachent une valeur particulière au patrimoine immobilier et qui visent à préserver ce patrimoine immobilier et à le transmettre aux générations futures ;]5
  10° travaux forfaitaires : les travaux ou services, repris dans une liste établie par le Ministre, qui sont éligibles à l'octroi d'une [1 prime du patrimoine ou à la recherche]1, sur une base forfaitaire, conformément aux montants, visés à cette liste ;
  [3 10° /1 plan de gestion intégré : un plan de gestion dans lequel une seule planification de la gestion, propre à la région, pour un bien immobilier, pour des paysages patrimoniaux, un domaine naturel ou pour un autre terrain, géré en faveur de la conservation de la nature est envisagée, et/ou pour lequel les différents objectifs politiques sont harmonisés en cas de chevauchement des différents statuts de protection. Ce plan de gestion intégré comprend toujours les différents objectifs de gestion et garantit une seule vision harmonisée propre à la région, au sein de la réglementation en vigueur ;]3
  11° activités spécialisées :
  a) [13 travaux ou services]13 concernant :
  1) des orgues, des carillons, des tours horloges, des cloches ;
  2) des instruments historiques ;
  3) des sculptures ou des pierres tombales ;
  4) des panneaux, des tableaux, des peintures murales ;
  5) des revêtements muraux, du textile ;
  6) [14 jardins ou des parcs présentant une valeur patrimoniale et des arbres]14 ;
  7) du mobilier, des lambris, du mobilier de jardin et urbain ;
  8) des armes et des symboles héraldiques ;
  9) des vitraux ;
  10) des objets en fer forgé ;
  11) des ensembles ou sites archéologiques ;
  [14 11° /1 indice santé : l'indice des prix qui est calculé et dénommé pour l'application de l'article 2, § 1er, de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays, confirmé par la loi du 30 mars 1994 ;]14
  [15 11° /2 plan politique en matière d'églises : plan politique en matière d'églises visé à l'article 33/2 du décret du 7 mai 2004 relatif à l'organisation matérielle et au fonctionnement des cultes reconnus ;]15
  12) du patrimoine industriel y compris des installations, des pièces d'équipement et des parties ;
  13) des biens culturels ;
  b) travaux de sécurité contre le vol, l'incendie et la foudre de monuments protégés et des biens culturels qui en font partie intégrante ;
  12° estimation des frais : une liste de postes des mesures, activités et services visés, avec indication des quantités nécessaires et de leur prix de revient probable, basée ou non sur la liste approuvée des travaux forfaitaires ;
  12° /1 [14 ...]14
  12° /2 [14 ...]14
  13° cycle politique local : le cycle politique de six ans qui est relié à la période administrative locale et qui commence dans la deuxième année qui suit les élections locales et se termine à la fin de l'année après les élections qui suivent ;
  14° travaux non prévus : les [13 travaux]13 ou services supplémentaires qui dépassent les quantités probables, visées à l'estimation des frais acceptée ;
  [14 14° /1 restes d'inhumation humaine : tous les restes de personnes trouvés dans le sol ou sous l'eau, ces restes n'ayant pas été soumis à l'action du feu entre le moment du décès et celui de l'enterrement ou de l'immersion ;]14
  15° Ministre : le Ministre flamand chargé du patrimoine immobilier ;
  16° [2 ...]2
  [3 16° /1 domaine naturel : un terrain tel que visé à l'article 2, point 55°, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel ;]3
  [7 16° /2 compte rendu d'entretien : un aperçu des mesures qui ont été prises pour maintenir le patrimoine immobilier ou les paysages patrimoniaux en bon état, pour les améliorer ou développer. Le compte rendu d'entretien démontre que le patrimoine est géré conséquemment, qu'il reste en bon état physique ou évolue favorablement. Le compte rendu d'entretien :
   a) contient des rapports périodiques de l'état des lieux ;
   b) interagit, le cas échéant, avec les objectifs de gestion, tels que formulés dans un plan de gestion approuvé et avec les directives, mesures uniques et récurrentes et activités prévues à cette fin ;
   c) fait foi de document de référence, à défaut d'un plan de gestion approuvé, et contient toujours un rapport de l'état des lieux qui a été établi au début de la période faisant l'objet du rapport et un rapport actuel de l'état des lieux ;
   d) contient, dans le cas de patrimoine ouvert, des indicateurs qui se réfèrent spécifiquement aux conditions d'agrément applicables au patrimoine ouvert ;]7

  17° bâtiment d'enseignement : un bien immobilier qui, en raison de son affectation à l'enseignement, est exempté du précompte immobilier ;
  18° acteurs du patrimoine immobilier : les personnes concernées et intéressées concernant le soin du patrimoine immobilier sur le territoire de la commune ;
  19° concepteur : la personne physique ou personne morale qui conçoit le projet des travaux ou services à ou dans des biens protégés ou dans des paysages patrimoniaux, et les accompagne et contrôle ou établit le plan de gestion ;
  20° [8 patrimoine ouvert : un bien ou un paysage patrimonial protégés qui sont ouverts au public dans leur ensemble ou en partie et qui ont été agréés comme tel par l'agence ;]8
  21° poste : une description détaillée par partie des biens à fournir, des services et des activités à effectuer ;
  22° preneur de prime : toute personne qui est le donneur d'ordre des [13 travaux ou services]13, des examens préliminaires ou de l'établissement du plan de gestion et qui en supporte les frais ;
  [9 22° /1 prime pour frais de fouilles excessifs : la prime pour le financement des coûts directs excessifs des fouilles archéologiques obligatoires et déjà effectuées, telles que reprises dans la note archéologique ou dans la note dont il a été pris acte en exécution de l'article 5.4.1. du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 ;]9
  23° [10 prime pour une étude archéologique préliminaire avec intervention dans le sol : une prime pour financer l'étude archéologique préliminaire obligatoire entraînant de l'intervention dans le sol dans le cas d'interventions dans le sol assujetties à une autorisation, telles que reprises dans le permis ou dans la note archéologique, dont il a été pris acte en exécution de l'article 5.4.1 du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 ;]10
  24° entretien régulier : les travaux d'entretien préventifs et périodiques, visant de manière durable le maintien en bon état d'un bien, qui n'impliquent pas de remplacement ou de modification du matériel et de la technique d'exécution et qui n'ont pas d'impact négatif sur la valeur patrimoniale et pas d'impact sur le sol ;
  [3 24° /1 terrain géré en faveur de la conservation de la nature : un terrain géré conformément aux dispositions du chapitre IIIbis du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel ;]3
  25° octroi : la notification officielle au preneur de prime de l'arrêté ministériel par lequel le montant de la [13 prime au patrimoine par appel]13 est fixé ;
  [11 25° /1 rapport de l'état des lieux : un rapport sur l'état physique du patrimoine immobilier ou de paysages patrimoniaux reprenant les mesures de gestion requises. Un rapport de l'état des lieux peut contenir des évaluations et des recommandations relatives à la gestion. Le rapport est assorti de matériel graphique clair ;]11
  26° exécuteur : la personne physique ou personne morale, qui exécute la gestion du ou les travaux au patrimoine immobilier et des/aux paysages patrimoniaux ;
  27° examen préliminaire : toute forme d'examen préparatoire qui est nécessaire pour la gestion ou revalorisation de qualité d'un bien protégé ou paysage patrimonial et dont il peut être supposé qu'il dépasse le cadre de la mission habituelle d'un concepteur éventuel, y compris les travaux qui sont nécessaires pour effectuer cet examen ;
  [14 27° /1 Autorité flamande : l'Autorité flamande visée à l'article I.3, 1°, du décret de gouvernance du 7 décembre 2018 ;]14
  28° [12 patrimoine " ZEN " : des biens immobiliers protégés, paysages patrimoniaux ou des parties distinctes de ceux-ci qui ne sont pas susceptibles d'avoir une utilité économique réelle ou dont la gestion ne génère pas d'utilité économique réelle.]12
  
HOOFDSTUK 3. - Instanties en actoren van het onroerenderfgoedbeleid
CHAPITRE 3. - Instances et acteurs de la politique en matière de patrimoine immobilier
Afdeling 1. - Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed
Section 1re. - Commission flamande du Patrimoine immobilier
Art. 3.1.1. De Commissie bestaat uit:
  1° veertien leden met expertise in minstens één van de disciplines van onroerend erfgoed;
  2° zeven leden uit het maatschappelijke middenveld.
Art. 3.1.1. La Commission se compose de :
  1° quatorze membres ayant de l'expertise dans au moins une des disciplines du patrimoine immobilier ;
  2° sept membres de la société civile.
Art. 3.1.2. Het lidmaatschap van de Commissie is niet verenigbaar met:
  1° een mandaat in het Europees Parlement, de Kamer van Volksvertegenwoordigers, de Senaat, het Vlaams Parlement of het Brussels Hoofdstedelijk Parlement;
  2° het ambt van minister of staatssecretaris;
  3° het ambt van personeelslid van een departement of agentschap van de Vlaamse overheid, belast met de uitvoering van het beleid inzake onroerend erfgoed;
  4° het ambt van personeelslid van het secretariaat van de strategische adviesraad Ruimtelijke Ordening - Onroerend Erfgoed.
  De leden, bedoeld in artikel 3.1.1, 1°, treden in de Commissie niet op als vertegenwoordiger van de organisatie waarin ze deel uitmaken van de bestuursorganen, of waartoe ze behoren als werknemer of als vrijwilliger maar vanuit hun deskundigheid op het vlak van onroerend erfgoed.
  De leden, bedoeld in artikel 3.1.1, 2°, streven er naar om het belang dat verdedigd wordt door een maatschappelijke belangengroep te overstijgen en mee te werken aan adviezen die gericht zijn op het algemeen belang en de doelstellingen van het onroerenderfgoedbeleid.
  Ten hoogste twee derde van de leden van de Commissie is van hetzelfde geslacht.
Art. 3.1.2. La qualité de membre de la Commission est incompatible avec :
  1° un mandat au Parlement européen, à la Chambre des Représentants, au Sénat, au Parlement flamand ou au Parlement de Bruxelles-Capitale ;
  2° la fonction de Ministre ou de Secrétaire d'Etat ;
  3° la fonction de membre du personnel d'un département ou d'une agence des autorités flamandes, en charge de l'exécution de la politique en matière de patrimoine immobilier ;
  4° la fonction de membre du personnel du secrétariat du conseil consultatif stratégique Aménagement du Territoire - Patrimoine immobilier.
  Les membres, visés à l'article 3.1.1, 1°, n'agissent pas au sein de la Commission en tant que représentant de l'organisation dans laquelle ils font partie des organes administratifs, ou à laquelle ils appartiennent en tant qu'employé ou volontaire, mais à partir de leur expertise en matière de patrimoine immobilier.
  Les membres, visés à l'article 3.1.1, 2°, visent à dépasser l'intérêt qui est défendu par un groupe de pression social et à coopérer à des avis qui visent l'intérêt général et les objectifs de la politique en matière de patrimoine immobilier.
  Les deux tiers au maximum des membres de la Commission sont du même sexe.
Art. 3.1.3. De leden van de Commissie worden benoemd door de Vlaamse Regering na een openbare oproep tot kandidaatstelling, die ten minste bekendgemaakt wordt in het Belgisch Staatsblad, op de website van het agentschap en op andere relevante websites.
  De voorzitter van de Commissie is één van de leden. De voorzitter wordt benoemd door de Vlaamse Regering.
Art. 3.1.3. Les membres de la Commission sont désignés par le Gouvernement flamand après un appel public aux candidatures, qui est publié au moins au Moniteur belge, sur le site web de l'agence et sur d'autres sites web pertinents.
  Le président de la Commission est un des membres. Le président est nommé par le Gouvernement flamand.
Art. 3.1.4. De Vlaamse Regering kan een einde maken aan het mandaat van een lid of voorzitter van de Commissie:
  1° op verzoek van de mandaathouder;
  2° op verzoek van de Commissie;
  3° na advies van de Commissie als de mandaathouder drie opeenvolgende vergaderingen zonder geldige verantwoording niet bijwoont;
  4° na advies van de Commissie als de mandaathouder activiteiten of functies uitoefent die onverenigbaar zijn met het mandaat of die een strijdigheid van belangen tot gevolg hebben.
  De Vlaamse Regering voorziet in de vervanging van overleden of ontslagen leden. Als een lid vervangen wordt in de loop van de vierjarige termijn, wordt zijn mandaat voleindigd door zijn vervanger.
Art. 3.1.4. Le Gouvernement flamand peut mettre un terme au mandat d'un membre ou du président de la Commission :
  1° à la demande du titulaire du mandat ;
  2° à la demande de la Commission ;
  3° après l'avis de la Commission lorsque le titulaire du mandat n'assiste pas à trois réunions consécutives sans justification valable ;
  4° après l'avis de la Commission lorsque le titulaire du mandat exerce des activités ou des fonctions qui sont incompatibles avec le mandat ou qui entraînent un conflit d'intérêts.
  Le Gouvernement flamand assure le remplacement de membres décédés ou licenciés. Lorsqu'un membre est remplacé au cours de la période de quatre ans, son mandat est achevé par son remplaçant.
Art. 3.1.5. De Commissie legt [1 binnen een termijn van negentig dagen, die ingaat op de dag]1 na de benoeming van haar leden een voorstel van huishoudelijk reglement ter goedkeuring voor aan de minister.
  
Art. 3.1.5. [1 Dans un délai de nonante jours, qui prend cours le jour]1 après la nomination de ses membres, la Commission soumet une proposition de règlement d'ordre intérieur à l'approbation du Ministre.
  
Art. 3.1.6. Het secretariaat van de Commissie wordt uitgeoefend door het secretariaat van de strategische adviesraad Ruimtelijke Ordening - Onroerend Erfgoed.
  Het secretariaat is belast met de administratieve, logistieke en inhoudelijke ondersteuning van de Commissie. Het secretariaat zorgt onder andere voor de verslaggeving van de vergaderingen en voor de redactie van de ontwerpadviezen, ontwerpverslagen en ontwerpbesluiten.
Art. 3.1.6. Le secrétariat de la Commission est assuré par le secrétariat du conseil consultatif stratégique Aménagement du Territoire - Patrimoine immobilier.
  Le secrétariat est chargé de l'appui administratif, logistique et de fond de la Commission. Le secrétariat assure entre autres l'établissement des rapports des réunions et la rédaction des projets d'avis, des projets de rapport et des projets d'arrêté.
Art. 3.1.7. De Vlaamse Regering voorziet, via de jaarlijkse dotatie aan de strategische adviesraad Ruimtelijke Ordening - Onroerend Erfgoed, in de nodige financiële middelen voor de werking van de Commissie.
Art. 3.1.7. Le Gouvernement flamand assure, via la dotation annuelle au conseil consultatif stratégique Aménagement du Territoire - Patrimoine immobilier, les ressources financières nécessaires pour le fonctionnement de la Commission.
Art. 3.1.8. De Commissie kan aan de agentschappen, bevoegd voor het onroerend erfgoed, vragen om toelichtingen te verschaffen over de aangelegenheden die passen in het kader van de werkzaamheden van de Commissie.
  De Commissie kan alle nodige informatie inwinnen bij administratieve overheden of bij de indiener van een beroep.
  De vergaderingen van de Commissie zijn besloten. De Commissie kan evenwel te allen tijde externe deskundigen of betrokkenen uitnodigen om in een adviserende hoedanigheid deel te nemen aan haar vergaderingen en om hen te raadplegen over bijzondere vraagstukken. Ze verlaten de vergadering voor de besluitvorming.
  De Commissie kan werkcommissies oprichten.
Art. 3.1.8. La Commission peut demander aux agences, compétentes pour le patrimoine immobilier, de fournir des explications concernant les matières qui s'inscrivent dans le cadre des travaux de la Commission.
  La Commission peut demander toutes les informations nécessaires auprès d'autorités administratives ou auprès de l'auteur d'un recours.
  Les réunions de la Commission ont lieu à huis clos. Cependant, la Commission peut à tout moment inviter des experts externes ou des personnes concernées afin de participer à ses réunions en qualité consultative et afin de les consulter concernant des problèmes particuliers. Ils quittent la réunion avant la prise de décision.
  La Commission peut créer des commissions de travail.
Art. 3.1.9. De Commissie brengt jaarlijks verslag uit over haar werkzaamheden bij de minister. Dat verslag wordt openbaar gemaakt.
Art. 3.1.9. La Commission soumet un rapport annuel concernant ses travaux au Ministre. Ce rapport est rendu public.
Art. 3.1.10. De leden van de commissie hebben recht op een presentiegeld en op de terugbetaling van hun reis- en maaltijdkosten. Het presentiegeld wordt aan hen toegekend en de reis- en maaltijdkosten worden aan hen terugbetaald overeenkomstig de volgende regels:
  1° een presentiegeld van 30 euro wordt toegekend voor een deelneming gedurende minstens drie uur, op dezelfde dag, aan een of meer vergaderingen van de commissie. Het presentiegeld bedraagt 45 euro voor een deelneming gedurende minstens zes uur op dezelfde dag;
  2° hun reis- en maaltijdkosten worden terugbetaald volgens de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 2006 houdende vaststelling van de rechtspositie van het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid. Voor de berekening van de reis- en maaltijdvergoedingen wordt de woonplaats als standplaats beschouwd.
  Voor de leden van de commissie die andersvalide zijn en zonder assistentie van een derde persoon de zittingen niet kunnen bijwonen, bedragen de presentiegelden, vermeld in het eerste lid, 60 euro voor een deelneming gedurende minstens drie uur, op dezelfde dag, aan een of meer vergaderingen van de commissie, en 90 euro voor een deelneming gedurende minstens zes uur op dezelfde dag.
  Er wordt voor maximaal 24 vergaderingen per jaar een presentiegeld toegekend.
Art. 3.1.10. Les membres de la commission de contrôle ont droit à un jeton de présence et au remboursement de leurs frais de parcours et de repas. Le jeton de présence leur est octroyé et les frais de parcours et de repas leurs sont remboursés conformément aux règles suivantes :
  1° un jeton de présence de 30 euros est octroyé pour une participation pendant au moins trois heures, le même jour, à une ou plusieurs réunions de la commission. Le jeton de présence s'élève à 45 euros pour une participation pendant au moins six heures le même jour ;
  2° leurs frais de parcours et de repas sont remboursés selon les dispositions de l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 janvier 2006 fixant le statut du personnel des services des autorités flamandes. Pour le calcul des indemnités de parcours et de repas, le domicile est considéré comme résidence administrative.
  Pour les membres de la commission qui sont handicapés et ne peuvent pas assister aux séances sans l'assistance d'une tierce personne, les jetons de présence, visés à l'alinéa premier, s'élèvent à 60 euros pour une participation pendant au moins trois heures, le même jour, à une ou plusieurs réunions de la commission, et à 90 euros pour une participation pendant au moins six heures le même jour.
  Un jeton de présence est octroyé pour un maximum de 24 réunions par an.
Art. 3.1.11. Vanaf 1 januari 2015 worden de presentiegelden, vermeld in artikel 3.1.10, jaarlijks aangepast aan de gezondheidsindex, met als referentie de maand december die voorafgaat aan het jaar waarvoor de presentiegelden worden toegekend. Die bedragen zijn gekoppeld aan de gezondheidsindex 100,41 van december 2013 (basis 2013 = 100).
  Onder de gezondheidsindex wordt verstaan het prijsindexcijfer dat berekend en benoemd wordt voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij de wet van 30 maart 1994.
Art. 3.1.11. A partir du 1er janvier 2015, les jetons de présence, visés à l'article 3.1.10, sont adaptés annuellement à l'indice santé, la référence étant le mois de décembre qui précède l'année pour laquelle les jetons de présence sont octroyés. Ces montants sont liés à l'indice santé 100,41 de décembre 2013 (base 2013 = 100).
  Par indice santé, on entend l'indice des prix qui est calculé et dénommé pour l'application de l'article 2, alinéa premier, de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays, confirmé par la loi du 30 mars 1994.
Art. 3.1.12. De presentiegelden en de reis- en maaltijdvergoedingen, vermeld in artikel 3.1.10, worden jaarlijks door het secretariaat betaald aan de leden van de commissies, op voorlegging van een door het lid opgemaakte en voor echt en juist verklaarde kostenstaat.
Art. 3.1.12. Les jetons de présence et les indemnités de parcours et de repas, visés à l'article 3.1.10, sont payés annuellement par le secrétariat aux membres des commissions, sur présentation d'un état de frais établi et déclaré sincère et véritable par le membre.
Afdeling 2. - Erkenning als onroerenderfgoedgemeente
Section 2. - Agrément comme commune du patrimoine immobilier
Art. 3.2.1. [1 Een gemeente kan erkend worden en blijven als onroerenderfgoedgemeente als ze in het Vlaamse Gewest ligt en voldoet aan al de volgende Vlaamse beleidsprioriteiten voor het onroerenderfgoedbeleid:
   1° de gemeente beschikt over een onderbouwde beleidsvisie die voldoet aan al de volgende voorwaarden:
   a) ze is complementair aan het Vlaamse onroerenderfgoedbeleid;
   b) ze beoogt het behoud, het gebruik en de herbestemming van het onroerend erfgoed dat op haar grondgebied ligt;
   c) ze is integraal;
   d) ze is geïntegreerd;
   e) ze houdt rekening met de noden van de gemeenschap;
   2° de gemeente creëert een lokaal draagvlak voor haar beleidsvisie inzake onroerend erfgoed;
   3° de gemeente neemt een voorbeeldfunctie op in de zorg voor het onroerend erfgoed waarvan ze eigenaar of beheerder is inclusief de integratie van haar beleidsvisie voor onroerend erfgoed in haar beslissingen en plannen;
   4° de gemeente beschikt over de nodige expertise voor een kwalitatieve opmaak en uitvoer van haar beleidsvisie voor onroerend erfgoed;
   5° de gemeente betrekt een adviesraad bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van haar beleidsvisie voor onroerend erfgoed. De adviesraad is erkend door de gemeenteraad en bestaat uit een vertegenwoordiging van het lokale erfgoedveld;
   6° de gemeente voert de beslissingen over de aanvragen voor toelating voor archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem en de meldingen en beoordelingen van archeologienota's en nota's, die uitgereikt zijn in het kader van de toepassing van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en dit besluit, in de digitale registers van de Vlaamse overheid in binnen een ordetermijn van tien dagen, die ingaat op de dag na de beslissing;
   7° de gemeente voert de beslissingen en adviezen zoals vermeld in artikel 6.5.1, 4°, 6° en 7° in de databank van toelatingen en adviezen in binnen een ordetermijn van tien dagen, die ingaat op de dag na het advies of de beslissing.
   8° de gemeente inventariseert het onroerend erfgoed op haar grondgebied en zet instrumenten in om het duurzaam behoud en beheer ervan te stimuleren;
   9° de gemeente voert het door haar vastgestelde onroerend erfgoed en de er eventueel aan gekoppelde toelatingsplichten in in het platform dat daarvoor ter beschikking wordt gesteld door de Vlaamse overheid;
   10° de gemeente heeft een gemeentelijk verbalisant aangesteld om de regelgeving over het onroerend erfgoed op haar grondgebied te handhaven.
   Om te voldoen aan de Vlaamse beleidsprioriteiten voor het onroerenderfgoedbeleid, vermeld in het eerste lid, kan een gemeente zich laten ondersteunen door een erkende intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst.]1

  
Art. 3.2.1. [1 Une commune peut être agréée et continuer à être une commune du patrimoine immobilier si elle est située en Région flamande et si elle répond à toutes les priorités suivantes de la politique flamande en matière de patrimoine immobilier :
   1° la commune dispose d'une vision politique étayée qui remplit toutes les conditions suivantes :
   a) elle est complémentaire à la politique flamande en matière de patrimoine immobilier ;
   b) elle vise la préservation, l'utilisation et la réaffectation du patrimoine immobilier situé sur son territoire ;
   c) elle est intégrale ;
   d) elle est intégrée ;
   e) elle tient compte des besoins de la communauté ;
   2° la commune crée une assise locale pour sa vision politique en matière de patrimoine immobilier ;
   3° la commune assume une fonction d'exemple dans la prise en charge du patrimoine immobilier qu'elle possède ou gère, notamment en intégrant sa vision politique en matière de patrimoine immobilier dans ses décisions et ses plans ;
   4° la commune dispose de l'expertise nécessaire pour une élaboration et une mise en oeuvre qualitatives de sa vision politique en matière de patrimoine immobilier ;
   5° la commune implique un conseil consultatif dans la préparation, la mise en oeuvre et l'évaluation de sa vision politique en matière de patrimoine immobilier. Le conseil consultatif est agréé par le conseil communal et se compose d'une représentation du secteur patrimonial local ;
   6° dans un délai d'ordre de dix jours, à compter du lendemain de la décision, la commune introduit dans les registres numériques de l'Autorité flamande les décisions relatives aux demandes d'autorisation pour étude archéologique préliminaire avec intervention dans le sol et les notifications et évaluations des notes (archéologiques), remises dans le cadre de l'application du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 et du présent arrêté ;
   7° la commune introduit les décisions et avis tels que visés à l'article 6.5.1, 4°, 6° et 7°, dans la banque de données des autorisations et avis dans un délai d'ordre de dix jours, à compter du lendemain de l'avis ou de la décision.
   8° la commune dresse l'inventaire du patrimoine immobilier sur son territoire et déploie des instruments pour encourager sa conservation et sa gestion durables ;
   9° la commune inscrit sur la plate-forme mise à disposition à cet effet par l'Autorité flamande le patrimoine immobilier établi par ses soins et les obligations d'autorisation éventuelles y afférentes ;
   10° la commune a désigné un verbalisant communal pour faire appliquer sur son territoire la réglementation relative au patrimoine immobilier.
   Afin de répondre aux priorités politiques flamandes en matière de patrimoine immobilier, visées à l'alinéa 1er, une commune peut se faire assister par un service du patrimoine immobilier intercommunal agréé.]1

  
Art. 3.2.2. [1 Uiterlijk op 15 januari van het eerste jaar van de lokale beleidscyclus of, bij een evaluatie na drie jaar door de Vlaamse Regering, op 15 januari van het vierde jaar van de lokale beleidscyclus, dient de gemeente de lokale invulling van de Vlaamse beleidsprioriteiten, zoals vermeld in artikel 3.2.1 van dit besluit, bij de Vlaamse Regering in. De indiening van de voormelde invulling geldt als aanvraag tot erkenning als onroerenderfgoedgemeente. De gemeente bezorgt daarvoor de relevante onderdelen van de door de gemeenteraad goedgekeurde meerjarenplanning, vermeld in artikel 254 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, aan de Vlaamse Regering. Daarin geeft de gemeente aan op welke wijze ze de Vlaamse beleidsprioriteiten voor het onroerenderfgoedbeleid, vermeld in artikel 3.2.1 van dit besluit, zal uitvoeren. De gemeente kan op eigen initiatief aanvullende documenten bezorgen.]1.
  De [1 ...]1 meerjarenplanning bevat:
  1° een beschrijving van de gewenste effecten en indicatoren van het onroerenderfgoedbeleid;
  2° de actieplannen en de acties die de gemeente [1 ...]1 opzet om vorm te geven aan het onroerenderfgoedbeleid;
  3° een beschrijving van de manier waarop de gemeente de participatie organiseert.
  
Art. 3.2.2. [1 Au plus tard le 15 janvier de la première année du cycle politique local ou, lors d'une évaluation après trois ans par le Gouvernement flamand, le 15 janvier de la quatrième année du cycle politique local, la commune introduit la concrétisation locale des priorités politiques flamandes, telles que visées à l'article 3.2.1, du présent arrêté, auprès du Gouvernement flamand. L'introduction de la concrétisation susmentionnée constitue une demande d'agrément en tant que commune du patrimoine immobilier. La commune transmet à cet effet les parties pertinentes du planning pluriannuel approuvé par le conseil communal visé à l'article 254 du décret communal du 22 décembre 2017, au Gouvernement flamand. La commune y indique de quelle manière elle mettra en oeuvre les priorités politiques flamandes concernant la politique en matière de patrimoine immobilier visées à l'article 3.2.1 du présent arrêté. La commune peut, de sa propre initiative, transmettre des documents supplémentaires]1.
  Le planning pluriannuel [1 ...]1 comprend :
  1° une description des effets souhaités et des indicateurs de la politique en matière de patrimoine immobilier ;
  2° les plans d'action et les actions que la commune met sur pied [1 ...]1 pour donner forme à la politique en matière de patrimoine immobilier ;
  3° une description de la manière dont la commune organise la participation.
  
Art. 3.2.3. [1 Het agentschap kan het advies van de Commissie inwinnen over de aanvraag tot erkenning van de onroerenderfgoedgemeente. De Commissie bezorgt haar advies aan het agentschap binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van de adviesvraag. Als er niet tijdig advies wordt verleend, wordt aan de adviesvraag voorbijgegaan.
   Het agentschap beoordeelt de aanvraag tot erkenning van de onroerenderfgoedgemeente op basis van de invulling van de Vlaamse beleidsprioriteiten voor het onroerenderfgoedbeleid en brengt daarover een advies uit aan de minister uiterlijk op 15 maart van hetzelfde jaar waarin de voormelde invulling van de Vlaamse beleidsprioriteiten is ingediend.]1

  
Art. 3.2.3. [1 L'agence peut demander l'avis de la Commission sur la demande d'agrément de la commune du patrimoine immobilier. La Commission rend son avis à l'agence dans un délai de trente jours, qui prend cours le jour suivant la réception de la demande d'avis. Lorsqu'aucun avis n'est rendu à temps, la demande d'avis est ignorée.
   L'agence évalue la demande d'agrément de la commune du patrimoine immobilier sur la base de la concrétisation des priorités politiques flamandes concernant la politique en matière de patrimoine immobilier et remet un avis à ce sujet au ministre, au plus tard le 15 mars de l'année au cours de laquelle la concrétisation précitée des priorités politiques flamandes a été introduite.]1

  
Art. 3.2.4. Op basis van het advies van het agentschap beslist de minister over de erkenning van de onroerenderfgoedgemeente.[1 ...]1
  
Art. 3.2.4. Sur la base de l'avis de l'agence, le Ministre décide de l'agrément de la commune du patrimoine immobilier. [1 ...]1
  
Art. 3.2.5. Uiterlijk op 30 april van het eerste jaar, en in voorkomend geval, van het vierde jaar van de lokale beleidscyclus brengt de minister de gemeenten op de hoogte van het al dan niet aanvaarden van de erkenningsaanvraag.
Art. 3.2.5. Au plus tard le 30 avril de la première année et, le cas échéant, de la quatrième année du cycle politique local, le Ministre met les communes au courant de l'acceptation ou non de la demande d'agrément.
Art. 3.2.6. De erkenning van een onroerenderfgoedgemeente wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd.
Art. 3.2.6. L'agrément d'une commune du patrimoine immobilier est publié par extrait au Moniteur belge.
Art. 3.2.7. Een erkenning als onroerenderfgoedgemeente is voor onbepaalde duur en geldt zolang aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 3.2.1, en aan de voorwaarden in het kader van de opvolging, vermeld in artikel 3.2.9, voldaan wordt.
Art. 3.2.7. Un agrément comme commune du patrimoine immobilier est pour une durée indéterminée et vaut tant que les conditions d'agrément, visées à l'article 3.2.1, et les conditions dans le cadre du suivi, visées à l'article 3.2.9, restent remplies.
Art. 3.2.8. De erkenning als onroerenderfgoedgemeente gaat in vanaf 1 juli van het jaar waarin de aanvraag werd goedgekeurd.
Art. 3.2.8. L'agrément comme commune du patrimoine immobilier prend cours à partir du 1er juillet de l'année dans laquelle la demande a été approuvée.
Art. 3.2.9. Uiterlijk op [2 30 april]2 van elk jaar rapporteert de erkende onroerenderfgoedgemeente over de uitvoering van haar engagementen, behalve in het jaar van de aanvraag tot erkenning. De gemeente bezorgt daartoe de relevante onderdelen van de door de gemeenteraad goedgekeurde jaarrekening van het voorafgaande jaar aan de Vlaamse Regering. Daarin geeft de gemeente aan welke activiteiten en prestaties werden verricht of effecten werden bereikt in het kader van de Vlaamse beleidsprioriteiten inzake het onroerenderfgoedbeleid. [2 De gemeente kan op eigen initiatief aanvullende documenten bezorgen over de activiteiten en de prestaties die werden verricht of de effecten die werden bereikt.]2
  
Art. 3.2.9. Au plus tard le [2 30 avril]2 de chaque année, la commune du patrimoine immobilier fait rapport sur l'exécution de ses engagements, sauf dans l'année de la demande d'agrément. A cet effet, la commune transmet les parties pertinentes du compte annuel de l'année précédente approuvé par le conseil communal au Gouvernement flamand. La commune locale y indique quelles activités et prestations ont été effectuées ou quels effets ont été atteints dans le cadre des priorités politiques flamandes concernant la politique en matière de patrimoine immobilier. [2 La commune peut, de sa propre initiative, transmettre des documents supplémentaires sur les activités et les prestations qui ont été effectuées ou les effets qui ont été atteints.]2
  
Art. 3.2.10. Als de erkende onroerenderfgoedgemeente niet voldoet aan de erkenningsvoorwaarden of aan de rapporteringsverplichtingen, als de rapportering manifest onduidelijk is of als de gemeente onvoldoende aantoont dat ze de vooropgestelde doelstellingen heeft nagestreefd, maakt de minister [1 binnen een termijn van negentig dagen, die ingaat op de dag]1 na [2 de dag van de uiterste rapportagedatum vermeld in artikel 3.2.9]2, per beveiligde zending bezwaar bij de gemeente. De gemeente bezorgt, binnen [1 een termijn van zestig dagen, die ingaat op de dag]1 na de ontvangst van het bezwaar aan de minister een aangepaste rapportering of een motiverende nota met de redenen waarom bepaalde engagementen niet zijn nagekomen.
  
Art. 3.2.10. Lorsque la commune du patrimoine immobilier agréée ne répond pas aux conditions d'agrément ou aux obligations de rapport, lorsque le rapport est manifestement imprécis ou lorsque la commune démontre insuffisamment qu'elle a cherché à atteindre les objectifs envisagés, le Ministre émet des réserves auprès de la commune par envoi sécurisé, [1 dans un délai de nonate jours, qui prend cours le jour]1 après [2 le jour de la date limite de rapport visée à l'article 3.2.9]2. La commune transmet, dans [1 un délai de soixante jours, qui prend cours le jour]1 après la réception des réserves, un rapport adapté au Ministre ou une note de motivation avec les raisons pour lesquelles certains engagements n'ont pas été respectés.
  
Art. 3.2.11. Het agentschap kan op verzoek van de minister vragen aan een visitatiecommissie om de werking van de erkende onroerenderfgoedgemeente te evalueren. Daarvoor wordt een visitatiecommissie door het agentschap samengesteld met minstens één vertegenwoordiger uit de Commissie en minstens één vertegenwoordiger aangewezen door de representatieve organisatie die de belangen behartigt van de Vlaamse steden en gemeenten. De visitatiecommissie wordt paritair samengesteld. Het secretariaat van de visitatiecommissie wordt waargenomen door het agentschap. De visitatiecommissie kan alle documenten opvragen die betrekking hebben op de erkenningsvoorwaarden, kan de erkende onroerenderfgoedgemeente vragen om toelichting te komen geven en kan de erkende onroerenderfgoedgemeente zelf bezoeken om na te gaan of de erkende onroerenderfgoedgemeente wel blijft voldoen aan de erkenningsvoorwaarden.
Art. 3.2.11. L'agence peut, à la demande du Ministre, demander à une commission de visite d'évaluer le fonctionnement de la commune du patrimoine immobilier agréée. A cet effet, l'agence compose une commission de visite avec au moins un représentant de la Commission et au moins un représentant désigné par l'organisation représentative qui défend les intérêts des villes et communes flamandes. La commission de visite est composée de manière paritaire. Le secrétariat de la commission de visite est assuré par l'agence. La commission de visite peut demander tous les documents qui ont trait aux conditions d'agrément, peut demander la commune du patrimoine immobilier agréée de venir donner des explications et peut visiter la commune du patrimoine immobilier agréée pour vérifier si la commune du patrimoine immobilier agréée continue effectivement à répondre aux conditions d'agrément.
Art. 3.2.12. Het agentschap deelt de resultaten van de evaluatie mee aan de minister binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van de bevindingen van de visitatiecommissie. De minister kan bij een negatieve evaluatie de erkenning van de onroerenderfgoedgemeente schorsen voor een termijn van maximaal honderdtwintig dagen. Het agentschap deelt die beslissing tot schorsing per beveiligde zending mee aan de erkende onroerenderfgoedgemeente. [1 De erkende onroerenderfgoedgemeente beschikt over een termijn van zestig dagen, die ingaat op de dag na de kennisgeving van de beslissing tot schorsing om aan de redenen voor de schorsing van de erkenning te remediëren.]1
  Tijdens een periode van schorsing kan de erkende onroerenderfgoedgemeente haar taken en bevoegdheden ter uitvoering van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en dit besluit verder uitvoeren en uitoefenen. De visitatiecommissie heeft evenwel toegang tot [2 de digitale registers]2 met toelatingen, adviezen en meldingen, vermeld in [2 artikel 3.2.1, eerste lid, 6°]2.
  De geschorste onroerenderfgoedgemeente bezorgt binnen de bovenvermelde termijn van zestig dagen [1 schriftelijk]1 een reactie aan het agentschap waarin ze beschrijft welke acties ze heeft ondernomen of onverwijld zal ondernemen ter remediëring.
  Als de visitatiecommissie van oordeel is dat de acties volstaan om te voldoen aan de erkenningsvoorwaarden, formuleert de visitatiecommissie een voorstel tot opheffing van de schorsing. Als de visitatiecommissie van oordeel is dat de acties niet volstaan om te voldoen aan de erkenningsvoorwaarden of als de onroerenderfgoedgemeente geen schriftelijke reactie heeft bezorgd binnen de gestelde termijn, formuleert de visitatiecommissie een voorstel tot intrekking van de erkenning.
  Op basis van het voorstel van de visitatiecommissie maakt het agentschap voor de minister een voorstel op van de beslissing tot opheffing van de schorsing of tot intrekking van de erkenning. De minister beslist [1 ...]1 binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van het voorstel.
  
Art. 3.2.12. L'agence communique les résultats de l'évaluation au Ministre dans un délai de trente jours, qui prend cours le jour après la réception des constatations de la commission de visite. En cas d'une évaluation négative, le Ministre peut suspendre l'agrément de la commune du patrimoine immobilier pour un délai de cent vingt jours au maximum. L'agence communique cette décision de suspension [1 par écrit]1 à la commune du patrimoine immobilier agréée.[1 La commune du patrimoine immobilier agréée dispose d'un délai de soixante jours qui prend cours le jour après la notification de la décision de suspension pour remédier aux raisons de la suspension de l'agrément.]1
  Lors d'une période de suspension, la commune du patrimoine immobilier agréée peut continuer à exécuter et à exercer ses tâches et compétences en exécution du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 et du présent arrêté. La commission de visite a cependant accès [2 aux registres numériques]2 avec les autorisations, les avis et les notifications, visé à l'[2 article 3.2.1, alinéa 1er, 6°]2.
  La commune du patrimoine immobilier suspendue transmet, dans le délai susmentionné de soixante jours, par envoi sécurisé, une réaction à l'agence dans laquelle elle décrit les actions en remédiation qu'elle a entreprises ou entreprendra sans tarder.
  Lorsque la commission de visite estime que les actions suffisent pour répondre aux conditions d'agrément, la commission de visite formule une proposition d'abrogation de la suspension. Lorsque la commission de visite estime que les actions ne suffisent pas pour répondre aux conditions d'agrément ou lorsque la commune du patrimoine immobilier n'a pas transmis de réaction écrite dans le délai imparti, la commission de visite formule une proposition de retrait de l'agrément.
  Sur la base de la proposition de la commission de visite, l'agence établit pour le Ministre une proposition de la décision d'abrogation de la suspension ou de retrait de l'agrément. Le Ministre décide [1 ...]1 dans un délai de trente jours, qui prend cours le jour après la réception de la proposition.
  
Art. 3.2.13. Als een erkende onroerenderfgoedgemeente zelf te kennen geeft dat ze niet meer erkend wil zijn, formuleert het agentschap een definitief voorstel van beslissing over de intrekking van de erkenning zonder dat de onroerenderfgoedgemeente eerst wordt geschorst. De minister beslist [1 ...]1 binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van het voorstel van beslissing over het intrekken van de erkenning.
  
Art. 3.2.13. Lorsqu'une commune du patrimoine immobilier agréée indique elle-même qu'elle ne veut plus être agréée, l'agence formule une proposition définitive de décision concernant le retrait de l'agrément sans que la commune du patrimoine immobilier ne soit d'abord suspendue. Le Ministre décide [1 ...]1 dans un délai de trente jours, qui prend cours le jour après la réception de la proposition de décision concernant le retrait de l'agrément.
  
Art. 3.2.14. Het agentschap brengt de gemeente per beveiligde zending onverwijld op de hoogte van [2 de beslissingen vermeld in artikel 3.2.12, vijfde lid en artikel 3.2.13]2. De intrekking van de erkenning of de opheffing van de schorsing gaat in op de dag die volgt op de dag van de [1 kennisgeving]1 van de beslissing aan de onroerenderfgoedgemeente.
  Als de minister geen beslissing neemt binnen de termijn, vermeld in artikel 3.2.12 of 3.2.13, wordt de erkenning geacht niet te zijn ingetrokken en [2 in voorkomend geval]2 de schorsing te zijn opgeheven.
  
Art. 3.2.14. L'agence met la commune au courant sans tarder, par envoi sécurisé, [2 des décisions visées à l'article 3.2.12, alinéa 5, et à l'article 3.2.13]2. Le retrait de l'agrément ou l'abrogation de la suspension prend cours le jour qui suit le jour de la [1 notification]1 de la décision à la commune du patrimoine immobilier.
  Lorsque le Ministre ne prend pas de décision dans le délai, visé à l'article 3.2.12 ou 3.2.13, l'agrément est censé ne pas être retiré et [2 le cas échéant]2 la suspension être abrogée.
  
Art. 3.2.15. De intrekking van een erkenning als onroerenderfgoedgemeente wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd.
Art. 3.2.15. Le retrait d'un agrément comme commune du patrimoine immobilier est publié par extrait au Moniteur belge.
Art. 3.2.16. Als een gemeente na de intrekking van haar erkenning opnieuw een aanvraag tot erkenning als onroerenderfgoedgemeente wil indienen, moet ze de volledige aanvraagprocedure opnieuw doorlopen.
Art. 3.2.16. Lorsque, après le retrait de son agrément, une commune veut à nouveau introduire une demande d'agrément comme commune du patrimoine immobilier, elle doit à nouveau parcourir la procédure de demande complète.
Art. 3.2.17. [1 Als de erkenning van een onroerenderfgoedgemeente wordt ingetrokken, behandelt de gemeente de ontvankelijke meldingen, vergunnings- en toelatingsaanvragen die voor de kennisgeving van de intrekking van de erkenning zijn ingediend, overeenkomstig artikel 4.1.10, 5.4.6, 5.4.8, 5.4.12, 5.4.16 en 6.4.4, § 1, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.]1
  
Art. 3.2.17. [1 Lorsque l'agrément d'une commune du patrimoine immobilier est retiré, la commune traite les notifications ainsi que les demandes d'autorisation et de permission recevables introduites avant la notification du retrait de l'agrément conformément aux articles 4.1.10, 5.4.6, 5.4.8, 5.4.12, 5.4.16 et 6.4.4, § 1er, du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013.]1
  
Art. 3.2.18. [1 Als een erkende onroerenderfgoedgemeente fuseert met een of meer gemeenten, wordt de bestaande erkenning als onroerenderfgoedgemeente automatisch overgedragen naar de nieuw gevormde gemeente.
   Als de nieuwe gemeente haar erkenning als onroerenderfgoedgemeente wil behouden, neemt ze overeenkomstig artikel 3.2.2 in de nieuwe meerjarenplanning op hoe ze uitwerking zal geven aan de Vlaamse beleidsprioriteiten voor het onroerenderfgoedbeleid.
   Als de nieuwe gemeente haar erkenning als onroerenderfgoedgemeente niet wil behouden, vraagt ze een intrekking overeenkomstig artikel 3.2.13.]1

  
Art. 3.2.18. [1 Si une commune du patrimoine immobilier fusionne avec une ou plusieurs communes, l'agrément actuel comme commune du patrimoine immobilier est automatiquement transformé à la commune nouvellement constituée.
   Si la nouvelle commune envisage de conserver son agrément comme commune du patrimoine immobilier, elle fait état dans le nouveau planning pluriannuel comment elle entend réaliser les priorités politiques flamandes relatives à la politique en matière de patrimoine immobilier, conformément à l'article 3.2.2.
   Si la nouvelle commune n'envisage pas de conserver son agrément comme commune du patrimoine immobilier, elle en demande le retrait, conformément à l'article 3.2.13.]1

  
Afdeling 3. - Erkenning als intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst
Section 3. - Agrément comme service du patrimoine immobilier intercommunal
Art. 3.3.1. [1 Om een aanvraag tot erkenning als intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst te kunnen indienen, moet het intergemeentelijk samenwerkingsverband:
   1° opgericht zijn volgens het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking of het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur;
   2° [2 voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6 en 7 van het Regiodecreet van 3 februari 2023;]2
   Een gemeente kan slechts deel uitmaken van één erkende intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst.
   In afwijking van het tweede lid, kan een gemeente op het moment van een aanvraag tot erkenning of een aanpassing vermeld in artikel 3.3.17 tijdelijk nog deel uitmaken van een andere erkende onroerenderfgoeddienst, op voorwaarde dat die gemeente in het zelfde jaar uit die andere erkende onroerenderfgoeddienst treedt. Die uittreding gebeurt via een vraag tot aanpassing vermeld in artikel 3.3.17 of via een kennisgeving vermeld in artikel 3.3.13 waarbij de intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst verklaart dat hij niet meer wenst erkend te zijn.
  [2 ...]2.]1

  
Art. 3.3.1. [1 Afin de pouvoir introduire une demande d'agrément comme service du patrimoine immobilier intercommunal, la structure de coopération intercommunale doit :
   1° avoir été créée sur la base du décret du 6 juillet 2001 portant réglementation de la coopération intercommunale ou du décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale ;
   2° [2 répondre aux conditions visées aux articles 6 et 7 du Décret sur les Régions du 3 février 2023 ;]2.
   Une commune ne peut faire partie que d'un seul service du patrimoine immobilier intercommunal.
   Par dérogation à l'alinéa deux, une commune peut, au moment de la demande d'un agrément ou d'un ajustement, tel que visé à l'article 3.3.17, encore fait partie à titre temporaire d'un autre service du patrimoine immobilier agréé, à condition que cette commune se désaffilier de cet autre service du patrimoine immobilier agréé dans la même année. Cette désaffiliation s'effectue au moyen d'une demande d'ajustement, telle que visée à l'article 3.3.17 ou au moyen d'une notification, telle que visée à l'article 3.3.13, dans laquelle le service du patrimoine immobilier intercommunal déclare ne plus vouloir être agréée.
  [2 ...]2.]1

  
Art. 3.3.1. TOEKOMSTIG_RECHT.
   [1 [2 Een intergemeentelijk samenwerkingsverband kan een aanvraag tot erkenning als intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst indienen als het voldoet aan al de volgende voorwaarden:
   1° opgericht zijn conform het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur;
   2° [3 voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6 en 7 van het Regiodecreet van 3 februari 2023;]3;
   3° voldoen aan één van de volgende voorwaarden:
   a) minstens 100.000 inwoners tellen die ingeschreven zijn in het bevolkingsregister van de gemeenten die deel uitmaken van het werkingsgebied van de intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst;
   b) een werkingsgebied van minstens 250 km2 omvatten. Als de oppervlakte van de bijbehorende referentieregio minder dan 500 km2 bedraagt, volstaat het dat het werkingsgebied van de intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst minstens 50% van de oppervlakte van de referentieregio omvat.]2

   Een gemeente kan slechts deel uitmaken van één erkende intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst.
   In afwijking van het tweede lid, kan een gemeente op het moment van een aanvraag tot erkenning of een aanpassing vermeld in artikel 3.3.17 tijdelijk nog deel uitmaken van een andere erkende onroerenderfgoeddienst, op voorwaarde dat die gemeente in het zelfde jaar uit die andere erkende onroerenderfgoeddienst treedt. Die uittreding gebeurt via een vraag tot aanpassing vermeld in artikel 3.3.17 of via een kennisgeving vermeld in artikel 3.3.13 waarbij de intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst verklaart dat hij niet meer wenst erkend te zijn.
  [3 ...]3.]1
Art. 3.3.1. DROIT_FUTUR.
   [1 [2 Une structure de coopération intercommunale peut introduire une demande d'agrément comme service du patrimoine immobilier intercommunal si elle remplit toutes les conditions suivantes :
   1° avoir été créée sur la base du décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale ;
   2° [3 répondre aux conditions visées aux articles 6 et 7 du Décret sur les Régions du 3 février 2023 ;]3;
   3° satisfaire à l'une des conditions suivantes :
   a) compter au moins 100 000 habitants inscrits au registre de la population des communes qui font partie de la zone d'action du service du patrimoine immobilier intercommunal;
   b) couvrir une zone d'action d'au moins 250 km2. Si la superficie de la région de référence associée est inférieure à 500 km2, il suffit que la zone d'action du service du patrimoine immobilier intercommunal couvre au moins 50 % de la superficie de la région de référence.]2

   Une commune ne peut faire partie que d'un seul service du patrimoine immobilier intercommunal.
   Par dérogation à l'alinéa deux, une commune peut, au moment de la demande d'un agrément ou d'un ajustement, tel que visé à l'article 3.3.17, encore fait partie à titre temporaire d'un autre service du patrimoine immobilier agréé, à condition que cette commune se désaffilier de cet autre service du patrimoine immobilier agréé dans la même année. Cette désaffiliation s'effectue au moyen d'une demande d'ajustement, telle que visée à l'article 3.3.17 ou au moyen d'une notification, telle que visée à l'article 3.3.13, dans laquelle le service du patrimoine immobilier intercommunal déclare ne plus vouloir être agréée.
  [3 ...]3.]1
Art. 3.3.2. Om erkend te worden en te blijven als intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst moet de intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst voldoen aan de volgende erkenningsvoorwaarden:
  1° het intergemeentelijk samenwerkingsverband toont aan dat zijn werkingsgebied beschikt over een gemeenschappelijk erfgoedpakket op basis van een gezamenlijke omgevingsanalyse;
  2° het intergemeentelijk samenwerkingsverband dient een onroerenderfgoedbeleidsplan in dat het actief behoud van het onroerend erfgoed op het grondgebied van de aangesloten gemeenten voor ogen heeft en complementair is aan het Vlaamse onroerenderfgoedbeleid en dat bovendien aan de volgende voorwaarden voldoet:
  [1 a) het onroerenderfgoedbeleidsplan stelt een gezamenlijke visie en een gezamenlijk plan van aanpak voorop voor het actieve behoud, het gebruik en de herbestemming van het onroerend erfgoed op zijn grondgebied die complementair zijn aan het Vlaamse onroerenderfgoedbeleid;]1
  [1 b) het onroerenderfgoedbeleidsplan is integraal en omvat dus de zorg voor het geheel van archeologische sites, monumenten, cultuurhistorische landschappen en stads- en dorpsgezichten;]1
  c) het onroerenderfgoedbeleidsplan is geïntegreerd en is dus afgestemd met andere beleidsvelden die raakvlakken hebben met de onroerenderfgoedzorg;
  d) het onroerenderfgoedbeleidsplan houdt rekening met de noden van de aanwezige onroerenderfgoedactoren;
  [1 3° het intergemeentelijk samenwerkingsverband ondersteunt en betrekt de erfgoedgemeenschappen die zich inzetten voor het duurzame behoud en beheer en voor de ontsluiting van het onroerend erfgoed op zijn grondgebied en neemt acties om een lokaal draagvlak voor de onroerenderfgoedzorg te creëren;]1
  4° het intergemeentelijk samenwerkingsverband beschikt over voldoende expertise om dat onroerenderfgoedbeleidsplan uit te voeren en bouwt met het oog op expertiseverwerving een consultatienetwerk uit met alle diensten en organisaties die betrokken zijn bij de zorg voor het onroerend erfgoed.
  Als erkende onroerenderfgoedgemeenten deel uitmaken van het intergemeentelijk samenwerkingsverband of als een aanvraag voor erkenning als onroerenderfgoedgemeente van één of meer van de deelnemende gemeenten tegelijk met de erkenning van de intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst wordt aangevraagd, dan wordt aangetoond op welke manier de intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst de erkende onroerenderfgoedgemeente of -gemeenten zal ondersteunen bij het uitvoeren van hun taken en bevoegdheden, en omgekeerd hoe de erkende onroerenderfgoedgemeente of -gemeenten zullen bijdragen tot de uitbouw van het consultatienetwerk van de erkende intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst.
  
Art. 3.3.2. Pour obtenir et conserver l'agrément comme service du patrimoine immobilier intercommunal, le service du patrimoine immobilier intercommunal doit répondre aux conditions d'agrément suivantes :
   1° la structure de coopération intercommunale démontre que sa zone d'action dispose d'un ensemble patrimonial commun sur la base d'une analyse de l'environnement conjointe ;
   2° la structure de coopération intercommunale introduit un plan politique en matière de patrimoine immobilier qui vise la conservation active du patrimoine immobilier sur le territoire des communes affiliées et qui est complémentaire à la politique en matière de patrimoine immobilier flamande et, en outre, remplit les conditions suivantes :
   a) [1 le plan politique en matière de patrimoine immobilier prône une vision commune et un plan d'approche commun pour la conservation et l'utilisation actives et la réaffectation du patrimoine immobilier sur son territoire, qui sont complémentaires à la politique flamande en matière de patrimoine immobilier ;]1
   b) [1 le plan politique en matière de patrimoine immobilier est intégral et comprend donc le soin pour l'ensemble des sites archéologiques, monuments, paysages culturo-historiques et paysages urbains et ruraux protégés]1 ;
   c) le plan politique en matière de patrimoine immobilier est intégré et est donc adapté à d'autres secteurs politiques qui ont des points communs avec le soin du patrimoine immobilier ;
   d) le plan politique en matière de patrimoine immobilier tient compte des besoins des acteurs présents en matière de patrimoine immobilier ;
   3° [1 la structure de coopération intercommunale appuie et implique les communautés patrimoniales qui s'engagent à la conservation et à la gestion durables et à l'ouverture du patrimoine immobilier sur son territoire et entreprend des actions afin de créer une assise locale pour le soin du patrimoine immobilier ;]1
   4° la structure de coopération intercommunale dispose de suffisamment d'expertise pour exécuter ce plan politique en matière de patrimoine immobilier et développe, en vue de l'acquisition d'expertise, un réseau de consultation avec tous les services et toutes les organisations qui sont concernés par le soin du patrimoine immobilier.
   Lorsque des communes du patrimoine immobilier agréées font partie de la structure de coopération intercommunale ou lorsqu'une demande d'agrément comme commune du patrimoine immobilier d'une commune participante ou de plusieurs communes participantes est demandée en même temps que l'agrément du service du patrimoine immobilier intercommunal, il est démontré de quelle manière le service du patrimoine immobilier intercommunal appuiera la commune du patrimoine immobilier agréée ou les communes du patrimoine immobilier agréées lors de l'exécution de leurs tâches et compétences, et inversement comment la commune du patrimoine immobilier agréée ou les communes du patrimoine immobilier agréées contribueront au développement du réseau de consultation du service du patrimoine immobilier intercommunal agréé.
  
Art. 3.3.2. TOEKOMSTIG_RECHT. [1 Een intergemeentelijk samenwerkingsverband kan erkend worden en erkend blijven als intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst als het voldoet aan al de volgende voorwaarden:
   1° het beschikt over een gezamenlijke omgevingsanalyse;
   2° het beschikt over een gezamenlijke onderbouwde beleidsvisie die aan al de volgende voorwaarden voldoet:
   a) ze is complementair aan het Vlaamse onroerenderfgoedbeleid;
   b) ze beoogt het behoud, het gebruik en de herbestemming van het onroerend erfgoed dat op het grondgebied ligt van de aangesloten gemeenten;
   c) ze is integraal;
   d) ze is geïntegreerd;
   e) ze houdt rekening met de noden van de gemeenschap;
   3° het creëert draagvlak voor de gezamenlijke beleidsvisie voor onroerend erfgoed;
   4° het beschikt over de nodige expertise voor een kwalitatieve opmaak en uitvoer van zijn beleidsvisie voor onroerend erfgoed. Het bouwt met het oog op expertiseverwerving een consultatienetwerk uit met relevante diensten en organisaties die betrokken zijn bij de zorg voor het onroerend erfgoed.]1

  
Art. 3.3.2. DROIT_FUTUR. [1 Une structure de coopération intercommunale peut être agréée et conserver son agrément en tant que service du patrimoine immobilier intercommunal si elle remplit l'ensemble des conditions suivantes :
   1° elle dispose d'une analyse de l'environnement conjointe ;
   2° elle a une vision politique commune fondée qui répond à toutes les conditions suivantes :
   a) elle est complémentaire à la politique flamande en matière de patrimoine immobilier ;
   b) elle vise la conservation, l'utilisation et la réaffectation du patrimoine immobilier situé sur le territoire des communes affiliées ;
   c) elle est intégrale ;
   d) elle est intégrée ;
   e) elle tient compte des besoins de la communauté ;
   3° elle crée une assise pour la vision politique commune en matière de patrimoine immobilier ;
   4° elle dispose de l'expertise nécessaire pour une élaboration et une mise en oeuvre qualitatives de sa vision politique en matière de patrimoine immobilier. Elle développe, en vue de l'acquisition d'expertise, un réseau de consultation réunissant les services et organisations pertinents qui sont concernés par la protection du patrimoine immobilier.]1

  
Art. 3.3.3. Het agentschap stelt op zijn website een modelformulier ter beschikking waarmee een aanvraag tot [1 erkenning of aanpassing van de erkenning]1 van een intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst kan worden ingediend. Door het invullen van dat modelformulier kan het intergemeentelijk samenwerkingsverband aantonen [1 dat het]1 aan alle erkenningsvoorwaarden voldoet. De aanvrager bezorgt het volledig ingevulde formulier samen met de gevraagde bijlagen uiterlijk op 15 januari aan het agentschap.
  
Art. 3.3.3. L'agence met un formulaire modèle à disposition sur son site web au moyen duquel une demande d'[1 agrément ou d'ajustement de l'agrément]1 d'un service du patrimoine immobilier intercommunal peut être introduite. En remplissant ce formulaire modèle, la structure de coopération intercommunale peut démontrer qu'elle répond à toutes les conditions d'[1 agrément ou d'ajustement de l'agrément]1. Le demandeur transmet le formulaire dûment rempli avec les annexes demandées à l'agence, le 15 janvier au plus tard.
  
Art. 3.3.4. Het agentschap beoordeelt de aanvraag tot erkenning van de intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst op basis van de erkenningsvoorwaarden, en brengt daarover een advies uit aan de minister uiterlijk op 15 maart van hetzelfde jaar van de erkenningsaanvraag.
Art. 3.3.4. L'agence évalue la demande d'agrément du service du patrimoine immobilier intercommunal sur la base des conditions d'agrément et émet un avis à ce sujet au Ministre, au plus tard le 15 mars de la même année que la demande d'agrément.
Art. 3_3.4.TOEKOMSTIG_RECHT.   [1 Het agentschap kan over de aanvraag tot erkenning van de intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst het advies van de Commissie inwinnen. De Commissie bezorgt haar advies aan het agentschap binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van de adviesvraag. Als er niet tijdig advies wordt verleend, wordt aan de adviesvraag voorbijgegaan.]1
   Het agentschap beoordeelt de aanvraag tot erkenning van de intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst op basis van de erkenningsvoorwaarden, en brengt daarover een advies uit aan de minister uiterlijk op 15 maart van hetzelfde jaar van de erkenningsaanvraag.
  
Art. 3.3.4. DROIT_FUTUR.
  [1 L'agence peut demander l'avis de la Commission sur la demande d'agrément du service du patrimoine immobilier intercommunal. La Commission rend son avis à l'agence dans un délai de trente jours, qui prend cours le jour suivant la réception de la demande d'avis. Lorsqu'aucun avis n'est rendu à temps, la demande d'avis est ignorée.]1
   L'agence évalue la demande d'agrément du service du patrimoine immobilier intercommunal sur la base des conditions d'agrément et émet un avis à ce sujet au Ministre, au plus tard le 15 mars de la même année que la demande d'agrément.
  
Art. 3.3.5. Op basis van het advies van het agentschap beslist de minister over de erkenning van de intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst. De minister kan het advies van de Commissie inwinnen.
Art. 3.3.5. Sur la base de l'avis de l'agence, le Ministre décide de l'agrément du service du patrimoine immobilier intercommunal. Le Ministre peut demander l'avis de la Commission.
Art. 3.3.5. TOEKOMSTIG_RECHT.
   Op basis van het advies van het agentschap beslist de minister over de erkenning van de intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst. [1 ...]1
  
Art. 3.3.5. DROIT_FUTUR.
   Sur la base de l'avis de l'agence, le Ministre décide de l'agrément du service du patrimoine immobilier intercommunal. [1 ]1
  
Art. 3.3.6. Uiterlijk op 30 april van het jaar van de aanvraag tot erkenning brengt de minister het intergemeentelijk samenwerkingsverband [1 schriftelijk]1 op de hoogte van het al dan niet aanvaarden van de erkenningsaanvraag.
  
Art. 3.3.6. Au plus tard le 30 avril de l'année de la demande d'agrément, le Ministre met la structure de coopération intercommunale au courant,[1 par écrit]1, de l'acceptation ou non de la demande d'agrément.
  
Art. 3.3.7. De erkenning van een intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd.
Art. 3.3.7. L'agrément d'un service du patrimoine immobilier intercommunal est publié par extrait au Moniteur belge.
Art. 3.3.8. Een erkenning als intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst is voor onbepaalde duur en geldt zolang aan de voorwaarden, vermeld in artikel 3.3.1, de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 3.3.2 en aan de voorwaarden in het kader van de opvolging, vermeld in artikel 3.3.9 voldaan wordt.
Art. 3.3.8. Un agrément comme service du patrimoine immobilier intercommunal est pour une durée indéterminée et vaut tant que les conditions, visées à l'article 3.3.1, les conditions d'agrément, visées à l'article 3.3.2 et les conditions dans le cadre du suivi, visées à l'article 3.3.9, restent remplies.
Art. 3.3.9. Uiterlijk op 31 [1 mei]1 van elk jaar, behalve in het jaar van de aanvraag tot erkenning, rapporteert de erkende intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst over de uitvoering van zijn onroerenderfgoedbeleidsplan.
  
Art. 3.3.9. Au plus tard le [1 31 mai]1 de chaque année, sauf dans l'année de la demande d'agrément, le service du patrimoine immobilier intercommunal fait rapport sur l'exécution de son plan politique en matière de patrimoine immobilier.
  
Art. 3.3.9. TOEKOMSTIG_RECHT. [1 De erkende intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst rapporteert over de uitvoering van zijn onroerenderfgoedbeleidsplan uiterlijk op 30 april van het tweede en het vijfde jaar van de lokale beleidscyclus, behalve als de aanvraag tot erkenning het jaar voordien werd ingediend.
   Als de erkende intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst een samenwerkingsovereenkomst als vermeld in artikel 10.1.1 heeft afgesloten, rapporteert de erkende intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst, in afwijking van het eerste lid, conform de termijnen bepaald in die samenwerkingsovereenkomst.]1

  
Art. 3.3.9. DROIT_FUTUR. [1 Le service du patrimoine immobilier intercommunal agréé rend compte de la mise en oeuvre de son plan politique en matière de patrimoine immobilier au plus tard le 30 avril de la deuxième et de la cinquième année du cycle politique local, sauf si la demande d'agrément a été introduite l'année précédente.
   Si le service du patrimoine immobilier intercommunal agréé a conclu un accord de coopération tel que visé à l'article 10.1.1, le service du patrimoine immobilier intercommunal agréé fait rapport, par dérogation à l'alinéa 1er, conformément aux délais fixés dans cet accord de coopération.]1

  
Art. 3.3.10. Als de intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst niet voldoet aan de erkenningsvoorwaarden of aan de rapporteringsverplichtingen of als de rapportering manifest onduidelijk is of als de intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst onvoldoende aantoont dat hij de vooropgestelde doelstellingen heeft nagestreefd, maakt de minister[1 binnen een termijn van negentig dagen, die ingaat op de dag]1 na de ontvangst van de rapportering of bij gebrek aan rapportering [1 binnen een termijn van negentig dagen, die ingaat op de dag]1 na de uiterste indieningsdatum, per beveiligde zending bezwaar bij de intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst. De intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst bezorgt, binnen [1 een termijn van zestig dagen, die ingaat op de dag]1 na de ontvangst van het bezwaar, de minister een aangepaste rapportering of een motiverende nota met de redenen waarom bepaalde engagementen niet zijn nagekomen.
  
Art. 3.3.10. Lorsque le service du patrimoine immobilier intercommunal ne répond pas aux conditions d'agrément ou aux obligations de rapport, ou lorsque le rapport est manifestement imprécis ou lorsque le service du patrimoine immobilier intercommunal démontre insuffisamment qu'il a cherché à atteindre les objectifs envisagés, le Ministre émet des réserves auprès du service du patrimoine immobilier intercommunal par envoi sécurisé, [1 dans un délai de nonante jours, qui prend cours le jour]1 après la réception du rapport ou, à défaut de rapport, dans un délai de nonante jours, qui prend cours le jour après la date limite d'introduction. Le service du patrimoine immobilier intercommunal transmet, dans [1 un délai de soixante jours, qui prend cours le jour]1 après la réception des réserves, un rapport adapté au Ministre ou une note de motivation avec les raisons pour lesquelles certains engagements n'ont pas été respectés.
  
Art. 3.3.10. TOEKOMSTIG_RECHT.
   Als de intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst niet voldoet aan de erkenningsvoorwaarden of aan de rapporteringsverplichtingen of als de rapportering manifest onduidelijk is of als de intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst onvoldoende aantoont dat hij de vooropgestelde doelstellingen heeft nagestreefd, maakt de minister[1 binnen een termijn van negentig dagen, die ingaat op de dag]1 [2 na de uiterste rapportagedatum vermeld in artikel 3.3.9]2, per beveiligde zending bezwaar bij de intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst. De intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst bezorgt, binnen [1 een termijn van zestig dagen, die ingaat op de dag]1 na de ontvangst van het bezwaar, de minister een aangepaste rapportering of een motiverende nota met de redenen waarom bepaalde engagementen niet zijn nagekomen.
Art. 3.3.10. DROIT_FUTUR.
   Lorsque le service du patrimoine immobilier intercommunal ne répond pas aux conditions d'agrément ou aux obligations de rapport, ou lorsque le rapport est manifestement imprécis ou lorsque le service du patrimoine immobilier intercommunal démontre insuffisamment qu'il a cherché à atteindre les objectifs envisagés, le Ministre émet des réserves auprès du service du patrimoine immobilier intercommunal par envoi sécurisé, [1 dans un délai de nonante jours, qui prend cours le jour]1 après [2 la date limite de rapport visée à l'article 3.3.9]2. Le service du patrimoine immobilier intercommunal transmet, dans [1 un délai de soixante jours, qui prend cours le jour]1 après la réception des réserves, un rapport adapté au Ministre ou une note de motivation avec les raisons pour lesquelles certains engagements n'ont pas été respectés.
Art. 3.3.11. Het agentschap kan op verzoek van de minister vragen aan een visitatiecommissie om de werking van de erkende intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst te evalueren. Daarvoor wordt een visitatiecommissie door het agentschap samengesteld met minstens één vertegenwoordiger uit de Commissie en minstens één vertegenwoordiger aangewezen door de representatieve organisatie die de belangen behartigt van de Vlaamse steden en gemeenten. De visitatiecommissie wordt paritair samengesteld. Het secretariaat van de visitatiecommissie wordt waargenomen door het agentschap. De visitatiecommissie kan alle documenten opvragen die betrekking hebben op de erkenningsvoorwaarden, kan de erkende intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst vragen om toelichting te komen geven en kan de erkende intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst zelf bezoeken om na te gaan of de erkende intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst wel blijvend voldoet aan de erkenningsvoorwaarden.
Art. 3.3.11. L'agence peut, à la demande du Ministre, demander à une commission de visite d'évaluer le fonctionnement du service du patrimoine immobilier intercommunal agréé. A cet effet, l'agence compose une commission de visite avec au moins un représentant de la Commission et au moins un représentant désigné par l'organisation représentative qui défend les intérêts des villes et communes flamandes. La commission de visite est composée de manière paritaire. Le secrétariat de la commission de visite est assuré par l'agence. La commission de visite peut demander tous les documents qui ont trait aux conditions d'agrément, peut demander le service du patrimoine immobilier intercommunal agréé de venir donner des explications et peut visiter le service du patrimoine immobilier intercommunal agréé pour vérifier si le service du patrimoine immobilier intercommunal agréé continue effectivement à répondre de manière permanente aux conditions d'agrément.
Art. 3.3.12. Het agentschap deelt de resultaten van de evaluatie mee aan de minister binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de uitvoering van de evaluatie. De minister kan in geval van een negatieve evaluatie de erkenning van de intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst schorsen voor een termijn van maximaal honderdtwintig dagen. Het agentschap deelt die beslissing tot schorsing per beveiligde zending mee aan de intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst. [1 De intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst beschikt over een termijn van zestig dagen, die ingaat op de dag na de kennisgeving van de beslissing tot schorsing om aan de redenen voor de schorsing van de erkenning te remediëren.]1
  De geschorste intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst bezorgt binnen de bovenvermelde termijn van zestig dagen [1 schriftelijk]1 een reactie aan het agentschap waarin beschreven is welke acties hij heeft ondernomen of onverwijld zal ondernemen ter remediëring.
  Als de visitatiecommissie van oordeel is dat de acties volstaan om te voldoen aan de erkenningsvoorwaarden, formuleert de visitatiecommissie een voorstel tot opheffing van de schorsing. Als de visitatiecommissie van oordeel is dat de acties niet volstaan om te voldoen aan de erkenningsvoorwaarden of als de onroerenderfgoedgemeente geen schriftelijke reactie heeft bezorgd binnen de gestelde termijn, formuleert de visitatiecommissie een voorstel tot [1 intrekking of aanpassing]1 van de erkenning.
  Op basis van het voorstel van de visitatiecommissie maakt het agentschap voor de minister een voorstel op van de beslissing tot opheffing van de schorsing of tot [1 intrekking of aanpassing]1 van de erkenning. De minister beslist [1 ...]1 binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van het voorstel.
  
Art. 3.3.12. L'agence communique les résultats de l'évaluation au Ministre dans un délai de trente jours, qui prend cours le jour après l'exécution de l'évaluation. En cas d'une évaluation négative, le Ministre peut suspendre l'agrément du service du patrimoine immobilier intercommunal pour un délai de cent vingt jours au maximum. L'agence communique cette décision de suspension par envoi sécurisé au service du patrimoine immobilier intercommunal. [1 Le service du patrimoine immobilier intercommunal dispose d'un délai de soixante jours, qui prend cours le jour après la notification de la décision de suspension pour remédier aux raisons de la suspension de l'agrément.]1
  Le service du patrimoine immobilier intercommunal suspendu transmet, dans le délai susmentionné de soixante jours, [1 par écrit]1, une réaction à l'agence dans laquelle il décrit les actions en remédiation qu'il a entreprises ou entreprendra sans tarder.
  Lorsque la commission de visite estime que les actions suffisent pour répondre aux conditions d'agrément, la commission de visite formule une proposition d'abrogation de la suspension. Lorsque la commission de visite estime que les actions ne suffisent pas pour répondre aux conditions d'agrément ou lorsque la commune du patrimoine immobilier n'a pas transmis de réaction écrite dans le délai imparti, la commission de visite formule une proposition de [1 retrait ou ajustement]1 de l'agrément.
  Sur la base de la proposition de la commission de visite, l'agence établit pour le Ministre une proposition de la décision d'abrogation de la suspension ou de [1 retrait ou ajustement]1 de l'agrément. Le Ministre décide [1 ...]1 dans un délai de trente jours, qui prend cours le jour après la réception de la proposition.
  
Art. 3.3.13. Als een erkende intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst zelf te kennen geeft dat hij niet meer erkend wenst te zijn, formuleert het agentschap een definitief voorstel van beslissing over de intrekking van de erkenning zonder dat de intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst eerst wordt geschorst. De minister beslist [1 ...]1 binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van het voorstel van beslissing over het intrekken van de erkenning.
  
Art. 3.3.13. Lorsqu'un service du patrimoine immobilier intercommunal agréé indique lui-même qu'il ne veut plus être agréé, l'agence formule une proposition définitive de décision concernant le retrait de l'agrément sans que le service du patrimoine immobilier intercommunal ne soit d'abord suspendu. Le Ministre décide [1 ...]1 dans un délai de trente jours, qui prend cours le jour après la réception de la proposition de décision concernant le retrait de l'agrément.
  
Art. 3.3.14. Het agentschap deelt de beslissing van de minister over de [1 intrekking of aanpassing]1 van de erkenning of de opheffing van de schorsing onverwijld per beveiligde zending mee aan de intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst. De [1 intrekking of aanpassing]1 van de erkenning of de opheffing van de schorsing gaat in op de dag die volgt op de dag van de [1 kennisgeving]1 van de beslissing aan de intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst.
  Als de minister geen beslissing neemt binnen de termijn, vermeld in artikel [1 3.3.12 of 3.3.13]1, wordt de erkenning geacht niet te zijn [1 ingetrokken of aangepast]1 en de schorsing te zijn opgeheven.
  
Art. 3.3.14. L'agence communique la décision du Ministre concernant [1 le retrait ou l'ajustement]1 de l'agrément ou l'abrogation de la suspension sans tarder au service du patrimoine immobilier intercommunal, par envoi sécurisé. [1 Le retrait ou l'ajustement]1 de l'agrément ou l'abrogation de la suspension prend cours le jour qui suit le jour de la [1 notification]1 de la décision au service du patrimoine immobilier intercommunal.
  Lorsque le Ministre ne prend pas de décision dans le délai, visé à l'article [1 3.3.12 ou 3.3.13]1, l'agrément est censé ne pas être [1 retiré ou ajusté]1 et la suspension être abrogée.
  
Art. 3.3.14. TOEKOMSTIG_RECHT.
   Het agentschap deelt [2 de beslissingen, vermeld in artikel 3.3.12, vierde lid en artikel 3.3.13]2 onverwijld per beveiligde zending mee aan de intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst. De [1 intrekking of aanpassing]1 van de erkenning of de opheffing van de schorsing gaat in op de dag die volgt op de dag van de [1 kennisgeving]1 van de beslissing aan de intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst.
  Als de minister geen beslissing neemt binnen de termijn, vermeld in artikel [1 3.3.12 of 3.3.13]1, wordt de erkenning geacht niet te zijn [1 ingetrokken of aangepast]1 en [2 in voorkomend geval]2 de schorsing te zijn opgeheven.
Art. 3.3.14. DROIT_FUTUR.
   L'agence communique [2 les décisions visées à l'article 3.3.12, alinéa 4, et à l'article 3.3.13]2 sans tarder au service du patrimoine immobilier intercommunal, par envoi sécurisé. [1 Le retrait ou l'ajustement]1 de l'agrément ou l'abrogation de la suspension prend cours le jour qui suit le jour de la [1 notification]1 de la décision au service du patrimoine immobilier intercommunal.
  Lorsque le Ministre ne prend pas de décision dans le délai, visé à l'article [1 3.3.12 ou 3.3.13]1, l'agrément est censé ne pas être [1 retiré ou ajusté]1 et [2 le cas échéant]2 la suspension être abrogée.
Art. 3.3.15. De intrekking van een erkenning als intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd.
Art. 3.3.15. Le retrait d'un agrément comme service du patrimoine immobilier intercommunal est publié par extrait au Moniteur belge.
Art. 3.3.16. Om na de intrekking van de erkenning opnieuw een aanvraag tot erkenning in te dienen, moet de intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst de volledige aanvraagprocedure opnieuw doorlopen.
Art. 3.3.16. Pour introduire, après le retrait de l'agrément, à nouveau une demande d'agrément, le service du patrimoine immobilier intercommunal doit à nouveau parcourir la procédure de demande complète.
Art. 3.3.17. [1 Als de samenstelling van een erkende intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst wijzigt, vraagt de erkende intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst een aanpassing van de erkenning aan.
   De aanvraag beschrijft de wijziging en toont aan hoe de intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst door de wijziging blijft voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 3.3.1. en 3.3.2 door middel van een aanvulling van de aanvraag op basis waarvan de intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst erkend werd. De procedure verloopt overeenkomstig de erkenningsprocedure, vermeld in artikel 3.3.3 tot en met 3.3.7.
   Als de intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst door de wijziging niet meer voldoet aan de erkenningsvoorwaarden, wordt de erkenning ingetrokken overeenkomstig artikel 3.3.14 en 3.3.15.]1

  
Art. 3.3.17. [1 Si la composition d'un service du patrimoine immobilier intercommunal change, le service du patrimoine immobilier intercommunal agréé demande un ajustement de l'agrément.
   La demande décrit la modification et démontre comment le service du patrimoine immobilier intercommunal continue à répondre, en dépit de la modification, aux conditions visées aux articles 3.3.1. et 3.3.2 au moyen d'un complément à la demande sur la base de laquelle le service du patrimoine immobilier intercommunal a été agréé. La procédure se déroule conformément à la procédure d'agrément visée dans les articles 3.3.3 à 3.3.7 inclus.
   Si, à la suite de la modification, le service du patrimoine immobilier intercommunal ne répond plus aux conditions d'agrément, l'agrément est retiré conformément aux articles 3.3.14 et 3.3.15.]1

  
Art. 3.3.17. TOEKOMSTIG_RECHT.
   [1 Als de samenstelling van een erkende intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst wijzigt, vraagt de erkende intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst een aanpassing van de erkenning aan.
   De aanvraag beschrijft de wijziging en toont aan hoe de intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst door de wijziging blijft voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 3.3.1. en 3.3.2 door middel van een aanvulling van de aanvraag op basis waarvan de intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst erkend werd. De procedure verloopt overeenkomstig de erkenningsprocedure, vermeld in artikel 3.3.3 tot en met 3.3.7.
   Als de intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst door de wijziging niet meer voldoet aan [2 de voorwaarden vermeld in artikel 3.3.1 en 3.3.2]2, wordt de erkenning ingetrokken overeenkomstig artikel 3.3.14 en 3.3.15.]1

  [2 Als door een wijziging van zijn samenstelling de erkende intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst niet meer voldoet aan de voorwaarde vermeld in artikel 3.3.1, eerste lid, 3°, blijft de erkenning, in afwijking van het derde lid, nog gelden voor twee jaar vanaf de wijziging van de samenstelling, als al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
   1° met uitzondering van de voormelde voorwaarde, zijn alle andere voorwaarden vermeld in artikel 3.3.1 en 3.3.2 vervuld;
   2° de erkende intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst kan aantonen dat hij binnen twee jaar opnieuw kan voldoen aan de voorwaarde vermeld in artikel 3.3.1, eerste lid, 3°.
   Na afloop van de termijn van twee jaar vermeld in het vierde lid wordt de erkenning ingetrokken conform artikel 3.3.14 en 3.3.15 als de intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst op dat moment nog altijd niet voldoet aan al de voorwaarden vermeld in artikel 3.3.1 en 3.3.2.]2
Art. 3.3.17. DROIT_FUTUR.
   [1 Si la composition d'un service du patrimoine immobilier intercommunal change, le service du patrimoine immobilier intercommunal agréé demande un ajustement de l'agrément.
   La demande décrit la modification et démontre comment le service du patrimoine immobilier intercommunal continue à répondre, en dépit de la modification, aux conditions visées aux articles 3.3.1. et 3.3.2 au moyen d'un complément à la demande sur la base de laquelle le service du patrimoine immobilier intercommunal a été agréé. La procédure se déroule conformément à la procédure d'agrément visée dans les articles 3.3.3 à 3.3.7 inclus.
   Si, à la suite de la modification, le service du patrimoine immobilier intercommunal ne répond plus aux [2 conditions, visées aux articles 3.3.1 et 3.3.2]2, l'agrément est retiré conformément aux articles 3.3.14 et 3.3.15.]1

  [2 Si, en raison d'une modification de sa composition, le service du patrimoine immobilier intercommunal agréé ne remplit plus la condition visée à l'article 3.3.1, alinéa 1er, 3°, l'agrément reste valable, par dérogation à l'alinéa 3, pendant deux ans à compter de la modification de la composition, si toutes les conditions suivantes sont remplies :
   1° à l'exception de la condition précitée, toutes les autres conditions visées aux articles 3.3.1 et 3.3.2 sont remplies ;
   2° le service du patrimoine immobilier intercommunal agréé est en mesure de démontrer qu'il peut remplir la condition visée à l'article 3.3.1, alinéa 1er, 3°, à nouveau dans un délai de deux ans.
   A l'issue de la période de deux ans visée à l'alinéa 4, l'agrément est retiré conformément aux articles 3.3.14 et 3.3.15 si le service du patrimoine immobilier intercommunal ne remplit toujours pas à ce moment toutes les conditions visées aux articles 3.3.1 et 3.3.2.]2
Afdeling 4. - Erkenning als onroerenderfgoeddepot
Section 4. - Agrément comme dépôt du patrimoine immobilier
Art. 3.4.1. Om een aanvraag tot erkenning als onroerenderfgoeddepot te kunnen indienen, moet een organisatie:
  1° een permanente organisatie met rechtspersoonlijkheid zijn die als doel heeft archeologische ensembles, archeologische artefacten of onderdelen van beschermd onroerend erfgoed, afkomstig uit het Vlaamse Gewest, tijdelijk of permanent te bewaren en te beheren;
  2° aantonen dat de infrastructuur om dat onroerend erfgoed te bewaren en te beheren, in het Vlaamse Gewest ligt.
Art. 3.4.1. Afin de pouvoir introduire une demande d'agrément comme dépôt du patrimoine immobilier, une organisation doit :
  1° être une organisation permanente avec personnalité juridique qui a pour but de conserver et de gérer, à titre temporaire ou permanent, des ensembles archéologiques, des artefacts archéologiques ou des parties de patrimoine immobilier protégé, provenant de la Région flamande ;
  2° démontrer que l'infrastructure pour conserver et gérer ce patrimoine immobilier se situe dans la Région flamande.
Art. 3.4.2. [1 Om erkend te worden en te blijven]1 als onroerenderfgoeddepot, dient een rechtspersoon een aanvraag tot erkenning in bij het agentschap en hij toont daarbij aan dat hij minstens aan de volgende erkenningsvoorwaarden voldoet:
  1° de organisatie vervult een receptieve functie voor archeologische ensembles, archeologische artefacten of onderdelen van beschermd onroerend erfgoed, afkomstig uit het Vlaamse Gewest, die permanent of tijdelijk ex situ worden bewaard en ze beschikt daarvoor over adequate middelen;
  Om dat te staven toont de organisatie aan dat ze:
  a) beschikt over een aangepaste depotruimte voor langdurige opslag om de collectie duurzaam te bewaren;
  b) werkt volgens de principes van gescheiden opslag met gecontroleerde bewaaromstandigheden;
  c) beschikt over een afzonderlijke transitruimte en een afzonderlijke raadpleegruimte;
  d) beschikt over voldoende gekwalificeerd personeel, afhankelijk van de omvang van de collectie en de aard van de instelling, om die receptieve functie te vervullen. Ten minste een van de personeelsleden heeft het beheer van het depot in zijn takenpakket en fungeert als aanspreekpunt voor de werking van het onroerenderfgoeddepot.
  2° de organisatie schakelt zich in binnen het Vlaamse en provinciale depotbeleid.
  Om dat te staven toont de organisatie aan dat:
  a) haar depotprofiel is bepaald in overleg met de andere erkende onroerenderfgoeddepots;
  b) afspraken zijn gemaakt over de uitoefening van de receptieve functie voor onroerend erfgoed en de afstemming van de depotprofielen met de andere erkende onroerenderfgoeddepots;
  c) haar kennis en expertise op een actieve manier ter beschikking worden gesteld;
  3° de organisatie toont een kwaliteitsvolle inhoudelijke werking aan.
  Om dat te staven toont de organisatie aan dat ze beschikt over:
  a) een geschreven depotplan met daarin minstens:
  1) een missie, visie en plan van aanpak over de receptieve functie van het depot, het depotprofiel en de aanvaardingsvoorwaarden;
  2) een registratieplan, een calamiteitenplan en een stopzettingsscenario;
  b) een digitaal ontsloten systeem voor informatiebeheer, documentatie en registratie waardoor het mogelijk wordt het onroerend erfgoed dat zich tijdelijk of permanent ex situ bevindt te traceren;
  c) een globale beschrijving van de aanwezige collectie op metaniveau en van de materiële toestand van de aanwezige collectie op metaniveau, van de depotruimten en van de actieve en preventieve maatregelen tot het behoud van de aanwezige collectie;
  d) een geschreven kwaliteitshandboek waarin de principes van interne kwaliteitszorg worden gehanteerd, dat een continu verbeteringsproces waarborgt, met verwijzing naar de gehanteerde algemeen aanvaarde standaarden en deontologische regels, binnen een jaar na de erkenning;
  e) een geschreven publieks- en onderzoeksbeleid:
  1) waarin wordt aangegeven dat het onroerenderfgoeddepot minstens een dag per week, al dan niet op afspraak, geopend is voor bezoekers;
  2) waarin de bruikleenregels worden bepaald om stukken in bruikleen te geven en het zo mogelijk te maken dat stukken worden tentoongesteld aan een breder publiek;
  3) waarin wordt aangetoond op welke manier de stukken beschikbaar worden gesteld voor wetenschappelijk onderzoek en hoe dat onderzoek wordt gefaciliteerd;
  4° de organisatie voert een degelijk zakelijk beleid zodat er voldoende garanties worden gegeven dat het onroerenderfgoeddepot in de toekomst blijft bestaan.
  Om dat te staven toont de organisatie aan dat ze beschikt over:
  a) een missie en doelstellingen die in overeenstemming zijn met de erkenningsvoorwaarden;
  b) een organisatiestructuur waarbij er duidelijke afspraken zijn over procedures en bevoegdheden en waarbij een interne controle wordt georganiseerd;
  c) een degelijk personeelsbeleid dat is aangepast aan de schaalgrootte van de organisatie, waarbij minstens ieder personeelslid beschikt over een functiebeschrijving, periodiek wordt geëvalueerd en de mogelijkheid krijgt om zich bij te scholen;
  d) een archiefsysteem voor het eigen archief van de organisatie.
  In afwijking van het eerste lid, 3°, e), 1) kan een langere sluitingsperiode gemotiveerd worden vanuit de omgang van de collectie of in geval van een tijdelijke sluitingsperiode voor infrastructuurwerken.
  In het eerste lid wordt verstaan onder:
  1° depotprofiel: een omschrijving van het werkingsgebied en de specialisatie(s) van het onroerenderfgoeddepot en van de opdrachten die het onroerenderfgoeddepot wil en kan opnemen, waaruit duidelijk blijkt voor welk onroerend erfgoed, dat zich definitief of tijdelijk ex situ bevindt, het onroerenderfgoeddepot een receptieve functie kan uitoefenen;
  2° kwaliteitshandboek: een verslag van het kwaliteitsbeleid van een rechtspersoon waarin de rechtspersoon aangeeft op welke manier de kwaliteit van de dienstverlening wordt geëvalueerd, bestendigd en verbeterd.
  
Art. 3.4.2. [1 Afin d'être et de rester agréé]1 comme dépôt du patrimoine immobilier, une personne morale introduit une demande d'agrément auprès de l'agence et elle démontre qu'elle répond au moins aux conditions d'agrément suivantes :
  1° l'organisation remplit une fonction réceptive pour des ensembles archéologiques, artefacts archéologiques ou parties de patrimoine immobilier protégé, provenant de la Région flamande, qui sont conservés ex situ à titre permanent ou temporaire et elle dispose à cet effet de ressources adéquates ;
  Afin d'étayer cela, l'organisation démontre qu'elle :
  a) dispose d'un espace de dépôt adapté pour le stockage de longue durée afin de conserver la collection de manière durable ;
  b) travaille selon les principes du stockage séparé avec des conditions de conservation contrôlées ;
  c) dispose d'un espace de transit séparé et d'un espace de consultation séparé ;
  d) dispose de suffisamment de personnel qualifié, en fonction de l'importance de la collection et de la nature de l'établissement, pour remplir cette fonction réceptive. Au moins un des membres du personnel a la gestion du dépôt dans son ensemble de tâches et fonctionne comme point de contact pour le fonctionnement du dépôt du patrimoine immobilier.
  2° l'organisation s'insère dans la politique de dépôt flamande et provinciale.
  Afin d'étayer cela, l'organisation démontre :
  a) que son profil de dépôt est déterminé en concertation avec les autres dépôts du patrimoine immobilier agréés ;
  b) que des accords ont été conclus concernant l'exécution de la fonction réceptive pour le patrimoine immobilier et l'adaptation des profils des dépôts aux autres dépôts du patrimoine immobilier agréés ;
  c) que sa connaissance et son expertise sont mises à disposition d'une manière active ;
  3° l'organisation démontre un fonctionnement de fond de qualité.
  Afin d'étayer cela, l'organisation démontre qu'elle dispose :
  a) d'un plan de dépôt écrit qui comprend au moins :
  1) une mission, une vision et un plan d'approche concernant la fonction réceptive du dépôt, le profil du dépôt et les conditions d'acceptation ;
  2) un plan d'enregistrement, un plan de calamités et un scénario d'arrêt ;
  b) d'un système rendu accessible de manière numérique pour la gestion des informations, pour la documentation et pour l'enregistrement, permettant de tracer le patrimoine immobilier qui se situe ex situ à titre temporaire ou permanent ;
  c) d'une description globale de la collection présente au métaniveau et de la situation matérielle de la collection présente au métaniveau, des espaces de dépôt et des mesures actives et préventives visant la conservation de la collection présente ;
  d) d'un manuel de qualité écrit dans lequel sont utilisés les principes de la gestion de la qualité interne, garantissant un processus d'amélioration continu, faisant référence aux normes généralement acceptées et règles déontologiques utilisées, dans un an après l'agrément ;
  e) d'une politique écrite axée sur le public et sur la recherche :
  1) dans laquelle il est indiqué que le dépôt du patrimoine immobilier est ouvert aux visiteurs au moins un jour par semaine, sur rendez-vous ou non ;
  2) dans laquelle sont fixées les règles de prêt pour prêter des pièces et, dès lors, permettre que des pièces soient exposées à un public plus large ;
  3) dans laquelle il est démontré de quelle manière les pièces sont mises à disposition pour des recherches scientifiques et comment ces recherches sont facilitées ;
  4° l'organisation mène une politique solide sur le plan des affaires de sorte qu'il soit donné suffisamment de garanties que le dépôt du patrimoine immobilier continue à exister à l'avenir.
  Afin d'étayer cela, l'organisation démontre qu'elle dispose :
  a) d'une mission et d'objectifs qui sont conformes aux conditions d'agrément ;
  b) d'une structure organisationnelle où il existe des accords clairs concernant les procédures et compétences, et où un contrôle interne est organisé ;
  c) d'une gestion du personnel solide qui est adaptée à l'échelle de l'organisation, où au moins chaque membre du personnel dispose d'une description de fonction, est évalué périodiquement et a la possibilité de se perfectionner ;
  d) d'un système d'archivage pour les propres archives de l'organisation.
  Par dérogation à l'alinéa premier, 3°, e), 1), une période de fermeture plus longue peut être motivée sur la base de la fréquentation de la collection ou, en cas d'une période de fermeture temporaire, pour des travaux d'infrastructure.
  Dans l'alinéa premier, on entend par :
  1° profil de dépôt : une description de la zone d'action et de la spécialisation/des spécialisations du dépôt du patrimoine immobilier et des missions que le dépôt du patrimoine immobilier veut et peut assumer, dont il ressort clairement pour quel patrimoine immobilier, qui se situe ex situ à titre définitif ou temporaire, le dépôt du patrimoine immobilier peut exercer une fonction réceptive ;
  2° manuel de qualité : un rapport de la politique de qualité d'une personne morale dans lequel la personne morale indique de quelle manière la qualité des services est évaluée, perpétuée et améliorée.
  
Art. 3.4.3. Het agentschap stelt op zijn website een modelformulier ter beschikking waarmee een aanvraag tot erkenning van een onroerenderfgoeddepot kan worden ingediend. Door dat modelformulier in te vullen kan het onroerenderfgoeddepot aantonen dat het voldoet aan alle erkenningsvoorwaarden. De aanvrager dient zijn aanvraag in bij het agentschap door het formulier volledig in te vullen en het uiterlijk op 15 [1 januari]1 van elk jaar met de bijhorende stavingsstukken te bezorgen aan het agentschap.
  
Art. 3.4.3. L'agence met un formulaire modèle à disposition sur son site web au moyen duquel une demande d'agrément d'un dépôt du patrimoine immobilier peut être introduite. En remplissant ce formulaire modèle, le dépôt du patrimoine immobilier peut démontrer qu'il répond à toutes les conditions d'agrément. Le demandeur introduit sa demande auprès de l'agence en remplissant dûment le formulaire et en le transmettant à l'agence avec les pièces justificatives afférentes, au plus tard le 15 [1 janvier]1 de chaque année.
  
Art. 3.4.4. Een aanvraag is ontvankelijk als ze tijdig is ingediend en voldoet aan de vereisten, vermeld in artikel 3.4.1.
  Het agentschap meldt de aanvrager, [1 schriftelijk]1, binnen een termijn van vijftien dagen, die ingaat op de dag na de uiterlijke indieningsdatum, of de aanvraag ontvankelijk is. Als de aanvraag niet ontvankelijk is, wordt de reden daarvan meegedeeld. [1 ...]1
  
Art. 3.4.4. Une demande est recevable lorsqu'elle est introduite à temps et répond aux exigences, visées à l'article 3.4.1.
  L'agence informe le demandeur, [1 par écrit]1, dans un délai de quinze jours, qui prend cours le jour après la date limite d'introduction, du fait que la demande est recevable ou non. Lorsque la demande n'est pas recevable, la raison en est communiquée. [1 ...]1
  
Art. 3.4.5. Het agentschap bezorgt, binnen een termijn van vijftien dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van de aanvraag, een afschrift van de ontvankelijke aanvraag aan de provincie op het grondgebied waarvan de depotinfrastructuur ligt, als de aanvrager niet beheerd wordt door de provincie. De provincie formuleert over de aanvraag een advies en bezorgt dat binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van het afschrift aan het agentschap. Als deze termijn wordt overschreden, mag aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
  [1 Het agentschap kan het advies van de Commissie inwinnen over de aanvraag tot erkenning van het onroerenderfgoeddepot. De Commissie bezorgt haar advies aan het agentschap binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van de adviesvraag. Als er niet tijdig advies wordt verleend, wordt aan de adviesvraag voorbijgegaan.]1
  
Art. 3.4.5. L'agence transmet, dans un délai de quinze jours, qui prend cours le jour après la réception de la demande, une copie de la demande recevable à la province sur le territoire duquel se situe l'infrastructure de dépôt, lorsque le demandeur n'est pas géré par la province. La province formule un avis concernant la demande et le transmet à l'agence dans un délai de trente jours, qui prend cours le jour après la réception de la copie. Lorsque ce délai est dépassé, l'exigence d'avis peut être ignorée.
  [1 L'agence peut demander l'avis de la Commission sur la demande d'agrément du dépôt du patrimoine immobilier. La Commission rend son avis à l'agence dans un délai de trente jours, qui prend cours le jour suivant la réception de la demande d'avis. Lorsqu'aucun avis n'est rendu à temps, la demande d'avis est ignorée.]1
  
Art. 3.4.6. Het agentschap beoordeelt de aanvraag tot erkenning van het onroerenderfgoeddepot op basis van de erkenningsvoorwaarden, en in voorkomend geval, op basis van het advies van de betrokken provincie(s). Het agentschap kan het onroerenderfgoeddepot bezoeken om de aanvraag tot erkenning ten gronde te beoordelen. [1 Het agentschap brengt uiterlijk op 15 maart van hetzelfde jaar van de erkenningsaanvraag op basis daarvan een advies uit aan de minister]1.
  
Art. 3.4.6. L'agence évalue la demande d'agrément du dépôt du patrimoine immobilier sur la base des conditions d'agrément et, le cas échéant, sur la base de l'avis de la province concernée/des provinces concernées. L'agence peut visiter le dépôt du patrimoine immobilier pour évaluer au fond la demande d'agrément. [1 L'agence remet un avis au ministre sur la base de cette visite au plus tard le 15 mars de la même année que la demande d'agrément.]1.
  
Art. 3.4.7. Op basis van het advies van het agentschap beslist de minister over de erkenning van het onroerenderfgoeddepot. [1 ...]1
  
Art. 3.4.7. Sur la base de l'avis de l'agence, le Ministre décide de l'agrément du dépôt du patrimoine immobilier. [1 ...]1
  
Art. 3.4.8. Uiterlijk op [2 30 april]2 van elk jaar brengt de minister de aanvragers per beveiligde zending op de hoogte van het al dan niet aanvaarden van de erkenningsaanvraag.
  
Art. 3.4.8. Au plus tard le [2 30 avril]2 de chaque année, le Ministre met les demandeurs au courant, par envoi sécurisé, de l'acceptation ou non de la demande d'agrément.
  
Art. 3.4.9. De erkenning van een onroerenderfgoeddepot wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd.
Art. 3.4.9. L'agrément d'un dépôt du patrimoine immobilier est publié par extrait au Moniteur belge.
Art. 3.4.10. Een erkenning als onroerenderfgoeddepot is voor onbepaalde duur en geldt zolang aan de voorwaarden, vermeld in artikel 3.4.1, de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 3.4.2 en aan de voorwaarden in het kader van de opvolging, vermeld in artikel 3.4.11 voldaan wordt.
Art. 3.4.10. Un agrément comme dépôt du patrimoine immobilier est pour une durée indéterminée et vaut tant que les conditions, visées à l'article 3.4.1, les conditions d'agrément, visées à l'article 3.4.2 et les conditions dans le cadre du suivi, visées à l'article 3.4.11, restent remplies.
Art. 3.4.11. In het kader van de opvolging van de erkende onroerenderfgoeddepots moet het erkend onroerenderfgoeddepot:
  1° alle wijzigingen die betrekking hebben op de erkenningsvoorwaarden, onverwijld melden aan het agentschap;
  2° altijd te werk gaan volgens alle wettelijke en decretale voorschriften voor tijdelijke en permanente opslag van materialen, en volgens de internationaal aanvaarde standaarden;
  3° jaarlijks een inhoudelijk verslag opstellen en bezorgen aan het agentschap over de inhoudelijke werking van het onroerenderfgoeddepot.
Art. 3.4.11. Dans le cadre du suivi des dépôts du patrimoine immobilier agréés, le dépôt du patrimoine immobilier agréé doit :
  1° communiquer sans tarder à l'agence toutes les modifications qui ont trait aux conditions d'agrément ;
  2° toujours procéder selon toutes les prescriptions légales et décrétales pour le stockage temporaire et permanent de matériels, et selon les normes acceptées au niveau international ;
  3° établir et transmettre à l'agence annuellement un rapport de fond sur le fonctionnement de fond du dépôt du patrimoine immobilier.
Art. 3.4.12. Uiterlijk op [2 30 april]2 van elk jaar, behalve in het jaar van de aanvraag tot erkenning, rapporteert het erkende onroerenderfgoeddepot in een inhoudelijk verslag, zoals vermeld in artikel 3.4.11, 3°, over de jaarlijkse werking.
  
Art. 3.4.12. Au plus tard le [2 30 avril]2 de chaque année, sauf dans l'année de la demande d'agrément, le dépôt du patrimoine immobilier agréé fait rapport sur le fonctionnement annuel dans un rapport de fond, tel que visé à l'article 3.4.11, 3°.
  
Art. 3.4.13. Als het onroerenderfgoeddepot niet voldoet aan de erkenningsvoorwaarden, de rapporteringsverplichtingen of als de rapportering manifest onduidelijk is of als het onroerenderfgoeddepot onvoldoende aantoont dat het de vooropgestelde doelstellingen heeft nagestreefd, maakt de minister [1 binnen een termijn van negentig dagen, die ingaat op de dag]1 na de [2 uiterste rapportagedatum vermeld in artikel 3.4.12]2 per beveiligde zending bezwaar bij het onroerenderfgoeddepot. Het onroerenderfgoeddepot bezorgt, binnen [1 een termijn van zestig dagen, die ingaat op de dag]1 na de ontvangst van het bezwaar de minister een aangepaste rapportering, vermeld in artikel 3.4.11, 3°, of een motiverende nota met de redenen waarom bepaalde engagementen niet zijn nagekomen.
  
Art. 3.4.13. Lorsque le dépôt du patrimoine immobilier ne répond pas aux conditions d'agrément, aux obligations de rapport, ou lorsque le rapport est manifestement imprécis ou lorsque le dépôt du patrimoine immobilier démontre insuffisamment qu'il a cherché à atteindre les objectifs envisagés, le Ministre émet des réserves auprès du dépôt du patrimoine immobilier par envoi sécurisé, [1 dans un délai de nonante jours, qui prend cours le jour]1 après [2 la date limite de rapport visée à l'article 3.4.12]2. Le dépôt du patrimoine immobilier transmet, dans [1 un délai de soixante jours, qui prend cours le jour]1 après la réception des réserves, un rapport adapté, visé à l'article 3.4.11, 3°, au Ministre ou une note de motivation avec les raisons pour lesquelles certains engagements n'ont pas été respectés.
  
Art. 3.4.14. Het agentschap kan op verzoek van de minister een erkend onroerenderfgoeddepot evalueren met het oog op de opvolging van de erkenningsvoorwaarden. Daarvoor wordt een visitatiecommissie door het agentschap samengesteld met minstens één vertegenwoordiger uit de Commissie en minstens één vertegenwoordiger van de provincies. De visitatiecommissie wordt paritair samengesteld. Het secretariaat van de visitatiecommissie wordt waargenomen door het agentschap. De visitatiecommissie kan alle documenten opvragen die betrekking hebben op de erkenningsvoorwaarden, kan het erkende onroerenderfgoeddepot vragen om toelichting te komen geven en kan het erkende onroerenderfgoeddepot zelf bezoeken om na te gaan of het erkende onroerenderfgoeddepot wel blijvend voldoet aan alle erkenningsvoorwaarden.
Art. 3.4.14. A la demande du Ministre, l'agence peut évaluer un dépôt du patrimoine immobilier agréé en vue du suivi des conditions d'agrément. A cet effet, l'agence compose une commission de visite avec au moins un représentant de la Commission et au moins un représentant des provinces. La commission de visite est composée de manière paritaire. Le secrétariat de la commission de visite est assuré par l'agence. La commission de visite peut demander tous les documents qui ont trait aux conditions d'agrément, peut demander le dépôt du patrimoine immobilier agréé de venir donner des explications et peut visiter le dépôt du patrimoine immobilier agréé pour vérifier si le dépôt du patrimoine immobilier agréé continue effectivement à répondre de manière permanente à toutes les conditions d'agrément.
Art. 3.4.15. Het agentschap deelt de resultaten van de evaluatie binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de uitvoering van de evaluatie mee aan de minister. De minister kan in geval van een negatieve evaluatie de erkenning van het onroerenderfgoeddepot schorsen voor een termijn van maximaal honderdtwintig dagen. Het agentschap deelt de beslissing tot schorsing per beveiligde zending mee aan het onroerenderfgoeddepot. [1 Het geschorste onroerenderfgoeddepot beschikt over een termijn van zestig dagen, die ingaat op de dag na de kennisgeving van de beslissing tot schorsing om aan de redenen voor de schorsing van de erkenning te remediëren.]1
  Tijdens de schorsingsperiode kan het onroerenderfgoeddepot geen receptieve functie meer opnemen voor het ontvangen van onroerend erfgoed dat zich door omstandigheden ex situ bevindt. Er worden afspraken gemaakt met de andere erkende onroerenderfgoeddepots om die receptieve functie tijdelijk te ondervangen.
  Het geschorste onroerenderfgoeddepot bezorgt binnen de termijn van zestig dagen, vermeld in het eerste lid, [1 schriftelijk]1 een reactie aan het agentschap waarin het beschrijft welke acties het heeft ondernomen of onverwijld zal ondernemen ter remediëring.
  Als de visitatiecommissie van oordeel is dat de acties volstaan om te voldoen aan de erkenningsvoorwaarden, formuleert de visitatiecommissie een voorstel tot opheffing van de schorsing. Als de visitatiecommissie van oordeel is dat de acties niet volstaan om te voldoen aan de erkenningsvoorwaarden of als het onroerenderfgoeddepot geen schriftelijke reactie heeft bezorgd binnen de gestelde termijn, formuleert de visitatiecommissie een voorstel tot intrekking van de erkenning.
  Op basis van het voorstel van de visitatiecommissie maakt het agentschap voor de minister een voorstel op van de beslissing tot opheffing van de schorsing of tot intrekking van de erkenning. De minister beslist [1 ...]1 binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van het voorstel.
  
Art. 3.4.15. L'agence communique les résultats de l'évaluation au Ministre dans un délai de trente jours, qui prend cours le jour après l'exécution de l'évaluation. En cas d'une évaluation négative, le Ministre peut suspendre l'agrément du dépôt du patrimoine immobilier pour un délai de cent vingt jours au maximum. L'agence communique la décision de suspension [1 par écrit]1 au dépôt du patrimoine immobilier. [1 Le dépôt du patrimoine immobilier suspendu dispose d'un délai de soixante jours, qui prend cours le jour après la notification de la décision de suspension pour remédier aux raisons de la suspension de l'agrément.]1
  Lors de la période de suspension, le dépôt du patrimoine ne peut plus assumer de fonction réceptive pour la réception de patrimoine immobilier qui se situe ex situ en raison de circonstances. Des accords sont conclus avec les autres dépôts du patrimoine immobilier agréés afin de parer à cette fonction réceptive temporairement.
  Le dépôt du patrimoine immobilier suspendu transmet, dans le délai de soixante jours, visé à l'alinéa premier, par envoi sécurisé, une réaction à l'agence dans laquelle il décrit les actions en remédiation qu'il a entreprises ou entreprendra sans tarder.
  Lorsque la commission de visite estime que les actions suffisent pour répondre aux conditions d'agrément, la commission de visite formule une proposition d'abrogation de la suspension. Lorsque la commission de visite estime que les actions ne suffisent pas pour répondre aux conditions d'agrément ou lorsque le dépôt du patrimoine immobilier n'a pas transmis de réaction écrite dans le délai imparti, la commission de visite formule une proposition de retrait de l'agrément.
  Sur la base de la proposition de la commission de visite, l'agence établit pour le Ministre une proposition de la décision d'abrogation de la suspension ou de retrait de l'agrément. Le Ministre décide [1 ...]1 dans un délai de trente jours, qui prend cours le jour après la réception de la proposition.
  
Art. 3.4.16. Als een erkend onroerenderfgoeddepot ophoudt te bestaan of als een erkend onroerenderfgoeddepot zelf te kennen geeft dat het niet meer erkend wil zijn, kan het agentschap een voorstel van beslissing formuleren over de intrekking van de erkenning zonder dat het onroerenderfgoeddepot eerst wordt geschorst. De minister beslist [1 ...]1 binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van het voorstel van beslissing over de intrekking van de erkenning.
  
Art. 3.4.16. Lorsqu'un dépôt du patrimoine immobilier agréé cesse d'exister ou lorsqu'un dépôt du patrimoine immobilier agréé indique lui-même qu'il ne veut plus être agréé, l'agence peut formuler une proposition de décision concernant le retrait de l'agrément sans que le dépôt du patrimoine immobilier ne soit d'abord suspendu. Le Ministre décide [1 ...]1 dans un délai de trente jours, qui prend cours le jour après la réception de la proposition de décision concernant le retrait de l'agrément.
  
Art. 3.4.17. [2 Het agentschap brengt het onroerenderfgoeddepot onverwijld per beveiligde zending op de hoogte van de beslissingen vermeld in artikel 3.4.15, vijfde lid en artikel 3.4.16]2. De intrekking van de erkenning of de opheffing van de schorsing gaat in op de dag die volgt op de dag van de [1 kennisgeving]1 van de beslissing aan het onroerenderfgoeddepot.
  Als de minister geen beslissing neemt binnen de termijn, vermeld in artikel 3.4.15, vijfde lid of 3.4.16, [1 wordt]1 de erkenning geacht niet te zijn ingetrokken en de [2 in voorkomend geval]2 schorsing te zijn opgeheven.
  De intrekking van de erkenning als onroerenderfgoeddepot wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd.
  
Art. 3.4.17. [2 L'agence communique sans délai par envoi sécurisé au dépôt du patrimoine immobilier les décisions visées à l'article 3.4.15, alinéa 5, et à l'article 3.4.16]2. Le retrait de l'agrément ou l'abrogation de la suspension prend cours le jour qui suit le jour de la [1 notification]1 de la décision au dépôt du patrimoine immobilier.
  Lorsque le Ministre ne prend pas de décision dans le délai, visé à l'article 3.4.15, alinéa cinq, ou 3.4.16, l'agrément est censé ne pas être retiré et [2 le cas échéant]2 la suspension être abrogée.
  Le retrait de l'agrément comme dépôt du patrimoine immobilier est publié par extrait au Moniteur belge.
  
Afdeling 5. - Aanduiding als erkende archeoloog
Section 5. - Désignation comme archéologue agréé
Art. 3.5.1. [1 Archeologen kunnen aangeduid worden als:
   1° een erkende archeoloog type 1: een natuurlijk persoon of rechtspersoon die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 3.5.2 en artikel 3.5.3 en die bevoegd is voor het uitvoeren van archeologisch vooronderzoek of archeologische opgravingen;
   2° een erkende archeoloog type 2: een natuurlijk persoon of rechtspersoon die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 3.5.2/1 en artikel 3.5.3/1 en die bevoegd is voor het uitvoeren van archeologisch vooronderzoek zonder ingreep in de bodem.]1

  
Art. 3.5.1. [1 Les archéologues peuvent être désignés en tant que :
   1° un archéologue agréé de type 1 : une personne physique ou personne morale qui répond aux conditions, visées aux articles 3.5.2 et 3.5.3 et qui est habilité à effectuer l'étude archéologique préalable ou les fouilles archéologiques ;
   2° un archéologue agréé de type 2 : une personne physique ou personne morale qui répond aux conditions, visées aux articles 3.5.2/1 et 3.5.3/1 et qui est habilité à effectuer l'étude archéologique préalable sans intervention dans le sol ;]1

  
Art. 3.5.1 /1. [1 Een aanvraag tot aanduiding als erkende archeoloog is ontvankelijk als de aanvrager een overzicht indient van alle verslagen die hij moet indienen overeenkomstig artikel 14, § 1, 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 1994 tot uitvoering van het decreet van 30 juni 1993 houdende de bescherming van het archeologisch patrimonium, nadat aan hem een vergunning is verleend als vermeld in artikel 6 van het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium. In het overzicht motiveert de aanvrager, in voorkomend geval, waarom hij bepaalde verslagen nog niet heeft ingediend.]1
  
Art. 3.5.1 /1. [1 Une demande de désignation comme archéologue agréé est recevable lorsque le demandeur introduit un aperçu de tous les rapports qui sont requis conformément à l'article 14, § 1er, 4°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 avril 1994 portant exécution du décret du 30 juin 1993 portant protection du patrimoine archéologique, après qu'une autorisation lui a été octroyée telle que visée à l'article 6 du décret du 30 juin 1993 portant protection du patrimoine archéologique. Dans l'aperçu, le demandeur motive le cas échéant pourquoi il n'a pas encore introduit certains rapports.]1
  
Art. 3.5.2. [1 Om aangeduid te worden als erkende archeoloog type 1 dient een natuurlijk persoon een aanvraag in bij het agentschap. Hij toont daarbij aan dat hij voldoet aan al de volgende erkenningsvoorwaarden:
   1° houder zijn van een van de volgende diploma's en dat staven door een duidelijke kopie ervan in te dienen of houder zijn van gelijkwaardige getuigschriften door een EVC-procedure waarbij een daarvoor bevoegde instelling de verworven competenties van een individu formeel heeft bevestigd:
   a) licentiaat of master in de Geschiedenis met specialisatie "in de Oudste tijden";
   b) licentiaat of master in de "Kunstgeschiedenis en Oudheidkunde" met specialisatie in de archeologie;
   c) licentiaat of master in de "Kunstwetenschappen en Archeologie" met specialisatie in de archeologie;
   d) licentiaat of master in de Archeologie;
   e) een diploma of getuigschrift dat bij of krachtens een wet, decreet, Europese verordening of richtlijn of internationale overeenkomst is erkend als gelijkwaardig met een van de diploma's, vermeld in punt a) tot en met d), en dat staven door een gelijkwaardigheidserkenning van een buitenlands diploma of getuigschrift in Vlaanderen;
   2° een opleiding hebben genoten over opgravingstechnieken en -methoden;
   3° op het moment van de aanvraag beschikken over een archeologische opgravingservaring van minimaal een jaar gedurende de tien jaar die voorafgaan aan de datum van de aanvraag tot aanduiding;
   4° beschikken over de geschikte infrastructuur en faciliteiten om vondsten tijdelijk te bewaren en tijdelijk op te slaan;
   5° de laatste drie jaar niet bij definitieve gerechtelijke of bestuurlijke beslissing schuldig zijn bevonden aan een deelname aan een inbreuk of een misdrijf als vermeld in het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium, het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg, het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, dit besluit of erfgoedwetgeving van een lidstaat van de Europese Unie, te staven aan de hand van een uittreksel uit het strafregister als vermeld in artikel 595 van het Wetboek van Strafvordering en een verklaring op erewoord;
   6° niet in staat van faillissement verkeren of een gerechtelijke reorganisatie verkregen hebben, dan wel in een soortgelijke toestand verkeren als gevolg van een soortgelijke procedure die geldt in het land waar hij gevestigd is;
   7° niet geschorst zijn of in het laatste jaar het voorwerp hebben uitgemaakt van een intrekking van een erkenning wegens het niet naleven van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, dit besluit of de code van goede praktijk;
   8° de code van goede praktijk onderschrijven en een opleiding gevolgd hebben die daarover georganiseerd is door het agentschap.]1

  
Art. 3.5.2. [1 Pour être désigné comme archéologue agréé de type 1, une personne physique introduit une demande auprès de l'agence. Il démontre dans cette demande qu'il répond à toutes les conditions d'agrément suivantes :
   1° être titulaire d'un des diplômes suivants et l'étayer en en introduisant une copie claire ou être titulaire de certificats équivalents à travers une procédure EVC (reconnaissance de compétences acquises) lors de laquelle un établissement compétent à cet effet a formellement confirmé les compétences acquises d'un individu :
   a) licencié ou master en Histoire avec spécialisation " des Mondes anciens " ;
   b) licencié ou master en " Histoire de l'art et Antiquité " avec spécialisation en archéologie ;
   c) licencié ou master en " Sciences de l'art et Archéologie " avec spécialisation et archéologie ;
   d) licencié ou master en Archéologie ;
   e) un diplôme ou certificat qui, par ou en vertu d'une loi, d'un décret, d'un règlement européen ou d'une directive européenne ou d'une convention internationale, a été agréé comme étant équivalent à un des diplômes visés aux points a) à d) inclus, et l'étayer par une reconnaissance d'équivalence d'un diplôme ou certificat étrangers en Flandre ;
   2° avoir reçu une formation en techniques et méthodes de fouille ;
   3° au moment de la demande disposer d'une expérience de fouille archéologique d'au minimum un an pendant les dix ans précédant la date de la demande de désignation ;
   4° disposer de l'infrastructure et des facilités appropriées pour conserver et stocker des découvertes temporairement ;
   5° au cours des cinq dernières années, ne pas avoir été jugé coupable par décision judiciaire ou administrative définitives de participation à une infraction ou à un délit tels que visés au décret du 3 mars 1976 réglant la protection des monuments et des sites urbains et ruraux, au décret du 30 juin 1993 portant protection du patrimoine archéologique, au décret du 16 avril 1996 relatif à la protection des sites ruraux, au décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, au présent arrêté ou à la législation et matière de patrimoine immobilier d'un Etat membre de l'Union européenne, à étayer par un extrait du casier judiciaire tel que visé à l'article 595 du Code d'instruction criminelle et une déclaration sur l'honneur ;
   6° ne pas être en état de faillite ou avoir obtenu un concordat judiciaire, ni se trouver dans un état similaire à la suite d'une procédure similaire qui s'applique dans le pays où elle est établie ;
   7° ne pas être suspendu, ni avoir fait l'objet au cours de l'année écoulée d'un retrait d'un agrément pour le non respect du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, du présent arrêté ou du code de bonne pratique ;
   8° souscrire à un code de bonne pratique et avoir suivi une formation qui a été organisée par l'agence à ce sujet. ]1

  
Art. 3.5.2 /1. [1 Om aangeduid te worden als erkende archeoloog type 2 dient een natuurlijk persoon een aanvraag in bij het agentschap. Hij toont daarbij aan dat hij voldoet aan de volgende erkenningsvoorwaarden:
   1° houder zijn van een van de volgende diploma's en dat staven door een duidelijke kopie ervan in te dienen of houder zijn van gelijkwaardige getuigschriften door een EVC-procedure waarbij een daarvoor bevoegde instelling de verworven competenties van een individu formeel heeft bevestigd:
   a) licentiaat of master in de Geschiedenis met specialisatie "in de Oudste tijden";
   b) licentiaat of master in de "Kunstgeschiedenis en Oudheidkunde" met specialisatie in de archeologie;
   c) licentiaat of master in de "Kunstwetenschappen en Archeologie" met specialisatie in de archeologie;
   d) licentiaat of master in de Archeologie;
   e) een diploma of getuigschrift dat bij of krachtens een wet, decreet, Europese verordening of richtlijn of internationale overeenkomst is erkend als gelijkwaardig met een van de diploma's, vermeld in punt a) tot en met d), en dat staven door een gelijkwaardigheidserkenning van een buitenlands diploma of getuigschrift in Vlaanderen;
   2° een opleiding hebben genoten over opgravingstechnieken en -methoden;
   3° de laatste drie jaar niet bij definitieve gerechtelijke of bestuurlijke beslissing schuldig zijn bevonden aan een deelname aan een inbreuk of een misdrijf als vermeld in het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium, het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg en het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, dit besluit of erfgoedwetgeving van een lidstaat van de Europese Unie, te staven aan de hand van een uittreksel uit het strafregister als vermeld in artikel 595 van het Wetboek van Strafvordering en een verklaring op erewoord;
   4° niet in staat van faillissement verkeren of een gerechtelijke reorganisatie verkregen hebben, dan wel in een soortgelijke toestand verkeren als gevolg van een soortgelijke procedure die geldt in het land waar hij gevestigd is;
   5° niet geschorst zijn of in het laatste jaar het voorwerp hebben uitgemaakt van een intrekking van een erkenning wegens het niet naleven van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, dit besluit of de code van goede praktijk;
   6° de code van goede praktijk onderschrijven en een opleiding gevolgd hebben die daarover georganiseerd is door het agentschap.]1

  
Art. 3.5.2 /1. [1 Pour être désigné comme archéologue agréé de type 2, une personne physique introduit une demande auprès de l'agence. Il démontre dans cette demande qu'il répond aux conditions d'agrément suivantes :
   1° être titulaire d'un des diplômes suivants et l'étayer en en introduisant une copie claire ou être titulaire de certificats équivalents à travers une procédure EVC (reconnaissance de compétences acquises) lors de laquelle un établissement compétent à cet effet a formellement confirmé les compétences acquises d'un individu :
   a) licencié ou master en Histoire avec spécialisation " des Mondes anciens " ;
   b) licencié ou master en " Histoire de l'art et Antiquité " avec spécialisation en archéologie ;
   c) licencié ou master en " Sciences de l'art et Archéologie " avec spécialisation en archéologie ;
   d) licencié ou master en Archéologie ;
   e) un diplôme ou certificat qui, par ou en vertu d'une loi, d'un décret, d'un règlement européen ou d'une directive européenne ou d'une convention internationale, a été agréé comme étant équivalent à un des diplômes visés aux points a) à d) inclus, et l'étayer par une reconnaissance d'équivalence d'un diplôme ou certificat étrangers en Flandre ;
   2° avoir reçu une formation en techniques et méthodes de fouille ;
   3° au cours des cinq dernières années, ne pas avoir été jugée coupable par décision judiciaire ou administrative définitives de participation à une infraction ou d'un délit tels que visés au décret du 3 mars 1976 réglant la protection des monuments et des sites urbains et ruraux, au décret du 30 juin 1993 portant protection du patrimoine archéologique, au décret du 16 avril 1996 relatif à la protection des sites ruraux, au décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, au présent décret ou à la législation en matière de patrimoine d'un Etat membre de l'Union européenne, à étayer par un extrait du casier judiciaire tel que visé à l'article 595 du Code d'instruction criminelle et une déclaration sur l'honneur ;
   4° ne pas être en état de faillite ou avoir obtenu un concordat judiciaire, ni se trouver dans un état similaire à la suite d'une procédure similaire qui s'applique dans le pays où elle est établie ;
   5° ne pas être suspendu, ni avoir fait l'objet au cours de l'année écoulée d'un retrait d'un agrément pour le non respect du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, du présent arrêté ou du code de bonne pratique ;
   6° souscrire à un code de bonne pratique et avoir suivi une formation qui a été organisée par l'agence à ce sujet.]1

  
Art. 3.5.3. [1 Om aangeduid te worden als erkende archeoloog type 1 dient een rechtspersoon een aanvraag in bij het agentschap. Hij toont daarbij aan dat hij voldoet aan de volgende erkenningsvoorwaarden:
   1° opgericht zijn in overeenstemming met de wetgeving van het land waarin hij gevestigd is;
   2° als de persoon een handelaar is, ingeschreven zijn in het handels- of beroepsregister van het land waar hij gevestigd is;
   3° het kwalitatieve onderzoek van het archeologisch erfgoed en de rapportage daarover als een van zijn doelstellingen hebben;
   4° minstens beschikken over één erkende archeoloog type 1, zoals vermeld in artikel 3.5.2 van dit besluit die kan bewijzen dat hij beschikt over een opgravingservaring van minstens drie jaar gedurende de tien jaar die voorafgaan aan de datum van de aanvraag tot aanduiding als erkende archeoloog;
   5° beschikken over de geschikte infrastructuur en faciliteiten om vondsten tijdelijk te bewaren en tijdelijk op te slaan;
   6° voor de bestuurders en de personen die de rechtspersoon kunnen verbinden: de laatste drie jaar niet bij definitieve gerechtelijke of bestuurlijke beslissing schuldig zijn bevonden aan een deelname aan een inbreuk of een misdrijf als vermeld in het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium, het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg, het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, dit besluit of erfgoedwetgeving van een lidstaat van de Europese Unie, te staven aan de hand van een uittreksel uit het strafregister overeenkomstig artikel 595 van het Wetboek van Strafvordering en een verklaring op erewoord;
   7° niet in staat van faillissement verkeren of een gerechtelijke reorganisatie verkregen hebben, dan wel in een soortgelijke toestand verkeren als gevolg van een soortgelijke procedure die geldt in het land waar hij gevestigd is;
   8° niet geschorst zijn of in het laatste jaar het voorwerp hebben uitgemaakt van een intrekking van een erkenning wegens het niet naleven van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, dit besluit of de code van goede praktijk.
   Universiteiten die de diploma's, vermeld in artikel 3.5.2, 1° van dit besluit, uitreiken, worden van rechtswege aangeduid als een erkende archeoloog type 1 voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek met het oog op wetenschappelijke vraagstellingen zoals vermeld in hoofdstuk 5, afdeling 5 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en van archeologisch onderzoek bij vergunningsplichtige ingrepen in de bodem aan of in beschermde archeologische sites, zoals vermeld in hoofdstuk 5, afdeling 4 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.
   Het agentschap is van rechtswege aangeduid als erkende archeoloog type 1.]1

  
Art. 3.5.3. [1 Pour être désigné comme archéologue agréé de type 1, une personne physique introduit une demande auprès de l'agence. Il démontre dans cette demande qu'il répond aux conditions d'agrément suivantes :
   1° être créée conformément à la législation du pays dans lequel elle est établie ;
   2° lorsque la personne est un commerçant, être inscrite au registre de commerce ou professionnel du pays où elle est établie ;
   3° avoir la recherche qualitative du patrimoine archéologique et le rapport à ce sujet comme un de ses objectifs ;
   4° disposer d'au moins un archéologue agréé de type 1, tel que visé à l'article 3.5.2 du présent arrêté, qui peut démontrer qu'il dispose d'une expérience en fouilles d'au moins trois ans au cours des dix années précédant la date de la demande de désignation comme archéologue agréé ;
   5° disposer de l'infrastructure et des facilités appropriées pour conserver et stocker des découvertes temporairement ;
   6° pour les administrateurs et les personnes susceptibles d'engager la personne morale : au cours des trois dernières années, ne pas avoir été jugés coupable par décision judiciaire ou administrative définitives de participation à une infraction ou un délit tels que visés au décret du 3 mars 1976 réglant la protection des monuments et des sites urbains et ruraux, au décret du 30 juin 1993 portant protection du patrimoine archéologique, au décret du 16 avril 1996 relatif à la protection des sites ruraux, au décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, au présent décret ou à la législation en matière de patrimoine d'un Etat membre de l'Union européenne, à étayer par un extrait du casier judiciaire conformément à l'article 595 du Code d'instruction criminelle et une déclaration sur l'honneur ;
   7° ne pas être en état de faillite ou avoir obtenu un concordat judiciaire, ni se trouver dans un état similaire à la suite d'une procédure similaire qui s'applique dans le pays où elle est établie ;
   8° ne pas être suspendu, ni avoir fait l'objet au cours de l'année écoulée d'un retrait d'un agrément pour le non-respect du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, du présent arrêté ou du code de bonne pratique.
   Les universités délivrant les diplômes, tels que visés à l'article 3.5.2, 1° du présent arrêté, sont d'office désignées comme des archéologues agréés de type 1 pour la mise en oeuvre de recherches archéologiques en vue de questionnements scientifiques, tels que visés au chapitre 5, section 5 du décret du 12 juillet 2013 relatif au patrimoine immobilier et pour la mise en oeuvre de recherches archéologiques dans le cas d'interventions dans le sol soumises à autorisation ou dans des sites archéologiques protégés, telles que visées au chapitre 5, section 4 du décret du 12 juillet 2013 relatif au patrimoine immobilier.
   L'agence est désignée d'office comme archéologue agréé de type 1.]1

  
Art. 3.5.3 /1. [1 Om aangeduid te worden als erkende archeoloog type 2 dient een rechtspersoon een aanvraag tot aanduiding in bij het agentschap en toont daarbij aan dat hij minstens voldoet aan de volgende erkenningsvoorwaarden:
   1° opgericht zijn in overeenstemming met de wetgeving van het land waarin hij gevestigd is;
   2° als de persoon een handelaar is, ingeschreven zijn in het handels- of beroepsregister van het land waar hij gevestigd is;
   3° het kwalitatieve onderzoek van het archeologisch erfgoed en de rapportage daarover als een van zijn doelstellingen hebben;
   4° minstens beschikken over één erkende archeoloog, als vermeld in artikel 3.5.2 of 3.5.2/1 van dit besluit;
   5° voor de bestuurders en de personen die de rechtspersoon kunnen verbinden: de laatste drie jaar niet bij definitieve gerechtelijke of bestuurlijke beslissing schuldig zijn bevonden aan een deelname aan een inbreuk of een misdrijf als vermeld in het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium, het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg, het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, dit besluit of erfgoedwetgeving van een lidstaat van de Europese Unie, te staven aan de hand van een uittreksel uit het strafregister overeenkomstig artikel 595 van het Wetboek van Strafvordering en een verklaring op erewoord;
   6° niet in staat van faillissement verkeren of een gerechtelijke reorganisatie verkregen hebben, dan wel in een soortgelijke toestand verkeren als gevolg van een soortgelijke procedure die geldt in het land waar hij gevestigd is;
   7° niet geschorst zijn of in het laatste jaar het voorwerp hebben uitgemaakt van een intrekking van een erkenning wegens het niet naleven van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, dit besluit of de code van goede praktijk.]1

  
Art. 3.5.3 /1. [1 Pour être désignée comme archéologue agréé de type 2, une personne morale introduit une demande de désignation auprès de l'agence et démontre dans la demande qu'elle répond au minimum aux conditions d'agrément suivantes :
   1° être créée conformément à la législation du pays dans lequel elle est établie ;
   2° lorsque la personne est un commerçant, être inscrite au registre de commerce ou professionnel du pays où elle est établie ;
   3° avoir la recherche qualitative du patrimoine archéologique et le rapport à ce sujet comme un de ses objectifs ;
   4° disposer au minimum d'un archéologue agréé, tel que visé à l'article 3.5.2 ou à l'article 3.5.2/1 du présent arrêté ;
   5° pour les administrateurs et les personnes susceptibles d'engager la personne morale : au cours des trois dernières années, ne pas avoir été jugés coupable par décision judiciaire ou administrative définitives de participation à une infraction ou un délit tels que visés au décret du 3 mars 1976 réglant la protection des monuments et des sites urbains et ruraux, au décret du 30 juin 1993 portant protection du patrimoine archéologique, au décret du 16 avril 1996 relatif à la protection des sites ruraux, au décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, au présent décret ou à la législation en matière de patrimoine d'un Etat membre de l'Union européenne, à étayer par un extrait du casier judiciaire conformément à l'article 595 du Code d'instruction criminelle et par une déclaration sur l'honneur ;
   6° ne pas être en état de faillite ou avoir obtenu un concordat judiciaire, ni se trouver dans un état similaire à la suite d'une procédure similaire qui s'applique dans le pays où elle est établie ;
   7° ne pas être suspendu, ni avoir fait l'objet au cours de l'année écoulée d'un retrait d'un agrément pour le non-respect du Décret du 12 juillet 2013 relatif au patrimoine immobilier, du présent arrêté ou du code de bonne pratique.]1

  
Art. 3.5.4. Het agentschap stelt op zijn website een modelformulier ter beschikking waarmee een aanvraag tot aanduiding als erkende archeoloog kan worden ingediend. Door dat modelformulier in te vullen, kan de aanvrager aantonen dat hij voldoet aan alle erkenningsvoorwaarden. De aanvrager voegt bij zijn aanvraag het volledig ingevuld modelformulier en de daarin gevraagde stavingsstukken, en hij dient zijn aanvraag [1 schriftelijk]1 in bij het agentschap. Als de stavingsstukken die in het modelformulier gevraagd worden, in een andere taal dan het Nederlands zijn opgesteld, voegt hij een beëdigde vertaling ervan bij het formulier.
  
Art. 3.5.4. L'agence met un formulaire modèle à disposition sur son site web au moyen duquel une demande de désignation comme archéologue agréé peut être introduite. En remplissant ce formulaire modèle, le demandeur peut démontrer qu'il répond à toutes les conditions d'agrément. Le demandeur joint à sa demande le formulaire modèle dûment rempli et les pièces justificatives qui y sont demandées, et il introduit sa demande auprès de l'agence [1 par écrit]1. Lorsque les pièces justificatives qui sont demandées dans le formulaire modèle sont rédigées dans une langue autre que le néerlandais, il en joint une traduction assermentée au formulaire.
  
Art. 3.5.5. Het agentschap bezorgt de aanvrager [1 schriftelijk]1 en binnen een termijn van vijftien dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van de aanvraag, een ontvankelijkheidsbewijs of deelt mee dat de aanvraag onvolledig is en met welke stukken de aanvraag moet worden aangevuld. De aanvrager bezorgt binnen een termijn van vijftien dagen, die ingaat op de dag na de [1 kennisgeving van het verzoek]1 tot aanvulling de aanvullende stukken aan het agentschap, waarna het dossier al dan niet ontvankelijk wordt verklaard.
  [1 ...]1
  Het agentschap onderzoekt de ontvankelijke aanvraag en beslist binnen een termijn van zestig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van de aanvraag, over de aanvraag tot aanduiding als erkende archeoloog. Deze termijn kan met dertig dagen worden verlengd als het agentschap het nodig acht het advies van de Commissie in te winnen. Deze verlenging moet binnen de eerste termijn van zestig dagen, [1 schriftelijk]1 aan de aanvrager worden gemeld.
  [1 Het agentschap deelt zijn beslissing binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de beslissing, schriftelijk mee aan de aanvrager.]1 Het agentschap bezorgt tegelijk met de beslissing tot aanduiding als erkende archeoloog een legitimatiebewijs van erkende archeoloog. Als de aanvrager na het verstrijken van deze termijn geen beslissing van het agentschap heeft ontvangen, wordt de aanvraag tot aanduiding als erkende archeoloog geacht geweigerd te zijn.
  
Art. 3.5.5. L'agence transmet au demandeur, [1 par écrit]1 et dans un délai de quinze jours qui prend cours le jour après la [1 notification de la demande]1, une attestation de recevabilité ou communique que la demande est incomplète et par quelles pièces la demande doit être complétée. Le demandeur transmet les pièces supplémentaires à l'agence, dans un délai de quinze jours qui prend cours le jour après la [1 notification de la demande]1 de complément, après quoi le dossier est déclaré recevable ou non.
  [1 ...]1
  L'agence examine la demande recevable et décide dans un délai de soixante jours, qui prend cours le jour après la réception de la demande, de la demande de désignation comme archéologue agréé. Ce délai peut être prolongé de trente jours lorsque l'agence estime qu'il est nécessaire de demander l'avis de la Commission. Cette prolongation doit être communiquée au demandeur, [1 par écrit]1, dans le premier délai de soixante jours.
  [1 L'agence communique sa décision au demandeur, par écrit, dans un délai de trente jours, qui prend cours le jour après la décision.]1 L'agence transmet, en même temps que la décision de désignation comme archéologue agréé, une preuve de légitimation d'archéologue agréé. Lorsque, après l'expiration de ce délai, le demandeur n'a pas reçu de décision de l'agence, la demande de désignation comme archéologue agréé est censée est refusée.
  
Art. 3.5.6. De aanduiding als erkende archeoloog wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd.
Art. 3.5.6. La désignation comme archéologue agréé est publiée par extrait au Moniteur belge.
Art. 3.5.7. [1 Een aanduiding als erkende archeoloog type 1 en 2 is van onbepaalde duur en geldt zolang voldaan wordt aan de toepasselijke erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 3.5.2, 3.5.2/1, 3.5.3 of 3.5.3/1 en aan de opvolgingsvoorwaarden, vermeld in artikel 3.5.7/1.]1
  
Art. 3.5.7. [1 Une désignation comme archéologue agréé de type 1 et 2 est d'une durée indéterminée et est valable tant qu'il a été satisfait aux conditions d'agrément applicables, visées aux articles 3.5.2, 3.5.2/1, 3.5.3 ou 3.5.3/1 et aux conditions de suivi, telles que visées à l'article 3.5.7/1.]1
  
Art. 3.5.7 /1.[1 In het kader van de opvolging van de aanduiding als erkende archeoloog moet de erkende archeoloog:
   1° wijzigingen die betrekking hebben op de erkenningsvoorwaarden, onmiddellijk schriftelijk melden aan het agentschap;
   2° bij de uitvoering van veldwerk een kopie van zijn legitimatiebewijs van erkende archeoloog kunnen voorleggen;
   3° archeologisch onderzoek uitvoeren overeenkomstig de bepalingen van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, dit besluit en de code van goede praktijk;
   4° minstens 1 maal per twee jaar een bijscholing gevolgd hebben over de code van goede praktijk, die georganiseerd wordt door het agentschap,;
   5° bij zijn archeologisch onderzoek voldoende toezicht houden op de aspecten van het onderzoek die hij niet zelf uitvoert;
   6° als het een natuurlijk persoon is die aangeduid is als erkende archeoloog type 1, blijven beschikken over een archeologische opgravingservaring van minimaal een jaar gedurende de afgelopen tien jaar;
   7° als het een rechtspersoon is die aangeduid is als erkende archeoloog type 1, blijven beschikken over minstens één erkende archeoloog type 1 die beschikt over een opgravingservaring van minstens drie jaar gedurende de afgelopen tien jaar.]1

  
Art. 3.5.7 /1.[1 Dans le cadre du suivi de la désignation comme archéologue agréé, l'archéologue agréé doit :
   1° communiquer des modifications portant sur les conditions d'agrément à l'agence sans délai ;
   2° lors de l'exécution de travail sur le terrain, toujours pouvoir présenter une copie de sa preuve de légitimation d'archéologue agréé ;
   3° effectuer des recherches archéologiques conformément aux dispositions du Décret du 12 juillet 2013 relatif au patrimoine immobilier, du présent arrêté et du code de bonne pratique ;
   4° avoir suivi un perfectionnement au sujet du code de bonne pratique, qui est organisé par l'agence, au moins une fois par deux ans ;
   5° exercer, pendant sa recherche archéologique, du contrôle suffisant sur les aspects de la recherche qu'il n'effectue pas lui-même ;
   6° dans le cas d'une personne physique, qui a été désignée comme archéologue agréé de type 1, continuer de disposer d'une expérience en fouilles archéologiques d'au minimum un an acquis au cours des dix années précédentes ;
   7° dans le cas d'une personne morale, qui a été désignée comme archéologue agréé de type 1, continuer de disposer d'au moins un archéologue agréé de type 1 ayant une expérience en fouilles d'au minimum trois ans acquis au cours des dix années précédentes.]1

  
Art. 3.5.7 /2. [1 Een erkende archeoloog type 1 kan het agentschap schriftelijk verzoeken om zijn erkenning aan te passen naar een aanduiding als erkende archeoloog type 2. Het agentschap bevestigt deze wijziging schriftelijk aan de erkende archeoloog binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van het verzoek. De erkende archeoloog kan vanaf de dag van de kennisgeving van de schriftelijke bevestiging alleen nog de activiteiten uitvoeren van een erkende archeoloog type 2.]1
  
Art. 3.5.7 /2. [1 Un archéologue agréé de type 1 peut demander à l'agence par écrit de changer son agrément en une désignation comme archéologue agréé de type 2. L'agence confirme cette modification à l'archéologue agréé par écrit dans un délai de trente jours, qui prend cours le jour après la réception de la demande. A partir du jour de la notification de la confirmation écrite, les activités de l'archéologue agréé se limitent à celles d'un archéologue agréé de type 2.]1
  
Art. 3.5.8. [1 Het agentschap kan op verzoek van de minister, op verzoek van de Commissie of op eigen initiatief een erkende archeoloog evalueren. De evaluatie heeft betrekking op de erkenningsvoorwaarden, de opvolgingsvoorwaarden en de kwaliteit van het archeologisch onderzoek door de erkende archeoloog.
   Het agentschap kan voor de evaluatie het advies van de Commissie inwinnen.
   Het agentschap kan voor de evaluatie alle documenten opvragen die betrekking hebben op de erkenningsvoorwaarden, de opvolgingsvoorwaarden en het onderzoek door de erkende archeoloog, of kan de erkende archeoloog vragen om een toelichting te komen geven, of kan de erkende archeoloog bezoeken om de infrastructuur en de faciliteiten om de vondsten te bewaren te controleren.]1

  
Art. 3.5.8. [1 L'agence peut évaluer un archéologue agréé à la demande du ministre, de la Commission ou de sa propre initiative. L'évaluation se rapporte aux conditions d'agrément, aux conditions de suvi et à la qualité de la recherche archéologique par l'archéologue agréé.
  L'agence peut solliciter l'avis de la Commission dans le cadre de l'évaluation.
  Dans le cadre de l'évaluation, l'agence peut demander tous les documents afférents aux conditions d'agrément, aux conditions de suivi et à la recherche par l'archéologue agréé ou peut demander à l'archéologue agréé de venir donner des éclaircissements ou peut rendre visite à l'archéologue agréé dans le but de contrôler l'infrastructure et les facilités pour conserver les découvertes.]1

  
Art. 3.5.9. [1 Het agentschap kan na evaluatie een erkende archeoloog schorsen in elk van de volgende gevallen:
   1° de erkende archeoloog leeft het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, dit besluit of de code van goede praktijk niet na;
   2° de erkende archeoloog houdt onvoldoende toezicht op het archeologisch onderzoek;
   3° de erkende archeoloog voldoet niet meer aan de erkenningsvoorwaarden;
   4° de erkende archeoloog is bij een vonnis of een arrest veroordeeld voor een misdrijf dat door de aard ervan zijn beroepsethiek als erkende archeoloog aantast;
   5° de erkende archeoloog leeft de voorwaarden voor de opvolging van de aanduiding niet na.
   De schorsingstermijn is 120 dagen en kan door het agentschap ingekort of verlengd worden met maximaal 120 dagen.
   Tijdens een periode van schorsing kan de erkende archeoloog zijn taken ter uitvoering van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en dit besluit verder uitvoeren, op voorwaarde dat hij acties voorstelt en uitvoert ter remediëring of ter tegemoetkoming aan de erkenningsvoorwaarden en de voorwaarden voor opvolging van de aanduiding.]1

  
Art. 3.5.9. [1 A la suite de l'évaluation, l'agence peut suspendre un archéologue agréé dans chacun des cas suivants :
  1° l'archéologue agréé ne respecte pas le décret du 12 juillet 2013 relatif au patrimoine immobilier, l'arrêté ou le code de bonne pratique ;
  2° l'archéologue agréé n'exerce pas suffisamment de contrôle sur la recherche archéologique ;
  3° l'archéologue agréé ne satisfait plus aux conditions d'agrément ;
  4° l'archéologue agréé a été condamné par un jugement ou un arrêt pour un délit qui, de par sa nature, nuit à son éthique de la profession d'archéologue agréé ;
  5° l'archéologue agréé ne respecte pas les conditions relatives au suivi de la désignation.
  La période de suspension est de 120 jours et peut être raccourcie ou prolongée par l'agence d'au maximum 120 jours.
  L'archéologue agréé peut continuer à exercer ses tâches en exécution du décret du 12 juillet 2013 relatif au patrimoine immobilier et du présent arrêté pendant une période de suspension, à condition qu'il propose et met en oeuvre des actions en vue de se mettre en règle avec ou de se conformer aux conditions d'agrément et aux conditions relatives au suivi de la désignation.]1

  
Art. 3.5.10. [1 § 1. Het agentschap bezorgt de schorsingsbeslissing per beveiligde zending aan de erkende archeoloog. De schorsing treedt in werking vanaf de dag van de kennisgeving.
   De geschorste archeoloog bezorgt binnen een termijn van zestig dagen, die ingaat op de dag na de kennisgeving van de beslissing tot schorsing, schriftelijk een reactie waarin hij beschrijft welke acties hij heeft ondernomen of onmiddellijk onderneemt om te remediëren of tegemoet te komen aan de erkennings- of opvolgingsvoorwaarden. Het agentschap hoort de erkende archeoloog op zijn verzoek.
   § 2. Binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van de reactie beslist het agentschap om de schorsing op te heffen of te verlengen, of om de aanduiding als erkende archeoloog in te trekken.
   Als het agentschap van oordeel is dat de ondernomen acties volstaan om te voldoen aan de erkenningsvoorwaarden en de voorwaarden voor opvolging van de aanduiding, heft het de schorsing op. Als het agentschap van oordeel is dat bijkomende tijd nodig is om de voorgestelde acties uit te voeren, verlengt het agentschap de schorsing overeenkomstig artikel 3.5.9, tweede lid. Het agentschap kan de erkende archeoloog daarbij tijdelijk verbieden om nieuwe opdrachten in uitvoering van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en dit besluit aan te nemen. Als het agentschap van oordeel is dat de ondernomen of voorgestelde acties niet volstaan om te voldoen aan de erkenningsvoorwaarden en de voormelde voorwaarden voor opvolging van de aanduiding, trekt het agentschap de aanduiding als erkende archeoloog in. Als de geschorste archeoloog geen reactie heeft bezorgd binnen de termijn bepaald in paragraaf 1, tweede lid, trekt het agentschap de aanduiding als erkende archeoloog onmiddellijk in.
   Het agentschap deelt de beslissing per beveiligde zending binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de beslissing, mee aan de aanvrager. Als het agentschap nalaat een beslissing te nemen of nalaat de beslissing aan de aanvrager mee te delen binnen de vastgestelde termijn, wordt de schorsing geacht opgeheven te zijn.
   § 3. Als het agentschap de schorsing heeft verlengd, dan voert het na afloop van die termijn een evaluatie uit overeenkomstig artikel 3.5.8. Als het agentschap vaststelt dat de erkende archeoloog de voorgestelde acties ter remediëring of ter tegemoetkoming aan de erkenningsvoorwaarden of opvolgingsvoorwaarden niet heeft uitgevoerd, kan het de aanduiding als erkende archeoloog intrekken.
   Het agentschap deelt de beslissing per beveiligde zending binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de beslissing, mee aan de aanvrager.
   § 4. Als het agentschap beslist om de aanduiding als erkende archeoloog in te trekken, gaat die intrekking in op de dag van de kennisgeving van de beslissing waarmee de aanduiding als erkende archeoloog wordt ingetrokken.]1

  
Art. 3.5.10. [1 § 1er. L'agence transmet la décision de suspension à l'archéologue agréé par envoi sécurisé. La suspension prend cours à partir du jour de la notification.
  L'archéologue suspendu envoit une réaction dans laquelle il décrit les actions qu'il a entreprises ou qu'il entreprend sans délai pour se mettre en règle ou se conformer aux conditions d'agrément ou de suivi dans un délai de soixante jours, qui prend cours le jour après la notification de la décision de suspension. L'agence entend l'archéologue agréé à sa demande.
  § 2. Dans un délai de trante jours, qui prend cours le jour après la réception de la réaction, l'agence décide de lever ou de prolonger la suspension ou de retirer la désignation comme archéologue agréé.
  Si l'agence estime que les actions entreprises suffisent pour répondre aux conditions d'agrément et aux conditions relatives au suivi de la désignation, elle lève la suspension. Si l'agence estime qu'il faut du temps supplémentaire pour mettre en oeuvre les actions proposées, elle prolonge la suspension conformément à l'article 3.5.9, alinéa deux. L'agence peut à titre temporaire interdire à l'archéologue d'accepter de nouvelles tâches en exécution du décret du 12 juillet 2013 relatif au patrimoine immobilier et du présent arrêté. Si l'agence estime que les actions entreprises ou proposées ne suffisent pas pour répondre aux conditions d'agrément et aux conditions précitées relatives au suivi de la désignation, elle retire la désignation comme archéologue agréé. Lorsque l'archéologue suspendu n'a pas transmis de réaction dans le délai imparti, défini au paragraphe 1er, alinéa deux, l'agence retire la désignation comme archéologue agréé sans délai.
  L'agence communique la décision au demandeur, par envoi sécurisé, dans un délai de trente jours, qui prend cours le jour après la décision. Lorsque l'agence néglige de prendre une décision ou néglige de communiquer la décision au demandeur dans le délai imparti, la suspension est censée être levée.
  § 3. Si l'agence a prolongé la suspension, elle procède à une évaluation conformément à l'article 3.5.8 après échéance de ce délai. Si l'agence constate que l'archéologue agréé n'a pas mis en oeuvre les actions proposées pour se mettre en règle avec ou se conformer aux conditions d'agrément ou aux conditions de suivi, elle peut retirer la désignation comme archéologue agréé.
  L'agence communique la décision au demandeur, par envoi sécurisé, dans un délai de trente jours, qui prend cours le jour après la décision.
  § 4. Si l'agence décide de retirer la désignation comme archéologue agréé, ce retrait prend cours le jour de la notification de la décision dans laquelle la désignation comme archéologue agréé est retirée.]1

  
Art. 3.5.11. Als een erkende archeoloog zelf te kennen geeft dat hij niet meer aangeduid wil zijn of als de erkende archeoloog zijn activiteiten in het kader van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 stopzet, trekt het agentschap de aanduiding in na een schriftelijke melding daarvan door de erkende archeoloog.
Art. 3.5.11. Lorsqu'un archéologue agréé indique lui-même qu'il ne veut plus être désigné ou lorsque l'archéologue agréé arrête ses activités dans le cadre du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, l'agence retire la désignation après une notification écrite de cela par l'archéologue agréé.
Art. 3.5.12. De aanduiding als erkende archeoloog vervalt als het agentschap vaststelt dat de erkende archeoloog gedurende [1 tien]1 opeenvolgende jaren geen activiteiten meer heeft verricht ter uitvoering van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013. Het agentschap deelt die intrekking van de erkenning per beveiligde zending mee aan de aanvrager.
  
Art. 3.5.12. La désignation comme archéologue agréé échoit lorsque l'agence constate que, pendant [1 dix]1 années consécutives, l'archéologue agréé n'a plus effectué d'activités en exécution du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013. L'agence communique ce retrait de l'agrément au demandeur par envoi sécurisé.
  
Art. 3.5.13. De intrekking van de aanduiding als erkende archeoloog wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd.
Art. 3.5.13. Le retrait de la désignation comme archéologue agréé est publié par extrait au Moniteur belge.
Art. 3.5.14. Als het agentschap de aanduiding weigert of intrekt, kan de aanvrager of de erkende archeoloog een georganiseerd administratief beroep instellen bij de minister.
  Het beroepschrift wordt [1 schriftelijk ingediend]1 binnen een termijn van dertig dagen die ingaat op de dag na de kennisgeving van de beslissing van het agentschap over de weigering van de erkenning of de intrekking ervan. Als de aanvrager geen beslissing van het agentschap heeft ontvangen binnen de termijn vermeld in artikel 3.5.5, [1 derde]1 lid en de aanvraag dus geacht wordt geweigerd te zijn, kan hij binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na het verstrijken van die termijn, [1 schriftelijk een beroepschrift indienen]1.
  De minister neemt zijn beslissing over het ingestelde beroep na een verplicht in te winnen advies van de Commissie en nadat de Commissie de betrokken partijen op hun verzoek schriftelijk of mondeling heeft gehoord.
  De minister neemt een beslissing over het beroep binnen een termijn van zestig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van het beroepschrift. Die termijn wordt verlengd met zestig dagen als toepassing wordt gemaakt van het mondelinge of schriftelijke hoorrecht, vermeld in het derde lid. Als geen beslissing wordt genomen binnen de toepasselijke vervaltermijn wordt het beroep geacht te zijn afgewezen. De beslissing wordt onverwijld bezorgd aan de indiener van het beroep per beveiligde zending.
  
Art. 3.5.14. Lorsque l'agence refuse ou retire la désignation, le demandeur ou l'archéologue agréé peut introduire un recours administratif organisé auprès du Ministre.
  L'acte de recours est introduit [1 par écrit]1 dans un délai de trente jours qui prend cours le jour après la notification de la décision de l'agence concernant le refus de l'agrément ou son retrait. Lorsque le demandeur n'a pas reçu de décision de l'agence dans le délai visé à l'article 3.5.5, alinéa [1 trois]1, et la demande est donc censée être refusée, il peut, dans un délai de trente jours qui prend cours le jour après l'expiration de ce délai, [1 introduire un acte de recours par écrit]1.
  Le Ministre prend sa décision concernant le recours introduit après avoir demandé obligatoirement l'avis de la Commission et après que la Commission a entendu les parties concernées par écrit ou oralement, à leur demande.
  Le Ministre prend une décision concernant le recours dans un délai de soixante jours, qui prend cours le jour après la réception de l'acte de recours. Ce délai est prolongé de soixante jours lorsqu'il est fait application du droit d'audition oral ou écrit, visé à l'alinéa trois. Lorsqu'aucune décision n'est prise dans le délai d'échéance applicable, le recours est censé être rejeté. La décision est transmise sans tarder à l'auteur du recours [1 par écrit]1.
  
Afdeling 6. - Aanduiding als erkende metaaldetectorist
Section 6. - Désignation comme détectoriste de métaux agréé
Art. 3.6.1. Om aangeduid te worden als erkende metaaldetectorist dient een natuurlijk persoon een aanvraag tot erkenning in bij het agentschap en toont daarbij aan dat hij minstens voldoet aan de volgende erkenningsvoorwaarden:
  1° meerderjarig zijn;
  2° de laatste vijf jaar niet bij definitieve gerechtelijke of bestuurlijke beslissing schuldig zijn bevonden aan een deelname aan een inbreuk of een misdrijf als vermeld in het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium, het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg, het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, dit besluit of erfgoedwetgeving van een lidstaat van de Europese Unie, en dat staven aan de hand van een uittreksel uit het strafregister als vermeld in artikel 595 van het Wetboek van Strafvordering en een verklaring op erewoord;
  3° er zich toe verbinden altijd te werken overeenkomstig het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en dit besluit;
  [1 4° niet geschorst zijn of in het laatste jaar het voorwerp hebben uitgemaakt van een intrekking van een erkenning wegens het niet naleven van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, dit besluit of de code van goede praktijk.]1
  
Art. 3.6.1. Afin d'être désigné comme détectoriste de métaux agréé, une personne physique doit introduire une demande d'agrément auprès de l'agence et en outre démontrer qu'elle répond au moins aux conditions d'agrément suivantes :
  1° être majeure ;
  2° au cours des cinq dernières années, ne pas avoir été jugée coupable par décision définitive judiciaire ou administrative de participation à une infraction telle que visée ou à un délit tel que visé au décret du 3 mars 1976 réglant la protection des monuments et des sites urbains et ruraux, au décret du 30 juin 1993 portant protection du patrimoine archéologique, au décret du 16 avril 1996 relatif à la protection des sites ruraux, au décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, au présent décret ou à la législation en matière de patrimoine d'un Etat membre de l'Union européenne, et étayer cela par un extrait du casier judiciaire tel que visé à l'article 595 du Code d'instruction criminelle et une déclaration sur l'honneur ;
  3° s'engager à travailler toujours conformément au décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 et au présent arrêté.
  [1 4° ne pas être suspendu, ni avoir fait l'objet au cours de la dernière année d'un retrait d'un agrément pour le non respect du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, du présent arrêté ou du code de bonne pratique.]1
  
Art. 3.6.2. De aanduiding van een rechtspersoon als erkende metaaldetectorist is alleen van toepassing op rechtspersonen die aangeduid zijn als erkende archeoloog.
Art. 3.6.2. La désignation d'une personne morale comme détectoriste de métaux agréé s'applique uniquement aux personnes morales qui sont désignées comme archéologue agréé.
Art. 3.6.3. Het agentschap stelt op zijn website een modelformulier ter beschikking waarmee een aanvraag tot aanduiding als erkende metaaldetectorist kan worden ingediend. Door dat formulier in te vullen kan de aanvrager aantonen dat hij voldoet aan alle erkenningsvoorwaarden.
  De aanvrager voegt bij zijn aanvraag het volledig ingevuld modelformulier en de daarin gevraagde stavingstukken, en hij dient zijn aanvraag [1 schriftelijk]1 in bij het agentschap. Als de stavingsstukken die in het modelformulier gevraagd worden, in een andere taal dan het Nederlands zijn opgesteld, voegt hij een beëdigde vertaling ervan bij het formulier.
  
Art. 3.6.3. L'agence met un formulaire modèle à disposition sur son site web au moyen duquel une demande de désignation comme détectoriste de métaux agréé peut être introduite. En remplissant ce formulaire, le demandeur peut démontrer qu'il répond à toutes les conditions d'agrément.
  Le demandeur joint à sa demande le formulaire modèle dûment rempli et les pièces justificatives qui y sont demandées, et il introduit sa demande auprès de l'agence [1 par écrit]1. Lorsque les pièces justificatives qui sont demandées dans le formulaire modèle sont rédigées dans une langue autre que le néerlandais, il en joint une traduction assermentée au formulaire.
  
Art. 3.6.4. Het agentschap bezorgt de aanvrager [1 schriftelijk]1 en binnen een termijn van vijftien dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van de aanvraag, een ontvankelijkheidsbewijs of deelt mee dat de aanvraag onvolledig is en met welke stukken de aanvraag moet worden aangevuld. De aanvrager bezorgt binnen een termijn van vijftien dagen, die ingaat op de dag na de [1 kennisgeving van het verzoek]1 tot aanvulling de aanvullende stukken aan het agentschap, waarna het dossier al dan niet ontvankelijk wordt verklaard.
  [1 ...]1
  Het agentschap onderzoekt de ontvankelijke aanvraag en beslist binnen een termijn van zestig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van de aanvraag over de aanvraag tot aanduiding als erkende metaaldetectorist. Die termijn kan met dertig dagen worden verlengd als het agentschap het nodig acht het advies van de Commissie in te winnen. Die verlenging moet binnen de eerste termijn van zestig dagen,[1 schriftelijk]1, aan de aanvrager worden gemeld.
  Het agentschap deelt zijn beslissing [1 schriftelijk]1 binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de beslissing, mee aan de aanvrager. Het agentschap bezorgt tegelijk met de beslissing tot aanduiding als erkende metaaldetectorist, een legitimatiebewijs van erkende metaaldetectorist. Als de aanvrager na het verstrijken van deze termijn geen beslissing van het agentschap heeft ontvangen, wordt deze aanvraag tot aanduiding als erkende metaaldetectorist geacht geweigerd te zijn.
  
Art. 3.6.4. L'agence transmet au demandeur, [1 par écrit]1 et dans un délai de quinze jours qui prend cours le jour après la [1 notification de la demande]1e, une attestation de recevabilité ou communique que la demande est incomplète et par quelles pièces la demande doit être complétée. Le demandeur transmet les pièces supplémentaires à l'agence, dans un délai de quinze jours qui prend cours le jour après la [1 notification de la demande]1 de complément, après quoi le dossier est déclaré recevable ou non.
  [1 ...]1
  L'agence examine la demande recevable et décide dans un délai de soixante jours, qui prend cours le jour après la réception de la demande, de la demande de désignation comme détectoriste de métaux agréé. Ce délai peut être prolongé de trente jours lorsque l'agence estime qu'il est nécessaire de demander l'avis de la Commission. Cette prolongation doit être communiquée au demandeur, [1 par écrit]1, dans le premier délai de soixante jours.
  L'agence communique sa décision au demandeur, [1 par écrit]1, dans un délai de trente jours, qui prend cours le jour après la décision. L'agence transmet, en même temps que la décision de désignation comme détectoriste de métaux agréé, une preuve de légitimation de détectoriste de métaux agréé. Lorsque, après l'expiration de ce délai, le demandeur n'a pas reçu de décision de l'agence, cette demande de désignation comme détectoriste de métaux agréé est censée est refusée.
  
Art. 3.6.5. Een aanduiding als erkende metaaldetectorist is van onbepaalde duur, en geldt zolang aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 3.6.1, en aan de voorwaarden in het kader van de opvolging, vermeld in artikel 3.6.6, voldaan wordt.
Art. 3.6.5. Une désignation comme détectoriste de métaux est d'une durée indéterminée et vaut tant que les conditions d'agrément, visées à l'article 3.6.1, et les conditions dans le cadre du suivi, visées à l'article 3.6.6, restent remplies.
Art. 3.6.6. In het kader van de opvolging van de aanduiding als erkende metaaldetectorist moet de erkende metaaldetectorist:
  1° alle wijzigingen die betrekking hebben op de erkenningsvoorwaarden, onverwijld [2 schriftelijk]2 melden aan het agentschap;
  2° bij het uitvoeren van veldwerk altijd een kopie van zijn legitimatiebewijs van erkende metaaldetectorist kunnen voorleggen;
  3° veldwerk altijd uitvoeren overeenkomstig de bepalingen van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 [1 , dit besluit en de code van goede praktijk]1;
  4° alle archeologische artefacten en archeologische sites die hij vindt bij het gebruik van een metaaldetector onverwijld melden aan het agentschap met een meldingsformulier waarvan het model ter beschikking wordt gesteld op de website van het agentschap.
  
Art. 3.6.6. Dans le cadre du suivi de la désignation comme détectoriste de métaux agréé, le détectoriste de métaux agréé doit :
  1° communiquer sans tarder à l'agence, [2 par écrit]2, toutes les modifications qui ont trait aux conditions d'agrément ;
  2° lors de l'exécution de travail sur le terrain, toujours pouvoir présenter une copie de sa preuve de légitimation de détectoriste de métaux agréé ;
  3° toujours exécuter du travail sur le terrain conformément aux dispositions du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 [1 , du présent arrêté et du code de bonne pratique]1 ;
  4° communiquer sans tarder à l'agence tous les artefacts archéologiques et sites archéologiques qu'il trouve lors de l'utilisation d'un détecteur de métaux, au moyen d'un formulaire de signalement dont le modèle est mis à disposition sur le site web de l'agence.
  
Art. 3.6.7. Het agentschap kan op eigen initiatief, op verzoek van de minister of op verzoek van de Commissie een erkende metaaldetectorist evalueren met het oog op de controle van de erkenningsvoorwaarden. Het agentschap kan daarbij het advies van de Commissie inwinnen. Het agentschap kan alle documenten opvragen die betrekking hebben op de erkenningsvoorwaarden of kan de erkende metaaldetectorist vragen om een toelichting te komen geven.
Art. 3.6.7. De sa propre initiative, à la demande du Ministre ou à la demande de la Commission, l'agence peut évaluer un détectoriste de métaux agréé en vue du contrôle des conditions d'agrément. Dans ce contexte, l'agence peut demander l'avis de la Commission. L'agence peut demander tous les documents qui ont trait aux conditions d'agrément ou peut demander le détectoriste de métaux agréé de venir donner des explications.
Art. 3.6.8. Het agentschap kan de aanduiding als erkende metaaldetectorist schorsen voor een termijn van maximaal honderdtwintig dagen als deze:
  1° het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 [1 , dit besluit of de code van goede praktijk]1 niet naleeft;
  2° of niet meer voldoet aan de erkenningsvoorwaarden;
  3° of de voorwaarden voor de opvolging van de aanduiding, niet naleeft.
  
Art. 3.6.8. L'agence peut suspendre la désignation comme détectoriste de métaux agréé pour un délai de cent vingt jours au maximum lorsqu'elle :
  1° ne respecte pas le décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 [1 , le présent arrêté ou le code de bonne pratique]1 ;
  2° ou ne répond plus aux conditions d'agrément ;
  3° ou ne respecte pas les conditions du suivi de la désignation.
  
Art. 3.6.9. Het agentschap bezorgt de gemotiveerde schorsingsbeslissing per beveiligde zending aan de erkende metaaldetectorist. De schorsing treedt in werking op de datum van de [2 kennisgeving]2.
  Vanaf de [2 kennisgeving]2 mag de geschorste metaaldetectorist geen archeologische artefacten en archeologische sites opsporen met behulp van een metaaldetector.
  [2 De geschorste metaaldetectorist bezorgt binnen een termijn van zestig dagen, die ingaat op de dag na de kennisgeving van de schorsingsbeslissing schriftelijk een reactie waarin hij beschrijft welke acties hij heeft ondernomen of onmiddellijk onderneemt ter remediëring of ter verantwoording.]2
  Binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van de reactie beslist het agentschap tot opheffing van de schorsing of tot intrekking van de erkenning. Als de geschorste [1 metaaldetectorist]1 geen reactie heeft bezorgd binnen de gestelde termijn, trekt het agentschap de aanduiding als erkende metaaldetectorist onverwijld in.
  Het agentschap deelt de beslissing per beveiligde zending binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de beslissing, mee aan de aanvrager. Vanaf deze [2 kennisgeving]2 is de erkenning als metaaldetectorist ingetrokken. Als het agentschap nalaat te beslissen of deze beslissing aan de aanvrager mee te delen binnen de voorziene termijn, dan wordt de schorsing geacht opgeheven te zijn.
  
Art. 3.6.9. L'agence transmet la décision de suspension motivée au détectoriste de métaux agréé par envoi sécurisé. La suspension entre en vigueur à la date de la [2 notification]2.
  A partir de la [2 notification]2, le détectoriste de métaux suspendu ne peut pas détecter d'artefacts archéologiques et de sites archéologiques à l'aide d'un détecteur de métaux.
  [2 Le détectoriste de métaux suspendu transmet, par écrit, dans un délai de soixante jours qui prend cours le jour après la notification de la décision de suspension, une réaction dans laquelle il décrit quelles actions en remédiation ou en justification il a entreprises ou entreprendra sans tarder.]2
  Dans un délai de trente jours, qui prend cours le jour après la réception de la réaction, l'agence décide d'abroger la suspension ou de retirer l'agrément. Lorsque le [1 détectoriste de métaux]1 suspendu n'a pas transmis de réaction dans le délai imparti, l'agence retire la désignation comme détectoriste de métaux agréé sans tarder.
  L'agence communique la décision au demandeur, par envoi sécurisé, dans un délai de trente jours, qui prend cours le jour après la décision. A partir de cette [2 notification]2, l'agrément comme détectoriste de métaux est retiré. Lorsque l'agence néglige de décider ou néglige de communiquer cette décision au demandeur dans le délai imparti, la suspension est censée être abrogée.
  
Art. 3.6.10. Als een erkende metaaldetectorist zelf te kennen geeft dat hij niet meer aangeduid wil zijn, trekt het agentschap de aanduiding in na een schriftelijke melding daarvan door de erkende metaaldetectorist.
Art. 3.6.10. Lorsqu'un détectoriste de métaux agréé indique lui-même qu'il ne veut plus être désigné, l'agence retire la désignation après une notification écrite de cela par le détectoriste de métaux agréé.
Art. 3.6.11. De schorsing of intrekking van een aanduiding als erkende archeoloog betekent van rechtswege een schorsing of intrekking van de aanduiding als erkende metaaldetectorist.
Art. 3.6.11. La suspension ou le retrait d'une désignation comme archéologue agréé signifie de plein droit une suspension ou un retrait de la désignation comme détectoriste de métaux agréé.
Art. 3.6.12. Als het agentschap de aanduiding weigert of intrekt, kan de aanvrager of de erkende metaaldetectorist een georganiseerd administratief beroep instellen bij de minister.
  Het beroepschrift [1 wordt schriftelijk]1 ingediend binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op dag na de kennisgeving van de beslissing van het agentschap over de weigering van de erkenning of de intrekking ervan. Als de aanvrager geen beslissing van het agentschap heeft ontvangen binnen de termijn vermeld in artikel 3.6.4, [1 derde]1 lid en de aanvraag dus geacht wordt geweigerd te zijn, kan de aanvrager binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na het verstrijken van de termijn een beroepschrift [1 schriftelijk indienen]1.
  De minister neemt zijn beslissing over het ingestelde beroep na een verplicht in te winnen advies van de Commissie en nadat de Commissie de betrokken partijen op hun verzoek schriftelijk of mondeling heeft gehoord.
  De minister neemt een beslissing over het beroep binnen een termijn van zestig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van het beroepschrift. Die termijn wordt verlengd met zestig dagen als toepassing wordt gemaakt van het mondelinge of schriftelijke hoorrecht, vermeld in het derde lid. Als geen beslissing wordt genomen binnen de toepasselijke vervaltermijn, wordt het beroep geacht te zijn afgewezen. De beslissing wordt per beveiligde zending onverwijld bezorgd aan de indiener van het beroep.
  
Art. 3.6.12. Lorsque l'agence refuse ou retire la désignation, le demandeur ou le détectoriste de métaux agréé peut introduire un recours administratif organisé auprès du Ministre.
  L'acte de recours est introduit [1 par écrit]1 dans un délai de trente jours qui prend cours le jour après la notification de la décision de l'agence concernant le refus de l'agrément ou son retrait. Lorsque le demandeur n'a pas reçu de décision de l'agence dans le délai visé à l'article 3.6.4, alinéa [1 trois]1, et la demande est donc censée être refusée, le demandeur peut, dans un délai de trente jours qui prend cours le jour après l'expiration du délai, introduire un acte de recours [1 par écrit]1.
  Le Ministre prend sa décision concernant le recours introduit après avoir demandé obligatoirement l'avis de la Commission et après que la Commission a entendu les parties concernées par écrit ou oralement, à leur demande.
  Le Ministre prend une décision concernant le recours dans un délai de soixante jours, qui prend cours le jour après la réception de l'acte de recours. Ce délai est prolongé de soixante jours lorsqu'il est fait application du droit d'audition oral ou écrit, visé à l'alinéa trois. Lorsqu'aucune décision n'est prise dans le délai d'échéance applicable, le recours est censé être rejeté. La décision est transmise sans tarder à l'auteur du recours [1 par écrit]1.
  
Afdeling 7. - Kwaliteitslabel onroerenderfgoedondernemers
Section 7. - Label de qualité entrepreneurs du patrimoine immobilier
Art. 3.7.1. Een natuurlijk persoon of rechtspersoon kan een kwaliteitslabel toegekend krijgen voor een of meer disciplines.
  De Vlaamse Regering bepaalt de disciplines waarvoor een kwaliteitslabel aangevraagd kan worden. De minister specifieert per discipline de kwaliteitscriteria en stelt ze vast samen met de bijbehorende richtlijnen voor onroerenderfgoedondernemers.
  In het tweede lid wordt verstaan onder richtlijnen voor onroerenderfgoedondernemers: de geschreven en publiek toegankelijke regels met betrekking tot de uitvoering van onderzoeksopdrachten, studieopdrachten en uitvoeringsopdrachten in het kader van de onroerenderfgoedzorg en de regels van goed vakmanschap die bij de betrokken beroepscategorieën algemeen aanvaard zijn.
Art. 3.7.1. Il peut être octroyé un label de qualité à une personne physique ou une personne morale pour une ou plusieurs disciplines.
  Le Gouvernement flamand fixe les disciplines pour lesquelles un label de qualité peut être demandé. Le Ministre spécifie par discipline les critères de qualité et les fixe avec les directives afférentes pour des entrepreneurs du patrimoine immobilier.
  Dans l'alinéa deux, on entend par directives pour des entrepreneurs du patrimoine immobilier : les règles écrites et publiquement accessibles relatives à l'exécution de missions de recherche, de missions d'étude et de missions d'exécution dans le cadre du soin du patrimoine immobilier et les règles du bon savoir-faire qui sont généralement acceptées pour les catégories professionnelles concernées.
Art. 3.7.2. Om als onroerenderfgoedondernemer een kwaliteitslabel toegekend te krijgen en te behouden moet een natuurlijk persoon een aanvraag indienen bij het agentschap en daarbij aantonen dat hij minstens voldoet aan de volgende toekenningsvoorwaarden:
  1° de persoon heeft een geschikte opleiding genoten in de betreffende discipline of heeft een ruime ervaring opgebouwd in de betreffende discipline en kan dat aantonen op basis van diploma's, getuigschriften of referentieprojecten;
  2° de persoon verbindt zich ertoe te werken volgens de door de minister vastgestelde richtlijnen over de betreffende discipline en houdt zich aan de internationaal aanvaarde standaarden, als die bestaan voor de uitoefening van de betreffende discipline;
  3° de persoon is de laatste tien jaar niet bij definitieve gerechtelijke of bestuurlijke beslissing schuldig bevonden aan een deelname aan een inbreuk of een misdrijf als vermeld in het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium, het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg, het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, dit besluit of erfgoedwetgeving van een lidstaat van de Europese Unie, en kan dit staven aan de hand van een uittreksel uit het strafregister overeenkomstig artikel 595 van het Wetboek van Strafvordering en een verklaring op erewoord.
Art. 3.7.2. Afin d'obtenir et de conserver un label de qualité comme entrepreneur du patrimoine immobilier, une personne physique doit introduire une demande auprès de l'agence et en outre démontrer qu'elle répond au moins aux conditions d'octroi suivantes :
  1° la personne a suivi une formation appropriée dans la discipline concernée ou a acquis une grande expérience dans la discipline concernée et peut la démontrer sur la base de diplômes, de certificats ou de projets de référence ;
  2° la personne s'engage à travailler selon les directives fixées par le Ministre concernant la discipline concernée et respecte les normes acceptées au niveau international, lorsqu'elles existent pour l'exécution de la discipline concernée ;
  3° au cours des dix dernières années, la personne n'a pas été jugée coupable par décision définitive judiciaire ou administrative de participation à une infraction telle que visée ou à un délit tel que visé au décret du 3 mars 1976 réglant la protection des monuments et des sites urbains et ruraux, au décret du 30 juin 1993 portant protection du patrimoine archéologique, au décret du 16 avril 1996 relatif à la protection des sites ruraux, au décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, au présent décret ou à la législation en matière de patrimoine d'un Etat membre de l'Union européenne, et peut étayer cela par un extrait du casier judiciaire conformément à l'article 595 du Code d'instruction criminelle et une déclaration sur l'honneur.
Art. 3.7.3. Om als onroerenderfgoedondernemer een kwaliteitslabel toegekend te krijgen en te behouden dient een rechtspersoon een aanvraag in bij het agentschap en toont hij daarbij aan dat hij minstens voldoet aan de volgende toekenningsvoorwaarden:
  1° de rechtspersoon heeft de onroerenderfgoedzorg als een van zijn doelstellingen en maakt dat formeel bekend;
  2° de rechtspersoon toont op basis van het organogram van de organisatie aan dat hij over voldoende competent personeel beschikt en hij verbindt zich ertoe dat personeel in te zetten voor de uitvoering van opdrachten in het kader van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;
  3° de rechtspersoon heeft ten minste één natuurlijk persoon voltijds in dienst met een geschikte opleiding of een ruime ervaring in de discipline waarvoor de rechtspersoon een kwaliteitslabel aanvraagt en hij draagt aan die persoon (of aan die personen) de verantwoordelijkheid op voor de uitvoering van opdrachten in het kader van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;
  4° de rechtspersoon verbindt zich ertoe te werken volgens door de minister vastgestelde richtlijnen over de betreffende discipline en houdt zich aan de internationaal aanvaarde standaarden, als die bestaan voor de uitoefening van de betreffende discipline;
  5° de bestuurders en de personen die de rechtspersoon kunnen verbinden zijn de laatste tien jaar niet bij definitieve gerechtelijke of bestuurlijke beslissing schuldig bevonden aan een deelname aan een inbreuk of een misdrijf als vermeld in het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium, het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg, het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, dit besluit of erfgoedwetgeving van een lidstaat van de Europese Unie, en kunnen dit staven aan de hand van een uittreksel uit het strafregister als vermeld in artikel 595 van het Wetboek van Strafvordering en een verklaring op erewoord.
Art. 3.7.3. Afin d'obtenir et de conserver un label de qualité comme entrepreneur du patrimoine immobilier, une personne morale introduit une demande auprès de l'agence et démontre en outre qu'elle répond au moins aux conditions d'octroi suivantes :
  1° la personne morale a le soin du patrimoine immobilier comme un de ses objectifs et annonce cela formellement ;
  2° la personne morale démontre, sur la base de l'organigramme de l'organisation, qu'elle dispose de suffisamment de personnel compétent et s'engage à affecter ce personnel à l'exécution de missions dans le cadre du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 ;
  3° la personne morale emploie à temps plein au moins une personne physique qui a une formation appropriée ou grande expérience dans la discipline pour laquelle la personne morale demande un label de qualité et charge cette personne (ou ces personnes) de la responsabilité de l'exécution de missions dans le cadre du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 ;
  4° la personne morale s'engage à travailler selon des directives fixées par le Ministre concernant la discipline concernée et respecte les normes acceptées au niveau international, lorsqu'elles existent pour l'exécution de la discipline concernée ;
  5° au cours des dix dernières années, les administrateurs et les personnes qui peuvent lier la personne morale n'ont pas été jugés coupable par décision définitive judiciaire ou administrative de participation à une infraction telle que visée ou à un délit tel que visé au décret du 3 mars 1976 réglant la protection des monuments et des sites urbains et ruraux, au décret du 30 juin 1993 portant protection du patrimoine archéologique, au décret du 16 avril 1996 relatif à la protection des sites ruraux, au décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, au présent décret ou à la législation en matière de patrimoine d'un Etat membre de l'Union européenne, et peuvent étayer cela par un extrait du casier judiciaire tel que visé à l'article 595 du Code d'instruction criminelle et une déclaration sur l'honneur.
Art. 3.7.4. Het agentschap stelt op zijn website een modelformulier ter beschikking waarmee een aanvraag tot toekenning van een kwaliteitslabel als onroerenderfgoedondernemer kan worden ingediend. Door dat formulier in te vullen kan de aanvrager aantonen dat hij voldoet aan alle toekenningsvoorwaarden. De aanvrager voegt bij zijn aanvraag het volledig ingevulde modelformulier en de daarin gevraagde stavingsstukken, en hij dient zijn aanvraag [1 schriftelijk]1 in bij het agentschap. Als de stavingsstukken die in het modelformulier gevraagd worden, in een andere taal dan het Nederlands zijn opgesteld, voegt hij een beëdigde vertaling ervan bij het formulier.
  
Art. 3.7.4. L'agence met un formulaire modèle à disposition sur son site web au moyen duquel une demande d'octroi d'un label de qualité comme entrepreneur du patrimoine immobilier peut être introduite. En remplissant ce formulaire, le demandeur peut démontrer qu'il répond à toutes les conditions d'octroi. Le demandeur joint à sa demande le formulaire modèle dûment rempli et les pièces justificatives qui y sont demandées, et il introduit sa demande auprès de l'agence [1 par écrit]1. Lorsque les pièces justificatives qui sont demandées dans le formulaire modèle sont rédigées dans une langue autre que le néerlandais, il en joint une traduction assermentée au formulaire.
  
Art. 3.7.5. Het agentschap bezorgt de aanvrager [1 schriftelijk]1 en binnen een termijn van vijftien dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van de aanvraag, een ontvankelijkheidsbewijs of deelt mee dat de aanvraag onvolledig is en met welke stukken de aanvraag moet worden aangevuld. De aanvrager bezorgt binnen een termijn van vijftien dagen, die ingaat op de dag na de [1 kennisgeving van het verzoek]1 tot aanvulling de aanvullende stukken aan het agentschap, waarna het dossier al dan niet ontvankelijk wordt verklaard.
  [1 ...]1
  Het agentschap onderzoekt de ontvankelijke aanvraag en beslist binnen een termijn van zestig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van de aanvraag over de aanvraag tot de toekenning van het kwaliteitslabel. Die termijn kan met dertig dagen worden verlengd als het agentschap het nodig acht het advies van de Commissie in te winnen. Die verlenging moet binnen de eerste termijn van zestig dagen, [1 schriftelijk]1 aan de aanvrager worden gemeld.
  Het agentschap deelt zijn beslissing binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de beslissing [1 schriftelijk]1 mee aan de aanvrager. Het agentschap bezorgt tegelijk met de beslissing het kwaliteitslabel aan de aanvrager. Als de aanvrager na het verstrijken van deze termijn geen beslissing van het agentschap heeft ontvangen, wordt de aanvraag tot toekenning van het kwaliteitslabel geacht geweigerd te zijn.
  
Art. 3.7.5. L'agence transmet au demandeur, [1 par écrit]1 et dans un délai de quinze jours qui prend cours le jour après la [1 notification de la demande]1, une attestation de recevabilité ou communique que la demande est incomplète et par quelles pièces la demande doit être complétée. Le demandeur transmet les pièces supplémentaires à l'agence, dans un délai de quinze jours qui prend cours le jour après la [1 notification de la demande]1 de complément, après quoi le dossier est déclaré recevable ou non.
  [1 ...]1
  L'agence examine la demande recevable et décide dans un délai de soixante jours, qui prend cours le jour après la réception de la demande, de la demande d'octroi du label de qualité. Ce délai peut être prolongé de trente jours lorsque l'agence estime qu'il est nécessaire de demander l'avis de la Commission. Cette prolongation doit être communiquée au demandeur, [1 par écrit]1, dans le premier délai de soixante jours.
  L'agence communique sa décision au demandeur dans un délai de trente jours, qui prend cours le jour après la décision, [1 par écrit]1. En même temps que la décision, l'agence transmet le label de qualité au demandeur. Lorsque, après l'expiration de ce délai, le demandeur n'a pas reçu de décision de l'agence, la demande d'octroi du label de qualité est censée est refusée.
  
Art. 3.7.6. Als de aanvrager al over een kwaliteitslabel als onroerenderfgoedondernemer beschikt voor een of meer disciplines, maar voor bijkomende disciplines een kwaliteitslabel wil verwerven, dient de aanvrager een nieuwe aanvraag in voor deze bijkomende disciplines met vermelding van de disciplines waarvoor hij al over een kwaliteitslabel beschikt. Als het agentschap het kwaliteitslabel toekent voor die bijkomende disciplines, bezorgt het agentschap [1 schriftelijk]1 een nieuw kwaliteitslabel, met vermelding van alle disciplines, aan de onroerenderfgoedondernemer.
  
Art. 3.7.6. Lorsque le demandeur dispose déjà d'un label de qualité comme entrepreneur du patrimoine immobilier pour une ou plusieurs disciplines, mais veut acquérir un label de qualité pour des disciplines supplémentaires, le demandeur introduit une nouvelle demande pour ces disciplines supplémentaires avec mention des disciplines pour lesquelles il dispose déjà d'un label de qualité. Lorsque l'agence octroie le label de qualité pour ces disciplines supplémentaires, l'agence transmet un nouveau label de qualité, avec mention de toutes les disciplines, à l'entrepreneur du patrimoine immobilier, [1 par écrit]1.
  
Art. 3.7.7. De toekenning van een kwaliteitslabel aan een onroerenderfgoedondernemer is van onbepaalde duur en geldt zolang aan de toekenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 3.7.2 of in artikel 3.7.3, en aan de voorwaarden in het kader van de opvolging, vermeld in artikel 3.7.8, voldaan wordt.
Art. 3.7.7. L'octroi d'un label de qualité à un entrepreneur du patrimoine immobilier est d'une durée indéterminée et vaut tant que les conditions d'octroi, visées à l'article 3.7.2 ou à l'article 3.7.3, et les conditions dans le cadre du suivi, visées à l'article 3.7.8, restent remplies.
Art. 3.7.8. In het kader van de opvolging van de kwaliteit van de onroerenderfgoedondernemers aan wie een kwaliteitslabel is toegekend, moet de onroerenderfgoedondernemer:
  1° alle wijzigingen die betrekking hebben op de toekenningsvoorwaarden onverwijld melden aan het agentschap;
  2° jaarlijks uiterlijk op 31 juli een jaarverslag indienen, behalve in het jaar van de toekenning van het kwaliteitslabel, met een formulier waarvan het model ter beschikking wordt gesteld op de website van het agentschap waarin wordt aangegeven hoe blijvend wordt voldaan aan de toekenningsvoorwaarden en welke initiatieven er zijn genomen om de kwaliteit te verbeteren en kennis en expertise te delen.
Art. 3.7.8. Dans le cadre du suivi de la qualité des entrepreneurs du patrimoine immobilier à qui un label de qualité a été octroyé, l'entrepreneur du patrimoine immobilier doit :
  1° communiquer sans tarder à l'agence toutes les modifications qui ont trait aux conditions d'octroi ;
  2° introduire chaque année un rapport annuel, le 31 juillet au plus tard, avec un formulaire dont le modèle est mis à disposition sur le site web de l'agence dans lequel il est indiqué comment il est répondu de manière permanente aux conditions d'octroi et quelles initiatives ont été entreprises afin d'améliorer la qualité et de partager de l'expertise.
Art. 3.7.9. Het agentschap kan op verzoek van de minister, op verzoek van de Commissie of op eigen initiatief de toekenning van een kwaliteitslabel evalueren met het oog op de controle van de toekenningsvoorwaarden. Het agentschap kan het advies van de Commissie inwinnen. Het agentschap kan alle documenten opvragen die betrekking hebben op de toekenningsvoorwaarden of kan de onroerenderfgoedondernemer vragen om een toelichting te komen geven.
Art. 3.7.9. A la demande du Ministre, à la demande de la Commission ou de sa propre initiative, l'agence peut évaluer l'octroi d'un label de qualité en vue du contrôle des conditions d'octroi. L'agence peut demander l'avis de la Commission. L'agence peut demander tous les documents qui ont trait aux conditions d'octroi ou peut demander l'entrepreneur du patrimoine immobilier de venir donner des explications.
Art. 3.7.10. Het agentschap kan na evaluatie de toekenning van een kwaliteitslabel schorsen voor een termijn van maximaal honderdtwintig dagen als blijkt dat de onroerenderfgoedondernemer:
  1° de taken niet overeenkomstig de bepalingen van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 of dit besluit uitvoert;
  2° niet meer voldoet aan de toekenningsvoorwaarden;
  3° de voorwaarden voor de opvolging van de toekenning, niet naleeft;
  4° bij een vonnis of arrest veroordeeld is voor een misdrijf dat door de aard ervan de beroepsethiek van de onroerenderfgoedondernemer in kwestie aantast.
Art. 3.7.10. Après l'évaluation, l'agence peut suspendre l'octroi d'un label de qualité pour un délai de cent vingt jours au maximum lorsqu'il s'avère que l'entrepreneur du patrimoine immobilier :
  1° n'exécute pas les tâches conformément aux dispositions du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 ou du présent arrêté ;
  2° ne répond plus aux conditions d'octroi ;
  3° ne respecte pas les conditions du suivi de l'octroi ;
  4° est condamné par un jugement ou arrêt pour un délit qui, par sa nature, nuit à la déontologie professionnelle de l'entrepreneur du patrimoine immobilier en question.
Art. 3.7.11. Het agentschap bezorgt de gemotiveerde schorsingsbeslissing per beveiligde zending aan de onroerenderfgoedondernemer. De schorsing treedt in werking vanaf het moment van de [1 kennisgeving]1.
  Vanaf de [1 kennisgeving]1 van de schorsing kan de onroerenderfgoedondernemer het kwaliteitslabel in zijn geheel niet dragen. Vanaf de [1 kennisgeving]1 van de schorsing schrapt het agentschap de onroerenderfgoedondernemer van de lijst die gepubliceerd is op de website van het agentschap.
  [1 De onroerenderfgoedondernemer bezorgt binnen een termijn van zestig dagen, die ingaat op de dag na de kennisgeving van de schorsingsbeslissing schriftelijk een reactie waarin hij beschrijft welke acties hij heeft ondernomen of onmiddellijk onderneemt om te remediëren of tegemoet te komen aan de toekenningsvoorwaarden.]1
  Binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van de reactie beslist het agentschap tot opheffing van de schorsing of tot intrekking. Als de onroerenderfgoedondernemer geen reactie heeft bezorgd binnen de gestelde termijn, trekt het agentschap het kwaliteitslabel onverwijld in.
  [1 Het agentschap deelt zijn beslissing binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de beslissing, schriftelijk mee aan de onroerenderfgoedondernemer. De opheffing van de schorsing of de intrekking van het kwaliteitslabel is van kracht vanaf die kennisgeving. Als het agentschap nalaat een beslissing te nemen of nalaat de beslissing mee te delen binnen de vastgestelde termijn, wordt de schorsing geacht opgeheven te zijn.]1
  
Art. 3.7.11. L'agence transmet la décision de suspension motivée à l'entrepreneur du patrimoine immobilier par envoi sécurisé. La suspension entre en vigueur à partir du moment de la [1 notification]1.
  A partir de la [1 notification]1 de la suspension, l'entrepreneur du patrimoine immobilier ne peut pas porter le label de qualité dans son intégralité. A partir de la [1 notification]1 de la suspension, l'agence supprime l'entrepreneur du patrimoine immobilier de la liste qui est publiée sur le site web de l'agence.
  [1 L'entrepreneur du patrimoine immobilier transmet, par écrit, dans un délai de soixante jours qui prend cours le jour après la notification de la décision de suspension, une réaction dans laquelle il décrit quelles actions en remédiation ou visant à répondre aux conditions d'octroi il a entreprises ou entreprendra sans tarder.]1
  Dans un délai de trente jours, qui prend cours le jour après la réception de la réaction, l'agence décide d'abroger la suspension ou du retrait. Lorsque l'entrepreneur du patrimoine immobilier n'a pas transmis de réaction dans le délai imparti, l'agence retire le label de qualité sans tarder.
  [1 L'agence communique sa décision à l'entrepreneur du patrimoine immobilier dans un délai de trente jours, qui prend cours le jour après la décision. La levée de la supension ou du retrait du label de qualité prend cours à partir de cette notification. Lorsque l'agence néglige de prendre une décision ou néglige de communiquer la décision dans le délai imparti, la suspension est censée être levée.]1
  
Art. 3.7.12. Als de onroerenderfgoedondernemer zelf te kennen geeft dat hij geen kwaliteitslabel meer wil of als de onroerenderfgoedondernemer zijn activiteiten in het kader van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 stopzet, trekt het agentschap het kwaliteitslabel in na een schriftelijke melding van die feiten door onroerenderfgoedondernemer.
Art. 3.7.12. Lorsque l'entrepreneur du patrimoine immobilier indique lui-même qu'il ne veut plus de label de qualité ou lorsque l'entrepreneur du patrimoine immobilier arrête ses activités dans le cadre du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, l'agence retire le label de qualité après une notification écrite de ces faits par l'entrepreneur du patrimoine immobilier.
Art. 3.7.13. Als het agentschap de toekenning van een kwaliteitslabel aan een onroerenderfgoedondernemer weigert of intrekt, kan de onroerenderfgoedondernemer een georganiseerd administratief beroep instellen bij de minister.
  Het beroepschrift wordt [1 schriftelijk]1 ingediend binnen een termijn van dertig dagen die ingaat op de dag na de kennisgeving van de beslissing van het agentschap over de weigering van de toekenning of de intrekking ervan. Als de aanvrager geen beslissing van het agentschap heeft ontvangen binnen de termijn vermeld in artikel 3.7.5, [2 Het agentschap deelt zijn beslissing binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de beslissing, schriftelijk mee aan de onroerenderfgoedondernemer. De opheffing van de schorsing of de intrekking van het kwaliteitslabel is van kracht vanaf die kennisgeving. Als het agentschap nalaat een beslissing te nemen of nalaat de beslissing mee te delen binnen de vastgestelde termijn, wordt de schorsing geacht opgeheven te zijn.]2 lid en de aanvraag dus geacht wordt geweigerd te zijn, kan de aanvrager binnen een termijn van honderdtwintig dagen, die ingaat op de dag na de aanvraag tot toekenning [1 schriftelijk]1 een beroepschrift indienen.
  De minister neemt zijn beslissing over het ingestelde beroep na een verplicht in te winnen advies van de Commissie en nadat de Commissie de betrokken partijen op hun verzoek schriftelijk of mondeling heeft gehoord.
  De minister neemt een beslissing over het beroep binnen een termijn van zestig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van het beroepschrift. Deze termijn wordt verlengd met zestig dagen als toepassing wordt gemaakt van het mondelinge of schriftelijke hoorrecht, vermeld in het derde lid. Als geen beslissing wordt genomen binnen de toepasselijke vervaltermijn wordt het beroep geacht te zijn afgewezen. De beslissing wordt per beveiligde zending onverwijld bezorgd aan de indiener van het beroep.
  
Art. 3.7.13. Lorsque l'agence refuse ou retire l'octroi d'un label de qualité à un entrepreneur du patrimoine immobilier, l'entrepreneur du patrimoine immobilier peut introduire un recours administratif organisé auprès du Ministre.
  L'acte de recours est introduit [1 par écrit]1 dans un délai de trente jours qui prend cours le jour après la notification de la décision de l'agence concernant le refus de l'octroi ou son retrait. Lorsque le demandeur n'a pas reçu de décision de l'agence dans le délai visé à l'article 3.7.5, alinéa [2 trois]2, et la demande est donc censée être refusée, le demandeur peut, dans un délai de cent vingt jours qui prend cours le jour après la demande d'octroi, introduire un acte de recours [1 par écrit]1.
  Le Ministre prend sa décision concernant le recours introduit après avoir demandé obligatoirement l'avis de la Commission et après que la Commission a entendu les parties concernées par écrit ou oralement, à leur demande.
  Le Ministre prend une décision concernant le recours dans un délai de soixante jours, qui prend cours le jour après la réception de l'acte de recours. Ce délai est prolongé de soixante jours lorsqu'il est fait application du droit d'audition oral ou écrit, visé à l'alinéa trois. Lorsqu'aucune décision n'est prise dans le délai d'échéance applicable, le recours est censé être rejeté. La décision est transmise sans tarder à l'auteur du recours par envoi sécurisé.
  
HOOFDSTUK 4. - Inventarissen
CHAPITRE 4. - Inventaires
Afdeling 1. - Criteria voor opname in de vastgestelde inventarissen
Section 1re. - Critères pour reprise dans les inventaires établis
Art. 4.1.1. Een onroerend goed of een geheel van onroerende goederen kan opgenomen worden in de vastgestelde inventaris van bouwkundig erfgoed, de vastgestelde landschapsatlas [1 en de vastgestelde inventaris van landschappelijk erfgoed]1 als het een of meer erfgoedwaarden bezit en voldoende goed bewaard is.
  
Art. 4.1.1. Un bien immobilier ou un ensemble de biens immobiliers peut être repris dans l'inventaire établi du patrimoine architectural, l'atlas des paysages établi, l'inventaire établi des plantations ligneuses présentant une valeur patrimoniale [1 et l'inventaire établi du patrimoine paysager]1 lorsqu'il possède une ou plusieurs valeurs patrimoniales et est suffisamment bien conservé.
  
Art. 4.1.2. Een onroerend goed of een geheel van onroerende goederen wordt geschrapt uit de vastgestelde inventaris als het niet langer erfgoedwaarde bezit of als het niet langer voldoende goed bewaard is.
Art. 4.1.2. Un bien immobilier ou un ensemble de biens immobiliers est supprimé de l'inventaire établi lorsqu'il ne possède plus de valeur patrimoniale ou lorsqu'il n'est plus suffisamment bien conservé.
Art. 4.1.3. Een archeologische zone kan opgenomen worden in de vastgestelde inventaris van archeologische zones als ze waarschijnlijk voldoende goed bewaard is.
Art. 4.1.3. Une zone archéologique peut être reprise dans l'inventaire établi des zones archéologiques lorsqu'elle est probablement suffisamment bien conservée.
Art. 4.1.4. Een archeologische zone wordt geschrapt uit de vastgestelde inventaris van archeologische zones als ze niet voldoende goed bewaard is.
Art. 4.1.4. Une zone archéologique est supprimée de l'inventaire établi des zones archéologiques lorsqu'elle n'est pas suffisamment bien conservée.
Art. 4.1.5. De minister stelt, na mededeling aan de Vlaamse Regering, voor elke inventaris, vermeld in artikel 4.1.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, een inventarismethodologie vast. Deze inventarismethodologie bevat:
  1° de wijze van beschrijving van de erfgoedwaarden;
  2° het afwegingskader dat gehanteerd wordt om het onroerend goed te waarderen.
  Voor de inventarissen, vermeld in [1 artikel 4.1.1, eerste lid, 1°, 3° en 4°]1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, worden in de inventarismethodologie minstens de selectiecriteria zeldzaamheid, herkenbaarheid, representativiteit, ensemblewaarde en contextwaarde opgenomen.
  
Art. 4.1.5. Le Ministre fixe, après communication au Gouvernement flamand, pour chaque inventaire, visé à l'article 4.1.1 du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, une méthodologie d'inventaire. Cette méthodologie d'inventaire comprend :
  1° le mode de description des valeurs patrimoniales ;
  2° le dispositif de pondération qui est utilisé pour évaluer le bien immobilier.
  Pour les inventaires, visés à [1 l'article 4.1.1, alinéa 1er, 1°, 3° et 4°]1 du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, la méthodologie d'inventaire reprend au moins les critères de sélection rareté, caractère reconnaissable, représentativité, valeur d'ensemble et valeur contextuelle.
  
Art. 4.1.6. De minister [1 of de gemeenteraad van de erkende onroerenderfgoedgemeente]1 stelt een inventaris, vermeld in artikel 4.1.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, na de vaststelling van de inventarismethodologie, vast.
  
Art. 4.1.6. Le Ministre [1 ou le conseil communal de la commune du patrimoine immobilier agréée]1 établit un inventaire, visé à l'article 4.1.1 du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, après la fixation de la méthodologie d'inventaire.
  
Afdeling 1/1. [1 - Ontsluiting]1
Section 1/1. [1 - Accès]1
Art. 4.1.7. [1 De vaststellingsbesluiten zoals vermeld in artikel 4.1.3, zevende lid en 4.1.7/2, zevende lid van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 worden ontsloten op het daarvoor voorziene digitale platform van het agentschap.
   De onroerende goederen die opgenomen zijn in een vastgestelde inventaris als vermeld in artikel 4.1.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 worden ontsloten op de GIS-laag van het daarvoor voorziene digitale platform van het agentschap.]1

  
Art. 4.1.7. [1 Les arrêtés d'établissement visés aux articles 4.1.3, alinéa 7, et 4.1.7/2, alinéa 7, du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 sont mis à disposition sur la plate-forme numérique de l'agence prévue à cet effet.
   Les biens immobiliers repris dans un inventaire établi tel que visé à l'article 4.1.1 du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 sont rendus accessibles sur la couche SIG de la plate-forme numérique de l'agence prévue à cet effet.]1

  
Afdeling 2. [1 - Rechtsgevolgen]1
Section 2. - [1 Effets juridiques]1
Onderafdeling 1. [1 - Zorgplicht]1
Sous-section 1. [1 - Obligation de soin]1
Art. 4.2.3. Als een onroerend goed dat opgenomen is in een vastgestelde inventaris ook als erfgoedlandschap opgenomen is in een ruimtelijk uitvoeringsplan, geldt de verplichting vermeld in artikel 6.7.1 en 6.7.2.
Art. 4.2.3. Lorsqu'un bien immobilier qui est repris dans un inventaire établi est également repris comme paysage patrimonial dans un plan d'exécution spatial, l'obligation visée aux articles 6.7.1 et 6.7.2 s'applique.
Onderafdeling 2. [1 - Toelatingsplichten]1
Sous-section 2. [1 Obligations d'autorisation]1
Art. 4.2.4. [1 Een erkende onroerenderfgoedgemeente kan een toelatingsplicht opleggen voor de volgende handelingen aan één of meerdere onroerende goederen in een vast te stellen inventaris als vermeld in artikel 4.1.1, eerste lid, 3° of 4°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013:
   1° het uitvoeren van de volgende werken aan het dak en de buitenmuren van constructies:
   a) het verwijderen, vervangen of wijzigen van dakbedekking en gootconstructies;
   b) het wijzigen van de kleur van de afwerkingslagen;
   c) het aanbrengen, verwijderen, vervangen of wijzigen van de textuur of samenstelling van de afwerkingslagen, inclusief het verwijderen van voegen en het hervoegen;
   d) het aanbrengen, verwijderen, vervangen of wijzigen van buitenschrijnwerken, deuren, ramen, luiken, poorten, inclusief de al dan niet figuratieve beglazing, beslag, hang- en sluitwerk;
   e) het aanbrengen, verwijderen, vervangen of wijzigen van aard- en nagelvaste elementen, smeedijzer en beeldhouwwerk, inclusief nieuwe toevoegingen;
   2° het fundamenteel en structureel wijzigen van de aanleg van tuinen, parken en begraafplaatsen met erfgoedwaarde;
   3° het uitvoeren van de volgende handelingen in het interieur :
   a) het verwijderen, vervangen of wijzigen van plafonds, gewelven, vloeren, trappen, binnenschrijnwerk;
   b) het verwijderen, vervangen of wijzigen van waardevolle interieurdecoratie.]1

  
Art. 4.2.4. [1 Une commune du patrimoine immobilier agréée peut soumettre à obligation d'autorisation les actes suivants sur un ou plusieurs biens immobiliers figurant dans un inventaire à établir tel que visé à l'article 4.1.1, alinéa 1er, 3° ou 4°, du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 :
   1° l'exécution des travaux suivants au toit et aux murs extérieurs de constructions :
   a) l'enlèvement, le remplacement ou la modification de toiture et de constructions de gouttière ;
   b) la modification de la couleur des couches de finition ;
   c) l'application, l'enlèvement, le remplacement ou la modification de la texture ou de la composition des couches de finition, y compris l'enlèvement de joints et le rejointoiement ;
   d) l'application, l'enlèvement, le remplacement ou la modification de menuiseries extérieures, de portes, de fenêtres, de volets, de portails, y compris le vitrage, la garniture, les ferrures et serrures figuratives ou non ;
   e) l'application, l'enlèvement, le remplacement ou la modification d'éléments immeubles par nature et par destination, de fer forgé et de sculptures, y compris de nouvelles additions ;
   2° la modification fondamentale et structurelle de l'aménagement de jardins, de parcs et de cimetières présentant une valeur patrimoniale ;
   3° l'exécution des actes suivants à l'intérieur :
   a) l'enlèvement, le remplacement ou la modification de plafonds, de voûtes, de planchers, d'escaliers, de menuiseries intérieures ;
   b) l'enlèvement, le remplacement ou la modification de décoration intérieure de valeur.]1

  
Onderafdeling 3. [1 - Toelatingsprocedure voor handelingen aan onroerende goederen die opgenomen zijn in een vastgestelde inventaris]1
Sous-section 3. [1 - Procédure d'autorisation pour des actes sur des biens immobiliers repris dans un inventaire établi]1
Art. 4.2.5. [1 Als voor handelingen aan een beschermd monument, cultuurhistorisch landschap, archeologische site of stads- en dorpsgezicht die zijn vrijgesteld zijn van toelating of melding in een goedgekeurd beheersplan als vermeld in artikel 8.1.4, § 1, eerste lid, 9°, van dit besluit ook een toelatingsplicht geldt omwille van een opname in een vastgestelde inventaris als vermeld artikel 4.1.1, eerste lid, 3° of 4°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 is die handeling ook vrijgesteld van de toelating die voortvloeit uit de vaststelling.]1
  
Art. 4.2.5. [1 Si des actes sur un monument protégé, un paysage culturo-historique, un site archéologique ou un site urbain et rural qui sont dispensés d'autorisation ou de notification dans un plan de gestion approuvé tel que visé à l'article 8.1.4, § 1er, alinéa 1er, 9°, du présent arrêté, sont également soumis à une obligation d'autorisation en raison de l'inclusion dans un inventaire établi tel que visé à l'article 4.1.1, alinéa 1er, 3° ou 4°, du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, cet acte est également dispensé de l'autorisation résultant de l'établissement.]1
  
Art. 4.2.6. [1 De aanvraag van een toelating als vermeld in artikel 4.1.10/1, § 1, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, wordt schriftelijk of via het daarvoor voorziene digitale platform ingediend bij het college van burgemeester en schepenen van de erkende onroerenderfgoedgemeente waar het onroerend goed ligt.
   De aanvraag bevat minstens al de volgende elementen:
   1° een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier dat ter beschikking wordt gesteld op de website van de erkende onroerenderfgoedgemeente of via het daarvoor voorziene digitale platform;
   2° een beschrijving van de huidige staat van het goed;
   3° een beschrijving van de geplande handelingen;
   4° een motivering van de geplande handelingen;
   5° de vermelding van de vermoedelijke datum van het begin en het einde van de handelingen.]1

  
Art. 4.2.6. [1 La demande d'autorisation telle que visée à l'article 4.1.10/1, § 1er, du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, est introduite par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet auprès du collège des bourgmestre et échevins de la commune du patrimoine immobilier agréée dans laquelle se trouve le bien immobilier.
   La demande contient au moins l'ensemble des éléments suivants :
   1° un formulaire de demande dûment rempli et signé, qui est mis à disposition sur le site web de la commune du patrimoine immobilier agréée ou sur la plate-forme numérique prévue à cet effet ;
   2° une description de l'état actuel du bien ;
   3° une description des actes prévus ;
   4° une motivation des actes prévus ;
   5° la mention de la date présumée de début et de fin des actes.]1

  
Art. 4.2.7. [1 De erkende onroerenderfgoedgemeente gaat na of voldaan is aan alle voorwaarden, vermeld in artikel 4.2.6, en of de dossiergegevens een onderzoek ten gronde toelaten.
   Als de aanvraag onvolledig is of geen onderzoek ten gronde toelaat, kan de erkende onroerenderfgoedgemeente binnen een termijn van twintig dagen, die ingaat op de dag na de dag waarop de aanvraag is ingediend, de aanvrager schriftelijk of via het daarvoor voorziene digitale platform vragen om de ontbrekende gegevens of documenten bij de aanvraag te voegen, en de termijn bepalen waarbinnen dat moet gebeuren. Als de aanvrager nalaat binnen deze termijn de ontbrekende gegevens of documenten bij te voegen, wordt de toelating geacht te zijn geweigerd. De erkende onroerenderfgoedgemeente brengt de aanvrager hiervan schriftelijk of via het daarvoor voorziene digitale platform op de hoogte.]1

  
Art. 4.2.7. [1 La commune du patrimoine immobilier agréée vérifie si toutes les conditions, visées à l'article 4.2.6, sont remplies et si les données du dossier permettent un examen sur le fond.
   Si la demande est incomplète ou ne permet pas un examen sur le fond, la commune du patrimoine immobilier agréée peut, dans un délai de vingt jours prenant cours le lendemain de l'introduction de la demande, inviter le demandeur, par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet, à joindre les données ou documents manquants à la demande et fixer le délai dans lequel cela doit être fait. Si le demandeur omet de joindre les données ou documents manquants dans ce délai, l'autorisation est réputée refusée. La commune du patrimoine immobilier agréée en informe le demandeur par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet.]1

  
Art. 4.2.8. [1 Het college van burgemeester en schepenen van de erkende onroerenderfgoedgemeente neemt een beslissing over de aanvraag binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de dag waarop de volledige aanvraag is ingediend.
   Als geen beslissing is genomen binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, wordt de toelating geacht te zijn goedgekeurd.
   De beslissing vermeldt de voorwaarden die van toepassing zijn.
   Als de toelating voor een bepaalde duur wordt verleend, vermeldt de beslissing de duur van de toelating en de reden daarvoor.]1

  
Art. 4.2.8. [1 Le collège des bourgmestre et échevins de la commune du patrimoine immobilier agréée prend une décision concernant la demande dans un délai de trente jours, qui prend cours le jour après le jour auquel la demande complète est introduite.
   Lorsqu'aucune décision n'est prise dans le délai, visé à l'alinéa 1er, l'autorisation est censée être approuvée.
   La décision mentionne les conditions qui s'appliquent.
   Lorsque l'autorisation est octroyée pour une durée déterminée, la décision mentionne la durée de l'autorisation et son motif.]1

  
Art. 4.2.9. [1 Het college van burgemeester en schepenen van de erkende onroerenderfgoedgemeente maakt de beslissing vermeld in artikel 4.2.8 binnen een ordetermijn van tien dagen, die ingaat op de dag na de datum van de beslissing of de dag na het verstrijken van de termijn, vermeld in artikel 4.2.8, eerste lid, als volgt bekend:
   1° het brengt de aanvrager schriftelijk of via het daarvoor voorziene digitale platform op de hoogte van de uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissing;
   2° de beslissing wordt ingeschreven in de databank van toelatingen en adviezen, vermeld in artikel 6.5.1.]1

  
Art. 4.2.9. [1 Le collège des bourgmestre et échevins de la commune du patrimoine immobilier agréée publie la décision visée à l'article 4.2.8, dans un délai d'ordre de dix jours, qui prend cours le jour après la date de la décision ou le jour après l'expiration du délai, visé à l'article 4.2.8, alinéa premier, comme suit :
   1° il informe le demandeur de la décision expresse ou tacite par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet ;
   2° la décision est inscrite dans la banque de données des autorisations et avis, visée à l'article 6.5.1.]1

  
Art. 4.2.10. [1 Als een uitdrukkelijke of stilzwijgende toelating wordt verleend, moet de aanvrager in voorkomend geval de zakelijkrechthouder of de gebruiker per beveiligde zending de mededeling bezorgen die te kennen geeft dat de toelating is verleend.]1
  
Art. 4.2.10. [1 Si une autorisation expresse ou tacite est accordée, le demandeur fournit, le cas échéant, au titulaire du droit réel ou à l'usager, par envoi sécurisé, la communication indiquant que l'autorisation a été accordée.]1
  
Art. 4.2.11. [1 Als dat opgenomen is in de voorwaarden van de toelating, meldt de aanvrager de start en het einde van de uitvoering van de werken aan het college van burgemeester en schepenen van de erkende onroerenderfgoedgemeente. De werken worden uitgevoerd overeenkomstig de voorwaarden die bepaald zijn in de toelating.]1
  
Art. 4.2.11. [1 Lorsque tel est repris dans les conditions de l'autorisation, le demandeur communique le début et la fin de l'exécution des travaux au collège des bourgmestre et échevins de la commune du patrimoine immobilier agréée. Les travaux sont exécutés conformément aux conditions fixées dans l'autorisation.]1
  
Art. 4.2.12. [1 Een afschrift van de toelating of kennisgeving van de stilzwijgende beslissing ligt tijdens de duur van de werkzaamheden ter uitvoering van de toelating ter beschikking op de plaats die het voorwerp uitmaakt van de toelating.]1
  
Art. 4.2.12. [1 Une copie de l'autorisation ou de la notification de la décision tacite est à disposition pendant la durée des travaux en exécution de l'autorisation au lieu qui fait l'objet de l'autorisation.]1
  
Art. 4.2.13. [1 De toelating vervalt als de werken twee jaar na het verlenen van de toelating niet gestart zijn of gedurende meer dan drie opeenvolgende jaren onderbroken worden. De termijn van twee jaar vangt aan op de dag na de datum van de kennisgeving van de beslissing vermeld in artikel 4.2.9, 1°.]1
  
Art. 4.2.13. [1 L'autorisation échoit lorsque les travaux n'ont pas commencé deux ans après l'octroi de l'autorisation ou sont interrompus pendant plus de trois années consécutives. Le délai de deux ans prend cours le jour après la date de la signification de la décision, visée à l'article 4.2.9, 1°.]1
  
Onderafdeling 4. [1 - Advies erkende onroerenderfgoedgemeente]1
Sous-section 4. [1 - Avis de la commune du patrimoine immobilier agréée]1
Art. 4.2.14. [1 Als voor handelingen aan een onroerend goed dat is opgenomen in een vastgestelde inventaris als vermeld in artikel 4.1.1, eerste lid, 3° of 4°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, waarvoor de onroerenderfgoedgemeente een toelatingsplicht als vermeld in artikel 4.1.1, derde lid, van voormelde decreet, heeft opgelegd, ook een omgevingsvergunning, een vergunning, een toelating, een machtiging, een ontheffing of een afwijking is vereist overeenkomstig het Bosdecreet van 13 juni 1990 of het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, wint de overheid die een beslissing neemt over de aanvraag het advies in van de betrokken erkende onroerenderfgoedgemeente.
   De adviesplicht vermeld in het eerste lid geldt niet als overeenkomstig artikel 4.1.10/1 § 1, vierde lid van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 alleen een toelatingsplicht of meldingsplicht vanuit de bescherming geldt.]1

  
Art. 4.2.14. [1 Si des actes sur un bien immobilier repris dans un inventaire établi tel que visé à l'article 4.1.1, alinéa 1er, 3° ou 4°, du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, pour lesquels la commune du patrimoine immobilier a imposé une obligation d'autorisation telle que visée à l'article 4.1.1, alinéa 3, du décret précité, sont également soumis à un permis d'environnement, un permis, une autorisation, un mandat, une dispense ou une dérogation conformément au Décret forestier du 13 juin 1990 ou au décret du 21 octobre 1997 relatif à la préservation de la nature et à l'environnement naturel, l'autorité qui prend une décision sur la demande sollicite l'avis de la commune du patrimoine immobilier agréée concernée.
   L'obligation de conseil visée à l'alinéa 1er, ne s'applique pas si, conformément à l'article 4.1.10/1 § 1er, alinéa 4, du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, il n'existe qu'une obligation d'autorisation ou de déclaration du point de vue de la protection.]1

  
HOOFDSTUK 5. - Archeologie ...
CHAPITRE 5. - Archéologie ...
Afdeling 1. - [1 Toevalsvondsten]1
Section 1re. - [1 Trouvailles fortuites]1
Art. 5.1.1. [1 De zakelijkrechthouder en de gebruiker van een onroerend goed kunnen een vergoeding vorderen voor schade ten gevolge van de verlenging van de termijn van tien dagen, vermeld in artikel 5.1.4, vijfde lid, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.
  De vergoeding wordt berekend op basis van de aangetoonde schade die ontstaan is vanaf de eenendertigste dag na de aangifte van de toevalsvondst bij het agentschap.
  Het agentschap stelt die vergoeding vast en keert ze uit. Bij betwisting stelt de bevoegde rechtbank de vergoeding vast.
  De zakelijkrechthouder en de gebruiker kunnen geen aanspraak maken op een vergoeding als ze zich niet hebben gehouden aan de verplichtingen, vermeld in artikel 5.1.4 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.]1

  
Art. 5.1.1. [1 Le titulaire du droit réel et l'usager d'un bien immobilier peuvent réclamer une indemnité pour des dommages découlant de la prolongation du délai de dix jours, visé à l'article 5.1.4, alinéa cinq, du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013.
  L'indemnité est calculée sur la base des dommages démontrés survenus à partir du trente et unième jour après la déclaration de la trouvaille fortuite auprès de l'agence.
  L'agence fixe cette indemnisation et la paie. Le tribunal compétent fixe l'indemnisation en cas de contestation.
  Le titulaire du droit réel et l'usager ne peuvent pas prétendre à une indemnité s'ils n'ont pas respecté les obligations, visées à l'article 5.1.4 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013.]1

  
Art. 5.1.2. [1 De aanvraag van een vergoeding wordt schriftelijk ingediend bij het agentschap. De aanvraag bevat minstens:
  1° de naam en het adres van de aanvrager;
  2° de locatie van het archeologisch onderzoek;
  3° de omschrijving van de schade;
  4° de raming van de schade met de nodige bewijsstukken.]1

  
Art. 5.1.2. [1 La demande d'une indemnité est introduite par écrit auprès de l'agence. La demande comprend au moins :
  1° le nom et l'adresse du demandeur ;
  2° l'endroit de la recherche archéologique ;
  3° la description des dommages ;
  4° l'estimation des dommages et les pièces justificatives nécessaires.]1

  
Afdeling 2. - [1 Verplichtingen zakelijkrechthouders en gebruikers van archeologische artefacten en archeologische ensembles]1
Section 2. - [1 Obligations des titulaires du droit réel et des usagers d'artefacts archéologiques et d'ensembles archéologiques]1
Art. 5.2.1. [1 § 1. Het agentschap houdt een register van bewaarplaatsen, zakelijkrechthouders en gebruikers van archeologische artefacten en archeologische ensembles bij. Als de zakelijkrechthouder of de gebruiker een publiekrechtelijk rechtspersoon of een erkend onroerenderfgoeddepot is, worden de gegevens van de zakelijkrechthouder of de gebruiker publiek bekendgemaakt.
  De minister kan de nadere vormvereisten voor het register, vermeld in het eerste lid, bepalen.
  § 2. Iedereen die een archeologisch artefact of archeologisch ensemble wetenschappelijk wil onderzoeken, maakt die intentie schriftelijk bekend aan het agentschap, waarbij minstens de volgende gegevens worden vermeld:
  1° de contactgegevens van de verzoeker;
  2° de omschrijving van het gewenste wetenschappelijk onderzoek.
  Het agentschap bezorgt de intentie, vermeld in het eerste lid, aan de zakelijkrechthouder of de gebruiker van het archeologisch artefact of het archeologisch ensemble, die na de beoordeling van de intentie contact opneemt met de verzoeker.
  Als de gegevens van de zakelijkrechthouder of de gebruiker publiek beschikbaar zijn in het register, maakt de verzoeker, in afwijking van het eerste lid, zijn intentie rechtstreeks schriftelijk bekend aan de zakelijkrechthouder of de gebruiker, die na de beoordeling van de intentie contact opneemt met de verzoeker.]1

  
Art. 5.2.1. [1 § 1er. L'agence tient un registre des lieux de conservation, des titulaires du droit réel et des usagers d'artefacts archéologiques et d'ensembles archéologiques. Si le titulaire du droit réel ou l'usager est une personne morale de droit public ou un dépôt agréé du patrimoine immobilier, les données du titulaire du droit réel ou de l'usager sont rendues publiques.
  Le Ministre peut fixer les exigences de forme détaillées pour le registre, visé à l'alinéa premier.
  § 2. Toute personne qui veut soumettre un artefact archéologique ou un ensemble archéologique à des recherches scientifiques, notifie cette intention par écrit à l'agence, en mentionnant au moins les données suivantes :
  1° les coordonnées du demandeur ;
  2° la description de la recherche scientifique souhaitée.
  L'agence transmet l'intention, visée à l'alinéa premier, au titulaire du droit réel ou à l'usager de l'artefact archéologique ou de l'ensemble archéologique, qui prend contact avec le demandeur après l'évaluation de l'intention.
  Si les données du titulaire du droit réel ou de l'usager sont disponibles au public dans le registre, le demandeur notifie, par dérogation à l'alinéa premier, son intention directement par écrit au titulaire du droit réel ou à l'usager, qui prend contact avec le demandeur après l'évaluation de l'intention.]1

  
Art. 5.2.2. [1 Het agentschap stelt op zijn website een formulier ter beschikking om de wijziging van de bewaarplaats van een archeologisch artefact of een archeologisch ensemble te melden.]1
  
Art. 5.2.2. [1 Sur son site web, l'agence met à disposition un formulaire pour notifier la modification du lieu de conservation d'un artefact archéologique ou d'un ensemble archéologique.]1
  
Art. 5.2.3. [1 Het agentschap stelt op zijn website een formulier ter beschikking voor de melding van het voornemen om een archeologisch artefact of een archeologisch ensemble buiten het Vlaamse Gewest te brengen.
  [2 ...]2]1

  
Art. 5.2.3. [1 Sur son site web, l'agence met à disposition un formulaire pour notifier l'intention de sortir un artefact archéologique ou un ensemble archéologique de la Région flamande.
  [2 ...]2]1

  
Art. 5.2.4. [1 Met behoud van de toepassing van de verplichtingen, vermeld in artikel 5.1.1 en 5.2.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, is de zakelijkrechthouder of de gebruiker van een archeologisch artefact of een archeologisch ensemble dat tot stand is gekomen voor 1 januari 2016, vrijgesteld van de verplichtingen, vermeld in artikel 5.2.2 en 5.2.3 van het voormelde decreet.
  In afwijking van het eerste lid moeten erkende onroerenderfgoeddepots waaraan het beheer van archeologische artefacten en archeologische ensembles is toevertrouwd, ook voor archeologische artefacten en archeologische ensembles die tot stand zijn gekomen voor 1 januari 2016, maar in het depot opgenomen werden na deze datum, de nodige meldingen doen overeenkomstig artikel 5.2.2 en 5.2.3 van dit besluit.]1

  
Art. 5.2.4. [1 Sans préjudice de l'application des obligations, visées aux articles 5.1.1 et 5.2.1 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, le titulaire du droit réel ou l'usager d'un artefact archéologique ou d'un ensemble archéologique qui s'est produit avant le 1er janvier 2016, est dispensé des obligations, visées aux articles 5.2.2 et 5.2.3 du décret précité.
  Par dérogation à l'alinéa premier, les dépôts agréés du patrimoine immobilier auxquels la gestion d'artefacts archéologiques et d'ensembles archéologiques est confiée, doivent également faire les notifications nécessaires conformément aux articles 5.2.2 et 5.2.3 du présent arrêté pour des artefacts archéologiques et des ensembles archéologiques qui se sont produits avant le 1er janvier 2016 mais ont été repris au dépôt après cette date.]1

  
Afdeling 3. [1 - Code van goede praktijk]1
Section 3. [1 - Code de bonne pratique]1
Art. 5.3.1. [1 De minister stelt een code van goede praktijk vast voor de uitvoering van en de rapportering over archeologisch vooronderzoek en archeologische opgravingen en voor het gebruik van metaaldetectoren als vermeld in artikel 5.3.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.]1
  
Art. 5.3.1. [1 Le Ministre établit un code de bonne pratique pour l'exécution de recherches archéologiques préliminaires et de fouilles archéologiques et pour l'utilisation de détecteurs de métaux, ainsi que les rapports en la matière, tels que visés à l'article 5.3.1 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013.]1
  
Afdeling 4. [1 - Archeologisch onderzoek bij vergunningsplichtige ingrepen in de bodem]1
Section 4. [1 - Recherches archéologiques dans le cas d'interventions dans le sol soumises à autorisation]1
Onderafdeling 1. [1 - Gebieden waar geen archeologisch erfgoed of relevante kenniswinst te verwachten valt en vrijstellingen door erkende onroerenderfgoedgemeenten]1
Sous-section 1. - [1 Les zones où l'on ne s'attend pas à trouver un patrimoine archéologique ou de connaissances pertinentes et les exemptions des commune du patrimoine immobilier agréées]1
Art. 5.4.1. [1 [2 ...]2
   De gebieden waar geen archeologisch erfgoed te verwachten valt [4 of waar onderzoek van het archeologisch erfgoed geen relevante kenniswinst oplevert]4, worden vastgesteld als een [3 ...]3 plan waarop die gebieden nauwkeurig worden aangeduid. Dat [3 ...]3 plan wordt publiek toegankelijk gemaakt op een GIS-laag op een website van het agentschap.
  [2 Over de vaststelling van de gebieden waar geen archeologisch erfgoed te verwachten valt [4 of waar onderzoek van het archeologisch erfgoed geen relevante kenniswinst oplevert]4 wordt zesmaandelijks gerapporteerd aan de Vlaamse Regering.]2
  [4 ...]4]1

  
Art. 5.4.1. [1 [2 ...]2
   Les zones où l'on ne s'attend pas à trouver un patrimoine archéologique [4 ou dans lesquelles les recherches au niveau du patrimoine archéologique ne fournissent pas de connaissances pertinentes]4 sont fixées comme un plan [3 ...]3 sur lequel ces zones sont indiquées de manière précise. Ce plan [3 ...]3 est rendu accessible au public sur une couche GIS sur un site web de l'agence.
  [2 La détermination des zones où l'on ne s'attend pas à trouver un patrimoine archéologique, [4 ou dans lesquelles les recherches au niveau du patrimoine archéologique ne fournissent pas de connaissances pertinentes]4 est rapportée tous les six mois au Gouvernement flamand.]2
  [4 ...]4
  
Art. 5.4.1 /1.[1 [2 De erkende onroerenderfgoedgemeente kan in een gemeentelijk reglement in vrijstellingen voorzien zoals vermeld in artikel 5.4.1, derde lid, 9° en artikel 5.4.2, vierde lid, 2°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013. Dat gemeentelijk reglement motiveert in het voormelde geval op basis van waarnemingen en wetenschappelijke argumenten welke percelen vrijgesteld worden omdat ze met hoge waarschijnlijkheid geen archeologische waarde hebben of waar op basis van waarnemingen en wetenschappelijke argumenten onderbouwd kan worden dat verder onderzoek van de aanwezige archeologische site en artefacten geen relevante kenniswinst oplevert. Het gemeentelijk reglement bevat in het voormelde geval ook een plan waarop die percelen nauwkeurig worden aangeduid.]2.
   De erkende onroerenderfgoedgemeente bezorgt aan het agentschap na de goedkeuring door de gemeenteraad:
   1° het gemeentelijk reglement, vermeld in artikel 5.4.1, derde lid, 9°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;
   2° een geactualiseerde GIS-laag met een nauwkeurige aanduiding van alle vrijgestelde percelen binnen haar grondgebied.
   Het agentschap maakt de geactualiseerde GIS-laag publiek toegankelijk op zijn website.
   De gemeentelijke vrijstellingen gelden zodra ze publiek toegankelijk gemaakt zijn op een GIS-laag op de website van het agentschap.]1

  
Art. 5.4.1 /1.[1 [2 La commune du patrimoine immobilier agréée peut prévoir des dérogations dans un règlement communal tel que visé à l'article 5.4.1, alinéa 3, 9°, et à l'article 5.4.2, alinéa 4, 2°, du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013. Dans le cas précité, ce règlement communal motive sur la base d'observations et d'arguments scientifiques les parcelles qui sont dispensées car elles sont peu susceptibles d'avoir de la valeur archéologique, ou lorsqu'il peut être démontré sur la base d'observations et d'arguments scientifiques, que des recherches plus approfondies du site archéologique et des artefacts présents ne fourniront pas de connaissances pertinentes. Dans le cas précité, le règlement communal contient également un plan sur lequel ces parcelles sont précisément indiquées]2.
   La commune du patrimoine immobilier agréée transmet à l'agence après l'approbation par le conseil communal :
   1° le règlement communal, tel que visé à l'article 5.4.1, alinéa trois, 9°, du décret du 12 juillet 2013 relatif au patrimoine immobilier ;
   2° une couche GIS mise à jour comprenant une indication exacte de toutes les parcelles dispensées au sein de son territoire.
   L'agence rend la couche GIS mise à jour accessible au public sur son site web.
   Les dispenses communales s'appliquent à partir du moment où elles ont été rendues accessibles sur une couche GIS sur le site web de l'agence]1

  
Onderafdeling 2. - [1 Verplichtingen aangestelde erkende archeoloog - Archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem]1
Sous-section 2. - [1 Obligations de l'archéologue agréé désigné - Recherches archéologiques préliminaires avec intervention dans le sol]1
Art. 5.4.2. [1 Na vooronderzoek zonder ingreep in de bodem moet geen vooronderzoek met ingreep in de bodem volgen, indien het vooronderzoek zonder ingreep in de bodem voldoende informatie genereert om een archeologienota of nota op te maken die voldoet aan de bepalingen daarover in het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, dit besluit en de code van goede praktijk.]1
  
Art. 5.4.2. [1 Des recherches préliminaires sans intervention dans le sol ne doivent pas être suivies de recherches préliminaires avec intervention dans le sol si les recherches préliminaires sans intervention dans le sol produisent suffisamment d'informations pour établir une note archéologique ou une note qui répond aux dispositions en la matière dans le Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, dans le présent arrêté et le code de bonne pratique.]1
  
Art. 5.4.3. [1 De aanvraag tot toelating bevat, naast de gegevens vermeld in artikel 5.4.6, § 1, derde lid, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, de volgende bijkomende gegevens:
   1° de resultaten van het archeologisch vooronderzoek zonder ingreep in de bodem;
   2° de doelstellingen en de te beantwoorden onderzoeksvragen van het vooronderzoek met ingreep in de bodem;
   3° de plannen, kaarten en foto's die noodzakelijk zijn voor een goed begrip van de aanvraag tot toelating.]1

  
Art. 5.4.3. [1 La demande d'autorisation comprend, outre les données visées dans l'article 5.4.6, § 1er, alinéa trois du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, les données supplémentaires suivantes :
   1° les résultats des recherches archéologiques préliminaires sans intervention dans le sol ;
   2° les objectifs et les questions de recherche à répondre issues des recherches préliminaires avec intervention dans le sol ;
   3° les plans, cartes et photos qui sont nécessaires à la bonne compréhension de la demande d'autorisation.]1

  
Art. 5.4.4. [1 Als het agentschap of, in voorkomend geval, de erkende onroerenderfgoedgemeente het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem weigert of er voorwaarden aan koppelt, kan de initiatiefnemer of de daartoe door hem aangestelde erkende archeoloog een georganiseerd administratief beroep instellen bij de minister volgens de procedure, vermeld in afdeling 6.]1
  
Art. 5.4.4. [1 Si l'agence ou, le cas échéant, la commune agréée de patrimoine immobilier, refuse les recherches archéologiques préliminaires avec intervention dans le sol, ou y associe des conditions, l'initiateur ou l'archéologue agréé qu'il a désigné à cet effet peut introduire un recours administratif organisé auprès du Ministre selon la procédure visée à la section 6.]1
  
Onderafdeling 3. - [1 Verplichtingen aangestelde erkende archeoloog - Indienen archeologienota]1
Sous-section 3. - [1 Obligations de l'archéologue agréé désigné - Introduction de la note archéologique]1
Art. 5.4.5. [1 De archeologienota, opgemaakt overeenkomstig artikel 5.4.8 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, bevat, naast de gegevens, vermeld in het voormelde artikel, minstens de volgende bijkomende gegevens:
  1° de naam en het adres van de initiatiefnemer;
  2° het erkenningsnummer van de erkende archeoloog;
  3° de woonplaats of maatschappelijke zetel van de erkende archeoloog;
  4° de aanleiding voor het archeologisch vooronderzoek;
  5° de doelstellingen en de te beantwoorden onderzoeksvragen van het archeologisch vooronderzoek;
  6° de uitvoeringswijze van het archeologisch vooronderzoek;
  7° de naam van de andere personen dan de erkende archeoloog die bij het archeologisch vooronderzoek betrokken zijn;
  8° de resultaten van het archeologisch vooronderzoek, overeenkomstig de bepalingen daarover in de code van goede praktijk;
  9° de volgende gegevens van de zakelijkrechthouder en de gebruiker van het archeologisch ensemble dat het resultaat is van het archeologisch vooronderzoek [2 ...]2:
  a) de naam;
  b) het adres [2 of de maatschappelijke zetel]2;
  c) [2 ...]2
  10° de bewaarplaats van het archeologisch ensemble dat het resultaat is van het archeologisch vooronderzoek;
  11° plannen, kaarten, tekeningen, foto's, lijsten, formulieren en ander illustratief materiaal, noodzakelijk voor een goed begrip van de archeologienota.]1

  
Art. 5.4.5. [1 La note archéologique, établie conformément à l'article 5.4.8 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, comprend, outre les données visées à l'article précité, au moins les données supplémentaires suivantes :
  1° les nom et adresse de l'initiateur ;
  2° le numéro d'agrément de l'archéologue agréé ;
  3° le domicile ou le siège social de l'archéologue agréé ;
  4° la raison à la base des recherches archéologiques préliminaires ;
  5° les objectifs et les questions de recherche à répondre des recherches archéologiques préliminaires ;
  6° le mode d'exécution des recherches archéologiques préliminaires ;
  7° le nom des personnes autres que l'archéologue agréé qui sont associées aux recherches archéologiques préliminaires ;
  8° les résultats des recherches archéologiques préliminaires, conformément aux dispositions en la matière dans le code de bonne pratique ;
  9° les données suivantes du titulaire du droit réel et de l'usager de l'ensemble archéologique qui est le résultat des recherches archéologiques préliminaires [2 ...]2 :
  a) le nom ;
  b) l'adresse [2 ou le siège social]2 ;
  c) [2 ...]2
  10° le lieu de conservation de l'ensemble archéologique qui est le résultat des recherches archéologiques préliminaires ;
  11° les plans, cartes, croquis, photos, listes, formulaires et d'autre matériel d'illustration, nécessaires à la bonne compréhension de la note archéologique.]1

  
Art. 5.4.6. [1 De archeologienota, opgemaakt overeenkomstig artikel 5.4.5 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 bevat, naast de gegevens bepaald in artikel 5.4.12, eerste lid, van het voormelde decreet, minstens de volgende bijkomende gegevens:
  1° de aanleiding voor het archeologisch vooronderzoek;
  2° de doelstellingen en de te beantwoorden onderzoeksvragen van het archeologisch vooronderzoek zonder ingreep in de bodem;
  3° de uitvoeringswijze van het archeologisch vooronderzoek zonder ingreep in de bodem;
  4° een gegeorefereerd plan waarop de betrokken percelen, de precieze plaats van het archeologisch vooronderzoek en de geplande werken nauwkeurig worden afgelijnd;
  5° de naam van de andere personen dan de erkende archeoloog die bij het archeologisch vooronderzoek zonder ingreep in de bodem betrokken zijn;
  6° de resultaten van het archeologisch vooronderzoek zonder ingreep in de bodem, overeenkomstig de bepalingen daarover in de code van goede praktijk;
  7° de volgende gegevens van de zakelijkrechthouder en de gebruiker van het archeologisch ensemble dat het resultaat is van het archeologisch vooronderzoek zonder ingreep in de bodem [2 ]2:
  a) de naam;
  b) het adres [2 of de maatschappelijke zetel]2;
  c) [2 ...]2
  8° de bewaarplaats van het archeologisch ensemble dat het resultaat is van het archeologisch vooronderzoek zonder ingreep in de bodem;
  9° plannen, kaarten, tekeningen, foto's, lijsten, formulieren en ander illustratief materiaal, noodzakelijk voor een goed begrip van de archeologienota.]1

  
Art. 5.4.6. [1 La note archéologique, établie conformément à l'article 5.4.5 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, comprend, outre les données fixées à l'article 5.4.12, alinéa premier, du décret précité, au moins les données supplémentaires suivantes :
  1° la raison à la base des recherches archéologiques préliminaires ;
  2° les objectifs et les questions de recherche à répondre des recherches archéologiques préliminaires sans intervention dans le sol ;
  3° le mode d'exécution des recherches archéologiques préliminaires sans intervention dans le sol ;
  4° un plan géoréférencé sur lequel les parcelles concernées, l'endroit précis des recherches archéologiques préliminaires et les travaux prévus sont indiqués de manière précise ;
  5° le nom des personnes autres que l'archéologue agréé qui sont associées aux recherches archéologiques préliminaires sans intervention dans le sol ;
  6° les résultats des recherches archéologiques préliminaires sans intervention dans le sol, conformément aux dispositions en la matière dans le code de bonne pratique ;
  7° les données suivantes du titulaire du droit réel et de l'usager de l'ensemble archéologique qui est le résultat des recherches archéologiques préliminaires sans intervention dans le sol [2 ...]2 :
  a) le nom ;
  b) l'adresse [2 ou le siège social]2 ;
  c) [2 ...]2
  8° le lieu de conservation de l'ensemble archéologique qui est le résultat des recherches archéologiques préliminaires sans intervention dans le sol ;
  9° les plans, cartes, croquis, photos, listes, formulaires et d'autre matériel d'illustration, nécessaires à la bonne compréhension de la note archéologique.]1

  
Art. 5.4.7. [1 Als het agentschap of in voorkomend geval de erkende onroerenderfgoedgemeente [2 akte neemt van de archeologienota, er geen akte van neemt of er voorwaarden aan koppelt]2, kan de initiatiefnemer, de door hem daarvoor aangestelde erkende archeoloog of het agentschap een georganiseerd administratief beroep instellen bij de minister volgens de procedure, vermeld in afdeling 6.]1
  
Art. 5.4.7. [1 Si l'agence ou, le cas échéant, la commune agréée du patrimoine immobilier [2 prend acte de la note archéologique, n'en prend pas acte ou y associe des conditions]2, l'initiateur ou l'archéologue agréé qu'il a désigné à cet effet ou l'agence peut introduire un recours administratif organisé auprès du ministre selon la procédure visée à la section 6.]1
  
Onderafdeling 4. [1 Verplichtingen aangestelde erkende archeoloog - Uitvoering archeologienota waarvan akte is genomen]1
Sous-section 4. [1 Obligations de l'archéologue agréé désigné - Exécution d'une note archéologique dont il a été pris acte]1
Art. 5.4.8. [1 De erkende archeoloog meldt de aanvang van het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem, vermeld in artikel 5.4.14 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, schriftelijk en minstens drie dagen op voorhand.]1
  
Art. 5.4.8. [1 L'archéologue agréé signale le début des recherches archéologiques préliminaires avec intervention dans le sol, visé à l'article 5.4.14 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, par écrit et au moins trois jours à l'avance.]1
  
Onderafdeling 5. - [1 Verplichtingen aangestelde erkende archeoloog - Indienen nota]1
Sous-section 5. - [1 Obligations de l'archéologue agréé désigné - Introduction de la note]1
Art. 5.4.9. [1 De nota, opgemaakt overeenkomstig artikel 5.4.16 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, bevat, naast de gegevens, vermeld in het voormelde artikel, de volgende bijkomende gegevens:
  1° de naam en het adres van de initiatiefnemer;
  2° het erkenningsnummer van de erkende archeoloog;
  3° de woonplaats of maatschappelijke zetel van de erkende archeoloog;
  4° een gegeorefereerd plan waarop de betrokken percelen, de precieze plaats van het archeologisch vooronderzoek en de geplande werken nauwkeurig worden afgelijnd;
  5° de aanleiding voor het archeologisch vooronderzoek;
  6° de doelstellingen en de te beantwoorden onderzoeksvragen van het archeologisch vooronderzoek;
  7° de uitvoeringswijze van het archeologisch vooronderzoek;
  8° de naam van de andere personen dan de erkende archeoloog die bij het archeologisch vooronderzoek betrokken zijn;
  9° de resultaten van het archeologisch vooronderzoek, overeenkomstig de bepalingen daarover in de code van goede praktijk;
  10° de volgende gegevens van de zakelijkrechthouder en de gebruiker van het archeologisch ensemble dat het resultaat is van het archeologisch vooronderzoek [2 ...]2:
  a) de naam;
  b) het adres [2 of de maatschappelijke zetel]2;
  c) [2 ...]2
  11° de bewaarplaats van het archeologisch ensemble dat het resultaat is van het archeologisch vooronderzoek;
  12° plannen, kaarten, tekeningen, foto's, lijsten, formulieren en ander illustratief materiaal, noodzakelijk voor een goed begrip van de archeologienota.]1

  
Art. 5.4.9. [1 La note, établie conformément à l'article 5.4.16 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, comprend, outre les données visées à l'article précité, les données supplémentaires suivantes :
  1° les nom et adresse de l'initiateur ;
  2° le numéro d'agrément de l'archéologue agréé ;
  3° le domicile ou le siège social de l'archéologue agréé ;
  4° un plan géoréférencé sur lequel les parcelles concernées, l'endroit précis des recherches archéologiques préliminaires et les travaux prévus sont indiqués de manière précise ;
  5° la raison à la base des recherches archéologiques préliminaires ;
  6° les objectifs et les questions de recherche à répondre des recherches archéologiques préliminaires ;
  7° le mode d'exécution des recherches archéologiques préliminaires ;
  8° le nom des personnes autres que l'archéologue agréé qui sont associées aux recherches archéologiques préliminaires ;
  9° les résultats des recherches archéologiques préliminaires, conformément aux dispositions en la matière dans le code de bonne pratique ;
  10° les données suivantes du titulaire du droit réel et de l'usager de l'ensemble archéologique qui est le résultat des recherches archéologiques préliminaires [2 ...]2 :
  a) le nom ;
  b) l'adresse [2 ou le siège social]2 ;
  c) [2 ...]2
  11° le lieu de conservation de l'ensemble archéologique qui est le résultat des recherches archéologiques préliminaires ;
  12° les plans, cartes, croquis, photos, listes, formulaires et d'autre matériel d'illustration, nécessaires à la bonne compréhension de la note archéologique.]1

  
Art. 5.4.10. [1 Als het agentschap of in voorkomend geval de erkende onroerenderfgoedgemeente [2 akte neemt van de nota, er geen akte van neemt of er voorwaarden aan koppelt]2, kan de initiatiefnemer, de door hem aangestelde erkende archeoloog of het agentschap een georganiseerd administratief beroep instellen bij de minister volgens de procedure, vermeld in afdeling 6.]1
  
Art. 5.4.10. [1 Si l'agence ou, le cas échéant, la commune agréée du patrimoine immobilier [2 prend acte de la note, n'en prend pas acte ou y associe des conditions]2, l'initiateur ou l'archéologue agréé qu'il a désigné à effet ou l'agence peut introduire un recours administratif organisé auprès du ministre selon la procédure visée à la section 6.]1
  
Onderafdeling 6. - [1 Verplichtingen vergunningsverlener - Afwijkende vergunde werken]1
Sous-section 6. - [1 Obligations de l'instance délivrant l'autorisation - Travaux autorisés déviants]1
Art. 5.4.11. [1 [2 Als de ingreep in de bodem van de vergunde werken afwijkt van de ingreep in de bodem van de werken, omschreven in de archeologienota waarvan akte is genomen, geldt de aktename niet als toelating voor de maatregelen die erin omschreven zijn.]2 In voorkomend geval geldt de procedure overeenkomstig artikel 5.4.16 tot en met artikel 5.4.21 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.]1
  
Art. 5.4.11. [1 [2 Si l'intervention dans le sol des travaux autorisés dévie de l'intervention dans le sol des travaux, décrits dans la note archéologique dont il a été pris acte, la prise d'acte ne fait pas office d'autorisation pour les mesures décrites dans la note.]2. Le cas échéant, la procédure sera appliquée conformément aux articles 5.4.16 à 5.4.21 inclus du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013.]1
  
Onderafdeling 7. - [1 Verplichtingen aangestelde erkende archeoloog - Melding aanvang archeologische opgraving]1
Sous-section 7. - [1 Obligations de l'archéologue agréé désigné - Notification du début des fouilles archéologiques]1
Art. 5.4.12. [1 De melding van de aanvang van de archeologische opgraving, vermeld in artikel 5.4.10 en 5.4.18 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, wordt minstens drie dagen op voorhand schriftelijk gedaan.]1
  
Art. 5.4.12. [1 La notification du début des fouilles archéologiques, visé aux articles 5.4.10 et 5.4.18 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, est faite par écrit au moins trois jours à l'avance.]1
  
Onderafdeling 8. - [1 Ontsluiting en publicatie]1
Sous-section 8. - [1 Ouverture et publication]1
Art. 5.4.13. [1 De erkende onroerenderfgoedgemeente bezorgt de archeologienota's en nota's [2 waar ze akte van neemt]2 aan het agentschap en in voorkomend geval aan de erkende intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst waar ze deel van uitmaakt.
   Het agentschap bezorgt de archeologienota's en nota's [2 waar het akte van neemt]2 in voorkomend geval aan de erkende intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst.
   Als de archeologienota of de nota betrekking heeft op percelen die op het grondgebied van verschillende gemeenten liggen, bezorgt het agentschap [2 de archeologienota of nota waarvan akte is genomen]2 aan de erkende onroerenderfgoedgemeente.
   Het agentschap stelt de resultaten van het archeologisch vooronderzoek publiek beschikbaar op zijn website.]1

  
Art. 5.4.13. [1 La commune agréée de patrimoine immobilier remet les notes archéologiques et les notes [2 dont elle prend acte]2 à l'agence et, le cas échéant, au service intercommunal agréé du patrimoine immobilier dont elle fait partie.
   L'agence remet les notes archéologiques et les notes [2 dont elle prend acte]2, le cas échéant, au service intercommunal agréé du patrimoine immobilier.
   Lorsque [2 la note archéologique ou la note dont il a été pris acte]2 a trait aux parcelles qui sont situées sur le territoire de différentes communes, l'agence remet la note archéologique ratifiée ou la note à la commune agréée de patrimoine immobilier.
   L'agence rend les résultats de la recherche archéologique préliminaire disponible au public sur son site web.]1

  
Art. 5.4.14. [1 De erkende archeoloog publiceert het eindverslag, vermeld in artikel 5.4.21 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, [2 binnen een termijn van 180 dagen, die ingaat op de dag na de bezorging van het eindverslag]2 aan het agentschap. Het eindverslag dat de erkende archeoloog publiceert, is identiek aan het eindverslag dat hij aan het agentschap heeft bezorgd, met uitzondering van de privacy- en bedrijfsgevoelige informatie.]1
  
Art. 5.4.14. [1 L'archéologue agréé publie le rapport final, visé à l'article 5.4.21 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, [2 dans un délai de 180 jours, qui prend cours le jour après la remise du rapport final]2 à l'agence. Le rapport final publié par l'archéologue agréé est identique au rapport final qu'il a transmis à l'agence, à l'exception des informations relatives à la vie privée et commerciales sensibles.]1
  
Art. 5.4.15. [1 Het agentschap ontsluit de eindverslagen digitaal op zijn website.]1
  
Art. 5.4.15. [1 L'agence publie les rapports finaux par voie numérique sur son site web.]1
  
Afdeling 5. - [1 Archeologisch onderzoek met het oog op wetenschappelijke vraagstellingen]1
Section 5. - [1 Recherches archéologiques en vue de questionnements scientifiques]1
Art. 5.5.1. [1 De aanvraag tot toelating om een archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem of een archeologische opgraving met het oog op wetenschappelijke vraagstellingen uit te voeren, bevat, naast de gegevens, vermeld in artikel 5.5.3 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, minstens de volgende bijkomende gegevens:
  1° een samenvatting van de resultaten van het al uitgevoerde archeologisch vooronderzoek;
  2° de competenties waarover de uitvoerders van het archeologisch vooronderzoek of de archeologische opgraving beschikken;
  3° een gemotiveerd voorstel over het bewaren of deponeren van het archeologisch ensemble dat het resultaat is van het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem of de archeologische opgraving;
  4° de plannen, kaarten en foto's, die noodzakelijk zijn voor een goed begrip van de aanvraag tot toelating.]1

  
Art. 5.5.1. [1 La demande d'autorisation d'exécuter des recherches archéologiques préliminaires avec intervention dans le sol ou des fouilles archéologiques en vue de questionnements scientifiques, comprend, outre les données, visées à l'article 5.5.3 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, au moins les données supplémentaires suivantes :
  1° un résumé des résultats des recherches archéologiques préliminaires déjà effectuées ;
  2° les compétences dont disposent les exécutants des recherches archéologiques préliminaires ou des fouilles archéologiques ;
  3° une proposition motivée concernant la conservation ou le dépôt de l'ensemble archéologique qui est le résultat des recherches archéologiques préliminaires avec intervention dans le sol ou des fouilles archéologiques ;
  4° les plans, cartes et photos qui sont nécessaires à la bonne compréhension de la demande d'autorisation.]1

  
Art. 5.5.2. [1 De erkende archeoloog bezorgt de aanvraag tot toelating om een archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem of een archeologische opgraving met het oog op wetenschappelijke vraagstellingen uit te voeren[2 via het digitale platform dat het agentschap daarvoor beschikbaar stelt]2]1
  
Art. 5.5.2. [1 L'archéologue agréé transmet la demande d'autorisation d'exécuter des recherches archéologiques préliminaires avec intervention dans le sol ou des fouilles archéologiques en vue de questionnements scientifiques [2 via la plate-forme numérique que l'agence met à la disposition à cette fin]2.]1
  
Art. 5.5.3. [1 Het agentschap neemt een beslissing over de aanvraag tot toelating binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de dag waarop de aanvraag is ingediend.
  Als geen beslissing is genomen binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, wordt de toelating geacht te zijn goedgekeurd.
  [2 Het agentschap bezorgt de gemotiveerde beslissing of de kennisgeving van de stilzwijgende beslissing met een beveiligde zending aan de erkende archeoloog of stelt die digitaal ter beschikking via het daarvoor voorziene digitale platform.]2 De gemotiveerde beslissing vermeldt de voorwaarden die van toepassing zijn.
  De toelating wordt verleend voor een termijn van maximaal twee jaar, die ingaat op de dag na de datum van de beslissing of het verstrijken van de termijn, vermeld in het eerste lid. Een afschrift van de toelating of de kennisgeving van de stilzwijgende beslissing is tijdens de uitvoering van het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem of de archeologische opgraving ter beschikking op het terrein in kwestie.]1

  
Art. 5.5.3. [1 L'agence prend une décision sur la demande d'autorisation dans un délai de trente jours, qui prend cours le jour suivant le jour de l'introduction de la demande.
  Lorsqu'aucune décision n'est prise dans le délai, visé à l'alinéa premier, l'autorisation est censée être approuvée.
  [2 L'agence transmet la décision motivée ou la notification de la décision tacite par envoi sécurisé à l'archéologue agréé ou les rend accessibles sous forme numérique via la plate-forme numérique visée à cette fin.]2 La décision motivée mentionne les conditions applicables.
  L'autorisation est accordée pour un délai de deux ans au maximum, qui prend cours le jour suivant la date de la décision ou l'expiration du délai visé à l'alinéa premier. Une copie de l'autorisation ou de la notification de la décision tacite est disponible sur le terrain en question pendant l'exécution des recherches archéologiques préliminaires avec intervention dans le sol ou des fouilles archéologiques.]1

  
Art. 5.5.4. [1 Met toepassing van artikel 5.1.4 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en in afwijking van artikel 5.5.1 tot en met artikel 5.5.3, van dit besluit geldt voor archeologische vooronderzoeken met ingreep in de bodem en archeologische opgravingen die volgen op een toevalsvondst en uitgevoerd worden door het agentschap, een onmiddellijke toelating.]1
  
Art. 5.5.4. [1 En application de l'article 5.1.4 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 et par dérogation aux articles 5.5.1 à 5.5.3 inclus du présent arrêté, une autorisation immédiate s'applique aux recherches archéologiques préliminaires avec intervention dans le sol et aux fouilles archéologiques qui suivent une trouvaille fortuite et sont exécutées par l'agence.]1
  
Art. 5.5.5. [1 Als het agentschap de toelating om een archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem of een archeologische opgraving met het oog op wetenschappelijke vraagstellingen uit te voeren, weigert of er voorwaarden aan koppelt, kan de erkende archeoloog een georganiseerd administratief beroep instellen bij de minister volgens de procedure, vermeld in afdeling 6.]1
  
Art. 5.5.5. [1 Si l'agence refuse l'autorisation d'exécuter des recherches archéologiques préliminaires avec intervention dans le sol ou des fouilles archéologiques en vue de questionnements scientifiques ou y associe des conditions, l'archéologue agréé peut introduire un recours administratif organisé auprès du Ministre selon la procédure, visée à la section 6.]1
  
Art. 5.5.6. [1 De melding van de aanvang van het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem en de archeologische opgraving, vermeld in artikel 5.5.4, eerste lid, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, wordt minstens drie dagen op voorhand schriftelijk gedaan.]1
  
Art. 5.5.6. [1 La notification du début des recherches archéologiques préliminaires avec intervention dans le sol et des fouilles archéologiques, visé à l'article 5.5.4, alinéa premier, du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, est faite par écrit et au moins trois jours à l'avance.]1
  
Art. 5.5.7. [1 De erkende archeoloog publiceert het eindverslag, vermeld in artikel 5.5.4, derde en vierde lid, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, [2 binnen een termijn van 180 dagen, die ingaat op de dag na de bezorging van het eindverslag]2 aan het agentschap. Het eindverslag dat de erkende archeoloog publiceert, is identiek aan het eindverslag dat hij aan het agentschap heeft bezorgd, met uitzondering van de privacy- en bedrijfsgevoelige informatie.]1
  
Art. 5.5.7. [1 L'archéologue agréé publie le rapport final, visé à l'article 5.5.4, alinéas trois et quatre, du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, [2 dans un délai de 180 jours, qui prend cours le jour après la remise du rapport final ]2 à l'agence. Le rapport final publié par l'archéologue agréé est identique au rapport final qu'il a transmis à l'agence, à l'exception des informations relatives à la vie privée et commerciales sensibles.]1
  
Art. 5.5.8. [1 Het agentschap ontsluit de eindverslagen digitaal op zijn website.]1
  
Art. 5.5.8. [1 L'agence publie les rapports finaux par voie numérique sur son site web.]1
  
Afdeling 6. - [1 Beroepsprocedure]1
Section 6. - [1 Procédure de recours]1
Art. 5.6.1. [1 [2 Het beroepschrift wordt schriftelijk ingediend binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de kennisgeving van de beslissing van het agentschap of, in voorkomend geval, van de erkende onroerenderfgoedgemeente over:
   1° het weigeren van een toelating voor archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem of het koppelen van voorwaarden daaraan;
   2° [3 het akte nemen van de archeologienota, het niet akte nemen daarvan of het koppelen van voorwaarden daaraan;]3
   3° [3 het akte nemen van de nota, het niet akte nemen daarvan of het koppelen van voorwaarden daaraan;]3
   4° het weigeren van een toelating voor een archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem of een archeologische opgraving met het oog op wetenschappelijke vraagstellingen of het koppelen van voorwaarden daaraan.]2

  Het beroepschrift bestaat minstens uit een gemotiveerd verzoekschrift met vermelding van de datum en het referentienummer van de bestreden beslissing.
  Het beroepschrift wordt gedagtekend en ondertekend door de indiener van het beroep of door zijn raadsman. Als de woonplaatskeuze wordt gedaan bij de raadsman van de indiener van het beroep, wordt dat ook in het beroepschrift aangegeven.
  De indiener van het beroep kan bij het beroepschrift de bewijsstukken voegen die hij nodig acht. De bewijsstukken worden door de indiener van het beroep gebundeld en op een inventaris ingeschreven.]1

  
Art. 5.6.1. [1 [2 L'acte de recours est introduit par envoi sécurisé dans un délai de trente jours qui prend cours le jour après la notification de la décision de l'agence ou, le cas échéant, de la commune agréée de patrimoine immobilier concernant :
   1° le refus d'une autorisation pour des recherches archéologiques préliminaires avec intervention dans le sol ou le fait d'y associer des conditions ;
   2° [3 la prise d'acte de la note archéologique, l'absence de prise d'acte de celle-ci ou le fait d'y associer des conditions ;]3
   3° [3 la prise d'acte de la note, l'absence de prise d'acte de celle-ci ou le fait d'y associer des conditions ;]3
   4° le refus d'une autorisation pour des recherches archéologiques préliminaires avec intervention dans le sol ou des fouilles archéologiques en vue de questionnements scientifiques ou le fait d'y associer des conditions.]2

  L'acte de recours comprend au moins une requête motivée avec mention de la date et du numéro de référence de la décision contestée.
  L'acte de recours est daté et signé par l'auteur du recours ou par son conseil. Lorsque le choix de domicile est fait auprès du conseil de l'auteur du recours, cet élément est également indiqué dans l'acte de recours.
  L'auteur du recours peut joindre à l'acte de recours les pièces justificatives qu'il estime nécessaires. Les pièces justificatives sont rassemblées par l'auteur du recours et inscrites à un inventaire.]1

  
Art. 5.6.2. [1 De minister gaat na of voldaan is aan alle voorwaarden, vermeld in artikel 5.6.1, en of de dossiergegevens een onderzoek ten gronde toelaten.
  Als het beroepschrift onvolledig is, kan de minister binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de datum van de indiening van het beroep, de beroepsindiener met een beveiligde zending vragen om de ontbrekende gegevens of documenten bij het beroep te voegen, en de termijn bepalen waarin dat moet gebeuren.
  Als de beroepsindiener nalaat de ontbrekende gegevens of documenten binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, bij het beroepschrift te voegen, wordt het beroep als onvolledig beschouwd.]1

  
Art. 5.6.2. [1 Le Ministre vérifie si toutes les conditions, visées à l'article 5.6.1, sont remplies et si les données du dossier permettent un examen sur le fond.
  Lorsque l'acte de recours est incomplet, le Ministre peut demander à l'auteur du recours, dans un délai de trente jours qui prend cours le jour après la date de l'introduction du recours, par envoi sécurisé, de joindre les données manquantes ou les documents manquants au recours, et fixer le délai dans lequel cela doit être fait.
  Lorsque l'auteur du recours néglige de joindre à l'acte de recours les données manquantes ou documents manquants dans le délai, visé à l'alinéa deux, le recours est considéré comme incomplet.]1

  
Art. 5.6.3. [1 De minister kan over het beroepschrift het advies van de Commissie inwinnen.
  De Commissie beschikt over een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de datum van de ontvangst van de adviesvraag om over het beroep een advies uit te brengen. Als er niet tijdig advies wordt verleend, wordt aan de adviesvraag voorbijgegaan.]1

  
Art. 5.6.3. [1 Le Ministre peut demander l'avis de la Commission concernant l'acte de recours.
  La Commission dispose d'un délai de trente jours, qui prend cours le jour après la date de la réception de la demande d'avis, pour émettre un avis concernant le recours. Lorsqu'aucun avis n'est rendu à temps, la demande d'avis est ignorée.]1

  
Art. 5.6.4. [1 De minister beslist over het beroep binnen een termijn van zestig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van het beroepschrift.
  Als geen beslissing wordt genomen binnen de toepasselijke vervaltermijn, wordt het beroep geacht te zijn afgewezen. De beslissing wordt onverwijld met een beveiligde zending bezorgd aan de erkende archeoloog.]1

  
Art. 5.6.4. [1 Le Ministre prend une décision concernant le recours dans un délai de soixante jours, qui prend cours le jour après la réception de l'acte de recours.
  Lorsqu'aucune décision n'est prise dans le délai d'échéance applicable, le recours est censé être rejeté. La décision est transmise sans délai à l'archéologue agréé par envoi sécurisé. ]1

  
HOOFDSTUK 6. - Beschermingen en erfgoedlandschappen
CHAPITRE 6. - Protections et paysages patrimoniaux
Afdeling 1. - Algemene voorschriften voor de instandhouding en het onderhoud van beschermde goederen
Section 1re. - Prescriptions générales pour le maintien et l'entretien de biens protégés
Onderafdeling 1. - Generieke voorschriften
Sous-section 1re. - Prescriptions génériques
Art. 6.1.1. De zakelijkrechthouder en de gebruiker van een beschermd goed zijn verplicht de instandhouding en het onderhoud ervan te verzekeren door:
  1° het goed als een goede huisvader te beheren en de nodige voorzorgsmaatregelen te nemen tegen schade ten gevolge van brand, blikseminslag, diefstal, vandalisme, wind of water;
  2° de toestand van het goed regelmatig te controleren;
  3° regulier onderhoud uit te oefenen;
  4° onmiddellijk passende consolidatie- en beveiligingsmaatregelen te nemen in geval van nood.
Art. 6.1.1. Le titulaire du droit réel et l'utilisateur d'un bien protégé sont obligés d'en assurer le maintien et l'entretien en :
  1° gérant le bien en bon père de famille et en prenant les mesures de précaution nécessaires contre des dégâts causés par l'incendie, la foudre, le vol, le vandalisme, le vent ou l'eau ;
  2° contrôlant l'état du bien de manière régulière ;
  3° effectuant un entretien régulier ;
  4° prenant immédiatement les mesures de consolidation et de sécurité en cas d'urgence.
Art. 6.1.2. De minister kan richtlijnen vaststellen voor de uitvoering van het onderhoud en het gebruik van beschermde goederen.
Art. 6.1.2. Le Ministre peut fixer des directives pour effectuer l'entretien et l'utilisation de bien protégés.
Art. 6.1.3. Er is geen toelating vereist voor het onmiddellijk nemen van passende consolidatie- en beveiligingsmaatregelen in geval van nood.
  [1 Er is geen toelating vereist voor de handelingen die zijn opgelegd in een waarschuwing als vermeld in artikel 10, § 2, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, als voldaan is aan al de volgende voorwaarden:
   1° de waarschuwing wordt gegeven door een toezichthouder van het agentschap, door een inspecteur Onroerend Erfgoed of door een toezichthouder van een erkende onroerenderfgoedgemeente, voor het grondgebied van die gemeente;
   2° de handelingen worden uitgevoerd volgens de voorwaarden en termijnen die zijn bepaald in de waarschuwing;
   3° de waarschuwing is nog niet ingetrokken en het voorwerp ervan is niet strijdig met publieke herstelmaatregelen als vermeld in artikel 2, 23°, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, of beveiligingsmaatregelen als vermeld in artikel 2, 10°, van het voormelde decreet.]1

  [1 Er is geen toelating vereist voor de handelingen die zijn opgelegd in een aanmaning als vermeld in artikel 49 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, als voldaan is aan al de volgende voorwaarden:
   1° de aanmaning wordt gegeven door een inspecteur Onroerend Erfgoed of een andere bevoegde herstelinstantie;
   2° de handelingen worden uitgevoerd volgens de voorwaarden en termijnen die zijn bepaald in de aanmaning;
   3° de aanmaning is nog niet ingetrokken en het voorwerp ervan is niet strijdig met publieke herstelmaatregelen als vermeld in artikel 2, 23°, van het voormelde decreet, of beveiligingsmaatregelen als vermeld in artikel 2, 10°, van het voormelde decreet.]1
Art. 6.1.3. Aucune autorisation n'est requise pour prendre immédiatement des mesures de consolidation et de sécurité appropriées en cas d'urgence.
  [1 Aucune autorisation n'est requise pour les actes imposés dans un avertissement tel que visé à l'article 10, § 2, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, lorsque toutes les conditions suivantes sont remplies :
   1° l'avertissement est donné par un superviseur de l'agence, par un inspecteur du Patrimoine immobilier ou par un superviseur d'une commune du patrimoine immobilier agréée, pour le territoire de cette commune ;
   2° les actes sont exécutés conformément aux conditions et aux délais fixés dans l'avertissement ;
   3° l'avertissement n'a pas encore été retiré et son objet n'est pas contraire aux mesures de réparation publiques telles que visées à l'article 2, 23°, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, ni aux mesures de sécurité telles que visées à l'article 2, 10°, du décret précité.]1

  [1 Une autorisation n'est pas requise pour les actes imposés dans une sommation telle que visée à l'article 49 du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, lorsque toutes les conditions suivantes sont remplies :
   1° la sommation émane de l'inspecteur du Patrimoine immobilier ou d'une autre instance de réparation compétente ;
   2° les actes sont exécutés conformément aux conditions et aux délais fixés dans la sommation ;
   3° la sommation n'a pas encore été retirée et son objet n'est pas contraire aux mesures de réparation publiques telles que visées à l'article 2, 23°, du décret précité, ni aux mesures de sécurité telles que visées à l'article 2, 10°, du décret précité.]1
Art. 6.1.4. Er is geen toelating vereist voor de uitvoering van regulier onderhoud van beschermde goederen.
Art. 6.1.4. Aucune autorisation n'est requise pour l'exécution d'entretien régulier de biens protégés.
Onderafdeling 2. - Aanvullende voorschriften voor de instandhouding en het onderhoud van als monument beschermd werkend industrieel erfgoed
Sous-section 2. - Prescriptions supplémentaires pour le maintien et l'entretien de patrimoine industriel actif protégé comme monument
Art. 6.1.5. De zakelijkrechthouder en de gebruiker van als monument beschermd werkend industrieel erfgoed zijn verplicht zorg te dragen voor de instandhouding en het onderhoud ervan, ondermeer door:
  1° de nodige maatregelen te nemen om de werking als werktuig te verzekeren;
  2° de windvang voor windmolens en de watertoevoer van watermolens te vrijwaren;
  3° het regelmatig in werking te stellen volgens de regels van de kunst. Met de werking wordt bedoeld het functioneren van het totale productieproces waar dat mogelijk is.
  In het eerste lid wordt verstaan onder als monument beschermd werkend industrieel erfgoed: een beschermd monument waar een (semi-)industriële activiteit of een productieproces wordt uitgevoerd, of actieve machines of toestellen die mee beschermd zijn met een monument, een stads- of dorpsgezicht of een cultuurhistorisch landschap.
Art. 6.1.5. Le titulaire du droit réel et l'utilisateur du patrimoine industriel actif protégé comme monument sont obligés de prendre soin du maintien et de son entretien, entre autres en :
  1° prenant les mesures nécessaires afin de garantir le fonctionnement comme outil ;
  2° garantissant l'exposition au vent pour les moulins à vent et l'alimentation en eau de moulins à eau ;
  3° le mettant en service régulièrement selon les règles de l'art. Par le fonctionnement, il faut entendre le fonctionnement du processus de production total là où c'est possible.
  Dans l'alinéa premier, on entend par patrimoine industriel actif protégé comme monument : un monument protégé où une activité (semi-)industrielle ou un processus de production est exécuté(e), ou des machines actives ou appareils actifs qui sont protégés avec un monument, un site urbain ou rural ou un paysage culturo-historique.
Onderafdeling 3. - Aanvullende voorschriften voor de instandhouding en het onderhoud van als monument beschermde orgels, beiaarden, klokken, klokkenspelen en uurwerken
Sous-section 3. - Prescriptions supplémentaires pour le maintien et l'entretien d'orgues, de carillons, de cloches et d'horloges protégés comme monument
Art. 6.1.6. De zakelijkrechthouder en de gebruiker van als monument beschermde orgels, beiaarden, klokken, klokkenspelen en uurwerken zijn verplicht zorg te dragen voor de instandhouding en het onderhoud ervan, ondermeer door:
  1° gerestaureerde, bespeelbare orgels regelmatig te bespelen;
  2° gerestaureerde, bespeelbare beiaarden regelmatig te bespelen;
  3° gerestaureerde klokken en klokkenspelen regelmatig in werking te stellen volgens de regels van de kunst;
  4° gerestaureerde uurwerken regelmatig in werking stellen volgens de regels van de kunst.
Art. 6.1.6. Le titulaire du droit réel et l'utilisateur d'orgues, de carillons, de cloches et d'horloges protégés comme monument sont obligés de prendre soin du maintien et de leur entretien, entre autres en :
  1° jouant régulièrement des orgues restaurées jouables ;
  2° jouant régulièrement des carillons restaurés jouables ;
  3° mettant régulièrement en service des cloches et des carillons restaurés selon les règles de l'art ;
  4° mettant régulièrement en service des horloges restaurées selon les règles de l'art.
Afdeling 2. - Toelatingsplichten
Section 2. - Obligations d'autorisation
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen
Sous-section 1re. - Dispositions générales
Art. 6.2.1. In de voorlopige en definitieve beschermingsbesluiten voor monumenten, cultuurhistorische landschappen, archeologische sites en stads- en dorpsgezichten, wordt bij de gegevens zoals bepaald in artikel 6.1.4, § 2, 8° en 9° en art. 6.1.14, 8° en 9°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, een lijst met toelatingsplichtige handelingen opgenomen. Onderafdeling 2 tot en met 7 van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op deze beschermde goederen.
Art. 6.2.1. Dans les arrêtés de protection provisoires et définitives pour les monuments, paysages culturo-historiques, sites archéologiques et sites urbains et ruraux, il est repris, pour les données telles que visées à l'article 6.1.4, § 2, 8° et 9° et à l'article 6.1.14, 8° et 9°, du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, une liste d'actes soumis à l'obligation d'autorisation. Les sous-sections 2 à 7 inclus du présent arrêté ne s'appliquent pas à ces biens protégés.
Art. 6.2.2. Er is geen toelating vereist voor de uitvoering van handelingen aan of in beschermde goederen, als die handelingen uitdrukkelijk van toelating zijn vrijgesteld in een daarvoor opgestelde lijst die bij een overeenkomstig artikel 8.1.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 goedgekeurd beheersplan hoort.
  [1 Als een toelating vereist is voor de uitvoering van handelingen aan of in beschermde goederen die niet uitdrukkelijk van toelating zijn vrijgesteld in een daarvoor opgestelde lijst die bij een overeenkomstig artikel 8.1.1 of artikel 8.1.3 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 goedgekeurd beheersplan hoort, is een motivering die voortbouwt op het goedgekeurde beheersplan verplicht.]1
  
Art. 6.2.2. Aucune autorisation n'est requise pour l'exécution d'actes à ou dans des biens protégés lorsque ces actes sont explicitement exemptés d'autorisation dans une liste établie à cet effet qui appartient à un plan de gestion approuvé conformément à l'article 8.1.1 du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013.
  [1 Lorsqu'une autorisation est requise pour l'exécution d'actes à ou dans des biens protégés qui ne sont pas explicitement exemptés d'autorisation dans une liste établie à cet effet qui appartient à un plan de gestion approuvé conformément à l'article 8.1.1 ou l'article 8.1.3 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, une motivation qui s'appuie sur le plan de gestion approuvé est obligatoire.]1
  
Onderafdeling 2. - Generieke toelatingsplichten voor beschermde monumenten, beschermde cultuurhistorische landschappen en beschermde archeologische sites
Sous-section 2. - Obligations d'autorisation génériques pour les monuments protégés, paysages culturo-historiques protégés et sites archéologiques protégés
Art. 6.2.3. De volgende handelingen aan of in beschermde monumenten, beschermde cultuurhistorische landschappen en beschermde archeologische sites kunnen niet worden aangevat zonder toelating van het agentschap of, zoals vermeld in artikel 6.4.4, § 1, eerste lid, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, van de erkende onroerenderfgoedgemeente:
  1° de aanmerkelijke reliëfwijziging van de bodem;
  2° elke handeling die een aanzienlijke wijziging van de landschapskenmerken tot gevolg heeft, met uitzondering van cultuurgewassen, onder meer voor de landbouw, en tuinbeplanting.
Art. 6.2.3. Les actes suivants à ou dans des monuments protégés, des paysages culturo-historiques protégés et des sites archéologiques protégés ne peuvent pas être entamés sans autorisation de l'agence ou, telle que visée à l'article 6.4.4, § 1er, alinéa premier, du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, de la commune du patrimoine immobilier agréée :
  1° la modification considérable du relief du sol ;
  2° tout acte qui entraîne une modification considérable des caractéristiques paysagères, à l'exception de plantes cultivées, entre autres pour l'agriculture, et de plantations du jardin.
Onderafdeling 3. - Specifieke toelatingsplichten voor beschermde monumenten
Sous-section 3. - Obligations d'autorisation spécifiques pour les monuments protégés
Art. 6.2.4. De volgende handelingen aan of in beschermde monumenten kunnen niet worden aangevat zonder toelating van het agentschap of, zoals vermeld in artikel 6.4.4, § 1, eerste lid, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, van de erkende onroerenderfgoedgemeente:
  1° het plaatsen, slopen, verbouwen of heropbouwen van een constructie;
  2° het verwijderen, vervangen, wijzigen of verstevigen van constructieve elementen;
  3° het verwijderen, vervangen of wijzigen van historische materialen en het toepassen van behandelingen met als doel de historische materialen te reinigen, te herstellen, te verduurzamen of te beschermen tegen verweer en aantasting;
  4° het uitvoeren van de volgende werken aan het dak en de buitenmuren van constructies:
  a) het verwijderen, vervangen of wijzigen van dakbedekking en gootconstructies;
  b) het verwijderen van voegen en het hervoegen;
  c) het aanbrengen, verwijderen, vervangen of wijzigen van de kleur, textuur of samenstelling van de afwerkingslagen;
  d) het aanbrengen, verwijderen, vervangen of wijzigen van buitenschrijnwerken, deuren, ramen, luiken, poorten, inclusief de al dan niet figuratieve beglazing, beslag, hang- en sluitwerk;
  e) het aanbrengen, verwijderen, vervangen of wijzigen van aard- en nagelvaste elementen, smeedijzer en beeldhouwwerk, inclusief nieuwe toevoegingen;
  f) het aanbrengen, vervangen of wijzigen van opschriften, publiciteitsinrichtingen of uithangborden, met uitzondering van verkiezingspubliciteit en met uitzondering van publiciteitsinrichtingen, waarbij wordt bekendgemaakt dat het goed te koop of te huur is, op voorwaarde dat de totale maximale oppervlakte niet meer bedraagt dan 4 m;
  5° het uitvoeren van de volgende omgevingswerken:
  a) het plaatsen of wijzigen van bovengrondse nutsvoorzieningen en leidingen;
  b) het plaatsen of wijzigen van afsluitingen, met uitzondering van gladde schrikdraad en prikkeldraad ten behoeve van veekering;
  c) het aanleggen, structureel en fundamenteel wijzigen of verwijderen van wegen en paden;
  d) het vellen of beschadigen van bomen en struiken die opgenomen zijn in het beschermingsbesluit of in een goedgekeurd beheersplan, en elke handeling die een wijziging van de groeiplaats en groeivorm van de bomen en de struiken die opgenomen zijn in het beschermingsbesluit of in een goedgekeurd beheersplan tot gevolg kan hebben;
  e) het aanleggen of wijzigen van verharding met een minimale gezamenlijke grondoppervlakte van 30 m of het uitbreiden van bestaande verhardingen met minimaal 30 m, met uitzondering van verhardingen geplaatst binnen een straal van 30 meter rond een vergund of een vergund geacht gebouw;
  f) het plaatsen of wijzigen van straatmeubilair, met uitzondering van niet-aard- en niet-nagelvaste elementen en verkeersborden vermeld in artikel 65 van het Koninklijk Besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg;
  g) het aanleggen van sport- en spelinfrastructuur of parkeerplaatsen;
  h) het structureel en fundamenteel wijzigen van de aanleg van [1 tuinen of parken met erfgoedwaarde]1 en begraafplaatsen.
  In het eerste lid wordt verstaan onder aard- en nagelvast: duurzaam met de grond of met gebouwen of constructies verenigd.
  
Art. 6.2.4. Les actes suivants à ou dans des monuments protégés ne peuvent pas être entamés sans autorisation de l'agence ou, telle que visée à l'article 6.4.4, § 1er, alinéa premier, du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, de la commune du patrimoine immobilier agréée :
  1° la pose, démolition, transformation ou reconstruction d'une construction ;
  2° l'enlèvement, le remplacement, la modification ou le renforcement d'éléments de construction ;
  3° l'enlèvement, le remplacement ou la modification de matériaux historiques et l'application de traitements ayant pour but de nettoyer, de réparer, de renforcer ou de protéger contre l'altération et l'érosion les matériaux historiques ;
  4° l'exécution des travaux suivants au toit et aux murs extérieurs de constructions :
  a) l'enlèvement, le remplacement ou la modification de toiture et de constructions de gouttière ;
  b) l'enlèvement de joints et le rejointoiement ;
  c) l'application, l'enlèvement, le remplacement ou la modification de la couleur, de la texture ou de la composition des couches de finition ;
  d) l'application, l'enlèvement, le remplacement ou la modification de menuiseries extérieures, de portes, de fenêtres, de volets, de portails, y compris le vitrage, la garniture, les ferrures et serrures figuratives ou non ;
  e) l'application, l'enlèvement, le remplacement ou la modification d'éléments immeubles par nature et par destination, de fer forgé et de sculptures, y compris de nouvelles additions ;
  f) l'application, le remplacement ou la modification d'aménagements publicitaires ou d'enseignes, à l'exception de publicité électorale et à l'exception d'aménagements publicitaires annonçant que le bien est à vendre ou à louer, à condition que la superficie totale maximale n'est pas supérieure à 4 m ;
  5° l'exécution des travaux d'environnement suivants :
  a) la pose ou modification d'équipements d'utilité publique et de conduites de surface ;
  b) la pose ou modification de clôtures, à l'exception de clôtures électriques à fils lisses et de barbelés pour des enceintes à bestiaux ;
  c) l'aménagement, la modification structurelle et fondamentale ou l'enlèvement de routes et de chemins ;
  d) l'abat ou l'endommagement d'arbres et de buissons qui sont repris dans l'arrêté de protection ou dans un plan de gestion approuvé, et tout acte qui peut entraîner une modification du lieu de croissance et de la forme de croissance des arbres et des buissons qui sont repris dans l'arrêté de protection ou dans un plan de gestion approuvé ;
  e) l'aménagement ou la modification de revêtements ayant une superficie au sol totale d'au moins 30 m ou l'extension de revêtements existants d'au moins 30 m, à l'exception de revêtements posés dans un rayon de 30 mètres autour d'un bâtiment autorisé ou censé être autorisé ;
  f) la pose ou modification de mobilier urbain, à l'exception d'éléments non immeubles par nature et par destination et de panneaux de signalisation visés à l'article 65 de l'arrêté royal du 1er décembre 1975 portant règlement général sur la police de la circulation routière et de l'usage de la voie publique ;
  g) l'aménagement d'infrastructure de sport et de jeu ou de places de stationnement ;
  h) la modification structurelle et fondamentale de l'aménagement de [1 jardins ou parcs présentant une valeur patrimoniale]1 et cimetières historiques.
  Dans l'alinéa premier, on entend par immeuble par nature et par destination : relié de manière durable au sol ou à des bâtiments ou constructions.
  
Onderafdeling 4. - Handelingen in beschermde stads- en dorpsgezichten
Sous-section 4. - Actes dans des sites urbains et ruraux protégés
Art. 6.2.5. Voor de volgende handelingen aan of in beschermde stads- en dorpsgezichten geldt de procedure van artikel 6.3.12 van dit besluit:
  1° [1 ...]1
  2° het verwijderen, vervangen, wijzigen of verstevigen van constructieve elementen;
  3° het uitvoeren van de volgende werken aan het dak en de buitenmuren van constructies:
  a) het verwijderen, vervangen of wijzigen van dakbedekking en gootconstructies;
  b) het aanbrengen, verwijderen, vervangen of wijzigen van de kleur, textuur of samenstelling van de afwerkingslagen;
  c) het aanbrengen, verwijderen, vervangen of wijzigen van buitenschrijnwerken, deuren, ramen, luiken, poorten, inclusief de al dan niet figuratieve beglazing, beslag, hang- en sluitwerk;
  d) het aanbrengen, verwijderen, vervangen of wijzigen van aard- en nagelvaste elementen, smeedijzer en beeldhouwwerk, inclusief nieuwe toevoegingen;
  e) het aanbrengen, vervangen of wijzigen van opschriften, publiciteitsinrichtingen of uithangborden, met uitzondering van verkiezingspubliciteit en met uitzondering van publiciteitsinrichtingen, waarbij wordt bekendgemaakt dat het goed te koop of te huur is, op voorwaarde dat de totale maximale oppervlakte niet meer bedraagt dan 4 m;
  4° het uitvoeren van de volgende omgevingswerken:
  a) het plaatsen of wijzigen van bovengrondse nutsvoorzieningen en leidingen;
  b) het plaatsen of wijzigen van afsluitingen, met uitzondering van gladde schrikdraad en prikkeldraad ten behoeve van veekering;
  c) het aanleggen, wijzigen of verwijderen van wegen en paden;
  d) het vellen of beschadigen van bomen en struiken die opgenomen zijn in het beschermingsbesluit of in een goedgekeurd beheersplan, en elke handeling die een wijziging van de groeiplaats en groeivorm van de bomen en de struiken die opgenomen zijn in het beschermingsbesluit of in een goedgekeurd beheersplan tot gevolg kan hebben;
  e) het aanleggen of wijzigen van verharding met een minimale gezamenlijke grondoppervlakte van 30 m of het uitbreiden van bestaande verhardingen met minimaal 30 m, met uitzondering van verhardingen geplaatst binnen een straal van 30 meter rond een vergund of een vergund geacht gebouw;
  f) het plaatsen of wijzigen van straatmeubilair, met uitzondering van niet-aard- en niet-nagelvaste elementen en verkeersborden vermeld in artikel 65 van het Koninklijk Besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg;
  g) het aanleggen van sport- en spelinfrastructuur of parkeerplaatsen;
  h) het fundamenteel en structureel wijzigen van de aanleg van [3 tuinen of parken met erfgoedwaarde]3 en begraafplaatsen;
  5° de aanmerkelijke reliëfwijziging van de bodem;
  6° elke handeling die een aanzienlijke wijziging van de landschapskenmerken tot gevolg heeft, met uitzondering van cultuurgewassen, onder meer voor de landbouw, en tuinbeplanting.
  In het eerste lid wordt verstaan onder aard- en nagelvast: duurzaam met de grond of met gebouwen of constructies verenigd.
  [1 Als voor de handelingen, vermeld in het eerste lid, ook een toelating vereist is omwille van een bescherming als monument, cultuurhistorisch landschap of archeologische site, geldt de meldingsprocedure, vermeld in artikel 6.3.12, niet.
  [2 ...]2]1

  
Art. 6.2.5. Pour les actes suivants à ou dans des sites urbains et ruraux protégés s'applique la procédure de l'article 6.3.12 du présent arrêté :
  1° [1 ...]1
  2° l'enlèvement, le remplacement, la modification ou le renforcement d'éléments de construction ;
  3° l'exécution des travaux suivants au toit et aux murs extérieurs de constructions :
  a) l'enlèvement, le remplacement ou la modification de toiture et de constructions de gouttière ;
  b) l'application, l'enlèvement, le remplacement ou la modification de la couleur, de la texture ou de la composition des couches de finition ;
  c) l'application, l'enlèvement, le remplacement ou la modification de menuiseries extérieures, de portes, de fenêtres, de volets, de portails, y compris le vitrage, la garniture, les ferrures et serrures figuratives ou non ;
  d) l'application, l'enlèvement, le remplacement ou la modification d'éléments immeubles par nature et par destination, de fer forgé et de sculptures, y compris de nouvelles additions ;
  e) l'application, le remplacement ou la modification d'inscriptions, d'aménagements publicitaires ou d'enseignes, à l'exception de publicité électorale et à l'exception d'aménagements publicitaires annonçant que le bien est à vendre ou à louer, à condition que la superficie totale maximale n'est pas supérieure à 4 m ;
  4° l'exécution des travaux d'environnement suivants :
  a) la pose ou modification d'équipements d'utilité publique et de conduites de surface ;
  b) la pose ou modification de clôtures, à l'exception de clôtures électriques à fils lisses et de barbelés pour des enceintes à bestiaux ;
  c) l'aménagement, la modification ou l'enlèvement de routes et de chemins ;
  d) l'abat ou l'endommagement d'arbres et de buissons qui sont repris dans l'arrêté de protection ou dans un plan de gestion approuvé, et tout acte qui peut entraîner une modification du lieu de croissance et de la forme de croissance des arbres et des buissons qui sont repris dans l'arrêté de protection ou dans un plan de gestion approuvé ;
  e) l'aménagement ou la modification de revêtements ayant une superficie au sol totale d'au moins 30 m ou l'extension de revêtements existants d'au moins 30 m, à l'exception de revêtements posés dans un rayon de 30 mètres autour d'un bâtiment autorisé ou censé être autorisé ;
  f) la pose ou modification de mobilier urbain, à l'exception d'éléments non immeubles par nature et par destination et de panneaux de signalisation visés à l'article 65 de l'arrêté royal du 1er décembre 1975 portant règlement général sur la police de la circulation routière et de l'usage de la voie publique ;
  g) l'aménagement d'infrastructure de sport et de jeu ou de places de stationnement ;
  h) la modification fondamentale et structurelle de l'aménagement de [3 jardins ou parcs présentant une valeur patrimoniale]3 et cimetières historiques.
  5° la modification considérable du relief du sol ;
  6° tout acte qui entraîne une modification considérable des caractéristiques paysagères, à l'exception de plantes cultivées, entre autres pour l'agriculture, et de plantations du jardin.
  Dans l'alinéa premier, on entend par immeuble par nature et par destination : relié de manière durable au sol ou à des bâtiments ou constructions.
  [1 Si, pour les actes visés à l'alinéa premier, une autorisation est également requise en raison d'une protection comme monument, paysage culturo-historique ou site archéologique, la procédure de notification visée à l'article 6.3.12 ne s'applique pas.
  [2 ...]2]1

  
Onderafdeling 5. - Specifieke toelatingsplichten voor beschermde cultuurhistorische landschappen
Sous-section 5. - Obligations d'autorisation spécifiques pour les paysages culturo-historiques protégés
Art. 6.2.6. De volgende handelingen aan of in beschermde cultuurhistorische landschappen kunnen niet worden aangevat zonder toelating van het agentschap of, zoals vermeld in artikel 6.4.4, § 1, eerste lid, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, van de erkende onroerenderfgoedgemeente:
  1° het plaatsen van constructies met een minimale grondoppervlakte van 6 m en een minimale hoogte van 4 meter, met uitzondering van niet-permanente en verplaatsbare constructies binnen een straal van 30 meter rond een vergund of vergund geacht gebouw;
  2° het slopen, verbouwen of heropbouwen van constructies die als erfgoedelement zijn opgenomen of als karakteristiek gebouw zijn aangegeven in beschermingsbesluit;
  3° het aanbrengen, vervangen of wijzigen van opschriften, publiciteitsinrichtingen of uithangborden, met uitzondering van verkiezingspubliciteit en met uitzondering van publiciteitsinrichtingen, waarbij wordt bekendgemaakt dat het goed te koop of te huur is, op voorwaarde dat de totale maximale oppervlakte niet meer bedraagt dan 4 m;
  4° het plaatsen of wijzigen van bovengrondse nutsvoorzieningen en leidingen;
  5° het plaatsen of wijzigen van afsluitingen, met uitzondering van gladde schrikdraad en prikkeldraad ten behoeve van veekering;
  6° het aanleggen, structureel en fundamenteel wijzigen of verwijderen van wegen en paden;
  7° het vellen of beschadigen van bomen en struiken of kleine landschapselementen die opgenomen zijn in het beschermingsbesluit of in een goedgekeurd beheersplan, en elke handeling die een wijziging van de groeiplaats en groeivorm van de bomen en de struiken die opgenomen zijn in het beschermingsbesluit of in een goedgekeurd beheersplan tot gevolg kan hebben;
  8° het aanleggen of wijzigen van verharding met een minimale gezamenlijke grondoppervlakte van 30 m of het uitbreiden van bestaande verhardingen met minimaal 30 m;
  9° het plaatsen of wijzigen van straatmeubilair, met uitzondering van niet-aard- en niet-nagelvaste elementen en verkeersborden vermeld in artikel 65 van het Koninklijk Besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg;
  10° het aanleggen van sport- en spelinfrastructuur of parkeerplaatsen;
  11° het fundamenteel en structureel wijzigen van de aanleg van [1 tuinen of parken met erfgoedwaarde]1 en begraafplaatsen;
  12° het organiseren van grote evenementen, die het normaal gebruik van het beschermd cultuurhistorisch landschap overstijgen;
  13° het scheuren van grasland of het omzetten van grasland in akkerland van:
  1) historisch permanent grasland: een halfnatuurlijke vegetatie die bestaat uit grasland dat gekenmerkt wordt door het langdurig grondgebruik als graasweide, hooiland of wisselweide met cultuurhistorische waarde of met een soortenrijke vegetatie van kruiden en grassoorten waarbij het milieu meestal wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van sloten, greppels, poelen, uitgesproken microreliëf, bronnen of kwelzones;
  2) overig grasland in de groengebieden, parkgebieden, buffergebieden, bosgebieden, valleigebieden, brongebieden, agrarische gebieden met ecologisch belang, agrarische gebieden met bijzondere waarde, natuurontwikkelingsgebieden, gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen met als overdruk overstromingsgebied, wachtbekkens en militaire domeinen, ontginningsgebieden die een van de bestemmingen, vermeld in dit artikel, als nabestemming hebben, op de plannen van aanleg en de ruimtelijke uitvoeringsplannen met toepassing van de VCRO;
  3) overig grasland in de beschermde duingebieden, aangewezen met toepassing van het decreet van 14 juli 1993 houdende maatregelen tot bescherming van de kustduinen;
  14° het plaatsen of wijzigen van oeverbeschoeiing.
  
Art. 6.2.6. Les actes suivants à ou dans des paysages culturo-historiques protégés ne peuvent pas être entamés sans autorisation de l'agence ou, telle que visée à l'article 6.4.4, § 1er, alinéa premier, du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, de la commune du patrimoine immobilier agréée :
  1° la pose de constructions ayant une superficie au sol minimale de 6 m et une hauteur minimale de 4 mètres, à l'exception de constructions non permanentes et qui peuvent être déplacées dans un rayon de 30 mètres autour d'un bâtiment autorisé ou censé être autorisé ;
  2° la démolition, transformation ou reconstruction de constructions qui sont reprises comme élément patrimonial ou indiquées comme bâtiment caractéristique dans un arrêté de protection ;
  3° l'application, le remplacement ou la modification d'inscriptions, d'aménagements publicitaires ou d'enseignes, à l'exception de publicité électorale et à l'exception d'aménagements publicitaires annonçant que le bien est à vendre ou à louer, à condition que la superficie totale maximale n'est pas supérieure à 4 m ;
  4° la pose ou modification d'équipements d'utilité publique et de conduites de surface ;
  5° la pose ou modification de clôtures, à l'exception de clôtures électriques à fils lisses et de barbelés pour des enceintes à bestiaux ;
  6° l'aménagement, la modification structurelle et fondamentale ou l'enlèvement de routes et de chemins ;
  7° l'abat ou l'endommagement d'arbres et de buissons ou de petits éléments paysagers qui sont repris dans l'arrêté de protection ou dans un plan de gestion approuvé, et tout acte qui peut entraîner une modification du lieu de croissance et de la forme de croissance des arbres et des buissons qui sont repris dans l'arrêté de protection ou dans un plan de gestion approuvé ;
  8° l'aménagement ou la modification de revêtements ayant une superficie au sol totale d'au moins 30 m ou l'extension de revêtements existants d'au moins 30 m ;
  9° la pose ou modification de mobilier urbain, à l'exception d'éléments non immeubles par nature et par destination et de panneaux de signalisation visés à l'article 65 de l'arrêté royal du 1er décembre 1975 portant règlement général sur la police de la circulation routière et de l'usage de la voie publique ;
  10° l'aménagement d'infrastructure de sport et de jeu ou de places de stationnement ;
  11° la modification fondamentale et structurelle de l'aménagement de [1 jardins ou parcs présentant une valeur patrimoniale]1 et cimetières historiques ;
  12° l'organisation de grands événements, qui dépassent l'usage normal du paysage culturo-historique protégé ;
  13° le cassage de pâturages ou la conversion de pâturages en terres arables :
  1) de pâturages permanents historiques : une végétation semi-naturelle qui comprend des pâturages caractérisés par l'utilisation du sol de longue durée comme prairie d'élevage, prairie de fauche ou prairie de rotation avec une valeur culturo-historique ou avec un végétation riche en espèces d'herbes et de variétés de graminées où l'environnement est généralement caractérisé par la présence de fossés, de douves, de mares, d'un microrelief prononcé, de sources ou de zones d'infiltration ;
  2) d'autres pâturages dans les zones vertes, zones de parc, zones tampons, zones forestières, zones de sources, zones agricoles ayant une importance écologique, zones agricoles ayant une valeur particulière, zones de développement de la nature, zones pour des équipements collectifs et des équipements d'utilité publique avec en surpression zone d'inondation, bassins d'attente et domaines militaires, zones de défrichement qui ont une des affectations, visées au présent article, comme affectation ultérieure, sur les plans d'aménagement et les plans d'exécution spatiaux en application du Code flamand de l'Aménagement du Territoire ;
  3) d'autres pâturages dans les zones de dunes protégées, désignées en application du décret du 14 juillet 1993 portant des mesures de protection des dunes côtières ;
  14° la pose ou modification de revêtement de berge.
  
Onderafdeling 6. - Specifieke toelatingsplichten voor beschermde archeologische sites
Sous-section 6. - Obligations d'autorisation spécifiques pour les sites archéologiques protégés
Art. 6.2.7. De volgende handelingen aan of in beschermde archeologische sites kunnen niet worden aangevat zonder de toelating van het agentschap of, zoals vermeld in artikel 6.4.4, § 1, eerste lid, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, van de erkende onroerenderfgoedgemeente:
  1° graafwerken in functie van het bouwen, verbouwen of heropbouwen van constructies;
  2° het plaatsen van ondergrondse leidingen;
  3° het aanleggen of wijzigen van wegen en paden;
  4° het aanplanten, vellen, rooien en ontstronken van bomen;
  5° het plaggen en het afvoeren van de plaggen;
  6° het scheuren van grasland;
  7° het eerste diepploegen van akkerland.
Art. 6.2.7. Les actes suivants à ou dans des sites archéologiques protégés ne peuvent pas être entamés sans l'autorisation de l'agence ou, telle que visée à l'article 6.4.4, § 1er, alinéa premier, du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, de la commune du patrimoine immobilier agréée :
  1° des travaux de terrassement en fonction de la construction, transformation ou reconstruction de constructions ;
  2° la pose de conduites souterraines ;
  3° l'aménagement ou la modification de routes et de chemins ;
  4° la plantation, l'abat, l'arrachage et l'essouchement d'arbres ;
  5° le coupage de mottes et l'évacuation des mottes ;
  6° le cassage de pâturages ;
  7° le premier défoncement de terres arables.
Onderafdeling 7. - Specifieke toelatingsplichten voor het interieur van beschermde monumenten en voor de cultuurgoederen die er integrerend deel van uitmaken
Sous-section 7. - Obligations d'autorisation spécifiques pour l'intérieur de monuments protégés et pour les biens culturels qui en font partie intégrante
Art. 6.2.8. De volgende handelingen aan of in het interieur van beschermde monumenten en de cultuurgoederen die er integrerend deel van uitmaken, kunnen niet worden aangevat zonder de toelating van het agentschap of, zoals vermeld in artikel 6.4.4, § 1, eerste lid, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, van de erkende onroerenderfgoedgemeente:
  1° het uitvoeren van destructief materiaaltechnisch onderzoek;
  2° het uitvoeren van structurele werken en het toevoegen van nieuwe structuren;
  3° het verwijderen, vervangen of wijzigen van historische materialen en het toepassen van behandelingen met als doel de historische materialen te reinigen, te herstellen, te verduurzamen of te beschermen tegen verweer en aantasting;
  4° het verwijderen, vervangen of wijzigen van plafonds, gewelven, vloeren, trappen, binnenschrijnwerken, inclusief de al dan niet figuratieve beglazing, lambrisering, beslag, hang- en sluitwerk, en van de waardevolle interieurdecoratie;
  5° het bepleisteren van niet-bepleisterde elementen of het bepleisteren met een andere samenstelling of textuur, alsook het ontpleisteren van bepleisterde elementen;
  6° het beschilderen van ongeschilderde elementen of het schilderen in andere kleuren of kleurschakeringen of met een andere verfsoort dan de aanwezige;
  7° het uitvoeren van werken aan en het verplaatsen of verwijderen van de cultuurgoederen die opgenomen zijn in een beschermingsbesluit.
Art. 6.2.8. Les actes suivants à ou dans l'intérieur de monuments protégés et aux ou dans les biens culturels qui en font partie intégrante ne peuvent pas être entamés sans l'autorisation de l'agence ou, telle que visée à l'article 6.4.4, § 1er, alinéa premier, du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, de la commune du patrimoine immobilier agréée :
  1° l'exécution d'analyses destructives de la technique des matériaux ;
  2° l'exécution de travaux structurels et l'ajout de nouvelles structures ;
  3° l'enlèvement, le remplacement ou la modification de matériaux historiques et l'application de traitements ayant pour but de nettoyer, de réparer, de renforcer ou de protéger contre l'altération et l'érosion les matériaux historiques ;
  4° l'enlèvement, le remplacement ou la modification de plafonds, de voûtes, de planchers, d'escaliers, de menuiseries intérieures, y compris le vitrage, le lambris, la garniture, les ferrures et serrures figuratives ou non, et de la décoration intérieure de valeur ;
  5° le plâtrage d'éléments non plâtrés ou le plâtrage par une autre composition ou texture, ainsi que le déplâtrage d'éléments plâtrés ;
  6° la peinture d'éléments non peints, ou la peinture en d'autres couleurs ou nuances de couleurs ou par un autre type de peinture que celle qui est présente ;
  7° l'exécution de travaux à et le déplacement ou l'enlèvement des biens culturels qui sont repris dans un arrêté de protection.
Onderafdeling 8. - Aanvullende toelatingsplichten voor als monument beschermd industrieel erfgoed
Sous-section 8. - Obligations d'autorisation supplémentaires pour le patrimoine industriel protégé comme monument
Art. 6.2.9. De volgende handelingen aan of in als monument beschermd industrieel erfgoed kunnen niet worden aangevat zonder de toelating van het agentschap of, zoals vermeld in artikel 6.4.4, § 1, eerste lid, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, van de erkende onroerenderfgoedgemeente:
  1° het wijzigen, vervangen of herstellen van het beschermd goed of onderdeel ervan met niet-originele materialen en constructietechnieken;
  2° het volledig of gedeeltelijk uiteen nemen, het verplaatsen of het wijzigen van de technische kenmerken van toestellen.
Art. 6.2.9. Les actes suivants à ou dans du patrimoine industriel protégé comme monument ne peuvent pas être entamés sans l'autorisation de l'agence ou, telle que visée à l'article 6.4.4, § 1er, alinéa premier, du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, de la commune du patrimoine immobilier agréée :
  1° la modification, le remplacement ou la réparation du bien protégé ou une de ses parties au moyen de matériaux non originaux et de techniques de construction non originales ;
  2° le désassemblage entier ou partiel, le déplacement ou la modification des caractéristiques techniques d'appareils.
Onderafdeling 9. - Aanvullende toelatingsplichten voor als monument beschermde orgels
Sous-section 9. - Obligations d'autorisation supplémentaires pour les orgues protégées comme monument
Art. 6.2.10. De volgende handelingen aan als monument beschermde orgels kunnen niet worden aangevat zonder de toelating van het agentschap of, zoals vermeld in artikel 6.4.4, § 1, eerste lid, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, van de erkende onroerenderfgoedgemeente:
  1° het wijzigen van de onmiddellijke akoestische, thermische of klimatologische omgeving;
  2° het winddicht maken van windladen waarbij werken nodig zijn aan de fundamenttafel, de canceldichting onderaan, de slepen, de pijpstokken, pijproosters en ventielen;
  3° het vernieuwen of opnieuw belederen van de blaasbalgen, dichtingswerken aan de windkanalen;
  4° systematisch en globaal herstelwerk aan of uitlengen van historisch pijpwerk, alsook verstevigings- en herstelwerk aan historische frontpijpen;
  5° soldeerwerk verrichten aan oude pijpen, opsneden verlagen of verhogen, inkorten van pijpwerk, en systematisch wijzigen van voetopeningen of het aanbrengen van nieuwe steminsnijdingen;
  6° kaders van windladen doorboren en laden onderaan doorprikken;
  7° wijzigingen aanbrengen aan de orgelkast;
  8° het demonteren, verplaatsen of vervangen van het orgel of delen ervan.
Art. 6.2.10. Les actes suivants à des orgues protégées comme monument ne peuvent pas être entamés sans l'autorisation de l'agence ou, telle que visée à l'article 6.4.4, § 1er, alinéa premier, du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, de la commune du patrimoine immobilier agréée :
  1° la modification de l'environnement immédiat acoustique, thermique ou climatologique ;
  2° le fait de rendre étanches à l'air des sommiers, nécessitant des travaux à la table, au dessous de la gravure, aux coulisses, aux chapes, aux faux sommiers et aux soupapes ;
  3° le renouvèlement ou recouvrement en cuir des soufflets, travaux d'étanchéité aux portes-vent ;
  4° le travail de réparation systématique et global à ou le rallongement de tuyauterie historique, ainsi que du travail de renforcement et de réparation à des tuyaux de façade historiques ;
  5° l'exécution de travail de soudage à des tuyaux anciens, l'abaissement ou le rehaussement d'embouchures, le raccourcissement de la tuyauterie et la modification systématique d'ouvertures du pied ou l'application de nouvelles entailles d'accord ;
  6° la perforation de cadres de sommiers et le perçage du dessous de sommiers ;
  7° l'application de modifications au buffet ;
  8° le démontage, déplacement ou remplacement de l'orgue ou de ses parties.
Onderafdeling 10. - Aanvullende toelatingsplichten voor als monument beschermde klokken, klokkenspelen en beiaarden
Sous-section 10. - Obligations d'autorisation supplémentaires pour les cloches et carillons protégés comme monument
Art. 6.2.11. De volgende handelingen aan of in als monument beschermde klokken, klokkenspelen en beiaarden kunnen niet worden aangevat zonder toelating van het agentschap of, zoals vermeld in artikel 6.4.4, § 1, eerste lid, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, van de erkende onroerenderfgoedgemeente:
  1° werken aan de klokken zelf: lassen van scheuren, herstel van kronen, stemmingscorrecties, restaureren of vervangen van klepels, het keren van een klok met als doel een nieuw slagvlak te creëren;
  2° het verplaatsen van een klok, zowel binnen de bestaande klokkenstoel als naar een andere locatie;
  3° het vervangen van ophangconstructies en luidbalken;
  4° het uitbreiden van een gelui of een beiaard;
  5° het restaureren of vervangen van een klokkenstoel, van luidwielen, van beiaardklavieren, speelmechanieken of speeltrommels.
Art. 6.2.11. Les actes suivants à ou dans des cloches et carillons protégés comme monument ne peuvent pas être entamés sans autorisation de l'agence ou, telle que visée à l'article 6.4.4, § 1er, alinéa premier, du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, de la commune du patrimoine immobilier agréée :
  1° des travaux aux cloches mêmes : soudure de fentes, réparation de couronnes, corrections d'accord, restauration ou remplacement de battants, tourner une cloche dans le but de créer une nouvelle face de frappe ;
  2° le déplacement d'une cloche, tant au sein de la chaise de clocher existante que vers un autre emplacement ;
  3° le remplacement de constructions de suspension et de poutres pour faire sonner une cloche ;
  4° l'extension d'un carillonnement ou d'un carillon ;
  5° la restauration ou le remplacement d'une chaise de clocher, de roues de sonnerie, de claviers de carillons, de mécaniques ou de boîtes pour jouer de la cloche.
Onderafdeling 11. - Aanvullende toelatingsplichten voor als monument beschermde uurwerken
Sous-section 11. - Obligations d'autorisation supplémentaires pour les horloges protégées comme monument
Art. 6.2.12. De volgende handelingen aan als monument beschermde uurwerken kunnen niet worden aangevat zonder de toelating van het agentschap of, zoals vermeld in artikel 6.4.4, § 1, eerste lid, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, van de erkende onroerenderfgoedgemeente:
  1° het vervangen van opwindsystemen en het herstellen van originele gewichtsaandrijving;
  2° het reinigen of verven van onderdelen;
  3° het herstellen van de wijzeraandrijvingen;
  4° het vervangen van originele onderdelen;
  5° het mechanisch ingrijpen aan authentiek materiaal;
  6° het verplaatsen van een uurwerk, zowel binnen de klokkentoren als naar een andere locatie;
  7° het buiten gebruik stellen van een historisch uurwerk.
Art. 6.2.12. Les actes suivants à des horloges protégées comme monument ne peuvent pas être entamés sans l'autorisation de l'agence ou, telle que visée à l'article 6.4.4, § 1er, alinéa premier, du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, de la commune du patrimoine immobilier agréée :
  1° le remplacement de systèmes pour remonter l'horloge et la réparation de l'entraînement par poids original ;
  2° le nettoyage ou la peinture de parties ;
  3° la réparation des entraînements des aiguilles ;
  4° le remplacement de parties originales ;
  5° l'engrènement mécanique au niveau du matériel authentique ;
  6° le déplacement d'une horloge, tant au sein du clocher que vers un autre emplacement ;
  7° la mise hors de service d'une horloge historique.
Onderafdeling 12. - Aanvullende toelatingsplichten voor als monument, stads- of dorpsgezicht of cultuurhistorisch landschap beschermde begraafplaatsen
Sous-section 12. - Obligations d'autorisation supplémentaires pour les cimetières protégés comme monument, site urbain ou rural, ou paysage culturo-historique
Art. 6.2.13. Het ontgraven van een binnenkerkse begraving of een gesloten begraafplaats binnen een beschermd monument, een beschermd stads- of dorpsgezicht of een beschermd cultuurhistorisch landschap kan niet worden aangevat zonder de toelating van het agentschap of, zoals vermeld in artikel 6.4.4, § 1, eerste lid van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, van de erkende onroerenderfgoedgemeente.
  In het eerste lid wordt verstaan onder gesloten begraafplaats: een begraafplaats waar geen begravingen of bijzettingen meer mogen gebeuren.
Art. 6.2.13. L'exhumation d'une inhumation au sein de l'église ou d'une tombe fermée au sein d'un monument protégé, d'un site urbain ou rural protégé, ou d'un paysage culturo-historique protégé ne peut pas être entamée sans l'autorisation de l'agence ou, telle que visée à l'article 6.4.4, § 1er, alinéa premier, du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, de la commune du patrimoine immobilier agréée.
  Dans l'alinéa premier, on entend par tombe fermée : une tombe qui ne peut pas faire l'objet d'inhumations ou d'ensevelissements supplémentaires.
Afdeling 3. - De toelatingsprocedure voor handelingen aan of in beschermde goederen
Section 3. - La procédure d'autorisation pour les actes à ou dans des biens protégés
Onderafdeling 1. - Aanvraag en behandeling
Sous-section 1re. - Demande et traitement
Art. 6.3.1. [1 Als voor de handelingen aan of in beschermde goederen een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden, een omgevingsvergunning voor de exploitatie van een gedeelde inrichting of activiteit, een vergunning, toelating, machtiging, ontheffing of afwijking overeenkomstig de bepalingen van het Bosdecreet van 13 juni 1990, het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu of het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning vereist is, wordt de aanvraag van een toelating ingediend en behandeld volgens de procedure vermeld in artikel 6.4.4, § 2 en § 3, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.
   Als voor de handelingen aan of in beschermde goederen geen omgevingsvergunning, geen vergunning, geen toelating, geen machtiging, geen ontheffing of geen afwijking zoals vermeld in het eerste lid vereist is, wordt de aanvraag van een toelating voor handelingen aan of in beschermde monumenten, beschermde cultuurhistorische landschappen of beschermde archeologische sites ingediend en behandeld volgens de procedure vermeld in artikel 6.3.2 tot en met 6.3.11 van dit besluit.]1

  
Art. 6.3.1. [1 Lorsque, pour les actes à ou dans des biens protégés, un permis d'environnement pour actes urbanistiques ou pour le lotissement de terrains, un permis d'environnement pour l'exploitation d'un établissement ou d'une activité classifiés, une autorisation, un mandat, une exemption ou une dérogation sont requis conformément au Décret forestier du 13 juin 1990, au décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel ou au décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, la demande d'une autorisation est introduite et traitée conformément à la procédure visée à l'article 6.4.4, § 2 et § 3 du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013.
   Lorsque les actes à ou dans des biens protégés sont dispensés d'un permis d'environnement, d'une autorisation, d'un mandat, d'une exemption ou d'une dérogation, tels que visés à l'alinéa premier, la demande d'une autorisation pour des actes à ou dans des monuments protégés, des paysages historico-culturels protégés ou des sites archéologiques protégés est introduite et traitée selon la procédure visée aux articles 6.3.2 à 6.3.11 du présent arrêté.]1

  
Art. 6.3.2. [1 De aanvraag van een toelating voor handelingen aan of in beschermde goederen, vermeld in artikel 6.3.1, tweede lid, wordt schriftelijk of via het daarvoor voorziene digitale platform ingediend bij het agentschap of, in voorkomend geval, bij het college van burgemeester en schepenen van de erkende onroerenderfgoedgemeente waar het beschermde goed ligt.
   Als de aanvraag, vermeld in het eerste lid, betrekking heeft op handelingen aan of in beschermde goederen op percelen die op het grondgebied van verschillende gemeenten liggen, dient de aanvrager ze in bij het agentschap.
   De aanvraag bevat minstens al de volgende elementen:
   1° een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier dat ter beschikking wordt gesteld op de website van het agentschap;
   2° een beschrijving van de huidige staat van het goed;
   3° een beschrijving van de geplande handelingen;
   4° een motivering van de geplande handelingen, die in voorkomend geval uitlegt hoe die handelingen voortbouwen op het goedgekeurde beheersplan;
   5° de vermelding van de vermoedelijke datum van het begin en het einde van de handelingen.]1

  
Art. 6.3.2. [1 La demande d'autorisation pour des actes sur des biens protégés, visée à l'article 6.3.1, alinéa 2, est introduite par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet auprès de l'agence ou, le cas échéant, auprès du collège des bourgmestre et échevins de la commune du patrimoine immobilier agréée sur le territoire de laquelle le bien protégé est situé.
   Si la demande visée à l'alinéa 1er se rapporte à des actes sur des biens protégés situés sur des parcelles chevauchant plusieurs communes, le demandeur l'introduit auprès de l'agence.
   La demande contient au moins les éléments suivants :
   1° un formulaire de demande dûment complété et signé mis à disposition sur le site web de l'agence ;
   2° une description de l'état actuel du bien ;
   3° une description des actes prévus ;
   4° une motivation des actes prévus expliquant, le cas échéant, la façon dont ces actes s'appuient sur le plan de gestion approuvé ;
   5° la mention de la date présumée de début et de fin des actes.]1

  
Art. 6.3.3. Het agentschap of, in voorkomend geval, de erkende onroerenderfgoedgemeente gaat na of voldaan is aan alle voorwaarden, vermeld in artikel 6.3.2, en of de dossiergegevens een onderzoek ten gronde toelaten.
  [1 Als de aanvraag onvolledig is of geen onderzoek ten gronde toelaat, kan het agentschap of, in voorkomend geval, de erkende onroerenderfgoedgemeente binnen een termijn van twintig dagen, die ingaat op de dag na de dag waarop de aanvraag is ingediend, de aanvrager schriftelijk of via het daarvoor voorziene digitale platform vragen om de ontbrekende gegevens of documenten bij de aanvraag te voegen, en de termijn bepalen waarbinnen dat moet gebeuren. Als de aanvrager nalaat binnen deze termijn de ontbrekende gegevens of documenten bij te voegen, wordt de toelating geacht te zijn geweigerd. Het agentschap of, in voorkomend geval, de erkende onroerenderfgoedgemeente brengt de aanvrager hiervan schriftelijk of via het daarvoor voorziene digitale platform op de hoogte.]1
  
Art. 6.3.3. L'agence ou, le cas échéant, la commune du patrimoine immobilier agréée vérifie si toutes les conditions, visées à l'article 6.3.2, sont remplies et si les données du dossier permettent un examen sur le fond.
  [1 Si la demande est incomplète ou ne permet pas un examen sur le fond, l'agence ou, le cas échéant, la commune du patrimoine immobilier agréée peut, dans un délai de vingt jours prenant cours le lendemain de l'introduction de la demande, inviter le demandeur, par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet, à joindre les données ou documents manquants à la demande et fixer le délai dans lequel cela doit être fait. Si le demandeur omet de joindre les données ou documents manquants dans ce délai, l'autorisation est réputée refusée. L'agence ou, le cas échéant, la commune du patrimoine immobilier agréée en informe le demandeur par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet.]1
  
Art. 6.3.4. Als de overheid waarbij de aanvraag is ingediend, vaststelt dat ze niet bevoegd is voor de aanvraag, stuurt ze die aanvraag binnen een termijn van tien dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van de aanvraag door naar de bevoegde overheid, vermeld in artikel 6.3.2. De overheid waarbij de aanvraag is ingediend, brengt de aanvrager er gelijktijdig van op de hoogte dat de aanvraag is doorgestuurd. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 6.3.2, behandelt vervolgens de aanvraag.
  Voor de toepassing van dit besluit geldt de datum waarop de overheid de aanvraag doorstuurt naar de bevoegde overheid als de datum waarop de aanvraag is ingediend.
Art. 6.3.4. Lorsque l'autorité auprès de laquelle la demande est introduite constate qu'elle n'est pas compétente pour la demande, elle transmet cette demande dans un délai de dix jours, qui prend cours le jour après la réception de la demande, à l'autorité compétente, visée à l'article 6.3.2. L'autorité auprès de laquelle la demande est introduite informe en même temps le demandeur du fait que la demande a été transférée. L'autorité compétente, visée à l'article 6.3.2, traite ensuite la demande.
  Pour l'application du présent arrêté, la date à laquelle l'autorité transfère la demande à l'autorité compétente s'applique comme la date à laquelle la demande est introduite.
Art. 6.3.5. Het agentschap of, in voorkomend geval, het college van burgemeester en schepenen van de erkende onroerenderfgoedgemeente neemt een beslissing over de aanvraag binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de dag waarop de [1 volledige]1 aanvraag is ingediend.
  Als geen beslissing is genomen binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, wordt de toelating geacht te zijn goedgekeurd.
  De beslissing vermeldt de voorwaarden die van toepassing zijn.
  Als de toelating voor een bepaalde duur wordt verleend, vermeldt de beslissing de duur van de toelating en de reden daarvoor.
  
Art. 6.3.5. L'agence ou, le cas échéant, le collège des bourgmestre et échevins de la commune du patrimoine immobilier agréée prend une décision concernant la demande dans un délai de trente jours, qui prend cours le jour après le jour auquel la demande [1 complète]1 est introduite.
  Lorsqu'aucune décision n'est prise dans le délai, visé à l'alinéa premier, l'autorisation est censée être approuvée.
  La décision mentionne les conditions qui s'appliquent.
  Lorsque l'autorisation est octroyée pour une durée déterminée, la décision mentionne la durée de l'autorisation et son motif.
  
Art. 6.3.6. Het agentschap of, in voorkomend geval, het college van burgemeester en schepenen van de erkende onroerenderfgoedgemeente maakt de beslissing binnen een ordetermijn van tien dagen, die ingaat op de dag na de datum van de beslissing of de dag na het verstrijken van de termijn, vermeld in [1 artikel 6.3.5, eerste lid]1, als volgt bekend:
  1° [3 het agentschap of, in voorkomend geval, het college van burgemeester en schepenen van de erkende onroerenderfgoedgemeente brengt de aanvrager schriftelijk of via het daarvoor voorziene digitale platform op de hoogte van de uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissing;]3
  2° als het gaat om een beslissing van het agentschap wordt een afschrift van die uitdrukkelijke beslissing of een kennisgeving van de stilzwijgende beslissing gelijktijdig en schriftelijk aan de gemeente bezorgd, en wordt die beslissing ingeschreven in [4 de databank]4 van toelatingen en adviezen, vermeld in artikel 6.5.1;
  3° als het gaat om een beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de erkende onroerenderfgoedgemeente wordt die beslissing ingeschreven in [4 de databank]4 van toelatingen en adviezen, vermeld in artikel 6.5.1.
  
Art. 6.3.6. L'agence ou, le cas échéant, le collège des bourgmestre et échevins de la commune du patrimoine immobilier agréée publie la décision dans un délai d'ordre de dix jours, qui prend cours le jour après la date de la décision ou le jour après l'expiration du délai, visé à [1 l'article 6.3.5, alinéa premier]1, comme suit :
  1° [3 l'agence ou, le cas échéant, le collège des bourgmestre et échevins de la commune du patrimoine immobilier agréée informe le demandeur de la décision expresse ou tacite par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet ;]3
  2° lorsqu'il s'agit d'une décision de l'agence, une copie de cette décision explicite ou une notification de la décision tacite est transmise en même temps et par écrit à la commune, et cette décision est inscrite [4 dans la banque de données]4 des autorisations et avis, visé à l'article 6.5.1 ;
  3° lorsqu'il s'agit d'une décision du collège des bourgmestre et échevins de la commune du patrimoine immobilier agréée, cette décision est inscrite [4 dans la banque de données]4 des autorisations et avis, visé à l'article 6.5.1.
  
Art. 6.3.7. Als een [1 uitdrukkelijke of stilzwijgende]1 toelating wordt verleend, moet de aanvrager:
  1 een mededeling die te kennen geeft dat de toelating is verleend gedurende tien dagen op een goed zichtbare plek op de plaats waarop de toelating betrekking heeft, aanplakken;
  2° ofwel aan de belanghebbenden vermeld in artikel 2, 4°, per beveiligde zending de mededeling die te kennen geeft dat de toelating is verleend bezorgen.
  De aanvrager houdt de stavingsstukken hiervan ter beschikking van de instanties die, in voorkomend geval, het beroep behandelen.
  
Art. 6.3.7. Lorsqu'une autorisation [1 explicite ou tacite]1 est octroyée, le demandeur doit :
  1° afficher une communication qui fait savoir que l'autorisation est octroyée pendant dix jours à un endroit bien visible au lieu sur lequel porte l'autorisation ;
  2° soit transmettre aux personnes intéressées visées à l'article 2, 4°, par envoi sécurisé, la communication qui fait savoir que l'autorisation est octroyée.
  Le demandeur en tient les pièces justificatives à disposition des instances qui, le cas échéant, traitent le recours.
  
Art. 6.3.8. De aanvrager mag alleen gebruik maken van de toelating, als hij niet binnen een termijn van [1 dertig]1 dagen, die ingaat op de dag na de dag van aanplakking of op de dag na de dag waarop de laatste belanghebbende de mededeling, vermeld in artikel 6.3.7, 2°, heeft ontvangen, op de hoogte is gebracht van de instelling van een schorsend administratief beroep, als vermeld in artikel 6.3.14.
  
Art. 6.3.8. Le demandeur peut uniquement utiliser l'autorisation lorsqu'il n'est pas mis au courant, dans un délai de [1 trente]1 jours qui prend cours le jour après le jour d'affichage ou le jour après le jour auquel la dernière personne intéressée a reçu la communication, visée à l'article 6.3.7, 2°, de l'introduction d'un recours administratif suspensif, tel que visé à l'article 6.3.14.
  
Art. 6.3.9. Als dat opgenomen is in de voorwaarden van de toelating, meldt de aanvrager de start en het einde van de uitvoering van de werken aan de [1 decentrale]1 diensten van het agentschap of, in voorkomend geval, aan het college van burgemeester en schepenen van de erkende onroerenderfgoedgemeente. De werken worden uitgevoerd overeenkomstig de voorwaarden die bepaald zijn in de toelating.
  
Art. 6.3.9. Lorsque tel est repris dans les conditions de l'autorisation, le demandeur communique le début et la fin de l'exécution des travaux aux services [1 décentraux]1 de l'agence ou, le cas échéant, au collège des bourgmestre et échevins de la commune du patrimoine immobilier agréée. Les travaux sont exécutés conformément aux conditions fixées dans l'autorisation.
  
Art. 6.3.10. Een afschrift van de toelating of kennisgeving van de stilzwijgende beslissing ligt tijdens de duur van de werkzaamheden ter uitvoering van de toelating ter beschikking op de plaats die het voorwerp uitmaakt van de toelating.
Art. 6.3.10. Une copie de l'autorisation ou de la notification de la décision tacite est à disposition pendant la durée des travaux en exécution de l'autorisation au lieu qui fait l'objet de l'autorisation.
Art. 6.3.11. De toelating vervalt als de werken twee jaar na het verlenen van de toelating niet gestart zijn of gedurende meer dan drie opeenvolgende jaren onderbroken worden. De termijn van twee jaar vangt aan op de dag na de datum van de [1 kennisgeving]1 van de beslissing vermeld in artikel 6.3.6, 1°.
  Als voor de werken een premie is aangevraagd, wordt de vervaltermijn geschorst zolang de premie niet is toegekend.
  
Art. 6.3.11. L'autorisation échoit lorsque les travaux n'ont pas commencés deux ans après l'octroi de l'autorisation ou sont interrompus pendant plus de trois années consécutives. Le délai de deux ans prend cours le jour après la date de la [1 notification]1 de la décision, visée à l'article 6.3.6, 1°.
  Lorsqu'une prime a été demandée pour les travaux, le délai d'échéance est suspendu tant que la prime n'est pas octroyée.
  
Art. 6.3.12. [1 Voor handelingen aan of in beschermde stads- of dorpsgezichten, als vermeld in artikel 6.2.5 of het beschermingsbesluit die zichtbaar zijn vanaf de openbare weg en niet zijn vrijgesteld van toelating of melding in een goedgekeurd beheersplan als vermeld in artikel 8.1.4, § 1, eerste lid, 9° wordt schriftelijk of via het daartoe voorziene digitale platform een melding ingediend bij het college van burgemeester en schepenen.
   Die handelingen mogen worden aangevat vanaf de dertigste dag na de datum van de melding in het eerste lid, behalve als het college van burgemeester en schepenen de aanmelder voordien per beveiligde zending of via het daartoe voorziene digitale platform op de hoogte brengt dat de aangemelde handelingen van die aard zijn dat ze de wezenlijke eigenschappen van het beschermde stads- of dorpsgezicht verstoren.
   Tenzij het gaat om een erkende onroerenderfgoedgemeente, bezorgt het college van burgemeester en schepenen onverwijld na de kennisgeving vermeld in het tweede lid de melding aan het agentschap. Het agentschap of de erkende onroerenderfgoedgemeente behandelt de melding als een toelating overeenkomstig artikel 6.3.2 tot en met 6.3.11. De termijn van behandeling vermeld in artikel 6.3.5, eerste lid gaat in op de dag waarop de melding, vermeld in het eerste lid, is doorgestuurd naar het agentschap, of in voorkomend geval, vanaf de dag waarop het college van burgemeester en schepenen van de erkende onroerenderfgoedgemeente de kennisgeving vermeld in het tweede lid heeft verstuurd aan de aanmelder. De handelingen kunnen slechts worden aangevat nadat het agentschap of in voorkomend geval de erkende onroerenderfgoedgemeente een toelating heeft verleend.
   De melding, vermeld in het eerste lid, bestaat minstens uit al de volgende elementen:
   1° een volledig ingevuld en ondertekend meldingsformulier dat ter beschikking wordt gesteld op de website van het agentschap of via het daartoe voorziene digitale platform;
   2° een beschrijving van de huidige staat van het goed;
   3° een beschrijving van de geplande handelingen;
   4° een motivering van de geplande handelingen, die in voorkomend geval uitlegt hoe die handelingen voortbouwen op het goedgekeurde beheersplan;
   5° de vermelding van de vermoedelijke datum van het begin en het einde van de handelingen.
   De melding, vermeld in het eerste lid, wordt in voorkomend geval geïntegreerd in de stedenbouwkundige melding, vermeld in artikel 4.2.2 van de VCRO.
   Om een gebouw of een constructie in een beschermd stads- of dorpsgezicht volledig of gedeeltelijk te slopen, op te trekken, te plaatsen of te herbouwen wordt een toelating gevraagd conform artikel 6.3.2 tot en met 6.3.11.]1

  
Art. 6.3.12. [1 Pour les actes sur ou dans des sites urbains ou ruraux protégés, tels que visés à l'article 6.2.5 ou dans l'arrêté de protection, qui sont visibles de la voie publique et qui ne sont pas dispensés d'autorisation ou de notification dans un plan de gestion approuvé tel que visé à l'article 8.1.4, § 1er, alinéa 1er, 9°, une notification doit être soumise par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet au collège des bourgmestre et échevins.
   Ces actes peuvent être entamés à partir du trentième jour après la date de la notification visée à l'alinéa 1er, sauf lorsque le collège des bourgmestre et échevins informe le notifiant au préalable, par envoi sécurisé ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet, du fait que les actes notifiés sont de nature à perturber les caractéristiques essentielles du site urbain ou rural protégé.
   A moins qu'il ne s'agisse d'une commune du patrimoine immobilier agréée, le collège des bourgmestre et échevins soumet la notification à l'agence immédiatement après la notification visée à l'alinéa deux. L'agence ou la commune du patrimoine immobilier agréée traite la notification comme une autorisation conformément aux articles 6.3.2 à 6.3.11. Le délai de traitement visé à l'article 6.3.5, alinéa 1er, commence le jour où la notification visée à l'alinéa 1er, est transmise à l'agence ou, le cas échéant, le jour où le collège des bourgmestre et échevins de la commune du patrimoine immobilier agréée envoie la notification visée à l'alinéa 2 au notifiant. Les actes ne peuvent être entamés que lorsque l'agence ou, le cas échéant, la commune du patrimoine immobilier agréée a octroyé une autorisation.
   La notification, visée à l'alinéa 1er, comprend au moins toutes les données suivantes :
   1° un formulaire de notification entièrement rempli et signé mis à disposition sur le site web de l'agence ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet ;
   2° une description de l'état actuel du bien ;
   3° une description des actes prévus ;
   4° une justification des actes prévus expliquant, le cas échéant, la manière dont ces actes se basent sur le plan de gestion approuvé ;
   5° l'indication de la date probable de début et de fin des actes.
   La notification visée à l'alinéa 1er, est, le cas échéant, intégrée dans la notification urbanistique, visée à l'article 4.2.2 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire.
   Pour démolir, élever, installer ou reconstruire complètement ou partiellement un bâtiment ou une structure dans un site urbain ou rural protégé, un permis est demandé conformément aux articles 6.3.2 à 6.3.11.]1

  
Onderafdeling 2. - Beroepsprocedure
Sous-section 2. - Procédure de recours
Art. 6.3.13. De aanvrager of iedere belanghebbende kan tegen de uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissing van het agentschap of, in voorkomend geval, van het college van burgemeester en schepenen van de erkende onroerenderfgoedgemeente, vermeld in artikel 6.3.5, over de toelatingsaanvraag een georganiseerd administratief beroep instellen bij de minister.
  De leidend ambtenaar van het agentschap kan tegen de uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de erkende onroerenderfgoedgemeente, vermeld in artikel 6.3.5, over de toelatingsaanvraag een georganiseerd administratief beroep instellen bij de minister.
Art. 6.3.13. Le demandeur ou toute personne intéressée peut introduire un recours administratif organisé auprès du Ministre contre la décision explicite ou tacite de l'agence ou, le cas échéant, du collège des bourgmestre et échevins de la commune du patrimoine immobilier agréée, visée à l'article 6.3.5, concernant la demande d'autorisation.
  Le fonctionnaire dirigeant de l'agence peut introduire un recours administratif organisé auprès du Ministre contre la décision explicite ou tacite du collège des bourgmestre et échevins de la commune du patrimoine immobilier agréée, visée à l'article 6.3.5, concernant la demande d'autorisation.
Art. 6.3.14. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid ingesteld binnen een termijn van [2 dertig]2 dagen, ingaand:
  1° [1 de dag na de datum waarop de personen of instanties, vermeld in artikel 6.3.6 en 6.3.7, eerste lid, 2°, het afschrift van de bestreden beslissing of de mededeling ontvangen;]1
  2° [1 de dag na de eerste dag van de aanplakking van de bestreden beslissing overeenkomstig artikel 6.3.7, eerste lid, 1°, in de overige gevallen.]1
  3° [1 ...]1
  
Art. 6.3.14. Le recours est introduit, sous peine d'irrecevabilité, dans un délai de [1 [2 trente]2]1 jours, qui prend cours :
  1° [1 le jour après la date à laquelle les personnes ou instances, visées aux articles 6.3.6 et 6.3.7, alinéa premier, 2°, reçoivent la copie de la décision contestée ou de la communication ;]1
  2° [1 le jour après le premier jour de l'affichage de la décision contestée conformément à l'article 6.3.7, alinéa premier, 1°, dans les autres cas.]1
  3° [1 ...]1
  
Art. 6.3.15. Het beroep schorst de uitvoering van de bestreden beslissing tot de dag na de datum van de [1 kennisgeving]1 van de beslissing in beroep aan de aanvrager.
  
Art. 6.3.15. Le recours suspend l'exécution de la décision contestée jusqu'au jour après la date de la [1 notification]1 de la décision en recours au demandeur.
  
Art. 6.3.16. [2 Het beroepschrift wordt schriftelijk ingediend bij de minister.]2
  [2 Het beroepschrift bestaat minstens uit een gemotiveerd verzoekschrift en bevat de volgende gegevens:
   1° de datum en het referentienummer van de bestreden beslissing;
   2° de datum van aanplakking of de datum van ontvangst van het afschrift van de bestreden beslissing of de mededeling zoals vermeld in artikel 6.3.14.]2

  Het beroepschrift wordt gedagtekend en ondertekend door de indiener van het beroep of door zijn raadsman. Als de woonplaatskeuze wordt gedaan bij de raadsman van de indiener van het beroep, wordt dat ook in het beroepschrift aangegeven.
  De indiener van het beroep kan bij het beroepschrift de stavingsstukken voegen die hij nodig acht. De stavingsstukken worden door de indiener van het beroep gebundeld en op een inventaris ingeschreven.
  
Art. 6.3.16. [2 Le recours est introduit auprès du ministre par écrit.]2
  [1 [2 L'acte de recours comprend au moins une requête motivée et contient les données suivantes :
   1° la date et le numéro de référence de la décision contestée ;
   2° la date de l'affichage ou la date de réception de la copie de la décision contestée ou de la communication, visées dans l'article 6.3.14.]2
]1

  Le recours est daté et signé par l'auteur du recours ou par son conseil. Lorsque le choix de domicile est fait auprès du conseil de l'auteur du recours, cet élément est également indiqué dans le recours.
  L'auteur du recours peut joindre les pièces justificatives qu'il estime nécessaires au recours. Les pièces justificatives sont rassemblées par l'auteur du recours et inscrites à un inventaire.
  
Art. 6.3.17. De minister bezorgt per beveiligde zending onverwijld een afschrift van het verzoekschrift aan:
  1° de aanvrager van de toelating, behalve als de aanvrager zelf het beroep instelt;
  2° het college van burgemeester en schepenen van de erkende onroerenderfgoedgemeente, als die in eerste administratieve aanleg de beslissing heeft genomen.
  Een beroepschrift kan gedurende de indieningstermijn worden vervangen door een nieuw beroepschrift dat uitdrukkelijk de intrekking van het eerdere beroepschrift bevestigt.
Art. 6.3.17. Le Ministre transmet sans tarder, par envoi sécurisé, une copie de la requête :
  1° au demandeur de l'autorisation, sauf lorsque le demandeur introduit lui-même le recours ;
  2° au collège des bourgmestre et échevins de la commune du patrimoine immobilier agréée, lorsqu'il a pris la décision en première instance administrative.
  Un recours peut être remplacé pendant le délai d'introduction par un nouveau recours qui confirme explicitement le retrait du recours précédent.
Art. 6.3.18. De minister gaat na of voldaan is aan alle voorwaarden, vermeld in artikel 6.3.16, en of de dossiergegevens een onderzoek ten gronde toelaten.
  Als het beroepschrift onvolledig is, kan de minister binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de datum van de indiening van het beroep, de beroepsindiener per beveiligde zending vragen om de ontbrekende gegevens of documenten bij het beroep te voegen en de termijn bepalen waarbinnen dit moet gebeuren.
  Als de beroepsindiener nalaat de ontbrekende gegevens of documenten binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, aan het beroepschrift toe te voegen, wordt het beroep als onvolledig beschouwd.
Art. 6.3.18. Le Ministre vérifie si toutes les conditions, visées à l'article 6.3.16, sont remplies et si les données du dossier permettent un examen sur le fond.
  Lorsque le recours est incomplet, le Ministre peut demander à l'auteur du recours, dans un délai de trente jours qui prend cours le jour après la date de l'introduction du recours, par envoi sécurisé, de joindre les données manquantes ou les documents manquants au recours, et fixer le délai dans lequel cela doit être fait.
  Lorsque l'auteur du recours néglige de joindre les données manquantes ou documents manquants au recours dans le délai, visé à l'alinéa deux, le recours est considéré comme incomplet.
Art. 6.3.19. De minister kan over het beroep het advies van de Commissie inwinnen.
  De Commissie beschikt over een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de datum van de ontvangst van de adviesvraag, om over het beroep een advies uit te brengen. Als er niet tijdig advies wordt verleend, wordt aan de adviesvraag voorbijgegaan.
Art. 6.3.19. Le Ministre peut demander l'avis de la Commission concernant le recours.
  La Commission dispose d'un délai de trente jours, qui prend cours le jour après la date de la réception de la demande d'avis, pour émettre un avis concernant le recours. Lorsqu'aucun avis n'est rendu à temps, la demande d'avis est ignorée.
Art. 6.3.20. De minister beslist over het beroep binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de [1 ontvangst]1 van het beroep.
  In het geval het advies van de Commissie wordt ingewonnen, wordt de termijn in het eerste lid geschorst gedurende de termijn bepaald in artikel 6.3.19.
  [1 In voorkomend geval, wordt de termijn vermeld in het eerste lid geschorst gedurende de termijn bepaald in artikel 6.3.18, tweede lid waarbinnen de beroepsindiener ontbrekende gegevens of documenten moet indienen]1
  Als geen beslissing is genomen binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, herleeft de beslissing die in eerste aanleg genomen is.
  De beslissing vermeldt de voorwaarden die van toepassing zijn.
  Als de toelating voor een bepaalde duur wordt verleend, vermeldt de beslissing de duur van de toelating en de reden daarvoor.
  
Art. 6.3.20. Le Ministre décide du recours dans un délai de trente jours, qui prend cours le jour après la [1 réception]1 du recours.
  Au cas où l'avis de la Commission est demandé, le délai dans l'alinéa premier est suspendu pendant le délai visé à l'article 6.3.19.
  [1 Le cas échéant, le délai, visé à l'alinéa premier est suspendu pendant le délai, tel que visé à l'article 6.3.18, alinéa deux, endéans lequel l'auteur du recours doit introduire des données ou documents manquants.]1
  Lorsqu'aucune décision n'est prise dans le délai, visé à l'alinéa premier, la décision qui est prise en première instance est reprise.
  La décision mentionne les conditions qui s'appliquent.
  Lorsque l'autorisation est octroyée pour une durée déterminée, la décision mentionne la durée de l'autorisation et son motif.
  
Art. 6.3.21. Binnen een ordetermijn van tien dagen, die ingaat op de dag na de datum van de beslissing of de dag na het verstrijken van de termijn, vermeld in artikel 6.3.20, bezorgt de minister een afschrift van de beslissing per beveiligde zending aan de indiener van het beroep en aan de aanvrager, als het beroep niet door hem is ingesteld, en neemt die beslissing op in [1 de databank]1 van toelatingen en adviezen, vermeld in artikel 6.5.1.
  
Art. 6.3.21. Dans un délai d'ordre de dix jours, qui prend cours le jour après la date de la décision ou le jour après l'expiration du délai, visé à l'article 6.3.20, le Ministre transmet une copie de la décision, par envoi sécurisé, à l'auteur du recours et au demandeur, lorsque le recours n'a pas été introduit par lui, et reprend cette décision dans [1 la banque de données]1 des autorisations et avis, visé à l'article 6.5.1.
  
Art. 6.3.22. Als de toelating in beroep verleend wordt nadat ze in eerste aanleg is geweigerd, plakt de aanvrager gedurende tien dagen een [1 mededeling die te kennen geeft dat de toelating is verleend]1 op een goed zichtbare plek aan op de plaats waarop de toelating betrekking heeft.
  
Art. 6.3.22. Lorsque l'autorisation est octroyée en recours, après qu'elle est refusée en première instance, le demandeur affiche pendant dix jours [1 une communication qui fait savoir que l'autorisation est octroyée]1 à un endroit bien visible au lieu sur lequel porte l'autorisation.
  
Art. 6.3.23. De aanvrager mag bij de ontvangst van het afschrift van de beslissing de toegelaten handelingen onmiddellijk uitvoeren.
Art. 6.3.23. Le demandeur peut, lors de la réception de la copie de la décision, immédiatement exécuter les actes autorisés.
Art. 6.3.24. Als dat opgenomen is in de voorwaarden van de toelating, meldt de aanvrager de start en het einde van de uitvoering van de werken aan de overheid, die over de aanvraag in eerste aanleg een beslissing heeft genomen. De werken worden uitgevoerd overeenkomstig de voorwaarden die bepaald zijn in de toelating.
Art. 6.3.24. Lorsque tel est repris dans les conditions de l'autorisation, le demandeur communique le début et la fin de l'exécution des travaux à l'autorité qui a pris une décision concernant la demande en première instance. Les travaux sont exécutés conformément aux conditions fixées dans l'autorisation.
Art. 6.3.25. Een afschrift van de toelating ligt tijdens de duur van de werkzaamheden ter uitvoering van de toelating ter beschikking op de plaats die het voorwerp uitmaakt van de toelating.
Art. 6.3.25. Une copie de l'autorisation est à disposition pendant la durée des travaux en exécution de l'autorisation au lieu qui fait l'objet de l'autorisation.
Art. 6.3.26. De toelating vervalt als de werken twee jaar na het verlenen van de toelating niet gestart zijn of gedurende meer dan drie opeenvolgende jaren onderbroken worden. De termijn van twee jaar vangt aan op de dag na de datum van de [1 kennisgeving]1 van de beslissing vermeld in artikel 6.3.21.
  
Art. 6.3.26. L'autorisation échoit lorsque les travaux n'ont pas commencés deux ans après l'octroi de l'autorisation ou sont interrompus pendant plus de trois années consécutives. Le délai de deux ans prend cours le jour après la date de la [1 notification]1 de la décision, visée à l'article 6.3.21.
  
Onderafdeling 3. - Beroepsprocedure vergunningsplichtige handelingen
Sous-section 3. - Procédure de recours actes soumis à autorisation
Art. 6.3.27. [1 Deze onderafdeling is van toepassing op de administratieve beroepen tegen een beslissing houdende de toekenning of weigering van een vergunning, toelating, machtiging, ontheffing of afwijking overeenkomstig het Bosdecreet van 13 juni 1990 of het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu voor een handeling als vermeld in artikel 6.4.4, § 2 en § 3, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, als in het beroepschrift middelen worden opgeworpen tegen het advies van het agentschap over die vergunning, toelating, machtiging, ontheffing of afwijking.]1
  
Art. 6.3.27. [1 La présente sous-section s'applique aux recours administratifs contre une décision d'octroi ou de refus d'un permis, d'une autorisation, d'un mandat, d'une exemption ou d'une dérogation, conformément au décret forestier du 13 juin 1990 ou au décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, pour un acte, visé à l'article 6.4.4, § 2 et 3, du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, si le recours invoque des moyens contre l'avis de l'agence concernant ce permis, cette autorisation, ce mandat, cette exemption ou cette dérogation.]1
  
Art. 6.3.28. Binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de dag van de ontvangst van het administratief beroep, wint de betrokken beroepsinstantie een advies in over de beroepsmiddelen die betrekking hebben op het advies van het agentschap.
  De adviesvraag wordt per beveiligde zending bezorgd aan de Commissie.
  De adviesaanvraag bevat een kopie van:
  1° de aanvraag tot vergunning, toelating, machtiging, ontheffing of afwijking;
  2° de bestreden beslissing;
  3° het verzoekschrift.
Art. 6.3.28. Dans un délai de trente jours, qui prend cours le jour après le jour de la réception du recours administratif, l'instance de recours concernée demande un avis concernant les moyens de recours qui ont trait à l'avis de l'agence.
  La demande d'avis est transmise à la Commission par envoi sécurisé.
  La demande d'avis comprend une copie :
  1° de la demande de permis, d'autorisation, de mandat, d'exemption ou de dérogation ;
  2° de la décision contestée ;
  3° de la requête.
Art. 6.3.29. De Commissie beschikt over een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de datum van de ontvangst van de adviesvraag, om over het beroep een advies uit te brengen. Als er niet tijdig advies wordt verleend, wordt aan de adviesvraag voorbijgegaan.
Art. 6.3.29. La Commission dispose d'un délai de trente jours, qui prend cours le jour après la date de la réception de la demande d'avis, pour émettre un avis concernant le recours. Lorsqu'aucun avis n'est rendu à temps, la demande d'avis est ignorée.
Art. 6.3.30. De Commissie bezorgt het commissieadvies aan de betrokken beroepsinstantie.
Art. 6.3.30. La Commission transmet l'avis de la Commission à l'instance de recours concernée.
Afdeling 4. - De meldingsprocedure voor schadegevallen en noodmaatregelen
Section 4. - La procédure de notification pour les cas de sinistre et les mesures d'urgence
Art. 6.4.1. De zakelijkrechthouder of gebruiker van een beschermd goed doet onverwijld en [1 schriftelijk]1 melding van elk schadegeval en in voorkomend geval, van de in nood getroffen maatregelen bij de [1 decentrale]1 diensten van het agentschap.
  Een melding bestaat minstens uit de volgende elementen:
  1° een beschrijving van het schadegeval;
  2° in voorkomend geval, een beschrijving van de genomen consolidatie- en beveiligingsmaatregelen waaruit blijkt dat de aangemelde handelingen tijdelijk en omkeerbaar zijn;
  3° de aanwijzing van de precieze plaats van het schadegeval.
  Het agentschap stelt een modelformulier ter beschikking op zijn website.
  
Art. 6.4.1. Le titulaire du droit réel ou utilisateur d'un bien protégé notifie les services [1 décentraux]1 de l'agence sans tarder, [1 par écrit]1, de chaque cas de sinistre et, le cas échéant, des mesures prises en cas d'urgence.
  Une notification comprend au moins les éléments suivants :
  1° une description du cas de sinistre ;
  2° le cas échéant, une description des mesures de consolidation et de sécurité dont il ressort que les actes notifiés sont temporaires et réversibles ;
  3° l'indication du lieu précis du cas de sinistre.
  L'agence met à disposition un formulaire modèle sur son site web.
  
Afdeling 5. [1 Databank van toelatingen en adviezen]1
Section 5. - [1 Banque de donnée des autorisations et avis]1
Art. 6.5.1. Het agentschap stelt een databank van adviezen en beslissingen over aanvragen tot het verkrijgen van een toelating [2 ...]2 digitaal beschikbaar. Die databank bevat:
  1° de adviezen van het agentschap over aanvragen tot het verkrijgen van een toelating voor handelingen aan of in beschermde goederen, waarvoor met toepassing van de VCRO, [1 het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid]1, het Bosdecreet van 13 juni 1990 of het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu ook een vergunning, toelating, machtiging, ontheffing of afwijking hoeft te worden aangevraagd, verleend in eerste administratieve aanleg;
  2° de adviezen van de Commissie over aanvragen tot het verkrijgen van een toelating voor handelingen aan of in beschermde goederen, waarvoor met toepassing van de VCRO, [1 het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid]1, het Bosdecreet van 13 juni 1990 of het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu geen vergunning, toelating, machtiging, ontheffing of afwijking hoeft te worden aangevraagd, in voorkomend geval verleend in beroep;
  3° de adviezen van de Commissie over aanvragen tot het verkrijgen van een toelating voor handelingen aan of in beschermde goederen, waarvoor met toepassing van de VCRO, [1 het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid]1, het Bosdecreet van 13 juni 1990 of het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu ook een vergunning, toelating, machtiging, ontheffing of afwijking hoeft te worden aangevraagd, in voorkomend geval verleend in beroep;
  4° de beslissingen over aanvragen tot het verkrijgen van een toelating voor handelingen aan of in beschermde goederen waarvoor met toepassing van de VCRO, [1 het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid]1, het Bosdecreet van 13 juni 1990 of het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu geen vergunning, toelating, machtiging, ontheffing of afwijking hoeft te worden aangevraagd;
  5° de in beroep genomen beslissingen over aanvragen tot het verkrijgen van een toelating voor handelingen aan of in beschermde goederen waarvoor met toepassing van de VCRO, [1 het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid]1, het Bosdecreet van 13 juni 1990 of het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu geen vergunning, toelating, machtiging, ontheffing of afwijking hoeft te worden aangevraagd;
  [2 6° de beslissingen over aanvragen tot het verkrijgen van een toelating voor handelingen aan een onroerend goed dat is opgenomen in een vastgestelde inventaris als vermeld in artikel 4.1.1, eerste lid, 3° of 4°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;
   7° de adviezen vermeld in artikel 4.2.14 van dit besluit over handelingen aan een onroerend goed dat is opgenomen in een vastgestelde inventaris als vermeld in artikel 4.1.1, eerste lid, 3° of 4°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.]2

  
Art. 6.5.1. L'agence rend une banque de données d'avis et de décisions concernant des demandes visant à obtenir une autorisation [2 ...]2 numériquement disponible. Cette banque de données comprend :
  1° les avis de l'agence concernant des demandes visant à obtenir une autorisation pour des actes à ou dans des biens protégés, pour laquelle, en application du Code flamand de l'Aménagement du Territoire, du [1 décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement]1, du décret forestier du 13 juin 1990 ou du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, un permis, une autorisation, un mandat, une exemption ou une dérogation doit également être demandé(e), octroyée en première instance administrative ;
  2° les avis de la Commission concernant des demandes visant à obtenir une autorisation pour des actes à ou dans des biens protégés, pour laquelle, en application du Code flamand de l'Aménagement du Territoire, du [1 décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement]1, du décret forestier du 13 juin 1990 ou du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, aucun permis, aucune autorisation, aucun mandat, aucune exemption ou aucune dérogation ne doit être demandé(e), le cas échéant octroyée en recours ;
  3° les avis de la Commission concernant des demandes visant à obtenir une autorisation pour des actes à ou dans des biens protégés, pour laquelle, en application du Code flamand de l'Aménagement du Territoire, du [1 décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement]1, du décret forestier du 13 juin 1990 ou du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, un permis, une autorisation, un mandat, une exemption ou une dérogation doit également être demandé(e), le cas échéant octroyée en recours ;
  4° les décisions concernant des demandes visant à obtenir une autorisation pour des actes à ou dans des biens protégés, pour laquelle, en application du Code flamand de l'Aménagement du Territoire, du [1 décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement]1, du décret forestier du 13 juin 1990 ou du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, aucun permis, aucune autorisation, aucun mandat, aucune exemption ou aucune dérogation ne doit être demandé(e) ;
  5° les décisions prises en recours concernant des demandes visant à obtenir une autorisation pour des actes à ou dans des biens protégés, pour laquelle, en application du Code flamand de l'Aménagement du Territoire, du [1 décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement]1 du décret forestier du 13 juin 1990 ou du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, aucun permis, aucune autorisation, aucun mandat, aucune exemption ou aucune dérogation ne doit être demandé(e) ;
  [2 6° les décisions relatives aux demandes d'autorisation d'effectuer des actes sur un bien immobilier repris dans un inventaire établi tel que visé à l'article 4.1.1, alinéa 1er, 3° ou 4°, du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 ;
   7° les avis visés à l'article 4.2.14 du présent arrêté concernant les actes sur un bien immobilier repris dans un inventaire établi tel que visé à l'article 4.1.1, alinéa 1er, 3° ou 4°, du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013.]2

  
Afdeling 6. - Herkenningsteken
Section 6. - Signe distinctif
Art. 6.6.1. De minister stelt de modellen van het herkenningsteken voor beschermde archeologische sites, beschermde monumenten, beschermde cultuurhistorische landschappen en beschermde stads- en dorpsgezichten vast.
  [1 De minister bepaalt de modaliteiten voor het verplicht aanbrengen van het herkenningsteken.]1
  
Art. 6.6.1. Le Ministre fixe les modèles du signe distinctif pour des sites archéologiques protégés, des monuments protégés, des paysages culturo-historiques protégés et des sites urbains et ruraux protégés.
  [1 Le ministre arrête les modalités de l'apposition obligatoire du signe distinctif.]1
  
Afdeling 7. - Erfgoedlandschappen
Section 7. - Paysages patrimoniaux
Art. 6.7.1. De administratieve overheid beschrijft bij elke beslissing over eigen werkzaamheden en eigen handelingen in erfgoedlandschappen en bij het verlenen van een toestemming of vergunning voor een activiteit die een erfgoedlandschap geheel of gedeeltelijk kan vernietigen of die een betekenisvolle schade kan veroorzaken aan de erfgoedwaarden ervan hoe ze voldoet aan de verplichting, vermeld in artikel 6.5.3, eerste lid, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.
Art. 6.7.1. L'autorité administrative décrit lors de chaque décision concernant les propres travaux et propres actes dans des paysages patrimoniaux et lors de l'octroi d'une autorisation ou d'un permis pour une activité qui peut détruire un paysage patrimonial en entier ou en partie ou qui peut causer des dommages significatifs à ses valeurs patrimoniales comment elle répond à l'obligation, visée à l'article 6.5.3, alinéa premier, du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013.
Art. 6.7.2. De administratieve overheid beschrijft bij elke beslissing over een eigen werk of over het verlenen van een opdracht daarvoor en over een eigen plan of verordening die een erfgoedlandschap nadelig kan beïnvloeden hoe ze voldoet aan de verplichting, vermeld in artikel 6.5.3, tweede lid, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.
  In de beslissing dient opgenomen te worden welke erfgoedlandschappen nadelig beïnvloed worden en desgevallend met welke maatregelen uitvoering is gegeven aan de verplichting, vermeld in artikel 6.5.3, tweede lid, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.
Art. 6.7.2. L'autorité administrative décrit lors de chaque décision concernant un propre travail ou l'octroi d'un ordre à cet effet et concernant un propre plan ou règlement qui peut influencer un paysage patrimonial de manière désavantageuse comment elle répond à l'obligation, visée à l'article 6.5.3, alinéa deux, du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013.
  Dans la décision, il doit être repris quels paysages patrimoniaux sont influencés de manière désavantageuse et, le cas échéant, par quelles mesures il est donné exécution à l'obligation, visée à l'article 6.5.3, alinéa deux, du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013.
Art. 6.7.3. Als in het kader van de beslissing, vermeld in artikel 6.7.1 en 6.7.2 een milieueffectrapport of een milieueffectbeoordeling van impact op erfgoedwaarden opgemaakt is, is voldaan aan de verplichting, vermeld in artikel 6.5.3, derde lid, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.
Art. 6.7.3. Lorsque, dans le cadre de la décision, visée aux articles 6.7.1 et 6.7.2, il a été établi un rapport des incidences sur l'environnement ou une évaluation des incidences sur l'environnement de l'impact sur les valeurs patrimoniales, il est répondu à l'obligation, visée à l'article 6.5.3, alinéa trois, du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013.
Afdeling 8. [1 - Informatieplicht met betrekking tot publiciteit]1
Section 8. [1 - Obligation d'information concernant la publicité]1
Art. 6.8.1. [1 De publiciteit, zowel in digitale als papieren vorm, die verbonden is aan de situaties, vermeld in artikel 6.4.8 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, bevat de volgende gegevens:
   1° de vermelding dat het gaat om een beschermd monument, beschermd landschap, beschermd cultuurhistorisch landschap, beschermd stadsgezicht, beschermd dorpsgezicht, beschermde archeologische site, beschermde archeologische zone of een beschermd archeologisch monument;
   2° de vermelding "voor meer informatie over de rechtsgevolgen, ga naar www.onroerenderfgoed.be";
   Als het publiciteitsmedium het gebruik van een beperkte hoeveelheid informatie veronderstelt, kan er gebruikgemaakt worden van de verkorte vermelding "beschermd (info: www.onroerenderfgoed.be)".]1

  
Art. 6.8.1. [1 La publicité, tant numérique que sur papier, qui est liée aux situations, visées à l'article 6.4.8 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, comprend les données suivantes :
   1° la mention qu'il s'agit d'un monument protégé, d'un paysage protégé, d'un paysage culturo-historique protégé, d'un site urbain protégé, d'un site rural protégé, d'un site archéologique protégé, d'une zone archéologique protégée ou d'un monument archéologique protégé ;
   2° la mention " pour de plus amples informations sur les conséquences juridiques, consultez www.onroerenderfgoed.be " ;
   Si le support publicitaire requiert l'utilisation d'une quantité limitée d'informations, la mention raccourcie " protégé (info : www.onroerenderfgoed.be) " peut être utilisée]1

  
HOOFDSTUK 7. - Onroerenderfgoedrichtplannen
CHAPITRE 7. - Plans directeurs du patrimoine immobilier
Art. 7.1.1. De [1 minister]1 kan per thema of gebied een onroerenderfgoedrichtplan opstellen.
  
Art. 7.1.1. Le [1 Ministre]1 peut établir un plan directeur du patrimoine immobilier par thème ou par domaine.
  
HOOFDSTUK 8. - Beheer van onroerend erfgoed
CHAPITRE 8. - Gestion de patrimoine immobilier
Afdeling 1. - Beheersplannen
Section 1re. - Plans de gestion
Onderafdeling 1. - Opdrachtgever
Sous-section 1re. - Donneur d'ordre
Art. 8.1.1. [1 Een beheersplan kan een zelfstandig onderdeel van een onroerend erfgoed of erfgoedlandschap betreffen.
   Een of meer zakelijkrechthouders of gebruikers kunnen een beheersplan laten indienen door een gevolmachtigde.]1

  
Art. 8.1.1. [1 Un plan de gestion peut avoir trait à une partie autonome d'un patrimoine immobilier ou d'un paysage patrimonial.
   Un ou plusieurs titulaires du droit réel ou utilisateurs peuvent faire introduire un plan de gestion par un mandataire.]1

  
Onderafdeling 2.
Sous-section 2.
Onderafdeling 3.
Sous-section 3.
Onderafdeling 4. - Opmaak
Sous-section 4. - Etablissement
Art. 8.1.4. [1 § 1. Het beheersplan beoogt een betekenisvolle meerwaarde voor het onroerend erfgoed of het erfgoedlandschap of voor een zelfstandig onderdeel ervan en bevat ten minste de volgende elementen:
   1° de identificatie en het kadasterplan met de afbakening van het onroerend erfgoed of erfgoedlandschap of het zelfstandig onderdeel ervan, waarvoor het beheersplan wordt opgesteld;
   2° een historische nota, die op basis van geschreven of iconografische bronnen en van archeologische of natuurwetenschappelijke bevindingen of sporen een helder inzicht geeft in de totstandkoming en ontwikkeling van de afgebakende locatie tot de huidige toestand;
   3° een inventarisatie van de erfgoedelementen binnen de afbakening en een toestandsrapport. De huidige toestand wordt geïllustreerd met recente plannen en foto's die een duidelijk beeld geven van de afgebakende locatie;
   4° de situering en de beschrijving van de erfgoedwaarden en de juridische toestand van de afgebakende locatie, waarop het beheersplan betrekking heeft;
   5° een onderbouwde visie, gebaseerd op de elementen vermeld in punt 1° tot en met 4°, op het beheer van de afgebakende locatie en de beheersdoelstellingen die eruit voortvloeien. Als de afgebakende locatie naast een beschermd stads- en dorpsgezicht, beschermd cultuurhistorisch landschap, erfgoedlandschap of een beschermde archeologische site ook afzonderlijk beschermde monumenten omvat en als het beheer daarvan impact heeft op het grotere beschermde geheel, dan moet het beheersplan ook een visie op het beheer van die beschermde monumenten bevatten ;
   6° de opsomming en verantwoording van de concrete richtlijnen, eenmalige en terugkerende maatregelen en werkzaamheden die nodig zijn om de beoogde beheersdoelstellingen te bereiken;
   7° een voorstel over hoe gerapporteerd wordt over de uitvoering van de richtlijnen, de maatregelen en de werkzaamheden, vermeld in punt 6° en over de realisatie van de beheersdoelstellingen, vermeld in punt 5°. Het voorstel houdt rekening met de rapportageverplichting, vermeld in artikel 8.1.8;
   8° in voorkomend geval een identificatie van het ZEN-erfgoed;
   9° in voorkomend geval een opsomming van de handelingen aan of in beschermde goederen die vrijgesteld zijn van toelating of melding;
   10° als het beheersplan betrekking heeft op verschillende zakelijkrechthouders of gebruikers, een overzicht van hoe de participatie en communicatie over de opmaak van het beheersplan is verlopen.
   De visie op het beheer, de beheersdoelstellingen en de richtlijnen, de maatregelen en de werkzaamheden is in voorkomend geval in overeenstemming met de geldende wet-, decreet- en regelgeving.
   § 2. In voorkomend geval wordt in een afzonderlijk onderdeel van het beheersplan nader ingegaan op het concrete beheer en de optimalisatie van de locatie als open erfgoed overeenkomstig de voorwaarden vermeld in artikel 8.4.1. Als de locatie nog tot open erfgoed moet worden ontwikkeld, wordt dat afzonderlijk onderdeel uitgebreid met een duidelijk ontwikkelingstraject in functie van een erkenning als open erfgoed, waaruit blijkt dat na dat traject de locatie zal voldoen aan de erkenningsvoorwaarden vermeld in artikel 8.4.1.
   Het beheersplan vermeldt in voorkomend geval de ingrepen die worden voorzien voor de verbeterde inhoudelijke of fysieke ontsluiting van het goed.
   Als het aangewezen is om af te wijken van de openstellingsvoorwaarden, vermeld in artikel 11.2.11, § 1, 3°, wordt in dat onderdeel van het beheersplan een motivatie daarvoor opgenomen.]1

  
Art. 8.1.4. [1 § 1er. Le plan de gestion vise une plus-value significative pour le patrimoine immobilier ou le paysage patrimonial ou pour une partie qui constitue un ensemble à part, et comprend au moins les éléments suivants :
   1° l'identification et le plan cadastral avec la délimitation du patrimoine immobilier ou paysage patrimonial ou de la partie qui constitue un ensemble à part, pour lequel/laquelle le plan de gestion est établi ;
   2° une note historique qui, sur la base de sources écrites ou iconographiques et de constatations ou traces archéologiques ou du domaine des sciences naturelles, donne une intelligence claire de la réalisation et du développement de l'endroit délimité jusqu'à son état actuel ;
   3° un inventaire des éléments patrimoniaux au sein de la délimitation et un rapport de l'état des lieux. L'état actuel est illustré au moyen de plans et de photos récents qui donnent une image claire de l'endroit délimité ;
   4° la situation et la description des valeurs patrimoniales et l'état juridique de l'endroit délimité auquel le plan de gestion se rapporte ;
   5° une vision étayée, basée sur les éléments tels que visés aux points 1° à 4° inclus et sur la gestion de l'endroit délimité et sur les objectifs de gestion qui en découlent. Si l'endroit délimité comprend, outre un site urbain et rural protégés, un paysage historico-culturel protégé, un paysage patrimonial ou un site archéologique protégé, des monuments distincts protégés et si la gestion de ceux-ci a un impact sur l'ensemble protégé plus large, le plan de gestion doit également contenir une vision sur la gestion de ces monuments ;
   6° l'énumération et la justification des directives concrètes, mesures uniques et périodiques et travaux qui sont nécessaires pour atteindre les objectifs en matière de gestion visés ;
   7° une proposition relative aux modalités selon lesquelles des comptes sont rendus sur l'exécution des directives, des mesures et des travaux, visés au point 6° et sur la réalisation des objectifs en matière de gestion, visés au point 5°. La proposition tient compte de l'obligation de rapportage, visée à l'article 8.1.8 ;
   8° le cas échéant, une proposition pour le patrimoine ZEN ;
   9° le cas échéant, une énumération des actes aux ou dans les biens protégés qui sont exemptés d'autorisation ou de notification ;
   10° lorsque le plan de gestion a trait à plusieurs détenteurs ou usagers d'un droit réel, un aperçu de la façon dont la participation et la communication sur l'établissement du plan de gestion se sont déroulées.
   La vision concernant la gestion, les objectifs en matière de gestion et les directives, les mesures et les travaux doit, le cas échéant, être conforme à la législation, aux décrets et à la réglementation et vigueur.
   § 2. Le cas échéant, une partie distincte du plan de gestion démontre que gestion concrète et l'optimisation de l'endroit en tant que patrimoine ouvert s'effectuent conformément aux conditions, telles que visées à l'article 8.4.1. Si l'endroit doit encore être développé comme patrimoine ouvert, la partie distincte concernée est élargie d'une trajectoire de développement claire en fonction d'un agrément comme patrimoine ouvert, dont il ressort qu'à la suite de la trajectoire, l'endroit répondra aux conditions d'agrément, visées à l'article 8.4.1.
   Le plan de gestion mentionne, le cas échéant, les interventions qui sont prévues pour améliorer l'accessibilité du bien sur le plan du contenu ou sur le plan physique.
   S'il est indiqué de déroger aux conditions d'ouverture, visées à l'article 11.2.11, § 1er, 3°, cette partie du plan de gestion reprend une motivation à cet effet.]1

  
Onderafdeling 5. - Indiening
Sous-section 5. - Introduction
Art. 8.1.5. Een beheersplan wordt [2 schriftelijk]2 ingediend bij het agentschap. [1 Bij de indiening van het beheersplan worden de volgende gegevens of bijlagen gevoegd:
   1° de identificatiegegevens van de zakelijkrechthouder en, in voorkomend geval, van de gebruiker of de gevolmachtigde;
   2° als het beheersplan wordt ingediend door een gevolmachtigde, een geschreven volmacht;
   3° als het beheersplan wordt ingediend door een gebruiker, het schriftelijk akkoord van de zakelijkrechthouders.]1

  
Art. 8.1.5. Un plan de gestion est introduit auprès de l'agence [2 par écrit]2. [1 Lors de l'introduction du plan de gestion, les données ou annexes suivantes seront jointes :
   1° les données d'identification du détenteur d'un droit réel et, le cas échéant, de l'usager ou du mandataire;
   2° lorsque le plan de gestion est introduit par un mandataire, une procuration écrite;
   3° lorsque le plan de gestion est introduit par un usager, l'accord écrit des détenteurs d'un droit réel.]1

  
Onderafdeling 6. - Goedkeuringsprocedure
Sous-section 6. - Procédure d'approbation
Art. 8.1.6. [1 § 1. Als er binnen de afbakening, vermeld in artikel 8.1.4, § 1, eerste lid, 1°, zones voorkomen met habitats die beschermd zijn met toepassing van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, of als het onroerend erfgoed of erfgoedlandschap geheel of gedeeltelijk ligt in het Vlaams Ecologisch Netwerk of een speciale beschermingszone met toepassing van het voormelde decreet, vraagt het agentschap voorafgaand aan de beslissing over de goedkeuring van het beheersplan een advies aan het Agentschap voor Natuur en Bos over de voorgestelde beheersdoelstellingen en de richtlijnen, de maatregelen en de werkzaamheden. Dat advies wordt verleend binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van de adviesaanvraag. Als die termijn wordt overschreden, kan aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
   § 2. Het agentschap beslist over de goedkeuring van het beheersplan binnen een termijn van negentig dagen, die ingaat op de dag van ontvangst van het beheersplan. Het agentschap brengt de aanvrager schriftelijk op de hoogte van de beslissing.
   Het agentschap kan in de beslissing tot goedkeuring voorwaarden opleggen voor de uitvoering en de opvolging van het beheersplan. Het agentschap kan in de beslissing tot goedkeuring het onroerend erfgoed of een zelfstandig onderdeel ervan erkennen als ZEN-erfgoed.
   Als het beheersplan een opsomming bevat van werken die vrijgesteld zijn van een melding of een toelating, een identificatie van ZEN-erfgoed of een ontwikkelingstraject tot open erfgoed, wordt ook de beslissing daarover meegedeeld.
   Als het beheersplan onvolledig is bevonden, of het duurzame behoud en beheer van erfgoedwaarden onvoldoende garandeert, meldt het agentschap om welke redenen en in welke zin het beheersplan moet worden aangepast om voor goedkeuring in aanmerking te komen.
   § 3. Een aangepast beheersplan kan ingediend worden bij het agentschap binnen een termijn van negentig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van de melding vermeld in paragraaf 2, vierde lid. Het aangepaste beheersplan moet tegemoet komen aan de voorgestelde wijzigingen, vermeld in paragraaf 2, vierde lid. Het beheersplan kan bovendien alleen worden aangepast met betrekking tot de voorgestelde wijzigingen.
   Als het aangepaste beheersplan tegemoetkomt aan de voorgestelde wijzigingen, vermeld in paragraaf 2, vierde lid, beslist het agentschap tot de goedkeuring van het beheersplan. Als het aangepaste beheersplan niet tegemoet komt aan de voorgestelde wijzigingen, vermeld in paragraaf 2, vierde lid, of als er binnen de termijn van negentig dagen, vermeld in het eerste lid, geen aangepast beheersplan is ingediend, keurt het agentschap het beheersplan af. Het agentschap beslist binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van het aangepaste beheersplan.
   Het agentschap brengt de aanvrager schriftelijk op de hoogte van de beslissing tot goedkeuring of afkeuring. Het agentschap ontsluit het goedgekeurde beheersplan op zijn website.
   § 4. Het agentschap brengt ook de gemeenten of intergemeentelijke onroerenderfgoeddiensten op het grondgebied waarvan het onroerend erfgoed of erfgoedlandschap, of het zelfstandig onderdeel ervan, ligt, schriftelijk op de hoogte van de beslissing tot goedkeuring of tot afkeuring. Het agentschap brengt ook het Agentschap voor Natuur en Bos schriftelijk op de hoogte van die beslissing, als er advies is verleend met toepassing van paragraaf 1.]1

  
Art. 8.1.6. [1 § 1er. Lorsque, dans la délimitation visée à l'article 8.1.4, § 1er, alinéa premier, 1°, il y a des zones avec des habitats qui sont protégés en application du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, ou lorsque le patrimoine immobilier ou le paysage patrimonial se situent en entier ou en partie dans le Réseau écologique flamand ou dans une zone de protection spéciale en application du décret précité, l'agence demande un avis à l' " Agentschap voor Natuur en Bos " concernant les objectifs de gestion proposés et les directives, les mesures et les travaux. Cet avis est rendu dans un délai de trente jours, qui prend cours le jour après la réception de la demande d'avis. Lorsque ce délai est dépassé, l'exigence d'avis peut être ignorée.
   § 2. L'agence décide de l'approbation du plan de gestion dans un délai de nonante jours, qui prend cours le jour de la réception du plan de gestion. L'agence informe le demandeur de sa décision par écrit.
   Dans la décision d'approbation, l'agence peut imposer des conditions pour l'exécution et le suivi du plan de gestion. L'agence peut dans sa décision d'approbation agréer le patrimoine immobilier ou une partie distincte de celui-ci comme patrimoine ZEN.
   Si le plan de gestion contient une énumération de travaux qui sont exemptés d'une notification ou d'une autorisation, une identification de patrimoine ZEN ou une trajectoire de développement en vue de la réalisation du patrimoine ouvert, la décision y afférente est également communiquée.
   Lorsque le plan de gestion est jugé incomplet, ou garantit insuffisamment la conservation et gestion durables de valeurs patrimoniales, l'agence notifie pour quelles raisons et dans quel sens le plan de gestion doit être adapté afin d'être éligible à l'approbation.
   § 3. Un plan de gestion adapté peut être introduit auprès de l'agence dans un délai de nonante jours, qui prend cours le jour après la réception de la notification visée au paragraphe 2, alinéa quatre. Le plan de gestion adapté doit répondre aux modifications proposées, visées au paragraphe 2, alinéa quatre. Le plan de gestion ne peut en plus être ajusté que par rapport aux modifications proposées.
   Si le plan de gestion ajusté répond aux modifications proposées, visées au paragraphe 2, alinéa quatre, l'agence décide d'approuver le plan de gestion. Lorsque le plan de gestion adapté ne répond pas aux modifications proposées, visées au paragraphe 2, alinéa quatre, ou lorsque, dans le délai de nonante jours, visé à l'alinéa premier, aucun plan de gestion adapté n'a été introduit, l'agence désapprouve le plan de gestion. L'agence décide dans un délai de trente jours, qui prend cours le jour après la réception du plan de gestion adapté.
   L'agence informe le demandeur de la décision d'approbation ou de désapprobation par écrit. L'agence met le plan de gestion approuvé à la disposition sur son site web.
   § 4. L'agence met également au courant les communes ou les services du patrimoine immobilier intercommunaux sur le territoire desquel(le)s se situent le patrimoine immobilier ou le paysage patrimonial, ou la partie qui constitue une entité à part, de la décision d'approbation ou de désapprobation, par écrit. L'agence met également au courant l' " Agentschap voor Natuur en Bos " de cette décision, lorsqu'un avis est rendu en application du paragraphe 1er.]1

  
Onderafdeling 7. - Geldigheidsduur
Sous-section 7. - Durée de validité
Art. 8.1.7. Een goedgekeurd beheersplan heeft een geldigheidsduur van [1 24]1 jaar.
  
Art. 8.1.7. Un plan de gestion approuvé a une durée de validité de [1 vingt-quatre]1 ans.
  
Onderafdeling 8. - Evaluatie en opvolging
Sous-section 8. - Evaluation et suivi
Art. 8.1.8. [1 § 1. De zakelijkrechthouder, de gebruiker of zijn gevolmachtigde volgt de uitvoering van het beheersplan op en rapporteert daarover om de zes jaar, te rekenen vanaf de datum van de goedkeuring van het beheersplan, schriftelijk aan het agentschap. Het rapport bevat minstens een onderhoudslogboek.
   § 2. Het agentschap evalueert de uitvoering van het beheersplan op basis van het rapport, vermeld in paragraaf 1. Als uit de evaluatie blijkt dat de beheersmaatregelen die zijn opgenomen in het goedgekeurde beheersplan onvoldoende uitgevoerd zijn of niet geschikt zijn om de beheersdoelstellingen te halen, neemt het agentschap een beslissing daarover binnen een termijn van negentig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van het rapport. In de beslissing wordt vermeld om welke redenen en in welke zin het beheer moet worden aangepast.
   Het agentschap brengt de zakelijkrechthouder, de gebruiker of zijn gevolmachtigde schriftelijk op de hoogte van de beslissing.
   Het agentschap brengt ook de gemeenten of intergemeentelijke onroerenderfgoeddiensten op het grondgebied waarvan het onroerend erfgoed, erfgoedlandschap of een zelfstandig onderdeel daarvan ligt, schriftelijk op de hoogte van die beslissing.]1

  
Art. 8.1.8. [1 § 1er. Le titulaire du droit réel, l'utilisateur ou son mandataire suit l'exécution du plan de gestion et établit à l'attention de l'agence un rapport écrit sexennal y afférent, à partir de la date de l'approbation du plan de gestion. Le rapport contient au minimum un compte rendu d'entretien.
   § 2. L'agence évalue l'exécution du plan de gestion sur la base du rapport, tel que visé au paragraphe 1er. Lorsqu'il ressort de l'évaluation que les mesures de gestion qui sont reprises dans le plan de gestion approuvé sont insuffisamment exécutées ou ne sont pas aptes à atteindre les objectifs de gestion, l'agence prend une décision à ce sujet dans un délai de nonante jours, qui prend cours le jour après la réception du rapport. La décision mentionne les raisons pour lesquelles et le sens dans lequel la gestion doit être adaptée.
   L'agence informe le titulaire du droit réel, l'utilisateur ou son mandataire de la décision par écrit.
   L'agence informe également les communes ou les services du patrimoine immobilier intercommunaux sur le territoire desquels se situent le patrimoine immobilier, le paysage patrimonial ou une partie distincte de ceux-ci de cette décision.]1

  
Onderafdeling 9. - Aanpassingen
Sous-section 9. - Adaptations
Art. 8.1.9. Een goedgekeurd beheersplan kan aangepast worden op gemotiveerd verzoek van de zakelijkrechthouder, de gebruiker of de gevolmachtigde of na schriftelijk verzoek van het agentschap aan de zakelijkrechthouder, de gebruiker of de gevolmachtigde als de aanpassing van het goedgekeurde beheersplan wenselijk is in het kader van een optimaler beheer van de erfgoedwaarden.
  De aanvraag tot aanpassing bevat de volgende elementen:
  1° de identificatiegegevens van de zakelijkrechthouder, de gebruiker of de gevolmachtigde. De gevolmachtigde voegt een geschreven volmacht bij de aanvraag;
  2° [1 de identificatie van het onroerend goed of erfgoedlandschap of het zelfstandige onderdeel ervan waarvoor het beheersplan moet worden aangepast;]1
  3° de afbakening op het kadasterplan van het deel waarvoor het beheersplan moet worden aangepast;
  4° de motivering van het verzoek tot aanpassing en een gecoördineerde versie van de aangepaste delen van het goedgekeurde beheersplan met aanduiding van de aangepaste gegevens.
  Als er binnen de afbakening, vermeld in artikel 8.1.9, 3°, zones voorkomen met habitats die beschermd zijn met toepassing van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, of als het onroerend erfgoed of erfgoedlandschap geheel of gedeeltelijk ligt in het Vlaams Ecologisch Netwerk of een speciale beschermingszone in toepassing van voormeld decreet, vraagt het agentschap voorafgaand aan de beslissing een advies aan het Agentschap voor Natuur en Bos met betrekking tot de voorgestelde aanpassing. Dat advies wordt verleend binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van de adviesaanvraag. Als deze termijn wordt overschreden, kan aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
  Het agentschap onderzoekt de aanvraag tot aanpassing en beslist binnen negentig dagen, vanaf de dag na de ontvangst. De beslissing wordt door het agentschap [1 schriftelijk]1 ter kennis gebracht van de aanvrager.
  [1 ...]1
  Het agentschap kan in de beslissing tot goedkeuring ook voorwaarden opleggen voor de uitvoering en de opvolging van het aangepaste beheersplan.
  De goedkeuring van de aanpassing van een beheersplan geldt voor de resterende termijn van de oorspronkelijke looptijd van het beheersplan.
  
Art. 8.1.9. Un plan de gestion approuvé peut être adapté à la demande motivée du titulaire du droit réel, de l'utilisateur ou du mandataire ou après la demande écrite de l'agence au titulaire du droit réel, à l'utilisateur ou au mandataire lorsque l'adaptation du plan de gestion approuvé est souhaitable dans le cadre d'une gestion plus optimale des valeurs patrimoniales.
  La demande d'adaptation comprend les éléments suivants :
  1° les données d'identification du titulaire du droit réel, de l'utilisateur ou du mandataire. Le mandataire joint un mandat écrit à la demande ;
  2° [1 l'identification du bien immobilier ou paysage patrimonial ou de la partie qui constitue une entité à part, pour lequel/laquelle le plan de gestion doit être adapté ;]1
  3° la délimitation sur le plan cadastral de la partie pour laquelle le plan de gestion doit être adapté ;
  4° la motivation de la demande d'adaptation et une version coordonnée des parties adaptées du plan de gestion approuvé avec indication des données adaptées.
  Lorsque, dans la délimitation visée à l'article 8.1.9, 3°, il y a des zones avec des habitats qui sont protégés en application du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, ou lorsque le patrimoine immobilier ou paysage patrimonial se situe en entier ou en partie dans le Réseau écologique flamand ou dans une zone de protection spéciale en application du décret précité, l'agence demande un avis à l'Agence de la Nature et des Forêts concernant l'adaptation proposée avant la décision. Cet avis est rendu dans un délai de trente jours, qui prend cours le jour après la réception de la demande d'avis. Lorsque ce délai est dépassé, l'exigence d'avis peut être ignorée.
  L'agence examine la demande d'adaptation et décide dans les quatre-vingt-dix jours, à partir du jour après la réception. La décision est portée à la connaissance du demandeur par l'agence, [1 par écrit]1.
  [1 ...]1
  Dans la décision d'approbation, l'agence peut également imposer des conditions pour l'exécution et le suivi du plan de gestion adapté.
  L'approbation de l'adaptation d'un plan de gestion vaut pour le délai restant de la durée initiale du plan de gestion.
  
Onderafdeling 10. - Beroepsprocedure
Sous-section 10. - Procédure de recours
Art. 8.1.10. De zakelijkrechthouder, de gebruiker of de gevolmachtigde kan tegen de beslissingen die genomen zijn met toepassing van dit hoofdstuk, een georganiseerd administratief beroep instellen bij de minister.
  [2 Een beroepschrift wordt schriftelijk ingediend binnen een termijn van dertig dagen die ingaat op de dag na de kennisgeving van de beslissing. Het beroepschrift bestaat minstens uit een gemotiveerd verzoekschrift met vermelding van de datum en het referentienummer van de bestreden beslissing.]2
  [2 ...]2
  De minister kan bij de Commissie advies inwinnen over het beroep. De Commissie beschikt over een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van de adviesvraag, om over het beroep een advies uit te brengen. Als er niet tijdig advies wordt verleend, wordt aan de adviesvraag voorbijgegaan.
  [2 De minister neemt een beslissing over het beroep binnen een termijn van zestig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van het beroepschrift. De beslissing wordt schriftelijk bezorgd aan de indiener van het beroep.]2
  
Art. 8.1.10. Le titulaire du droit réel, l'utilisateur ou le mandataire peut introduire un recours administratif organisé auprès du Ministre contre les décisions qui sont prises en application du présent chapitre.
  [2 Un acte de recours est introduit par écrit dans un délai de trente jours qui prend cours le jour après la notification de la décision. " L'acte de recours comprend au moins une requête motivée avec mention de la date et du numéro de référence de la décision contestée.]2
  [1 [2 ...]2]1
  Le Ministre peut demander l'avis de la Commission concernant le recours. La Commission dispose d'un délai de trente jours, qui prend cours le jour après la réception de la demande d'avis, pour émettre un avis concernant le recours. Lorsqu'aucun avis n'est rendu à temps, la demande d'avis est ignorée.
  [2 Le Ministre prend une décision concernant le recours dans un délai de soixante jours, qui prend cours le jour après la réception de l'acte de recours. La décision est envoyée à l'auteur du recours par écrit.]2
  
Afdeling 2. - Beheerscommissies
Section 2. - Commissions de gestion
Art. 8.2.1. § 1. Elke zakelijkrechthouder, gebruiker of gevolmachtigde die betrokken is bij het beheer van onroerend erfgoed en erfgoedlandschappen kan bij het agentschap een aanvraag indienen tot oprichting van een beheerscommissie.
  § 2. De aanvraag tot oprichting van een beheerscommissie bevat minstens volgende elementen:
  1° de identificatiegegevens van de zakelijkrechthouder, de gebruiker of de gevolmachtigde;
  [1 2° de identificatie van het onroerend erfgoed, erfgoedlandschap of het zelfstandig onderdeel ervan waarvoor de beheerscommissie wordt opgericht;]1
  3° een voorstel van samenstelling van de beheerscommissie;
  4° een voorstel van taken die de beheerscommissie op zich wil nemen.
  § 3. Een beheerscommissie heeft minstens een van de volgende taken:
  1° structurering en organisatie van overleg tussen de verschillende zakelijkrechthouders, gebruikers en beheerders van het onroerend erfgoed of erfgoedlandschap in kwestie;
  2° adviesverlening en begeleiding bij de opmaak van het beheersplan;
  3° adviesverlening, begeleiding bij het beheer en de uitvoering van het beheersplan;
  4° opvolging en evaluatie van de effectiviteit van de maatregelen die genomen zijn in het kader van het beheersplan.
  [1 § 4. Het agentschap beslist binnen een termijn van negentig dagen die ingaat op de dag na de ontvangst van de aanvraag tot oprichting van een beheerscommissie en deelt de beslissing daarover schriftelijk mee aan de aanvrager. Het agentschap deelt, na overleg met de aanvrager, op dat moment ook mee welke relevante bijkomende partijen vertegenwoordigd moeten zijn in een beheerscommissie, naast de partijen, vermeld in paragraaf 5.]1
  § 5. De samenstelling van een beheerscommissie wordt bekrachtigd door het agentschap en bestaat ten minste uit een evenredige vertegenwoordiging van de zakelijkrechthouders of de gebruikers en een vertegenwoordiging van de adviserende overheden. De voorzitter wordt gekozen onder de leden van de beheerscommissie.
  § 6. De beheerscommissie kan pas geldig de taken uitvoeren die bepaald zijn in de goedgekeurde aanvraag tot oprichting, na de bekrachtiging van de samenstelling, vermeld in paragraaf 5. Wijzigingen in de samenstelling van de beheerscommissie moeten ook ter bekrachtiging aan het agentschap worden voorgelegd.
  § 7. De beheerscommissie vergadert ten minste één keer per jaar. Een vergadering wordt ook georganiseerd als tenminste een derde van de leden daarom verzoekt.
  Deskundigen of getuigen kunnen alleen aan een vergadering deelnemen na een schriftelijke uitnodiging van de voorzitter.
  De beheerscommissie bezorgt de verslagen van de vergaderingen aan het agentschap.
  
Art. 8.2.1. § 1er. Chaque titulaire du droit réel, utilisateur ou mandataire qui est concerné par la gestion de patrimoine immobilier et de paysages patrimoniaux peut introduire une demande de création d'une commission de gestion auprès de l'agence.
  § 2. La demande de création d'une commission de gestion comprend au moins les éléments suivants :
  1° les données d'identification du titulaire du droit réel, de l'utilisateur ou du mandataire ;
  2° [1 l'identification du patrimoine immobilier, du paysage patrimonial ou de la partie autonome de ceux-ci, pour lequel/laquelle la commission de gestion est créée ;]1
  3° une proposition de composition de la commission de gestion ;
  4° une proposition de tâches que veut assumer la commission de gestion.
  § 3. Une commission de gestion a au moins une des tâches suivantes :
  1° structuration et organisation de la concertation entre les différents titulaires du droit réel, utilisateurs et gestionnaires du patrimoine immobilier ou paysage patrimonial en question ;
  2° fourniture d'avis et accompagnement lors de l'établissement du plan de gestion ;
  3° fourniture d'avis, accompagnement lors de la gestion et l'exécution du plan de gestion ;
  4° suivi et évaluation de l'efficacité des mesures qui sont prises dans le cadre du plan de gestion.
  § 4. [1 L'agence décide, dans un délai de nonante jours qui prend cours le jour après la réception de la demande de création d'une commission de gestion et communique la décision à ce sujet au demandeur par écrit. L'agence communique, après concertation avec le demandeur, à ce moment également quelles parties pertinentes, supplémentaires, doivent être représentées dans une commission de gestion, outre les parties visées au paragraphe 5.]1
  § 5. La composition d'une commission de gestion est confirmée par l'agence et comprend au moins une représentation proportionnelle des titulaires du droit réel ou des utilisateurs et une représentation des autorités consultatives. Le président est choisi parmi les membres de la commission de gestion.
  § 6. La commission de gestion ne peut exécuter les tâches fixées dans la demande de création approuvée valablement qu'après la confirmation de la composition, visée au paragraphe 5. Des modifications de la composition de la commission de gestion doivent également être soumises à l'agence pour confirmation.
  § 7. La commission de gestion se réunit au moins une fois par an. Une réunion est également organisée lorsqu'au moins un tiers des membres le demandent.
  Des experts ou des témoins peuvent uniquement participer à une réunion après une invitation écrite du président.
  La commission de gestion transmet les rapports des réunions à l'agence.
  
Afdeling 3. [1 - Geïntegreerde beheersplannen]1
Section 3. [1 - Plans de gestion intégrés]1
Onderafdeling 1. [1 - Opdrachtgever]1
Sous-section 1re. [1 - Donneur d'ordre]1
Art. 8.3.1. [1 Als de zakelijkrechthouder of de gebruiker voor een onroerend erfgoed of een erfgoedlandschap of voor een [2 zelfstandig onderdeel ervan]2, tegelijkertijd of opeenvolgend een beheersplan onroerend erfgoed en een natuurbeheerplan met toepassing van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu opstelt, dan worden de verwezenlijkingen van alle beheersdoelstellingen voor dat goed in 1 beheersplan geïntegreerd. Eén of meer zakelijkrechthouders of gebruikers kunnen een gevolmachtigde aanwijzen die een gezamenlijke aanvraag tot opmaak van een geïntegreerd beheersplan in hun plaats indient.
   Het Agentschap voor Natuur en Bos maakt het ontwerp van een geïntegreerd beheersplan voor een natuurdomein op.]1

  
Art. 8.3.1. [1 Si le titulaire du droit réel ou l'utilisateur pour un patrimoine immobilier ou un paysage patrimonial ou pour [2 une partie autonome de ceux-ci]2, établit simultanément ou consécutivement un plan de gestion de patrimoine immobilier et un plan de gestion de la nature en application du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, les réalisations de tous les objectifs de gestion pour ce bien sont intégrées dans 1 plan de gestion. Un ou plusieurs titulaires du droit réel ou utilisateurs peuvent désigner un mandataire qui introduit une demande commune d'établissement d'un plan de gestion intégré en leur nom.
   L'Agence de la Nature et des Forêts établit le projet d'un plan de gestion intégré pour un domaine naturel.]1

  
Onderafdeling 2. [1 - Verkenning]1
Sous-section 2. [1 - Exploration]1
Art. 8.3.2. [1 Voor er gestart wordt met de opmaak van een geïntegreerd beheersplan, dient de zakelijkrechthouder, de gebruiker of de gevolmachtigde een verkenning in bij het agentschap of bij het Agentschap voor Natuur en Bos.
   De verkenning als vermeld in het eerste lid bevat, naast de elementen als vermeld in artikel 3, eerste lid, 1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2017 betreffende de natuurbeheerplannen en de erkenning van natuurreservaten, tevens de volgende elementen:
   1° de identificatie en grafische afbakening van het onroerend erfgoed of erfgoedlandschap of van het [2 zelfstandig onderdeel ervan]2, waarvoor het nodige beheersplan zal worden opgesteld;
   2° een oplijsting en een beschrijving van de erfgoedwaarde en erfgoedelementen;
   3° een beknopte omschrijving van de visie op het beheer;
   4° als het beheersplan betrekking heeft op verschillende zakelijkrechthouders of gebruikers, een voorstel over hoe de participatie in en communicatie over de opmaak van het beheersplan zal verlopen.]1

  
Art. 8.3.2. [1 Avant de commencer l'établissement d'un plan de gestion intégré, le titulaire du droit réel, l'utilisateur ou le mandataire introduit une exploration auprès de l'agence ou auprès de l'Agence de la Nature et des Forêts.
   L'exploration telle que visée à l'alinéa 1er comprend, outre les éléments visés à l'article 3, alinéa 1er, 1°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juillet 2017 relatif aux plans de gestion de la nature et à l'agrément de réserves naturelles, également les éléments suivants :
   1° l'identification et la délimitation graphique du patrimoine immobilier ou paysage patrimonial ou [2 de la partie autonome de ceux-ci]2, pour lequel/laquelle le plan de gestion nécessaire sera établi ;
   2° une liste et une description de la valeur patrimoniale et des éléments patrimoniaux ;
   3° une description succincte de la vision sur la gestion ;
   4° lorsque le plan de gestion a trait à différents titulaires du droit réel ou utilisateurs, une proposition concernant la manière dont la participation à et la communication sur l'établissement du plan de gestion se déroulera.]1

  
Onderafdeling 3. [1 - Ontvankelijkheid van de verkenning]1
Sous-section 3. [1 - Recevabilité de l'exploration]1
Art. 8.3.3. [1 Het behandelende agentschap gaat na of de in artikel 8.3.2 vermelde verkenning volledig is, en verzendt binnen een termijn van dertig [2 dagen]2 na de indiening ervan [2 schriftelijk]2 een ontvangstmelding met daarin een volledigheidsverklaring. Bij eventuele onvolkomenheden zendt het behandelende agentschap binnen een termijn van dertig [2 dagen]2 het dossier terug met opgave van de redenen van onvolledigheid. Het behandelend agentschap neemt de beslissing inzake de volledigheid op basis van de elementen vermeld in artikel 4, vierde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2017 betreffende de natuurbeheerplannen en de erkenning van natuurreservaten en op basis van de elementen in artikel 8.3.2.
   Het Agentschap voor Natuur en Bos beoordeelt de verkenning op basis van de overeenstemming van de keuze voor één van de vier types terreinen, vermeld in artikel 16ter, § 1, van het decreet van 21 oktober 1997, met de bepalingen van artikel 16ter, § 2, artikel 16quater, artikel 16quinquies en artikel 16sexies van het decreet van 21 oktober 1997 en aan de hand van de natuurstreefbeelden, vermeld in bijlage 3 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2017 betreffende de natuurbeheerplannen en de erkenning van natuurreservaten, die voor het type in aanmerking komen.
   Binnen een termijn van zestig [2 dagen]2 [2 die ingaat op de dag na de kennisgeving van de volledigheidsverklaring]2, vermeld in het eerste lid, neemt het behandelend agentschap een beslissing over de verkenning. Het bezorgt die beslissing [2 schriftelijk]2 aan de indiener.]1

  
Art. 8.3.3. [1 L'agence traitante vérifie si l'exploration visée à l'article 8.3.2 est complète et envoie, dans un délai de trente [2 jours]2 après son introduction, [2 par écrit ]2 un accusé de réception contenant une déclaration de complétude. En cas de défauts, l'agence traitante renvoie le dossier dans un délai de trente [2 jours]2 moyennant mention des motifs d'incomplétude. L'agence traitante prend la décision relative à la complétude sur la base des éléments visés à l'article 4, alinéa 4, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juillet 2017 relatif aux plans de gestion de la nature et à l'agrément de réserves naturelles, et sur la base des éléments de l'article 8.3.2.
   L'Agence de la Nature et des Forêts évalue l'exploration sur la base de la concordance du choix d'un des quatre types de terrains, visés à l'article 16ter, § 1er, du décret du 21 octobre 1997, avec les dispositions de l'article 16ter, § 2, l'article 16quater, l'article 16quinquies et l'article 16sexies du décret du 21 octobre 1997 et à l'aide des objectifs naturels, visés à l'annexe 3 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juillet 2017 relatif aux plans de gestion de la nature et à l'agrément de réserves naturelles, qui entrent en considération pour le type.
   Dans un délai de soixante [2 jours]2 [2 qui prend cours le jour après la notification de la déclaration de complétude]2, visée à l'alinéa 1er, l'agence traitante prend une décision sur l'exploration. Elle transmet cette décision à l'auteur [2 par écrit]2.]1

  
Onderafdeling 4. [1 - Opmaak]1
Sous-section 4. [1 - Etablissement]1
Art. 8.3.4. [1 Het geïntegreerd beheersplan bevat ten minste de elementen, als vermeld in artikel 8.1.4, [2 ...]2 alsook de delen vermeld in artikel 3, eerste lid, 2°, 3°, 4° en 5°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2017 betreffende de natuurbeheerplannen en de erkenning van natuurreservaten.
   De visie op het beheer, de beheerdoelstellingen en de richtlijnen, maatregelen en werkzaamheden moet in voorkomend geval in overeenstemming zijn met de geldende regelgeving.]1

  
Art. 8.3.4. [1 Le plan de gestion intégré comprend au moins les éléments tels que visés à l'article 8.1.4, [2 ...]2 ainsi que les parties visées à l'article 3, alinéa 1er, 2°, 3°, 4° et 5°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juillet 2017 relatif aux plans de gestion de la nature et à l'agrément de réserves naturelles.
   La vision concernant la gestion, les objectifs de gestion et les directives, les mesures et les travaux doivent, le cas échéant, être conformes à la réglementation en vigueur.]1

  
Onderafdeling 5. [1 - Indiening]1
Sous-section 5. [1 - Introduction]1
Art. 8.3.5. [1 Nadat het agentschap een gunstige beslissing heeft genomen over de verkenning, vermeld in artikel 8.3.2 van dit besluit, wordt het ontwerp van een geïntegreerd beheersplan, vermeld in artikel 8.3.4, ingediend bij het behandelende agentschap.
   Het ontwerp van een geïntegreerd beheersplan wordt [2 schriftelijk]2 ingediend bij het behandelende agentschap, voorzien van de gegevens of bijlagen vermeld in artikel 8.1.5.]1

  
Art. 8.3.5. [1 Après que l'agence a pris une décision favorable sur l'exploration, visée à l'article 8.3.2 du présent arrêté, le projet d'un plan de gestion intégré, visé à l'article 8.3.4, est introduit auprès de l'agence traitante.
   Le projet d'un plan de gestion intégré est introduit auprès de l'agence [2 par écrit]2, comprenant les données ou annexes visées à l'article 8.1.5.]1

  
Onderafdeling 6. [1 - Goedkeuringsprocedure]1
Sous-section 6. [1 - Procédure d'approbation]1
Art. 8.3.6. [1 § 1. Binnen de dertig [2 dagen]2 nadat het ontwerp van het geïntegreerde beheersplan werd ingediend, stuurt het behandelende agentschap [2 schriftelijk]2 een ontvangstmelding met daarin een volledigheidsverklaring aan de indiener. Ingeval er elementen, als vermeld in artikel 8.3.4, ontbreken, stuurt het behandelende agentschap [2 schriftelijk]2 het ontwerp van geïntegreerd beheersplan terug, met opgave van de redenen van onvolledigheid.
   § 2. Als het ontwerp van geïntegreerd beheersplan betrekking heeft op een terrein van type twee, drie of vier als vermeld in artikel 16ter, § 1, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, moet het ontwerp voor consultatie ter inzage gelegd worden bij het behandelende agentschap, bij de indiener of op een door de indiener en het behandelende agentschap gezamenlijk te bepalen plaats in de omgeving van het gebied in kwestie. De indiener zorgt voor de aankondiging van de consultatie over het ontwerp van het geïntegreerde beheersplan binnen een termijn van dertig [2 dagen]2, die ingaat op de dag na de kennisgeving van de ontvangstmelding, vermeld in paragraaf 2. De aankondiging wordt bekend gemaakt op één van de volgende wijzen:
   1° in minstens één regionale krant;
   2° via de gemeentelijke informatiekanalen;
   3° door middel van aanplakking op een duidelijk zichtbare wijze langs de toegangsweg of -wegen van het terrein in kwestie.
   De wijze van bekendmaking als vermeld in het eerste lid wordt nader bepaald in de verkenning, vermeld in artikel 8.3.2, van dit besluit.
   In de aankondiging worden de volgende gegevens vermeld:
   1° de ligging en, in voorkomend geval, de naam van het gebied waarop het ontwerp van geïntegreerd beheersplan betrekking heeft;
   2° de plaats waar en de uren waarop het ontwerp van het geïntegreerde beheersplan kan worden ingezien;
   3° de begin- en de einddatum van de consultatieperiode. Die periode moet dertig [2 dagen]2 duren;
   4° de mededeling dat gedurende de periode, vermeld in punt 3°, opmerkingen en bezwaren aan het behandelende agentschap kunnen worden gericht .
   § 3. Na de kennisgeving van de volledigheidsverklaring, vermeld in artikel 8.3.6, § 1, legt het behandelende agentschap het ontwerp van natuurbeheerplan ter advies voor aan de instanties en in die gevallen als vermeld in artikel 6, § 3, 1°, 2° en 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2017 betreffende de natuurbeheerplannen en de erkenning van natuurreservaten.
   De adviezen worden uitgebracht aan het behandelende agentschap binnen een termijn van dertig [2 dagen]2, die ingaat de dag na de ontvangst van de adviesvraag. Als die termijn wordt overschreden, kan aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
   § 4. Binnen zeven [2 dagen]2 na het verstrijken van de consultatieperiode, vermeld in paragraaf 2, en de termijn van dertig [2 dagen]2, vermeld in paragraaf 3, tweede lid, bezorgt het behandelende agentschap een kopie van de ingediende opmerkingen en bezwaren en adviezen aan de indiener van het geïntegreerde beheersplan.
   De indiener past het ontwerp van het geïntegreerd beheersplan zo nodig aan en voegt er een verslag van de consultatie en adviesronde bij. Dat verslag omvat, naast het bewijs van de aankondiging van de consultatie, ook een vermelding van de manier waarop en de redenen waarom al dan niet rekening wordt gehouden met de ingediende opmerkingen, bezwaren en adviezen.
   Aan het ontwerp van het geïntegreerde beheersplan kan de indiener alleen aanpassingen aanbrengen die gebaseerd zijn op of voortvloeien uit de ingediende opmerkingen, bezwaren en adviezen. Het aangepaste ontwerp van het geïntegreerd beheersplan kan echter de oppervlakte van het gebied waarop het betrekking heeft, niet uitbreiden.
   Het verslag van de consultatie- en adviesronde wordt samen met het definitieve ontwerp van het geïntegreerd beheersplan ingediend bij het behandelend agentschap binnen negentig [2 dagen]2 na ontvangst van de opmerkingen, de bezwaren en de adviezen, vermeld in het eerste lid.
   § 5. Het agentschap en het agentschap voor Natuur en Bos beslissen samen over de goedkeuring binnen een termijn van negentig [2 dagen]2, die ingaat op de dag na ontvangst van het verslag van de consultatie- en adviesronde en het ontwerp van het geïntegreerd beheersplan. Het agentschap voor Natuur en Bos neemt de beslissing op basis van de elementen vermeld in artikel 7, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2017 betreffende de natuurbeheerplannen en de erkenning van natuurreservaten. [2 ...]2
   § 6. Het behandelende agentschap brengt de indiener [2 schriftelijk]2 op de hoogte van de beslissing vermeld in paragraaf 5.
   § 7. In een beslissing tot goedkeuring kunnen voorwaarden opgelegd worden over de uitvoering en de opvolging van het geïntegreerde beheersplan.
   Als het geïntegreerd beheersplan niet wordt goedgekeurd, brengt het behandelende agentschap de indiener [2 schriftelijk]2 op de hoogte van de gemotiveerde beslissing over de onderdelen van het ontwerp van geïntegreerd beheersplan die moeten worden gewijzigd.
   Een aangepast ontwerp van geïntegreerd beheersplan kan ingediend worden bij het behandelende agentschap binnen een termijn van negentig [2 dagen]2, die ingaat de dag [2 na de kennisgeving van de beslissing]2, vermeld in het tweede lid. Een aanpassing van het beheersplan kan bovendien alleen met betrekking tot de voorgestelde wijzigingen en kan de oppervlakte van het gebied waarop het betrekking heeft, niet uitbreiden.
   Als het aangepaste beheersplan tegemoetkomt aan de voorgestelde wijzigingen, dan beslissen het agentschap en het agentschap voor Natuur en Bos dat het beheersplan wordt goedgekeurd. Als het aangepaste beheersplan niet tegemoetkomt aan de voorgestelde wijzigingen, vermeld in paragraaf 7, tweede lid, of als er binnen de voormelde termijn van negentig [2 dagen]2 geen aangepast beheerplan is ingediend, brengt het behandelende agentschap de indiener [2 schriftelijk]2 op de hoogte van de afkeuring. Het behandelende agentschap brengt ook de gemeente of gemeenten waarin het onroerend goed ligt en/of intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst of -diensten van die gemeente of gemeenten, op de hoogte van die beslissing.
   § 8. Als het geïntegreerd beheersplan een gebied betreft dat een natuurdomein omvat, of een gebied betreft met enerzijds natuurdomein en anderzijds één of meer openbare of private terreinen die beheerd worden ten behoeve van het natuurbehoud, dan is de goedkeuringsprocedure, vermeld in paragraaf 2 tot en met 7 van overeenkomstige toepassing, evenwel met dien verstande dat beslissingen genomen worden door het agentschap en de minister, bevoegd voor het natuurbehoud.]1

  
Art. 8.3.6. [1 § 1er. Dans les trente [2 jours]2 après l'introduction du projet du plan de gestion intégré, l'agence traitante envoie à l'auteur [2 par écrit]2 un accusé de réception contenant une déclaration de complétude. Si certains éléments, visés à l'article 8.3.4, font défaut, l'agence traitante renvoie [2 par écrit]2 le projet de plan de gestion intégré, avec mention des motifs d'incomplétude.
   § 2. Si le projet du plan de gestion intégré concerne un terrain du type 2, 3 ou 4, tel que visé à l'article 16ter, § 1er, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, le projet doit pouvoir être consulté auprès de l'agence traitante, de l'auteur ou à un endroit à déterminer en commun par l'auteur et l'agence traitante, aux environs de la zone en question. L'auteur assure l'annonce de la consultation sur le projet de plan de gestion intégré dans les trente [2 jours]2, qui commence le jour après la notification de l'accusé de réception, visée au paragraphe 2. L'annonce est publiée d'une des manières suivantes :
   1° dans au moins un journal régional ;
   2° par le biais des canaux d'information communaux ;
   3° au moyen d'affichage clairement visible le long de la (des) voie(s) d'accès au terrain en question.
   Le mode de publication tel que visé à l'alinéa 1er, est précisé dans l'exploration, visée à l'article 8.3.2 du présent arrêté.
   L'annonce fera mention des éléments suivants :
   1° l'emplacement et, le cas échéant, le nom de la zone à laquelle le projet de plan de gestion intégré a trait ;
   2° le lieu où et les heures auxquelles le projet du plan de gestion intégré peut être consulté ;
   3° la date de début et de fin de la période consultation. Cette période doit durer trente [2 jours]2 ;
   4° la communication que, pendant la période visée au point 3°, des objections et observations peuvent être adressées à l'agence traitante.
   § 3. Après la notification de la déclaration de complétude, visée à l'article 8.3.6, § 1er, l'agence traitante soumet le projet du plan de gestion intégré à l'avis des instances et dans ces cas tels que visés à l'article 6, § 3, 1°, 2° et 4°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juillet 2017 relatif aux plans de gestion de la nature et à l'agrément de réserves naturelles.
   Les avis sont rendus à l'agence traitante dans un délai de trente [2 jours]2, qui prend cours le jour après la réception de la demande d'avis. Lorsque ce délai est dépassé, l'exigence d'avis peut être ignorée.
   § 4. Dans les sept [2 jours]2 après l'expiration de la période de consultation, visée au paragraphe 2, et du délai de trente [2 jours]2, visé au paragraphe 3, alinéa 2, l'agence traitante transmet une copie des observations, objections et avis soumis à l'auteur du plan de gestion intégré.
   L'auteur adapte le projet du plan de gestion intégré si nécessaire, et y ajoute un rapport de la phase de consultation et d'avis. Outre la preuve de l'annonce de la consultation, ce rapport contient également une mention de la manière dont et des raisons pour lesquelles il est tenu compte ou non des observations, objections et avis soumis.
   L'auteur ne peut apporter des adaptations au projet de plan de gestion intégré que si elles sont basées sur ou résultent des observations, objections et avis soumis. Le projet adapté du plan de gestion intégré ne peut toutefois pas étendre la superficie de la zone à laquelle le plan a trait.
   Le rapport de la phase de consultation et d'avis et le projet définitif du plan de gestion intégré sont introduits auprès de l'agence traitante dans les nonante [2 jours]2 après la réception des observations, des objections et des avis, visés à l'alinéa 1er.
   § 5. L'agence et l'Agence de la Nature et des Forêts décident conjointement de l'approbation dans un délai de nonante [2 jours]2, qui commence le jour après la réception du rapport de la phase de consultation et d'avis et du projet du plan de gestion intégré. L'Agence de la Nature et des Forêts prend la décision sur la base des éléments visés à l'article 7, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juillet 2017 relatif aux plans de gestion de la nature et à l'agrément de réserves naturelles. [2 ...]2.
   § 6. L'agence traitante informe l'auteur [2 par écrit]2 de la décision visée au paragraphe 5.
   § 7. Dans une décision d'approbation, des conditions peuvent être imposées quant à l'exécution et au suivi du plan de gestion intégré.
   Si le plan de gestion intégré n'est pas approuvé, l'agence traitante informe l'auteur [2 par écrit]2 de la décision motivée sur les parties du projet du plan de gestion intégré qui doivent être modifiées.
   Un projet de plan de gestion intégré adapté peut être introduit auprès de l'agence traitante dans un délai de nonante jours, qui prend cours le jour [2 après notification de la décision]2 visée à l'alinéa 2. En outre, une adaptation du plan de gestion est uniquement possible en ce qui concerne les modifications proposées et ne peut pas étendre la superficie de la zone à laquelle il a trait.
   Si le plan de gestion adapté répond aux modifications proposées, l'agence et l'Agence de la Nature et des Forêts décident d'approuver le plan de gestion. Si le plan de gestion adapté ne répond pas aux modifications proposées, visées au paragraphe 7, alinéa 2, ou si aucun plan de gestion adapté n'est introduit dans le délai précité de nonante [2 jours]2, l'agence traitante informe l'auteur [2 par écrit]2 de la désapprobation. L'agence traitante informe également la commune ou les communes dans lesquelles se situe le bien immobilier, et/ou le(s) service(s) intercommunal du patrimoine immobilier de cette commune ou de ces communes, de la décision.
   § 8. Si le plan de gestion intégré concerne une zone qui comprend un domaine naturel, ou une zone contenant un domaine naturel d'une part et un ou plusieurs terrains privés ou publics gérés en faveur de la conservation de la nature d'autre part, la procédure d'approbation, visée aux paragraphes 2 à 7 inclus, s'applique par analogie, étant entendu toutefois que les décisions sont prises par l'agence et le Ministre, chargé de la conservation de la nature.]1

  
Onderafdeling 7. [1 - Geldigheidsduur]1
Sous-section 7. [1 - Durée de validité]1
Art. 8.3.7. [1 Het geïntegreerde beheersplan heeft een geldigheidsduur van vierentwintig jaar.]1
  
Art. 8.3.7. [1 Le plan de gestion intégré a une durée de validité de vingt-quatre ans.]1
  
Onderafdeling 8. [1 - Evaluatie en opvolging]1
Sous-section 8. [1 - Evaluation et suivi]1
Art. 8.3.8. [1 De zakelijkrechthouder, de gebruiker of hun gevolmachtigde volgt de uitvoering van het geïntegreerde beheersplan op en rapporteert daarover om de zes jaar aan het behandelende agentschap, te rekenen vanaf de datum van de goedkeuring van het geïntegreerde beheersplan. Het rapport bevat minstens een onderhoudslogboek.
   Te rekenen vanaf de datum van de goedkeuring van het geïntegreerde beheersplan voor een terrein van type twee, type drie of type vier, als vermeld in artikel 16ter, § 1, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, evalueert het Agentschap voor Natuur en Bos de uitvoering van het geïntegreerde beheersplan om de zes jaar, op basis van het rapport, vermeld in het eerste lid.
   Als uit de evaluatie blijkt dat de beheersmaatregelen die in het goedgekeurde beheersplan zijn opgenomen, onvoldoende uitgevoerd zijn of niet geschikt zijn om de beheersdoelstellingen te halen, nemen het agentschap en het Agentschap voor Natuur en Bos daarover samen een beslissing binnen zestig dagen, te rekenen vanaf de dag na de ontvangst van het rapport.
   Het behandelende agentschap brengt de zakelijkrechthouder, de gebruiker of hun gevolmachtigde schriftelijk op de hoogte van de beslissing, vermeld in het derde lid, met de vermelding van de redenen waarom en de manier waarop het beheer moet worden aangepast.
   Het behandelende agentschap brengt ook de gemeente of gemeenten waarin het onroerend goed ligt en/of de intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst of -diensten van die gemeente of gemeenten, op de hoogte van die beslissing.]1

  
Art. 8.3.8. [1 Le titulaire du droit réel, l'utilisateur ou leur mandataire est chargé du suivi du plan de gestion intégré et en rend des comptes à l'agence traitante tous les six ans, à compter de la date de l'approbation du plan de gestion intégré. Le rapport contient au minimum un compte rendu d'entretien.
   A compter de la date d'approbation du plan de gestion intégré pour un terrain du type 2, 3 ou 4, tel que visé à l'article 16ter, § 1er, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, l' " Agentschap voor Natuur en Bos " évalue la mise en oeuvre du plan de gestion intégré, sur la base du compte-rendu, visé à l'alinéa premier, tous les six ans.
   Lorsqu'il ressort de l'évaluation que les mesures de gestion qui sont reprises dans le plan de gestion approuvé sont insuffisamment exécutées ou ne sont pas aptes à atteindre les objectifs de gestion, l'agence et l'" Agentschap voor Natuur en Bos " prennent conjointement une décision à ce sujet dans un délai de soixante jours, qui prend cours le jour après la réception du rapport.
   L'agence traitante informe le titulaire du droit réel, l'utilisateur ou leur mandataire par écrit de la décision, visée à l'alinéa trois, avec mention des raisons pour lesquelles et les modalités selon lesquelles la gestion doit être adaptée.
   L'agence traitante informe également la commune ou les communes dans lesquelles se situe le bien immobilier, et/ou le(s) service(s) intercommunal/intercommunaux du patrimoine immobilier de cette commune ou de ces communes, de la décision.]1

  
Onderafdeling 9. [1 - Aanpassingen]1
Sous-section 9. [1 - Adaptations]1
Art. 8.3.9. [1 § 1. Een goedgekeurd geïntegreerd beheersplan kan op gemotiveerde vraag van de zakelijkrechthouder, de gebruiker of de gevolmachtigde aangepast worden.
   § 2. Het agentschap of het Agentschap voor Natuur en Bos kunnen de zakelijkrechthouder, de gebruiker of de gevolmachtigde verzoeken om een aanvraag tot aanpassing van het geïntegreerde beheersplan in te dienen, als de aanpassing van het goedgekeurd beheersplan wenselijk is in het kader van een optimaler beheer van de erfgoedwaarden van het gebied of met toepassing van artikel 12, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2017 betreffende de natuurbeheerplannen en de erkenning van natuurreservaten.
   De zakelijkrechthouder, de gebruiker of de gevolmachtigde dient binnen een termijn van 180 [2 dagen]2 na het verzoek, vermeld in het eerste lid, een aanvraag tot aanpassing in bij het behandelende agentschap. Artikel 7, § 3, vierde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2017 betreffende de natuurbeheerplannen en de erkenning van natuurreservaten is hierop van overeenkomstige toepassing.
   § 3. De aanvraag tot aanpassing bevat de volgende elementen:
   1° de identificatiegegevens van de zakelijkrechthouder, de gebruiker en/of de gevolmachtigde;
   2° een volmacht;
   3° de afbakening op het kadasterplan van het gebied waarvoor het beheersplan zou worden aangepast;
   4° de motivering van de vraag tot aanpassing en een gecoördineerde versie van de aangepaste delen van het goedgekeurde beheersplan, met aanduiding van de aangepaste gegevens.
   § 4. De aanvraag tot aanpassing van een goedgekeurd geïntegreerd beheersplan wordt behandeld volgens de procedure, vermeld in de artikelen 8.3.5 en 8.3.6.
   In afwijking van artikel 8.3.6., § 2 en 3, kan, na gemotiveerd verzoek en na akkoord van het behandelende agentschap, afgezien worden van de verplichte consultatie- en adviesronde, als de aanpassing alleen betrekking heeft op onroerend erfgoed of indien voldaan wordt aan de voorwaarden voor toepassing van de beperkte procedure als vermeld in artikel 12, § 4, derde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2017 betreffende de natuurbeheerplannen en de erkenning van natuurreservaten.
   Tijdens de consultatie- en adviesronde kunnen alleen bezwaren, opmerkingen en adviezen worden ingediend die betrekking hebben op de te wijzigen gegevens.
   De goedkeuring van de aanpassing van een geïntegreerd beheersplan geldt voor de resterende termijn van de oorspronkelijke looptijd van het beheersplan.
   § 5. Een geïntegreerd beheersplan voor een terrein dat ligt in een gebied waarvoor een managementplan Natura 2000 met toepassing van artikel 50septies van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, of een managementplan als vermeld in artikel 48 van hetzelfde decreet, van kracht wordt, en waarvoor wordt vastgesteld dat de aanpassing tot gevolg heeft dat de beheerdoelstellingen voor dat terrein wijzigen, moet worden gewijzigd. Die wijziging vindt uiterlijk plaats bij de eerstvolgende evaluatie van het geïntegreerd beheersplan, vermeld in artikel 8.3.8 van dit besluit.]1

  
Art. 8.3.9. [1 § 1er. Un plan de gestion intégré approuvé peut être adapté à la demande motivée du titulaire du droit réel, de l'utilisateur ou du mandataire.
   § 2. L'agence ou l'Agence de la Nature et des Forêts peuvent inviter le titulaire du droit réel, l'utilisateur ou le mandataire à introduire une demande d'adaptation du plan de gestion intégré, si l'adaptation du plan de gestion approuvé est souhaitable dans le cadre d'une gestion plus optimale des valeurs patrimoniales de la zone ou en application de l'article 12, § 2, de l'Arrêté du Gouvernement flamand du 14 juillet 2017 relatif aux plans de gestion de la nature et à l'agrément de réserves naturelles.
   Le titulaire du droit réel, l'utilisateur ou le mandataire introduit une demande d'adaptation auprès de l'agence traitante, dans un délai de 180 [2 jours]2 après la demande, visée à l'alinéa 1er. L'article 7, § 3, alinéa 4, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juillet 2017 relatif aux plans de gestion de la nature et à l'agrément de réserves naturelles s'applique par analogie.
   § 3. La demande d'adaptation comprend les éléments suivants :
   1° les données d'identification du titulaire du droit réel, de l'utilisateur et/ou du mandataire ;
   2° un mandat ;
   3° la délimitation sur le plan cadastral de la zone pour laquelle le plan de gestion serait adapté ;
   4° la motivation de la demande d'adaptation et une version coordonnée des parties adaptées du plan de gestion approuvé avec indication des données adaptées.
   § 4. La demande d'adaptation d'un plan de gestion intégré approuvé est traitée selon la procédure, visée aux articles 8.3.5 et 8.3.6.
   Par dérogation à l'article 8.3.6, §§ 2 et 3, il peut être renoncé, après une demande motivée et après l'accord de l'agence traitante, à la phase de consultation et d'avis obligatoire, si l'adaptation ne concerne que du patrimoine immobilier ou s'il est satisfait aux conditions d'application de la procédure restreinte telle que visée à l'article 12, § 4, alinéa 3, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juillet 2017 relatif aux plans de gestion de la nature et à l'agrément de réserves naturelles.
   Pendant la phase de consultation et d'avis, seuls des objections, observations et avis peuvent introduits qui concernent les données à modifier.
   L'approbation de l'adaptation d'un plan de gestion intégré vaut pour le délai restant de la durée initiale du plan de gestion.
   § 5. Un plan de gestion intégré pour un terrain qui se situe dans une zone pour laquelle un plan de gestion Natura 2000, en application de l'article 50septies du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, ou un plan de gestion tel que visé à l'article 48 du même décret, entre en vigueur, et pour lequel il est arrêté que l'adaptation entraîne une modification des objectifs de gestion pour ce terrain, doit être modifié. Cette modification a lieu au plus tard lors de le prochaine évaluation du plan de gestion intégré, visée à l'article 8.3.8 du présent arrêté.]1

  
Art. 8.3.10. [1 De bepalingen met betrekking tot de opheffing en de overname van het beheer bij een natuurbeheerplan, vermeld in hoofdstuk 2, afdeling 6, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2017 betreffende de natuurbeheerplannen en de erkenning van natuurreservaten zijn van overeenkomstige toepassing op het geïntegreerde beheersplan.]1
  
Art. 8.3.10. [1 Les dispositions relatives à l'abrogation et à la reprise de la gestion d'un plan de gestion de la nature, visées au chapitre 2, section 6, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juillet 2017 relatif aux plans de gestion de la nature et à l'agrément de réserves naturelles, s'appliquent par analogie au plan de gestion intégré.]1
  
Onderafdeling 10. [1 - Beroepsprocedure]1
Sous-section 10. [1 - Procédure de recours]1
Art. 8.3.11. [1 De zakelijkrechthouder, de gebruiker of de gevolmachtigde kan tegen de beslissingen, genomen met toepassing van deze onderafdeling, een georganiseerd administratief beroep instellen bij de Vlaamse Regering.
   [2 Een beroepschrift wordt schriftelijk ingediend binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op dag na de kennisgeving van de beslissing. Het beroepschrift bestaat minstens uit een gemotiveerd verzoekschrift met vermelding van de datum en het referentienummer van de bestreden beslissing.]2
   [2 ...]2
   [2 [3 De Vlaamse Regering kan bij de Commissie en bij de adviesinstantie, vermeld in artikel 16undecies, § 2, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, over het beroep advies inwinnen. De Commissie en de adviesinstantie beschikken over een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van de adviesvraag, om over het beroep een advies uit te brengen. Als het advies niet tijdig wordt verleend, wordt aan de adviesvraag voorbijgegaan.]3]2
   [3 De Vlaamse Regering neemt een beslissing over het beroep binnen een termijn van zestig dagen, die ingaat de dag na de ontvangst van het beroepschrift. De beslissing wordt schriftelijk aan de indiener van het beroep bezorgd]3.]1

  
Art. 8.3.11. [1 Le titulaire du droit réel, l'utilisateur ou le mandataire peut introduire un recours administratif organisé auprès du Gouvernement flamand contre les décisions qui sont prises en application de la présente sous-section.
   [2 Un recours est introduit par écrit dans un délai de trente jours calendaires qui prend cours le jour après la notification de la décision. " Le recours comprend au moins une requête motivée avec mention de la date et du numéro de référence de la décision contestée.]2
   [2 ...]2
   [2 [3 Le Gouvernement flamand peut solliciter l'avis de la Commission et de l'instance consultative, visée à l'article 16undecies, § 2, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, concernant le recours. La Commission et l'instance consultative disposent d'un délai de trente jours calendaires, qui prend cours le jour après la réception de la demande d'avis, pour émettre un avis concernant le recours. Lorsque l'avis n'est pas rendu endéans le délai imparti, il est passé outre la demande d'avis.]3]2
   [3 Le Gouvernement flamand prend une décision concernant le recours dans un délai de soixante jours calendaires, qui prend cours le jour après la réception du recours. La décision est portée à la connaissance du requérant par écrit.]3-1
  
Afdeling 4. [1 - Open Erfgoed]1
Section 4. [1 - Patrimoine ouvert]1
Art. 8.4.1. [1 Een beschermd goed, een erfgoedlandschap, of een representatief onderdeel ervan, kan erkend worden als open erfgoed als de locatie aan al de volgende voorwaarden voldoet:
   1° de openstelling geeft de bezoeker inzicht in de erfgoedwaarden, -kenmerken en -elementen van het goed in hun maatschappelijke context;
   2° de openstelling richt zich op minstens twee verschillende doelgroepen;
   3° de openstelling is inspirerend voor Vlaanderen of een ruimer gebied op de volgende vlakken:
   a) de manier waarop en de frequentie waarmee de locatie wordt opengesteld en de keuzes die daarbij worden gemaakt;
   b) de wijze van beheer van de site, inclusief de publiekswerking;
   c) de netwerking en complementariteit met andere sites die erkend zijn als open erfgoed;
   4° het goed is, in de mate dat de verplichtingen van de bescherming dat toelaten, integraal toegankelijk voor bezoekers. Daarvoor wordt een advies over de toegankelijkheid gevraagd aan de instantie die erkend is door de Vlaamse Regering.]1

  
Art. 8.4.1. [1 Un bien protégé, un paysage patrimonial, ou une partie représentative de ceux-ci peuvent être agréés comme patrimoine ouvert si l'endroit répond à toutes les conditions suivantes :
   1° l'ouverture aide le visiteur à comprendre les valeurs, caractéristiques et éléments patrimoniaux du bien dans leur contexte social ;
   2° l'ouverture est axée sur au moins deux groupes-cibles différents ;
   3° l'ouverture est exemplaire pour la Flandre ou une zone plus étendue dans les domaines suivants :
   a) la façon dont et la fréquence avec laquelle l'endroit est ouvert et les choix retenus dans ce contexte ;
   b) la façon de gérer le site, en ce inclus les activités pour le public ;
   c) le réseautage et la complémentarité avec d'autres sites qui ont été agréés comme patrimoine ouvert ;
   4° le bien est intégralement accessible aux visiteurs, dans la mesure où les obligations de la protection le permettent. A cet effet, un avis sur l'accessibilité est demandé à l'instance agréée par le Gouvernement flamand.]1

  
Art. 8.4.2. [1 § 1. Het agentschap kan een onroerenderfgoedlocatie die voldoet aan de voorwaarden vermeld in artikel 8.4.1 op eigen initiatief of op vraag van de beheerder of de zakelijkrechthouder als open erfgoed erkennen.
   Een aanvraag tot erkenning als open erfgoed wordt ingediend bij het agentschap en bevat de volgende elementen:
   1° een plan van de onroerenderfgoedlocatie, met een afbakening van het representatieve onderdeel ervan dat zal worden ontsloten;
   2° een korte beschrijving van de locatie en een motivering waarom ze het ontsluiten waard is;
   3° een beschrijving van de manier waarop de locatie wordt ontsloten, waarbij wordt aangetoond hoe wordt voldaan aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 8.4.1.
   Het agentschap stelt daarvoor een modelformulier ter beschikking op zijn website.
   Het agentschap gaat na of de aanvraag alle elementen vermeld in het tweede lid bevat. Als de aanvraag onvolledig is, kan het agentschap binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de dag waarop de aanvraag is ingediend, de aanvrager schriftelijk vragen om de ontbrekende gegevens of documenten bij de aanvraag te voegen, en de termijn bepalen waarbinnen dat moet gebeuren.
   Het agentschap beslist over de erkenningsaanvraag binnen een termijn van negentig dagen, die ingaat op de dag na de dag waarop de volledige aanvraag is ingediend. De aanvrager wordt hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.
   § 2. De erkenning als open erfgoed geldt voor een periode van twaalf jaar, die ingaat op de dag na de erkenningsbeslissing. De erkenning wordt telkens stilzwijgend verlengd met eenzelfde periode, tenzij de beheerder of de zakelijkrechthouder voor het verstrijken van die periode van twaalf jaar, schriftelijk en gemotiveerd verzoekt de erkenning in te trekken.
   Het agentschap kan de erkenning als open erfgoed intrekken op basis van een gemotiveerd verzoek van de beheerder of zakelijkrechthouder vermeld in het eerste lid of als de locatie niet langer aan de erkenningsvoorwaarden voldoet. De beheerder en zakelijkrechthouder worden hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.
   § 3. Als de beheerder in aanmerking wil komen voor een erfgoedpremie voor de ontwikkeling tot open erfgoed, moet in een beheersplan voor de locatie in een afzonderlijk onderdeel een duidelijk ontwikkeltraject tot open erfgoed worden opgenomen.]1

  
Art. 8.4.2. [1 § 1er. L'agence peut de sa propre initiative ou à la demande du gestionnaire ou du titulaire du droit réel agréer un endroit de patrimoine immobilier qui répond aux conditions, telles que visées à l'article 8.4.1, comme patrimoine ouvert.
   Une démande d'agrément comme patrimoine ouvert est introduite auprès de l'agence et contient les éléments suivants :
   1° un plan de l'endroit du patrimoine immobilier, avec une délimitation de la partie représentative qui sera ouverte ;
   2° une description succincte de l'endroit et une motivation pourquoi il vaut d'être ouvert ;
   3° une description de la manière dont l'endroit est ouvert, démontrant la façon dont il est satisfait aux conditions d'agrément, visées à l'article 8.4.1.
   A cet effet, l'agence met à disposition un formulaire modèle sur son site web.
   L'agence vérifie si la demande comprend tous les éléments, visés à l'alinéa deux. Si la demande est incomplète, l'agence peut demander au demandeur par écrit et dans un délai de trente jours, qui prend cours le jour après l'introduction de la demande, d'ajouter les données ou documents manquants à la demande et définir le délai endéans lequel ceci doit être effectué.
   L'agence décide de la demande d'agrément dans un délai de nonante jours, qui prend cours le jour après le jour auquel la demande complète a été introduite. Le demandeur en est informé par écrit.
   § 2. L'agrément comme patrimoine ouvert est valable pendant une période de douze ans, qui prend cours le jour après la décision d'agrément. L'agrément est chaque fois tacitement prolongé d'une même période, à moins que le gestionnaire ou le titulaire du droit réel ne demande par écrit et de façon motivée de retirer l'agrément avant l'échéance de cette période de douze ans.
   L'agence peut retirer l'agrément comme patrimoine ouvert sur la base d'une demande motivée du gestionnaire ou du titulaire du droit réel, visés à l'alinéa premier ou si l'endroit ne répond plus aux conditions d'agrément. Le gestionnaire et le titulaire du droit réel en sont informés par écrit.
   § 3. Si le gestionnaire veut être éligible à une prime au patrimoine pour le développement en patrimoine ouvert, le plan de gestion pour l'endroit doit reprendre une trajectoire claire de développement en patrimoine ouvert dans une partie distincte. ]1

  
HOOFDSTUK 9. - Prijzen
CHAPITRE 9. - Prix
Afdeling 1. - Onroerenderfgoedprijs
Section 1re. - Prix du patrimoine immobilier
Art. 9.1.1. [1 De minister kan een Onroerenderfgoedprijs toekennen aan een privépersoon, een privé-instelling, een openbare instelling of een openbaar bestuur voor een recente verwezenlijking op het gebied van beschermd onroerend erfgoed of erfgoedlandschappen.]1
  
Art. 9.1.1. [1 Le ministre peut octroyer un Prix du patrimoine immobilier à une personne privée, un établissement privé, un organisme public ou une administration publique pour une réalisation récente dans le domaine du patrimoine immobilier protégé ou des paysages patrimoniaux.]1
  
Art. 9.1.2. De Onroerenderfgoedprijs wordt toegekend wegens het uitzonderlijk belang, de verdienste, de hefboomfunctie of het vernieuwend karakter van de verwezenlijking die een bijzondere erkenning verdient.
Art. 9.1.2. Le Prix du patrimoine immobilier est octroyé en raison de l'importance exceptionnelle, du mérite, de la fonction de levier ou du caractère innovateur de la réalisation qui mérite une reconnaissance particulière.
Art. 9.1.3. De minister wijst [1 ...]1de laureaten aan van de Onroerenderfgoedprijs. De minister bepaalt in het wedstrijdreglement het aantal laureaten.
  De minister kent aan elke laureaat een bedrag toe van 2.500 euro.
  
Art. 9.1.3. Le Ministre désigne [1 ...]1 les lauréats du Prix du patrimoine immobilier. Le Ministre fixe le nombre de lauréats dans le règlement de la compétition.
  Le Ministre attribue un montant de 2.500 euros à chaque lauréat.
  
Art. 9.1.4. De minister wijst [1 ...]1onder de laureaten een of meerdere winnaars aan van de Onroerenderfgoedprijs. De minister bepaalt in het wedstrijdreglement het aantal winnaars.
  De minister kent aan de winnaar, bovenop het bedrag vermeld in artikel 9.1.3, tweede lid, een bedrag toe van 12.500 euro.
  
Art. 9.1.4. Le Ministre désigne [1 ...]1parmi les lauréats un ou plusieurs vainqueurs du Prix du patrimoine immobilier. Le Ministre fixe le nombre de vainqueurs dans le règlement de la compétition.
  Le Ministre attribue au vainqueur, outre le montant visé à l'article 9.1.3, alinéa deux, un montant de 12.500 euros.
  
Art. 9.1.5. De minister kan het advies van de Commissie inwinnen.
Art. 9.1.5. Le Ministre peut demander l'avis de la Commission.
Art. 9.1.6. Verwezenlijkingen met betrekking tot [1 beschermd onroerend erfgoed of erfgoedlandschappen]1in eigendom van of beheerd door de Vlaamse overheid, het agentschap of de door het agentschap aangewezen instanties of verenigingen worden uitgesloten van deelname aan de Onroerenderfgoedprijs.
  
Art. 9.1.6. Des réalisations relatives au patrimoine immobilier en propriété de ou géré par les autorités flamandes, l'agence ou les instances ou associations désignées par l'agence sont exclues de participation au Prix [1 du patrimoine immobilier protégé ou des paysages-patrimoine]1.
  
Art. 9.1.7. De minister stelt een wedstrijdreglement vast voor de Onroerenderfgoedprijs.
Art. 9.1.7. Le ministre flamand établit un règlement de la compétition pour le Prix du patrimoine immobilier.
Afdeling 2. - Europese Landschapsprijs
Section 2. - Prix du paysage européen
Art. 9.2.1. De minister kan een wedstrijd organiseren om een kandidaat aan te wijzen voor deelname aan de Landschapsprijs van de Raad van Europa.
Art. 9.2.1. Le Ministre peut organiser une compétition afin de désigner un candidat pour participer au Prix du paysage du Conseil de l'Europe.
Art. 9.2.2. De kandidatuur wordt toegekend aan verenigingen, groeperingen, partnerschappen, lokale overheden of autoriteiten die ofwel op individuele basis ofwel in overleg met andere lokale of regionale actoren een beleid of maatregelen in de praktijk omgezet hebben met het oog op de bescherming, het beheer, de ontwikkeling of de inrichting van het landschap in Vlaanderen. Het beleid of de maatregelen moeten blijk geven van duurzaamheid. Ze kunnen zodoende als voorbeeld dienen voor andere betrokken actoren. Grens- of gewestoverschrijdende projecten komen in aanmerking op voorwaarde dat ze het voorwerp uitmaken van een gecoördineerd beheer.
Art. 9.2.2. La candidature est accordée à des associations, des groupements, des partenariats, des autorités locales ou des autorités qui, soit sur une base individuelle, soit en concertation avec d'autres acteurs locaux ou régionaux, ont traduit une politique ou des mesures en pratique en vue de la protection, de la gestion, du développement ou de l'aménagement du paysage en Flandre. La politique ou les mesures doivent faire preuve de durabilité. Dès lors, elles peuvent servir d'exemple à d'autres acteurs concernés. Des projets transfrontaliers ou transrégionaux sont éligibles à condition qu'ils fassent l'objet d'une gestion coordonnée.
Art. 9.2.3. De minister stelt een wedstrijdreglement vast om de kandidaat voor deelname aan de Landschapsprijs van de Raad van Europa aan te wijzen.
Art. 9.2.3. Le Ministre fixe un règlement de la compétition afin de désigner le candidat pour participer au Prix du paysage du Conseil de l'Europe.
HOOFDSTUK 10. - Subsidies
CHAPITRE 10. - Subventions
Afdeling 1. - Subsidies in het kader van samenwerkingsovereenkomsten
Section 1re. - Subventions dans le cadre d'accords de coopération
Onderafdeling 1. - De subsidiëring van erkende intergemeentelijke onroerenderfgoeddiensten in het kader van een samenwerkingsovereenkomst
Sous-section 1re. - Le subventionnement de services du patrimoine immobilier intercommunaux agréés dans le cadre d'un accord de coopération
Art. 10.1.1. De minister kan overeenkomstig de bepalingen van dit besluit en binnen de perken van de daarvoor bestemde kredieten op de begroting van de Vlaamse Gemeenschap een subsidie toekennen aan een erkende intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst in het kader van een samenwerkingsovereenkomst.
Art. 10.1.1. Conformément aux dispositions du présent arrêté et dans les limites des crédits affectés à cet effet au budget de la Communauté flamande, le Ministre peut octroyer une subvention à un service du patrimoine immobilier intercommunal agréé dans le cadre d'un accord de coopération.
Art. 10.1.2. De samenwerkingsovereenkomst heeft een looptijd van drie jaar of zes jaar.
  De aanvrager dient de subsidieaanvraag [1 schriftelijk]1 in bij het agentschap vanaf 1 januari tot uiterlijk 1 juli van het eerste of het vierde jaar van de lokale beleidscyclus. In het eerste geval heeft de samenwerkingsovereenkomst een looptijd van zes jaar. In het tweede geval heeft de samenwerkingsovereenkomst een looptijd van drie jaar. De samenwerkingsovereenkomst vangt aan op 1 januari van het jaar dat volgt op het jaar waarin de subsidieaanvraag is goedgekeurd.
  
Art. 10.1.2. L'accord de coopération a une durée de trois ans ou de six ans.
  Le demandeur introduit la demande de subvention, [1 par écrit]1, auprès de l'agence à partir du 1er janvier jusqu'au 1er juillet au plus tard de la première ou de la quatrième année du cycle politique local. Dans le premier cas, l'accord de coopération a une durée de six ans. Dans le deuxième cas, l'accord de coopération a une durée de trois ans. L'accord de coopération prend cours le 1er janvier de l'année qui suit l'année dans laquelle la demande de subvention est approuvée.
  
Art. 10.1.2. TOEKOMSTIG_RECHT.
   De samenwerkingsovereenkomst heeft een looptijd van drie jaar of zes jaar.
  De aanvrager dient de subsidieaanvraag [1 schriftelijk]1 in bij het agentschap [2 uiterlijk op 15 januari]2 van het eerste of het vierde jaar van de lokale beleidscyclus. In het eerste geval heeft de samenwerkingsovereenkomst een looptijd van zes jaar. In het tweede geval heeft de samenwerkingsovereenkomst een looptijd van drie jaar. De samenwerkingsovereenkomst vangt aan op 1 januari van het jaar dat volgt op het jaar waarin de subsidieaanvraag is goedgekeurd.
Art. 10.1.2. DROIT_FUTUR.
   L'accord de coopération a une durée de trois ans ou de six ans.
  Le demandeur introduit la demande de subvention, [1 par écrit]1, auprès de l'agence [2 au plus tard le 15 janvier]2 de la première ou de la quatrième année du cycle politique local. Dans le premier cas, l'accord de coopération a une durée de six ans. Dans le deuxième cas, l'accord de coopération a une durée de trois ans. L'accord de coopération prend cours le 1er janvier de l'année qui suit l'année dans laquelle la demande de subvention est approuvée.
Art. 10.1.3. Om gesubsidieerd te worden in het kader van een samenwerkingsovereenkomst moet een intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst erkend zijn overeenkomstig artikel 3.3.5.
  Als de erkenning van een intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst gedurende de looptijd van de samenwerkingsovereenkomst is ingetrokken overeenkomstig artikel 3.3.12 of 3.3.13, heeft hij geen recht op een subsidie voor het jaar waarin de erkenning wordt ingetrokken en is hij gehouden tot de onmiddellijke terugbetaling van de reeds uitbetaalde subsidie van het lopende jaar, overeenkomstig artikel 13, 1°, van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof.
  [1 Als de samenstelling van een intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst gedurende de looptijd van de samenwerkingsovereenkomst gewijzigd wordt als vermeld in artikel 3.3.17, blijft de lopende samenwerkingsovereenkomst ongewijzigd gelden.]1
  
Art. 10.1.3. Afin d'être subventionné dans le cadre d'un accord de coopération, un service du patrimoine immobilier intercommunal doit être agréé conformément à l'article 3.3.5.
  Lorsque l'agrément d'un service du patrimoine immobilier intercommunal est retiré pendant la durée de l'accord de coopération conformément à l'article 3.3.12 ou 3.3.13, il n'a pas droit à une subvention pour l'année dans laquelle l'agrément est retiré et il est tenu de procéder au remboursement immédiat de la subvention déjà payée de l'année en cours, conformément à l'article 13, 1°, de la loi du 16 mai 2003 fixant les dispositions générales applicables aux budgets, au contrôle des subventions et à la comptabilité des communautés et des régions, ainsi qu'à l'organisation du contrôle de la Cour des Comptes.
  [1 Si la composition d'un service de patrimoine immobilier intercommunal est modifiée au cours de la durée de l'accord de coopération, comme mentionné à l'article 3.3.17, l'accord de coopération en cours continue à s'appliquer en l'état.]1
  
Art. 10.1.3. TOEKOMSTIG_RECHT.
   [2 Om gesubsidieerd te worden in het kader van een samenwerkingsovereenkomst moet een intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst:
   1° erkend zijn overeenkomstig artikel 3.3.5;
   2° aantonen dat de gemeenten die lid zijn van de intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst gedurende de looptijd van de samenwerkingsovereenkomst jaarlijks gezamenlijk minstens eenzelfde bedrag als de Vlaamse subsidie bijdragen aan de werking van de intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst]2
.
  Als de erkenning van een intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst gedurende de looptijd van de samenwerkingsovereenkomst is ingetrokken overeenkomstig artikel 3.3.12 of 3.3.13, heeft hij geen recht op een subsidie voor het jaar waarin de erkenning wordt ingetrokken en is hij gehouden tot de onmiddellijke terugbetaling van de reeds uitbetaalde subsidie van het lopende jaar, overeenkomstig [2 artikel 13, eerste lid, 1°]2, van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof.
  [1 Als de samenstelling van een intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst gedurende de looptijd van de samenwerkingsovereenkomst gewijzigd wordt als vermeld in artikel 3.3.17, blijft de lopende samenwerkingsovereenkomst ongewijzigd gelden.]1
Art. 10.1.3. DROIT_FUTUR.
   [2 Afin d'être subventionné dans le cadre d'un accord de coopération, un service du patrimoine immobilier intercommunal doit :
   1° être agréé conformément à l'article 3.3.5 ;
   2° démontrer que les communes membres du service du patrimoine immobilier intercommunal contribuent annuellement au fonctionnement du service du patrimoine immobilier intercommunal pour un montant au moins égal à la subvention flamande pour la durée de l'accord de coopération.]2

  Lorsque l'agrément d'un service du patrimoine immobilier intercommunal est retiré pendant la durée de l'accord de coopération conformément à l'article 3.3.12 ou 3.3.13, il n'a pas droit à une subvention pour l'année dans laquelle l'agrément est retiré et il est tenu de procéder au remboursement immédiat de la subvention déjà payée de l'année en cours, conformément à [2 l'article 13, alinéa 1er, 1°]2, de la loi du 16 mai 2003 fixant les dispositions générales applicables aux budgets, au contrôle des subventions et à la comptabilité des communautés et des régions, ainsi qu'à l'organisation du contrôle de la Cour des Comptes.
  [1 Si la composition d'un service de patrimoine immobilier intercommunal est modifiée au cours de la durée de l'accord de coopération, comme mentionné à l'article 3.3.17, l'accord de coopération en cours continue à s'appliquer en l'état.]1
Art. 10.1.4. De aanvrager kan de subsidieaanvraag gelijktijdig indienen met de aanvraag tot erkenning als intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst, vermeld in artikel 3.3.3.
Art. 10.1.4. Le demandeur peut introduire la demande de subvention en même temps que la demande d'agrément comme service du patrimoine immobilier intercommunal, visée à l'article 3.3.3.
Art. 10.1.5. De subsidieaanvraag bevat minstens de volgende elementen:
  1° de organisatiestructuur van de intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst;
  [1 2° een meerjarenbegroting waarin alle verwachte kosten en opbrengsten die betrekking hebben op de gesubsidieerde activiteiten opgenomen zijn, met vermelding van de inbreng van de gemeenten die deel uitmaken van de intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst;]1
  [1 3° een geactualiseerd onroerenderfgoedbeleidsplan, tenzij bij de eerste subsidieaanvraag na de erkenning.]1
  Het agentschap stelt hiervoor een modelformulier ter beschikking op zijn website. Als de aanvrager gelijktijdig een erkenning als intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst en een subsidie aanvraagt, voegt hij de elementen, vermeld in het eerste lid, bij het modelformulier, vermeld in artikel 3.3.3.
  
Art. 10.1.5. La demande de subvention comprend au moins les éléments suivants :
   1° la structure organisationnelle du service du patrimoine immobilier intercommunal ;
   2° [1 un budget pluriannuel dans lequel sont repris tous les frais et produits escomptés qui ont rapport aux activités subventionnées, avec mention de l'apport des communes qui font partie du service du patrimoine immobilier intercommunal; ]1
   [1 3° un plan politique en matière de patrimoine immobilier actualisé, sauf lors de la première demande de subvention après l'agrément.]1
   A cet effet, l'agence met à disposition un formulaire modèle sur son site web. Lorsque le demandeur demande en même temps un agrément comme service du patrimoine immobilier intercommunal et une subvention, il joint les éléments, visés à l'alinéa premier, au formulaire modèle, visé à l'article 3.3.3.
  
Art. 10.1.5. TOEKOMSTIG_RECHT.
   [2 De subsidieaanvraag bevat minstens de volgende elementen:
   1° een actueel onroerenderfgoedbeleidsplan. Dat onroerenderfgoedbeleidsplan richt zich op de volledige looptijd van de samenwerkingsovereenkomst en omvat ook een actuele omgevingsanalyse;
   2° een meerjarenbegroting waarin alle verwachte kosten en opbrengsten van de erkende intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst opgenomen zijn, met vermelding van de bijdragen van de gemeenten die ervan deel uitmaken, vermeld in artikel 10.1.3, eerste lid, 2° ;
   3° een document waarin minstens al de volgende vragen worden beantwoord:
   a) welke expertise binnen de erkende intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst aanwezig is;
   b) welke initiatieven voor draagvlakverbreding worden genomen;
   c) in voorkomend geval, op welke wijze de ondersteuning van erkende onroerenderfgoedgemeenten binnen het werkingsgebied zal worden aangepakt.]2

  Het agentschap stelt hiervoor een modelformulier ter beschikking op zijn website. Als de aanvrager gelijktijdig een erkenning als intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst en een subsidie aanvraagt, voegt hij de elementen, vermeld in het eerste lid, bij het modelformulier, vermeld in artikel 3.3.3.
Art. 10.1.5. DROIT_FUTUR.
   [2 La demande de subvention comprend au moins les éléments suivants :
   1° un plan de politique en matière de patrimoine immobilier à jour. Ce plan de politique en matière de patrimoine immobilier est axé sur la durée intégrale de l'accord de coopération et contient également une analyse du contexte à jour ;
   2° un budget pluriannuel reprenant l'ensemble des charges et produits attendus du service du patrimoine immobilier intercommunal agréé et mentionnant les contributions des communes membres de ce service, visées à l'article 10.1.3, alinéa 1er, 2° ;
   3° un document répondant au moins à toutes les questions suivantes :
   a) quelle est l'expertise disponible au sein du service du patrimoine immobilier intercommunal agréé ;
   b) quelles initiatives sont prises pour élargir la base de soutien ;
   c) le cas échéant, la manière dont le soutien de communes du patrimoine immobilier agréées dans la zone d'action sera abordé.]2

   A cet effet, l'agence met à disposition un formulaire modèle sur son site web. Lorsque le demandeur demande en même temps un agrément comme service du patrimoine immobilier intercommunal et une subvention, il joint les éléments, visés à l'alinéa premier, au formulaire modèle, visé à l'article 3.3.3.
Art. 10.1.6. [1 De subsidieaanvraag is ontvankelijk als ze tijdig wordt ingediend en volledig is.
   Als het agentschap vaststelt dat de aanvraag niet alle vereiste elementen, vermeld in artikel 10.1.5, eerste lid, bevat, brengt het de aanvrager binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van de subsidieaanvraag schriftelijk op de hoogte van de ontbrekende elementen.
   Als de aanvrager het dossier niet aanvult binnen een termijn van veertien dagen, die ingaat op de dag na de kennisgeving van het verzoek tot aanvulling, wordt de subsidieaanvraag onontvankelijk verklaard. Het agentschap brengt de aanvrager schriftelijk op de hoogte van de beslissing.]1

  
Art. 10.1.6. [1 La demande de subvention est recevable lorsqu'elle est introduite à temps et est complète.
   Lorsque l'agence constate que la demande ne comprend pas tous les éléments requis, visés à l'article 10.1.5, alinéa premier, elle met le demandeur au courant des éléments manquants par écrit et dans un délai de trente jours qui prend cours le jour après la réception de la demande de subvention.
   Lorsque le demandeur ne complète pas le dossier dans un délai de quatorze jours, qui prend cours le jour après la notification de la demande de complément, la demande de subvention est déclarée irrecevable. L'agence informe le demandeur de la décision par écrit.]1

  
Art. 10.1.7. Het agentschap beoordeelt de ontvankelijke subsidieaanvraag van de erkende intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst en brengt daarover advies uit aan de minister.
Art. 10.1.7. L'agence évalue la demande de subvention recevable du service du patrimoine immobilier intercommunal agréé et émet un avis à ce sujet au Ministre.
Art. 10.1.8. [1 Uiterlijk op 1 oktober van het jaar waarin de ontvankelijke subsidieaanvraag is ingediend, beslist de minister over de toekenning en het bedrag van de subsidie.
   Het agentschap brengt de erkende intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst schriftelijk op de hoogte van de beslissing, vermeld in het eerste lid.]1

  
Art. 10.1.8. [1 Au plus tard le 1er octobre de l'année dans laquelle la demande de subvention recevable a été introduite, le ministre décide de l'octroi et du montant de la subvention.
   L'agence informe le service du patrimoine immobilier intercommunal agréé de la décision, visée à l'alinéa premier, par écrit.]1

  
Art. 10.1.8. TOEKOMSTIG_RECHT.
   [1 [2 Uiterlijk op 30 april van het jaar waarin de ontvankelijke subsidieaanvraag is ingediend, beslist de minister over de toekenning van de subsidie.]2.
   Het agentschap brengt de erkende intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst schriftelijk op de hoogte van de beslissing, vermeld in het eerste lid.]1
Art. 10.1.8. DROIT_FUTUR.
   [1 [2 Le ministre décide de l'octroi de la subvention au plus tard le 30 avril de l'année dans laquelle la demande de subvention recevable est introduite]2.
   L'agence informe le service du patrimoine immobilier intercommunal agréé de la décision, visée à l'alinéa premier, par écrit.]1
Art. 10.1.9. Uiterlijk op [1 15 oktober]1 van het jaar waarin de subsidieaanvraag is goedgekeurd, ondertekenen het agentschap en de erkende intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst waaraan de subsidie is toegekend een samenwerkingsovereenkomst.
  De samenwerkingsovereenkomst bevat minstens de volgende elementen:
  1° het bedrag van de jaarlijkse subsidie;
  2° de looptijd;
  3° de rapporteringsverplichtingen met het oog op het jaarlijkse toezicht, vermeld in artikel 10.1.12;
  4° de rapporteringsverplichtingen met het oog op de driejaarlijkse evaluatie, vermeld in artikel 10.1.13;
  5° een afsprakennota met de te bereiken doelstellingen.
  
Art. 10.1.9. Au plus tard le 15 octobre de l'année dans laquelle la demande de subvention est approuvée, l'agence et le service du patrimoine immobilier intercommunal agréé auquel la subvention est octroyée, signent un accord de coopération.
  L'accord de coopération comprend au moins les éléments suivants :
  1° le montant de la subvention annuelle ;
  2° la durée ;
  3° les obligations de rapport en vue du contrôle annuel, visé à l'article 10.1.12 ;
  4° les obligations de rapport en vue de l'évaluation qui a lieu tous les trois ans, visée à l'article 10.1.13 ;
  5° une note de conventions avec les objectifs à atteindre;
  
Art. 10.1.9. TOEKOMSTIG_RECHT.
   Uiterlijk op [2 1 november]2 van het jaar waarin de subsidieaanvraag is goedgekeurd, ondertekenen het agentschap en de erkende intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst waaraan de subsidie is toegekend een samenwerkingsovereenkomst.
  De samenwerkingsovereenkomst bevat minstens de volgende elementen:
  1° het bedrag van de jaarlijkse subsidie;
  2° de looptijd;
  3° de rapporteringsverplichtingen met het oog op het jaarlijkse toezicht, vermeld in artikel 10.1.12;
  4° de rapporteringsverplichtingen met het oog op de driejaarlijkse evaluatie, vermeld in artikel 10.1.13;
  5° een afsprakennota met de te bereiken doelstellingen.
  [2 6° de uiterste indieningsdata voor het tussentijds inhoudelijk rapport en het inhoudelijk eindrapport vermeld in artikel 10.1.13]2
Art. 10.1.9. DROIT_FUTUR.
   Au plus tard le [2 1er novembre]2 de l'année dans laquelle la demande de subvention est approuvée, l'agence et le service du patrimoine immobilier intercommunal agréé auquel la subvention est octroyée, signent un accord de coopération.
  L'accord de coopération comprend au moins les éléments suivants :
  1° le montant de la subvention annuelle ;
  2° la durée ;
  3° les obligations de rapport en vue du contrôle annuel, visé à l'article 10.1.12 ;
  4° les obligations de rapport en vue de l'évaluation qui a lieu tous les trois ans, visée à l'article 10.1.13 ;
  5° une note de conventions avec les objectifs à atteindre ;
  [2 6° les dates limites d'introduction du rapport de fond intermédiaire et du rapport de fond final visés à l'article 10.1.13]2
Art. 10.1.10. De subsidie omvat zowel personeels- als werkingsmiddelen.
  [1 De jaarlijkse basissubsidie bedraagt minstens 85.000 euro en wordt vermeerderd met een bedrag dat is gekoppeld aan de volgende criteria, met als referentiedatum 1 januari van het jaar waarin de ontvankelijke subsidieaanvraag is ingediend:
   1° het aantal inwoners, ingeschreven in het bevolkingsregister van de gemeenten die deel uitmaken van het werkingsgebied van de intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst;
   2° de oppervlakte van het werkingsgebied van de erkende intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst;
   3° in voorkomend geval, het aanwezige onroerend erfgoed dat zich bevindt op het grondgebied van een erkende onroerenderfgoedgemeente binnen het werkingsgebied. Dat bijkomende subsidiebedrag wordt bepaald op basis van:
   a) de oppervlakte van het grondgebied van de erkende onroerenderfgoedgemeente;
   b) de grondoppervlakte van de beschermde goederen die binnen het grondgebied van de erkende onroerenderfgoedgemeente liggen;
   c) het aantal onroerende goederen, dat opgenomen is in de vastgestelde inventaris van het bouwkundig erfgoed of in de vastgestelde inventaris van houtige beplantingen met erfgoedwaarde en dat binnen het grondgebied van de erkende onroerenderfgoedgemeente ligt.]1

  Als een gemeente die in het werkingsgebied ligt gedurende de looptijd van de samenwerkingsovereenkomst, erkend wordt als onroerenderfgoedgemeente, als vermeld in artikel 3.2.4, wordt de subsidie aangevuld met het bedrag vermeld in het tweede lid, 3°, voor de jaren die volgen op het jaar van de erkenning van de gemeente als onroerenderfgoedgemeente. Het agentschap brengt de erkende intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst [1 schriftelijk]1 op de hoogte van de verhoging van de toegekende subsidie.
  [1 Als de erkenning van een erkende onroerenderfgoedgemeente die in het werkingsgebied ligt gedurende de looptijd van de samenwerkingsovereenkomst ingetrokken wordt overeenkomstig het artikel 3.2.12, vijfde lid of 3.2.13, wordt de subsidie verminderd met het bedrag, vermeld in het tweede lid, 3°, vanaf het jaar dat volgt op het jaar waarin de erkenning als onroerenderfgoedgemeente ingetrokken is. Het agentschap brengt de erkende intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst schriftelijk op de hoogte van de vermindering van de toegekende subsidie.]1
  De minister stelt de eenheidsprijzen per criterium vast.
  
Art. 10.1.10. La subvention comprend tant des moyens de personnel que des moyens de fonctionnement.
   [1 La subvention de base annuelle s'élève au moins à 85.000 euros et est majorée d'un montant qui est lié aux critères suivants, le 1er janvier de l'année dans laquelle la demande de subvention recevable a été introduite faisant foi de date de référence :
   1° le nombre d'habitants, inscrits au registre de la population des communes qui font partie de la zone d'action du service du patrimoine immobilier intercommunal ;
   2° la superficie de la zone d'action du service du patrimoine immobilier intercommunal agréé ;
   3° le cas échéant, le patrimoine immobilier présent qui se situe sur le territoire d'une commune du patrimoine immobilier agréée au sein de la zone d'action. Ce montant de subvention supplémentaire est fixé sur la base :
   a) de la superficie du territoire de la commune du patrimoine immobilier agréée ;
   b) de la superficie au sol des biens protégés qui se situent au sein du territoire de la commune du patrimoine immobilier agréée ;
   c) du nombre de biens immobiliers, repris dans l'inventaire établi du patrimoine architectural ou dans l'inventaire établi des plantations ligneuses présentant une valeur patrimoniale et qui se situent au sein du territoire de la commune du patrimoine immobilier agréée.]1

   Lorsqu'une commune qui se situe au sein de la zone d'action est agréée, pendant la durée de l'accord de coopération, comme commune du patrimoine immobilier, telle que visée à l'article 3.2.4, la subvention est complétée par le montant visé à l'alinéa deux, 3°, pour les années qui suivent l'année de l'agrément de la commune comme commune du patrimoine immobilier. L'agence met le service du patrimoine immobilier intercommunal agréé au courant, [1 par écrit]1, de la majoration de la subvention octroyée.
   [1 Si l'agrément d'une commune du patrimoine immobilier agréée qui se situe dans la zone d'action est retiré pendant la durée de l'accord de coopération, comme prévu à l'article 3.2.12, alinéa cinq ou à l'article 3.2.13, la subvention est réduite du montant, visé dans l'alinéa deux, 3°, à partir de l'année qui suit l'année dans laquelle l'agrément comme commune du patrimoine immobilier a été retiré. L'agence informe le service du patrimoine immobilier intercommunal agréé de la réduction de la subvention octroyée par écrit.]1
   Le Ministre fixe les prix unitaires par critère.
  
Art. 10.1.10. TOEKOMSTIG_RECHT. [1 De jaarlijkse subsidie bedraagt 120.000 euro en omvat personeelsmiddelen voor eigen personeel."]1
  
Art. 10.1.10. DROIT_FUTUR. [1 La subvention annuelle s'élève à 120 000 euros et comprend des moyens en personnel pour son propre personnel.]1
  
Art. 10.1.11. De subsidie wordt gedurende de looptijd van de samenwerkingsovereenkomst jaarlijks beschikbaar gesteld in de vorm van een voorschot en een saldo:
  1° een voorschot van 70 % van het jaarlijkse subsidiebedrag wordt uitbetaald uiterlijk op 1 april van het lopende werkingsjaar;
  2° een saldo van het jaarlijkse subsidiebedrag wordt uitbetaald na de uitvoering van het jaarlijkse toezicht, vermeld in artikel 10.1.12, op basis van verantwoorde kosten.
Art. 10.1.11. Pendant la durée de l'accord de coopération, la subvention est mise à disposition annuellement sous forme d'une avance et d'un solde :
  1° une avance de 70 % du montant de subvention annuel est payé au plus tard le 1er avril de l'année d'activité en cours ;
  2° un solde du montant de subvention annuel est payé après l'exécution du contrôle annuel, visé à l'article 10.1.12, sur la base de frais justifiés.
Art. 10.1.11. TOEKOMSTIG_RECHT.
   De subsidie wordt gedurende de looptijd van de samenwerkingsovereenkomst jaarlijks beschikbaar gesteld in de vorm van een voorschot en een saldo:
  1° een voorschot van [1 80%]1 van het jaarlijkse subsidiebedrag wordt uitbetaald uiterlijk op 1 april van het lopende werkingsjaar;
  2° een saldo van het jaarlijkse subsidiebedrag wordt uitbetaald na de uitvoering van het jaarlijkse [1 toezicht op de aanwending van de subsidie]1, vermeld in artikel 10.1.12, op basis van verantwoorde kosten.
  
Art. 10.1.11. DROIT_FUTUR.
   Pendant la durée de l'accord de coopération, la subvention est mise à disposition annuellement sous forme d'une avance et d'un solde :
  1° une avance de [1 80 %]1 du montant de subvention annuel est payé au plus tard le 1er avril de l'année d'activité en cours ;
  2° un solde du montant de subvention annuel est payé après l'exécution du contrôle annuel [1 de l'utilisation de la subvention]1, visé à l'article 10.1.12, sur la base de frais justifiés.
  
Art. 10.1.12. Het agentschap oefent het jaarlijkse toezicht uit op de aanwending van de subsidie en kan hiervoor alle initiatieven nemen die het nodig acht.
  [1 Met het oog op het toezicht, vermeld in het eerste lid, dient de erkende intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst een financiële rapportering in bij het agentschap voor 31 mei.]1
  Met het oog op het toezicht, vermeld in het eerste lid, kan de minister nader bepalen welke kosten al dan niet in aanmerking komen voor subsidiëring.
  Het agentschap brengt de erkende intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst [1 schriftelijk]1 op de hoogte van de resultaten van het jaarlijkse toezicht.
  Als er bij het jaarlijkse toezicht ernstige tekortkomingen worden vastgesteld, wordt het saldo niet of slechts gedeeltelijk uitbetaald.
  
Art. 10.1.12. L'agence exerce le contrôle annuel de l'affectation de la subvention et peut à cet effet prendre toutes les initiatives qu'elle estime nécessaire.
  [1 En vue du contrôle, visé à l'alinéa premier, le service du patrimoine immobilier intercommunal agréé introduit un rapport financier auprès de l'agence avant le 31 mai.]1
  En vue du contrôle, visé à l'alinéa premier, le Ministre peut préciser quels frais sont éligibles au subventionnement ou non.
  L'agence met le service du patrimoine immobilier intercommunal agréé au courant, [1 par écrit]1, des résultats du contrôle annuel.
  Lorsque des fautes graves sont constatées lors du contrôle annuel, le solde n'est pas payé ou n'est payé que partiellement.
  
Art. 10.1.12. TOEKOMSTIG_RECHT.
   Het agentschap oefent het jaarlijkse toezicht uit op de aanwending van de subsidie en kan hiervoor alle initiatieven nemen die het nodig acht.
  [1 Met het oog op het toezicht, vermeld in het eerste lid, dient de erkende intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst een financiële rapportering in bij het agentschap [2 uiterlijk op 30 april]2.]1
  Met het oog op het toezicht, vermeld in het eerste lid, kan de minister nader bepalen welke kosten al dan niet in aanmerking komen voor subsidiëring.
  Het agentschap brengt de erkende intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst [1 schriftelijk]1 op de hoogte van de resultaten van het jaarlijkse toezicht.
  Als er bij het jaarlijkse toezicht ernstige tekortkomingen worden vastgesteld, wordt het saldo niet of slechts gedeeltelijk uitbetaald.
Art. 10.1.12. DROIT_FUTUR.
   L'agence exerce le contrôle annuel de l'affectation de la subvention et peut à cet effet prendre toutes les initiatives qu'elle estime nécessaire.
  [1 En vue du contrôle, visé à l'alinéa premier, le service du patrimoine immobilier intercommunal agréé introduit un rapport financier auprès de l'agence [2 au plus tard le 30 avril]2.]1
  En vue du contrôle, visé à l'alinéa premier, le Ministre peut préciser quels frais sont éligibles au subventionnement ou non.
  L'agence met le service du patrimoine immobilier intercommunal agréé au courant, [1 par écrit]1, des résultats du contrôle annuel.
  Lorsque des fautes graves sont constatées lors du contrôle annuel, le solde n'est pas payé ou n'est payé que partiellement.
Art. 10.1.13. Het agentschap voert driejaarlijks een evaluatie uit op de naleving van de samenwerkingsoverkomst
  1° een tussentijdse evaluatie, tenzij de samenwerkingsovereenkomst een looptijd van drie jaar heeft;
  2° een eindevaluatie.
  Het agentschap kan voor de evaluatie, vermeld in het eerste lid, alle initiatieven nemen die het nodig acht.
  Het agentschap brengt de erkende intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst [1 schriftelijk]1 op de hoogte van de resultaten van de, in voorkomend geval, tussentijdse evaluatie, vermeld in het eerste lid, 1°, en van de eindevaluatie, vermeld in het eerste lid, 2°.
  Als er bij de tussentijdse evaluatie ernstige tekortkomingen worden vastgesteld, kan de minister op voorstel van het agentschap beslissen om de samenwerkingsovereenkomst vervroegd te beëindigen. Die beslissing heeft dezelfde gevolgen als de beslissing over de intrekking van de erkenning.
  
Art. 10.1.13. Tous les trois ans, l'agence effectue une évaluation du respect de l'accord de coopération :
  1° une évaluation intermédiaire, à moins que l'accord de coopération ait une durée de trois ans ;
  2° une évaluation finale.
  Pour l'évaluation, visée à l'alinéa premier, l'agence peut prendre toutes les initiatives qu'elle estime nécessaire.
  L'agence met le service du patrimoine immobilier intercommunal agréé au courant, [1 par écrit]1, des résultats, le cas échéant, de l'évaluation intermédiaire, visée à l'alinéa premier, 1°, et de l'évaluation finale, visée à l'alinéa premier, 2°.
  Lorsque des fautes graves sont constatées lors de l'évaluation intermédiaire, le Ministre peut décider, sur la proposition de l'agence, de mettre fin anticipativement à l'accord de coopération. Cette décision a les mêmes conséquences que la décision concernant le retrait de l'agrément.
  
Art. 10.1.13. TOEKOMSTIG_RECHT.
   Het agentschap voert driejaarlijks een evaluatie uit op de naleving van de samenwerkingsoverkomst
  1° een tussentijdse evaluatie, tenzij de samenwerkingsovereenkomst een looptijd van drie jaar heeft;
  2° een eindevaluatie.
  [2 De erkende intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst bezorgt de volgende documenten aan het agentschap voor de evaluaties vermeld in het eerste lid:
   1° een tussentijds inhoudelijk rapport;
   2° een inhoudelijk eindrapport.]2

  Het agentschap kan voor de evaluatie, vermeld in het eerste lid, alle initiatieven nemen die het nodig acht.
  Het agentschap brengt de erkende intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst [1 schriftelijk]1 op de hoogte van de resultaten van de, in voorkomend geval, tussentijdse evaluatie, vermeld in het eerste lid, 1°, en van de eindevaluatie, vermeld in het eerste lid, 2°.
  Als er bij de tussentijdse evaluatie ernstige tekortkomingen worden vastgesteld, kan de minister op voorstel van het agentschap beslissen om de samenwerkingsovereenkomst vervroegd te beëindigen. Die beslissing heeft dezelfde gevolgen als de beslissing over de intrekking van de erkenning.
Art. 10.1.13. DROIT_FUTUR.
   Tous les trois ans, l'agence effectue une évaluation du respect de l'accord de coopération :
  1° une évaluation intermédiaire, à moins que l'accord de coopération ait une durée de trois ans ;
  2° une évaluation finale.
  [2 Le service du patrimoine immobilier intercommunal agréé transmet à l'agence les documents suivants pour les évaluations visées à l'alinéa 1er :
   1° un rapport de fond intermédiaire ;
   2° un rapport de fond final.]2

  Pour l'évaluation, visée à l'alinéa premier, l'agence peut prendre toutes les initiatives qu'elle estime nécessaire.
  L'agence met le service du patrimoine immobilier intercommunal agréé au courant, [1 par écrit]1, des résultats, le cas échéant, de l'évaluation intermédiaire, visée à l'alinéa premier, 1°, et de l'évaluation finale, visée à l'alinéa premier, 2°.
  Lorsque des fautes graves sont constatées lors de l'évaluation intermédiaire, le Ministre peut décider, sur la proposition de l'agence, de mettre fin anticipativement à l'accord de coopération. Cette décision a les mêmes conséquences que la décision concernant le retrait de l'agrément.
Art. 10.1.14. Een erkende intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst kan een gemotiveerde aanvraag indienen om de samenwerkingsovereenkomst vervroegd te beëindigen. De aanvraag wordt [1 schriftelijk]1 ingediend bij het agentschap.
  De minister neemt een beslissing over de aanvraag binnen een termijn van zestig dagen, die ingaat op de dag nadat de aanvraag is ingediend. Als de samenwerkingsovereenkomst vervroegd beëindigd wordt, loopt ze af op 31 december van het lopende jaar.
  
Art. 10.1.14. Un service du patrimoine immobilier intercommunal agréé peut introduire une demande motivée pour mettre fin anticipativement à l'accord de coopération. La demande est introduite auprès de l'agence [1 par écrit]1.
  Le Ministre prend une décision concernant la demande dans un délai de soixante jours, qui prend cours le jour après l'introduction de la demande. Lorsqu'il est mis fin anticipativement à l'accord de coopération, il prend fin le 31 décembre de l'année en cours.
  
Onderafdeling 2. - De subsidiëring van erkende onroerenderfgoeddepots in het kader van een samenwerkingsovereenkomst
Sous-section 2. - Le subventionnement de dépôts du patrimoine immobilier agréés dans le cadre d'un accord de coopération
Art. 10.1.15. De minister kan overeenkomstig de bepalingen van dit besluit en binnen de perken van de daarvoor bestemde kredieten op de begroting van de Vlaamse Gemeenschap een subsidie toekennen aan een erkend onroerenderfgoeddepot in het kader van een samenwerkingsovereenkomst.
Art. 10.1.15. Conformément aux dispositions du présent arrêté et dans les limites des crédits affectés à cet effet au budget de la Communauté flamande, le Ministre peut octroyer une subvention à un dépôt du patrimoine immobilier agréé dans le cadre d'un accord de coopération.
Art. 10.1.16. De samenwerkingsovereenkomst heeft een looptijd van zes jaar.
  De samenwerkingsovereenkomst vangt aan op 1 januari van het jaar dat volgt op het jaar waarin de subsidieaanvraag is goedgekeurd.
Art. 10.1.16. L'accord de coopération a une durée de six ans.
  L'accord de coopération prend cours le 1er janvier de l'année qui suit l'année dans laquelle la demande de subvention est approuvée.
Art. 10.1.17. Om gesubsidieerd te worden in het kader van een samenwerkingsovereenkomst moet een onroerenderfgoeddepot voldoen aan de volgende voorwaarden:
  1° het depot is erkend overeenkomstig artikel 3.4.7;
  2° het depot vervult een receptieve functie van gemeentegrensoverschrijdend belang;
  3° het depot voldoet aan minstens een van de volgende voorwaarden:
  a) het depot beschikt over een calamiteitennetwerk;
  b) het depot heeft een interdisciplinaire werking;
  c) het depot heeft een specifieke thematische werking.
  Als de erkenning van een onroerenderfgoeddepot gedurende de looptijd van de samenwerkingsovereenkomst is ingetrokken overeenkomstig artikel 3.4.15 of 3.4.16, heeft het geen recht op een subsidie voor het jaar waarin de erkenning wordt ingetrokken en is het gehouden tot de onmiddellijke terugbetaling van de reeds uitbetaalde subsidie van het lopende jaar, overeenkomstig [2 artikel 13, eerste lid, 1°]2, van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof.
  [1 Als gedurende de looptijd van de samenwerkingsovereenkomst de receptieve functie van gemeentegrensoverschrijdend belang, vermeld in het eerste lid, 2°, vervalt door een fusie van de gemeente waar het erkende onroerenderfgoeddepot zich bevindt met een of meer gemeenten waarvoor het erkende onroerenderfgoeddepot een receptieve functie vervult, blijft de lopende samenwerkingsovereenkomst ongewijzigd gelden.]1
  
Art. 10.1.17. Afin d'être subventionné dans le cadre d'un accord de coopération, un dépôt du patrimoine immobilier doit répondre aux conditions suivantes :
  1° le dépôt est agréé conformément à l'article 3.4.7 ;
  2° le dépôt remplit une fonction réceptive d'une importance qui dépasse les frontières communales ;
  3° le dépôt répond au moins à une des conditions suivantes :
  a) le dépôt dispose d'un réseau de calamités ;
  b) le dépôt a un fonctionnement interdisciplinaire ;
  c) le dépôt a un fonctionnement thématique spécifique.
  Lorsque l'agrément d'un dépôt du patrimoine immobilier est retiré pendant la durée de l'accord de coopération conformément à l'article 3.4.15 ou 3.4.16, il n'a pas droit à une subvention pour l'année dans laquelle l'agrément est retiré et il est tenu de procéder au remboursement immédiat de la subvention déjà payée de l'année en cours, conformément à [2 l'article 13, alinéa 1er, 1°]2, de la loi du 16 mai 2003 fixant les dispositions générales applicables aux budgets, au contrôle des subventions et à la comptabilité des communautés et des régions, ainsi qu'à l'organisation du contrôle de la Cour des Comptes.
  [1 Si, au cours de la durée de l'accord de coopération, la fonction réceptive d'une importance qui dépasse les frontières communales, visée à l'alinéa premier, 2°, échoit à la suite d'une fusion de la commune où le dépôt du patrimoine immobilier agréé est situé avec une ou plusieurs communes pour lesquelles le dépôt du patrimoine immobilier agréé remplit une fonction réceptive, l'accord de coopération en cours continue à s'appliquer en l'état.]1
  
Art. 10.1.18. [1 De aanvrager dient de subsidieaanvraag schriftelijk in bij het agentschap [2 uiterlijk 15 januari]2 van elk jaar.]1
  De aanvrager kan de subsidieaanvraag gelijktijdig indienen met de aanvraag tot erkenning als onroerenderfgoeddepot, vermeld in artikel 3.4.3.
  
Art. 10.1.18. [1 Le demandeur introduit la demande de subvention auprès de l'agence, par écrit, [2 au plus tard le 15 janvier]2 de chaque année.]1
  Le demandeur peut introduire la demande de subvention en même temps que la demande d'agrément comme dépôt du patrimoine immobilier, visée à l'article 3.4.3.
  
Art. 10.1.19. De subsidieaanvraag bevat minstens de volgende elementen:
  [1 1° een meerjarenbegroting waarin alle verwachte kosten en opbrengsten die betrekking hebben op de gesubsidieerde activiteiten opgenomen zijn;]1
  2° de nodige bewijsstukken waaruit blijkt dat voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in artikel 10.1.17.
  Het agentschap stelt hiervoor een modelformulier ter beschikking op zijn website. Als de aanvrager gelijktijdig een erkenning als onroerenderfgoeddepot en een subsidie aanvraagt, voegt hij de elementen, vermeld in het eerste lid, bij het modelformulier, vermeld in artikel 3.4.3.
  
Art. 10.1.19. La demande de subvention comprend au moins les éléments suivants :
  1° [1 un budget pluriannuel dans lequel sont repris tous les frais et produits escomptés qui ont rapport aux activités subventionnées ;]1
  2° les pièces justificatives nécessaires dont il ressort qu'il est répondu aux conditions, visées à l'article 10.1.17.
  A cet effet, l'agence met à disposition un formulaire modèle sur son site web. Lorsque le demandeur demande en même temps un agrément comme dépôt du patrimoine immobilier et une subvention, il joint les éléments, visés à l'alinéa premier, au formulaire modèle, visé à l'article 3.4.3.
  
Art. 10.1.20. [1 De subsidieaanvraag is ontvankelijk als ze tijdig wordt ingediend en volledig is.
   Als het agentschap vaststelt dat de aanvraag niet alle vereiste elementen, vermeld in artikel 10.1.19, eerste lid, bevat, brengt het de aanvrager binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van de subsidieaanvraag schriftelijk op de hoogte van de ontbrekende elementen.
   Als de aanvrager het dossier niet aanvult binnen een termijn van veertien dagen, die ingaat op da dag na de kennisgeving van het verzoek tot aanvulling, wordt de subsidieaanvraag onontvankelijk verklaard. Het agentschap brengt de aanvrager schriftelijk op de hoogte van de beslissing.]1

  
Art. 10.1.20. [1 La demande de subvention est recevable lorsqu'elle est introduite à temps et est complète.
   Lorsque l'agence constate que la demande ne comprend pas tous les éléments requis, visés à l'article 10.1.19, alinéa premier, elle met le demandeur au courant des éléments manquants, dans un délai de trente jours qui prend cours le jour après la réception de la demande de subvention, par écrit.
   Lorsque le demandeur ne complète pas le dossier dans un délai de quatorze jours, qui prend cours le jour après la notification de la demande de complément, la demande est déclarée irrecevable. L'agence informe le demandeur de la décision par écrit.]1

  
Art. 10.1.21. Het agentschap beoordeelt de ontvankelijke subsidieaanvraag van het erkende onroerenderfgoeddepot en brengt daarover advies uit aan de minister.
Art. 10.1.21. L'agence évalue la demande de subvention recevable du dépôt du patrimoine immobilier agréé et émet un avis à ce sujet au Ministre.
Art. 10.1.22. [1 Uiterlijk op [2 30 april]2 van het jaar waarin de ontvankelijke subsidieaanvraag is ingediend, beslist de minister over de toekenning en het bedrag van de subsidie.
   Het agentschap brengt het erkende onroerenderfgoeddepot schriftelijk op de hoogte van de beslissing, vermeld in het eerste lid.]1

  
Art. 10.1.22. [1 Au plus tard le [2 30 avril]2 de l'année dans laquelle la demande de subvention recevable a été introduite, le Ministre décide de l'octroi et du montant de la subvention.
   L'agence informe le dépôt du patrimoine immobilier agréé de la décision, visée dans l'alinéa premier, par écrit.]1

  
Art. 10.1.23. Uiterlijk op [2 1 november]2 van het jaar waarin de subsidieaanvraag is goedgekeurd, ondertekenen het agentschap en het erkende onroerenderfgoeddepot waaraan de subsidie is toegekend een samenwerkingsovereenkomst.
  De samenwerkingsovereenkomst bevat minstens de volgende elementen:
  1° het bedrag van de jaarlijkse subsidie;
  2° de looptijd;
  3° de rapporteringsverplichtingen met het oog op het jaarlijkse toezicht, vermeld in artikel 10.1.26;
  4° de rapporteringsverplichtingen met het oog op de driejaarlijkse evaluatie, vermeld in artikel 10.1.27;
  5° een afsprakennota met de te bereiken doelstellingen.
  
Art. 10.1.23. Au plus tard le [2 1er novembre]2 de l'année dans laquelle la demande de subvention est approuvée, l'agence et le dépôt du patrimoine immobilier agréé auquel la subvention est octroyée, signent un accord de coopération.
  L'accord de coopération comprend au moins les éléments suivants :
  1° le montant de la subvention annuelle ;
  2° la durée ;
  3° les obligations de rapport en vue du contrôle annuel, visé à l'article 10.1.26 ;
  4° les obligations de rapport en vue de l'évaluation qui a lieu tous les trois ans, visée à l'article 10.1.27 ;
  5° une note de conventions avec les objectifs à atteindre.
  
Art. 10.1.24. [2 De subsidie bevat personeelsmiddelen voor eigen personeel]2.
  [1 De jaarlijkse basissubsidie bedraagt minstens 85.000 euro en wordt vermeerderd met een bedrag dat is gekoppeld aan de volgende criteria, met als referentiedatum 1 januari van het jaar waarin de ontvankelijke subsidieaanvraag is goedgekeurd:
   1° het aantal inwoners, ingeschreven in het bevolkingsregister van de gemeenten die deel uitmaken van het gebied waar het onroerenderfgoeddepot zijn receptieve diensten verleent;
   2° de oppervlakte van het gebied waar het onroerenderfgoeddepot zijn receptieve diensten verleent;
   3° de grootte van de collectie.]1

  De minister stelt de eenheidsprijzen per criterium vast.
  
Art. 10.1.24. [2 La subvention contient des moyens en personnel pour son propre personnel.]2
  [1 La subvention de base annuelle s'élève au moins à 85.000 euros et est majorée d'un montant qui est lié aux critères suivants, le 1er janvier de l'année dans laquelle la demande de subvention recevable a été approuvée faisant foi de date de référence :
   1° le nombre d'habitants, inscrits au registre de la population des communes qui font partie de la zone où le dépôt du patrimoine immobilier fournit ses services réceptifs ;
   2° la superficie de la zone où le dépôt du patrimoine immobilier fournit ses services réceptifs ;
   3° l'importance de la collection.]1

  Le Ministre fixe les prix unitaires par critère.
  
Art. 10.1.25. De subsidie wordt gedurende de looptijd van de samenwerkingsovereenkomst jaarlijks beschikbaar gesteld in de vorm van een voorschot en een saldo:
  1° een voorschot van [1 80%]1 van het jaarlijkse subsidiebedrag wordt uitbetaald uiterlijk op 1 april van het lopende werkingsjaar;
  2° een saldo van het jaarlijkse subsidiebedrag wordt uitbetaald na de uitvoering van het jaarlijks [1 toezicht op de aanwending van de subsidie]1, vermeld in artikel 10.1.26, op basis van verantwoorde kosten.
  
Art. 10.1.25. Pendant la durée de l'accord de coopération, la subvention est mise à disposition annuellement sous forme d'une avance et d'un solde :
  1° une avance de [1 80 %]1 du montant de subvention annuel est payé au plus tard le 1er avril de l'année d'activité en cours ;
  2° un solde du montant de subvention annuel est payé après l'exécution du contrôle annuel [1 de l'utilisation de la subvention]1 , visé à l'article 10.1.26, sur la base de frais justifiés.
  
Art. 10.1.26. Het agentschap oefent het jaarlijkse toezicht uit op de aanwending van de subsidie en kan hiervoor alle initiatieven nemen die het nodig acht.
  [1 Met het oog op het toezicht, vermeld in het eerste lid, dient het erkende onroerenderfgoeddepot een financiële rapportering in bij het agentschap uiterlijk op [2 30 april]2.]1
  Met het oog op het toezicht, vermeld in het eerste lid, kan de minister nader bepalen welke kosten al dan niet in aanmerking komen voor subsidiëring.
  Het agentschap brengt het erkende onroerenderfgoeddepot [1 schriftelijk]1 op de hoogte van de resultaten van het jaarlijkse toezicht.
  Als er bij het jaarlijkse toezicht ernstige tekortkomingen worden vastgesteld, wordt het saldo niet of slechts gedeeltelijk uitbetaald.
  
Art. 10.1.26. L'agence exerce le contrôle annuel de l'affectation de la subvention et peut à cet effet prendre toutes les initiatives qu'elle estime nécessaire.
  [1 En vue du contrôle, visé à l'alinéa premier, le dépôt du patrimoine immobilier agréé introduit un rapportage financier auprès de l'agence pour le [2 30 avril]2 au plus tard.]1
  En vue du contrôle, visé à l'alinéa premier, le Ministre peut préciser quels frais sont éligibles au subventionnement ou non.
  L'agence met le dépôt du patrimoine immobilier agréé au courant, [1 par écrit]1, des résultats du contrôle annuel.
  Lorsque des fautes graves sont constatées lors du contrôle annuel, le solde n'est pas payé ou n'est payé que partiellement.
  
Art. 10.1.27. Het agentschap evalueert driejaarlijks de naleving van de samenwerkingsoverkomst op basis van:
  1° een tussentijdse evaluatie;
  2° een eindevaluatie.
  [2 Het erkend onroerenderfgoeddepot bezorgt de volgende documenten aan het agentschap voor de evaluaties, vermeld in het eerste lid:
   1° een tussentijds inhoudelijk rapport;
   2° een inhoudelijk eindrapport.]2

  Het agentschap kan voor de evaluatie, vermeld in het eerste lid, alle initiatieven nemen die het nodig acht.
  Het agentschap brengt het erkende onroerenderfgoeddepot [1 schriftelijk]1 op de hoogte van de resultaten van de tussentijdse evaluatie, vermeld in het eerste lid, 1°, en van de eindevaluatie, vermeld in het eerste lid, 2°.
  Als er bij de tussentijdse evaluatie ernstige tekortkomingen worden vastgesteld, kan de minister op voorstel van het agentschap beslissen om de samenwerkingsovereenkomst vervroegd te beëindigen. Die beslissing heeft dezelfde gevolgen als de beslissing over de intrekking van de erkenning.
  
Art. 10.1.27. L'agence évalue tous les trois ans le respect de l'accord de coopération sur la base :
  1° d'une évaluation intermédiaire ;
  2° d'une évaluation finale.
  [2 Le dépôt du patrimoine immobilier agréé transmet à l'agence les documents suivants pour les évaluations visées à l'alinéa 1er :
   1° un rapport de fond intérimaire ;
   2° un rapport de fond final.]2

  Pour l'évaluation, visée à l'alinéa premier, l'agence peut prendre toutes les initiatives qu'elle estime nécessaire.
  L'agence met le dépôt du patrimoine immobilier agréé au courant, [1 par écrit]1, des résultats de l'évaluation intermédiaire, visée à l'alinéa premier, 1°, et de l'évaluation finale, visée à l'alinéa premier, 2°.
  Lorsque des fautes graves sont constatées lors de l'évaluation intermédiaire, le Ministre peut décider, sur la proposition de l'agence, de mettre fin anticipativement à l'accord de coopération. Cette décision a les mêmes conséquences que la décision concernant le retrait de l'agrément.
  
Art. 10.1.28. Een erkend onroerenderfgoeddepot kan een gemotiveerde aanvraag indienen om de samenwerkingsovereenkomst vervroegd te beëindigen. De aanvraag wordt [1 schriftelijk]1 ingediend bij het agentschap.
  De minister neemt een beslissing over de aanvraag binnen een termijn van zestig dagen, die ingaat op de dag nadat de aanvraag is ingediend. Als de samenwerkingsovereenkomst vervroegd beëindigd wordt, loopt ze af op 31 december van het lopende jaar.
  
Art. 10.1.28. Un dépôt du patrimoine immobilier agréé peut introduire une demande motivée pour mettre fin anticipativement à l'accord de coopération. La demande est introduite auprès de l'agence [1 par écrit]1.
  Le Ministre prend une décision concernant la demande dans un délai de soixante jours, qui prend cours le jour après l'introduction de la demande. Lorsqu'il est mis fin anticipativement à l'accord de coopération, il prend fin le 31 décembre de l'année en cours.
  
Onderafdeling 3. [1 - De subsidiëring van erkende onroerenderfgoedgemeenten in het kader van een samenwerkingsovereenkomst]1
Sous-section 3. [1 - Le subventionnement de communes du patrimoine immobilier agréées dans le cadre d'un accord de coopération]1
Art. 10.1.29. [1 De minister kan overeenkomstig de bepalingen van dit besluit en binnen de perken van de daarvoor bestemde kredieten op de begroting van de Vlaamse Gemeenschap een subsidie toekennen aan een erkende onroerenderfgoedgemeente in het kader van een samenwerkingsovereenkomst.]1
  
Art. 10.1.29. [1 Conformément aux dispositions du présent arrêté et dans les limites des crédits affectés à cet effet au budget de la Communauté flamande, le ministre peut octroyer une subvention à une commune du patrimoine immobilier agréée dans le cadre d'un accord de coopération.]1
  
Art. 10.1.30. [1 De samenwerkingsovereenkomst heeft een looptijd van drie jaar of zes jaar.
   De aanvrager dient de subsidieaanvraag schriftelijk in bij het agentschap uiterlijk op 15 januari van het eerste of het vierde jaar van de lokale beleidscyclus. In het eerste geval heeft de samenwerkingsovereenkomst een looptijd van zes jaar. In het tweede geval heeft de samenwerkingsovereenkomst een looptijd van drie jaar. De samenwerkingsovereenkomst vangt aan op 1 januari van het jaar dat volgt op het jaar waarin de subsidieaanvraag is goedgekeurd.]1

  
Art. 10.1.30. [1 L'accord de coopération a une durée de trois ans ou de six ans.
   Le demandeur introduit la demande de subvention par écrit auprès de l'agence au plus tard le 15 janvier de la première ou de la quatrième année du cycle politique local. Dans le premier cas, l'accord de coopération a une durée de six ans. Dans le deuxième cas, l'accord de coopération a une durée de trois ans. L'accord de coopération prend cours le 1er janvier de l'année qui suit l'année dans laquelle la demande de subvention est approuvée.]1

  
Art. 10.1.31. [1 Om gesubsidieerd te worden in het kader van een samenwerkingsovereenkomst moet een gemeente erkend zijn overeenkomstig artikel 3.2.4.
   Als de erkenning van een onroerenderfgoedgemeente gedurende de looptijd van de samenwerkingsovereenkomst is ingetrokken overeenkomstig artikel 3.2.12 of 3.2.13, heeft zij geen recht op een subsidie voor het jaar waarin de erkenning wordt ingetrokken en is zij gehouden tot de onmiddellijke terugbetaling van de reeds uitbetaalde subsidie van het lopende jaar, overeenkomstig artikel 13, eerste lid, 1°, van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof.]1

  
Art. 10.1.31. [1 Afin d'être subventionnée dans le cadre d'un accord de coopération, une commune doit être agréée conformément à l'article 3.2.4.
   Lorsque l'agrément d'une commune du patrimoine immobilier est retiré pendant la durée de l'accord de coopération conformément à l'article 3.2.12 ou 3.2.13, elle n'a pas droit à une subvention pour l'année dans laquelle l'agrément est retiré et elle est tenue de procéder au remboursement immédiat de la subvention déjà payée de l'année en cours, conformément à l'article 13, alinéa 1er, 1°, de la loi du 16 mai 2003 fixant les dispositions générales applicables aux budgets, au contrôle des subventions et à la comptabilité des communautés et des régions, ainsi qu'à l'organisation du contrôle de la Cour des Comptes.]1

  
Art. 10.1.32. [1 De aanvrager kan de subsidieaanvraag gelijktijdig indienen met de aanvraag tot erkenning als onroerenderfgoedgemeente, vermeld in artikel 3.2.2.]1
  
Art. 10.1.32. [1 Le demandeur peut introduire la demande de subvention en même temps que la demande d'agrément en tant que commune du patrimoine immobilier, visée à l'article 3.2.2.]1
  
Art. 10.1.33. [1 De subsidieaanvraag bevat minstens een actueel onroerenderfgoedbeleidsplan.
   Het agentschap stelt een modelformulier ter beschikking op zijn website om een subsidie aan te vragen.]1

  
Art. 10.1.33. [1 La demande de subvention comprend au moins un plan politique en matière de patrimoine immobilier à jour :
   L'agence met à disposition un formulaire type sur son site web afin de demander la subvention.]1

  
Art. 10.1.34. [1 De subsidieaanvraag is ontvankelijk als ze tijdig wordt ingediend en volledig is.
   Als het agentschap vaststelt dat de aanvraag niet alle vereiste elementen, vermeld in artikel 10.1.33 eerste lid, bevat, brengt het de aanvrager binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van de subsidieaanvraag schriftelijk op de hoogte van de ontbrekende elementen.
   Als de aanvrager het dossier niet aanvult binnen een termijn van veertien dagen, die ingaat op de dag na de kennisgeving van het verzoek tot aanvulling, wordt de subsidieaanvraag onontvankelijk verklaard. Het agentschap brengt de aanvrager schriftelijk op de hoogte van de beslissing.]1

  
Art. 10.1.34. [1 La demande de subvention est recevable lorsqu'elle est introduite à temps et est complète.
   Lorsque l'agence constate que la demande ne comprend pas tous les éléments requis, visés à l'article 10.1.33, alinéa 1er, elle informe par écrit le demandeur, dans un délai de trente jours qui prend cours le jour après la réception de la demande de subvention, des éléments manquants.
   Lorsque le demandeur ne complète pas le dossier dans un délai de quatorze jours, qui prend cours le jour après la notification de la demande de complément, la demande de subvention est déclarée irrecevable. L'agence informe le demandeur de sa décision par écrit.]1

  
Art. 10.1.35. [1 Het agentschap beoordeelt de ontvankelijke subsidieaanvraag van de erkende onroerenderfgoedgemeente en brengt daarover advies uit aan de minister.]1
  
Art. 10.1.35. [1 L'agence évalue la demande de subvention recevable de la commune du patrimoine immobilier agréée et émet un avis à ce sujet au ministre.]1
  
Art. 10.1.36. [1 Uiterlijk op 30 april van het jaar waarin de ontvankelijke subsidieaanvraag is ingediend, beslist de minister over de toekenning van de subsidie.
   Het agentschap brengt de erkende onroerenderfgoedgemeente schriftelijk op de hoogte van de beslissing, vermeld in het eerste lid.]1

  
Art. 10.1.36. [1 Le ministre décide de l'octroi de la subvention au plus tard le 30 avril de l'année dans laquelle la demande de subvention est introduite.
   L'agence informe la commune du patrimoine immobilier agréée par écrit de la décision visée à l'alinéa 1er.]1

  
Art. 10.1.37. [1 Uiterlijk op 1 november van het jaar waarin de subsidieaanvraag is goedgekeurd, ondertekenen het agentschap en de erkende onroerenderfgoedgemeente waaraan de subsidie is toegekend een samenwerkingsovereenkomst.
   De samenwerkingsovereenkomst bevat minstens de volgende elementen:
   1° het bedrag van de jaarlijkse subsidie;
   2° de looptijd;
   3° de rapporteringsverplichtingen met het oog op het jaarlijkse toezicht, vermeld in artikel 10.1.40;
   4° de rapporteringsverplichtingen met het oog op de jaarlijkse evaluatie, vermeld in artikel 10.1.41;
   5° een afsprakennota met de te bereiken doelstellingen.]1

  
Art. 10.1.37. [1 Au plus tard le 1er novembre de l'année dans laquelle la demande de subvention est approuvée, l'agence et la commune du patrimoine immobilier agréée à laquelle la subvention est octroyée, signent un accord de coopération.
   L'accord de coopération comprend au moins les éléments suivants :
   1° le montant de la subvention annuelle ;
   2° la durée de validité ;
   3° les obligations de rapport en vue du contrôle annuel, visé à l'article 10.1.40 ;
   4° les obligations de rapport en vue de l'évaluation annuelle, visée à l'article 10.1.40 ;
   5° une note de conventions avec les objectifs à atteindre.]1

  
Art. 10.1.38. [1 De subsidie omvat personeelsmiddelen voor eigen personeel en bedraagt:
   1° als de subsidie wordt aangevraagd door Antwerpen, Brugge, Gent, Leuven en Mechelen: 90.000 euro;
   2° als de subsidie wordt aangevraagd door een centrumstad als vermeld in artikel 19ter decies van het decreet van 5 juli 2002 tot vaststelling van de regels inzake de dotatie en de verdeling van het Vlaams Gemeentefonds, of door een gemeente waarin minstens twee werelderfgoederen gelegen zijn, met uitzondering van de steden, vermeld in punt 1° : 50.000 euro;
   3° als de subsidie wordt aangevraagd door een gemeente die niet is vermeld in punt 1° of 2° : 10.000 euro.
   In het eerste lid, 2° wordt verstaan onder werelderfgoed: een onroerend goed dat erkend is als werelderfgoed conform artikel 11 van de overeenkomst inzake de bescherming van het cultureel en natuurlijk erfgoed van de wereld, opgemaakt in Parijs op 16 november 1972.]1

  
Art. 10.1.38. [1 La subvention contient les moyens en personnel pour le personnel propre et s'élève à :
   1° si la subvention est demandée par Anvers, Bruges, Gand, Louvain et Malines : 90 000 euros ;
   2° si la subvention est demandée par une ville-centre telle que visée à l'article 19ter decies du décret du 5 juillet 2002 réglant la dotation et la répartition du Fonds flamand des Communes, ou par une commune dans laquelle se trouvent au moins deux sites du patrimoine mondial, à l'exception des villes visées au point 1° : 50 000 euros ;
   3° si la subvention est demandée par une commune qui n'est pas visée au point 1° ou 2° : 10 000 euros.
   A l'alinéa 1er, 2°, on entend par patrimoine mondial : un bien immobilier reconnu comme patrimoine mondial conformément à l'article 11 de la convention concernant la protection du patrimoine mondial, culturel et naturel, établie à Paris le 16 novembre 1972.]1

  
Art. 10.1.39. [1 De subsidie wordt gedurende de looptijd van de samenwerkingsovereenkomst jaarlijks beschikbaar gesteld in de vorm van een voorschot en een saldo:
   1° een voorschot van 80 % van het jaarlijkse subsidiebedrag wordt uitbetaald uiterlijk op 1 april van het lopende werkingsjaar;
   2° een saldo van het jaarlijkse subsidiebedrag wordt uitbetaald na de uitvoering van het jaarlijkse toezicht op de aanwending van de subsidie, vermeld in artikel 10.1.40, op basis van verantwoorde kosten.]1

  
Art. 10.1.39. [1 Pendant la durée de l'accord de coopération, la subvention est mise à disposition annuellement sous forme d'une avance et d'un solde :
   1° une avance de 80 % du montant de subvention annuel est versée au plus tard le 1er avril de l'année d'activité en cours ;
   2° un solde du montant de subvention annuel est versé après le contrôle annuel de l'affectation de la subvention, tel que visé à l'article 10.1.40, sur la base des coûts justifiés..]1

  
Art. 10.1.40. [1 Het agentschap oefent het jaarlijkse toezicht uit op de aanwending van de subsidie en kan hiervoor alle initiatieven nemen die het nodig acht.
   Met het oog op het toezicht, vermeld in het eerste lid, dient de erkende onroerenderfgoedgemeente een financiële rapportering in bij het agentschap uiterlijk op 30 april.
   Met het oog op het toezicht, vermeld in het eerste lid, kan de minister nader bepalen welke kosten al dan niet in aanmerking komen voor subsidiëring.
   Het agentschap brengt de erkende onroerenderfgoedgemeente schriftelijk op de hoogte van de resultaten van het jaarlijkse toezicht.
   Als er bij het jaarlijkse toezicht ernstige tekortkomingen worden vastgesteld, wordt het saldo niet of slechts gedeeltelijk uitbetaald.]1

  
Art. 10.1.40. [1 L'agence exerce le contrôle annuel de l'affectation de la subvention et peut à cet effet prendre toutes les initiatives qu'elle estime nécessaire.
   En vue du contrôle visé à l'alinéa 1er, la commune du patrimoine immobilier agréée soumet un rapport financier à l'agence au plus tard le 30 avril.
   En vue du contrôle visé à l'alinéa 1er, le ministre peut préciser quels frais sont éligibles au subventionnement ou non.
   L'agence informe par écrit la commune du patrimoine immobilier agréée des résultats du contrôle annuel.
   Lorsque des fautes graves sont constatées lors du contrôle annuel, le solde n'est pas payé ou n'est payé que partiellement.]1

  
Art. 10.1.41. [1 Het agentschap voert jaarlijks een evaluatie uit op de naleving van de samenwerkingsovereenkomst. De erkende onroerenderfgoedgemeente bezorgt hiertoe aan het agentschap een jaarlijks rapport.
   Het agentschap kan voor de evaluatie, vermeld in het eerste lid, alle initiatieven nemen die het nodig acht.
   Het agentschap brengt de erkende onroerenderfgoedgemeente schriftelijk op de hoogte van de resultaten van de evaluatie, vermeld in het eerste lid.
   Als er bij de jaarlijkse evaluatie ernstige tekortkomingen worden vastgesteld, kan de minister op voorstel van het agentschap beslissen om de samenwerkingsovereenkomst vervroegd te beëindigen. Die beslissing heeft dezelfde gevolgen als de beslissing over de intrekking van de erkenning.]1

  
Art. 10.1.41. [1 L'agence effectue annuellement une évaluation du respect de l'accord de coopération. La commune du patrimoine immobilier agréée soumet un rapport annuel à l'agence à cet effet.
   Pour l'évaluation visée à l'alinéa 1er, l'agence peut prendre toutes les initiatives qu'elle estime nécessaire.
   L'agence informe par écrit la commune du patrimoine immobilier agréée des résultats de l'évaluation visée à l'alinéa 1er.
   Lorsque des manquements graves sont constatés lors de l'évaluation annuelle, le ministre peut décider, sur la proposition de l'agence, de mettre fin anticipativement à l'accord de coopération. Cette décision entraîne les mêmes conséquences que la décision concernant le retrait de l'agrément.]1

  
Art. 10.1.42. [1 Een erkende onroerenderfgoedgemeente kan een gemotiveerde aanvraag indienen om de samenwerkingsovereenkomst vervroegd te beëindigen. De aanvraag wordt schriftelijk ingediend bij het agentschap.
   De minister neemt een beslissing over de aanvraag binnen een termijn van zestig dagen, die ingaat op de dag nadat de aanvraag is ingediend. Als de samenwerkingsovereenkomst vervroegd beëindigd wordt, loopt ze af op 31 december van het lopende jaar.]1

  
Art. 10.1.42. [1 Une commune du patrimoine immobilier agréée peut introduire une demande motivée pour mettre fin anticipativement à l'accord de coopération. La demande est introduite par écrit auprès de l'agence.
   Le ministre prend une décision concernant la demande dans un délai de soixante jours, qui prend cours le jour après l'introduction de la demande. Lorsqu'il est mis fin anticipativement à l'accord de coopération, il prend fin le 31 décembre de l'année en cours.]1

  
Onderafdeling 4. [1 - De indexering van de subsidies in het kader van een samenwerkingsovereenkomst.]1
Sous-section 4. [1 - L'indexation des subventions dans le cadre d'un accord de coopération.]1
Art. 10.1.43. [1 Vanaf 1 januari 2023 wordt de subsidie vermeld in artikel 10.1.24, eerste lid jaarlijks geïndexeerd aan de hand van het cijfer van de gezondheidsindex van de maand december van het jaar vóór de vastlegging van de subsidie met als basisindexcijfer het cijfer van de gezondheidsindex van december 2022.
   Vanaf 1 januari 2025 wordt de subsidie vermeld in artikel 10.1.38, eerste lid jaarlijks geïndexeerd aan de hand van het cijfer van de gezondheidsindex van de maand december van het jaar vóór de vastlegging van de subsidie met als basisindexcijfer het cijfer van de gezondheidsindex van december 2024.
   Vanaf 1 januari 2028 wordt de subsidie vermeld in artikel 10.1.10 jaarlijks geïndexeerd aan de hand van het cijfer van de gezondheidsindex van de maand december van het jaar vóór de vastlegging van de subsidie met als basisindexcijfer het cijfer van de gezondheidsindex van december 2027.]1

  
Art. 10.1.43. [1 La subvention visée à l'article 10.1.24, alinéa 1er, est indexée annuellement à partir du 1er janvier 2023 sur la base de l'indice santé du mois de décembre de l'année précédant la fixation de la subvention, l'indice de base étant l'indice santé de décembre 2022.
   La subvention visée à l'article 10.1.38, alinéa 1er, est indexée annuellement à partir du 1er janvier 2025 sur la base de l'indice santé du mois de décembre de l'année précédant la fixation de la subvention, l'indice de base étant l'indice santé de décembre 2024.
   La subvention visée à l'article 10.1.10, est indexée annuellement à partir du 1erjanvier 2028 sur la base de l'indice santé du mois de décembre de l'année précédant la fixation de la subvention, l'indice de base étant l'indice santé de décembre 2027.]1

  
Afdeling 2. - Subsidies in het kader van beheersovereenkomsten
Section 2. - Subventions dans le cadre de contrats de gestion
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen
Sous-section 1re. - Dispositions générales
Art. 10.2.1. Een beheersovereenkomst is een overeenkomst tussen de beheersdienst en een zakelijkrechthouder of een beheerder van een archeologische site, monument, een of meer percelen in een cultuurhistorisch landschap, stads- of dorpsgezicht of erfgoedlandschap, waarbij die zich er vrijwillig toe verbindt om gedurende een bepaalde termijn een of meer [1 maatregelen uit de]1 beheerspakketten uit te voeren tegen betaling van een vooraf bepaalde vergoeding, binnen de perken van de daarvoor bestemde kredieten op de begroting van de Vlaamse Gemeenschap.
  De beheersdienst kan geen beheersovereenkomst sluiten met de diensten en agentschappen die afhangen van het Vlaamse Gewest, de besturen, alsook de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtspersonen die in het Vlaamse Gewest belast zijn met taken van openbaar nut.
  
Art. 10.2.1. Un contrat de gestion est un contrat entre le service de gestion et un titulaire du droit réel ou un gestionnaire d'un site archéologique, d'un monument, d'une ou de plusieurs parcelles dans un paysage culturo-historique, site urbain ou rural ou paysage patrimonial, où celui-ci s'engage volontairement à exécuter, pendant un délai fixé, [1 une ou plusieurs mesures des paquets de gestion]1, moyennant le paiement d'une indemnité fixée au préalable, dans les limites des crédits affectés à cet effet au budget de la Communauté flamande.
  Le service de gestion ne peut pas conclure de contrat de gestion avec les services et agences relevant de la Région flamande, les administrations, ainsi que les personnes morales de droit public et de droit privé qui sont chargées au sein de la Région flamande de tâches d'utilité publique.
  
Art. 10.2.2. Een beheersovereenkomst wordt gesloten voor een duur van [1 minstens vijf en maximaal tien]1 jaar. De looptijd van de beheersovereenkomst kan verlengd worden als de verlenging verantwoord is in het licht van de beheersdoelstelling.
  Een beheersovereenkomst vangt aan op 1 januari van het jaar dat volgt op het jaar waarin de beheersovereenkomst is gesloten.
  
Art. 10.2.2. Un contrat de gestion est conclu pour une durée de [1 cinq ans au minimum et de dix ans au maximum]1. La durée du contrat de gestion peut être prolongée lorsque la prolongation est justifiée à la lumière de l'objectif de gestion.
  Un contrat de gestion prend cours le 1er janvier de l'année qui suit l'année dans laquelle le contrat de gestion est conclu.
  
Art. 10.2.3. Vanaf het sluiten van de beheersovereenkomst moet de zakelijkrechthouder of de beheerder de beheersovereenkomst naleven, zich onderwerpen aan de controle van de naleving ervan en alle gegevens die nodig zijn om de evaluatie van de maatregelen mogelijk te maken aan de beheersdienst ter beschikking stellen.
Art. 10.2.3. A partir de la conclusion du contrat de gestion, le titulaire du droit réel ou le gestionnaire doit respecter le contrat de gestion, se soumettre au contrôle de son respect et mettre à disposition toutes les données qui sont nécessaire pour permettre l'évaluation des mesures au service de gestion.
Art. 10.2.4. [1 Een beheersovereenkomst kan gecombineerd worden met andere beheersovereenkomsten, milieuacties of maatregelen, op voorwaarde dat ze elkaar aanvullen en onderling verenigbaar zijn.
   Een beheersvergoeding op basis van een beheersovereenkomst vermeld in artikel 10.2.1 kan niet gecumuleerd worden met de volgende premies, fiscale voordelen en vergoedingen:
   1° een erfgoedpremie;
   2° een onderzoekspremie;
   3° een premie voor archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem;
   4° een premie voor buitensporige opgravingskosten;
   5° een belastingvermindering, als vermeld in artikel 145/36 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992;
   6° een verlaging van de schenkbelasting als vermeld in artikel 2.8.4.4.1 Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013;
   7° een verlaging van de verkooprechten als vermeld in artikel 2.9.4.2.10 Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013;
   8° elke andere vorm van vergoeding dan de premies en fiscale voordelen vermeld in punt 1° tot en met 7°, die toegekend worden voor dezelfde of een soortgelijke prestatie.]1

  
Art. 10.2.4. [1 Un contrat de gestion peut être combiné avec d'autres contrats de gestion, actions environnementales ou mesures pour autant qu'ils se complètent et soient compatibles entre eux.
   Une indemnité de gestion basée sur un contrat de gestion visé à l'article 10.2.1 ne peut pas être cumulée avec les primes, avantages fiscaux et indemnités ci-après :
   1° une prime au patrimoine ;
   2° une prime de recherche ;
   3° une prime pour étude archéologique préliminaire avec intervention dans le sol ;
   4° une prime pour frais de fouilles excessifs ;
   5° une réduction d'impôt telle que visée à l'article 145/36 du Code des impôts sur les revenus 1992 ;
   6° une réduction de l'impôt de donation telle que visée à l'article 2.8.4.4.1 du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013 ;
   7° une réduction des droits de vente telle que visée à l'article 2.9.4.2.10 Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013 ;
   8° toute forme d'indemnité autre que les primes et avantages fiscaux, visés aux points 1° à 7°, octroyés pour la même prestation ou une prestation similaire.]1

  
Onderafdeling 2. - Doelstelling en toepassingsgebied
Sous-section 2. - Objectif et champ d'application
Art. 10.2.5. [1 De beheersovereenkomsten zijn gericht op het duurzaam behoud en beheer van onroerend erfgoed.
   In het kader van de beheersdoelstelling, vermeld in het eerste lid, kunnen de volgende beheerspakketten worden uitgevoerd via beheersovereenkomsten:
   1° het beheer van houtig erfgoed, kleine landschapselementen en vegetaties;
   2° het beschermen van bodem en reliëfvormen;
   3° het beheer van klein bouwkundig erfgoed, wegen en paden;
   4° het creëren van een bufferstrook ter bescherming van cultuurhistorisch waardevolle elementen.
   De minister kan bijkomende beheerspakketten bepalen.
   De minister stelt de jaarlijkse beheersvergoeding vast voor de beheerspakketten, vermeld in het tweede lid, of de maatregelen daarin.]1

  
Art. 10.2.5. [1 Les contrats de gestion visent la conservation et gestion durables du patrimoine immobilier.
   Dans le cadre de l'objectif de gestion tel que visé à l'alinéa 1er, les paquets de gestion suivants peuvent être mis en oeuvre par le biais de contrats de gestion :
   1° la gestion du patrimoine ligneux, de petits éléments paysagers et de végétations ;
   2° la protection du sol et de formes de relief ;
   3° la gestion du petit patrimoine architectural, des voiries et sentiers ;
   4° la création d'une bande tampon pour la protection d'éléments de valeur historico-culturelle.
   Le ministre peut définir des paquets de gestion supplémentaires.
   Le ministre fixe l'indemnité de gestion annuelle pour les paquets de gestion visés à l'alinéa 2 ou les mesures qu'ils comportent.]1

  
Art. 10.2.6. In de beheerspakketten worden beheersmaatregelen opgenomen, die wezenlijk bijdragen tot de instandhouding en bescherming van de erfgoedkenmerken en de erfgoedwaarden.
  De minister bepaalt voor elk beheerspakket de beheersmaatregelen en voorwaarden.
Art. 10.2.6. Des mesures de gestion sont reprises dans les ensembles de gestion, qui contribuent essentiellement au maintien et à la protection des caractéristiques patrimoniales et des valeurs patrimoniales.
  Le Ministre fixe pour chaque ensemble de gestion les mesures de gestion et les conditions.
Art. 10.2.7. De minister bepaalt [1 de beheersgebieden]1 waarin beheersovereenkomsten kunnen worden gesloten in functie van de beheersdoelstelling, vermeld in artikel 10.2.5, eerste lid.
  
Art. 10.2.7. Le Ministre fixe [1 les zones de gestion dans lesquelles]1 des contrats de gestion peuvent être conclus en fonction de l'objectif de gestion, visé à l'article 10.2.5, alinéa premier.
  
Art. 10.2.8. De minister [1 ...]1 kan bepalen welke beheersgebieden of gedeelten ervan of welke beheerspakketten prioritair in aanmerking komen om beheersovereenkomsten te sluiten. Daarbij wordt rekening gehouden met de positieve resultaten die verwacht kunnen worden door beheerspakketten in te zetten en met de optimale besteding van de begrotingskredieten.
  
Art. 10.2.8. Le Ministre [1 ...]1 peut fixer quelles zones de gestion ou parties ou quels ensembles de gestion sont prioritairement éligibles pour conclure des contrats de gestion. Dans ce contexte, il est tenu compte des résultats positifs qui peuvent être attendus de l'engagement d'ensembles de gestion et de l'affectation optimale des crédits budgétaires.
  
Onderafdeling 3. - Toezicht op de naleving van de beheersovereenkomsten
Sous-section 3. - Contrôle du respect des contrats de gestion
Art. 10.2.9. De beheersdienst is belast met het toezicht op de naleving van de beheersovereenkomsten. Om na te gaan of de beheersovereenkomst is nageleefd, voert hij administratieve controles en controles ter plaatse uit. Hij kan zich daarvoor laten bijstaan door derden.
Art. 10.2.9. Le service de gestion est chargé du contrôle du respect des contrats de gestion. Afin de vérifier si le contrat de gestion est respecté, il effectue des contrôles administratifs et des contrôles sur place. A cet effet, il peut se faire assister par des tiers.
Art. 10.2.10. In geval van een controle ter plaatse hebben de bevoegde personeelsleden het recht om de percelen in kwestie te betreden en om de nodige vaststellingen over de uitvoering van de beheersovereenkomst te doen.
  Op verzoek van de bevoegde personeelsleden begeleidt de zakelijkrechthouder of de beheerder hen naar de percelen in kwestie. De beheerder verstrekt alle documenten en inlichtingen die noodzakelijk zijn voor de controle. Als de zakelijkrechthouder of de beheerder de controle verhindert, heeft hij geen recht op een beheersvergoeding voor zijn beheersovereenkomst.
  De zakelijkrechthouder of de beheerder wordt in de gelegenheid gesteld het verslag van de controle te ondertekenen om zijn aanwezigheid bij de controle te bevestigen, en er opmerkingen aan toe te voegen.
  Als wordt vastgesteld dat de zakelijkrechthouder of de beheerder de beheersmaatregelen en voorwaarden niet naleeft, ontvangt hij een kopie van het verslag van de controle ter plaatse.
Art. 10.2.10. En cas d'un contrôle sur place, les membres du personnel compétents ont le droit d'accéder aux parcelles en question et d'effectuer les constatations nécessaires concernant l'exécution du contrat de gestion.
  A la demande des membres du personnel compétents, le titulaire du droit réel ou le gestionnaire les accompagne aux parcelles concernées. Le gestionnaire fournit tous les documents et informations qui sont nécessaires pour le contrôle. Lorsque le titulaire du droit réel ou le gestionnaire empêche le contrôle, il n'a pas droit à une indemnité de gestion pour son contrat de gestion.
  Le titulaire du droit réel ou le gestionnaire est mis en mesure de signer le rapport du contrôle pour confirmer sa présence lors du contrôle, et d'y ajouter des remarques.
  Lorsqu'il est constaté que le titulaire du droit réel ou le gestionnaire ne respecte pas les mesures de gestion et conditions, il reçoit une copie du rapport du contrôle sur place.
Art. 10.2.11. Naargelang de ernst, de omvang en het permanente karakter van de niet-naleving legt de beheersdienst de volgende sancties op:
  1° de beheersvergoeding voor het betreffende jaar wordt verlaagd of niet uitbetaald;
  2° de reeds betaalde beheersvergoedingen worden gedeeltelijk of volledig teruggevorderd;
  3° de beheersovereenkomst of een deel van de beheersovereenkomst wordt onmiddellijk beëindigd en de reeds betaalde beheersvergoedingen worden gedeeltelijk of volledig teruggevorderd.
  De minister kan nadere regels vaststellen voor de controle en de toe te passen sancties.
Art. 10.2.11. En fonction de la gravité, de l'ampleur et du caractère permanent du non-respect, le service de gestion impose les sanctions suivantes :
  1° l'indemnité de gestion pour l'année concernée est réduite ou n'est pas payée ;
  2° les indemnités de gestion déjà payées sont recouvrées en partie ou en entier ;
  3° il est immédiatement mis fin au contrat de gestion ou à une partie du contrat de gestion et les indemnités de gestion déjà payées sont recouvrées en partie ou en entier.
  Le Ministre peut fixer des modalités pour le contrôle et les sanctions à appliquer.
Onderafdeling 4. - Procedurebepalingen
Sous-section 4. - Dispositions de procédure
Art. 10.2.12. Uiterlijk op 1 oktober van het jaar voor het gewenste aanvangsjaar van de beheersovereenkomst wordt de aanvraag tot het sluiten van de beheersovereenkomst ingediend bij de beheersdienst.
  De minister bepaalt de gegevens die de aanvraag moet bevatten. In voorkomend geval laat de beheersdienst aan de zakelijkrechthouder of de beheerder weten welke gegevens in de aanvraag ontbreken of een nadere toelichting vereisen.
  De beheersdienst kan een model van aanvraagformulier ter beschikking stellen.
Art. 10.2.12. Au plus tard le 1er octobre de l'année avant l'année de début souhaitée du contrat de gestion, la demande de conclure le contrat de gestion est introduite auprès du service de gestion.
  Le Ministre fixe les données que doit comprendre la demande. Le cas échéant, le service de gestion communique au titulaire du droit réel ou au gestionnaire les données qui manquent dans la demande ou requièrent plus d'explications.
  Le service de gestion peut mettre à disposition un modèle de formulaire de demande.
Art. 10.2.13. Het agentschap gaat na of de beheersovereenkomst kan worden gesloten en of de gevraagde beheerspakketten in overeenstemming zijn met de beheersdoelstelling en de gestelde prioriteiten.
  [1 Als de beheersdienst beslist dat een beheersovereenkomst kan worden gesloten, stuurt hij het ontwerp van de beheersovereenkomst naar de zakelijkrechthouder of de beheerder. Als de beheersdienst een andere administratieve overheid is dan het agentschap, beslist hij op basis van de conclusies van het agentschap na het onderzoek vermeld in het eerste lid.]1
  De exemplaren van de beheersovereenkomst die de zakelijkrechthouder of de beheerder ondertekend hebben, worden, op straffe van verval van de beheersovereenkomst, voor de ingangsdatum van de beheersovereenkomst aan de beheersdienst bezorgd. De beheersdienst bezorgt de beheersovereenkomst die beide partijen ondertekend hebben aan de zakelijkrechthouder of de beheerder.
  
Art. 10.2.13. L'agence vérifie si le contrat de gestion peut être conclu et si les ensembles de gestion demandés sont conformes à l'objectif de gestion et aux priorités fixées.
  [1 Si le service de gestion décide qu'un contrat de gestion peut être conclu, il envoie le projet de contrat de gestion au titulaire du droit réel ou au gestionnaire. Si le service de gestion est une autorité administrative autre que l'agence, il décide sur la base des conclusions de l'agence après l'examen visé à l'alinéa 1er.]1
  Sous peine de déchéance du contrat de gestion, les exemplaires du contrat de gestion signés par le titulaire du droit réel ou le gestionnaire sont transmis au service de gestion avant la date d'entrée en vigueur du contrat de gestion. Le service de gestion transmet le contrat de gestion signé par les deux parties au titulaire du droit réel ou au gestionnaire.
  
Art. 10.2.14. De minister bepaalt de nadere regels met betrekking tot de procedure voor het sluiten van beheersovereenkomsten en de voorwaarden van betaling van de beheersvergoeding [1 . Het agentschap stelt op zijn website een modelformulier ter beschikking.]1
  
Art. 10.2.14. Le Ministre fixe les modalités relatives à la procédure pour conclure des contrats de gestion et aux conditions de paiement de l'indemnité de gestion [1 . L'agence met un formulaire type à disposition sur son site web.]1
  
Onderafdeling 5. - Bijzondere bepalingen
Sous-section 5. - Dispositions particulières
Art. 10.2.15. De zakelijkrechthouder, de beheerder of zijn rechtsopvolger kan een gemotiveerde aanvraag indienen om de beheersovereenkomst of een deel van de beheersovereenkomst vervroegd te beëindigen wegens overmacht of uitzonderlijke omstandigheid. De aanvraag wordt schriftelijk ingediend bij de beheersdienst.
  De beheersdienst beslist of het meegedeelde geval overmacht of een uitzonderlijke omstandigheid is. In geval van overmacht of uitzonderlijke omstandigheid eindigt de beheersovereenkomst of het betreffende deel van de beheersovereenkomst.
Art. 10.2.15. Le titulaire du droit réel, le gestionnaire ou son ayant cause peut introduire une demande motivée de mettre fin anticipativement au contrat de gestion ou à une partie du contrat de gestion en raison de force majeure ou de circonstances exceptionnelles. La demande est introduite par écrit auprès du service de gestion.
  Le service de gestion décide si le cas communiqué est un cas de force majeure ou de circonstances exceptionnelles. En cas de force majeure ou de circonstances exceptionnelles, le contrat de gestion ou la partie concernée du contrat de gestion prend fin.
Art. 10.2.16. § 1. Als de zakelijkrechthouder of de beheerder een landbouwer is, als vermeld in artikel 2, 7°, van het decreet van 22 december 2006 houdende inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid, en van oordeel is dat hij de bepalingen van de beheersovereenkomst niet kan blijven nakomen doordat zijn bedrijf wordt herverkaveld of valt binnen een ruilverkaveling die de overheid goedgekeurd heeft, deelt de beheerder dat onmiddellijk schriftelijk mee aan de beheersdienst.
  § 2. Als de beheersdienst beslist dat een aanpassing van de beheersovereenkomst aan de nieuwe bedrijfssituatie mogelijk is, bepaalt de beheersdienst de voorwaarden van die aanpassing. De beheersdienst kan daarvoor een aangepaste beheersovereenkomst voorleggen.
  Als de beheersdienst beslist dat een aanpassing aan de nieuwe bedrijfssituatie onmogelijk is, eindigt de beheersovereenkomst of het betreffende deel van de beheersovereenkomst.
Art. 10.2.16. § 1er. Lorsque le titulaire du droit réel ou le gestionnaire est un agriculteur, tel que visé à l'article 2, 7°, du décret du 22 décembre 2006 portant création d'une identification commune d'agriculteurs, d'exploitations et de terres agricoles dans le cadre de la politique relative aux engrais et de la politique de l'agriculture, et estime qu'il ne peut pas continuer à respecter les dispositions du contrat de gestion parce que son entreprise fait l'objet d'un relotissement ou d'un remembrement approuvé par les autorités, le gestionnaire le communique immédiatement au service de gestion par écrit.
  § 2. Lorsque le service de gestion décide qu'une adaptation du contrat de gestion à la nouvelle situation de l'entreprise est possible, le service de gestion fixe les modalités de cette adaptation. A cet effet, le service de gestion peut présenter un contrat de gestion adapté.
  Lorsque le service de gestion décide qu'une adaptation à la nouvelle situation de l'entreprise est impossible, le contrat de gestion ou la partie concernée du contrat de gestion prend fin.
Art. 10.2.17. Als de zakelijkrechthouder of de beheerder een landbouwer is als vermeld in artikel 2, 7°, van het decreet van 22 december 2006 houdende inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid, en gedurende de looptijd van zijn beheersovereenkomst alle percelen landbouwgrond, vermeld in artikel 2, 12°, van het voormelde decreet, of een deel ervan overdraagt, kan de overnemer van de percelen landbouwgrond de beheersovereenkomst of het betreffende deel van de beheersovereenkomst voor de resterende looptijd overnemen. De beheerder brengt de beheersdienst schriftelijk op de hoogte van de overname van de percelen landbouwgrond en van het feit dat de overnemer van die percelen de beheersovereenkomst of het betreffende deel van de beheersovereenkomst al dan niet overneemt.
Art. 10.2.17. Lorsque le titulaire du droit réel ou le gestionnaire est un agriculteur, tel que visé à l'article 2, 7°, du décret du 22 décembre 2006 portant création d'une identification commune d'agriculteurs, d'exploitations et de terres agricoles dans le cadre de la politique relative aux engrais et de la politique de l'agriculture, et pendant la durée de son contrat de gestion cède toutes les parcelles de terre agricole, visées à l'article 2, 12°, de décret précité, ou une partie, le repreneur des parcelles de terre agricole peut reprendre le contrat de gestion ou la partie concernée du contrat de gestion pour la durée restante. Le gestionnaire met au courant le service de gestion par écrit de la reprise des parcelles de terre agricole et du fait que le repreneur de ces parcelles reprend, ou non, le contrat de gestion ou la partie concernée du contrat de gestion.
Afdeling 3. - Projectsubsidies
Section 3. - Subventions de projet
Onderafdeling 1. - Toepassingsgebied
Sous-section 1re. - Champ d'application
Art. 10.3.1. De minister kan overeenkomstig de bepalingen van dit besluit en binnen de perken van de daarvoor bestemde kredieten op de begroting van de Vlaamse Gemeenschap een projectsubsidie toekennen.
  De Belgische staat, federale instellingen en deelstaten, met uitzondering van de onderwijsinstellingen, komen niet aanmerking voor een projectsubsidie.
Art. 10.3.1. Conformément aux dispositions du présent arrêté et dans les limites des crédits affectés à cet effet au budget de la Communauté flamande, le Ministre peut octroyer une subvention de projet.
  L'Etat belge, les organismes fédéraux et les états fédérés, à l'exception des établissements d'enseignement, ne sont pas éligibles à une subvention de projet.
Onderafdeling 2. - Aard van de projectsubsidie
Sous-section 2. - Nature de la subvention de projet
Art. 10.3.2. Een subsidieaanvraag wordt ingediend bij het agentschap om participatieve en sensibiliserende projecten uit te voeren in een van de volgende modules:
  1° educatie en publiekswerking;
  2° onderzoek.
  [1 Een project heeft:
   1° een duur van maximaal drie jaar;
   2° het Vlaams Gewest als toepassingsgebied en heeft betrekking op onroerend erfgoed]1
.
  
Art. 10.3.2. Une demande de subvention est introduite auprès de l'agence pour exécuter des projets participatifs et sensibilisants dans un des modules suivants :
  1° éducation et activités pour le public ;
  2° recherche.
  [1 Un projet a :
   1° une durée maximale de trois ans;
   2° la Région flamande comme champ d'application et a trait au patrimoine immobilier]1
.
  
Art. 10.3.3. De minister kan jaarlijks een of meer prioritaire thema's voor de subsidieaanvragen bepalen. In voorkomend geval wordt dat bekendgemaakt in de projectoproep, vermeld in artikel 10.3.6.
Art. 10.3.3. Chaque année, le Ministre peut fixer un ou plusieurs thèmes prioritaires pour les demandes de subvention. Le cas échéant, cet élément est communiqué dans l'appel aux projets, visé à l'article 10.3.6.
Art. 10.3.4. § 1. Alleen kosten die direct en uitsluitend verbonden zijn aan het project, komen in aanmerking voor subsidiëring.
  De projectsubsidie bedraagt maximaal 60 % van de totale aanvaardbare projectkosten.
  [1 In afwijking van het tweede lid bedraagt de projectsubsidie voor archeologisch syntheseonderzoek minimaal 60% en maximaal 90% van de totale aanvaardbare projectkosten.]1
  De projectsubsidie kan bovendien alleen toegekend worden voor het deel van de projectkosten dat niet gefinancierd wordt of zal worden door een andere Vlaamse overheidsinstantie of door een andere nationale of internationale publiekrechtelijke rechtspersoon.
  § 2. De projectsubsidie moet worden aangewend voor het doel waarvoor ze is toegekend. Eventuele ontvangsten die voortvloeien uit het gesubsidieerde project, moeten integraal worden aangewend voor de uitvoering van het project.
  
Art. 10.3.4. § 1er. Seulement des frais qui sont liés directement et exclusivement au projet sont éligibles au subventionnement.
  La subvention de projet s'élève au maximum à 60 % du total des frais de projet admissibles.
  [1 Par dérogation à l'alinéa 2, la subvention de projet pour une synthèse archéologique s'élève à 60 % au minimum et à 90% au minimum des frais de projet admissibles totaux. ]1
  En outre, la subvention de projet peut uniquement être octroyée pour la partie des frais de projet qui n'est ou ne sera pas financée par une autre instance publique flamande ou par une autre personne morale de droit public nationale ou internationale.
  § 2. La subvention de projet doit être affectée au but pour lequel elle est octroyée. Des recettes éventuelles qui découlent du projet subventionné doivent être affectées intégralement à l'exécution du projet.
  
Art. 10.3.5. [1 De minister stelt per projectoproep voor de projectsubsidie het subsidiepercentage, het maximumbedrag [2 , de maximale duurtijd en de uiterste startdatum]2 van de projecten vast.]1
  
Art. 10.3.5. [1 Par appel à projets, le Ministre fixe le pourcentage de la subvention, le montant maximum [2 , la durée maximale et la date limite de début]2 des projets pour la subvention de projet.]1
  
Onderafdeling 3. - De aanvraagprocedure
Sous-section 3. - La procédure de demande
Art. 10.3.6. Uiterlijk op 31 januari kan het agentschap een projectoproep lanceren. De oproep wordt minstens bekendgemaakt op de website van het agentschap en op een website die gerelateerd is aan onroerend erfgoed.
  De projectoproep vermeldt minstens de volgende gegevens:
  1° het thema en de module waarin de projecten moeten passen;
  2° het maximale subsidiebedrag;
  [1 3° het subsidiepercentage;]1
  [1 4° de maximale duurtijd [2 en de uiterste startdatum]2 van de projecten.]1
  
Art. 10.3.6. L'agence peut lancer un appel aux projets le 31 janvier au plus tard. L'appel est au moins publié sur le site web de l'agence et sur un site web qui est relié au patrimoine immobilier.
  L'appel aux projets mentionne au moins les données suivantes :
  1° le thème et le module dans lesquels les projets doivent s'inscrire ;
  2° le montant de subvention maximum;
  [1 3° le pourcentage de subvention;]1
  [1 4° la durée maximale [2 et la date limite de début]2 des projets.]1
  
Art. 10.3.7. Uiterlijk op 1 april wordt de aanvraag ingediend bij het agentschap met een volledig ingevuld modelformulier, dat ter beschikking gesteld is op de website van het agentschap.
  De aanvraag bevat minstens de volgende elementen:
  1° de naam en de contactgegevens van de aanvrager;
  2° het rekeningnummer waarop de projectsubsidie gestort kan worden;
  3° een inhoudelijke beschrijving van het project, die minstens de volgende gegevens bevat:
  a) een omschrijving van de uitgangssituatie;
  b) een omschrijving van een of meer doelgroepen;
  c) een uitwerking van de doelstellingen en de visie van het project in functie van de module waarin het project wordt ingediend en van de beoogde meerwaarde voor de doelgroep(en);
  d) een omschrijving van de verschillende didactische of onderzoeksmethodieken die gebruikt zullen worden in functie van de module;
  4° een motivatie waaruit blijkt dat het project past in de module en aansluit bij het thema dat aangegeven is in de projectoproep;
  5° een plan van aanpak, dat minstens de volgende gegevens bevat:
  a) de totale uitvoeringstermijn van het project;
  b) een stappenplan met timing en opgave van de verschillende fasen, de beoogde tussentijdse resultaten en de mijlpalen van het project;
  c) de uitvoerders van het project en de personen die erbij betrokken zijn in functie van hun bijdrage in de verschillende fasen;
  6° een financieel plan, dat minstens de volgende gegevens bevat:
  a) de hoofdlijnen van de begroting voor het project;
  b) een raming van de benodigde personeels- en werkingsmiddelen;
  c) de financieringswijze van alle kosten die inherent zijn aan het project;
  d) de opgave van de reeds verkregen, de te verwachten of aan te vragen subsidies die de aanvrager op grond van andere wetgeving of reglementering dan dit besluit heeft verkregen of kan verkrijgen, en welke andere actoren het project mee bekostigen.
  [1 Het agentschap gaat na of de subsidieaanvraag alle elementen, vermeld in het tweede lid, bevat. Als het agentschap vaststelt dat de aanvraag niet alle vereiste elementen bevat, brengt het de aanvrager binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van de subsidieaanvraag schriftelijk op de hoogte van de ontbrekende elementen. Als de aanvrager het dossier niet aanvult binnen een termijn van veertien dagen, die ingaat op de dag na de kennisgeving van het verzoek tot aanvulling, wordt de subsidieaanvraag onontvankelijk verklaard. Het agentschap brengt de aanvrager schriftelijk op de hoogte van de beslissing.]1
  
Art. 10.3.7. Le 1er avril au plus tard la demande est introduite auprès de l'agence avec un formulaire modèle dûment rempli, qui est mis à disposition sur le site web de l'agence.
  La demande comprend au moins les éléments suivants :
  1° le nom et les données de contact du demandeur ;
  2° le numéro de compte sur lequel la subvention de projet peut être versée ;
  3° une description de fond du projet, qui comprend au moins les données suivantes :
  a) une description de la situation de départ ;
  b) une description d'un ou de plusieurs groupes-cibles ;
  c) une élaboration des objectifs et de la vision du projet en fonction du module dans lequel le projet est introduit et de la plus-value visée pour le groupe-cible/les groupes-cibles ;
  d) une description des différentes méthodologies didactiques ou de recherche qui seront utilisées en fonction du module ;
  4° une motivation dont il ressort qui le projet s'inscrit dans le module et correspond au thème qui est indiqué dans l'appel aux projets ;
  5° un plan d'approche, qui comprend au moins les données suivantes :
  a) le délai d'exécution total du projet ;
  b) un plan par étapes avec calendrier et relevé des différentes phases, des résultats intermédiaires visés et des jalons du projet ;
  c) les exécutants du projet et les personnes qui y sont associées en fonction de leur contribution dans les différentes phases ;
  6° un plan financier, qui comprend au moins les données suivantes :
  a) les grandes lignes du budget pour le projet ;
  b) une estimation des moyens de personnel que des moyens de fonctionnement nécessaires ;
  c) le mode de financement de tous les frais qui sont inhérents au projet ;
  d) le relevé des subventions déjà obtenues, à attendre ou à demander que le demandeur a obtenues ou peut obtenir sur la base d'une législation ou réglementation autre que le présent arrêté, et quels autres acteurs supportent les frais du projet.
  [1 L'agence vérifie si la demande de subvention comprend tous les éléments, visés à l'alinéa deux. Lorsque l'agence constate que la demande ne comprend pas tous les éléments requis, elle met le demandeur au courant des éléments manquants dans un délai de trente jours qui prend cours le jour après la réception de la demande de subvention, par écrit. Lorsque le demandeur ne complète pas le dossier dans un délai de quatorze jours, qui prend cours le jour après la notification de la demande de complément, la demande de subvention est déclarée irrecevable. L'agence informe le demandeur de la décision par écrit.]1
  
Onderafdeling 4. - De beoordeling van de projectvoorstellen
Sous-section 4. - L'évaluation des propositions de projet
Art. 10.3.8. De ontvankelijke projectvoorstellen worden beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:
  1° het participatieve karakter van het project en de bijdrage van het project aan de vergroting van het maatschappelijke draagvlak voor de erfgoedzorg en de uitstraling bij de beoogde doelgroep(en);
  2° de maatschappelijke relevantie van het project;
  3° het duurzame karakter en de voorbeeldfunctie van het project;
  4° de projectstructuur;
  5° de financiële en organisatorische haalbaarheid van het project.
  Voor de beoordeling van de ontvankelijke projectvoorstellen binnen de module educatie en publiekswerking worden de volgende bijkomende criteria gehanteerd:
  1° een coherente communicatiestrategie;
  2° de doelgroepbenadering van het project.
  Voor de beoordeling van de ontvankelijke projectvoorstellen binnen de module onderzoek worden de volgende bijkomende criteria gehanteerd:
  1° de wetenschappelijke relevantie van het project;
  2° de verscheidenheid van de bronnen of sites;
  3° de wetenschappelijke omkadering van het project.
  De minister kan de criteria verduidelijken overeenkomstig de beleidsprioriteiten en de noodwendigheden.
Art. 10.3.8. Les propositions de projet recevables sont évaluées à l'aide des critères suivants :
  1° le caractère participatif du projet et la contribution du projet à l'extension de l'assise sociale pour le soin du patrimoine et au rayonnement auprès du groupe-cible visé/des groupes-cibles visés ;
  2° la pertinence sociale du projet ;
  3° le caractère durable et la fonction d'exemple du projet ;
  4° la structure du projet ;
  5° la faisabilité financière et organisationnelle du projet.
  Pour l'évaluation des propositions de projet recevables au sein du module éducation et activités pour le public, les critères supplémentaires suivants sont utilisés :
  1° une stratégie de communication cohérente ;
  2° l'approche du groupe-cible du projet.
  Pour l'évaluation des propositions de projet recevables au sein du module recherche, les critères supplémentaires suivants sont utilisés :
  1° la pertinence scientifique du projet ;
  2° la diversité des sources ou sites ;
  3° l'encadrement scientifique du projet.
  Le Ministre peut préciser les critères conformément aux priorités politiques et aux nécessités.
Art. 10.3.9. De projectvoorstellen worden beoordeeld door een jury, die is samengesteld uit twee vertegenwoordigers van het agentschap en drie vertegenwoordigers van de Commissie. De jury kan in voorkomend geval aangevuld worden met externe experten die beschikken over relevante deskundigheid inzake het thema van de projectoproep. Elk jurylid is stemgerechtigd.
  [1 De minister bepaalt de nadere regels over de aanwijzing, de werking en de organisatie van de jury]1
Art. 10.3.9. Les propositions de projet sont évaluées par un jury, qui est composé de deux représentants de l'agence et de trois représentants de la Commission. Le cas échéant, le jury peut être complété par des experts externes qui disposent d'une expertise pertinente en ce qui concerne le thème de l'appel aux projets. Chaque membre du jury a le droit de vote.
  [1 Le Ministre arrête les modalités concernant la désignation, le fonctionnement et l'organisation du jury.]1
Art. 10.3.10. § 1. Het agentschap legt de ontvankelijke subsidieaanvragen voor aan de jury die een gemotiveerd advies erover formuleert.
  Het advies van de jury bevat de volgende elementen:
  1° een beknopte evaluatie per project op basis van de beoordelingscriteria vermeld in artikel 10.3.8;
  2° een opdeling van de projecten in positief en negatief geadviseerde projecten;
  3° een rangschikking van de positief geadviseerde projecten.
  § 2. Als de jury bijkomende informatie nodig acht, kan het agentschap die informatie opvragen bij de aanvrager. De aanvrager stelt binnen de termijn van minstens veertien dagen die het agentschap vastgesteld heeft, de aanvullende stukken ter beschikking.
  § 3. Het agentschap bezorgt het advies van de jury aan de minister.
  § 4. Uiterlijk op 1 augustus beslist de minister over de toekenning van de projectsubsidies en over eventuele specifieke voorwaarden. De projectsubsidies worden toegekend in de volgorde van de rangschikking die aan de projecten wordt gegeven.
  Het agentschap deelt de beslissing [1 schriftelijk]1 mee aan de indieners van de projectvoorstellen. Aan de begunstigden wordt ook het maximale bedrag van de projectsubsidie per project meegedeeld.
  
Art. 10.3.10. § 1er. L'agence soumet les demandes de subvention recevables au jury, qui formule un avis motivé.
  L'avis du jury comprend les éléments suivants :
  1° une évaluation succincte par projet sur la base des critères d'évaluation visés à l'article 10.3.8 ;
  2° une subdivision des projets en projets ayant recueilli un avis positif et projets ayant recueilli un avis négatif ;
  3° un classement des projets ayant recueilli un avis positif.
  § 2. Lorsque le jury estime que des informations supplémentaires sont nécessaires, l'agence peut demander ces informations auprès du demandeur. Le demandeur met les pièces supplémentaires à disposition dans le délai d'au moins quatorze jours, fixé par l'agence.
  § 3. L'agence transmet l'avis du jury au Ministre.
  § 4. Le 1er août au plus tard, le Ministre décide de l'octroi des subventions de projet et d'éventuelles conditions spécifiques. Les subventions de projet sont octroyées dans l'ordre du classement qui est donné aux projets.
  L'agence communique la décision aux auteurs des propositions de projet [1 par écrit]1. Le montant maximal de la subvention de projet par projet est également communiqué aux bénéficiaires.
  
Onderafdeling 5. - Verantwoording van de aanwending van de subsidies en toezicht
Sous-section 5. - Justification de l'affectation des subventions et contrôle
Art. 10.3.11. De begunstigde brengt het agentschap [1 schriftelijk]1 op de hoogte van de start van het project en de mijlpalen van het project, zoals aangegeven in het plan van aanpak.
  
Art. 10.3.11. Le bénéficiaire met l'agence au courant, [1 par écrit]1, du début du projet et des jalons du projet, tel qu'indiqué dans le plan d'approche.
  
Art. 10.3.12. Op gemotiveerd en schriftelijk verzoek van de begunstigde kan het agentschap de maximale looptijd van het project eenmaal met maximaal één jaar verlengen.
  [1 De aanvraag tot verlenging wordt ingediend bij het agentschap minstens negentig dagen voor de afloop van de uitvoeringstermijn die is vastgelegd in het plan van aanpak.]1
  
Art. 10.3.12. A la demande motivée et écrite du bénéficiaire, l'agence peut prolonger la durée maximale du projet une seule fois d'un an au maximum.
  [1 La demande de prolongation est introduite auprès de l'agence au moins nonante jours avant la fin du délai d'exécution qui est fixé dans le plan d'approche.]1
  
Art. 10.3.13. [1 Binnen een termijn van 180 dagen, die ingaat op de dag]1 na de afloop van het project bezorgt de begunstigde een inhoudelijk eindverslag aan het agentschap, dat minstens de volgende gegevens bevat:
  1° een beschrijving van het verloop van het project;
  2° een weergave van de beoogde en de bereikte resultaten van het project;
  3° een beknopte beschrijving van de activiteiten in het kader van het project en de prestaties die zijn geleverd.
  Bij het inhoudelijk eindverslag wordt een financieel eindrapport gevoegd, dat minstens de volgende gegevens bevat:
  1° een gedetailleerde financiële eindafrekening;
  2° een aanvraag tot uitbetaling van het saldo van de projectsubsidie;
  3° een staat van de werkelijke inkomsten die betrekking hebben op het project;
  4° een afrekening van de bedragen die ontvangen zijn op grond van andere wetgeving of reglementering dan dit besluit.
  De minister bepaalt de nadere regels voor de verplichte vermeldingen in [2 het inhoudelijke eindverslag en]2 het financiële eindrapport.
  De bewijsstukken van de gemaakte kosten kunnen op elk moment door het agentschap worden opgevraagd.
  
Art. 10.3.13. [1 Dans un délai de cent quatre-vingts jours, qui prend cours le jour]1 après la fin du projet, le bénéficiaire transmet un rapport de fond final à l'agence, qui comprend au moins les données suivantes :
  1° une description du déroulement du projet ;
  2° une reproduction des résultats visés et atteints du projet ;
  3° une description succincte des activités dans le cadre du projet et des performances réalisées.
  Un rapport financier final est joint au rapport de fond final, qui comprend au moins les données suivantes :
  1° un dernier règlement financier détaillé ;
  2° une demande de paiement du solde de la subvention de projet ;
  3° un état des recettes effectives ayant trait au projet ;
  4° un règlement des montants reçus sur la base d'une législation ou réglementation autre que le présent arrêté.
  Le Ministre fixe les modalités des mentions obligatoires dans [2 le rapport de fond final et]2 le rapport financier final.
  Les pièces justificatives des frais exposés peuvent être demandées par l'agence à tout moment.
  
Art. 10.3.14. Een voorschot van 70 % van het maximaal toegekende bedrag van de projectsubsidie wordt uitbetaald bij de start van het project.
  De minister bepaalt de nadere regels voor de berekening van het saldo van de projectsubsidie.
Art. 10.3.14. Une avance de 70 % du montant maximal octroyé de la subvention de projet est payée lors du début du projet.
  Le Ministre fixe les modalités du calcul du solde de la subvention de projet.
Art. 10.3.15. Als de begunstigde niet voldoet aan de rapporteringsverplichtingen, vermeld in artikel 10.3.11 en 10.3.13 of als de rapportering manifest onduidelijk is, of als de begunstigde onvoldoende aantoont dat hij de vooropgestelde doelstellingen heeft nagestreefd, verzoekt het agentschap [1 binnen een termijn van negentig dagen, die ingaat op de dag]1 na de ontvangst van de documenten, vermeld in artikel 10.3.11 en 10.3.13 om een aangepaste rapportering of een motiverende nota met de redenen waarom bepaalde engagementen niet zijn nagekomen.
  Als uit de aangepaste rapportering of uit de bijkomende motivering blijkt dat de subsidie niet aangewend is voor het doel waarvoor ze is verleend, kan het agentschap de verdere toegekende subsidies niet of slechts gedeeltelijk uitbetalen en kan het agentschap de geheel of gedeeltelijk uitbetaalde subsidies terugvorderen.
  
Art. 10.3.15. Lorsque le bénéficiaire ne répond pas aux obligations de rapport, visées aux articles 10.3.11 et 10.3.13, ou lorsque les rapports sont manifestement imprécis, ou lorsque le bénéficiaire démontre insuffisamment qu'il a cherché à atteindre les objectifs envisagés, l'agence demande, [1 dans un délai de nonante jours, qui prend cours le jour]1 après la réception des documents, visés aux articles 10.3.11 et 10.3.13, des rapports adaptés ou une note de motivation avec les raisons pour lesquelles certains engagements n'ont pas été respectés.
  Lorsqu'il ressort des rapports adaptés ou de la motivation supplémentaire que la subvention n'est pas affectée au but pour lequel elle est octroyée, l'agence peut ne pas payer ou ne payer qu'en partie les subventions ultérieures octroyées et l'agence peut recouvrer les subventions payées en entier ou en partie.
  
Art. 10.3.16. Teveel uitbetaalde bedragen worden teruggevorderd.
Art. 10.3.16. Les montants payés en trop sont recouvrés.
Art. 10.3.17. Met behoud van de toepassing van de bevoegdheden van de Inspectie van Financiën en het Rekenhof is het agentschap belast met het toezicht op de aanwending door de begunstigde van de subsidie die krachtens dit besluit wordt toegekend.
  Gemachtigde personeelsleden van de Vlaamse overheid of van het Rekenhof kunnen een controle ter plaatse uitvoeren.
Art. 10.3.17. Sans préjudice de l'application des compétences de l'Inspection des Finances et de la Cour des Comptes, l'agence est chargée du contrôle de l'affectation par le bénéficiaire de la subvention qui est octroyée en vertu du présent arrêté.
  Des membres du personnel des autorités flamandes ou de la Cour des Comptes peuvent effectuer un contrôle sur place.
Art. 10.3.18. Bij de uitvoering van elke activiteit die aansluit bij het project, moet de steun van de Vlaamse overheid duidelijk worden vermeld. Op elke publicatie die in het kader van het project wordt verspreid, moet ook het logo `Met steun van de Vlaamse overheid' duidelijk en in redelijke verhouding tot de logo's van eventuele andere ondersteunende instanties worden aangebracht.
Art. 10.3.18. Lors de l'exécution de toute activité qui correspond au projet, le soutien des autorités flamandes doit être clairement mentionné. Sur chaque publication qui est distribuée dans le cadre du projet, le logo " Avec le soutien des autorités flamandes " doit également être appliqué clairement et en proportion raisonnable aux logos d'autres instances de soutien éventuelles.
HOOFDSTUK 11. - Premies
CHAPITRE 11. - Primes
Afdeling 1. [1 - Werken en diensten waarvoor geen premies worden toegekend]1
Section 1re. [1 - Travaux et services pour lesquels aucune prime n'est octroyée]1
Art. 11.1.1. Er worden geen premies toegekend voor:
  1° [3 werken of diensten]3 aan of in een onroerend goed waarvan de Belgische staat, federale instellingen, andere deelstaten dan de deelstaten, vermeld in punt 2°, andere staten of hun deelgebieden zakelijkrechthouder zijn;
  2° [3 werken of diensten]3 aan of in een onroerend goed, eigendom van [4 de Vlaamse overheid]4;
  3° [3 werken of diensten]3 aan of in een onroerend goed, eigendom van een provincie of een autonoom provinciebedrijf.
  In afwijking van het eerste lid kunnen wel premies worden toegekend voor [3 werken of diensten]3 aan of in:
  1° kathedralen, bisschoppelijke of aartsbisschoppelijke paleizen en seminaries;
  2° onderwijsgebouwen;
  3° onroerende goederen, in erfpacht gegeven aan de [2 nv Participatiemaatschappij Vlaanderen]2 [4 of in eigendom van de nv Participatiemaatschappij Vlaanderen op voorwaarde dat de geraamde kosten van de beheerswerkzaamheden die voor de toekenning van een premie in aanmerking komen, niet meer bedragen dan een derde van de totale investeringskosten]4;
  4° onroerende goederen, in erfpacht gegeven aan Herita vzw;
  5° onroerende goederen, in erfpacht gegeven aan gemeenten;
  6° onroerende goederen in het domein Bokrijk;
  7° onroerende goederen of erfgoedlandschappen, die uitgevoerd worden door of in opdracht van verenigingen die het herstel en het beheer van een beschermd goed of erfgoedlandschap tot doel hebben, als het beheer over de onroerende goederen in kwestie voor een periode van minstens vijf jaar schriftelijk eraan is toegewezen.
  
Art. 11.1.1. Aucune prime n'est octroyée pour :
  1° [1 des [3 travaux ou services]3]1 à ou dans un bien immobilier dont l'Etat belge, des organismes fédéraux, des états fédérés autres que les états fédérés, visés au point 2°, d'autres états ou leurs régions sont le titulaire du droit réel ;
  2° [1 des [3 travaux ou services]3]1 à ou dans un bien immobilier, propriété de [4 l'Autorité flamande]4 ;
  3° [1 des [3 travaux ou services]3]1 à ou dans un bien immobilier, propriété d'une province ou d'une régie provinciale autonome.
  Par dérogation à l'alinéa premier, des primes peuvent être octroyées pour des [3 travaux ou services]3 à ou dans :
  1° des cathédrales, des palais et des séminaires épiscopaux ou archiépiscopaux ;
  2° des bâtiments d'enseignement ;
  3° des biens immobiliers, donnés à bail emphytéotique à la [2 SA Société de participation pour la Flandre]2 [4 ou en propriété de la SA Société de participation pour la Flandre à condition que les coûts estimés des travaux d'entretien éligibles à une prime ne dépassent pas un tiers des coûts totaux d'investissement]4;
  4° des biens immobiliers, donnés à bail emphytéotique à l'a.s.b.l. " Herita " ;
  5° des biens immobiliers, donnés à bail emphytéotique à des communes ;
  6° des biens immobiliers dans le domaine de Bokrijk ;
  7° des biens immobiliers ou des paysages patrimoniaux, qui sont exécutés par des ou sur l'ordre d'associations qui ont pour but la réparation et la gestion d'un bien protégé ou d'un paysage patrimonial, lorsque la gestion des biens immobiliers en question leur est attribuée par écrit pour une période d'au moins cinq ans.
  
Art. 11.1.2. [1 De werken en diensten kunnen ook gefinancierd worden met andere overheidsbijdragen. De gezamenlijke overheidsbijdragen, met inbegrip van eventuele Europese middelen, kunnen evenwel niet meer bedragen dan de totale en aangetoonde kostprijs van de uitgevoerde werken en diensten.
   Als andere overheidsbijdragen aangevraagd worden, voegt de premienemer bij het verzoek tot uitbetaling van het saldo van de erfgoedpremie of onderzoekspremie een volledig overzicht van die andere overheidsbijdragen. Als blijkt dat de gezamenlijke overheidsbijdragen 100% overschrijden, wordt de premie verminderd tot de gezamenlijke overheidsbijdrage gelijk is aan 100% van de totale en aangetoonde kostprijs. Het agentschap brengt de aanvrager onverwijld op de hoogte van de beslissing om die voormelde vermindering toe te passen.
   Voor hetzelfde werk of dezelfde dienst is een cumulatie tussen de volgende [3 premies, subsidies en fiscale voordelen]3 uitgesloten:
   1° een erfgoedpremie volgens de standaardprocedure:
   2° een erfgoedpremie via oproep;
   3° een onderzoekspremie;
   4° een premie voor archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem;
   5° een premie voor buitensporige opgravingskosten;
   6° [4 ...]4;
   7° een verlaging van de schenkbelasting, als vermeld in artikel 2.8.4.4.1 Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013;
   8° een verlaging van de verkooprechten, als vermeld in artikel 2.9.4.2.10 Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013;
   9° een erfgoedpremie volgens de bijzondere procedure;
   10° een restauratiepremie op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2001 houdende vaststelling van het premiestelsel voor restauratiewerkzaamheden aan beschermde monumenten;
  [2 11° een premie voor archeologisch onderzoek van menselijke inhumatieresten.]2
  [3 12° een premie in het kader van een meerjarenpremieovereenkomst, als vermeld 11.4.1;
   13° een beheerssubsidie, als vermeld in artikel 9 van het besluit van de Vlaamse regering van 2 februari 2024 over Vlaamse erfgoednetwerken]3

   Een beheersvergoeding op basis van een beheersovereenkomst als vermeld in artikel 10.2.1 kan niet gecumuleerd worden met de [3 premies, subsidies en fiscale voordelen]3, vermeld in het derde lid.]1

  
Art. 11.1.2. [1 Les travaux et services peuvent également être financés par d'autres contributions publiques. L'ensemble des contributions publiques, y compris les moyens européens éventuels, ne peut cependant pas être supérieur au coût total et démontré des travaux et services exécutés.
   Si d'autres contributions publiques sont demandées, le preneur de prime joint à la demande de paiement du solde de la prime au patrimoine ou de la prime de recherche une liste complète de ces autres contributions publiques. S'il appert que l'ensemble des contributions publiques dépasse 100 %, la prime sera diminuée jusqu'à ce que l'ensemble des contributions publiques égale 100 % du coût total et démontré. L'agence informe le demandeur sans délai de la décision d'appliquer la diminution précitée.
   Un cumul des [3 primes, subventions et avantages fiscaux]3 suivants est exclu pour un même travail ou service :
   1° une prime au patrimoine selon la procédure standard ;
   2° une prime au patrimoine par appel ;
   3° une prime de recherche ;
   4° une prime pour étude archéologique préliminaire avec intervention dans le sol ;
   5° une prime pour frais de fouilles excessifs ;
   6° [4 ...]4;
   7° une réduction de l'impôt de donation telle que visée à l'article 2.8.4.4.1 du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013 ;
   8° une réduction des droits de vente telle que visée à l'article 2.9.4.2.10 Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013 ;
   9° une prime au patrimoine selon la procédure particulière ;
   10° une prime de restauration basée sur l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 décembre 2001 instaurant un régime de primes pour les travaux de restauration aux monuments protégés ;
  [2 11° une prime pour étude archéologique de restes d'inhumation humaine.]2
  [3 12° une prime dans le cadre d'un accord de prime pluriannuel, tel que visé à l'article 11.4.1 ;
   13° une subvention de gestion, telle que mentionnée à l'article 9 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 2 février 2024 relatif aux réseaux flamands du patrimoine]3

   Une indemnité de gestion basée sur un contrat de gestion tel que visé à l'article 10.2.1 ne peut pas être cumulée avec les [3 primes, subventions et avantages fiscaux]3 visés à l'alinéa 3.]1

  
Afdeling 2. - Erfgoedpremie
Section 2. - Prime du patrimoine
Onderafdeling 1. - Beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten waarvoor een erfgoedpremie aangevraagd kan worden
Sous-section 1re. - Mesures de gestion, travaux ou services pour lesquels une prime du patrimoine peut être demandée
Art. 11.2.1. [1 Binnen de perken van de daarvoor op de begroting van de Vlaamse Gemeenschap beschikbare kredieten kan aan een premienemer een erfgoedpremie worden toegekend voor [2 werken of diensten]2 die noodzakelijk zijn voor het behoud of de herwaardering van erfgoedkenmerken en -elementen van een beschermd goed, een erfgoedlandschap of in de overgangszone bij een beschermd goed.
   In de volgende gevallen moeten de beheersmaatregelen, de werkzaamheden of de diensten waarvoor een premie wordt aangevraagd vermeld zijn in een goedgekeurd beheersplan:
   1° het project betreft goederen gelegen in beschermde stads- en dorpsgezichten, beschermde cultuurhistorische landschappen, erfgoedlandschappen of beschermde archeologische sites;
   2° het project betreft UNESCO-werelderfgoed. Een door UNESCO goedgekeurd management plan voor de betrokken locatie geldt als goedgekeurd beheersplan;
   3° het project betreft erkend open erfgoed of een ontwikkeling tot open erfgoed;
   4° voor het project worden verschillende gespecialiseerde werkzaamheden gecombineerd;
   5° voor het project wordt een meerjarenpremieovereenkomst aangevraagd.]1

  
Art. 11.2.1. [1 Dans les limites des crédits disponibles à cet effet au budget de la Communauté flamande, une prime du patrimoine peut être octroyée à un preneur de prime pour des [2 travaux ou services]2 qui sont nécessaires pour la conservation ou la revalorisation de caractéristiques et éléments patrimoniaux d'un bien protégé, d'un paysage patrimonial, ou dans la zone de transition d'un bien protégé.
   Dans les cas suivants, les mesures de gestion, les travaux ou les services pour lesquels une prime est demandée, doivent être repris dans un plan de gestion approuvé :
   1° le projet concerne des biens situés dans des sites urbains et ruraux protégés, dans des payages culturo-historiques protégés, dans des paysages patrimoniaux ou sites archéologiques protégés ;
   2° le projet concerne du patrimoine mondial de l'UNESCO. Un plan de management approuvé par l'UNESCO pour l'endroit concerné fait foi de plan de gestion approuvé ;
   3° le projet concerne du patrimoine ouvert agréé ou un développement comme patrimoine ouvert ;
   4° des travaux spécialisés divers sont combinés dans le cadre du projet ;
   5° un accord de prime pluriannuel est demandé pour le projet.]1

  
Art. 11.2.2. Er kan voor cultuurgoederen alleen een erfgoedpremie worden toegekend voor het behoud en het beheer ervan en voor werkzaamheden eraan als ze integrerend deel uitmaken van een beschermd monument en uitdrukkelijk zijn opgenomen in een besluit tot definitieve bescherming of in een goedgekeurd beheersplan.
Art. 11.2.2. Pour des biens culturels, une prime du patrimoine peut uniquement être octroyée pour son maintien et sa gestion et pour des travaux à ces biens lorsqu'ils font partie intégrante d'un monument protégé et sont repris explicitement dans un arrêté de protection définitive ou dans un plan de gestion approuvé.
Art. 11.2.3. Een aanvraag van een erfgoedpremie voor het beheer van of voor werkzaamheden aan een orgel kan alleen in overweging worden genomen als de voorgestelde [1 werken of diensten]1 passen in een duidelijk bestemmings- of herbestemmingsplan voor het gebouw waarin het orgel zich bevindt. Bovendien moet de aanvrager aantonen dat het orgel op regelmatige basis zal worden bespeeld.
  Alleen [1 werken of diensten]1 die gericht zijn op het opnieuw bespeelbaar maken of het bespeelbaar houden van het orgel komen in aanmerking voor een erfgoedpremie.
  [1 Werken of diensten]1 aan een orgel dat dateert van na de Eerste Wereldoorlog komen niet in aanmerking voor een erfgoedpremie, tenzij het orgel zich in een beschermd monument bevindt en expliciet vermeld wordt in het besluit tot definitieve bescherming of in het goedgekeurde beheersplan.
  
Art. 11.2.3. Une demande d'une prime du patrimoine pour la gestion de ou pour des travaux à un orgue peut uniquement être prise en considération lorsque les [1 travaux ou services]1 proposés s'inscrivent dans un plan d'affectation ou de réaffectation clair pour le bâtiment dans lequel se situe l'orgue. En outre, le demandeur doit démontrer que l'orgue sera utilisé sur une base régulière.
  Seulement des [1 travaux ou services]1 qui visent que l'orge peut à nouveau être utilisé ou que son utilisation peut être continuée sont éligibles à une prime du patrimoine.
  Des [1 travaux ou services]1 à un orgue qui date d'après la première Guerre mondiale ne sont pas éligibles à une prime du patrimoine, à moins que l'orgue se situe dans un monument protégé et est mentionné explicitement dans l'arrêté de protection définitive ou dans le plan de gestion approuvé.
  
Onderafdeling 2. - Twee procedures voor het aanvragen van de erfgoedpremie
Sous-section 2. - Deux procédures pour la demande de la prime du patrimoine
Art. 11.2.5. De erfgoedpremie kan worden aangevraagd volgens twee procedures:
  1° de standaardprocedure, waarbij maximaal [1 250.000 euro, exclusief btw,]1 van de aanvaarde kostenraming in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de erfgoedpremie;
  2° de [1 procedure via oproep]1, waarbij de werkelijke, aanvaarde, kostenraming in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de erfgoedpremie en waarbij de premienemer na toekenning ervan de werkzaamheden moet gunnen en de offertes moet indienen bij het agentschap.
  
Art. 11.2.5. La prime du patrimoine peut être demandée selon deux procédures :
  1° la procédure standard, où un maximum de [1 250.000 euros, HTVA]1 de l'estimation des frais acceptée est [1 pris]1 en considération pour le calcul de la prime du patrimoine ;
  2° la procédure [1 par appel]1, où l'estimation des frais réelle, acceptée, est prise en considération pour le calcul de la prime du patrimoine et où le preneur de prime, après l'octroi, doit adjuger les travaux et doit introduire les offres auprès de l'agence.
  
Onderafdeling 3.
Sous-section 3.
Onderafdeling 4. - Bedrag op basis waarvan de erfgoedpremie wordt berekend
Sous-section 4. - Montant sur la base duquel la prime du patrimoine est calculée
Art. 11.2.7. [1 De erfgoedpremie wordt berekend op basis van de aanvaarde kostenraming. Bij de standaardprocedure, vermeld in onderafdeling 8 en 9, wordt maximaal 250.000 euro, exclusief btw, van de aanvaarde kostenraming in aanmerking genomen.
   De minister kan na mededeling aan de Vlaamse Regering beslissen om het maximale bedrag van de aanvaarde kostenraming, vermeld in het eerste lid, te verlagen. Het bedrag van de aanvaarde kostenraming kan niet lager zijn dan 50.000 euro, exclusief btw. De verlaging is van onbepaalde duur en geldt totdat de minister die opheft of wijzigt. Voor ontvankelijke premieaanvragen die ingediend zijn vóór de beslissing tot verlaging of wijziging, wordt het bedrag van de maximale aanvaarde kostenraming toegepast dat gold voor de verlaging of wijziging.]1

  
Art. 11.2.7. [1 La prime au patrimoine est calculée sur la base de l'estimation des frais acceptée. Dans le cas de la procédure standard visée aux sous-sections 8 et 9, un maximum de 250.000 euros HTVA de l'estimation de frais acceptée est pris en considération.
   Après communication au Gouvernement flamand, le ministre peut décider de diminuer le montant maximal de l'estimation de frais acceptée telle que visée à l'alinéa 1er. Le montant de l'estimation de frais acceptée ne peut pas être inférieur à 50.000 euros HTVA. La diminution est d'une durée indéterminée et s'applique jusqu'à ce que le ministre l'abroge ou la modifie. En ce qui concerne les demandes de prime recevables introduites avant la décision de diminution ou de modification, le montant de l'estimation de frais acceptée maximale qui prévalait avant la diminution ou la modification est appliqué.]1

  
Art. 11.2.8. Een premienemer kan voor [1 werken of diensten]1 waarvoor een erfgoedpremie wordt aangevraagd een beroep doen op gespecialiseerde opleidingscentra of instellingen die zorgen voor de opleiding of tewerkstelling van werkzoekenden. De erfgoedpremie wordt in dat geval bepaald op basis van de bedragen vermeld in de door de minister vastgestelde lijst met forfaitaire werkzaamheden, of wordt berekend op basis van de aankoopprijs van materialen of de huurprijs van toestellen en stellingen.
  
Art. 11.2.8. Un preneur de prime peut, pour des [1 travaux ou services]1 pour lesquels une prime du patrimoine est demandée, faire appel à des centres de formation ou des établissements spécialisés qui assurent la formation ou l'emploi de demandeurs d'emploi. Dans ce cas, la prime du patrimoine est fixée sur la base des montants visés dans la liste établie par le Ministre des travaux forfaitaires, ou est calculée sur la base du prix d'achat de matériaux ou du prix de location d'appareils et d'échafaudages.
  
Onderafdeling 5. - Premiepercentages
Sous-section 5. - Pourcentages de prime
Art. 11.2.9. De erfgoedpremie bedraagt 40 % van de aanvaarde kostenraming, exclusief btw.
Art. 11.2.9. La prime du patrimoine s'élève à 40 % de l'estimation des frais acceptée, hors T.V.A..
Art. 11.2.10. [1 Een verhoogde erfgoedpremie van 60% van de aanvaarde kostenraming, exclusief btw, wordt toegekend voor het beheer van of voor werkzaamheden of diensten aan of in:
   1° [3 beschermde monumenten die voor een erkende eredienst zijn bestemd. Voor gebouwen van de rooms-katholieke eredienst, met uitzondering van de kathedralen, kan alleen een verhoogde premie toegekend worden als ze in een actueel kerkenbeleidsplan aangewezen zijn voor ander gebruik dan de eredienst in de vorm van valorisatie, medegebruik, neven- of herbestemming;]3
   2° beschermde goederen die eigendom zijn van een gemeente, autonoom gemeentebedrijf, OCMW, welzijnsvereniging of een [2 woonmaatschappij]2, die een publieksfunctie hebben, tenzij ze in hoofdzaak een commerciële of andere bestemming hebben die economische opbrengsten genereert. Als het gebouw bestemd is voor de eredienst, moet ook voldaan worden aan de voorwaarden, vermeld in punt 1° ;
   3° onderwijsgebouwen;
   4° als monument beschermde, maalvaardige en voor het publiek ontsloten molens;
   5° ZEN-erfgoed als vermeld in een goedgekeurd beheersplan;
   6° erkend open erfgoed of onroerend erfgoed dat ontwikkeld wordt tot open erfgoed volgens het ontwikkelingstraject in het beheersplan, vermeld in artikel 8.1.4.
   In het eerste lid, 2° wordt verstaan onder publieksfunctie: openstaan voor het publiek of bedoeld zijn voor gemeenschappelijk gebruik, ook al is de toegang beperkt tot een of meer welbepaalde categorieën van personen, met uitzondering van de zones die alleen toegankelijk zijn voor werknemers.]1

  
Art. 11.2.10. [1 Une prime du patrimoine majorée de 60% de l'estimation des coûts acceptés, hors T.V.A., est octroyée pour la gestion de ou pour des travaux ou des services à ou dans :
   1° [3 des monuments protégés qui sont affectés à un culte reconnu. Une prime majorée ne peut être octroyée aux bâtiments du culte catholique romain, à l'exception des cathédrales, que s'ils ont été désignés, dans un plan politique en matière d'églises mis à jour, à une utilisation autre que le culte sous forme de valorisation, co-utilisation, destination secondaire ou réaffectation ;]3;
   2° des biens protégés qui sont la propriété d'une commune, d'une régie communale autonome, d'un CPAS, d'une association d'aide sociale ou d'une [2 société de logement]2, qui ont une fonction publique, à moins qu'ils n'aient de buts lucratifs ou autres qui génèrent des rapports économiques principalement. Lorsque le bâtiment est destiné au culte, les conditions visées au point 1° doivent également être remplies ;
   3° des bâtiments d'enseignement ;
   4° des moulins protégés comme monuments, aptes à moudre et ouverts au publics ;
   5° du patrimoine ZEN, tel que visé dans un plan de gestion approuvé ;
   6° du patrimoine ouvert agréé ou du patrimoine immobilier qui est développé en patrimoine ouvert selon la trajectoire de développement dans le plan de gestion, visé à l'article 8.1.4.
   Dans l'alinéa premier, 2°, il faut entendre par fonction publique : être accessible au public ou être destiné à un usage commun, même si l'accès est limité à une ou à plusieurs catégories de personnes bien définies, à l'exception des zones qui ne sont accessibles qu'aux travailleurs.]1

  
Art. 11.2.11. [1 Voor de verhoogde erfgoedpremie voor erkend of te ontwikkelen open erfgoed, vermeld in artikel 11.2.10, eerste lid, 6°, gelden de volgende bijkomende voorwaarden:
   1° in het geval van onroerend erfgoed dat ontwikkeld wordt tot open erfgoed, leidt de ontwikkeling ervan tot een erkenning binnen een termijn van zes jaar, die ingaat op de dag nadat een eerste verhoogde premieaanvraag voor dit goed werd ingediend;
   2° de locatie blijft voldoen aan de erkenningsvoorwaarden voor open erfgoed, vermeld in artikel 8.4.1, gedurende een periode van twaalf jaar, die ingaat op de dag nadat een eerste verhoogde premieaanvraag voor dat goed is ingediend. In het geval van onroerend erfgoed dat ontwikkeld wordt tot open erfgoed, gaat die termijn in vanaf het moment van de erkenning als open erfgoed;
   3° gedurende de periode van twaalf jaar, vermeld in punt 2°, is de locatie minstens vijftig dagen en driehonderd uur per jaar opengesteld. In het geval van artikel 8.1.4, § 2, derde lid, gelden de afwijkende openstellingsvoorwaarden, vermeld in het goedgekeurde beheersplan;
   § 2. In geval van overmacht en na gemotiveerd verzoek kan het agentschap afwijkingen toestaan op de termijnen vermeld in paragraaf 1, 1° en 2°.
   § 3. Als de locatie niet erkend wordt als open erfgoed binnen de termijn, vermeld in paragraaf 1, 1°, wordt het verschil tussen verhoogde en gewone premie, inclusief de al toegekende premies, verrekend bij de eindafrekening en betaalt de premienemer eventueel te veel toegekende bedragen, vermeerderd met de wettelijke intresten, terug. De wettelijke intresten beginnen te lopen vanaf de dag na het verstrijken van de termijn, vermeld in paragraaf 1, 1°.
   Als de locatie minder dan twaalf jaar voldoet aan de erkenningsvoorwaarden voor open erfgoed, vermeld in paragraaf 1, 2°, wordt het verschil tussen de verhoogde en de gewone premie, verminderd met 8% voor elk jaar dat volledig verstreken is, inclusief de al toegekende premies, verrekend bij de eindafrekening. De premienemer betaalt eventueel te veel toegekende bedragen, vermeerderd met de wettelijke intresten, terug. De wettelijke intresten beginnen te lopen vanaf het moment dat de locatie niet meer voldoet aan de erkenningsvoorwaarden.]1

  
Art. 11.2.11. [1 § 1er. Pour la prime au patrimoine majorée pour le patrimoine ouvert agréé ou à développer, visé à l'article 11.2.10, alinéa premier, 6°, les conditions supplémentaires suivantes s'appliquent :
   1° dans le cas de patrimoine immobilier qui est développé en patrimoine ouvert, son développement aboutit à un agrément dans un délai de six ans, qui prend cours le jour après qu'une première demande de prime majorée pour ce bien a été introduite ;
   2° l'endroit continue à satisfaire aux conditions d'agrément pour le patrimoine ouvert, telles que visées à l'article 8.4.1, pendant une période de douze ans, qui prend cours le jour après qu'une première demande de prime majorée pour ce bien a été introduite. Dans le cas de patrimoine immobilier qui est développé en patrimoine ouvert, ce délai prend cours à partir du moment de l'agrément comme patrimoine ouvert ;
   3° pendant la période de douze ans, visée au point 2°, l'endroit est ouvert au public pendant au moins cinquante jours et trois cents heures par an. Dans le cas de l'article 8.1.4, § 2, alinéa trois, les conditions d'ouverture dérogatoires, visées dans le plan de gestion approuvé, s'appliquent ;
   § 2. En cas de force majeure et après une demande motivée, l'agence peut accorder des dérogations aux délais visés au paragraphe 1er, 1° et 2°.
   § 3. Si l'endroit n'est pas agréé comme patrimoine ouvert endéans le délai, visé au paragraphe 1er, 1°, la différence entre la prime majorée et la prime ordinaire, en ce inclus les primes déjà accordées, sont comptabilisées au moment du compte final et le preneur de prime rembourse les montants éventuellement accordés en trop, majorés des intérêts légaux. Les intérêts légaux prennent cours à partir du jour après l'échéance du délai, visé au paragraphe 1er, 1°.
   Si l'endroit satisfait pendant moins de douze ans aux conditions d'agrément pour le patrimoine ouvert, visé au paragraphe 1er, 2°, la différence entre la prime majorée et la prime ordinaire, réduite de 8% pour chaque année entièrement écoulée, en ce inclus les primes déjà accordées, est comptabilisée au moment du compte final. Le preneur de prime rembourse les éventuels montants accordés en trop, majorés des intérêts légaux. Les intérêts légaux prennent cours à partir du moment où l'endroit ne satisfait plus aux conditions d'agrément.]1

  
Art. 11.2.12. [1 § 1. Een aanvullende premie van 10% van de aanvaarde kostenraming, exclusief btw, wordt toegekend als het goed, waarvoor de premie wordt aangevraagd, gedurende de periode van zes jaar voor de aanvraag en de periode tussen de aanvraag en de toekenning van de premie, aantoonbaar consequent en kwaliteitsvol is onderhouden.
   De premienemer voegt daarvoor bij de aanvraag een uittreksel van een onderhoudslogboek dat betrekking heeft op de periode van zes jaar die voorafgaat aan de aanvraag.
   § 2. Een aanvullende premie van 10% van de aanvaarde kostenraming, exclusief btw, wordt toegekend voor [2 werken of diensten]2 aan beschermde goederen of erfgoedlandschappen:
   1° die uitgevoerd worden door of in opdracht van een stichting of vereniging met rechtspersoonlijkheid die het herstel en beheer van beschermde goederen of erfgoedlandschappen tot doel heeft;
   2° waarvan minstens de helft van de gebouwde onroerende goederen in het beheer van die stichting of vereniging met rechtspersoonlijkheid beschermd is;
   3° en waarbij het beheer over de onroerende goederen in kwestie voor een periode van minstens vijf jaar schriftelijk is toegewezen aan die stichting of vereniging met rechtspersoonlijkheid .
   § 3. Een premie van 20% van de aanvaarde kostenraming, exclusief btw, wordt toegekend voor [2 werken of diensten]2 die gericht zijn op een verbeterde inhoudelijke of fysieke ontsluiting van het erkende open erfgoed of het onroerend erfgoed dat ontwikkeld wordt tot open erfgoed, op voorwaarde dat het gaat om ingrepen aan de locatie zelf en in de mate dat het eindproduct een fysiek en permanent karakter heeft.]1

  
Art. 11.2.12. [1 § 1er. Une prime supplémentaire de 10% de l'estimation des frais acceptée, hors T.V.A., est octroyée si le bien, en faveur duquel la prime est demandée, a manifestement été entretenu conséquemment et avec un souci de la qualité au cours de la période de six ans avant la demande et pendant la période entre la demande et l'octroi de la prime.
   Le preneur de prime ajoute à cette fin un extrait d'un compte rendu d'entretien portant sur la période de six ans précédant la demande à la demande.
   § 2. Une prime supplémentaire de 10% de l'estimation des frais acceptée, hors T.V.A., est octroyée pour des [2 travaux ou services]2 effectués à des biens ou paysages patrimoniaux protégés :
   1° qui sont effectués par ou pour le compte d'une fondation ou d'une association dotées de la personnalité juridique ayant la rénovation et la gestion de biens ou de paysages patrimoniaux protégés comme objectif ;
   2° dont au moins la moitié des biens immobiliers bâtis dans la gestion de cette fondation ou association dotées de la personnalité juridique est protégée ;
   3°, la gestion des biens immobiliers concernés étant confiée à cette fondation ou association dotées de la personnalité juridique
   § 3. Une prime de 20% de l'estimation des frais acceptée, hors T.V.A., est octroyée pour des [2 travaux ou services]2 axés sur une meilleure accessibilité physique ou sur le plan du contenu du patrimoine ouvert agréé ou du patrimoine immobilier qui est développé en patrimoine ouvert, à condition que ceux-ci concernent des interventions à l'endroit lui-même et pour autant que le produit fini ait un caractère physique et permanent.]1

  
Onderafdeling 6. - Aantal aanvragen voor een erfgoedpremie per kalenderjaar
Sous-section 6. - Nombre de demandes d'une prime du patrimoine par année calendaire
Art. 11.2.14. [1 Er kan in hetzelfde kalenderjaar voor hetzelfde beschermde goed, hetzelfde erfgoedlandschap, of een deel ervan dat een opzichzelfstaand geheel vormt, hoogstens één erfgoedpremie aangevraagd worden volgens de standaardprocedure op voorwaarde dat het totaalbedrag van de aanvaarde kostenramingen van de werken of diensten waarvoor een erfgoedpremie volgens de standaardprocedure wordt aangevraagd in een periode van vijf opeenvolgende jaren niet meer dan 500.000 euro is.
   In afwijking van het eerste lid kan een premienemer in hetzelfde kalenderjaar voor werken of diensten aan hetzelfde beschermde cultuurhistorisch landschap, hetzelfde erfgoedlandschap, of een deel ervan dat een opzichzelfstaand geheel vormt, in aanmerking komen voor twee erfgoedpremies volgens de standaardprocedure op voorwaarde dat het totaalbedrag van de aanvaarde kostenramingen van de werken en diensten waarvoor een erfgoedpremie volgens de standaardprocedure wordt aangevraagd in een periode van vijf opeenvolgende jaren niet meer is dan 500.000 euro voor hetzelfde beschermde cultuurhistorisch landschap, hetzelfde erfgoedlandschap, of een deel ervan dat een opzichzelfstaand geheel vormt.
   Als blijkt dat het totaalbedrag van de gezamenlijke aanvaarde kostenramingen vermeld in het eerste en tweede lid meer dan 500.000 euro is, zal de aanvaarde kostenraming van de laatst aangevraagde erfgoedpremie volgens de standaardprocedure verlaagd worden.]1

  
Art. 11.2.14. [1 Au cours de la même année calendrier, une seule prime au patrimoine peut être demandée selon la procédure standard pour le même bien protégé, le même paysage patrimonial ou une partie de ceux-ci qui constitue un ensemble distinct à condition que le montant total des estimations de frais acceptées des travaux ou services pour lesquels une prime au patrimoine est demandée selon la procédure standard n'excède pas 500.000 euros sur une période de cinq années consécutives.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, un preneur de prime peut être éligible, au cours de la même année calendrier, à deux primes au patrimoine selon la procédure standard pour des travaux ou services sur le même site historico-culturel protégé, le même paysage patrimonial ou une partie de ceux-ci qui constitue un ensemble distinct à condition que le montant total des estimations de frais acceptées des travaux et services pour lesquels une prime au patrimoine est demandée selon la procédure standard n'excède pas 500.000 euros sur une période de cinq années consécutives pour le même site historico-culturel protégé, le même paysage patrimonial ou une partie de ceux-ci qui constitue un ensemble distinct.
   S'il appert que le montant total de l'ensemble des estimations de frais acceptées visées aux alinéas 1er et 2 excède 500.000 euros, l'estimation de frais acceptée de la prime au patrimoine demandée en dernier lieu selon la procédure standard sera diminuée.]1

  
Onderafdeling 7. - Wijziging van de zakelijkrechthouder van de onroerende goederen, wijziging van de premienemer en wijziging van de werken waarvoor de premie is aangevraagd
Sous-section 7. - Modification du titulaire du droit réel des biens immobiliers, modification du preneur de prime et modification des travaux pour lesquels la prime est demandée
Art. 11.2.15. De wijziging van de zakelijkrechthouder van onroerende goederen die het voorwerp vormen van een premieaanvraag is mogelijk. Het agentschap moet daarvan bij het verlijden van de akte of in voorkomend geval bij de vestiging van het vruchtgebruik door de premienemer op de hoogte worden gebracht.
  Als de premienemer niet wordt gewijzigd, moet het agentschap in het bezit worden gesteld van de formele bevestiging van de nieuwe eigenaar of van de zakelijkrechthouder dat de oorspronkelijke premienemer met zijn goedkeuring de opdrachtgever blijft van de [1 werken of diensten]1, en de kosten ervan draagt.
  De wijziging van premienemer is mogelijk op voorwaarde dat de nieuwe premienemer de opdrachtgever is van de [1 werken of diensten]1 en dat hij de kosten ervan draagt.
  Een premienemer kan nog gewijzigd worden:
  1° als het gaat om een aanvraag van een erfgoedpremie volgens de standaardprocedure, tot op het moment van de aanvraag tot uitbetaling van de premie;
  2° als het gaat om een aanvraag van een erfgoedpremie [1 via oproep]1, zolang de geplande [1 werken of diensten]1 nog niet gestart zijn, of zolang er nog geen voorschot is uitbetaald.
  De wijziging van premienemer vereist het akkoord van de oorspronkelijke en de nieuwe premienemer en van het agentschap.
  Bij de wijziging van premienemer kan geen hoger premiepercentage worden toegekend, ook niet als het statuut van de nieuwe premienemer dat bepaalt. De premie zal echter wel worden verlaagd als het gaat om een verhoogde premie, en als de nieuwe premienemer niet langer voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een verhoogde premie.
  
Art. 11.2.15. La modification du titulaire du droit réel de biens immobiliers qui font l'objet d'une demande de prime est possible. L'agence doit en être mise au courant par le preneur de prime lors de la passation de l'acte ou, le cas échéant, lors de l'établissement de l'usufruit.
  Lorsque le preneur de prime n'est pas modifié, l'agence doit être mise en possession de la confirmation formelle du nouveau propriétaire ou du titulaire du droit réel que le preneur de prime original reste, avec son approbation, le donneur d'ordre [1 des travaux ou services]1, et en supporte les frais.
  La modification de preneur de prime est possible à condition que le nouveau preneur de prime soit le donneur d'ordre [1 des travaux ou services]1, et qu'il en supporte les frais.
  Un preneur de prime peut encore être modifié :
  1° lorsqu'il s'agit d'une demande d'une prime du patrimoine selon la procédure standard, jusqu'au moment de la demande de paiement de la prime ;
  2° lorsqu'il s'agit d'une demande d'une prime du patrimoine [1 par appel]1, tant que [1 les travaux ou services prévus]1 n'ont pas encore commencés, ou tant qu'aucune avance n'a encore été payée.
  La modification de preneur de prime requiert l'accord du preneur de prime original et du nouveau preneur de prime, et de l'agence.
  Lors de la modification de preneur de prime, aucun pourcentage de prime supérieur ne peut être octroyé, pas non plus lorsque le statut du nouveau preneur de prime le stipule. Cependant, la prime sera réduite lorsqu'il s'agit d'une prime majorée, et lorsque le nouveau preneur de prime ne répond plus aux conditions pour être éligible à une prime majorée.
  
Art. 11.2.16. De premienemer voert de aangevraagde werken volledig en volgens het goedgekeurde dossier uit. Eventuele wijzigingen moeten vooraf voorgelegd worden aan en goedgekeurd worden door het agentschap.
Art. 11.2.16. Le preneur de prime exécute les travaux demandés en entier et selon le dossier approuvé. Des modifications éventuelles doivent être soumises au préalable à et être approuvées par l'agence.
Onderafdeling 8. - Aanvragen van een erfgoedpremie volgens de standaardprocedure
Sous-section 8. - Demander une prime du patrimoine selon la procédure standard
Art. 11.2.17. De [1 werken of diensten]1 waarvoor een erfgoedpremie wordt gevraagd volgens de standaardprocedure mogen pas worden gestart na [1 ontvangst van de beslissing vermeld in artikel 11.2.20, eerste lid]1.
  
Art. 11.2.17. Les [1 travaux ou services]1 pour lesquels une prime du patrimoine est demandée selon la procédure standard ne peuvent commencer qu'après [1 réception de la décision visée à l'article 11.2.20, alinéa 1er]1.
  
Art. 11.2.18. [1 De premienemer dient de aanvraag voor de erfgoedpremie volgens de standaardprocedure schriftelijk of via het daarvoor voorziene digitale platform in bij het agentschap.
   Het premiedossier bevat de volgende elementen, als die van toepassing zijn:
   1° een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier dat ter beschikking wordt gesteld op de website van het agentschap;
   2° een beschrijving van de huidige staat van het goed;
   3° een beschrijving van de geplande handelingen;
   4° een motivering van de geplande handelingen, in voorkomend geval met duidelijke verwijzing naar de relevante bepalingen van het goedgekeurde beheersplan of de motivatie waarom een beheersplan niet nodig is;
   5° een kostenraming met uitsplitsing per post of een gedetailleerde verwijzing naar de door de minister vastgestelde lijst met forfaitaire werken;
   6° [2 bij beschermde monumenten die bestemd zijn voor de rooms-katholieke eredienst: het actuele kerkenbeleidsplan van de gemeente in kwestie;]2;
   7° in voorkomend geval, een uittreksel van het onderhoudslogboek, vermeld in artikel 11.2.12, § 1, tweede lid;
   8° in het geval, vermeld in artikel 11.2.12, § 2, de statuten van de stichting of de vereniging, een bewijs dat het beheer van het onroerend goed in kwestie schriftelijk eraan is toegewezen voor een periode van minstens vijf jaar en een overzicht van de onroerende goederen in het beheer van de stichting of vereniging.
   De minister kan de nadere regels voor de inhoud van het premiedossier bepalen.]1

  
Art. 11.2.18. [1 Le preneur de prime introduit la demande de prime au patrimoine selon la procédure standard auprès de l'agence par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet.
   Le dossier de prime comprend, le cas échéant, les éléments suivants :
   1° un formulaire de demande dûment complété et signé mis à disposition sur le site web de l'agence ;
   2° une description de l'état actuel du bien ;
   3° une description des actes prévus ;
   4° une motivation des actes prévus accompagnée, le cas échéant, d'un renvoi clair aux dispositions pertinentes du plan de gestion approuvé ou les motifs pour lesquels un plan de gestion n'est pas nécessaire ;
   5° une estimation de frais ventilée par poste ou un renvoi détaillé à la liste de travaux forfaitaires établie par le ministre ;
   6° [2 dans le cas de monuments protégés destinés au culte catholique romain : le plan politique en matière d'églises mis à jour de la commune concernée]2 ;
   7° le cas échéant, un extrait du compte rendu d'entretien visé à l'article 11.2.12, § 1er, alinéa 2 ;
   8° dans le cas visé à l'article 11.2.12, § 2, les statuts de la fondation ou de l'association, une preuve que la gestion du bien immobilier concerné lui a été confiée par écrit pour une période d'au moins cinq ans et une liste des biens immobiliers sous gestion de la fondation ou de l'association.
   Le ministre peut préciser les règles relatives au contenu du dossier de prime.]1

  
Art. 11.2.19. [1 De aanvraag van een erfgoedpremie volgens de standaardprocedure kan gelijktijdig ingediend worden met de aanvraag van de toelating voor de geplande handelingen. Het agentschap stelt hiervoor op de website een gecombineerd aanvraagformulier ter beschikking. Een dergelijke gecombineerde aanvraag wordt schriftelijk of via het daarvoor voorziene digitale platform ingediend bij het agentschap.
   In afwijking van artikel 6.3.5, eerste lid, wordt de behandelingstermijn van het agentschap verlengd tot 120 dagen.
   In voorkomend geval stuurt het agentschap de aanvraag en de bijhorende documenten door naar de onroerenderfgoedgemeente binnen een termijn van vijf dagen, die ingaat op de dag na de indiening van de aanvraag.]1

  
Art. 11.2.19. [1 La demande de prime au patrimoine selon la procédure standard peut être introduite en même temps que la demande d'autorisation pour les actes prévus. A cet effet, l'agence met un formulaire de demande combiné à disposition sur le site web. Une telle demande combinée est introduite auprès de l'agence par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet.
   Par dérogation à l'article 6.3.5, alinéa 1er, le délai de traitement de l'agence est porté à 120 jours.
   Le cas échéant, l'agence transfère la demande et les documents y afférents à la commune du patrimoine immobilier dans le délai de cinq jours prenant cours le lendemain de l'introduction de la demande.]1

  
Art. 11.2.20. [1 De minister beslist na inhoudelijk akkoord van het agentschap met het premiedossier over de toekenning van de premie binnen een termijn van 120 dagen, die ingaat op de dag na de indiening van de aanvraag van een erfgoedpremie. Het agentschap heeft de delegatie om binnen dezelfde termijn te beslissen over de toekenning van premies tot en met 50.000 euro. Het agentschap brengt de aanvrager schriftelijk of via het daarvoor voorziene digitale platform op de hoogte van de beslissing, in voorkomend geval samen met de beslissing van het agentschap over de toelating voor de aangevraagde handelingen.
   Als het premiedossier onvolledig is of geen onderzoek ten gronde toelaat, kan het agentschap binnen een termijn van 60 dagen, die ingaat op de dag na de dag waarop de aanvraag is ingediend, de aanvrager schriftelijk of via het daarvoor voorziene digitale platform vragen om de ontbrekende gegevens of documenten bij de aanvraag te voegen, en de termijn bepalen waarbinnen dat moet gebeuren. De termijn vermeld in het eerste lid wordt geschorst tijdens de voormelde termijn voor het toevoegen van ontbrekende gegevens of documenten. Als de aanvrager nalaat binnen deze termijn de ontbrekende gegevens of documenten bij te voegen, wordt de aanvraag geacht te zijn geweigerd. Het agentschap brengt de aanvrager hiervan schriftelijk of via het daarvoor voorziene digitale platform op de hoogte.
   Als het premiedossier niet in aanmerking komt voor een erfgoedpremie volgens de standaardprocedure of als de waarborgen voor een vakkundige uitvoering onvoldoende worden geacht, weigert het agentschap de aanvraag binnen een termijn van 120 dagen, die ingaat op de dag na de indiening van de aanvraag van een erfgoedpremie. Het agentschap brengt de aanvrager schriftelijk of via het daarvoor voorziene digitale platform op de hoogte van de beslissing.]1

  
Art. 11.2.20. [1 Une fois que l'agence a marqué son accord sur le fond concernant le dossier de prime, le ministre décide de l'octroi de la prime dans un délai de 120 jours prenant cours le lendemain de l'introduction de la demande de prime au patrimoine. L'agence a délégation pour décider, dans le même délai, de l'octroi de primes jusqu'à 50.000 euros. L'agence informe le demandeur de la décision par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet conjointement, le cas échéant, avec la décision de l'agence au sujet de l'autorisation pour les actes demandés.
   Si le dossier de prime est incomplet ou ne permet pas un examen sur le fond, l'agence peut, dans un délai de 60 jours prenant cours le lendemain de l'introduction de la demande, inviter le demandeur, par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet, à joindre les données ou documents manquants à la demande et fixer le délai dans lequel cela doit être fait. Le délai visé à l'alinéa 1er est suspendu durant le délai précité pour l'ajout de données ou documents manquants. Si le demandeur omet de joindre les données ou documents manquants dans ce délai, la demande est réputée refusée. L'agence en informe le demandeur par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet.
   Si le dossier de prime n'est pas éligible à une prime au patrimoine selon la procédure standard ou si les garanties d'une exécution dans les règles de l'art sont jugées insuffisantes, l'agence refuse la demande dans un délai de 120 jours prenant cours le lendemain de l'introduction de la demande de prime au patrimoine. L'agence informe le demandeur de la décision par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet.]1

  
Art. 11.2.21. [1 De premienemer start op straffe van verval van de premie met de werken of diensten binnen een termijn van één jaar, die ingaat op de dag na de beslissing vermeld in artikel 11.2.20, eerste lid. In uitzonderlijke omstandigheden en na uitdrukkelijke toestemming van het agentschap kan die termijn eenmalig verlengd worden met maximaal één jaar. Daarvoor richt de premienemer vóór de termijn verstreken is, schriftelijk of via het daarvoor voorziene digitale platform een gemotiveerd verzoek aan het agentschap.
   De premienemer brengt het agentschap minstens vijftien dagen op voorhand schriftelijk of via het daarvoor voorziene digitale platform op de hoogte van de start van de werken of diensten en van de vastgelegde uitvoeringstermijn.
   In geval van verval van de premie zoals vermeld in het eerste lid, kan de premienemer voor dezelfde werken of diensten geen nieuwe premie aanvragen gedurende een periode van een jaar, die ingaat op de dag na het verstrijken van de termijn van één jaar of de verlengde termijn vermeld in het eerste lid.]1

  
Art. 11.2.21. [1 A peine de déchéance de la prime, le preneur de prime entame les travaux ou services dans le délai d'un an prenant cours le jour de la décision visée à l'article 11.2.20, alinéa 1er. Dans des circonstances exceptionnelles et moyennant autorisation expresse de l'agence, ce délai peut être prorogé une seule fois d'un an maximum. Le preneur de prime adresse à cet effet, avant l'expiration du délai, une requête motivée à l'agence par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet.
   Au moins quinze jours à l'avance, le preneur de prime informe l'agence du début des travaux ou services et du délai d'exécution fixé par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet.
   En cas de déchéance de la prime telle que visée à l'alinéa 1er, le preneur de prime ne peut pas demander de nouvelle prime pour les mêmes travaux ou services durant une période d'un an prenant cours le lendemain de l'expiration du délai d'un an ou du délai prorogé visé à l'alinéa 1er.]1

  
Art. 11.2.22. Een premienemer is verplicht om op de werf aan te geven dat een erfgoedpremie is toegekend. De minister kan daarover nadere richtlijnen bepalen.
Art. 11.2.22. Un preneur de prime est obligé d'indiquer sur le chantier qu'un prime du patrimoine est octroyée. Le Ministre peut fixer des directives plus détaillées à ce sujet.
Onderafdeling 9. - Uitbetaling van de erfgoedpremie bij de standaardprocedure
Sous-section 9. - Paiement de la prime du patrimoine lors de la procédure standard
Art. 11.2.23. [1 Na afloop van de werken of diensten bezorgt de premienemer het agentschap een gedocumenteerd overzicht van de uitgevoerde werken of diensten en vraagt hij schriftelijk of via het daarvoor voorziene digitale platform de uitbetaling van de premie. De premienemer voegt bij de aanvraag in voorkomend geval de nodige betalingsbewijzen die aantonen dat de werken of diensten die in aanmerking komen voor de premie, volledig betaald zijn.
   Na controle van de ingediende stukken en van de uitgevoerde werken of diensten door het agentschap wordt de erfgoedpremie uitbetaald.
   [2 Als de aanvraag tot uitbetaling onvolledig is of geen onderzoek ten gronde toelaat, kan het agentschap binnen een termijn van 60 dagen, die ingaat op de dag na de dag waarop de aanvraag tot uitbetaling is ingediend, de aanvrager schriftelijk of via het daarvoor voorziene digitale platform vragen om de ontbrekende gegevens of documenten bij de aanvraag te voegen, en de termijn bepalen waarbinnen dat moet gebeuren. Als de aanvrager nalaat binnen deze termijn de ontbrekende gegevens of documenten bij te voegen, wordt de aanvraag geacht te zijn geweigerd. Het agentschap brengt de aanvrager hiervan schriftelijk of via het daarvoor voorziene digitale platform op de hoogte.]2.]1

  [2 Als de uitgevoerde werken of diensten niet worden aanvaard, wordt gemeld waarom de uitbetaling wordt geweigerd. Het agentschap brengt de aanvrager schriftelijk of via het daarvoor voorziene digitale platform op de hoogte van de beslissing.]2
  
Art. 11.2.23. [1 A l'issue des travaux ou services, le preneur de prime transmet à l'agence un relevé documenté des travaux ou services exécutés et demande, par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet, le paiement de la prime. Le cas échéant, le preneur de prime joint à la demande les preuves de paiement nécessaires attestant du paiement intégral des travaux ou services éligibles à la prime.
   Après contrôle par l'agence des pièces introduites et des travaux ou services exécutés, la prime au patrimoine est payée.
   [2 Si la demande de paiement est incomplète ou ne permet pas un examen sur le fond, l'agence peut, dans un délai de 60 jours prenant cours le lendemain de l'introduction de la demande de paiement, inviter le demandeur, par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet, à joindre les données ou documents manquants à la demande et fixer le délai dans lequel cela doit être fait. Si le demandeur omet de joindre les données ou documents manquants dans ce délai, la demande est réputée refusée. L'agence en informe le demandeur par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet]2.]1

  [2 Si les travaux ou services réalisés ne sont pas acceptés, les motifs de refus de paiement sont indiqués. L'agence informe le demandeur de la décision par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet.]2
  
Art. 11.2.24. Het bedrag van de erfgoedpremie dat in totaal uitgekeerd moet worden, ligt niet hoger dan het definitieve premiebedrag dat aan de premienemer is meegedeeld in de beslissing van het agentschap waarbij de aanvraag is goedgekeurd.
  Bij de afrekening van een toegekende erfgoedpremie neemt de premienemer bijgevolg de aanvullende kosten voor de meer- en bijwerken voor zijn rekening als het bedrag van de eindafrekening hoger is dan het definitieve premiebedrag dat aan de premienemer is meegedeeld.
Art. 11.2.24. Le montant de la prime du patrimoine qui doit être payé au total n'est pas supérieur au montant de prime définitif qui est communiqué au preneur de prime dans la décision de l'agence par laquelle la demande est approuvée.
  Lors du règlement d'une prime du patrimoine octroyée, le preneur de prime prend dès lors les frais supplémentaires pour les travaux non prévus et supplémentaires à sa charge lorsque le montant du règlement final est supérieur au montant de prime définitif qui est communiqué au preneur de prime.
Art. 11.2.25. [1 Bij de uitbetaling van de erfgoedpremie volgens de standaardprocedure wordt alleen rekening gehouden met de werken of diensten die werkelijk en volgens de regels van de kunst en volgens de beslissing vermeld in artikel 11.2.20 uitgevoerd zijn, en die, in voorkomend geval, bewezen kunnen worden aan de hand van betalingsbewijzen.]1
  
Art. 11.2.25. [1 Lors du paiement de la prime au patrimoine selon la procédure standard, il n'est tenu compte que des travaux ou services qui ont été exécutés réellement, dans les règles de l'art et selon la décision visée à l'article 11.2.20 et qui, le cas échéant, peuvent être attestés par des preuves de paiement.]1
  
Art. 11.2.26. [1 Een premienemer wordt geacht afstand te doen van de erfgoedpremie als hij niet verzoekt om de uitbetaling ervan als vermeld in artikel 11.2.25, binnen een termijn van drie jaar, die ingaat op de dag na de beslissing vermeld in artikel 11.2.20.
   In uitzonderlijke omstandigheden en na uitdrukkelijke toestemming kan de termijn, vermeld in het eerste lid, eenmalig verlengd worden met maximaal drie jaar. Daarvoor richt de premienemer vóór de termijn, vermeld in het eerste lid, verstreken is, schriftelijk of via het daarvoor voorziene digitale platform een gemotiveerd verzoek aan het agentschap.]1

  
Art. 11.2.26. [1 Un preneur de prime est réputé renoncer à la prime au patrimoine s'il n'en demande pas le paiement, tel que visé à l'article 11.2.25, dans un délai de trois ans prenant cours le lendemain de la décision visée à l'article 11.2.20.
   Dans des circonstances exceptionnelles et moyennant autorisation expresse, le délai visé à l'alinéa 1er peut être prorogé une seule fois de trois ans maximum. Le preneur de prime adresse à cet effet, avant l'expiration du délai visé à l'alinéa 1er, une requête motivée à l'agence par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet.]1

  
Onderafdeling 10. [1 - De erfgoedpremie via oproep]1
Sous-section 10. [1 - La prime au patrimoine par appel]1
Art. 11.2.27. [1 De minister kan een erfgoedpremie via oproep toekennen. Projecten worden geselecteerd via een preselectieronde met een jury waarna de geselecteerden een premiedossier kunnen indienen.
   Enkel onroerend erfgoed dat in zijn totaliteit beschermd is, komt hiervoor in aanmerking.
   De erfgoedpremie via oproep wordt berekend op de aanvaardbare kostenraming met toepassing van de premiepercentages, vermeld in onderafdeling 5.
   In afwijking van artikel 11.2.1, eerste lid, kunnen energiebesparende maatregelen, beveiligingswerkzaamheden en werken of diensten die opgelegd zijn door andere regelgeving [2 of bijdragen aan de doelstelling, vermeld in de oproep]2 ook in aanmerking komen voor een erfgoedpremie via oproep als dit bepaald is in de oproep en als voldaan is aan de voorwaarden daarin.]1

  
Art. 11.2.27. [1 Le ministre peut octroyer une prime au patrimoine par appel. Les projets sont sélectionnés dans le cadre d'une phase de présélection avec un jury, après quoi les candidats sélectionnés peuvent introduire un dossier de prime.
   Seul le patrimoine immobilier qui est protégé dans son ensemble est éligible.
   La prime au patrimoine par appel est calculée sur la base de l'estimation de frais admissible en appliquant les pourcentages de prime visés à la sous-section 5.
   Par dérogation à l'article 11.2.1, alinéa 1er, des mesures d'économie d'énergie, des travaux de sécurisation et des travaux ou services imposés par d'autres réglementations [2 ou qui contribuent à l'objectif, mentionné dans l'appel,]2 peuvent également être éligibles à une prime au patrimoine par appel si l'appel l'a stipulé et si les conditions qu'il contient sont remplies.]1

  
Art. 11.2.27 /1][1 De werken en diensten waarvoor een erfgoedpremie via oproep wordt gevraagd, mogen pas worden gestart na de toekenning van de premie op straffe van verlies ervan. Enkel onroerend erfgoed dat in zijn totaliteit beschermd is, komt hiervoor in aanmerking.]1
  
Art. 11.2.27 /1][1 Les travaux et services pour lesquels une prime au patrimoine par appel est demandée ne peuvent être entamés qu'après l'octroi de la prime à peine de perte de celle-ci.]1
  
Onderafdeling 10/1. [1 - Oproep en preselectieronde]1
Sous-section 10/1. [1 - Appel et phase de présélection]1
Art. 11.2.27 /2. [1 Overeenkomstig de door de Vlaamse Regering vastgelegde oproepenkalender en thema's lanceert de minister uiterlijk op 1 oktober oproepen als vermeld in artikel 11.2.27. De oproep wordt minstens bekendgemaakt op de website van het agentschap.
   De oproep bevat de volgende elementen:
   1° het thema, de doelstelling en de doelgroep van de oproep;
   2° het totaalbudget en in voorkomend geval, afwijkende premiepercentages;
   3° de verdeelwijze van het totaalbudget onder de geselecteerde projecten;
   4° de volgende elementen van de aanvraag- en selectieprocedure:
   a) de indieningstermijnen voor het preselectie- en premiedossier;
   b) de maximale uitvoeringstermijn van het project;
   c) het minimumbedrag van de aanvaardbare kostenraming en, in voorkomend geval, het maximumbedrag van de aanvaardbare kostenraming;
   d) de deelnemingsvoorwaarden, eventueel aangevuld met bijkomende voorwaarden;
   e) de beoordelingscriteria, eventueel aangevuld met bijkomende criteria;
   f) de dossiersamenstelling van het preselectiedossier, het premiedossier en de uitbetalingsaanvraag;
   g) de selectieprocedure, de samenstelling en de nadere regels over de werking en organisatie van de jury.]1

  
Art. 11.2.27 /2. [1 Conformément au calendrier d'appels et aux thèmes arrêtés par le Gouvernement flamand, le ministre lance des appels tels que visés à l'article 11.2.27 le 1er octobre au plus tard. L'appel est au moins annoncé sur le site web de l'agence.
   L'appel contient les éléments suivants :
   1° le thème, l'objectif et le groupe-cible de l'appel ;
   2° le budget total et, le cas échéant, des pourcentages de prime différents ;
   3° le mode de répartition du budget total entre les projets sélectionnés ;
   4° les éléments suivants de la procédure de demande et de sélection :
   a) les délais d'introduction du dossier de présélection et de prime ;
   b) le délai d'exécution maximal du projet ;
   c) le montant minimum de l'estimation de frais admissible et, le cas échéant, le montant maximum de l'estimation de frais admissible ;
   d) les conditions de participation, éventuellement complétées de conditions additionnelles ;
   e) les critères d'évaluation, éventuellement complétés de critères additionnels ;
   f) la composition du dossier de présélection, du dossier de prime et de la demande de paiement ;
   g) la procédure de sélection, la composition et les modalités de fonctionnement et d'organisation du jury.]1

  
Art. 11.2.27 /3. [1 Een preselectiedossier als vermeld in artikel 11.2.27/5, komt in aanmerking voor een toekenning van een erfgoedpremie via oproep als het voldoet aan de volgende deelnemingsvoorwaarden:
   1° het preselectiedossier is tijdig ingediend en bevat de documenten vermeld in artikel 11.2.27/5;
   2° het project valt binnen het thema, de doelstelling en de doelgroep van de oproep;
   3° het project wordt uitgevoerd binnen de termijn bepaald in de oproep;
   4° de aanvaardbare kostenraming is gelijk aan of hoger dan het minimumbedrag bepaald in de oproep.
   In de oproep kan de minister de deelnemingsvoorwaarden verduidelijken, of bijkomende voorwaarden opnemen. Hij kan daarvoor eventuele bijkomende bewijsdocumenten bepalen in de dossiersamenstelling die is opgenomen in de oproep, vermeld in artikel 11.2.27/2, tweede lid.]1

  
Art. 11.2.27 /3. [1 Un dossier de présélection tel que visé à l'article 11.2.27/5 est éligible à l'octroi d'une prime au patrimoine par appel s'il remplit les conditions de participation suivantes :
   1° le dossier de présélection a été introduit dans les délais et contient les documents visés à l'article 11.2.27/5 ;
   2° le projet correspond au thème, à l'objectif et au groupe-cible de l'appel ;
   3° le projet sera exécuté dans le délai stipulé dans l'appel ;
   4° l'estimation de frais admissible est égale ou supérieure au montant minimum stipulé dans l'appel.
   Le ministre peut clarifier les conditions de participation ou reprendre des conditions additionnelles dans l'appel. A cet effet, il peut stipuler d'éventuels documents justificatifs additionnels à intégrer dans la composition du dossier, visée à l'article 11.2.27/2, alinéa 2, reprise dans l'appel.]1

  
Art. 11.2.27 /4. [1 De preselectiedossiers, vermeld in artikel 11.2.27/5, die voldoen aan de deelnemingsvoorwaarden worden voor advies voorgelegd aan een jury.
   In de oproep bepaalt de minister de nadere regels over de selectieprocedure, de samenstelling, de werking en de organisatie van de jury. De jury bestaat uit erfgoedspecialisten of specialisten over niet-erfgoedgerelateerde aspecten. Minstens de helft van de leden van de jury behoort niet tot het agentschap.
   Het advies bevat minstens een evaluatie per preselectiedossier op basis van de beoordelingscriteria en een rangschikking van de projecten.
   De jury beoordeelt de preselectiedossiers op basis van minstens de volgende beoordelingscriteria:
   1° de kwaliteit van het concept en de visie die aan de basis liggen van het project algemeen en binnen het thema van de oproep;
   2° de kwaliteit van de uitvoering;
   3° de maatschappelijke meerwaarde die de uitvoering van het project genereert;
   4° het duurzame karakter;
   5° de voorbeeldfunctie van het project algemeen en binnen het thema van de oproep;
   6° de mate waarin het project bijdraagt tot innovatie binnen de onroerenderfgoedzorg;
   7° de financiële en organisatorische haalbaarheid van het project.
   In de oproep bepaalt de minister het gewicht van de criteria en kan hij criteria verduidelijken of bijkomende criteria opnemen. Hij kan daarvoor eventuele bijkomende bewijsdocumenten bepalen in de dossiersamenstelling in de oproep, vermeld in 11.2.27/2, tweede lid.]1

  
Art. 11.2.27 /4. [1 Les dossiers de présélection visés à l'article 11.2.27/5 qui satisfont aux conditions de participation sont soumis à un jury pour avis.
   Le ministre précise dans l'appel les modalités relatives à la procédure de sélection, à la composition, au fonctionnement et à l'organisation du jury. Le jury se compose de spécialistes du patrimoine ou de spécialistes de matières non liées au patrimoine. La moitié au moins des membres du jury n'appartient pas à l'agence.
   L'avis contient au moins une évaluation par dossier de présélection basée sur les critères d'évaluation et un classement des projets.
   Le jury évalue les dossiers de présélection en se fondant au minimum sur les critères d'évaluation suivants :
   1° la qualité du concept et de la vision qui sous-tendent le projet de manière générale et dans le thème de l'appel ;
   2° la qualité de l'exécution ;
   3° la plus-value sociale que génère l'exécution du projet ;
   4° la durabilité ;
   5° le rôle d'exemple du projet de manière générale et dans le thème de l'appel ;
   6° la mesure dans laquelle le projet contribue à l'innovation dans la gestion du patrimoine immobilier ;
   7° la faisabilité financière et organisationnelle du projet.
   Le ministre précise le poids des critères et peut clarifier les critères ou reprendre des critères additionnels dans l'appel. A cet effet, il peut stipuler d'éventuels documents justificatifs additionnels à intégrer dans la composition du dossier, telle que visée à l'article 11.2.27/2, alinéa 2, reprise dans l'appel.]1

  
Art. 11.2.27 /5. [1 De premienemer dient uiterlijk op 1 februari van het jaar dat volgt op het jaar waarin de oproep is gelanceerd een preselectiedossier schriftelijk of via het daarvoor voorziene digitale platform in bij het agentschap.
   Het preselectiedossier bevat minstens al de volgende elementen:
   1° een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier dat ter beschikking wordt gesteld op de website van het agentschap;
   2° een conceptnota waaruit blijkt dat het aanvraagdossier voldoet aan de deelnemingsvoorwaarden en beoordelingscriteria in de oproep;
   3° een globale kostenraming;
   4° in voorkomend geval, de bijkomende documenten opgesomd in de dossiersamenstelling in de oproep.
   Het agentschap gaat na of het preselectiedossier voldoet aan de deelnemingsvoorwaarden. Als niet is voldaan aan de deelnemingsvoorwaarden brengt het agentschap de aanvrager hiervan schriftelijk of via het daarvoor voorziene digitale platform op de hoogte.
   De preselectiedossiers die voldoen aan de deelnemingsvoorwaarden worden conform artikel 11.2.27/4 voor advies voorgelegd aan een jury.
   De minister beslist uiterlijk op 1 juni van het jaar na de oproep op basis van het juryadvies welke projecten geselecteerd zijn om een premiedossier overeenkomstig artikel 11.2.28 in te dienen. De beslissing vermeldt de eventuele aanbevelingen of opmerkingen per project. Het agentschap brengt, na mededeling door de minister aan de Vlaamse Regering, de aanvragers schriftelijk of via het daarvoor voorziene digitale platform op de hoogte van de beslissing.]1

  
Art. 11.2.27 /5. [1 Au plus tard le 1er février de l'année suivant celle où l'appel a été lancé, le preneur de prime introduit un dossier de présélection auprès de l'agence par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet.
   Le dossier de présélection contient au moins tous les éléments suivants :
   1° un formulaire de demande dûment complété et signé mis à disposition sur le site web de l'agence ;
   2° une note conceptuelle dont il ressort que le dossier de demande satisfait aux conditions de participation et aux critères d'évaluation de l'appel ;
   3° une estimation globale des frais ;
   4° le cas échéant, les documents additionnels énumérés dans la composition du dossier reprise dans l'appel.
   L'agence vérifie si le dossier de présélection remplit les conditions de participation. Si les conditions de participation ne sont pas remplies, l'agence en informe le demandeur par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet.
   Les dossiers de présélection qui remplissent les conditions de participation conformément à l'article 11.2.27/4 sont soumis à un jury pour avis.
   Au plus tard le 1er juin de l'année suivant l'appel, le ministre décide, sur la base de l'avis rendu par le jury, quels projets sont sélectionnés pour introduire un dossier de prime conformément à l'article 11.2.28. La décision mentionne les éventuelles recommandations ou remarques par projet. Après communication par le ministre au Gouvernement flamand, l'agence informe les demandeurs de la décision par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet.]1

  
Onderafdeling 10/2. [1 - Dossier voor de aanvraag van een erfgoedpremie via oproep]1
Sous-section 10/2. [1 - Dossier de demande de prime au patrimoine par appel]1
Art. 11.2.28. [1 De premienemer dient een premiedossier voor de erfgoedpremie via oproep schriftelijk of via het daarvoor voorziene digitale platform in bij het agentschap voor de uiterste indieningsdatum vermeld in de oproep.
   Het premiedossier bevat de volgende elementen, als die van toepassing zijn:
   1° een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier, dat ter beschikking wordt gesteld op de website van het agentschap;
   2° een beschrijving van de huidige staat van het goed;
   3° een beschrijving van de geplande handelingen;
   4° een motivering van de geplande handelingen, in voorkomend geval met duidelijke verwijzing naar de relevante bepalingen van het goedgekeurde beheersplan;
   5° een kostenraming met uitsplitsing per post of een gedetailleerde verwijzing naar de door de minister vastgestelde lijst met forfaitaire werken;
   6° [2 bij beschermde monumenten die bestemd zijn voor de rooms-katholieke eredienst: het actuele kerkenbeleidsplan van de gemeente in kwestie;]2;
   7° in voorkomend geval, een uittreksel van het onderhoudslogboek, vermeld in artikel 11.2.12, § 1, tweede lid;
   8° in het geval vermeld in artikel 11.2.12, § 2, de statuten van de stichting of de vereniging, een bewijs dat het beheer van het onroerend goed in kwestie schriftelijk eraan is toegewezen voor een periode van minstens vijf jaar en een overzicht van de onroerende goederen in het beheer van de stichting of de vereniging;
   9° alle relevante documenten over de aanstelling van de ontwerper, of de motivatie waarom er geen ontwerper hoeft te worden aangesteld;
   10° in voorkomend geval, de bijkomende documenten die zijn opgesomd in de dossiersamenstelling in de oproep;
   In de oproep bepaalt de minister de nadere regels voor de inhoud en de uiterste indieningsdatum voor het premiedossier. De uiterste indieningsdatum wordt telkens vastgelegd op 1 februari van een jaar dat volgt op het jaar waarin oproep is gelanceerd.]1

  
Art. 11.2.28. [1 Le preneur de prime introduit un dossier pour la prime au patrimoine par appel auprès de l'agence, par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet, pour la date limite d'introduction visée dans l'appel.
   Le dossier de prime comprend, le cas échéant, les éléments suivants :
   1° un formulaire de demande dûment complété et signé mis à disposition sur le site web de l'agence ;
   2° une description de l'état actuel du bien ;
   3° une description des actes prévus ;
   4° une motivation des actes prévus accompagnée, le cas échéant, d'un renvoi clair aux dispositions pertinentes du plan de gestion approuvé ;
   5° une estimation de frais ventilée par poste ou un renvoi détaillé à la liste de travaux forfaitaires établie par le ministre ;
   6°[2 dans le cas de monuments protégés destinés au culte catholique romain : le plan politique en matière d'églises mis à jour de la commune concernée ; ]2 ;
   7° le cas échéant, un extrait du compte rendu d'entretien visé à l'article 11.2.12, § 1er, alinéa 2 ;
   8° dans le cas visé à l'article 11.2.12, § 2, les statuts de la fondation ou de l'association, une preuve que la gestion du bien immobilier concerné lui a été confiée par écrit pour une période d'au moins cinq ans et une liste des biens immobiliers sous gestion de la fondation ou de l'association ;
   9° tous les documents pertinents relatifs à la désignation de l'auteur de projet ou les motifs pour lesquels la désignation d'un auteur de projet n'est pas nécessaire ;
   10° le cas échéant, les documents additionnels énumérés dans la composition du dossier reprise dans l'appel.
   Le ministre précise dans l'appel les règles relatives au contenu et à la date limite d'introduction du dossier de prime. La date limite d'introduction est chaque fois fixée au 1er février d'une année suivant celle où l'appel a été lancé.]1

  
Onderafdeling 10/3. [1 - Toekenning van de erfgoedpremie via oproep]1
Sous-section 10/3. [1 - Octroi de la prime au patrimoine par appel]1
Art. 11.2.29. [1 Het premiedossier kan gelijktijdig ingediend worden met de aanvraag van de toelating voor de geplande handelingen. Het agentschap stelt hiervoor op de website een gecombineerd aanvraagformulier ter beschikking. Een dergelijke gecombineerde aanvraag wordt schriftelijk of via het daarvoor voorziene digitale platform ingediend bij het agentschap.
   In afwijking van artikel 6.3.5, eerste lid, wordt de behandelingstermijn van het agentschap verlengd tot de datum van de beslissing over het premiedossier vermeld in artikel 11.2.30.
   In voorkomend geval stuurt het agentschap de aanvraag en de bijhorende documenten door naar de onroerenderfgoedgemeente binnen een termijn van vijf dagen, die ingaat op de dag na de indiening van de aanvraag.]1

  
Art. 11.2.29. [1 Le dossier de prime peut être introduit en même temps que la demande d'autorisation pour les actes prévus. A cet effet, l'agence met un formulaire de demande combiné à disposition sur le site web. Une telle demande combinée est introduite auprès de l'agence par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet.
   Par dérogation à l'article 6.3.5, alinéa 1er, le délai de traitement de l'agence est allongé jusqu'à la date de la décision au sujet du dossier de prime visée à l'article 11.2.30.
   Le cas échéant, l'agence transfère la demande et les documents y afférents à la commune du patrimoine immobilier dans le délai de cinq jours prenant cours le lendemain de l'introduction de la demande.]1

  
Art. 11.2.30. [1 Het agentschap onderzoekt of het premiedossier in aanmerking komt voor een erfgoedpremie binnen een termijn van 120 dagen, die ingaat op de dag na de uiterste indiendatum vermeld in de oproep.
   Als het agentschap inhoudelijk akkoord is met het premiedossier, legt het agentschap het dossier voor aan de minister.
   Als het premiedossier onvolledig is of geen onderzoek ten gronde toelaat, kan het agentschap binnen een termijn van 60 dagen, die ingaat op de dag na de uiterste indiendatum vermeld in de oproep, de aanvrager schriftelijk of via het daarvoor voorziene digitale platform vragen om de ontbrekende gegevens of documenten bij het premiedossier te voegen, en de termijn bepalen waarbinnen dat moet gebeuren. De termijn vermeld in het eerste lid wordt geschorst tijdens de voormelde termijn voor het toevoegen van ontbrekende gegevens of documenten. Als de aanvrager nalaat binnen deze termijn de ontbrekende gegevens of documenten bij te voegen, wordt het premiedossier geacht te zijn geweigerd. Het agentschap brengt de aanvrager hiervan schriftelijk of via het daarvoor voorziene digitale platform op de hoogte.
   Als het premiedossier niet in aanmerking komt voor een erfgoedpremie of als de waarborgen voor een vakkundige uitvoering onvoldoende worden geacht, weigert het agentschap de aanvraag. Het agentschap brengt de aanvrager schriftelijk of via het daarvoor voorziene digitale platform op de hoogte van de beslissing.]1

  
Art. 11.2.30. [1 L'agence examine si le dossier de prime est éligible à une prime au patrimoine dans le délai de 120 jours prenant cours le lendemain de la date limite d'introduction visée dans l'appel.
   Si l'agence marque son accord sur le fond concernant le dossier de prime, elle soumet le dossier au ministre.
   Si le dossier de prime est incomplet ou ne permet pas un examen sur le fond, l'agence peut, dans un délai de 60 jours prenant cours le lendemain de la date limite d'introduction visée dans l'appel, inviter le demandeur, par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet, à joindre les données ou documents manquants au dossier de prime et fixer le délai dans lequel cela doit être fait. Le délai visé à l'alinéa 1er est suspendu durant le délai précité pour l'ajout de données ou documents manquants. Si le demandeur omet de joindre les données ou documents manquants dans ce délai, le dossier de prime est réputé refusé. L'agence en informe le demandeur par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet.
   Si le dossier de prime n'est pas éligible à une prime au patrimoine ou si les garanties d'une exécution dans les règles de l'art sont jugées insuffisantes, l'agence refuse la demande. L'agence informe le demandeur de la décision par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet.]1

  
Art. 11.2.31. [1 Na inhoudelijk akkoord van het agentschap zoals vermeld in artikel 11.2.30, tweede lid, kan de minister een erfgoedpremie toekennen. Het agentschap brengt de aanvrager daarvan schriftelijk of via het daarvoor voorziene digitale platform op de hoogte, in voorkomend geval, samen met de beslissing van het agentschap, over de toelating voor de aangevraagde handelingen.]1
  
Art. 11.2.31. [1 Après accord sur le fond de l'agence, tel que visé à l'article 11.2.30, alinéa 2, le ministre peut octroyer une prime au patrimoine. L'agence en informe le demandeur par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet conjointement, le cas échéant, avec la décision de l'agence au sujet de l'autorisation pour les actes demandés.]1
  
Art. 11.2.33. [1 De premienemer stelt het agentschap minstens vijftien dagen op voorhand schriftelijk of via het daarvoor voorziene digitale platform op de hoogte van de start van de werken of diensten.]1
  
Art. 11.2.33. [1 Le preneur de prime informe l'agence du début des travaux ou services par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet au moins quinze jours à l'avance.]1
  
Art. 11.2.34. Na de [2 kennisgeving]2 van de toekenning van de erfgoedpremie [3 via oproep]3 dient de premienemer een gunningsdossier in bij het agentschap. Dat dossier omvat, als dat van toepassing is:
  1° het bestek en de plannen waarop de inschrijvingen zijn gebaseerd, als de aanvraag, vermeld in artikel 11.2.28, is gewijzigd;
  2° het toewijzingsbesluit, dat rekening houdt met de maatregelen ter bevordering van de kwaliteit, vermeld in afdeling 5;
  3° [1 de stedenbouwkundige vergunning of een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen en het verslag van de brandweer.]1
  
Art. 11.2.34. Après la [2 notification]2 de l'octroi de la [3 prime au patrimoine par appel]3, le preneur de prime introduit un dossier d'adjudication auprès de l'agence. Ce dossier comprend, si d'application :
  1° le devis et les plans sur lesquels les inscriptions sont basées, lorsque la demande, visée à l'article 11.2.28, est modifiée ;
  2° l'arrêté d'attribution, qui tient compte des mesures visant à promouvoir la qualité, visées à la section 5 ;
  3° [1 l'autorisation urbanistique ou un permis d'environnement pour les actes urbanistiques et le rapport des pompiers.]1
  
Art. 11.2.35. De leidend ambtenaar van het agentschap bevestigt het bedrag van de erfgoedpremie of past het aan als het bedrag van de offerte op basis waarvan de werkzaamheden worden gegund, lager is dan de goedgekeurde kostenraming. Het bedrag van de erfgoedpremie wordt in dat geval herberekend op basis van de geselecteerde offerten.
  [1 ...]1
  
Art. 11.2.35. Le fonctionnaire dirigeant de l'agence confirme le montant de la prime du patrimoine ou l'adapte lorsque le montant de l'offre sur la base de laquelle les travaux sont adjugés est inférieur à l'estimation des frais approuvée. Le montant de la prime du patrimoine est dans ce cas recalculé sur la base des offres sélectionnées.
  [1 ...]1
  
Onderafdeling 11. [1 - Uitbetaling van de erfgoedpremie via oproep]1
Sous-section 11. [1 - Paiement de la prime au patrimoine par appel]1
Art. 11.2.36. De premienemer kan bij de start van de [1 werken of diensten]1 een voorschot van 50 % van de toegekende erfgoedpremie vragen. Hij dient daarvoor [1 schriftelijk of via het daarvoor voorziene digitale platform een aanvraag]1 in bij het agentschap. Die aanvraag bevat, als dat van toepassing is:
  1° de bestelling van de [1 werken of diensten]1;
  2° een afschrift van het aanvangsbevel;
  3° het borgstellingbewijs;
  4° het rekeningnummer waarop de premie moet worden gestort;
  5° de data van de werfvergaderingen.
  
Art. 11.2.36. Au début des [1 travaux ou services]1, le preneur de prime peut demander une avance de 50 % de la prime du patrimoine octroyée. A cet effet, il introduit [1 une demande auprès de l'agence par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet]1. Cette demande comprend, si d'application :
  1° la commande des [1 travaux ou services]1 ;
  2° une copie de l'ordre de commencement ;
  3° la preuve de cautionnement ;
  4° le numéro de compte sur lequel la prime doit être versée ;
  5° les dates des réunions de chantier.
  
Art. 11.2.37. Het saldo van de erfgoedpremie kan, [2 nadat de premienemer daar schriftelijk of via het daarvoor voorziene digitale platform toe verzoekt]2, worden uitbetaald nadat hij het agentschap in het bezit heeft gesteld van:
  1° een eindverslag dat, als dat van toepassing is, de volgende documenten bevat:
  a) de werfverslagen;
  b) het proces-verbaal van de oplevering, aangevuld met een evaluatief relaas van de wijze waarop de aannemers de [2 werken of diensten]2 hebben uitgevoerd;
  c) de resultaten of verslagen van onderzoeken, analyses en controles, uitgevoerd tijdens en na de werken;
  d) een vergelijkend fotografisch verslag;
  e) een opgave van de ontwerper(s), de hoofdaannemer en de onderaannemers met vermelding van de uitgevoerde [2 werken of diensten]2 en contactgegevens;
  f) de richtlijnen voor verder beheer en onderhoud met het oog op de opgelegde toestandsrapporten;
  g) de as-builtattesten, vermeld in [2 artikel 4.2.9]2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
  h) een beknopte toelichting bij de uitgevoerde [2 werken of diensten]2 en de verwerkte materialen die niet in het premiedossier opgenomen waren;
  i) productfiches van de aangewende materialen die niet in het premiedossier vermeld waren;
  2° een afrekening, die volgens post gerelateerd is aan de kostenraming;
  3° betalingsbewijzen die aantonen dat de [2 werken of diensten]2 die in aanmerking komen voor de erfgoedpremie volledig betaald zijn.
  [1 4° als een aanvullende premie van 10%, als vermeld in artikel 11.2.12, § 1, werd [2 toegekend]2, een uittreksel van een onderhoudslogboek dat betrekking heeft op de periode tussen de aanvraag en de toekenning van de premie.]1
  [2 In de oproep kan de minister de nadere regels voor de inhoud van de in te dienen documenten bepalen.]2
  Na controle van de ingediende stukken en de uitgevoerde [2 werken of diensten]2 door het agentschap wordt de erfgoedpremie, in geval van akkoord, uitbetaald.
  [3 Als de aanvraag tot uitbetaling onvolledig is of geen onderzoek ten gronde toelaat, kan het agentschap binnen een termijn van 60 dagen, die ingaat op de dag na de dag waarop de aanvraag tot uitbetaling is ingediend, de aanvrager schriftelijk of via het daarvoor voorziene digitale platform vragen om de ontbrekende gegevens of documenten bij de aanvraag te voegen, en de termijn bepalen waarbinnen dat moet gebeuren. Als de aanvrager nalaat binnen deze termijn de ontbrekende gegevens of documenten bij te voegen, wordt de aanvraag geacht te zijn geweigerd. Het agentschap brengt de aanvrager hiervan schriftelijk of via het daarvoor voorziene digitale platform op de hoogte.]3.
  [3 Als de uitgevoerde werken of diensten niet worden aanvaard, wordt gemeld waarom de uitbetaling wordt geweigerd. Het agentschap brengt de aanvrager schriftelijk of via het daarvoor voorziene digitale platform op de hoogte van de beslissing.]3
  
Art. 11.2.37. Le solde de la prime du patrimoine peut, [2 après que le preneur de prime en a fait la demande par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet]2, être payé après qu'il a mis l'agence en possession :
  1° d'un rapport final qui, si d'application, comprend les documents suivants :
  a) les rapports de chantier ;
  b) le procès-verbal de la réception des travaux, complété par un compte rendu évaluatif de la manière dont les entrepreneurs de construction ont exécuté les [2 travaux ou services]2 ;
  c) les résultats ou rapports d'examens, d'analyses et de contrôles, exécutés lors des et après les travaux ;
  d) un rapport photographique comparé ;
  e) un relevé du concepteur/des concepteurs, de l'entrepreneur de construction principal et des sous-entrepreneurs avec mention des [2 travaux ou services]2 exécutés et des données de contact ;
  f) les directives pour la gestion ultérieure et l'entretien en vue des rapports de situation imposés ;
  g) les attestations as-built, visées à [2 l'article 4.2.9]2 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire ;
  h) une explication succincte concernant les [2 travaux ou services]2 exécutés et les matériaux incorporés qui n'étaient pas repris dans le dossier de prime ;
  i) des fiches de produit des matériaux utilisés qui n'étaient pas mentionnés dans le dossier de prime ;
  2° d'un règlement, qui est relié à l'estimation des frais selon le poste ;
  3° de preuves de paiement qui démontrent que le paiement des [2 travaux ou services]2 éligibles à la prime du patrimoine est effectué en entier.
  [1 4° si une prime complémentaire de 10%, telle que visée à l'article 11.2.12, § 1er, a été [2 octroyée]2, un extrait d'un compte rendu d'entretien portant sur la période entre la demande et l'octroi de la prime.]1
  [2 Le ministre peut préciser dans l'appel les règles relatives au contenu des documents à introduire.]2
  Après le contrôle par l'agence des pièces introduites et des [2 travaux ou services]2 exécutés, la prime du patrimoine est, en cas d'accord, payée.
  [3 Si la demande de paiement est incomplète ou ne permet pas un examen sur le fond, l'agence peut, dans un délai de 60 jours prenant cours le lendemain de l'introduction de la demande de paiement, inviter le demandeur, par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet, à joindre les données ou documents manquants à la demande et fixer le délai dans lequel cela doit être fait. Si le demandeur omet de joindre les données ou documents manquants dans ce délai, la demande est réputée refusée. L'agence en informe le demandeur par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet]3.
  [3 Si les travaux ou services réalisés ne sont pas acceptés, les motifs de refus de paiement sont indiqués. L'agence informe le demandeur de la décision par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet.]3
  
Art. 11.2.38. Het in totaal uit te keren bedrag van een erfgoedpremie ligt niet hoger dan het definitieve premiebedrag dat aan de premienemer is meegedeeld in de toekenning of het besluit van de leidend ambtenaar van het agentschap, als het bedrag van de erfgoedpremie met toepassing van artikel 11.2.35 is verlaagd.
  Bij de afrekening van een toegekende erfgoedpremie neemt de premienemer bijgevolg de aanvullende kosten voor de meer- en bijwerken voor zijn rekening voor als het bedrag van de eindafrekening hoger is dan het definitieve premiebedrag dat aan de premienemer is meegedeeld.
  [2 ...]2
  
Art. 11.2.38. Le montant d'une prime du patrimoine à payer au total n'est pas supérieur au montant de prime définitif qui est communiqué au preneur de prime dans l'octroi ou l'arrêté du fonctionnaire dirigeant de l'agence, lorsque le montant de la prime du patrimoine est réduit en application de l'article 11.2.35.
  Lors du règlement d'une prime du patrimoine octroyée, le preneur de prime prend dès lors les frais supplémentaires pour les travaux non prévus et supplémentaires à sa charge lorsque le montant du règlement final est supérieur au montant de prime définitif qui est communiqué au preneur de prime.
  [2 ...]2
  
Art. 11.2.39. [1 Bij de uitbetaling van de erfgoedpremie wordt alleen rekening gehouden met de werken of diensten die werkelijk en volgens de regels van de kunst en volgens de beslissing vermeld in artikel 11.2.30 zijn uitgevoerd, die door het agentschap goedgekeurd zijn, en die, in voorkomend geval, bewezen kunnen worden aan de hand van betalingsbewijzen.]1
  
Art. 11.2.39. [1 Lors du paiement de la prime au patrimoine, il n'est tenu compte que des travaux ou services qui ont été exécutés réellement, dans les règles de l'art et selon la décision visée à l'article 11.2.30, qui ont été approuvés par l'agence et qui, le cas échéant, peuvent être attestés par des preuves de paiement.]1
  
Art. 11.2.40. Te veel uitgekeerde bedragen moet de premienemer terugstorten binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag nadat hij daarvan [1 schriftelijk]1 op de hoogte is gebracht door het agentschap.
  
Art. 11.2.40. Les montants payés en trop doivent être reversés par le preneur de prime dans un délai de trente jours, qui prend cours le jour après qu'il en est mis au courant par l'agence, [1 par écrit]1.
  
Art. 11.2.41. [1 In de volgende gevallen wordt een premienemer geacht afstand te doen van de erfgoedpremie via oproep:
   1° hij heeft de werken of diensten niet uitgevoerd binnen de maximale uitvoeringstermijn vermeld in de oproep. De maximale uitvoeringstermijn gaat in op de dag na de dag van de toekenning vermeld in artikel 11.2.31;
   2° hij heeft niet conform artikel 11.2.37 verzocht om de uitbetaling van het saldo van de erfgoedpremie binnen een termijn van een jaar, die ingaat op de dag na de laatste dag van de maximale uitvoeringstermijn vermeld in de oproep.
   In uitzonderlijke omstandigheden en na uitdrukkelijke toestemming van het agentschap kunnen de termijnen, vermeld in het eerste lid, eenmalig verlengd worden. Daarvoor richt de premienemer vóór de termijn, vermeld in het eerste lid, is verstreken, schriftelijk of via het daarvoor voorziene digitale platform een gemotiveerd verzoek aan het agentschap.]1

  
Art. 11.2.41. [1 Dans les cas suivants, un preneur de prime est réputé renoncer à la prime au patrimoine par appel :
   1° il n'a pas exécuté les travaux ou services dans le délai d'exécution maximal visé dans l'appel. Le délai d'exécution maximal prend cours le lendemain de l'octroi visé à l'article 11.2.31 ;
   2° il n'a pas demandé, conformément à l'article 11.2.37, le paiement du solde de la prime au patrimoine dans le délai d'un an prenant cours le lendemain du dernier jour du délai d'exécution maximal visé dans l'appel.
   Dans des circonstances exceptionnelles et moyennant autorisation expresse de l'agence, les délais visés à l'alinéa 1er peuvent être prorogés une seule fois. Le preneur de prime adresse à cet effet, avant l'expiration du délai visé à l'alinéa 1er, une requête motivée à l'agence par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet.]1

  
Afdeling 3. - Onderzoekspremie
Section 3. - Prime de recherche
Onderafdeling 1. [1 - Voorafgaande onderzoeken waarvoor een onderzoekspremie aangevraagd kan worden]1
Sous-section 1re. [1 - Examens préliminaires pour lesquels une prime de recherche peut être demandée]1
Art. 11.3.1. [1 Binnen de perken van de daarvoor op de begroting van de Vlaamse Gemeenschap beschikbare kredieten kan een onderzoekspremie worden toegekend voor de uitvoering van een noodzakelijk voorafgaand onderzoek over een beschermd goed of een erfgoedlandschap, of een deel ervan dat een opzichzelfstaand geheel vormt.]1
  
Art. 11.3.1. [1 Dans les limites des crédits disponibles à cet effet au budget de la Communauté flamande, une prime de recherche peut être octroyée pour l'exécution d'un examen préliminaire nécessaire ayant comme objet un patrimoine ou un paysage patrimonial protégés ou une partie qui constitue un ensemble à part.]1
  
Onderafdeling 2. - Bedrag op basis waarvan de onderzoekspremie wordt berekend
Sous-section 2. - Montant sur la base duquel la prime de recherche est calculée
Art. 11.3.2. De onderzoekspremie wordt berekend op basis van de aanvaarde kostenraming. Er wordt maximaal een geraamd bedrag van 25.000 euro in aanmerking genomen.
Art. 11.3.2. La prime de recherche est calculée sur la base de l'estimation des frais acceptée. Un montant estimé maximal de 25.000 euros est pris en considération.
Onderafdeling 3. - Premiepercentages
Sous-section 3. - Pourcentages de prime
Art. 11.3.3. De onderzoekspremie bedraagt 80 % van de aanvaarde kostenraming, exclusief btw.
  [2 ...]2.
  
Art. 11.3.3. La prime de recherche s'élève à 80 % de l'estimation des frais acceptée, hors T.V.A..
  [2 ...]2.
  
Onderafdeling 4. - Aantal aanvragen voor een onderzoekspremie per kalenderjaar
Sous-section 4. - Nombre de demandes d'une prime de recherche par année calendaire
Art. 11.3.5. Een premienemer kan in hetzelfde kalenderjaar voor hetzelfde beschermde goed, een erfgoedlandschap, of een deel ervan dat een opzichzelfstaand geheel vormt in aanmerking komen voor hoogstens één onderzoekspremie binnen elk van de volgende categorieën:
  1°[3 ...]3
  2° historisch en historisch-archivalisch, bouwtechnisch, materiaaltechnisch, of stabiliteitstechnisch voorafgaand onderzoek, of archeologisch vooronderzoek;
  3° voorafgaand onderzoek naar de kwaliteit van houtige beplanting met erfgoedwaarde en de groeiplaats ervan, met inbegrip van de analyse van de impact van geplande ingrepen;
  4°[4 bestemmings- en herbestemmingsonderzoek. Voor gebouwen van de rooms-katholieke eredienst, met uitzondering van de kathedralen, kan alleen een onderzoekspremie toegekend worden als ze in een actueel kerkenbeleidsplan aangewezen zijn voor ander gebruik dan de eredienst in de vorm van neven- of herbestemming;]4;
  [2 5° het laten uitvoeren van een energieaudit van een beschermd monument.]2
  De minister kan de nadere regels daarvoor bepalen.
  
Art. 11.3.5. Dans la même année calendaire, un preneur de prime peut, pour le même bien protégé, un paysage patrimonial, ou une partie qui constitue un ensemble à part, être éligible à une seule prime de recherche au maximum, au sein de chacune des catégories suivantes :
  1° [3 ...]3
  2° l'examen préliminaire historique et historico-archivistique, sur le plan de la technique de la construction, sur le plan de la technique des matériaux, ou sur le plan de la technique de la stabilité, ou l'examen archéologique préalable ;
  3° l'examen préliminaire de la qualité de plantations ligneuses présentant une valeur patrimoniale et de son lieu de croissance, y compris l'analyse de l'impact d'interventions envisagées ;
  4° [4 l'examen d'affectation et de réaffectation. Une prime de recherche ne peut être octroyée aux bâtiments du culte catholique romain, à l'exception des cathédrales, que s'ils ont été désignés, dans un plan politique en matière d'églises mis à jour, à une utilisation autre que le culte sous forme de destination secondaire ou de réaffectation ;]4;
  [2 5° faire effectuer un audit énergétique d'un monument protégé.]2
  Le Ministre peut en fixer les modalités.
  
Onderafdeling 5. - Wijziging van de zakelijkrechthouder van de onroerende goederen, wijziging van de premienemer en wijziging van de werken waarvoor een onderzoekspremie is aangevraagd
Sous-section 5. - Modification du titulaire du droit réel des biens immobiliers, modification du preneur de prime et modification des travaux pour lesquels une prime de recherche est demandée
Art. 11.3.6. De wijziging van de zakelijkrechthouder van de onroerende goederen die het voorwerp vormen van een premieaanvraag is mogelijk. Het agentschap moet daarvan bij het verlijden van de akte of in voorkomend geval bij de vestiging van het vruchtgebruik door de premienemer op de hoogte worden gebracht.
  Als de premienemer niet wordt gewijzigd, moet het agentschap in het bezit te worden gesteld van de formele bevestiging van de nieuwe eigenaar of zakelijkrechthouder dat de oorspronkelijke premienemer met zijn goedkeuring de opdrachtgever blijft van de voorafgaande onderzoeken of van de opmaak van het beheersplan, en dat hij de kosten ervan draagt.
  De wijziging van premienemer is mogelijk op voorwaarde dat de nieuwe premienemer de opdrachtgever is van de voorafgaande onderzoeken of van de opmaak van het beheersplan, en dat hij de kosten ervan draagt.
  Een premienemer kan nog gewijzigd worden tot op het moment van de aanvraag tot uitbetaling van de premie.
  De wijziging van premienemer vereist het akkoord van de oorspronkelijke en de nieuwe premienemer en van het agentschap.
Art. 11.3.6. La modification du titulaire du droit réel des biens immobiliers qui font l'objet d'une demande de prime est possible. L'agence doit en être mise au courant par le preneur de prime lors de la passation de l'acte ou, le cas échéant, lors de l'établissement de l'usufruit.
  Lorsque le preneur de prime n'est pas modifié, l'agence doit être mise en possession de la confirmation formelle du nouveau propriétaire ou du titulaire du droit réel que le preneur de prime original reste, avec son approbation, le donneur d'ordre des examens préliminaires ou de l'établissement du plan de gestion, et qu'il en supporte les frais.
  La modification de preneur de prime est possible à condition que le nouveau preneur de prime soit le donneur d'ordre des examens préliminaires ou de l'établissement du plan de gestion, et qu'il en supporte les frais.
  Un preneur de prime peut encore être modifié jusqu'au moment de la demande de paiement de la prime.
  La modification de preneur de prime requiert l'accord du preneur de prime original et du nouveau preneur de prime, et de l'agence.
Art. 11.3.7. De premienemer voert de [1 werken of diensten]1n volledig en volgens het goedgekeurde dossier uit. Eventuele wijzigingen moeten vooraf voorgelegd worden aan en goedgekeurd worden door het agentschap.
  
Art. 11.3.7. Le preneur de prime exécute les [1 travaux ou services]1 en entier et selon le dossier approuvé. Des modifications éventuelles doivent être soumises au préalable à et être approuvées par l'agence.
  
Onderafdeling 6. - Aanvragen van een onderzoekspremie
Sous-section 6. - Demander une prime de recherche
Art. 11.3.7 /1.[1 De [2 werken of diensten]2 waarvoor een onderzoekspremie wordt gevraagd, mogen pas worden gestart na de vastlegging van de premie.]1
  
Art. 11.3.7 /1.[1 Les [2 travaux ou services]2 pour lesquels une prime à la recherche est demandée, ne peuvent commencer qu'après la fixation de la prime.]1
  
Art. 11.3.8. [2 De premienemer dient de aanvraag van de onderzoekspremie in bij het agentschap. Het aanvraagdossier bevat minstens al de volgende elementen:
   1° een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier dat ter beschikking wordt gesteld op de website van het agentschap;
   2° een beschrijving van de geplande handelingen;
   3° een motivering van de geplande handelingen;
   4° een kostenraming;
   5° een voorstel van toewijzing van de opdracht, dat rekening houdt met de maatregelen ter bevordering van de kwaliteit, vermeld in afdeling 5.]2

  [3 6° bij gebouwen van de rooms-katholieke eredienst, met uitzondering van de kathedralen: het actuele kerkenbeleidsplan van de gemeente in kwestie.]3
  De minister kan de nadere regels voor de inhoud van het aanvraagdossier bepalen.
  
Art. 11.3.8. [2 Le preneur de prime introduit la demande de prime de recherche auprès de l'agence. Le dossier de demande contient au moins tous les éléments suivants :
   1° un formulaire de demande dûment complété et signé mis à disposition sur le site web de l'agence ;
   2° une description des actes prévus ;
   3° une motivation des actes prévus ;
   4° une estimation des frais ;
   5° une proposition d'attribution du marché, qui tient compte des mesures de promotion de la qualité visées à la section 5.]2

  [3 6° dans le cas de bâtiments du culte catholique romain, à l'exception des cathédrales : le plan politique en matière d'églises mis à jour de la commune concernée.]3
  Le Ministre peut fixer les modalités du contenu du dossier de demande.
  
Art. 11.3.9. [1 De aanvraag van een onderzoekspremie kan gelijktijdig ingediend worden met de aanvraag van de toelating voor de geplande handelingen waarvoor een onderzoekspremie wordt aangevraagd. Het agentschap stelt hiervoor op de website een gecombineerd aanvraagformulier ter beschikking. Een dergelijke gecombineerde aanvraag wordt schriftelijk of via het daarvoor voorziene digitale platform ingediend bij het agentschap.
   In afwijking van artikel 6.3.5, eerste lid, wordt de behandelingstermijn van het agentschap verlengd tot negentig dagen.
   In voorkomend geval, stuurt het agentschap de aanvraag en de bijhorende documenten door naar de onroerenderfgoedgemeente binnen een termijn van vijf dagen, die ingaat de dag na de indiening van de aanvraag.]1

  
Art. 11.3.9. [1 La demande de prime de recherche peut être introduite en même temps que la demande d'autorisation pour les actes prévus pour lesquels une prime de recherche est sollicitée. A cet effet, l'agence met un formulaire de demande combiné à disposition sur le site web. Une telle demande combinée est introduite auprès de l'agence par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet.
   Par dérogation à l'article 6.3.5, alinéa 1er, le délai de traitement de l'agence est porté à nonante jours.
   Le cas échéant, l'agence transfère la demande et les documents y afférents à la commune du patrimoine immobilier dans le délai de cinq jours prenant cours le lendemain de l'introduction de la demande.]1

  
Art. 11.3.10. [1 Het agentschap onderzoekt of de aanvraag in aanmerking komt voor een onderzoekspremie, en neemt een beslissing binnen een termijn van negentig dagen, die ingaat op de dag na de indiening van de aanvraag.
   In geval van akkoord wordt de onderzoekspremie vastgelegd, waarna een kopie van dit besluit schriftelijk of via het daarvoor voorziene digitale platform aan de aanvrager wordt bezorgd, in voorkomend geval samen met de beslissing van het agentschap over de toelating voor de aangevraagde handelingen.
   Als de aanvraag onvolledig is of geen onderzoek ten gronde toelaat, kan het agentschap binnen een termijn van 60 dagen, die ingaat op de dag na de dag waarop de aanvraag is ingediend, de aanvrager schriftelijk of via het daarvoor voorziene digitale platform vragen om de ontbrekende gegevens of documenten bij de aanvraag te voegen, en de termijn bepalen waarbinnen dat moet gebeuren. De termijn vermeld in het eerste lid wordt geschorst tijdens de voormelde termijn voor het toevoegen van ontbrekende gegevens of documenten. Als de aanvrager nalaat binnen deze termijn de ontbrekende gegevens of documenten bij te voegen, wordt de aanvraag geacht te zijn geweigerd. Het agentschap brengt de aanvrager hiervan schriftelijk of via het daarvoor voorziene digitale platform op de hoogte.
   Als het dossier niet in aanmerking komt voor een onderzoekspremie of als de waarborgen voor een vakkundige uitvoering onvoldoende worden geacht, weigert het agentschap de aanvraag. Het agentschap brengt de aanvrager schriftelijk of via het daarvoor voorziene digitale platform op de hoogte van de beslissing.
   In geval van een voorafgaand onderzoek brengt de premienemer het agentschap minstens vijftien dagen voor de aanvang ervan schriftelijk of via het daarvoor voorziene digitale platform op de hoogte van de start en van de vastgelegde uitvoeringstermijn ervan.]1

  
Art. 11.3.10. [1 L'agence examine si la demande est éligible à une prime de recherche et prend une décision dans le délai de nonante jours prenant cours le lendemain de l'introduction de la demande.
   En cas d'accord, la prime de recherche est fixée, après quoi une copie de cette décision est transmise au demandeur par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet conjointement, le cas échéant, avec la décision de l'agence au sujet de l'autorisation pour les actes demandés.
   Si la demande est incomplète ou ne permet pas un examen sur le fond, l'agence peut, dans un délai de 60 jours prenant cours le lendemain de l'introduction de la demande, inviter le demandeur, par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet, à joindre les données ou documents manquants à la demande et fixer le délai dans lequel cela doit être fait. Le délai visé à l'alinéa 1er est suspendu durant le délai précité pour l'ajout de données ou documents manquants. Si le demandeur omet de joindre les données ou documents manquants dans ce délai, la demande est réputée refusée. L'agence en informe le demandeur par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet.
   Si le dossier n'est pas éligible à une prime de recherche ou si les garanties d'une exécution dans les règles de l'art sont jugées insuffisantes, l'agence refuse la demande. L'agence informe le demandeur de la décision par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet.
   En cas d'examen préliminaire, le preneur de prime informe l'agence du début et du délai d'exécution fixé, par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet, au moins quinze jours à l'avance.]1

  
Art. 11.3.11. Een premienemer is verplicht bij het onroerend goed in kwestie en in alle communicatie die voortvloeit uit het onderzoek, aan te geven dat een onderzoekspremie is toegekend. De minister kan nadere richtlijnen daarover bepalen.
Art. 11.3.11. Un preneur de prime est obligé d'indiquer, à proximité du bien immobilier en question en dans toute communication qui résulte de l'examen, qu'une prime de recherche est octroyée. Le Ministre peut fixer des directives plus détaillées à ce sujet.
Onderafdeling 7. - Uitbetaling van de onderzoekspremie
Sous-section 7. - Paiement de la prime de recherche
Art. 11.3.12. De premienemer dient het beheersplan of het eindverslag van het voorafgaande onderzoek na oplevering van de opdracht in bij het agentschap[1 ...]1 en verzoekt [2 schriftelijk of via het daarvoor voorziene digitale platform]2 om de uitbetaling van de onderzoekspremie. Hij voegt ook de nodige betalingsbewijzen toe die aantonen dat de werkzaamheden of diensten die in aanmerking komen voor de premie volledig betaald zijn.
  Als het beheersplan wordt goedgekeurd, of als vastgesteld wordt dat het voorafgaand onderzoek correct is uitgevoerd, gaat het agentschap over tot de uitbetaling van de onderzoekspremie.
  [3 Als de aanvraag tot uitbetaling onvolledig is of geen onderzoek ten gronde toelaat, kan het agentschap binnen een termijn van 60 dagen, die ingaat op de dag na de dag waarop de aanvraag tot uitbetaling is ingediend, de aanvrager schriftelijk of via het daarvoor voorziene digitale platform vragen om de ontbrekende gegevens of documenten bij de aanvraag te voegen, en de termijn bepalen waarbinnen dat moet gebeuren. Als de aanvrager nalaat binnen deze termijn de ontbrekende gegevens of documenten bij te voegen, wordt de aanvraag geacht te zijn geweigerd. Het agentschap brengt de aanvrager hiervan schriftelijk of via het daarvoor voorziene digitale platform op de hoogte.]3
  [3 Als de uitgevoerde werken of diensten niet worden aanvaard, wordt gemeld waarom de uitbetaling wordt geweigerd. Het agentschap brengt de aanvrager schriftelijk of via het daarvoor voorziene digitale platform op de hoogte van de beslissing.]3
  
Art. 11.3.12. Le preneur de prime introduit le plan de gestion ou le rapport final de l'examen préliminaire auprès de l'agence après la réception de l'ordre [1 ...]1 et demande [2 , par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet,]2 le paiement de la prime de recherche. Il annexe également les preuves de paiement nécessaires qui démontrent que le paiement des travaux ou des services éligibles à la prime est effectué en entier.
  Lorsque le plan de gestion est approuvé, ou lorsqu'il est constaté que l'examen préliminaire est exécuté correctement, l'agence procède au paiement de la prime de recherche.
  [3 Si la demande de paiement est incomplète ou ne permet pas un examen sur le fond, l'agence peut, dans un délai de 60 jours prenant cours le lendemain de l'introduction de la demande de paiement, inviter le demandeur, par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet, à joindre les données ou documents manquants à la demande et fixer le délai dans lequel cela doit être fait. Si le demandeur omet de joindre les données ou documents manquants dans ce délai, la demande est réputée refusée. L'agence en informe le demandeur par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet ]3.
  [3 Si les travaux ou services réalisés ne sont pas acceptés, les motifs de refus de paiement sont indiqués. L'agence informe le demandeur de la décision par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet.]3
  
Art. 11.3.13. Bij de uitbetaling van de onderzoekspremie wordt alleen rekening gehouden met de [1 werken of diensten]1 die werkelijk en volgens de regels van de kunst uitgevoerd zijn, die goedgekeurd zijn door het agentschap, en, die bewezen kunnen worden aan de hand van betalingsbewijzen.
  
Art. 11.3.13. Lors du paiement de la prime de recherche, il est uniquement tenu compte des [1 travaux ou services]1 exécutés réellement et selon les règles de l'art, qui sont approuvés par l'agence et qui peuvent être prouvés à l'aide de preuves de paiement.
  
Art. 11.3.14. Te veel uitgekeerde bedragen moet de premienemer terugstorten binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag nadat hij daarvan [1 schriftelijk]1 op de hoogte is gebracht door het agentschap.
  
Art. 11.3.14. Les montants payés en trop doivent être reversés par le preneur de prime dans un délai de trente jours, qui prend cours le jour après qu'il en est mis au courant par l'agence, [1 par écrit]1.
  
Art. 11.3.15. Een premienemer wordt geacht afstand te doen van de onderzoekspremie als hij niet, overeenkomstig artikel 11.3.12, verzoekt om de uitbetaling ervan binnen twee jaar vanaf de dag die volgt op [1 de kennisgeving van de beslissing waarmee het agentschap de]1 uitvoering van voorafgaand onderzoek goedkeurt.
  [2 In uitzonderlijke omstandigheden en na uitdrukkelijke toestemming van het agentschap kan de termijn, vermeld in het eerste lid, eenmalig verlengd worden. Daarvoor richt de premienemer vóór de termijn verstreken is, schriftelijk of via het daarvoor voorziene digitale platform een gemotiveerd verzoek aan het agentschap.]2
  
Art. 11.3.15. Un preneur de prime est censé renoncer à la prime de recherche lorsqu'il ne demande pas, conformément à l'article 11.3.12, son paiement dans les deux ans à partir du jour qui suit [1 la notification de la décision avec laquelle l'agence approuve l']1 exécution d'un examen préliminaire.
  [2 Dans des circonstances exceptionnelles et moyennant autorisation expresse de l'agence, le délai visé à l'alinéa 1er peut être prorogé une seule fois. Le preneur de prime adresse à cet effet, avant l'expiration du délai, une requête motivée à l'agence par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet.]2
  
Onderafdeling 8. [1 Ontsluiting van de onderzoeksresultaten]1
Sous-section 8. [1 Ouverture des résultats de l'examen]1
Art. 11.3.16. [1 Het agentschap kan de eindverslagen van een onderzoek als vermeld in artikel 11.3.5, ontsluiten.]1
  [2 De minister kan met het oog op de ontsluiting nadere regels bepalen voor de vorm van de eindverslagen, vermeld in het eerste lid.]2
  
Art. 11.3.16. [1 L'agence peut rendre accessibles les rapport finals d'un examen, tel que visé à l'article 11.3.5.]1
  [2 Le ministre peut préciser les règles relatives à la forme des rapports finaux visés à l'alinéa 1er en vue de les rendre accessibles.]2
  
Afdeling 4. - Meerjarenpremieovereenkomsten voor grote of langdurige werkzaamheden aan of in beschermde goederen of erfgoedlandschappen
Section 4. - Accords de prime pluriannuels pour des grands travaux ou des travaux de longue durée à ou dans des biens ou des paysages patrimoniaux protégés
Onderafdeling 1. [1 - Oproep voor projecten voor een meerjarenpremieovereenkomst]1
Sous-section 1re. [1 - Appel à projets pour un accord de prime pluriannuel]1
Art. 11.4.1. [1 Binnen de perken van de daarvoor op de begroting van de Vlaamse Gemeenschap beschikbare kredieten kan de Vlaamse Regering na een oproep meerjarenpremieovereenkomsten sluiten voor grote of langdurige werken aan of in beschermde goederen of in erfgoedlandschappen.
   De Vlaamse Regering lanceert uiterlijk op 1 februari van het tweede of vierde jaar van de legislatuur één oproep. De oproep wordt minstens bekendgemaakt op de website van het agentschap.
   De oproep bevat:
   1° het thema, de doelstelling en de doelgroep van de oproep;
   2° het totaalbudget;
   3° de verdeelwijze van het totaalbudget onder de geselecteerde projecten;
   4° de aanvraag- en selectieprocedure:
   a) de indieningstermijnen;
   b) de maximale uitvoeringstermijn van het project;
   c) het minimumbedrag van de aanvaardbare kostenraming;
   d) de deelnemingsvoorwaarden, eventueel aangevuld met bijkomende voorwaarden;
   e) de beoordelingscriteria, eventueel aangevuld met bijkomende criteria;
   f) de dossiersamenstelling van het aanvraagdossier;
   g) de selectieprocedure, de samenstelling en de nadere regels over de werking en organisatie van de jury.]1

  
Art. 11.4.1. [1 Dans les limites des crédits disponibles à cet effet au budget de la Communauté flamande, le Gouvernement flamand peut conclure, après appel, des accords de prime pluriannuels pour des travaux majeurs ou de longue durée sur des biens protégés ou dans des paysages patrimoniaux.
   Le Gouvernement flamand lance un appel au plus tard le 1er février de la deuxième ou de la quatrième année de la législature. L'appel est au moins annoncé sur le site web de l'agence.
   L'appel contient :
   1° le thème, l'objectif et le groupe-cible de l'appel ;
   2° le budget total ;
   3° le mode de répartition du budget total entre les projets sélectionnés ;
   4° la procédure de demande et de sélection :
   a) les délais d'introduction ;
   b) le délai d'exécution maximal du projet ;
   c) le montant minimum de l'estimation de frais admissible ;
   d) les conditions de participation, éventuellement complétées de conditions additionnelles ;
   e) les critères d'évaluation, éventuellement complétés de critères additionnels ;
   f) la composition du dossier de demande ;
   g) la procédure de sélection, la composition et les modalités de fonctionnement et d'organisation du jury.]1

  
Art. 11.4.2. [1 Om in aanmerking te komen voor een meerjarenpremieovereenkomst moet het aanvraagdossier voldoen aan de volgende deelnemingsvoorwaarden:
   1° het aanvraagdossier is tijdig ingediend en bevat de documenten vermeld in artikel 11.4.3;
   2° het project valt binnen het thema, de doelstelling en de doelgroep van de oproep;
   3° het project heeft een gefaseerde uitvoeringstermijn van minimaal drie jaar en maximaal vijf jaar;
   4° de aanvaardbare kostenraming is hoger dan vijf miljoen euro, exclusief btw;
   5° het project vereist een strikte uitvoeringstiming om budgettaire, organisatorische of uitvoeringstechnische redenen;
   6° het project voorziet in of verbetert de ontsluiting van het beschermde goed, het erfgoedlandschap, of minstens een representatief deel ervan;
   7° de geplande handelingen waarvoor een premie wordt aangevraagd zijn vermeld in een goedgekeurd beheersplan.
   In de oproep kan de Vlaamse Regering de deelnemingsvoorwaarden verduidelijken of bijkomende voorwaarden opnemen.]1

  
Art. 11.4.2. [1 Pour être éligible à un accord de prime pluriannuel, le dossier de demande doit remplir les conditions de participation suivantes :
   1° le dossier de demande a été introduit dans les délais et contient les documents visés à l'article 11.4.3 ;
   2° le projet correspond au thème, à l'objectif et au groupe-cible de l'appel ;
   3° le projet a un délai d'exécution par phases de trois ans minimum et de cinq ans maximum ;
   4° l'estimation de frais admissible est supérieure à cinq millions d'euros hors TVA ;
   5° le projet requiert un calendrier d'exécution strict pour des raisons budgétaires, organisationnelles et techniques d'exécution ;
   6° le projet prévoit ou améliore le désenclavement du bien protégé, du paysage patrimonial ou au moins d'une partie représentative de ceux-ci ;
   7° les actes prévus pour lesquels une prime est demandée sont mentionnés dans un plan de gestion approuvé.
   Le Gouvernement flamand peut clarifier les conditions de participation ou reprendre des conditions additionnelles dans l'appel.]1

  
Art. 11.4.2 /1. [1 De aanvraagdossiers die voldoen aan de deelnemingsvoorwaarden worden voor advies voorgelegd aan een jury.
   In de oproep bepaalt de Vlaamse Regering de nadere regels over de samenstelling, de werking en de organisatie van de jury. Het advies bevat minstens een evaluatie per aanvraagdossier op basis van de beoordelingscriteria en een rangschikking van de projecten.
   De jury beoordeelt de aanvraagdossiers op basis van de volgende beoordelingscriteria:
   1° de kwaliteit van het concept en de visie die aan de basis liggen van het project, in het algemeen en binnen het thema van de oproep;
   2° de maatschappelijke meerwaarde die de uitvoering van het project genereert;
   3° de kwaliteit van de uitvoering;
   4° het duurzame karakter en de voorbeeldfunctie van het project, in het algemeen en binnen het thema van de oproep;
   5° de mate waarin het project bijdraagt aan innovatie binnen de onroerenderfgoedzorg;
   6° de financiële en organisatorische haalbaarheid van het project;
   7° de proportionaliteit tussen de gevraagde middelen en het beoogde doel;
   8° de samenwerkingsgraad met relevante partners;
   9° de erkenning van het beschermde goed of het erfgoedlandschap als UNESCO-werelderfgoed of de opname op de indicatieve lijst met het oog op deze erkenning;
   10° de toekenning van een Europees erfgoedlabel of de voordracht om daarvoor in aanmerking te komen;
   11° de cofinanciering met dwingende voorwaarden;
   12° de ontsluiting van het beschermde goed, het erfgoedlandschap, of minstens een representatief deel ervan.
   In de oproep bepaalt de Vlaamse Regering het gewicht van de criteria en kan criteria verduidelijken of bijkomende criteria opnemen. Ze kan daarvoor eventuele bijkomende bewijsdocumenten bepalen in de dossiersamenstelling in de oproep vermeld in artikel 11.4.1.]1

  
Art. 11.4.2 /1. [1 Les dossiers de demande qui remplissent les conditions de participation sont soumis à un jury pour avis.
   Le Gouvernement flamand précise dans l'appel les modalités relatives à la composition, au fonctionnement et à l'organisation du jury. L'avis contient au moins une évaluation par dossier de demande basée sur les critères d'évaluation et un classement des projets.
   Le jury évalue les dossiers de demande en se fondant sur les critères d'évaluation suivants :
   1° la qualité du concept et de la vision qui sous-tendent le projet de manière générale et dans le thème de l'appel ;
   2° la plus-value sociale que génère l'exécution du projet ;
   3° la qualité de l'exécution ;
   4° la durabilité et le rôle d'exemple du projet de manière générale et dans le thème de l'appel ;
   5° la mesure dans laquelle le projet contribue à l'innovation dans la gestion du patrimoine immobilier ;
   6° la faisabilité financière et organisationnelle du projet ;
   7° la proportionnalité entre les moyens demandés et le but visé ;
   8° le degré de collaboration avec des partenaires pertinents ;
   9° la reconnaissance du bien protégé ou du paysage patrimonial comme patrimoine mondial de l'UNESCO ou son inscription sur la liste indicative en vue de cette reconnaissance ;
   10° l'octroi d'un label du patrimoine européen ou la proposition de candidature à ce label ;
   11° le cofinancement assorti de conditions contraignantes ;
   12° le désenclavement du bien protégé, du paysage patrimonial ou au moins d'une partie représentative de ceux-ci.
   Le Gouvernement flamand précise le poids des critères et peut clarifier les critères ou reprendre des critères additionnels dans l'appel. A cet effet, il peut stipuler d'éventuels documents justificatifs additionnels à intégrer dans la composition du dossier, visée à l'article 11.4.1, reprise dans l'appel.]1

  
Onderafdeling 2. [1 - Selectie van projecten die in aanmerking komen voor een meerjarenpremieovereenkomst]1
Sous-section 2. [1 - Sélection de projets éligibles à un accord de prime pluriannuel]1
Art. 11.4.3. [1 De premienemer dient uiterlijk op 1 juni van respectievelijk het tweede of vierde jaar van de legislatuur een aanvraagdossier voor een meerjarenpremieovereenkomst schriftelijk of via het daarvoor voorziene digitale platform bij het agentschap in.
   Het aanvraagdossier bevat minstens al de volgende documenten:
   1° een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier dat ter beschikking wordt gesteld op de website van het agentschap;
   2° een conceptnota waaruit blijkt dat het aanvraagdossier voldoet de deelnemingsvoorwaarden en beoordelingscriteria in de oproep;
   3° een globale kostenraming;
   4° een financieel plan dat aangeeft hoe de werken of diensten gefinancierd zullen worden;
   5° een gedetailleerd toestandsrapport;
   6° een faseringsplan dat afgestemd is op het beheersplan, waarbij in voorkomend geval de geplande werken of diensten op elkaar worden afgestemd;
   7° een rapport over de publieke toegankelijkheid voor, tijdens en na de werken of diensten en over de eventuele bestemming of herbestemming;
   8° in voorkomend geval, de bijkomende stukken vermeld in de dossiersamenstelling in de oproep.
   Het agentschap gaat na of het aanvraagdossier voldoet aan de deelnemingsvoorwaarden. Als niet is voldaan aan de deelnemingsvoorwaarden, brengt het agentschap de aanvrager hiervan schriftelijk of via het daarvoor voorziene digitale platform op de hoogte.
   De aanvraagdossiers die voldoen aan de deelnemingsvoorwaarden worden conform artikel 11.4.2/1 voor advies voorgelegd aan een jury.]1

  
Art. 11.4.3. [1 Au plus tard le 1er février de la deuxième ou quatrième année de la législature, le preneur de prime introduit un dossier de demande d'accord de prime pluriannuel auprès de l'agence par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet.
   Le dossier de demande comporte au moins tous les documents suivants :
   1° un formulaire de demande dûment complété et signé mis à disposition sur le site web de l'agence ;
   2° une note conceptuelle dont il ressort que le dossier de demande satisfait aux conditions de participation et aux critères d'évaluation de l'appel ;
   3° une estimation globale des frais ;
   4° un plan financier indiquant le mode de financement des travaux ou services ;
   5° un rapport de situation détaillé ;
   6° un plan de phasage adapté au plan de gestion, dans lequel les travaux ou services prévus sont coordonnés le cas échéant ;
   7° un rapport sur l'accessibilité au public avant, pendant et après les travaux ou services et sur l'éventuelle destination ou réaffectation ;
   8° le cas échéant, les pièces additionnelles énumérées dans la composition du dossier reprise dans l'appel.
   L'agence vérifie si le dossier de demande remplit les conditions de participation. Si les conditions de participation ne sont pas remplies, l'agence en informe le demandeur par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet.
   Les dossiers de demande qui satisfont aux conditions de participation conformément à l'article 11.4.2/1 sont soumis à un jury pour avis.]1

  
Art. 11.4.4. [1 De Vlaamse Regering beslist op basis van het juryadvies vermeld in artikel 11.4.3, vierde lid uiterlijk op 1 oktober van respectievelijk het tweede of vierde jaar van de legislatuur welke projecten in aanmerking komen voor een meerjarenpremieovereenkomst. Het agentschap brengt de aanvragers schriftelijk of via het daarvoor voorziene digitale platform op de hoogte van de beslissing.]1
  
Art. 11.4.4. [1 Au plus tard le 1er octobre de la deuxième ou de la quatrième année de législature, le Gouvernement flamand décide, sur la base de l'avis rendu par le jury visé à l'article 11.4.3, alinéa 4, quels projets sont éligibles à un accord de prime pluriannuel. L'agence informe les demandeurs de la décision par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet.]1
  
Art. 11.4.5. [1 Een meerjarenpremieovereenkomst kan eenmalig met maximaal 5 jaar verlengd worden door de Vlaamse Regering. De premienemer richt daartoe voor het verstrijken van de uitvoeringstermijn vermeld in de meerjarenpremieovereenkomst schriftelijk of via het daarvoor voorziene digitale platform een gemotiveerd verzoek aan het agentschap, samen met een aangepast premiedossier zoals vermeld in artikel 11.4.3, tweede lid.]1
  
Art. 11.4.5. [1 Le Gouvernement flamand peut proroger un accord de prime pluriannuel une seule fois de 5 ans maximum. A cet effet, le preneur de prime adresse à l'agence, avant l'expiration du délai d'exécution visé dans l'accord de prime pluriannuel, une requête motivée conjointement avec un dossier de prime adapté tel que visé à l'article 11.4.3, alinéa 2, par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet.]1
  
Onderafdeling 3. - Inhoud van een meerjarenpremieovereenkomst
Sous-section 3. - Contenu d'un accord de prime pluriannuel
Art. 11.4.6. In de meerjarenpremieovereenkomst wordt de fasering van het overheidsengagement en de termijn van indiening van het einddossier vastgelegd.
  De Vlaamse Regering kan in de meerjarenpremieovereenkomst onder andere voorwaarden opleggen met betrekking tot:
  1° de indiening van premiedossiers, met het oog op de periodieke uitbetaling van voorschotten, overeenkomstig de vastgelegde fasering;
  2° het maximale bedrag dat jaarlijks in aanmerking kan worden genomen voor de berekening van de premie;
  3° de rapportering over de voortgang van de [1 werken of diensten]1;
  4° de publieke toegankelijkheid tijdens en na de uitvoering van de [1 werken of diensten]1;
  5° de uitvoering van het beheersplan.
  De minister kan de voorwaarden nader omschrijven of uitbreiden.
  
Art. 11.4.6. Dans l'accord de prime pluriannuel, l'étalement en phases de l'engagement public et le délai d'introduction du dossier final sont fixés.
  Dans l'accord de prime pluriannuel, le Gouvernement flamand peut entre autres imposer des conditions concernant :
  1° l'introduction de dossiers de prime, en vue du paiement périodique d'avances, conformément à l'étalement en phases fixé ;
  2° le montant maximal qui peut être pris en considération annuellement pour le calcul de la prime ;
  3° les rapports sur l'avancement des [1 travaux ou services]1 ;
  4° l'accessibilité publique pendant et après l'exécution des [1 travaux ou services]1 ;
  5° l'exécution du plan de gestion.
  Le Ministre peut décrire plus en détail ou étendre les conditions.
  
Onderafdeling 4. - Bijdragen in het kader van een meerjarenpremieovereenkomst
Sous-section 4. - Contributions dans le cadre d'un accord de prime pluriannuel
Art. 11.4.7. De financiële bijdrage van het Vlaamse Gewest in het kader van een meerjarenpremieovereenkomst wordt berekend overeenkomstig de bepalingen van de erfgoedpremie [1 via oproep met toepassing van de premiepercentages vermeld in afdeling 2, onderafdeling 5 van dit hoofdstuk]1, eventueel rekening houdend met het bedrag dat in de meerjarenpremieovereenkomst voor een jaarlijkse fase als maximale berekeningsbasis vermeld wordt.
  
Art. 11.4.7. La contribution financière de la Région flamande dans le cadre d'un accord de prime pluriannuel est calculée conformément aux dispositions de la [1 prime au patrimoine par appel avec application des pourcentages de prime visés à la section 2, sous-section 5, du présent chapitre]1, tenant compte éventuellement du montant qui est mentionné dans l'accord de prime pluriannuel comme base de calcul maximale pour une phase annuelle.
  
Onderafdeling 5. - Dossier per fase
Sous-section 5. - Dossier par phase
Art. 11.4.8. Voor de premienemer start met de [2 werken of diensten]2 die aan een bepaalde fase verbonden zijn, dient hij een dossier in overeenkomstig de voorwaarden, vermeld in de meerjarenpremieovereenkomst.
  [2 Als het dossier onvolledig wordt bevonden of als de waarborgen voor een vakkundige uitvoering onvoldoende worden geacht, meldt het agentschap schriftelijk of via het daarvoor voorziene digitale platform in welke zin het dossier moet worden aangepast of aangevuld om voor goedkeuring in aanmerking te komen. Een nieuwe aanvraag moet aan die opmerkingen tegemoetkomen.]2
  
Art. 11.4.8. Avant que le preneur de prime commence les [2 travaux ou services]2 qui sont liés à une certaine phase, il introduit un dossier conformément aux conditions, visées à l'accord de prime pluriannuel.
  [2 Si le dossier est jugé incomplet ou si les garanties d'une exécution dans les règles de l'art sont jugées insuffisantes, l'agence indique, par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet, dans quel sens le dossier doit être adapté ou complété pour faire l'objet d'une approbation. Une nouvelle demande doit tenir compte de ces remarques.]2
  
Art. 11.4.9. [1 Het dossier vermeld in artikel 11.4.8 kan gelijktijdig ingediend worden met de aanvraag van de toelating voor de geplande handelingen. Het agentschap stelt hiervoor op de website een gecombineerd aanvraagformulier ter beschikking. Een dergelijke gecombineerde aanvraag wordt schriftelijk of via het daarvoor voorziene digitale platform ingediend bij het agentschap.
   In afwijking van artikel 6.3.5, eerste lid, wordt de behandelingstermijn verlengd tot de datum van de beslissing vermeld in het vierde lid.
   In voorkomend geval stuurt het agentschap een kopie van de aanvraag en de bijhorende documenten door naar de onroerenderfgoedgemeente binnen een termijn van vijf dagen, die ingaat op de dag na de indiening van de aanvraag.
   Als het agentschap akkoord gaat met het ingediende dossier, wordt dat schriftelijk of via het daarvoor voorziene digitale platform meegedeeld aan de premienemer, in voorkomend geval, samen met de beslissing van het agentschap over de toelating voor de aangevraagde werken of diensten.]1

  
Art. 11.4.9. [1 Le dossier visé à l'article 11.4.8 peut être introduit en même temps que la demande d'autorisation pour les actes prévus. A cet effet, l'agence met un formulaire de demande combiné à disposition sur le site web. Une telle demande combinée est introduite auprès de l'agence par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet.
   Par dérogation à l'article 6.3.5, alinéa 1er, le délai de traitement est allongé jusqu'à la date de la décision visée à l'alinéa 4.
   Le cas échéant, l'agence transfère une copie de la demande et les documents y afférents à la commune du patrimoine immobilier dans le délai de cinq jours prenant cours le lendemain de l'introduction de la demande.
   Si l'agence est d'accord avec le dossier introduit, elle en informe le preneur de prime par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet conjointement, le cas échéant, avec la décision de l'agence au sujet de l'autorisation pour les travaux ou services demandés.]1

  
Art. 11.4.10. De premienemer brengt het agentschap minstens vijftien dagen voor de aanvang van de werken [1 schriftelijk of via het daarvoor voorziene digitale platform]1 op de hoogte van de start ervan en van de vastgelegde uitvoeringstermijn.
  
Art. 11.4.10. Le preneur de prime met l'agence au courant du début et du délai d'exécution, au moins quinze jours avant le début des travaux, [1 par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet]1.
  
Onderafdeling 6. - Voorschotten
Sous-section 6. - Avances
Art. 11.4.11. De bijdrage van het Vlaamse Gewest voor een bepaalde fase kan als voorschot aan de premienemer worden uitbetaald. De premienemer dient daarvoor [1 voor 1 september van het desbetreffende jaar]1 [2 schriftelijk of via het daarvoor voorziene digitale platform een verzoek in]2 tot uitbetaling van de middelen die voor dat jaar vastgelegd zijn bij het agentschap. Na de ontvangst van dat verzoek, en na het akkoord van het agentschap, zal de bijdrage van het Vlaamse Gewest die voor de desbetreffende fase is vastgelegd, integraal als voorschot uitbetaald worden.
  
Art. 11.4.11. La contribution de la Région flamande pour une certaine phase peut être payée au preneur de prime comme avance. A cet effet, le preneur de prime introduit [1 avant le 1er septembre de l'année concernée]1, [2 par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet, une demande de]2 paiement des ressources fixées pour cette année auprès de l'agence. Après la réception de cette demande, et après l'accord de l'agence, la contribution de la Région flamande fixée pour la phase concernée sera payée intégralement comme avance.
  
Art. 11.4.12. Voor de laatste fase uit de [2 meerjarenpremieovereenkomst]2 kan [1 alleen een voorschot van 50%]1 gevraagd worden. Het agentschap gaat pas over tot de uitbetaling van [1 het resterende saldo]1 na een volledige controle van het einddossier, dat ingediend moet worden door de premienemer na afloop van de [2 werken of diensten]2 en binnen de termijn die daarvoor vastgesteld is in de [2 meerjarenpremieovereenkomst]2.
  Als de premienemer nalaat een einddossier in te dienen binnen de daarvoor vastgelegde termijn in de [2 meerjarenpremieovereenkomst]2, kan het agentschap de reeds uitbetaalde voorschotten terugvorderen.
  
Art. 11.4.12. Pour la dernière phase de l'accord de prime pluriannuel, [1 uniquement une avance de 50%]1 ne peut être demandée. L'agence ne procède au paiement [1 du solde restant]1 qu'après un contrôle complet du dossier final, qui doit être introduit par le preneur de prime [2 à l'issue des travaux ou services]2 et dans le délai qui est fixé à cet effet dans [2 l'accord de prime pluriannuel]2.
  Lorsque le preneur de prime néglige d'introduire un dossier final dans le délai fixé à cet effet dans [2 l'accord de prime pluriannuel]2, l'agence peut recouvrer les avances déjà payées.
  
Onderafdeling 7. - Einddossier en definitieve bijdrage
Sous-section 7. - Dossier final et contribution définitive
Art. 11.4.13. De samenstelling van het einddossier wordt omschreven in de meerjarenpremieovereenkomst en omvat minstens:
  1° een gedetailleerd overzicht van alle uitgevoerde [1 werken of diensten]1;
  2° een afrekening die postgewijs gerelateerd is aan de kostenraming;
  3° betalingsbewijzen die aantonen dat de [1 werken of diensten]1 volledig betaald zijn.
  
Art. 11.4.13. La composition du dossier final est décrite dans l'accord de prime pluriannuel et comprend au moins :
  1° un aperçu détaillé de tous les [1 travaux ou services]1 ;
  2° un règlement, qui est relié à l'estimation des frais selon le poste ;
  3° des preuves de paiement qui démontrent que le paiement des [1 travaux ou services]1 est effectué en entier.
  
Art. 11.4.14. Na de controle van het einddossier legt het agentschap de definitieve bijdrage van het Vlaamse Gewest vast, overeenkomstig artikel 11.2.37 tot en met artikel 11.2.39 en gaat het over tot uitbetaling. Als op basis van deze controle blijkt dat de totale bijdrage van het Vlaamse Gewest lager ligt dan het oorspronkelijk geraamde bedrag, dan zal de bijdrage voor de laatste fase naar verhouding worden verminderd, of zullen eventueel te veel uitgekeerde bijdragen worden teruggevorderd.
  [1 ...]1
  De uiteindelijke bijdrage van het Vlaamse Gewest kan niet hoger liggen dan het bedrag dat bij de ondertekening van de meerjarenpremieovereenkomst werd overeengekomen.
  Als de bijdrage van het Vlaamse Gewest wordt aangepast overeenkomstig dit artikel, wordt een afrekening [3 schriftelijk of via het daarvoor voorziene digitale platform]3 ter kennis gebracht van de premienemer.
  
Art. 11.4.14. Après le contrôle du dossier final, l'agence fixe la contribution définitive de la Région flamande, conformément aux articles 11.2.37 à 11.2.39 inclus et procède au paiement. Lorsqu'il s'avère, sur la base de ce contrôle, que la contribution totale de la Région flamande est inférieure que le montant initial estimé, la contribution pour la dernière phase sera réduite proportionnellement, ou les contributions éventuellement payées en trop seront recouvrées.
  [1 ...]1
  La contribution finale de la Région flamande ne peut pas être supérieure au montant qui a été convenu lors de la signature de l'accord de prime pluriannuel.
  Lorsque la contribution de la Région flamande est adaptée conformément au présent article, un règlement est porté à la connaissance du preneur de prime, [3 par écrit ou via la plate-forme numérique prévue à cet effet]3.
  
Onderafdeling 8. - Bijkomende erfgoedpremie
Sous-section 8. - Prime du patrimoine supplémentaire
Art. 11.4.15. Gedurende de looptijd van een meerjarenpremieovereenkomst voor grote of langdurige werkzaamheden aan of in beschermde goederen of in erfgoedlandschappen kunnen geen andere erfgoedpremies toegekend worden voor de desbetreffende beschermde goederen of erfgoedlandschappen, of de delen ervan die het voorwerp vormen van de overeenkomst.
  [1 ...]1
  
Art. 11.4.15. Pendant la durée de l'accord de prime pluriannuel pour des grands travaux ou des travaux de longue durée à ou dans des biens protégés ou dans des paysages patrimoniaux, aucune autre prime du patrimoine ne peut être octroyée pour les biens protégés ou paysages patrimoniaux concernés, ou les parties qui font l'objet de l'accord.
  [1 ...]1
  
Afdeling 5. - Kwaliteit
Section 5. - Qualité
Art. 11.5.1. De premienemer is verantwoordelijk voor het bewaken van de kwaliteit bij de uitvoering van de [1 werken of diensten]1.
  
Art. 11.5.1. Le preneur de prime est responsable pour le contrôle de la qualité lors de l'exécution des [1 travaux ou services]1.
  
Art. 11.5.2. Als een erfgoedpremie van meer dan 50 % volgens de [1 procedure via oproep]1 of een onderzoekspremie [1 of een premie op basis van een meerjarenpremieovereenkomst]1 aangevraagd wordt, gelden de volgende bepalingen:
  1° bij de aanstelling van ontwerpers en uitvoerders wordt minstens rekening gehouden met de volgende elementen:
  a) de relevante studie- en beroepskwalificaties;
  b) de algemene deskundigheid met betrekking tot de specifieke projectopdracht;
  c) een vermelding van het gedeelte van de opdracht dat de ontwerper of uitvoerder minstens in eigen beheer zal uitvoeren;
  2° de ontwerpopdracht houdende de opmaak van beheersplannen, de voorafgaande onderzoeken, en de [1 werken of diensten]1 aan beschermde goederen en erfgoedlandschappen wordt minstens gegund op basis van de volgende gunningscriteria:
  a) een conceptnota, met omschrijving van de aanpak en de methodologie van de opdracht;
  b) de aanpak inzake duurzaamheid;
  c) de vermelding van welke diensten voor welk ereloon geleverd zullen worden;
  d) als dat van toepassing is: de visie op de werfopvolging.
  
Art. 11.5.2. Lorsqu'une prime du patrimoine de plus de 50 % selon la [1 procédure par appel]1 ou une prime de recherche [1 ou une prime basée sur un accord de prime pluriannuel]1 est demandée, les dispositions suivantes s'appliquent :
  1° lors de la désignation de concepteurs et d'exécutants, il est au moins tenu compte des éléments suivants :
  a) les qualifications d'études et professionnelles pertinentes ;
  b) l'expertise générale relative à l'ordre de projet spécifique ;
  c) une mention de la partie de l'ordre que le concepteur ou exécutant exécutera au moins en propre gestion ;
  2° le projet d'ordre portant l'établissement de plans de gestion, les examens préliminaires, et les [1 travaux ou services]1 à des biens protégés et paysages patrimoniaux est au moins adjugé sur la base des critères d'adjudication suivants :
  a) une note conceptuelle, avec une description de l'approche et de la méthodologie de l'ordre ;
  b) l'approche en matière de durabilité ;
  c) la mention des services qui seront fournis, et les honoraires y afférents ;
  d) si d'application : la vision sur le suivi de chantier.
  
Art. 11.5.3. In geval van onderaanneming voor gespecialiseerde werkzaamheden moet de aannemer aan wie de opdracht is toegewezen per specialiteit schriftelijk aan de opdrachtgever minstens drie onderaannemers opgeven en de garantie bieden dat met één van hen gewerkt zal worden. Die onderaannemers zijn onderworpen aan dezelfde criteria met betrekking tot de algemene deskundigheid en studie- en beroepskwalificaties als de uitvoerders.
  Van het aantal, vermeld in het eerste lid, kan, door de premienemer of de ontwerper, gemotiveerd afgeweken worden.
  Als tijdens de uitvoering van de opdracht alle opgegeven onderaannemers verhinderd zijn ingevolge duidelijke overmacht, geeft de aannemer schriftelijk een nieuwe onderaannemer op. Die onderaannemer is onderworpen aan dezelfde criteria met betrekking tot de algemene deskundigheid en studie- en beroepskwalificaties als de uitvoerder. De opdrachtgever beslist over de aanvaarding van de onderaannemers.
Art. 11.5.3. En cas de sous-traitance pour des travaux spécialisés, l'entrepreneur de construction à qui l'ordre est adjugé doit indiquer au donneur d'ordre, par écrit, au moins trois sous-traitants par spécialité et garantir que le travail sera effectué par l'un d'entre eux. Ces sous-traitants sont soumis aux mêmes critères relatifs à l'expertise générale et qualifications d'études et professionnelles que les exécutants.
  Le preneur de prime ou le concepteur peut déroger, de manière motivée, au nombre, visé à l'alinéa premier.
  Lorsque, pendant l'exécution de l'ordre, tous les sous-traitants indiqués sont empêchés en raison de force majeure manifeste, l'entrepreneur de construction indique un nouveau sous-traitant par écrit. Ce sous-traitant est soumis aux mêmes critères relatifs à l'expertise générale et qualifications d'études et professionnelles que l'exécutant. Le donneur d'ordre décide de l'acceptation des sous-traitants.
Art. 11.5.4. In de overeenkomst, die gesloten is tussen de premienemer en de uitvoerder van de [1 werken of diensten]1 of voorafgaande onderzoeken, moet uitdrukkelijk worden bepaald dat de uitvoerder verplicht is een register bij te houden van de [1 werken of diensten]1 die hij door onderaannemers laat uitvoeren.
  
Art. 11.5.4. Dans l'accord, qui est conclu entre le preneur de prime et l'exécutant des [1 travaux ou services]1 ou des examens préliminaires, il doit être fixé explicitement que l'exécutant est obligé de tenir un registre des [1 travaux ou services]1 qu'il fait exécuter par des sous-traitants.
  
Afdeling 6. - Terugbetaling van premies
Section 6. - Remboursement de primes
Art. 11.6.1. Een premienemer die afwijkt van de voorwaarden van dit hoofdstuk verliest, voor het gecontesteerde deel van de opdracht, het recht op de premie die aan hem is toegekend, en is in voorkomend geval verplicht voor dat deel van de opdracht alle reeds uitgekeerde bedragen, verhoogd met de wettelijke intrest, terug te betalen. Het agentschap brengt de premienemer daarvan [1 schriftelijk]1 op de hoogte.
  
Art. 11.6.1. Un preneur de prime qui déroge aux conditions du présent chapitre perd, pour la partie contestée de l'ordre, le droit à la prime qui lui est octroyée, et est, le cas échéant, obligé, pour cette partie de l'ordre, de rembourser tous les montants déjà payés, majorés des intérêts légaux. L'agence en met au courant le preneur de prime [1 par écrit]1.
  
Art. 11.6.2. Als erfgoedpremies uitgekeerd zijn om schade te herstellen die het gevolg is van een misdrijf of inbreuk als vermeld in het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, kunnen ze [1 door het agentschap of de inspecteur Onroerend Erfgoed]1 worden teruggevorderd van diegenen die door hun deelname aan het misdrijf of de inbreuk die schade mee hebben veroorzaakt.
  
Art. 11.6.2. Lorsque des primes du patrimoine sont payées pour réparer des dommages qui sont la conséquence d'un délit tel que visé ou d'une infraction telle que visée au décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, elles peuvent être recouvrées [1 par l'agence ou l'inspecteur du Patrimoine immobilier]1 des personnes qui, par leur participation au délit ou à l'infraction, ont contribué à causer les dommages.
  
Afdeling 7. - [1 Premie buitensporige opgravingskosten]1
Section 7. - [1 Prime pour frais de fouilles excessifs]1
Onderafdeling 1. - [1 Archeologische opgravingen waarvoor geen premie voor buitensporige opgravingskosten wordt toegekend]1
Sous-section 1. - [1 Fouilles archéologiques pour lesquelles aucune prime pour frais de fouilles excessifs n'est octroyée]1
Art. 11.7.1. [1 In de volgende gevallen wordt er geen premie voor buitensporige opgravingskosten toegekend voor archeologische opgravingen bij projecten die vallen onder het toepassingsgebied van artikel 5.4.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013:
   1° het is een project in opdracht van de Vlaamse overheid, de Belgische staat, een federale instelling, een andere deelstaat, een provincie, autonoom provinciebedrijf, een provinciaal extern verzelfstandigd agentschap, een gemeente, een autonoom gemeentebedrijf, een intergemeentelijk samenwerkingsverband, een OCMW, een welzijnsvereniging, een sociale huisvestingsmaatschappij;
   2° het is een project in opdracht van een nutsbedrijf of van een beheerder van distributienetten, -netwerken of infrastructuur voor openbare nutsvoorzieningen;
   3° de opdrachtgever van het project behoort tot de vastgoedsector;
   4° het is een project waarbij er een overeenkomst werd gesloten tot eigendomsovergang van een te bouwen, of in aanbouw zijnde huis of appartement, mits het huis of het appartement tot huisvesting of tot beroepsdoeleinden en huisvesting is bestemd en de koper of de opdrachtgever volgens de overeenkomst verplicht is vóór de voltooiing van het gebouw een of meer stortingen te doen.]1

  
Art. 11.7.1. [1 Dans les cas suivants, aucune prime pour frais de fouilles excessifs ne peut être octroyée pour des fouilles archéologiques lors de projets relevant du champ d'application de l'article 5.4.1 du décret relatif au patrimoine immobilier :
   1° il s'agit d'un projet commandé par l'Autorité flamande, l'Etat belge, une institution fédérale, une autre entité fédérée, une province, une régie provinciale autonome, une agence autonomisée externe provinciale, une commune, une régie communale autonome, une structure de coopération intercommunale, un CPAS, une association d'aide sociale, une société de logement social ;
   2° il s'agit d'un projet commandé par une entreprise de service public ou un opérateur de réseaux de distribution, de réseaux ou d'infrastructures pour équipements d'utilité publique ;
   3° le donneur d'ordre appartient au secteur de l'immobilier ;
   4° il s'agit d'un projet dans le cadre duquel une convention a été conclue pour le transfert de propriété d'une habitation ou d'un appartement à construire ou en voie de construction, à condition que l'habitation ou l'appartement soit affecté(e) au logement ou à des fins professionnelles, et que l'acheteur ou le donneur d'ordre soit tenu, selon la convention, d'effectuer un ou plusieurs versements avant l'achèvement du bâtiment.]1

  
Onderafdeling 2. - [1 Archeologische opgravingen waarvoor een premie voor buitensporige opgravingskosten kan worden aangevraagd]1
Sous-section 2. - [1 Fouilles archéologiques pour lesquelles une prime pour frais de fouilles excessifs peut être demandée]1
Art. 11.7.2. [1 Binnen de perken van de daarvoor op de begroting van de Vlaamse Gemeenschap beschikbare kredieten kan een premie voor buitensporige opgravingskosten worden toegekend.]1
  
Art. 11.7.2. [1 Dans les limites des crédits disponibles à cet effet au budget de la Communauté flamande, une prime pour frais de fouilles excessifs peut être octroyée.]1
  
Art. 11.7.3. [1 Een premie voor buitensporige opgravingskosten kan worden toegekend voor archeologische opgravingen bij projecten die vallen onder het toepassingsgebied van artikel 5.4.1 van het Onroerenderfgoeddecreet [3 ...]3.
  Om in aanmerking te komen voor een premie voor buitensporige opgravingskosten:
  1° moet de archeologische opgraving uitgevoerd zijn overeenkomstig het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, dit besluit en de omschrijving in de [2 archeologienota of nota waarvan akte genomen is]2;
  2° [3 mag de premienemer]3 de laatste tien jaar bij definitieve gerechtelijke of bestuurlijke beslissing niet schuldig bevonden zijn aan deelname aan een inbreuk of een misdrijf als vermeld in het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium, het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg, het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, dit besluit of erfgoedwetgeving van een lidstaat van de Europese Unie.
  [2 ...]2
  
Art. 11.7.3. [1 Une prime pour frais de fouilles excessifs peut être octroyée pour des fouilles archéologiques lors de projets relevant du champ d'application de l'article 5.4.1 du Décret relatif au patrimoine immobilier [3 ...]3.
  Pour être éligible à une prime pour frais de fouilles excessifs :
  1° la fouille archéologique doit être exécutée conformément au Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, au présent arrêté et à la description dans [2 la note archéologique ou la note dont il a été pris acte]2 ;
  2° [3 le preneur de prime ne peut pas, au cours des dix dernières années, avoir été jugé coupable]3 par décision définitive judiciaire ou administrative de participation à une infraction ou à un délit tel que visé au décret du 3 mars 1976 réglant la protection des monuments et des sites urbains et ruraux, au décret du 30 juin 1993 portant protection du patrimoine archéologique, au décret du 16 avril 1996 relatif à la protection des sites ruraux, au Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, au présent arrêté ou à la législation en matière de patrimoine d'un Etat membre de l'Union européenne.
  [2 ...]2]1

  
Onderafdeling 3. - [1 Bedrag van de premie voor buitensporige opgravingskosten]1
Sous-section 3. - [1 Montant de la prime pour frais de fouilles excessifs]1
Art. 11.7.4. [1 De premie voor buitensporige opgravingskosten wordt berekend door de variabelen die overeenstemmen met de aangetroffen toestand, toe te passen op de forfaitaire basiskosten, verminderd met een franchise, en dat bedrag te vermenigvuldigen met 80%.
   De minister stelt de forfaitaire basiskosten, de variabelen en de franchise vast. Voor de berekening van de premie voor buitensporige opgravingskosten zijn de forfaitaire basiskosten, de variabelen en de franchise van toepassing die golden op het moment van de aanvang van de archeologische opgraving.
   In dit artikel wordt verstaan onder franchise: de niet-betoelaagbare eerste schijf van de kosten van de verplicht uit te voeren archeologische opgraving.]1

  
Art. 11.7.4. [1 La prime pour frais de fouille excessifs est calculée en appliquant les variables correspondant à la situation constatée, aux frais de base forfaitaires, diminuée d'une franchise, et en multipliant ce montant par 80%.
   Le Ministre arrête les frais de base forfaitaires, les variables et la franchise. Pour le calcul de la prime pour frais de fouille excessifs, les frais de base forfaitaires, les variables et la franchise qui étaient applicables au moment du début des fouilles archéologiques, s'appliquent.
   Dans le présent article, on entend par franchise : la première tranche non subventionnable des frais des fouilles archéologiques à exécuter obligatoirement.]1

  
Art. 11.7.5. [1 De archeologische opgraving mag ook gefinancierd worden met andere overheidsbijdragen. De gezamenlijke overheidsbijdragen, met inbegrip van eventuele Europese middelen, kunnen evenwel niet meer bedragen dan het product van de forfaitaire basiskosten en de variabelen die overeenstemmen met de aangetroffen toestand, zoals vastgesteld door de minister.]1
  
Art. 11.7.5. [1 La fouille archéologique peut également être financée par d'autres contributions publiques. L'ensemble des contributions publiques, y compris les moyens européens éventuels, ne peut cependant pas être supérieur au produit des frais de base forfaitaires et des variables correspondant à la situation constatée, tel que fixé par le Ministre.]1
  
Onderafdeling 4. - [1 Aantal premies voor buitensporige opgravingskosten per verplicht uit te voeren archeologische opgraving]1
Sous-section 4. - [1 Nombre de primes pour frais de fouilles excessifs par fouille archéologique à exécuter obligatoirement]1
Art. 11.7.6. [1 In het kader van een verplicht uit te voeren archeologische opgraving kan hoogstens één premie voor buitensporige opgravingskosten toegekend worden.]1
  
Art. 11.7.6. [1 Dans le cadre d'une fouille archéologique à exécuter obligatoirement, au maximum une seule prime pour frais de fouilles excessifs peut être octroyée.]1
  
Onderafdeling 5. - [1 Aanvragen van een premie voor buitensporige opgravingskosten]1
Sous-section 5. - [1 Demandes d'une prime pour frais de fouilles excessifs]1
Art. 11.7.7. [1 Een premienemer dient de aanvraag voor een premie voor buitensporige opgravingskosten in bij het agentschap.
  Het aanvraagdossier bevat een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier dat ter beschikking wordt gesteld op de website van het agentschap.
  De minister kan de nadere regels voor de inhoud van het aanvraagdossier bepalen.]1

  
Art. 11.7.7. [1 Le preneur de prime introduit la demande d'une prime pour frais de fouilles excessifs auprès de l'agence.
  Le dossier de demande comprend un formulaire de demande dûment rempli et signé, qui est mis à disposition sur le site web de l'agence.
  Le Ministre peut arrêter les modalités du contenu du dossier de demande.]1

  
Art. 11.7.8. [1 De premie voor buitensporige opgravingskosten kan aangevraagd worden vanaf de indiening van het archeologierapport tot 120 dagen erna.]1
  
Art. 11.7.8. [1 La prime pour frais de fouilles excessifs peut être demandée à partir de l'introduction du rapport archéologique jusqu'à 120 jours après.]1
  
Onderafdeling 6. - [1 Vastlegging en uitbetaling van de premie voor buitensporige opgravingskosten]1
Sous-section 6. - [1 Fixation et paiement de la prime pour frais de fouilles excessifs]1
Art. 11.7.9. [1 Het agentschap gaat na of de aanvraag voldoet aan artikel 11.7.7. Als de aanvraag onvolledig is, kan het agentschap binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de dag waarop de aanvraag is ingediend, de aanvrager schriftelijk vragen om de ontbrekende gegevens of documenten bij de aanvraag te voegen, en de termijn bepalen waarbinnen dat moet gebeuren.
   Het agentschap beslist over de aanvraag binnen een termijn van negentig dagen, die ingaat op de dag na de dag waarop de volledige aanvraag is ontvangen. De aanvrager wordt hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.
   In geval van akkoord wordt de premie voor buitensporige opgravingskosten vastgelegd, waarna een afschrift van dit besluit schriftelijk aan de aanvrager wordt bezorgd en het agentschap overgaat tot de uitbetaling van de premie.]1

  
Art. 11.7.9. [1 L'agence vérifie si la demande satisfait à l'article 11.7.7. Si la demande est incomplète, l'agence peut demander au demandeur par écrit et dans un délai de trente jours, qui prend cours le jour après l'introduction de la demande, d'ajouter les données ou documents manquants à la demande et définir le délai endéans lequel ceci doit être effectué.
   L'agence décide de la demande dans un délai de nonante jours, qui prend cours le jour après le jour auquel la demande complète a été reçue. Le demandeur en est informé par écrit.
   En cas d'accord, la prime pour frais de fouilles excessifs est fixée, une copie de cette décision est transmise au demandeur par écrit et l'agence procède au paiement de la prime.]1

  
Art. 11.7.10. [1 De vastlegging of de uitbetaling van een aangevraagde premie voor buitensporige opgravingskosten zal worden opgeschort als de premienemer tijdens de archeologische opgraving of na afloop ervan beschuldigd wordt van deelname aan een inbreuk of een misdrijf als vermeld in artikel 11.2.2 en 11.2.4, § 1, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.
  Het recht op een premie voor buitensporige opgravingskosten vervalt definitief als de premienemer bij definitieve gerechtelijke of bestuurlijke beslissing schuldig bevonden wordt aan een deelname aan de inbreuk of het misdrijf, vermeld in het eerste lid. Ten onrechte uitgekeerde bedragen zullen in dat geval ook teruggevorderd worden.]1

  
Art. 11.7.10. [1 La fixation ou le paiement d'une prime demandée pour frais de fouilles excessifs sera suspendu(e) si le preneur de prime est accusé, pendant ou à l'issue des fouilles archéologiques, de participation à une infraction ou à un délit tel que visé aux articles 11.2.2 et 11.2.4, § 1er, du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013.
  Le droit à une prime pour frais de fouilles excessifs échoit définitivement lorsque le preneur de prime est jugé coupable par décision définitive judiciaire ou administrative de participation à l'infraction ou au délit, visé à l'alinéa premier. Dans ce cas, les montants indûment payés seront également recouvrés.]1

  
Afdeling 8. - [1 Toelage voor een erkend archeologisch solidariteitsfonds]1
Section 8. - [1 Allocation pour un fonds de solidarité archéologique agréé]1
Onderafdeling 1. - [1 Erkenning als archeologisch solidariteitsfonds]1
Sous-section 1. - [1 Agrément comme fonds de solidarité archéologique]1
Art. 11.8.1. [1 De minister sluit met een archeologisch solidariteitsfonds een overeenkomst als vermeld in artikel 10.3.4 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.
  De overeenkomst bevat minstens de volgende gegevens:
  1° de berekeningswijze van de bijdrage van de leden aan het archeologisch solidariteitsfonds;
  2° de voorwaarden voor de vergoeding van de leden;
  3° de doelstellingen van het archeologisch solidariteitsfonds;
  4° de doelgroep van het archeologisch solidariteitsfonds;
  5° de duur van de overeenkomst.]1

  
Art. 11.8.1. [1 Le Ministre conclut une convention telle que visée à l'article 10.3.4 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 avec un fonds de solidarité archéologique.
  Cette convention comprend au moins les données suivantes :
  1° le mode de calcul de la contribution des membres au fonds de solidarité archéologique ;
  2° les conditions pour l'indemnisation des membres ;
  3° les objectifs du fonds de solidarité archéologique ;
  4° le groupe-cible du fonds de solidarité archéologique ;
  5° la durée de la convention.]1

  
Art. 11.8.2. [1 De minister erkent overeenkomstig artikel 10.3.4 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 het archeologisch solidariteitsfonds nadat de overeenkomst, vermeld in artikel 11.8.1 van dit besluit, gesloten is.]1
  
Art. 11.8.2. [1 Conformément à l'article 10.3.4 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, le Ministre agrée le fonds de solidarité archéologique après la conclusion de la convention, visée à l'article 11.8.1 du présent arrêté.]1
  
Art. 11.8.3. [1 De erkenning gaat in op de datum van het besluit tot erkenning van het archeologisch solidariteitsfonds.]1
  
Art. 11.8.3. [1 L'agrément prend cours à la date de l'arrêté portant agrément du fonds de solidarité archéologique.]1
  
Art. 11.8.4. [1 De erkenning als archeologisch solidariteitsfonds wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.]1
  
Art. 11.8.4. [1 L'agrément comme fonds de solidarité archéologique est publié par extrait au Moniteur belge.]1
  
Art. 11.8.5. [1 Een erkenning als archeologisch solidariteitsfonds is van onbepaalde duur en geldt zolang aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 10.3.4 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, voldaan wordt.]1
  
Art. 11.8.5. [1 Un agrément comme fonds de solidarité archéologique est d'une durée indéterminée et vaut tant que les conditions d'agrément, visées à l'article 10.3.4 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 sont remplies.]1
  
Onderafdeling 2. - [1 De betoelaging van erkende archeologische solidariteitsfondsen]1
Sous-section 2. - [1 Le subventionnement de fonds de solidarité archéologiques agréés]1
Art. 11.8.6. [1 De minister kan overeenkomstig de bepalingen van dit besluit en binnen de perken van de daarvoor op de begroting van de Vlaamse Gemeenschap beschikbare kredieten een toelage toekennen aan een erkend archeologisch solidariteitsfonds.]1
  
Art. 11.8.6. [1 Conformément aux dispositions du présent arrêté et dans les limites des crédits affectés à cet effet au budget de la Communauté flamande, le Ministre peut octroyer une subvention à un fonds de solidarité archéologique agréé.]1
  
Art. 11.8.7. [1 Een erkend archeologisch solidariteitsfonds kan daarvoor bij het agentschap uiterlijk op 1 april van elk jaar [2 schriftelijk]2 een aanvraag indienen.
  De aanvraag van een toelage bevat minstens de volgende elementen:
  1° een identificatie van het erkende archeologisch solidariteitsfonds;
  2° een lijst van de leden, aangesloten bij het archeologisch solidariteitsfonds op 31 december van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend;
  3° een begroting;
  4° vanaf het tweede werkingsjaar van het erkend archeologisch solidariteitsfonds, een jaarrapport van de werking van het archeologisch solidariteitsfonds van het voorafgaande jaar.
  Het jaarrapport, vermeld in het tweede lid, 4°, bevat minstens de volgende elementen:
  1° een inhoudelijk verslag over de werking van het erkend archeologisch solidariteitsfonds met inbegrip van een overzicht van de gerealiseerde activiteiten van het fonds voor de begeleiding van de leden bij de uitvoering van hoofdstuk 5 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;
  2° een financieel verslag dat minstens een overzicht geeft van de ontvangen ledenbijdragen, de uitgekeerde vergoedingen aan de leden en de werking van het archeologisch solidariteitsfonds;
  3° een verslag van de wijze waarop het archeologisch solidariteitsfonds beantwoordt aan de bepalingen in de overeenkomst, vermeld in artikel 11.8.1 van dit besluit.]1

  
Art. 11.8.7. [1 A cet effet, un fonds de solidarité archéologique agréé peut introduire une demande auprès de l'agence [2 par écrit]2, au plus tard le 1er avril de chaque année.
  La demande d'une subvention comprend au moins les éléments suivants :
  1° une identification du fonds de solidarité archéologique agréé ;
  2° une liste des membres affiliés au fonds de solidarité archéologique le 31 décembre de l'année précédant l'année dans laquelle la demande est introduite ;
  3° un budget ;
  4° à partir de la deuxième année d'activité du fonds de solidarité archéologique agréé, un rapport annuel du fonctionnement du fonds de solidarité archéologique de l'année précédente.
  Le rapport annuel, visé à l'alinéa deux, 4°, comprend au moins les éléments suivants :
  1° un rapport de fond sur le fonctionnement du fonds de solidarité archéologique agréé, y compris un aperçu des activités réalisées du fonds pour l'accompagnement des membres lors de l'exécution du chapitre 5 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 ;
  2° un rapport financier qui donne au moins un aperçu des cotisations des membres reçues, des indemnités payées aux membres, et du fonctionnement du fonds de solidarité archéologique ;
  3° un rapport du mode dont le fonds de solidarité archéologique répond aux dispositions de la convention, visée à l'article 11.8.1 du présent arrêté.]1

  
Art. 11.8.8. [1 De aanvraag is ontvankelijk als ze tijdig ingediend is en volledig is.
   In geval van onvolledigheid brengt het agentschap de aanvrager schriftelijk op de hoogte van de ontbrekende elementen binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van de aanvraag.
   Als de aanvrager het dossier niet aanvult binnen een termijn van veertien dagen, die ingaat op de dag na de kennisgeving van het verzoek tot aanvulling, wordt de aanvraag onontvankelijk verklaard. Het agentschap brengt de aanvrager schriftelijk op de hoogte van de beslissing.]1

  
Art. 11.8.8. [1 La demande est recevable lorsqu'elle a été introduite dans les délais et est complète.
   En cas d'incomplétude, l'agence informe le demandeur par écrit des éléments manquants, dans un délai de trente jour qui commence le jour suivant la réception de la demande.
   Lorsque le demandeur ne complète pas le dossier dans un délai de quatorze jours, qui prend cours le jour après la notification de la demande de complément, la demande est déclarée irrecevable. L'agence informe le demandeur de la décision par écrit.]1

  
Art. 11.8.9. [1 Vanaf het tweede werkingsjaar, brengt het agentschap na beoordeling van het jaarrapport vermeld in artikel 11.8.7 advies uit aan de minister.]1
  
Art. 11.8.9. [1 A partir de la deuxième année d'activité, l'agence émet un avis au Ministre après l'évaluation du rapport annuel, visé à l'article 11.8.7.]1
  
Art. 11.8.10. [1 Binnen een termijn van zestig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van de ontvankelijke aanvraag van een toelage, beslist de minister over de toekenning en het bedrag van de toelage. Als er geen beslissing is genomen binnen die termijn, wordt de aanvraag geacht te zijn geweigerd.
  Een afschrift van de beslissing wordt [2 schriftelijk]2 bezorgd aan het erkende archeologische solidariteitsfonds.]1

  
Art. 11.8.10. [1 Dans un délai de soixante jours, qui prend cours le jour après la réception de la demande de subvention recevable, le Ministre décide de l'octroi et du montant de la subvention. Lorsqu'aucune décision n'est prise dans ce délai, la demande est censée être refusée.
  Une copie de la décision est transmise, [2 par écrit]2, au fonds de solidarité archéologique agréé.]1

  
Art. 11.8.11. [1 De toelage kan onder andere aangewend worden voor de werking van het fonds.
  De jaarlijkse basistoelage bedraagt minstens 50.000 euro en wordt vermeerderd met een bedrag dat gekoppeld is aan de volgende criteria:
  1° het aantal leden, opgenomen op de lijst van leden die aangesloten zijn bij het archeologisch solidariteitsfonds op 31 december van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de ontvankelijke aanvraag is ingediend;
  2° het aantal uitgekeerde vergoedingen;
  3° het aantal activiteiten van het archeologisch solidariteitsfonds voor de begeleiding van de leden bij de uitvoering van hoofdstuk 5 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, vermeld in het jaarrapport van het fonds.
  De minister stelt de eenheidsprijs per lid, per uitgekeerde vergoeding en per activiteit en de berekeningswijze daarvoor vast.]1

  
Art. 11.8.11. [1 La subvention peut être affectée, entre autres, au fonctionnement du fonds.
  La subvention de base annuelle s'élève au moins à 50.000 euros et est majorée d'un montant qui est lié aux critères suivants :
  1° le nombre de membres, repris à la liste des membres affiliés au fonds de solidarité archéologique le 31 décembre de l'année précédant l'année dans laquelle la demande est introduite ;
  2° le nombre d'indemnités payées ;
  3° le nombre d'activités du fonds de solidarité archéologique pour l'accompagnement des membres lors de l'exécution du chapitre 5 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, visé au rapport annuel du fonds.
  Le Ministre arrête le prix unitaire par membre, par indemnité payée et par activité, ainsi que le mode de calcul.]1

  
Art. 11.8.12. [1 De toelage wordt jaarlijks beschikbaar gesteld in de vorm van het volgende voorschot en saldo:
  1° een voorschot van 70% van het bedrag wordt uitbetaald uiterlijk op 1 augustus van het lopende werkingsjaar;
  2° een saldo van het jaarlijkse bedrag wordt uitbetaald na de beoordeling van het jaarrapport, vermeld in artikel 11.8.7, derde lid.
  Het agentschap brengt het erkende archeologische solidariteitsfonds [2 schriftelijk]2 op de hoogte van de resultaten van de beoordeling. Als er bij de beoordeling ernstige tekortkomingen worden vastgesteld, wordt het saldo niet of gedeeltelijk uitbetaald.]1

  
Art. 11.8.12. [1 La subvention est annuellement mise à disposition sous forme de l'avance et du solde suivants :
  1° une avance de 70% du montant est payée au plus tard le 1er août de l'année d'activité en cours ;
  2° un solde du montant annuel est payé après l'évaluation du rapport annuel, visé à l'article 11.8.7, alinéa trois.
  L'agence informe le fonds de solidarité archéologique agréé, [2 par écrit]2, des résultats de l'évaluation. Lorsque des fautes graves sont constatées lors de l'évaluation, le solde n'est pas payé ou n'est payé que partiellement.]1

  
Afdeling 9.
Section 9.
Onderafdeling 1.
Sous-section 1ère.
Onderafdeling 2.
Sous-section 2.
Afdeling 10. [1 Premie voor archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem]1
Section 10. [1 - Prime pour une étude archéologique préliminaire avec intervention dans le sol]1
Onderafdeling 1. [1 - Archeologisch vooronderzoek waarvoor geen premie voor archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem wordt toegekend]1
Sous-section 1ère. [1 - Etude archéologique préliminaire qui n'est pas éligible à une prime pour une étude archéologique préliminaire avec intervention dans le sol]1
Art. 11.10.1. [1 In de volgende gevallen wordt er geen premie voor archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem toegekend bij projecten die vallen onder het toepassingsgebied van artikel 5.4.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013:
   1° het is een project in opdracht van de Vlaamse overheid, de Belgische staat, een federale instelling, een andere deelstaat, een provincie, autonoom provinciebedrijf, een provinciaal extern verzelfstandigd agentschap, een gemeente, een autonoom gemeentebedrijf, een intergemeentelijk samenwerkingsverband, een OCMW, een welzijnsvereniging, een sociale huisvestingsmaatschappij;
   2° het is een project in opdracht van een nutsbedrijf of van een beheerder van distributienetten, -netwerken of infrastructuur voor openbare nutsvoorzieningen;
   3° de opdrachtgever van het project behoort tot de vastgoedsector;
   4° het is een project waarbij er een overeenkomst werd gesloten tot eigendomsovergang van een te bouwen, of in aanbouw zijnde huis of appartement, mits het huis of het appartement tot huisvesting of tot beroepsdoeleinden en huisvesting is bestemd en de koper of de opdrachtgever volgens de overeenkomst verplicht is vóór de voltooiing van het gebouw een of meer stortingen te doen.]1

  
Art. 11.10.1. [1 Dans les cas suivants, aucune prime ne sera accordée pour étude archéologique préliminaire avec intervention dans le sol pour les projets qui relèvent du champ d'application de l'article 5.4.1 du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 :
   1° il s'agit d'un projet commandé par l'Autorité flamande, l'Etat belge, une institution fédérale, une autre entité fédérée, une province, une régie provinciale autonome, une agence autonomisée externe provinciale, une commune, une régie communale autonome, une structure de coopération intercommunale, un CPAS, une association d'aide sociale, une société de logement social ;
   2° il s'agit d'un projet commandé par une entreprise de service public ou un opérateur de réseaux de distribution, de réseaux ou d'infrastructures pour équipements d'utilité publique ;
   3° le donneur d'ordre appartient au secteur de l'immobilier ;
   4° il s'agit d'un projet dans le cadre duquel une convention a été conclue pour le transfert de propriété d'une habitation ou d'un appartement à construire ou en voie de construction, à condition que l'habitation ou l'appartement soit affecté(e) au logement ou à des fins professionnelles, et que l'acheteur ou le donneur d'ordre soit tenu, selon la convention, d'effectuer un ou plusieurs versements avant l'achèvement du bâtiment.]1

  
Onderafdeling 2. [1 - Archeologisch vooronderzoek waarvoor een premie voor archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem kan worden aangevraagd]1
Sous-section 2. [1 - Etude archéologique préliminaire pour laquelle une prime pour une étude archéologique préliminaire avec intervention dans le sol peut être demandée]1
Art. 11.10.2. [1 Binnen de perken van de daarvoor op de begroting van de Vlaamse Gemeenschap beschikbare kredieten kan een premie voor archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem worden toegekend.]1
  
Art. 11.10.2. [1 Dans les limites des crédits disponibles à cette fin au budget de la Communauté flamande, une prime pour une étude archéologique préliminaire avec intervention dans le sol peut être octroyée.]1
  
Art. 11.10.3. [1 Een premie voor archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem kan worden toegekend voor archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem bij projecten die vallen onder het toepassingsgebied van artikel 5.4.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013[2 ...]2.
   Om in aanmerking te komen voor een premie voor archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem :
   1° moet het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem uitgevoerd zijn overeenkomstig het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, dit besluit, de omschrijving in de toelating of de archeologienota waarvan akte is genomen;
   2° [2 mag de premienemer]2 de laatste tien jaar bij definitieve gerechtelijke of bestuurlijke beslissing niet schuldig bevonden zijn aan deelname aan een inbreuk of een misdrijf als vermeld in het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium, het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg, het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, dit besluit of erfgoedwetgeving van een lidstaat van de Europese Unie.]1

  
Art. 11.10.3. [1 Une prime pour une étude archéologique préliminaire avec intervention dans le sol peut être octroyée pour une étude archéologique préliminaire avec intervention dans le sol dans le cadre de projets relevant du champ d'application de l'article 5.4.1 du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013[2 ...]2.
   Pour être éligible à une prime pour une étude archéologique préliminaire avec intervention dans le sol :
   1° l'étude archéologique préliminaire avec intervention dans le sol doit être mise en oeuvre conformément au décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, au présent arrêté, à la description dans l'autorisation ou dans la note archéologique dont il a été pris acte ;
   2° [2 le preneur de prime ne peut pas, au cours des dix dernières années, avoir été jugé coupable]2 par décision judiciaire ou administrative définitives de participation à une infraction ou à un délit, tels que visés au décret du 3 mars 1976 réglant la protection des monuments et des sites urbains et ruraux, au décret du 30 juin 1993 portant protection du patrimoine archéologique, au décret du 16 avril 1996 relatif à la protection des sites ruraux, au décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, au présent arrêté ou à la législation en matière de patrimoine d'un Etat membre de l'Union européenne.]1

  
Onderafdeling 3. [1 - Bedrag van de premie voor archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem]1
Sous-section 3 [1 - Montant de la prime pour une étude archéologique préliminaire avec intervention dans le sol]1
Art. 11.10.4. [1 De premie voor archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem wordt berekend door de variabelen die overeenstemmen met het uitgevoerde vooronderzoek met ingreep in de bodem, toe te passen op de forfaitaire basiskosten, en dat bedrag te vermenigvuldigen met 80%.
   De minister stelt de forfaitaire basiskosten en de variabelen vast. Voor de berekening van de premie voor archeologisch onderzoek met ingreep in de bodem zijn de forfaitaire basiskosten en de variabelen van toepassing die golden op het moment van de aanvang van het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem.]1

  
Art. 11.10.4. [1 La prime pour une étude archéologique préliminaire avec intervention dans le sol est calculée par l'application aux frais forfaitaires de base des variables correspondant à l'étude préliminaire réalisée et par la multiplication de ce montant par 80%.
   Le ministre fixe les frais forfaitaires de base et les variables. Lors du calcul de la prime pour une étude archéologique avec intervention dans le sol, les frais forfaitaires de base et les variables sont utilisés, tels qu'ils s'appliquaient au moment du début de l'étude archéologique préliminaire avec intervention dans le sol.]1

  
Art. 11.10.5. [1 Het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem mag ook gefinancierd worden met andere overheidsbijdragen. De gezamenlijke overheidsbijdragen, met inbegrip van eventuele Europese middelen, kunnen evenwel niet meer bedragen dan de toepassing van de variabelen die overeenstemmen met het uitgevoerde vooronderzoek met ingreep in de bodem op de forfaitaire basiskosten, zoals vastgesteld door de minister.]1
  
Art. 11.10.5. [1 L'étude archéologique préliminaire avec intervention dans le sol peut également être financée au moyen d'autres fonds publics. Le total des fonds publics, en ce compris d'éventuels moyens européens, ne peut toutefois pas être supérieur au montant obtenu par l'application aux frais forfaitaires de base des variables correspondant à l'étude préliminaire réalisée avec intervention dans le sol, tels qu'ils ont été fixés par le ministre.]1
  
Onderafdeling 4. [1 - Aantal premies voor archeologisch onderzoek met ingreep in de bodem per verplicht uit te voeren onderzoek]1
Sous-section 4. [1 - Nombre de primes pour une étude archéologique avec intervention dans le sol par étude obligatoire]1
Art. 11.10.6. [1 In het kader van een verplicht uit te voeren archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem kan hoogstens één premie voor archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem toegekend worden.
   In het eerste lid wordt verstaan onder verplicht uit te voeren archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem : alle methodes van archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem die de erkende archeoloog overeenkomstig de code van goede praktijk moet uitvoeren om de archeologienota en, in voorkomend geval, de nota op te maken.]1

  
Art. 11.10.6. [1 Dans le cadre d'une étude archéologique préliminaire obligatoire avec intervention dans le sol, au maximum une seule prime pour une étude archéologique préliminaire avec intervention dans le sol peut être octroyée.
   Dans l'alinéa 1er, il faut entendre par " étude archéologique préliminaire obligatoire avec intervention dans le sol " : toutes les méthodes d'une étude archéologique préliminaire avec intervention dans le sol que l'archéologue agréé est censé mettre en oeuvre, conformément au code de bonne pratique pour rédiger la note archéologique et, le cas échéant, la note.]1

  
Onderafdeling 5. [1 - Aanvragen van een premie voor archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem]1
Sous-section 5. [1 - Demandes d'une prime pour une étude archéologique préliminaire avec intervention dans le sol]1
Art. 11.10.7. [1 Een premienemer dient de aanvraag van een premie voor archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem in bij het agentschap.
   Het aanvraagdossier bevat een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier dat ter beschikking wordt gesteld op de website van het agentschap.
   De minister kan de nadere regels voor de inhoud van het aanvraagdossier bepalen.]1

  
Art. 11.10.7. [1 Le preneur de prime introduit la demande d'une prime pour une étude archéologique préliminaire avec intervention dans le sol auprès de l'agence.
   Le dossier de demande comprend un formulaire de demande dûment rempli et signé, qui est mis à disposition sur le site web de l'agence.
   Le Ministre peut arrêter les modalités du contenu du dossier de demande.]1

  
Art. 11.10.8. [1 De premie voor archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem kan aangevraagd worden vanaf de aktename van de archeologienota tot 120 dagen erna.
   Als de archeologienota uitgesteld archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem als maatregel bevat omdat toepassing is gemaakt van de procedure, vermeld in artikel 5.4.12 tot en met 5.4.19 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, kan de premie pas aangevraagd worden vanaf de aktename van de nota die volgt op de uitvoering van dat uitgestelde vooronderzoek met ingreep in de bodem, tot 120 dagen erna.]1

  
Art. 11.10.8. [1 La prime pour une étude archéologique préliminaire avec intervention dans le sol peut être demandée à partir de la prise d'acte de la note archéologique jusqu'à 120 jours après.
   Si la note archéologique fait état d'une étude archéologique préliminaire reportée avec intervention dans le sol en tant que mesure, sur la base de l'application de la procédure visée aux articles 5.4.12 à 5.4.19 inclus du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, la prime ne peut être demandée qu'à partir de la prise d'acte de la note qui fait suite à la mise en oeuvre de cette étude préliminaire reportée avec intervention dans le sol, jusqu'à 120 jours après.]1

  
Onderafdeling 6. [1 - Vastlegging en uitbetaling van de premie voor archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem]1
Sous-section 6. [1 - Fixation et paiement de la prime pour une étude archéologique préliminaire avec intervention dans le sol]1
Art. 11.10.9. [1 Het agentschap gaat na of de aanvraag voldoet aan artikel 11.10.7. Als de aanvraag onvolledig is, kan het agentschap binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de dag waarop de aanvraag is ingediend, de aanvrager schriftelijk vragen om de ontbrekende gegevens of documenten bij de aanvraag te voegen, en de termijn bepalen waarbinnen dat moet gebeuren.
   Het agentschap beslist over de aanvraag binnen een termijn van negentig dagen, die ingaat op de dag na de dag waarop de volledige aanvraag is ontvangen. De aanvrager wordt hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.
   In geval van akkoord wordt de premie voor archeologisch vooronderzoek vastgelegd, waarna een afschrift van dit besluit schriftelijk aan de aanvrager wordt bezorgd en het agentschap overgaat tot de uitbetaling van de premie.]1

  
Art. 11.10.9. [1 L'agence vérifie si la demande est conforme à l'article 11.10.7. Si la demande est incomplète, l'agence peut solliciter le demandeur par écrit et dans un délai de trente jours, qui prend cours le jour après le jour auquel la demande a été introduite, d'ajouter les données ou documents manquants à la demande et peut définir le délai endéans lequel cet ajout doit être réalisé.
   L'agence prend une décision concernant la demande dans un délai de nonante jours, qui prend cours le jour après le jour auquel la demande complète a été reçue. Le demandeur en est informé par écrit.
   En cas d'accord, la prime pour l'étude archéologique préliminaire est fixée et une copie du présent arrêté est transmise au demandeur par écrit, après quoi l'agence procède au paiement de la prime.]1

  
Art. 11.10.10. [1 De vastlegging of de uitbetaling van een aangevraagde premie voor archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem zal worden opgeschort als de premienemer tijdens het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem of na afloop ervan beschuldigd wordt van deelname aan een inbreuk of een misdrijf als vermeld in artikel 11.2.2 en 11.2.4, § 1, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.
   Het recht op een premie voor archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem vervalt definitief als de premienemer bij definitieve gerechtelijke of bestuurlijke beslissing schuldig bevonden wordt aan een deelname aan de inbreuk of het misdrijf, vermeld in het eerste lid. Ten onrechte uitgekeerde bedragen zullen in dat geval ook teruggevorderd worden.]1

  
Art. 11.10.10. [1 La fixation ou le paiement d'une prime demandée pour une étude archéologique préliminaire avec intervention dans le sol seront suspendus si, au cours de l'étude archéologique préliminaire avec intervention dans le sol ou après la fin de celle-ci, le preneur de primeur est jugé coupable de participation à une infraction ou à un délit, tels que visés aux articles 11.2.2. et 11.2.4, § 1er, du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013.
   Le droit à une prime pour une étude archéologique préliminaire avec intervention dans le sol échoit définitivement si le preneur de prime est jugé coupable de participation à l'infraction ou au délit, visés dans l'alinéa 1er par décision juridique ou administrative définitives. Dans ce cas, les montants indûment payés seront recouvrés.]1

  
Afdeling 11. [1 - Premie voor archeologisch onderzoek van menselijke inhumatieresten]1
Section 11. [1 - Prime pour étude archéologique de restes d'inhumation humaine]1
Onderafdeling 1. [1 - Archeologisch onderzoek waarvoor een premie voor archeologisch onderzoek van menselijke inhumatieresten kan worden aangevraagd]1
Sous-section 1. [1 - Etude archéologique pour laquelle une prime pour étude archéologique de restes d'inhumation humaine peut être demandée]1
Art. 11.11.1. [1 Binnen de perken van de daarvoor op de begroting van de Vlaamse Gemeenschap beschikbare kredieten kan een premie voor archeologisch onderzoek van menselijke inhumatieresten worden toegekend.]1
  
Art. 11.11.1. [1 Dans les limites des crédits disponibles à cet effet au budget de la Communauté flamande, une prime pour étude archéologique de restes d'inhumation humaine peut être octroyée.]1
  
Art. 11.11.2. [1 Voor archeologische opgravingen bij projecten die vallen onder het toepassingsgebied van artikel 5.4.1 van het Onroerenderfgoeddecreet kan een premie voor archeologisch onderzoek van menselijke inhumatieresten worden toegekend als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
   1° de archeologische opgraving moet uitgevoerd zijn overeenkomstig het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, dit besluit, de code van goede praktijk en de omschrijving in de archeologienota of nota waarvan akte genomen is;
   2° de premienemer mag de laatste tien jaar bij definitieve gerechtelijke of bestuurlijke beslissing niet schuldig bevonden zijn aan deelname aan een inbreuk of een misdrijf als vermeld in het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium, het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg, het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, dit besluit of erfgoedwetgeving van een lidstaat van de Europese Unie;
   3° het bedrag van de premie dat is berekend conform artikel 11.11.4 van dit besluit, op basis van het uitgevoerde onderzoek van menselijke inhumatieresten, bedraagt minstens 25.000 euro.]1

  
Art. 11.11.2. [1 Une prime pour étude archéologique de restes d'inhumation humaine peut être octroyée pour les fouilles archéologiques dans le cadre de projets qui relèvent du champ d'application de l'article 5.4.1 du décret relatif au patrimoine immobilier si toutes les conditions suivantes sont remplies :
   1° la fouille archéologique doit être effectuée conformément au décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, au présent arrêté, au code de bonnes pratiques et à la description dans la note archéologique ou dans la note dont il a été pris acte;
   2° le preneur de prime ne peut pas, au cours des dix dernières années, avoir été jugé coupable par décision définitive judiciaire ou administrative de participation à une infraction ou à un délit tel que visé au décret du 3 mars 1976 réglant la protection des monuments et des sites urbains et ruraux, au décret du 30 juin 1993 portant protection du patrimoine archéologique, au décret du 16 avril 1996 relatif à la protection des sites ruraux, au décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, au présent arrêté ou à la législation en matière de patrimoine d'un Etat membre de l'Union européenne ;
   3° le montant de la prime calculé conformément à l'article 11.11.4 du présent arrêté, sur la base de l'étude de restes d'inhumation humaine effectuée, est d'au moins 25 000 euros.]1

  
Onderafdeling 2. [1 - Bedrag van de premie voor archeologisch onderzoek van menselijke inhumatieresten]1
Sous-section 2. [1 - Montant de la prime pour étude archéologique de restes d'inhumation humaine]1
Art. 11.11.3. [1 De premie voor archeologisch onderzoek van menselijke inhumatieresten wordt berekend door de variabelen die overeenstemmen met het uitgevoerde onderzoek van menselijke inhumatieresten, toe te passen en dat bedrag te vermenigvuldigen met 60%.
   De minister stelt de variabelen, vermeld in het eerste lid, vast. Om de premie voor archeologisch onderzoek van menselijke inhumatieresten te berekenen, zijn de variabelen van toepassing die gelden op het moment van de aanvang van de archeologische opgraving.
   De premie voor archeologisch onderzoek van menselijke inhumatieresten bedraagt maximaal 500.000 euro.]1

  
Art. 11.11.3. [1 La prime pour étude archéologique de restes d'inhumation humaine est calculée par l'application des variables correspondant à l'étude effectuée de restes d'inhumation humaine et par la multiplication de ce montant par 60 %.
   Le ministre fixe les variables visées à l'alinéa 1er. Les variables d'application au moment du début de la fouille archéologique s'appliquent pour le calcul de la prime pour étude archéologique de restes d'inhumation humaine.
   La prime pour étude archéologique de restes d'inhumation humaine n'excède pas 500 000 euros.]1

  
Art. 11.11.4. [1 Het archeologisch onderzoek van menselijke inhumatieresten mag ook gefinancierd worden met andere overheidsbijdragen. De gezamenlijke overheidsbijdragen, met inbegrip van eventuele Europese middelen, kunnen evenwel niet meer bedragen dan de totale en aangetoonde kostprijs van het archeologisch onderzoek.]1
  
Art. 11.11.4. [1 L'étude archéologique de restes d'inhumation humaine peut également être financée au moyen d'autres contributions publiques. L'ensemble des contributions publiques, y compris les moyens européens éventuels, ne peut cependant pas être supérieur au coût total et démontré de l'étude archéologique.]1
  
Onderafdeling 3. [1 - Aantal premies voor archeologisch onderzoek van menselijke inhumatieresten per verplicht uit te voeren onderzoek]1
Sous-section 3. [1 - Nombre de primes pour étude archéologique de restes d'inhumation humaine par étude obligatoire]1
Art. 11.11.5. [1 In het kader van een verplicht uit te voeren archeologisch onderzoek van menselijke inhumatieresten kan hoogstens één premie voor archeologisch onderzoek van menselijke inhumatieresten toegekend worden.
   In het eerste lid wordt verstaan onder verplicht uit te voeren archeologisch onderzoek van menselijke inhumatieresten: alle methodes van archeologisch onderzoek van menselijke inhumatieresten die de erkende archeoloog overeenkomstig de code van goede praktijk, de archeologienota of de nota moet uitvoeren.]1

  
Art. 11.11.5. [1 Dans le cadre d'une étude archéologique obligatoire de restes d'inhumation humaine au maximum une seule prime pour étude archéologique de restes d'inhumation humaine peut être octroyée.
   A l'alinéa 1er, on entend par étude archéologique obligatoire de restes d'inhumation humaine : toutes les méthodes d'étude archéologique de restes d'inhumation humaine doivent être effectuées par l'archéologue agréé conformément au code de bonnes pratiques, à la note archéologique ou à la note.]1

  
Onderafdeling 4. [1 - Aanvragen van een premie voor archeologisch onderzoek van menselijke inhumatieresten]1
Sous-section 4. [1 - Demande de prime pour étude archéologique de restes d'inhumation humaine]1
Art. 11.11.6. [1 Een premienemer dient de aanvraag voor een premie voor archeologisch onderzoek van menselijke inhumatieresten in bij het agentschap.
   Het aanvraagdossier bevat een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier. Het agentschap stelt hiervoor een modelformulier ter beschikking op zijn website.
   De minister kan de nadere regels voor de inhoud van het aanvraagdossier bepalen.]1

  
Art. 11.11.6. [1 Le preneur de prime introduit la demande de prime pour étude archéologique de restes d'inhumation humaine auprès de l'agence.
   Le dossier de demande contient un formulaire de demande entièrement rempli et signé. A cet effet, l'agence met à disposition un formulaire type sur son site web.
   Le ministre peut arrêter les modalités du contenu du dossier de demande.]1

  
Art. 11.11.7. [1 De premie voor archeologisch onderzoek van menselijke inhumatieresten kan aangevraagd worden vanaf de indiening van het eindverslag tot 120 dagen erna.]1
  
Art. 11.11.7. [1 La prime pour étude archéologique de restes d'inhumation humaine peut être demandée à partir de l'introduction du rapport final jusqu'à 120 jours après.]1
  
Onderafdeling 5. [1 - Vastlegging en uitbetaling van een premie voor archeologisch onderzoek van menselijke inhumatieresten]1
Sous-section 5. [1 - Fixation et paiement d'une prime pour étude archéologique de restes d'inhumation humaine]1
Art. 11.11.8. [1 Het agentschap gaat na of de aanvraag voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 11.11.6. Als de aanvraag onvolledig is, kan het agentschap binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de dag waarop de aanvraag is ingediend, de aanvrager schriftelijk vragen om de ontbrekende gegevens of documenten bij de aanvraag te voegen, en de termijn bepalen waarin dat moet gebeuren. Als de aanvrager nalaat binnen deze termijn de ontbrekende gegevens of documenten bij te voegen, wordt de aanvraag geacht te zijn geweigerd. Het agentschap brengt de aanvrager hiervan schriftelijk op de hoogte.
   Het agentschap beslist over de aanvraag binnen een termijn van negentig dagen, die ingaat op de dag na de dag waarop de volledige aanvraag is ontvangen. De aanvrager wordt van de beslissing schriftelijk op de hoogte gesteld.
   In geval van akkoord wordt de premie voor archeologisch onderzoek van menselijke inhumatieresten vastgelegd, waarna een afschrift van dit besluit schriftelijk aan de aanvrager wordt bezorgd en het agentschap overgaat tot de uitbetaling van de premie.]1

  
Art. 11.11.8. [1 L'agence vérifie si la demande répond aux conditions visées à l'article 11.11.6. Si la demande est incomplète, l'agence peut solliciter le demandeur par écrit et dans un délai de trente jours, qui prend cours le jour après le jour auquel la demande a été introduite, d'ajouter les données ou documents manquants à la demande et peut définir le délai dans lequel cet ajout doit être réalisé. Si le demandeur omet de joindre les données ou documents manquants dans ce délai, la demande est réputée refusée. L'agence en informe le demandeur par écrit.
   L'agence prend une décision concernant la demande dans un délai de nonante jours, qui prend cours le jour après le jour auquel la demande complète a été reçue. Le demandeur est informé de la décision par écrit.
   En cas d'accord, la prime pour étude archéologique de restes d'inhumation humaine est fixée et une copie du présent arrêté est transmise au demandeur par écrit, après quoi l'agence procède au paiement de la prime.]1

  
Art. 11.11.9. [1 De vastlegging of de uitbetaling van een aangevraagde premie voor archeologisch onderzoek van menselijke inhumatieresten zal worden opgeschort als de premienemer tijdens het archeologisch onderzoek of na afloop ervan beschuldigd wordt van deelname aan een inbreuk of een misdrijf als vermeld in artikel 11.2.2 en 11.2.4, § 1, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.
   Het recht op een premie voor archeologisch onderzoek van menselijke inhumatieresten vervalt definitief als de premienemer bij definitieve gerechtelijke of bestuurlijke beslissing schuldig bevonden wordt aan een deelname aan de inbreuk of het misdrijf, vermeld in het eerste lid. Ten onrechte uitgekeerde bedragen zullen in dat geval ook teruggevorderd worden.]1

  
Art. 11.11.9. [1 La fixation ou le paiement d'une prime demandée pour étude archéologique de restes d'inhumation humaine sera suspendu(e) si le preneur de prime est accusé, pendant ou à l'issue de l'étude archéologique, de participation à une infraction ou à un délit tel que visé aux articles 11.2.2 et 11.2.4, § 1er, du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013.
   Le droit à une prime pour étude archéologique de restes d'inhumation humaine échoit définitivement lorsque le preneur de prime est jugé coupable par décision définitive judiciaire ou administrative de participation à l'infraction ou au délit, visé à l'alinéa 1er. Dans ce cas, les montants indûment payés seront également recouvrés.]1

  
HOOFDSTUK 11/1.
CHAPITRE 11/1.
HOOFDSTUK 12. - Handhaving
CHAPITRE 12. - Maintien
Afdeling 1. [1 Algemene bepalingen]1
Section 1re. [1 Dispositions générales]1
Art. 12.1.1. [1 Toezichthouders sturen een afschrift van hun processen-verbaal en verslagen van vaststelling naar het agentschap en de gemeente op het grondgebied waarvan de vaststellingen betrekking hebben.
   Toezichthouders sturen een afschrift van de waarschuwing, vermeld in artikel 10, § 2, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, naar het agentschap en de bevoegde herstelinstanties.]1

  
Art. 12.1.1. [1 Les superviseurs envoient une copie de leurs procès-verbaux et rapports de constatation à l'agence et à la commune sur le territoire de laquelle les constatations ont trait.
   Les superviseurs envoient une copie de l'avertissement, visé à l'article 10, § 2, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, à l'agence et à l'instance de réparation compétente.]1

  
Afdeling 2. [1 - Inspecteurs Onroerend Erfgoed]1
Section 2. [1 - Inspecteurs du Patrimoine immobilier]1
Art.12.2.1. [1 De leidend ambtenaar van het agentschap wijst de inspecteurs Onroerend Erfgoed aan onder de personeelsleden van het agentschap, met inbegrip van de personeelsleden van de Vlaamse overheid die ter beschikking zijn gesteld van het agentschap.
   De inspecteurs Onroerend Erfgoed beschikken over de bevoegdheden, vermeld in artikel 87 en 88 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023.]1

  
Art.12.2.1. [1 Le fonctionnaire dirigeant de l'agence désigne les inspecteurs du Patrimoine immobilier parmi les membres du personnel de l'agence, y compris les membres du personnel de l'Autorité flamande mis à disposition par l'agence.
   Les inspecteurs du Patrimoine immobilier disposent des compétences visées aux articles 87 et 88 du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023.]1

  
Afdeling 3. [1 - Toezichthouders en officieren van gerechtelijke politie - hulpofficieren van de procureur des Konings]1
Section 3. [1 - Superviseurs et officiers de police judiciaire - officiers auxiliaires du procureur du Roi]1
Art.12.3.1. [1 § 1. De leidend ambtenaar van het agentschap kan personeelsleden van het agentschap aanstellen als toezichthouders als vermeld in artikel 8, § 2, eerste lid, 1°, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, bevoegd voor de handhaving van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.
   Daarnaast kunnen de personen vermeld in artikel 8, § 2, eerste lid, 3°, 4° en 5°, van het voormelde decreet worden aangewezen als toezichthouder, bevoegd voor de handhaving van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, voor zover ze voldoen aan de op hen toepasselijke opleidingsvereisten vermeld in artikel 12.4.1. van dit besluit.
   § 2. De toezichthouders, vermeld in artikel 8, § 2, eerste lid, 3° en 4°, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, zijn alleen bevoegd voor het grondgebied van de gemeente waarvoor ze zijn aangewezen.
   § 3. Met uitzondering van de inspecteurs Onroerend Erfgoed en de toezichthouders, vermeld in artikel 8, § 2, eerste lid, 5°, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, verkrijgen toezichthouders, bevoegd voor de handhaving van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie - hulpofficier van de procureur des Konings, als ze daarvoor worden aangewezen door de Vlaamse minister, bevoegd voor justitie en handhaving, op voordracht van de entiteit of instantie die hen als toezichthouder heeft aangesteld.
   Toezichthouders, bevoegd voor de handhaving van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, verkrijgen de hoedanigheid van toezichthouder als vermeld in artikel 22, § 1, eerste lid, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, als ze daarvoor worden aangewezen door de Vlaamse minister, bevoegd voor justitie en handhaving, op voordracht van de entiteit of instantie die hen als toezichthouder heeft aangesteld.
   Toezichthouders als vermeld in paragraaf 1, eerste lid verkrijgen voor de handhaving van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 de hoedanigheid van toezichthouder als vermeld in artikel 87, § 1, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, als ze daarvoor worden aangewezen door de leidend ambtenaar van het agentschap, op voordracht van de entiteit of instantie die hen als toezichthouder heeft aangesteld.]1

  
Art.12.3.1. [1 § 1er. Le fonctionnaire dirigeant de l'agence peut désigner des membres du personnel de l'agence comme superviseurs tels que visés à l'article 8, § 2, alinéa 1er, 1°, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, compétents pour le maintien du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013.
   En outre, les personnes, visées à l'article 8, § 2, alinéa 1er, 3°, 4° et 5° du décret précité, peuvent être désignées comme superviseurs, compétents pour le maintien du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, à condition qu'elles remplissent les exigences en matière de formation, visées à l'article 12.4.1. du présent arrêté, qui leur sont applicables.
   § 2. Les superviseurs, visés à l'article 8, § 2, alinéa 1er, 3° et 4°, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, ne sont compétents que pour le territoire de la commune pour laquelle ils ont été désignés.
   § 3. A l'exception des superviseurs du Patrimoine immobilier et des superviseurs, visés à l'article 8, § 2, alinéa 1er, 5°, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, les superviseurs compétents pour le maintien du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 acquièrent la qualité d'officier de police judiciaire - officier auxiliaire du procureur du Roi, s'ils sont désignés à cet effet par le ministre flamand chargé de la justice et du maintien, sur proposition de l'entité ou de l'instance qui les a désignés en tant que superviseurs.
   Les superviseurs compétents pour le maintien du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 acquièrent la qualité de superviseur telle que visée à l'article 22, § 1er, alinéa 1er, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, lorsqu'ils sont désignés à cet effet par le ministre flamand chargé de la justice et du maintien, sur proposition de l'entité ou de l'instance qui les a désignés en tant que superviseurs.
   Les superviseurs tels que visés au paragraphe 1er, alinéa 1er acquièrent, pour le maintien du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, la qualité de superviseur telle que visée à l'article 87, § 1er, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, lorsqu'ils sont désignés à cet effet par le fonctionnaire dirigeant de l'agence, sur proposition de l'entité ou de l'instance qui les a désignés en tant que superviseurs.]1

  
Afdeling 4. [1 - Opleiding]1
Section 4. [1 - Formation]1
Art.12.4.1. [1 § 1. In dit artikel wordt verstaan onder Agentschap Justitie en Handhaving: het agentschap, opgericht bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 september 2021 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap "Agentschap Justitie en Handhaving".
   § 2. Personen kunnen alleen worden aangewezen als toezichthouder, bevoegd voor de handhaving van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, als ze een opleiding hebben gevolgd die al de volgende modules omvat:
   1° het proportionele gebruik van de bevoegdheden voor het toezicht en de opsporing, vermeld in de hoofdstuk 2 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023;
   2° processen-verbaal en verslagen van vaststelling opstellen;
   3° communicatievaardigheden en conflictbeheersing;
   4° verdachten en getuigen verhoren;
   5° het gebruik van de bevoegdheid om beveiligingsmaatregelen op te leggen, vermeld in hoofdstuk 5 van het kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023;
   6° de kennis van het onroerend en varend erfgoed en de relevante regelgeving.
   § 3. De modules, vermeld in paragraaf 2, 1° tot en met 5°, worden aangeboden door instellingen die daarvoor erkend zijn door de Vlaamse minister, bevoegd voor justitie en handhaving.
   § 4. De module, vermeld in paragraaf 2, 6°, wordt aangeboden door het agentschap of door instellingen die daarvoor erkend zijn door de minister, en kan aangepast worden naargelang het profiel van de toezichthouder.
   § 5. Toezichthouders kunnen alleen worden bekleed met de hoedanigheden van officier van gerechtelijke politie of van officier van gerechtelijke politie - hulpofficier van de procureur des Konings, als ze een opleiding hebben gevolgd over het gebruik van de specifieke bevoegdheden die verbonden zijn aan die hoedanigheden, die wordt aangeboden door instellingen die daarvoor erkend zijn door de Vlaamse minister, bevoegd voor justitie en handhaving.
   § 6. Personeelsleden kunnen alleen als inspecteur Onroerend Erfgoed worden aangewezen als ze de opleidingen, vermeld in paragraaf 2 en 5, hebben gevolgd.
   § 7. Met het oog op hun erkenning richten de instellingen, vermeld in paragraaf 3 tot en met 5, een aanvraag tot de bevoegde minister, waarin ze aantonen dat al de volgende erkenningsvoorwaarden zijn vervuld:
   1° ze beschikken over gekwalificeerde medewerkers;
   2° ze beschikken over de nodige lokalen en materiële uitrusting;
   3° ze beschikken over leerplannen die een adequate invulling geven aan de leerdoelen van de modules, vermeld in paragraaf 2.
   De bevoegde minister kan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in het eerste lid, nader bepalen.
   De bevoegde minister kan de erkenning van de instellingen, vermeld in paragraaf 3 tot en met 5, opheffen als de instelling in kwestie niet meer voldoet aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in het eerste lid. De besluiten van de bevoegde minister over de erkenning of opheffing van de erkenning van de voormelde instellingen worden bekendgemaakt op de website van het Agentschap Justitie en Handhaving of het agentschap.
   Wijzigingen van leerplannen, als vermeld in het eerste lid, 3°, voor de modules, vermeld in paragraaf 2, 1° tot en met 5°, worden ter goedkeuring voorgelegd aan het Agentschap Justitie en Handhaving, en wijzigingen van de leerplannen, als vermeld in het eerste lid, 3°, voor de module, vermeld in paragraaf 2, 6°, worden ter goedkeuring voorgelegd aan het agentschap.
   § 8. Het agentschap of de instellingen die de opleiding of de modules, vermeld in paragraaf 2 en 5, hebben verstrekt, verlenen een attest als bewijs dat de opleidingen of modules zijn gevolgd.
   § 9. De opleidingsvereisten, vermeld in paragraaf 2, 1° tot en met 5°, en paragraaf 5 en 6, worden van toepassing één jaar nadat één of meer instellingen erkend zijn conform paragraaf 3 en 5.
   De opleidingsvereisten, vermeld in paragraaf 2 en 5, gelden niet voor de personeelsleden van het operationele kader van de politiediensten, vermeld in artikel 2 van de wet op het politieambt van 5 augustus 1992.
   De opleidingsvereisten, vermeld in paragraaf 2, 5 en en 6, gelden niet voor de personen, vermeld in artikel 107, eerste en tweede lid, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, en artikel 12.3.17 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013. Die personen volgen niettemin de modules en opleidingen, vermeld in dit artikel, als ze daarvoor worden opgeroepen door het Agentschap Justitie en Handhaving of het agentschap.
   § 10. De Vlaamse minister, bevoegd voor justitie en handhaving, kan opleidingen die zijn georganiseerd vóór de opleidingsvereisten, vermeld in paragraaf 2, 1° tot en met 5°, en paragraaf 5, van toepassing waren, gelijkstellen met alle of bepaalde opleidingen of modules, vermeld in paragraaf 2, 1° tot en met 5°, en paragraaf 5.
   De Vlaamse minister, bevoegd voor justitie en handhaving, kan een lijst bepalen met gelijkwaardige diploma's en getuigschriften, waarvan de houders vrijgesteld zijn van alle of bepaalde opleidingen of modules, vermeld in paragraaf 2, 1° tot en met 5°, en paragraaf 5.
   De minister kan in dezelfde zin als in het eerste en tweede lid beslissen, voor wat betreft de module, vermeld in paragraaf 2, 6°.
   § 11. In afwijking van paragraaf 2 en met behoud van de toepassing van paragraaf 9 kunnen personen die over de nodige kennis en eigenschappen beschikken maar de vereiste opleiding nog niet hebben gevolgd, worden aangesteld als toezichthouder voor een niet-verlengbare termijn van vijf jaar.
   § 12. Toezichthouders, met inbegrip van de toezichthouders vermeld in artikel 107, eerste lid, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, volgen bijscholing voor de onderwerpen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 1° tot en met 6°, als ze daarvoor worden opgeroepen door het Agentschap Justitie en Handhaving of het agentschap.
   Deze paragraaf is niet van toepassing op de personeelsleden van het operationele kader van de politiediensten, vermeld in artikel 2 van de wet op het politieambt van 5 augustus 1992.]1

  
Art.12.4.1. [1 § 1. Dans le présent article, on entend par Agence de la Justice et du Maintien : l'agence créée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 septembre 2021 portant création de l'agence autonomisée interne Agence de la Justice et du Maintien (" Agentschap Justitie en Handhaving ").
   § 2. Seules les personnes ayant suivi une formation incluant l'ensemble des modules suivants peuvent être désignées en tant que superviseurs compétents pour le maintien du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 :
   1° l'usage proportionné des compétences en matière de supervision et de recherche visées au chapitre 2 du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023 ;
   2° la rédaction des procès-verbaux et des rapports de constatation ;
   3° les aptitudes de communication et la gestion des conflits ;
   4° l'audition des suspects et des témoins ;
   5° l'exercice de la compétence d'imposer des mesures de sécurité visées au chapitre 5 du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023 ;
   6° les connaissances du patrimoine immobilier et nautique et de la réglementation pertinente.
   § 3. Les modules, visés au paragraphe 2, 1° à 5°, sont dispensés par des institutions agréées à cet effet par le ministre flamand chargé de la justice et du maintien.
   § 4. Le module, visé au paragraphe 2, 6°, est dispensé par l'agence ou par des institutions agréées à cet effet par le ministre et peut être adapté en fonction du profil du superviseur.
   § 5. Les superviseurs ne peuvent se voir attribuer la qualité d'officier de police judiciaire ou d'officier de police judiciaire - officier auxiliaire du procureur du Roi, que s'ils ont suivi une formation relative à l'exercice des compétences spécifiques liées à ces qualités, dispensée par des institutions agréées à cet effet par le ministre flamand chargé de la justice et du maintien.
   § 6. Seules les membres du personnel ayant suivi les formations visées aux paragraphes 2 et 5 peuvent être désignés en tant qu'inspecteur du Patrimoine immobilier.
   § 7. En vue de leur agrément, les institutions visées aux paragraphes 3 à 5 soumettent, auprès du ministre compétent, une demande démontrant que toutes les conditions d'agrément suivantes sont remplies :
   1° elles disposent de personnel qualifié ;
   2° elles disposent des locaux et de l'équipement matériel nécessaires ;
   3° elles disposent des programmes d'études qui répondent de manière adéquate aux objectifs d'apprentissage des modules visés au paragraphe 2.
   Le ministre compétent peut spécifier les conditions d'agrément visées à l'alinéa 1er.
   Le ministre compétent peut suspendre l'agrément des institutions visées aux paragraphes 3 à 5 si l'institution en question ne remplit plus les conditions d'agrément visées à l'alinéa 1er. Les arrêtés du ministre compétent concernant l'agrément ou le retrait de l'agrément des institutions précitées sont publiés sur le site web de l'Agence de la Justice et du Maintien ou de l'agence.
   Les modifications aux programmes d'études, visés à l'alinéa 1er, 3°, pour les modules, visés au paragraphe 2, 1° à 5°, sont soumises à l'approbation de l'Agence de la Justice et du Maintien, et les modifications aux programmes d'études, visés à l'alinéa 1er, 3°, pour le module, visé au paragraphe 2, 6°, sont soumises à l'approbation de l'agence.
   § 8. L'agence ou l'institution qui a dispensé la formation ou les modules, visés aux paragraphes 2 et 5, délivre un certificat attestant que les formations ou les modules ont été suivis.
   § 9. Les exigences en matière de formation, visées au paragraphe 2, 1° à 5°, et aux paragraphes 5 et 6, entrent en vigueur un an après qu'une ou plusieurs institutions ont été agréées conformément aux paragraphes 3 et 5.
   Les exigences en matière de formation, visées aux paragraphes 2 et 5, ne s'appliquent pas aux membres du personnel du cadre opérationnel des services de police visés à l'article 2 de la loi sur la fonction de police du 5 août 1992.
   Les exigences en matière de formation, visées aux paragraphes 2, 5 et 6, ne s'appliquent pas aux personnes visées à l'article 107, alinéas 1er et 2, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, et à l'article 12.3.17 du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013. Néanmoins, ces personnes suivent des modules et formations visés au présent article si elles y sont convoquées par l'Agence de la Justice et du Maintien ou par l'agence.
   § 10. Le ministre flamand chargé de la justice et du maintien peut assimiler des formations organisées avant l'entrée en vigueur des exigences en matière de formation, visées au paragraphe 2, 1° à 5°, et au paragraphe 5, à l'ensemble ou à certains des modules ou formations visés au paragraphe 2, 1° à 5°, et au paragraphe 5.
   Le ministre flamand chargé de la justice et du maintien peut établir une liste de diplômes et de certificats équivalents dont les titulaires sont dispensés de l'ensemble ou de certains des modules ou formations visés au paragraphe 2, 1° à 5°, et au paragraphe 5.
   En ce qui concerne le module visé au paragraphe 2, 6°, le ministre peut prendre une décision dans le même sens que dans les alinéas 1er et 2.
   § 11. Par dérogation au paragraphe 2 et sans préjudice de l'application du paragraphe 9, les personnes possédant les connaissances et qualités nécessaires mais n'ayant pas encore suivi la formation requise peuvent être désignées en tant que superviseur pour un mandat non renouvelable de cinq ans.
   § 12. Les superviseurs, y compris les superviseurs visés à l'article 107, alinéa 1er, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, suivent un recyclage pour les matières, visées au paragraphe 2, alinéa 1er, 1° à 6°, lorsqu'ils y sont convoqués par l'Agence de la Justice et du Maintien ou par l'agence.
   Le présent paragraphe ne s'applique pas aux membres du personnel du cadre opérationnel des services de police visés à l'article 2 de la loi sur la fonction de police du 5 août 1992.]1

  
Afdeling 5. [1 - Beboetingsinstantie]1
Section 5. [1 - Instance verbalisante]1
Art.12.5.1. [1 De minister, of de gemachtigde van de minister, wijst de personeelsleden van het agentschap aan die optreden als beboetingsinstantie.]1
  
Art.12.5.1. [1 Le ministre ou le délégué du ministre désigne les membres du personnel de l'agence qui agissent en tant qu'instance verbalisante.]1
  
Afdeling 6. [1 - Herstel]1
Section 6. [1 - Réparation]1
Onderafdeling 1. [1 - Herstelschikkingen]1
Sous-section 1re. [1 - Dispositions de réparation]1
Art.12.6.1. [1 § 1. Binnen de grenzen van hun bevoegdheid als herstelinstantie kunnen ook de burgemeester of zijn plaatsvervanger herstelschikkingen sluiten. Artikel 62, § 1, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023 is van overeenkomstige toepassing.
   § 2. Herstelschikkingen worden bekrachtigd door de leidend ambtenaar van het agentschap of zijn gemachtigde, of, wanneer de financiële tegenwaarde van de publieke schade die feitelijk onhersteld blijft een begroot bedrag van meer dan 500.000 EURO overstijgt, de minister.]1

  
Art.12.6.1. [1 § 1er. Dans les limites de leur compétence en tant qu'instance de réparation, le maire ou son suppléant peut également convenir des dispositions de réparation. L'article 62, § 1er, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023 s'applique mutatis mutandis.
   § 2. Les dispositions de réparation sont sanctionnées par le fonctionnaire dirigeant de l'agence ou par son mandataire, ou par le ministre si l'équivalent financier du préjudice public qui reste effectivement non réparé dépasse un montant estimé à plus de 500 000 euros.]1

  
Onderafdeling 2. [1 - Beroep tegen bestuurlijke herstelbeslissingen]1
Sous-section 2. [1 - Recours contre les décisions administratives de réparation]1
Art.12.6.2. [1 § 1. De overtreder kan tegen een bestuurlijke herstelbeslissing waarin hem een publieke herstelmaatregel of inperkende maatregel wordt opgelegd, beroep aantekenen bij de minister als vermeld in artikel 98 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023. Het beroep heeft geen schorsend karakter.
   Het beroep, vermeld in het eerste lid, wordt binnen een vervaltermijn van twintig dagen vanaf de kennisgeving van de bestuurlijke herstelbeslissing ingediend via het maatregelenregister of met een beveiligde zending die gericht is aan de minister. Als de beroepsindiener gehoord wil worden, meldt die dat in het beroepschrift.
   Het beroepschrift voldoet op straffe van onontvankelijkheid aan de volgende voorwaarden:
   1° het bevat de voor- en achternaam en de woonplaats van de beroepsindiener of de maatschappelijke benaming en de zetel van de beroepsindiener. Als woonplaatskeuze bij de raadsman van de beroepsindiener wordt gedaan, wordt dat in het beroepschrift aangegeven;
   2° de beroepsindiener of de raadsman van de beroepsindiener heeft het beroep ondertekend. Een schriftelijke machtiging wordt bijgevoegd, tenzij de raadsman ingeschreven is als advocaat of advocaat-stagiair;
   3° het vermeldt het voorwerp van het beroep, met een omschrijving van de ingeroepen argumenten;
   4° het bevat een kopie van de bestreden beslissing.
   Als het beroep, vermeld in het eerste lid, wordt ingediend via het maatregelenregister, is de voorwaarde, vermeld in het derde lid, 4°, niet van toepassing.
   Overtuigingsstukken die al in het hersteldossier zijn opgenomen, hoeven niet gevoegd te worden bij het beroepschrift, vermeld in het tweede lid. Het beroepschrift bevat in voorkomend geval een inventaris van de overtuigingsstukken.
   Wanneer het beroepschrift niet voldoet aan de voorwaarden uit het derde lid, vraagt de minister met een beveiligde zending aan de beroepsindiener om het beroepschrift te regulariseren. De regularisatie gebeurt via het maatregelenregister of met een beveiligde zending binnen een termijn van 7 dagen na de kennisgeving van het regularisatieverzoek.
   § 2. De minister neemt kennis van het hersteldossier via het maatregelenregister.
   In geval van technische onmogelijkheid wordt de herstelinstantie die de bestuurlijke herstelbeslissing heeft genomen, verzocht het hersteldossier integraal over te maken aan de minister binnen de termijn die de minister bepaalt.
   § 3. Binnen een vervaltermijn van negentig dagen na het instellen van het beroep conform paragraaf 1, tweede en derde lid, neemt de minister een beslissing over het beroep en in voorkomend geval, een nieuwe bestuurlijke herstelbeslissing.
   De minister kan ook een beslissing nemen over dwangsommen die eventueel op grond van de bestreden beslissing al verbeurd zijn.
   De minister kan de vervaltermijn, vermeld in het eerste lid, eenmalig verlengen met zestig dagen, op voorwaarde dat de beroepsindiener van die termijnverlenging op de hoogte wordt gebracht met een beveiligde zending die verzonden wordt binnen de initiële vervaltermijn van negentig dagen.
   Als de minister niet tijdig beslist over het beroep of als de kennisgeving van de termijnverlenging niet tijdig wordt gedaan, wordt het beroep geacht te zijn afgewezen en wordt de bestuurlijke herstelbeslissing die met het administratieve beroep bestreden is, als definitief aangezien. Degene aan wie het bestuurlijke herstelbevel is opgelegd en de herstelinstantie die de bestreden bestuurlijke herstelbeslissing heeft genomen, worden schriftelijk op de hoogte gebracht van de stilzwijgende afwijzing van het beroep.
   § 4. De beroepsindiener en de herstelinstantie die de bestuurlijke herstelbeslissing heeft genomen, worden binnen tien dagen na de datum van de beslissing, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, met een beveiligde zending op de hoogte gebracht van die beslissing.]1

  
Art.12.6.2. [1 § 1er. Conformément à l'article 98 du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, le contrevenant peut introduire un recours auprès du ministre contre une décision administrative de réparation lui imposant une mesure de réparation publique ou une mesure restrictive. Le recours n'a pas de caractère suspensif.
   Le recours visé à l'alinéa 1er est introduit au moyen du registre de mesures ou par envoi sécurisé adressé au ministre dans un délai d'échéance de vingt jours à compter de la notification de la décision administrative de réparation. Si l'auteur du recours souhaite être entendu, il le mentionne dans la déclaration de recours.
   La déclaration de recours remplit les conditions suivantes sous peine d'irrecevabilité :
   1° elle comprend les nom, prénom et le domicile de l'auteur du recours ou la dénomination sociale et le siège social de l'auteur du recours. Lorsque l'auteur du recours élit domicile chez son conseil, la déclaration de recours le mentionne ;
   2° l'auteur du recours ou son conseil a signé le recours. Une autorisation écrite est jointe, à moins que le conseil ne soit inscrit comme avocat ou avocat-stagiaire ;
   3° elle mentionne l'objet du recours, avec une description des arguments invoqués ;
   4° elle comprend une copie de la décision contestée.
   Si le recours visé à l'alinéa 1er est introduit au moyen du registre de mesures, la condition visée à l'alinéa 3, 4°, ne s'applique pas.
   Les pièces à conviction déjà incluses dans le dossier de réparation ne doivent pas être jointes à la déclaration de recours visée à l'alinéa 2. La déclaration de recours inclut, le cas échéant, un inventaire des pièces à conviction.
   Si la déclaration de recours ne remplit pas les conditions visées à l'alinéa 3, le ministre demande à l'auteur du recours, par envoi sécurisé, de régulariser la déclaration de recours. La régularisation se fait au moyen du registre de mesures ou par envoi sécurisé dans un délai de 7 jours à compter de la notification de la demande de régularisation.
   § 2. Le ministre prend connaissance du dossier de réparation au moyen du registre de mesures.
   En cas d'impossibilité technique, l'instance de réparation qui a pris la décision administrative de réparation est invitée à transmettre l'intégralité du dossier de réparation au ministre dans le délai fixé par celui-ci.
   § 3. Dans un délai d'échéance de nonante jours à compter de l'introduction du recours conformément au paragraphe 1er, alinéas 2 et 3, le ministre prend une décision concernant le recours et, le cas échéant, une nouvelle décision administrative de réparation.
   Le ministre peut également statuer sur des astreintes éventuellement encourues en vertu de la décision contestée.
   Le ministre peut prolonger une seule fois le délai d'échéance visé à l'alinéa 1er de soixante jours, à condition que l'auteur du recours soit informé de cette prolongation par envoi sécurisé envoyé dans le délai d'échéance initial de nonante jours.
   Si le ministre ne statue pas en temps utile sur le recours ou si la notification d'une prolongation de délai n'est pas effectuée en temps utile, le recours est réputé rejeté et la décision administrative de réparation contestée par le recours administratif est considérée comme définitive. La personne à laquelle l'injonction administrative de réparation a été imposée et l'instance de réparation ayant pris la décision administrative de réparation contestée sont informées par écrit du rejet tacite du recours.
   § 4. L'auteur du recours et l'instance de réparation ayant pris la décision administrative de réparation sont informés de la décision, visée au paragraphe 3, alinéa 1er, par envoi sécurisé dans un délai de dix jours suivant la date de cette décision.]1

  
Onderafdeling 3. [1 - Herstel bij financieel equivalent]1
Sous-section 3. [1 - Réparation par équivalent financier]1
Art.12.6.3. [1 De monetaire waardering, vermeld in artikel 48, § 3, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, gebeurt voor publieke schade aan belangen die door het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 worden beschermd, en die zijn opgenomen in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd, op basis van de regels en de forfaitaire bedragen, vermeld in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd.]1
  
Art.12.6.3. [1 En cas de préjudice public causé aux intérêts protégés par le décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 et repris en annexe jointe au présent arrêté, l'évaluation monétaire, visée à l'article 48, § 3, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, est effectuée sur la base des règles et des montants forfaitaires visés à l'annexe jointe au présent arrêté.]1
  
Onderafdeling 4. [1 - Nadere regels voor de bewaring en teruggave van meegevoerde zaken]1
Sous-section 4. [1 - Modalités de conservation et de restitution des objets emportés]1
Art.12.6.4. [1 § 1. Als zaken op grond van de bevoegdheid, vermeld in artikel 71, § 1, tweede lid, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, worden meegevoerd en opgeslagen, meldt de gerechtsdeurwaarder, de toezichthouder of de herstelinstantie dat in een verslag van bewaring. Een afschrift van het verslag van bewaring wordt verstrekt aan degene die die zaken onder beheer had en, als dat een andere persoon is en als die bekend is, aan de rechthebbende.
   § 2. De gerechtsdeurwaarder, de toezichthouder of de herstelinstantie zorgt voor de bewaring van de opgeslagen zaken en geeft die zaken terug aan de rechthebbende.
   De gerechtsdeurwaarder, de toezichthouder of de herstelinstantie, vermeld in het eerste lid, zijn bevoegd om de afgifte op te schorten tot de kosten die verbonden zijn aan de ambtshalve uitvoering van de bestuurlijke herstel- of beveiligingsbeslissing, met inbegrip van de kosten voor de voorbereiding ervan, en de kosten van de bewaring, zijn voldaan. Als geen van de rechthebbenden als herstelplichtige overtreder of als houder van rechten als vermeld in artikel 71, § 2, tweede lid, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, kan worden beschouwd, kan de afgifte alleen afhankelijk worden gesteld van de betaling van de kosten van de bewaring.
   § 3. Als de meegevoerde en opgeslagen zaken niet binnen negentig dagen na het meevoeren worden opgeëist door de rechthebbende, is de gerechtsdeurwaarder, de toezichthouder of de herstelinstantie gerechtigd ze te verkopen of, als verkoop niet mogelijk is, de zaak om niet aan een derde in eigendom over te dragen of te laten vernietigen.
   De termijn van negentig dagen, vermeld in het eerste lid, hoeft niet te worden afgewacht zodra de kosten van bewaring, vermeerderd met de kosten die geraamd zijn voor de verkoop, de eigendomsoverdracht om niet of de vernietiging, in verhouding tot de waarde van de zaak onevenredig hoog worden. In voorkomend geval worden redelijke inspanningen geleverd om de rechthebbende te identificeren en tijdig op de hoogte te brengen van de voorgenomen eigendomsoverdracht of vernietiging.
   Verkoop, eigendomsoverdracht om niet of vernietiging kan nooit plaatsvinden binnen veertien dagen na de verstrekking van het afschrift, vermeld in paragraaf 1, tenzij het gevaarlijke stoffen of eerder aan bederf onderhevige stoffen betreft.]1

  
Art.12.6.4. [1 § 1er. Si des objets sont emportés et conservés en vertu de la compétence, visée à l'article 71, § 1er, alinéa 2, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, l'huissier de justice, le superviseur ou l'instance de réparation le mentionne dans un rapport de conservation. Une copie du rapport de conservation est remise à la personne qui avait ces objets sous sa gestion et, lorsqu'il s'agit d'une autre personne qui est connue, à l'ayant droit.
   § 2. L'huissier de justice, le superviseur ou l'instance de réparation assure la conservation des affaires entreposées et les restitue à l'ayant droit.
   L'huissier de justice, le superviseur ou l'instance de réparation, visés à l'alinéa 1er, est compétent pour suspendre la restitution jusqu'au paiement des frais liés à l'exécution d'office de la décision administrative de réparation ou de sécurité, y compris des frais de préparation, et des frais de conservation. Si aucun des ayants droit ne peut être considéré comme un contrevenant tenu à réparation ou comme un titulaire de droits tel que visé à l'article 71, § 2, alinéa 2, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, la restitution ne peut dépendre que du paiement des frais de conservation.
   § 3. Lorsque les objets emportés et entreposés ne sont pas réclamés par l'ayant droit dans les nonante jours après avoir été emportés, l'huissier de justice, le superviseur ou l'instance de réparation est en droit de les vendre ou, lorsque leur vente n'est pas possible, à transférer l'objet en propriété à un tiers à titre gratuit ou à la faire détruire.
   Il n'est pas obligatoire d'attendre que le délai de nonante jours visé à l'alinéa 1er soit écoulé à partir du moment où les frais de conservation majorés des frais qui ont été estimés pour la vente, le transfert en propriété à titre gratuit ou la destruction deviennent disproportionnellement élevés par rapport à la valeur de l'objet. Le cas échéant, des efforts raisonnables sont déployés pour identifier l'ayant droit et l'informer en temps utile du transfert en propriété ou de la destruction envisagés.
   La vente, le transfert en propriété à titre gratuit ou la destruction ne peut jamais avoir lieu moins de quatorze jours suivant la remise de la copie visée au paragraphe 1er, à moins qu'il s'agisse de substances dangereuses ou périssables.]1

  
Afdeling 7. [1 - De toebedeling van handhavingsopbrengsten]1
Section 7. [1 - L'affectation des recettes de maintien]1
Art.12.7.1. [1 Een deel van de opbrengst van de bestuurlijke vervolging van een misdrijf of inbreuk als vermeld in artikel 11.2.2 en 11.2.4 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, artikel 13/1 en 13/2 van het decreet van 29 maart 2002 tot bescherming van varend erfgoed, en artikel 103 en 104 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, die op jaarbasis wordt geïnd door de Vlaamse overheid, komt toe aan de gemeente waarin de vaststelling gebeurde, op voorwaarde dat gemeentelijke personeelsleden, personeelsleden van een intergemeentelijk samenwerkingsverband of personeelsleden van de lokale politie het proces-verbaal of verslag van vaststelling waarop de bestuurlijke vervolging is gebaseerd, hebben opgesteld.
   Het deel, vermeld in het eerste lid, wordt vastgesteld op 60% van de opbrengst die op jaarbasis is geïnd.
   In het tweede lid wordt verstaan onder opbrengst: de geïnde gelden na aftrek van de kosten, gemaakt voor de gedwongen invordering van deze gelden.]1

  
Art.12.7.1. [1 Une partie de la recette issue de la poursuite administrative d'un délit ou d'une infraction tels que visés aux articles 11.2.2 et 11.2.4 du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, aux articles 13/1 et 13/2 du décret du 29 mars 2002 portant protection du patrimoine nautique et aux articles 103 et 104 du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, perçue sur une base annuelle par l'Autorité flamande est attribuée à la commune où la constatation a été faite, à condition que des membres du personnel communal, des membres du personnel d'une intercommunale ou des membres du personnel de la police locale aient dressé le procès-verbal ou le rapport de constatation sur lequel se fonde la poursuite administrative.
   La partie visée à l'alinéa 1er est fixée à 60 % des recettes perçues sur une base annuelle.
   Dans l'alinéa 2, on entend par recettes : les sommes perçues après déduction des frais encourus pour le recouvrement forcé de ces sommes.]1

  
Afdeling 8. [1 - Beleidslijnen en handhavingsprogramma]1
Section 8. [1 - Lignes directrices et programmes de maintien]1
Art.12.8.1. [1 De minister en de Vlaamse minister, bevoegd voor justitie en handhaving, stellen, elk wat hem of haar betreft, de algemene beleidslijnen, vermeld in artikel 76, eerste lid, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, vast bij ministerieel besluit als ze alleen de gewenste toepassing of de voorgenomen interpretatie betreffen van de regels voor de handhaving van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en het decreet van 29 maart 2002 tot bescherming van varend erfgoed.
   De algemene beleidslijnen, vermeld in het eerste lid, kunnen worden aangevuld en geconcretiseerd in een handhavingsprogramma Onroerend Erfgoed.
   Het handhavingsprogramma Onroerend Erfgoed wordt vastgesteld door de Vlaamse regering. Het goedgekeurde handhavingsprogramma Onroerend Erfgoed wordt bekendgemaakt op de website van het agentschap. De minister kan het handhavingsprogramma Onroerend Erfgoed verder aanvullen of verfijnen.
   De minister rapporteert periodiek, en minstens in het tweede en vijfde jaar van de regeerperiode, over de uitvoering van de beleidslijnen en het handhavingsprogramma Onroerend Erfgoed, vermeld in het eerste tot en met derde lid, in een handhavingsrapport Onroerend Erfgoed.]1

  
Art.12.8.1. [1 Le ministre et le ministre flamand chargé de la justice et du maintien fixent, chacun en ce qui le concerne, par arrêté ministériel les lignes directrices générales visées à l'article 76, alinéa 1er, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, lorsqu'elles concernent uniquement l'application souhaitée ou l'interprétation envisagée des règles pour le maintien du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 et du décret du 29 mars 2002 portant protection du patrimoine nautique.
   Les lignes directrices générales visées à l'alinéa 1er peuvent être complétées et concrétisées dans un programme de maintien Patrimoine immobilier.
   Le programme de maintien Patrimoine immobilier est arrêté par le Gouvernement flamand. Le programme de maintien Patrimoine immobilier approuvé est publié sur le site web de l'agence. Le ministre peut compléter ou affiner davantage le programme de maintien Patrimoine immobilier.
   Le ministre rend compte périodiquement, et au moins dans les deuxième et cinquième années de la législature, de la mise en oeuvre des lignes directrices et du programme de maintien Patrimoine immobilier visés aux alinéas 1er à 3, dans un rapport relatif au maintien Patrimoine immobilier.]1

  
HOOFDSTUK 13. - Wijzigings-, opheffings-, overgangs- en inwerkingtredingsbepalingen
CHAPITRE 13. - Dispositions modificatives, abrogatoires, transitoires et d'entrée en vigueur
Afdeling 1. - Wijzigingsbepalingen
Section 1re. - Dispositions modificatives
Onderafdeling 1. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 1983 houdende sommige maatregelen tot harmonisatie van de werking en van de presentiegelden en vergoedingen van adviesorganen
Sous-section 1re. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 décembre 1983 portant certaines mesures en vue d'harmoniser le fonctionnement, les jetons de présence et les indemnités des organes consultatifs
Art. 13.1.1. In punt 7 van de bijlage bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 1983 houdende sommige maatregelen tot harmonisatie van de werking en van de presentiegelden en vergoedingen van adviesorganen worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de woorden "Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen" worden vervangen door de woorden "Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed";
  2° de volgende bepaling wordt toegevoegd:
  "Vlaamse Commissie voor Varend Erfgoed".
Art. 13.1.1. Dans le point 7 de l'annexe à l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 décembre 1983 portant certaines mesures en vue d'harmoniser le fonctionnement, les jetons de présence et les indemnités des organes consultatifs sont apportées les modifications suivantes :
  1° les mots " Commission royale des Monuments et des Sites " sont remplacés par les mots " Commission flamande du Patrimoine immobilier " ;
  2° la disposition suivante est ajoutée :
  " Commission flamande pour le Patrimoine nautique ".
Onderafdeling 2. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning
Sous-section 2. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 février 1991 fixant le règlement flamand relatif à l'autorisation écologique
Art. 13.1.2. In artikel 1, 43°, e), van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2006, wordt tussen het woord "beschermd" en het woord "landschap" het woord "cultuurhistorisch" ingevoegd.
Art. 13.1.2. Dans l'article 1er, 43°, e), de l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 février 1991 fixant le règlement flamand relatif à l'autorisation écologique, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 mai 2006, le mot " culturo-historique " est inséré entre le mot " paysage " et le mot " protégé ".
Onderafdeling 3. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 1994 houdende aanwijzing van de besturen en openbare instellingen die advies geven over gemeentelijke plannen van aanleg
Sous-section 3. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 2 février 1994 portant désignation des administrations et organismes publics rendant des avis sur les plans d'aménagement communaux
Art. 13.1.3. In artikel 1, B, 3, van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 1994, houdende aanwijzing van de besturen en openbare instellingen die advies geven over gemeentelijke plannen van aanleg, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° tussen de zinsnede "monument," en het woord "landschap" wordt het woord "cultuurhistorisch" ingevoegd;
  2° de zinsnede "voorlopig of definitief zijn aangeduid als ankerplaats met toepassing van de bepalingen van hoofdstuk 4 van het decreet betreffende de landschapszorg" wordt vervangen door de zinsnede "opgenomen zijn in de vastgestelde landschapsatlas met toepassing van de bepalingen van hoofdstuk 4 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013".
Art. 13.1.3. Dans l'article 1er, B, 3, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 2 février 1994 portant désignation des administrations et organismes publics rendant des avis sur les plans d'aménagement communaux, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2011, sont apportées les modifications suivantes :
  1° le mot " culturo-historique " est inséré entre le mot " paysage " et les mots " ou site urbain " ;
  2° les mots " provisoirement ou définitivement désignés comme lieu d'ancrage en application du chapitre 4 du décret relatif à la protection des sites " sont remplacés par les mots " repris dans l'atlas des paysages établi en application des dispositions du chapitre 4 du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 ".
Onderafdeling 4. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 1994 tot uitvoering van het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium
Sous-section 4. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 avril 1994 portant exécution du décret du 30 juin 1993 portant protection du patrimoine archéologique
Art. 13.1.4. In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 1994 tot uitvoering van het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 22 juni 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° punt 4° /2 wordt opgeheven;
  2° punt 5° wordt vervangen door wat volgt:
  "5° : Commissie: de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed, vermeld in artikel 3.1.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;".
  3° punt 7° wordt vervangen door wat volgt:
  "7° minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor het Onroerend Erfgoed;".
Art. 13.1.4. Dans l'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 avril 1994 portant exécution du décret du 30 juin 1993 portant protection du patrimoine archéologique, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 juin 2012, sont apportées les modifications suivantes :
  1° le point 4° /2 est abrogé ;
  2° le point 5° est remplacé par ce qui suit :
  " 5° : Commission : la Commission flamande du Patrimoine immobilier, visée à l'article 3.1.1 du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 ; ".
  3° le point 7° est remplacé par ce qui suit :
  " 7° Ministre : le Ministre flamand chargé du patrimoine immobilier ;
Art. 13.1.5. In artikel 2 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in § 1 wordt punt 2° opgeheven;
  2° § 2 wordt opgeheven.
Art. 13.1.5. Dans l'article 2 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans le § 1er, le point 2° est abrogé ;
  2° le § 2 est abrogé.
Art. 13.1.6. Artikel 3 van hetzelfde besluit wordt opgeheven.
Art. 13.1.6. L'article 3 du même arrêté est abrogé.
Art. 13.1.7. Artikel 4 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juni 2006 wordt opgeheven.
Art. 13.1.7. L'article 4 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 juin 2006, est abrogé.
Art. 13.1.8. In artikel 5 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juni 2006, wordt paragraaf 1 vervangen door wat volgt:
  " § 1. De eigenaar en gebruiker van een bij toeval gevonden archeologisch monument of archeologische zone zijn er toe gehouden maatregelen te nemen om overeenkomstig artikel 8, tweede lid, van het decreet de bij toevalsvonsten ontdekte archeologische monumenten tegen ongunstige weersomstandigheden, beschadiging, vandalisme, diefstal en brand te beveiligen.".
Art. 13.1.8. Dans l'article 5 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 juin 2006, le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
  " § 1er. Le propriétaire et l'utilisateur d'un monument archéologique trouvé par hasard ou d'une zone archéologique trouvée par hasard sont tenus de prendre les mesures pour protéger, conformément à l'article 8, alinéa deux, du décret, les monuments archéologiques découverts par hasard contre les intempéries, les dégâts, le vandalisme, le vol et l'incendie. ".
Art. 13.1.9. Artikel 6 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van 23 juni 2006, wordt opgeheven.
Art. 13.1.9. L'article 6 du même arrêté, modifié par l'arrêté du 23 juin 2006, est abrogé.
Art. 13.1.10. Artikel 7 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juni 2006, wordt opgeheven.
Art. 13.1.10. L'article 7 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 juin 2006, est abrogé.
Art. 13.1.11. Artikel 8 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 22 juni 2012, wordt opgeheven.
Art. 13.1.11. L'article 8 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 juin 2012, est abrogé.
Art. 13.1.12. Artikel 9 en 10 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juni 2006, worden opgeheven.
Art. 13.1.12. Les articles 9 et 10 du même arrêté, modifiés par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 juin 2006, sont abrogés.
Art. 13.1.13. In artikel 14, § 1, 5°, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2011, wordt het woord "Expertencommissie" vervangen door het woord "Commissie".
Art. 13.1.13. Dans l'article 14, § 1er, 5°, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2011, les mots " Commission d'Experts " sont remplacés par le mot " Commission ".
Art. 13.1.14. In artikel 15, § 5, tweede lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 april 2011, wordt het woord "Raad" vervangen door het woord "Commissie".
Art. 13.1.14. Dans l'article 15, § 5, alinéa deux, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er avril 2011, les mots " du Conseil " sont remplacés par les mots " de la Commission ".
Art. 13.1.15. In artikel 16 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 9 mei 2008, 1 april 2011 en 22 juni 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht
  1° in paragraaf 4 wordt het woord "Expertencommissie" telkens vervangen door het woord "Commissie";
  2° in paragraaf 5, eerste lid, wordt het woord "expertencommissie" telkens vervangen door het woord "Commissie".
Art. 13.1.15. Dans l'article 16 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 9 mai 2008, 1er avril 2011 et 22 juin 2012, sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans le paragraphe 4, les mots " Commission d'Experts " sont remplacés chaque fois par le mot " Commission " ;
  2° dans le paragraphe 5, alinéa premier, les mots " commission d'experts " sont remplacés chaque fois par le mot " Commission ".
Onderafdeling 5. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne
Sous-section 5. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er juin 1995 fixant les dispositions générales et sectorielles en matière d'hygiène de l'environnement
Art. 13.1.16. In artikel 5.2.1.4, § 1, 7°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001, wordt tussen het woord "beschermde" en het woord "landschappen" het woord "cultuurhistorische" ingevoegd.
Art. 13.1.16. Dans l'article 5.2.1.4, § 1er, 7°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er juin 1995 fixant les dispositions générales et sectorielles en matière d'hygiène de l'environnement, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 juillet 2001, le mot " culturo-historiques " est inséré entre le mot " paysages " et le mot " protégés ".
Onderafdeling 6. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juli 1997 tot uitvoering van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten
Sous-section 6. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er juillet 1997 portant exécution du décret du 19 avril 1995 portant des mesures visant à lutter contre et à prévenir la désaffectation et l'abandon de sites d'activité économique
Art. 13.1.17. In artikel 3, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juli 1997 tot uitvoering van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juni 2006, wordt punt 3° opgeheven.
Art. 13.1.17. Dans l'article 3, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er juillet 1997 portant exécution du décret du 19 avril 1995 portant des mesures visant à lutter contre et à prévenir la désaffectation et l'abandon de sites d'activité économique, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 juin 2006, le point 3° est abrogé.
Art. 13.1.18. In artikel 6, § 1, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juni 2006, wordt punt 10° vervangen door
  "10° als de bedrijfsruimte krachtens decreet beschermd is als monument of stads- of dorpsgezicht of bij ministerieel besluit is opgenomen in een ontwerp van lijst tot bescherming: de datum van het voormelde ministerieel besluit;".
Art. 13.1.18. Dans l'article 6, § 1er, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 juin 2006, le point 10° est remplacé par :
  " 10° lorsque le site d'activité économique, en vertu du décret, est protégé comme monument ou comme site urbain ou rural, ou, par arrêté ministériel, est repris dans un projet de liste de protection : la date de l'arrêté ministériel précité ; ".
Onderafdeling 7. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juli 1998 tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu
Sous-section 7. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 juillet 1998 fixant les modalités d'exécution du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel
Art. 13.1.19. In artikel 7, eerste lid, 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juli 1998 tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2009, wordt de zinsnede "een op grond van het decreet van 16 april 1996 beschermd landschap" vervangen door de woorden "een beschermd cultuurhistorisch landschap".
Art. 13.1.19. Dans l'article 7, alinéa premier, 4°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 juillet 1998 fixant les modalités d'exécution du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juillet 2009, les mots " paysage protégé sur base du décret du 16 avril 1996 " sont remplacés par les mots " paysage culturo-historique protégé ".
Onderafdeling 8. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 mei 2000 betreffende de openbare onderzoeken over aanvragen tot stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsaanvragen en aanvragen tot verkavelingswijziging
Sous-section 8. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 mai 2000 relatif aux enquêtes publiques sur les demandes d'autorisations urbanistiques, les demandes des permis de lotir et les demandes de modification des permis de lotir
Art. 13.1.20. In artikel 3, § 3, 7°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 mei 2000 betreffende de openbare onderzoeken over aanvragen tot stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsaanvragen en aanvragen tot verkavelingswijziging worden de woorden "of op een ontwerp van lijst voorkomend monument" opgeheven.
Art. 13.1.20. Dans l'article 3, § 3, 7°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 mai 2000 relatif aux enquêtes publiques sur les demandes d'autorisations urbanistiques, les demandes des permis de lotir et les demandes de modification des permis de lotir, les mots " ou à un monument figurant dans un projet de liste " sont abrogés.
Onderafdeling 9. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 februari 2001 tot vaststelling van nadere regels inzake compensatie van ontbossing en ontheffing van het verbod op ontbossing
Sous-section 9. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 février 2001 relatif aux modalités de la compensation du déboisement et de la dispense de l'interdiction de déboisement
Art. 13.1.21. In artikel 14, § 1, tweede lid, 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 februari 2001 tot vaststelling van nadere regels inzake compensatie van ontbossing en ontheffing van het verbod op ontbossing wordt punt c) vervangen door wat volgt:
  "c) de bescherming als cultuurhistorisch landschap;".
Art. 13.1.21. Dans l'article 14, § 1er, alinéa deux, 4°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 février 2001 relatif aux modalités de la compensation du déboisement et de la dispense de l'interdiction de déboisement, le point c) est remplacé par ce qui suit :
  " c) la protection comme paysage culturo-historique ; ".
Onderafdeling 10. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 11 mei 2001 tot aanwijzing van de instellingen en administraties die adviseren over voorontwerpen van ruimtelijke uitvoeringsplannen
Sous-section 10. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 mai 2001 portant désignation des institutions et administrations émettant des avis sur les avant-projets des plans d'exécution spatiaux
Art. 13.1.22. In artikel 2, 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 11 mei 2001 tot aanwijzing van de instellingen en administraties die adviseren over voorontwerpen van ruimtelijke uitvoeringsplannen, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in punt b) wordt tussen het woord "als" en het woord "landschap" het woord "cultuurhistorisch" ingevoegd;
  2° punt c) en punt d) worden opgeheven;
  3° punt e) wordt vervangen door wat volgt:
  "e) geheel of ten dele deel uitmaken van een in het voorontwerp afgebakend erfgoedlandschap, van een reeds eerder afgebakend erfgoedlandschap of geheel of ten dele opgenomen zijn in de vastgestelde landschapsatlas";
  4° punt f) wordt vervangen door wat volgt:
  "f) geheel of ten dele beschermd zijn als archeologische site;".
Art. 13.1.22. Dans l'article 2, 2°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 mai 2001 portant désignation des institutions et administrations émettant des avis sur les avant-projets des plans d'exécution spatiaux, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 juillet 2013, sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans le point b), les mots " comme site rural, villageois ou urbain " sont remplacés par les mots " comme paysage culturo-historique, site rural ou urbain " ;
  2° les points c) et d) sont abrogés ;
  3° le point e) est remplacé par ce qui suit :
  " e) font partie entièrement ou partiellement d'un paysage patrimonial délimité dans l'avant-projet, d'un paysage patrimonial déjà délimité avant ou sont repris entièrement ou partiellement dans l'atlas des paysages établi " ;
  4° le point f) est remplacé par ce qui suit :
  " f) sont protégés entièrement ou partiellement comme site archéologique ; ".
Art. 13.1.23. In artikel 3 van hetzelfde besluit wordt de zinsnede ", 6°, b), 7°, b)" opgeheven.
Art. 13.1.23. Dans l'article 3 du même arrêté, les mots " , 6°, b), 7°, b) " sont abrogés.
Onderafdeling 11. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juni 2003 betreffende de erkenning en de subsidiëring van bosgroepen en de wijze waarop leden van het Agentschap voor Natuur en Bos kunnen meewerken in erkende bosgroepen
Sous-section 11. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 juin 2003 relatif à l'agrément et au subventionnement des groupes forestiers et aux modalités de participation de membres de l'Agence de la Nature et des Forêts à l'action de groupes forestiers agréés
Art. 13.1.24. In punt 2°, e), van bijlage II bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juni 2003 betreffende de erkenning en de subsidiëring van bosgroepen en de wijze waarop leden van het Agentschap voor Natuur en Bos kunnen meewerken in erkende bosgroepen wordt tussen het woord "beschermd" en het woord "landschap" het woord "cultuurhistorisch" ingevoegd.
Art. 13.1.24. Dans le point 2°, e), de l'annexe II à l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 juin 2003 relatif à l'agrément et au subventionnement des groupes forestiers et aux modalités de participation de membres de l'Agence de la Nature et des Forêts à l'action de groupes forestiers agréés, les mots " site protégé " sont remplacés par les mots " paysage culturo-historique protégé ".
Onderafdeling 12. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juni 2003 tot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van natuurreservaten en van terreinbeherende natuurverenigingen en houdende toekenning van subsidies
Sous-section 12. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 juin 2003 fixant les conditions d'agrément de réserves naturelles et d'associations de défense de la nature gérant des terrains et portant l'octroi de subventions
Art. 13.1.25. In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juni 2003 tot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van natuurreservaten en van terreinbeherende natuurverenigingen en houdende toekenning van subsidies, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008, wordt punt 14° opgeheven.
Art. 13.1.25. Dans l'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 juin 2003 fixant les conditions d'agrément de réserves naturelles et d'associations de défense de la nature agréées pour la gestion de terrains et portant l'octroi de subventions, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 mars 2008, le point 14° est abrogé.
Art. 13.1.26. In artikel 10, § 4, eerste lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2009, wordt punt 4° vervangen door wat volgt:
  "4° als het visiegebied binnen de grenzen van een beschermd cultuurhistorisch landschap ligt, het agentschap Onroerend Erfgoed voor advies over onder meer de inpasbaarheid van de beheersvisie in de bescherming als cultuurhistorisch landschap.".
Art. 13.1.26. Dans l'article 10, § 4, alinéa premier, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juillet 2009, le point 4° est remplacé par ce qui suit :
  " 4° Lorsque la zone de vision se situe dans les limites d'un paysage culturo-historique protégé, à l'agence du Patrimoine immobilier pour avis sur entre autres la possibilité d'insertion de la vision de gestion dans la protection comme paysage culturo-historique. ".
Art. 13.1.27. In artikel 25 van hetzelfde besluit wordt punt 5° vervangen door wat volgt:
  "5° vergoedingen die toegekend zijn met toepassing van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;".
Art. 13.1.27. Dans l'article 25 du même arrêté, le point 5° est remplacé par ce qui suit :
  " 5° des indemnités octroyées en application du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 ; ".
Art. 13.1.28. In punt 6 van bijlage III bij hetzelfde besluit wordt de zinsnede "beschermd landschap overeenkomstig het landschapsdecreet, artikel 17, § 5" vervangen door de zinsnede "beschermd cultuurhistorisch landschap overeenkomstig het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013".
Art. 13.1.28. Dans le point 6 de l'annexe III au même arrêté, les mots " site classe, conformément au décret sur la protection des sites, article 17, § 5 " sont remplacés par les mots " paysage culturo-historique protégé, conformément au décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 ".
Onderafdeling 13. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 november 2003 tot vaststelling van de lijst van toelaatbare zonevreemde functiewijzigingen
Sous-section 13. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 novembre 2003 fixant les modifications admissibles de la fonction de bâtiments situés en dehors de la zone d'affectation appropriée
Art. 13.1.29. In artikel 10, 1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 november 2003 tot vaststelling van de lijst van toelaatbare zonevreemde functiewijzigingen, gewijzigd bij, wordt de zinsnede "12/1 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten, stads- en dorpsgezichten" vervangen door de zinsnede "4.1.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013".
Art. 13.1.29. Dans l'article 10, 1°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 novembre 2003 fixant les modifications admissibles de la fonction de bâtiments situés en dehors de la zone d'affectation appropriée, modifié par, les mots " 12/1 du décret du 3 mars 1976 réglant la protection des monuments et des sites urbains et ruraux " sont remplacés par les mots " 4.1.1 du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 ".
Onderafdeling 14. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed
Sous-section 14. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée interne sans personnalité juridique " Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed " (Institut flamand du Patrimoine immobilier)
Art. 13.1.30. In artikel 1, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° punt 1° wordt vervangen door wat volgt:
  "1° de monumenten en de stads- en dorpsgezichten, vermeld in het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;";
  2° punt 2° wordt vervangen door wat volgt:
  "2° de cultuurhistorische landschappen, vermeld in het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;".
Art. 13.1.30. Dans l'article 1er, § 2, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée interne sans personnalité juridique " Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed " (Institut flamand du Patrimoine immobilier) sont apportées les modifications suivantes :
  1° le point 1° est remplacé par ce qui suit :
  " 1° les monuments et les sites urbains et ruraux, visés au décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 ; " ;
  2° le point 2° est remplacé par ce qui suit :
  " 2° les paysages culturo-historiques, visés au décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 ; ".
Art. 13.1.31. In artikel 3 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 22 juni 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid, 2°, c), wordt de zinsnede "archeologische monumenten en zones, landschappen" vervangen door de zinsnede "archeologische sites, cultuurhistorische landschappen";
  2° in het eerste lid, 2°, c), wordt de zinsnede ", alsook de dossiers over de voorlopige en definitieve aanduiding van ankerplaatsen" opgeheven;
  3° het tweede lid wordt opgeheven.
Art. 13.1.31. Dans l'article 3 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 juin 2012, sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans l'alinéa premier, 2°, c), les mots " zones et monuments archéologiques, sites " sont remplacés par les mots " sites archéologiques, paysages culturo-historiques " ;
  2° dans l'alinéa premier, 2°, c), les mots " , ainsi que des dossiers relatifs à la désignation provisoire et définitive de lieux d'ancrage " sont abrogés ;
  3° l'alinéa deux est abrogé.
Art. 13.1.32. In artikel 9, eerste lid van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juni 2006 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2011, wordt de zinsnede "6 van het Monumentendecreet, artikel 40, § 1 van het Landschapsdecreet" vervangen door de zinsnede "4.1.5 en 6.1.2 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013".
Art. 13.1.32. Dans l'article 9, alinéa premier, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 juin 2006 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2011, les mots " de l'article 6 du décret sur les monuments, l'article 40, § 1er du décret sur les sites ruraux " sont remplacés par les mots " des articles 4.1.5 et 6.1.2 du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 ".
Art. 13.1.33. In artikel 9/1, 3°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2011, wordt de zinsnede "artikel 4 van de wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen en artikel 34 van het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg" vervangen door de zinsnede "artikel 6.4.10 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013".
Art. 13.1.33. Dans l'article 9/1, 3°, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2011, les mots " l'article 4 de la loi du 7 août 1931 sur la conservation des monuments et des sites et à l'article 34 du décret du 16 avril 1996 portant la protection des sites " sont remplacés par les mots " l'article 6.4.10 du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 ".
Onderafdeling 15. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 mei 2004 betreffende de dossiersamenstelling van de aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning
Sous-section 15. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 mai 2004 relatif à la composition du dossier de demande d'une autorisation urbanistique
Art. 13.1.34. In artikel 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 mei 2004 betreffende de dossiersamenstelling van de aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 juli 2010, wordt het tweede tot en met het vierde lid vervangen door wat volgt:
  "Als de aanvraag strekt tot het verwijderen van een onroerend goed, opgenomen in de vastgestelde inventaris van bouwkundig erfgoed, of van een onroerend goed, opgenomen in de vastgestelde inventaris van houtige beplantingen met erfgoedwaarde, worden de foto's, vermeld in artikel 3, 3°, in aantal en qua beeld dusdanig aangevuld dat ze de actuele staat van elke zijde van het te verwijderen onroerend goed, alsook het grotere geheel waartoe het onroerend goed behoort, visualiseren. De foto's geven in elk geval een actueel beeld van de onderdelen beschreven in de inventaris.
  Onder het grotere geheel waartoe het onroerend goed behoort, bedoeld in het vorige lid, worden onder meer de volgende elementen verstaan:
  1° al dan niet aansluitende gebouwen;
  2° de omgevende gronden;
  3° het straatbeeld.
  Op het plan, vermeld in artikel 3, 2°, a), worden de opnamepunten en de kijkrichting van de foto's aangegeven. Als het plan dat niet toelaat, wordt daarvoor een aanvullend plan bij de aanvraag gevoegd.".
Art. 13.1.34. Dans l'article 4 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 mai 2004 relatif à la composition du dossier de demande d'une autorisation urbanistique, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 2 juillet 2010, les alinéas deux à quatre inclus sont remplacés par ce qui suit :
  " Lorsque la demande a trait à l'enlèvement d'un bien immobilier, repris dans l'inventaire établi du patrimoine architectural, ou d'un bien immobilier, repris dans l'inventaire établi des plantations ligneuses présentant une valeur patrimoniale, les photos, visées à l'article 3, 3°, sont complétées en nombre et en ce qui concerne l'image d'une telle façon qu'elles visualisent l'état actuel de chaque côté du bien immobilier à enlever, ainsi que l'ensemble plus grand auquel appartient le bien immobilier. Les photos donnent en tout cas une image actuelle des parties décrites dans l'inventaire.
  Par l'ensemble plus large auquel appartient le bien immobilier, visé à l'alinéa précédent, on entend entre autres les éléments suivants :
  1° les bâtiments jointifs ou non ;
  2° les terres environnantes ;
  3° l'aspect de la rue.
  Le plan, visé à l'article 3, 2°, a), indique les points de prise de vue ainsi que la direction des photos. Lorsque le plan ne le permet pas, un plan supplémentaire à cet effet est joint à la demande. ".
Art. 13.1.35. In artikel 8 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 juli 2010, wordt het tweede tot en met het vierde lid vervangen door wat volgt:
  "Als de aanvraag strekt tot het verwijderen van een onroerend goed, opgenomen in de vastgestelde inventaris van bouwkundig erfgoed, of van een onroerend goed, opgenomen in de vastgestelde inventaris van houtige beplantingen met erfgoedwaarde, worden de foto's, vermeld in artikel 7, 4°, in aantal en qua beeld dusdanig aangevuld dat ze de actuele staat van elke zijde van het te verwijderen onroerend goed, alsook het grotere geheel waartoe het onroerend goed behoort, visualiseren. De foto's geven in elk geval een actueel beeld van de onderdelen beschreven in de inventaris.
  Onder het grotere geheel waartoe het onroerend goed behoort, bedoeld in het vorige lid, worden onder meer de volgende elementen verstaan:
  1° al dan niet aansluitende gebouwen;
  2° de omgevende gronden;
  3° het straatbeeld.
  Op het plan, vermeld in artikel 7, 3°, b), worden de opnamepunten en de kijkrichting van de foto's aangegeven. Als het plan dat niet toelaat, wordt daarvoor een aanvullend plan bij de aanvraag gevoegd.".
Art. 13.1.35. Dans l'article 8 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 2 juillet 2010, les alinéas deux à quatre inclus sont remplacés par ce qui suit :
  " Lorsque la demande a trait à l'enlèvement d'un bien immobilier, repris dans l'inventaire établi du patrimoine architectural, ou d'un bien immobilier, repris dans l'inventaire établi des plantations ligneuses présentant une valeur patrimoniale, les photos, visées à l'article 7, 4°, sont complétées en nombre et en ce qui concerne l'image d'une telle façon qu'elles visualisent l'état actuel de chaque côté du bien immobilier à enlever, ainsi que l'ensemble plus grand auquel appartient le bien immobilier. Les photos donnent en tout cas une image actuelle des parties décrites dans l'inventaire.
  Par l'ensemble plus large auquel appartient le bien immobilier, visé à l'alinéa précédent, on entend entre autres les éléments suivants :
  1° les bâtiments jointifs ou non ;
  2° les terres environnantes ;
  3° l'aspect de la rue.
  Le plan, visé à l'article 7, 3°, b), indique les points de prise de vue ainsi que la direction des photos. Lorsque le plan ne le permet pas, un plan supplémentaire à cet effet est joint à la demande. ".
Art. 13.1.36. In artikel 12 van hetzelfde besluit, wordt een tweede tot en met vierde lid toegevoegd:
  "Als de aanvraag strekt tot het verwijderen van een onroerend goed, opgenomen in de vastgestelde inventaris van houtige beplantingen met erfgoedwaarde, worden de foto's, vermeld in artikel 11, 4° in aantal en qua beeld dusdanig aangevuld dat ze de actuele staat van elke zijde van het te verwijderen onroerend goed, alsook het grotere geheel waartoe het onroerend goed behoort, visualiseren. De foto's geven in elk geval een actueel beeld van de onderdelen beschreven in de inventaris.
  Onder het grotere geheel waartoe het onroerend goed behoort, bedoeld in het vorige lid, worden onder meer de volgende elementen verstaan:
  1° al dan niet aansluitende gebouwen;
  2° de omgevende gronden;
  3° het straatbeeld.
  Op het plan, vermeld in artikel 11, 3°, c) worden de opnamepunten en de kijkrichting van de foto's aangegeven. Als het plan dat niet toelaat, wordt daarvoor een aanvullend plan bij de aanvraag gevoegd.".
Art. 13.1.36. L'article 12 du même arrêté est complété par des alinéas deux à quatre inclus :
  " Lorsque la demande a trait à l'enlèvement d'un bien immobilier, repris dans l'inventaire établi des plantations ligneuses présentant une valeur patrimoniale, les photos, visées à l'article 11, 4°, sont complétées en nombre et en ce qui concerne l'image d'une telle façon qu'elles visualisent l'état actuel de chaque côté du bien immobilier à enlever, ainsi que l'ensemble plus grand auquel appartient le bien immobilier. Les photos donnent en tout cas une image actuelle des parties décrites dans l'inventaire.
  Par l'ensemble plus large auquel appartient le bien immobilier, visé à l'alinéa précédent, on entend entre autres les éléments suivants :
  1° les bâtiments jointifs ou non ;
  2° les terres environnantes ;
  3° l'aspect de la rue.
  Le plan, visé à l'article 11, 3°, c), indique les points de prise de vue ainsi que la direction des photos. Lorsque le plan ne le permet pas, un plan supplémentaire à cet effet est joint à la demande. ".
Art. 13.1.37. In artikel 17 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 juli 2010, wordt het derde tot en met het vijfde lid vervangen door wat volgt:
  "Als de aanvraag strekt tot het verwijderen van een onroerend goed, opgenomen in de vastgestelde inventaris van bouwkundig erfgoed, of van een onroerend goed, opgenomen in de vastgestelde inventaris van houtige beplantingen met erfgoedwaarde, worden de foto's, vermeld in artikel 16, 4°, in aantal en qua beeld dusdanig aangevuld dat ze de actuele staat van elke zijde van het te verwijderen onroerend goed, alsook het grotere geheel waartoe het onroerend goed behoort, visualiseren. De foto's geven in elk geval een actueel beeld van de onderdelen beschreven in de inventaris.
  Onder het grotere geheel waartoe het onroerend goed behoort, bedoeld in het vorige lid, worden onder meer de volgende elementen verstaan:
  1° al dan niet aansluitende gebouwen;
  2° de omgevende gronden;
  3° het straatbeeld.
  Op het plan, vermeld in artikel 16, 3°, c) worden de opnamepunten en de kijkrichting van de foto's aangegeven. Als het plan dat niet toelaat, wordt daarvoor een aanvullend plan bij de aanvraag gevoegd.".
Art. 13.1.37. Dans l'article 17 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 2 juillet 2010, les alinéas trois à cinq inclus sont remplacés par ce qui suit :
  " Lorsque la demande a trait à l'enlèvement d'un bien immobilier, repris dans l'inventaire établi du patrimoine architectural, ou d'un bien immobilier, repris dans l'inventaire établi des plantations ligneuses présentant une valeur patrimoniale, les photos, visées à l'article 16, 4°, sont complétées en nombre et en ce qui concerne l'image d'une telle façon qu'elles visualisent l'état actuel de chaque côté du bien immobilier à enlever, ainsi que l'ensemble plus grand auquel appartient le bien immobilier. Les photos donnent en tout cas une image actuelle des parties décrites dans l'inventaire.
  Par l'ensemble plus large auquel appartient le bien immobilier, visé à l'alinéa précédent, on entend entre autres les éléments suivants :
  1° les bâtiments jointifs ou non ;
  2° les terres environnantes ;
  3° l'aspect de la rue.
  Le plan, visé à l'article 16, 3°, c), indique les points de prise de vue ainsi que la direction des photos. Lorsque le plan ne le permet pas, un plan supplémentaire à cet effet est joint à la demande. ".
Art. 13.1.38. In artikel 20 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 juli 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in punt 3° wordt de zinsnede "landschap ligt, ofwel als een dergelijk ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare goederen bestaat" vervangen door de woorden "cultuurhistorisch landschap ligt";
  2° in punt 4° worden de woorden "voorlopig of definitief beschermd archeologisch goed" vervangen door de woorden "beschermde archeologische site";
  3° punt 6 wordt vervangen door wat volgt:
  "6° de aanvraag strekt tot het verwijderen van een onroerend goed, opgenomen in de vastgestelde inventaris van bouwkundig erfgoed, of van een onroerend goed, opgenomen in de vastgestelde inventaris van houtige beplantingen met erfgoedwaarde.".
Art. 13.1.38. Dans l'article 20 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 2 juillet 2010, sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans le point 3°, les mots " lorsqu'il se situe dans une site urbain ou communal protégé ou dans un site rural protégé, ou lorsqu'un tel projet de liste de biens susceptibles d'être protégés existe " sont remplacés par les mots " lorsqu'il se situe dans un site urbain ou rural protégé ou dans un paysage protégé " ;
  2° dans le point 4°, les mots " au bord ou dans un bien archéologique définitivement protégé " sont remplacés par les mots " à ou dans un site archéologique protégé " ;
  3° le point 6 est remplacé par ce qui suit :
  " 6° la demande a trait à l'enlèvement d'un bien immobilier, repris dans l'inventaire établi du patrimoine architectural, ou d'un bien immobilier, repris dans l'inventaire établi des plantations ligneuses présentant une valeur patrimoniale. ".
Onderafdeling 16. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage
Sous-section 16. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 décembre 2004 établissant les catégories de projets soumises à l'évaluation des incidences sur l'environnement
Art. 13.1.39. In artikel 1, 4°, f, van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° tussen het woord "beschermd" en het woord "landschap" wordt het woord "cultuurhistorisch" ingevoegd;
  2° het woord "zone" wordt vervangen door het woord "site".
Art. 13.1.39. Dans l'article 1er, 4°, f, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 décembre 2004 établissant les catégories de projets soumises à l'évaluation des incidences sur l'environnement sont apportées les modifications suivantes :
  1° le mot " culturo-historique " est inséré entre le mot " paysage " et les mots " , site urbain " ;
  2° le mot " zone " est remplacé par le mot " site ".
Onderafdeling 17. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 november 2005 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Inspectie RWO
Sous-section 17. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 novembre 2005 portant création de l'agence autonomisée interne sans personnalité juridique " Inspectie RWO "
Art. 13.1.40. In artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 november 2005 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Inspectie RWO, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° aan paragraaf 1, 1°, wordt een punt h) toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "h) hoofdstuk 11 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.";
  2° aan paragraaf 1, 3°, wordt een punt l) toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "l) het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;"
  3° aan paragraaf 1 wordt een punt 6° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  `6° de terugvordering van erfgoedpremies, uitgekeerd voor het herstellen van de schade die het gevolg is van een misdrijf of inbreuk als vermeld in het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, van diegenen die door hun deelname aan een misdrijf of inbreuk die schade mee hebben veroorzaakt.'.
Art. 13.1.40. Dans l'article 3 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 novembre 2005 portant création de l'agence autonomisée interne sans personnalité juridique " Inspectie RWO ", modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 juin 2009, sont apportées les modifications suivantes :
  1° le paragraphe 1er, 1°, est complété par un point h), rédigé comme suit :
  " h) chapitre 11 du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013. " ;
  1° le paragraphe 1er, 3°, est complété par un point l), rédigé comme suit :
  " l) le décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 ; " ;
  3° le paragraphe 1er est complété par un point 6°, rédigé comme suit :
  " 6° le recouvrement de primes du patrimoine, payées pour réparer des dommages qui sont la conséquence d'un délit tel que visé ou d'une infraction telle que visée au décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, de personnes qui, par leur participation à un délit ou à une infraction, ont contribué à causer les dommages. ".
Art. 13.1.41. In artikel 7 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 en 20 mei 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° aan paragraaf 1, 1° wordt een punt e) toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "e) artikel 11.3.3 en 11.3.4 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;":
  2° aan paragraaf 1, 3°, wordt de volgende zinsnede toegevoegd:
  ", en artikel 11.2.5, § 5, en artikel 11.5.11, § 1, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.";
  3° aan paragraaf 2 wordt een punt 4° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "4° inspecteur Onroerend Erfgoed als vermeld in het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.";
  4° in paragraaf 3, 1°, worden de woorden "voor de sociale huisvesting en stedenbouwkundige inspecteurs als vermeld" vervangen door de zinsnede "toezichthouders voor sociale huisvesting, stedenbouwkundige inspecteurs en inspecteurs Onroerend Erfgoed als vermeld";
  5° in paragraaf 3, 2°, wordt tussen de zinsnede " § 1, 3° " de woorden "of met" de zinsnede "en 4° " ingevoegd;
  6° aan paragraaf 3 worden een punt 4° en een punt 5° toegevoegd, die luiden als volgt:
  "4° het aanwijzen van de bevoegde personen, vermeld in artikel 11.3.1,tweede lid;
  5° het aanwijzen van de personeelsleden, vermeld in artikel 12.1.1 van het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014".
Art. 13.1.41. Dans l'article 7 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 5 juin 2009 et 20 mai 2011, sont apportées les modifications suivantes :
  1° le paragraphe 1er, 1°, est complété par un point e), rédigé comme suit :
  " e) des articles 11.3.3 et 11.3.4 du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 ; " ;
  2° le paragraphe 1er, 3°, est complété par les mots suivants :
  " , et à l'article 11.2.5, § 5, et à l'article 11.5.11, § 1er, du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013. " ;
  3° le paragraphe 2 est complété par un point 4°, rédigé comme suit :
  " 4° inspecteur du Patrimoine immobilier tel que visé au décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013. " ;
  4° dans le paragraphe 3, 1°, les mots " du logement social et d'inspecteurs urbanistes tels que visés " sont remplacés par les mots " du logement social, d'inspecteurs urbanistes et d'inspecteurs du Patrimoine immobilier tels que visés " ;
  5° dans le paragraphe 3, 2°, les mots " et 4° " sont insérés entre les mots " au § 1er, 3° " et les mots " ou de missions " ;
  6° le paragraphe 3 est complété par un point 4° et un point 5°, rédigés comme suit :
  " 4° la désignation des personnes compétentes, visées à l'article 11.3.1, alinéa deux ;
  5° la désignation des membres du personnel, visés à l'article 12.1.1 de l'arrêté relatif au patrimoine immobilier du 16 mai 2014 ".
Onderafdeling 18. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2006 tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstantie en tot vaststelling van nadere regels voor de adviesprocedure bij de watertoets, vermeld in artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid
Sous-section 18. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 juillet 2006 fixant les modalités d'application de l'évaluation aquatique, portant désignation de l'instance consultative et définissant les modalités de la procédure d'avis pour l'évaluation aquatique, visée à l'article 8 du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau
Art. 13.1.42. In punt 2 van bijlage II bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2006 tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstanties en tot vaststelling van nadere regels voor de adviesprocedure bij de watertoets, vermeld in artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 oktober 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° punt 6° wordt opgeheven;
  2° punt 7° wordt vervangen door wat volgt:
  "7° een beheersplan zoals bepaald in het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;".
Art. 13.1.42. Dans le point 2 de l'annexe II à l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 juillet 2006 fixant les modalités d'application de l'évaluation aquatique, portant désignation de l'instance consultative et définissant les modalités de la procédure d'avis pour l'évaluation aquatique, visée à l'article 8 du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 octobre 2011, sont apportées les modifications suivantes :
  1° le point 6° est abrogé ;
  2° le point 7° est remplacé par ce qui suit :
  " 7° un plan de gestion tel que visé au décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 ; ".
Onderafdeling 19. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 oktober 2006 houdende het algemeen reglement op de boekhouding van de besturen van de erkende erediensten en van de centrale besturen van de erkende erediensten
Sous-section 19. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 octobre 2006 portant le règlement général de la comptabilité des administrations des cultes reconnus et des administrations centrales des cultes reconnus
Art. 13.1.43. In artikel 34, derde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 oktober 2006 houdende het algemeen reglement op de boekhouding van de besturen van de erkende erediensten en van de centrale besturen van de erkende erediensten wordt de zinsnede "het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten met latere wijzigingen" vervangen door de zinsnede "het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013".
Art. 13.1.43. Dans l'article 34, alinéa trois, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 octobre 2006 portant le règlement général de la comptabilité des administrations des cultes reconnus et des administrations centrales des cultes reconnus, les mots " décret du 3 mars 1976 portant protection des monuments, des sites urbains et ruraux et de ses modifications ultérieures " sont remplacés par les mots " décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 ".
Onderafdeling 20. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2007 betreffende de milieueffectrapportage over plannen en programma's
Sous-section 20. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 octobre 2007 relatif à l'évaluation des incidences sur l'environnement concernant des plans et des programmes
Art. 13.1.44. In punt 9° van de bijlage bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2007 betreffende de milieueffectrapportage over plannen en programma's, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 16 maart 2012 en 11 januari 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in punt b) wordt tussen het woord "als" en het woord "landschap" het woord "cultuurhistorisch" ingevoegd;
  2° punt c), d) en e) worden opgeheven;
  3° punt f) wordt vervangen door wat volgt:
  "f) geheel of ten dele beschermd zijn als archeologische site;".
Art. 13.1.44. Dans le point 9° de l'annexe à l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 octobre 2007 relatif à l'évaluation des incidences sur l'environnement concernant des plans et des programmes, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 16 mars 2012 et 11 janvier 2013, sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans le point b), le mot " culturo-historique " est inséré entre le mot " paysage " et les mots " , site urbain " ;
  2° les points c), d) et e) sont abrogés ;
  3° le point f) est remplacé par ce qui suit :
  " f) sont protégés entièrement ou partiellement comme site archéologique ; ".
Onderafdeling 21. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 november 2008 betreffende de subsidiëring van de bebossing van landbouwgronden ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO)
Sous-section 21. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 novembre 2008 relatif au subventionnement du boisement de terres agricoles en exécution du Règlement (CE) n° 1698/2005 du Conseil du 20 septembre 2005 concernant le soutien au développement rural par le Fonds européen agricole pour le développement rural (FEADER)
Art. 13.1.45. In artikel 10, derde lid, 4°, d), van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 november 2008 betreffende de subsidiëring van de bebossing van landbouwgronden ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) wordt tussen het woord "als" en het woord "landschap" het woord "cultuurhistorisch" ingevoegd.
Art. 13.1.45. Dans l'article 10, alinéa trois, 4°, d), de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 novembre 2008 relatif au subventionnement du boisement de terres agricoles en exécution du Règlement (CE) n° 1698/2005 du Conseil du 20 septembre 2005 concernant le soutien au développement rural par le Fonds européen agricole pour le développement rural (FEADER), les mots " site rural " sont remplacés par les mots " paysage culturo-historique ".
Art. 13.1.46. In artikel 11, 5°, van hetzelfde besluit wordt tussen de woorden "bescherming van een" en het woord "landschap" het woord "cultuurhistorisch" ingevoegd.
Art. 13.1.46. Dans l'article 11, 5°, du même arrêté, les mots " classement d'un paysage " sont remplacés par les mots " protection d'un paysage culturo-historique ".
Onderafdeling 22. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 tot vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake toegankelijkheid
Sous-section 22. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 juin 2009 fixant un règlement urbanistique flamand relatif à l'accessibilité
Art. 13.1.47. In artikel 2, § 2, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 tot vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake toegankelijkheid, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de woorden "archeologische monumenten" worden vervangen door de woorden "archeologische sites";
  2° tussen de zinsnede "dorpsgezichten," en het woord "landschappen" wordt het woord "cultuurhistorisch" ingevoegd;
  3° de zinsnede ", ankerplaatsen of archeologische zones" wordt opgeheven.
Art. 13.1.47. Dans l'article 2, § 2, 3°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 juin 2009 fixant un règlement urbanistique flamand relatif à l'accessibilité, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2011, sont apportées les modifications suivantes :
  1° les mots " monuments archéologiques " sont remplacés par les mots " sites archéologiques " ;
  2° le mot " culturo-historiques " est inséré après le mot " paysages " ;
  3° les mots " , lieux d'ancrage ou zones archéologiques " sont abrogés.
Onderafdeling 23. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 tot aanwijzing van de instanties die over een vergunningsaanvraag advies verlenen
Sous-section 23. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 juin 2009 portant désignation des instances formulant un avis sur une demande de permis
Art. 13.1.48. In artikel 1, eerste lid, 1° van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 tot aanwijzing van de instanties die over een vergunningsaanvraag advies verlenen, gewijzigd door het besluit van de Vlaamse Regering van 12 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in punt b) wordt tussen het woord "beschermde" en het woord "landschap" het woord "cultuurhistorische" ingevoegd;
  2° in punt c), 1), wordt de zinsnede "vermeld in artikel 12/1 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten" vervangen door wat volgt:
  "vermeld in artikel 4.1.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013"
  3° punt d) wordt geschrapt:
  4° punt e) wordt vervangen door wat volgt:
  "aanvragen met betrekking tot percelen die in voorlopig of definitief beschermde archeologische sites liggen"
  5° in punt f), 2) en 3) wordt telkens na "bufferzone" de volgende zinsnede ingevoegd:
  "zoals goedgekeurd door het UNESCO-werelderfgoedcomité"
  6° punt g) wordt vervangen door wat volgt:
  "aanvragen die de sloop van gebouwen of constructies bevatten, opgenomen in de vastgestelde inventaris van het bouwkundig erfgoed, vermeld in artikel 4.1.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, met uitzondering van het in het tweede lid van dit punt bedoelde geval.
  Als de vergunningverlenende overheid een overeenkomstig artikel 3.2.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 erkende onroerenderfgoedgemeente is, wordt het advies ingewonnen van een deskundig medewerker van de eigen diensten of de intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst waar de gemeente deel van uitmaakt;"
  7° wordt een punt h) toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "aanvragen die betrekking hebben op het verwijderen van items opgenomen in de inventaris van houtige beplantingen met erfgoedwaarde, vermeld in artikel 4.1.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013"
Art. 13.1.48. Dans l'article 1er, alinéa premier, 1°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 juin 2009 portant désignation des instances formulant un avis sur une demande de permis, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 juillet 2013, sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans le point b), le mot " culturo-historiques " est inséré entre le mot " paysages " et le mot " provisoirement " ;
  2° dans le point c), 1), les mots " l'inventaire du patrimoine architectural, établi en application de l'article 12/1 du décret du 3 mars 1976 pour la protection des monuments et des sites urbains et ruraux " sont remplacés par ce qui suit :
  " l'inventaire établi du patrimoine architectural, visé à l'article 4.1.1 du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 " ;
  3° le point d) est abrogé ;
  4° le point e) est remplacé par ce qui suit :
  " les demandes relatives à des parcelles qui se situent au sein de sites archéologiques protégés provisoirement ou définitivement " ;
  5° dans le point f), 2) et 3), après " dans la zone tampon ", sont chaque fois insérés les mots suivants :
  " telle qu'approuvée par le Comité du patrimoine mondial UNESCO " ;
  6° le point g) est remplacé par ce qui suit :
  " les demandes qui comprennent la démolition de bâtiments ou de constructions, repris dans l'inventaire établi du patrimoine architectural, visé à l'article 4.1.1 du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, à l'exception du cas visé à l'alinéa deux du présent point.
  Lorsque l'autorité délivrante est une commune du patrimoine immobilier agréée, conformément à l'article 3.2.1 du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, l'avis est demandé d'un collaborateur expert des propres services ou du service du patrimoine immobilier intercommunal dont la commune fait partie ; " ;
  7° il est ajouté un point h), rédigé comme suit :
  " les demandes relatives à l'enlèvement d'éléments repris dans l'inventaire des plantations ligneuses présentant une valeur patrimoniale, visé à l'article 4.1.1 du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 ".
Onderafdeling 24. - Wijzigingen aan het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009 betreffende de dossiersamenstelling van de aanvraag voor een verkavelingsvergunning
Sous-section 24. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 mai 2009 relatif à la composition du dossier de demande d'un permis de lotir
Art. 13.1.49. Aan artikel 3, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009 betreffende de dossiersamenstelling van de aanvraag voor een verkavelingsvergunning, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 oktober 2012 en 1 maart 2013, wordt een punt 16° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "16° een aanvraag die betrekking heeft op handelingen aan of in een beschermd goed, waarvoor overeenkomstig artikel 6.4.4, § 2, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 een toelating vereist is, moet ook de elementen, vermeld in artikel 6.3.2 van het Onroerenderfgoedbesluit 16 mei 2014 bevatten.".
Art. 13.1.49. L'article 3, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 mai 2009 relatif à la composition du dossier de demande d'un permis de lotir, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 19 octobre 2012 et 1er mars 2013, est complété par un 16°, rédigé comme suit :
  " 16° une demande relative aux actes à ou dans un bien protégé pour lesquels une autorisation est requise, conformément à l'article 6.4.4, § 2, du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, doit également comprendre les éléments, visés à l'article 6.3.2 de l'arrêté relatif au patrimoine immobilier du 16 mai 2014. ".
Art. 13.1.50. In artikel 6 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° punt 2° wordt vervangen door wat volgt:
  "2° als het goed als monument is beschermd of een beschermd monument bevat, of als het binnen een beschermd stads- of dorpsgezichten of binnen een beschermd cultuurhistorisch landschap ligt;";
  2° in punt 3° worden de woorden "beschermd archeologisch goed of binnen een archeologische site" vervangen door de woorden "beschermde archeologische site;".
Art. 13.1.50. Dans l'article 6 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
  1° le point 2° est remplacé par ce qui suit :
  " 2° si le bien est protégé comme monument ou comprend un monument protégé, ou s'il se situe au sein d'un site urbain ou rural protégé ou au sein d'un paysage culturo-historique protégé ; " ;
  2° dans le point 3°, les mots " bien archéologique protégé ou dans un site archéologique " sont remplacés par les mots " site archéologique protégé ; ".
Onderafdeling 25. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2009 houdende nadere regelen betreffende het leegstandsregister en houdende wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 1996 betreffende de heffing ter bestrijding van leegstand en verkrotting van gebouwen en/of woningen
Sous-section 25. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juillet 2009 relatif aux modalités du registre des immeubles inoccupés et modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 2 avril 1996 portant la redevance visant à lutter contre l'inoccupation et le délabrement de bâtiments et/ou d'habitations
Art. 13.1.51. Aan artikel 2, tweede lid van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2009 houdende nadere regelen betreffende het leegstandsregister en houdende wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 1996 betreffende de heffing ter bestrijding van leegstand en verkrotting van gebouwen en/of woningen, wordt een achtste punt toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "8° als het pand voorlopig of definitief werd beschermd als monument of als stads- of dorpsgezicht: de datum van bedoeld besluit;".
Art. 13.1.51. L'article 2, alinéa deux, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juillet 2009 relatif aux modalités du registre des immeubles inoccupés et modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 2 avril 1996 portant la redevance visant à lutter contre l'inoccupation et le délabrement de bâtiments et/ou d'habitations, est complété par un point huit, rédigé comme suit :
  " 8° lorsque l'immeuble a été protégé provisoirement ou définitivement comme monument ou comme site urbain ou rural : la date de l'arrêté visé ; ".
Onderafdeling 26. - Wijzigingen aan het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 betreffende de meldingsplichtige handelingen ter uitvoering van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening
Sous-section 26. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 juillet 2010 relatif aux actes soumis à l'obligation de déclaration en exécution du Code flamand de l'Aménagement du Territoire
Art. 13.1.52. In artikel 6, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 betreffende de meldingsplichtige handelingen ter uitvoering van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° tussen het woord "beschermde" en het woord "landschappen" wordt het woord "cultuurhistorische" ingevoegd;
  2° de woorden "archeologische monumenten" worden vervangen door de woorden "archeologische sites".
Art. 13.1.52. Dans l'article 6, alinéa deux, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 juillet 2010 relatif aux actes soumis à l'obligation de déclaration en exécution du Code flamand de l'Aménagement du Territoire, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 juillet 2013, sont apportées les modifications suivantes :
  1° le mot " sites " est remplacé par les mots " paysages culturo-historiques " ;
  2° les mots " monuments archéologiques " sont remplacés par les mots " sites archéologiques ".
Onderafdeling 27. - Wijzigingen aan het Energiebesluit van 19 november 2010
Sous-section 27. - Modifications de l'arrêté relatif à l'énergie du 19 novembre 2010
Art. 13.1.53. In artikel 1.1.1, § 2, 55°, van het Energiebesluit van 19 november 2010, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2011, wordt de zinsnede "3, § 1, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed" vervangen door de zinsnede "4.1.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013".
Art. 13.1.53. Dans l'article 1.1.1, § 2, 55°, de l'arrêté relatif à l'énergie du 19 novembre 2010, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2011, les mots " 3, § 1er, alinéa deux, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée interne sans personnalité juridique " Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed " (Institut flamand du Patrimoine immobilier) " sont remplacés par les mots " 4.1.1 du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 ".
Art. 13.1.54. In artikel 9.1.23, eerste lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 mei 2011, wordt tussen het woord "beschermd" en het woord "landschap" het woord "cultuurhistorisch" ingevoegd.
Art. 13.1.54. Dans l'article 9.1.23, alinéa premier, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 mai 2011, le mot " paysage " est remplacé par les mots " paysage culturo-historique ".
Onderafdeling 28. - Wijziging van het Financieringsbesluit van 21 december 2012
Sous-section 28. - Modification de l'arrêté de Financement du 21 décembre 2012
Art. 13.1.55. In artikel 8, § 2, tweede lid, 2°, van het Financieringsbesluit van 21 december 2012 wordt tussen het woord "of" en het woord "landschap" het woord "cultuurhistorisch" ingevoegd.
Art. 13.1.55. Dans l'article 8, § 2, alinéa deux, 2°, de l'arrêté de Financement du 21 décembre 2012, les mots " ou un paysage culturo-historique " sont insérés entre les mots " un site urbain ou rural " et les mots " , ou s'il s'agit ".
Afdeling 2. - Opheffingsbepalingen
Section 2. - Dispositions abrogatoires
Art. 13.2.1. De volgende regelingen worden opgeheven:
  1° het ministerieel besluit van 7 december 1976 tot inrichting van het register van monumenten en stads- en dorpsgezichten;
  2° het besluit van de Vlaamse Regering van 18 december 1991 houdende vaststelling van de procedures inzake de subsidiëring van werken aan beschermde monumenten die door of op initiatief van regionale of lokale besturen worden uitgevoerd, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 1992;
  3° het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 1992 tot vaststelling van de modaliteiten voor de toekenning en uitbetaling van de subsidies voor werken aan beschermde monumenten die door of op initiatief van regionale of lokale besturen worden uitgevoerd;
  4° het besluit van de Vlaamse Regering van 17 november 1993 tot bepaling van de algemene voorschriften inzake instandhouding en onderhoud van monumenten en stads- en dorpsgezichten, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 22 juni 2012;
  5° het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 1994 tot het instellen van een onderhoudspremie voor gerangschikte landschappen;
  6° het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1995 tot vaststelling van een premie voor werken aan beschermde archeologische goederen, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2011;
  7° het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 1997 houdende algemene beschermingsvoorschriften, advies- en toestemmingsprocedure, instelling van een register en vaststelling van een herkenningsteken voor beschermde landschappen, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2011;
  8° het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2001 houdende vaststelling van het premiestelsel voor restauratiewerkzaamheden aan beschermde monumenten, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 juni 2012;
  9° het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juni 2002 houdende de organisatie van de Vlaamse Monumentenprijs;
  10° het besluit van de Vlaamse Regering van 4 april 2003 betreffende de oprichting, de samenstelling en de werking van de beheerscommissies voor beschermde landschappen, het laatst gewijzigd bij het besluit van 9 september 2011;
  11° het besluit van de Vlaamse Regering van 4 april 2003 tot instelling van een premiestelsel voor beschermde landschappen, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2011;
  12° het besluit van de Vlaamse Regering van 5 maart 2004 betreffende de samenstelling, de organisatie, de bevoegdheden en de werking van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van het Vlaamse Gewest;
  13° het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2004 tot het vaststellen van een onderhoudspremie voor beschermde monumenten en stads- en dorpsgezichten, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2011;
  14° het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2008 tot bepaling van nadere regels voor de zorgplicht betreffende definitief aangeduide ankerplaatsen en erfgoedlandschappen.
Art. 13.2.1. Les règlements suivants sont abrogés :
  1° l'arrêté ministériel du 7 décembre 1976 organisant le registre des monuments et des sites urbains et ruraux ;
  2° l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 décembre 1991 fixant la procédure relative à l'octroi de subsides pour des travaux à des monuments protégés exécutés par des pouvoirs régionaux ou locaux ou à leur initiative, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juillet 1992 ;
  3° l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juillet 1992 fixant les modalités d'octroi et de paiement des subsides pour des travaux à des monuments protégés exécutés par des pouvoirs régionaux ou locaux ou à leur initiative ;
  4° l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 novembre 1993 fixant les prescriptions générales en matière de conservation et d'entretien des monuments et des sites urbains et ruraux, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 juin 2012 ;
  5° l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 octobre 1994 instaurant une prime d'entretien pour des sites protégés ;
  6° l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 avril 1995 fixant une prime pour des travaux effectués à des biens archéologiques protégés, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2011 ;
  7° l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juin 1997 portant les prescriptions générales de protection, la procédure d'avis et d'autorisation, la mise en service d'un registre et la fixation d'un signe distinctif pour les sites protégés, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2011 ;
  8° l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 décembre 2001 instaurant un régime de primes pour les travaux de restauration aux monuments protégés, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 juin 2012 ;
  9° l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 juin 2002 portant organisation du Prix du Monument flamand ;
  10° l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 avril 2003 concernant la création, la composition et le fonctionnement des commissions de gestion des sites protégés, modifié en dernier lieu par l'arrêté du 9 septembre 2011 ;
  11° l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 avril 2003 instaurant un régime de primes pour des sites protégés, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du vendredi 10 juin 2011 ;
  12° l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 mars 2004 portant la composition, l'organisation, les compétences et le fonctionnement de la Commission royale des Monuments et des Sites de la Région flamande ;
  13° l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 juillet 2004 fixant une prime d'entretien pour des monuments et sites urbains et ruraux protégés, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2011 ;
  14° l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 mai 2008 fixant les modalités relatives à l'obligation de protection des sites précieux et du patrimoine rural définitivement désignés.
Afdeling 3. - Overgangsbepalingen
Section 3. - Dispositions transitoires
Art. 13.3.1. Een gemeente kan in 2015 of 2016 voorlopig erkend worden als onroerenderfgoedgemeente indien deze gemeente voldoet aan de volgende erkenningsvoorwaarden:
  1° de gemeente dient een onroerenderfgoedbeleidsplan in dat het actief behoud van onroerend erfgoed op het grondgebied van de gemeente voor ogen heeft en complementair is aan het Vlaamse onroerenderfgoedbeleid en dat bovendien aan de volgende voorwaarden voldoet:
  a) het onroerenderfgoedbeleidsplan stelt een visie en een plan van aanpak voorop;
  b) het onroerenderfgoedbeleidsplan is integraal en omvat dus de zorg voor het archeologisch erfgoed, voor de monumenten en voor de cultuurhistorische landschappen;
  c) het onroerenderfgoedbeleidsplan is geïntegreerd en is dus afgestemd met andere beleidsvelden die raakvlakken hebben met de onroerenderfgoedzorg;
  d) het onroerenderfgoedbeleidsplan houdt rekening met de noden van de aanwezige onroerenderfgoedactoren;
  2° de gemeente ondersteunt de vrijwilligerswerking die zich inzet voor het duurzame behoud en beheer en voor de ontsluiting van het onroerend erfgoed op haar grondgebied en neemt acties om een lokaal draagvlak voor de onroerenderfgoedzorg te creëren;
  3° de gemeente beschikt over voldoende expertise om dat onroerenderfgoedbeleidsplan uit te voeren en bouwt met het oog op expertiseverwerving een consultatienetwerk uit met de diensten en organisaties die betrokken zijn bij de zorg voor het onroerend erfgoed;
  4° de gemeente neemt een voorbeeldfunctie op met betrekking tot het duurzame behoud en beheer van onroerend erfgoed in haar eigendom of onder haar beheer, en integreert de visie op dat onroerend erfgoed in de beslissingen en plannen van de gemeente;
  5° de gemeente houdt de toelatingen, de adviezen en de meldingen, afgeleverd in het kader van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en dit besluit, bij in een register dat digitaal raadpleegbaar is voor het agentschap.
  De procedure voor de erkenning als onroerenderfgoedgemeente verloopt in de jaren 2015 en 2016 zoals beschreven in artikel 3.3.3 tot en met 3.3.7.
  De voorlopige erkenning als onroerenderfgoedgemeente gaat in vanaf 1 juli van het jaar waarin de aanvraag is goedgekeurd.
  De voorlopige erkenning van de onroerenderfgoedgemeente geldt zolang aan de erkenningsvoorwaarden voldaan wordt en loopt tot 1 juli 2017. Indien de erkende onroerenderfgoedgemeente de erkenning wenst te behouden, dient ze uiterlijk op 15 januari 2017 een aanvraag tot erkenning in volgens de procedure beschreven in artikel 3.2.1 tot en met 3.2.8.
  De procedure voor de schorsing en de intrekking van de voorlopige erkenning als onroerenderfgoedgemeente verloopt in 2015 en 2016 zoals beschreven in artikel 3.3.11 tot en met 3.3.15.
Art. 13.3.1. En 2015 ou en 2016, une commune peut être agréée provisoirement comme commune du patrimoine immobilier lorsque cette commune répond aux conditions d'agrément suivantes :
  1° la commune introduit un plan politique en matière de patrimoine immobilier qui vise la conservation active de patrimoine immobilier sur le territoire de la commune et qui est complémentaire à la politique en matière de patrimoine immobilier flamande et, en outre, remplit les conditions suivantes :
  a) le plan politique en matière de patrimoine immobilier part du principe d'une vision et d'un plan d'approche ;
  b) le plan politique en matière de patrimoine immobilier est intégral et comprend donc le soin du patrimoine archéologique, des monuments et des paysages culturo-historiques ;
  c) le plan politique en matière de patrimoine immobilier est intégré et est donc adapté à d'autres secteurs politiques qui ont des points communs avec le soin du patrimoine immobilier ;
  d) le plan politique en matière de patrimoine immobilier tient compte des besoins des acteurs présents en matière de patrimoine immobilier ;
  2° la commune appuie le bénévolat qui s'engage à la conservation et à la gestion durables et au désenclavement du patrimoine immobilier sur son territoire et entreprend des actions afin de créer une assise locale pour le soin du patrimoine immobilier ;
  3° la commune dispose de suffisamment d'expertise pour exécuter ce plan politique en matière de patrimoine immobilier et développe, en vue de l'acquisition d'expertise, un réseau de consultation avec les services et organisations qui sont concernés par le soin du patrimoine immobilier ;
  4° la commune assume une fonction d'exemple relative à la conservation et à la gestion durables de patrimoine immobilier en sa propriété ou sous sa gestion, et intègre la vision sur ce patrimoine immobilier dans les décisions et plans de la commune ;
  5° la commune tient les autorisations, les avis et les notifications, délivrés dans le cadre du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 et du présent arrêté, dans un registre qui peut être consulté par voie numérique par l'agence.
  La procédure pour l'agrément comme commune du patrimoine immobilier se déroule dans les années 2015 et 2016 telle que décrite aux articles 3.3.3 à 3.3.7 inclus.
  L'agrément provisoire comme commune du patrimoine immobilier prend cours à partir du 1er juillet de l'année dans laquelle la demande est approuvée.
  L'agrément provisoire de la commune du patrimoine immobilier vaut tant que les conditions d'agrément restent remplies et dure jusqu'au 1er juillet 2017. Lorsque la commune du patrimoine immobilier agréée souhaite conserver l'agrément, elle introduit une demande d'agrément selon la procédure décrite aux articles 3.2.1 à 3.2.8 inclus, le 15 janvier 2017 au plus tard.
  La procédure pour la suspension et le retrait de l'agrément provisoire comme commune du patrimoine immobilier se déroule en 2015 et en 2016 telle que décrite aux articles 3.3.11 à 3.3.15 inclus.
Art. 13.3.2. De herwaarderingsplannen opgemaakt overeenkomstig artikel 11, § 9, derde lid, 4°, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten en de landschapsbeheersplannen opgemaakt overeenkomstig artikel 32, § 1, van het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg blijven geldig tot de afloop van hun geldigheidsduur. De herwaarderingsplannen of landschapsbeheersplannen kunnen aangepast worden en als beheersplan ter goedkeuring voorgelegd worden overeenkomstig de procedure van artikel 8.1.9 van dit besluit.
Art. 13.3.2. Les plans de revalorisation établis conformément à l'article 11, § 9, alinéa trois, 4°, du décret du 3 mars 1976 réglant la protection des monuments et des sites urbains et ruraux établis conformément à l'article 32, § 1er, du décret du 16 avril 1996 portant la protection des sites ruraux restent valables jusqu'à l'expiration de leur durée de validité. Les plans de revalorisation ou plans de gestion des paysages peuvent être adaptés et être soumis à l'approbation comme plan de gestion conformément à la procédure de l'article 8.1.9 du présent arrêté.
Art. 13.3.3. Aanvragen bij de vergunningverlenende overheden voor vergunningen in het kader van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juli 1998 tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 2012, het besluit van de Vlaamse Regering van 21 november 2003 houdende maatregelen ter uitvoering van het gebiedsgericht natuurbeleid, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007, 7 maart 2008 en 11 januari 2003 of het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2008 betreffende de toegankelijkheid van de bossen en de natuurreservaten, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2009, die betekend werden voor de inwerkingtreding van hoofdstuk 13 van dit besluit, worden behandeld volgens de procedures die golden voorafgaand aan die datum. De beslissingen worden bekendgemaakt en kunnen worden bestreden en uitgevoerd overeenkomstig de regels die golden voorafgaand aan die datum.
Art. 13.3.3. Les demandes auprès d'autorités délivrantes de permis dans le cadre de l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 juillet 1998 fixant les modalités d'exécution du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 janvier 2012, dans le cadre de l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 novembre 2003 contenant des mesures d'exécution de la politique naturelle zonale, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 19 juillet 2007, 7 mars 2008 et 11 janvier 2003 ou dans le cadre de l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 décembre 2008 relatif à l'accessibilité des forêts et des réserves naturelles, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juillet 2009, qui ont été notifiées avant l'entrée en vigueur du chapitre 13 du présent arrêté, sont traitées selon les procédures qui s'appliquaient préalablement à cette date. Les décisions sont communiquées et peuvent être contestées et exécutées conformément aux règles qui s'appliquaient préalablement à cette date.
Art. 13.3.4. Artikel 13.1.35 is van toepassing op voorontwerpen van ruimtelijke uitvoeringsplannen waarvan de uitnodiging voor de plenaire vergadering wordt verstuurd na de inwerkingtreding van dit besluit.
Art. 13.3.4. L'article 13.1.35 s'applique aux avant-projets de plans d'exécution spatiaux dont l'invitation à la réunion plénière est envoyée après l'entrée en vigueur du présent arrêté.
Art. 13.3.5. Open monumenten worden, zolang de geldigheidsduur van tien jaar van de goedkeuring van het beleidsplan niet is verstreken en op voorwaarde dat tijdens deze periode blijvend wordt voldaan aan de voorwaarden van de artikelen 18 en 19 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2001 houdende vaststelling van het premiestelsel voor restauratiewerkzaamheden aan beschermde monumenten, beschouwd als open erfgoed [1 en de betrokken vereniging als open-monumentenvereniging]1. Na verstrijken van de geldigheidsduur van de goedkeuring van het beleidsplan, vervalt de erkenning als open erfgoed en moet, om in aanmerking te komen voor een verhoogde premie van tachtig procent, worden voldaan aan de voorwaarden vermeld in dit besluit.
  
Art. 13.3.5. Les monuments ouverts sont considérés comme du patrimoine ouvert [1 et l'association concernée comme une association de monuments ouverts]1 tant que la durée de validité de dix ans de l'approbation du plan politique n'a pas expiré et à condition qu'au cours de cette période, les conditions des articles 18 et 19 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 décembre 2001 instaurant un régime de primes pour les travaux de restauration aux monuments protégés, restent remplies. Après l'expiration de la durée de validité de l'approbation du plan politique, l'agrément comme patrimoine ouvert échoit et, afin d'être éligible à une prime majorée de quatre-vingts pour cent, les conditions visées au présent arrêté doivent être remplies.
  
Art. 13.3.6. Meerjarige subsidiëringsovereenkomsten, afgesloten vóór de inwerkingtreding van dit besluit, overeenkomstig de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2001 houdende vaststelling van het premiestelsel voor restauratiewerkzaamheden aan beschermde monumenten, worden uitgevoerd volgens de voorwaarden en modaliteiten omschreven in de meerjarige subsidiëringsovereenkomst zolang hun looptijd niet verstreken is.
  Premieaanvragen op basis van meerjarige subsidiëringsovereenkomsten afgesloten voor de inwerkingtreding van dit besluit worden afgehandeld overeenkomstig de regels die golden voorafgaand aan die datum.
Art. 13.3.6. Les accords de subvention pluriannuels, conclus avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, sont exécutés selon les conditions et modalités décrites dans l'accord de subvention pluriannuel tant que leur durée n'a pas expiré, conformément aux dispositions de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 décembre 2001 instaurant un régime de primes pour les travaux de restauration aux monuments protégés.
  Les demandes de prime sur la base d'accords de subvention pluriannuels conclus avant l'entrée en vigueur du présent arrêté sont traitées conformément aux règles qui s'appliquaient préalablement à cette date.
Art. 13.3.8. Tussen 15 januari 2015 en 1 juli 2015 kan een intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst een subsidieaanvraag indienen overeenkomstig artikel 10.1.1 tot en met 10.1.14 met het oog op subsidiëring vanaf 1 januari 2016. Deze samenwerkingsovereenkomst heeft een looptijd van 2 jaar.
  Tussen 15 januari 2016 en 1 juli 2016 kan een intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst een subsidieaanvraag indienen overeenkomstig artikel 10.1.1 tot en met 10.1.14 met het oog op subsidiëring vanaf 1 januari 2017. Deze samenwerkingsovereenkomst heeft een looptijd van 4 jaar.
Art. 13.3.8. Entre le 15 janvier 2015 et le 1er juillet 2015, un service du patrimoine immobilier intercommunal peut introduire une demande de subvention conformément aux articles 10.1.1 à 10.1.14 inclus en vue d'un subventionnement à partir du 1er janvier 2016. Cet accord de coopération a une durée de 2 ans.
  Entre le 15 janvier 2016 et le 1er juillet 2016, un service du patrimoine immobilier intercommunal peut introduire une demande de subvention conformément aux articles 10.1.1 à 10.1.14 inclus en vue d'un subventionnement à partir du 1er janvier 2017. Cet accord de coopération a une durée de 4 ans.
Art. 13.3.9. Voor aanvragen voor een premie voor de opmaak van een landschapsbeheerplan, die overeenkomstig artikel 16 van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 april 2003 tot instelling van een premiestelsel voor beschermde landschappen ontvankelijk zijn verklaard, geldt de goedkeuring van een beheersplan overeenkomstig dit besluit, als een goedkeuring van een landschapsbeheersplan zoals bepaald in artikel 14, § 6, van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 april 2003 tot instelling van een premiestelsel voor beschermde landschappen.
Art. 13.3.9. Pour les demandes d'une prime pour l'établissement d'un plan de gestion des paysages, déclarées recevables conformément à l'article 16 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 avril 2003 instaurant un régime de primes pour des sites protégés, l'approbation d'un plan de gestion conformément au présent arrêté vaut comme une approbation d'un plan de gestion des paysages telle que fixée à l'article 14, § 6, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 avril 2003 instaurant un régime de primes pour des sites protégés.
Art. 13.3.10. [1 De aanvragen van een stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning waarin ook moet geoordeeld worden over archeologisch vooronderzoek of een archeologische opgraving, die ingediend zijn vóór de inwerkingtreding van artikel 5.4.1, 5.4.2, 5.4.3 en 5.4.4 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, worden behandeld overeenkomstig de regels die golden voorafgaand aan die datum. De beslissingen worden, wat het archeologisch vooronderzoek of de archeologische opgraving betreft, bekendgemaakt, uitgevoerd en bestreden overeenkomstig de regels die golden voorafgaand aan die datum.]1
  
Art. 13.3.10. [1 Les demandes d'une autorisation urbanistique ou d'un permis de lotir dans lesquelles un jugement doit également être rendu sur des recherches archéologiques préliminaires ou une fouille archéologique, qui sont introduites avant l'entrée en vigueur des articles 5.4.1, 5.4.2, 5.4.3 et 5.4.4 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, sont traitées conformément aux règles qui s'appliquaient préalablement à cette date. En ce qui concerne les recherches archéologiques préliminaires ou la fouille archéologique, les décisions sont publiées, exécutées et contestées conformément aux règles qui s'appliquaient préalablement à cette date.]1
  
Art. 13.3.11. [1 De beroepen bij de deputatie over de toekenning of weigering van een stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning waarin ook geoordeeld wordt over archeologisch vooronderzoek of een archeologische opgraving waarvan de aanvraag bij het college van burgemeester en schepenen ingediend is vóór de inwerkingtreding van artikel 5.4.1, 5.4.2, 5.4.3 en 5.4.4 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, worden, wat het archeologisch vooronderzoek of de archeologische opgraving betreft, behandeld overeenkomstig de regels die golden voorafgaand aan die datum. De beslissingen worden, wat het archeologisch vooronderzoek of de archeologische opgraving betreft, bekendgemaakt, uitgevoerd en bestreden overeenkomstig de regels die golden voorafgaand aan die datum.]1
  
Art. 13.3.11. [1 Les recours auprès de la députation sur l'octroi ou le refus d'une autorisation urbanistique ou d'un permis de lotir dans lesquels un jugement est également rendu sur des recherches archéologiques préliminaires ou une fouille archéologique, dont la demande est introduite auprès du collège des bourgmestre et échevins avant l'entrée en vigueur des articles 5.4.1, 5.4.2, 5.4.3 et 5.4.4 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, sont traités, en ce qui concerne les recherches archéologiques préliminaires ou la fouille archéologique, conformément aux règles qui s'appliquaient préalablement à cette date. En ce qui concerne les recherches archéologiques préliminaires ou la fouille archéologique, les décisions sont publiées, exécutées et contestées conformément aux règles qui s'appliquaient préalablement à cette date.]1
  
Art. 13.3.12. [1 De beroepen bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen over de toekenning of weigering van een stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning waarin ook geoordeeld wordt over archeologisch vooronderzoek of een archeologische opgraving waarvan de aanvraag ingediend is vóór de inwerkingtreding van artikel 5.4.1, 5.4.2, 5.4.3 en 5.4.4 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, worden, wat het archeologisch vooronderzoek of de archeologische opgraving betreft, behandeld overeenkomstig de regels die golden voorafgaand aan die datum.]1
  
Art. 13.3.12. [1 Les recours auprès du Conseil pour les Contestations des Autorisations sur l'octroi ou le refus d'une autorisation urbanistique ou d'un permis de lotir dans lesquels un jugement est également rendu sur des recherches archéologiques préliminaires ou une fouille archéologique, dont la demande est introduite avant l'entrée en vigueur des articles 5.4.1, 5.4.2, 5.4.3 et 5.4.4 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, sont traités, en ce qui concerne les recherches archéologiques préliminaires ou la fouille archéologique, conformément aux règles qui s'appliquaient préalablement à cette date.]1
  
Art. 13.3.13. [1 Als een stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning waarvan de aanvraag ingediend is vóór de inwerkingtreding van artikel 5.4.1, 5.4.2, 5.4.3 en 5.4.4 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, een archeologisch vooronderzoek of een archeologische opgraving oplegt, wordt de schriftelijke vergunning van het agentschap, vermeld in artikel 6 en 9 van het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium, daarvoor aangevraagd, toegekend, bestreden en uitgevoerd overeenkomstig de regels die golden voorafgaand aan die datum.]1
  
Art. 13.3.13. [1 Lorsqu'une autorisation urbanistique ou un permis de lotir dont la demande est introduite avant l'entrée en vigueur des articles 5.4.1, 5.4.2, 5.4.3 et 5.4.4 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, impose des recherches archéologiques préliminaires ou une fouille archéologique, l'autorisation écrite de l'agence, visée aux articles 6 et 9 du décret du 30 juin 1993 portant protection du patrimoine archéologique, est demandée, octroyée, contestée et exécutée conformément aux règles qui s'appliquaient préalablement à cette date.]1
  
Art. 13.3.14. [1 Als er tegen een beslissing van het agentschap over een schriftelijke vergunning voor de uitvoering van werken, werkzaamheden en activiteiten als vermeld in artikel 4 en 6 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 1994 tot uitvoering van het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium, een beroep wordt ingesteld overeenkomstig artikel 8, § 1, van het voormelde besluit en er nog geen advies door de expertencommissie verleend is terwijl artikel 5.4.1, 5.4.2, 5.4.3 en 5.4.4 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 al in werking zijn getreden, wint het agentschap het advies in van de Commissie. Dat advies wordt ingewonnen en behandeld overeenkomstig artikel 8, § 4 en § 5, van het voormelde besluit.]1
  
Art. 13.3.14. [1 Lorsqu'un recours est institué contre une décision de l'agence sur une autorisation écrite pour l'exécution de travaux et d'activités tels que visés aux articles 4 et 6 du décret du 30 juin 1993 portant protection du patrimoine archéologique, conformément à l'article 8, § 1er, de l'arrêté précité, et aucun avis n'a encore été rendu par la commission d'experts, tandis que les articles 5.4.1, 5.4.2, 5.4.3 et 5.4.4 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 sont déjà entrés en vigueur, l'agence recueille l'avis de la Commission. Cet avis est recueilli et traité conformément à l'article 8, §§ 4 et 5, de l'arrêté précité.]1
  
Art. 13.3.15. [1 Als er tegen een beslissing van het agentschap over een schriftelijke vergunning voor een archeologische opgraving of een prospectie met ingreep in de bodem een beroep wordt ingesteld overeenkomstig artikel 16, § 5, van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 1994 tot uitvoering van het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium, wordt het advies ingewonnen van de Commissie.]1
  
Art. 13.3.15. [1 Lorsqu'un recours est institué contre une décision de l'agence sur une autorisation écrite pour une fouille archéologique ou une prospection avec intervention dans le sol, conformément à l'article 16, § 5, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 avril 1994 portant exécution du décret du 30 juin 1993 portant protection du patrimoine archéologique, l'avis de la Commission est recueilli.]1
  
Art. 13.3.16. [1 In afwijking van artikel 15, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 1994 tot uitvoering van het decreet van 30 juni 1993 houdende de bescherming van het archeologisch patrimonium kan een vergunning voor archeologische prospectie met ingreep in de bodem, een archeologische opgraving of het gebruik van een detector overgedragen worden aan een derde. De nieuwe vergunninghouder moet voldoen aan de kwalificatievoorwaarden voor de uitvoerders van archeologische opgravingen en archeologische prospecties met ingreep in de bodem, vermeld in artikel 12 en 13 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 1994 tot uitvoering van het decreet van 30 juni 1993 houdende de bescherming van het archeologisch patrimonium en aan de persoonsgebonden voorwaarden die opgenomen zijn in de vergunning.
  De vergunninghouder dient voor de overdracht met een beveiligde zending een gemotiveerd schriftelijk verzoek in bij het agentschap. Het agentschap neemt een beslissing binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van het verzoek en brengt de vergunninghouder met een beveiligde zending op de hoogte. Bij overdracht wordt bij de vergunning een addendum gevoegd waaruit blijkt dat de vergunning is overgedragen. De nieuwe vergunninghouder stelt de vergunning met addendum altijd ter beschikking voor inzage op de plaats waar de vergunning wordt uitgevoerd. De oorspronkelijke vergunninghouder kan de vergunning na overdracht niet langer uitvoeren.]1

  
Art. 13.3.16. [1 Par dérogation à l'article 15, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 avril 1994 portant exécution du décret du 30 juin 1993 portant protection du patrimoine archéologique, une autorisation pour une prospection archéologique avec intervention dans le sol, une fouille archéologique ou l'utilisation d'un détecteur peut être transférée à un tiers. Le nouveau détenteur de l'autorisation doit remplir les conditions de qualification pour les exécutants de recherches archéologiques préliminaires et de prospections archéologiques avec intervention dans le sol, visées aux articles 12 et 13 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 avril 1994 portant exécution du décret du 30 juin 1993 portant protection du patrimoine archéologique, ainsi que les conditions liées à la personne qui sont reprises dans l'autorisation.
  Le détenteur de l'autorisation introduit une demande écrite motivée auprès de l'agence, par envoi sécurisé, en vue du transfert. L'agence prend une décision dans un délai de trente jours, qui commence le jour après la réception de la demande, et informe le détenteur de l'autorisation par envoi sécurisé. En cas de transfert, un addenda est joint à l'autorisation dont il résulte que l'autorisation est transférée. Le nouveau détenteur de l'autorisation tient l'autorisation avec l'addenda toujours à disposition pour consultation à l'endroit où l'autorisation est exécutée. Le détenteur de l'autorisation initial ne peut plus exécuter l'autorisation après le transfert.]1

  
Art. 13.3.17. [1 De geldigheidstermijn van een vergunning voor archeologische prospectie met ingreep in de bodem, een archeologische opgraving of het gebruik van een detector verkregen met toepassing van het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium, kan, in geval van overmacht om de vergunning tijdig uit te voeren, verlengd worden. De vergunninghouder vraagt met een beveiligde zending de verlenging van de geldigheidstermijn aan het agentschap. Het agentschap kan de verlenging toestaan, weigeren of inperken. Het agentschap neemt een beslissing binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van de verlengingsaanvraag en brengt de vergunninghouder met een beveiligde zending op de hoogte.]1
  
Art. 13.3.17. [1 Le délai de validité d'une autorisation pour une prospection archéologique avec intervention dans le sol, une fouille archéologique ou l'utilisation d'un détecteur, obtenue en application du décret du 30 juin 1993 portant protection du patrimoine archéologique, peut être prolongé en cas de force majeure, afin d'exécuter l'autorisation à temps. Le détenteur de l'autorisation demande la prolongation du délai de validité par envoi sécurisé à l'agence. L'agence peut accorder, refuser ou limiter la prolongation. L'agence prend une décision dans un délai de trente jours, qui commence le jour après la réception de la demande de prolongation, et informe le détenteur de l'autorisation par envoi sécurisé.]1
  
Art. 13.3.18. [1 Aanvragen van schadevergoedingen die voortvloeien uit de toepassing van artikel 7 van het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium worden ingediend en behandeld overeenkomstig artikel 10 van het voormelde decreet.]1
  
Art. 13.3.18. [1 Des demandes d'indemnisation résultant de l'application de l'article 7 du décret du 30 juin 1993 portant protection du patrimoine archéologique sont introduites et traitées conformément à l'article 10 du décret précité.]1
  
Art. 13.3.19. [1 De aanvragen voor metaaldetectie die overeenkomstig artikel 19 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 1994 tot uitvoering van het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van archeologisch patrimonium ingediend zijn vóór de inwerkingtreding van artikel 5.1.2 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 worden behandeld overeenkomstig de regels die golden voorafgaand aan die datum. De beslissingen worden bekendgemaakt, uitgevoerd en bestreden overeenkomstig de regels die golden voorafgaand aan die datum.]1
  
Art. 13.3.19. [1 Les demandes de détection de métaux qui sont introduites conformément à l'article 19 de l'arrêté du 20 avril 1994 portant exécution du décret du 30 juin 1993 portant protection du patrimoine archéologique, avant l'entrée en vigueur de l'article 5.1.2 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, sont traitées conformément aux règles qui s'appliquaient préalablement à cette date. Les décisions sont communiquées, exécutées et contestées conformément aux règles qui s'appliquaient préalablement à cette date.]1
  
Art. 13.3.19 bis. [1 De aanduidingen als erkende archeoloog voor de inwerkingtreding van dit artikel worden gelijkgesteld met een aanduiding als een erkende archeoloog type 1 zoals vermeld in artikel 3.5.2 en 3.5.3 van dit besluit.
   Die erkende archeologen moeten de opleiding vermeld in artikel 3.5.2, 8° van dit besluit volgen binnen de twee jaar na inwerkingtreding van dit artikel om te blijven voldoen aan de erkenningsvoorwaarden.]1

  
Art. 13.3.20. [1 Les désignations comme archéologue agréé avant l'entrée en vigueur du présent article sont assimilées à une désignation comme archéologue agréé de type 1, telle que visée aux articles 3.5.2 et 3.5.3 du présent arrêté.
   Ces archéologues agréés doivent suivre la formation, telle que visée à l'article 3.5.2, 8° du présent arrêté endéans les deux ans après l'entrée en vigueur du présent article s'ils veulent continuer à satisfaire aux conditions d'agrément.]1

  
Afdeling 4. - Inwerkingtreding
Section 4. - Entrée en vigueur
Art. 13.4.1. Het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 treedt in werking op 1 januari 2015 met uitzondering van de volgende artikelen die in werking treden op een door de Vlaamse Regering te bepalen datum:
  1° artikel 2.1, 4°, 7°, 8°, 9°, 12°, 21° en 36° ;
  2° artikel 5.1.1 tot en met 5.6.1;
  3° artikel 8.1.3;
  4° artikel 10.2.1, 6° en 7° ;
  5° artikel 10.3.1;
  6° artikel 10.3.2;
  7° artikel 10.3.3;
  8° artikel 11.2.2, 4°, 5° en 10° ;
  9° artikel 11.2.4, 2° en 4° ;
  10° artikel 12.1.2 en 12.1.3.
Art. 13.4.1. Le décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 entre en vigueur le 1er janvier 2015, à l'exception des articles suivants qui entrent en vigueur à une date à fixer par le Gouvernement flamand :
  1° l'article 2.1, 4°, 7°, 8°, 9°, 12°, 21° et 36° ;
  2° les articles 5.1.1 à 5.6.1 inclus ;
  3° l'article 8.1.3 ;
  4° l'article 10.2.1, 6° et 7° ;
  5° l'article 10.3.1 ;
  6° l'article 10.3.2 ;
  7° l'article 10.3.3 ;
  8° l'article 11.2.2, 4°, 5° et 10° ;
  9° l'article 11.2.4, 2° et 4° ;
  10° les articles 12.1.2 et 12.1.3.
Art. 13.4.2. Artikel 12.2.1, 3°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 treedt in werking op 1 januari 2015 met uitzondering van artikel 1, artikel 3, 1°, 2°, 3°, 5° tot en met 8°, 10° en 11°, artikel 4 tot en met 10, artikel 30, 31, 32, 33, § 1, artikel 34, artikel 35, 1° tot en met 8°, 13° en 14°, artikel 36 en artikel 37 van het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium.
Art. 13.4.2. L'article 12.2.1, 3°, du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 entre en vigueur le 1er janvier 2015 à l'exception de l'article 1er, de l'article 3, 1°, 2°, 3°, 5° à 8° inclus, 10° et 11°, des articles 4 à 10 inclus, des articles 30, 31, 32, 33, § 1er, de l'article 34, de l'article 35, 1° à 8° inclus, 13° et 14°, de l'article 36 et de l'article 37 du décret du 30 juin 1993 portant protection du patrimoine archéologique.
Art. 13.4.3. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2015.
Art. 13.4.3. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er janvier 2015.
Art. 13.4.4. De Vlaamse minister, bevoegd voor het onroerend erfgoed, de Vlaamse minister, bevoegd voor Energie, Wonen, Steden en Sociale Economie, de Vlaamse minister, bevoegd voor Leefmilieu, Natuur en Cultuur en de Vlaamse minister, bevoegd voor Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport zijn, ieder wat hem of haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 13.4.4. Le Ministre flamand qui a le Patrimoine immobilier dans ses attributions, la Ministre flamande qui a l'Energie, le Logement, les Villes et l'Economie sociale dans ses attributions, la Ministre flamande qui a l'Environnement, la Nature et la Culture dans ses attributions et le Ministre flamand qui a les Finances, le Budget, l'Emploi, l'Aménagement du Territoire et les Sports dans ses attributions sont chargés, chacun en ce qui le ou la concerne, de l'exécution du présent arrêté.
Art. N. [1 Bijlage. De monetaire waardering van publieke schade aan bepaalde door het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 beschermde belangen
Art. N. [1 Annexe. L'évaluation monétaire de préjudice public causé aux intérêts protégés par le décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013
   HOOFDSTUK 1. - De monetaire waardering van publieke schade aan erfgoedwaarden, verbonden aan bouwkundig erfgoed 1) Algemene principes
   A. Publieke schade
   Publieke schade wordt in artikel 2, 24°, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023 gedefinieerd als de onregelmatigheden die het misdrijf, de inbreuk of de normschending vormen of die er het gevolg van zijn, en de publieke verliezen die met de onregelmatigheden gepaard gaan. Een onregelmatigheid wordt in artikel 2, 21°, van het voormelde decreet gedefinieerd als een toestand, gebeurtenis of gedraging die in strijd met Vlaamse regelgeving tot stand is gebracht. Publieke verliezen worden in artikel 2, 25°, van het voormelde decreet gedefinieerd als een reële krenking van het algemeen belang dat beschermd wordt door de Vlaamse regelgeving die is geschonden.
   Onregelmatigheden hebben in de context van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 noodzakelijk betrekking op handelingen of verzuim m.b.t. het beschermde gebouw, die het behoud ervan in een goede, originele staat beïnvloeden. Het algemeen belang dat door het voormelde decreet wordt beschermd, bestaat uit de erfgoedwaarden die onlosmakelijk verbonden zijn met het (bestaan van het) beschermde gebouw. De berekening van de monetaire waardering neemt bijgevolg de fysische verandering van het gebouw ingevolge een misdrijf, inbreuk of normschending als vermeld in het voormelde decreet, als uitgangspunt, gecombineerd met een weging van de erfgoedwaarden die het beschermde bouwkundig erfgoed daadwerkelijk incorporeert.
   B. Te waarderen schadeveld
   Het schadeveld wordt bepaald door de vergelijking tussen de referentietoestand, namelijk de toestand zoals die bestond voor het plegen van het misdrijf, de inbreuk of de normschending (artikel 2, 26°, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023) enerzijds, en de actuele toestand anderzijds, waarbij de overtreder die door zijn betrokkenheid bij het misdrijf, de inbreuk of de normschending heeft bijgedragen tot de publieke schade, altijd verplicht is de volledige schade die zich in concreto voordoet, te herstellen of te vergoeden, ook al is niet alle schade opgetreden naar aanleiding van die bijdrage (artikel 47 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023; Parl. St. Vl.P. 1724/1, 2022-2023, 57).
   Als de gevorderde of op te leggen herstelmaatregel voorziet in een gedeeltelijk feitelijk herstel, gecombineerd met een (aanvullend) herstel bij een financieel equivalent voor de erfgoedwaarden die feitelijk onhersteld blijven, is de toestand na de uitvoering van het beoogde feitelijke herstel te vergelijken met de referentietoestand.
   De te vergelijken toestanden kunnen het volledige bouwkundig erfgoed betreffen of, bij isoleerbare schade aan specifieke onderdelen, beperkt blijven tot die beschadigde onderdelen.
   C. Parameters voor de waardering van het schadeveld
   Voor de waardering van het schadeveld wordt er vertrokken van de vraag: `Hoeveel wil de maatschappij investeren om het beschermde goed en de daaraan verbonden erfgoedwaarden te behouden?' (Willingness To Pay of WTP - principle), naar boven of naar onder bijgesteld op basis van de concrete erfgoedwaarde. De volgende parameters worden in rekening gebracht:
   1° de behoudskosten van bouwkundig erfgoed: via de bescherming maakt de samenleving aanspraak op het behoud van het onroerend goed in (minstens) een onveranderde staat. Als tegenprestatie kan de zakelijkrechthouder van dat onroerend goed aanspraak maken op een procentuele bijdrage van de samenleving in de kosten voor het behoud. Die bijdrage, die overeenkomt met wat de maatschappij bereid is te betalen voor het behoud van de beschermde erfgoedwaarden, wordt berekend op basis van de verwachte restauratiekosten van het object, rekening houdend met de bouwfysische staat ervan in zijn referentietoestand. De bescherming van een onroerend goed houdt immers alleen de verplichting in om het in goede staat te behouden, niet om het naar een nieuwstaat te brengen. De gehanteerde eenheidsprijzen vertegenwoordigen de gemiddelde kostprijs van een perfect gerestaureerde staat, zodat een correctie noodzakelijk is naargelang de bouwfysische staat in de referentietoestand;
   2° het minimale premiepercentage van 40%: het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 bepaalt dat de zakelijkrechthouder recht heeft op een premie van minimaal 40% van de kosten, vermeld in punt 1° ;
   3° een weging van de erfgoedwaarden van het beschermde goed: niet elk beschermd object heeft dezelfde erfgoedwaarde. Door de erfgoedwaarden te wegen aan de hand van de vijf selectiecriteria, die ook gebruikt worden voor de beslissing om over te gaan tot bescherming, wordt een coëfficiënt verkregen die de erfgoedwaarde van het beschermde goed in kaart brengt.
   D. Formule
   De monetaire waardering van de referentietoestand is als volgt:
   Chapitre 1er. L'évaluation monétaire de préjudice public causé aux valeurs patrimoniales, liées au patrimoine architectural 1) Principes généraux
   A. Préjudice public
   Un préjudice public est défini par l'article 2, 24°, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023 comme les irrégularités constituant ou résultant du délit, de l'infraction ou de la violation des normes, ainsi que les pertes publiques liées à ces irrégularités. Une irrégularité est définie par l'article 2, 21°, du décret précité comme une situation, un événement ou un comportement créé en violation de la réglementation flamande. Les pertes publiques sont définies par l'article 2, 25°, du décret précité comme une atteinte réelle à l'intérêt général protégé par la réglementation flamande qui a été violée.
   Dans le contexte du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, les irrégularités concernent nécessairement des actes ou des omissions relatifs au bâtiment protégé qui influent sur son maintien dans un bon état original. L'intérêt général protégé par le décret précité consiste en les valeurs patrimoniales indissociables (de l'existence) du bâtiment protégé. Le calcul de l'évaluation monétaire prend donc comme point de départ le changement physique du bâtiment à la suite d'un délit, d'une infraction ou d'une violation des normes tels que visés au décret précité, combiné à une pondération des valeurs patrimoniales que le patrimoine architectural protégé incorpore effectivement.
   B. Etendue du préjudice à évaluer
   L'étendue du préjudice est déterminée en comparant, d'une part, la situation de référence, à savoir la situation telle qu'elle existait avant le délit, l'infraction ou la violation des normes (article 2, 26°, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023) et, d'autre part, la situation actuelle, le contrevenant qui a contribué à un préjudice public du fait de sa participation au délit, à l'infraction ou à la violation de normes étant toujours tenu de réparer ou d'indemniser l'intégralité du préjudice qui se présente concrètement, même si ce préjudice n'est pas entièrement la conséquence directe de sa contribution (article 47 du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023 ; Doc. parl. P. fl. 1724/1, 2022-2023, 57).
   Si la mesure de réparation réclamée ou à imposer prévoit une réparation partielle effective, combinée à une réparation (complémentaire) en cas d'un équivalent financier pour les valeurs patrimoniales qui restent effectivement non réparées, la situation après l'exécution de la réparation effective envisagée est comparable à la situation de référence.
   Les situations à comparer peuvent concerner l'ensemble du patrimoine architectural ou, en cas de préjudice isolé à des éléments spécifiques, se limiter à ces éléments endommagés.
   C. Paramètres pour l'évaluation de l'étendue du préjudice
   Pour l'évaluation de l'étendue du préjudice, on part de la question suivante : " Combien la société est-elle prête à investir pour conserver le bien protégé et les valeurs patrimoniales qui y sont liées ? " (Willingness To Pay of WTP - principle), ajustée à la hausse ou à la baisse en fonction de la valeur patrimoniale concrète. Les paramètres suivants sont pris en compte :
   1° les frais de conservation du patrimoine architectural : par le biais de la protection, la société revendique la conservation du bien immobilier dans un état (au moins) inchangé. En contrepartie, le titulaire du droit réel de ce bien immobilier peut prétendre à une contribution proportionnelle de la société aux frais de conservation. Cette contribution, qui correspond à ce que la société est prête à payer pour la conservation des valeurs patrimoniales protégées, est calculée sur la base des frais de restauration prévus de l'objet, en tenant compte de son état physique de construction dans sa situation de référence. La protection d'un bien immobilier implique en effet uniquement l'obligation de le maintenir en bon état, et non de le remettre en état neuf. Les prix unitaires utilisés représentent le coût moyen d'un état parfaitement restauré, de sorte qu'une correction est nécessaire en fonction de l'état physique de construction dans sa situation de référence ;
   2° le pourcentage minimal de prime de 40 % : le décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 stipule que le titulaire du droit réel a droit à une prime d'au moins 40 % des coûts visés au point 1° ;
   3° une pondération des valeurs patrimoniales du bien protégé : tous les objets protégés n'ont pas la même valeur patrimoniale. En pondérant les valeurs patrimoniales à l'aide des cinq critères de sélection, qui sont également utilisés pour décider de la protection, un coefficient est obtenu qui permet de déterminer la valeur patrimoniale du bien protégé.
   D. Formule
   L'évaluation monétaire de la situation de référence est la suivante :
restauratiekosten
   *
   minimaal premiepercentage van 40%
   *
   coëfficiënt van de erfgoedwaarden
restauratiekosten
   *
   minimaal premiepercentage van 40%
   *
   coëfficiënt van de erfgoedwaarden
De waarde van de referentietoestand valt samen met de waarde van het schadeveld als de schade aan het te waarderen bouwkundig erfgoed of onderdelen daarvan de daaraan verbonden erfgoedwaarden volledig teniet heeft gedaan. Als er bij de vergelijking tussen de referentietoestand en de actuele toestand nog sprake is van resterende erfgoedwaarden, wordt de waarde van het schadeveld berekend volgens de volgende formule:
   waarde referentietoestand x procentuele afname van de erfgoedwaarden
   2. Concrete uitwerking
   A. Berekening van de restauratiekosten
   De restauratiekost wordt als volgt berekend:
frais de restauration
   *
   pourcentage minimal de prime de 40 %
   *
   coefficient des valeurs patrimoniales
frais de restauration
   *
   pourcentage minimal de prime de 40 %
   *
   coefficient des valeurs patrimoniales
La valeur de la situation de référence correspond à la valeur de l'étendue du préjudice si le préjudice causé au patrimoine architectural à évaluer ou à certaines de ses parties ont complètement détruit les valeurs patrimoniales qui y sont liées. Si, lors de la comparaison entre la situation de référence et la situation actuelle, il est encore question des valeurs patrimoniales restantes, la valeur de l'étendue du préjudice est calculée selon la formule suivante :
   valeur de la situation de référence x pourcentage de réduction des valeurs patrimoniales
   2. Mise en oeuvre concrète
   A. Calcul des frais de restauration
   Le frais de restauration est calculé comme suit :
eenheidsprijs * oppervlakte van het onroerend goed * coëfficiënt bouwfysische toestand
eenheidsprijs * oppervlakte van het onroerend goed * coëfficiënt bouwfysische toestand
Voor de berekening van de restauratiekosten wordt gebruikgemaakt van eenheidsprijzen per m2 brutovloeroppervlakte. Dat is de som van het aantal m2 gebouwde of bebouwde oppervlakte van alle bouwlagen. De eenheidsprijzen zijn gekoppeld aan de evolutie van de ABEX-index en stemmen overeen met de index van 2023. Ze worden jaarlijks op 1 januari aangepast aan het ABEX-indexcijfer van de maand november die aan de aanpassing voorafgaat.
   De eenheidsprijzen zijn bepaald op basis van een vergelijkend onderzoek van de restauratieprijs per vierkante meter in verschillende gevalstudies, per type gebouw en uitgevoerde werken. Op basis van dat onderzoek zijn de gemiddelde restauratiekosten berekend, waarbij het volgende onderscheid wordt gemaakt:
   1° gebouwen met waardevolle interieurafwerking, zoals muurschilderingen, bijzonder lijst- en stucwerk, schouwen, ingemaakte kasten en andere vaste inrichtingen, industriële installaties, molenwerk: 2200 euro/m2;
   2° gebouwen met eenvoudigere interieurafwerking en bewaarde binnenindeling (zoals woningen, scholen, kloosters, kantoren): 1900 euro/m2;
   3° utilitaire gebouwen met minimale interieurafwerking en -indeling, eenvoudig buitenschijnwerk (bijvoorbeeld loodsen, schuren, stallen, hokken):
   a) opgetrokken uit ambachtelijke materialen en technieken (houten spanten, stenen gewelven, handvormsteen, natuurstenen elementen ...): 1500 euro/m2;
   b) opgetrokken uit gestandaardiseerde materialen en technieken (grenen of stalen draagstructuren, machinale baksteen ...): 1250 euro /m2;
   4° gebouwen, opgetrokken in vakwerkbouw:
   a) woningen: 2200 euro/m2;
   b) utilitaire gebouwen zoals schuren, stallen en bergingen: 2000 euro/m2.
   Als er op een beschermde site gebouwen aanwezig zijn zonder of met een heel beperkte erfgoedwaarde, worden die niet meegerekend in de oppervlakte van het onroerend goed.
   In het bedrag dat wordt verkregen, wordt ten slotte de bouwfysische toestand verrekend van het beschermde onroerende goed op het ogenblik van de referentietoestand. Er zijn vier mogelijkheden, namelijk:
prix unitaire * superficie du bien immobilier * coefficient de situation physique de construction
prix unitaire * superficie du bien immobilier * coefficient de situation physique de construction
Le calcul des frais de restauration utilise des prix unitaires par m2 de surface brute au sol, c'est-à-dire la somme des mètres carrés de surface construite ou bâtie de tous les étages. Les prix unitaires sont liés à l'évolution de l'indice ABEX et correspondent à l'indice de 2023. Ils sont annuellement adaptés au 1er janvier à l'indice ABEX du mois de novembre précédant l'adaptation.
   Les prix unitaires sont déterminés sur la base d'une étude comparative du prix de restauration par mètre carré dans différentes études de cas, par type de bâtiment et par type de travaux réalisés. Sur la base de cette étude, les frais moyens de restauration ont été calculés, en faisant la distinction suivante :
   1° bâtiments présentant des finitions intérieures de valeur, telles que des peintures murales, des moulures et des stucs particuliers, des cheminées, des armoires encastrées et autres aménagements fixes, des installations industrielles, des moulins : 2200 euros/ m2 ;
   2° bâtiments avec des finitions intérieures plus simples et un aménagement intérieur conservé (tels que des maisons, des écoles, des monastères, des bureaux) : 1900 euros/ m2 ;
   3° bâtiments utilitaires avec des finitions et un aménagement intérieurs minimaux, des menuiseries extérieures simples (par exemple des hangars, des granges, des étables, des cages) :
   a) construits à partir de matériaux et de techniques artisanaux (chevrons en bois, voûtes en pierre, briques moulées à la main, éléments en pierre naturelle, etc.) : 1500 euros/ m2 ;
   b) construits à partir de matériaux et techniques standardisés (structures portantes en pin ou en acier, briques moulées à la machine, etc.) : 1250 euros/ m2 ;
   4° bâtiments construits en colombages :
   a) maisons : 2200 euros/ m2 ;
   b) bâtiments utilitaires tels que des granges, des étables et des remises : 2000 euros/ m2.
   Si un site protégé comprend des bâtiments sans valeur patrimoniale ou dont la valeur patrimoniale est très limitée, ceux-ci ne sont pas pris en compte dans la superficie du bien immobilier.
   Dans le montant obtenu, il est enfin tenu compte de la situation physique de construction du bien immobilier protégé au moment de la situation de référence. Il existe quatre possibilités, à savoir :
1 Het goed heeft een goede bouwfysische toestand. Er zijn geen noemenswaardige gebreken. Regulier onderhoud volstaat. Het verkregen bedrag van de schadevergoeding blijft dus onveranderd, dus maal coëfficiënt 1.
2 Zichtbaar verval is ingezet. Onderhoudswerken zijn dringend. Het bedrag wordt vermenigvuldigd met de coëfficiënt 0,8.
3 Het goed is in bouwvallige toestand waarbij restauratie noodzakelijk is. Het bedrag wordt vermenigvuldigd met de coëfficiënt 0,67.
4 Het goed is in zeer vervallen toestand, waarbij restauratie ook een gedeeltelijke reconstructie vereist. Het bedrag wordt vermenigvuldigd met de coëfficiënt 0,5.
1 Het goed heeft een goede bouwfysische toestand. Er zijn geen noemenswaardige gebreken. Regulier onderhoud volstaat. Het verkregen bedrag van de schadevergoeding blijft dus onveranderd, dus maal coëfficiënt 1. 2 Zichtbaar verval is ingezet. Onderhoudswerken zijn dringend. Het bedrag wordt vermenigvuldigd met de coëfficiënt 0,8. 3 Het goed is in bouwvallige toestand waarbij restauratie noodzakelijk is. Het bedrag wordt vermenigvuldigd met de coëfficiënt 0,67. 4 Het goed is in zeer vervallen toestand, waarbij restauratie ook een gedeeltelijke reconstructie vereist. Het bedrag wordt vermenigvuldigd met de coëfficiënt 0,5.
De eenheidsprijzen, vermeld in de voorgaande tabel, kunnen altijd vervangen worden door een specifieke marktbevraging. Ook in dat geval wordt de coëfficiënt voor de bouwfysische toestand toegepast.
   B. Het minimale premiepercentage
   Het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 bepaalt dat een zakelijkrechthouder recht heeft op een premie van minimaal 40% van het restauratiebedrag. Dit is het percentage dat door de jaren heen altijd als basispremie is gehanteerd. De restauratiekosten worden vermenigvuldigd met 40% (=0,40).
   Niet alle werken in een restauratieproject komen in aanmerking voor deze premie. Alleen de ingrepen die het behoud en de herwaardering van de erfgoedelementen en -kenmerken nastreven, zijn subsidieerbaar. Nieuwe toevoegingen en moderne technische installaties, waaronder verwarming, elektriciteit, ventilatie, keuken en badkamer, worden met andere woorden niet gesubsidieerd. Voor het bepalen van de subsidieerbare werken wordt uitgegaan van de volgende standaardverhouding, opgemaakt na vergelijkend onderzoek in diverse restauratiedossiers:
   1° gebouwen met aanpassingen aan woon- en leefcomfort:
   a) bijvoorbeeld woningen, scholen, kloosters en kantoren;
   b) subsidieerbare werken: 75% - niet-subsidieerbare werken: 25%;
   2° utilitaire gebouwen:
   a) bijvoorbeeld schuren, stallen en fabrieksloodsen;
   b) subsidieerbare posten: 95 % - niet-subsidieerbare posten: 5%.
   C. Coëfficiënt van de erfgoedwaarden
   De coëfficiënt van de erfgoedwaarden wordt bepaald aan de hand van de volgende vijf criteria, zoals gedefinieerd in het ministerieel besluit van 17 juli 2015 tot vaststelling van de inventarismethodologie voor de inventaris van bouwkundig erfgoed:
1 Le bien est en bon état physique de construction. Il ne présente aucun défaut notable. Un entretien régulier suffit. Le montant obtenu de l'indemnisation reste donc inchangé, soit multiplié par un coefficient de 1.
2 Une détérioration visible a commencé. Des travaux d'entretien sont urgents. Le montant est multiplié par le coefficient de 0,8.
3 Le bien est dans un état délabré et sa restauration est nécessaire. Le montant est multiplié par le coefficient de 0,67.
4 Le bien est dans un état très délabré, sa restauration nécessitant également une reconstruction partielle. Le montant est multiplié par le coefficient de 0,5.
1 Le bien est en bon état physique de construction. Il ne présente aucun défaut notable. Un entretien régulier suffit. Le montant obtenu de l'indemnisation reste donc inchangé, soit multiplié par un coefficient de 1. 2 Une détérioration visible a commencé. Des travaux d'entretien sont urgents. Le montant est multiplié par le coefficient de 0,8. 3 Le bien est dans un état délabré et sa restauration est nécessaire. Le montant est multiplié par le coefficient de 0,67. 4 Le bien est dans un état très délabré, sa restauration nécessitant également une reconstruction partielle. Le montant est multiplié par le coefficient de 0,5.
Les prix unitaires, visés dans le tableau ci-dessus, peuvent toujours être remplacés par une étude spécifique de marché. Le coefficient pour la situation physique de construction est également appliqué dans ce cas.
   B. Le pourcentage minimal de prime
   Le décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 stipule qu'un titulaire du droit réel a droit à une prime d'au moins 40 % du montant de restauration. Il s'agit du pourcentage qui a toujours été utilisé comme prime de base au fil des ans. Les frais de restauration sont multipliés par 40 % (=0.40).
   Tous les travaux réalisés dans le cadre d'un projet de restauration ne sont pas éligibles à cette prime. Seules les interventions visant à conserver et à revaloriser les éléments et les caractéristiques patrimoniaux sont subventionnables. En d'autres termes, des ajouts nouveaux et des installations techniques modernes, notamment le chauffage, l'électricité, la ventilation, une cuisine et une salle de bains, ne sont pas subventionnés. La détermination des travaux subventionnables se base sur le rapport standard suivant, établi après une étude comparative de divers dossiers de restauration :
   1° bâtiments avec adaptations visant à améliorer le confort de vie et d'habitation :
   a) par exemple des maisons, des écoles, des monastères et des bureaux ;
   b) travaux subventionnables : 75 % - travaux non subventionnables : 25 % ;
   2° bâtiments utilitaires :
   a) par exemple des granges, des étables et des entrepôts d'usine ;
   b) travaux subventionnables : 95 % - travaux non subventionnables : 5 %.
   C. Coefficient des valeurs patrimoniales
   Le coefficient des valeurs patrimoniales est déterminé sur la base des cinq critères suivants, tels que définis dans l'arrêté ministériel du 17 juillet 2015 fixant la méthodologie d'inventaire pour l'inventaire du patrimoine architectural :
 1 2 3 4 5
zeldzaamheid      
herkenbaarheid      
representativiteit      
ensemblewaarde      
contextwaarde     
1 2 3 4 5 zeldzaamheid herkenbaarheid representativiteit ensemblewaarde contextwaarde
De vijf criteria worden beoordeeld op een schaal van 1 tot 5.
   De som van de scores op de vijf criteria drukt de erfgoedwaarde uit op een schaal van 5 tot 25 waarbij de totaalsom van 15 overeenkomt met een factor 1. Bij een score van 15 heeft het beschermde goed een gemiddelde erfgoedwaardering. Factor 1 drukt uit dat de erfgoedwaardering geen impact heeft op de schadevergoeding (factor 1 is neutraal in de berekening). Als de score hoger dan 15 is, is het verlies aan erfgoedwaarden groter en verhoogt de schadevergoeding. Als de totaalscore lager dan 15 is, is het verlies aan erfgoedwaarden eerder gering te noemen en verlaagt de schadevergoeding.
   De optelsom van de score op de vijf criteria wordt volgens de volgende tabel omgezet in een factor in de berekening van de schadevergoeding.
 1 2 3 4 5
rareté      
caractère reconnaissable      
représentativité      
valeur d'ensemble      
valeur contextuelle     
1 2 3 4 5 rareté caractère reconnaissable représentativité valeur d'ensemble valeur contextuelle
Les cinq critères sont évalués sur une échelle de 1 à 5.
   La somme des scores obtenus pour les cinq critères exprime la valeur patrimoniale sur une échelle de 5 à 25, la somme totale de 15 correspondant à un facteur 1. Avec un score de 15, le bien protégé a une valeur patrimoniale moyenne. Le facteur 1 signifie que la valeur patrimoniale n'a pas d'impact sur l'indemnisation (le facteur 1 est neutre dans le calcul). Si le score est supérieur à 15, la perte de valeur patrimoniale est plus importante et l'indemnisation augmente. Si le score total est inférieur à 15, la perte de valeurs patrimoniales est plutôt faible et l'indemnisation diminue.
   La somme des scores obtenus pour les cinq critères est convertie en un facteur dans le calcul de l'indemnisation, conformément au tableau suivant.
5 0,250
6 0,325
7 0,400
8 0,475
9 0,550
10 0,625
11 0,700
12 0,775
13 0,850
14 0,925
15 1,000
16 1,075
17 1,150
18 1,225
19 1,300
20 1,375
21 1,450
22 1,525
23 1,600
24 1,675
25 1,750
5 0,250 6 0,325 7 0,400 8 0,475 9 0,550 10 0,625 11 0,700 12 0,775 13 0,850 14 0,925 15 1,000 16 1,075 17 1,150 18 1,225 19 1,300 20 1,375 21 1,450 22 1,525 23 1,600 24 1,675 25 1,750
De voormelde vijf criteria worden op de volgende wijze verduidelijkt:
   1° zeldzaamheid
   Zeldzaamheid geeft aan in welke mate het onroerend goed uitzonderlijk voorkomt in relatie met de geografische context, de historische context, de typologie of het oeuvre van een architect of ontwerper. Er wordt gekeken naar zowel het huidige aantal geïnventariseerde als het huidige aantal beschermde items. Dat moet toelaten om vast te stellen hoe vaak dit soort erfgoed in Vlaanderen voorkomt, versus het aantal goederen dat effectief beschermd is.
5 0,250
6 0,325
7 0,400
8 0,475
9 0,550
10 0,625
11 0,700
12 0,775
13 0,850
14 0,925
15 1,000
16 1,075
17 1,150
18 1,225
19 1,300
20 1,375
21 1,450
22 1,525
23 1,600
24 1,675
25 1,750
5 0,250 6 0,325 7 0,400 8 0,475 9 0,550 10 0,625 11 0,700 12 0,775 13 0,850 14 0,925 15 1,000 16 1,075 17 1,150 18 1,225 19 1,300 20 1,375 21 1,450 22 1,525 23 1,600 24 1,675 25 1,750
Les cinq critères susmentionnés sont précisés comme suit :
   1° rareté
   La rareté indique dans quelle mesure le bien immobilier est exceptionnel en rapport avec le contexte géographique, le contexte historique, la typologie ou l'oeuvre d'un architecte ou d'un concepteur. On examine à la fois le nombre actuel d'éléments inventoriés et le nombre actuel d'éléments protégés. Cela doit permettre de déterminer la fréquence de ce type de patrimoine en Flandre par rapport au nombre de biens effectivement protégés.
1 Er zijn nog veel andere voorbeelden bewaard, verspreid over heel Vlaanderen.
2 Er zijn nog andere voorbeelden bewaard, beperkt tot een specifieke regio in Vlaanderen.
3 Het beschermde goed is algemeen voorkomend en kenmerkt zich door één zeldzaam erfgoedkenmerk.
4 Het beschermde goed is vrij zeldzaam en kenmerkt zich door twee zeldzame erfgoedkenmerken.
5 Het beschermde goed is zeldzaam voor Vlaanderen (of ruimer) en kenmerkt zich door minimaal één uniek erfgoedkenmerk.
1 Er zijn nog veel andere voorbeelden bewaard, verspreid over heel Vlaanderen. 2 Er zijn nog andere voorbeelden bewaard, beperkt tot een specifieke regio in Vlaanderen. 3 Het beschermde goed is algemeen voorkomend en kenmerkt zich door één zeldzaam erfgoedkenmerk. 4 Het beschermde goed is vrij zeldzaam en kenmerkt zich door twee zeldzame erfgoedkenmerken. 5 Het beschermde goed is zeldzaam voor Vlaanderen (of ruimer) en kenmerkt zich door minimaal één uniek erfgoedkenmerk.
herkenbaarheid
   Herkenbaarheid geeft aan in welke mate het onroerend goed een goed leesbare uitdrukking is van zijn oorspronkelijke functie, uitzicht of vormgeving, of van een belangrijke fase in de latere ontwikkeling daarvan. Er wordt daarvoor naar de toestand op het ogenblik van de bescherming gekeken. De bewaring van waardevol interieur is geen onderdeel van dit criterium en wordt gewogen in het criterium van de ensemblewaarde.
1 De nombreux autres exemples sont conservés, répartis dans toute la Flandre.
2 D'autres exemples sont conservés, mais limités à une région spécifique de la Flandre.
3 Le bien protégé est courant et se caractérise par une seule caractéristique patrimoniale rare.
4 Le bien protégé est assez rare et se caractérise par deux caractéristiques patrimoniales rares.
5 Le bien protégé est rare en Flandre (ou au-delà) et se caractérise par au moins une caractéristique patrimoniale unique.
1 De nombreux autres exemples sont conservés, répartis dans toute la Flandre. 2 D'autres exemples sont conservés, mais limités à une région spécifique de la Flandre. 3 Le bien protégé est courant et se caractérise par une seule caractéristique patrimoniale rare. 4 Le bien protégé est assez rare et se caractérise par deux caractéristiques patrimoniales rares.5 Le bien protégé est rare en Flandre (ou au-delà) et se caractérise par au moins une caractéristique patrimoniale unique.
caractère reconnaissable
   Le caractère reconnaissable indique dans quelle mesure le bien immobilier est une expression clairement lisible de sa fonction, de son apparence ou de son esthétique d'origine, ou d'une phase importante de son évolution ultérieure. La situation du bien au moment de sa protection est prise en compte à cet effet. La conservation d'un intérieur de valeur ne fait pas partie de ce critère et est prise en compte dans le critère de la valeur d'ensemble.
1 Het beschermde goed was op het ogenblik van de bescherming al verstoord in zijn type of in zijn materialiteit en moeilijk afleesbaar in zijn historische gelaagdheid.
2 De herkenbaarheid van het beschermde goed was deels verstoord.
3 De herkenbaarheid van het beschermde goed was aangetast, maar is herstelbaar zonder een beroep te doen op hypothese.
4 Het beschermde goed kenmerkte zich door latere ingrepen die de leesbaarheid niet in het gedrang brengen.
5 Het beschermde goed was zeer herkenbaar, goed afleesbaar in zijn historische gelaagdheid en was gaaf bewaard.
1 Het beschermde goed was op het ogenblik van de bescherming al verstoord in zijn type of in zijn materialiteit en moeilijk afleesbaar in zijn historische gelaagdheid. 2 De herkenbaarheid van het beschermde goed was deels verstoord. 3 De herkenbaarheid van het beschermde goed was aangetast, maar is herstelbaar zonder een beroep te doen op hypothese. 4 Het beschermde goed kenmerkte zich door latere ingrepen die de leesbaarheid niet in het gedrang brengen. 5 Het beschermde goed was zeer herkenbaar, goed afleesbaar in zijn historische gelaagdheid en was gaaf bewaard.
representativiteit
   Representativiteit geeft aan in welke mate het onroerend goed typerend is voor een geografische of historische context, voor een welbepaalde typologie of voor het oeuvre van een architect of ontwerper. We wegen dit af tegenover het huidige bestand van geïnventariseerd en beschermd erfgoed.
1 Au moment de la protection, le bien protégé était déjà perturbé dans son type ou dans sa matérialité et difficilement reconnaissable dans sa stratification historique.
2 Le caractère reconnaissable du bien protégé était partiellement perturbé.
3 Le caractère reconnaissable du bien protégé était altéré, mais peut être restauré sans recourir à des hypothèses.
4 Le bien protégé se caractérisait par des interventions ultérieures qui ne compromettaient pas son caractère distinctif.
5 Le bien protégé était très reconnaissable, facilement lisible dans sa stratification historique et parfaitement conservé.
1 Au moment de la protection, le bien protégé était déjà perturbé dans son type ou dans sa matérialité et difficilement reconnaissable dans sa stratification historique. 2 Le caractère reconnaissable du bien protégé était partiellement perturbé. 3 Le caractère reconnaissable du bien protégé était altéré, mais peut être restauré sans recourir à des hypothèses. 4 Le bien protégé se caractérisait par des interventions ultérieures qui ne compromettaient pas son caractère distinctif. 5 Le bien protégé était très reconnaissable, facilement lisible dans sa stratification historique et parfaitement conservé.
représentativité
   La représentativité indique dans quelle mesure le bien immobilier est typique d'un contexte géographique ou historique ou d'une typologie spécifique ou de l'oeuvre d'un architecte ou d'un concepteur. Ce critère est évalué par rapport à l'ensemble actuel du patrimoine inventorié et protégé.
1 Het beschermde goed is niet representatief voor Vlaanderen.
2 Het beschermde goed is representatief binnen een bepaalde regio.
3 Het beschermde goed heeft één representatief erfgoedkenmerk voor Vlaanderen.
4 Het beschermde goed heeft minimaal twee representatieve erfgoedkenmerken voor Vlaanderen of een regio.
5 Het beschermde goed heeft meer dan twee representatieve erfgoedkenmerken voor Vlaanderen of een regio en vormt een archetype.
1 Het beschermde goed is niet representatief voor Vlaanderen. 2 Het beschermde goed is representatief binnen een bepaalde regio. 3 Het beschermde goed heeft één representatief erfgoedkenmerk voor Vlaanderen. 4 Het beschermde goed heeft minimaal twee representatieve erfgoedkenmerken voor Vlaanderen of een regio. 5 Het beschermde goed heeft meer dan twee representatieve erfgoedkenmerken voor Vlaanderen of een regio en vormt een archetype.
ensemblewaarde
   Ensemblewaarde geeft aan in welke mate het onroerend goed een sterke samenhang vertoont tussen de verschillende elementen op het ogenblik van de bescherming. We beperken dit tot de erfgoedelementen die zich binnen de perimeter van de bescherming bevinden. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen de ensemblewaarde van één enkel gebouw (bijvoorbeeld de samenhang tussen het interieur en het exterieur) en de ensemblewaarde van verschillende erfgoedelementen op een site (tussen het gebouw en de omgevende tuin, tussen verschillende gebouwen op een site ...).
1 Le bien protégé n'est pas représentatif de la Flandre.
2 Le bien protégé est représentatif d'une région donnée.
3 Le bien protégé présente une seule caractéristique patrimoniale représentative de la Flandre.
4 Le bien protégé présente au moins deux caractéristiques patrimoniales représentatives de la Flandre ou d'une région.
5 Le bien protégé présente plus de deux caractéristiques patrimoniales représentatives de la Flandre ou d'une région et constitue un archétype.
1 Le bien protégé n'est pas représentatif de la Flandre. 2 Le bien protégé est représentatif d'une région donnée. 3 Le bien protégé présente une seule caractéristique patrimoniale représentative de la Flandre. 4 Le bien protégé présente au moins deux caractéristiques patrimoniales représentatives de la Flandre ou d'une région. 5 Le bien protégé présente plus de deux caractéristiques patrimoniales représentatives de la Flandre ou d'une région et constitue un archétype.
valeur d'ensemble
   La valeur d'ensemble indique dans quelle mesure le bien immobilier montre une forte cohésion entre les différents éléments au moment de la protection. Ce critère se limite aux éléments patrimoniaux situés à l'intérieur du périmètre de la protection. Une distinction est faite entre la valeur d'ensemble d'un seul bâtiment (par exemple, la cohérence entre l'intérieur et l'extérieur) et la valeur d'ensemble de différents éléments patrimoniaux sur un site (entre le bâtiment et le jardin environnant, entre différents bâtiments sur un site, etc.).
  één enkel gebouw site
1 Er is geen ensemble. tussen interieur en exterieur - tussen de verschillende onderdelen van een site én tussen het interieur en exterieur van de gebouwen op de site
2 Het ensemble is zwaar verstoord. Er zijn maar een beperkt aantal interieurelementen bewaard. - Het ensemble tussen de onderdelen van de site is zwaar verstoord én het interieur van de gebouwen van de site is zwaar verstoord. OF
   - Het ensemble is maar deels bewaard én het interieur van de voornaamste onderdelen van de site is niet bewaard. OF
   - Het interieur van de voornaamste onderdelen van de site is maar deels bewaard én het ensemble is verdwenen.
3 Het ensemble is verstoord. Het interieur is voor een groot deel bewaard. - Het ensemble is nog leesbaar (maar één element is verdwenen). OF - Het ensemble is licht verstoord en het interieur is licht verstoord. OF
   - Het ensemble is volledig bewaard, maar het interieur van de meeste onderdelen van de site is verdwenen. OF
   - Het interieur van de meeste onderdelen van de site is bewaard, maar het ensemble is verdwenen.
4 Het ensemble is heel licht verstoord. De ingrepen in het interieur brengen het ensemble niet in het gedrang. - Het ensemble van de site is volledig bewaard met een deels verstoord interieur. OF
   - Het interieur van de meeste onderdelen van de site is bewaard, maar het ensemble is beperkt verstoord.
5 Het ensemble is volledig bewaard Het volledige interieur is bewaard. - Alle onderdelen van de site zijn bewaard én het interieur van de meeste gebouwen is behouden.
één enkel gebouw site 1 Er is geen ensemble. tussen interieur en exterieur - tussen de verschillende onderdelen van een site én tussen het interieur en exterieur van de gebouwen op de site 2 Het ensemble is zwaar verstoord. Er zijn maar een beperkt aantal interieurelementen bewaard. - Het ensemble tussen de onderdelen van de site is zwaar verstoord én het interieur van de gebouwen van de site is zwaar verstoord. OF
   - Het ensemble is maar deels bewaard én het interieur van de voornaamste onderdelen van de site is niet bewaard. OF
   - Het interieur van de voornaamste onderdelen van de site is maar deels bewaard én het ensemble is verdwenen. 3 Het ensemble is verstoord. Het interieur is voor een groot deel bewaard. - Het ensemble is nog leesbaar (maar één element is verdwenen). OF - Het ensemble is licht verstoord en het interieur is licht verstoord. OF
   - Het ensemble is volledig bewaard, maar het interieur van de meeste onderdelen van de site is verdwenen. OF
   - Het interieur van de meeste onderdelen van de site is bewaard, maar het ensemble is verdwenen. 4 Het ensemble is heel licht verstoord. De ingrepen in het interieur brengen het ensemble niet in het gedrang. - Het ensemble van de site is volledig bewaard met een deels verstoord interieur. OF
   - Het interieur van de meeste onderdelen van de site is bewaard, maar het ensemble is beperkt verstoord. 5 Het ensemble is volledig bewaard Het volledige interieur is bewaard. - Alle onderdelen van de site zijn bewaard én het interieur van de meeste gebouwen is behouden.
contextwaarde
   Contextwaarde geeft aan in welke mate er tussen het onroerend goed en zijn directe of ruimere omgeving een sterke relatie is op landschappelijk, stedenbouwkundig of esthetisch vlak. Er wordt daarvoor gekeken naar de huidige context van het beschermde goed.
  un seul bâtiment site
1 Il n'y a pas d'ensemble. entre l'intérieur et l'extérieur - entre les différentes parties d'un site et entre l'intérieur et l'extérieur des bâtiments du site
2 L'ensemble est fortement perturbé. Seul un nombre limité d'éléments intérieurs ont été conservés. - L'ensemble entre les parties du site est fortement perturbé et l'intérieur des bâtiments du site est fortement perturbé. OU
   - L'ensemble n'est que partiellement conservé et l'intérieur des parties principales du site n'est pas conservé. OU
   - L'intérieur des parties principales du site n'est que partiellement conservé et l'ensemble a disparu.
3 L'ensemble est perturbé. L'intérieur est en grande partie conservé. - L'ensemble est encore lisible (mais un seul élément a disparu). OU
   - L'ensemble est légèrement perturbé et l'intérieur est légèrement perturbé. OU
   - L'ensemble est entièrement conservé, mais l'intérieur de la plupart des parties du site a disparu. OU
   - L'intérieur de la plupart des parties du site a été conservé, mais l'ensemble a disparu.
4 L'ensemble est très légèrement perturbé. Les interventions à l'intérieur ne compromettent pas l'ensemble. - L'ensemble du site a été entièrement conservé, mais l'intérieur est partiellement perturbé. OU
   - L'intérieur de la plupart des parties du site a été conservé, mais l'ensemble a été légèrement perturbé.
5 L'ensemble a été entièrement conservé. L'intérieur a été entièrement conservé. - Toutes les parties du site ont été conservées ainsi que l'intérieur de la plupart des bâtiments.
un seul bâtiment site 1 Il n'y a pas d'ensemble. entre l'intérieur et l'extérieur - entre les différentes parties d'un site et entre l'intérieur et l'extérieur des bâtiments du site 2 L'ensemble est fortement perturbé. Seul un nombre limité d'éléments intérieurs ont été conservés. - L'ensemble entre les parties du site est fortement perturbé et l'intérieur des bâtiments du site est fortement perturbé. OU
   - L'ensemble n'est que partiellement conservé et l'intérieur des parties principales du site n'est pas conservé. OU
   - L'intérieur des parties principales du site n'est que partiellement conservé et l'ensemble a disparu.3 L'ensemble est perturbé. L'intérieur est en grande partie conservé. - L'ensemble est encore lisible (mais un seul élément a disparu). OU
   - L'ensemble est légèrement perturbé et l'intérieur est légèrement perturbé. OU
   - L'ensemble est entièrement conservé, mais l'intérieur de la plupart des parties du site a disparu. OU
   - L'intérieur de la plupart des parties du site a été conservé, mais l'ensemble a disparu. 4 L'ensemble est très légèrement perturbé. Les interventions à l'intérieur ne compromettent pas l'ensemble. - L'ensemble du site a été entièrement conservé, mais l'intérieur est partiellement perturbé. OU
   - L'intérieur de la plupart des parties du site a été conservé, mais l'ensemble a été légèrement perturbé. 5 L'ensemble a été entièrement conservé. L'intérieur a été entièrement conservé. - Toutes les parties du site ont été conservées ainsi que l'intérieur de la plupart des bâtiments.
valeur contextuelle
   La valeur contextuelle indique dans quelle mesure il existe, entre le bien immobilier et son environnement direct ou plus large, une forte relation sur le plan paysager, urbanistique ou esthétique. Le contexte actuel du bien protégé est pris en considération à cet effet.
1 Ruimere omgeving heeft geen contextwaarde: de historische context is volledig verstoord.
2 De ruimere omgeving is deels aangetast.
3 De ruimere omgeving is niet aangetast, maar is ook niet uitgesproken waardeversterkend.
4 De ruimere omgeving ondersteunt de erfgoedwaarden van het beschermde goed.
5 De ruimere omgeving is waardeversterkend, heeft zelf erfgoedwaarden en is dus beschermd of beschermingswaardig.
1 Ruimere omgeving heeft geen contextwaarde: de historische context is volledig verstoord. 2 De ruimere omgeving is deels aangetast. 3 De ruimere omgeving is niet aangetast, maar is ook niet uitgesproken waardeversterkend. 4 De ruimere omgeving ondersteunt de erfgoedwaarden van het beschermde goed.5 De ruimere omgeving is waardeversterkend, heeft zelf erfgoedwaarden en is dus beschermd of beschermingswaardig.
]1
  
1 L'environnement plus large n'a aucune valeur contextuelle : le contexte historique est complètement perturbé.
2 L'environnement plus large est partiellement altéré.
3 L'environnement plus large n'est pas altéré, mais ne renforce pas non plus de manière significative la valeur du bien.
4 L'environnement plus large soutient les valeurs patrimoniales du bien protégé.
5 L'environnement plus large renforce la valeur, possède lui-même des valeurs patrimoniales et est donc protégé ou digne d'être protégé.
1 L'environnement plus large n'a aucune valeur contextuelle : le contexte historique est complètement perturbé. 2 L'environnement plus large est partiellement altéré. 3 L'environnement plus large n'est pas altéré, mais ne renforce pas non plus de manière significative la valeur du bien. 4 L'environnement plus large soutient les valeurs patrimoniales du bien protégé. 5 L'environnement plus large renforce la valeur, possède lui-même des valeurs patrimoniales et est donc protégé ou digne d'être protégé.
]1