Zum Hauptinhalt

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
25 APRIL 2014. - Decreet betreffende het onderwijs XXIV(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 25-09-2014 en tekstbijwerking tot 13-02-2017)
Titre
25 AVRIL 2014. - Décret relatif à l'enseignement XXIV(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 25-09-2014 et mise à jour au 13-02-2017)
Dokumentinformationen
Numac: 2014035931
Datum: 2014-04-25
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2014035931
Date: 2014-04-25
Moniteur: Voir
Inhoud
HOOFDSTUK I. - Inleidende bepalingen HOOFDSTUK II. - Basisonderwijs HOOFDSTUK III. - Secundair onderwijs Afdeling I. - Codex Secundair Onderwijs Afdeling II. - Decreet Leren en Werken Afdeling III. Inwerkingtreding HOOFDSTUK IV. - Decreet betreffende de centra v... HOOFDSTUK V. - Volwassenenonderwijs HOOFDSTUK VI. - Hoger onderwijs Afdeling I. - Codex Hoger Onderwijs Afdeling II. Decreet houdende bepalingen tot be... Afdeling III. - Decreet houdende het statuut va... Afdeling IV. - Inwerkingtreding HOOFDSTUK VII. - Decreten Rechtspositie Onderwi... Afdeling I. - Decreet betreffende de rechtsposi... Afdeling II. - Decreet betreffende de rechtspos... Afdeling III. - Inwerkingtreding HOOFDSTUK VIII.-. Studiefinanciering Afdeling I. - Decreet betreffende de studiefina... Afdeling II. - Decreet betreffende het onderwij... Afdeling III. - Inwerkingtreding HOOFDSTUK IX. - Andere bepalingen Afdeling I. - Wet betreffende de leerplicht Afdeling II. - Deeltijds kunstonderwijs Onderafdeling I. - Wet tot wijziging van sommig... Onderafdeling II. - Decreet betreffende het ond... Onderafdeling III. - Besluit van de Vlaamse Reg... Onderafdeling IV. - Inwerkingtreding Afdeling III. - Decreet betreffende het onderwi... Afdeling IV. - Decreet betreffende het onderwij... Afdeling V. - Decreet betreffende het onderwijs... Afdeling VI. - Decreet betreffende het onderwij... Afdeling VII. - Decreet houdende organisatie en... Afdeling VIII. - Decreet betreffende de werking... Afdeling IX. - Decreet betreffende het secundai... Afdeling X. - Decreet betreffende de kwalificat... Afdeling XI. - Decreet betreffende de kwaliteit Afdeling XII. - Decreet betreffende het onderwi... Afdeling XIII. - Inwerkingtreding HOOFDSTUK X. - Autonome bepalingen Afdeling I. - Cultuureducatie in het onderwijs Afdeling II. - Personeelsleden tewerkgesteld in... Afdeling III. - Schenking meubilair aan de onde... Afdeling IV. - Diensten met onderwijsbehoeften Afdeling V. - Inwerkingtreding
Inhoud
CHAPITRE Ier. - Dispositions introductives CHAPITRE II. - Enseignement fondamental CHAPITRE III. - Enseignement secondaire Section Ire. - Code de l'Enseignement secondaire Section II. - Décret Apprentissage et Travail Section III. - Entrée en vigueur CHAPITRE IV. - Décret relatif aux centres d'enc... CHAPITRE V. - Education des adultes CHAPITRE VI. - Enseignement supérieur Section Ire. - Code de l'Enseignement supérieur Section II. - Décret contenant diverses mesures... Section III. - Décret portant le statut de l'Un... Section IV. - Entrée en vigueur CHAPITRE VII. - Décrets Statut Personnel enseig... Section Ire. - Décret relatif au statut de cert... Section II. - Décret relatif au statut de certa... Section III. - Entrée en vigueur CHAPITRE VIII. - Aide financière aux études Section Ire. - Décret relatif à l'aide financiè... Section II. - Décret relatif à l'enseignement X... Section III. - Entrée en vigueur CHAPITRE IX. - Autres dispositions Section Ire. - Loi concernant l'obligation scol... Section II. - Enseignement artistique à temps p... Sous-section Ire. - Loi modifiant certaines dis... Sous-section II. - Décret relatif à l'enseignem... Sous-section III. Arrêté du Gouvernement flaman... Sous-section IV. Entrée en vigueur Section III. - Décret relatif à l'enseignement III Section IV. - Décret relatif à l'enseignement VII Section V. - Décret relatif à l'enseignement XIV Section VI. - Décret relatif à l'enseignement XV Section VII. - Décret portant organisation et f... Section VIII. - Décret relatif aux budgets de f... Section IX. - Décret relatif à l'enseignement s... Section X. - Décret relatif à la structure des ... Section XI. - Décret relatif à la qualité Section XII. - Décret relatif à l'enseignement ... Section XIII. - Entrée en vigueur CHAPITRE X. - Dispositions autonomes Section Ire. - L'éducation culturelle dans l'en... Section II. - Membres du personnel occupés dans... Section III. - Donation de mobilier aux réseaux... Section IV. - Services présentant des besoins e... Section V. - Entrée en vigueur
Tekst (333)
Texte (333)
HOOFDSTUK I. - Inleidende bepalingen
CHAPITRE Ier. - Dispositions introductives
Artikel I.1. Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.
Article I.1. Le présent décret règle une matière communautaire.
HOOFDSTUK II. - Basisonderwijs
CHAPITRE II. - Enseignement fondamental
Art. II.1. In artikel 3 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, het laatst gewijzigd bij het decreet van 19 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in punt 25° wordt tussen het woord "draagt" en het woord "voor" de zinsnede "of zal dragen" ingevoegd;
  2° in punt 30° wordt de zinsnede "artikel 1" vervangen door de zinsnede "artikel 1, § 1, § 3, § 7".
Art. II.1. A l'article 3 du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental, modifié en dernier lieu par le décret du 19 juillet 2013, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au point 25°, le mot " ou assumeront " est inséré entre le mot " assument " et le mot " ensemble " ;
  2° au point 30°, le membre de phrase " l'article 1er " est remplacé par le membre de phrase " article 1er, §§ 1er, 3, 7 ".
Art. II.2. In artikel 13, § 1, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 20 maart 2009 en gewijzigd bij het decreet van 9 juli 2010, het decreet van 21 december 2012 en het decreet van 19 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° punt 2° wordt vervangen door wat volgt:
  "2° toegelaten zijn door de klassenraad.
  De beslissing omtrent de toelating wordt aan de ouders meegedeeld uiterlijk de tiende schooldag van september bij inschrijving vóór 1 september van het lopende schooljaar, of, bij inschrijving vanaf 1 september, uiterlijk tien schooldagen na deze inschrijving. In afwachting van deze mededeling is de leerling ingeschreven onder opschortende voorwaarde. Bij overschrijding van de genoemde termijn is de leerling ingeschreven.
  De schriftelijke mededeling aan de ouders van een negatieve beslissing bevat tevens de motivatie.";
  2° punt 3° wordt opgeheven.
Art. II.2. A l'article 13, § 1er du même décret, remplacé par le décret du 20 mars 2009 et modifié par les décrets des 9 juillet 2010, 21 décembre 2012 et 19 juillet 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le point 2° est remplacé par ce qui suit :
  " 2° être admis par le conseil de classe.
  La décision quant à l'admission est notifiée aux parents au plus tard le dixième jour de classe de septembre en cas d'une inscription avant le 1er septembre de l'année scolaire en cour, ou, en cas d'une inscription à partir du 1er septembre, au plus tard le dixième jour de classe après cette inscription. Dans l'attente de cette notification, l'élève est inscrit sous condition suspensive. En cas de dépassement du délai précité, l'élève est inscrit.
  La notification écrite aux parents d'une décision négative comprend également la motivation. " ;
  2° le point 3° est abrogé.
Art. II.3. In artikel 18 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 9 juli 2010 en gewijzigd bij het decreet van 21 december 2012 en het decreet van 19 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 1. In afwijking van artikel 13, § 1, kan een leerling die vijf jaar wordt vóór 1 januari van het lopende schooljaar in het gewoon lager onderwijs ingeschreven worden na advies van het CLB en na toelating door de klassenraad overeenkomstig artikel 13, § 1, 2°. ";
  2° paragraaf 2 en paragraaf 3 worden opgeheven.
Art. II.3. A l'article 18 du même décret, remplacé par le décret du 9 juillet 2010 et modifié par les décrets des 21 décembre 2012 et 19 juillet 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
  " § 1er. Par dérogation à l'article 13, § 1er, un élève qui atteint l'âge de cinq ans avant le 1er janvier de l'année scolaire en cours peut être inscrit dans l'enseignement primaire ordinaire après avis du CLB et après admission par le conseil de classe conformément à l'article 13, § 1er, 2°. " ;
  2° les paragraphes 2 et 3 sont abrogés.
Art. II.4. In artikel 26 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 7 juli 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° aan paragraaf 1, eerste lid, wordt de volgende zin toegevoegd:
  "Voor leerplichtige leerlingen in het basisonderwijs is de leerplicht voltijds.";
  2° paragraaf 3, opgeheven bij het decreet van 7 juli 2006, wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing:
  " § 3. Inbreuken op de regelgeving met betrekking tot de leerplicht worden gesanctioneerd conform artikel 5 van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht.".
Art. II.4. A l'article 26 du même décret, modifié par le décret du 7 juillet 2006, sont apportées les modifications suivantes :
  1° le paragraphe 1er, alinéa premier, est complété par la phrase suivante :
  " L'obligation scolaire est à temps plein pour les élèves scolarisables. " ;
  2° le paragraphe 3, abrogé par le décret du 7 juillet 2006, est réinséré dans la lecture suivante :
  " § 3. Les infractions à la réglementation relative à l'obligation scolaire sont sanctionnées conformément à l'article 5 de la loi du 29 juin 1983 concernant l'obligation scolaire. ".
Art. II.5. Aan artikel 26bis/2, § 1, eerste lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 juli 2013, worden de volgende woorden toegevoegd:
  ", of, indien de leerplichtige geboren werd in 2002, uiterlijk in het schooljaar waarin de leerplichtige twaalf jaar is geworden voor 1 januari.".
Art. II.5. L'article 26bis/2, § 1er, alinéa premier, du même décret, inséré par le décret du 19 juillet 2013, est complété par les mots suivants :
  " , ou, si l'élève scolarisable est né en 2002, au plus tard dans l'année scolaire dans laquelle il a accompli l'âge de douze ans avant le 1er janvier. ".
Art. II.6. Artikel 34 van hetzelfde decreet, laatst gewijzigd bij decreet van 19 juli 2013, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 34. § 1. Leerlingen die vijf jaar of ouder geworden zijn vóór 1 januari van het lopende schooljaar voor wie het door ziekte of ongeval tijdelijk onmogelijk is om onderwijs te volgen in hun school, hebben, onder de voorwaarden door de regering bepaald, recht op tijdelijk onderwijs aan huis, synchroon internetonderwijs of een combinatie van beiden.
  § 2. Bij langdurige afwezigheid wegens ziekte of ongeval van een regelmatig ingeschreven leerplichtige leerling is het schoolbestuur verplicht om de ouders te informeren over het recht op, de mogelijkheden van en de modaliteiten van het tijdelijk onderwijs aan huis en van synchroon internetonderwijs.
  § 3. De uitdrukkelijke vraag van de ouders voor een leerling als vermeld in paragraaf 1, verplicht het schoolbestuur er toe om tijdelijk onderwijs aan huis of synchroon internetonderwijs te organiseren.
  De verplichting om tijdelijk onderwijs aan huis in te richten, vervalt voor de school ten aanzien van de leerling of de kleuter gedurende zijn verblijf in een preventorium of ziekenhuis waar onderwijs van type 5 gefinancierd of gesubsidieerd wordt of bij zijn opname in een dienst bedoeld in artikel X.1, 2°, van het decreet van 14 februari 2003 betreffende het onderwijs XIV. Tijdens een dergelijk verblijf of opname kan synchroon internetonderwijs wel verder lopen.
  § 4. De regering legt de voorwaarden vast om in aanmerking te komen voor tijdelijk onderwijs aan huis en voor synchroon internetonderwijs, bepaalt wat onder langdurige afwezigheid moet begrepen worden, hoe het onderwijs aan huis en het synchroon internetonderwijs georganiseerd wordt en welke vorm van hulp de school krijgt om het onderwijs aan huis te organiseren en wie synchroon internetonderwijs kan organiseren, onder welke voorwaarden en volgens welke subsidiëringsmodaliteiten.
  Een afwezigheid van minder dan eenentwintig kalenderdagen is geen langdurige afwezigheid voor de toepassing van dit artikel tenzij het gaat om een afwezigheid vanwege een chronische ziekte.
  § 5. De regering bepaalt de voorwaarden tot het verkrijgen van lestijden tijdelijk onderwijs aan huis, alsook het aantal en de wijze van berekening ervan. De betrekkingen die worden ingericht op basis van de lestijden, vermeld in het eerste lid, komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekkingen.".
Art. II.6. L'article 34 du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 19 juillet 2013, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 34. § 1er. Les élèves ayant cinq ans au moins avant le 1er janvier de l'année scolaire en cours qui sont dans l'impossibilité temporaire de suivre l'enseignement dans leur école à cause d'une maladie ou d'un accident, ont droit, aux conditions fixées par le gouvernement, à un enseignement temporaire en milieu familial, à un enseignement synchronisé par Internet ou à une combinaison des deux systèmes.
  § 2. Lors d'une absence de longue durée pour cause de maladie ou d'accident d'un élève scolarisable régulièrement inscrit, l'autorité scolaire est obligée d'informer les parents du droit à un enseignement temporaire en milieu familial et un enseignement synchronisé par Internet, ainsi que des possibilités et des modalités de ses systèmes.
  § 3. A la demande explicite des parents d'un élève tel que visé au paragraphe 1er, l'autorité scolaire est obligée d'organiser un enseignement temporaire en milieu familial ou un enseignement synchronisé par Internet.
  L'obligation de l'école d'organiser un enseignement temporaire en milieu familial pour l'élève ou le jeune enfant échoit pour la période pendant laquelle l'élève ou l'enfant en question séjourne dans un préventorium ou un hôpital où l'on dispense un enseignement du type 5 financé ou subventionné ou dans un service prévu à l'article X.1, 2°, du décret du 14 février 2003 relatif à l'enseignement XIV. Pendant un tel séjour ou accueil, l'élève ou le jeune enfant peut continuer à suivre l'enseignement synchronisé par Internet.
  § 4. Le gouvernement détermine les conditions pour entrer en ligne de compte pour un enseignement temporaire en milieu familial et pour un enseignement synchronisé par Internet, ainsi que ce qu'il faut entendre par une absence de longue durée, comment l'enseignement en milieu familial et l'enseignement synchronisé par Internet doivent être organisés, sous quelle forme l'école recevra du soutien pour organiser l'enseignement en milieu familial et qui pourra organiser un enseignement synchronisé par Internet, à quelles conditions et suivant quelles modalités de subventionnement.
  Une absence de moins de vingt-et-un jours calendaires n'est pas considérée comme une absence de longue durée pour l'application du présent article, à moins qu'il ne s'agisse d'une absence causée par une maladie chronique.
  § 5. Le Gouvernement flamand détermine les conditions pour l'obtention de périodes de cours d'enseignement temporaire en milieu familial, ainsi que leur nombre et le mode de leur calcul. Les emplois organisés sur la base des périodes de cours visées à l'alinéa premier, n'entrent pas en ligne de compte pour une déclaration de vacance d'emploi et l'autorité scolaire ne peut en aucun cas nommer un membre du personnel à titre définitif, l'affecter ou le muter dans un de ces emplois. ".
Art. II.7. In artikel 37bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 25 november 2011 zoals vervangen bij het decreet van 8 juni 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 4 wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Het behoud van inschrijving kan, als de vestigingsplaats, het niveau in de vestigingsplaats(en) of het type in de vestigingsplaats(en) van de leerling betrokken is bij een herstructurering en verdwijnt uit de school, ook gegarandeerd worden in een andere school betrokken bij de herstructurering of in een andere school van hetzelfde schoolbestuur, gelegen op een billijke afstand. Het behoud van inschrijving wordt, als de school van de leerling betrokken is bij een fusie, gegarandeerd in de fusieschool of in een andere school van hetzelfde schoolbestuur gelegen op een billijke afstand. In voorkomende situaties informeert het schoolbestuur de betrokken ouders.";
  2° een paragraaf 7 wordt toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 7. Indien zijn betrokken scholen of vestigingsplaatsen gelegen zijn binnen eenzelfde of aaneensluitende kadastrale percelen, of gescheiden zijn door hetzij maximaal twee kadastrale percelen hetzij door een weg, kan een schoolbestuur ervoor opteren om de desbetreffende scholen of vestigingsplaatsen als één geheel te beschouwen en één capaciteit, overeenkomstig artikel 37novies, § 1, te bepalen voor de verschillende scholen of vestigingsplaatsen, gelegen binnen eenzelfde of aaneensluitende kadastrale percelen, of gescheiden door hetzij maximaal twee kadastrale percelen, hetzij door een weg, samen. Een schoolbestuur dat van deze mogelijkheden gebruikmaakt, neemt dit op in zijn schoolreglement.".
Art. II.7. A l'article 37bis du même décret, inséré par le décret du 25 novembre 2011, tel que remplacé par le décret du 8 juin 2012, sont apportées les modifications suivantes :
  1° le paragraphe 4 est complété par un troisième alinéa, rédigé comme suit :
  " Si l'implantation, le niveau dans l'(les)implantation(s) ou le type dans l'(les) implantation(s) de l'élève fait l'objet d'une restructuration et disparaît de l'école, le maintien de l'inscription peut également être garanti dans une autre école faisant l'objet de la restructuration ou dans une autre école de la même autorité scolaire située à une distance raisonnable. Si l'école de l'élève fait l'objet d'une fusion, le maintien de l'inscription est garanti dans l'école fusionnée ou dans une autre école de la même autorité scolaire située à une distance raisonnable. Dans ces situations, l'autorité scolaire informe les parents concernés. " ;
  2° il est ajouté un paragraphe 7, rédigé comme suit :
  " § 7. Si ses écoles ou implantations concernées se situent dans une même parcelle cadastrale ou à l'intérieur de parcelles cadastrales adjacentes, ou si elles sont séparées soit par deux parcelles cadastrales au maximum, soit par une voie, une autorité scolaire peut choisir de considérer les écoles ou implantations en question comme un seul ensemble et de fixer une seule capacité, conformément à l'article 37novies, § 1er, pour la totalité des différentes écoles ou implantations situées dans une même parcelle cadastrale ou à l'intérieur de parcelles cadastrales adjacentes, ou séparées soit par deux parcelles cadastrales au maximum, soit par une voie. Une autorité scolaire qui se sert de ces possibilités, doit en faire mention dans son règlement d'école. ".
Art. II.8. In artikel 37ter, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 25 november 2011 zoals vervangen bij het decreet van 8 juni 2012 en gewijzigd bij het decreet van 21 december 2012, worden volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt:
  "Elke inschrijvingsperiode begint met de verschillende voorrangsperiodes, waarbij eerst voorrang verleend wordt aan de leerlingen, vermeld in artikel 37quater, dan aan de leerlingen, vermeld in artikel 37quinquies, dan in voorkomend geval aan de leerlingen, vermeld in artikel 37sexies, en dan aan de leerlingen, vermeld in artikel 37septies.";
  2° er wordt een vierde lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "In afwijking van het derde lid, kunnen voor scholen gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, enkel de voorrangsperiodes, vermeld in artikel 37quater en artikel 37quinquies, samen genomen worden.".
Art. II.8. A l'article 37ter, § 1er, du même décret, inséré par le décret du 25 novembre 2011, remplacé par le décret du 8 juin 2012 et modifié par le décret du 21 décembre 2012, sont apportées les modifications suivantes :
  1° l'alinéa premier est remplacé par ce qui suit :
  " Chaque période d'inscription commence avec les différentes périodes prioritaires, où priorité est donnée aux élèves mentionnés aux articles 37quater, ensuite aux élèves mentionnés à l'article 37quinquies, ensuite le cas échéant aux élèves mentionnés à l'article 37sexies et puis aux élèves mentionnés à l'article 37septies. "
  2° il est inséré un quatrième alinéa ainsi rédigé :
  " Par dérogation au troisième alinéa, seules les périodes prioritaires visées aux articles 37quater et 37quinquies peuvent être prises ensembles pour ce qui est des écoles situées dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale. ".
Art. II.9. In artikel 37sexies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 25 november 2011 zoals vervangen bij het decreet van 8 juni 2012 en gewijzigd bij het decreet van 19 juni 2013, worden volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 2, 2°, wordt "B1" vervangen door "B2";
  2° aan paragraaf 2 wordt een punt c) toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "c) door het voorleggen van het bewijs van minstens voldoende kennis van het Nederlands na het afleggen van een taalexamen bij het selectiebureau van de federale overheid;";
  3° in paragraaf 2 wordt het vierde punt opgeheven;
  4° in paragraaf 3 wordt het derde lid vervangen door wat volgt:
  "Het aantal leerlingen, vermeld in het eerste lid, zal door een schoolbestuur bepaald worden voor elke, overeenkomstig artikel 37novies, § 1, door het schoolbestuur bepaalde capaciteit.";
  5° in paragraaf 3 wordt het vijfde lid vervangen door wat volgt:
  "Een reeds ingeschreven leerling of een leerling die tot dezelfde leefentiteit behoort als een reeds ingeschreven leerling die op basis van de op het moment van zijn inschrijving geldende regelgeving werd beschouwd als een leerling met de thuistaal Nederlands, mag beschouwd worden als een leerling met minstens één ouder als vermeld in artikel 3, 41°, die het Nederlands in voldoende mate machtig is als vermeld in paragraaf 1. Een reeds ingeschreven leerling of een leerling die tot dezelfde leefentiteit behoort als een reeds ingeschreven leerling die op basis van de op het moment van zijn inschrijving geldende regelgeving werd beschouwd als een leerling met minstens één ouder als vermeld in artikel 3, 41°, die het Nederlands in voldoende mate machtig is, wordt beschouwd als een leerling met minstens één ouder als vermeld in paragraaf 1.".
Art. II.9. A l'article 37sexies du même décret, inséré par le décret du 25 novembre 2011, remplacé par le décret du 8 juin 2012 et modifié par le décret du 19 juin 2013, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au paragraphe 2, 2°, " B1 " est remplacé par " B2 " ;
  2° au paragraphe 2 est ajouté un point c), rédigé comme suit :
  " c) en produisant la preuve d'une connaissance au moins suffisante du néerlandais après avoir subi un examen linguistique auprès du Bureau de sélection de l'Autorité fédérale ; " ;
  3° au paragraphe 2, le quatrième alinéa est abrogé ;
  4° au paragraphe 3, le troisième alinéa est remplacé par ce qui suit :
  " Le nombre d'élèves cité à l'alinéa premier sera déterminé par une autorité scolaire pour chaque capacité déterminée par l'autorité scolaire conformément à l'article 37novies, § 1er. " ;
  5° au paragraphe 3, le cinquième alinéa est remplacé par ce qui suit :
  " Un élève déjà inscrit ou un élève qui appartient à la même unité de vie qu'un élève déjà inscrit qui, sur base de la réglementation en vigueur au moment de son inscription, était considéré comme un élève dont la langue familiale est le néerlandais, peut être considéré comme étant un élève ayant au moins un parent, tel que visé à l'article 3, 41°, qui maîtrise suffisamment le néerlandais, tel que visé au paragraphe 1er. Un élève déjà inscrit ou un élève qui appartient à la même unité de vie qu'un élève déjà inscrit qui, sur base de la réglementation en vigueur au moment de son inscription, était considéré comme un élève ayant au moins un parent tel que visé à l'article 3, 41°, qui maîtrise suffisamment le néerlandais, est considéré comme un élève ayant au moins un parent tel que visé au paragraphe 1er. ".
Art. II.10. In artikel 37septies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 25 november 2011 zoals vervangen bij het decreet van 8 juni 2012, worden volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 wordt het vierde lid vervangen door wat volgt:
  "De twee contingenten samen vormen 100 procent en kunnen door een schoolbestuur bepaald worden op die niveaus waarvoor het schoolbestuur overeenkomstig artikel 37duodecies, § 1, een inschrijvingsregister hanteert. In scholen in het werkingsgebied van een LOP en aanmeldende scholen moeten contingenten bepaald worden voor kleuters geboren in de twee meest recente kalenderjaren waarvoor inschrijvingen voor het betrokken schooljaar mogelijk zijn en voor het eerste jaar van het lager onderwijs. Indien de school geen apart inschrijvingsregister hanteert voor de twee meest recente kalenderjaren waarvoor inschrijvingen voor het betrokken schooljaar mogelijk zijn en voor het eerste jaar van het lager onderwijs moeten de contingenten bepaald worden respectievelijk voor de niveaus als bedoeld in artikel 37novies, § 1. De contingenten worden door het schoolbestuur bekendgemaakt aan alle belanghebbenden.";
  2° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 3. De indicatoren op basis waarvan voorrang verleend wordt, zijn:
  1° de leefeenheid als vermeld in artikel 5, 21°, van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap, ontving in het schooljaar, voorafgaand aan het schooljaar waarop de inschrijving van de leerling betrekking heeft, of in het daaraan voorafgaande schooljaar, minstens één schooltoelage zoals bedoeld in het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap, of het gezin heeft een beperkt inkomen;
  2° de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs of van een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs.".
Art. II.10. A l'article 37septies du même décret, inséré par le décret du 25 novembre 2011, tel que remplacé par le décret du 8 juin 2012, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, le quatrième alinéa est remplacé par la disposition suivante :
  " Les deux contingents constituent ensemble 100 pour cent et peuvent être déterminés par une autorité scolaire aux niveaux pour lesquels l'autorité scolaire utilise un registre d'inscription, conformément à l'article 37duodecies, § 1er. Dans les écoles situées dans la zone d'action d'une LOP et dans les écoles effectuant des préinscriptions, des contingents doivent être fixés pour les petits enfants nés dans les deux années calendaires les plus récentes pour lesquelles des inscriptions pour l'année scolaire concernée sont possibles, ainsi que pour la première année de l'enseignement primaire. Si l'école n'utilise pas de registre d'inscription distinct pour les deux années calendaires les plus récentes pour lesquelles des inscriptions pour l'année scolaire concernée sont possibles et pour la première année de l'enseignement primaire, les contingents doivent être fixés respectivement pour les niveaux tels que visés à l'article 37novies, § 1er. Les contingents sont communiqués par l'autorité scolaire à tous les intéressés. " ;
  2° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
  " § 3. Les indicateurs sur la base desquels priorité est accordée, sont les suivants :
  1° dans l'année scolaire préalable à l'année scolaire à laquelle a trait l'inscription de l'élève ou dans l'année scolaire précédant celle-ci, l'unité de vie telle que visée à l'article 5, 21°, du décret du 8 juin 2007 relatif à l'aide financière aux études de la Communauté flamande, a reçu au moins une allocation scolaire telle que visée dans le décret du 8 juin 2007 relatif à l'aide financière aux études de la Communauté flamande, ou la famille a un revenu limité ;
  2° la mère n'est pas titulaire d'un diplôme de l'enseignement secondaire, d'un certificat d'études de la deuxième année du troisième degré de l'enseignement secondaire ou d'un titre équivalent. ".
Art. II.11. In artikel 37novies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 25 november 2011 zoals vervangen bij het decreet van 8 juni 2012 en gewijzigd bij het decreet van 19 juli 2013, worden volgende wijzigingen aangebracht:
  1° aan § 1, derde lid, laatste zin, wordt de volgende zinsnede toegevoegd:
  "voor scholen of vestigingsplaatsen met een capaciteit van meer dan honderd leerlingen, en vier leerlingen voor scholen of vestigingsplaatsen met een capaciteit van maximaal honderd leerlingen";
  2° aan paragraaf 2 wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Daarnaast bepaalt en communiceert een schoolbestuur minstens op volgende momenten het aantal plaatsen waarin een inschrijving gerealiseerd kan worden, desgevallend per contingent:
  a) voor de start van de voorrangsperiode, vermeld in artikel 37quater;
  b) in voorkomend geval voor de start van de voorrangsperiode, vermeld in artikel 37sexies;
  c) voor de start van de voorrangsperiode, vermeld in artikel 37septies;
  d) na de voorrangsperiode, vermeld in artikel 37septies.";
  3° aan paragraaf 5 wordt een zevende punt toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "7° voor leerlingen van scholen, gelegen in een gemeente waar alle scholen de inschrijvingen laten voorafgaan door een aanmeldingsprocedure, wiens continuïteit van de schoolloopbaan niet gegarandeerd kan worden omwille van het feit dat de enige school van een schoolbestuur ophoudt te bestaan, waarbij dit niet kadert in een herstructurering, op voorwaarde dat alle leerlingen van de betrokken school een plaats in andere scholen aangeboden wordt.".
Art. II.11. A l'article 37novies du même décret, inséré par le décret du 25 novembre 2011, remplacé par le décret du 8 juin 2012 et modifié par le décret du 19 juillet 2013, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au § 1er, troisième alinéa, dernière phrase, est ajoutée le membre de phrase suivant :
  " pour les écoles ou implantations ayant une capacité de plus de cent élèves, et quatre élèves pour les écoles ou implantations ayant une capacité de cent élèves maximum " ;
  2° le paragraphe 2 est complété par un deuxième alinéa, rédigé comme suit :
  " Une autorité scolaire détermine et communique en outre, au moins aux moments suivants, le nombre de places disponibles pour réaliser une inscription, le cas échéant par contingent :
  a) avant le démarrage de la période prioritaire visée à l'article 37quater ;
  b) le cas échéant, avant le démarrage de la période prioritaire visée à l'article 37sexies ;
  c) avant le démarrage de la période prioritaire visée à l'article 37septies ;
  d) après la période prioritaire visée à l'article 37septies. " ;
  3° au paragraphe 5 est ajouté un septième point, rédigé comme suit :
  " 7° pour des élèves d'écoles situées dans une commune où toutes les écoles font précéder les inscriptions par une procédure de préinscription, dont la continuité du parcours scolaire ne peut être garantie par le fait, que la seule école d'une autorité scolaire cesse d'exister, sans que cela ne cadre dans une restructuration, à condition qu'il soit offert à tous les élèves de l'école concernée une place dans d'autres écoles. ".
Art. II.12. In artikel 37duodecies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 25 november 2011 zoals vervangen bij het decreet van 8 juni 2012, worden volgende wijzigingen aangebracht:
  1° aan paragraaf 1 wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Een school, gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, noteert, vanaf de inschrijvingen voor het schooljaar 2015-2016, met behoud van het eerste lid, eveneens de inschrijving in toepassing van artikel 37sexies. Een school, gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, noteert voor de niet-gerealiseerde inschrijvingen, met behoud van het eerste lid, eveneens het behoren tot de leerlingen, gevat door artikel 37sexies.";
  2° in paragraaf 2 worden de woorden "de eerste schooldag van september van het schooljaar volgend op het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had" vervangen door de woorden "30 juni van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had" en wordt de zin "Uiterlijk vanaf 1 juli geldt de volgorde van de niet-gerealiseerde inschrijvingen van kleuters van hetzelfde geboortejaar voor het volgende schooljaar." toegevoegd;
  3° aan paragraaf 2 wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Vanaf de inschrijvingen voor het schooljaar 2015-2016, wordt in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad bij inschrijvingen voor vrijgekomen plaatsen van leerlingen, ingeschreven in toepassing van artikel 37sexies, de volgorde van de niet-gerealiseerde inschrijvingen, desgevallend per contingent, in toepassing van § 1, tweede lid, gerespecteerd, met behoud van artikel 37quater en 37quinquies.";
  4° in paragraaf 2 wordt het tweede lid opgeheven;
  5° in paragraaf 3 wordt de tweede zin opgeheven.
Art. II.12. A l'article 37duodecies du même décret, inséré par le décret du 25 novembre 2011, tel que remplacé par le décret du 8 juin 2012, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le paragraphe 1er est complété par un deuxième alinéa, rédigé comme suit :
  " A partir des inscriptions pour l'année scolaire 2015-2016, une école située dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale, note, sans préjudice de l'alinéa premier, également l'inscription en application de l'article 37sexies. Une école située dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale note, pour les inscriptions non réalisées, sans préjudice de l'alinéa premier, également l'appartenance aux élèves saisis par l'article 37sexies. " ;
  2° dans le paragraphe 2, les mots " jusqu'au premier jour de classe du mois de septembre de l'année scolaire suivant l'année scolaire sur laquelle portait l'inscription " sont remplacés par les mots " jusqu'au 30 juin de l'année scolaire sur laquelle portait l'inscription " et la phrase " Au plus tard à partir du 1er juillet, l'ordre des inscriptions non réalisées des jeunes enfants de la même année de naissance vaut pour l'année scolaire suivante. " est ajoutée ;
  3° le paragraphe 2 est complété par un deuxième alinéa, rédigé comme suit :
  " A partir des inscriptions pour l'année scolaire 2015-2016 dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale, l'ordre des inscriptions non réalisées, le cas échéant par contingent, est respecté, par application du § 1er, deuxième alinéa, sans préjudice des articles 37quater et 37quinquies, pour ce qui est des inscriptions pour des places libérées d'élèves inscrits par application de l'article 37sexies. " ;
  4° au paragraphe 2, le deuxième alinéa est abrogé ;
  5° au paragraphe 3, la deuxième phrase est abrogée.
Art. II.13. In artikel 37ter decies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 25 november 2011 zoals vervangen bij het decreet van 8 juni 2012, wordt aan § 2, derde lid, een zin toegevoegd, die luidt als volgt:
  "In het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad deelt het schoolbestuur eveneens mee welke plaats onder de geweigerde leerlingen, vermeld in artikel 37sexies, de betrokken leerling inneemt.".
Art. II.13. A l'article 37terdecies du même décret, inséré par le décret du 25 novembre 2011, tel que modifié par le décret du 8 juin 2012, il est ajouté une phrase au § 2, troisième alinéa, rédigé comme suit :
  " Dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale, l'autorité scolaire communique également la place qu'occupe l'élève concerné parmi les élèves refusés, visés à l'article 37sexies. ".
Art. II.14. In artikel 37undevicies, § 2, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 25 november 2011 zoals vervangen bij het decreet van 8 juni 2012, worden volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid wordt tussen de woorden "artikel 37septies." en het woord "Met" de zin "In voorkomend geval wordt het aantal plaatsen waarin een inschrijving gerealiseerd kan worden, gecommuniceerd overeenkomstig artikel 37novies, § 2, tweede lid." ingevoegd;
  2° in het vierde lid wordt tussen de woorden "gebeuren" en ". Indien de aanmeldingsperiode" de woorden "voor het volgende schooljaar" ingevoegd;
  3° tussen de woorden "37novies, § 4." en het woord "Na" wordt een zesde lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Voorafgaand aan de aanmeldingsperiode kunnen er inschrijvingen gebeuren voor het huidige schooljaar. Tijdens de aanmeldingsperiode kan een inschrijving voor het huidige schooljaar gebeuren, op voorwaarde dat:
  1° op het moment van de vraag tot inschrijving nog een vrije plaats is;
  2° de inschrijving gemeld wordt aan het LOP of voor scholen buiten het werkingsgebied van een LOP aan de schoolbesturen van scholen in dezelfde gemeente;
  3° alle leerlingen die gunstig gerangschikt werden tijdens de aanmeldingsperiode ook effectief worden ingeschreven.".
Art. II.14. A l'article 37undevicies, § 2, du même décret, inséré par le décret du 25 novembre 2011, remplacé par le décret du 8 juin 2012, sont apportées les modifications suivantes :
  1° à l'alinéa premier, la phrase " Le cas échéant, le nombre de places disponibles pour réaliser une inscription peut être communiqué conformément à l'article 37novies, § 2, deuxième alinéa. " est inséré entre les mots " et 37septies. " et le mot " Tout " ;
  2° au quatrième alinéa, les mots " pour l'année scolaire suivante " sont insérés entre les mots " ne peut avoir lieu " et " . Si la période de préinscription " ;
  3° entre les mots " 37novies, § 4. " et le mot " Après ", il est inséré un sixième alinéa rédigé comme suit :
  " Préalablement à la période de préinscription, des inscriptions peuvent avoir lieu pour l'année scolaire actuelle. Au cours de la période de préinscription, une inscription pour l'année scolaire actuelle peut avoir lieu, à condition :
  1° qu'il y ait encore une place libre au moment de la demande d'inscription ;
  2° que l'inscription soit notifiée à la LOP ou, pour les écoles en dehors de la zone d'action d'une LOP, aux autorités scolaires des écoles dans la même commune ;
  3° que tous les élèves ayant été favorablement classés pendant la période de préinscription soient effectivement inscrits. ".
Art. II.15. In artikel 37vicies ter, § 2, eerste en tweede lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 25 november 2011, vervangen bij het decreet van 8 juni 2012 en gewijzigd bij het decreet van 19 juli 2013, wordt het woord "leefeenheid" telkens vervangen door het woord "leefentiteit".
Art. II.15. A l'article 37vicies ter, § 2, premier et deuxième alinéas, du même décret, inséré par le décret du 25 novembre 2011, remplacé par le décret du 8 juin 2012 et modifié par le décret du 19 juillet 2013, les mots " unité de vie " sont chaque fois remplacés par les mots " entité de vie ".
Art. II.16. In artikel 37vicies quater van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 25 november 2011 zoals vervangen bij het decreet van 8 juni 2012 en gewijzigd bij het decreet van 19 juli 2013, worden volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in § 1, tweede lid, wordt tussen de woorden "het LOP" en "de rangschikking" de woorden "of buiten het werkingsgebied van een LOP het daartoe gemandateerde schoolbestuur" ingevoegd;
  2° in § 2, eerste lid, wordt tussen de woorden "het LOP" en "de aangemelde leerling" de woorden "of buiten het werkingsgebied van een LOP het daartoe gemandateerde schoolbestuur" ingevoegd;
  3° aan § 2, derde lid, wordt volgende zin toegevoegd:
  "Daarna worden de niet-toegewezen leerlingen geordend volgens de ordeningscriteria, vermeld in artikel 37vicies quinquies, § 2, 9°, d).";
  4° in paragraaf 2 wordt het achtste lid vervangen door wat volgt:
  "Wanneer een via aanmeldingsprocedure ingeschreven leerling alsnog wordt ingeschreven in een school van hogere keuze, mag de school van lagere keuze de eerder gerealiseerde inschrijving beëindigen.";
  5° in paragraaf 2 wordt een negende lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Leerlingen wiens recht op inschrijving, overeenkomstig het zesde, zevende of achtste lid komt te vervallen worden overeenkomstig artikel 37duodecies, § 2, vervangen. In het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad worden, in afwijking van artikel 37duodecies, § 2, leerlingen als vermeld in artikel 37septies die eveneens beantwoorden aan de criteria, vermeld in artikel 37sexies, wiens recht op inschrijving, overeenkomstig het zesde, zevende of achtste lid komt te vervallen vervangen door de eerstvolgend gerangschikte leerlingen als vermeld in artikel 37septies die eveneens beantwoorden aan de criteria, vermeld in artikel 37sexies, met behoud van artikel 37quater en artikel 37quinquies. Deze ouders krijgen binnen vier werkdagen na de nodige vaststellingen door het schoolbestuur of het LOP schriftelijk of via elektronische drager melding dat de aangemelde leerling alsnog is toegewezen. Deze melding bevat informatie over de periode waarbinnen de ouders de betrokken leerling kunnen inschrijven. Die periode duurt minimaal vijf schooldagen.";
  6° in § 3, eerste lid, wordt de zinsnede "In het geval van niet-gunstige rangschikking in geen enkele school of vestigingsplaats" vervangen door de zinsnede "Indien de leerling in geen enkele school of vestigingsplaats gunstig gerangschikt kan worden";
  7° aan paragraaf 4 wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt:
  "De betrokken schoolbesturen kunnen beslissen een niet-gunstige rangschikking gelijk te stellen met een niet-gerealiseerde inschrijving, overeenkomstig artikel 37novies, § 4, en kunnen de mededeling van de niet-gerealiseerde inschrijvingen zoals bepaald in artikel 37ter decies, mandateren aan het LOP, of buiten het werkingsgebied van een LOP aan het daartoe aangeduide schoolbestuur.";
  8° in paragraaf 5 wordt het woord "aanmeldingen" vervangen door de woorden "toegewezen leerlingen en de volgorde van de niet-toegewezen leerlingen".
Art. II.16. A l'article 37vicies quater du même décret, inséré par le décret du 25 novembre 2011, tel que remplacé par le décret du 8 juin 2012 et modifié par le décret du 19 juillet 2013, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au § 1er, deuxième alinéa, les mots " ou en dehors de la zone d'action d'une LOP l'autorité scolaire mandatée à cet effet " sont insérés entre les mots " la LOP " et les mots " peut effectuer " ;
  2° au § 2, alinéa premier, les mots " ou en dehors de la zone d'action d'une LOP l'autorité scolaire mandatée à cet effet " sont insérés entre les mots " la LOP " et les mots " affecte l'élève préinscrit " ;
  3° le § 2, troisième alinéa, est complété par la phrase suivante :
  " Ensuite, les élèves non reçus sont classés selon les critères de classement repris à l'article 37vicies quinquies, § 2, 9°, d). " ;
  4° au paragraphe 2, le huitième alinéa est remplacé par ce qui suit :
  " Lorsqu'un élève inscrit par le biais d'une procédure de préinscription finit par être inscrit dans une école d'un choix plus élevé, l'école à laquelle les parents avaient accordé une moindre importance peut mettre fin à l'inscription réalisée antérieurement. " ;
  5° le paragraphe 2 est complété par un neuvième alinéa, rédigé comme suit :
  " Les élèves qui viennent à perdre leur droit à l'inscription, conformément au sixième, septième ou huitième alinéa, sont remplacés conformément à l'article 37duodecies, § 2. Dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale, par dérogation à l'article 37duodecies, § 2, les élèves visés à l'article 37septies remplissant également les critères visés à l'article 37sexies, qui viennent de perdre leur droit à l'inscription, conformément aux sixième, septième ou huitième alinéa, sont remplacés par les élèves suivants les premiers classés tels que visés à l'article 37septies remplissant également les critères visés à l'article 37sexies, sans préjudice des articles 37quater et 37quinquies. Dans les quatre jours ouvrables après les constatations nécessaires par l'autorité scolaire ou la LOP, les parents reçoivent une notification par écrit ou sur support électronique que l'élève préinscrit a encore été attribué. Cette notification contient des informations relatives à la période dans laquelle les parents peuvent inscrire l'élève concerné. Cette période dure au moins cinq jours de classe. " ;
  6° au § 3, alinéa premier, le membre de phrase " En cas d'un classement non favorable dans aucune école ou implantation " est remplacé par le membre de phrase " Si l'élève ne peut être classé favorablement dans aucune école ou implantation " ;
  7° le paragraphe 4 est complété par une phrase, rédigée comme suit :
  " Les autorités scolaires concernées peuvent décider d'assimiler un classement non favorable à une inscription non réalisée, conformément à l'article 37novies, § 4, et peuvent mandater la communication des inscriptions non réalisées telles que visées à l'article 37ter decies à la LOP, ou en dehors de la zone d'action d'une LOP à l'autorité scolaire désignée à cet effet. " ;
  8° au paragraphe 5, le mot " préinscriptions est repris " est remplacé par les mots " élèves attribués et l'ordre des élèves non reçus sont repris ".
Art. II.17. In artikel 37vicies quinquies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 25 november 2011 zoals vervangen bij het decreet van 8 juni 2012 en gewijzigd bij het decreet van 19 juli 2013, worden volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 1. Uiterlijk op 15 september van het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de inschrijvingen gelden, legt een schoolbestuur, meerdere schoolbesturen samen of het LOP een voorstel van aanmeldingsprocedure voor aan de CLR.
  In afwijking van het eerste lid legt voor het buitengewoon onderwijs een schoolbestuur, meerdere schoolbesturen samen of het LOP dat wenst aan te melden voor type 9 voor de inschrijvingen voor het schooljaar 2015-2016, het aanmeldingsdossier uiterlijk op 16 februari 2015 voor aan de CLR.";
  2° in § 2, 3°, wordt tussen de woorden "capaciteit," en de woorden "hun aanmeldingsmiddelen" de woorden "het aantal plaatsen waarin een inschrijving gerealiseerd kan worden" gevoegd;
  3° in paragraaf 2 wordt punt 4° vervangen door wat volgt:
  "4° de manier waarop de mogelijkheid om een leerling in één aanmeldingsdossier voor verschillende scholen of vestigingsplaatsen tegelijk aan te melden, indien de aanmeldingsprocedure geldt voor meerdere scholen en vestigingsplaatsen, wordt geoperationaliseerd, waarbij tegelijkertijd vermeden wordt dat voor eenzelfde leerling meerdere aanmeldingsdossiers aangelegd kunnen worden binnen het eigen aanmeldingssysteem;";
  4° aan § 2, 9°, d), worden de volgende woorden ", en de ordeningscriteria, in toepassing van artikel 37vicies quater, § 2, derde lid, die gehanteerd worden bij de rangschikking van de niet-toegewezen leerlingen;" toegevoegd;
  5° aan § 2, 9°, e), worden de volgende woorden toegevoegd:
  "en de elementen die in overweging worden genomen bij de berekening van de contingenten";
  6° in paragraaf 2 wordt een punt 12° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "12° het al dan niet door de schoolbesturen mandateren aan het LOP, of buiten het werkingsgebied van een LOP aan het daartoe aangeduide schoolbestuur, van:
  a) de rangschikking van de aangemelde leerlingen;
  b) het uitreiken van de melding van de definitieve toewijzing of van de melding over het niet kunnen toewijzen van de leerling aan een door de ouders gekozen school of vestigingsplaats;
  c) de mededeling van de niet-gerealiseerde inschrijvingen.";
  7° paragraaf 4 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 4. De CLR neemt over het voorstel van aanmeldingsprocedure een besluit uiterlijk twee maanden na de indiening. Enkel indien de einddatum van deze periode van twee maanden valt in de periode tussen 15 juli en 15 augustus, valt de beslissing uiterlijk in de week volgend op 16 augustus.".
Art. II.17. A l'article 37vicies quinquies du même décret, inséré par le décret du 25 novembre 2011, tel que remplacé par le décret du 8 juin 2012 et modifié par le décret du 19 juillet 2013, sont apportées les modifications suivantes :
  1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
  " § 1er. Au plus tard le 15 septembre de l'année scolaire préalable à l'année scolaire à laquelle s'appliquent les inscriptions, une autorité scolaire, plusieurs autorités scolaires ensemble ou la LOP introduit une proposition de procédure de préinscription à la CLR.
  Par dérogation à l'alinéa premier, une autorité scolaire, plusieurs autorités scolaires ensemble ou la LOP désirant organiser une préinscription pour le type 9 dans l'enseignement spécial, soumet le dossier de préinscription à la CLR pour les inscriptions de l'année scolaire 2015-2016 le 16 février 2015 au plus tard.
  2° au § 2, 3°, les mots " le nombre de places disponibles pour réaliser une inscription " sont insérés entre les mots " leur capacité, " et les mots " leurs moyens de préinscription " ;
  3° au paragraphe 2, le point 4° est remplacé par ce qui suit :
  " 4° le mode d'opérationnalisation de la possibilité de préinscrire un élève dans un seul dossier de préinscription pour plusieurs écoles ou implantations en même temps, si la période de préinscription porte sur plusieurs écoles et implantations, et évitant en même temps que plusieurs dossiers de préinscription puissent être ouverts au sein du propre système de préinscription pour un même élève ; " ;
  4° au § 2, 9°, d), sont ajoutés les mots suivants : " , et les critères de classement, en application de l'article 37 vicies quater, § 2, troisième alinéa, utilisés pour le classement des élèves non reçus ; " ;
  5° au § 2, 9°, e) les mots suivants sont ajoutés :
  " et les éléments pris en considération pour le calcul des contingents " ;
  6° au paragraphe 2, il est ajouté un point 12°, rédigé comme suit :
  " 12° le fait que les autorités scolaire mandatent ou non à la LOP, ou en dehors de la zone d'action d'une LOP à l'autorité scolaire désigné à cet effet, les actes suivants :
  a) le classement des élèves préinscrits ;
  b) la notification de l'attribution définitive ou la notification du fait de ne pas avoir pu attribuer l'élève à une école ou une implantation choisie par les parents ;
  c) la communication des inscriptions non réalisées. " ;
  7° le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
  " § 4. La CLR prend une décision sur la proposition de procédure de préinscription dans les deux mois de l'introduction de celle-ci. Seulement si la date de fin de cette période de deux mois tombe dans la période entre le 15 juillet et le 15 août, la décision tombe au plus tard dans la semaine qui suit le 16 août. ".
Art. II.18. In artikel 39 van hetzelfde decreet wordt het woord "- wereldoriëntatie" vervangen door de woorden:
  " - wetenschappen en techniek;
  - mens en maatschappij;".
Art. II.18. A l'article 39 du même décret, les mots " - ouverture sur le monde " sont remplacés par les mots :
  " - sciences et technique ;
  - homme et société ; ".
Art. II.19. In artikel 40 van hetzelfde decreet wordt het woord "- wereldoriëntatie" vervangen door de woorden:
  "- wetenschappen en techniek;
  - mens en maatschappij;".
Art. II.19. A l'article 40 du même décret, les mots " - ouverture sur le monde " sont remplacés par les mots :
  " - sciences et technique ;
  - homme et société ; ".
Art. II.20. In artikel 44bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 15 juli 1997 en gewijzigd bij de decreten van 22 juni 2007 en 8 mei 2009, wordt in paragraaf 2, 2°, telkens in a), b) en c), het woord "wereldoriëntatie" vervangen door de woorden "wetenschappen en techniek, mens en maatschappij".
Art. II.20. Au paragraphe 2, 2°, a), b) et c), de l'article 44bis du même décret, inséré par le décret du 15 juillet 1997 et modifié par les décrets des 22 juin 2007 et 8 mai 2009, les mots " ouverture sur le monde " sont chaque fois remplacés par les mots " sciences et technique, homme et société ".
Art. II.21. In artikel 53, tweede lid, van hetzelfde decreet worden de woorden "de doelen die in het leerplan zijn opgenomen" vervangen door de woorden "die doelen uit het leerplan die het bereiken van de eindtermen beogen".
Art. II.21. A l'article 53, deuxième alinéa, du même décret, les mots " les objectifs repris dans le programme d'études " sont remplacés par les mots " les objectifs repris dans le programme d'études visant la réalisation des objectifs finaux ".
Art. II.22. In artikel 86bis van hetzelfde decreet wordt het laatste lid vervangen door wat volgt:
  "De integratietoelagen van de scholengroepen van het gemeenschapsonderwijs en van de scholen van het gesubsidieerd buitengewoon basisonderwijs worden elk schooljaar in minstens twee schijven uitbetaald waarbij vóór 1 februari de som van de uitbetaalde schijven minstens 50 procent van de integratietoelagen van het betrokken schooljaar vertegenwoordigt en het saldo vóór 1 juli betaald wordt.
  Indien het decreet houdende de aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van het begrotingsjaar waarin de integratietoelagen voor het betrokken schooljaar zijn opgenomen aanleiding geeft tot meer middelen voor de schoolbesturen van het gesubsidieerd buitengewoon basisonderwijs of de scholengroepen van het gemeenschapsonderwijs, dan worden deze bijkomende middelen uitbetaald binnen de twee maanden na de bekrachtiging door de Vlaamse Regering van betrokken decreet.".
Art. II.22. A l'article 86bis du même décret, le dernier alinéa est remplacé par la disposition suivante :
  " Les subventions d'intégration des groupes d'écoles de l'enseignement communautaire et des écoles de l'enseignement fondamental spécial subventionné sont versées chaque année en deux tranches au moins, étant entendu qu'avant le 1er février la somme des tranches versées représente au moins 50 % des subventions d'intégration de l'année scolaire en question et que le solde est payé avant le 1er juillet.
  Si le décret ajustant le budget général des dépenses de l'année budgétaire auquel sont repris les subventions d'intégration pour l'année scolaire concernée donne lieu à une augmentation des moyens pour les autorités scolaires de l'enseignement fondamental spécial subventionné ou les groupes d'écoles de l'enseignement communautaire, ces moyens supplémentaires sont payés dans les deux mois suivant la ratification du décret concerné par le Gouvernement flamand. ".
Art. II.23. In artikel 115, § 2, 2°, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 9 juli 2010, worden tussen de woorden "de vestigingsplaatsen" en de woorden "voldeden aan" de woorden ", die tijdens het lopende schooljaar nog deel uitmaken van de school," ingevoegd.
Art. II.23. Dans l'article 115, § 2, 2°, du même décret, remplacé par le décret du 9 juillet 2010, les mots " chaque type d'implantation se conformaient aux normes " sont remplacés par les mots " chaque type des implantations qui font encore partie de l'école pendant l'année scolaire en cours, se conformaient aux normes ".
Art. II.24. Artikel 125quinquies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 10 juli 2003 en vervangen bij het decreet van 17 juni 2011, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 125quinquies. § 1. Een scholengemeenschap wordt opgericht:
  1° bij beslissing als de scholengemeenschap wordt gevormd door scholen van hetzelfde schoolbestuur;
  2° bij overeenkomst als de scholengemeenschap wordt gevormd door scholen van verschillende schoolbesturen.
  De beslissing of de overeenkomst regelt de organisatie en de werking van de scholengemeenschap.
  § 2. Op 1 september 2014 treedt de beslissing of overeenkomst in werking voor een periode van zes schooljaren. De beslissing of overeenkomst eindigt op 31 augustus 2020.
  § 3. In afwijking van paragraaf 2 eindigen de overeenkomsten of beslissingen die in werking treden in de loop van de zesjaarlijkse periode, vermeld in paragraaf 2, op 31 augustus 2020.
  § 4. Tijdens de voormelde periode kan de beslissing of overeenkomst inzake de vorming van een scholengemeenschap evenwel worden gewijzigd, zodat een school alsnog tot de scholengemeenschap kan toetreden of uit de scholengemeenschap kan stappen.
  Een school kan uit de scholengemeenschap stappen in een van de volgende gevallen:
  1° indien de scholengemeenschap minder dan negenhonderd gewogen regelmatige leerlingen telt op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar;
  2° indien de school overgenomen wordt door een schoolbestuur van een andere groep als vermeld in artikel 3, 21°, op voorwaarde dat alle schoolbesturen die behoren tot de scholengemeenschap, ermee instemmen dat de school uit de scholengemeenschap stapt;
  3° indien de school behoort tot een schoolbestuur met bepaalde kenmerken en voor zover de uitstap plaatsvindt op 1 september 2017, 2018 of 2019. In voorkomend geval genereert desbetreffende school extra middelen voor het betrokken schoolbestuur. De Vlaamse Regering bepaalt:
  a) aan welke kenmerken een desbetreffend schoolbestuur moet voldoen, met dien verstande dat een dergelijk schoolbestuur niet tot een scholengemeenschap kan behoren;
  b) de vorm, de wijze van berekening, de toekenning en de aanwending van die extra middelen, met dien verstande dat de berekening ervan op lineaire basis gebeurt;
  c) de personeelscategorieën en ambten waarin op basis van die middelen, voor zover ze de personeelsomkadering betreffen, betrekkingen kunnen worden ingericht en hoe de omrekening naar gefinancierde of gesubsidieerde betrekkingen gebeurt.
  Wijzigingen van een beslissing of overeenkomst treden in werking op 1 september na de datum waarop de wijziging tot stand is gekomen.
  § 5. De beslissing of overeenkomst wordt voor 15 juni voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding bezorgd aan AgODi.".
Art. II.24. L'article 125quinquies du même décret, inséré par le décret du 10 juillet 2003 et remplacé par le décret du 17 juin 2011, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 125quinquies. § 1er. Un centre d'enseignement est créé :
  1° par voie de décision, si le centre d'enseignement est formé par des écoles de la même autorité scolaire ;
  2° par voie de convention, si le centre d'enseignement est formé par des écoles de différentes autorités scolaires.
  La décision ou la convention règle l'organisation et le fonctionnement du centre d'enseignement.
  § 2. La décision ou convention entre en vigueur le 1er septembre 2014 et porte chaque fois sur une période de six années scolaires. La décision ou convention prend fin le 31 août 2020.
  § 3. Par dérogation au paragraphe 2, les conventions ou décisions entrant en vigueur dans le courant de la période de six années visée au paragraphe 2, prennent fin le 31 août 2020.
  § 4. Au cours de la période précitée de six années scolaires, la décision ou convention relative à la constitution d'un centre d'enseignement peut toutefois être modifiée, dans ce sens qu'une école peut encore adhérer au centre d'enseignement ou le quitter.
  Une école peut quitter un centre d'enseignement dans un des cas suivants :
  1° si le centre d'enseignement compte moins de neuf cents élèves réguliers pondérés au premier jour de classe de février de l'année scolaire précédente ;
  2° si l'école est reprise par une autorité scolaire d'un autre groupe tel que visé à l'article 3, 21°, à condition que toutes les autorités scolaires appartenant au centre d'enseignement soient d'accord à ce que l'école quitte le centre d'enseignement ;
  3° si l'école appartient à une autorité scolaire ayant des caractéristiques déterminées et pour autant qu'elle quitte le centre d'enseignement au 1er septembre 2017, 2018 ou 2019. Le cas échéant, l'école en question génère des moyens supplémentaires pour l'autorité scolaire concernée. Le Gouvernement flamand détermine :
  a) les caractéristiques auxquelles une autorité scolaire en question doit satisfaire, étant entendu qu'une pareille autorité scolaire ne peut appartenir à un centre d'enseignement ;
  b) la forme, le mode de calcul, l'allocation et l'affectation de ces moyens supplémentaires, étant entendu que le calcul se fait sur une base linéaire ;
  c) les catégories de personnel et fonctions dans lesquelles des emplois peuvent être organisés sur la base de ces moyens, pour autant qu'ils concernent l'encadrement du personnel, et le mode de conversion en des emplois financés ou subventionnés.
  Toute modification apportée à une décision ou convention entre en vigueur le 1er septembre suivant la date de la modification.
  § 5. La décision ou convention est remise à AgODi avant le 15 juin précédant la date d'entrée en vigueur. ".
Art. II.25. In artikel 125septies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 10 juli 2003 en gewijzigd bij het decreet van 17 juni 2011, wordt paragraaf 5 vervangen door wat volgt:
  " § 5. In afwijking van paragraaf 3 geldt de telling voor het voldoen aan de norm van de scholengemeenschap voor overeenkomsten of beslissingen die in werking treden in de loop van de periode van zes schooljaren zoals bedoeld in artikel 125quinquies, § 3, tot op 31 augustus 2020.".
Art. II.25. A l'article 125septies du même décret, inséré par le décret du 10 juillet 2003 et modifié par le décret du 17 juin 2011, le paragraphe 5 est remplacé par la disposition suivante :
  " § 5. Par dérogation au paragraphe 3, en ce qui concerne les conventions ou décisions entrant en vigueur au cours d'une période de six années scolaires, telles que visées à l'article 125quinquies, § 3, le comptage effectué pour remplir la norme du centre d'enseignement est valable jusqu'au 31 août 2020. ".
Art. II.26. In artikel 125octies, § 2, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 10 juli 2003 en gewijzigd bij het decreet van 15 juli 2005, worden tussen de woorden "van een provincie" en de woorden "de norm" de woorden "of binnen het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest" ingevoegd.
Art. II.26. A l'article 125octies, § 2, du même décret, inséré par le décret du 10 juillet 2003 et modifié par le décret du 15 juillet 2005, les mots " ou à l'intérieur de la Région de Bruxelles-Capitale " sont insérés entre les mots " d'une province " et les mots " n'atteignent pas la norme ".
Art. II.27. Aan artikel 125duodecies, § 2, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 10 juli 2003, vervangen bij het decreet van 15 juli 2005 en gewijzigd bij het decreet van 8 mei 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° aan punt 1° worden de woorden "en op voorwaarde dat de school het schooljaar voor de start van de scholengemeenschap opgenomen was in de financierings- of subsdieringsregeling" toegevoegd;
  2° aan punt 1° bis wordt de volgende zin toegevoegd:
  "Bij de start van een nieuwe zesjaarlijkse periode voor scholengemeenschappen zoals bepaald in artikel 125quinquies, worden de scholen, die bij de start van de scholengemeenschap op 1 september deel uitmaken van de scholengemeenschap, geacht deel uit te maken van de scholengemeenschap op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar, op voorwaarde dat de school het schooljaar voor de start van de scholengemeenschap opgenomen was in de financierings- of subsidiëringsregeling.".
Art. II.27. A l'article 125duodecies § 2, du même décret, inséré par le décret du 10 juillet 2003, remplacé par le décret du 15 juillet 2005 et modifié par le décret du 8 mai 2009, sont apportées les modifications suivantes :
  1° le point 1° est complété par les mots " et à condition que l'école était reprise dans le régime de financement ou de subventionnement pendant l'année scolaire précédant le début du centre d'enseignement " ;
  2° le point 1° bis est complété par la phrase suivante :
  " Au début d'une nouvelle période de six années pour les centres d'enseignement telle que visée à l'article 125quinquies, les écoles qui, au début du centre d'enseignement le 1er septembre, faisaient partie du centre d'enseignement, sont censées faire partie du centre d'enseignement au premier jour de classe du mois de février de l'année scolaire précédente, à condition que l'école était reprise dans le régime de financement ou de subventionnement pendant l'année scolaire précédant le début du centre d'enseignement. ".
Art. II.28. Aan artikel 125duodecies1 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 22 juni 2007, vervangen bij het decreet van 4 juli 2008 en gewijzigd bij de decreten van 8 mei 2009 en 17 juni 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in § 1, tweede lid, 1°, eerste zin, worden de woorden ", § 3, tijdens het schooljaar 2010-2011, 2011-2012, 2012-2013 of 2013-2014" opgeheven;
  2° aan § 1, tweede lid, 1°, derde zin, worden de woorden "en op voorwaarde dat de school het schooljaar voor de start van de scholengemeenschap opgenomen was in de financierings- of subsidiëringsregeling" toegevoegd;
  3° aan § 1, 1° bis, wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt:
  "Bij de start van een nieuwe zesjaarlijkse periode voor scholengemeenschappen, zoals bepaald in artikel 125quinquies, worden de scholen, die bij de start van de scholengemeenschap op 1 september deel uitmaken van de scholengemeenschap, geacht deel uit te maken van de scholengemeenschap op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar, op voorwaarde dat de school het schooljaar voor de start van de scholengemeenschap opgenomen was in de financierings- of subsidiëringsregeling.";
  4° aan § 2, 1°, wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt:
  "Bij de start van een nieuwe zesjaarlijkse periode voor scholengemeenschappen, zoals bepaald in artikel 125quinquies, worden de scholen, die bij de start van de scholengemeenschap op 1 september deel uitmaken van de scholengemeenschap, geacht deel uit te maken van de scholengemeenschap op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar, op voorwaarde dat de school het schooljaar voor de start van de scholengemeenschap opgenomen was in de financierings- of subsidiëringsregeling.";
  5° aan § 2, 3°, wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt:
  "Bij de start van een nieuwe zesjaarlijkse periode voor scholengemeenschappen, zoals bepaald in artikel 125quinquies, worden de scholen, die bij de start van de scholengemeenschap op 1 september deel uitmaken van de scholengemeenschap, geacht deel uit te maken van de scholengemeenschap op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar, op voorwaarde dat de school het schooljaar voor de start van de scholengemeenschap opgenomen was in de financierings- of subsidiëringsregeling.".
Art. II.28. A l'article 125duodecies1 du même décret, inséré par le décret du 22 juin 2007, remplacé par le décret du 4 juillet 2008 et modifié par les décrets des 8 mai 2009 et 17 juin 2011, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au § 1er, deuxième alinéa, 1°, première phrase, les mots " qui, pendant l'année scolaire 2010-2011, 2011-2012, 2012-2013 ou 2013-2014, adhèrent, sur la base de l'article 125quinquies, § 3, " sont remplacés par les mots " qui adhèrent, sur la base de l'article 125quinquies, " ;
  2° le § 1er, deuxième alinéa, 1°, troisième phrase, est complété par les mots " et à condition que l'école était reprise dans le régime de financement ou de subventionnement pendant l'année scolaire précédant le début du centre d'enseignement " ;
  3° le § 1er, 1° bis, est complété par une phrase, rédigée comme suit :
  " Au début d'une nouvelle période de six années pour les centres d'enseignement telle que visée à l'article 125quinquies, les écoles qui, au début du centre d'enseignement le 1er septembre, faisaient partie du centre d'enseignement, sont censées faire partie du centre d'enseignement au premier jour de classe du mois de février de l'année scolaire précédente, à condition que l'école était reprise dans le régime de financement ou de subventionnement pendant l'année scolaire précédant le début du centre d'enseignement. " ;
  4° le § 2, 1°, est complété par une phrase, rédigée comme suit :
  " Au début d'une nouvelle période de six années pour les centres d'enseignement telle que visée à l'article 125quinquies, les écoles qui, au démarrage du centre d'enseignement le 1er septembre, faisaient partie du centre d'enseignement, sont censées faire partie du centre d'enseignement au premier jour de classe du mois de février de l'année scolaire précédente, à condition que l'école était reprise dans le régime de financement ou de subventionnement pendant l'année scolaire précédant le début du centre d'enseignement. " ;
  5° le § 2, 3°, est complété par une phrase, rédigée comme suit :
  " Au début d'une nouvelle période de six années pour les centres d'enseignement telle que visée à l'article 125 quinquies, les écoles qui, au début du centre d'enseignement le 1er septembre, faisaient partie du centre d'enseignement, sont censées faire partie du centre d'enseignement au premier jour de classe du mois de février de l'année scolaire précédente, à condition que l'école était reprise dans le régime de financement ou de subventionnement pendant l'année scolaire précédant le début du centre d'enseignement. ".
Art. II.29. Artikel 168 van hetzelfde decreet, opgeheven door het decreet van 9 december 2005 en opnieuw opgenomen door het decreet van 21 december 2012, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 168. Eén vereniging zonder winstoogmerk ontvangt de subsidie, vermeld in artikel 169, vanaf de data, vermeld in artikel 169, en één voltijds verlof wegens bijzondere opdracht als ze voldoet aan de volgende voorwaarden:
  1° ze stelt zich tot doel de participatie van de kleuters van de kermisexploitanten en ze organiseert een rijdende kleuterschool Vlaanderen ter bevordering daarvan. De rijdende kleuterschool Vlaanderen zal de toer van de foren volgen;
  2° ze leeft de erkenningsvoorwaarden na, vermeld in artikel 62, § 1, 2°, 5°, 6°, 7° en 11° ;
  3° ze voorziet in onderwijsaanbod dat ten minste de leergebieden, vermeld in artikel 39, omvat. De geformuleerde ontwikkelingsdoelen voor die leergebieden, vermeld in artikel 44, § 1, worden nagestreefd;
  4° ze houdt zich aan de bepalingen, vermeld in artikel 27 en 27bis;
  5° ze aanvaardt alleen kleuters die zijn ingeschreven in een erkende school;
  6° ze bezorgt jaarlijks uiterlijk op 15 september een financieel verslag over het afgelopen schooljaar;
  7° ze toont de betrokkenheid met en de kennis van de doelgroep aan;
  8° ze toont aan dat ze voldoende ervaring heeft met het organiseren van een rijdende kleuterschool.".
Art. II.29. L'article 168 du même décret, abrogé par le décret du 9 décembre 2005 et réinséré par le décret du 21 décembre 2012, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 168. Une seule association sans but lucratif reçoit la subvention visée à l'article 169, à partir des dates visées à l'article 169, et un (1) congé à temps plein pour mission spéciale, si elle remplit les conditions suivantes :
  1° elle se fixe comme objectif d'assurer la participation des jeunes enfants des forains et organise une école maternelle itinérante flamande visant à promouvoir cette participation. L'école maternelle itinérante flamande suivra le tour des foires ;
  2° elle observe les conditions d'agrément reprises à l'article 62, § 1er, 2°, 5°, 6°, 7° et 11° ;
  3° elle pourvoit en une offre d'enseignement comprenant au moins les domaines d'apprentissage visés à l'article 39. Les objectifs de développement formulés pour ces domaines d'apprentissage, tels que visés à l'article 44, § 1er, sont poursuivis ;
  4° elle respecte les dispositions visées aux articles 27 et 27bis ;
  5° elle accepte seulement des jeunes enfants inscrits dans une école agréée ;
  6° elle dresse annuellement, au plus tard le 15 septembre, un rapport financier sur l'année scolaire écoulée ;
  7° elle démontre l'engagement envers le groupe cible et la connaissance de celui-ci ;
  8° elle démontre avoir suffisamment d'expérience dans l'organisation d'une école maternelle itinérante. ".
Art. II.30. Artikel 169 van hetzelfde decreet, opgeheven door het decreet van 9 december 2005, opnieuw opgenomen door het decreet van 21 december 2012, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 169. § 1. Vanaf het schooljaar 2015-2016 wordt aan de vzw een subsidie toegekend van maximaal 28.000 euro voor het project de rijdende kleuterschool Vlaanderen.
  § 2. De subsidie, vermeld in paragraaf 1, wordt als volgt uitbetaald:
  1° een eerste schijf van 80% uiterlijk één maand na de ondertekening van het subsidiebesluit;
  2° een saldo van 20% nadat het financieel verslag, vermeld in artikel 168, goedgekeurd is.
  § 3. Vanaf het begrotingsjaar 2016 wordt de subsidie die aan de vzw toegekend wordt, jaarlijks geïndexeerd tegen 75% van het prijsindexcijfer dat berekend wordt voor de toepassing van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen.
  § 4. Vanaf het schooljaar 2015-2016 wordt aan de vzw ook een verlof wegens bijzondere opdracht voor één kleuteronderwijzer toegekend.
  § 5. De regering bepaalt de verdere procedure voor de aanvraag en de toekenning van de subsidie, vermeld in paragraaf 1, en het verlof wegens bijzondere opdracht, vermeld in paragraaf 4. De toekenning van de subsidie en het verlof wegens bijzondere opdracht gebeuren telkens voor een periode van vijf schooljaren.".
Art. II.30. L'article 169 du même décret, abrogé par le décret du 9 décembre 2005 et réinséré par le décret du 21 décembre 2012, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 169. § 1er. A partir de l'année scolaire 2015-2016, une subvention de 28.000 euros est octroyée à l'a.s.b.l. pour le projet de l'école maternelle itinérante flamande.
  § 2. La subvention, visée au paragraphe 1er, est payée comme suit :
  1° une première tranche de 80% au plus tard un mois après la signature de l'arrêté de subvention ;
  2° un solde de 20% après approbation du rapport financier visé à l'article 168.
  § 3. A partir de l'année budgétaire 2016, la subvention accordée à l'a.s.b.l. est indexée annuellement à 75% de l'indice de santé, calculé pour l'application de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays.
  § 4. A partir de l'année scolaire 2015-2016, il est également accordé à l'a.s.b.l. un congé pour mission spéciale pour un seul instituteur préscolaire.
  § 5. Le gouvernement détermine la procédure à suivre pour la demande et l'octroi de la subvention visée au paragraphe 1er et du congé pour mission spéciale visé au paragraphe 4. L'octroi de la subvention et du congé pour mission spéciale se fait chaque fois pour une période de cinq années scolaires. ".
Art. II.31. In artikel 173quater van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 9 juli 2010 en gewijzigd bij het decreet van 19 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 wordt punt 1° vervangen door wat volgt:
  "1° a) ofwel gelegen zijn in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest op voorwaarde dat dit gewest, voor het schooljaar (X, X+1), een totale aangroei kent van minstens 2400 regelmatige leerlingen gewoon basisonderwijs, die ingeschreven waren in de vestigingsplaatsen, gesubsidieerd of gefinancierd door de Vlaamse overheid, op het grondgebied van dit gewest, op de eerste schooldag van februari van het kalenderjaar X ten opzichte van de eerste schooldag van februari van het kalenderjaar X-5;
  b) ofwel gelegen zijn in een administratief arrondissement van het Vlaamse Gewest dat, voor het schooljaar (X, X+1), een totale aangroei kent van minstens 2400 regelmatige leerlingen gewoon basisonderwijs, die ingeschreven waren in de vestigingsplaatsen op het grondgebied van dit administratief arrondissement, op de eerste schooldag van februari van het kalenderjaar X ten opzichte van de eerste schooldag van februari van het kalenderjaar X-5;";
  2° in § 1, 2°, wordt het woord "scholen" vervangen door het woord "vestigingsplaatsen";
  3° in paragraaf 1bis worden tussen de woorden "worden er" en de woorden ", voor het schooljaar" de woorden "vanaf 1 september 2015" ingevoegd.".
Art. II.31. A l'article 173quater du même décret, inséré par le décret du 9 juillet 2010 et modifié par le décret du 19 juillet 2013, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au paragraphe 1er, le point 1° est remplacé par ce qui suit :
  " 1° a) ou bien être situé en Région de Bruxelles-Capitale à condition que cette Région connaisse, pour l'année scolaire (X, X+1), une croissance totale d'au moins 2400 élèves réguliers de l'enseignement fondamental ordinaire, qui étaient inscrits dans les implantations subventionnées ou financées par l'Autorité flamande, sur le territoire de cette Région, au premier jour de classe de février de l'année calendaire X par rapport au premier jour de classe de février de l'année calendaire X-5 ;
  b) ou bien être situé dans un arrondissement administratif de la Région flamande qui connaît, pour l'année scolaire (X, X+1), une croissance totale d'au moins 2400 élèves réguliers de l'enseignement fondamental ordinaire, qui étaient inscrits dans les implantations sur le territoire de cet arrondissement administratif, au premier jour de classe de février de l'année calendaire X par rapport au premier jour de classe de février de l'année calendaire X-5 ; " ;
  2° au § 1er, 2°, le mot " écoles " est remplacé par le mot " implantations " ;
  3° dans le paragraphe 1bis, les mots " à partir du 1er septembre 2015, " sont insérés entre les mots " il est accordé aussi, " et les mots " pour l'année scolaire ".
Art. II.32. In artikel 173quinquies/1 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 6 juli 2012 en gewijzigd bij het decreet van 19 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 wordt punt 1° vervangen door wat volgt:
  "1° a) ofwel gelegen zijn in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest op voorwaarde dat dit gewest, voor het schooljaar (X, X+1), een totale aangroei kent van minstens 2400 regelmatige leerlingen gewoon basisonderwijs, die ingeschreven waren in de vestigingsplaatsen, gesubsidieerd of gefinancierd door de Vlaamse overheid, op het grondgebied van dit gewest, op de eerste schooldag van februari van het kalenderjaar X ten opzichte van de eerste schooldag van februari van het kalenderjaar X-5;
  b) ofwel gelegen zijn in een administratief arrondissement van het Vlaamse Gewest dat, voor het schooljaar (X, X+1), een totale aangroei kent van minstens 2400 regelmatige leerlingen gewoon basisonderwijs, die ingeschreven waren in de vestigingsplaatsen op het grondgebied van dit administratief arrondissement, op de eerste schooldag van februari van het kalenderjaar X ten opzichte van de eerste schooldag van februari van het kalenderjaar X-5;";
  2° in § 1, 2°, wordt het woord "scholen" vervangen door het woord "vestigingsplaatsen";
  3° in paragraaf 1bis worden tussen de woorden "worden er" en de woorden ", voor het schooljaar" de woorden "vanaf 1 september 2015" ingevoegd.
Art. II.32. A l'article 173quinquies/1 du même décret, inséré par le décret du 6 juillet 2012 et modifié par le décret du 19 juillet 2013, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au paragraphe 1er, le point 1° est remplacé par ce qui suit :
  " 1° a) ou bien être situé en Région de Bruxelles-Capitale à condition que cette Région connaisse, pour l'année scolaire (X, X+1), une croissance totale d'au moins 2400 élèves réguliers de l'enseignement fondamental ordinaire, qui étaient inscrits dans les implantations subventionnées ou financées par l'Autorité flamande, sur le territoire de cette Région, au premier jour de classe de février de l'année calendaire X par rapport au premier jour de classe de février de l'année calendaire X-5 ;
  b) ou bien être situé dans un arrondissement administratif de la Région flamande qui connaît, pour l'année scolaire (X, X+1), une croissance totale d'au moins 2400 élèves réguliers de l'enseignement fondamental ordinaire, qui étaient inscrits dans les implantations sur le territoire de cet arrondissement administratif, au premier jour de classe de février de l'année calendaire X par rapport au premier jour de classe de février de l'année calendaire X-5 ; " ;
  2° au § 1er, 2°, le mot " écoles " est remplacé par le mot " implantations " ;
  3° dans le paragraphe 1bis, les mots " à partir du 1er septembre 2015, " sont insérés entre les mots " il est accordé aussi, " et les mots " pour l'année scolaire ".
Art. II.33. In artikel 194quater, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 4 juli 2008 en gewijzigd bij het decreet van 17 juni 2011, worden de woorden ", voor de schooljaren 2008-2009, 2009-2010, 2010-2011, 2011-2012, 2012-2013 en 2013-2014," opgeheven.
Art. II.33. Dans l'article 194quater, § 1er, du même décret, inséré par le décret du 4 juillet 2008 et modifié par le décret du 17 juin 2011, les mots " , pour les années scolaires 2008-2009, 2009-2010, 2010-2011, 2011-2012, 2012-2013 et 2013-2014, " sont abrogés.
Art. II.34. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 september 2014.
  Artikel II.29 en II.30 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2013.
  Artikel II.7, 1°, II.11, 3°, II.15 en II.23, hebben uitwerking met ingang van 1 september 2013.
  Artikel II.16 en II.17 hebben uitwerking met ingang van 1 mei 2014.
  Artikel II.6, II.18, II.19, II.20 en II.21 treden in werking op 1 september 2015.
Art. II.34. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er septembre 2014.
  Les articles II.29 et II.30 produisent leurs effets le 1er janvier 2013.
  Les articles II.7, 1°, II.11, 3°, II.15 et II.23 produisent leurs effets le 1er septembre 2013.
  Les articles II.16 et II.17 produisent leurs effets le 1er mai 2014.
  Les articles II.6, II.18, II.19, II.20 et II.21 entrent en vigueur le 1er septembre 2015.
HOOFDSTUK III. - Secundair onderwijs
CHAPITRE III. - Enseignement secondaire
Afdeling I. - Codex Secundair Onderwijs
Section Ire. - Code de l'Enseignement secondaire
Art. III.1. Aan artikel 3 van de Codex Secundair Onderwijs, gecodificeerd op 17 december 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° aan punt 2° /1, ingevoegd bij het decreet van 25 november 2011, wordt een punt c) toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "c) in het voltijds gewoon secundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs: een leerling die officieel verblijft in een open asielcentrum, zijnde een collectieve opvangstructuur als vermeld in artikel 2, 10°, van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde categorieën van vreemdelingen en die op 31 december volgend op de aanvang van het schooljaar respectievelijk voor het voltijds gewoon secundair onderwijs minstens twaalf jaar en geen achttien jaar geworden is en voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt;";
  2° punt 23° wordt opgeheven.
Art. III.1. A l'article 3 du Code de l'Enseignement secondaire, codifié le 17 décembre 2010, sont apportées les modifications suivantes :
  1° le point 2° /1, inséré par le décret du 25 novembre 2011, est complété par un point c), rédigé comme suit :
  " c) dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein et l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel : un élève résidant officiellement dans un centre d'asile ouvert, à savoir une structure d'accueil collective telle que visée à l'article 2, 10°, de la Loi du 12 janvier 2007 sur l'accueil des demandeurs d'asile et de certaines autres catégories d'étrangers et, au 31 décembre suivant le début de l'année scolaire, ayant douze ans au moins et non pas encore dix-huit ans pour l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein, ou n'ayant pas encore accompli dix-huit pour l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ; " ;
  2° le point 23° est abrogé.
Art. III.2. In artikel 14, § 4, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het tweede lid wordt vervangen door een nieuw tweede, derde en vierde lid, die luiden als volgt:
  "De ingebruikname van een nieuwe vestigingsplaats tijdens een bepaald schooljaar wordt door het schoolbestuur uiterlijk 31 maart van het voorafgaand schooljaar schriftelijk aangevraagd bij de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap. De Vlaamse Regering bepaalt de ontvankelijkheidsvoorwaarden waaraan deze aanvraag moet voldoen.
  De onderwijsinspectie onderzoekt de aanvraag op hygiëne, veiligheid en bewoonbaarheid, en geeft een advies aan de Vlaamse Regering, die beslist over de goedkeuring. Het advies en de aansluitende beslissing worden uiterlijk 30 juni van het voorafgaand schooljaar aan het schoolbestuur medegedeeld. Indien de Vlaamse Regering deze datum overschrijdt, wordt de aanvraag geacht van rechtswege te zijn goedgekeurd.
  De aanvraag tot ingebruikname van een nieuwe vestigingsplaats maakt deel uit van de aanvraag, bedoeld in paragraaf 2, in het geval van een school die wordt opgericht zonder het gevolg te zijn van een herstructurering van bestaande scholen.";
  2° er wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Nieuwe vestigingsplaatsen die in gebruik worden genomen tijdens het schooljaar 2013-2014 worden, doch uitsluitend tot en met 31 augustus 2014, van rechtswege goedgekeurd.".
Art. III.2. A l'article 14, § 4, du même Code, inséré par le décret du 21 décembre 2012, sont apportées les modifications suivantes :
  1° le deuxième alinéa est remplacé par un nouveau deuxième, troisième et quatrième alinéa, rédigés comme suit :
  " Pour la mise en service d'une nouvelle implantation au cours d'une année scolaire déterminée, une demande doit être introduite par écrit, au plus tard le 31 mars de l'année scolaire précédente, par l'autorité scolaire auprès du service compétent de la Communauté flamande. Le Gouvernement flamand arrête les conditions de recevabilité auxquelles cette demande doit satisfaire.
  L'inspection de l'enseignement examine la demande au niveau d'hygiène, de sécurité et d'habitabilité, et rend un avis au Gouvernement flamand, qui décide de l'approbation. L'avis et la décision qui s'ensuit sont communiqués à l'autorité scolaire au plus tard le 30 juin de l'année scolaire précédente. Si cette date est dépassée par le Gouvernement flamand, la demande est censée être approuvée de plein droit.
  La demande de mise en service d'une nouvelle implantation fait partie de la demande visée au paragraphe 2, dans le cas d'une école créée sans être issue d'une restructuration d'écoles existantes. " ;
  2° il est ajouté un cinquième alinéa, rédigé comme suit :
  " Les nouvelles implantations mises en service au cours de l'année scolaire 2013-2014, toutefois exclusivement jusqu'au 31 août 2014 inclus, sont approuvées de plein droit. ".
Art. III.3. In artikel 15, § 4, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het tweede lid wordt vervangen door een nieuw tweede, derde en vierde lid, die luiden als volgt:
  "De ingebruikname van een nieuwe vestigingsplaats tijdens een bepaald schooljaar wordt door het schoolbestuur uiterlijk 31 maart van het voorafgaand schooljaar schriftelijk aangevraagd bij de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap. De Vlaamse Regering bepaalt de ontvankelijkheidsvoorwaarden waaraan deze aanvraag moet voldoen.
  De onderwijsinspectie onderzoekt de aanvraag op hygiëne, veiligheid en bewoonbaarheid, en geeft een advies aan de Vlaamse Regering, die beslist over de goedkeuring. Het advies en de aansluitende beslissing worden uiterlijk 30 juni van het voorafgaand schooljaar aan het schoolbestuur medegedeeld. Indien de Vlaamse Regering deze datum overschrijdt, wordt de aanvraag geacht van rechtswege te zijn goedgekeurd.
  De aanvraag tot ingebruikname van een nieuwe vestigingsplaats maakt deel uit van de aanvraag, bedoeld in paragraaf 2, in het geval van een school die wordt opgericht zonder het gevolg te zijn van een herstructurering van bestaande scholen. De aanvraag tot ingebruikname van een nieuwe vestigingsplaats wordt gevoegd bij de melding, bedoeld in artikel 175, § 6, voor het voltijds gewoon secundair onderwijs, en artikel 285/1 voor het buitengewoon secundair onderwijs, in het geval van een school die wordt opgericht als gevolg van een herstructurering van bestaande scholen.";
  2° er wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Nieuwe vestigingsplaatsen die in gebruik worden genomen tijdens het schooljaar 2013-2014 worden, doch uitsluitend tot en met 31 augustus 2014, van rechtswege goedgekeurd.".
Art. III.3. A l'article 15, § 4, du même Code, modifié par le décret du 21 décembre 2012, sont apportées les modifications suivantes :
  1° le deuxième alinéa est remplacé par un nouveau deuxième, troisième et quatrième alinéa, rédigés comme suit :
  " Pour la mise en service d'une nouvelle implantation au cours d'une année scolaire déterminée, une demande doit être introduite par écrit, le 31 mars de l'année scolaire précédente, par l'autorité scolaire auprès du service compétent de la Communauté flamande. Le Gouvernement flamand arrête les conditions de recevabilité auxquelles cette demande doit satisfaire.
  L'inspection de l'enseignement examine la demande au niveau d'hygiène, de sécurité et d'habitabilité, et rend un avis au Gouvernement flamand, qui décide de l'approbation. L'avis et la décision qui s'ensuit sont communiqués à l'autorité scolaire au plus tard le 30 juin de l'année scolaire précédente. Si cette date est dépassée par le Gouvernement flamand, la demande est censée être approuvée de plein droit.
  La demande de mise en service d'une nouvelle implantation fait partie de la demande visée au paragraphe 2, dans le cas d'une école créée sans être issue d'une restructuration d'écoles existantes. La demande de mise en service d'une nouvelle implantation est jointe à la notification visée à l'article 175, § 6, pour ce qui est de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein et à l'article 285/1 pour ce qui est de l'enseignement secondaire spécial, dans le cas d'une école créée à la suite d'une restructuration d'écoles existantes. " ;
  2° il est ajouté un cinquième alinéa, rédigé comme suit :
  " Les nouvelles implantations mises en service au cours de l'année scolaire 2013-2014, sont approuvées de plein droit, toutefois exclusivement jusqu'au 31 août 2014 inclus. ".
Art. III.4. In artikel 17, § 2, van dezelfde codex wordt tussen het woord "psychologisch" en de woorden "en sociaal" het woord ", orthopedagogisch" ingevoegd.
Art. III.4. A l'article 17, § 2, du même Code, le mot " , orthopédagogique " est inséré entre le mot " psychologique " et les mots " et social ".
Art. III.5. In artikel 19 van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 1. Een schoolbestuur kan van de aan zijn scholen toegekende uren-leraar gewoon onderwijs respectievelijk lesuren buitengewoon onderwijs maximaal twee procent respectievelijk maximaal drie procent herverdelen onder zijn scholen.
  Die twee procent voor het gewoon onderwijs en drie procent voor het buitengewoon onderwijs worden berekend op basis van het totaal aantal uren-leraar of lesuren dat gedurende het vorig schooljaar aan het schoolbestuur werd toegekend op basis van de geldende reglementaire normen.
  Het schoolbestuur kan alleen uren-leraar of lesuren herverdelen tussen scholen die behoren tot dezelfde scholengemeenschap, als:
  1° de herverdeling in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt;
  2° er een onderhandeling in het lokaal comité heeft plaatsgevonden.
  In afwijking van paragraaf 3 kan deze herverdeling gepaard gaan met bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel.";
  2° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 2. Het schoolbestuur kan alleen uren-leraar of lesuren herverdelen tussen scholen die niet behoren tot dezelfde scholengemeenschap, als:
  1° de herverdeling in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt;
  2° er een onderhandeling in het lokaal comité heeft plaatsgevonden.
  3° daarvan melding gemaakt is aan de betrokken scholengemeenschap waartoe de begunstigde school behoort.
  In afwijking van paragraaf 3 kan deze herverdeling gepaard gaan met bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel op voorwaarde dat het lokaal comité daarmee akkoord gaat.";
  3° in paragraaf 3 worden de woorden "lesuren, lestijden of uren-leraar" vervangen door de woorden "uren-leraar of lesuren";
  4° in paragraaf 4, tweede lid, worden de woorden "lesuren, lestijden of uren-leraar" vervangen door de woorden "uren-leraar of lesuren" en worden de woorden "bedoelde uren-leraar" vervangen door de woorden "bedoelde uren-leraar of lesuren".
Art. III.5. A l'article 19 du même Code sont apportées les modifications suivantes :
  1° le paragraphe 1er est remplacé par la disposition suivante :
  " § 1er. Une autorité scolaire peut redistribuer parmi ses écoles, respectivement au maximum deux pour cent pour l'enseignement ordinaire et trois pour cent pour l'enseignement spécial, des périodes-professeur respectivement heures de cours accordées à ses écoles.
  Ces deux pour cent pour l'enseignement ordinaire et trois pour cent pour l'enseignement spécial sont calculés sur la base du nombre total de périodes-professeur ou heures de cours ayant été allouées pendant l'année scolaire précédente à l'autorité scolaire sur la base des normes réglementaires en vigueur.
  L'autorité scolaire peut uniquement redistribuer des périodes-professeur ou heures de cours entre des écoles appartenant à un même centre d'enseignement si :
  1° la redistribution est en accord avec les arrangements conclus au sein du centre d'enseignement ;
  2° une négociation au sein du comité local a eu lieu.
  Par dérogation au paragraphe 3, cette redistribution peut entraîner des mises en disponibilité supplémentaires par défaut d'emploi dans la catégorie du personnel enseignant. " ;
  2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. L'autorité scolaire peut uniquement redistribuer des périodes-professeur ou heures de cours entre des écoles n'appartenant pas à un même centre d'enseignement si :
  1° la redistribution est en accord avec les arrangements conclus au sein du centre d'enseignement ;
  2° une négociation au sein du comité local a eu lieu ;
  3° notification en est faite au centre d'enseignement concerné auquel appartient l'école bénéficiaire.
  Par dérogation au paragraphe 3, cette redistribution peut entraîner des mises en disponibilité supplémentaires par défaut d'emplois dans la catégorie du personnel enseignant à condition que le comité local soit d'accord. " ;
  3° au paragraphe 3, les mots " heures de cours, périodes ou périodes-professeurs " sont remplacés par les mots " périodes-professeur ou heures de cours " ;
  4° au paragraphe 4, deuxième alinéa, les mots " heures de cours, périodes ou périodes-professeurs " sont remplacés par les mots " périodes-professeur ou heures de cours " et les mots " périodes-professeur visées " sont remplacés par les mots " périodes-professeur ou heures de cours visées ".
Art. III.6. In artikel 20 van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 1. Binnen dezelfde scholengemeenschap kunnen uren-leraar of lesuren tot uiterlijk 1 november van het betrokken schooljaar van een school aan een andere school worden overgedragen, als:
  1° de overdracht in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt;
  2° er een onderhandeling heeft plaatsgevonden in het lokaal comité.
  In afwijking van paragraaf 2 kan deze overdracht gepaard gaan met bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel.
  Binnen hetzelfde net kunnen uren-leraar of lesuren tot uiterlijk 1 november van het betrokken schooljaar worden overgedragen van een school aan een andere school die niet behoort tot dezelfde scholengemeenschap, als:
  1° de overdracht in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt;
  2° er een onderhandeling in het lokaal comité heeft plaatsgevonden.
  3° daarvan melding gemaakt is aan de betrokken scholengemeenschap waartoe de begunstigde school behoort.
  In afwijking van paragraaf 2 kan deze overdracht gepaard gaan met bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel op voorwaarde dat het lokaal comité hiermee akkoord gaat.";
  2° in paragraaf 2 worden de woorden "lestijden, lesuren of uren-leraar" telkens vervangen door de woorden "uren-leraar of lesuren".
Art. III.6. A l'article 20 du même Code sont apportées les modifications suivantes :
  1° le paragraphe 1er est remplacé par la disposition suivante :
  " § 1er. Dans un même centre d'enseignement, il est possible de transférer, jusqu'au 1er novembre de l'année scolaire concernée, des périodes-enseignant ou heures de cours d'une école à une autre école si :
  1° le transfert est en accord avec les arrangements conclus au sein du centre d'enseignement ;
  2° une négociation a eu lieu au sein du comité local.
  Par dérogation au paragraphe 2, ce transfert peut entraîner des mises en disponibilité supplémentaires par défaut d'emploi dans la catégorie du personnel enseignant.
  Dans un même réseau, il est possible de transférer, jusqu'au 1er novembre de l'année scolaire concernée, des périodes-professeur ou heures de cours d'une école à une autre école n'appartenant pas au même centre d'enseignement si :
  1° le transfert est en accord avec les arrangements conclus au sein du centre d'enseignement ;
  2° une négociation au sein du comité local a eu lieu ;
  3° notification en est faite au centre d'enseignement concerné auquel appartient l'école bénéficiaire.
  Par dérogation au paragraphe 2, ce transfert peut entraîner des mises en disponibilité supplémentaires par défaut d'emplois dans la catégorie du personnel enseignant à condition que le comité local soit d'accord. " ;
  2° au paragraphe 2, les mots " périodes, heures de cours ou périodes-professeur " sont remplacés par les mots " périodes-professeur ou heures de cours ".
Art. III.7. In artikel 21 van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 17 juni 2011 en 19 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 wordt de eerste zin vervangen door een zin, die luidt als volgt:
  "Een school kan tijdens een bepaald schooljaar niet ingerichte uren-leraar overdragen naar het daaropvolgende schooljaar mits te voldoen aan alle volgende voorwaarden:";
  2° in paragraaf 1 wordt het woord "uren-leraar" telkens vervangen door de woorden "uren-leraar of lesuren";
  3° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 2. De overdracht van uren-leraar of lesuren tijdens een bepaald schooljaar, vermeld in paragraaf 1, is alleen mogelijk als het betrokken schoolbestuur van de school op erewoord verklaart dat het tijdens dat schooljaar in de betrokken school overeenkomstig de geldende reglementering geen nieuwe of bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel dient uit te spreken of als de leden van het onderwijzend personeel die nieuw of bijkomend ter beschikking werden gesteld wegens ontstentenis van betrekking, kunnen worden gereaffecteerd of wedertewerkgesteld in een vacante of niet-vacante organieke betrekking in de scholengemeenschap en dit voor de duur van het volledig schooljaar. Daarenboven kan een schoolbestuur van een school voor buitengewoon secundair onderwijs die in het lopende schooljaar bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten een aanvraag heeft ingediend met het oog op het bekomen van extra lesuren, geen lesuren overdragen.";
  4° in paragraaf 4 wordt het woord "uren-leraar" vervangen door de woorden "uren-leraar of lesuren";
  5° in paragraaf 5 wordt het woord "uren-leraar" vervangen door de woorden "uren-leraar of lesuren".
Art. III.7. A l'article 21 du même Code, modifié par les décrets des 17 juin 2011 et 19 juillet 2013, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au paragraphe 1er, la première phrase est remplacée par une phrase, rédigée ainsi qu'il suit :
  " Au cours d'une année scolaire déterminée, une école peut transférer des périodes-professeur non organisées à l'année scolaire suivante, à condition qu'il soit satisfait aux conditions suivantes : " ;
  2° au paragraphe 1er, le mot " périodes-professeur " est remplacé par les mots " périodes-professeur ou heures de cours " ;
  3° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. Le transfert de périodes-professeur ou d'heures de cours pendant une année scolaire déterminée, visé au paragraphe 1er, n'est possible que si l'autorité scolaire intéressée de l'école déclare sur l'honneur que, conformément à la réglementation en vigueur, elle ne doit pas procéder à de nouvelles mises en disponibilité ou des mises en disponibilité supplémentaires par défaut d'emploi dans la catégorie du personnel enseignant ou si les membres du personnel enseignant ayant été nouvellement ou supplémentairement mis en disponibilité par défaut d'emploi, peuvent être réaffectés ou remis au travail dans une fonction organique vacante ou non vacante dans le centre d'enseignement et ce pendant l'année scolaire entière. De plus, une autorité scolaire d'une école d'enseignement secondaire spécial ayant introduit auprès de l' " Agentschap voor Onderwijsdiensten ", dans l'année scolaire en cours, une demande en vue de l'obtention d'heures de cours supplémentaires, ne peut pas transférer des heures de cours. " ;
  4° au paragraphe 4, le mot " périodes-professeur " est remplacé par les mots " périodes-professeur ou heures de cours " ;
  5° au paragraphe 5, le mot " périodes-professeur " est remplacé par les mots " périodes-professeur ou heures de cours ".
Art. III.8. Artikel 23, § 2, van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 17 juni 2011, wordt opgeheven.
Art. III.8. L'article 23, § 2, du même Code, remplacé par le décret du 17 juin 2011, est abrogé.
Art. III.9. Artikel 51 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 17 juni 2011, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 51. Alle tijdens het schooljaar 2013-2014 bestaande scholengemeenschappen houden van rechtswege op te bestaan op 31 augustus 2014.
  Scholengemeenschappen die na die datum worden gevormd, komen vrijwillig tot stand voor een periode vanaf 1 september volgend op de datum van de beslissing of de schriftelijke overeenkomst tot vorming van die scholengemeenschap, en tot en met 31 augustus 2020. Indien de scholengemeenschap bestaat uit een of meer scholen van hetzelfde schoolbestuur, dan gebeurt de vorming ervan bij beslissing van dat schoolbestuur. Indien de scholengemeenschap bestaat uit scholen van verschillende schoolbesturen, dan gebeurt de vorming ervan bij schriftelijke overeenkomst tussen die schoolbesturen.
  Tijdens voormelde periode kan de beslissing of overeenkomst inzake de vorming van een scholengemeenschap evenwel worden gewijzigd, in die zin dat op 1 september 2015, 2016, 2017, 2018 dan wel 2019 een school alsnog tot een scholengemeenschap kan toetreden of uit een scholengemeenschap kan stappen.
  Een uitstap uit de scholengemeenschap kan alleen in volgende gevallen:
  1° indien de scholengemeenschap minder dan 900 regelmatige leerlingen telt op de gebruikelijke tellingsdatum;
  2° indien de school wordt overgenomen door een schoolbestuur van een ander onderwijsnet, waarbij voor wat het gesubsidieerd vrij onderwijs betreft een onderscheid wordt gemaakt tussen elke erkende godsdienst en het niet-confessioneel onderwijs, op voorwaarde dat alle schoolbesturen die behoren tot de scholengemeenschap ermee instemmen dat de school uit de scholengemeenschap stapt;
  3° indien de school behoort tot een schoolbestuur met bepaalde kenmerken en voor zover de uitstap plaatsvindt op 1 september 2017, 2018 of 2019. In voorkomend geval genereert desbetreffende school extra middelen voor het betrokken schoolbestuur. De Vlaamse Regering bepaalt:
  a) aan welke kenmerken een desbetreffend schoolbestuur moet voldoen, met dien verstande dat een dergelijk schoolbestuur niet tot een scholengemeenschap kan behoren;
  b) de vorm, de wijze van berekening, de toekenning en de aanwending van die extra middelen, met dien verstande dat de berekening ervan op lineaire basis gebeurt;
  c) de personeelscategorieën en ambten waarin op basis van die middelen, voor zover ze de personeelsomkadering betreffen, betrekkingen kunnen worden ingericht en hoe de omrekening naar gefinancierde of gesubsidieerde betrekkingen gebeurt.
  De vorming van een scholengemeenschap en de eventuele wijziging ervan wordt schriftelijk en uiterlijk 31 maart van het voorafgaand schooljaar aan de bevoegde diensten gemeld.
  Een scholengemeenschap neemt al dan niet een rechtspersoonlijkheid of een rechtsvorm aan.".
Art. III.9. L'article 51 du même Code, modifié par le décret du 17 juin 2011, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 51. Tous les centres d'enseignement existants pendant l'année budgétaire 2013-2014 cessent de plein droit d'exister au 31 août 2014.
  Les centres d'enseignement qui sont créés après cette date, sont constitués sur une base volontaire pour une période débutant le 1er septembre suivant la date de la décision ou de la convention écrite relative à la constitution de ce centre d'enseignement, et courant jusqu'au 31 août 2020. Si le centre d'enseignement se compose d'une ou de plusieurs écoles de la même autorité scolaire, la formation de celui-ci a lieu par décision de l'autorité scolaire en question. Si le centre d'enseignement se compose d'écoles appartenant à de différentes autorités scolaires, la formation de celui-ci a lieu par convention écrite entre les autorités scolaires en question.
  Au cours de la période précitée, la décision ou convention relative à la constitution d'un centre d'enseignement peut toutefois être modifiée, dans ce sens qu'une école peut encore adhérer au centre d'enseignement ou le quitter au 1er septembre 2015, 2016, 2017, 2018 ou 2019.
  Quitter le centre d'enseignement n'est toutefois possible que dans les cas suivants :
  1° si celui-ci compte moins de 900 élèves réguliers à la date de comptage habituelle ;
  2° si l'école est reprise par une autorité scolaire d'un autre réseau d'enseignement, où une distinction est faite, pour ce qui est de l'enseignement libre subventionné, entre toute religion reconnue et l'enseignement non confessionnelle, à condition que toutes les autorités scolaires appartenant au centre d'enseignement soient d'accord à ce que l'école quitte le centre d'enseignement ;
  3° si l'école appartient à une autorité scolaire ayant des caractéristiques déterminées et pour autant qu'elle quitte le centre d'enseignement au 1er septembre 2017, 2018 ou 2019. Le cas échéant, l'école en question génère des moyens supplémentaires pour l'autorité scolaire concernée. Le Gouvernement flamand détermine :
  a) les caractéristiques auxquelles une autorité scolaire en question doit satisfaire, étant entendu qu'une pareille autorité scolaire ne peut appartenir à un centre d'enseignement ;
  b) la forme, le mode de calcul, l'allocation et l'affectation de ces moyens supplémentaires, étant entendu que le calcul se fait sur une base linéaire ;
  c) les catégories de personnel et fonctions dans lesquelles des emplois peuvent être organisés sur la base de ces moyens, pour autant qu'ils concernent l'encadrement du personnel, et le mode de conversion en des emplois financés ou subventionnés.
  La constitution d'un centre d'enseignement et l'éventuelle modification de celui-ci sont notifiées par écrit et au plus tard le 31 mars de l'année scolaire précédente aux services compétents.
  Un centre d'enseignement prend ou non une personnalité juridique ou une forme juridique. ".
Art. III.10. In artikel 57 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 17 juni 2011, wordt punt 2° vervangen door wat volgt:
  "2° maakt afspraken over een objectieve leerlingenoriëntering en -begeleiding. Met het oog daarop en voor zover in de scholengemeenschap een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs is opgenomen, heeft de scholengemeenschap een overlegplicht ten aanzien van elk regionaal overlegplatform, vermeld in het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap, waarvan het werkingsgebied geheel of gedeeltelijk samenvalt met dat van de scholengemeenschap;".
Art. III.10. A l'article 57 du même Code, modifié par le décret du 17 juin 2011, le point 2° est remplacé par la disposition suivante :
  " 2° conclut des arrangements relatifs à une orientation et un encadrement objectifs des élèves. A cet effet et dans la mesure où un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel fait partie du centre d'enseignement, celui-ci a une obligation de concertation à l'égard de chaque plate-forme régionale de concertation visée au décret du 10 juillet 2008 relatif au système d'apprentissage et de travail en Communauté flamande, dont la zone d'action coïncide en tout ou en partie avec la zone d'action du centre d'enseignement ; ".
Art. III.11. In artikel 110/1 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet 8 juni 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in § 3, eerste lid, wordt de zinsnede "tenzij de capaciteit van de vestigingsplaats of het structuuronderdeel is of wordt overschreden, overeenkomstig artikel 110/9" vervangen door de zinsnede "tenzij in geval van overschrijding van de capaciteit of volzetverklaring als vermeld in artikel 110/9";
  2° in paragraaf 3 wordt een lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Het verworven recht als ingeschreven leerling blijft behouden indien van de school een deel wordt afgesplitst en ondergebracht in een nieuwe school van hetzelfde schoolbestuur.";
  3° er wordt een paragraaf 5 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 5. Een school- of centrumbestuur met scholen of centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs waarvan één of meerdere vestigingsplaatsen gelegen zijn binnen eenzelfde of aaneensluitende kadastrale percelen, of gescheiden zijn door hetzij maximaal twee kadastrale percelen hetzij door een weg, kan ervoor opteren om voor de toepassing van de bepalingen van hoofdstuk 1/1 en 1/2 van deze codex, de desbetreffende vestigingsplaatsen als één school of centrum te beschouwen. Een school- of centrumbestuur dat van deze mogelijkheid gebruikmaakt, neemt dit op in zijn school- of centrumreglement.".
Art. III.11. A l'article 110/1 du même Code, inséré par le décret du 8 juin 2012, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au § 3, alinéa premier, le membre de phrase " à moins que la capacité de l'implantation ou de la subdivision structurelle ait été ou soit dépassée, conformément à l'article 110/9 " est remplacé par le membre de phrase " sauf en cas de dépassement de la capacité ou d'une déclaration d'occupation complète tels que mentionnés à l'article 110/9 " ;
  2° le paragraphe 3 est complété par un alinéa, rédigé comme suit :
  " Le droit acquis comme élève inscrit reste maintenu, si une partie de l'école est détachée et intégrée dans une nouvelle école de la même autorité scolaire. " ;
  3° il est ajouté un paragraphe 5, rédigé comme suit :
  " § 5. Une autorité scolaire ou autorité d'un centre avec des écoles ou centres d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel dont une ou plusieurs implantations se situent dans une même parcelle cadastrale ou à l'intérieur de parcelles cadastrales adjacentes, ou sont séparées soit par deux parcelles cadastrales au maximum, soit par une voie, peut choisir de considérer les implantations en question comme une seule école ou un seul centre pour ce qui est de l'application des dispositions des chapitres 1/1 et 1/2 du présent Code. Une autorité scolaire ou autorité d'un centre qui se sert de cette possibilité, doit en faire mention dans son règlement d'école ou de centre. ".
Art. III.12. In artikel 110/2 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 25 november 2011, en gewijzigd bij de decreten van 8 juni 2012 en 21 december 2012, worden in paragraaf 1 de volgende wijzingen aangebracht:
  1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt:
  "Elke inschrijvingsperiode begint met opeenvolgende voorrangsperiodes, waarbij:
  1° in het eerste leerjaar van de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs en in het buitengewoon secundair onderwijs eerst voorrang wordt verleend aan de leerlingen, vermeld in artikel 110/3, dan aan de leerlingen vermeld in artikel 110/4, dan in voorkomend geval aan de leerlingen vermeld in artikel 110/5, dan aan de leerlingen vermeld in artikel 110/6 en tot slot aan de leerlingen vermeld in artikel 110/7.";
  2° in het tweede lid en het derde lid wordt de zinsnede "capaciteit, vermeld in artikel 110/9, § 4" telkens vervangen door de zinsnede "capaciteit of volzetverklaring, vermeld in artikel 110/9";
  3° na het derde lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "In afwijking van het derde lid, kunnen voor scholen gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, enkel de voorrangsperiodes, vermeld in artikel 110/3 en artikel 110/4 samen genomen worden.".
Art. III.12. Au paragraphe 1er de l'article 110/2 du même Code, inséré par le décret du 25 novembre 2011 et modifié par les décrets des 8 juin 2012 et 21 décembre 2012, les modifications suivantes sont apportées :
  1° l'alinéa premier est remplacé par ce qui suit :
  " Chaque période d'inscription commence par des périodes prioritaires successives, où :
  1° en première année d'études du premier degré de l'enseignement secondaire ordinaire et dans l'enseignement secondaire spécial, la priorité est donnée aux élèves mentionnés à l'article 110/3, ensuite aux élèves mentionnés à l'article 110/4, ensuite le cas échéant aux élèves mentionnés à l'article 110/5, ensuite aux élèves mentionnés à l'article 110/6 et enfin aux élèves mentionnés à l'article 110/7. " ;
  2° aux deuxième et troisième alinéas, le membre de phrase " la capacité fixée telle que visée à l'article 110/9, § 4 " est chaque fois remplacé par le membre de phrase " la capacité fixée ou d'une déclaration d'occupation complète telles que visées à l'article 110/9 " ;
  3° après le troisième alinéa, il est inséré un nouvel alinéa, rédigé comme suit :
  " Par dérogation au troisième alinéa, seules les périodes prioritaires visées aux articles 110/3 et 110/4 peuvent être prises ensembles pour ce qui est des écoles situées dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale. ".
Art. III.13. In artikel 110/5 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 25 november 2011, vervangen bij het decreet van 8 juni 2012 en gewijzigd bij het decreet 19 juli 2013, worden volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in § 2, 3°, wordt het woord "B1" vervangen door het woord "B2";
  2° aan paragraaf 2 wordt een punt c) toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "c) door het voorleggen van het bewijs van minstens voldoende kennis van het Nederlands na het afleggen van een taalexamen bij het selectiebureau van de federale overheid;";
  3° in paragraaf 2 wordt het vierde punt opgeheven en wordt het vijfde punt hernummerd tot het vierde punt;
  4° in paragraaf 3 worden in het derde lid de woorden "artikel 110/9, § 1" vervangen door de woorden "artikel 110/9";
  5° in paragraaf 3 wordt het vijfde lid vervangen door wat volgt:
  "Een reeds ingeschreven leerling of een leerling die tot dezelfde leefentiteit behoort als een reeds ingeschreven leerling die op basis van de op het moment van zijn inschrijving geldende regelgeving werd beschouwd als een leerling met de thuistaal Nederlands mag beschouwd worden als een leerling met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is als vermeld in paragraaf 1. Een reeds ingeschreven leerling of een leerling die tot dezelfde leefentiteit behoort als een reeds ingeschreven leerling die op basis van de op het moment van zijn inschrijving geldende regelgeving werd beschouwd als een leerling met minstens één ouder die het Nederlands in voldoende mate machtig is, wordt beschouwd als een leerling met minstens één ouder als vermeld in paragraaf 1.".
Art. III.13. A l'article 110/5 du même Code, inséré par le décret du 25 novembre 2011, remplacé par le décret du 8 juin 2012 et modifié par le décret du 19 juillet 2013, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au § 2, 3°, le mot " B1 " est remplacé par le mot " B2 " ;
  2° au paragraphe 2 est ajouté un point c), rédigé comme suit :
  " c) en produisant la preuve d'une connaissance au moins suffisante du néerlandais après avoir subi un examen linguistique auprès du Bureau de sélection de l'Autorité fédérale ; " ;
  3° au paragraphe 2, le quatrième point est abrogé, tandis que le cinquième point est renuméroté quatrième point ;
  4° au troisième alinéa du paragraphe 3, les mots " l'article 110/9, § 1er " sont remplacés par les mots " l'article 110/9 " ;
  5° au paragraphe 3, le cinquième alinéa est remplacé par ce qui suit :
  " Un élève déjà inscrit ou un élève qui appartient à la même unité de vie qu'un élève déjà inscrit qui, sur base de la réglementation en vigueur au moment de son inscription, était considéré comme un élève dont la langue familiale est le néerlandais, peut être considéré comme étant un élève ayant au moins un parent qui maîtrise suffisamment le néerlandais, tel que visé au paragraphe 1er. Un élève déjà inscrit ou un élève qui appartient à la même unité de vie qu'un élève déjà inscrit qui, sur base de la réglementation en vigueur au moment de son inscription, était considéré comme un élève ayant au moins un parent qui maîtrise suffisamment le néerlandais, est considéré comme un élève ayant au moins un parent tel que visé au paragraphe 1er. ".
Art. III.14. In artikel 110/7 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 8 juni 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 wordt in het zevende lid, de woorden "als vermeld in artikel 110/9" opgeheven;
  2° in paragraaf 1 worden in het tiende lid de woorden "vermeld in artikel 110/9, § 1" telkens vervangen door de woorden "waarop een capaciteit is vastgelegd";
  3° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 3. De indicatoren op basis waarvan voorrang verleend wordt, zijn:
  1° de leefeenheid, als vermeld in artikel 5, 21°, van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap ontving in het schooljaar, voorafgaand aan het schooljaar waarop de inschrijving van de leerling betrekking heeft, of in het daaraan voorafgaande schooljaar, minstens één schooltoelage zoals bedoeld in het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap, of het gezin heeft een beperkt inkomen;
  2° de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs of een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs.".
Art. III.14. A l'article 110/7 du même Code, inséré par le décret du 8 juin 2012, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au septième alinéa du paragraphe 1er, les mots " telle que citée à l'article 110/9 " sont abrogés ;
  2° au dixième alinéa du paragraphe 1er, les mots " cités à l'article 110/9, § 1er " sont chaque fois remplacés par les mots " pour lesquels une capacité a été fixée " ;
  3° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
  " § 3. Les indicateurs sur la base desquels priorité est accordée, sont les suivants :
  1° dans l'année scolaire préalable à l'année scolaire à laquelle a trait l'inscription de l'élève ou dans l'année scolaire précédant celle-ci, l'unité de vie telle que visée à l'article 5, 21°, du décret du 8 juin 2007 relatif à l'aide financière aux études de la Communauté flamande, a reçu au moins une allocation scolaire telle que visée dans le décret du 8 juin 2007 relatif à l'aide financière aux études de la Communauté flamande, ou la famille a un revenu limité ;
  2° la mère n'est pas titulaire d'un diplôme de l'enseignement secondaire, d'un certificat d'études de la deuxième année du troisième degré de l'enseignement secondaire ou d'un titre équivalent. ".
Art. III.15. Artikel 110/9 van dezelfde codex, ingevoegd bij decreet van 25 november 2011, vervangen bij decreet van 8 juni 2012 en gewijzigd bij decreet van 19 juni 2013, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 110/9. § 1. Voorafgaand aan een inschrijvingsperiode als vermeld in artikel 110/1, § 2, moet een schoolbestuur voor al zijn scholen of vestigingsplaatsen met een eerste leerjaar van de eerste graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs een capaciteit bepalen op volgend niveau:
  a) hetzij het eerste leerjaar A afzonderlijk en het eerste leerjaar B afzonderlijk en voor alle vestigingsplaatsen van de school samen;
  b) hetzij het eerste leerjaar A en het eerste leerjaar B samen en voor alle vestigingsplaatsen van de school samen;
  c) hetzij het eerste leerjaar A afzonderlijk en het eerste leerjaar B afzonderlijk en per afzonderlijke vestigingsplaats van de school;
  d) hetzij het eerste leerjaar A en het eerste leerjaar B samen en per afzonderlijke vestigingsplaats van de school.
  Onder capaciteit wordt het maximaal aantal leerlingen verstaan dat het schoolbestuur als in te schrijven vooropstelt, waardoor bij het overschrijden van die capaciteit elke bijkomende inschrijving wordt geweigerd, behoudens in de gevallen vermeld in paragraaf 6.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1, moet een school- of centrumbestuur voor al zijn scholen, centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad voorafgaand aan een inschrijvingsperiode als vermeld in artikel 110/1, § 2, capaciteit bepalen op een of meer van volgende niveaus:
  a) hetzij per school, met uitzondering van het eerste leerjaar van de eerste graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs;
  b) hetzij per centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen;
  c) hetzij per vestigingsplaats, met uitzondering van het eerste leerjaar van de eerste graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs;
  d) hetzij per structuuronderdeel of combinatie van structuuronderdelen, met uitzondering van het eerste leerjaar van de eerste graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs, al dan niet per vestigingsplaats.
  Onder capaciteit wordt het maximaal aantal leerlingen verstaan dat het school- of centrumbestuur als in te schrijven vooropstelt, waardoor bij het overschrijden van die capaciteit elke bijkomende inschrijving wordt geweigerd, behoudens in de gevallen vermeld in paragraaf 6.
  § 3. Voorafgaand aan een inschrijvingsperiode als vermeld in artikel 110/1, § 2, moet een schoolbestuur voor al zijn scholen voor buitengewoon secundair onderwijs, met uitzondering van de scholen met type 5, een capaciteit bepalen op een of meer van volgende niveaus:
  a) hetzij per school;
  b) hetzij per vestigingsplaats;
  c) hetzij per opleidingsvorm;
  d) hetzij per type;
  e) hetzij per structuuronderdeel of combinatie van structuuronderdelen, al dan niet per vestigingsplaats;
  f) hetzij per pedagogische eenheid, zoals bepaald in artikel 257.
  Onder capaciteit wordt het maximaal aantal leerlingen verstaan dat het school- of centrumbestuur als in te schrijven vooropstelt, waardoor bij het overschrijden van die capaciteit elke bijkomende inschrijving wordt geweigerd, behoudens in de gevallen vermeld in paragraaf 6.
  § 4. Een school- of centrumbestuur kan na de start van de inschrijvingen steeds een capaciteit verhogen, op voorwaarde van:
  a) goedkeuring door het LOP in het geval de school of het centrum is gelegen in een gemeente die behoort tot het werkingsgebied van een LOP;
  b) mededeling aan de school- en centrumbesturen van de andere scholen en centra gelegen in die gemeente indien de school of het centrum is gelegen buiten het werkingsgebied van een LOP.
  § 5. Een school- of centrumbestuur deelt aan alle belanghebbenden en, indien gelegen in het werkingsgebied van een LOP, aan dat LOP zijn vastgelegde capaciteiten mee.
  Een school- of centrumbestuur bepaalt en communiceert daarenboven ten minste op volgende momenten het aantal plaatsen waarin een inschrijving gerealiseerd kan worden, indien van toepassing per contingent:
  a) voor de start van de voorrangsperiode, vermeld in artikel 110/3;
  b) voor de start van de voorrangsperiode, vermeld in artikel 110/5;
  c) voor de start van de voorrangsperiode, vermeld in artikel 110/6;
  d) na de voorrangsperiode, vermeld in artikel 110/7.
  § 6. Een schoolbestuur kan, ook bij overschrijding van een vastgelegde capaciteit toch in volgende situaties overgaan tot een inschrijving:
  1° voor de toelating van leerlingen in het secundair onderwijs die:
  a) hetzij geplaatst zijn door de jeugdrechter of door de comités voor bijzondere jeugdzorg;
  b) hetzij als (semi-)internen verblijven in een (semi-)internaat verbonden aan de school;
  c) hetzij opgenomen zijn in een voorziening van residentiële opvang;
  2° voor de terugkeer van leerlingen in het buitengewoon secundair onderwijs die in het lopende of het voorafgaande schooljaar in de school ingeschreven waren en die gedurende die periode in het kader van geïntegreerd onderwijs in het gewoon secundair onderwijs ingeschreven waren;
  3° voor de toelating van leerlingen in het eerste leerjaar van de eerste graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs en in het buitengewoon secundair onderwijs die behoren tot dezelfde leefentiteit, indien de ouders deze leerlingen wensen in te schrijven in hetzelfde niveau, vermeld in paragraaf 1 of 2, naargelang van het geval, en slechts een van de leerlingen ingeschreven kan worden omwille van de capaciteit.
  § 7. Een school- of centrumbestuur, dat niet valt onder de toepassing van paragraaf 2, kan steeds voor al zijn scholen, centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen volzet verklaren op een of meer van volgende niveaus:
  a) per school, met uitzondering van het eerste leerjaar van de eerste graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs;
  b) per centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen;
  c) per vestigingsplaats, met uitzondering van het eerste leerjaar van de eerste graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs;
  d) per structuuronderdeel of combinatie van structuuronderdelen, met uitzondering van het eerste leerjaar van de eerste graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs, al dan niet per vestigingsplaats.
  Onder volzet verklaren, wordt verstaan dat een school- of centrumbestuur elke bijkomende inschrijving weigert, behoudens de gevallen vermeld in paragraaf 6, wanneer ze het vooropgestelde maximaal aantal leerlingen heeft ingeschreven.
  Het school- of centrumbestuur meldt de volzetverklaring of de eventuele opheffing ervan aan:
  a) het LOP in het geval de school of het centrum is gelegen in een gemeente die behoort tot het werkingsgebied van een LOP;
  b) aan de school- en centrumbesturen van de andere scholen en centra gelegen in die gemeente indien de school of het centrum is gelegen buiten het werkingsgebied van een LOP.
  § 8. Een schoolbestuur kan ook na volzetverklaring, vermeld in paragraaf 7, toch in volgende situaties overgaan tot een inschrijving:
  1° voor de toelating van leerlingen in het secundair onderwijs die:
  a) hetzij geplaatst zijn door de jeugdrechter of door de comités voor bijzondere jeugdzorg;
  b) hetzij als (semi-)internen verblijven in een (semi-)internaat verbonden aan de school;
  c) hetzij opgenomen zijn in een voorziening van residentiële opvang;
  2° voor de terugkeer van leerlingen in het buitengewoon secundair onderwijs die in het lopende of het voorafgaande schooljaar in de school ingeschreven waren en die gedurende die periode in het kader van geïntegreerd onderwijs in het gewoon secundair onderwijs ingeschreven waren;
  3° voor de toelating van leerlingen die behoren tot dezelfde leefentiteit, indien de ouders deze leerlingen wensen in te schrijven in hetzelfde structuuronderdeel, naargelang van het geval, en slechts een van de leerlingen ingeschreven kan worden omwille van de volzetverklaring.".
Art. III.15. L'article 110/9, du même Code, inséré par le décret du 25 novembre 2011, remplacé par le décret du 8 juin 2012 et modifié par le décret du 19 juin 2013, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 110/9. § 1er. Une autorité scolaire doit, préalablement à une période d'inscription telle que visée à l'article 110/1, § 2, fixer pour toutes ses écoles ou implantations organisant une première année d'études du premier degré de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein, une capacité au niveau suivant :
  a) soit la première année d'études A séparément et la première année d'études B séparément et pour toutes les implantations de l'école ensemble ;
  b) soit la première année d'études A et la première année d'études B ensemble et pour toutes les implantations de l'école ensemble ;
  c) soit la première année d'études A séparément et la première année d'études B séparément et chaque implantation de l'école séparément ;
  d) soit la première année d'études A et la première année d'études B ensemble et par implantation séparée de l'école.
  Par capacité il faut entendre le nombre maximum d'élèves que l'autorité scolaire entend inscrire, ce qui fait qu'en cas de dépassement de cette capacité, toute inscription supplémentaire est refusée, sauf dans les cas mentionnés au paragraphe 6.
  § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, une autorité scolaire ou autorité d'un centre doit, préalablement à une période d'inscription telle que visée à l'article 110/1, § 2, fixer pour toutes ses écoles, tous ses centres d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel et centres de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises situés dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale, la capacité à un ou plusieurs des niveaux suivants :
  a) soit par école, à l'exception de la première année d'études du premier degré de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein ;
  b) soit par centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ou par centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises ;
  c) soit par implantation, à l'exception de la première année d'études du premier degré de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein ;
  d) soit par subdivision structurelle ou combinaison de subdivisions structurelles, à l'exception de la première année d'études du premier degré de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein, par implantation ou non.
  Par capacité il faut entendre le nombre maximum d'élèves que l'autorité scolaire ou l'autorité d'un centre entend inscrire, ce qui fait qu'en cas de dépassement de cette capacité, toute inscription supplémentaire est refusée, sauf dans les cas mentionnés au paragraphe 6.
  § 3. Une autorité scolaire doit, préalablement à une période d'inscription telle que visée à l'article 110/1, § 2, fixer pour toutes ses écoles d'enseignement secondaire spécial, à l'exception des écoles de type 5, une capacité à un ou plusieurs des niveaux suivants :
  a) soit par école ;
  b) soit par implantation ;
  c) soit par forme d'enseignement ;
  d) soit par type ;
  e) soit par subdivision structurelle ou combinaison de subdivisions structurelles, par implantation ou non ;
  f) soit par unité pédagogique, telle que visée à l'article 257.
  Par capacité il faut entendre le nombre maximum d'élèves que l'autorité scolaire ou l'autorité d'un centre entend inscrire, ce qui fait qu'en cas de dépassement de cette capacité, toute inscription supplémentaire est refusée, sauf dans les cas mentionnés au paragraphe 6.
  § 4. Après le démarrage des inscriptions, une autorité scolaire ou autorité d'un centre peut toujours augmenter une capacité, moyennant :
  a) approbation par la LOP dans le cas où l'école ou le centre se situe dans une commune appartenant à la zone d'action d'une LOP ;
  b) communication aux autorités scolaires des autres écoles et aux autorités du centre des autres centres situés dans la commune si l'école ou le centre se situent en dehors de la zone d'action d'une LOP.
  § 5. Une autorité scolaire ou direction d'un centre communique à tous les intéressés et, si l'école ou le centre sont situés dans la zone d'action d'une LOP, à cette LOP, les capacités fixées.
  Une autorité scolaire ou direction d'un centre détermine et communique en outre, au moins aux moments suivants, le nombre de places disponibles pour réaliser une inscription, le cas échéant par contingent :
  a) avant le démarrage de la période prioritaire visée à l'article 110/3 ;
  b) avant le démarrage de la période prioritaire visée à l'article 110/5 ;
  c) avant le démarrage de la période prioritaire visée à l'article 110/6 ;
  d) après la période prioritaire visée à l'article 110/7.
  § 6. Même en cas de dépassement d'une capacité fixée, une autorité scolaire peut procéder à une inscription dans les situations suivantes :
  1° pour l'admission d'élèves dans l'enseignement secondaire qui :
  a) soit sont placés par le tribunal de la jeunesse ou par les comités d'assistance spéciale à la jeunesse ;
  b) soit résident, en tant que (semi-)internes, dans un (semi-)internat rattaché à l'école ;
  c) soit sont placés dans une structure d'accueil résidentiel ;
  2° pour le retour d'élèves dans l'enseignement secondaire spécial qui, pendant l'année scolaire en cours ou précédente, étaient inscrits dans l'école et qui, dans le cadre de l'enseignement intégré, étaient inscrits pendant cette période dans l'enseignement secondaire ordinaire ;
  3° pour l'admission en première année d'études du premier degré de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein et dans l'enseignement secondaire spécial, d'élèves appartenant à la même entité de vie, si les parents souhaitent inscrire ces élèves dans le même niveau, visé au paragraphe 1er ou 2, suivant le cas, et si un des élèves seulement peut être inscrit en raison de la capacité.
  § 7. Une autorité scolaire ou direction d'un centre ne relevant pas de l'application du paragraphe 2, peut toujours faire une déclaration d'occupation complète pour ses écoles, centres d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel et centres de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises, à un ou plusieurs niveaux :
  a) par école, à l'exception de la première année d'études du premier degré de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein ;
  b) par centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ou par centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises ;
  c) par implantation, à l'exception de la première année d'études du premier degré de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein ;
  d) par subdivision structurelle ou combinaison de subdivisions structurelles, à l'exception de la première année d'études du premier degré de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein, par implantation ou non.
  Par déclaration d'occupation complète il faut entendre, qu'une autorité scolaire ou direction d'un centre refuse toute inscription supplémentaire, sauf dans les cas cités au paragraphe 6, lorsqu'elle a inscrit le nombre maximum d'élèves qu'elle s'était proposé.
  L'autorité scolaire ou la direction d'un centre communique la déclaration d'occupation complète ou l'abrogation éventuelle de celle-ci :
  a) à la LOP dans le cas où l'école ou le centre se situe dans une commune appartenant à la zone d'action d'une LOP ;
  b) aux autorités scolaires des autres écoles et aux directions des autres centres situés dans la commune si l'école ou le centre se situent en dehors de la zone d'action d'une LOP.
  § 8. Même en cas d'une déclaration d'occupation complète, telle que visée au paragraphe 7, une autorité scolaire peut quand même procéder à une inscription dans les situations suivantes :
  1° pour l'admission d'élèves dans l'enseignement secondaire qui :
  a) soit sont placés par le tribunal de la jeunesse ou par les comités d'assistance spéciale à la jeunesse ;
  b) soit résident, en tant que (semi-)internes, dans un (semi-)internat rattaché à l'école ;
  c) soit sont placés dans une structure d'accueil résidentiel ;
  2° pour le retour d'élèves dans l'enseignement secondaire spécial qui, pendant l'année scolaire en cours ou précédente, étaient inscrits dans l'école et qui, dans le cadre de l'enseignement intégré, étaient inscrits pendant cette période dans l'enseignement secondaire ordinaire ;
  3° pour l'admission d'élèves appartenant à la même entité de vie, si les parents souhaitent inscrire ces élèves dans la même subdivision structurelle, suivant le cas, et si un des élèves seulement peut être inscrit en raison de la déclaration d'occupation complète. ".
Art. III.16. In artikel 110/12 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet 8 juni 2012, worden volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 wordt tussen de woorden "artikel 110/9 bepaalde capaciteit," en de woorden "een inschrijvingsregister", de woorden "of niveau waarop volzet verklaard wordt" ingevoegd;
  2° in paragraaf 1 wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Een school, gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, noteert vanaf de inschrijvingen voor het schooljaar 2015-2016, met behoud van het eerste lid, eveneens de inschrijving in toepassing van artikel 110/5. Een school, gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, noteert voor de niet-gerealiseerde inschrijvingen, met behoud van het eerste lid, eveneens het behoren tot de leerlingen, gevat door artikel 110/5.";
  3° in § 2, eerste lid, wordt de zinsnede "de inschrijvingen, vermeld in artikel 110/9, § 5" vervangen door de zinsnede "de inschrijvingen, vermeld in artikel 110/9, § 6" en wordt de zinsnede "verhoogde capaciteit als vermeld in artikel 110/9, § 3" vervangen door de zinsnede "verhoogde capaciteit als vermeld in artikel 110/9, § 4";
  4° in paragraaf 2 wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
  "Met uitzondering van de inschrijvingen, vermeld in artikel 110/9, § 6, wordt voor inschrijvingen door het opheffen van de volzetverklaring als vermeld in artikel 110/9, § 7, de volgorde van de niet-gerealiseerde inschrijvingen gerespecteerd en dit tot en met de vijfde schooldag van oktober van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking had.";
  5° aan paragraaf 2 wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Vanaf de inschrijvingen voor het schooljaar 2015-2016, wordt in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad bij inschrijvingen voor vrijgekomen plaatsen van leerlingen, ingeschreven in toepassing van artikel 110/5, de volgorde van de niet-gerealiseerde inschrijvingen, desgevallend per contingent, in toepassing van paragraaf 1, tweede lid, gerespecteerd, met behoud van artikel 110/3 en 110/4.";
  6° in paragraaf 3 wordt de tweede zin opgeheven.
Art. III.16. A l'article 110/12 du même Code, inséré par le décret du 8 juin 2012, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au paragraphe 1er, les mots " ou pour chaque niveau pour lequel est faite une déclaration d'occupation complète " sont insérés entre les mots " pour chaque capacité fixée conformément à l'article 110/9 " et les mots " un registre d'inscription " ;
  2° au paragraphe 1er, il est ajouté un second alinéa, rédigé comme suit :
  " A partir des inscriptions pour l'année scolaire 2015-2016, une école située dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale, note, sans préjudice de l'alinéa premier, également l'inscription en application de l'article 110/5. Une école située dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale note, pour les inscriptions non réalisées, sans préjudice de l'alinéa premier, également l'appartenance aux élèves saisis par l'article 110/5. " ;
  3° au § 2, alinéa premier, le membre de phrase " des inscriptions visées à l'article 110/9, § 5 " est remplacé par le membre de phrase " des inscriptions visées à l'article 110/9, § 6 " et le membre de phrase " la capacité augmentée telle que visée à l'article 110/9, § 3 " est remplacé par le membre de phrase " la capacité augmentée telle que visée à l'article 110/9, § 4 " ;
  4° au paragraphe 2, le deuxième alinéa est remplacé par ce qui suit :
  " A l'exception des inscriptions visées à l'article 110/9, § 6, pour ce qui concerne les inscriptions suite à l'abrogation de la déclaration d'occupation complète telle que citée à l'article 110/9, § 7, l'ordre des inscriptions non réalisées est respecté et ce jusqu'au cinquième jour de classe inclus du mois d'octobre de l'année scolaire sur laquelle portait l'inscription. " ;
  5° le paragraphe 2 est complété par un troisième alinéa, rédigé comme suit :
  " A partir des inscriptions pour l'année scolaire 2015-2016 dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale, l'ordre des inscriptions non réalisées, le cas échéant par contingent, est respecté, par application du paragraphe 1er, deuxième alinéa, sans préjudice des articles 110/3 et 110/4, pour ce qui est des inscriptions pour des places libérées d'élèves inscrits par application de l'article 110/5. " ;
  6° au paragraphe 3, la deuxième phrase est abrogée.
Art. III.17. In artikel 110/13, § 2, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 25 november 2011, wordt aan het derde lid een zin toegevoegd, die luidt als volgt:
  "In het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad deelt het schoolbestuur eveneens mee welke plaats onder de geweigerde leerlingen, vermeld in artikel 110/5, de betrokken leerling inneemt.".
Art. III.17. A l'article 110/13, § 2, troisième alinéa, du même Code, inséré par le décret du 25 novembre 2011, il est ajouté une phrase, rédigée comme suit :
  " Dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale, l'autorité scolaire communique également la place qu'occupe l'élève concerné parmi les élèves refusés, visés à l'article 110/5. ".
Art. III.18. In artikel 110/19, § 2, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 25 november 2011 zoals aangepast bij het decreet van 8 juni 2012, worden volgende wijzingen aangebracht:
  1° in het eerste lid wordt tussen de woorden "artikel 110/7." en het woord "Met" de zin "In voorkomend geval wordt het aantal plaatsen waarin een inschrijving gerealiseerd kan worden, gecommuniceerd overeenkomstig artikel 110/9, § 5." ingevoegd;
  2° in het derde lid worden de zinsnede "artikel 110/9, § 4" vervangen door de zinsnede "artikel 110/9".
Art. III.18. A l'article 110/19, § 2, du même Code, inséré par le décret du 25 novembre 2011 tel qu'adapté par le décret du 8 juin 2012, les modifications suivantes sont apportées :
  1° à l'alinéa premier, la phrase " Le cas échéant, le nombre de places disponibles pour réaliser une inscription est communiqué conformément à l'article 110/9, § 5. " est inséré entre les mots " 110/7 inclus. " et les mots " Tout en respectant " ;
  2° au troisième alinéa, le membre de phrase " l'article 110/9, § 4 " est remplacé par le membre de phrase " 110/9 ".
Art. III.19. In artikel 110/22, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 25 november 2011 zoals aangepast bij het decreet 8 juni 2012, worden volgende wijzingen aangebracht:
  1° in § 2, eerste lid, wordt de zinsnede "artikel 110/9, § 1," vervangen door de zinsnede "artikel 110/9,";
  2° in paragraaf 3 wordt de zinsnede "artikel 110/9, § 1," vervangen door de zinsnede "artikel 110/9,".
Art. III.19. A l'article 110/22 du même Code, inséré par le décret du 25 novembre 2011 tel qu'adapté par le décret du 8 juin 2012, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au § 2, alinéa premier, le membre de phrase " l'article 110/9, § 1er, " est remplacé par le membre de phrase " l'article 110/9, " ;
  2° au paragraphe 3, le membre de phrase " l'article 110/9, § 1er, " est remplacé par le membre de phrase " l'article 110/9, ".
Art. III.20. In artikel 110/23 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet 25 november 2011, vervangen bij het decreet van 8 juni 2012 en gewijzigd bij het decreet van 19 juli 2013, worden volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in § 2, eerste lid, worden de woorden "artikel 110/9, § 1," vervangen door de woorden "artikel 110/9,";
  2° in paragraaf 3 worden de woorden "artikel 110/9, § 1," vervangen door de woorden "artikel 110/9,".
Art. III.20. A l'article 110/23 du même Code, inséré par le décret du 25 novembre 2011, remplacé par le décret du 8 juin 2012 et modifié par le décret du 19 juillet 2013, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au § 2, alinéa premier, les mots " l'article 110/9, § 1er, " sont remplacés par les mots " l'article 110/9, " ;
  2° au paragraphe 3, les mots " l'article 110/9, § 1er, " sont remplacés par les mots " l'article 110/9, ".
Art. III.21. In artikel 110/24 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 25 november 2011, vervangen bij het decreet van 8 juni 2012 en gewijzigd bij het decreet van 19 juli 2013, worden volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in § 1, tweede lid, wordt tussen het woord "LOP" en de woorden "de rangschikking" de woorden "of buiten het werkingsgebied van een LOP het daartoe gemandateerde schoolbestuur" ingevoegd;
  2° in § 2, eerste lid, wordt tussen het woord "LOP" en de woorden "de aangemelde leerling" de woorden "of buiten het werkingsgebied van een LOP het daartoe gemandateerde schoolbestuur" ingevoegd;
  3° in § 2, derde lid, wordt de volgende zin toegevoegd:
  "Daarna worden de niet-toegewezen leerlingen geordend volgens de ordeningscriteria, vermeld in artikel 110/25, § 2, 9°, c).";
  4° in paragraaf 2 wordt tussen het zevende en achtste lid een nieuw lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Wanneer een via een aanmeldingsprocedure ingeschreven leerling alsnog wordt ingeschreven in een school van hogere keuze, mag de school van lagere keuze de eerder gerealiseerde inschrijving beëindigen.";
  5° in paragraaf 2 wordt het bestaande achtste lid vervangen door wat volgt:
  "Leerlingen van wie het recht op inschrijving, overeenkomstig het zesde, zevende of achtste lid komt te vervallen, worden overeenkomstig artikel 110/12, § 2, vervangen. In het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad worden, in afwijking van artikel 110/12, § 2, leerlingen als vermeld in artikel 110/7 die eveneens beantwoorden aan de criteria, vermeld in artikel 110/5 wiens recht op inschrijving, overeenkomstig het zesde, zevende of achtste lid komt te vervallen, vervangen door de eerstvolgend gerangschikte leerlingen, als vermeld in artikel 110/7 die eveneens beantwoorden aan de criteria, vermeld in artikel 110/5, met behoud van artikel 110/3 en 110/4. Deze ouders krijgen binnen vier werkdagen na de nodige vaststellingen door het schoolbestuur of het LOP schriftelijk of via elektronische drager melding dat de aangemelde leerling alsnog is toegewezen. Deze melding bevat informatie over de periode waarbinnen de ouders de betrokken leerling kunnen inschrijven. Die periode duurt minimaal vijf schooldagen.";
  6° in paragraaf 3 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
  "Indien de leerling in geen enkele school of vestigingsplaats gunstig gerangschikt kan worden, krijgen de aangemelde leerling en zijn ouders binnen vier werkdagen, schriftelijk of via elektronische drager melding over het niet kunnen toewijzen van de aangemelde leerling aan een door de ouders of leerling gekozen school of vestigingsplaats.";
  7° paragraaf 4 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 4. Mits akkoord van de betrokken schoolbesturen kan het LOP de schriftelijke meldingen, vermeld in paragraaf 2 en 3, uitvoeren. De betrokken schoolbesturen kunnen beslissen een niet-gunstige rangschikking gelijk te stellen met een niet-gerealiseerde inschrijving en kunnen de mededeling van de niet-gerealiseerde inschrijving, zoals bepaald in artikel 110/13, mandateren aan het LOP, of buiten het werkingsgebied van een LOP aan het daartoe gemandateerde schoolbestuur.";
  8° paragraaf 5 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 5. Overeenkomstig artikel 110/12 en artikel 110/25, § 2, 8°, wordt de volgorde van de toegewezen leerlingen en de volgorde van de niet-toegewezen leerlingen overgenomen in het inschrijvingsregister.".
Art. III.21. A l'article 110/24 du même Code, inséré par le décret du 25 novembre 2011, remplacé par le décret du 8 juin 2012 et modifié par le décret du 19 juillet 2013, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au § 1er, deuxième alinéa, les mots " ou en dehors de la zone d'action d'une LOP l'autorité scolaire mandatée à cet effet " sont insérés entre les mots " la LOP " et les mots " peut effectuer " ;
  2° au § 2, alinéa premier, les mots " ou en dehors de la zone d'action d'une LOP l'autorité scolaire mandatée à cet effet " sont insérés entre les mots " la LOP " et les mots " affecte l'élève préinscrit " ;
  3° le § 2, troisième alinéa, est complété par la phrase suivante :
  " Ensuite, les élèves non reçus sont classés selon les critères de classement repris à l'article 110/25, § 2, 9°, c). " ;
  4° au paragraphe 2, un nouvel alinéa est inséré entre le septième et le huitième alinéa et s'énonce comme suit :
  " Lorsqu'un élève inscrit par le biais d'une procédure de préinscription finit par être inscrit dans une école d'un choix plus élevé, l'école à laquelle les parents avaient accordé une moindre importance peut mettre fin à l'inscription réalisée antérieurement. " ;
  5° au paragraphe 2, le huitième alinéa existant est remplacé par ce qui suit :
  " Les élèves qui viennent à perdre leur droit à l'inscription, conformément au sixième, septième ou huitième alinéa, sont remplacés conformément à l'article 110/12, § 2. Dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale, par dérogation à l'article 110/12, § 2, les élèves visés à l'article 110/7 remplissant également les critères visés à l'article 110/5, qui viennent de perdre leur droit à l'inscription, conformément aux sixième, septième ou huitième alinéa, sont remplacés par les élèves suivants les premiers classés tels que visés à l'article 110/7 remplissant également les critères visés à l'article 110/5, sans préjudice des articles 110/3 et 110/4. Dans les quatre jours ouvrables après les constatations nécessaires par l'autorité scolaire ou la LOP, les parents reçoivent une notification par écrit ou sur support électronique que l'élève préinscrit a encore été attribué. Cette notification contient des informations relatives à la période dans laquelle les parents peuvent inscrire l'élève concerné. Cette période dure au moins cinq jours de classe. " ;
  6° au paragraphe 3, l'alinéa premier est remplacé par la disposition suivante :
  " Si l'élève ne peut obtenir un classement favorable dans aucune école ou implantation, l'élève préinscrit et ses parents reçoivent, dans les quatre jours ouvrables, une notification par écrit ou sur support électronique relative à l'impossibilité d'attribuer l'élève préinscrit à une école ou implantation choisie par les parents ou l'élève. " ;
  7° le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
  " § 4. Moyennant l'accord des autorités scolaires concernées, la LOP peut exécuter les notifications écrites visées aux paragraphes 2 et 3. Les autorités scolaires concernées peuvent décider d'assimiler un classement non favorable à une inscription non réalisée et peuvent mandater la communication de l'inscription non réalisée telle que visée à l'article 110/13, à la LOP, ou en dehors de la zone d'action d'une LOP à l'autorité scolaire désignée à cet effet. " ;
  8° le paragraphe 5 est remplacé par ce qui suit :
  " § 5. Conformément aux articles 110/12 et 110/25, § 2, 8°, l'ordre des élèves attribués et l'ordre des élèves non reçus sont repris dans le registre d'inscription. ".
Art. III.22. In artikel 110/25 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 25 november 2012, vervangen bij het decreet van 8 juni 2012 en gewijzigd bij het decreet van 19 juli 2013, worden volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in § 1, eerste lid, worden de woorden "1 september" vervangen door de woorden "15 september";
  2° § 1, tweede lid, wordt vervangen door wat volgt:
  "In afwijking van het eerste lid legt voor het buitengewoon onderwijs een schoolbestuur, meerdere schoolbesturen samen of het LOP dat wenst aan te melden voor type 9 voor de inschrijvingen van het schooljaar 2015-2016, een voorstel van aanmeldingsprocedure uiterlijk op 16 februari 2015 voor aan de CLR.";
  3° in § 2, 3°, wordt tussen de woorden "de capaciteit," en de woorden "het aanmeldingsmiddel" de zinsnede "het aantal plaatsen waarin een inschrijving gerealiseerd kan worden," ingevoegd;
  4° § 2, 4°, wordt vervangen door wat volgt:
  "4° de manier waarop de mogelijkheid om een leerling in één aanmeldingsdossier voor verschillende scholen of vestigingsplaatsen tegelijk te kunnen laten aanmelden, indien de aanmeldingsprocedure geldt voor meerdere scholen en vestigingsplaatsen, waarbij tegelijkertijd vermeden wordt dat voor eenzelfde leerling meerdere aanmeldingsdossiers aangelegd kunnen worden binnen het eigen aanmeldingssysteem;";
  5° aan § 2, 9°, c), wordt de volgende zinsnede toegevoegd:
  "en de ordeningscriteria, in toepassing van de bepaling in artikel 110/24, § 2, derde lid, die gehanteerd worden bij de rangschikking van de niet-toegewezen leerlingen";
  6° aan § 2, 9°, d), wordt de volgende zinsnede toegevoegd:
  "en de elementen die in overweging worden genomen bij de berekening van de contingenten";
  7° aan paragraaf 2 wordt een punt 12° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "12° het al dan niet door de schoolbesturen mandateren aan het LOP, of buiten het werkingsgebied van een LOP aan het daartoe aangeduide schoolbestuur, van:
  a) de rangschikking van de aangemelde leerlingen;
  b) het uitreiken van de melding van de definitieve toewijzing of van de melding over het niet kunnen toewijzen van de leerling aan een door de ouders gekozen school of vestigingsplaats;
  c) de mededeling van de niet-gerealiseerde inschrijvingen.";
  8° paragraaf 4 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 4. De CLR neemt over het voorstel van aanmeldingsprocedure een besluit uiterlijk twee maanden na de indiening. Enkel indien de einddatum van deze periode van twee maanden valt in de periode tussen 15 juli en 15 augustus, valt de beslissing uiterlijk in de week volgend op 16 augustus.".
Art. III.22. A l'article 110/25 du même Code, inséré par le décret du 25 novembre 2012, remplacé par le décret du 8 juin 2012 et modifié par le décret du 19 juillet 2013, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au § 1er, alinéa premier, les mots " 1er septembre " sont remplacés par les mots " 15 septembre " ;
  2° le § 1er, deuxième alinéa, est remplacé par la disposition suivante :
  " Par dérogation à l'alinéa premier, une autorité scolaire, plusieurs autorités scolaires ensemble ou la LOP désirant organiser une préinscription pour le type 9 dans l'enseignement spécial, soumet une proposition de procédure de préinscription à la CLR pour les inscriptions de l'année scolaire 2015-2016 le 16 février 2015 au plus tard. " ;
  3° au § 2, 3°, le membre de phrase " le nombre de places disponibles pour réaliser une inscription, " est inséré entre les mots " la capacité, " et les mots " le moyen de préinscription " ;
  4° le § 2, 4° est remplacé par la disposition suivante :
  " 4° le mode d'opérationnalisation de la possibilité de préinscrire un élève dans un seul dossier de préinscription pour plusieurs écoles ou implantations en même temps, si la période de préinscription porte sur plusieurs écoles et implantations, et évitant en même temps que plusieurs dossiers de préinscription puissent être ouverts au sein du propre système de préinscription pour un même élève ; " ;
  5° le § 2, 9°, c), est complété par le membre de phrase suivant :
  " et les critères de classement, par application de la disposition de l'article 110/24, § 2, troisième alinéa, qui seront utilisés pour le classement des élèves non reçus " ;
  6° le § 2, 9°, d), est complété par le membre de phrase suivant :
  " et les éléments pris en considération pour le calcul des contingents " ;
  7° au paragraphe 2 est ajouté un point 12°, rédigé comme suit :
  " 12° le fait que les autorités scolaires mandatent ou non à la LOP, ou en dehors de la zone d'action d'une LOP à l'autorité scolaire désigné à cet effet, les actes suivants :
  a) le classement des élèves préinscrits ;
  b) la notification de l'attribution définitive ou la notification du fait de ne pas avoir pu attribuer l'élève à une école ou une implantation choisie par les parents ;
  c) la communication des inscriptions non réalisées. " ;
  8° le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
  " § 4. La CLR prend une décision sur la proposition de procédure de préinscription dans les deux mois de l'introduction de celle-ci. Seulement si la date de fin de cette période de deux mois tombe dans la période entre le 15 juillet et le 15 août, la décision tombe au plus tard dans la semaine qui suit le 16 août. ".
Art. III.23. In artikel 110/30, § 1, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 19 juli 2013, worden volgende wijzigingen aangebracht:
  1° aan het eerste lid wordt na de woorden "van het secundair onderwijs" de zinsnede "uiterlijk in het schooljaar waarin de leerplichtige vijftien jaar is geworden voor 1 januari." toegevoegd;
  2° in het tweede lid worden de woorden "de leeftijd van vijftien jaar bereikt" vervangen door de woorden "zestien jaar is geworden voor 1 januari";
  3° na het derde lid wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "De regeling bedoeld in deze paragraaf wordt voor het eerst van toepassing op de leerlingen die geboren werden in het jaar 2002.".
Art. III.23. A l'article 110/30, § 1er, du même Code, inséré par le décret du 19 juillet 2013, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au premier alinéa, les mots " , au plus tard dans l'année scolaire dans laquelle l'élève scolarisable a atteint l'âge de quinze ans avant le 1er janvier. " sont ajoutés après les mots " de l'enseignement secondaire " ;
  2° au deuxième alinéa, les mots " il atteint l'âge de quinze ans " sont remplacés par les mots " il a atteint l'âge de seize ans avant le 1er janvier " ;
  3° après le troisième alinéa, il est inséré un nouvel alinéa quatre, rédigé comme suit :
  " La réglementation visée au présent paragraphe s'applique pour la première fois aux élèves nés en 2002. ".
Art. III.24. Aan artikel 115/1, eerste lid van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 1 juli 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° aan het eerste lid worden achteraan de volgende zinnen toegevoegd:
  "Bij de beslissing houdt de toelatingsklassenraad rekening met het advies van de klassenraad van het onthaaljaar als het een overstap betreft van het onthaaljaar naar vervolgonderwijs, vermeld in artikel 146, § 4. Elke beslissing die afwijkt van het advies, wordt afdoende gemotiveerd.";
  2° in punt a) van het tweede lid wordt de volgende zin toegevoegd:
  "In het geval het een overstap betreft van het onthaaljaar naar vervolgonderwijs als vermeld in artikel 146, § 4, moet in de toelatingsklassenraad raadgevend de persoon worden opgenomen die, op basis van daartoe specifiek toegekende uren-leraar, belast is met de ondersteuning, opvolging en begeleiding van gewezen anderstalige nieuwkomers in de scholengemeenschap waarbinnen de betrokken leerling het onthaaljaar heeft gevolgd.".
Art. III.24. A l'article 115/1 du même Code, inséré par le décret du 1er juillet 2011, sont apportées les modifications suivantes :
  1° l'alinéa premier est complété à la fin par les phrases suivantes :
  " Pour sa décision, le conseil de classe d'admission tient compte de l'avis du conseil de classe de l'année d'accueil lorsqu'il s'agit d'un passage de l'année d'accueil à un enseignement complémentaire, visé à l'article 146, § 4. Toute décision déviant de l'avis est suffisamment motivée. " ;
  2° le point a) du deuxième alinéa est complété par la phrase suivante :
  " Au cas où il s'agit d'un passage de l'année d'accueil à un enseignement complémentaire tel que visé à l'article 146, § 4, il faut que le conseil de classe d'admission comprend également, avec voix consultative, la personne étant chargée, sur la base des périodes-professeur spécifiquement accordées à cet effet, de l'appui, du suivi et de l'accompagnement d'anciens primo-arrivants allophones dans le centre d'enseignement au sein duquel l'élève concerné a fréquenté l'année d'accueil. ".
Art. III.25. Artikel 117 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 117. § 1. Leerlingen voor wie het door ziekte of ongeval tijdelijk onmogelijk is om secundair onderwijs te volgen in hun school, hebben, onder de voorwaarden door de Vlaamse Regering bepaald, recht op tijdelijk onderwijs aan huis voor zieke jongeren, synchroon internetonderwijs of een combinatie van beiden.
  § 2. Bij langdurige afwezigheid van een leerling is de directie van de school waar deze leerling is ingeschreven, verplicht op vraag van de betrokken personen, tijdelijk onderwijs aan huis voor zieke jongeren of synchroon internetonderwijs te organiseren. Die verplichting vervalt voor de periode dat de leerling in een preventorium of in een ziekenhuis verblijft waar onderwijs van type 5 gefinancierd of gesubsidieerd wordt of in een dienst neuropsychiatrie voor kinderen die van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming een subsidie-enveloppe ontvangen. Tijdens een dergelijk verblijf of opname kan synchroon internetonderwijs wel verder lopen.
  § 3. De Vlaamse Regering legt de voorwaarden vast om in aanmerking te komen voor tijdelijk onderwijs aan huis voor zieke jongeren en voor synchroon internetonderwijs, bepaalt hoe het onderwijs aan huis en synchroon internetonderwijs georganiseerd wordt en welke vorm van hulp de school krijgt om het onderwijs aan huis te organiseren en wie synchroon internetonderwijs kan organiseren, onder welke voorwaarden en volgens welke subsidiëringsmodaliteiten.
  De Vlaamse Regering bepaalt ook wat onder langdurige afwezigheid moet worden begrepen, met dien verstande dat een afwezigheid van minder dan 21 kalenderdagen geen langdurige afwezigheid is voor de toepassing van dit artikel, tenzij het gaat om een afwezigheid vanwege een chronische ziekte.".
Art. III.25. L'article 117 du même Code est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 117. § 1er. Les élèves qui sont dans l'impossibilité de suivre l'enseignement secondaire dans leur école pour cause de maladie ou d'accident, ont droit à suivre temporairement un enseignement en milieu familial destiné aux jeunes malades, un enseignement synchrone par internet ou une combinaison des deux systèmes, aux conditions fixées par le Gouvernement flamand.
  § 2. En cas d'une longue absence d'un élève, la direction de l'école où celui-ci est inscrit est obligé d'organiser temporairement un enseignement en milieu familial destiné aux jeunes malades ou un enseignement synchrone par internet. Cette obligation échoit pour la période dans laquelle l'élève réside dans un préventorium ou un hôpital où est financé ou subventionné un enseignement de type 5 ou dans un service de neuropsychiatrie destiné aux enfants qui reçoivent une enveloppe subventionnelle du Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation. Pendant un tel séjour ou accueil, l'enseignement synchrone par internet peut être continué.
  § 3. Le Gouvernement flamand fixe les conditions devant être remplies pour entrer en ligne de compte pour un enseignement en milieu familial destiné aux jeunes malades et pour un enseignement synchrone par internet, détermine comment l'enseignement en milieu familial et l'enseignement synchrone par internet doit être organisé et quelle est la nature de l'aide que l'école reçoit pour organiser l'enseignement en milieu familial en qui peut organiser un enseignement synchrone par internet, à quelles conditions et suivant quelles modalités de subventionnement.
  Le Gouvernement flamand détermine également ce qu'il faut entendre par absence de longue durée, étant entendu qu'une absence inférieure à 21 jours calendaires n'est pas une absence de longue durée pour l'application du présent article, à moins qu'il ne s'agisse d'une absence causée par une maladie chronique. ".
Art. III.26. Artikel 117/1 van dezelfde codex, ingevoegd bij decreet van 19 juli 2013, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 117/1. Bij langdurige afwezigheid wegens ziekte of ongeval van een leerling is het schoolbestuur verplicht om de betrokken personen te informeren over het recht op, de mogelijkheden van en de modaliteiten van het tijdelijk onderwijs aan huis en van synchroon internetonderwijs.
  De uitdrukkelijke vraag van de betrokken personen verplicht het schoolbestuur er toe om tijdelijk onderwijs aan huis of synchroon internetonderwijs te organiseren.".
Art. III.26. L'article 117/1 du même Code, inséré par le décret du 19 juillet 2013, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 117/1. Lors d'une absence de longue durée pour cause de maladie ou d'accident d'un élève, l'autorité scolaire est obligée d'informer les personnes concernées du droit à un enseignement temporaire en milieu familial et à un enseignement synchrone par internet, ainsi qu'aux possibilités et aux modalités de tels enseignements.
  A la demande explicite des personnes concernées, l'autorité scolaire est obligée d'organiser un enseignement temporaire en milieu familial ou un enseignement synchrone par internet. ".
Art. III.27. In deel III, titel 2, van dezelfde codex wordt het opschrift van hoofdstuk 5 vervangen door wat volgt:
  "HOOFDSTUK 5. - Leerplicht".
Art. III.27. Dans la partie III, titre 2, du même Code, l'intitulé du chapitre 5 est remplacé par ce qui suit :
  " CHAPITRE 5. - Obligation scolaire ".
Art. III.28. Artikel 123 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 123. Leerplicht draagt bij tot de opvoeding van de jongere en tot de voorbereiding op de uitoefening van een beroep. Het begin en het einde van de leerplicht zijn bepaald in artikel 1, § 1, eerste lid, § 3, § 7, van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht. De leerplicht is voltijds hetzij tot de leeftijd van vijftien jaar is bereikt, op voorwaarde dat ten minste de eerste twee leerjaren van het voltijds secundair onderwijs zijn beëindigd, hetzij tot de leeftijd van zestien jaar is bereikt. De periode van voltijdse leerplicht wordt gevolgd door een periode van deeltijdse leerplicht. Aan de deeltijdse leerplicht wordt voldaan door het voltijds secundair onderwijs voort te zetten of door deeltijds beroepssecundair onderwijs of de leertijd te volgen.".
Art. III.28. L'article 123 du même Code est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 123. L'obligation scolaire contribue à l'éducation du jeune et à la préparation à l'exercice d'une profession. Le début et la fin de l'obligation scolaire sont fixés à l'article 1er, § 1er, alinéa premier, § 3, § 7, de la loi du 29 juin 1983 concernant l'obligation scolaire. L'obligation scolaire est à temps plein, soit jusqu'à ce que l'âge de quinze ans soit atteint, à condition qu'au moins les deux premières années d'études de l'enseignement secondaire à temps plein soient achevées, soit jusqu'à ce que l'âge de seize ans soit atteint. La période d'obligation scolaire à temps plein est suivie d'une période d'obligation scolaire à temps partiel. Il est satisfait à l'obligation scolaire en poursuivant l'enseignement secondaire à temps plein ou en suivant un enseignement secondaire professionnel à temps partiel ou l'apprentissage. ".
Art. III.29. In dezelfde codex wordt een artikel 123/2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 123/2. Een jongere kan toelating krijgen om vanaf het begin van het schooljaar waarin hij deeltijds leerplichtig wordt, deeltijds beroepssecundair onderwijs of de leertijd te volgen. De toelating wordt gegeven door de directie van het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs in kwestie of door Syntra Vlaanderen, naargelang van het geval, op advies van het centrum voor leerlingenbegeleiding waarmee de school voor voltijds onderwijs waar de jongere de lessen volgt, samenwerkt. Deeltijds beroepssecundair onderwijs of leertijd kan alleen worden gevolgd in combinatie met werkplekleren. Die combinatie omvat minimaal 28 uur per week. Voor de toepassing van deze bepaling wordt onder werkplekleren verstaan elke vorm van activiteit, naast de leercomponent, die samen met die leercomponent het voltijdse engagement uitmaakt. De Vlaamse Regering bepaalt de activiteitsvormen.".
Art. III.29. Dans le même Code, il est inséré un article 123/2, rédigé comme suit :
  " Art. 123/2. Un jeune peut être autorisé à suivre, à partir du début de l'année scolaire pendant laquelle il atteint l'âge de la scolarité obligatoire à temps partiel, l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ou l'apprentissage. L'autorisation est donnée par la direction du centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ou par Syntra Vlaanderen, selon le cas, sur avis du centre d'encadrement des élèves avec lequel l'établissement d'enseignement à temps plein où le mineur suit les cours coopère. L'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ou l'apprentissage peut uniquement être suivi en combinaison avec l'apprentissage sur le lieu du travail Cette combinaison comporte au moins 28 heures par semaine. Pour l'application de la présente disposition, on entend par apprentissage sur le lieu du travail, toute forme d'activité outre la composante d'apprentissage, constituant avec cette composante d'apprentissage l'engagement à temps plein. Le Gouvernement flamand arrête les formes d'activités. ".
Art. III.30. In dezelfde codex wordt een artikel 123/3 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 123/3. § 1. Behalve in geval van huisonderwijs of indien de jongere valt onder toepassing van artikel 123/5, zijn de betrokken personen verplicht ervoor te zorgen dat de jongere voor de duur van de leerplicht in een school of centrum is ingeschreven, die school of dat centrum geregeld bezoekt en, in voorkomend geval, aan de voorwaarde van werkplekleren voldoet. Zowel voor leerplichtige als voor niet-leerplichtige jongeren, regelt de Vlaamse Regering de controle op de inschrijvingen, op het geregeld schoolbezoek en op het werkplekleren, en bepaalt ze de redenen van afwezigheid die als geldig aanvaard kunnen worden.
  § 2. De school- en centrumdirecties zijn verplicht hun medewerking te verlenen aan die controle. Het niet-naleven van deze verplichting kan, voor elementen waarbij de school- of centrumdirectie niet afhankelijk is van derden, aanleiding geven tot sancties. De sanctie kan een gedeeltelijke terugvordering van het werkingsbudget zijn. Bij een eerste overtreding kan die terugvordering maximaal 5% bedragen van het werkingsbudget van het voorgaand schooljaar. Bij een tweede of volgende overtreding kan de terugvordering maximaal 10% bedragen van het werkingsbudget van het voorgaand schooljaar en kan er niet toe leiden dat het aandeel in het werkingsbudget dat bestemd is voor personeelsaangelegenheden in absolute cijfers kleiner wordt dan wanneer de maatregel niet zou getroffen zijn.
  De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de vaststelling van de overtredingen en voor de toepassing van de sancties en waarborgt het recht op verdediging.".
Art. III.30. Dans le même Code, il est inséré un article 123/3, rédigé comme suit :
  " Art. 123/3. § 1er. Sauf en cas d'enseignement à domicile ou si le jeune relève de l'application de l'article 123/5, les personnes concernées sont obligées d'assurer que le jeune soit inscrit auprès d'une école ou d'un centre pour la durée de l'obligation scolaire, qu'il fréquente régulièrement l'école ou le centre en question et, le cas échéant, qu'il remplisse la condition d'apprentissage sur le lieu du travail. Tant pour les jeunes soumis à l'obligation scolaire que pour les jeunes non scolarisables, le Gouvernement flamand règle le contrôle des inscriptions, de la régularité de la fréquentation scolaire et de l'apprentissage sur le lieu du travail, et fixe les motifs d'absence qui peuvent être admis comme valables.
  § 2. Les directions des écoles et centres sont obligés d'apporter leur collaboration à ce contrôle. Le non-respect de cette obligation peut, pour des éléments où la direction de l'école ou du centre ne dépend pas de tiers, donner lieu à des sanctions. La sanction peut consister en un recouvrement partiel du budget de fonctionnement. En cas d'une première infraction, ce recouvrement peut s'élever à 5% au maximum du budget de fonctionnement de l'année scolaire précédente. Le recouvrement ne peut être supérieur à 10 % du budget de fonctionnement, et ne peut avoir pour conséquence, que la part dans le budget de fonctionnement destinée aux affaires relatives aux personnels ne devienne, en chiffres absolus, inférieure au montant de la part si la mesure n'avait pas été prise.
  Le Gouvernement flamand détermine les modalités pour la constatation des infractions et pour l'application des sanctions, et garantit les droits de la défense. ".
Art. III.31. In dezelfde codex wordt een artikel 123/4 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 123/4. Inbreuken door de betrokken personen op de leerplichtbepalingen worden gesanctioneerd conform artikel 5 van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht.".
Art. III.31. Dans le même Code, il est inséré un article 123/4, rédigé comme suit :
  " Art. 123/4. Toute infraction par les personnes concernées aux dispositions relatives à l'obligation scolaire est sanctionnée conformément à l'article 5 de la loi du 29 juin 1983 concernant l'obligation scolaire.
Art. III.32. In dezelfde codex wordt een artikel 123/5 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 123/5. Indien de jongere in de onmogelijkheid verkeert om onderwijs te volgen, kan de onderwijsinspectie, op vraag van de betrokken personen, beslissen tot een tijdelijke of permanente vrijstelling van de leerplicht.".
Art. III.32. Dans le même Code, il est inséré un article 123/5, rédigé comme suit :
  " Art. 123/5. Si le jeune se trouve dans l'impossibilité de suivre un enseignement, l'inspection de l'enseignement peut décider, à la demande des personnes concernées, de l'exempter à titre temporaire ou en permanence de l'obligation scolaire.
Art. III.33. Artikel 128 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 128. De Vlaamse Regering kan beslissen om bestaande structuuronderdelen om te zetten. De omzetting houdt in dat het structuuronderdeel hetzij wordt opgeheven, hetzij wordt gewijzigd op één of meer van volgende onderdelen:
  a) de benaming;
  b) de graad, de onderwijsvorm, het studiegebied of het leerjaarniveau waarin het wordt ondergebracht;
  c) de duurtijd, doch uitsluitend wat Se-n-Se betreft;
  d) de goedkeuring van leerplannen.".
Art. III.33. L'article 128 du même Code est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 128. Le Gouvernement flamand peut décider de convertir des subdivisions structurelles existantes. La conversion implique que la subdivision structurelle est soit abrogée, soit modifié pour ce qui est d'une ou de plusieurs des composantes suivantes :
  a) la dénomination ;
  b) le degré, la forme d'enseignement, la discipline ou le niveau d'année d'études dans lequel la subdivision structurelle est classée ;
  c) la durée, mais uniquement en ce qui concerne les Se-n-Se ;
  d) l'approbation de programmes d'études. ".
Art. III.34. In artikel 130 van dezelfde codex wordt paragraaf 3 opgeheven.
Art. III.34. A l'article 130 du même Code, le paragraphe 3 est abrogé.
Art. III.35. Artikel 131 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 1 juli 2011, wordt opgeheven.
Art. III.35. L'article 131 du même Code, modifié par le décret du 1er juillet 2011, est abrogé.
Art. III.36. In artikel 136/3 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 1 juli 2011 en vervangen bij het decreet van 21 december 2012, wordt het woord "topcultuurstatuut" telkens vervangen door het woord "topkunstenstatuut".
Art. III.36. Dans l'article 136/3 du texte néerlandais du même Code, inséré par le décret du 1er juillet 2011 et remplacé par le décret du 21 décembre 2012, le mot " topcultuurstatuut " est chaque fois remplacé par le mot " topkunstenstatuut ".
Art. III.37. In artikel 157 van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 2 wordt het volgende gedachtestreepje toegevoegd:
  "- natuurwetenschappen of fysica en/of chemie en/of biologie, al of niet "toegepast", al of niet in een geïntegreerde vorm, vanaf 1 september 2017 in het eerste leerjaar van de derde graad en vanaf 1 september 2018 in het tweede leerjaar van de derde graad.";
  2° in paragraaf 6, toegevoegd bij het decreet van 19 juli 2013, worden in het laatste lid de woorden "of het structuuronderdeel" vervangen door de woorden ", het structuuronderdeel of het leerjaar".
Art. III.37. A l'article 157 du même Code sont apportées les modifications suivantes :
  1° le paragraphe 2 est complété par le tiret suivant :
  " - sciences naturelles ou physique et/ou chimie et/ou biologie, " appliqués " ou non, dans une forme intégrée ou non, à partir du 1er septembre 2017 en première année d'études du troisième degré et à partir du 1er septembre 2018 en deuxième année d'études du troisième degré. " ;
  2° au dernier alinéa du paragraphe 6, inséré par le décret du 19 juillet 2013, les mots " ou la subdivision structurelle " sont remplacés par les mots " , la subdivision structurelle ou l'année d'études ".
Art. III.38. In artikel 157/1 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 19 juli 2013, worden aan de eerste zin van punt 3° de volgende woorden toegevoegd:
  "die vastgelegd wordt uiterlijk 15 februari 2014".
Art. III.38. A la première phrase du point 3° de l'article 157/1 du même Code, inséré par le décret du 19 juillet 2013, sont ajoutés les mots suivants :
  " qui est fixée au plus tard le 15 février 2014 ".
Art. III.39. In artikel 175, § 6, van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 19 juli 2013, wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
  "De programmatie van een school door splitsing van een bestaande school wordt door het schoolbestuur bij de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap schriftelijk gemeld uiterlijk 1 mei van het voorafgaand schooljaar. Indien niet het gevolg van splitsing van een bestaande school, dan zijn voor de programmatie van de school de bepalingen van artikel 15, § 2, van toepassing.".
Art. III.39. Dans l'article 175, § 6, du même Code, remplacé par le décret du 19 juillet 2013, l'alinéa premier est remplacé par les dispositions suivantes :
  " La programmation d'une école créée par la scission d'une école existante est communiquée par écrit par l'autorité scolaire au service compétent de la Communauté flamande, au plus tard le 1er mai de l'année scolaire précédente. Si la programmation n'est pas le résultat de la scission d'une école existante, les dispositions de l'article 15, § 2, s'appliquent à la programmation de l'école. ".
Art. III.40. In artikel 177 van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 19 juli 2013, worden een derde, vierde, vijfde, zesde en zevende lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "In afwijking van het in het eerste lid gestelde, zijn desbetreffende structuuronderdelen alsnog programmeerbaar indien noodzakelijk om binnen de school of scholengemeenschap de studiecontinuïteit van de leerlingen in de derde graad te garanderen.
  In voorkomend geval wordt de programmatie van het structuuronderdeel door het schoolbestuur bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap schriftelijk en gemotiveerd aangevraagd uiterlijk op 30 november van het voorafgaand schooljaar. Voor de programmatie per 1 september 2014 geldt, bij wijze van uitzondering, 15 februari 2014 als uiterlijke aanvraagdatum. Bij de aanvraag gaan het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegd lokaal comité en, indien de school tot een scholengemeenschap behoort, een uittreksel van het proces-verbaal waaruit moet blijken dat de programmatie in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt.
  Na advies van enerzijds de Vlaamse Onderwijsraad en anderzijds de onderwijsinspectie en de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap, neemt de Vlaamse Regering een beslissing over de programmatie.
  Een gunstige beslissing impliceert dat het geprogrammeerde structuuronderdeel in het eerste leerjaar van de derde graad enkel organiseerbaar is in het eerste en tweede schooljaar volgend op de beslissing en in het tweede leerjaar van de derde graad enkel organiseerbaar is in het tweede en derde schooljaar volgend op de beslissing.
  Behoudens beslissing van de Vlaamse Regering om het structuuronderdeel in kwestie niet meer als niet-programmeerbaar aan te duiden, is elke aanvraag van een schoolbestuur tot afwijking zoals hiervoor bedoeld, onontvankelijk indien datzelfde schoolbestuur reeds eerder dezelfde aanvraag heeft ingediend.".
Art. III.40. L'article 177 du même Code, remplacé par le décret du 19 juillet 2013, est complété par des alinéas trois, quatre, cinq, six et sept ainsi rédigés :
  " Par dérogation aux dispositions de l'alinéa premier, les subdivisions structurelles en question sont encore programmables, si elles sont nécessaires pour garantir au sein de l'école ou du centre d'enseignement la continuité des études des élèves dans le troisième degré.
  Le cas échéant, la programmation de la subdivision structurelle est demandée par écrit et motivée par l'autorité scolaire aux services compétents de la Communauté flamande, au plus tard le 30 novembre de l'année scolaire précédente. A titre d'exception, le 15 février 2014 vaut comme date de demande ultérieure pour la programmation à partir du 1er septembre 2014. La demande doit être assortie du protocole de la négociation en question au sein du comité local compétent et, au cas où l'école appartient à un centre d'enseignement, d'un extrait du procès-verbal devant démontrer que la programmation est conforme aux arrangements faits au sein du centre d'enseignement.
  Après avis du " Vlaamse Onderwijsraad " d'une part et de l'Inspection de l'Enseignement et des services compétents de la Communauté flamande d'autre part, le Gouvernement flamand prend une décision sur la programmation.
  Une décision favorable implique que la subdivision structurelle programmée dans la première année d'études du troisième degré n'est organisable que dans la première et la deuxième année scolaire suivant la décision et que la subdivision structurelle programmée dans la deuxième année d'études du troisième degré n'est organisable que dans la deuxième et troisième année scolaire suivant la décision.
  Sans préjudice de la décision du Gouvernement flamand de ne plus définir la subdivision structurelle en question comme non programmable, toute demande d'une autorité scolaire de dérogation telle que visée ci-dessus, est irrecevable si cette même autorité scolaire a déjà antérieurement introduit la même demande. ".
Art. III.41. Aan artikel 179, eerste lid, 1°, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 19 juli 2013, wordt de volgende zinsnede toegevoegd:
  "of kan niet het onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers zijn".
Art. III.41. L'article 179, alinéa premier, 1°, du même Code, inséré par le décret du 19 juillet 2013, est complété par le membre de phrase suivant :
  " ou ne peut pas être l'année d'accueil pour primo-arrivants allophones ".
Art. III.42. In dezelfde codex wordt een artikel 179/3 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 179/3. De bepalingen van artikel 176 tot en met 179/2 zijn niet van toepassing op het onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers.
  Voor de programmatie van het onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers gelden de volgende bepalingen:
  1° de programmatie wordt per scholengemeenschap bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap schriftelijk en gemotiveerd aangevraagd uiterlijk op 1 mei van het voorafgaande schooljaar. Bij die aanvraag wordt het protocol gevoegd van de onderhandeling ter zake in het bevoegde lokaal comité van de scholengemeenschap;
  2° na advies binnen tien werkdagen van enerzijds de Vlaamse Onderwijsraad en anderzijds de onderwijsinspectie en de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap, neemt de Vlaamse Regering een beslissing over de programmatie.".
Art. III.42. Dans le même Code, il est inséré un article 179/3, rédigé comme suit :
  " Art. 179/3. Les dispositions des articles 176 à 179/2 ne s'appliquent pas à l'année d'accueil pour primo-arrivants allophones.
  A la programmation de l'année d'accueil pour primo-arrivants allophones s'appliquent les dispositions suivantes :
  1° la programmation est demandée, par centre d'enseignement, par écrit aux services compétents de la Communauté flamande et motivée, au plus tard le 1er mai de l'année scolaire précédente. Cette demande est assortie du protocole de la négociation en la matière au sein du comité local du centre d'enseignement ;
  2° après avis du " Vlaamse Onderwijsraad " d'une part et de l'Inspection de l'Enseignement et des services compétents de la Communauté flamande d'autre part dans les dix jours ouvrables, le Gouvernement flamand prend une décision sur la programmation. ".
Art. III.43. In dezelfde codex wordt een artikel 197/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 197/1. § 1. Voor een instelling die aan al de volgende voorwaarden voldoet, wordt, tenzij de instelling onder de toepassing valt van artikel 51, 52, § 1, of 52, § 2, van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs, de rationalisatienorm vastgesteld op de wijze, vermeld in het tweede lid:
  1° tijdens het schooljaar 1997-1998 onder de toepassing vallen van artikel 22 van het koninklijk besluit van 30 maart 1982 betreffende de scholengemeenschappen voor secundair onderwijs en houdende het rationalisatie- en programmatieplan van het secundair onderwijs met volledig leerplan, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 juli 1989;
  2° de rationalisatienorm op 1 februari 1998 effectief bereikt hebben;
  3° bij de inwerkingtreding van titel VI van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs niet onder de toepassing vallen van artikel 50 van het voormelde decreet.
  De rationalisatienorm, vermeld in het eerste lid, wordt bepaald op de volgende wijze:
  1° voor een instelling in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad of in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 250 inwoners per km2 en voor een instelling waarvan meer dan 75% van de regelmatige leerlingen in een internaat verblijft:
  a) met alleen een eerste graad: 55;
  b) met een eerste en tweede graad: 99;
  c) met een tweede en derde graad: 75;
  d) met een eerste, tweede en derde graad: 130;
  2° voor een instelling die niet ressorteert onder punt 1° :
  a) met alleen een eerste graad: 74;
  b) met een eerste en tweede graad: 133;
  c) met een tweede en derde graad: 100;
  d) met een eerste, tweede en derde graad: 174.
  § 2. Voor een instelling die aan al de volgende voorwaarden voldoet, wordt, tenzij de instelling onder de toepassing valt van artikel 52, § 1, of 52, § 2, van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs, de rationalisatienorm als volgt vastgesteld op de wijze, vermeld in het tweede lid:
  1° tijdens het schooljaar 1997-1998 onder de toepassing vallen van artikel 23 van het koninklijk besluit van 30 maart 1982 betreffende de scholengemeenschappen voor secundair onderwijs en houdende het rationalisatie- en programmatieplan van het secundair onderwijs met volledig leerplan, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 juli 1989;
  2° de in 1° vermelde rationalisatienorm op 1 februari 1998 effectief bereikt hebben;
  3° bij de inwerkingtreding van titel VI van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs niet onder de toepassing vallen van artikel 51 van het voormelde decreet.
  De rationalisatienorm, vermeld in het eerste lid, wordt bepaald op de volgende wijze:
  a) met alleen een eerste graad: 37;
  b) met een eerste en tweede graad: 67;
  c) met een tweede en derde graad: 50;
  d) met een eerste, tweede en derde graad: 87.
  § 3. Voor een instelling die:
  1° tijdens het schooljaar 1997-1998 onder toepassing valt van artikel 24 van het koninklijk besluit van 30 maart 1982 betreffende de scholengemeenschappen voor secundair onderwijs en houdende het rationalisatie- en programmatieplan van het secundair onderwijs met volledig leerplan, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 539 van 31 maart 1987;
  2° de in 1° vermelde rationalisatienorm op 1 februari 1998 effectief bereikt;
  3° bij de inwerkingtreding van titel VI van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs, niet onder toepassing valt van artikel 52, § 1, van hetzelfde decreet, wordt, tenzij de instelling onder toepassing valt van artikel 51 of 52, § 2, van hetzelfde decreet, de rationalisatienorm als volgt vastgesteld:
  a) met alleen een eerste graad: 37;
  b) met een eerste en tweede graad: 67;
  c) met een tweede en derde graad: 50;
  d) met een eerste en tweede en derde graad: 87.".
Art. III.43. Dans le même Code, il est inséré un article 197/1, rédigé comme suit :
  " Art. 197/1. § 1er. Pour un établissement remplissant toutes les conditions suivantes, la norme de rationalisation est fixée de la façon citée au deuxième alinéa, à moins que l'établissement ne relève de l'application de l'article 51, 52, § 1er, ou 52, § 2, du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental :
  1° relever, pendant l'année scolaire 1997-1998, de l'application de l'article 22 de l'arrêté royal du 30 mars 1982 relatif aux centres d'enseignement secondaire et fixant le plan de rationalisation et de programmation de l'enseignement secondaire de plein exercice, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 juillet 1989 ;
  2° avoir effectivement atteint la norme de rationalisation au 1er février 1998 ;
  3° ne pas être assujetti à l'article 50 du décret précité lors de l'entrée en vigueur du titre VI du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental.
  La norme de rationalisation visée à l'alinéa premier, est déterminée de la façon suivante :
  1° pour un établissement situé dans l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale ou dans une commune où la densité de population est inférieure à 250 habitants par km et pour un établissement dont plus de 75% des élèves réguliers demeurent dans un internat :
  a) offrant uniquement le premier degré : 55 ;
  b) offrant les premier et deuxième degrés : 99 ;
  c) offrant les deuxième et troisième degrés : 75 ;
  d) offrant les premier, deuxième et troisième degrés : 130 ;
  2° pour un établissement ne relevant pas du point 1° :
  a) offrant uniquement le premier degré : 74 ;
  b) offrant les premier et deuxième degrés : 133 ;
  c) offrant les deuxième et troisième degrés : 100 ;
  d) offrant les premier, deuxième et troisième degrés : 174.
  § 2. Pour un établissement remplissant toutes les conditions suivantes, la norme de rationalisation est fixée de la façon citée au deuxième alinéa, à moins que l'établissement ne relève de l'application de l'article 52, § 1er, ou 52, § 2, du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental :
  1° relever, pendant l'année scolaire 1997-1998, de l'application de l'article 23 de l'arrêté royal du 30 mars 1982 relatif aux centres d'enseignement secondaire et fixant le plan de rationalisation et de programmation de l'enseignement secondaire de plein exercice, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 juillet 1989 ;
  2° avoir effectivement atteint la norme de rationalisation au 1er février 1998 ;
  3° ne pas être assujetti à l'article 51 du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental lors de l'entrée en vigueur du titre VI dudit décret.
  La norme de rationalisation visée à l'alinéa premier, est déterminée de la façon suivante :
  a) offrant uniquement le premier degré : 37 ;
  b) offrant les premier et deuxième degrés : 67 ;
  c) offrant les deuxième et troisième degrés : 50 ;
  d) offrant les premier, deuxième et troisième degrés : 87.
  § 3. La norme de rationalisation est déterminée comme suit pour un établissement qui :
  1° relève, pendant l'année scolaire 1997-1998, de l'application de l'article 24 de l'arrêté royal du 30 mars 1982 relatif aux centres d'enseignement secondaire et fixant le plan de rationalisation et de programmation de l'enseignement secondaire de plein exercice, modifié par l'arrêté royal n° 539 du 31 mars 1987 ;
  2° a effectivement atteint la norme de rationalisation mentionnée au 1° au 1er février 1998 ;
  3° n'est pas assujetti à l'article 52, § 1er, du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental lors de l'entrée en vigueur du titre VI dudit décret, à moins que l'établissement ne relève de l'article 51 ou 52, § 2, dudit décret :
  a) offrant uniquement le premier degré : 37 ;
  b) offrant les premier et deuxième degrés : 67 ;
  c) offrant les deuxième et troisième degrés : 50 ;
  d) offrant les premier, deuxième et troisième degrés : 87. ".
Art. III.44. In artikel 251 van dezelfde codex wordt het jaartal "2012" vervangen door de jaartallen "2013 en 2014".
Art. III.44. Dans l'article 251 du même décret, l'année " 2012 " est remplacée par les années " 2013 et 2014 ".
Art. III.45. In artikel 256/4 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 29 juni 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in § 1, laatste lid, worden de woorden "vanaf 1 oktober 2013 jaarlijks" vervangen door de woorden "jaarlijks vanaf 1 november";
  2° er wordt een paragraaf 6 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 6. De examencommissie kan de volgorde bepalen waarin vakken van een examenprogramma of onderdelen van eenzelfde vak van een examenprogramma moeten worden afgelegd.".
Art. III.45. A l'article 256/4 du même Code, inséré par le décret du 29 juin 2012, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au § 1er, dernier alinéa, les mots " annuellement de manière suivante à partir du 1er octobre 2013 " sont remplacés par les mots " annuellement à partir du 1er novembre " ;
  2° il est ajouté un paragraphe 6, rédigé comme suit :
  " § 6. Le jury peut déterminer l'ordre dans lequel des branches d'un programme d'examens ou des subdivisions d'une même branche d'un programme d'examens doivent être subies. ".
Art. III.46. In artikel 256/8, laatste lid, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 29 juni 2012 en gewijzigd bij het decreet van 19 juli 2013, worden de woorden "vanaf 1 oktober 2013 jaarlijks" vervangen door de woorden "jaarlijks vanaf 1 november".
Art. III.46. Dans l'article 256/8, § 3, dernier alinéa, du même Code, inséré par le décret du 29 juin 2012 et modifié par le décret du 19 juillet 2013, les mots " annuellement à partir du 1er octobre 2013 " sont remplacés par les mots " annuellement à partir du 1er novembre ".
Art. III.47. In deel V, titel 2, hoofdstuk 1, afdeling 3, onderafdeling 4, van dezelfde codex wordt een artikel 285/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 285/1. De programmatie van een school door splitsing van een bestaande school wordt door het schoolbestuur bij de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap schriftelijk gemeld uiterlijk 1 mei van het voorafgaand schooljaar. Indien niet het gevolg van splitsing van een bestaande school, dan zijn voor de programmatie van de school de bepalingen van artikel 15, § 2, en de bepalingen van deze onderafdeling van toepassing.".
Art. III.47. Un article 285/1, rédigé comme suit, est inséré dans la partie V, titre 2, chapitre 1er, section 3, sous-section 4, du même Code :
  " Art. 285/1. " La programmation d'une école créée par la scission d'une école existante est communiquée par écrit par l'autorité scolaire au service compétent de la Communauté flamande, au plus tard le 1er mai de l'année scolaire précédente. Si la programmation n'est pas le résultat de la scission d'une école existante, les dispositions de l'article 15, § 2, et les dispositions de la présente sous-section s'appliquent à la programmation de l'école. ".
Art. III.48. In artikel 291 van dezelfde codex worden de woorden "vanaf 12 jaar" vervangen door het woord "vroeger".
Art. III.48. Dans l'article 291 du même Code, les mots " des élèves âgés de 12 ans au moins peuvent être admis " sont remplacés par les mots " des élèves peuvent être admis plus tôt ".
Art. III.49. In artikel 292 van dezelfde codex wordt een punt 4° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "4° als ze beschikken over een getuigschrift basisonderwijs.".
Art. III.49. Dans l'article 292 du même Code, il est inséré un point 4°, rédigé comme suit :
  " 4° s'ils sont porteur d'un certificat de l'enseignement fondamental. ".
Art. III.50. Artikel 305 van dezelfde codex wordt opgeheven.
Art. III.50. L'article 305 du même Code est abrogé.
Art. III.51. In artikel 313 van dezelfde codex wordt in paragraaf 2 de zinsnede "- met uitzondering van de scholen die voor het lopende schooljaar bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten een aanvraag tot het bekomen van extra uren hebben ingediend -", opgeheven.
Art. III.51. Dans l'article 313, paragraphe 2, du même Code, le membre de phrase " A l'exception des écoles ayant introduit une demande d'heures supplémentaires pour l'année scolaire en cours auprès l'" Agentschap voor Onderwijsdiensten ", - " est abrogé.
Art. III.52. In artikel 330 van dezelfde codex wordt het laatste lid vervangen door wat volgt:
  "De integratietoelagen van de scholengroepen van het gemeenschapsonderwijs en van de scholen van het gesubsidieerd buitengewoon secundair onderwijs worden elk schooljaar in minstens twee schijven uitbetaald waarbij vóór 1 februari de som van de uitbetaalde schijven minstens 50 procent van de integratietoelagen van het betrokken schooljaar vertegenwoordigt en het saldo vóór 1 juli betaald wordt.
  Indien het decreet houdende de aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van het begrotingsjaar waarin de integratietoelagen voor het betrokken schooljaar zijn opgenomen aanleiding geeft tot meer middelen voor de schoolbesturen van het gesubsidieerd buitengewoon secundair onderwijs of de scholengroepen van het gemeenschapsonderwijs, dan worden deze bijkomende middelen uitbetaald binnen de twee maanden na de bekrachtiging door de Vlaamse Regering van betrokken decreet.".
Art. III.52. Dans l'article 330 du même Code, le dernier alinéa est remplacé par la disposition suivante :
  " Les subventions d'intégration des groupes d'écoles de l'enseignement communautaire et des écoles de l'enseignement secondaire spécial subventionné sont versées chaque année en deux tranches au moins, étant entendu qu'avant le 1er février la somme des tranches versées représente au moins 50% des subventions d'intégration de l'année scolaire en question et que le solde est payé avant le 1er juillet.
  Si le décret ajustant le budget général des dépenses de l'année budgétaire auquel sont repris les subventions d'intégration pour l'année scolaire concernée donne lieu à une augmentation des moyens pour les autorités scolaires de l'enseignement secondaire spécial subventionné ou les groupes d'écoles de l'enseignement communautaire, ces moyens supplémentaires sont payés dans les deux mois suivant la ratification du décret concerné par le Gouvernement flamand. ".
Art. III.53. In artikel 332 van dezelfde codex wordt het jaartal "2012" vervangen door de jaartallen "2013 en 2014".
Art. III.53. Dans l'article 332 du même Code, l'année " 2012 " est remplacée par les années " 2013 et 2014 ".
Afdeling II. - Decreet Leren en Werken
Section II. - Décret Apprentissage et Travail
Art. III.54. In artikel 8 van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap, gewijzigd bij de decreten van 18 december 2009 en 19 juli 2013, wordt paragraaf 3 vervangen door wat volgt:
  " § 3. Onverminderd de bepalingen van artikel 8, § 1 en § 2, wordt de oprichting van een erkend, gefinancierd of gesubsidieerd centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs door splitsing van een bestaand centrum, door het centrumbestuur bij de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap schriftelijk gemeld uiterlijk 1 mei van het voorafgaand schooljaar. Onverminderd de bepalingen van artikel 8, § 1 en § 2, wordt de oprichting van een centrum die niet het gevolg is van splitsing van een bestaand centrum, bij de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap schriftelijk aangevraagd uiterlijk 1 mei van het voorafgaand schooljaar.".
Art. III.54. Dans l'article 8 du décret du 10 juillet 2008 relatif au système d'apprentissage et de travail en Communauté flamande, modifié par les décrets des 18 décembre 2009 et 19 juillet 2013, le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
  " § 3. Sans préjudice des dispositions de l'article 8, §§ 1er et 2, la création d'un centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel agréé, financé ou subventionné suite à la scission d'un centre existant, est communiquée par écrit par l'autorité du centre au service compétent de la Communauté flamande, au plus tard le 1er mai de l'année scolaire précédente. Sans préjudice des dispositions de l'article 8, §§ 1er et 2, la création d'un centre ne résultant pas de la scission d'un centre existant, est demandée par écrit auprès du service compétent de la Communauté flamande, au plus tard le 1er mai de l'année scolaire précédente. ".
Art. III.55. In artikel 10 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 8 mei 2009, 9 juli 2010 en 21 december 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 2 wordt opgeheven;
  2° in paragraaf 4 wordt het tweede lid vervangen door een nieuw tweede, derde en vierde lid, die luiden als volgt:
  "De ingebruikname van een nieuwe vestigingsplaats tijdens een bepaald schooljaar wordt door het centrumbestuur uiterlijk 31 maart van het voorafgaand schooljaar schriftelijk aangevraagd bij de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap. De Vlaamse Regering bepaalt de ontvankelijkheidsvoorwaarden waaraan deze aanvraag moet voldoen.
  De onderwijsinspectie onderzoekt de aanvraag op hygiëne, veiligheid en bewoonbaarheid, en geeft een advies aan de Vlaamse Regering, die beslist over de goedkeuring. Het advies en de aansluitende beslissing worden uiterlijk 30 juni van het voorafgaand schooljaar aan het centrumbestuur medegedeeld. Indien de Vlaamse Regering deze datum overschrijdt, wordt de aanvraag geacht van rechtswege te zijn goedgekeurd.
  De aanvraag tot ingebruikname van een nieuwe vestigingsplaats maakt deel uit van de aanvraag, bedoeld in artikel 8, § 3, in het geval van een centrum dat wordt opgericht zonder het gevolg te zijn van een splitsing van een bestaand centrum. De aanvraag tot ingebruikname van een nieuwe vestigingsplaats wordt gevoegd bij de melding, bedoeld in artikel 8, § 3, in het geval van een centrum dat wordt opgericht als gevolg van een splitsing van een bestaand centrum.";
  3° in paragraaf 4 wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Nieuwe vestigingsplaatsen die in gebruik worden genomen tijdens het schooljaar 2013-2014 worden, doch uitsluitend tot en met 31 augustus 2014, van rechtswege goedgekeurd.".
Art. III.55. A l'article 10 du même décret, modifié par les décrets des 8 mai 2009, 9 juillet 2010 et 21 décembre 2012, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le paragraphe 2 est abrogé ;
  2° au § 4, le deuxième alinéa est remplacé par un nouveau deuxième, troisième et quatrième alinéa, rédigés de la manière suivante :
  " Pour la mise en service d'une nouvelle implantation au cours d'une année scolaire déterminée, une demande doit être introduite par écrit, au plus tard le 31 mars de l'année scolaire précédente, par l'autorité du centre auprès du service compétent de la Communauté flamande. Le Gouvernement flamand arrête les conditions de recevabilité auxquelles cette demande doit satisfaire.
  L'inspection de l'enseignement examine la demande au niveau d'hygiène, de sécurité et d'habitabilité, et rend un avis au Gouvernement flamand, qui décide de l'approbation. L'avis et la décision qui s'ensuit sont communiqués à l'autorité du centre au plus tard le 30 juin de l'année scolaire précédente. Si cette date est dépassée par le Gouvernement flamand, la demande est censée être approuvée de plein droit.
  La demande de mise en service d'une nouvelle implantation fait partie de la demande visée à l'article 8, § 3, dans le cas d'un centre créé sans être issu d'une scission d'un centre existant. La demande de mise en service d'une nouvelle implantation est jointe à la communication visée à l'article 8, § 3, dans le cas d'un centre créé suite à une scission d'un centre existant. " ;
  3° le paragraphe 4 est complété par un cinquième alinéa, rédigé comme suit :
  " Les nouvelles implantations mises en service au cours de l'année scolaire 2013-2014, sont approuvées de plein droit, toutefois exclusivement jusqu'au 31 août 2014 inclus. ".
Art. III.56. In artikel 11 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 9 juli 2010 en 21 december 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 2 wordt opgeheven;
  2° in paragraaf 4 wordt het tweede lid vervangen door een nieuw tweede, derde en vierde lid, die luiden als volgt:
  "De ingebruikname van een nieuwe vestigingsplaats tijdens een bepaald schooljaar wordt door het centrumbestuur uiterlijk 31 maart van het voorafgaand schooljaar schriftelijk aangevraagd bij de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap. De Vlaamse Regering bepaalt de ontvankelijkheidsvoorwaarden waaraan deze aanvraag moet voldoen.
  De onderwijsinspectie onderzoekt de aanvraag op hygiëne, veiligheid en bewoonbaarheid, en geeft een advies aan de Vlaamse Regering, die beslist over de goedkeuring. Het advies en de aansluitende beslissing worden uiterlijk 30 juni van het voorafgaand schooljaar aan het centrumbestuur medegedeeld. Indien de Vlaamse Regering deze datum overschrijdt, wordt de aanvraag geacht van rechtswege te zijn goedgekeurd.
  De aanvraag tot ingebruikname van een nieuwe vestigingsplaats maakt deel uit van de aanvraag, bedoeld in artikel 8, § 3, in het geval van een centrum dat wordt opgericht zonder het gevolg te zijn van een splitsing van een bestaand centrum. De aanvraag tot ingebruikname van een nieuwe vestigingsplaats wordt gevoegd bij de melding, bedoeld in artikel 8, § 3, in het geval van een centrum dat wordt opgericht als gevolg van een splitsing van een bestaand centrum.";
  3° in paragraaf 4 wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Nieuwe vestigingsplaatsen die in gebruik worden genomen tijdens het schooljaar 2013-2014 worden, doch uitsluitend tot en met 31 augustus 2014, van rechtswege goedgekeurd.".
Art. III.56. A l'article 11 du même décret, modifié par les décrets des 9 juillet 2010 et 21 décembre 2012, sont apportées les modifications suivantes :
  1° le paragraphe 2 est abrogé ;
  2° au paragraphe 4, le deuxième alinéa est remplacé par un nouveau deuxième, troisième et quatrième alinéa, rédigés de la manière suivante :
  " Pour la mise en service d'une nouvelle implantation au cours d'une année scolaire déterminée, une demande doit être introduite par écrit, au plus tard le 31 mars de l'année scolaire précédente, par l'autorité du centre auprès du service compétent de la Communauté flamande. Le Gouvernement flamand arrête les conditions de recevabilité auxquelles cette demande doit satisfaire.
  L'inspection de l'enseignement examine la demande au niveau d'hygiène, de sécurité et d'habitabilité, et rend un avis au Gouvernement flamand, qui décide de l'approbation. L'avis et la décision qui s'ensuit sont communiqués à l'autorité du centre au plus tard le 30 juin de l'année scolaire précédente. Si cette date est dépassée par le Gouvernement flamand, la demande est censée être approuvée de plein droit.
  La demande de mise en service d'une nouvelle implantation fait partie de la demande visée à l'article 8, § 3, dans le cas d'un centre créé sans être issu d'une scission d'un centre existant. La demande de mise en service d'une nouvelle implantation est jointe à la communication visée à l'article 8, § 3, dans le cas d'un centre créé suite à une scission d'un centre existant. " ;
  3° le paragraphe 4 est complété par un cinquième alinéa, rédigé comme suit :
  " Les nouvelles implantations mises en service au cours de l'année scolaire 2013-2014, sont approuvées de plein droit, toutefois exclusivement jusqu'au 31 août 2014 inclus. ".
Art. III.57. In artikel 12, § 1, van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het derde lid wordt opgeheven;
  2° in het vijfde lid wordt tussen het woord "bereikt" en het woord ", moet" de woorden "op voormelde datum van de twee voorafgaande schooljaren" ingevoegd.
Art. III.57. A l'article 12, § 1er, du même décret sont apportées les modifications suivantes :
  1° le troisième alinéa est abrogé ;
  2° au cinquième alinéa, les mots " à la date précitée des deux années scolaires précédentes " sont insérés entre les mots " la norme de rationalisation " et les mots " doit satisfaire, ".
Art. III.58. In artikel 23 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 19 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 1. Om de lijsten van opleidingen vast te stellen, worden alle bestaande opleidingen gescreend op basis van beroepskwalificaties. De screening strekt ertoe een rationeel en transparant opleidingsaanbod tot stand te brengen door middel van, eventueel, omzetting, samenvoeging of schrapping van opleidingen.";
  2° paragraaf 3 wordt opgeheven.
Art. III.58. A l'article 23 du même décret, modifié par le décret du 19 juillet 2013, sont apportées les modifications suivantes :
  1° le paragraphe 1er est remplacé par la disposition suivante :
  " § 1er. Pour fixer les listes des formations, toutes les formations existantes font l'objet d'un screening sur la base de qualifications professionnelles. Ce screening vise à mettre en place une offre de formations rationnelle et transparente par le biais, le cas échéant, de la conversion, la fusion ou la suppression de formations. " ;
  2° le paragraphe 3 est abrogé.
Art. III.59. In artikel 24 van hetzelfde decreet wordt in paragraaf 1 het eerste lid vervangen door wat volgt:
  "De Vlaamse Regering kan op basis van beroepskwalificaties nieuwe opleidingen vastleggen.".
Art. III.59. Dans l'article 24 du même décret, l'alinéa premier du paragraphe 1er est remplacé par la disposition suivante :
  Le Gouvernement flamand peut définir de nouvelles formations sur la base de qualifications professionnelles. ".
Art. III.60. In artikel 25 van hetzelfde decreet worden in punt 2° de woorden "een of meer actuele referentiekaders" vervangen door de woorden "een beroepskwalificatie".
Art. III.60. Dans l'article 25, 2° du même décret, les mots " d'un ou de plusieurs cadres de référence actuels " sont remplacés par les mots " d'une qualification professionnelle ".
Art. III.61. In artikel 27/1 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 juli 2013, worden aan de eerste zin van punt 3° de volgende woorden toegevoegd:
  "die vastgelegd wordt uiterlijk 15 februari 2014".
Art. III.61. A la première phrase du point 3° de l'article 27/1 du même décret, inséré par le décret du 19 juillet 2013, sont ajoutés les mots suivants :
  " qui est fixée au plus tard le 15 février 2014 ".
Art. III.62. In artikel 28 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 9 juli 2010, 1 juli 2011 en 19 juli 2013, wordt paragraaf 2 vervangen door wat volgt:
  " § 2. In het deeltijds beroepssecundair onderwijs schakelt een opleiding om, na screening, van een niet-modulaire naar een modulaire organisatie.".
Art. III.62. Dans l'article 28 du même décret, modifié par les décrets des 9 juillet 2010, 1er juillet 2011 et 19 juillet 2013, le paragraphe 2 est remplacé par la disposition suivante :
  " § 2. Dans l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, une formation passe, après avoir subi un screening, d'une organisation non modulaire vers une organisation modulaire. ".
Art. III.63. In artikel 28bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 juli 2013, wordt in het derde lid punt 3° vervangen door wat volgt:
  "3° de begeleiding en beoordeling van de leerling-stagiair, ermee rekening houdend dat de jongere tijdens de stage wordt begeleid door een personeelslid van het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of een personeelslid van een andere school of centrum waar het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs op basis van een overeenkomst mee samenwerkt voor de organisatie van de vorming; dat personeelslid is continu op de stageplaats aanwezig.".
Art. III.63. Dans l'article 28bis, troisième alinéa, du même décret, inséré par le décret du 19 juillet 2013, le point 3° est remplacé par la disposition suivante :
  " 3° de l'accompagnement et de l'évaluation de l'élève-stagiaire, tout en tenant compte du fait que, pendant le stage, le jeune est accompagné par un membre du personnel du centre d'enseignement secondaire professionnel ou d'un membre du personnel d'une autre école ou d'un autre centre avec laquelle/lequel le centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel a conclu un accord de coopération pour l'organisation de la formation ; ce membre du personnel se trouve en permanence sur le lieu de stage. ".
Art. III.64. In artikel 30 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 30 april 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het eerste lid van paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
  "De Vlaamse Regering bepaalt in overleg met de beroepssectoren, de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen en de Vlaamse Onderwijsraad, welke door de Vlaamse Regering vóór 1 januari 2014 vastgelegde referentiekaders worden opgeheven en door welke beroepskwalificaties ze worden vervangen. Van deze beroepskwalificaties worden, onverkort, de doelen voor de beroepsgerichte vorming van de opleidingen binnen het deeltijds beroepssecundair onderwijs afgeleid.";
  2° het tweede lid van paragraaf 1 wordt opgeheven.
Art. III.64. A l'article 30 du même décret, modifié par le décret du 30 avril 2009, sont apportées les modifications suivantes :
  1° l'alinéa premier du paragraphe 1er est remplacé par la disposition suivante :
  " Le Gouvernement flamand détermine en étroite concertation avec les secteurs professionnels, le " Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen ", et le " Vlaamse Onderwijsraad ", les cadres de référence fixés par le Gouvernement flamand avant le 1er janvier 2014 qui sont abrogés et les qualifications professionnelles qui les remplacent. De ces qualifications professionnelles sont intégralement dérivés les objectifs pour la formation a vocation professionnelle des formations dans l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel. " ;
  2° le deuxième alinéa du paragraphe 1er est abrogé.
Art. III.65. In artikel 31/1 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 juli 2013, worden aan de eerste zin van punt 3° de volgende woorden toegevoegd:
  "die vastgelegd wordt uiterlijk 15 februari 2014".
Art. III.65. A la première phrase du point 3° de l'article 31/1 du même décret, inséré par le décret du 19 juillet 2013, sont ajoutés les mots suivants :
  " qui est fixée au plus tard le 15 février 2014 ".
Art. III.66. In artikel 32 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 30 april 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het eerste lid van paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
  "De Vlaamse Regering bepaalt in overleg met de beroepssectoren, de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen en de raad van bestuur van Syntra Vlaanderen, welke door de Vlaamse Regering vóór 1 januari 2014 vastgelegde referentiekaders worden opgeheven en door welke beroepskwalificaties ze worden vervangen. Van deze beroepskwalificaties worden, onverkort, de doelen voor de beroepsgerichte vorming van de opleidingen binnen de leertijd afgeleid.";
  2° het tweede lid van paragraaf 1 wordt opgeheven.
Art. III.66. A l'article 32 du même décret, modifié par le décret du 30 avril 2009, sont apportées les modifications suivantes :
  1° l'alinéa premier du paragraphe 1er est remplacé par la disposition suivante :
  " Le Gouvernement flamand détermine en étroite concertation avec les secteurs professionnels, le " Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen ", et le conseil d'administration de Syntra Vlaanderen, les cadres de référence fixés par le Gouvernement flamand avant le 1er janvier 2014 qui sont abrogés et les qualifications professionnelles qui les remplacent. De ces qualifications professionnelles sont intégralement dérivés les objectifs pour la formation a vocation professionnelle des formations dans le cadre de l'apprentissage. " ;
  2° le deuxième alinéa du paragraphe 1er est abrogé.
Art. III.67. Aan artikel 42bis, eerste lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 1 juli 2011, wordt de volgende zin toegevoegd:
  "Bij de beslissing houdt de klassenraad rekening met het advies van de klassenraad van het onthaaljaar als het een overstap betreft van het onthaaljaar naar vervolgonderwijs, vermeld in artikel 146, § 4, van de Codex Secundair Onderwijs. Elke beslissing die afwijkt van het advies, wordt afdoende gemotiveerd.".
Art. III.67. L'article 42bis, alinéa premier, du même décret, inséré par le décret du 1er juillet 2011, est complété par la phrase suivante :
  " Pour sa décision, le conseil de classe tient compte de l'avis du conseil de classe de l'année d'accueil lorsqu'il s'agit d'un passage de l'année d'accueil à un enseignement complémentaire, visé à l'article 146, § 4, du Code de l'Enseignement secondaire. Toute décision déviant de l'avis est suffisamment motivée. ".
Art. III.68. Aan artikel 49bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 1 juli 2011, wordt de volgende zin toegevoegd:
  "Bij de beslissing houdt Syntra Vlaanderen rekening met het advies van de klassenraad van het onthaaljaar als het een overstap betreft van het onthaaljaar naar vervolgonderwijs, vermeld in artikel 146, § 4, van de Codex Secundair Onderwijs. Elke beslissing die afwijkt van het advies, wordt afdoende gemotiveerd.".
Art. III.68. L'article 49bis du même décret, inséré par le décret du 1er juillet 2011, est complété par la phrase suivante :
  " Pour sa décision, Syntra Vlaanderen tient compte de l'avis du conseil de classe de l'année d'accueil lorsqu'il s'agit d'un passage de l'année d'accueil à un enseignement complémentaire, visé à l'article 146, § 4, du Code de l'Enseignement secondaire. Toute décision déviant de l'avis est suffisamment motivée. ".
Art. III.69. In artikel 100 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 13 juli 2012 en 19 juli 2013, worden in het eerste lid de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de woorden "Met ingang van het schooljaar 2014-2015" worden vervangen door de woorden "Met ingang van het schooljaar 2015-2016";
  2° de woorden "verder gesubsidieerd voor het schooljaar 2013-2014" worden vervangen door de woorden "verder gesubsidieerd voor de schooljaren 2013-2014 en 2014-2015".
Art. III.69. A l'article 100, alinéa premier, du même décret, modifié par les décrets des 13 juillet 2012 et 19 juillet 2013, sont apportées les modifications suivantes :
  1° les mots " A partir de l'année scolaire 2014-2015 " sont remplacés par les mots " A partir de l'année scolaire 2015-2016 " ;
  2° les mots " continuent à être subventionnés pour l'année scolaire 2013-2014 " sont remplacés par les mots " continuent à être subventionnés pour les années scolaires 2013-2014 et 2014-2015 ".
Art. III.70. In artikel 101 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 19 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid worden de woorden "Met ingang van het schooljaar 2014-2015" vervangen door de woorden "Met ingang van het schooljaar 2015-2016";
  2° in het eerste lid worden de woorden "verder gesubsidieerd voor het schooljaar 2013-2014" vervangen door de woorden "verder gesubsidieerd voor de schooljaren 2013-2014 en 2014-2015";
  3° in het derde lid worden tussen de woorden "moet voldoen" en de woorden "In elk geval" de woorden ", waaronder de toekenning van opleidingsvergoedingen aan jongeren in een brugproject." ingevoegd.
Art. III.70. A l'article 101 du même décret, modifié par le décret du 19 juillet 2013, sont apportées les modifications suivantes :
  1° à l'alinéa premier, les mots " A partir de l'année scolaire 2014-2015 " sont remplacés par les mots " A partir de l'année scolaire 2015-2016 " ;
  2° à l'alinéa premier, les mots " continuent à être subventionnés pour l'année scolaire 2013-2014 " sont remplacés par les mots " continuent à être subventionnés pour les années scolaires 2013-2014 et 2014-2015 " ;
  3° au troisième alinéa, les mots " , dont l'octroi d'indemnités de formation aux jeunes inscrits dans un projet-tremplin. " sont insérés entre les mots " en tant que promoteur " et les mots " Dans tous les cas ".
Art. III.71. In artikel 102 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 19 juli 2013, worden in het eerste lid de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de woorden "Met ingang van het schooljaar 2014-2015" worden vervangen door de woorden "Met ingang van het schooljaar 2015-2016";
  2° de woorden "verder gesubsidieerd voor het schooljaar 2013-2014" worden vervangen door de woorden "verder gesubsidieerd voor de schooljaren 2013-2014 en 2014-2015".
Art. III.71. A l'article 102, alinéa premier, du même décret, modifié par le décret du 19 juillet 2013, sont apportées les modifications suivantes :
  1° les mots " A partir de l'année scolaire 2014-2015 " sont remplacés par les mots " A partir de l'année scolaire 2015-2016 " ;
  2° les mots " continuent à être subventionnées pour l'année scolaire 2013-2014 " sont remplacés par les mots " continuent à être subventionnées pour les années scolaires 2013-2014 et 2014-2015 ".
Art. III.72. In artikel 140 van hetzelfde decreet worden de woorden "uiterlijk in 2013" vervangen door de woorden "in 2014".
Art. III.72. A l'article 140 du même décret, les mots " En 2013 au plus tard " sont remplacés par les mots " En 2014 ".
Afdeling III. Inwerkingtreding
Section III. - Entrée en vigueur
Art. III.73. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 september 2014.
  Artikel III.70 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2008.
  Artikel III.43 heeft uitwerking met ingang van 1 mei 2011.
  Artikel III.2, 2°, III.3, 2°, III.44, III.53, III.55, 3° en III.56, 3°, hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2013.
  Artikel III.72 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2013.
  Artikel III.58, III.59, III.60, III.62, III.64 en III.66 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2014.
  Artikel III.38, III.61 en III.65 hebben uitwerking met ingang van 15 februari 2014.
  Artikel III.2, 1°, III.3, 1°, III.39, III.47, III.54, III.55, 1°, 2° en III.56, 1°, 2°, hebben uitwerking met ingang van 1 maart 2014.
  Artikel III.21 en III.22 hebben uitwerking met ingang van 1 mei 2014.
  Artikel III.25 en III.26 treden in werking op 1 september 2015.
Art. III.73. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er septembre 2014.
  L'article III.70 produit ses effets le 1er septembre 2008.
  L'article III.43 produit ses effets le 1er mai 2011.
  Les articles III.2, 2°, III.3, 2°, III.44, III.53, III.55, 3° et III.56, 3°, produisent leurs effets le 1er janvier 2013.
  L'article III.72 produit ses effets le 1er septembre 2013.
  Les articles III.58, III.59, III.60, III.62, III.64 et III.66 produisent leurs effets le 1er janvier 2014.
  Les articles III.38, III.61 et III.65 produisent leurs effets le 15 février 2014.
  Les articles III.2, 1°, III.3, 1°, III.39, III.47, III.54, III.55, 1°, 2° et III.56, 1°, 2°, produisent leurs effets le 1er mars 2014.
  Les articles III.21 et III.22 produisent leurs effets le 1er mai 2014.
  Les articles III.25 et III.26 entrent en vigueur le 1er septembre 2015.
HOOFDSTUK IV. - Decreet betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding
CHAPITRE IV. - Décret relatif aux centres d'encadrement des élèves
Art. IV.1. In artikel 52 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het woord "departement" wordt vervangen door het woord "Agodi";
  2° er wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "De verificatiediensten van het Agodi kunnen ter plaatse controle uitoefenen zonder dat die controle mag betrekking hebben op de opportuniteit.".
Art. IV.1. A l'article 52 du décret du 1er décembre 1998 relatif aux centres d'encadrement des élèves sont apportées les modifications suivantes :
  1° les mots " au département " sont remplacés par les mots " à AgODi " ;
  2° il est ajouté un deuxième alinéa, rédigé comme suit :
  " Les services de vérification d'AgODi peuvent exercer un contrôle sur les lieux sans que ce contrôle puisse porter sur l'opportunité. ".
Art. IV.2. In hetzelfde decreet wordt een artikel 52bis ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 52bis. § 1. De representatieve verenigingen van de centrumbesturen van de gesubsidieerde vrije centra voor leerlingenbegeleiding bepalen, voor de centrumbesturen die dit wensen, de boekhoudkundige verplichtingen betreffende de vereenvoudigde boekhouding en de dubbele boekhouding zoals is bepaald in artikel 17, § 4, van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen. Deze boekhoudkundige verplichtingen dienen in bijkomende orde er mee rekening te houden dat de saldi, zoals bepaald conform het Europees Rekening Stelsel, door de Vlaamse Gemeenschap kunnen worden afgeleid uit de afgelegde rekeningen, zodat de Vlaamse Gemeenschap kan voldoen aan de ter zake geldende Europese verplichtingen.
  § 2. De onder § 1 bedoelde vereenvoudigde boekhouding omvat, rekening houdend met de aard en de omvang van het centrumbestuur, ten minste alle verrichtingen betreffende de mutaties in contant geld of op de rekeningen.
  § 3. De onder § 1 bedoelde regels voor de vereenvoudigde boekhouding omvatten minimaal:
  1° basisregels met betrekking tot het voeren van een vereenvoudigde boekhouding;
  2° de staat van de ontvangsten en de uitgaven;
  3° de jaarrekening;
  4° de inventaris.
  § 4. De onder § 1 bedoelde dubbele boekhouding omvat, rekening houdend met de aard en de omvang van de instellingen, alle verrichtingen, bezittingen en schulden, rechten en verplichtingen van welke aard ook, betreffende de door de subsidiërende overheid verstrekte toelagen en de eigen middelen van elke inrichtende macht.
  § 5. De onder § 1 bedoelde regels voor de economische boekhouding omvatten minimaal:
  1° de vorm en de inhoud van de jaarrekening;
  2° de waarderingsregels;
  3° de structuur van de jaarrekening;
  4° het schema van de balans;
  5° het schema van de resultatenrekening;
  6° de inhoud van de toelichting;
  7° de inhoud van de rubrieken van de balans en van de resultatenrekening;
  8° het minimum algemeen rekeningenstelsel.
  § 6. De in § 1 bedoelde regels worden door elke representatieve vereniging van het centrumbestuur van de gesubsidieerde vrije centra voor leerlingenbegeleiding meegedeeld aan de Vlaamse Regering.
  § 7. Voor de eerste maal vervullen de representatieve verenigingen van de centrumbesturen van de gesubsidieerde vrije centra voor leerlingenbegeleiding binnen 30 dagen na de inwerkingtreding van deze bepalingen, de in § 6 bedoelde verplichtingen.".
Art. IV.2. Il est inséré dans le même décret un article 52bis, rédigé comme suit :
  " Art. 52bis. § 1er. Les associations représentatives des directions de centres des centres libres subventionnés d'encadrement des élèves définissent, pour les directions des centres qui le souhaitent, les obligations comptables pour ce qui est de la comptabilité simplifiée et de la comptabilité en partie double, telles que fixées à l'article 17, § 4, de la loi du 27 juin 1921 relative aux associations sans but lucratif, aux associations internationales sans but lucratif et aux fondations. Ces obligations comptables doivent, en ordre secondaire, tenir compte du fait, que les soldes, fixés conformément au Système européen des comptes, peuvent êtres dérivés par la Communauté flamande des comptes rendus, de sorte que la Communauté flamande puisse satisfaire aux obligations européennes en vigueur en la matière.
  § 2. La comptabilité simplifiée visée au § 1er comprend, compte tenu de la nature et du volume de la direction du centre, au moins toutes les opérations relatives aux mutations en espèces ou aux comptes.
  § 3. Les règles de la comptabilité simplifiée visées au § 1er comprennent au moins :
  1° des règles de base pour tenir une comptabilité simplifiée ;
  2° l'état des recettes et dépenses ;
  3° les comptes annuels ;
  4° l'inventaire.
  § 4. La comptabilité en partie double visée au § 1er reprend, compte tenu de la nature et du volume des établissements, toutes les opérations, tous les avoirs et toutes les dettes, tous les droits et toutes les obligations, de quelque nature que ce soit, relatifs aux allocations accordées par l'autorité subventionnante et les moyens propres de chaque pouvoir organisateur.
  § 5. Les règles de la comptabilité économique visées au § 1er comprennent au moins :
  1° la forme et le contenu des comptes annuels ;
  2° les règles d'appréciation ;
  3° la structure des comptes annuels ;
  4° le schéma du bilan ;
  5° le schéma du compte de résultats ;
  6° le contenu de la note explicative ;
  7° le contenu des rubriques du bilan et du compte de résultats ;
  8° le plan comptable minimum normalisé.
  § 6. Les règles visées au § 1er sont communiquées au Gouvernement flamand par chaque association représentative de la direction du centre des centres libres subventionnées d'encadrement des élèves.
  § 7. Les associations représentatives des directions de centres des centres libres subventionnés d'encadrement des élèves remplissent les obligations visées au § 6 pour la première fois dans les 30 jours de l'entrée en vigueur de ces obligations.
Art. IV.3. Artikel 65/1 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 1 juli 2011, wordt opgeheven.
Art. IV.3. L'article 65/1 du même décret, inséré par le décret du 1er juillet 2011, est abrogé.
Art. IV.4. Artikel 66 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 66. De rationalisatienorm wordt vastgesteld op 10.000 gewogen leerlingen.".
Art. IV.4. L'article 66 du même décret est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 66. La norme de rationalisation est fixée à 10.000 élèves pondérés. ".
Art. IV.5. In artikel 71, § 2, eerste lid, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 14 februari 2003 en gewijzigd bij het besluit van 17 december 2010, wordt het artikelnummer "139ter" vervangen door het artikelnummer "133" en wordt het artikelnummer "139quater" vervangen door het artikelnummer "134".
Art. IV.5. Dans l'article 7, § 2, alinéa premier, du même décret, remplacé par le décret du 14 février 2003 et modifié par l'arrêté du 17 décembre 2010, le numéro d'article " 139ter " est remplacé par le numéro d'article " 133 " et le numéro d'article " 139quater " est remplacé par le numéro d'article " 134 ".
Art. IV.6. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 september 2014.
  Artikel IV.1 en IV.2 treden in werking op 1 januari 2015.
Art. IV.6. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er septembre 2014.
  Les articles IV.1 et IV.2 entrent en vigueur le 1er janvier 2015.
HOOFDSTUK V. - Volwassenenonderwijs
CHAPITRE V. - Education des adultes
Art. V.1. Aan artikel 12 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, gewijzigd bij de decreten van 30 april 2009, 8 mei 2009 en 1 juli 2011, wordt een paragraaf 5 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 5. De basiscompetenties worden ontwikkeld op basis van descriptorelementen, vermeld in artikel 6 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur.".
Art. V.1. L'article 12 du décret du 15 juin 2007 relatif à l'éducation des adultes, modifié par les décrets des 30 avril 2009, 8 mai 2009 et 1er juillet 2011, est complété par un paragraphe 5, rédigé comme suit :
  " § 5. Les compétences de base sont développées sur la base d'éléments de descripteur visés à l'article 6 du décret du 30 avril 2009 relatif à la structure des certifications. ".
Art. V.2. In artikel 35, § 1, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 4 juli 2008, 8 mei 2009 en 9 juli 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het tweede lid wordt de zinsnede "het studiegebied Nederlands tweede taal" vervangen door de zinsnede "de studiegebieden";
  2° in het tweede lid wordt de zinsnede "Nederlands tweede taal richtgraad 4," opgeheven;
  3° tussen het tweede en derde lid wordt een nieuw lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Voor de opleidingen vanaf het niveau richtgraad 2 van het studiegebied Nederlands tweede taal gelden de volgende aanvullende toelatingsvoorwaarden:
  1° om toegelaten te worden tot de aanvangsmodule met schriftelijke basiscompetenties moet de cursist kunnen aantonen dat hij de schriftelijke basiscompetenties heeft behaald op het niveau van de voorgaande richtgraad;
  2° om toegelaten te worden tot de aanvangsmodule met mondelinge basiscompetenties moet de cursist kunnen aantonen dat hij de mondelinge basiscompetenties heeft behaald op het niveau van de voorgaande richtgraad.".
Art. V.2. A l'article 35, § 1er, du même décret, modifié par les décrets des 4 juillet 2008, 8 mai 2009 et 9 juillet 2010, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au deuxième alinéa, le membre de phrase " des disciplines 'Nederlands tweede taal' (néerlandais - deuxième langue) " est remplacé par le membre de phrase " des disciplines " ;
  2° au deuxième alinéa, le membre de phrase " 'Nederlands tweede taal richtgraad 4' (néerlandais - deuxième langue degré-guide 4), " est abrogé ;
  3° entre le deuxième et le troisième alinéa, il est inséré un nouvel alinéa, rédigé comme suit :
  " Aux formations à partir du niveau degré-guide 2 de la discipline 'Nederlands tweede taal' s'appliquent les conditions complémentaires d'admission mentionnées ci-dessous :
  1° pour être admis au module initial impliquant des compétences de base écrites, l'apprenant doit pouvoir démontrer d'avoir acquis les compétences de base écrites au niveau du degré-guide précédent ;
  2° pour être admis au module initial impliquant des compétences de base orales, l'apprenant doit pouvoir démontrer d'avoir acquis les compétences de base orales au niveau du degré-guide précédent. ".
Art. V.3. In artikel 63 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 30 april 2009, 8 mei 2009, 9 juli 2010, 29 juni 2012 en 19 juli 2013, wordt een paragraaf 1ter ingevoegd, die luidt als volgt:
  " § 1ter. De centra voor volwassenenonderwijs die onderwijsbevoegdheid hebben voor opleidingen van het studiegebied Nederlands tweede taal zijn ertoe gehouden om aantoonbaar voor elke cursist een individuele leertrajectbegeleiding te organiseren.
  Het centrum voor volwassenenonderwijs legt hiertoe in samenspraak met de cursist het leertraject vast en houdt daarbij rekening met de startcompetenties en het eindperspectief van de cursist en in voorkomend geval ook met de vragen van de doorverwijzende instantie.".
Art. V.3. Dans l'article 63 du même décret, modifié par les décrets des 30 avril 2009, 8 mai 2009, 9 juillet 2010, 29 juin 2012 et 19 juillet 2013, il est inséré un paragraphe 1ter, rédigé comme suit :
  " § 1ter. Les centres d'éducation des adultes ayant compétence d'enseignement pour des formations de la discipline " Nederlands tweede taal " sont tenus d'organiser, de manière démontrable, un accompagnement individuel de la filière d'apprentissage pour chaque apprenant.
  A cet effet, le centre d'éducation des adultes stipule en concertation avec l'apprenant la filière d'apprentissage, tout en tenant compte des compétences initiales et de l'objectif final de l'apprenant et, le cas échéant, des questions de l'instance ayant aiguillé l'apprenant. ".
Art. V.4. In artikel 71 van hetzelfde decreet worden volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 worden tussen het woord "hogescholen" en de woorden "een overeenkomst" de woorden "en/of ambtshalve geregistreerde instellingen" ingevoegd;
  2° in het eerste lid van paragraaf 2 worden tussen de woorden "centra voor volwassenenonderwijs" en de zinsnede "die een specifieke lerarenopleiding organiseren" de woorden "en/of ambtshalve geregistreerde instellingen," ingevoegd;
  3° in het vierde lid van paragraaf 2 worden tussen de woorden "een universiteit, hogescholen van verschillende associaties" en de woorden "en centra voor volwassenenonderwijs" de woorden ", een ambtshalve geregistreerde instelling" ingevoegd.
Art. V.4. A l'article 71 du même décret sont apportées les modifications suivantes :
  1° au paragraphe 1er, les mots " et/ou institutions enregistrées d'office " sont insérés entre les mots " instituts supérieurs " et les mots " sur l'organisation " ;
  2° à l'alinéa premier du paragraphe 2, les mots " et/ou institutions enregistrées d'office, " sont insérés entre les mots " Les centres d'éducation des adultes " et le membre de phrase " qui organisent une formation spécifique des enseignants " ;
  3° au quatrième alinéa du paragraphe 2, les mots " , une institution enregistrée d'office " sont insérés entre les mots " Une université, des instituts supérieurs de différentes associations " et les mots " et des centres d'éducation des adultes ".
Art. V.5. In artikel 75 van hetzelfde decreet wordt in paragraaf 1 het punt 3° opgeheven.
Art. V.5. A l'article 75, paragraphe 1er, du même décret, le point 3° est abrogé.
Art. V.6. In artikel 120 van hetzelfde decreet wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
  "Het centrumreglement bevat ten minste de bijdrageregeling, het reglement van orde, het evaluatiereglement en informatie over de klachtenprocedure.".
Art. V.6. A l'article 120 du même décret, le deuxième alinéa est remplacé par la disposition suivante :
  " Le règlement de centre comprend au moins le régime de contribution, le règlement d'ordre intérieur, le règlement d'évaluation et des informations sur la procédure de plainte. ".
Art. V.7. In hetzelfde decreet wordt een artikel 176ter ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 176ter. Het besluit van de Vlaamse Regering van 11 april 2008 betreffende de organisatie en de werking van de ombudsdienst van de consortia volwassenenonderwijs wordt met ingang van 1 september 2014 opgeheven.".
Art. V.7. Dans le même décret, il est inséré un article 176ter, rédigé comme suit :
  " Art. 176ter. L'arrêté du Gouvernement flamand du 11 avril 2008 concernant l'organisation et le fonctionnement du service de médiation des consortiums éducation des adultes est abrogé le 1er septembre 2014. ".
Art. V.8. In hetzelfde decreet wordt een artikel 196quater ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art.196quater. § 1. Tijdens het schooljaar 2014-2015 en het schooljaar 2015-2016 worden in uitvoering van artikel 29, § 1, van het decreet van 7 juni 2013 betreffende het Vlaamse integratie- en inburgeringsbeleid telkens maximum 54.966 aanvullende leraarsuren aan de centra voor volwassenenonderwijs en maximum 106 aanvullende vte aan de centra voor basiseducatie toegekend.
  § 2. Voor het schooljaar 2014-2015 wordt het aantal aanvullende leraarsuren voor de centra voor volwassenenonderwijs en het aantal aanvullende vte voor de centra voor basiseducatie op basis van de referteperiode 2012-2013 verdeeld naar rato van het aantal unieke cursisten Nederlands als tweede taal in een inburgeringstraject. Voor de periode tussen 1 september 2014 en 31 januari 2015 wordt 50 procent van de aanvullende leraarsuren en aanvullende vte via deze verdeling toegekend. Op 1 februari 2015 wordt de resterende 50 procent van het aantal aanvullende leraarsuren en het aantal aanvullende vte verdeeld op basis van de aanwending van de lesurencursist gegenereerd door de toegekende aanvullende leraarsuren en aanvullende vte voor opleidingen Nederlands als tweede taal in de periode van 1 september 2014 tot 31 januari 2015.
  Voor het schooljaar 2015-2016 wordt het aantal aanvullende leraarsuren voor de centra voor volwassenenonderwijs en het aantal aanvullende vte voor de centra voor basiseducatie verdeeld op basis van het aantal unieke cursisten Nederlands als tweede taal in een inburgeringstraject en naar rato van de aanwending van de middelen in de periode tussen 1 september 2014 en 14 juni 2015.
  De beschikbare leraarsuren en vte kunnen enkel aangewend worden voor de organisatie van de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1 van het studiegebied Nederlands tweede taal van het secundair volwassenenonderwijs voor de centra voor volwassenenonderwijs of de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1 van het leergebied Nederlands tweede taal van de basiseducatie voor de centra voor basiseducatie.
  § 3. De betrekking die met de aanvullende leraarsuren, vermeld in paragraaf 1, wordt ingericht, kan niet worden vacant verklaard en het centrumbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen of muteren in deze betrekking.
  § 4. De Vlaamse Regering kan de verdeling van de aanvullende leraarsuren en aanvullende vte, vermeld in paragraaf 1, aanpassen, wanneer blijkt dat de initiële verdeling niet voldoet aan de noden bij de centra voor volwassenenonderwijs en de centra voor basiseducatie.".
Art. V.8. Dans le même décret, il est inséré un article 196quater, rédigé comme suit :
  " Art. 196quater. § 1er. Pendant l'année scolaire 2014-2015 et l'année scolaire 2015-2016, au maximum 54.966 périodes/enseignant complémentaires sont chaque fois accordées aux centres d'éducation de adultes, et au maximum 106 ETP complémentaires aux centres d'éducation de base, en exécution de l'article 29, § 1er, du décret du 7 juin 2013 relatif à la politique flamande d'intégration et d'intégration civique.
  § 2. Pour l'année scolaire 2014-2015, le nombre de périodes/enseignant complémentaires destinées aux centres d'éducation des adultes et le nombre d'ETP complémentaires destinés aux centres d'éducation de base sont répartis, sur la base de la période de référence 2012-2013, au prorata du nombre d'apprenants uniques " Nederlands als tweede taal " suivant un parcours d'intégration civique. Pour la période entre le 1er septembre 2014 et le 31 janvier 2015, 50 pour cent des périodes/enseignant complémentaires et des ETP complémentaires sont accordés par la voie de cette répartition. Au 1er février 2015, les 50 pour cent restants du nombre de périodes/enseignant complémentaires et du nombre d'ETP complémentaires sont répartis sur la base de l'affectation des heures de cours/apprenant générées par les périodes /enseignant complémentaires et les ETP complémentaires pour les formations " Nederlands als tweede taal " dans la période du 1er septembre 2014 au 31 janvier 205.
  Pour l'année scolaire 2015-2016, le nombre de périodes/enseignant complémentaires destinées aux centres d'éducation des adultes et le nombre d'ETP complémentaires destinés aux centres d'éducation de base sont répartis, sur la base du nombre d'apprenants uniques " Nederlands als tweede taal " suivant un parcours d'intégration civique et au prorata de l'affectation des moyens dans la période entre le 1er septembre 2014 et le 14 juin 2015 .
  Les périodes/enseignant et les ETP disponibles peuvent uniquement être affectés à l'organisation de la formation " Nederlands als tweede taal richtgraad 1 " de la discipline " Nederlands als tweede taal " de l'enseignement secondaire des adultes auprès des centres d'éducation des adultes, ou de la formation " Nederlands als tweede taal richtgraad 1 " du domaine d'apprentissage " Nederlands als tweede taal " de l'éducation de base auprès des centres d'éducation de base.
  § 3. L'emploi organisé avec les périodes/enseignant complémentaires visées au paragraphe 1er, ne peut être déclaré vacant et l'autorité du centre ne peut en aucun cas nommer à titre définitif, affecter ou muter un membre du personnel dans cet emploi.
  § 4. Le Gouvernement flamand peut adapter la répartition des périodes/enseignant complémentaires et des ETP complémentaires visés au paragraphe 1er, s'il s'avère que la répartition initiale ne comble pas les besoins des centres d'éducation des adultes et des centres d'éducation de base. ".
Art. V.9. In artikel 197octies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 juli 2013, wordt paragraaf 3 vervangen door wat volgt:
  " § 3. In afwijking van artikel 77, § 2, wordt de in 2008 afgesloten vijfjaarlijkse samenwerkingsovereenkomst tussen de Vlaamse Regering en elk consortium volwassenenonderwijs over de uitvoering van de opdrachten, vermeld in artikel 75, en de aanwending van de toegekende subsidie, vermeld in artikel 77, § 1, verlengd tot en met 31 december 2016.".
Art. V.9. A l'article 197octies du même décret, inséré par le décret du 19 juillet 2013, le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
  " § 3. Par dérogation à l'article 77, § 2, l'accord quinquennal de coopération conclu en 2008 entre le Gouvernement flamand et chaque consortium éducation des adultes sur l'exécution des missions visées à l'article 75 et l'affectation de la subvention octroyée visée à l'article 77, § 1er, est prolongé jusqu'au 31 décembre 2016. ".
Art. V.10. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 september 2014.
Art. V.10. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er septembre 2014.
HOOFDSTUK VI. - Hoger onderwijs
CHAPITRE VI. - Enseignement supérieur
Afdeling I. - Codex Hoger Onderwijs
Section Ire. - Code de l'Enseignement supérieur
Art. VI.1. Aan artikel II.24 van de Codex Hoger Onderwijs, gecodificeerd op 11 oktober 2013, wordt een punt 10° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "10° het verlenen van advies aan de Vlaamse Regering over het al dan niet bijdragen van een opleiding en instelling buiten de Europese Hoger Onderwijsruimte, aan de uitbouw van een wetenschappelijke discipline, vermeld in artikel 30 van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap.".
Art. VI.1. L'article II.24 du Code de l'Enseignement supérieur, codifié le 11 octobre 2013, est complété par un point 10°, rédigé comme suit :
  " 10° de rendre des avis au Gouvernement flamand sur la contribution ou non par une formation ou une institution en dehors de l'Espace européen de l'enseignement supérieur au développement d'une discipline scientifique telle que visée à l'article 30 du décret du 8 juin 2007 relatif à l'aide financière aux études de la Communauté flamande. ".
Art. VI.2. In artikel II.71, § 1, van dezelfde codex wordt tussen het woord "gegradueerde," en het woord "respectievelijk" de zinsnede "overeenkomstig het bepaalde in het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs," ingevoegd.
Art. VI.2. Dans l'article II.71, § 1er, du même Code, le membre de phrase " conformément aux dispositions du décret du 30 avril 2009 relatif à l'enseignement secondaire après secondaire et l'enseignement supérieur professionnel HBO 5 " est inséré entre les mots " de gradué, " et le mot " respectivement ".
Art. VI.3. Artikel II.92 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. II. 92. § 1. De LUCA School of Arts kan in de vestigingen Brussel-Hoofdstad, Leuven en Gent opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in de volgende studiegebieden:
  1° architectuur, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;
  2° audiovisuele en beeldende kunst, waarvoor:
  a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend op voorwaarde dat het onderwijs verstrekt wordt in het kader van een School of Arts;
  b) in het academisch onderwijs de graden van bachelor en master kunnen worden verleend op voorwaarde dat het onderwijs verstrekt wordt in het kader van een School of Arts;
  3° industriële wetenschappen en technologie, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;
  4° muziek en podiumkunsten, waarvoor in het academisch onderwijs de graden van bachelor en master kunnen worden verleend op voorwaarde dat het onderwijs verstrekt wordt in het kader van een School of Arts.
  § 2. De LUCA School of Arts kan in de vestiging Diepenbeek opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in het studiegebied audiovisuele en beeldende kunst, waarvoor in het academisch onderwijs de graden van bachelor en master kunnen worden verleend op voorwaarde dat het onderwijs verstrekt wordt in het kader van een School of Arts.".
Art. VI.3. L'article II.92 du même Code est remplacé par ce qui suit :
  " Art. II. 92. § 1er. La LUCA School of Arts peut dispenser des formations dans l'implantation de Bruxelles-Capitale, Leuven et Gent et délivrer les grades correspondants dans les disciplines suivantes :
  1° Architectuur (Architecture), pour laquelle le grade de bachelor peut être conféré dans l'enseignement supérieur professionnel ;
  2° Audiovisuele en beeldende kunst (Arts audiovisuels et arts plastiques) :
  a) pour laquelle le grade de bachelor peut être conféré dans l'enseignement supérieur professionnel à condition que l'enseignement soit dispensé dans le cadre d'une School of Arts ;
  b) les grades de bachelor et de master peuvent être conférés dans l'enseignement académique à condition que l'enseignement soit dispensé dans le cadre d'une School of Arts ;
  3° Industriële wetenschappen en technologie (Sciences industrielles et technologie), pour laquelle le grade de bachelor peut être conféré dans l'enseignement supérieur professionnel ;
  4° Muziek en podiumkunsten (Musique et arts de la scène), pour laquelle les grades de bachelor et de master peuvent être conférés dans l'enseignement académique à condition que l'enseignement soit dispensé dans le cadre d'une School of Arts.
  § 2. La LUCA School of Arts peut dispenser, dans l'implantation de Diepenbeek des formations et délivrer les grades correspondants dans la discipline Audiovisuele en beeldende kunst, pour laquelle les grades de bachelor et de master peuvent être conférés dans l'enseignement académique à condition que l'enseignement soit dispensé dans le cadre d'une School of Arts. ".
Art. VI.4. In artikel II.97 van dezelfde codex wordt punt 1° opgeheven.
Art. VI.4. A l'article II.97 du même code, le point 1° est abrogé.
Art. VI.5. In artikel II.110, § 3, van dezelfde codex wordt tussen de woorden "muzikale opleiding," en het woord ", Nederlands" het woord "natuurwetenschappen" ingevoegd.
Art. VI.5. A l'article II.110, § 3, du même Code, les mots " sciences naturelles " sont insérés entre les mots " éducation musicale, " et le mot " , néerlandais ".
Art. VI.6. In artikel II.115 van dezelfde codex worden volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 worden tussen de woorden "hogescholen en/of universiteiten" en het woord "kunnen" de woorden "en/of ambtshalve geregistreerde instellingen" ingevoegd;
  2° in het eerste lid van paragraaf 2 worden tussen de woorden "centra voor volwassenenonderwijs" en de zinsnede "die een specifieke lerarenopleiding organiseren" de woorden "en/of ambtshalve geregistreerde instellingen," ingevoegd;
  3° in het vierde lid van paragraaf 2 worden tussen de woorden "een universiteit, hogescholen van verschillende associaties" en de woorden "en centra voor volwassenenonderwijs" de woorden ", ambtshalve geregistreerde instellingen" ingevoegd.
Art. VI.6. A l'article II.115 du même Code sont apportées les modifications suivantes :
  1° au paragraphe 1er, les mots " et/ou institutions enregistrées d'office " sont insérés entre les mots " Les instituts supérieurs et/ou universités " et le mot " peuvent " ;
  2° à l'alinéa premier du paragraphe 2, les mots " et/ou institutions enregistrées d'office, " sont insérés entre les mots " Les centres d'éducation des adultes " et le membre de phrase " qui organisent une formation spécifique des enseignants " ;
  3° au quatrième alinéa du paragraphe 2, les mots " , des institutions enregistrées d'office " sont insérés entre les mots " Une université, des instituts supérieurs de différentes associations " et les mots " et des centres d'éducation des adultes ".
Art. VI.7. In artikel II.122 van dezelfde codex wordt een paragraaf 9 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 9. De bepalingen in dit artikel zijn ook van toepassing op de specifieke lerarenopleidingen, met uitzondering van deze aangaande de accreditatie van opleidingen voor de specifieke lerarenopleidingen georganiseerd door de centra voor volwassenenonderwijs, de hogescholen en de universiteiten, en deze over de instellingsreview als voor de specifieke lerarenopleidingen georganiseerd door de centra voor volwassenenonderwijs.".
Art. VI.7. L'article II.122 du même Code est complété par un paragraphe 9, rédigé comme suit :
  " § 9. Les dispositions du présent article s'appliquent également aux formations spécifiques des enseignants, à l'exception des dispositions relatives à l'accréditation de formations pour ce qui est des formations spécifiques des enseignants organisées par les centres d'éducation des adultes, les instituts supérieurs et les universités, et à l'exception des dispositions relatives à l'évaluation institutionnelle et aux formations spécifiques des enseignants organisées par les centres d'éducation des adultes. ".
Art. VI.8. Aan artikel II.152 van dezelfde codex wordt aan punt 4° een punt d) toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "d) de organisatie van de nieuwe bachelor- en masteropleiding in de handelswetenschappen aan de Universiteit Hasselt in het studiegebied handelswetenschappen en bedrijfskunde. De Universiteit Hasselt sluit hiertoe een samenwerkingsovereenkomst af met een andere universiteit die de bachelor- en masteropleiding in de handelswetenschappen reeds organiseert.".
Art. VI.8. A l'article II.152, point 4°, du même Code, il est ajouté un point d), rédigé comme suit :
  " d) à l'organisation de la nouvelle formation de bachelor et de master en sciences commerciales auprès de l'Universiteit Hasselt dans la discipline " Handelswetenschappen en bedrijfskunde ". L'Universiteit Hasselt conclut à cet effet une accord de coopération avec une autre université organisant déjà la formation de bachelor et de master en sciences commerciales. ".
Art. VI.9. Aan artikel II.256 van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het vierde lid, 3°, worden de volgende zinnen opgeheven:
  "Deze bedragen worden jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. De referentiedatum voor de jaarlijkse aanpassing is 1 september 2013. Het bedrag wordt afgerond naar het dichtstbijzijnde geheel getal. De Vlaamse Regering kan het bedrag verminderen voor specifieke doelgroepen. Voor asielzoekers, vluchtelingen en subsidiair beschermden is de behandeling van de erkenningsaanvraag gratis. De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen voor een versnelde procedure tot de erkenning van de individuele gelijkwaardigheid van buitenlandse studiebewijzen. De Vlaamse Regering kan het bedrag vermeerderen tot maximaal 500 euro indien de houder van het buitenlands studiebewijs opteert voor deze versnelde procedure.";
  2° er wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "De in het vierde lid vermelde bedragen worden aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. De referentiedatum voor de jaarlijkse aanpassing is 1 september 2013. Het bedrag wordt afgerond naar het dichtstbijzijnde geheel getal. De Vlaamse Regering kan het bedrag verminderen voor specifieke doelgroepen. Voor asielzoekers, vluchtelingen en subsidiair beschermden is de behandeling van de erkenningsaanvraag gratis. De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen voor een versnelde procedure tot de erkenning van de individuele gelijkwaardigheid van buitenlandse studiebewijzen. De Vlaamse Regering kan het bedrag vermeerderen tot maximaal 500 euro, indien de houder van het buitenlands studiebewijs opteert voor deze versnelde procedure.".
Art. VI.9. A l'article II.256 du même Code sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans le quatrième alinéa, 3°, les phrases suivantes sont abrogées :
  " Ces montants sont annuellement ajustés à l'augmentation de l'indice de santé. La date de référence pour l'ajustement annuel est le 1er janvier 2013. Le montant est arrondi au nombre entier le plus proche. Le Gouvernement flamand peut réduire le montant pour des groupes-cibles spécifiques. Pour les demandeurs d'asile, les réfugiés et les bénéficiaires de la protection subsidiaire, la demande de reconnaissance est gratuite. Le Gouvernement flamand peut fixer les conditions d'une procédure accélérée de reconnaissance de l'équivalence individuelle de titres étrangers. Le Gouvernement flamand peut augmenter le montant jusqu'à 500 euros au maximum, si le titulaire du titre étranger opte pour cette procédure accélérée. " ;
  2° il est ajouté un cinquième alinéa, rédigé comme suit :
  " Les montants cités dans le présent arrêté sont adaptés à l'évolution de l'indice santé. La date de référence pour l'ajustement annuel est le 1er septembre 2013. Le montant est arrondi au nombre entier le plus proche. Le Gouvernement flamand peut réduire le montant pour des groupes-cibles spécifiques. Pour les demandeurs d'asile, les réfugiés et les bénéficiaires de la protection subsidiaire, la demande de reconnaissance est gratuite. Le Gouvernement flamand peut fixer les conditions d'une procédure accélérée de reconnaissance de l'équivalence individuelle de titres étrangers. Le Gouvernement flamand peut augmenter le montant jusqu'à 500 euros au maximum, si le titulaire du titre étranger opte pour cette procédure accélérée. ".
Art. VI.10. In artikel II.263 van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
  "De aanvragen en het bijbehorende dossier worden ingediend:
  1° in het geval het een bestaande initiële bachelor- of masteropleiding betreft, uiterlijk op 1 oktober van het academiejaar dat voorafgaat aan het academiejaar waarin de anderstalige initiële bachelor- of master georganiseerd zal worden;
  2° in het geval het een nieuwe initiële bachelor- of masteropleiding betreft zoals vermeld in artikel II.150, samen met het aanvraagdossier macrodoelmatigheid nieuwe opleiding zoals vermeld in artikel II.153, § 2.";
  2° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 3. De Commissie Hoger Onderwijs brengt haar oordeel uit:
  1° in het geval het een bestaande initiële bachelor- of masteropleiding betreft, uiterlijk op 31 januari van hetzelfde academiejaar;
  2° in het geval het een nieuwe initiële bachelor- of masteropleiding betreft, samen met het oordeel over de macrodoelmatigheid van de opleiding zoals vermeld in artikel II.153, § 3.
  De Commissie Hoger Onderwijs bezorgt haar oordeel aan het instellingsbestuur en aan de Vlaamse Regering.
  Bij een negatief oordeel van de Commissie Hoger Onderwijs kan de instelling binnen een vervaltermijn van 15 kalenderdagen die ingaat op de dag na ontvangst van de beslissing van de Commissie Hoger Onderwijs, beroep instellen bij de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering neemt een beslissing binnen een vervaltermijn van 30 kalenderdagen die ingaat op de dag na ontvangst van het beroepschrift.
  Bij een positief oordeel van de Commissie Hoger Onderwijs, tenzij de Vlaamse Regering binnen een vervaltermijn van 45 kalenderdagen alsnog negatief oordeelt, of bij een positieve beslissing van de Vlaamse Regering:
  1° krijgt de instelling in het geval het een bestaande initiële bachelor- of masteropleiding betreft, van rechtswege de toelating om de anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding te organiseren;
  2° vraagt de instelling in het geval het een nieuwe initiële bachelor- of masteropleiding betreft, de toets nieuwe opleiding aan bij de accreditatieorganisatie, binnen een vervaltermijn van 15 kalenderdagen, die ingaat de dag na het verstrijken van de vervaltermijn van 45 kalenderdagen na het positief oordeel van de Commissie Hoger Onderwijs.
  Indien de Commissie Hoger Onderwijs geen oordeel velt uiterlijk op de data vermeld in deze paragraaf of indien de Vlaamse Regering geen beslissing neemt naar aanleiding van een beroepschrift op de in deze paragraaf vastgestelde momenten, wordt het oordeel of de beslissing geacht negatief te zijn.".
Art. VI.10. A l'article II.263 du même Code sont apportées les modifications suivantes :
  1° au paragraphe 1er, le deuxième alinéa est remplacé par ce qui suit :
  " Les demandes et le dossier connexe sont déposés :
  1° dans le cas où il s'agit d'une formation initiale de bachelor ou de master existante, au plus tard le 1er octobre de l'année académique précédant l'année académique dans laquelle la formation initiale de bachelor ou de master enseignée en langue étrangère sera organisée ;
  2° dans le cas où il s'agit d'une nouvelle formation initiale de bachelor ou de master telle que visée à l'article II.150, conjointement avec le dossier de demande macro-efficacité nouvelle formation tel que visé à l'article II.153, § 2. " ;
  2° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
  " § 3. La Commissie Hoger Onderwijs se prononce :
  1° au plus tard le 31 janvier de la même année académique dans le cas où il s'agit d'une formation initiale de bachelor ou de master existante ;
  2° dans le cas où il s'agit d'une nouvelle formation initiale de bachelor ou de master, conjointement avec l'avis sur la macro-efficacité de la formation, tel que visé à l'article II.153, § 3.
  La Commissie Hoger Onderwijs transmet son avis à la direction de l'institution et au Gouvernement flamand.
  Lors d'un avis négatif de la Commissie Hoger Onderwijs, l'institution peut introduire un recours auprès du Gouvernement flamand dans un délai de 15 jours calendaires qui prend cours le lendemain de la réception de la décision de la Commissie Hoger Onderwijs. Le Gouvernement flamand prend une décision dans un délai de 30 jours calendaires prenant cours le lendemain de la réception du recours.
  Lors d'un avis positif de la Commissie Hoger Onderwijs, à moins que le Gouvernement flamand ne se prononce négativement dans un délai de 45 jours calendaires, ou lors d'une décision positive du Gouvernement flamand :
  1° l'institution est autorisée de plein droit à organiser une formation initiale de bachelor et de master enseignée en langue étrangère, dans le cas où il s'agit d'une formation initiale de bachelor ou de master existante ;
  2° l'institution fait une demande d'évaluation nouvelle formation auprès de l'organisation d'accréditation, dans un délai de 15 jours calendaires prenant cours le lendemain de l'expiration du délai de 45 jours calendaires après l'avis positif de la Commissie Hoger Onderwijs, dans le cas où il s'agit d'une nouvelle formation initiale de bachelor ou de master.
  Si la Commissie Hoger Onderwijs ne statue pas au plus tard aux dates visées au présent paragraphe ou si le Gouvernement flamand ne prend pas de décision à propos d'un recours aux moments fixés au présent paragraphe, l'avis ou la décision sont réputés négatifs. ".
Art. VI.11. Artikel II.264 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. II.264. § 1. Een instelling of meerdere instellingen samen kan/kunnen bij de Commissie Hoger Onderwijs een aanvraag tot vrijstelling van de equivalentievoorwaarde indienen voor een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding. Deze aanvraag, samen met het bijhorende dossier, wordt bij de Commissie Hoger Onderwijs ingediend:
  1° samen met de aanvraag voor een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding overeenkomstig de voorschriften vastgelegd in artikel II.263; ofwel
  2° in het geval van een bestaande equivalente opleiding uiterlijk op 1 oktober van het academiejaar voorafgaand aan het academiejaar waarop de instelling(en) de betrokken equivalente opleiding wil(len) stopzetten.
  De VLUHR bezorgt de Commissie Hoger Onderwijs uiterlijk 1 maand na indiening van het desbetreffende dossier een advies over de gevraagde vrijstelling van de equivalentievoorwaarde.
  § 2. De Commissie Hoger Onderwijs legt samen met het beoordeelde dossier een advies aan de Vlaamse Regering voor over de gevraagde afwijking van de equivalentievoorwaarde:
  1° uiterlijk op 1 december van hetzelfde academiejaar in de volgende gevallen:
  a) als de aanvraag tot vrijstelling van de equivalentievoorwaarde betrekking heeft op de afbouw/stopzetting van een bestaande equivalente opleiding;
  b) als de aanvraag tot vrijstelling van de equivalentievoorwaarde samen ingediend wordt met een aanvraag voor een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding;
  2° uiterlijk op 15 april van hetzelfde academiejaar als de aanvraag tot vrijstelling van de equivalentievoorwaarde samen ingediend wordt met de aanvraag van een nieuwe initiele bachelor- of masteropleiding.
  § 3. De Vlaamse Regering neemt op basis van het advies van de Commissie Hoger Onderwijs een beslissing over de afwijking op de equivalentievoorwaarde:
  1° uiterlijk op 15 januari van hetzelfde academiejaar, vermeld in de gevallen opgesomd in paragraaf 2, 1° ;
  2° uiterlijk op 15 mei van het hetzelfde academiejaar als de aanvraag tot vrijstelling van de equivalentievoorwaarde samen ingediend wordt met de aanvraag van een nieuwe initiële bachelor- of masteropleiding.
  Indien de Vlaamse Regering geen beslissing neemt op de in deze paragraaf vastgestelde momenten, wordt de beslissing geacht negatief te zijn.
  De Vlaamse Regering deelt deze beslissing mee aan het Vlaams Parlement.".
Art. VI.11. L'article II.264 du même Code est remplacé par ce qui suit :
  " Art. II.264. § 1er. Une institution ou plusieurs institutions peut/peuvent déposer auprès de la Commissie Hoger Onderwijs une demande de dispense de la condition d'équivalence pour une formation initiale de bachelor ou de master enseignée en langue étrangère. Cette demande, accompagnée du dossier correspondant, est déposée auprès de la Commissie Hoger Onderwijs :
  1° conjointement avec la demande pour une formation initiale de bachelor ou de master enseignée en langue étrangère conformément aux prescriptions fixées à l'article II.263 ; ou bien
  2° dans le cas d'une formation équivalente existante, au plus tard le 1er octobre de l'année académique précédant l'année académique dans laquelle l'institution/les institutions désire(nt) arrêter la formation équivalente concernée.
  Au plus tard un mois après l'introduction du dossier en question, le VLUHR remet à la Commissie Hoger Onderwijs un avis sur la dispense demandée de la condition d'équivalence.
  § 2. La Commissie Hoger Onderwijs soumet au Gouvernement flamand un avis, accompagné du dossier évalué, sur la demande de dérogation de la condition d'équivalence :
  1° au plus tard le 1er décembre de la même année académique dans les cas suivants :
  a) si la demande de dispense de la condition d'équivalence porte sur la suppression progressive ou la cessation d'une formation équivalente existante ;
  b) si la demande de dispense de la condition d'équivalence est introduite conjointement avec une demande d'organisation d'une formation initiale de bachelor ou de master enseignée en langue étrangère ;
  2° au plus tard le 15 avril de la même année académique si la demande de dispense de la condition d'équivalence est introduite conjointement avec la demande d'organisation d'une nouvelle formation initiale de bachelor ou de master.
  § 3. Le Gouvernement flamand prend une décision sur la base de l'avis de la Commissie Hoger Onderwijs relative à la dérogation de la condition d'équivalence :
  1° le 15 janvier au plus tard de la même année académique, mentionnée dans les cas énumérés au paragraphe 2, 1° ;
  2° au plus tard le 15 mai de la même année académique si la demande de dispense de la condition d'équivalence est introduite conjointement avec la demande d'organisation d'une nouvelle formation initiale de bachelor ou de master.
  Si le Gouvernement flamand ne statue pas aux moments fixés par le présent paragraphe, la décision est censée être négative.
  Le Gouvernement flamand communique cette décision au Parlement flamand. ".
Art. VI.12. In artikel II.270 van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 worden in het tweede lid tussen de woorden "als het betrokken personeelslid" en de woorden "een bachelor- of masterdiploma of doctoraat behaald heeft" de woorden "een diploma secundair onderwijs of " ingevoegd;
  2° er wordt aan paragraaf 1 een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Aan de voorwaarden vermeld in deze paragraaf moet voldaan zijn vóór 15 februari 2015.".
Art. VI.12. A l'article II.270 du même Code sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans le deuxième alinéa du paragraphe 1er, les mots " un diplôme d'enseignement secondaire ou " sont insérés entre les mots " si le membre du personnel intéressé a obtenu " et les mots " un diplôme de bachelor ou de master ou de doctorat " ;
  2° il est ajouté un quatrième alinéa au paragraphe 1er, rédigé comme suit :
  " Les conditions mentionnées au présent paragraphe doivent être remplies avant le 15 février 2015. ".
Art. VI.13. In artikel II.288, § 3, van dezelfde codex worden de woorden "is van toepassing op het totaal aantal leden voorzitters en bijzitters samengenomen" vervangen door de woorden "wordt berekend op het aantal leden voorzitters en bijzitters afzonderlijk".
Art. VI.13. Dans l'article II.288, § 3, du même Code, les mots " est d'application au nombre total de membres, présidents et assesseurs ensemble " sont remplacés par les mots " est calculé sur le nombre de membres, présidents et assesseurs à part ".
Art. VI.14. In artikel II.306 van dezelfde codex wordt paragraaf 2 vervangen door wat volgt:
  " § 2. In afwijking van artikel II.301, artikel II.302 en artikel II.305 verloopt de procedure voor een rechtstreeks beroep betreffende de in artikel II.285, tweede lid bedoelde aanpassing van het leerkrediet bij overmachtsituaties, na mededeling van een vereenvoudigde procedurekalender louter schriftelijk en volgt er geen concrete oproeping van de partijen tenzij de raad het noodzakelijk acht voor de behandeling van de zaak of tenzij één van de partijen uitdrukkelijk en gemotiveerd verzoekt om gehoord te worden.
  De raad oordeelt onverwijld bij beschikking van de voorzitter of gevolg moet gegeven worden aan het verzoek.".
Art. VI.14. Dans l'article II.306 du même Code, le paragraphe 2 est remplacé par la disposition suivante :
  " § 2. Par dérogation aux articles II.301, II.302 et II.305, la procédure pour un recours direct concernant l'adaptation visée à l'article II.285, deuxième alinéa, du crédit d'apprentissage en cas de situations de force majeure, se déroule après communication d'un calendrier de procédure simplifié uniquement, sans être suivie d'une convocation concrète des parties, à moins que le conseil l'estime nécessaire pour le traitement de l'affaire ou à moins qu'une des parties demande explicitement et de manière motivée d'être entendue.
  Le conseil juge sans tarder, par décision du président, s'il y a lieu de donner suite à la demande. ".
Art. VI.15. Artikel II.352 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. II.352. § 1. Binnen de perken van de begrotingskredieten stelt de Vlaamse Regering een mobiliteitstoelage ter beschikking voor studenten of cursisten die een periode in het buitenland doorbrengen in het kader van hun opleiding onder de volgende voorwaarden:
  1° de student of de cursist is op het moment van de aanvraag ingeschreven aan een Vlaamse ambtshalve geregistreerde instelling onder een diplomacontract of een centrum voor volwassenenonderwijs in een opleiding die valt onder kwalificatieniveau 5, 6, 7 en 8;
  2° de student of cursist is door deze instelling of het centrum voorgedragen of geselecteerd om via een uitwisselingsprogramma een periode in het buitenland door te brengen; de instelling of het centrum legt de criteria en de voorwaarden voor selectie vast en maakt deze op duidelijke wijze kenbaar aan de student of cursist ruim voor de start van de selectieprocedure;
  3° de periode in het buitenland bedraagt minimum één maand en maximum twaalf maanden;
  4° de student heeft een leerovereenkomst of een vormingsovereenkomst in het kader van een stage afgesloten met deze instelling of het centrum, waarin onder meer de erkenning of validatie van de uitwisseling door deze instelling of het centrum wordt geregeld;
  5° er wordt voldaan aan de bijkomende criteria en voorwaarden vastgelegd in het specifieke uitwisselingsprogramma waarvoor de student zich kandidaat stelt.
  § 2. De Vlaamse Regering kan bepalen dat de mobiliteitsbeurzen prioritair toegekend worden aan studenten of cursisten ingeschreven in een initiële opleiding van kwalificatieniveau 5, 6 of 7 als de omvang van de begrotingskredieten beperkt is. De Vlaamse Regering neemt dit besluit vóór 1 maart voorafgaand aan het academiejaar waarin de selectie van de studenten of cursisten plaatsvindt.".
Art. VI.15. L'article II.352 du même Code est remplacé par ce qui suit :
  " Art. II.352. § 1er. Dans les limites des crédits budgétaires, le Gouvernement flamand prévoit une allocation de mobilité pour les étudiants ou apprenants qui passent une période à l'étranger, dans le cadre de leur formation, et ce aux conditions suivantes :
  1° au moment de la demande, l'étudiant ou l'apprenant est inscrit auprès d'une institution flamande enregistrée d'office sous les liens d'un contrat de diplôme ou auprès d'un centre d'éducation des adultes dans une formation classée au niveau de qualification 5, 6, 7 et 8 ;
  2° l'étudiant ou l'apprenant a été proposé ou sélectionné par cette institution ou ce centre pour passer une période à l'étranger par le biais d'un programme d'échange ; l'institution ou le centre stipule les critères et les conditions de sélection et les communique clairement à l'étudiant ou l'apprenant avant le démarrage de la procédure de sélection ;
  3° la période à l'étranger est d'un mois minimum et de douze mois maximum ;
  4° l'étudiant a conclu un contrat d'apprentissage ou un contrat de formation dans le cadre d'un stage avec l'institution ou le centre en question, réglant entre autres l'agrément ou la validation de l'échange par cette institution ou ce centre ;
  5° il est satisfait aux critères et conditions supplémentaires fixés dans le programme d'échange spécifique pour lequel l'étudiant se porte candidat.
  § 2. Le Gouvernement flamand peut stipuler que les bourses de mobilité sont accordées prioritairement à des étudiants ou apprenants inscrits à une formation initiale du niveau de qualification 5, 6 ou 7, si le volume des crédits budgétaires est restreint. Le Gouvernement flamand prend cette décision avant le 1er mars précédant l'année académique dans laquelle la sélection des étudiants ou apprenants a lieu. ".
Art. VI.16. Artikel II.353 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. II.353. § 1. De Vlaamse Regering bepaalt de hoogte van de mobiliteitstoelage en kan daarbij rekening houden met:
  1° het referentie-inkomen van de leefeenheid van de student zoals bepaald in titel IV, hoofdstuk III, van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap;
  2° het land, de stad of de regio van bestemming;
  3° de aard van het studieverblijf in het buitenland: een opleiding aan een onderwijsinstelling of een stage in het kader van een opleiding;
  4° het feit of de student valt onder een of meer van de ondervertegenwoordigde groepen zoals bepaald in artikel III.59;
  5° de eventuele internationale afspraken die zijn vastgelegd in een Memorandum of Understanding.
  § 2. Ten minste 25 procent van de mobiliteitsbeurzen wordt toegekend aan studenten uit ondervertegenwoordigde groepen zoals bepaald in artikel III.59.
  § 3. Met het oog op het realiseren van een evenwichtige en een voldoende gespreide mobiliteit kan de Vlaamse Regering het aantal toe te kennen beurzen voor een bepaald land of regio beperken of verhogen om de mobiliteit naar dat land of regio te beperken of te stimuleren. De Vlaamse Regering neemt dit besluit vóór 1 maart voorafgaand aan het academiejaar waarin de selectie van de studenten of cursisten plaatsvindt.
  § 4. De Vlaamse Regering kan (in het kader van de academische diplomatie) een aantal beurzen voorbehouden voor de uitwisseling van studenten met instellingen of bedrijven uit een door de Vlaamse Regering bepaalde lijst van prioritaire landen. De Vlaamse Regering neemt dit besluit vóór 1 maart voorafgaand aan het academiejaar waarin de selectie van de studenten of cursisten plaatsvindt.
  § 5. De Vlaamse Regering kan prioritaire studiedomeinen of maatschappelijke thema's vastleggen. De Vlaamse Regering neemt dit besluit vóór 1 maart voorafgaand aan het academiejaar waarin de selectie van de studenten of cursisten plaatsvindt.".
Art. VI.16. L'article II.353 du même Code est remplacé par ce qui suit :
  "Art. II.353. § 1er. Le Gouvernement flamand fixe le volume de l'allocation de mobilité. Pour ce faire, il peut tenir compte :
  1° du revenu de référence de l'unité de vie de l'étudiant tel que visé au titre IV, chapitre III, du décret du 8 juin 2007 relatif à l'aide financière aux études de la Communauté flamande ;
  2° du pays, de la ville ou de la région de destination ;
  3° de la nature du séjour d'étude à l'étranger : une formation auprès d'une institution d'enseignement ou un stage dans le cadre d'une formation ;
  4° le fait que l'étudiant relève d'un ou de plusieurs groupes sous-représentés tel que visé à l'article III.59 ;
  5° les conventions internationales éventuelles inscrites dans un Memorandum of Understanding.
  § 2. Au moins 25 pour cent des bourses de mobilité sont accordés à des étudiants provenant de groupes sous-représentés tels que visés à l'article III.59.
  § 3. En vue de la réalisation d'une mobilité équilibrée et suffisamment étalée, le Gouvernement flamand peut limiter ou augmenter le nombre de bourses à accorder pour un pays ou une région délimité, afin de limiter ou stimuler la mobilité en direction de ce pays ou de cette région. Le Gouvernement flamand prend cette décision avant le 1er mars précédant l'année académique dans laquelle la sélection des étudiants ou apprenants a lieu.
  § 4. (Dans le cadre du diplômage académique) le Gouvernement flamand peut réserver un nombre de bourses à l'échange d'étudiants avec des institutions ou entreprises placées sur une liste de pays prioritaires établie par le Gouvernement flamand. Le Gouvernement flamand prend cette décision avant le 1er mars précédant l'année académique dans laquelle la sélection des étudiants ou apprenants a lieu.
  § 5. Le Gouvernement flamand peut déterminer des domaines d'étude prioritaires ou des thèmes sociaux. Le Gouvernement flamand prend cette décision avant le 1er mars précédant l'année académique dans laquelle la sélection des étudiants ou apprenants a lieu. ".
Art. VI.17. Artikel II.389 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. II.389. Van de volgende leden van het onderwijzend personeel en van het academisch personeel, belast met een onderwijsopdracht, wordt het vereiste beheersingsniveau van de Nederlandse taal, vermeld in artikel II.270, § 2, vermoed aanwezig te zijn:
  1° diegene die vóór het academiejaar 2013-2014 benoemd zijn;
  2° diegene die vóór het academiejaar 2013-2014 aangesteld zijn met het oog op een vaste benoeming zoals vermeld in artikel V.28 en V.29 van deze codex;
  3° diegene die vóór het academiejaar 2013-2014 aangesteld zijn voor onbepaalde duur.".
Art. VI.17. L'article II.389 du même Code est remplacé par ce qui suit :
  " Art. II.389. Les membres du personnel enseignant et du personnel académique suivants assumant une charge d'enseignement sont supposés avoir le niveau requis de maîtrise de la langue néerlandaise, mentionné à l'article II.270, § 2 :
  1° ceux étant nommés avant l'année académique 2013-2014 ;
  2° ceux étant désignés avant l'année académique 2013-2014 en vue d'une nomination à titre définitif tel que visé aux articles V.28 et V.29 du présent Code ;
  3° ceux étant désignés pour une durée indéterminée avant l'année académique 2013-2014. ".
Art. VI.18. In artikel III.19 van dezelfde codex wordt een paragraaf 1/1 ingevoegd die luidt als volgt:
  " § 1/1. In het begrotingsjaar 2014 bedraagt het puntengewicht voor de doctoraten in het studiegebied Nautische wetenschappen 3.
  Voor de berekening van het variabele onderzoeksdeel, vermeld in artikel III.22, worden met ingang van het begrotingsjaar 2015 voor de weging van het aantal doctoraatsdiploma's de volgende puntengewichten gebruikt:
Art. VI.18. Dans l'article III.19 du même Code, il est inséré un paragraphe 1/1, rédigé comme suit :
  " § 1/1. Dans l'année budgétaire 2014, la pondération pour les doctorats dans la discipline Nautische wetenschappen (Sciences nautiques) s'élève à 3.
  Pour le calcul du volet variable " recherche ", visé à l'article III.22, les pondérations suivantes s'appliquent à compter de l'année budgétaire 2015 à la pondération du nombre de diplômes de doctorat :
Studiegebied Punten-gewicht
a) Wijsbegeerte en moraalwetenschappen 1,00
b) Godgeleerdheid, godsdienstwetenschappen en kerkelijk recht 1,00
c) Taal- en letterkunde 1,00
d) Geschiedenis 1,00
e) Archeologie en kunstwetenschappen 1,00
f) Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen 1,00
g) Psychologie en pedagogische wetenschappen 1,00
h) Economische en toegepaste economische wetenschappen 1,00
i) Politieke en sociale wetenschappen 1,00
j) Toegepaste taalkunde 1,00
k) Handelswetenschappen en bedrijfskunde 1,00
l) Audiovisuele en beeldende kunst 1,00
m) Muziek en podiumkunsten 1,00
n) Sociale Gezondheidswetenschappen 2,00
o) Lichamelijke opvoeding, revalidatiewetenschappen en kinesitherapie 2,00
p) Wetenschappen 2,00
q) Toegepaste wetenschappen 2,00
r) Toegepaste biologische wetenschappen 2,00
s) Geneeskunde 2,00
t) Tandheelkunde 2,00
u) Diergeneeskunde 2,00
v) Farmaceutische wetenschappen 2,00
w) Biomedische wetenschappen 2,00
x) Verkeerskunde 2,00
y) Conservatie-restauratie 2,00
z) Architectuur 2,00
aa) Industriële wetenschappen en technologie 2,00
ab) Biotechniek 2,00
ac) Productontwikkeling 2,00
ad) Nautische wetenschappen 2,00
Studiegebied Punten-gewichta) Wijsbegeerte en moraalwetenschappen 1,00b) Godgeleerdheid, godsdienstwetenschappen en kerkelijk recht 1,00c) Taal- en letterkunde 1,00d) Geschiedenis 1,00e) Archeologie en kunstwetenschappen 1,00f) Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen 1,00g) Psychologie en pedagogische wetenschappen 1,00h) Economische en toegepaste economische wetenschappen 1,00i) Politieke en sociale wetenschappen 1,00j) Toegepaste taalkunde 1,00k) Handelswetenschappen en bedrijfskunde 1,00l) Audiovisuele en beeldende kunst 1,00m) Muziek en podiumkunsten 1,00n) Sociale Gezondheidswetenschappen 2,00o) Lichamelijke opvoeding, revalidatiewetenschappen en kinesitherapie 2,00p) Wetenschappen 2,00q) Toegepaste wetenschappen 2,00r) Toegepaste biologische wetenschappen 2,00s) Geneeskunde 2,00t) Tandheelkunde 2,00u) Diergeneeskunde 2,00v) Farmaceutische wetenschappen 2,00w) Biomedische wetenschappen 2,00x) Verkeerskunde 2,00y) Conservatie-restauratie 2,00z) Architectuur 2,00aa) Industriële wetenschappen en technologie 2,00ab) Biotechniek 2,00ac) Productontwikkeling 2,00ad) Nautische wetenschappen 2,00
Doctoraten die over de studiegebieden heen gerangschikt worden, worden voor de bepaling van het puntengewicht gerangschikt in het studiegebied met het laagste puntengewicht dat in de combinatie voorkomt.".
Discipline Pondération
a) Wijsbegeerte en moraalwetenschappen (Philosophie et sciences morales) 1,00
b) Godgeleerdheid, godsdienstwetenschappen en kerkelijk recht (Théologie, sciences religieuses et droit canon) 1,00
c) Taal- en letterkunde (Langue et littérature) 1,00
d) Geschiedenis (Histoire) 1,00
e) Archeologie en kunstwetenschappen (Archéologie et sciences de l'art) 1,00
f) Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen (Droit, notariat et criminologie) 1,00
g) Psychologie en pedagogische wetenschappen (Psychologie et sciences de l'éducation) 1,00
h) Economische en toegepaste economische wetenschappen (Sciences économiques et sciences économiques appliquées) 1,00
i) Politieke en sociale wetenschappen (Sciences politiques et sociales) 1,00
j) Toegepaste taalkunde (Linguistique appliquée) 1,00
k) Handelswetenschappen en bedrijfskunde (Sciences commerciales et gestion d'entreprise) 1,00
l) Audiovisuele en beeldende kunst (Arts audiovisuels et arts plastiques) 1,00
m) Muziek en podiumkunsten (Musique et arts de la scène) 1,00
n) Sociale Gezondheidswetenschappen (Hygiène sociale) 2,00
o) Lichamelijke opvoeding, revalidatiewetenschappen en kinesitherapie (Education physique, sciences de réadaptation motrice et kinésithérapie) 2,00
p) Wetenschappen (Sciences) 2,00
q) Toegepaste wetenschappen (Sciences appliquées) 2,00
r) Toegepaste biologische wetenschappen (Sciences biologiques appliquées) 2,00
s) Geneeskunde (Médecine) 2,00
t) Tandheelkunde (Science dentaire) 2,00
u) Diergeneeskunde (Médecine vétérinaire) 2,00
v) Farmaceutische wetenschappen (Sciences pharmaceutiques) 2,00
w) Biomedische wetenschappen (Sciences biomédicales) 2,00
x) Verkeerskunde (Ingénierie de la circulation) 2,00
y) Conservatie-restauratie (Conservation-restauration) 2,00
z) Architectuur (Architecture) 2,00
aa) Industriële wetenschappen en technologie (Sciences industrielles et technologie) 2,00
ab) Biotechniek (Biotechnique) 2,00
ac) Productontwikkeling (Conception de produits) 2,00
ad) Nautische Wetenschappen (Sciences nautiques) 2,00
Discipline Pondérationa) Wijsbegeerte en moraalwetenschappen (Philosophie et sciences morales) 1,00b) Godgeleerdheid, godsdienstwetenschappen en kerkelijk recht (Théologie, sciences religieuses et droit canon) 1,00c) Taal- en letterkunde (Langue et littérature) 1,00d) Geschiedenis (Histoire) 1,00e) Archeologie en kunstwetenschappen (Archéologie et sciences de l'art) 1,00f) Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen (Droit, notariat et criminologie) 1,00g) Psychologie en pedagogische wetenschappen (Psychologie et sciences de l'éducation) 1,00h) Economische en toegepaste economische wetenschappen (Sciences économiques et sciences économiques appliquées) 1,00i) Politieke en sociale wetenschappen (Sciences politiques et sociales) 1,00j) Toegepaste taalkunde (Linguistique appliquée) 1,00k) Handelswetenschappen en bedrijfskunde (Sciences commerciales et gestion d'entreprise) 1,00l) Audiovisuele en beeldende kunst (Arts audiovisuels et arts plastiques) 1,00m) Muziek en podiumkunsten (Musique et arts de la scène) 1,00n) Sociale Gezondheidswetenschappen (Hygiène sociale) 2,00o) Lichamelijke opvoeding, revalidatiewetenschappen en kinesitherapie (Education physique, sciences de réadaptation motrice et kinésithérapie) 2,00p) Wetenschappen (Sciences) 2,00q) Toegepaste wetenschappen (Sciences appliquées) 2,00r) Toegepaste biologische wetenschappen (Sciences biologiques appliquées) 2,00s) Geneeskunde (Médecine) 2,00t) Tandheelkunde (Science dentaire) 2,00u) Diergeneeskunde (Médecine vétérinaire) 2,00v) Farmaceutische wetenschappen (Sciences pharmaceutiques) 2,00w) Biomedische wetenschappen (Sciences biomédicales) 2,00x) Verkeerskunde (Ingénierie de la circulation) 2,00y) Conservatie-restauratie (Conservation-restauration) 2,00z) Architectuur (Architecture) 2,00aa) Industriële wetenschappen en technologie (Sciences industrielles et technologie) 2,00ab) Biotechniek (Biotechnique) 2,00ac) Productontwikkeling (Conception de produits) 2,00ad) Nautische Wetenschappen (Sciences nautiques) 2,00
Les doctorats qui sont classés dans plusieurs disciplines, sont classés, pour ce qui est de la détermination de la pondération, dans la discipline ayant la pondération la plus basse figurant dans la combinaison. ".
Art. VI.19. In artikel III.34 van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in § 1, 3°, wordt de tweede zin vervangen door wat volgt:
  "De bedragen VOWac2014 van de instellingen voor wie het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming de betalingen van de personeelsleden verzorgt, worden verhoudingsgewijs verminderd met de bedragen die nodig zijn om de kosten te dekken van de kinderbijslagen van de personeelsleden opgenomen in het integratiekader.";
  2° aan paragraaf 1 wordt een punt 5° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "5° een bedrag van 200.000 euro voor de compensatie van de meerkost van toegekende anciënniteit aan personeelsleden met diensten in het beperkt leerplan.
  In 2012 worden deze middelen verdeeld pro rata het aandeel in de werkingsuitkeringen.
  In 2013 worden deze middelen als volgt verdeeld:
Art. VI.19. A l'article III.34 du même Code sont apportées les modifications suivantes :
  1° au § 1er, 3°, la deuxième phrase est remplacée par ce qui suit :
  " Les montants VOWac2014 des institutions pour lesquelles le Ministère flamand de l'Enseignement et de la Formation assure les paiements aux membres du personnel sont réduits proportionnellement des montants nécessaires pour couvrir les coûts des allocations familiales des membres du personnel repris dans le cadre d'intégration. " ;
  2° au paragraphe 1er, il est ajouté un point 5°, rédigé comme suit :
  " 5° un montant de 200 000 euros pour la compensation du coût supplémentaire de l'ancienneté accordée aux membres du personnel avec des services fournis dans l'enseignement à horaire réduit.
  En 2012, ces moyens sont répartis au prorata de la quote-part dans les allocations de fonctionnement.
  En 2013, ces moyens sont répartis comme suit :
Hogeschool Bedrag (in euro)
AP Hogeschool Antwerpen 54.931,06
Hogeschool Gent 41.868,67
Erasmushogeschool 40.382,65
LUCA School of Arts 18.252,53
Groep T - Internationale Hogeschool 9.677,23
Karel de Grote-Hogeschool Katholieke Hogeschool Antwerpen 8.105,14
PXL Hogeschool Limburg 7.455,78
Katholieke Hogeschool Limburg 5.230,31
Katholieke Hogeschool Sint-Lieven 3.681,06
Thomas More Kempen 3.112,05
Katholieke Hogeschool Leuven 2.240,88
Arteveldehogeschool 1.562,02
Katholieke Hogeschool Vives Zuid 1.365,50
Katholieke Hogeschool Vives Noord 1.073,09
Thomas More Mechelen 1.062,03
Hogeschool Bedrag (in euro)AP Hogeschool Antwerpen 54.931,06Hogeschool Gent 41.868,67Erasmushogeschool 40.382,65LUCA School of Arts 18.252,53Groep T - Internationale Hogeschool 9.677,23Karel de Grote-Hogeschool Katholieke Hogeschool Antwerpen 8.105,14PXL Hogeschool Limburg 7.455,78Katholieke Hogeschool Limburg 5.230,31Katholieke Hogeschool Sint-Lieven 3.681,06Thomas More Kempen 3.112,05Katholieke Hogeschool Leuven 2.240,88Arteveldehogeschool 1.562,02Katholieke Hogeschool Vives Zuid 1.365,50Katholieke Hogeschool Vives Noord 1.073,09Thomas More Mechelen 1.062,03
Vanaf 2014 worden deze middelen toegekend op basis van een gemotiveerd voorstel van de VLUHR.".
Institut supérieur Montant (en euros)
AP Hogeschool Antwerpen 54.931,06
Hogeschool Gent 41 868,67
Erasmushogeschool 40.382,65
LUCA School of Arts 18.252,53
Groep T - Internationale Hogeschool 9.677, 23
Karel de Grote-Hogeschool Katholieke Hogeschool Antwerpen 8.105,14
PXL Hogeschool Limburg 7.455,78
Katholieke Hogeschool Limburg 5.230, 31
Katholieke Hogeschool Sint-Lieven 3 681,06
Thomas More Kempen 3 112,05
Katholieke Hogeschool Leuven 2 240,88
Arteveldehogeschool 1 562,02
Katholieke Hogeschool Vives Zuid 1 365,50
Katholieke Hogeschool Vives Noord 1 073,09
Thomas More Mechelen 1 062,03
Institut supérieur Montant (en euros)AP Hogeschool Antwerpen 54.931,06Hogeschool Gent 41 868,67Erasmushogeschool 40.382,65LUCA School of Arts 18.252,53Groep T - Internationale Hogeschool 9.677, 23Karel de Grote-Hogeschool Katholieke Hogeschool Antwerpen 8.105,14PXL Hogeschool Limburg 7.455,78Katholieke Hogeschool Limburg 5.230, 31Katholieke Hogeschool Sint-Lieven 3 681,06Thomas More Kempen 3 112,05Katholieke Hogeschool Leuven 2 240,88Arteveldehogeschool 1 562,02Katholieke Hogeschool Vives Zuid 1 365,50Katholieke Hogeschool Vives Noord 1 073,09Thomas More Mechelen 1 062,03
A partir de 2014, ces moyens sont accordés sur la base d'une proposition motivée du VLUHR. ".
Art. VI.20. In artikel III.41 van dezelfde codex wordt aan paragraaf 1 een zesde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "In de begrotingsjaren 2015 en 2016 wordt de som van de bedragen, vermeld en berekend overeenkomstig deze paragraaf, verminderd met een bedrag van 250.000 euro.".
Art. VI.20. Dans l'article III.41 du même Code, un sixième alinéa est ajouté au paragraphe 1er, dans la rédaction suivante :
  " Pendant les années budgétaires 2015 et 2016, la somme des montants, mentionnés et calculés conformément au présent paragraphe, est réduite d'un montant de 250.000 euros. ".
Art. VI.21. Artikel III.46 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. III.46. § 1. Vanaf het begrotingsjaar 2014 wordt het basisbedrag van de investeringsmachtigingen voor de hogescholen vastgelegd op 24.736.000 euro, te verdelen als volgt:
  1° voor de publiekrechtelijke hogescholen: 10.401.000 euro;
  2° voor de vrije gesubsidieerde hogescholen: 14.335.000 euro.
  De verdeling per hogeschool wordt vastgelegd als volgt:
Art. VI.21. L'article III.46 du même Code est remplacé par ce qui suit :
  " Art. III.46. § 1er. A partir de l'année budgétaire 2014, le montant de base des autorisations d'investissement pour les instituts supérieurs est fixé à 24.736.000 euros, à répartir comme suit :
  1° pour les instituts supérieurs de droit public : 10.401.000 euros ;
  2° pour les instituts supérieurs libres subventionnés : 14.335.000 euros.
  La répartition par institut supérieur est fixée comme suit :
Investeringsmachtigingen 2014 (prijsniveau 2013) Vrije gesubsidieerde hogescholen
Arteveldehogeschool 1.445.098
LUCA School of Arts 1.240.061
Karel de Grote Hogeschool - Katholieke Hogeschool Antwerpen 1.555.028
Katholieke Hogeschool Vives Noord 597.532
Thomas More Kempen 1.342.257
Katholieke Hogeschool Leuven 953.896
Katholieke Hogeschool Limburg 1.091.071
Thomas More Mechelen Antwerpen 1.722.213
Katholieke Hogeschool Vives Zuid 1.267.790
GROEP T - Internationale Hogeschool Leuven 529.851
HUB-KAHO 2.590.203
Totaal 14.335.000
Investeringsmachtigingen 2014 (prijsniveau 2013) Publiekrechtelijke hogescholen
Erasmushogeschool Brussel 1.115.855
Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen 2.708.251
Hogeschool Gent 3.863.621
Hogeschool West-Vlaanderen 1.201.431
Hogeschool PXL 1.511.842
Totaal 10.401.000
Investeringsmachtigingen 2014 (prijsniveau 2013) Vrije gesubsidieerde hogescholenArteveldehogeschool 1.445.098LUCA School of Arts 1.240.061Karel de Grote Hogeschool - Katholieke Hogeschool Antwerpen 1.555.028Katholieke Hogeschool Vives Noord 597.532Thomas More Kempen 1.342.257Katholieke Hogeschool Leuven 953.896Katholieke Hogeschool Limburg 1.091.071Thomas More Mechelen Antwerpen 1.722.213Katholieke Hogeschool Vives Zuid 1.267.790GROEP T - Internationale Hogeschool Leuven 529.851HUB-KAHO 2.590.203Totaal 14.335.000 Investeringsmachtigingen 2014 (prijsniveau 2013) Publiekrechtelijke hogescholenErasmushogeschool Brussel 1.115.855Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen 2.708.251Hogeschool Gent 3.863.621Hogeschool West-Vlaanderen 1.201.431Hogeschool PXL 1.511.842Totaal 10.401.000
§ 2. In het kader van de integratie van de academische hogeschoolopleidingen in de universiteiten wordt het bedrag van 24.736.000 euro aan investeringsmachtigingen voor het begrotingsjaar 2014 in het begrotingsjaar 2024 verminderd tot 18.914.545 euro.
  Deze vermindering met 5.821.455 euro wordt gelijkmatig gespreid over de periode 2015-2024 (jaarlijkse vermindering met telkens 10%) en wordt als volgt vastgelegd:
Autorisations d'investissement 2014 (niveau des prix 2013) Instituts libres subventionnés
Arteveldehogeschool 1.445.098
LUCA School of Arts 1.240.061
Karel de Grote Hogeschool - Katholieke Hogeschool Antwerpen 1.555.028
Katholieke Hogeschool Vives Noord 597.532
Thomas More Kempen 1.342.257
Katholieke Hogeschool Leuven 953.896
Katholieke Hogeschool Limburg 1.091.071
Thomas More Antwerpen 1.722.213
Katholieke Hogeschool Vives Zuid 1 267 790
Groep T - Internationale Hogeschool Leuven 529.851
HUB-KAHO 2.590.203
Total 14.335.000
Autorisations d'investissement 2014 (niveau des prix 2013) Instituts supérieurs de droit public
Erasmushogeschool Brussel 1.115.855
Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen 2.708.251
Hogeschool Gent 3.863. 621
Hogeschool West-Vlaanderen 1.201.431
Hogeschool PXL 1.511.842
Total 10.401.000
Autorisations d'investissement 2014 (niveau des prix 2013) Instituts libres subventionnésArteveldehogeschool 1.445.098LUCA School of Arts 1.240.061Karel de Grote Hogeschool - Katholieke Hogeschool Antwerpen 1.555.028Katholieke Hogeschool Vives Noord 597.532Thomas More Kempen 1.342.257Katholieke Hogeschool Leuven 953.896Katholieke Hogeschool Limburg 1.091.071Thomas More Antwerpen 1.722.213Katholieke Hogeschool Vives Zuid 1 267 790Groep T - Internationale Hogeschool Leuven 529.851HUB-KAHO 2.590.203Total 14.335.000 Autorisations d'investissement 2014 (niveau des prix 2013) Instituts supérieurs de droit publicErasmushogeschool Brussel 1.115.855Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen 2.708.251Hogeschool Gent 3.863. 621Hogeschool West-Vlaanderen 1.201.431Hogeschool PXL 1.511.842Total 10.401.000
§ 2. Dans le cadre de l'intégration des formations académiques d'instituts supérieurs dans les universités, le montant de 24.736.000 euros d'autorisations d'investissement pour l'année budgétaire 2014 est réduit pour l'année budgétaire 2024 à 18.914.545 euros.
  Cette réduction de 5.821.455 euros est répartie d'une manière égale sur la période 2015-2024 (réduction annuelle de 10%) et est fixée comme suit :
Begrotingsjaar Gesubsidieerde vrije hogescholen Publiekrechtelijke hogescholen Totaal
2015 14.037.261 10.116.594 24.153.854
2016 13.739.521 9.832.188 23.571.709
2017 13.441.782 9.547.782 22.989.563
2018 13.144.042 9.263.376 22.407.418
2019 12.846.303 8.978.969 21.825.272
2020 12.548.563 8.694.563 21.243.127
2021 12.250.824 8.410.157 20.660.981
2022 11.953.085 8.125.751 20.078.836
2023 11.655.345 7.841.345 19.496.690
2024 11.357.606 7.556.939 18.914.545
Begrotingsjaar Gesubsidieerde vrije hogescholen Publiekrechtelijke hogescholen Totaal2015 14.037.261 10.116.594 24.153.8542016 13.739.521 9.832.188 23.571.7092017 13.441.782 9.547.782 22.989.5632018 13.144.042 9.263.376 22.407.4182019 12.846.303 8.978.969 21.825.2722020 12.548.563 8.694.563 21.243.1272021 12.250.824 8.410.157 20.660.9812022 11.953.085 8.125.751 20.078.8362023 11.655.345 7.841.345 19.496.6902024 11.357.606 7.556.939 18.914.545
§ 3. De investeringsmachtigingen, zoals vastgelegd in paragraaf 1, worden onder de hogescholen als volgt verdeeld:
  1° de investeringsmachtigingen van 2014 per hogeschool, zoals vastgelegd in paragraaf 1, worden in de periode 2015-2024 per hogeschool gelijkmatig verminderd met 10% per jaar;
  2° tegelijk wordt in combinatie met deze afbouw van de investeringsmachtigingen 2014 (situatie as is) een nieuw systeem van verdeling van investeringsmachtigingen in de hogescholen ingevoerd dat gelijkmatig aangroeit met 10% per jaar tot een totaal van 18.914.545 euro in het begrotingsjaar 2024 (prijsniveau 2013):
Année budgétaire Instituts supérieurs libres subventionnés Instituts supérieurs de droit public Total
2015 14.037.261 10.116.594 24.153.854
2016 13.739.521 9.832.188 23.571.709
2017 13.441.782 9.547.782 22.989.563
2018 13.144.042 9.263.376 22.407.418
2019 12.846.303 8.978.969 21.825.272
2020 12.548.563 8.694.563 21.243.127
2021 12.250.824 8.410.157 20.660.981
2022 11.953.085 8.125.751 20.078.836
2023 11.655.345 7.841.345 19.496.690
2024 11.357.606 7.556.939 18.914.545
Année budgétaire Instituts supérieurs libres subventionnés Instituts supérieurs de droit public Total2015 14.037.261 10.116.594 24.153.8542016 13.739.521 9.832.188 23.571.7092017 13.441.782 9.547.782 22.989.5632018 13.144.042 9.263.376 22.407.4182019 12.846.303 8.978.969 21.825.2722020 12.548.563 8.694.563 21.243.1272021 12.250.824 8.410.157 20.660.9812022 11.953.085 8.125.751 20.078.8362023 11.655.345 7.841.345 19.496.6902024 11.357.606 7.556.939 18.914.545
§ 3. Les autorisations d'investissement, telles que fixées au paragraphe 1er, sont réparties sur les instituts supérieurs comme suit :
  1° les autorisations d'investissement de 2014 par institut supérieur, telles que fixées au paragraphe 1er, sont réduites d'une manière égale par institut supérieur de 10 % par an dans la période 2015-2024.
  2° il est mis en place, dans les instituts supérieurs, simultanément avec la suppression progressive des autorisations d'investissement 2014 (situation existante), un nouveau système de répartition des autorisations d'investissement qui accroît d'une manière égale de 10% par an jusqu'à un total de 18.914.545 euros dans l'année budgétaire 2024 (niveau des prix 2013) :
Begrotingsjaar % Gesubsidieerde vrije hogescholen Publiekrechtelijke hogescholen Totaal
2015 10% 1.403.726 1.011.659 2.415.385
2016 20% 2.747.904 1.966.438 4.714.342
2017 30% 4.032.535 2.864.334 6.896.869
2018 40% 5.257.617 3.705.350 8.962.967
2019 50% 6.423.151 4.489.485 10.912.636
2020 60% 7.529.138 5.216.738 12.745.876
2021 70% 8.575.577 5.887.110 14.462.687
2022 80% 9.562.468 6.500.601 16.063.069
2023 90% 10.489.811 7.057.210 17.547.021
2024 100% 11.357.606 7.556.939 18.914.545
Begrotingsjaar % Gesubsidieerde vrije hogescholen Publiekrechtelijke hogescholen Totaal2015 10% 1.403.726 1.011.659 2.415.3852016 20% 2.747.904 1.966.438 4.714.3422017 30% 4.032.535 2.864.334 6.896.8692018 40% 5.257.617 3.705.350 8.962.9672019 50% 6.423.151 4.489.485 10.912.6362020 60% 7.529.138 5.216.738 12.745.8762021 70% 8.575.577 5.887.110 14.462.6872022 80% 9.562.468 6.500.601 16.063.0692023 90% 10.489.811 7.057.210 17.547.0212024 100% 11.357.606 7.556.939 18.914.545
De verdeling van deze middelen per hogeschool wordt vastgelegd in artikel III.46/1.
  § 4. Vanaf het begrotingsjaar 2025 bedraagt het basisbedrag van de investeringsmachtigingen voor de hogescholen vastgelegd op 18.914.545 euro, te verdelen als volgt:
  1° voor de publiekrechtelijke hogescholen: 7.556.939 euro;
  2° voor de vrij gesubsidieerde hogescholen: 11.357.606 euro.
  Deze basisbedragen (prijsniveau 2013) worden jaarlijks aangepast met de voor het begrotingsdecreet gehanteerde aanpassingsfactor voor de investeringssubsidies.
  § 5. De basisbedragen (prijsniveau 2013), zoals vastgelegd in paragraaf 1 tot paragraaf 4, worden jaarlijks aangepast met de voor het begrotingsdecreet gehanteerde aanpassingsfactor voor de investeringssubsidies.
  § 6. Bij eventuele fusies van hogescholen worden de bedragen aan investeringsmachtigingen zoals vastgelegd in paragraaf 1 tot paragraaf 4 van de fuserende hogescholen samengevoegd en toegekend aan de nieuwe fusiehogeschool.".
Année budgétaire % Instituts supérieurs libres subventionnés Instituts supérieurs de droit public Total
2015 10% 1.403.726 1.011.659 2.415.385
2016 20% 2.747.904 1.966.438 4.714.342
2017  4.032.535 2.864.334 6.896.869
2018  5.257.617 3.705.350 8.962.967
2019  6.423.151 4.489.485 10.912.636
2020  7.529.138 5.216.738 12.745.876
2021  8.575.577 5.887.110 14.462.687
2022  9.562.468 6.500.601 16.063.069
2023  10.489.811 7.057.210 17.547.021
2024  11.357.606 7.556.939 18.914.545
Année budgétaire % Instituts supérieurs libres subventionnés Instituts supérieurs de droit public Total2015 10% 1.403.726 1.011.659 2.415.3852016 20% 2.747.904 1.966.438 4.714.3422017 4.032.535 2.864.334 6.896.8692018 5.257.617 3.705.350 8.962.9672019 6.423.151 4.489.485 10.912.6362020 7.529.138 5.216.738 12.745.8762021 8.575.577 5.887.110 14.462.6872022 9.562.468 6.500.601 16.063.0692023 10.489.811 7.057.210 17.547.0212024 11.357.606 7.556.939 18.914.545
La répartition de ces moyens par institut supérieur est fixée à l'article III.46/1.
  § 4. A partir de l'année budgétaire 2025, le montant de base des autorisations d'investissement pour les instituts supérieurs est fixé à 18.914.545 euros, à répartir comme suit :
  1° pour les instituts supérieurs de droit public : 7.556.939 euros ;
  2° pour les instituts supérieurs libres subventionnés : 11.357.606 euros.
  Ces montants de base (niveau des prix 2013) sont adaptés annuellement selon le facteur d'adaptation appliqué aux subventions d'investissement dans le décret budgétaire.
  § 5. Les montants de base (niveau des prix 2013), tels que fixés aux paragraphes 1er à 4, sont adaptés annuellement selon le facteur d'adaptation appliqué aux subventions d'investissement dans le décret budgétaire.
  § 6. Lors d'éventuelles fusions d'instituts supérieurs, les montants des autorisations d'investissement, tels que fixés aux paragraphes 1er à 4, des instituts supérieurs fusionnants sont cumulés et accordés au nouvel institut supérieur fusionné. ".
Art. VI.22. In dezelfde codex wordt een artikel III.46/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. III.46/1. De verdeling en de toewijzing per hogeschool van de investeringsmachtigingen, vermeld in artikel III.46, § 3 en § 4, gebeurt binnen de respectievelijke enveloppes van de vrije gesubsidieerde hogescholen en de publiekrechtelijke hogescholen op basis van volgende criteria:
  1° voor alle professionele bacheloropleidingen (exclusief het hoger kunstonderwijs): het aantal opgenomen studiepunten door studenten onder diplomacontract ingeschreven in een professioneel gerichte bacheloropleiding of een bachelor-na-bacheloropleiding;
  2° voor het hoger kunstonderwijs: het aantal opgenomen studiepunten door studenten onder diplomacontract ingeschreven in een professioneel gerichte bacheloropleiding, een bachelor-na-bacheloropleiding, een academisch gerichte bacheloropleiding, een initiële masteropleiding, een schakelprogramma of een voorbereidingsprogramma voorafgaand aan een initiële masteropleiding.
  Deze opgenomen studiepunten worden per studiegebied of cluster van studiegebieden gewogen met de overeenkomstige puntengewichten:
Art. VI.22. Dans le même Code, il est inséré un article III.46/1, rédigé comme suit :
  " Art. III.46/1. La répartition et l'attribution par institut supérieur des autorisations d'investissement, visées à l'article III.46, §§ 3 et 4, se fait dans le respect des enveloppes respectives des instituts supérieurs libres subventionnés et des instituts supérieurs de droit public sur la base des critères suivants :
  1° pour toutes les formations professionnelles de bachelor (à l'exception de l'enseignement supérieur artistique) : le nombre d'unités d'études engagées par des étudiants sous contrat de diplôme inscrits dans une formation professionnelle de bachelor ou une formation de bachelor après bachelor ;
  2° pour l'enseignement supérieur artistique : le nombre d'unités d'études engagées par des étudiants sous contrat de diplôme inscrits dans une formation professionnelle de bachelor, une formation de bachelor après bachelor, une formation académique de bachelor, une formation initiale de master, un programme de transition ou un programme préparatoire préalable à une formation initiale de master.
  Ces unités d'études engagées sont pondérées par discipline ou cluster de disciplines selon les pondérations suivantes :
Handelswetenschappen en bedrijfskunde 1
Sociaal-agogisch werk 1
Gezondheidszorg 1
Gezondheidszorg - Onderwijs 1
Gezondheidszorg - Onderwijs - Sociaal-agogisch werk 1
Onderwijs 1
  
Industriële wetenschappen en technologie 2,5
Nautische wetenschappen 2,5
Architectuur 2,5
Architectuur - Industriële wetenschappen en technologie 2,5
Biotechniek 2,5
Audiovisuele en beeldende kunst 2,5
Muziek en podiumkunsten 2,5
Toegepaste taalkunde 2,5
Productontwikkeling 2,5
Handelswetenschappen en bedrijfskunde 1Sociaal-agogisch werk 1Gezondheidszorg 1Gezondheidszorg - Onderwijs 1Gezondheidszorg - Onderwijs - Sociaal-agogisch werk 1Onderwijs 1Industriële wetenschappen en technologie 2,5Nautische wetenschappen 2,5Architectuur 2,5Architectuur - Industriële wetenschappen en technologie 2,5Biotechniek 2,5Audiovisuele en beeldende kunst 2,5Muziek en podiumkunsten 2,5Toegepaste taalkunde 2,5Productontwikkeling 2,5
Het aantal gewogen opgenomen studiepunten per hogeschool is gelijk aan de som van de producten van het aantal opgenomen studiepunten in ieder studiegebied of cluster van studiegebieden enerzijds en het overeenkomstige bepaalde puntengewicht.
  Voor de vaststelling van het gewogen aantal opgenomen studiepunten voor het begrotingsjaar t worden het gemiddelde aantal opgenomen studiepunten in aanmerking genomen over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2.
  In afwijking van de bovenstaande puntengewichten, wordt voor de opleidingen "Biomedische laboratoriumtechnologie" en "Voedings- en dieetkunde" van het studiegebied Gezondheidszorg het puntengewicht 2,5 toegepast.".
Handelswetenschappen en bedrijfskunde (Sciences commerciales et gestion d'entreprise) 1
Sociaal-agogisch werk (Travail socio-éducatif) 1
Gezondheidszorg (Soins de santé) 1
Gezondheidszorg - Onderwijs (Soins de santé - Enseignement) 1
Gezondheidszorg - Onderwijs - Sociaal-agogisch werk (Soins de santé - Enseignement - Travail socio-éducatif) 1
Enseignement 1
  
Industriële wetenschappen en technologie (Sciences industrielles et technologie) 2,5
Nautische Wetenschappen (Sciences nautiques) 2,5
Architectuur (Architecture) 2,5
Architectuur - Industriële wetenschappen en technologie (Architecture - Sciences industrielles et technologie) 2,5
Biotechniek (Biotechnique) 2,5
Audiovisuele en beeldende kunst (Arts audiovisuels et arts plastiques) 2,5
Muziek en podiumkunsten (Musique et arts de la scène) 2,5
Toegepaste taalkunde (Linguistique appliquée) 2,5
Productontwikkeling (Conception de produits) 2,5
Handelswetenschappen en bedrijfskunde (Sciences commerciales et gestion d'entreprise) 1Sociaal-agogisch werk (Travail socio-éducatif) 1Gezondheidszorg (Soins de santé) 1Gezondheidszorg - Onderwijs (Soins de santé - Enseignement) 1Gezondheidszorg - Onderwijs - Sociaal-agogisch werk (Soins de santé - Enseignement - Travail socio-éducatif) 1Enseignement 1Industriële wetenschappen en technologie (Sciences industrielles et technologie) 2,5Nautische Wetenschappen (Sciences nautiques) 2,5Architectuur (Architecture) 2,5Architectuur - Industriële wetenschappen en technologie (Architecture - Sciences industrielles et technologie) 2,5Biotechniek (Biotechnique) 2,5Audiovisuele en beeldende kunst (Arts audiovisuels et arts plastiques) 2,5Muziek en podiumkunsten (Musique et arts de la scène) 2,5Toegepaste taalkunde (Linguistique appliquée) 2,5Productontwikkeling (Conception de produits) 2,5
Le nombre d'unités d'études engagées pondérées par institut supérieur égale la somme des produits du nombre d'unités d'études engagées dans chaque discipline ou cluster de disciplines d'une part et la pondération fixée correspondante.
  Pour l'établissement du nombre d'unités d'études engagées pondérées pour l'année budgétaire t est pris en compte le nombre moyen d'unités d'études engagées sur les années académiques t-7/t-6 à t-3/t-2.
  Par dérogation aux pondérations précitées, une pondération de 2,5 est appliquée aux formations " Biomedische laboratoriumtechnologie " et " Voedings- en dieetkunde " de la discipline " Gezondheidszorg ". ".
Art. VI.23. In artikel III.50 van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 1. Naast de werkingsuitkeringen ontvangen de publiekrechtelijke hogescholen vanaf het begrotingsjaar 2014 tot en met het begrotingsjaar 2018 het volgende bedrag voor het eigenaarsonderhoud:
  1° Erasmushogeschool Brussel: 173.825 euro;
  2° Hogeschool West-Vlaanderen: 104.621 euro;
  3° Hogeschool Gent: 347.201 euro;
  4° Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen: 202.481 euro;
  5° Hogeschool PXL: 52.872 euro.";
  2° aan paragraaf 2 worden tussen de woorden "wordt" en "dit bedrag" de woorden "met uitzondering van het begrotingsjaar 2014" ingevoegd.
Art. VI.23. A l'article III.50 du même Code sont apportées les modifications suivantes :
  1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
  " § 1er. Pour les années budgétaires 2014 à 2018, les instituts supérieurs de droit public reçoivent, outre les allocations de fonctionnement, le montant suivant pour l'entretien incombant au propriétaire :
  1° Erasmushogeschool Brussel 173.825 euros ;
  2° Hogeschool West-Vlaanderen 104.621 euros ;
  3° Hogeschool Gent 347.201 euros ;
  4° Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen 202.481 euros ;
  5° Hogeschool PXL 52.872 euros. " ;
  2° au paragraphe 2, les mots " à l'exception de l'année budgétaire 2014 " sont insérés entre le mot " indexé " et les mots " suivant l'indice santé ".
Art. VI.24. In dezelfde codex wordt een artikel III.54/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. III.54/1. § 1. Ten gevolge van de integratie van de academische hogeschoolopleidingen in de universiteiten worden vanaf het begrotingsjaar 2015 volgende investeringsmachtigingen toegekend aan de universiteiten:
Art. VI.24. Dans le même Code, il est inséré un article III.54/1 ainsi rédigé :
  " Art. III.54/1. § 1er. Suite à l'intégration des formations académiques d'instituts supérieurs dans les universités, les autorisations d'investissement suivantes seront octroyées aux universités à partir de l'année budgétaire 2015 :
Begrotingsjaar Investeringsmachtiging in euro (prijsniveau 2013)
2015 582.146
2016 1.164.291
2017 1.746.437
2018 2.328.582
2019 2.910.728
2020 3.492.873
2021 4.075.019
2022 4.657.164
2023 5.239.310
2024 5.821.455
Begrotingsjaar Investeringsmachtiging in euro (prijsniveau 2013)2015 582.1462016 1.164.2912017 1.746.4372018 2.328.5822019 2.910.7282020 3.492.8732021 4.075.0192022 4.657.1642023 5.239.3102024 5.821.455
§ 2. De verdeling en de toewijzing per universiteit van de investeringsmachtigingen, vermeld in paragraaf 1, gebeurt op basis van het aantal gewogen opgenomen studiepunten door studenten onder diplomacontract ingeschreven in een initiële academisch gerichte bacheloropleiding, een initiële masteropleiding, een schakelprogramma of een voorbereidingsprogramma voorafgaand aan een initiële masteropleiding die met ingang van het academiejaar 2013-2014 geïntegreerd zijn in de universiteiten.
  Voor de vaststelling van het aantal opgenomen studiepunten voor het begrotingsjaar t worden het gemiddelde aantal opgenomen studiepunten in aanmerking genomen over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2.
  De opgenomen studiepunten worden per studiegebied of cluster van studiegebieden gewogen overeenkomstig de gewichten opgenomen in de volgende tabel:
Année budgétaire Autorisation d'investissement en euros (niveau des prix 2013)
2015 582.146
2016 1.164.291
2017 1.746.437
2018 2.328.582
2019 2.910.728
2020 3.492.873
2021 4.075.019
2022 4.657.164
2023 5.239.310
2024 5.821.455
Année budgétaire Autorisation d'investissement en euros (niveau des prix 2013)2015 582.1462016 1.164.2912017 1.746.4372018 2.328.5822019 2.910.7282020 3.492.8732021 4.075.0192022 4.657.1642023 5.239.3102024 5.821.455
§ 2. La distribution et l'allocation par université des autorisations d'investissement, visées au paragraphe 1er, se font sur la base du nombre d'unités d'études engagées par des étudiants sous contrat de diplôme inscrits dans une formation académique initiale de bachelor, dans une formation initiale de master, dans un programme de transition ou un programme préparatoire préalable à une formation initiale de master, qui sont intégrées, à partir de l'année académique 2013-2014, dans les universités.
  Pour l'établissement du nombre d'unités d'études engagées pour l'année budgétaire t, le nombre moyen d'unités d'études engagées dans les années académiques t-7/t-6 à t-3/t-2 sont prises en compte.
  Les unités d'études engagées sont pondérées par discipline ou par cluster de disciplines conformément aux pondérations énumérées au tableau suivant :
Handelswetenschappen en bedrijfskunde 1
Gezondheidszorg 1
Bewegings- en revalidatiewetenschappen 1
Industriële wetenschappen en technologie 2,5
Nautische wetenschappen 2,5
Architectuur 2,5
Architectuur - Industriële wetenschappen en technologie 2,5
Biotechniek 2,5
Audiovisuele en beeldende kunst 2,5
Muziek en podiumkunsten 2,5
Toegepaste taalkunde 2,5
Productontwikkeling 2,5
Handelswetenschappen en bedrijfskunde 1Gezondheidszorg 1Bewegings- en revalidatiewetenschappen 1Industriële wetenschappen en technologie 2,5Nautische wetenschappen 2,5Architectuur 2,5Architectuur - Industriële wetenschappen en technologie 2,5Biotechniek 2,5Audiovisuele en beeldende kunst 2,5Muziek en podiumkunsten 2,5Toegepaste taalkunde 2,5Productontwikkeling 2,5
Het aantal gewogen opgenomen studiepunten per universiteit is gelijk aan de som van de producten van het aantal opgenomen studiepunten in ieder studiegebied of cluster van studiegebieden enerzijds en het overeenkomstige bepaalde puntengewicht.
  § 3. De basisbedragen (prijsniveau 2013), vermeld in paragraaf 1, worden jaarlijks geïndexeerd overeenkomstig artikel III.46, § 5.".
Handelswetenschappen en bedrijfskunde (Sciences commerciales et gestion d'entreprise) 1
Gezondheidszorg (Soins de santé) 1
Bewegings- en revalidatiewetenschappen (Sciences du mouvement et de réadaptation motrice) 1
Industriële wetenschappen en technologie (Sciences industrielles et technologie) 2,5
Nautische Wetenschappen (Sciences nautiques) 2,5
Architectuur (Architecture) 2,5
Architectuur - Industriële wetenschappen en technologie (Architecture - Sciences industrielles et technologie) 2,5
Biotechniek (Biotechnique) 2,5
Audiovisuele en beeldende kunst (Arts audiovisuels et arts plastiques) 2,5
Muziek en podiumkunsten (Musique et arts de la scène) 2,5
Toegepaste taalkunde (Linguistique appliquée) 2,5
Productontwikkeling (Conception de produits) 2,5
Handelswetenschappen en bedrijfskunde (Sciences commerciales et gestion d'entreprise) 1Gezondheidszorg (Soins de santé) 1Bewegings- en revalidatiewetenschappen (Sciences du mouvement et de réadaptation motrice) 1Industriële wetenschappen en technologie (Sciences industrielles et technologie) 2,5Nautische Wetenschappen (Sciences nautiques) 2,5Architectuur (Architecture) 2,5Architectuur - Industriële wetenschappen en technologie (Architecture - Sciences industrielles et technologie) 2,5Biotechniek (Biotechnique) 2,5Audiovisuele en beeldende kunst (Arts audiovisuels et arts plastiques) 2,5Muziek en podiumkunsten (Musique et arts de la scène) 2,5Toegepaste taalkunde (Linguistique appliquée) 2,5Productontwikkeling (Conception de produits) 2,5
Le nombre d'unités d'études engagées pondérées par université égale la somme des produits du nombre d'unités d'études engagées dans chaque discipline ou cluster de disciplines d'une part et la pondération fixée correspondante.
  § 3. Les montants de base (niveau des prix 2013), visés au paragraphe 1er, sont annuellement indexés conformément à l'article III.46, § 5. ".
Art. VI.25. Artikel III.59 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. III.59. § 1. Naast de werkingsuitkeringen, vermeld in artikel III.9, voorziet de Vlaamse Gemeenschap in de financiering van een Aanmoedigingsfonds voor beleidsspeerpunten, hierna Aanmoedigingsfonds te noemen, voor de hogescholen en de universiteiten. Die middelen worden door de hogescholen en de universiteiten aangewend om gelijke kansen en diversiteit in het hoger onderwijs aan te moedigen en in het bijzonder om maatregelen te nemen die de instroom, de doorstroom en de uitstroom bevorderen van studenten uit bevolkingsgroepen die ondervertegenwoordigd zijn in het hoger onderwijs.
  § 2. In het kader van het Aanmoedigingsfonds worden de studenten uit de ondervertegenwoordigde groepen als volgt gedefinieerd:
  1° cluster 1: studenten uit ondervertegenwoordigde socio-culturele en socio-economische groepen onder diplomacontract die ingeschreven zijn voor een initiële bacheloropleiding, een schakelprogramma of een initiële masteropleiding, afgekort als `cluster SCSE'.
  Deze cluster omvat drie categorieën:
  a) categorie A: studenten waarvan de thuistaal niet het Nederlands is en waarvan het opleidingsniveau moeder ten hoogste secundair onderwijs is;
  b) categorie B: studenten waarvan de moeder geen diploma heeft of waarvan het opleidingsniveau van de moeder lager onderwijs of lager secundair onderwijs is;
  c) categorie C: studenten die een studietoelage in het hoger onderwijs genieten;
  2° cluster 2: studenten met een functiebeperking onder diplomacontract die ingeschreven zijn voor een initiële bacheloropleiding, een schakelprogramma of een initiële masteropleiding, afgekort `cluster FB'.
  Deze cluster omvat acht categorieën:
  a) categorie A: motorische functiebeperkingen;
  b) categorie B: auditieve functiebeperkingen;
  c) categorie C: visuele functiebeperkingen;
  d) categorie D: chronische ziekten;
  e) categorie E: leerstoornissen;
  f) categorie F: psychiatrische functiebeperkingen;
  g) categorie G: overige functiebeperkingen die langdurige of blijvende pijn, uitval van spraak/stemfuncties, uitval van genito-urinaire/reproductieve functies of langdurige uitval van functies van huid- en aanverwante systemen veroorzaken;
  h) categorie H: meervoudige functiebeperkingen.
  De Vlaamse Regering legt de wijze vast waarop studenten in deze categorieën moeten worden geregistreerd;
  3° cluster 3: tweedekansstudenten onder diplomacontract die ingeschreven zijn voor een initiële bacheloropleiding, een schakelprogramma of een initiële masteropleiding, afgekort `cluster TK'.
  Deze cluster omvat 3 categorieën:
  a) categorie A: werkstudenten: zoals gedefinieerd in artikel I.3, 78°, van deze codex;
  b) categorie B: herintreders: studenten onder diplomacontract tussen 26 en 50 jaar in een initiële bacheloropleiding en studenten onder diplomacontract tussen 31 en 55 jaar in een schakelprogramma of in een initiële masteropleiding;
  c) categorie C: nieuwkomers: personen die na aanmelding in een onthaalbureau, zoals omschreven in het decreet van 28 februari 2003 betreffende het Vlaamse inburgeringsbeleid, een contract afsluiten om een educatief, sociaal of professioneel traject te volgen.
  § 3. Vanaf het begrotingsjaar 2014 bedraagt de financiering voor het Aanmoedigingsfonds jaarlijks 6,596 miljoen euro.
  Vanaf het begrotingsjaar 2015 wordt het bedrag, vermeld in het eerste lid, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9.".
Art. VI.25. L'article III.59 du même Code est remplacé par ce qui suit :
  " Art. III.59. § 1er. Outre les allocations de fonctionnement, visées à l'article III.9, la Communauté flamande intervient dans le financement d'un Fonds d'Encouragement pour les fers de lance de la politique, ci-après dénommé le " le Fonds d'encouragement ", pour les instituts supérieurs et universités. Ces moyens sont affectés par les instituts supérieurs et les universités à l'égalité des chances et à la diversité dans l'enseignement supérieur et, en particulier, aux mesures promouvant l'entrée, la transition et la sortie d'étudiants de tous les groupes de la population sous-représentés dans l'enseignement supérieur.
  § 2. Dans le cadre du Fonds d'encouragement, les étudiants provenant des groupes sous-représentés sont définis comme suit :
  1° cluster 1 : des étudiants sous contrat de diplôme provenant de groupes socioculturels et socio-économiques sous-représentés, qui sont inscrits dans une formation initiale de bachelor, un programme de transition ou une formation initiale de master, en abrégé " cluster SCSE ".
  Ce cluster comprend trois catégories :
  a) catégorie A : des étudiants dont la langue familiale n'est pas le néerlandais et dont la mère est titulaire d'un diplôme du niveau de l'enseignement secondaire au maximum ;
  b) catégorie B : des étudiants dont la mère n'a pas de diplôme ou dont la mère est titulaire d'un diplôme du niveau de l'enseignement primaire ou de l'enseignement secondaire inférieur ;
  c) catégorie C : des étudiants bénéficiant d'une allocation d'études dans l'enseignement supérieur ;
  2° cluster 2 : des étudiants souffrant d'une limitation fonctionnelle sous contrat de diplôme, qui sont inscrits dans une formation initiale de bachelor, un programme de transition ou une formation initiale de master, en abrégé " cluster FB ".
  Ce cluster comprend huit catégories :
  a) catégorie A : limitations fonctionnelles motrices ;
  b) catégorie B : limitations fonctionnelles auditives ;
  c) catégorie C : limitations fonctionnelles visuelles ;
  d) catégorie D : maladies chroniques ;
  e) catégorie E : troubles d'apprentissage ;
  f) catégorie F : limitations fonctionnelles psychiatriques ;
  g) catégorie G : autres limitations fonctionnelles causant des douleurs permanentes ou chroniques, perte de la parole ou de la voix, perte des fonctions de l'appareil uro-génital ou de l'appareil reproducteur ou perte chronique des fonctions de la peau et des structures connexes ;
  h) catégorie H : limitations fonctionnelles multiples.
  Le Gouvernement flamand fixe le mode d'enregistrement de ces catégories d'étudiants ;
  3° cluster 3 : des étudiants de la deuxième chance sous contrat de diplôme, qui sont inscrits dans une formation initiale de bachelor, un programme de transition ou une formation initiale de master, en abrégé " cluster TK ".
  Ce cluster comprend 3 catégories :
  a) catégorie A : étudiants travailleurs : tels que définis à l'article I.3, 78°, du présent code ;
  b) catégorie B : personnes rentrantes : des étudiants sous contrat de diplôme âgés de 26 à 50 ans, dans une formation initiale de bachelor et des étudiants sous contrat de diplôme entre 31 et 55 ans dans un programme de transition ou dans une formation initiale de master ;
  c) catégorie C : nouveaux arrivants : des personnes qui, après enregistrement au bureau d'accueil, tel que visé au décret du 28 février 2003 relatif à la politique flamande d'intégration civique, concluent un contrat pour suivre un parcours éducatif, social ou professionnel.
  § 3. Pour l'année budgétaire 2014, le financement du Fonds d'encouragement s'élève annuellement à 6,596 millions d'euros.
  A partir de l'année budgétaire 2015, le montant visé au premier alinéa, est indexé au moyen de la formule d'indexation visée à l'article III.5, § 9. ".
Art. VI.26. Artikel III.60 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. III.60. § 1. In 2014 worden de middelen van het Aanmoedigingsfonds, vermeld in artikel III.59, § 3, onder de universiteiten en hogescholen verdeeld op basis van het aantal opgenomen gewogen studiepunten zoals die gebruikt worden voor de berekening van de onderwijssokkel in 2014.
  § 2. In 2015 worden de middelen van het Aanmoedigingsfonds, vermeld in artikel III.59, § 3, onder de universiteiten en hogescholen als volgt verdeeld:
  1° 50 procent op basis van het aantal opgenomen gewogen studiepunten, zoals die gebruikt worden voor de berekening van de onderwijssokkel in 2015;
  2° 50 procent op basis van het aandeel van elke universiteit en hogeschool in de som van de opgenomen studiepunten door studenten uit de in artikel III.59, § 2, van deze codex vernoemde clusters, rekening houdende met paragraaf 4 tot en met paragraaf 8 van dit artikel.
  § 3. In 2016 worden de middelen van het Aanmoedigingsfonds, vermeld in artikel III.59, § 3, onder de universiteiten en hogescholen als volgt verdeeld:
  1° 25 procent op basis van het aantal opgenomen gewogen studiepunten zoals die gebruikt worden voor de berekening van de onderwijssokkel in 2016;
  2° 75 procent op basis van het aandeel van elke universiteit en hogeschool in de som van de opgenomen studiepunten door studenten uit de in artikel III.59, § 2, van deze codex vernoemde clusters, rekening houdende met paragraaf 4 tot en met paragraaf 8 van dit artikel.
  § 4. De opgenomen studiepunten door studenten uit de in artikel III.59, § 2, van deze codex vernoemde clusters worden als volgt gewogen:
Art. VI.26. L'article III.60 du même Code est remplacé par ce qui suit :
  " Art. III.2. § 1er. En 2014, les moyens du Fonds d'encouragement, visés à l'article III.59, § 3, sont répartis entre les universités et les instituts supérieurs sur la base du nombre d'unités d'études engagées pondérées, telles qu'utilisées pour le calcul du socle financier " enseignement " en 2014.
  § 2. En 2015, les moyens du Fonds d'encouragement, visés à l'article III.59, § 3, sont répartis entre les universités et les instituts supérieurs comme suit :
  1° 50 pour cent sur la base du nombre d'unités d'études engagées pondérées, telles qu'utilisées pour le calcul du socle financier " enseignement " en 2015 ;
  2° 50 pour cent sur la base de la part de chaque université ou institut supérieur dans la somme des unités d'études engagées par les étudiants dans les clusters visés à l'article III.59, § 2, du présent code, compte tenu des paragraphes 4 à 8 du présent article.
  § 3. En 2016, les moyens du Fonds d'encouragement, visés à l'article III.59, § 3, sont répartis entre les universités et les instituts supérieurs comme suit :
  1° 25 pour cent sur la base du nombre d'unités d'études engagées pondérées, telles qu'utilisées pour le calcul du socle financier " enseignement " en 2016 ;
  2° 75 pour cent sur la base de la part de chaque université ou institut supérieur dans la somme des unités d'études engagées par les étudiants dans les clusters visés à l'article III.59, § 2, du présent code, compte tenu des paragraphes 4 à 8 du présent article.
  § 4. Les unités d'études engagées par les étudiants des clusters visés à l'article III.59, § 2, du présent code sont pondérées comme suit :
 2015 2016
1° Cluster 1 70% 70%
a) Categorie A: thuistaal 33,3% 33,3%
b) Categorie B: opleidingsniveau moeder 33,3% 33,3%
c) Categorie C: studietoelage 33,3% 33,3%
2° Cluster 2 10% 15%
3° Cluster 3 20% 15%
a) Categorie A: werkstudenten 50% 50%
b) Categorie B: herintreders 30% 30%
c) Categorie C: nieuwkomers 20% 20%
2015 20161° Cluster 1 70% 70%a) Categorie A: thuistaal 33,3% 33,3%b) Categorie B: opleidingsniveau moeder 33,3% 33,3%c) Categorie C: studietoelage 33,3% 33,3%2° Cluster 2 10% 15%3° Cluster 3 20% 15%a) Categorie A: werkstudenten 50% 50%b) Categorie B: herintreders 30% 30%c) Categorie C: nieuwkomers 20% 20%
De Vlaamse Regering kan beslissen om de weging van de clusters en de categorieën aan te passen, waarbij het aandeel van een cluster met niet meer dan 20 procentpunten kan wijzigen.
  § 5. De gegevens met betrekking tot het aantal opgenomen studiepunten door studenten die behoren tot de clusters zoals bepaald in artikel III.59, § 2, worden vanaf de gegevens over het academiejaar 2011-2012 opgebouwd tot een vijfjarig gemiddelde van de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2.
  In afwijking van het eerste lid en met behoud van toepassing van paragraaf 7 worden de gegevens met betrekking tot het aantal opgenomen studiepunten door studenten die behoren tot cluster 2, opgebouwd tot een vijfjarig gemiddelde van de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2 vanaf het academiejaar 2014-2015.
  § 6. In afwijking van artikel III.59, § 2, 2°, bestaat cluster 2 in de academiejaren 2011-2012 tot en met 2013-2014 uit de studenten zoals gedefinieerd in artikel I.3, 62°, van deze codex.
  Vanaf het academiejaar 2014-2015 worden de studenten uit cluster 2 geregistreerd in de Databank Hoger Onderwijs overeenkomstig de bepaling van artikel III.59, § 2, 2°.
  In afwijking van paragraaf 5 van dit artikel worden voor het begrotingsjaar 2016 de gegevens met betrekking tot het aantal opgenomen studiepunten door studenten die behoren tot de cluster 2, geregistreerd overeenkomstig de bepaling van artikel III.59, § 2, 2°, meegenomen die geregistreerd zijn in de Databank Hoger Onderwijs op 31 december 2014.
  § 7. Categorie C van cluster 3, zoals bepaald in artikel III.59, § 2, treedt in werking op een door de Vlaamse Regering te bepalen datum.
  § 8. Het bedrag dat een instelling ontvangt, mag niet minder bedragen dan de basisaanmoedigingstoelage van 150.000 euro. Dit minimum wordt herleid tot de helft voor die instellingen die de instellingsnorm vastgelegd in artikel III.8, § 1, niet halen. Vanaf het begrotingsjaar 2015 wordt dit bedrag geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9. In functie van de integratie van de academische opleidingen van de hogescholen in de universiteiten kan de Vlaamse Regering dit bedrag aanpassen. Indien na toepassing van de bepalingen in de vorige paragrafen een instelling een lager bedrag dan het bedrag van de basisaanmoedingstoelage c.q. de helft van de basisaanmoedigingstoelage zou ontvangen, dan wordt aan die instelling het bedrag van de basisaanmoedigingstoelage c.q. de helft van de basisaanmoedigingstoelage toegekend.
  Na voorafname van die gegarandeerde minimumbedragen van de middelen van het Aanmoedigingsfonds, vermeld in artikel III.59, § 3, worden de resterende middelen onder de andere instellingen verdeeld overeenkomstig de bepalingen in de paragrafen 1 tot en met 7.
  § 9. Indien alle instellingen binnen een associatie van een universiteit met één of meerdere hogescholen dit wensen, wordt het jaarlijks krediet dat de individuele instellingen ontvangen in het kader van het Aanmoedigingsfonds uitbetaald aan de associatie waar de instelling deel van uitmaakt. De associatie zorgt vervolgens voor de verdere verdeling van het krediet.
  § 10. De inhoudingen op de werkingsuitkeringen, vermeld in artikel IV.35, IV.36, IV.40 en IV.41, worden toegevoegd aan het Aanmoedigingsfonds.
  De middelen van het Aanmoedigingsfonds worden met behoud van bestemming toegevoegd aan de werkingsuitkering.".
 2015 2016
1° Cluster 1 70% 70%
a) Catégorie A : langue familiale 33,3% 33,3%
b) catégorie B : niveau de formation de la mère 33,3% 33,3%
c) Catégorie C : allocation d'études 33,3% 33,3%
2° Cluster 2 10% 15%
3° Cluster 3 20% 15%
a) Catégorie A : étudiants travailleurs 50% 50%
b) Catégorie B : personnes rentrantes 30% 30%
c) Catégorie C : nouveaux arrivants 20% 20%
2015 20161° Cluster 1 70% 70%a) Catégorie A : langue familiale 33,3% 33,3%b) catégorie B : niveau de formation de la mère 33,3% 33,3%c) Catégorie C : allocation d'études 33,3% 33,3%2° Cluster 2 10% 15%3° Cluster 3 20% 15%a) Catégorie A : étudiants travailleurs 50% 50%b) Catégorie B : personnes rentrantes 30% 30%c) Catégorie C : nouveaux arrivants 20% 20%
Le Gouvernement flamand peut décider d'adapter la pondération des clusters et des catégories, la part d'un cluster ne pouvant pas être modifiée de plus de 20 points de pourcentage.
  § 5. Les données relatives au nombre d'unités d'études engagées par les étudiants appartenant aux clusters, tels que fixés à l'article III.59, § 2, sont cumulées à partir des données sur l'année académique 2011-2012 jusqu'à une moyenne quinquennale des années académiques t-7/t-6 à t-3/t-2.
  Par dérogation au premier alinéa et sans préjudice de l'application du paragraphe 7, les données relatives au nombre d'unités d'études engagées par les étudiants appartenant au cluster 2 sont cumulées jusqu'à une moyenne quinquennale des années académiques t-7/t-6 à t-3/t-2 à compter de l'année académique 2014-2015.
  § 6. Par dérogation à l'article III.59, § 2, 2°, le cluster 2 dans les années académiques 2011-2012 à 2013-2014 consiste d'étudiants tels que définis à l'article I.3, 62°, du présent Code.
  A compter de l'année académique 2014-2015, les étudiants du cluster 2 sont enregistrés dans la Databank Hoger Onderwijs (DHO) conformément à la disposition de l'article III.59, § 2, 2°.
  Par dérogation au paragraphe 5 du présent article, sont reprises pour l'année budgétaire 2016 les données relatives au nombre d'unités d'études engagées par les étudiants appartenant au cluster 2, enregistrées conformément à la disposition de l'article III.59, § 2, 2° dans la Databank Hoger Onderwijs au 31 décembre 2014.
  § 7. La Catégorie C du cluster 3, telle que définie dans l'article III.59, § 2, entre en vigueur à date à fixer par le Gouvernement flamand.
  § 8. Le montant qu'un établissement reçoit, ne peut être inférieur à l'allocation d'encouragement de base de 150.000 euros. Ce minimum est réduit à la moitié pour les établissements n'atteignant pas la norme d'établissement telle que fixée à l'article III.8, § 1er. A partir de l'année budgétaire 2015, ce montant est indexé au moyen de la formule d'indexation, visée à l'article III.5, § 9. En fonction de l'intégration des formations académiques des instituts supérieurs dans les universités, le Gouvernement flamand peut ajuster ce montant. Si, après application des dispositions des paragraphes précédents, un établissement recevait un montant inférieur au montant de l'allocation d'encouragement de base, le cas échéant, de la moitié de l'allocation d'encouragement de base, le montant de l'allocation d'encouragement de base, le cas échéant, la moitié de l'allocation d'encouragement de base, sera accordé à cet établissement.
  Après prélèvement de ces montants minimaux garantis des moyens du Fonds d'encouragement, visés à l'article III.59, § 3, les moyens restants sont répartis entre les autres institutions conformément aux dispositions des paragraphes 1er à 7.
  § 9. Si toutes les institutions dans une association d'une université avec un ou plusieurs instituts supérieurs le souhaitent, le crédit annuel reçu par les institutions individuelles dans le cadre du Fonds d'encouragement est payé à l'association à laquelle appartient l'institution. L'association assure ensuite la répartition ultérieure du crédit.
  § 10. Les retenues sur les allocations de fonctionnement, visées aux articles IV.35, IV.36, IV.40 et IV.41, sont ajoutées au Fonds d'encouragement.
  Les moyens du Fonds d'encouragement sont ajoutés à l'allocation de fonctionnement en respectant leur destination. ".
Art. VI.27. Artikel III.61 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. III.61. § 1. De Vlaamse Regering legt ten laatste tegen het einde van het academiejaar 2013-2014 Vlaanderen-brede doelstellingen vast met betrekking tot:
  1° de instroom van studenten uit de drie clusters, vermeld in artikel III.59, § 2, in de mate dat de data beschikbaar zijn;
  2° het studierendement van de studenten uit de drie clusters, vermeld in artikel III.59, § 2; deze indicator wordt geoperationaliseerd aan de hand van de verhouding van het aantal verworven studiepunten ten opzichte van het aantal opgenomen studiepunten waarbij rekening moet worden gehouden met de startcompetenties van de betrokken studenten;
  3° de drop-out: deze indicator wordt geoperationaliseerd aan de hand van het aantal studenten dat het hoger onderwijs na drie jaar verlaat zonder diploma.
  § 2. De Vlaamse Regering sluit met elke universiteit en hogeschool een beheersovereenkomst met een door de Vlaamse Regering te bepalen duur. In deze beheersovereenkomst worden het doel en opzet van het Aanmoedigingsfonds omschreven en worden de algemene engagementen die instellingen en overheid in dat kader nemen, opgesomd.
  § 3. De beheersovereenkomsten, vermeld in paragraaf 2 van dit artikel, worden tegen uiterlijk 31 december 2014 aangevuld met een addendum waarbij de algemene engagementen die de instellingen maken concreet worden vertaald in strategische en operationele doelstellingen. Deze doelstellingen stellen de instellingen op, op basis van een omgevingsanalyse en met inachtneming van de in paragraaf 1 van dit artikel vermelde Vlaanderen-brede doelstellingen. In dit addendum worden ten minste de volgende zaken afgesproken:
  1° de doelstellingen die de instelling wil realiseren en de onderliggende visie met betrekking tot diversiteit;
  2° de prestaties die de instelling zal leveren om die doelstellingen te realiseren;
  3° de concrete resultaten en effecten, zowel kwantitatieve als kwalitatieve, die de instelling nastreeft;
  4° een tijdspad waarop de belangrijkste mijlpalen zijn aangegeven;
  5° de evaluatiecriteria waarmee de mate van succes kan gemeten worden of beoordeeld worden;
  6° de ingezette middelen;
  7° de wijze waarop de belanghebbenden structureel worden betrokken;
  8° de wijze van verantwoording.".
Art. VI.27. L'article III.61 du même Code est remplacé par ce qui suit :
  " Art. III.61. § 1er. Au plus tard à la fin de l'année académique 2013-2014, le Gouvernement flamand arrête les objectifs à l'échelle de la Flandre en ce qui concerne :
  1° l'entrée d'étudiants provenant des trois clusters, visés à l'article III.59, § 2, dans la mesure où les données sont disponibles ;
  2° le rendement d'étude des étudiants provenant des trois clusters, visés à l'article III.59 § 2 ; cet indicateur est établi à l'aide du rapport entre le nombre d'unités d'études acquises et le nombre d'unités d'études engagées, en tenant compte des compétences de base des étudiants concernés ;
  3° le décrochage : cet indicateur est établi à l'aide du nombre d'étudiants qui quittent l'enseignement supérieur sans diplôme après trois ans.
  § 2. Le Gouvernement flamand conclut un contrat de gestion d'une durée à déterminer par le Gouvernement flamand, avec chaque université et institut supérieur. Dans ce contrat de gestion, le projet et le but du Fonds d'encouragement sont décrits et les engagements généraux pris par les institutions et l'autorité dans ce cadre sont énumérés.
  § 3. Les contrats de gestion, visés au paragraphe 2 du présent article, sont complétés, pour le 31 décembre 2014 au plus tard, par un addenda contenant la traduction concrète en objectifs stratégiques et opérationnels des engagements généraux pris par les institutions. Ces objectifs sont établis par les institutions sur la base d'une analyse approfondie du contexte et en tenant compte des objectifs à l'échelle de la Flandre, visés au paragraphe 1er du présent article. Dans cet addenda sont repris au moins les éléments suivants :
  1° les objectifs que l'institution souhaite réaliser ainsi que la vision sous-jacente en ce qui concerne la diversité ;
  2° les prestations que l'établissement fournira afin d'atteindre ces objectifs ;
  3° les résultats et les effets concrets, tant quantitatifs que qualitatifs, poursuivis par l'institution ;
  4° un calendrier indiquant les étapes majeures ;
  5° les critères d'évaluation permettant de mesurer ou d'évaluer le degré de succès ;
  6° les moyens engagés ;
  7° la façon dont les intéressés sont structurellement impliqués ;
  8° le mode de justification. ".
Art. VI.28. In dezelfde codex wordt in deel 3, titel 2, een hoofdstuk 9 `Steunpunt Inclusief Hoger Onderwijs (SIHO)' ingevoegd, bestaande uit de artikelen III.98/1 tot en met III.98/7, dat luidt als volgt:
  "HOOFDSTUK 9. - Steunpunt Inclusief Hoger Onderwijs (SIHO)
  Art. III.98/1. De Vlaamse Regering is ertoe gemachtigd om onder de in volgende artikelen vermelde voorwaarden over te gaan tot erkenning van het door de verenigde associaties opgerichte Steunpunt Inclusief Hoger Onderwijs.
  Art. III.98/2. Het Steunpunt Inclusief Hoger Onderwijs heeft als opdracht het begeleiden en ondersteunen van de instellingen bij de implementatie van de VN-conventie van 13 december 2006 over de rechten van personen met een handicap. Centraal bij die implementatie staat het verbeteren van de participatie van studenten met functiebeperkingen in het Vlaams hoger onderwijs.
  Art. III.98/3. § 1. Het Steunpunt Inclusief Hoger Onderwijs bezit geen rechtspersoonlijkheid.
  § 2. De associaties duiden een administratief coördinerende instelling of instantie aan. De associaties sluiten met de administratief coördinerende instelling of instantie een samenwerkingsovereenkomst waarin de bestuurs- en beheersstructuur wordt bepaald.
  Art. III.98/4. De Vlaamse Regering en de associaties sluiten ten aanzien van de organisatie van het Steunpunt Inclusief Hoger Onderwijs vijfjaarlijks een convenant waarin ten minste de volgende elementen zijn opgenomen:
  1° de aansturingsmogelijkheden van de Vlaamse Regering;
  2° de minimale resultaatsverbintenissen van het Steunpunt Inclusief Hoger Onderwijs;
  3° de minimale behoorlijkheidsvereisten op het vlak van het financieel management, evenals de mogelijkheden om een bepaalde financiële reserve aan te leggen van maximaal 20 procent per jaar van de werkingsenveloppe die in een bepaald jaar is toegekend. De totale gecumuleerde reserve op basis van de werkingsenveloppe mag maximaal 50 procent van de jaarlijkse werkingsenveloppe bedragen;
  4° de rapporterings- en controlemechanismen, in het bijzonder de wijze van evaluatie van het Steunpunt Inclusief Hoger Onderwijs in de tweede helft van het vijfde kalenderjaar van het lopende convenant;
  5° de remediërende en sanctionerende maatregelen in geval van niet-naleving van het convenant;
  6° de gevallen waarin en de wijze waarop het convenant tijdens de looptijd ervan kan worden gewijzigd.
  Art. III.98/5. De administratief coördinerende instelling of instantie bezorgt met betrekking tot de werking van het Steunpunt Inclusief Hoger Onderwijs jaarlijks een afzonderlijke begroting, jaarplanning, jaarrekening en jaarverslag aan de Vlaamse Regering.
  Art. III.98/6. Het sluiten van een convenant met de Vlaamse Regering doet in hoofde van de administratief coördinerende instelling of instantie een recht ontstaan op een jaarlijkse werkingsenveloppe ten behoeve van de werking van het betrokken Steunpunt Inclusief Hoger Onderwijs.
  De Vlaamse Regering bepaalt, rekening houdend met de beschikbare begrotingskredieten, de grootte van de jaarlijkse werkingsenveloppe, evenals de wijze van vereffening ervan. De werkingsenveloppe wordt geïndexeerd volgens de formule vastgesteld voor de indexering van de werkingsuitkering van de universiteiten en hogescholen.
  Art. III.98/7. De partners bij de associaties kunnen personeelsleden met hun instemming belasten met een taak bij het Steunpunt Inclusief Hoger Onderwijs. De betrokken personeelsleden blijven gedurende de uitoefening van deze taak juridisch en administratief behoren tot de terbeschikkingstellende universiteit of hogeschool.".
Art. VI.28. Dans le titre 2 de la partie 3 du même Code, il est inséré un chapitre 9 " Point d'appui Enseignement supérieur inclusif (SIHO), comportant les articles III.98/1 à III.98/7, ainsi rédigés :
  " Chapitre 9. Point d'appui Enseignement supérieur inclusif (SIHO)
  Art. III.98/1. Le Gouvernement flamand est autorisé à procéder, aux conditions visées aux articles suivants, à la reconnaissance du Point d'appui Enseignement supérieur inclusif créé par les associations unies.
  Art. III.98/2. Le Point d'appui Enseignement supérieur inclusif a pour mission d'accompagner et d'appuyer les institutions dans la mise en oeuvre de la Convention relative aux droits des personnes handicapées, adoptée le 13 décembre 2006 par l'Organisation des Nations Unies. L'amélioration de la participation des étudiants ayant des limitations fonctionnelles à l'enseignement supérieur flamand est placée au centre de cette mise en oeuvre.
  Art. III.98/3. § 1er. Le Point d'appui Enseignement supérieur inclusif ne possède pas de personnalité juridique.
  § 2. Les associations désignent une institution ou une instance administrative de coordination. Les associations concluent avec l'institution ou l'instance administrative de coordination un contrat de coopération dans lequel est définie la structure de direction et de gestion.
  Art. III.98/4. Le Gouvernement flamand et les associations concluent, pour ce qui est de l'organisation du Point d'appui Enseignement supérieur inclusif, une convention quinquennale dans laquelle sont repris au moins les éléments suivants :
  1° les possibilités de pilotage du Gouvernement flamand ;
  2° les obligations minimales de résultat du Point d'appui Enseignement supérieur inclusif ;
  3° les exigences minimales de bonne gouvernance financière, ainsi que les possibilités d'accumulation de réserves financières de maximum 20 pour cent par an de l'enveloppe de fonctionnement accordée pour une certaine année. La réserve cumulée totale sur la base de l'enveloppe de fonctionnement peut s'élever à maximum 50 pour cent de l'enveloppe de fonctionnement annuelle octroyée ;
  4° les mécanismes de rapportage et de contrôle, notamment le mode d'évaluation du Point d'appui Enseignement supérieur inclusif au cours du second semestre de la cinquième année calendaire de la convention en cours ;
  5° les mesures correctrices et de sanction en cas de non-respect de la convention ;
  6° les cas où et la manière dont la convention peut être modifiée pendant sa validité.
  Art. III.98/5. Chaque année, l'institution ou l'instance administrative de coordination remet au Gouvernement flamand un budget distinct, un planning annuel, des comptes annuels et un rapport annuel portant sur le fonctionnement du Point d'appui Enseignement supérieur inclusif.
  Art. III.98/6. La conclusion d'une convention avec le Gouvernement flamand crée, dans le chef de l'institution ou l'instance administrative de coordination, un droit à une enveloppe de fonctionnement annuelle au profit du fonctionnement du Point d'appui Enseignement supérieur inclusif concerné.
  Le Gouvernement flamand fixe, compte tenu des crédits budgétaires disponibles, le volume de l'enveloppe de fonctionnement annuelle, ainsi que les modalités de liquidation. L'enveloppe de fonctionnement est indexée suivant la formule fixée pour l'indexation de l'allocation de fonctionnement des universités et instituts supérieurs.
  Art. III.98/7. Les partenaires auprès des associations peuvent charger des membres du personnel, moyennant leur accord, d'une mission auprès du Point d'appui Enseignement supérieur inclusif. Pour la durée de la mission, les membres du personnel concernés continuent à appartenir juridiquement et administrativement à l'institut supérieur ou à l'université réglant la mise à disposition.
Art. VI.29. In artikel III.119 van dezelfde codex wordt aan paragraaf 1 een zesde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "In de begrotingsjaren 2015 en 2016 wordt een bedrag van 250.000 euro toegevoegd aan de toelage vermeld in deze paragraaf.".
Art. VI.29. Dans l'article III.119 du même Code, un sixième alinéa est ajouté au sixième alinéa, dans la rédaction suivante :
  " Dans les années budgétaires 2015 et 2016, un montant de 250.000 euros est ajouté à l'allocation visée au présent paragraphe. ".
Art. VI.30. Artikel IV.117 van dezelfde codex wordt opgeheven.
Art. VI.30. L'article IV.117 du même Code est abrogé.
Art. VI.31. Aan artikel V.39 van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de eerste zin van het tweede lid wordt vervangen door wat volgt:
  "Het universiteitsbestuur kan in het kader van haar aanwervingsbeleid, excellentiebeleid en retentiebeleid gedurende een bepaald aantal jaren aan leden van het zelfstandig academisch personeel een salaristoeslag toekennen.";
  2° in de tweede, derde en vierde zin van het tweede lid wordt het woord "premies" vervangen door het woord "salaristoeslagen".
Art. VI.31. A l'article V.39 du même Code sont apportées les modifications suivantes :
  1° la première phrase du deuxième alinéa est remplacée par la disposition suivante :
  " Les autorités universitaires ont la faculté d'attribuer pendant un certain nombre d'années, dans le cadre de sa politique de recrutement, d'excellence et de rétention, une subvention-traitement aux membres du personnel académique autonome. " ;
  2° dans les deuxième, troisième et quatrième phrases du deuxième alinéa, le mot " primes " est remplacé par les mots " subventions-traitements ".
Art. VI.32. Aan artikel V.52 van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de huidige tekst van artikel V.52 wordt paragraaf 1;
  2° er wordt een paragraaf 2 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 2. Een universiteit kan een vacante betrekking in het administratief en technisch personeel ook invullen via de overname van een personeelslid uit een ander Vlaams onderwijsniveau dan het hoger onderwijs, dat daarvoor via een verlof wegens opdracht aan de universiteit werkzaam was. Het overgenomen personeelslid verkrijgt in de graad waarin het gerangschikt wordt, ten minste het jaarsalaris dat gelijk is aan of onmiddellijk hoger is dan het jaarsalaris aan 100% dat het genoot in het niet-hoger onderwijs.
  De overname van een personeelslid is niet mogelijk zonder de instemming van het betrokken personeelslid.".
Art. VI.32. A l'article V.52 du même Code sont apportées les modifications suivantes :
  1° le texte actuel de l'article V.52 devient le paragraphe 1er ;
  2° il est ajouté un paragraphe 2, rédigé comme suit :
  " § 2. Une université peut pourvoir un emploi vacant du personnel administratif et technique par la reprise d'un membre du personnel d'un niveau d'enseignement flamand autre que l'enseignement supérieur, qui était engagé auparavant par l'université au moyen d'un congé pour mission. Le membre du personnel repris obtient dans le grade dans lequel il est classé, au moins le traitement annuel qui égal ou immédiatement supérieur au traitement annuel de 100% dont il bénéficiait dans l'enseignement autre que l'enseignement supérieur.
  La reprise d'un membre du personnel n'est pas possible sans consentement du membre du personnel intéressé. ".
Art. VI.33. Aan artikel V.53 van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de woorden "een voltijdse praktijkassistent" worden vervangen door de woorden "een praktijkassistent met een opdracht van ten minste 70 procent van een voltijdse opdracht" en de woorden "na afloop van de aanstellingstermijn" worden opgeheven;
  2° er wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "De rangschikking van een in het eerste lid bedoeld personeelslid is niet mogelijk zonder de instemming van het betrokken personeelslid.".
Art. VI.33. A l'article V.53 du même Code sont apportées les modifications suivantes :
  1° les mots " un assistant chargé d'exercices à temps plein " sont remplacés par les mots " un assistant chargé d'exercices investi d'une charge d'au moins 70 pour cent d'une charge à temps plein " et les mots " après l'expiration du délai de désignation " sont abrogés ;
  2° il est ajouté un deuxième alinéa, rédigé comme suit :
  " La classification d'un membre du personnel visé au premier alinéa n'est pas possible sans consentement du membre du personnel intéressé. ".
Art. VI.34. Aan artikel V.75, § 3, van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid worden tussen de woorden "Het universiteitsbestuur kan" en de woorden "de werkleiders en de vast benoemde assistenten" de woorden "de lectoren en hoofdlectoren van het onderwijzend personeel van groep 1 en" ingevoegd;
  2° in het derde lid worden de woorden "van groep 2" opgeheven.
Art. VI.34. A l'article V.75, § 3, du même Code, sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans le premier alinéa, les mots " les maîtres de conférences et les maîtres des conférences principaux du personnel enseignant du groupe 1 et " sont insérés entre les mots " Les autorités universitaires peuvent classer à partir de l'année académique 2013-2014 dans un grade du personnel administratif et technique dans le cadre universitaire " et les mots " les chefs de travaux et les assistants nommés à titre définitif " ;
  2° dans le troisième alinéa, les mots " du groupe 2 " sont supprimés ;
Art. VI.35. In artikel V.80, 20°, van dezelfde codex worden de woorden "en opties" opgeheven.
Art. VI.35. Dans l'article V.80, 20°, du même Code, les mots " et d'options " sont abrogés.
Art. VI.36. Aan artikel V.138 van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de huidige tekst van artikel V.138 wordt paragraaf 1;
  2° er wordt een paragraaf 2 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 2. Een hogeschool kan een vacante betrekking in het onderwijzend personeel ook invullen via de overname van een personeelslid uit een ander Vlaams onderwijsniveau dan het hoger onderwijs, dat daarvoor via een verlof wegens opdracht aan de hogeschool werkzaam was. Het overgenomen personeelslid wordt bij de overname ingeschaald in het betreffende ambt in de hogeschool en de daaraan verbonden salarisschaal. Het overgenomen personeelslid verkrijgt ten minste het jaarsalaris dat gelijk is aan of onmiddellijk hoger is dan het jaarsalaris aan 100% dat het genoot in het niet-hoger onderwijs.
  Bij de overname van een personeelslid behoudt het betrokken personeelslid het saldo van de in het niet-hoger onderwijs opgebouwde ziektedagen.
  De overname van een personeelslid is niet mogelijk zonder de instemming van het betrokken personeelslid.".
Art. VI.36. A l'article V.138 du même Code sont apportées les modifications suivantes :
  1° le texte actuel de l'article V.138 devient le paragraphe 1er ;
  2° il est ajouté un paragraphe 2, rédigé comme suit :
  " § 2. Un institut supérieur peut pourvoir un emploi vacant du personnel enseignant par la reprise d'un membre du personnel d'un niveau d'enseignement flamand autre que l'enseignement supérieur, qui était engagé auparavant par l'institut supérieur au moyen d'un congé pour mission. Lors de la reprise, le membre du personnel repris est inséré dans la fonction concernée dans l'institut supérieur et dans l'échelle de traitement y afférente. Le membre du personnel repris obtient au moins le traitement annuel qui est égal ou immédiatement supérieur au traitement annuel de 100% dont il bénéficiait dans l'enseignement autre que l'enseignement supérieur.
  Lors de la reprise d'un membre du personnel, le membre du personnel intéressé conserve le solde des jours de maladie accumulés dans l'enseignement non supérieur.
  La reprise d'un membre du personnel n'est pas possible sans consentement du membre du personnel intéressé. ".
Art. VI.37. In artikel V.167, eerste lid, van dezelfde codex worden de woorden ", met uitzondering van de maand december waarvoor de betaling gebeurt op de eerste werkdag van de maand januari van het volgende jaar" opgeheven.
Art. VI.37. Dans l'article V.167, premier alinéa, du même Code, les mots " , sauf pour le mois de décembre, pour lequel le paiement se fait le premier jour ouvrable du mois de janvier de l'année suivante " sont supprimés.
Art. VI.38. In artikel V.186, eerste lid, van dezelfde codex worden de woorden ", met uitzondering van de maand december waarvoor de betaling gebeurt op de eerste werkdag van de maand januari van het volgend jaar" opgeheven.
Art. VI.38. Dans l'article V.186, premier alinéa, du même Code, les mots " , sauf pour le mois de décembre, pour lequel le paiement se fait le premier jour ouvrable du mois de janvier de l'année suivante " sont supprimés.
Art. VI.39. Aan artikel V.192 van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de huidige tekst van artikel V.192 wordt paragraaf 1;
  2° er wordt een paragraaf 2 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 2. Een hogeschool kan een vacante betrekking in het administratief en technisch personeel ook invullen via de overname van een personeelslid uit een ander Vlaams onderwijsniveau dan het hoger onderwijs, dat daarvoor via een verlof wegens opdracht aan de hogeschool werkzaam was. Het overgenomen personeelslid wordt bij de overname ingeschaald in de betreffende graad in de hogeschool en de daaraan verbonden salarisschaal. Het overgenomen personeelslid verkrijgt ten minste het jaarsalaris dat gelijk is aan of onmiddellijk hoger is dan het jaarsalaris aan 100% dat het genoot in het niet-hoger onderwijs.
  Bij de overname van een personeelslid behoudt het betrokken personeelslid het saldo van de in het niet-hoger onderwijs opgebouwde ziektedagen.
  De overname van een personeelslid is niet mogelijk zonder de instemming van het betrokken personeelslid.".
Art. VI.39. A l'article V.192 du même Code sont apportées les modifications suivantes :
  1° le texte actuel de l'article V.192 devient le paragraphe 1er ;
  2° il est ajouté un paragraphe 2, rédigé comme suit :
  " § 2. Un institut supérieur peut également pourvoir un emploi vacant du personnel administratif et technique par la reprise d'un membre du personnel d'un niveau d'enseignement flamand autre que l'enseignement supérieur, qui était engagé auparavant par l'institut supérieur au moyen d'un congé pour mission. Lors de la reprise, le membre du personnel repris est inséré dans le grade concerné dans l'institut supérieur et dans l'échelle de traitement y afférente. Le membre du personnel repris obtient au moins le traitement annuel qui est égal ou immédiatement supérieur au traitement annuel de 100% dont il bénéficiait dans l'enseignement autre que l'enseignement supérieur.
  Lors de la reprise d'un membre du personnel, le membre du personnel intéressé conserve le solde des jours de maladie accumulés dans l'enseignement non supérieur.
  La reprise d'un membre du personnel n'est pas possible sans consentement du membre du personnel intéressé. ".
Art. VI.40. In artikel V.244, § 1, derde lid, 16°, van dezelfde codex worden de woorden ", opleidingen en opties" vervangen door de woorden "en opleidingen".
Art. VI.40. Dans l'article V.244, § 1er, troisième alinéa, 16° du même Code, les mots " , formations et options " sont remplacés par les mots " et formations ".
Art. VI.41. In artikel V.277 van dezelfde codex worden paragraaf 2 en 3 vervangen door wat volgt:
  " § 2. De bezoldiging van een in paragraaf 1 vermeld personeelslid dat uitsluitend bezoldigd wordt ten laste van de centrale voorafname en daarvoor geen actieve prestaties uitoefent, of van het personeelslid dat voor meer dan 50% van een voltijdse opdracht een bezoldiging ten laste van de centrale voorafname ontvangt en hiervoor geen actieve prestaties meer uitoefent binnen het onderwijs, houdt op na het verstrijken van de maand waarin het personeelslid aanspraak kan maken op een rustpensioen ten laste van de schatkist.
  Deze bepaling geldt niet voor personeelsleden bedoeld in artikel III.35, § 1, 4° en 6°. ".
Art. VI.41. Dans l'article V.277, du même Code, les paragraphes 2 et 3 sont remplacés par la disposition suivante :
  " § 2. La rémunération d'un membre du personnel visé au paragraphe 1er qui est uniquement rémunéré à charge du prélèvement central et qui ne fournit aucune prestation active à cet effet, ou d'un membre du personnel qui reçoit pour plus de 50% d'une charge à temps plein une rémunération à charge du prélèvement central et qui ne fournit plus de prestations actives à cet effet dans l'enseignement, prend fin à l'expiration du mois dans lequel le membre du personnel peut prétendre à une pension de retraite à charge de la Trésorerie.
  Cette disposition n'est pas applicable aux membres du personnel visés à l'article III.35, § 1er, 4° et 6°. ".
Art. VI.42. In artikel V.298 van dezelfde codex wordt paragraaf 2 vervangen door wat volgt:
  " § 2. De bezoldiging van een in paragraaf 1 vermeld personeelslid dat uitsluitend bezoldigd wordt ten laste van de centrale voorafname en daarvoor geen actieve prestaties uitoefent, of van het personeelslid dat voor meer dan 50% van een voltijdse opdracht een bezoldiging ten laste van de centrale voorafname ontvangt en hiervoor geen actieve prestaties meer uitoefent, houdt op na het verstrijken van de maand waarin het personeelslid aanspraak kan maken op een rustpensioen ten laste van de schatkist.".
Art. VI.42. Dans l'article V.298 du même Code, le paragraphe 2 est remplacé par la disposition suivante :
  " § 2. La rémunération d'un membre du personnel visé au paragraphe 1er qui est uniquement rémunéré à charge du prélèvement central et qui ne fournit aucune prestation active à cet effet, ou d'un membre du personnel qui reçoit pour plus de 50% d'une charge à temps plein une rémunération à charge du prélèvement central et qui ne fournit plus de prestations actives à cet effet, prend fin à l'expiration du mois dans lequel le membre du personnel peut prétendre à une pension de retraite à charge de la Trésorerie. ".
Afdeling II. Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2014
Section II. - Décret contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2014
Art. VI.43. Aan artikel 44 van het decreet van 20 december 2013 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2014 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in artikel 44 worden de woorden "artikel 42bis van het decreet van 14 maart 2008 betreffende de financiering van de werking van de hogescholen en de universiteiten in Vlaanderen, ingevoegd bij het decreet van 4 juli 2008" vervangen door de woorden "artikel III.72 van de Codex Hoger Onderwijs";
  2° in de bij artikel 44 toegevoegde paragraaf 3 worden de woorden "artikel 9, § 5" vervangen door de woorden "artikel III.5, § 9".
Art. VI.43. A l'article 44 du décret du 20 décembre 2013 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2014, sont apportées les modifications suivantes :
  1° à l'article 44, les mots " l'article 42bis du décret du 14 mars 2008 relatif au financement du fonctionnement des instituts supérieurs et des universités en Flandre, inséré par le décret du 4 juillet 2008, " sont remplacés par les mots " l'article III.72 du Code de l'Enseignement supérieur " ;
  2° dans le paragraphe 3, ajouté par l'article 44, les mots " l'article 9, § 5 " sont remplacés par les mots " l'article III.5, § 9 ".
Art. VI.44. Artikel 45 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 45. In artikel III.54, § 1, van de Codex Hoger Onderwijs worden de woorden "voor de jaren 2011, 2012 en 2013" vervangen door de woorden "voor de jaren 2011, 2012, 2013 en 2014".".
Art. VI.44. L'article 45 du même décret est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 45. Dans l'article III.54, § 1er, du Code de l'Enseignement supérieur, les mots " pour les années 2011, 2012 et 2013 " sont remplacés par les mots " pour les années 2011, 2012, 2013 et 2014 ". ".
Art. VI.45. In artikel 46 van hetzelfde decreet worden de woorden "artikel 179, 12°, derde lid, van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap, het laatst gewijzigd bij het decreet van 1 juli 2011" vervangen door de woorden "artikel III.33, derde lid, van de Codex Hoger Onderwijs".
Art. VI.45. Dans l'article 46 du même décret, les mots " l'article 179, 12°, alinéa trois, du décret du 13 juillet 1994 relatif aux instituts supérieurs en Communauté flamande, modifié en dernier lieu par le décret du 1er juillet 2011 " sont remplacés par les mots " l'article III.33, troisième alinéa, du Code de l'Enseignement supérieur ".
Art. VI.46. In artikel 47 van hetzelfde decreet worden de woorden "artikel 130quater, § 1, van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap, het laatst gewijzigd bij het decreet van 21 december 2012" vervangen door de woorden "artikel III.32, § 1, van de Codex Hoger Onderwijs".
Art. VI.46. Dans l'article 47 du même décret, les mots " l'article 130quater, § 1er, du décret du 12 juin 1991 relatif aux universités dans la Communauté flamande, modifié en dernier lieu par le décret du 21 décembre 2012 " sont remplacés par les mots " l'article III.32, § 1er, du Code de l'Enseignement supérieur ".
Art. VI.47. Artikel 48 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Art. VI.47. L'article 48 du même décret est abrogé.
Art. VI.48. Artikel 49 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Art. VI.48. L'article 49 du même décret est abrogé.
Art. VI.49. Artikel 50 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Art. VI.49. L'article 50 du même décret est abrogé.
Art. VI.50. Artikel 52 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Art. VI.50. L'article 52 du même décret est abrogé.
Art. VI.51. Artikel 53 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Art. VI.51. L'article 53 du même décret est abrogé.
Art. VI.52. Artikel 54 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Art. VI.52. L'article 54 du même décret est abrogé.
Art. VI.53. Artikel 55 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Art. VI.53. L'article 55 du même décret est abrogé.
Art. VI.54. In artikel 56 van hetzelfde decreet worden de woorden "artikel 29, § 2, van het decreet van 14 maart 2008 betreffende de financiering van de werking van de hogescholen en de universiteiten in Vlaanderen, gewijzigd bij het decreet van 13 juli 2012" vervangen door de woorden "artikel III.22, § 2, van de Codex Hoger Onderwijs".
Art. VI.54. Dans l'article 56 du même décret, les mots " l'article 29, § 2, du décret du 14 mars 2008 relatif au financement du fonctionnement des instituts supérieurs et des universités en Flandre, modifié par le décret du 13 juillet 2012 " sont remplacés par les mots " l'article III.22, § 2, du Code de l'Enseignement supérieur ".
Afdeling III. - Decreet houdende het statuut van de Universiteit Hasselt en de Hoge Raad voor het Hoger Onderwijs in Limburg
Section III. - Décret portant le statut de l'Universiteit Hasselt et du " Hoge Raad voor het Hoger Onderwijs in Limburg " (Conseil supérieur de l'Enseignement supérieur au Limbourg)
Art. VI.55. Artikel 6, 3°, van het decreet van 20 juni 2008 houdende het statuut van de Universiteit Hasselt en de Hoge Raad voor het Hoger Onderwijs in Limburg wordt vervangen door wat volgt:
  "3° zes personen voorgedragen door de provincieraad van Limburg. Ten minste geldt dat ten hoogste twee derde van de voorgedragen personen van hetzelfde geslacht zijn;".
Art. VI.55. L'article 6, 3°, du décret du 20 juin 2008 portant le statut de l'Universiteit Hasselt et du " Hoge Raad voor het Hoger Onderwijs in Limburg " (Conseil supérieur de l'Enseignement supérieur au Limbourg) est remplacé par ce qui suit :
  " 3° six personnes proposées par le conseil provincial du Limbourg. Au maximum deux tiers des personnes proposées peuvent être du même sexe ; ".
Art. VI.56. Aan artikel 6 van hetzelfde decreet wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Een vertegenwoordiger van de Hogeschool PXL, aangeduid door het bestuursorgaan van de hogeschool, kan de vergaderingen van de raad van bestuur bijwonen met raadgevende stem.".
Art. VI.56. L'article 6 du même décret est complété par un troisième alinéa, rédigé comme suit :
  " Un représentant de la Hogeschool PXL, désigné par l'organe administratif de l'institut supérieur, peut assister aux séances du conseil d'administration avec voix délibérative. ".
Art. VI.57. Aan artikel 7, eerste lid, 1°, van hetzelfde decreet wordt de zinsnede "waarbij ten hoogste twee leden van elke sector van hetzelfde geslacht zijn" toegevoegd.
Art. VI.57. A l'article 7, premier alinéa, du même décret, le membre de phrase " desquels au maximum deux membres de chaque secteur sont du même sexe " est ajouté.
Art. VI.58. Aan artikel 12, eerste lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 13 juli 2012, wordt een punt 9° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "9° het onteigenen van onroerende goederen die rechtstreeks of onrechtstreeks vereist zijn voor het onderwijs, het onderzoek, de wetenschappelijke dienstverlening en de administratie van de universiteit, overeenkomstig de wetgeving betreffende de onteigeningen ten algemene nutte en na de machtiging van de Vlaamse Regering.".
Art. VI.58. L'article 12, premier alinéa, du même décret, modifié par le décret du 13 juillet 2012, est complété par un point 9°, rédigé comme suit :
  " 9° l'expropriation de biens immobiliers qui sont directement ou indirectement requis pour l'enseignement, la recherche, la prestation de services scientifiques et l'administration de l'université, conformément à la législation sur les expropriations d'utilité publique et après l'autorisation du Gouvernement flamand. ".
Art. VI.59. Artikel 23, § 5, van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Art. VI.59. L'article 23, § 5, du même décret est abrogé.
Art. VI.60. Artikel 26, § 3, van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Art. VI.60. L'article 26, § 3, du même décret est abrogé.
Afdeling IV. - Inwerkingtreding
Section IV. - Entrée en vigueur
Art. VI.61. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 september 2014.
  Artikel VI.7 heeft uitwerking met ingang van 1 juli 2012.
  Artikel VI.2, VI.12, VI.32, VI.36 en VI.39 hebben uitwerking met ingang van 1 september 2013.
  Artikel VI.8, VI.18, VI.21, VI.22, VI.23, VI.30, VI.31, VI.33, VI.34, VI.41, VI.42, VI.43 tot en met VI.54 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2014.
  Artikel VI.13 heeft uitwerking met ingang van 1 maart 2014.
  Artikel VI.24 treedt in werking met ingang van 1 januari 2015.
  [1 Artikel VI.28 heeft uitwerking met ingang van 1 juli 2014.]1
  
Art. VI.61. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er septembre 2014.
  L'article VI.7 produit ses effets le 1er juillet 2012.
  Les articles VI.2, VI.12, VI.32, VI.36 et VI.39 produisent leurs effets le 1er septembre 2013.
  Les articles VI.8, VI.18, VI.21, VI.22, VI.23, VI.30, VI.31, VI.33, VI.34, VI.41, VI.42, VI.43 à VI.54 produisent leurs effets le 1er janvier 2014.
  L'article VI.13 produit ses effets le 1er mars 2014.
  L'article VI.24 entre en vigueur le 1er janvier 2015.
  [1 L'article VI.28 produit ses effets le 1er juillet 2014.]1
  
HOOFDSTUK VII. - Decreten Rechtspositie Onderwijspersoneel
CHAPITRE VII. - Décrets Statut Personnel enseignant
Afdeling I. - Decreet betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs
Section Ire. - Décret relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire
Art. VII.1. In het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs wordt het woord "opvangcentra" telkens vervangen door de woorden "internaten die in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen voorzien".
Art. VII.1. Dans le décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire, les mots " centres d'accueil " sont chaque fois remplacé par les mots " internats qui assurent l'hébergement et l'accompagnement pendant les jours où il n'y a pas de cours ".
Art. VII.2. In artikel 2, § 1, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 18 mei 1999 en gewijzigd bij het decreet 10 juli 2003, wordt het woord "godsdienstleerkrachten" vervangen door de woorden "leerkrachten levensbeschouwelijk onderricht".
Art. VII.2. Dans l'article 2, § 1er, du même décret, remplacé par le décret du 18 mai 1999 et modifié par le décret du 10 juillet 2003, les mots " les maîtres et professeurs de religion " sont remplacés par les mots " les enseignants de cours philosophiques ".
Art. VII.3. Aan artikel 3 van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 19 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in punt 8° wordt het woord "godsdienstleerkrachten" vervangen door het woord "godsdienstleerkracht";
  2° een punt 39°, 40° en 41° worden toegevoegd, die luiden als volgt:
  "39° leerkracht levensbeschouwelijk onderricht: de godsdienstleerkracht, de leermeester niet-confessionele zedenleer en de leraar niet-confessionele zedenleer;
  40° MEDEX: de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, Medische Expertise, cel Pensioenen;
  41° preventieadviseur-arbeidsgeneesheer: de preventieadviseur deskundig in arbeidsgeneeskunde verbonden aan de externe Dienst voor Preventie en Bescherming op het werk zoals bepaald in het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk.".
Art. VII.3. A l'article 3 du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 19 juillet 2013, sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans le point 8°, les mots " les maîtres et professeurs de religion " sont remplacés par les mots " le maître et professeur de religion " ;
  2° des points 39°, 40° et 41° sont ajoutés, rédigés comme suit :
  " 39° l'enseignant de cours philosophiques : le maître et professeur de religion, le maître de morale non confessionnelle et le professeur de morale non confessionnelle " ;
  40° le MEDEX : le Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement, Expertise médicale, cellule Pensions ;
  41° le conseiller en prévention-médecin du travail : le conseiller en prévention expert en médecine du travail attaché au Service externe pour la Prévention et la Protection au travail, tel que prévu par l'arrêté royal du 27 mars 1998 relatif au service externe pour la prévention et la protection au travail. ".
Art. VII.4. Aan artikel 3 van hetzelfde decreet wordt een punt 42° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "42° internaten die in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen voorzien: medisch-pedagogische instituten van het gemeenschapsonderwijs, instituten voor buitengewoon secundair onderwijs van het gemeenschapsonderwijs en autonome internaten buitengewoon onderwijs van het gemeenschapsonderwijs met openstelling tijdens schoolvrije dagen die verblijf en begeleiding voor hun internen tijdens de schoolvrije dagen organiseren als bedoeld in artikel 29 van het decreet van 9 april 1992 betreffende het onderwijs-III.".
Art. VII.4. L'article 3 du même décret est complété par un point 42°, rédigé comme suit :
  " 42° les internats qui assurent l'hébergement et l'accompagnement pendant les jours où il n'y a pas de cours : les instituts médico-pédagogiques de l'enseignement communautaire, les instituts d'enseignement secondaire spécial de l'enseignement communautaire et les internats autonomes d'enseignement spécial de l'enseignement communautaire qui sont ouverts pendant les jours où il n'y a pas de cours et qui assurent l'hébergement et l'accompagnement de leurs internes pendant les jours où il n'y a pas de cours tels que visés à l'article 29 du décret du 9 avril 1992 relatif à l'enseignement-III. ".
Art. VII.5. In artikel 9 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 1 december 1993 en 18 mei 1999, worden de woorden "De godsdienstleerkrachten en de leermeesters en de leraars niet-confessionele zedenleer" vervangen door de woorden "De leerkrachten levensbeschouwelijk onderricht".
Art. VII.5. A l'article 9 du même décret, modifié par les décrets des 1 décembre 1993 et 18 mai 1999, les mots " Les maîtres et professeurs de religion, les maîtres de morale non confessionnelle et les professeurs de morale non confessionnelle " sont remplacés par les mots " Les enseignants de cours philosophiques ".
Art. VII.6. In artikel 17, § 5, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 14 februari 2003, worden de woorden "de godsdienstleerkrachten, de leermeesters niet- confessionele zedenleer en de leraars secundair onderwijs belast met niet-confessionele zedenleer" vervangen door de woorden "de leerkrachten levensbeschouwelijk onderricht".
Art. VII.6. A l'article 17, § 5, du même décret, remplacé par le décret du 14 février 2003, les mots " les maîtres et professeurs de religion, les maîtres de morale non confessionnelle et les professeurs de morale non confessionnelle " sont remplacés par les mots " les enseignants de cours philosophiques ".
Art. VII.7. In artikel 24 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 13 juli 2007 en gewijzigd bij de decreten van 8 mei 2009 en 21 december 2012, wordt het vierde lid vervangen door wat volgt:
  "Het personeelslid kan binnen vijf kalenderdagen na de ontvangst van het ontslag om dringende redenen met een aangetekende brief beroep aantekenen bij de bevoegde kamer van beroep, vermeld in artikel 71. Als het personeelslid het ontslag ontvangt tijdens een periode van ten minste zeven opeenvolgende vakantiedagen, wordt de voormelde periode van vijf kalenderdagen verlengd met de duur van de vakantieperiode. De raad van bestuur - en voor de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum de afgevaardigd bestuurder - moet vanaf het moment waarop het ontslag gegeven wordt, het personeelslid met onmiddellijke ingang preventief schorsen bij hoogdringendheid conform artikel 59. Die preventieve schorsing beslaat de periode vanaf het ogenblik dat de beslissing tot preventieve schorsing bij hoogdringendheid aan het betrokken personeelslid is meegedeeld, tot het ogenblik dat de beroepsprocedure is beëindigd, waarbij die periode nooit langer kan zijn dan de oorspronkelijke tijdelijke aanstelling waarop het ontslag betrekking heeft. Als het personeelslid geen beroep aantekent, beslaat de preventieve schorsing de periode vanaf het ogenblik dat de beslissing tot preventieve schorsing bij hoogdringendheid aan het betrokken personeelslid is meegedeeld, tot het ogenblik dat de termijn om beroep aan te tekenen verstreken is.".
Art. VII.7. A l'article 24 du même décret, remplacé par le décret du 13 juillet 2007 et modifié par les décrets des 8 mai 2009 et 21 décembre 2012, le quatrième alinéa est remplacé par ce qui suit :
  " Dans les cinq jours calendaires de la réception du licenciement pour motifs impérieux par lettre recommandée, le membre du personnel peut introduire un recours auprès de la chambre de recours compétente, visée à l'article 71. Lorsque le licenciement est reçu au cours d'une période d'au moins sept jours de vacances consécutifs, la période précitée de cinq jours calendaires est prolongée de la durée de la période de vacances. Le conseil d'administration - et pour le service d'encadrement pédagogique ou le centre de formation l'administrateur délégué - doit prononcer, à partir du moment auquel le membre du personnel est licencié, la suspension préventive d'urgence et avec effet immédiat du membre du personnel en question conformément à l'article 59. Cette suspension préventive couvre la période allant du moment où le membre du personnel concerné est informé de la décision de suspension préventive d'urgence jusqu'à la fin de la procédure de recours, étant entendu que cette période ne peut jamais être supérieure à la désignation temporaire initiale à laquelle se rapporte le licenciement. Si le membre du personnel n'introduit pas de recours, la suspension préventive couvre la période allant du moment où le membre du personnel concerné est informé de la décision de suspension préventive d'urgence jusqu'à l'expiration du délai d'introduction du recours. "
Art. VII.8. In artikel 28, § 1, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 1 juli 2011, worden in punt 3° de woorden "in toepassing van artikel 5, § 1bis, § 1ter of § 1quater, van het decreet" vervangen door de woorden "in toepassing van artikel 5, § 1ter, van het decreet".
Art. VII.8. Dans l'article 28, § 1er, du même décret, remplacé par le décret du 1er juillet 2011, les mots " article 5, § 1bis, § 1ter ou § 1quater du décret " sont remplacés par les mots " article 5, § 1ter, du décret ".
Art. VII.9. In artikel 31, § 2, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 14 februari 2003, worden de woorden "een godsdienstleerkracht, een leermeester niet-confessionele zedenleer of een leraar secundair onderwijs belast met niet-confessionele zedenleer" vervangen door de woorden "een leerkracht levensbeschouwelijk onderricht".
Art. VII.9. A l'article 31, § 2, du même décret, remplacé par le décret du 14 février 2003, les mots " un maître ou professeur de religion, un maître de morale non confessionnelle ou professeur de morale non confessionnelle ou un enseignant de l'enseignement secondaire chargés de la morale non confessionnelle " sont remplacés par les mots " un enseignant de cours philosophiques ".
Art. VII.10. In artikel 37 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 18 mei 1999, 14 februari 2003 en 1 juli 2011, wordt paragraaf 1 vervangen door wat volgt:
  " § 1. De vaste benoeming gebeurt door de raad van bestuur op voorstel van het instellingshoofd, en voor het vormingscentrum en de pedagogische begeleidingsdienst door de afgevaardigd bestuurder.
  Een leerkracht levensbeschouwelijk onderricht wordt na advies van de directeur en met behoud van de toepassing van de bepalingen van dit decreet vast benoemd op voordracht van de bevoegde instantie van de godsdienst of betrokken eredienst respectievelijk bevoegde instantie van de niet-confessionele zedenleer.".
Art. VII.10. A l'article 37 du même décret, modifié par les décrets des 18 mai 1999, 14 février 2003 et 1er juillet 2011, le paragraphe 1er est remplacé par la disposition suivante :
  " § 1er. La nomination définitive se fait par le conseil d'administration sur proposition du chef d'établissement et par l'administrateur délégué pour le centre de formation et le service d'encadrement pédagogique.
  Un enseignant de cours philosophiques est nommé à titre définitif sur avis du directeur et sans préjudice de l'application des dispositions du présent décret sur la proposition de l'instance compétente de la religion ou du culte concerné respectivement de l'instance compétente de la morale non confessionnelle. ".
Art. VII.11. In artikel 41, § 2, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 1 december 1993, 18 mei 1999 en 7 juli 2006, worden de woorden "De godsdienstleerkrachten en de leermeesters en de leraars niet-confessionele zedenleer" vervangen door de woorden "De leerkrachten levensbeschouwelijk onderricht".
Art. VII.11. Dans l'article 41, § 2, du même décret, modifié par les décrets des 1er décembre 1993, 18 mai 1999 et 7 juillet 2006, les mots " Les maîtres et professeurs de religion, les maîtres de morale non confessionnelle et les professeurs de morale non confessionnelle " sont remplacés par les mots " Les enseignants de cours philosophiques ".
Art. VII.12. In artikel 52bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 8 mei 2009, wordt het vierde lid vervangen door wat volgt:
  "Het personeelslid kan binnen vijf kalenderdagen na de ontvangst van het ontslag om dringende redenen met een aangetekende brief beroep aantekenen bij de bevoegde kamer van beroep, vermeld in artikel 71. Als het personeelslid het ontslag ontvangt tijdens een periode van ten minste zeven opeenvolgende vakantiedagen, wordt de voormelde periode van vijf kalenderdagen verlengd met de duur van de vakantieperiode. De raad van bestuur - en voor de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum de afgevaardigd bestuurder - moet vanaf het moment waarop het ontslag gegeven wordt, het personeelslid met onmiddellijke ingang preventief schorsen bij hoogdringendheid conform artikel 59. Die preventieve schorsing beslaat de periode vanaf het ogenblik dat de beslissing tot preventieve schorsing bij hoogdringendheid aan het betrokken personeelslid is meegedeeld, tot het ogenblik dat de beroepsprocedure is beëindigd, waarbij die periode nooit langer kan zijn dan de oorspronkelijke waarnemende aanstelling waarop het ontslag betrekking heeft. Als het personeelslid geen beroep aantekent, beslaat de preventieve schorsing de periode vanaf het ogenblik dat de beslissing tot preventieve schorsing bij hoogdringendheid aan het betrokken personeelslid is meegedeeld, tot het ogenblik dat de termijn om beroep aan te tekenen verstreken is.".
Art. VII.12. Dans l'article 52bis du même décret, inséré par le décret du 8 mai 2009, le quatrième alinéa est remplacé par la disposition suivante :
  " Dans les cinq jours calendaires de la réception du licenciement pour motifs impérieux par lettre recommandée, le membre du personnel peut introduire un recours auprès de la chambre de recours compétente, visée à l'article 71. Lorsque le licenciement est reçu au cours d'une période d'au moins sept jours de vacances consécutifs, la période précitée de cinq jours calendaires est prolongée de la durée de la période de vacances. Le conseil d'administration - et pour le service d'encadrement pédagogique ou le centre de formation l'administrateur délégué - doit prononcer, à partir du moment auquel le membre du personnel est licencié, la suspension préventive d'urgence et avec effet immédiat du membre du personnel en question conformément à l'article 59. Cette suspension préventive couvre la période allant du moment où le membre du personnel concerné est informé de la décision de suspension préventive d'urgence jusqu'à la fin de la procédure de recours, étant entendu que cette période ne peut jamais être supérieure à la désignation intérimaire initiale à laquelle se rapporte le licenciement. Si le membre du personnel n'introduit pas de recours, la suspension préventive couvre la période allant du moment où le membre du personnel concerné est informé de la décision de suspension préventive d'urgence jusqu'à l'expiration du délai d'introduction du recours. "
Art. VII.13. In hetzelfde decreet wordt een hoofdstuk Vquinquies/1, dat bestaat uit artikel 55vicies/1 tot en met 55vicies/7, ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "HOOFDSTUK Vquinquies/1. - Herinschakeling na definitieve arbeidsongeschiktheid
  Afdeling 1. - Algemene bepaling
  Art. 55vicies/1. Dit hoofdstuk is alleen van toepassing op de personeelsleden, vermeld in artikel 2, § 1, die in vast verband benoemd zijn volgens de bepalingen van dit decreet.
  Afdeling 2. - Personeelslid dat bij beslissing van MEDEX definitief ongeschikt bevonden is om zijn gewone werkzaamheden uit te oefenen, maar wel geschikt bevonden is voor specifieke functies die door MEDEX worden bepaald
  Art. 55vicies/2. § 1. Het vast benoemde personeelslid dat na uitputting van het bezoldigd ziekteverlof ter beschikking gesteld wordt wegens ziekte, kan zijn inrichtende macht verzoeken om een overleg over de mogelijkheden tot tewerkstelling na arbeidsongeschiktheid. De inrichtende macht moet dat overleg zo spoedig mogelijk organiseren en nodigt daartoe de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer uit. Het overleg tussen het personeelslid, de inrichtende macht en de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer resulteert in een advies van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer, dat aan beide partijen wordt bezorgd. De inrichtende macht richt dat advies onmiddellijk aan MEDEX, met de vraag om dat advies mee in overweging te nemen bij het behandelen van het dossier van dat personeelslid voor de pensioencommissie.
  § 2. Als MEDEX beslist dat het personeelslid definitief ongeschikt is om zijn gewone werkzaamheden uit te oefenen, maar wel geschikt bevonden is voor specifieke functies die door MEDEX worden bepaald, organiseert de inrichtende macht onmiddellijk opnieuw een overleg met het personeelslid en, indien het personeelslid hierom verzoekt, de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer, om de beslissing van MEDEX te concretiseren. Dat overleg moet leiden tot een van volgende conclusies:
  1° tewerkstelling in het ambt van vaste benoeming na een aanpassing van de geïndividualiseerde functiebeschrijving zoals bepaald in artikel 73ter;
  2° tewerkstelling in het ambt van vaste benoeming na een aanpassing van de draagwijdte van de vaste benoeming zoals bepaald in afdeling 4;
  3° tewerkstelling in een ander ambt dan het ambt van vaste benoeming zoals bepaald in afdeling 5;
  4° geen tewerkstelling is mogelijk.
  De conclusie van het overleg wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen het personeelslid en de inrichtende macht. Als de conclusie luidt dat geen tewerkstelling mogelijk is, is artikel 77sexies van toepassing. Dat artikel is ook van toepassing als het personeelslid en de inrichtende macht niet tot een overeenkomst komen.
  Afdeling 3. - Personeelslid dat een beroep doet op de procedure tot re-integratie zoals bepaald in de wetgeving over het gezondheidstoezicht op de werknemers
  Art. 55vicies/3. § 1. Deze afdeling is van toepassing op het vast benoemde personeelslid dat door zijn behandelende arts definitief arbeidsongeschikt verklaard is voor het overeengekomen werk, en dat een beroep doet op de procedure tot re-integratie zoals bepaald in artikel 39 tot 41 van het koninklijk besluit van 28 mei 2003 betreffende het gezondheidstoezicht op de werknemers.
  Het vast benoemde personeelslid dat door zijn behandelende arts definitief arbeidsongeschikt verklaard is voor het overeengekomen werk, kan bij de inrichtende macht een beroep doen op de procedure tot re-integratie. Wanneer het personeelslid zich met het attest van zijn behandelende arts tot de inrichtende macht richt om zijn recht op een re-integratieprocedure te laten gelden, moet de inrichtende macht zo spoedig mogelijk een overleg organiseren over de mogelijkheden voor ander werk en de maatregelen voor aanpassing van de werkposten. Aan dat overleg nemen minstens deel:
  a) de inrichtende macht;
  b) het personeelslid;
  c) de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer.
  Na dat overleg formuleert de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer zijn advies aan de inrichtende macht, dat hij ook aan het personeelslid bezorgt.
  § 2. Als het advies van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer inhoudt dat het betrokken personeelslid voldoende geschikt is om een andere functie uit te oefenen en als de inrichtende macht en het personeelslid ermee akkoord gaan om dat advies te volgen, sluiten de inrichtende macht en het betrokken personeelslid een schriftelijke overeenkomst betreffende de vorm van tewerkstelling. Die tewerkstelling kan onder een van de volgende vormen:
  1° tewerkstelling in het ambt van benoeming na aanpassing van de geïndividualiseerde functiebeschrijving zoals bepaald in artikel 73ter;
  2° tewerkstelling in het ambt van vaste benoeming na een aanpassing van de draagwijdte van de vaste benoeming zoals bepaald in afdeling 4;
  3° tewerkstelling in een ander ambt dan het ambt van vaste benoeming zoals bepaald in afdeling 5.
  Als het advies van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer niet leidt tot een overeenkomst over tewerkstelling, is artikel 77sexies van toepassing.
  Afdeling 4. - Tewerkstelling in het ambt van vaste benoeming via inperking van de draagwijdte van de vaste benoeming van een leraar
  Art. 55vicies/4. Voor het personeelslid, vermeld in artikel 55vicies/2, § 2, 2°, en artikel 55vicies/3, § 2, 2°, voor wie na overleg is overeengekomen dat hij tewerkgesteld kan blijven in het ambt van vaste benoeming, kan de inrichtende macht voor zover het personeelslid vast benoemd is in het ambt van leraar, in afwijking van artikel 40bis, de draagwijdte van de vaste benoeming inperken. Dat houdt in dat zij uitdrukkelijk vastlegt welke vakken, specialiteiten, opleidingen of modules niet langer tot de draagwijdte van de vaste benoeming behoren. Die inperking van de draagwijdte van de vaste benoeming mag niet als gevolg hebben dat voor de leraar geen enkel vak, specialiteit, opleiding of module nog tot de draagwijdte van de vaste benoeming behoort. De inperking kan niet slaan op het volume van de vaste benoeming.
  De inrichtende macht legt de inperking van de draagwijdte van de vaste benoeming van een leraar vast in de schriftelijke overeenkomst, vermeld in artikel 55vicies/2, § 2, en artikel 55vicies/3, § 2. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de inperking van de draagwijdte van de vaste benoeming meegedeeld wordt aan het beleidsdomein Onderwijs en Vorming opdat zij uitwerking zou hebben ten aanzien van de overheid. De aangepaste draagwijdte van de vaste benoeming is persoonsgebonden en is tegenstelbaar aan derden.
  Afdeling 5. - Tewerkstelling in een ander ambt dan het ambt van vaste benoeming
  Art. 55vicies/5. § 1. Aan het personeelslid, vermeld in artikel 55vicies/2, § 2, 3°, en artikel 55vicies/3, § 2, 3°, voor wie na overleg is overeengekomen dat een tewerkstelling in een ander ambt dan het ambt van vaste benoeming beoogd wordt, biedt de inrichtende macht een proefperiode van tewerkstelling in dat andere ambt aan met het oog op een nieuwe vaste benoeming.
  Die proefperiode is alleen mogelijk in een ambt waarin het personeelslid nog niet vast benoemd is. Bovendien is de proefperiode alleen mogelijk in een ambt waarvoor het personeelslid aan de aanstellingsvoorwaarden beantwoordt als vermeld in dit decreet.
  Voor een personeelslid als vermeld in artikel 55vicies/2 kan de proefperiode maximaal duren tot de dag voor de eerste verjaardag van de beslissing van MEDEX die aanleiding gegeven heeft tot de tewerkstelling in het desbetreffende ambt. Voor een personeelslid als vermeld in artikel 55vicies/3 duurt de proefperiode minimaal zes maanden en maximaal twaalf maanden.
  De afspraken betreffende de proefperiode worden vastgelegd in de schriftelijke overeenkomst, vermeld in artikel 55vicies/2, § 2, en artikel 55vicies/3, § 2.
  § 2. Tijdens de proefperiode wordt het personeelslid tewerkgesteld in een niet-organieke betrekking van het nieuwe ambt. Het personeelslid is in dienstactiviteit en behoudt het salaris dat verbonden is aan zijn betrekking in het ambt van vaste benoeming. De inrichtende macht kan in die betrekking een vervanger aanstellen.
  § 3. Uiterlijk twee maanden voor het einde van de proefperiode neemt de inrichtende macht een beslissing over de nieuwe vaste benoeming van het personeelslid. Ze neemt die beslissing na een overleg met het betrokken personeelslid om vast te stellen of de proefperiode geslaagd is of niet. Als de inrichtende macht van oordeel is dat de proefperiode geslaagd is, wordt het personeelslid vast benoemd, zoals bepaald in artikel 55vicies/6. Als de inrichtende macht van oordeel is dat de proefperiode niet geslaagd is, is artikel 77sexies van toepassing.
  Art. 55vicies/6. De nieuwe vaste benoeming betekent het ontslag uit het ambt waarvoor het personeelslid voorheen vast benoemd was en de onmiddellijke vaste benoeming in het nieuwe ambt, voor een overeenstemmend volume. In afwijking van de bepalingen over de vaste benoeming, vindt de nieuwe vaste benoeming plaats ongeacht of er een vacante betrekking in dat ambt beschikbaar is. De betrekking in het ambt waarin het personeelslid voorheen vast benoemd was, wordt een vacante betrekking vanaf de ingangsdatum van de nieuwe vaste benoeming.
  Als het een wervingsambt betreft, moet het personeelslid aan de voorwaarden beantwoorden voor vaste benoeming in het betrokken ambt zoals bepaald in artikel 36, § 1, met uitzondering van de punten 1°, 2° en 3°.
  Als het een selectie- of bevorderingsambt betreft, moet het personeelslid aan de voorwaarden beantwoorden voor toelating tot de proeftijd in het betrokken ambt zoals bepaald in artikel 46, artikel 46bis, § 1 en § 2, en artikel 47, § 1. In afwijking van artikel 48, § 1 en § 2, wordt het personeelslid meteen vast benoemd.
  In afwijking van de bepalingen over de vaste benoeming gaat voor een personeelslid als vermeld in artikel 55vicies/2 de nieuwe vaste benoeming uiterlijk in op de eerste dag van de maand voor de eerste verjaardag van de beslissing van MEDEX die aanleiding gegeven heeft tot de tewerkstelling in het desbetreffende ambt en voor een personeelslid als vermeld in artikel 55vicies/3 uiterlijk op de dag na het einde van de proefperiode.
  Na de nieuwe vaste benoeming is de regelgeving met betrekking tot het nieuwe ambt van vaste benoeming volledig op het personeelslid van toepassing.
  Art. 55vicies/7. Een nieuwe vaste benoeming zoals bepaald in artikel 55vicies/6 is eveneens mogelijk voor een personeelslid als vermeld in artikel 55vicies/5, § 1, aan wie geen proefperiode aangeboden kan worden omdat het personeelslid al deeltijds in het ambt vast benoemd is. De inrichtende macht bepaalt dan de ingangsdatum van de nieuwe vaste benoeming, die op de eerste dag van een maand moet liggen.".
Art. VII.13. Dans le même décret, il est inséré un chapitre Vquinquies/1, composé des articles 55vicies/1 à 55vicies/7 ainsi rédigés :
  " CHAPITRE Vquinquies/1. - Réinsertion après incapacité de travail définitive
  Section 1re. - Disposition générale
  Art. 55vicies/1. Ce chapitre est uniquement applicable aux membres du personnel, visés à l'article 2, § 1er, qui sont nommés à titre définitif suivant les dispositions du présent décret.
  Section 2. - Le membre du personnel qui, par une décision du MEDEX, a été déclaré définitivement inapte à l'exercice de ses activités habituelles mais apte à l'exercice de certaines fonctions spécifiques déterminées par le MEDEX
  Art. 55vicies/2. § 1er. Le membre du personnel nommé à titre définitif qui a été mis en disponibilité pour cause de maladie après épuisement du congé de maladie rémunéré, peut demander au pouvoir organisateur qu'une concertation ait lieu sur les possibilités d'emploi après l'incapacité de travail. Le pouvoir organisateur doit organiser au plus vite cette concertation et à cet effet il invite le conseiller en prévention-médecin du travail. La concertation entre le membre du personnel, le pouvoir organisateur et le conseiller en prévention-médecin du travail résulte en un avis du conseiller en prévention-médecin du travail, que celui-ci remet aux deux parties. Le pouvoir organisateur transmet immédiatement au MEDEX cet avis accompagné de la demande de prendre l'avis en considération lors du traitement du dossier de ce membre du personnel devant la commission des pensions.
  § 2. Lorsque le MEDEX décide que le membre du personnel est définitivement inapte à l'exercice de ses activités habituelles mais apte à l'exercice de certaines fonctions spécifiques déterminées par le MEDEX, le pouvoir organisateur organise immédiatement une nouvelle concertation avec le membre du personnel, et, si le membre du personnel en exprime le souhait, avec le conseiller en prévention-médecin du travail pour concrétiser la décision du MEDEX. Cette concertation doit conduire à une des conclusions suivantes :
  1° la mise au travail dans la fonction de nomination définitive après une adaptation de la description de fonction individualisée, telle que visée à l'article 73ter ;
  2° la mise au travail dans la fonction de nomination définitive après une adaptation de l'étendue de la nomination définitive, telle que visée à la section 4 ;
  3° la mise au travail dans une fonction autre que la fonction de nomination définitive, telle que visée à la section 5 ;
  4° aucune mise au travail n'est possible.
  La conclusion de la concertation est fixée dans un accord écrit entre le membre du personnel et le pouvoir organisateur. Si la conclusion est qu'aucun emploi n'est possible, l'article 77sexies est d'application. Cet article s'applique également si le membre du personnel et le pouvoir organisateur n'arrivent pas à un accord.
  Section 3. - Le membre du personnel qui fait usage de la procédure de reclassement telle que fixée dans la législation relative à la surveillance de la santé des travailleurs.
  Art. 55vicies/3. § 1er. La présente section est applicable au membre du personnel à titre définitif déclaré définitivement inapte à poursuivre le travail convenu par son médecin traitant et qui a recours à la procédure de reclassement telle que visée aux articles 39 à 41 de l'arrêté royal du 28 mai 2003 relatif à la surveillance de la santé des travailleurs.
  Le membre du personnel à titre définitif qui a été déclaré par son médecin traitant définitivement inapte à poursuivre le travail convenu peut faire usage de la procédure de reclassement. Lorsque le membre du personnel envoie l'attestation du médecin traitant au pouvoir organisateur afin de faire usage de son droit à une procédure de reclassement, le pouvoir organisateur est tenu d'organiser dans les meilleurs délais une concertation sur les possibilités d'un autre travail et les mesures d'adaptation des postes de travail. A cette concertation participent au moins :
  a) le pouvoir organisateur ;
  b) le membre du personnel ;
  c) le conseiller en prévention-médecin du travail.
  A l'issue de cette concertation, le conseiller en prévention-médecin du travail formule son avis au pouvoir organisateur, qu'il transmet également au membre du personnel.
  § 2. Si l'avis du conseiller en prévention-médecin du travail implique que le membre du personnel intéressé est suffisamment apte à exercer une autre fonction et si le pouvoir organisateur et le membre du personnel sont d'accord avec cet avis, le pouvoir organisateur et le membre du personnel intéressé concluent un accord écrit sur la forme de la mise au travail. Cette mise au travail peut prendre une des formes suivantes :
  1° la mise au travail dans la fonction de nomination définitive après une adaptation de la description de fonction individualisée, telle que visée à l'article 73ter ;
  2° la mise au travail dans la fonction de nomination définitive après une adaptation de la portée de la nomination définitive, telle que visée à la section 4 ;
  3° la mise au travail dans une fonction autre que la fonction de nomination définitive, telle que visée à la section 5.
  Si l'avis du conseiller en prévention-médecin du travail ne mène pas à un accord sur la mise au travail, l'article 77sexies est d'application.
  Section 4. - Mise au travail dans la fonction de nomination définitive par une limitation de la portée de la nomination définitive d'un enseignant
  Art. 55vicies/4. Pour autant que le membre du personnel est nommé à titre définitif dans la fonction d'enseignant, le pouvoir organisateur a la faculté de limiter, par dérogation à l'article 40bis, la portée de la nomination définitive du membre du personnel, visé à l'article 55vicies/2, § 2, 2°, et à l'article 55vicies/3, § 2, 2°, pour qui il a été décidé, après concertation, qu'il peut maintenir sa fonction de nomination définitive. Cela implique que qu'il détermine explicitement les cours, spécialités, formations ou modules qui ne font plus partie de la portée de la nomination définitive. Cette limitation de la portée de la nomination définitive ne peut avoir comme conséquence pour l'enseignant qu'aucun cours, spécialité, formation ou module ne fait plus partie de la nomination définitive. La limitation ne peut pas porter sur le volume de la nomination définitive.
  Le pouvoir organisateur définit la limitation de la portée de la nomination définitive d'un enseignant dans un accord écrit, visé aux articles 55vicies/2, § 2, et 55vicies/3, § 2. Le Gouvernement flamand détermine la façon dont la limitation de la portée de la nomination définitive est communiquée au domaine politique de l'Enseignement et de la Formation afin qu'elle puisse produire ses effets vis-à-vis de l'autorité. La portée adaptée de la nomination définitive est personnelle et opposable à des tiers.
  Section 5. - Mise au travail dans une fonction autre que la fonction de nomination définitive
  Art. 55vicies/5. § 1er. Au membre du personnel visé à l'article 55vicies/2, § 2, 3°, et à l'article 55vicies/3, § 2, 3°, pour lequel il a été convenu après concertation qu'une mise au travail dans une fonction autre que la fonction de nomination définitive est envisagée, le pouvoir organisateur prévoit une période d'essai de mise au travail dans l'autre emploi en vue d'une nouvelle nomination définitive.
  Cette période d'essai n'est possible que dans une fonction dans laquelle le membre du personnel n'est pas encore nommé à titre définitif. En outre, la période d'essai n'est possible que dans une fonction pour laquelle le membre du personnel remplit les conditions de désignation, telles que décrites au présent décret.
  Pour un membre du personnel tel que visé à l'article 55vicies/2, la période d'essai peut durer au maximum jusqu'à la veille de la première date anniversaire de la décision du MEDEX ayant donné lieu à la mise au travail dans la fonction concernée. Pour un membre du personnel tel que visé à l'article 55vicies/3, la période d'essai dure au minimum six mois et au maximum douze mois.
  Les accords sur la période d'essai sont fixés par écrit, conformément aux dispositions de l'article 55vicies/2, § 2, et de l'article 55vicies/3, § 2.
  § 2. Pendant la période d'essai, le membre du personnel est engagé dans un emploi non organique de la nouvelle fonction. Le membre du personnel est en activité de service et conserve le traitement lié à l'emploi dans la fonction de nomination définitive. Le pouvoir organisateur peut désigner un remplaçant dans cette fonction.
  § 3. Au plus tard deux mois avant la fin de la période d'essai, le pouvoir organisateur prend une décision sur la nouvelle nomination à titre définitif du membre du personnel. Il prend cette décision de concert avec le membre du personnel intéressé afin de déterminer la réussite ou l'échec de la période d'essai. Dans le cas où le pouvoir organisateur juge que le membre du personnel a réussi sa période d'essai, le membre du personnel est nommé à titre définitif conformément aux dispositions de l'article 55vicies/6. Dans le cas où le pouvoir organisateur jugerait que le membre du personnel n'a pas réussi sa période d'essai, l'article 77sexies s'applique.
  Art. 55vicies/6. La nouvelle nomination à titre définitif implique que le membre du personnel est démis de la fonction dans laquelle il avait été nommé auparavant et qu'il est nommé immédiatement dans la nouvelle fonction avec un volume correspondant. Par dérogation aux dispositions sur la nomination définitive, la nouvelle nomination à titre définitif a lieu qu'il y ait ou non une vacance d'emploi dans cette fonction. L'emploi dans la fonction dans laquelle le membre du personnel était nommé à titre définitif auparavant, devient un emploi vacant à partir de la date d'entrée en vigueur de la nouvelle nomination.
  S'il s'agit d'une fonction de recrutement, le membre du personnel doit répondre aux conditions de la nomination définitive dans la fonction concernée, prévues à l'article 36, § 1er, à l'exception des points 1°, 2° et 3°.
  S'il s'agit d'une fonction de sélection ou de promotion, le membre du personnel doit répondre aux conditions d'admission au stage dans la fonction concernée, visée aux articles 46, 46bis, § 1er et § 2, et 47, § 1er. Par dérogation à l'article 48, §§ 1er et 2, le membre du personnel est immédiatement nommé à titre définitif.
  Par dérogation aux dispositions relatives à la nomination définitive, la nouvelle nomination à titre définitif prend cours pour le membre du personnel visé à l'article 55vicies/2 au plus tard au premier jour du mois avant la première date anniversaire de la décision du MEDEX ayant donné lieu à la mise au travail dans la fonction concernée et pour le membre du personnel visé à l'article 55vicies/3 au plus tard au jour suivant la fin de la période d'essai.
  Après la nouvelle nomination définitive, la législation relative à la nouvelle fonction auquel se rapporte la nomination à titre définitif s'applique complètement au membre du personnel.
  Art. 55vicies/7. Une nouvelle nomination définitive comme prévue à l'article 55vicies/6 est également possible pour un membre du personnel tel que visé à l'article 55vicies/5, § 1er, auquel une période d'essai ne peut être offerte du fait qu'il est déjà nommé à titre définitif à temps partiel dans la fonction. Le pouvoir organisateur fixe ensuite la date d'entrée en vigueur de la nouvelle nomination définitive, qui doit tomber le premier jour d'un mois.
Art. VII.14. In artikel 56/2, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 12 juli 2013, wordt het derde lid vervangen door wat volgt:
  "De diensten die het personeelslid volgens de bepalingen van dit decreet of volgens de bepalingen van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs gepresteerd heeft in een ambt, betrekking, opleiding, module of vak bij de inrichtende macht waartoe de HBO5- of SLO-opleiding voor de overheveling behoorde, worden geacht ook gepresteerd te zijn in hetzelfde ambt, dezelfde betrekking, dezelfde opleiding, dezelfde module of hetzelfde vak bij de inrichtende macht waartoe de HBO5- of SLO-opleiding na de overheveling behoort.".
Art. VII.14. A l'article 56/2, § 1er, du même décret, inséré par le décret du 12 juillet 2013, le troisième alinéa est remplacé par la disposition suivante :
  " Les services que le membre du personnel a rendus, conformément aux dispositions du présent décret ou aux dispositions du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné, dans une fonction, un emploi, une formation, un module ou un cours auprès du pouvoir organisateur auquel appartenait la formation HBO 5 ou SLO avant le transfert, sont censés être rendus également dans la même fonction, le même emploi, la même formation, le même module ou le même cours auprès du pouvoir organisateur auquel appartient la formation HBO 5 ou SLO après le transfert. ".
Art. VII.15. In artikel 59bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 juli 1998 en vervangen bij het decreet van 14 februari 2003, worden de woorden "voor doorlopende duur." vervangen door de zinsnede "voor doorlopende duur en voor de personeelsleden die tijdelijk of waarnemend aangesteld zijn en ontslagen worden om dringende redenen volgens artikel 24 of artikel 52bis.".
Art. VII.15. Dans l'article 59bis du même décret, inséré par le décret du 14 juillet 1998 et remplacé par le décret du 14 février 2003, les mots " pour une durée ininterrompue " sont remplacés par le membre de phrase " pour une durée ininterrompue et aux membres du personnel qui sont désignés à titre intérimaire ou temporaire et sont licenciés pour motifs impérieux conformément à l'article 24 ou l'article 52bis. ".
Art. VII.16. In artikel 61, § 1, punt 7°, tweede lid, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 18 mei 1999, worden de woorden "een godsdienstleerkracht, een leermeester niet-confessionele zedenleer of leraar secundair onderwijs belast met niet-confessionele zedenleer" vervangen door de woorden "een leerkracht levensbeschouwelijk onderricht".
Art. VII.16. Dans l'article 61, § 1er, point 7°, deuxième alinéa, du même décret, remplacé par le décret du 18 mai 1999, les mots " un maître ou professeur de religion, un maître de morale non confessionnelle ou professeur de morale non confessionnelle ou un enseignant de l'enseignement secondaire chargés de la morale non confessionnelle " sont remplacés par les mots " un enseignant de cours philosophiques ".
Art. VII.17. In artikel 62bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 februari 2003, wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
  "Als het personeelslid ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking en met toepassing van de geldende decretale en reglementaire bepalingen gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is, oefent de raad van bestuur waarbij het personeelslid een opdracht verricht, voor die opdracht de tuchtmacht uit volgens de decretale en reglementaire bepalingen die ter zake van toepassing zijn. Als het gereaffecteerde of wedertewerkgestelde personeelslid de tuchtstraf ontslag of afzetting oploopt, kan de definitieve beslissing tot het ontslag of de afzetting ook betrekking hebben op de oorspronkelijke vaste benoeming, op voorwaarde dat de raad van bestuur, vermeld in artikel 62, § 1, van dit decreet, of de overheid, vermeld in artikel 68, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991, dat ontslag of die afzetting ten opzichte van de oorspronkelijke vaste benoeming bevestigt binnen de hierna vermelde termijnen. De raad van bestuur die de tuchtmacht uitoefent, deelt hiertoe vanaf het ogenblik dat de beslissing definitief is binnen een termijn van twintig kalenderdagen de definitieve beslissing tot ontslag of afzetting, in voorkomend geval de beslissing van de kamer van beroep, en het tuchtdossier waarop zij haar uitspraak heeft gesteund mee aan de raad van bestuur of aan de hiervoor vermelde overheid, die de oorspronkelijke vaste benoeming heeft uitgesproken. De raad van bestuur of de overheid die de oorspronkelijke vaste benoeming heeft uitgesproken, heeft na ontvangst van het dossier twintig kalenderdagen de tijd om aan het betrokken personeelslid mee te delen of zij de definitieve beslissing tot ontslag of afzetting al of niet bevestigt. Als de hiervoor vermelde raad van bestuur of overheid geen juridische verantwoordelijkheid meer draagt voor het personeelslid en er geen rechtsopvolger is aangeduid, beslist de kamer van beroep of de definitieve beslissing tot ontslag of afzetting al of niet betrekking heeft op de oorspronkelijke vaste benoeming. Als de definitieve beslissing tot ontslag of afzetting wordt bevestigd, kan het personeelslid tegen die beslissing geen nieuw beroep aantekenen bij de kamer van beroep.".
Art. VII.17. Dans l'article 62bis du même décret, inséré par le décret du 14 février 2003, le premier alinéa est remplacé par la disposition suivante :
  " Si le membre du personnel est mis en disponibilité par défaut d'emploi ou est réaffecté ou remis au travail par application des dispositions décrétales et réglementaires en vigueur, le conseil d'administration auprès duquel le membre du personnel remplit sa mission, exerce le pouvoir disciplinaire pour cette mission selon les dispositions décrétales et réglementaires applicables en la matière. Si une sanction disciplinaire ou révocation est imposée au membre du personnel réaffecté ou remis au travail, la décision définitive relative au licenciement ou à la révocation peut également porter sur la nomination définitive initiale, à condition que le conseil d'administration, visé à l'article 62, § 1er, du présent décret, ou l'autorité, visée à l'article 68, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné, confirme le licenciement ou la révocation vis-à-vis de la nomination définitive initiale dans les délais visés ci-après. Le conseil d'administration qui exerce le pouvoir disciplinaire communique à cet effet dans un délai de vingt jours calendaires dès qu'elle est définitive, la décision définitive de licenciement ou de révocation, le cas échéant, la décision de la chambre de recours, et le dossier disciplinaire sur lequel il s'est appuyé pour son prononcé, au conseil d'administration ou à l'autorité précitée qui a prononcé la nomination définitive initiale. Le conseil d'administration ou l'autorité qui a prononcé la nomination définitive initiale dispose d'un délai de vingt jours calendaires de la réception du dossier pour communiquer au membre du personnel intéressé s'il confirme ou non la décision définitive de licenciement ou de révocation. Si le conseil d'administration ou l'autorité précité ne porte plus de responsabilité juridique à l'égard du membre du personnel et si aucun ayant-droit n'a été désigné, la chambre de recours statue si la décision définitive de licenciement ou de révocation porte ou non sur la nomination définitive initiale. Si la décision définitive de licenciement ou de révocation est confirmée, le membre du personnel ne peut engager aucun nouveau recours contre cette décision auprès de la chambre de recours. ".
Art. VII.18. In artikel 73ter, § 8, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 13 juli 2007, worden de woorden "de godsdienstleerkracht, de leraar niet-confessionele zedenleer, de leraar secundair onderwijs belast met niet-confessionele zedenleer en de leermeester niet-confessionele zedenleer" vervangen door de woorden "de leerkracht levensbeschouwelijk onderricht".
Art. VII.18. A l'article 73ter, § 8, du même décret, inséré par le décret du 13 juillet 2007, les mots " les maîtres et professeurs de religion, les maîtres de morale non confessionnelle et les professeurs de morale non confessionnelle " sont remplacés par les mots " les enseignants de cours philosophiques ".
Art. VII.19. In artikel 73decies, § 3, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 13 juli 2007, worden de woorden "De godsdienstleerkracht, de leraar niet-confessionele zedenleer, de leraar secundair onderwijs belast met niet-confessionele zedenleer en de leermeester niet-confessionele zedenleer" vervangen door de woorden "de leerkracht levensbeschouwelijk onderricht".
Art. VII.19. A l'article 73decies, § 3, du même décret, inséré par le décret du 13 juillet 2007, les mots " Le professeur de religion, le professeur de morale non confessionnelle, le professeur de l'enseignement secondaire chargé de la morale non confessionnelle et le maître de morale non confessionnelle sont évalués " sont remplacés par les mots " L'enseignant de cours philosophiques est évalué ".
Art. VII.20. In artikel 77quater van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 februari 2003 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 19 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 2 wordt in het eerste lid het punt 4°, opgeheven door het decreet van 19 juli 2013, opnieuw opgenomen in de volgende lezing:
  "4° een opdracht in de vereniging die de rijdende kleuterschool Vlaanderen organiseert volgens de artikelen 168 en 169 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997;";
  2° [1 ...]1
  3° in paragraaf 3 worden in het tweede lid, 1°, de woorden "de wijze waarop het verband tussen de betrokken dienst/project en het belang van het onderwijs moet worden aangetoond;" geschrapt.
  
Art. VII.20. A l'article 77quater du même décret, inséré par le décret du 14 février 2003 et dernièrement modifié par le décret du 19 juillet 2013, sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans le paragraphe 2, premier alinéa, le point 4°, abrogé par le décret du 19 juillet 2013, est rétabli dans la rédaction suivante :
  " 4° une mission dans l'association organisée par l'école maternelle itinérante flamande suivant les articles 168 et 169 du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental ; " ;
  2° [1 ...]1
  3° dans le paragraphe 3, deuxième alinéa, 1°, les mots " la façon dont la relation entre la prestation/le projet concerné et l'intérêt pour l'enseignement doit être démontrée ; " sont supprimés.
  
Art. VII.21. In hetzelfde decreet wordt een artikel 77sexies ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 77sexies. Na uitputting van de krachtens de wet of het decreet voorgeschreven procedures tot re-integratie of wedertewerkstelling, en met behoud van de bepalingen over verlof en terbeschikkingstelling, kan de raad van bestuur een vast benoemd personeelslid als vermeld in artikel 55vicies/2 of artikel 55vicies/3 de uitoefening van zijn ambt ontzeggen.".
Art. VII.21. Dans le même décret, il est inséré un article 77sexies, rédigé comme suit :
  " Art. 77sexies. Après épuisement des procédures de reclassement ou de remise au travail prescrites par la loi ou le décret, et sans préjudice des dispositions relatives au congé et à la mise en disponibilité, le conseil d'administration peut priver un membre du personnel à titre définitif visé à l'article 55vicies/2 ou à l'article 55vicies/3 de l'exercice de sa fonction. ".
Art. VII.22. In artikel 86, eerste lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 18 mei 1999, 13 juli 2001, 13 juli 2007 en 4 juli 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° punt 5° wordt vervangen door wat volgt:
  "5° als ze worden toegelaten tot het definitief vroegtijdig pensioen wegens gezondheidsredenen of lichamelijke ongeschiktheid;";
  2° punt 8° wordt opgeheven;
  3° in punt 9° worden de woorden "de godsdienstleerkracht, de leermeester niet-confessionele zedenleer, de leraar niet-confessionele zedenleer of de leraar secundair onderwijs belast met niet-confessionele zedenleer" vervangen door de woorden "de leerkracht levensbeschouwelijk onderricht".
Art. VII.22. A l'article 86, alinéa premier, du même décret, modifié par les décrets des 18 mai 1999, 13 juillet 2001, 13 juillet 2007 et 4 juillet 2008, sont apportées les modifications suivantes :
  1° le point 5° est remplacé par ce qui suit :
  " 5° s'ils sont admis à une pension de retraite anticipée définitive pour motif de santé ou d'inaptitude physique ; " ;
  2° le point 8° est abrogé ;
  3° dans le point 9°, les mots : " du professeur de religion, du maître de morale non confessionnelle, du professeur de morale non confessionnelle ou du professeur de l'enseignement secondaire chargé de la morale non confessionnelle " sont remplacés par les mots " de l'enseignant de cours philosophiques ".
Afdeling II. - Decreet betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding
Section II. - Décret relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres d'encadrement des élèves subventionnés
Art. VII.23. In artikel 4 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 mei 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, a), wordt het woord "godsdienstleerkrachten" vervangen door de woorden "leerkrachten levensbeschouwelijk onderricht";
  2° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 3. Met behoud van de toepassing van de bepalingen van dit decreet wordt een leerkracht levensbeschouwelijk onderricht door de inrichtende macht tijdelijk aangesteld of vast benoemd, op voordracht van de bevoegde instantie van de godsdienst of betrokken eredienst of op voordracht van de bevoegde instantie van de niet-confessionele zedenleer. De leerkracht levensbeschouwelijk onderricht kan alleen door de inrichtende macht uit zijn ambt worden ontheven via een met reden omkleed voorstel of met instemming van de bevoegde instantie van de godsdienst of betrokken eredienst respectievelijk de bevoegde instantie van de niet-confessionele zedenleer.
  De bepalingen van deze titel die specifiek van toepassing zijn op een leerkracht levensbeschouwelijk onderricht, zijn alleen van toepassing op de personeelsleden die hun leeropdracht in die hoedanigheid uitoefenen.";
  3° paragraaf 4 wordt opgeheven.
Art. VII.23. A l'article 4 du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres subventionnés d'encadrement des élèves, modifié en dernier lieu par le décret du 8 mai 2009, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au paragraphe 1, a), les mots " les maîtres et professeurs de religion " sont remplacés par les mots " les enseignants de cours philosophiques " ;
  2° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
  " § 3. Sans préjudice de l'application des dispositions du présent décret, l'enseignant de cours philosophiques est désigné à titre temporaire ou nommé à titre définitif par le pouvoir organisateur, sur la proposition de l'instance compétente de la religion et ou du culte concerné ou sur la proposition de l'instance compétente de la morale non confessionnelle. L'enseignant de cours philosophiques ne peut être démis de ses fonctions que par le pouvoir organisateur sur proposition motivée ou moyennant le consentement de l'instance compétente de la religion et ou du culte concerné respectivement l'instance compétente de la morale non confessionnelle.
  Les dispositions du présent titre qui sont spécifiquement applicables à l'enseignant de cours philosophiques, sont uniquement applicables aux membres du personnel qui accomplissent leur charge d'enseignement en cette qualité. " ;
  3° le paragraphe 4 est abrogé.
Art. VII.24. Aan artikel 5 van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 19 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° punt 10° wordt vervangen door wat volgt:
  "10° godsdienstleerkracht: de leermeester godsdienst en de godsdienstleraar;";
  2° een punt 29°, 30° en 31° worden toegevoegd, die luiden als volgt:
  "29° leerkracht levensbeschouwelijk onderricht: de godsdienstleerkracht, de leermeester niet-confessionele zedenleer en de leraar niet-confessionele zedenleer;
  30° MEDEX: de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, Medische Expertise, cel Pensioenen;
  31° preventieadviseur-arbeidsgeneesheer: de preventieadviseur deskundig in arbeidsgeneeskunde verbonden aan de externe Dienst voor Preventie en Bescherming op het werk zoals bepaald in het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk.".
Art. VII.24. A l'article 5 du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 19 juillet 2013, sont apportées les modifications suivantes :
  1° le point 10° est remplacé par ce qui suit :
  " 10° enseignant de religion : le maître et professeur de religion ; " ;
  2° il est ajouté des points 29°, 30° et 31° ainsi rédigés :
  " 29° enseignant de cours philosophiques : le maître et professeur de religion, le maître de morale non confessionnelle et le professeur de morale non confessionnelle ;
  30° MEDEX : le Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement, Expertise médicale, cellule Pensions ;
  31° conseiller en prévention-médecin du travail : le conseiller en prévention expert en médecine du travail attaché au Service externe pour la Prévention et la Protection au travail, tel que prévu par l'arrêté royal du 27 mars 1998 relatif au service externe pour la prévention et la protection au travail. ".
Art. VII.25. In artikel 25 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 13 juli 2007, 8 mei 2009 en 21 december 2012, wordt het vierde lid vervangen door wat volgt:
  "Het personeelslid kan binnen vijf kalenderdagen na de ontvangst van het ontslag om dringende redenen met een aangetekende brief beroep aantekenen bij de bevoegde kamer van beroep, vermeld in artikel 69. Als het personeelslid het ontslag ontvangt tijdens een periode van ten minste zeven opeenvolgende vakantiedagen, wordt de voormelde periode van vijf kalenderdagen verlengd met de duur van de vakantieperiode. De inrichtende macht moet vanaf het moment waarop het ontslag gegeven is, het personeelslid met onmiddellijke ingang preventief schorsen bij hoogdringendheid conform artikel 67. Die preventieve schorsing beslaat de periode vanaf het ogenblik dat de beslissing tot preventieve schorsing bij hoogdringendheid aan het betrokken personeelslid is meegedeeld, tot het ogenblik dat de beroepsprocedure is beëindigd, waarbij die periode nooit langer kan zijn dan de oorspronkelijke tijdelijke aanstelling waarop het ontslag betrekking heeft. Als het personeelslid geen beroep aantekent, beslaat de preventieve schorsing de periode vanaf het ogenblik dat de beslissing tot preventieve schorsing bij hoogdringendheid aan het betrokken personeelslid is meegedeeld, tot het ogenblik dat de termijn om beroep aan te tekenen verstreken is.".
Art. VII.25. A l'article 25 du même décret, modifié par les décrets des 13 juillet 2007, 8 mai 2009 et 21 décembre 2012, le quatrième alinéa est remplacé par ce qui suit :
  " Dans les cinq jours calendaires de la réception du licenciement pour motifs impérieux par lettre recommandée, le membre du personnel peut introduire un recours auprès de la chambre de recours compétente, visée à l'article 69. Lorsque le licenciement est reçu au cours d'une période d'au moins sept jours de vacances consécutifs, la période précitée de cinq jours calendaires est prolongée de la durée de la période de vacances. Le pouvoir organisateur doit prononcer, à partir du moment auquel le membre du personnel est licencié, la suspension préventive d'urgence et avec effet immédiat conformément à l'article 67. Cette suspension préventive couvre la période allant du moment où le membre du personnel concerné est informé de la décision de suspension préventive d'urgence jusqu'à la fin de la procédure de recours, étant entendu que cette période ne peut jamais être supérieure à la désignation temporaire initiale à laquelle se rapporte le licenciement. Si le membre du personnel n'introduit pas de recours, la suspension préventive couvre la période allant du moment où le membre du personnel concerné est informé de la décision de suspension préventive d'urgence jusqu'à l'expiration du délai d'introduction du recours. "
Art. VII.26. In artikel 33, § 1, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 9 juli 2010 en gewijzigd bij het decreet van 1 juli 2011, worden in punt 3° de woorden "in toepassing van artikel 5, § 1bis, § 1ter of § 1quater, van het decreet" vervangen door de woorden "in toepassing van artikel 5, § 1ter, van het decreet".
Art. VII.26. Dans l'article 33, § 1er, du même décret, remplacé par le décret du 9 juillet 2010 et modifié par le décret du 1er juillet 2011, les mots dans le point 3° " en application de l'article 5, § 1bis, § 1ter ou § 1quater du décret " sont remplacés par les mots " en application de l'article 5, § 1ter, du décret ".
Art. VII.27. In artikel 42, § 6, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 8 mei 2009, wordt het vierde lid vervangen door wat volgt:
  "Het personeelslid kan binnen vijf kalenderdagen na de ontvangst van het ontslag om dringende redenen met een aangetekende brief beroep aantekenen bij de bevoegde kamer van beroep, vermeld in artikel 69. Als het personeelslid het ontslag ontvangt tijdens een periode van ten minste zeven opeenvolgende vakantiedagen, wordt de voormelde periode van vijf kalenderdagen verlengd met de duur van de vakantieperiode. De inrichtende macht moet vanaf het moment waarop het ontslag gegeven wordt, het personeelslid met onmiddellijke ingang preventief schorsen bij hoogdringendheid conform artikel 67. Die preventieve schorsing beslaat de periode vanaf het ogenblik dat de beslissing tot preventieve schorsing bij hoogdringendheid aan het betrokken personeelslid is meegedeeld, tot het ogenblik dat de beroepsprocedure is beëindigd, waarbij die periode nooit langer kan zijn dan de oorspronkelijke tijdelijke aanstelling waarop het ontslag betrekking heeft. Als het personeelslid geen beroep aantekent, beslaat de preventieve schorsing de periode vanaf het ogenblik dat de beslissing tot preventieve schorsing bij hoogdringendheid aan het betrokken personeelslid is meegedeeld, tot het ogenblik dat de termijn om beroep aan te tekenen verstreken is.".
Art. VII.27. A l'article 42, § 6 du même décret, inséré par le décret du 8 mai 2009, le quatrième alinéa est remplacé par la disposition suivante :
  " Dans les cinq jours calendaires de la réception du licenciement pour motifs impérieux par lettre recommandée, le membre du personnel peut introduire un recours auprès de la chambre de recours compétente, visée à l'article 69. Lorsque le licenciement est reçu au cours d'une période d'au moins sept jours de vacances consécutifs, la période précitée de cinq jours calendaires est prolongée de la durée de la période de vacances. Le pouvoir organisateur doit prononcer, à partir du moment auquel le membre du personnel est licencié, la suspension préventive d'urgence et avec effet immédiat conformément à l'article 67. Cette suspension préventive couvre la période allant du moment où le membre du personnel concerné est informé de la décision de suspension préventive d'urgence jusqu'à la fin de la procédure de recours, étant entendu que cette période ne peut jamais être supérieure à la désignation temporaire initiale à laquelle se rapporte le licenciement. Si le membre du personnel n'introduit pas de recours, la suspension préventive couvre la période allant du moment où le membre du personnel concerné est informé de la décision de suspension préventive d'urgence jusqu'à l'expiration du délai d'introduction du recours. "
Art. VII.28. In hetzelfde decreet wordt een hoofdstuk IVquinquies/1, dat bestaat uit artikel 44quinquies decies/1 tot en met 44quinquies decies/7, ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "HOOFDSTUK IVquinquies/1. - Herinschakeling na definitieve arbeidsongeschiktheid
  Afdeling 1. - Algemene bepaling
  Art. 44quinquiesdecies/1. Dit hoofdstuk is alleen van toepassing op de personeelsleden, vermeld in artikel 4, § 1, die in vast verband benoemd zijn volgens de bepalingen van dit decreet.
  Afdeling 2. - Personeelslid dat bij beslissing van MEDEX definitief ongeschikt bevonden is om zijn gewone werkzaamheden uit te oefenen, maar wel geschikt bevonden is voor specifieke functies die door MEDEX worden bepaald
  Art. 44quinquiesdecies/2. § 1. Het vast benoemde personeelslid dat na uitputting van het bezoldigd ziekteverlof ter beschikking gesteld wordt wegens ziekte, kan zijn inrichtende macht verzoeken om een overleg over de mogelijkheden tot tewerkstelling na arbeidsongeschiktheid. De inrichtende macht moet dat overleg zo spoedig mogelijk organiseren en nodigt daartoe de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer uit. Het overleg tussen het personeelslid, de inrichtende macht en de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer resulteert in een advies van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer, dat aan beide partijen wordt bezorgd. De inrichtende macht richt dat advies onmiddellijk aan MEDEX, met de vraag om dat advies mee in overweging te nemen bij het behandelen van het dossier van dat personeelslid voor de pensioencommissie.
  § 2. Als MEDEX beslist dat het personeelslid definitief ongeschikt is om zijn gewone werkzaamheden uit te oefenen, maar wel geschikt bevonden is voor specifieke functies die door MEDEX worden bepaald, organiseert de inrichtende macht onmiddellijk opnieuw een overleg met het personeelslid en, indien het personeelslid hierom verzoekt, de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer, om de beslissing van MEDEX te concretiseren. Dat overleg moet leiden tot een van volgende conclusies:
  1° tewerkstelling in het ambt van vaste benoeming na een aanpassing van de geïndividualiseerde functiebeschrijving zoals bepaald in artikel 47sexies;
  2° tewerkstelling in het ambt van vaste benoeming na een aanpassing van de draagwijdte van de vaste benoeming zoals bepaald in afdeling 4;
  3° tewerkstelling in een ander ambt dan het ambt van vaste benoeming zoals bepaald in afdeling 5;
  4° geen tewerkstelling is mogelijk.
  De conclusie van het overleg wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen het personeelslid en de inrichtende macht. Als de conclusie luidt dat geen tewerkstelling mogelijk is, is artikel 51sexies van toepassing. Dat artikel is ook van toepassing als het personeelslid en de inrichtende macht niet tot een overeenkomst komen.
  Afdeling 3. - Personeelslid dat een beroep doet op de procedure tot re-integratie zoals bepaald in de wetgeving over het gezondheidstoezicht op de werknemers
  Art. 44quinquiesdecies/3. § 1. Deze afdeling is van toepassing op het vast benoemde personeelslid dat door zijn behandelende arts definitief arbeidsongeschikt verklaard is voor het overeengekomen werk, en dat een beroep doet op de procedure tot re-integratie zoals bepaald in artikel 39 tot 41 van het koninklijk besluit van 28 mei 2003 betreffende het gezondheidstoezicht op de werknemers.
  Het vast benoemde personeelslid dat door zijn behandelende arts definitief arbeidsongeschikt verklaard is voor het overeengekomen werk, kan bij de inrichtende macht een beroep doen op de procedure tot re-integratie. wanneer het personeelslid zich met het attest van zijn behandelende arts tot de inrichtende macht richt om zijn recht op een re-integratieprocedure te laten gelden, moet de inrichtende macht zo spoedig mogelijk een overleg organiseren over de mogelijkheden voor ander werk en de maatregelen voor aanpassing van de werkposten. Aan dat overleg nemen minstens deel:
  a) de inrichtende macht;
  b) het personeelslid;
  c) de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer.
  Na dat overleg formuleert de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer zijn advies aan de inrichtende macht, dat hij ook aan het personeelslid bezorgt.
  § 2. Als het advies van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer inhoudt dat het betrokken personeelslid voldoende geschikt is om een andere functie uit te oefenen en als de inrichtende macht en het personeelslid ermee akkoord gaan om dat advies te volgen, sluiten de inrichtende macht en het betrokken personeelslid een schriftelijke overeenkomst betreffende de vorm van tewerkstelling. Die tewerkstelling kan onder een van de volgende vormen:
  1° tewerkstelling in het ambt van benoeming na aanpassing van de geïndividualiseerde functiebeschrijving zoals bepaald in artikel 47sexies;
  2° tewerkstelling in het ambt van vaste benoeming na een aanpassing van de draagwijdte van de vaste benoeming zoals bepaald in afdeling 4;
  3° tewerkstelling in een ander ambt dan het ambt van vaste benoeming zoals bepaald in afdeling 5.
  Als het advies van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer niet leidt tot een overeenkomst over tewerkstelling, is artikel 51sexies van toepassing.
  Afdeling 4. - Tewerkstelling in het ambt van vaste benoeming via inperking van de draagwijdte van de vaste benoeming van een leraar
  Art. 44quinquiesdecies/4. Voor het personeelslid, vermeld in artikel 44quinquies decies/2, § 2, 2°, en artikel 44quinquies decies/3, § 2, 2°, voor wie na overleg is overeengekomen dat hij tewerkgesteld kan blijven in het ambt van vaste benoeming, kan de inrichtende macht voor zover het personeelslid vast benoemd is in het ambt van leraar, in afwijking van artikel 32 of 32bis, de draagwijdte van de vaste benoeming inperken. Dat houdt in dat zij uitdrukkelijk vastlegt welke vakken, specialiteiten, opleidingen of modules niet langer tot de draagwijdte van de vaste benoeming behoren. Die inperking van de draagwijdte van de vaste benoeming mag niet als gevolg hebben dat voor de leraar geen enkel vak, specialiteit, opleiding of module nog tot de draagwijdte van de vaste benoeming behoort. De inperking kan niet slaan op het volume van de vaste benoeming.
  De inrichtende macht legt de inperking van de draagwijdte van de vaste benoeming van een leraar vast in de schriftelijke overeenkomst, vermeld in artikel 44quinquies decies/2, § 2, en artikel 44quinquies decies/3, § 2. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de inperking van de draagwijdte van de vaste benoeming meegedeeld wordt aan het beleidsdomein Onderwijs en Vorming opdat zij uitwerking zou hebben ten aanzien van de overheid. De aangepaste draagwijdte van de vaste benoeming is persoonsgebonden en is tegenstelbaar aan derden.
  Afdeling 5. - Tewerkstelling in een ander ambt dan het ambt van vaste benoeming
  Art. 44quinquiesdecies/5. § 1. Aan het personeelslid, vermeld in artikel 44quinquies decies/2, § 2, 3°, en artikel 44quinquies decies/3, § 2, 3°, voor wie na overleg is overeengekomen dat een tewerkstelling in een ander ambt dan het ambt van vaste benoeming beoogd wordt, biedt de inrichtende macht een proefperiode van tewerkstelling in dat andere ambt aan met het oog op een nieuwe vaste benoeming.
  Die proefperiode is alleen mogelijk in een ambt waarin het personeelslid nog niet vast benoemd is. Bovendien is de proefperiode alleen mogelijk in een ambt waarvoor het personeelslid aan de aanstellingsvoorwaarden beantwoordt als vermeld in dit decreet.
  Voor een personeelslid als vermeld in artikel 44quinquies decies/2 kan de proefperiode maximaal duren tot de dag voor de eerste verjaardag van de beslissing van MEDEX die aanleiding gegeven heeft tot de tewerkstelling in het desbetreffende ambt. Voor een personeelslid als vermeld in artikel 44quinquies decies/3 duurt de proefperiode minimaal zes maanden en maximaal twaalf maanden.
  De afspraken betreffende de proefperiode worden vastgelegd in de schriftelijke overeenkomst, vermeld in artikel 44quinquies decies/2, § 2, en artikel 44quinquies decies/3, § 2.
  § 2. Tijdens de proefperiode wordt het personeelslid tewerkgesteld in een niet-organieke betrekking van het nieuwe ambt. Het personeelslid is in dienstactiviteit en behoudt de salaristoelage die verbonden is aan zijn betrekking in het ambt van vaste benoeming. De inrichtende macht kan in die betrekking een vervanger aanstellen.
  § 3. Uiterlijk twee maanden voor het einde van de proefperiode neemt de inrichtende macht een beslissing over de nieuwe vaste benoeming van het personeelslid. Ze neemt die beslissing na een overleg met het betrokken personeelslid om vast te stellen of de proefperiode geslaagd is of niet. Als de inrichtende macht van oordeel is dat de proefperiode geslaagd is, wordt het personeelslid vast benoemd, zoals bepaald in artikel 44quinquies decies/6. Als de inrichtende macht van oordeel is dat de proefperiode niet geslaagd is, is artikel 51sexies van toepassing.
  Art. 44quinquiesdecies/6. De nieuwe vaste benoeming betekent het ontslag uit het ambt waarvoor het personeelslid voorheen vast benoemd was en de onmiddellijke vaste benoeming in het nieuwe ambt, voor een overeenstemmend volume. In afwijking van de bepalingen over de vaste benoeming, vindt de nieuwe vaste benoeming plaats ongeacht of er een vacante betrekking in dat ambt beschikbaar is. De betrekking in het ambt waarin het personeelslid voorheen vast benoemd was, wordt een vacante betrekking vanaf de ingangsdatum van de nieuwe vaste benoeming.
  Als het een wervingsambt betreft, moet het personeelslid aan de voorwaarden beantwoorden voor vaste benoeming in het betrokken ambt zoals bepaald in artikel 31, § 1, met uitzondering van de punten 1°, 2° en 3°.
  Als het een selectie- of bevorderingsambt betreft, moet het personeelslid aan de voorwaarden beantwoorden voor vaste benoeming in het betrokken ambt zoals bepaald in artikel 40, artikel 40bis, § 1 en § 2, en artikel 41, § 1.
  In afwijking van de bepalingen over de vaste benoeming gaat voor een personeelslid als vermeld in artikel 44quinquies decies/2 de nieuwe vaste benoeming uiterlijk in op de eerste dag van de maand voor de eerste verjaardag van de beslissing van MEDEX die aanleiding gegeven heeft tot de tewerkstelling in het desbetreffende ambt en voor een personeelslid als vermeld in artikel 44quinquies decies/3 uiterlijk op de dag na het einde van de proefperiode.
  Na de nieuwe vaste benoeming is de regelgeving met betrekking tot het nieuwe ambt van vaste benoeming volledig op het personeelslid van toepassing.
  Art. 44quinquiesdecies/7. Een nieuwe vaste benoeming zoals bepaald in artikel 44quinquies decies/6 is eveneens mogelijk voor een personeelslid als vermeld in artikel 44quinquies decies/5, § 1, aan wie geen proefperiode aangeboden kan worden omdat het personeelslid al deeltijds in het ambt vast benoemd is. De inrichtende macht bepaalt dan de ingangsdatum van de nieuwe vaste benoeming, die op de eerste dag van een maand moet liggen.".
Art. VII.28. Dans le même décret, il est inséré un chapitre IVquinquies/1, composé des articles 44quinquies decies/1 à 44quinquies decies/7, ainsi rédigés :
  " Chapitre IVquinquies/1. - Réinsertion après incapacité de travail définitive
  Section 1re. - Disposition générale
  Art. 44quinquiesdecies/1. Ce chapitre est uniquement applicable aux membres du personnel, visés à l'article 4, § 1er, qui sont nommés à titre définitif suivant les dispositions du présent décret.
  Section 2. Le membre du personnel qui, par une décision du MEDEX, a été déclaré définitivement inapte à l'exercice de ses activités habituelles mais apte à l'exercice de certaines fonctions spécifiques déterminées par le MEDEX
  Art. 44quinquiesdecies/2. § 1er. Le membre du personnel nommé à titre définitif qui a été mis en disponibilité pour cause de maladie après épuisement du congé de maladie rémunéré, peut demander au pouvoir organisateur qu'une concertation ait lieu sur les possibilités d'emploi après l'incapacité de travail. Le pouvoir organisateur doit organiser au plus vite cette concertation et à cet effet il invite le conseiller en prévention-médecin du travail. La concertation entre le membre du personnel, le pouvoir organisateur et le conseiller en prévention-médecin du travail résulte en un avis du conseiller en prévention-médecin du travail, que celui-ci remet aux deux parties. Le pouvoir organisateur transmet immédiatement au MEDEX cet avis accompagné de la demande de prendre l'avis en considération lors du traitement du dossier de ce membre du personnel devant la commission des pensions.
  § 2. Lorsque le MEDEX décide que le membre du personnel est définitivement inapte à l'exercice de ses activités habituelles mais apte à l'exercice de certaines fonctions spécifiques déterminées par le MEDEX, le pouvoir organisateur organise immédiatement une nouvelle concertation avec le membre du personnel, et, si le membre du personnel en exprime le souhait, avec le conseiller en prévention-médecin du travail pour concrétiser la décision du MEDEX. Cette concertation doit conduire à une des conclusions suivantes :
  1° la mise au travail dans la fonction de nomination définitive après une adaptation de la description de fonction individualisée, telle que visée à l'article 47sexies ;
  2° la mise au travail dans la fonction de nomination définitive après une adaptation de la portée de la nomination définitive, telle que visée à la section 4 ;
  3° la mise au travail dans une fonction autre que la fonction de nomination définitive, telle que visée à la section 5 ;
  4° aucune mise au travail n'est possible.
  La conclusion de la concertation est fixée dans un accord écrit entre le membre du personnel et le pouvoir organisateur. Si la conclusion est qu'aucune mise au travail n'est possible, l'article 51sexies est d'application. Cet article s'applique également si le membre du personnel et le pouvoir organisateur n'arrivent pas à un accord.
  Section 3. - Le membre du personnel qui fait usage de la procédure de reclassement telle que fixée dans la législation relative à la surveillance de la santé des travailleurs.
  Art. 44quinquiesdecies/3. § 1er. La présente section est applicable au membre du personnel à titre définitif déclaré définitivement inapte à poursuivre le travail convenu par son médecin traitant et qui a recours à la procédure de reclassement telle que visée aux articles 39 à 41 de l'arrêté royal du 28 mai 2003 relatif à la surveillance de la santé des travailleurs.
  Le membre du personnel à titre définitif qui a été déclaré par son médecin traitant définitivement inapte à poursuivre le travail convenu peut faire usage de la procédure de reclassement. Lorsque le membre du personnel envoie l'attestation du médecin traitant au pouvoir organisateur afin de faire usage de son droit à une procédure de reclassement, le pouvoir organisateur est tenu d'organiser dans les meilleurs délais une concertation sur les possibilités d'un autre travail et les mesures d'adaptation des postes de travail. A cette concertation participent au moins :
  a) le pouvoir organisateur ;
  b) le membre du personnel ;
  c) le conseiller en prévention-médecin du travail.
  A l'issue de cette concertation, le conseiller en prévention-médecin du travail formule son avis au pouvoir organisateur, qu'il transmet également au membre du personnel.
  § 2. Si l'avis du conseiller en prévention-médecin du travail implique que le membre du personnel intéressé est suffisamment apte à exercer une autre fonction et si le pouvoir organisateur et le membre du personnel sont d'accord avec cet avis, le pouvoir organisateur et le membre du personnel intéressé concluent un accord écrit sur la forme de la mise au travail. Cette mise au travail peut prendre une des formes suivantes :
  1° la mise au travail dans la fonction de nomination définitive après une adaptation de la description de fonction individualisée, telle que visée à l'article 47sexies ;
  2° la mise au travail dans la fonction de nomination définitive après une adaptation de la portée de la nomination définitive, telle que visée à la section 4 ;
  3° la mise au travail dans une fonction autre que la fonction de nomination définitive, telle que visée à la section 5.
  Si l'avis du conseiller en prévention-médecin du travail ne mène pas à un accord sur la mise au travail, l'article 51sexies est d'application.
  Section 4. - Mise au travail dans la fonction de nomination définitive par une limitation de la portée de la nomination définitive d'un enseignant
  Art. 44quinquiesdecies/4. Pour autant que le membre du personnel, est nommé à titre définitif dans la fonction d'enseignant, le pouvoir organisateur a la faculté de limiter, par dérogation à l'article 32 ou 32bis, le volume de la nomination définitive du membre du personnel, visé à l'article 44quinquies decies/2, § 2, 2°, et l'article 44quinquies decies/3, § 2, 2°, pour lequel le maintien de cette fonction a été convenu après concertation. Cela implique que qu'il détermine explicitement les cours, spécialités, formations ou modules qui ne font plus partie de la portée de la nomination définitive. Cette limitation de la portée de la nomination définitive ne peut avoir comme conséquence pour l'enseignant qu'aucun cours, spécialité, formation ou module ne fait plus partie de la nomination définitive. La limitation ne peut pas porter sur le volume de la nomination définitive.
  Le pouvoir organisateur définit la limitation de la portée de la nomination définitive d'un enseignant dans un accord écrit, visé aux articles 44quinquies decies/2, § 2, et 44quinquies decies/3, § 2. Le Gouvernement flamand détermine la façon dont la limitation de la portée de la nomination définitive est communiquée au domaine politique de l'Enseignement et de la Formation afin qu'elle puisse produire ses effets vis-à-vis de l'autorité. La portée adaptée de la nomination définitive est personnelle et opposable à des tiers.
  Section 5. - Mise au travail dans une fonction autre que la fonction de nomination définitive
  Art. 44quinquies. decies/5. § 1er. Pour le membre du personnel visé à l'article 44quinquies decies, § 2, 3°, et à l'article 44quinquies decies/3, § 2, 3°, pour lequel il a été convenu qu'une mise au travail dans une fonction autre que la fonction de nomination définitive est envisagée, le pouvoir organisateur prévoit une période d'essai dans l'autre emploi en vue d'une nouvelle nomination définitive.
  Cette période d'essai n'est possible que dans une fonction dans laquelle le membre du personnel n'est pas encore nommé à titre définitif. En outre, la période d'essai n'est possible que dans une fonction pour laquelle le membre du personnel remplit les conditions de désignation, telles que décrites au présent décret.
  Pour un membre du personnel tel que visé à l'article 44quinquies decies/2, la période d'essai peut durer au maximum jusqu'à la veille de la première date anniversaire de la décision du MEDEX ayant donné lieu à la mise au travail dans la fonction concernée. Pour un membre du personnel tel que visé à l'article 44quinquies decies/3, la période d'essai est de six mois au minimum et de douze mois au maximum.
  Les accords sur la période d'essai sont fixés par écrit, conformément aux dispositions de l'article 44quinquies decies/2, § 2, et de l'article 44quinquies decies/3, § 2.
  § 2. Pendant la période d'essai, le membre du personnel est engagé dans un emploi non organique de la nouvelle fonction. Le membre du personnel est en activité de service et conserve le traitement attaché à son emploi dans la fonction de nomination définitive. Le pouvoir organisateur peut désigner un remplaçant dans cette fonction.
  § 3. Au plus tard deux mois avant la fin de la période d'essai, le pouvoir organisateur prend une décision sur la nouvelle nomination à titre définitif du membre du personnel. Il prend cette décision de concert avec le membre du personnel intéressé afin de déterminer la réussite ou l'échec de la période d'essai. Si le pouvoir organisateur juge que la période d'essai est réussie, le membre du personnel est nommé à titre définitif conformément aux dispositions de l'article 44quinquies decies/6. Si le pouvoir organisateur juge que la période d'essai n'est pas réussie, l'article 51sexies s'applique.
  Art. 44quinquies. decies/6. La nouvelle nomination à titre définitif implique que le membre du personnel est démis de la fonction dans laquelle il avait été nommé auparavant et qu'il est nommé immédiatement dans la nouvelle fonction avec un volume correspondant. Par dérogation aux dispositions sur la nomination définitive, la nouvelle nomination à titre définitif a lieu qu'il y ait ou non une vacance d'emploi dans cette fonction. L'emploi dans la fonction dans laquelle le membre du personnel était nommé à titre définitif auparavant, devient un emploi vacant à partir de la date d'entrée en vigueur de la nouvelle nomination.
  S'il s'agit d'une fonction de recrutement, le membre du personnel doit répondre aux conditions de la nomination définitive dans la fonction concernée, prévues à l'article 31, § 1er, à l'exception des points 1°, 2° et 3°.
  S'il s'agit d'une fonction de sélection ou de promotion, le membre du personnel doit répondre aux conditions d'admission à la nomination définitive dans la fonction concernée visée aux articles 40, 40bis, § 1er et § 2, et 41, § 1er.
  Par dérogation aux dispositions relatives à la nomination définitive, la nouvelle nomination à titre définitif prend cours pour le membre du personnel visé à l'article 44quinquies decies/2 au plus tard au premier jour du mois avant la première date anniversaire de la décision du MEDEX ayant donné lieu à la mise au travail dans la fonction concernée et pour le membre du personnel visé à l'article 55vicies/3 au plus tard au jour suivant la période d'essai.
  Après la nouvelle nomination définitive, la législation relative à la nouvelle fonction de la nomination à titre définitif s'applique complètement au membre du personnel.
  Art. 44quinquiesdecies/7. Une nouvelle nomination définitive comme prévue à l'article 44quinquies decies/6 est également possible pour un membre du personnel tel que visé à l'article 44quinquies decies/5, § 1er, auquel une période d'essai ne peut être offerte du fait qu'il est déjà nommé à titre définitif à temps partiel dans la fonction. Le pouvoir organisateur fixe ensuite la date d'entrée en vigueur de la nouvelle nomination définitive, qui doit tomber le premier jour d'un mois. ".
Art. VII.29. In artikel 47ter, § 9, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 juli 1998 en vervangen bij het decreet van 13 juli 2007, worden de woorden "godsdienstleerkracht, de leraar niet-confessionele zedenleer, de leraar secundair onderwijs belast met niet-confessionele zedenleer en de leermeester niet-confessionele zedenleer" vervangen door de woorden "de leerkracht levensbeschouwelijk onderricht".
Art. VII.29. A l'article 47ter, § 9, du même décret, inséré par le décret du 14 juillet 1998 et remplacé par le décret du 13 juillet 2007, les mots " du professeur de religion, du professeur de morale non confessionnelle, du professeur de l'enseignement secondaire chargé de la morale non confessionnelle et du maître de morale non confessionnelle " sont remplacés par les mots " de l'enseignant de cours philosophiques ".
Art. VII.30. In artikel 47decies, § 3, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 13 juli 2007, worden de woorden "godsdienstleerkracht, de leraar niet-confessionele zedenleer, de leraar secundair onderwijs belast met niet-confessionele zedenleer en de leermeester niet-confessionele zedenleer" vervangen door de woorden "leerkracht levensbeschouwelijk onderricht".
Art. VII.30. A l'article 47decies, § 3, du même décret, inséré par le décret du 13 juillet 2007, les mots " Le professeur de religion, le professeur de morale non confessionnelle, le professeur de l'enseignement secondaire chargé de la morale non confessionnelle et le maître de morale non confessionnelle sont évalués " sont remplacés par les mots " L'enseignant de cours philosophiques est évalué ".
Art. VII.31. In artikel 51quater van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 februari 2003 en gewijzigd bij de decreten van 7 juli 2006, 22 juni 2007, 13 februari 2009, 8 mei 2009 en 18 december 2009 en 19 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 2 wordt in het eerste lid het punt 4°, opgeheven door het decreet van 19 juli 2013, opnieuw opgenomen in de volgende lezing:
  "4° een opdracht in de vereniging die de rijdende kleuterschool Vlaanderen organiseert volgens de artikelen 168 en 169 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997;";
  2° [1 ...]1
  3° in paragraaf 3 worden in het tweede lid, 1°, de woorden "de wijze waarop het verband tussen de betrokken dienst/project en het belang van het onderwijs moet worden aangetoond;" geschrapt.
  
Art. VII.31. A l'article 51quater du même décret, inséré par le décret du 14 février 2003 et modifié par les décrets des 7 juillet 2006, 22 juin 2007, 13 février 2009, 8 mai 2009, 18 décembre 2009 et 19 juillet 2013, sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans le paragraphe 2, premier alinéa, le point 4°, abrogé par le décret du 19 juillet 2013, est rétabli dans la rédaction suivante :
  " 4° une mission dans l'association organisée par l'école maternelle itinérante flamande suivant les articles 168 et 169 du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental ; " ;
  2° [1 ...]1
  3° dans le paragraphe 3, deuxième alinéa, 1°, les mots " la façon dont la relation entre la prestation/le projet concerné et l'intérêt pour l'enseignement doit être démontrée ; " sont supprimés.
  
Art. VII.32. In hetzelfde decreet wordt een artikel 51sexies ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 51sexies. Na uitputting van de krachtens de wet of het decreet voorgeschreven procedures tot re-integratie of wedertewerkstelling, en met behoud van de bepalingen betreffende verlof en terbeschikkingstelling, kan de inrichtende macht een vast benoemd personeelslid als vermeld in artikel 44quinquies decies/2 of artikel 44quinquies decies/3 de uitoefening van zijn ambt ontzeggen.".
Art. VII.32. Dans le même décret, il est inséré un article 51sexies, rédigé comme suit :
  " Art. 51sexies. Après épuisement des procédures de reclassement ou de remise au travail prescrites par la loi ou le décret, et sans préjudice des dispositions relatives au congé et à la mise en disponibilité, le pouvoir organisateur peut priver un membre du personnel nommé à titre définitif visé à l'article 44quinquies decies/2 ou à l'article 44quinquies decies/3 de l'exercice de sa fonction. ".
Art. VII.33. In artikel 60 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 28 april 1993, 18 mei 1999, 13 juli 2001, 13 juli 2007 en 4 juli 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° punt 6° wordt vervangen door wat volgt:
  "6° als ze worden toegelaten tot het definitief vroegtijdig pensioen wegens gezondheidsredenen of lichamelijke ongeschiktheid;";
  2° punt 8° wordt opgeheven;
  3° in punt 9° worden de woorden "godsdienstleerkracht, de leermeester niet-confessionele zedenleer of de leraar secundair onderwijs belast met niet-confessionele zedenleer" vervangen door de woorden "leerkracht levensbeschouwelijk onderricht".
Art. VII.33. A l'article 60 du même décret, modifié par les décrets des 28 avril 1993, 18 mai 1999, 13 juillet 2001, 13 juillet 2007 et 4 juillet 2008, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le point 6° est remplacé par ce qui suit :
  " 6° s'ils sont admis à une pension de retraite anticipée définitive pour motif de santé ou d'inaptitude physique ; " ;
  2° le point 8° est abrogé ;
  3° dans le point 9° les mots : " du professeur de religion, du maître de morale non confessionnelle ou du professeur de l'enseignement secondaire chargé de la morale non confessionnelle " sont remplacés par les mots " de l'enseignant de cours philosophiques ".
Art. VII.34. Aan artikel 63bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 juli 1998 en vervangen bij het decreet van 14 februari 2003, wordt een lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Artikel 67 is eveneens van toepassing op een tijdelijk personeelslid dat ontslagen wordt om dringende reden volgens artikel 25 of artikel 42, § 6.".
Art. VII.34. A l'article 63bis du même décret, inséré par le décret du 14 février 2003 et remplacé par le décret du 14 février 2003, il est ajouté un alinéa rédigé comme suit :
  " L'article 67 est également d'application au membre du personnel temporaire qui est licencié pour motifs impérieux suivant l'article 25 ou l'article 42, § 6. ".
Art. VII.35. In artikel 64, derde lid, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 18 mei 1999, worden de woorden "godsdienstleerkracht, een leermeester niet-confessionele zedenleer of leraar secundair onderwijs belast met niet-confessionele zedenleer" vervangen door de woorden "leerkracht levensbeschouwelijk onderricht".
Art. VII.35. Dans l'article 64, troisième alinéa, du même décret, remplacé par le décret du 18 mai 1999, les mots " d'un maître ou d'un professeur de religion, d'un maître de morale non confessionnelle ou d'un enseignant de l'enseignement secondaire chargés de la morale non confessionnelle " sont remplacés par les mots " d'un enseignant de cours philosophiques ".
Art. VII.36. In artikel 67 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 8 mei 2009 en 9 juli 2010, wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
  "De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen betreffende de preventieve schorsing. Deze preventieve schorsing is enkel mogelijk wanneer het personeelslid strafrechtelijk of tuchtrechtelijk wordt vervolgd en zijn aanwezigheid onverenigbaar is met het belang van de dienst of bij een ontslag om dringende redenen.".
Art. VII.36. Dans l'article 67 du même décret, modifié par les décrets des 8 mai 2009 et 9 juillet 2010, le premier alinéa est remplacé par la disposition suivante :
  " Le Gouvernement flamand arrête les modalités de la suspension préventive. Cette suspension préventive n'est possible que lorsque le membre du personnel fait l'objet d'une poursuite pénale ou disciplinaire et sa présence est inconciliable avec l'intérêt du service ou lors d'un licenciement pour motif impérieux. ".
Art. VII.37. In artikel 68, § 2bis, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 februari 2003, wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
  "Als het personeelslid ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking en met toepassing van de geldende decretale en reglementaire bepalingen gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is, oefent de inrichtende macht waarbij het personeelslid een opdracht verricht, voor die opdracht de tuchtmacht uit volgens de decretale en reglementaire bepalingen die ter zake van toepassing zijn. Als het gereaffecteerde of wedertewerkgestelde personeelslid de tuchtstraf ontslag of afzetting oploopt, kan de definitieve beslissing tot het ontslag of de afzetting ook betrekking hebben op de oorspronkelijke vaste benoeming, op voorwaarde dat de overheid, vermeld in paragraaf 1, of de raad van bestuur, vermeld in artikel 62, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, dat ontslag of die afzetting ten opzichte van de oorspronkelijke vaste benoeming bevestigt binnen de hierna vermelde termijnen. De inrichtende macht die de tuchtmacht uitoefent, deelt hiertoe vanaf het ogenblik dat de beslissing definitief is binnen een termijn van twintig kalenderdagen de definitieve beslissing tot ontslag of afzetting, in voorkomend geval de beslissing van de kamer van beroep, en het tuchtdossier waarop zij haar uitspraak heeft gesteund mee aan de overheid of aan de raad van bestuur die de oorspronkelijke vaste benoeming heeft uitgesproken. De hiervoor vermelde overheid of de raad van bestuur die de oorspronkelijke vaste benoeming heeft uitgesproken, heeft na ontvangst van het dossier twintig kalenderdagen de tijd om aan het betrokken personeelslid mee te delen of zij de definitieve beslissing tot ontslag of afzetting al of niet bevestigt. Als de hiervoor vermelde overheid of raad van bestuur geen juridische verantwoordelijkheid meer draagt voor het personeelslid en er geen rechtsopvolger is aangeduid, beslist de kamer van beroep of de definitieve beslissing tot ontslag of afzetting al of niet betrekking heeft op de oorspronkelijke vaste benoeming. Als de definitieve beslissing tot ontslag of afzetting wordt bevestigd, kan het personeelslid tegen die beslissing geen nieuw beroep aantekenen bij de kamer van beroep.".
Art. VII.37. Dans l'article 68, § 2bis du même décret, inséré par le décret du 14 février 2003, le premier alinéa est remplacé par la disposition suivante :
  " Si le membre du personnel est mis en disponibilité par défaut d'emploi ou réaffecté ou remis au travail par application des dispositions décrétales et réglementaires en vigueur, le pouvoir organisateur auprès duquel le membre du personnel remplit sa mission, exerce le pouvoir disciplinaire pour cette mission selon les dispositions décrétales et réglementaires applicables en la matière. Si une sanction disciplinaire ou révocation est imposée au membre du personnel réaffecté ou remis au travail, la décision définitive relative au licenciement ou à la révocation peut également porter sur la nomination définitive initiale, à condition que l'autorité, visée au paragraphe 1er ou le conseil d'administration, visé à l'article 62, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire, confirme le licenciement ou la révocation vis-à-vis de la nomination définitive initiale dans les délais visés ci-après. Le pouvoir organisateur qui exerce le pouvoir disciplinaire communique à cet effet dans un délai de vingt jours calendaires dès qu'elle est définitive, la décision définitive de licenciement ou de révocation, le cas échéant, la décision de la chambre de recours, et le dossier disciplinaire sur lequel il s'est appuyé pour son prononcé, à l'autorité ou au conseil d'administration qui a prononcé la nomination définitive initiale. L'autorité précitée ou le conseil d'administration ayant prononcé la nomination définitive initiale dispose d'un délai de vingt jours calendaires de la réception du dossier pour communiquer au membre du personnel intéressé s'il confirme ou non la décision définitive de licenciement ou de révocation. Si l'autorité ou le conseil d'administration précité ne porte plus de responsabilité juridique à l'égard du membre du personnel et si aucun ayant-droit n'a été désigné, la chambre de recours décide si la décision définitive de licenciement ou de révocation porte ou non sur la nomination définitive initiale. Si la décision définitive de licenciement ou de révocation est confirmée, le membre du personnel ne peut engager aucun nouveau recours contre cette décision auprès de la chambre de recours. ".
Art. VII.38. In artikel 74bis1, § 3, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 8 mei 2009, wordt het derde lid vervangen door wat volgt:
  "Een kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, die geldt bij de inrichtende macht waartoe de vestigingsplaats of het filiaal voor de overheveling of voor de samensmelting behoorde, wordt geacht ook gedaan te zijn bij de inrichtende macht waartoe de vestigingsplaats of het filiaal na de overheveling of de nieuwe instelling na de samensmelting behoort.".
Art. VII.38. A l'article 74bis1, § 3, du même décret, inséré par le décret du 8 mai 2009, le troisième alinéa est remplacé par la disposition suivante :
  " Un dépôt de candidature à une désignation temporaire à durée ininterrompue auprès du pouvoir organisateur auquel appartenait l'implantation ou la filiale avant le transfert ou avant la fusion, est censé être également fait auprès du pouvoir organisateur auquel appartient l'implantation ou la filiale après le transfert ou le nouvel établissement après la fusion. ".
Art. VII.39. In artikel 74bis2, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 12 juli 2013, wordt het derde lid vervangen door wat volgt:
  "De diensten die het personeelslid volgens de bepalingen van dit decreet of volgens de bepalingen van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs gepresteerd heeft in een ambt, betrekking, opleiding, module of vak bij de inrichtende macht waartoe de HBO5- of SLO-opleiding voor de overheveling behoorde, worden geacht ook gepresteerd te zijn in hetzelfde ambt, dezelfde betrekking, dezelfde opleiding, dezelfde module of hetzelfde vak bij de inrichtende macht waartoe de HBO5- of SLO-opleiding na de overheveling behoort.".
Art. VII.39. A l'article 74bis2, § 1er, du même décret, inséré par le décret du 12 juillet 2013, le troisième alinéa est remplacé par la disposition suivante :
  " Les services que le membre du personnel a rendus selon les dispositions du présent décret ou selon les dispositions du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire dans une fonction, un emploi, une formation, un module ou un cours auprès du pouvoir organisateur auquel appartenait la formation HBO 5 ou SLO avant le transfert, sont censés être également rendus dans la même fonction, le même emploi, la même formation, le même module ou le même cours auprès du pouvoir organisateur auquel appartient la formation HBO 5 ou SLO après le transfert. ".
Afdeling III. - Inwerkingtreding
Section III. - Entrée en vigueur
Art. VII.40. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 september 2014.
  Artikel VII.1, VII.4, VII.20 en VII.31 treden in werking op 1 september 2015.
Art. VII.40. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er septembre 2014.
  Les articles VII.1, VII.4, VII.20 et VII.31 entrent en vigueur le 1er septembre 2015.
HOOFDSTUK VIII.-. Studiefinanciering
CHAPITRE VIII. - Aide financière aux études
Afdeling I. - Decreet betreffende de studiefinanciering
Section Ire. - Décret relatif à l'aide financière aux études
Art. VIII.1. In het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap wordt een artikel 19/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 19/1. Voor het onderzoek of er een equivalente opleiding bestaat als vermeld in artikel 19, baseert de afdeling Studietoelagen zich op het advies van NARIc of op de informatie die NARIC ter beschikking stelt of op het advies van de betrokken overheid.".
Art. VIII.1er. Dans le décret du 8 juin 2007 relatif à l'aide financière aux études de la Communauté flamande, il est inséré un article 19/1 rédigé comme suit :
  " Art. 19/1. Pour l'examen s'il n'existe une formation équivalente telle que visée à l'article 19, la Division des Allocations d'Etudes se base sur l'avis de NARIC ou sur les renseignements mis à la disposition par NARIC ou sur l'avis de l'autorité intéressée. ".
Art. VIII.2. In artikel 30, § 2, 2°, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 9 juli 2010, wordt het woord "erkenningscommissie" vervangen door de woorden "Commissie Hoger Onderwijs".
Art. VIII.2. Dans l'article 30, § 2, 2°, du même décret, remplacé par le décret du 9 juillet 2010, les mots " commission d'agrément " sont remplacés par les mots " Commissie Hoger Onderwijs ".
Art. VIII.3. Artikel 31 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 8 mei 2009, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 31. Voor de toepassing van de artikelen 21 en 24 wordt voor de opleidingen die gevolgd worden in het kader van verticale mobiliteit, door de afdeling Studietoelagen bepaald hoeveel opgenomen en verworven studiepunten op het studietoelagekrediet verrekend moeten worden. De afdeling Studietoelagen baseert zich daarbij op het advies van de betrokken overheid, op het advies van NARIC of op de door NARIC ter beschikking gestelde informatie over buitenlandse opleidingen.".
Art. VIII.3. L'article 31 du même décret, modifié par le décret du 8 mai 2009, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 31. Pour des formations suivies dans le cadre de la mobilité verticale, il est décidé, pour l'application des articles 21 et 24, par a Division des Allocations d'Etudes, combien d'unités d'études engagées et acquises doivent être imputées au crédit allocation d'études. La Division des Allocations d'Etudes se base à cet effet sur l'avis de l'autorité intéressée, sur l'avis de NARIC ou sur les renseignements sur les formations étrangères mis à la disposition par NARIC. ".
Art. VIII.4. In artikel 33 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 29 juni 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het tweede lid worden de woorden "in het pleeggezin langer dan één jaar duurt" vervangen door de woorden "langer dan één jaar onafgebroken bij hetzelfde pleeggezin verblijft";
  2° er wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Voor de toepassing van het tweede lid is artikel 7, eerste lid van overeenkomstige toepassing.".
Art. VIII.4. A l'article 33 du même décret, modifié par le décret du 29 juin 2012, sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans le deuxième alinéa, les mots " à condition que le placement familial dans la famille d'accueil dure plus d'un an " sont remplacés par les mots " à condition qu'il est placé dans la famille d'accueil pendant plus d'un an sans interruption " ;
  2° il est ajouté un troisième alinéa, rédigé comme suit :
  " Pour l'application du deuxième alinéa, l'article 7, premier alinéa s'applique par analogie. ".
Art. VIII.5. In artikel 53/1 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2012, wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
  "De afdeling Studietoelagen bepaalt de datum waarop het onderzoek, vermeld in het eerste lid, start. Het onderzoek kan ten vroegste op 1 september en uiterlijk op 1 juni van het lopende school- of academiejaar starten.".
Art. VIII.5. A l'article 53/1 du même décret, inséré par le décret du 21 décembre 2012, le deuxième alinéa est remplacé par la disposition suivante :
  " La Division des Allocations d'Etudes détermine la date du démarrage de l'examen tel que visé au premier alinéa. L'examen peut démarrer au plus tôt le 1er septembre et au plus tard le 1er juin de l'année scolaire ou académique courante. ".
Art. VIII.6. Aan artikel 70 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 4 juli 2008 en gewijzigd bij het decreet van 8 mei 2009 en 19 juli 2013, wordt een paragraaf 7 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 7. In afwijking van artikel 21, § 1, kan een student die beschikt over twee kandidaatsdiploma's die met toepassing van paragraaf 1 van dit artikel gelijkgeschakeld worden met een bachelordiploma, of die beschikt over een kandidaatsdiploma en een ander bachelordiploma, studiefinanciering ontvangen om een derde bachelordiploma te behalen, als de volgende voorwaarden vervuld zijn:
  1° de student beschikt nog niet over een licentiaatsdiploma of een masterdiploma;
  2° de bacheloropleiding waarvoor studiefinanciering aangevraagd wordt, is de inhoudelijke vervolgopleiding van een kandidaatsdiploma dat de student al heeft behaald.".
Art. VIII.6. A l'article 70 du même décret, remplacé par le décret du 4 juillet 2008 et modifié par les décrets des 8 mai 2009 et 19 juillet 2013, il est ajouté un paragraphe 7 ainsi rédigé :
  " § 7. Par dérogation à l'article 21, § 1er, un étudiant qui est porteur de deux diplômes de candidature qui, par application du paragraphe 1er du présent article sont assimilés à un diplôme de bachelor, ou qui est porteur d'un diplôme de candidature et d'un autre diplôme de bachelor, peut recevoir une aide financière aux études pour obtenir un troisième diplôme de bachelor, s'il répond aux conditions suivantes :
  1° l'étudiant n'est pas encore porteur d'un diplôme de licencié ou d'un diplôme de master ;
  2° la formation de bachelor faisant l'objet de la demande d'aide financière aux études est la formation ultérieure quant au fond d'un diplôme de candidature déjà acquis par l'étudiant. ".
Afdeling II. - Decreet betreffende het onderwijs XXIII
Section II. - Décret relatif à l'enseignement XXIII
Art. VIII.7. Artikel XII.1 en XII.2 van het decreet van 19 juli 2013 betreffende het onderwijs XXIII worden opgeheven.
Art. VIII.7. Les articles XII.1 et XII.2 du décret du 19 juillet 2013 relatif à l'enseignement XXIII sont abrogés.
Afdeling III. - Inwerkingtreding
Section III. - Entrée en vigueur
Art. VIII.8. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 september 2014.
  Artikel VIII.7 treedt in werking op 31 augustus 2014.
Art. VIII.8. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er septembre 2014.
  L'article VIII.7 entre en vigueur le 31 août 2014.
HOOFDSTUK IX. - Andere bepalingen
CHAPITRE IX. - Autres dispositions
Afdeling I. - Wet betreffende de leerplicht
Section Ire. - Loi concernant l'obligation scolaire
Art. IX.1. De wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht, het laatst gewijzigd bij het decreet van 19 juli 2013, wordt opgeheven, met uitzondering van artikel 1, § 1, eerste lid, § 3, § 7, en van artikel 5, § 1 tot en met § 4.
Art. IX.1. La loi du 29 juin 1983 concernant l'obligation scolaire, modifiée en dernier lieu par le décret du 19 juillet 2013, est abrogée, à l'exception de l'article 1er, § 1er, premier alinéa, § 3, § 7, et de l'article 5, § 1er à 4.
Afdeling II. - Deeltijds kunstonderwijs
Section II. - Enseignement artistique à temps partiel
Onderafdeling I. - Wet tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving
Sous-section Ire. - Loi modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement
Art. IX.2. In de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving wordt artikel 12, § 3, opgeheven.
Art. IX.2. L'article 12, § 3, de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement est abrogé.
Onderafdeling II. - Decreet betreffende het onderwijs-II
Sous-section II. - Décret relatif à l'enseignement-II
Art. IX.3. In het artikel 3quater van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs- II worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° aan paragraaf 1 wordt de zinsnede "met uitzondering van de Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn" toegevoegd;
  2° de paragrafen 2 en 3 worden vervangen door wat volgt:
  " § 2. De werkingsmiddelen van de gesubsidieerde instellingen van het deeltijds kunstonderwijs bestaan uit een gedeelte van de inschrijvingsgelden van de leerlingen.
  § 3. De werkingsmiddelen voor het schooljaar (X, X+1) worden jaarlijks berekend als volgt:
  Aantal toegekende leraarsuren voor het schooljaar (X, X+1) * bedrag per leraarsuur.
  Het bedrag per leraarsuur wordt jaarlijks berekend als volgt:
  Basisbedrag * Aanpassingscoëfficiënt.
  Het basisbedrag voor de studierichting Beeldende Kunst bedraagt 90,92 euro.
  Het basisbedrag voor de studierichting Muziek, Woordkunst en Dans bedraagt 30,31 euro.
  Deze basisbedragen worden jaarlijks vanaf het schooljaar (Y)-(Y+1) vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt A die als volgt berekend wordt:
  A = (Cx-1/Cx-2), waarbij:
  1° Cx-1: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-1;
  2° Cx-2: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-2. De A-coëfficiënt wordt voor 100 procent in rekening gebracht.";
  3° paragraaf 4 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 4. De inrichtende macht mag de middelen die zij krachtens dit artikel verkrijgt uitsluitend aanwenden voor de werking van de instelling.
  De inrichtende macht voert een boekhouding, zodat de inkomsten overeenkomstig dit artikel en de aanwending van die inkomsten duidelijk identificeerbaar zijn.".
Art. IX.3. A l'article 3quater du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement-II sont apportées les modifications suivantes :
  1° au paragraphe 1er, le membre de phrase " à l'exception de la Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn " est ajouté ;
  2° les paragraphes 2 et 3 sont remplacés par ce qui suit :
  " § 2. Les droits d'inscription des élèves alimentent en partie les moyens de fonctionnement des établissements subventionnés de l'enseignement artistique à temps partiel.
  § 3. Les moyens de fonctionnement pour l'année scolaire (X, X+1) sont annuellement calculés comme suit :
  Nombre de périodes/enseignant pour l'année scolaire (X, X+1) * montant par période/enseignant.
  Le montant par période/enseignant est annuellement calculé comme suit :
  Montant de base * Coefficient d'adaptation.
  Le montant de base pour l'orientation d'études " Beeldende Kunst " (Arts plastiques) s'élève à 90,92 euros.
  Le montant de base pour les orientations d'études " Muziek, Woordkunst en Dans " (Musique, Arts de la parole et Danse) s'élève à 30,31 euros.
  A partir de l'année scolaire (Y)-(Y+1), ces montants de base sont annuellement multipliés par le coefficient d'adaptation A, calculé comme suit :
  A = (Cx-1/Cx-2), où :
  1° Cx-1 : est l'indice de santé du mois de janvier de l'année budgétaire x-1 ;
  2° Cx-2 : est l'indice de santé du mois de janvier de l'année budgétaire x-2. Le coefficient A est porté en compte pour 100 pour cent. " ;
  3° le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
  " § 4. Le pouvoir organisateur ne peut affecter ces moyens obtenus en vertu du présent article qu'au fonctionnement de l'établissement.
  Le pouvoir organisateur tient une comptabilité, de sorte que les revenus conformément au présent article et l'affectation de ceux-ci sont bien identifiables. ".
Art. IX.4. In artikel 91 van hetzelfde decreet wordt een punt 12° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "12° leefeenheid: één of meer meerderjarigen, ongeacht hun geslacht, met eventueel een of meer minderjarigen die hun hoofdverblijfplaats hebben op hetzelfde adres, alsook één of meer minderjarige gehuwde, zelfstandige of alleenstaande leerlingen of studenten, ongeacht hun geslacht, met eventueel één of meer minder- en meerderjarigen die hun hoofdverblijfplaats hebben op hetzelfde adres.".
Art. IX.4. L'article 91 du même décret est complété par un point 12°, rédigé comme suit :
  " 12° unité de vie : une ou plusieurs personnes majeures, quel que soit leur sexe, avec éventuellement une ou plusieurs personnes mineures qui ont leur résidence principale à la même adresse, ainsi qu'un ou plusieurs élèves ou étudiants mineurs mariés, indépendants ou isolés, quel que soit leur sexe, avec éventuellement une ou plusieurs personnes mineures ou majeures qui ont leur résidence principale à la même adresse. ".
Art. IX.5. In artikel 93ter van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 8 mei 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in § 8, tweede lid, 1°, worden de zinnen "In het geval er, als gevolg van het ontstaan van de kunstacademie door fusie van instellingen, een personeelslid ter beschikking gesteld is wegens ontstentenis van betrekking in het ambt van directeur en dat personeelslid bij de inrichtende macht die hem ter beschikking gesteld heeft geen reaffectatie in een organiek ambt krijgt, is de inrichtende macht van de instelling waaraan de betrekking wordt toegewezen, in afwijking van artikel 38 van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 1992 betreffende de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage, echter wel verplicht dat personeelslid in de betrekking aan te stellen. Deze aanstelling wordt beschouwd als een wedertewerkstelling;" opgeheven;
  2° er wordt een paragraaf 9 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 9. Het personeelslid dat vastbenoemd is in het ambt van directeur in een instelling voor deeltijds kunstonderwijs en dat als gevolg van het ontstaan van een kunstacademie door fusie van instellingen ter beschikking gesteld wordt wegens ontstentenis van betrekking, kan op persoonlijke titel tewerkgesteld worden in een niet-organieke betrekking van directeur die aan de kunstacademie wordt toegevoegd. De tewerkstelling in de niet-organieke betrekking wordt beschouwd als een reaffectatie en schort alle reaffectatie- en wedertewerkstellingsverplichtingen buiten de instelling op.
  De niet-organieke betrekking, vermeld in het eerste lid, wordt toegekend op basis van dezelfde berekening als voor het ambt van directeur, vermeld in artikel 99. De niet-organieke betrekking wordt slechts toegekend zolang het personeelslid, vermeld in het eerste lid, erin tewerkgesteld wordt.
  Zolang aan de kunstacademie een niet-organieke betrekking toegekend wordt als vermeld in het tweede lid, worden in die kunstacademie in afwijking van paragraaf 7, geen uren-leraar voor beleidsondersteuning gefinancierd of gesubsidieerd.".
Art. IX.5. A l'article 93ter du même décret, inséré par le décret du 8 mai 2009, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au § 8, deuxième alinéa, 1°, les phrases " Au cas où, suite à la création de l'académie artistique par la fusion d'établissements, un membre du personnel est mis en disponibilité par défaut d'emploi dans la fonction de directeur, tandis que ce membre du personnel ne reçoit, auprès du pouvoir organisateur l'ayant mis en disponibilité, pas de réaffectation dans une fonction organique, le pouvoir organisateur de l'établissement auquel l'emploi est attribué est toutefois obligé de désigner le membre du personnel intéressé dans cet emploi, par dérogation à l'article 38 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 avril 1992 relatif à la répartition de fonctions, à la mise en disponibilité par défaut d'emploi, à la réaffectation, à la remise au travail et à l'attribution d'un traitement d'attente ou d'une subvention-traitement d'attente. Cette désignation est considérée comme une remise au travail ; " sont abrogées ;
  2° il est ajouté un paragraphe 9, rédigé comme suit :
  " § 9. Le membre du personnel qui est nommé à titre définitif dans la fonction de directeur d'un établissement d'enseignement artistique à temps partiel et qui, suite à la création de l'académie des arts par la fusion d'établissements, est mis en disponibilité par défaut d'emploi, peut être mis au travail à titre personnel dans une fonction non organique de directeur qui est attribuée à l'académie des arts. La mise au travail dans une fonction non organique est considérée comme une réaffectation et suspend toutes les obligations de réaffectation et de remise au travail en dehors de l'établissement.
  La fonction non organique, visée au premier alinéa, est accordée sur la base du même calcul que celui pour la fonction de directeur, visée à l'article 99. La fonction non organique n'est accordée au membre du personnel visé au premier alinéa que pour la durée de son engagement.
  Tant qu'une fonction non organique, telle que visée au deuxième alinéa, est accordée à l'académie des arts, des périodes-professeur d'appui à la gestion ne peuvent être financées ou subventionnées, par dérogation au paragraphe 7, dans cette académie des arts. ".
Art. IX.6. Artikel 100ter van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 100ter. Voor het schooljaar (Y-1)-(Y) bedraagt het inschrijvingsgeld:
  1° 200 euro;
  2° 115 euro als de leerling recht heeft op het verminderde inschrijvingsgeld bedoeld in artikel 100quater;
  3° 61 euro als de leerling de leeftijd van 18 jaar niet bereikt heeft op 31 december van het schooljaar in kwestie;
  4° 40 euro als de leerling de leeftijd van 18 jaar niet bereikt heeft op 31 december van het betrokken schooljaar en recht heeft op het verminderde inschrijvingsgeld bedoeld in artikel 100quater.
  De inschrijvingsgelden voor het deeltijds kunstonderwijs worden jaarlijks vanaf het schooljaar (Y)-(Y+1) vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt A die als volgt berekend wordt:
  A = (Cx-1/Cx-2), waarbij:
  1° Cx-1: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-1;
  2° Cx-2: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-2.
  Het bedrag wordt afgerond naar de hogere eenheid.".
Art. IX.6. L'article 100ter du même décret est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 100ter. Pour l'année scolaire (Y-1)-(Y), le droit d'inscription s'élève à :
  1° 200 euros ;
  2° 115 euros si l'élève a droit au droit d'inscription réduit visé à l'article 100quater ;
  3° 61 euros si l'élève n'a pas atteint l'âge de 18 ans au 31 décembre de l'année scolaire concernée ;
  4° 40 euros si l'élève n'a pas atteint l'âge de 18 ans au 31 décembre de l'année scolaire concernée et peut prétendre au droit d'inscription réduit visé à l'article 100quater.
  A partir de l'année scolaire (Y)-(Y+1), les droits d'inscription sont annuellement multipliés par le coefficient d'adaptation A, calculé comme suit :
  A = (Cx-1/Cx-2), où :
  1° Cx-1 : est l'indice de santé du mois de janvier de l'année budgétaire x-1 ;
  2° Cx-2 : est l'indice de santé du mois de janvier de l'année budgétaire x-2.
  Le montant est arrondi à l'unité supérieure. ".
Art. IX.7. Artikel 100quater van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 100quater. Om voor het verminderde inschrijvingsgeld in aanmerking te komen, moet de leerling:
  1° een attest overleggen, uitgereikt door de bevoegde overheid, waaruit blijkt dat hij:
  a) uitkeringsgerechtigd volledig werkloos is, of dat hij ten laste is van een uitkeringsgerechtigde volledig werkloze;
  b) verplicht ingeschreven is als werkzoekende op grond van de reglementering in verband met de arbeidsvoorziening en de werkloosheid, of dat hij ten laste is van een dergelijke persoon;
  2° een attest overleggen, uitgereikt door de bevoegde overheid, waaruit blijkt dat hij:
  a) een leefloon van het OCMW ontvangt;
  b) een inkomensgarantie voor ouderen of een rentebijslag ontvangt;
  c) erkend is als gehandicapte en een vergoeding van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid ontvangt;
  d) begunstigde is van een verhoogde kinderbijslag (erkend voor ten minste 66%);
  e) persoon ten laste is van een persoon, bedoeld in a) of in b) of in c);
  3° het bewijs overleggen dat hij in een gezinsvervangend tehuis of in een medisch-pedagogische instelling verblijft;
  4° het bewijs overleggen dat hij het statuut van erkend politiek vluchteling heeft of ten laste is van een dergelijke persoon;
  5° een attest overleggen van het kinderbijslagfonds, indien hij ouder is dan 18 jaar.
  Een leerling die de leeftijd van 18 jaar niet bereikt heeft op 31 december van het schooljaar in kwestie, betaalt het verminderde inschrijvingsgeld:
  1° indien een ander lid van de leefeenheid waartoe hij behoort het inschrijvingsgeld reeds heeft betaald in een instelling voor deeltijds kunstonderwijs;
  2° voor iedere extra inschrijving in een andere studierichting in een instelling voor deeltijds kunstonderwijs.".
Art. IX.7. L'article 100quater du même décret est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 100quater. Pour pouvoir bénéficier d'un droit d'inscription réduit, l'élève doit :
  1° fournir une attestation délivrée par l'autorité compétente, dont il ressort qu'il est :
  a) chômeur complet indemnisé, ou qu'il est à charge d'un chômeur complet indemnisé ;
  b) obligatoirement inscrit comme demandeur d'emploi en vertu de la réglementation relative à l'emploi et au chômage, ou qu'il est à charge d'une telle personne ;
  2° fournir une attestation délivrée par l'autorité compétente, dont il ressort qu'il :
  a) reçoit un revenu d'intégration du CPAS ;
  b) reçoit un revenu garanti pour personnes âgées ou un supplément à la rente ;
  c) est reconnu comme personne handicapée et reçoit une allocation du Service public fédéral Sécurité sociale ;
  d) est bénéficiaire d'allocations familiales majorées (reconnu pour 66 % au moins) ;
  e) est une personne à charge d'une personne, visée sous a) oub) ou c) ;
  3° fournir la preuve qu'il réside dans un home familial ou dans un institut médico-pédagogique ;
  4° fournir la preuve qu'il possède le statut de réfugié politique reconnu ou est à charge d'une personne ayant ce statut ;
  5° fournir une attestation de la caisse d'allocations familiales, s'il a plus de 18 ans.
  Un élève qui n'a pas atteint l'âge de 18 ans au 31 décembre de l'année scolaire concernée, paie le droit d'inscription réduit :
  1° si un autre membre de l'unité de vie auquel il appartient a déjà payé un droit d'inscription dans un établissement d'enseignement artistique à temps partiel ;
  2° pour chaque inscription supplémentaire dans une autre orientation d'études d'un établissement d'enseignement artistique à temps partiel. ".
Art. IX.8. Artikel 100sexies van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 100sexies. § 1. De inrichtende macht van een gesubsidieerde instelling met uitzondering van de Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn betaalt jaarlijks aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten vóór 15 november van het schooljaar (x,x+1) voor elke instelling een bijdrage i aan het Fonds die als volgt is vastgesteld:
  i = (a*A) - b waarbij:
  1° a gelijk is aan het totaal van de inschrijvingsgelden van de regelmatige leerlingen die ingeschreven waren op 1 oktober van het schooljaar (x-1,x);
  2° b gelijk is aan de werkingsmiddelen zoals bepaald in artikel 3quater;
  3° A gelijk is aan de aanpassingscoëfficiënt die als volgt berekend wordt:
  A = (Cx-1/Cx-2), waarbij:
  1° Cx-1: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-1;
  2° Cx-2: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-2.
  § 2. De inrichtende macht van een instelling van het gemeenschapsonderwijs en de inrichtende macht van de Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn betaalt jaarlijks aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten vóór 15 november een bijdrage i aan het Fonds die overeenkomt met het totaal van de inschrijvingsgelden van de regelmatige leerlingen die ingeschreven waren op 1 oktober van het schooljaar (x-1,x).
  Vanaf het begrotingsjaar Y wordt de bijdrage i jaarlijks vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt A zoals bepaald in § 1, 3°.
  § 3. Voor de berekening van de bijdrage i wordt verondersteld dat een fusie van instellingen of de overheveling van één of meer filialen naar een andere instelling al op 1 september van het voorafgaande schooljaar plaatsvond.".
Art. IX.8. L'article 100sexies du même décret est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 100sexies. § 1er. Le pouvoir organisateur de l'établissement subventionné à l'exception de la Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn paie annuellement à " l'Agentschap voor Onderwijsdiensten " (Agence de Services d'Enseignement) avant le 15 novembre de l'année scolaire (x, x+1) pour chaque établissement une contribution i au Fonds qui est déterminée comme suit :
  i = (a*A) - b où :
  1° a est égal au total des droits d'inscription des élèves régulièrement inscrits au 1er octobre de l'année scolaire (x-1, x) ;
  2° b est égal aux moyens de fonctionnement tels que fixés à l'article 3quater ;
  3° A est égal au coefficient d'adaptation, calculé comme suit :
  A = (Cx-1/Cx-2), où :
  1° Cx-1 : est l'indice de santé du mois de janvier de l'année budgétaire x-1 ;
  2° Cx-2 : est l'indice de santé du mois de janvier de l'année budgétaire x-2.
  § 2. Le pouvoir organisateur d'un établissement d'enseignement communautaire et le pouvoir organisateur de la Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn paie annuellement à " l'Agentschap voor Onderwijsdiensten " avant le 15 novembre une contribution i au Fonds qui correspond au total des droits d'inscription des élèves réguliers inscrits au 1er octobre de l'année scolaire (x-1, x).
  A compter de l'année budgétaire Y, la contribution i est annuellement multipliée par le coefficient d'adaptation A, tel que défini au § 1er, 3°.
  § 3. Pour le calcul de la contribution i, il est supposé qu'une fusion d'établissements ou le transfert d'une ou plusieurs filiales à un autre établissement a déjà eu lieu dans l'année scolaire précédente. ".
Onderafdeling III. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende organisatie van de Koninklijke Beiaardschool
Sous-section III. Arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2005 portant organisation et financement de la " Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn " à Malines
Art. IX.9. In het besluit van de Vlaamse Regering houdende de organisatie en de financiering van de Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn in Mechelen wordt artikel 7 vervangen door wat volgt:
  "Art. 7. Het Agentschap voor Onderwijsdiensten van de Vlaamse Gemeenschap betaalt een basisbedrag van 29.331 euro voor de jaarlijkse werkingsmiddelen van de Beiaardschool. Dit basisbedrag wordt jaarlijks vanaf het schooljaar (Y)-(Y+1) vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt A die als volgt berekend wordt:
  A = (Cx-1/Cx-2), waarbij:
  1° Cx-1: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-1;
  2° Cx-2: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-2.
  De A-coëfficiënt wordt voor 100 procent in rekening gebracht.
  Het bedrag wordt afgerond naar de hogere eenheid. Van de werkingsmiddelen wordt 60 procent uitbetaald in februari en 40 procent na voorlegging van de financiële rapportering met jaarrekening en balans, zoals bepaald in artikel 9.".
Art. IX.9. Dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2005 portant organisation et financement de la " Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn " à Malines, l'article 7 est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 7. " L'Agentschap voor Onderwijsdiensten " de la Communauté flamande paie un montant de base de 29.331 euros pour les moyens de fonctionnement annuels de la " Beiaardschool ". A partir de l'année scolaire (Y)-(Y+1), ce montant de base est annuellement multiplié par le coefficient d'adaptation A, calculé comme suit :
  A = (Cx-1/Cx-2), où :
  1° Cx-1 : est l'indice de santé du mois de janvier de l'année budgétaire x-1 ;
  2° Cx-2 : est l'indice de santé du mois de janvier de l'année budgétaire x-2.
  Le coefficient A est porté en compte pour 100 pour cent.
  Le montant est arrondi à l'unité supérieure. 60 pour cent des moyens de fonctionnement sont versés au mois de février et 40 pour cent après présentation des rapports financiers, comprenant les comptes annuels et le bilan, tels que fixés à l'article 9. ".
Onderafdeling IV. - Inwerkingtreding
Sous-section IV. Entrée en vigueur
Art. IX.10. De bepalingen van deze afdeling treden in werking op 1 september 2014, behalve de artikelen IX.2, IX.3, IX.6, IX.8 en IX.9 die in werking treden op een door de Vlaamse Regering nader te bepalen datum.
Art. IX.10. Les dispositions de la présente section entrent en vigueur le 1er septembre 2014, à l'exception des articles IX.2, IX.3, IX.6, IX.8 et IX.9 qui entrent en vigueur à une date à fixer par le Gouvernement flamand.
Afdeling III. - Decreet betreffende het onderwijs III
Section III. - Décret relatif à l'enseignement III
Art. IX.11. In artikel 5 van het decreet van 9 april 1992, gewijzigd bij de decreten van 14 juli 1998, 1 december 1998, 8 juni 2000, 14 februari 2003, 13 juli 2007, 8 mei 2009, 1 juli 2011, 21 december 2012, 12 juli 2013 en 19 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° aan paragraaf 1 worden vier punten toegevoegd, die luiden als volgt:
  "- een inperking van de draagwijdte van de vaste benoeming van een leraar in het kader van herinschakeling na arbeidsongeschiktheid volgens artikel 55vicies/4 van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs;
  - een inperking van de draagwijdte van de vaste benoeming van een leraar in het kader van herinschakeling na arbeidsongeschiktheid volgens artikel 44quinquies decies/4 van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs;
  - een nieuwe vaste benoeming in het kader van herinschakeling na arbeidsongeschiktheid volgens artikel 55vicies/6 van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs;
  - een nieuwe vaste benoeming in het kader van herinschakeling na arbeidsongeschiktheid volgens artikel 44quinquies decies/6 van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs.";
  2° paragraaf 1bis wordt opgeheven;
  3° paragraaf 1quater wordt opgeheven;
  4° er wordt een paragraaf 6 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 6. Voor de personeelsleden die tussen 1 augustus 2012 en 1 september 2014 op basis van paragraaf 1bis of paragraaf 1quater ter beschikking gesteld werden wegens ontstentenis van betrekking, blijven de verplichtingen betreffende reaffectatie en wedertewerkstelling ongewijzigd gelden zoals ze van kracht waren in het schooljaar 2013-2014.".
Art. IX.11. A l'article 5 du décret du 9 avril 1992, modifié par les décrets des 14 juillet 1998, 1er décembre 1998, 8 juin 2000, 14 février 2003, 13 juillet 2007, 8 mai 2009, 1er juillet 2011, 21 décembre 2012, 12 juillet 2013 et 19 juillet 2013, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au paragraphe 1er sont ajoutés quatre points, rédigés comme suit :
  " - une limitation de la portée de la nomination définitive d'un enseignant dans le cadre de la réinsertion après incapacité de travail définitive conformément à l'article 55vicies/4 du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire ;
  - une limitation de la portée de la nomination définitive d'un enseignant dans le cadre de la réinsertion après incapacité de travail définitive conformément à l'article 44quinquies decies/4 du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné ;
  - une limitation de la portée de la nomination définitive d'un enseignant dans le cadre de la réinsertion après incapacité de travail définitive conformément à l'article 55vicies/6 du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire ;
  - une limitation de la portée de la nomination définitive d'un enseignant dans le cadre de la réinsertion après incapacité de travail définitive conformément à l'article 44quinquies decies/6 du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné. " ;
  2° le paragraphe 1bis est abrogé ;
  3° le paragraphe 8 est abrogé ;
  4° il est ajouté un paragraphe 6, rédigé comme suit :
  " § 6. Pour ce qui est des mises en disponibilité par défaut d'emploi accordées sur la base du paragraphe 1bis ou 1quater, aux membres du personnel entre le 1er août 2012 et le 1er septembre 2014, les obligations relatives à la réaffectation et la remise au travail restent maintenues telles qu'elles s'appliquaient dans l'année scolaire 2013-2014. ".
Art. IX.12. Artikel 29 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 29. Verblijf en begeleiding voor haar internen tijdens schoolvrije dagen wordt door het gemeenschapsonderwijs georganiseerd in minimaal acht medisch-pedagogische instituten van het gemeenschapsonderwijs, instituten voor buitengewoon secundair onderwijs van het gemeenschapsonderwijs en autonome internaten buitengewoon onderwijs van het gemeenschapsonderwijs. Op voorstel van de Raad van het Gemeenschapsonderwijs bepaalt de Vlaamse Regering welke van de vermelde instituten en internaten verblijf en begeleiding zullen organiseren.
  Verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen, vermeld in het eerste lid, omvat de modules verblijf en begeleiding, gemoduleerd conform het decreet betreffende de integrale jeugdhulp van 12 juli 2013 en respecteert het decreet van 17 oktober 2003 betreffende de kwaliteit van gezondheids- en welzijnsvoorzieningen en het decreet van 7 mei 2004 betreffende de rechtspositie van de minderjarige in de integrale jeugdhulp.
  De Vlaamse Regering bepaalt de organisatie van en de ambten, de bekwaamheidsbewijzen en de prestatie-, verlof- en bezoldigingsregeling voor verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen. Ze bepaalt eveneens per ambt het totaal aantal uren dat moet worden georganiseerd om in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen te kunnen voorzien. In afwachting hiervan blijven de bestaande wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen van kracht.
  De Vlaamse Regering garandeert een personeelskader dat minimaal nodig is om verblijf en begeleiding te voorzien. De Vlaamse Regering stelt jaarlijks minimaal 7515 uren voor opvoedend hulppersoneel, paramedisch en sociaal personeel, psychologisch en medisch personeel, administratief personeel en minimaal 350.000 euro werkingsmiddelen ter beschikking voor een capaciteit van 265 plaatsen verblijf en begeleiding als vermeld in het tweede lid en sluit daartoe beheersovereenkomsten af met de scholengroep van de in het eerste lid vermelde instituten en internaten.
  Het intern verzelfstandigd agentschap Inspectie Welzijn, Volksgezondheid en Gezin zoals bedoeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 26 maart 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap Inspectie Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, en de inspectie zoals bedoeld in het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs zijn gezamenlijk bevoegd voor de controle op de kwaliteit van het verblijf en de begeleiding, als vermeld in het tweede lid.".
Art. IX.12. L'article 29 du même décret est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 29. L'hébergement et l'accompagnement pendant les jours où il n'y a pas de cours sont organisés par l'enseignement communautaire dans au minimum huit instituts médico-pédagogiques de l'enseignement communautaire, instituts d'enseignement secondaire spécial de l'enseignement communautaire et internats autonomes d'enseignement spécial de l'enseignement communautaire. Sur la proposition du Conseil de l'Enseignement communautaire, le Gouvernement flamand désigne quels instituts et internats parmi ceux mentionnés ci-dessus organiseront l'hébergement et l'accompagnement.
  L'hébergement et l'accompagnement pendant les jours où il n' y a pas de cours, visés au premier alinéa, se compose de modules hébergement et accompagnement, modulés conformément au décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse et respecte le décret du 17 octobre 2003 relatif à la qualité des structures de soins de santé et d'aide sociale ainsi que le décret du 7 mai 2004 relatif au statut du mineur dans l'aide intégrale à la jeunesse.
  Le Gouvernement flamand détermine l'organisation et les fonctions, les titres, ainsi que le régime des prestations, le régime des congés et le statut pécuniaire applicables à l'hébergement et l'accompagnement pendant les jours où il n'y a pas de cours. Il détermine en outre par fonction le nombre total d'heures qui doit être organisé afin de pouvoir assurer l'hébergement et l'accompagnement pendant les jours où il n'y a pas de cours. En attendant, les dispositions légales, décrétales ou réglementaires restent en vigueur.
  Le Gouvernement flamand garantit un cadre organique nécessaire au minimum pour assurer l'hébergement et l'accompagnement. Le Gouvernement flamand met annuellement au minimum 7515 heures à la disposition pour le personnel auxiliaire d'éducation, le personnel paramédical et social, le personnel psychologique et médical, le personnel administratif, et au minimum 350.000 euros de moyens de fonctionnement pour une capacité de 265 places en hébergement et accompagnement comme prévus au deuxième alinéa et conclut à cet effet des contrats de gestion avec le groupe d'écoles des instituts et internats tels que visés au premier alinéa.
  L'agence autonomisée interne " Inspectie Welzijn, Volksgezondheid en Gezin ", telle que visée à l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 mars 2006 portant création de l'agence autonomisée interne " Inspectie Welzijn, Volksgezondheid en Gezin ", et l'inspection telle que visée au décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement sont conjointement responsables du contrôle de la qualité de l'hébergement et l'accompagnement, visés au deuxième alinéa. ".
Art. IX.13. In hetzelfde decreet wordt een artikel 29/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 29/1. Voor de periode 1 september 2014 tot en met 31 augustus 2015 sluit de Vlaamse Regering een convenant af met de Raad van het Gemeenschapsonderwijs.
  Deze convenant heeft tot doel de start, op 1 september 2015, van de internaten buitengewoon onderwijs van het gemeenschapsonderwijs die verblijf en begeleiding van hun internen tijdens de schoolvrije dagen organiseren, voor te bereiden.
  De Vlaamse Regering stelt hiervoor 350.000 euro werkingsmiddelen ter beschikking.".
Art. IX.13. Dans le même décret, il est inséré un article 29/1, rédigé comme suit :
  " Art. 29/1. Pour la période du 1er septembre 2014 au 31 août 2015, le Gouvernement flamand conclut une convention avec le Conseil de l'Enseignement communautaire.
  Cette convention a pour but la préparation du démarrage, au 1er septembre 2015, des internats d'enseignement spécial de l'enseignement communautaire qui offrent l'hébergement et l'accompagnement de leurs internes pendant les jours où il n'y a pas de cours.
  Le Gouvernement flamand met à disposition 350.000 euros de moyens de fonctionnement à cet effet.
Art. IX.15. In hetzelfde decreet wordt een artikel 29/3 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 29/3. § 1. In afwijking van artikel 10 wordt er, ten gevolge van de reorganisatie van verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen, een herplaatsingscommissie opgericht die instaat voor de herplaatsing van de personeelsleden, bedoeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs die instaan voor verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen die vastbenoemd zijn, tot de proeftijd toegelaten zijn of tijdelijk aangesteld zijn in een vacante betrekking.
  § 2. De herplaatsingscommissie herplaatst zowel de vastbenoemde, de tot de proeftijd toegelaten als de tijdelijke personeelsleden in vacante betrekkingen voor de volledige opdracht waarvan ze op 30 april 2015 titularis zijn.
  § 3. De Vlaamse Regering bepaalt de bevoegdheden, de samenstelling en de werkwijze van deze herplaatsingscommissie. Zij houdt daarbij minstens rekening met volgende criteria:
  - de herplaatsing gaat in op 1 september, tenzij de betrekking vacant wordt in de loop van het schooljaar. In dat geval gaat de herplaatsing zo snel mogelijk in;
  - het personeelslid kan zijn voorkeur uitspreken voor een plaats van tewerkstelling.
  § 4. De herplaatsingscommissie treedt in werking op 30 april 2015 en houdt op te bestaan als de reorganisatie bedoeld in paragraaf 1 volledig afgerond is.".
Art. IX.15. Dans le même décret, il est inséré un article 29/3, rédigé comme suit :
  " Art. 29/3. § 1er. Par dérogation à l'article 10, il est institué, suite à la réorganisation de l'hébergement et de l'accompagnement pendant les jours où il n'y a pas de cours, une commission de réaffectation qui assure la réaffectation des membres du personnel visés à l'article 2, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire qui assurent l'hébergement et l'accompagnement pendant les jours où il n'y a pas de cours qui sont nommés à titre définitif, admis au stage ou désignés temporairement dans un emploi vacant.
  § 2. La commission de réaffectation réaffecte tant les membres du personnel nommés à titre définitif, admis au stage que les membres du personnel temporaires dans des emplois vacants pour la charge complète dont ils sont titulaires au 30 avril 2015.
  § 3. Le Gouvernement flamand détermine les attributions, la composition et le fonctionnement de cette commission de réaffectation. A cet effet, le Gouvernement flamand tient au moins compte des critères suivants :
  - la réaffectation prend cours au 1er septembre, sauf si l'emploi devient vacant dans le courant de l'année scolaire. Dans ce cas, la réaffectation prend cours dans les meilleurs délais ;
  - le membre du personnel peut exprimer sa préférence pour un poste de travail.
  § 4. La commission de réaffectation entre en fonction le 30 avril 2015 et cesse d'exister lorsque la réorganisation, visée au paragraphe 1er est entièrement terminée. ".
Art. IX.16. In hetzelfde decreet wordt een artikel 29/4 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 29/4. § 1. Elke scholengroep is verplicht om de hem toegewezen personeelsleden in dienst te nemen.
  § 2. De scholengroep kan tegen de herplaatsing geen bezwaar indienen.".
Art. IX.16. Dans le même décret, il est inséré un article 29/4, rédigé comme suit :
  " Art. 29/4. § 1er. Chaque groupe d'écoles est tenu d'engager les membres du personnel qui lui sont affectés.
  § 2. Le groupe d'écoles ne peut pas former recours contre la réaffectation. ".
Art. IX.17. In hetzelfde decreet wordt een artikel 29/5 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 29/5. § 1. De herplaatste personeelsleden zijn verplicht om de toegewezen herplaatsing te aanvaarden en deze op te nemen op 1 september van elk schooljaar of op de datum waarop de vacante betrekking kan worden ingenomen.
  § 2. Het personeelslid kan tegen de herplaatsing enkel bezwaar indienen op grond van het niet volgen van de criteria die de Vlaamse Regering vastlegt.".
Art. IX.17. Dans le même décret, il est inséré un article 29/5, rédigé comme suit :
  " Art. 29/5. § 1er. Les membres du personnel réaffectés sont tenus d'accepter la réaffectation obtenue et de l'accomplir le 1er septembre de chaque année scolaire ou à la date à laquelle l'emploi vacant peut être occupé.
  § 2. Le membre du personnel ne peut introduire un recours contre une réaffectation que sur la base du non-respect des critères fixés par le Gouvernement flamand. ".
Art. IX.18. In hetzelfde decreet wordt een artikel 29/6 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 29/6. De personeelsleden verkrijgen door de definitieve herplaatsing de hoedanigheid van personeelslid van het internaat dat in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen voorziet, ten belope van de opdracht waarvoor ze er tewerkgesteld worden. Deze personeelsleden gaan, al naargelang ze vastbenoemd, tot de proeftijd toegelaten of tijdelijk aangesteld zijn, over als vastbenoemde, tot de proeftijd toegelaten of tijdelijk aangestelde personeelsleden. De personeelsleden die voor de herplaatsing recht hadden op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, zoals bedoeld in artikel 21, § 3, en artikel 21bis, § 3, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs behouden dit recht na de herplaatsing.
  De diensten die het personeelslid volgens de bepalingen van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs heeft gepresteerd in een ambt of betrekking worden geacht na de herplaatsing ook gepresteerd te zijn in hetzelfde ambt of dezelfde betrekking.".
Art. IX.18. Dans le même décret, il est inséré un article 29/6, rédigé comme suit :
  " Art. 29/6. Par la réaffectation définitive, les membres du personnel obtiennent la qualité de membre du personnel de l'internat qui assure l'hébergement et l'accompagnement pendant les jours où il n'y a pas de cours, à concurrence de la charge pour laquelle ils sont employés. Ces membres du personnel sont transférés selon qu'ils sont nommés à titre définitif, admis au stage ou désignés à titre temporaire, comme membre du personnel nommé à titre définitif, admis au stage ou désigné à titre temporaire. Les membres du personnel qui, avant la réaffectation, avaient droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, telle que visée aux articles 21, § 3, et 21bis, § 3, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des personnels de l'enseignement communautaire, conservent ce droit après la réaffectation.
  Les services que le membre du personnel a rendus selon les dispositions du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des personnels de l'enseignement communautaire, dans une fonction ou un emploi, sont censés être rendus dans la même fonction ou le même emploi après la réaffectation. ".
Art. IX.19. In hetzelfde decreet wordt een artikel 29/7 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 29/7. Personeelsleden die geen keuze voor een plaats van tewerkstelling indienen of die een herplaatsing volgens de geldende regelgeving weigeren, worden ambtshalve ontslagen.".
Art. IX.19. Dans le même décret, il est inséré un article 29/7, rédigé comme suit :
  " Art. 29/7. Les membres du personnel qui n'ont pas exprimé leur choix d'un poste de travail ou refusent une réaffectation suivant la réglementation applicable, sont démis d'office. ".
Afdeling IV. - Decreet betreffende het onderwijs VII
Section IV. - Décret relatif à l'enseignement VII
Art. IX.20. In artikel 67, § 1, van het decreet van 8 juli 1996 betreffende het onderwijs VII, vervangen bij het decreet van 19 juli 2013, wordt het woord "volwassenenonderwijs" vervangen door de woorden "gefinancierd of gesubsidieerd volwassenenonderwijs" en worden de woorden "hoger onderwijs" vervangen door de woorden "gefinancierd of gesubsidieerd hoger onderwijs".
Art. IX.20. Dans l'article 67, § 1er, du décret du 8 juillet 1996 relatif à l'enseignement VII, remplacé par le décret du 19 juillet 2013, les mots " enseignement des adultes " sont remplacés par les mots " éducation des adultes financée ou subventionnée " et les mots " enseignement supérieur " par les mots " enseignement supérieur financé ou subventionné ".
Afdeling V. - Decreet betreffende het onderwijs XIV
Section V. - Décret relatif à l'enseignement XIV
Art. IX.21. In hoofdstuk X, afdeling 2, van het decreet betreffende het onderwijs XIV van 14 februari 2003, wordt artikel X.24 vervangen door wat volgt:
  "Art. X.24. Onverminderd de in artikel X.22 bedoelde normen worden de personeelsleden die in de Brusselse peutertuinen en kinderdagverblijven van het gemeenschapsonderwijs tewerkgesteld zijn als verpleger of kinderverzorger en die niet benoemd zijn bij toepassing van artikel X.23, § 1 en § 2, door de scholengroep 8-Brussel aangeworven als contractuele personeelsleden waarop de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten van toepassing is.
  De Vlaamse Regering wordt gemachtigd om bijkomende ambten vast te leggen. De personeelsleden die in deze ambten worden tewerkgesteld, worden eveneens aangeworven als contractuele personeelsleden waarop de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten van toepassing is.".
Art. IX.21. Dans le chapitre X, section 2, du décret du 14 février 2003 relatif à l'enseignement XIV, l'article X.24 est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. X.24. Sans préjudice des normes visées à l'article X.22, les personnels qui sont engagés comme infirmier ou puériculteur dans les prégardiennats et garderies de l'enseignement communautaire à Bruxelles et qui ne sont pas nommés en application de l'article X.23, §§ 1er et 2, sont recrutés par le groupe d'écoles 8-Bruxelles comme des personnels contractuels auxquels est applicable la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail.
  Le Gouvernement flamand est autorisé à déterminer des fonctions supplémentaires. Les membres du personnel engagés dans ces fonctions sont également recrutés comme contractuels auxquels la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail est applicable. ".
Art. IX.22. Artikel X.26, § 1, 1°, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 9 juli 2010, wordt vervangen door wat volgt:
  " § 1.Tot een door de Vlaamse Regering te bepalen datum betaalt de Vlaamse Gemeenschap rechtstreeks het salaris uit aan de personeelsleden bedoeld in deze afdeling, overeenkomstig volgende bepalingen:
  1° aan de personeelsleden bedoeld in deze afdeling worden de volgende salarisschalen toegekend:
  a) salarisschaal 143 voor wie in het ambt van kinderverzorger is aangesteld op basis van een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs;
  b) salarisschaal 229 voor wie in het ambt van kinderverzorger is aangesteld op basis van een ander bekwaamheidsbewijs;
  c) salarisschaal 337 voor wie in het ambt van verpleger is aangesteld.
  Indien het aldus vastgestelde salaris lager is dan het salaris dat het personeelslid genoot bij de inwerkingtreding van dit hoofdstuk, blijft het dit laatste salaris genieten totdat het een ten minste gelijk salaris bekomt overeenkomstig bovenvermelde salarisschalen.
  De bovenvermelde bekwaamheidsbewijzen zijn deze die de Vlaamse Regering vastlegt voor het overeenkomstige ambt in het gewoon of buitengewoon onderwijs.
  Met behoud van de toepassing van artikel X.24, wordt de Vlaamse Regering gemachtigd om de bekwaamheidsbewijzen voor alle ambten vast te leggen of te wijzigen. Zij wordt eveneens gemachtigd om de salarisschalen hiervoor vast te leggen of te wijzigen.".
Art. IX.22. L'article X.26, § 1er, 1°, du même décret, modifié par le décret du 9 juillet 2010, est remplacé par la disposition suivante :
  " Jusqu'à une date à déterminer par le Gouvernement flamand, la Communauté flamande paie directement le traitement aux personnels mentionnés dans la présente section, conformément aux dispositions suivantes :
  1° aux personnels visés dans la présente section, les échelles de traitement suivantes sont attribuées :
  a) l'échelle de traitement 143 pour ceux qui sont engagés dans la fonction de puériculteur sur la base d'un titre requis ou jugé suffisant ;
  b) l'échelle de traitement 229 pour ceux qui sont engagés dans la fonction de puériculteur sur la base d'un autre titre ;
  c) l'échelle de traitement 337 pour ceux qui sont engagés dans la fonction d'infirmier.
  Si le traitement ainsi fixé est inférieur au traitement dont jouissait le membre du personnel lors de l'entrée en vigueur du présent chapitre, il continue à jouir de ce dernier traitement jusqu'à ce qu'il obtienne au moins le traitement égal conformément aux échelles de traitement précitées.
  Les titres de capacité précités sont ceux définis par le Gouvernement flamand pour la fonction correspondante dans l'enseignement ordinaire ou spécial.
  Sans préjudice de l'application de l'article X.24, le Gouvernement flamand est autorisé à fixer ou changer les titres de capacité pour toutes les fonctions. Il est également autorisé à fixer ou modifier les échelles de traitement y afférentes. ".
Art. IX.23. In artikel X.35 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 7 juli 2006, 22 juni 2007, 4 juli 2008, 8 mei 2009, 9 juli 2010 en 1 juli 2011, worden de punten 48° tot en met 50° toegevoegd, die luiden als volgt:
  "48° het decreet betreffende het onderwijs XXII;
  49° het decreet betreffende het onderwijs XXIII;
  50° het decreet betreffende het onderwijs XIV.".
Art. IX.23. A l'article X.35 du même décret, modifié par les décrets des 7 juillet 2006, 22 juin 2007, 4 juillet 2008, 8 mai 2009, 9 juillet 2010 et 1er juillet 2011, sont ajoutés des points 48° à 50°, rédigés comme suit :
  " 48° le décret relatif à l'enseignement XXII ;
  49° le décret relatif à l'enseignement XXIII ;
  50° le décret relatif à l'enseignement XIV. ".
Art. IX.24. Aan artikel X.58 van hetzelfde decreet wordt een paragraaf 4 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 4. De Vlaamse Regering bepaalt de prestatieregeling, de vakantieregeling en de verlofregeling van de personeelsleden vermeld in paragraaf 1.".
Art. IX.24. L'article X.58 du même décret est complété par un paragraphe 4, rédigé comme suit :
  " § 4. Le Gouvernement flamand fixe le régime des prestations, le régime des vacances, le régime des congés des membres du personnel visés au paragraphe 1er. ".
Afdeling VI. - Decreet betreffende het onderwijs XV
Section VI. - Décret relatif à l'enseignement XV
Art. IX.25. Aan het decreet betreffende het onderwijs XV van 15 juli 2005 wordt aan hoofdstuk X, autonome bepalingen, afdeling III, schoolboekhouding, een artikel X.5bis toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. X.5bis. § 1. Een tegemoetkoming, voor de terugbetaling van de facturen van de aanstelling van een commissaris voor de controle van de boekhouding, wordt toegekend aan de schoolbesturen en aan de besturen van de Centra voor Volwassenenonderwijs en Centra voor Basiseducatie, van het gesubsidieerd vrij onderwijs die krachtens artikel 17 van de wet van 27 juni 1921 gehouden zijn één of meerdere commissarissen aan te stellen.
  § 2. De voorgelegde factuur ter betaling van de commissarissen zal terugbetaald worden binnen de beschikbare begrotingskredieten, met een maximum van 90%.
  § 3. De tegemoetkoming wordt betaald na de voorlegging van de bewijsstukken betreffende de gemaakte kosten van de aanstelling van een commissaris en het bewijsstuk betreffende de neerlegging van de jaarrekening bij de Nationale Bank van België.
  § 4. Deze documenten met betrekking tot de gemaakte kosten voor kalenderjaar X worden uiterlijk op 31 maart van het kalenderjaar X + 2, in twee exemplaren ingediend bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten, wat de schoolbesturen van het basis- en secundair onderwijs betreft en bij het Agentschap voor Hoger Onderwijs en Volwassenenonderwijs, wat de Centra voor Volwassenenonderwijs en de Centra voor Basiseducatie betreft.".
Art. IX.25. Le chapitre X, Dispositions autonomes, section III, Comptabilité des écoles du décret du 15 juillet 2005 relatif à l'enseignement XV est complété par un article X.5bis ainsi rédigé :
  " Art. X.5bis. § 1er. Une intervention au remboursement des factures de la désignation d'un commissaire pour le contrôle de la comptabilité est accordée aux autorités scolaires et aux autorités des centres d'éducation des adultes et des centres d'éducation de base de l'enseignement libre subventionné qui, en vertu de l'article 17 de la loi du 27 juin 1921, sont tenues de désigner un ou plusieurs commissaires.
  § 2. Dans les limites des crédits budgétaires, la facture du paiement des commissaires sera remboursée à concurrence de 90 pour cent au maximum.
  § 3. L'intervention est payée après présentation des pièces justificatives des frais occasionnés par la désignation d'un commissaire et de la pièce justificative du dépôt des comptes annuels auprès de la Banque nationale de Belgique.
  § 4. Ces documents relatifs aux frais encourus pour l'année calendaire X sont introduits le 31 mars de l'année calendaire X + 2 au plus tard, au plus tard, en deux exemplaires auprès de l'" Agentschap voor Onderwijsdiensten " pour ce qui est des autorités scolaires de l'enseignement fondamental et secondaire et auprès de l'" Agentschap voor Hoger Onderwijs en Volwassenenonderwijs ", pour ce qui est des centres d'éducation des adultes et des centres d'éducation de base. ".
Afdeling VII. - Decreet houdende organisatie en werking van de regionale technologische centra
Section VII. - Décret portant organisation et fonctionnement des centres technologiques régionaux
Art. IX.26. In artikel 5 van het decreet van 14 december 2007 houdende de organisatie en werking van de regionale technologische centra, gewijzigd bij het decreet van 13 mei 2011, wordt de tweede zin opgeheven.
Art. IX.26. Dans l'article 5 du décret du 14 décembre 2007 portant organisation et fonctionnement des centres technologiques régionaux, modifié par le décret du 13 mai 2011, la deuxième phrase est abrogée.
Afdeling VIII. - Decreet betreffende de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs en het basisonderwijs
Section VIII. - Décret relatif aux budgets de fonctionnement dans l'enseignement fondamental et l'enseignement secondaire
Art. IX.27. In artikel 21 van het decreet van 4 juli 2008 betreffende de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 wat de werkingsbudgetten betreft wordt het jaartal "2012" vervangen door de jaartallen "2013 en 2014".
Art. IX.27. Dans l'article 21 du décret du 4 juillet 2008 relatif aux budgets de fonctionnement dans l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental du 25 février 1997 pour ce qui concerne les budgets de fonctionnement, l'année " 2012 " est remplacé par les années " 2013 et 2014 ".
Afdeling IX. - Decreet betreffende het secundair na het secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs
Section IX. - Décret relatif à l'enseignement secondaire après secondaire et l'enseignement supérieur professionnel HBO 5
Art. IX.28. Aan artikel 22 van het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs, zoals gewijzigd door het decreet van 12 juli 2013, worden volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede ", 1° en 2° " opgeheven;
  2° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 2. De accreditatieorganisatie legt een beoordelingskader voor de "toets nieuwe HBO5-opleiding" vast. Dit beoordelingskader moet, voor het toegepast kan worden, door de Vlaamse Regering goedgekeurd worden.".
Art. IX.28. Dans l'article 22 du décret du 30 avril 2009 relatif à l'enseignement secondaire après secondaire et l'enseignement supérieur professionnel HBO 5, tel que modifié par le décret du 12 juillet 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, le syntagme " , 1° et 2° " est abrogé ;
  2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. L'organisation d'accréditation fixe un cadre d'évaluation pour " l'évaluation nouvelle formation HBO 5 ". Avant son application, ce cadre d'évaluation doit être approuvé par le Gouvernement flamand. ".
Art. IX.29. In hetzelfde decreet wordt er een artikel 22/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 22/1. § 1. Zowel in het toetsingsrapport zoals vermeld in artikel 22 en het erkenningsbesluit zoals bedoeld in artikel 18, § 1, 4°, wordt, in voorkomend geval, melding gemaakt van de opleidingsvarianten die op het tijdstip van de "toets nieuwe HBO5-opleiding" gekend zijn:
  1° de instellingen en de vestigingsplaatsen waar de opleiding aangeboden wordt;
  2° de verschillende doelgroepen die de opleiding wil bereiken en de wijze waarop dit wijzigingen in het programma met zich meebrengt.
  § 2. Het toetsingsrapport zoals vermeld in artikel 22 en het erkenningsbesluit zoals bedoeld in artikel 18, § 1, 4°, bevatten een beoordeling van elk van de varianten, vermeld in paragraaf 1.".
Art. IX.29. Dans le même décret, il est inséré un article 22/1, rédigé comme suit :
  " Art. 22/1. § 1er. Tant dans le rapport d'évaluation, tel que prévu à l'article 22 que dans l'arrêté de reconnaissance, tel que visé à l'article 18, § 1er, 4°, il est fait mention, le cas échéant, des variantes de formation déjà connues au moment de " l'évaluation nouvelle formation HBO 5 " :
  1° les institutions et les implantations où est délivrée la formation ;
  2° les différents groupes-cibles que la formation désire atteindre et la manière dont ceci implique des modifications du programme.
  § 2. Le rapport d'évaluation, tel que visé à l'article 22 et l'arrêté de reconnaissance, tel que visé à l'article 18, § 1er, 4°, contiennent une évaluation de chacune des variantes, visées au paragraphe 1er. ".
Art. IX.30. In artikel 27 van hetzelfde decreet wordt in paragraaf 2 het eerste lid vervangen, door wat volgt:
  "De VLUHR stelt de visitatiecommissies samen. Ze draagt er zorg voor dat de leden van de visitatiecommissie in onafhankelijkheid kunnen oordelen.".
Art. IX.30. Dans l'article 27 du même décret, le paragraphe 2 est remplacé par la disposition suivante :
  " Le VLHUR compose les commissions de visite. Il veille à ce que les membres de la commission de visite puissent juger en toute indépendance. ".
Art. IX.31. In artikel 32 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 worden de woorden ", vermeld in artikel 5, § 3, tweede lid, 5°, " opgeheven;
  2° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 2. Het dossier omvat in ieder geval een openbare visitatie van de opleiding en indien van toepassing, het doorlichtingsverslag van de instelling of het visitatierapport van de professionele bacheloropleiding.".
Art. IX.31. A l'article 32 du même décret sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans le paragraphe 1er, les mots " visée à l'article 5, § 3, deuxième alinéa, 5°, " sont abrogés ;
  2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. Le dossier comprend en tout cas une visite de contrôle publique de la formation et, si d'application, le rapport d'audit de l'institution ou le rapport de visite de la formation professionnelle de bachelor. ".
Art. IX.32. In artikel 34 van hetzelfde decreet wordt paragraaf 2 opgeheven.
Art. IX.32. A l'article 34 du même décret, le paragraphe 2 est abrogé.
Art. IX.33. Aan artikel 50, § 2, van hetzelfde decreet wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "In afwijking van paragraaf 1 kunnen hogescholen waarvan de hoofdzetel in hetzelfde administratief arrondissement of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad is gelegen toetreden tot hetzelfde samenwerkingsverband.".
Art. IX.33. L'article 50, § 2, du même décret, est complété par un deuxième alinéa, rédigé comme suit :
  " Par dérogation au paragraphe 1er, les instituts supérieurs dont le siège principal est situé dans le même arrondissement administratif ou dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale peuvent s'affilier à la même structure de coopération. ".
Afdeling X. - Decreet betreffende de kwalificatiestructuur
Section X. - Décret relatif à la structure des certifications
Art. IX.34. In artikel 15/1, § 4, van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur, ingevoegd bij het decreet van 12 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de woorden "het agentschap" worden vervangen door de woorden "de bevoegde dienst van de Vlaamse Regering";
  2° tussen de zinsnede "artikel 9/1, 1°, " en de zinsnede "binnen de 30 kalenderdagen" wordt de zinsnede "van het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs," ingevoegd.
Art. IX.34. A l'article 15/1, § 4 du décret du 30 avril 2009 relatif à la structure des certifications, inséré par le décret du 12 juillet 2013, sont apportées les modifications suivantes :
  1° les mots " L'agence " sont remplacés par les mots " Le service compétent du Gouvernement flamand " ;
  2° entre le syntagme " l'article 9/1, 1° " et le syntagme " au Ministre dans les trente jours calendaires ", le syntagme " du décret du 30 avril 2009 relatif à l'enseignement secondaire après secondaire et l'enseignement supérieur professionnel HBO 5, " est inséré.
Afdeling XI. - Decreet betreffende de kwaliteit
Section XI. - Décret relatif à la qualité
Art. IX.35. In artikel 12, § 1, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
  "De Vlaamse Regering stelt voor scholen, centra, internaten en instellingen beleidsprioriteiten vast voor de nascholingsinitiatieven die noodzakelijk zijn om de implementatie van onderwijshervormingen te ondersteunen. Ze bepaalt eveneens de doelgroepen die kunnen deelnemen aan deze nascholingsinitiatieven.".
Art. IX.35. Dans l'article 12, § 1er, du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement, le premier alinéa est remplacé par la disposition suivante :
  " Le Gouvernement flamand détermine pour les écoles, centres, internats et institutions les priorités stratégiques des initiatives de formation continuée nécessitées par la mise en oeuvre des réformes de l'enseignement. Il détermine également les groupes cibles qui peuvent participer à ces initiatives de formation continuée. ".
Art. IX.36. In artikel 15, § 1, 2°, van hetzelfde decreet wordt het punt c) vervangen door wat volgt:
  "c) de beroepsbekwaamheid van de personeelsleden te ondersteunen binnen een school of centrum en instellingsoverstijgend met bijzondere aandacht voor beginnende personeelsleden, personeelsleden met specifieke opdrachten. Daarnaast dient prioritair aandacht besteed te worden aan de competenties in het kader van het onderwijs aan leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften;".
Art. IX.36. Dans l'article 15, § 1er, 2°, du même décret, le point c) est remplacé par la disposition suivante :
  " c) soutenant la compétence professionnelle des membres du personnel dans une école ou un centre et dans plusieurs institutions en prêtant une attention particulière aux membres du personnel débutants et aux membres du personnel chargés de tâches spécifiques. En outre, il faut porter une attention prioritaire aux compétences dans le cadre de l'enseignement aux élèves à besoins éducatifs spécifiques ; ".
Art. IX.37. In artikel 25 van hetzelfde decreet wordt in de bepaling onder 3°, gewijzigd bij het decreet van 20 december 2013, het woord "subsidieovereenkomst" vervangen door het woord "kaderovereenkomst".
Art. IX.37. Dans l'article 25 du même décret, dans la disposition au point 3°, modifié par le décret du 20 décembre 2013, les mots " convention de subvention " sont remplacés par les mots " convention-cadre ".
Art. IX.38. Artikel 35quater van hetzelfde decreet, ingevoegd door het decreet van 21 december 2012, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 35quater. De onderwijsinspectie bezorgt het advies aan de Vlaamse Regering.
  Het advies, vermeld in het eerste lid, kan op drie manieren worden uitgebracht:
  1° een gunstig advies: dat houdt in dat de erkenning van de vestigingsplaats gunstig wordt geadviseerd;
  2° een gunstig advies met voorwaarden: dat houdt in dat de erkenning van de vestigingsplaats gunstig wordt geadviseerd als binnen een bepaalde periode voldaan wordt aan de voorwaarden, vermeld in het advies;
  3° een ongunstig advies: dat houdt in dat geadviseerd wordt om de erkenning van de vestigingsplaats te weigeren.".
Art. IX.38. L'article 35quater du même décret, inséré par le décret du 21 décembre 2012, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 35quater. L'inspection de l'enseignement remet l'avis au Gouvernement flamand.
  L'avis, visé au premier alinéa, peut prendre l'une des trois formes suivantes :
  1° un avis favorable : ce qui implique que l'avis est favorable à la reconnaissance de l'implantation ;
  2° un avis favorable avec réserves : ce qui implique que l'avis est favorable à la reconnaissance de l'implantation lorsque les conditions, visées à l'avis, sont remplies dans une certaine période ;
  3° un avis défavorable : ce qui implique que l'avis propose de refuser la reconnaissance de l'implantation. ".
Art. IX.39. In artikel 41, § 1, van hetzelfde decreet wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Indien in het ongunstig advies zowel tekorten op het vlak van bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne, als andere tekorten vastgesteld worden, kan er een aparte procedure tot intrekking van de erkenning worden opgestart voor de eerstgenoemde tekorten, respectievelijk voor alle andere tekorten.".
Art. IX.39. A l'article 41, § 1er, du même décret, il est ajouté un deuxième alinéa, rédigé comme suit :
  " Si l'avis défavorable porte tant sur des manquements à l'habitabilité, la sécurité et l'hygiène que sur d'autres manquements, une procédure de retrait de la reconnaissance séparée peut être entamée pour les premiers manquements, respectivement pour tous les autres manquements. ".
Art. IX.40. In artikel 42 van hetzelfde decreet wordt een paragraaf 3 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 3. Bij het bepalen van de verdere procedureregels, vermeld in paragraaf 1, draagt de Vlaamse Regering er zorg voor dat de start van de doorlichting tijdig aangekondigd wordt door de onderwijsinspectie. In afwijking hiervan, kan de doorlichting of opvolgingsdoorlichting slechts zeven kalenderdagen op voorhand worden aangekondigd, indien de doorlichting of de opvolgingsdoorlichting beperkt is tot een controle van de bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne.".
Art. IX.40. L'article 42 du même décret est complété par un paragraphe 3, rédigé comme suit :
  " § 3. Lors de la détermination des modalités de procédure, visées au paragraphe 1er, le Gouvernement flamand veille à ce que le démarrage de l'audit est annoncé à temps par l'inspection de l'enseignement. Par dérogation à ce qui précède, l'audit ou l'audit de suivi ne peut être annoncé que sept jours calendaires à l'avance, si l'audit ou l'audit de suivi est limité à un contrôle de l'habitabilité, de la sécurité et de l'hygiène. ".
Art. IX.41. In artikel 63, § 1, 2°, van hetzelfde decreet worden de woorden "bijkomende testen" vervangen door de woorden "een bijkomende test".
Art. IX.41. Dans l'article 63, § 1er, 2°, du même décret, les mots " des tests supplémentaires " sont remplacés par les mots " un test supplémentaire ".
Art. IX.42. In artikel 65/1, § 2, 2°, van hetzelfde decreet worden de woorden "bijkomende testen" vervangen door de woorden "een bijkomende test".
Art. IX.42. Dans l'article 65/1, § 2, 2°, du même décret, les mots " des tests supplémentaires " sont remplacés par les mots " un test supplémentaire ".
Afdeling XII. - Decreet betreffende het onderwijs XXIII
Section XII. - Décret relatif à l'enseignement XXIII
Art. IX.43. In artikel V.91 van het decreet van 19 juli 2013 betreffende het onderwijs XXIII wordt na het woord "instellingsbestuur" een zinsnede ingevoegd, die luidt als volgt:
  ", waarvan minstens één vertegenwoordiger van een Centrum voor Volwassenenonderwijs of een secundaire school, waarvan de cursisten gebruik kunnen maken van de studentenvoorzieningen, zoals beschreven in artikel 5 van dit decreet,".
Art. IX.43. Dans l'article V.91 du décret du 19 juillet 2013 relatif à l'enseignement XXIII, il est inséré après les mots " par la direction de l'institution " un membre de phrase, rédigée comme suit :
  " , dont au moins un représentant d'un centre d'éducation des adultes ou d'une école secondaire, dont les apprenants peuvent faire usage des services aux étudiants, tels que décrits à l'article 5 du présent décret, ".
Afdeling XIII. - Inwerkingtreding
Section XIII. - Entrée en vigueur
Art. IX.44. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 september 2014.
  Artikel IX.25 en IX.27 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2013.
  Artikel IX.26, IX.28, IX.29, IX.34, IX.41, IX.42 en IX.43 hebben uitwerking met ingang van 1 september 2013.
  Artikel IX.22, IX.24 en IX.37 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2014.
  Artikel IX.38 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2014.
  Artikel IX.15, IX.16, IX.17, IX.18 en IX.19 treden in werking op 1 april 2015.
  Artikel IX.12 treedt in werking op 1 september 2015.
  Artikel IX.14 treedt in werking op 1 januari 2016.
Art. IX.44. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er septembre 2014.
  Les articles IX.25 et IX.27 produisent leurs effets le 1er janvier 2013.
  Les articles IX.26, IX.28, IX.29, IX.34, IX.41, IX.42 et IX.43 produisent leurs effets le 1er septembre 2013.
  Les articles IX.22, IX.24 et IX.37 produisent leurs effets le 1er janvier 2014.
  L'article IX.38 produit ses effets le 1er avril 2014.
  Les articles IX.15, IX.16, IX.17, IX.18 et IX.19 entrent en vigueur le 1er avril 2015.
  L'article IX.12 entre en vigueur le 1er septembre 2015.
  L'article IX.14 entre en vigueur le 1er janvier 2016.
HOOFDSTUK X. - Autonome bepalingen
CHAPITRE X. - Dispositions autonomes
Afdeling I. - Cultuureducatie in het onderwijs
Section Ire. - L'éducation culturelle dans l'enseignement
Afdeling II. - Personeelsleden tewerkgesteld in de voor- en nabewaking in de Nederlandstalige basisscholen van het gemeenschapsonderwijs in tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad
Section II. - Membres du personnel occupés dans l'accueil périscolaire assuré par les écoles fondamentales néerlandophones de l'enseignement communautaire dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale
Afdeling III. - Schenking meubilair aan de onderwijsnetten
Section III. - Donation de mobilier aux réseaux d'enseignement
Art. X.9. In afwijking van de geldende regelgeving kan bij de herinrichting van het Consciencegebouw van de Vlaamse Gemeenschap het niet-hergebruikt meubilair geschonken worden aan het gefinancierd en het gesubsidieerd onderwijs. Het meubilair wordt geschonken aan het gemeenschapsonderwijs en de representatieve verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs en voor de uitrusting van hun scholen en centra. Bij de verdeling van de schenking zal rekening gehouden worden met het aantal scholen en centra en het aan tal personeelsleden van de onderwijsnetten.
Art. X.9. Par dérogation à la réglementation en vigueur, le mobilier non réutilisé pour le réaménagement du Consciencegebouw de la Communauté flamande peut être donné à l'enseignement financé et l'enseignement subventionné. Le mobilier est donné à l'Enseignement communautaire et aux associations représentatives des autorités scolaires de l'enseignement subventionné pour l'aménagement de leurs écoles et centres. Lors de la ventilation du mobilier donné, il sera tenu compte du nombre d'écoles et de centres et le nombre de membres du personnel des réseaux d'enseignement.
Afdeling IV. - Diensten met onderwijsbehoeften
Section IV. - Services présentant des besoins en matière d'enseignement
Art. X.10. In het decreet van 14 februari 2003 betreffende het onderwijs XIV, hoofdstuk X - Autonome bepalingen, afdeling 1 - Diensten met onderwijsbehoeften, onderafdeling 2 - Subsidiëring, wordt in artikel X.5 het getal "899.000" vervangen door het getal "1.572.000".
Art. X.10. Dans le décret du 14 février 2003 relatif à l'enseignement XIV, chapitre X - Dispositions autonomes, Section I - Services présentant des besoins en matière d'enseignement - Sous-section 2. - Octroi de subventions le nombre " 899.000 " dans l'article X.5 est remplacé par le nombre " 1.572.000 ".
Afdeling V. - Inwerkingtreding
Section V. - Entrée en vigueur
Art. X.11. De afdeling I treedt in werking op 1 januari 2015.
  De afdeling II heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2014.
Art. X.11. La section Ire entre en vigueur le 1er janvier 2015.
  La section II produit ses effets le 1er janvier 2014.