Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder:
1° [1 codificatie: de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, bekrachtigd bij het decreet van 23 december 2016]1;
2° onderwijsinstelling: de scholen, centra en instellingen van het basisonderwijs, het secundair onderwijs, de leertijd, het deeltijds kunstonderwijs, het volwassenenonderwijs, het deeltijds onderwijs, basiseducatie en het hoger onderwijs.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
20 JUNI 2014. - Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de nadere voorwaarden en procedure om subsidies toe te kennen voor projecten die cultuureducatie van onderwijsinstellingen stimuleren(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 01-10-2014 en tekstbijwerking tot 09-03-2021)
Titre
20 JUIN 2014. - Arrêté du Gouvernement flamand relatif aux modalités et à la procédure d'octroi de subventions pour des projets visant à stimuler l'éducation culturelle des établissements d'enseignement(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 01-10-2014 et mise à jour au 09-03-2021)
Dokumentinformationen
Info du document
Inhoud
Tekst (16)
Texte (16)
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions introductives
Article 1er. Dans le présent arrêté, on entend par :
1° [1 1° codification : la Codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement du 28 octobre 2016, sanctionnée par le décret du 23 décembre 2016; ]1 ;
2° établissement d'enseignement : les écoles, centres et établissements de l'enseignement fondamental, de l'enseignement secondaire, de l'apprentissage, de l'enseignement artistique à temps partiel, de l'éducation des adultes, de l'enseignement à temps partiel, de l'éducation de base et de l'enseignement supérieur.
1° [1 1° codification : la Codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement du 28 octobre 2016, sanctionnée par le décret du 23 décembre 2016; ]1 ;
2° établissement d'enseignement : les écoles, centres et établissements de l'enseignement fondamental, de l'enseignement secondaire, de l'apprentissage, de l'enseignement artistique à temps partiel, de l'éducation des adultes, de l'enseignement à temps partiel, de l'éducation de base et de l'enseignement supérieur.
Art. 2. De Vlaamse Regering subsidieert binnen de beschikbare begrotingskredieten projecten van onderwijsinstellingen die cultuureducatie in het onderwijs stimuleren.
De Vlaamse Regering lanceert twee keer per schooljaar een oproep om een aanvraag in te dienen.
De oproep voor projecten die uitgevoerd worden in de periode die start op 1 september, wordt gelanceerd op 16 november van het voorgaande kalenderjaar of de eerste daaropvolgende werkdag. [1 ...]1
De oproep voor projecten die uitgevoerd worden in de periode die start op 1 februari, wordt gelanceerd op 16 mei van het voorgaande kalenderjaar of de eerste daaropvolgende werkdag. [1 ...]1
De Vlaamse Regering lanceert twee keer per schooljaar een oproep om een aanvraag in te dienen.
De oproep voor projecten die uitgevoerd worden in de periode die start op 1 september, wordt gelanceerd op 16 november van het voorgaande kalenderjaar of de eerste daaropvolgende werkdag. [1 ...]1
De oproep voor projecten die uitgevoerd worden in de periode die start op 1 februari, wordt gelanceerd op 16 mei van het voorgaande kalenderjaar of de eerste daaropvolgende werkdag. [1 ...]1
Art. 2. Le Gouvernement flamand subventionne, dans les limites des crédits budgétaires disponibles, des projets d'établissements d'enseignement visant à stimuler l'éducation culturelle dans l'enseignement.
Le Gouvernement flamand lance, deux fois par année scolaire, un appel afin d'introduire une demande.
L'appel pour des projets à réaliser dans la période prenant cours le 1er septembre, est lancé le 16 novembre de l'année calendaire précédent ou le premier jour ouvrable suivant.[1 ...]1
L'appel pour des projets à réaliser dans la période prenant cours le 1er février, est lancé le 16 mai de l'année calendaire précédent ou le premier jour ouvrable suivant. [1 ...]1
Le Gouvernement flamand lance, deux fois par année scolaire, un appel afin d'introduire une demande.
L'appel pour des projets à réaliser dans la période prenant cours le 1er septembre, est lancé le 16 novembre de l'année calendaire précédent ou le premier jour ouvrable suivant.[1 ...]1
L'appel pour des projets à réaliser dans la période prenant cours le 1er février, est lancé le 16 mai de l'année calendaire précédent ou le premier jour ouvrable suivant. [1 ...]1
HOOFDSTUK 2. - Toekenningsvoorwaarden en wijze van toekenning
CHAPITRE 2. - Conditions d'octroi et mode d'octroi
Art. 3. Om in aanmerking te komen voor subsidiëring, moet het project:
1° ingediend worden door middel van het volledig ingevulde online aanvraagformulier, dat op de door de Vlaamse Regering aangewezen website beschikbaar gesteld wordt;
2° tijdig ingediend worden, hetzij uiterlijk op 15 mei voor projecten die uitgevoerd worden in de daaropvolgende periode van 1 september tot en met 31 januari van het aansluitende kalenderjaar, hetzij uiterlijk op 15 november voor projecten die uitgevoerd worden in de daaropvolgende periode van 1 februari tot en met 30 juni van het aansluitende kalenderjaar;
3° volledig uitgevoerd worden hetzij in de periode die start op 1 september en eindigt op 31 januari van hetzelfde schooljaar, hetzij in de periode die start op 1 februari en eindigt op 30 juni van hetzelfde schooljaar;
4° gekoppeld zijn aan het lesgebeuren [1 en gericht zijn op een duurzame verankering van cultuureducatie]1.
1° ingediend worden door middel van het volledig ingevulde online aanvraagformulier, dat op de door de Vlaamse Regering aangewezen website beschikbaar gesteld wordt;
2° tijdig ingediend worden, hetzij uiterlijk op 15 mei voor projecten die uitgevoerd worden in de daaropvolgende periode van 1 september tot en met 31 januari van het aansluitende kalenderjaar, hetzij uiterlijk op 15 november voor projecten die uitgevoerd worden in de daaropvolgende periode van 1 februari tot en met 30 juni van het aansluitende kalenderjaar;
3° volledig uitgevoerd worden hetzij in de periode die start op 1 september en eindigt op 31 januari van hetzelfde schooljaar, hetzij in de periode die start op 1 februari en eindigt op 30 juni van hetzelfde schooljaar;
4° gekoppeld zijn aan het lesgebeuren [1 en gericht zijn op een duurzame verankering van cultuureducatie]1.
Art. 3. Pour être éligible aux subventions, le projet doit :
1° être introduit au moyen du formulaire de demande dûment rempli et pouvant être téléchargé du site web mis à disposition par le Gouvernement flamand ;
2° être introduit dans les délais, soit au plus tard le 15 mai pour les projets qui sont réalisés dans la période suivante du 1er septembre au 31 janvier de l'année calendaire consécutive, soit au plus tard le 15 novembre pour les projets qui sont réalisés dans la période suivante du 1er février au 30 juin de l'année calendaire consécutive ;
3° être réalisé entièrement, soit dans la période prenant cours le 1er septembre et se terminant le 31 janvier de la même année scolaire, soit dans la période prenant cours le 1er février et se terminant le 30 juin de la même année scolaire ;
4° être lié aux activités d'enseignement [1 et être axé sur un ancrage durable de l'éducation culturelle]1.
1° être introduit au moyen du formulaire de demande dûment rempli et pouvant être téléchargé du site web mis à disposition par le Gouvernement flamand ;
2° être introduit dans les délais, soit au plus tard le 15 mai pour les projets qui sont réalisés dans la période suivante du 1er septembre au 31 janvier de l'année calendaire consécutive, soit au plus tard le 15 novembre pour les projets qui sont réalisés dans la période suivante du 1er février au 30 juin de l'année calendaire consécutive ;
3° être réalisé entièrement, soit dans la période prenant cours le 1er septembre et se terminant le 31 janvier de la même année scolaire, soit dans la période prenant cours le 1er février et se terminant le 30 juin de la même année scolaire ;
4° être lié aux activités d'enseignement [1 et être axé sur un ancrage durable de l'éducation culturelle]1.
Art. 4. De bevoegde dienst beoordeelt de projectaanvragen op basis van de criteria, vermeld in artikel 3 van dit besluit, en in [1 artikel IV.33 van de codificatie]1.
De criteria, vermeld in [1 artikel IV.33, derde lid, 1°, van de codificatie,]1 en artikel 3, 1° tot en met 3°, van dit besluit, zijn ontvankelijkheidcriteria.
De criteria, vermeld in [1 "artikel IV.33, derde lid, 2° tot en met 5°, van de codificatie]1 en artikel 3, 4°, van dit besluit, zijn inhoudelijke criteria.
De ontvankelijke projectaanvragen worden gerangschikt op basis van het totale puntenaantal dat de bevoegde dienst aan het project toekent, op basis van elk van de vijf gelijkwaardige criteria, vermeld in het derde lid. [1 De bevoegde dienst kent een globale score toe van nul tot vier, waarbi]1:
a. een score van nul betekent dat de projectaanvraag niet beantwoordt aan [1 de criteria]1;
b. een score van een betekent dat de projectaanvraag in beperkte mate beantwoordt aan [1 de criteria]1;
c. een score van twee betekent dat de projectaanvraag in redelijke mate beantwoordt aan [1 de criteria]1;
d. een score van drie betekent dat de projectaanvraag in hoge mate beantwoordt aan het criterium in kwestie;
e. een score van vier betekent dat de projectaanvraag in heel hoge mate beantwoordt aan [1 de criteria]1.
[1 Voor onderwijsinstellingen die tijdens de drie voorgaande schooljaren geen aanvraag hebben ingediend voor een subsidie in toepassing van dit besluit, wordt het totale puntenaantal verhoogd met een vaste coëfficiënt op basis van het totale puntenaantal]1.
Een ontvankelijke projectaanvraag die op een of meerdere van de criteria, vermeld in het derde lid, een score nul kreeg, komt niet in aanmerking voor subsidiëring, ongeacht het totale puntenaantal.
Indien de subsidies die beschikbaar werden gesteld voor de periode, vermeld in artikel 2, derde of vierde lid, ontoereikend zijn om alle ontvankelijke projectaanvragen die in aanmerking komen te subsidiëren, worden de subsidies toegekend volgens de rangschikking, vermeld in het vierde lid. Projectaanvragen met dezelfde score worden gerangschikt volgens het tijdstip van indienen, waarbij voorrang verleend wordt aan het project dat het eerst werd ingediend.
De projectaanvragen die omwille van ontoereikende beschikbare kredieten voor de periode geen subsidie kunnen ontvangen wegens een te lage rangschikking, worden afgewezen.
De bevoegde dienst deelt zijn beslissing over de projectaanvragen mee aan de onderwijsinstelling uiterlijk op:
1° 30 juni voor de projecten die uitgevoerd worden in de daaropvolgende periode van 1 september tot en met 31 januari van het aansluitende kalenderjaar;
2° 31 januari voor de projecten die uitgevoerd worden in de daaropvolgende periode van 1 februari tot en met 30 juni van hetzelfde kalenderjaar.
De criteria, vermeld in [1 artikel IV.33, derde lid, 1°, van de codificatie,]1 en artikel 3, 1° tot en met 3°, van dit besluit, zijn ontvankelijkheidcriteria.
De criteria, vermeld in [1 "artikel IV.33, derde lid, 2° tot en met 5°, van de codificatie]1 en artikel 3, 4°, van dit besluit, zijn inhoudelijke criteria.
De ontvankelijke projectaanvragen worden gerangschikt op basis van het totale puntenaantal dat de bevoegde dienst aan het project toekent, op basis van elk van de vijf gelijkwaardige criteria, vermeld in het derde lid. [1 De bevoegde dienst kent een globale score toe van nul tot vier, waarbi]1:
a. een score van nul betekent dat de projectaanvraag niet beantwoordt aan [1 de criteria]1;
b. een score van een betekent dat de projectaanvraag in beperkte mate beantwoordt aan [1 de criteria]1;
c. een score van twee betekent dat de projectaanvraag in redelijke mate beantwoordt aan [1 de criteria]1;
d. een score van drie betekent dat de projectaanvraag in hoge mate beantwoordt aan het criterium in kwestie;
e. een score van vier betekent dat de projectaanvraag in heel hoge mate beantwoordt aan [1 de criteria]1.
[1 Voor onderwijsinstellingen die tijdens de drie voorgaande schooljaren geen aanvraag hebben ingediend voor een subsidie in toepassing van dit besluit, wordt het totale puntenaantal verhoogd met een vaste coëfficiënt op basis van het totale puntenaantal]1.
Een ontvankelijke projectaanvraag die op een of meerdere van de criteria, vermeld in het derde lid, een score nul kreeg, komt niet in aanmerking voor subsidiëring, ongeacht het totale puntenaantal.
Indien de subsidies die beschikbaar werden gesteld voor de periode, vermeld in artikel 2, derde of vierde lid, ontoereikend zijn om alle ontvankelijke projectaanvragen die in aanmerking komen te subsidiëren, worden de subsidies toegekend volgens de rangschikking, vermeld in het vierde lid. Projectaanvragen met dezelfde score worden gerangschikt volgens het tijdstip van indienen, waarbij voorrang verleend wordt aan het project dat het eerst werd ingediend.
De projectaanvragen die omwille van ontoereikende beschikbare kredieten voor de periode geen subsidie kunnen ontvangen wegens een te lage rangschikking, worden afgewezen.
De bevoegde dienst deelt zijn beslissing over de projectaanvragen mee aan de onderwijsinstelling uiterlijk op:
1° 30 juni voor de projecten die uitgevoerd worden in de daaropvolgende periode van 1 september tot en met 31 januari van het aansluitende kalenderjaar;
2° 31 januari voor de projecten die uitgevoerd worden in de daaropvolgende periode van 1 februari tot en met 30 juni van hetzelfde kalenderjaar.
Art. 4. Le service compétent évalue les demandes de projet sur la base des critères visés à l'article 3 du présent arrêté, et à [1 l'article IV.33, alinéa 3 de la codification]1.
Les critères mentionnés à [1 l'article IV.33, alinéa 3, 1°, de la codification, ]1 et à l'article 3, 1° à 3°, du présent décret, sont des critères de recevabilité.
Les critères mentionnés à [1 l'article IV.33, alinéa 3, 2° à 5°, de la codification]1 et à l'article 3, 4°, du présent arrêté, sont des critères de fond.
Les demandes de projet recevables sont classées sur la base du nombre total de points que le service compétent attribue au projet, sur la base de de chacun des cinq critères équivalents visés au troisième alinéa. [1 Le service compétent accorde un score global de zéro à quatre, où ]1 :
a. un score zéro signifie que la demande de projet ne répond pas [1 aux critères]1 ;
b. un score un signifie que la demande de projet répond en moindre mesure [1 aux critères]1 ;
c. un score deux signifie que la demande de projet répond dans une mesure raisonnable [1 aux critères]1 ;
d. un score trois signifie que la demande de projet répond largement [1 aux critères]1 ;
e. un score quatre signifie que la demande de projet répond par excellence [1 aux critères]1.
[1 Pour les établissements d'enseignement qui, au cours des trois années scolaires précédentes, n'ont pas introduit de demande de subvention en application du présent arrêté, le nombre total de points est augmenté d'un coefficient fixe sur la base du nombre total de points]1.
Une demande de projet recevable ayant obtenu un score zéro pour un ou plusieurs des critères visés au troisième alinéa, n'est pas admissible au subventionnement, quel que soit le nombre total de points.
Si les subventions ayant été mises à disposition pour la période visée à l'article 2, troisième ou quatrième alinéa, sont insuffisantes pour subventionner toutes les demandes de projet recevables admissibles au subventionnement, les subventions sont accordées suivant le classement mentionné au quatrième alinéa. Les demandes de projet ayant un score identique sont classées suivant le moment d'introduction, où priorité est donnée au projet ayant été introduit le premier.
Les demandes de projet qui, en raison d'une insuffisance de crédits disponibles pour la période, ne peuvent obtenir de subvention par un classement trop bas, sont rejetées.
Le service compétent communique sa décision sur les demandes de projet à l'établissement :
1° le 30 juin pour ce qui est des projets à réaliser dans la période suivante du 1er septembre au 31 janvier de l'année calendaire consécutive ;
2° le 31 janvier pour ce qui est des projets à réaliser dans la période suivante du 1er février au 30 juin de la même année calendaire.
Les critères mentionnés à [1 l'article IV.33, alinéa 3, 1°, de la codification, ]1 et à l'article 3, 1° à 3°, du présent décret, sont des critères de recevabilité.
Les critères mentionnés à [1 l'article IV.33, alinéa 3, 2° à 5°, de la codification]1 et à l'article 3, 4°, du présent arrêté, sont des critères de fond.
Les demandes de projet recevables sont classées sur la base du nombre total de points que le service compétent attribue au projet, sur la base de de chacun des cinq critères équivalents visés au troisième alinéa. [1 Le service compétent accorde un score global de zéro à quatre, où ]1 :
a. un score zéro signifie que la demande de projet ne répond pas [1 aux critères]1 ;
b. un score un signifie que la demande de projet répond en moindre mesure [1 aux critères]1 ;
c. un score deux signifie que la demande de projet répond dans une mesure raisonnable [1 aux critères]1 ;
d. un score trois signifie que la demande de projet répond largement [1 aux critères]1 ;
e. un score quatre signifie que la demande de projet répond par excellence [1 aux critères]1.
[1 Pour les établissements d'enseignement qui, au cours des trois années scolaires précédentes, n'ont pas introduit de demande de subvention en application du présent arrêté, le nombre total de points est augmenté d'un coefficient fixe sur la base du nombre total de points]1.
Une demande de projet recevable ayant obtenu un score zéro pour un ou plusieurs des critères visés au troisième alinéa, n'est pas admissible au subventionnement, quel que soit le nombre total de points.
Si les subventions ayant été mises à disposition pour la période visée à l'article 2, troisième ou quatrième alinéa, sont insuffisantes pour subventionner toutes les demandes de projet recevables admissibles au subventionnement, les subventions sont accordées suivant le classement mentionné au quatrième alinéa. Les demandes de projet ayant un score identique sont classées suivant le moment d'introduction, où priorité est donnée au projet ayant été introduit le premier.
Les demandes de projet qui, en raison d'une insuffisance de crédits disponibles pour la période, ne peuvent obtenir de subvention par un classement trop bas, sont rejetées.
Le service compétent communique sa décision sur les demandes de projet à l'établissement :
1° le 30 juin pour ce qui est des projets à réaliser dans la période suivante du 1er septembre au 31 janvier de l'année calendaire consécutive ;
2° le 31 janvier pour ce qui est des projets à réaliser dans la période suivante du 1er février au 30 juin de la même année calendaire.
HOOFDSTUK 3. - Bepaling van het subsidiebedrag en betalingsmodaliteiten
CHAPITRE 3. - Détermination du montant de la subvention et modalités de paiement
Art. 5. De subsidie wordt toegekend, voor zover die verantwoord wordt door gemaakte kosten.
Gemaakte kosten kunnen, met behoud van de toepassing van het eerste lid, voor de volgende maximumbedragen worden gesubsidieerd:
1° kostprijs voor samenwerking met de externe partner: maximaal 5.000 euro, voor zover het gaat om andere kosten dan die vermeld worden in punt 2° tot en met 4° ;
2° verwerkbaar materiaal door leerlingen, studenten of cursisten: maximaal 1.500 euro;
3° vervoerskosten: maximaal 1.500 euro;
4° toegangsgelden: maximaal 500 euro.
In afwijking van het eerste en het tweede lid, kan de Vlaamse Regering lagere maximale subsidiebedragen bepalen. Ze deelt die maximumbedragen mee in de oproep, vermeld in artikel 2, tweede lid.
Gemaakte kosten kunnen, met behoud van de toepassing van het eerste lid, voor de volgende maximumbedragen worden gesubsidieerd:
1° kostprijs voor samenwerking met de externe partner: maximaal 5.000 euro, voor zover het gaat om andere kosten dan die vermeld worden in punt 2° tot en met 4° ;
2° verwerkbaar materiaal door leerlingen, studenten of cursisten: maximaal 1.500 euro;
3° vervoerskosten: maximaal 1.500 euro;
4° toegangsgelden: maximaal 500 euro.
In afwijking van het eerste en het tweede lid, kan de Vlaamse Regering lagere maximale subsidiebedragen bepalen. Ze deelt die maximumbedragen mee in de oproep, vermeld in artikel 2, tweede lid.
Art. 5. La subvention est accordée dans la mesure où elle est justifiée par des frais exposés.
Sans préjudice de l'application de l'alinéa premier, les frais exposés peuvent être subventionnés pour les montants maximaux suivants :
1° prix coûtant pour la coopération avec le partenaire externe : 5.000 euros au maximum, pour autant qu'il s'agisse de frais autres que ceux visés aux points 2° à 4° ;
2° matériel traitable par les élèves, étudiants ou apprenants : 1.500 euros au maximum ;
3° frais de transport : 1.500 euros au maximum ;
4° droits d'entrée : 500 euros au maximum.
Par dérogation aux premier et deuxième alinéas, le Gouvernement flamand peut déterminer des montants de subvention maximaux. Il communique ces montants maximaux dans l'appel visé à l'article 2, deuxième alinéa.
Sans préjudice de l'application de l'alinéa premier, les frais exposés peuvent être subventionnés pour les montants maximaux suivants :
1° prix coûtant pour la coopération avec le partenaire externe : 5.000 euros au maximum, pour autant qu'il s'agisse de frais autres que ceux visés aux points 2° à 4° ;
2° matériel traitable par les élèves, étudiants ou apprenants : 1.500 euros au maximum ;
3° frais de transport : 1.500 euros au maximum ;
4° droits d'entrée : 500 euros au maximum.
Par dérogation aux premier et deuxième alinéas, le Gouvernement flamand peut déterminer des montants de subvention maximaux. Il communique ces montants maximaux dans l'appel visé à l'article 2, deuxième alinéa.
Art. 6. De subsidie wordt uitbetaald na afloop van het project, na voorlegging van:
1° een inhoudelijk verslag waarin de realisaties met betrekking tot de toekenningsvoorwaarden, vermeld in [1 artikel IV.33, derde lid, 2° tot en met 5°, van de codificatie]1 en artikel 3, 4°, van dit besluit, vermeld worden;
2° een financieel verslag dat een overzicht en een beschrijving bevat van alle inkomsten en uitgaven. De beschrijving moet toelaten om vast te stellen of de gedane uitgaven ressorteren onder een van de vier kosten, vermeld in artikel 5, tweede lid.
De documenten, vermeld in het eerste lid, moeten uiterlijk een maand na de geplande einddatum van het project worden ingediend.
De facturen of andere uitgavebewijsstukken worden door de onderwijsinstelling ter beschikking gehouden.
Eventuele inkomsten van het project, worden niet in mindering gebracht van het toe te kennen subsidiebedrag.
1° een inhoudelijk verslag waarin de realisaties met betrekking tot de toekenningsvoorwaarden, vermeld in [1 artikel IV.33, derde lid, 2° tot en met 5°, van de codificatie]1 en artikel 3, 4°, van dit besluit, vermeld worden;
2° een financieel verslag dat een overzicht en een beschrijving bevat van alle inkomsten en uitgaven. De beschrijving moet toelaten om vast te stellen of de gedane uitgaven ressorteren onder een van de vier kosten, vermeld in artikel 5, tweede lid.
De documenten, vermeld in het eerste lid, moeten uiterlijk een maand na de geplande einddatum van het project worden ingediend.
De facturen of andere uitgavebewijsstukken worden door de onderwijsinstelling ter beschikking gehouden.
Eventuele inkomsten van het project, worden niet in mindering gebracht van het toe te kennen subsidiebedrag.
Art. 6. La subvention est payée à l'issue du projet, sur production :
1° d'un rapport de fond mentionnant les réalisations en ce qui concerne les conditions d'octroi, mentionnées à [1 l'article IV.33, alinéa trois, 2° à 5°, de la codification]1 et à l'article 3, 4°, du présent arrêté ;
2° un rapport financier comprenant un aperçu et une description de tous les revenus et toutes les dépenses. La description doit permettre d'établir si les dépenses faites relèvent d'un des quatre frais visés à l'article 5, deuxième alinéa.
Les documents visés à l'alinéa premier doivent être introduits dans le mois de la date de fin projetée du projet.
Les factures ou autres pièces justificatives de dépenses sont tenues à disposition par l'établissement d'enseignement.
Les revenus éventuels du projet sont déduits du montant de subvention à accorder.
1° d'un rapport de fond mentionnant les réalisations en ce qui concerne les conditions d'octroi, mentionnées à [1 l'article IV.33, alinéa trois, 2° à 5°, de la codification]1 et à l'article 3, 4°, du présent arrêté ;
2° un rapport financier comprenant un aperçu et une description de tous les revenus et toutes les dépenses. La description doit permettre d'établir si les dépenses faites relèvent d'un des quatre frais visés à l'article 5, deuxième alinéa.
Les documents visés à l'alinéa premier doivent être introduits dans le mois de la date de fin projetée du projet.
Les factures ou autres pièces justificatives de dépenses sont tenues à disposition par l'établissement d'enseignement.
Les revenus éventuels du projet sont déduits du montant de subvention à accorder.
Art. 7. Overeenkomstig artikel 12 van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van het Rekenhof, aanvaardt de begunstigde de controle op de uitvoering van het project, vermeld in artikel 2, door de gemachtigde ambtenaren van de Vlaamse overheid.
Art. 7. Conformément à l'article 12 de la loi du 16 mai 2003 fixant les dispositions générales applicables aux budgets, au contrôle des subventions et à la comptabilité des communautés et des régions, ainsi qu'à l'organisation du contrôle de la Cour des comptes, le bénéficiaire accepte le contrôle de l'exécution du projet visé à l'article 2 par les fonctionnaires autorisés de l'Autorité flamande.
Art. 8. Overeenkomstig artikel 13 van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van het Rekenhof, zal de begunstigde het bedrag of een gedeelte van de verleende subsidie onmiddellijk terugbetalen als de subsidieverstrekker vaststelt dat de toekenningsvoorwaarden onvolledig, onzorgvuldig, niet of niet op tijd werden vervuld, of als de subsidie werd aangewend voor andere doeleinden dan die waarvoor ze werd verleend.
Art. 8. Conformément à l'article 13 de la loi du 16 mai 2003 fixant les dispositions générales applicables aux budgets, au contrôle des subventions et à la comptabilité des communautés et des régions, ainsi qu'à l'organisation du contrôle de la Cour des comptes, le bénéficiaire remboursera immédiatement le montant ou une partie de la subvention accordée, si le bailleur de la subvention constate que les conditions d'octroi ont été remplies de manière incomplète, négligemment, trop tard ou pas du tout, ou si la subvention a été affectée à des objectifs autres que ceux pour lesquels elle avait été octroyée.
HOOFDSTUK 4. - Slotbepalingen
CHAPITRE 4. - Dispositions finales
Art. 9. In afwijking van artikel 2, derde lid, wordt de oproep voor het indienen van projecten die starten op 1 september 2015, gelanceerd op 2 februari 2015.
Art. 9. Par dérogation à l'article 2, troisième alinéa, l'appel à l'introduction de projets commençant le 1er septembre 2015 est lancé le 2 février 2015.
Art. 10. De eerste projecten die overeenkomstig dit besluit gesubsidieerd kunnen worden, worden uitgevoerd in de periode die start op 1 september 2015 en eindigt op 31 januari 2016.
Art. 10. Les premiers projets éligibles au subventionnement conformément au présent arrêté sont réalisés dans la période prenant cours le 1er septembre 2015 et se terminant le 31 janvier 2016.
Art. 11. Dit besluit treedt in werking op 2 februari 2015.
Art. 11. Le présent arrêté entre en vigueur le 2 février 2015.
Art. 12. De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 12. Le Ministre flamand qui a l'enseignement dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.