Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
4 APRIL 2014. - Decreet betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 01-10-2014 en tekstbijwerking tot 15-01-2026)
Titre
4 AVRIL 2014. - Décret relatif à l'organisation et à la procédure de certaines juridictions administratives flamandes (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 01-10-2014 et mise à jour au 15-01-2026)
Dokumentinformationen
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
HOOFDSTUK 2. - Inrichting
Afdeling 1. - Samenstelling
Afdeling 2. - Werking
Onderafdeling 1. - Algemene Vergadering
Onderafdeling 2. - Eerste voorzitter
Onderafdeling 3. - Voorzitter
Onderafdeling 4. - Werkingsregelen
HOOFDSTUK 3. - Rechtspleging
Afdeling 1. - Bepalingen die van toepassing zij...
Afdeling 2. - Bepalingen die van toepassing zij...
Afdeling 3. - Bepalingen die van toepassing zij...
Afdeling 4. - Bepalingen die van toepassing zij...
Onderafdeling 1. - Rechtspleging in de procedur...
Onderafdeling 2. - Rechtspleging voor overige b...
Afdeling 5. [1 - Bepalingen die van toepassing ...
Art. 31/0. [1 [2 Als de decreten, vermeld in ar...
Afdeling 6. [1 - Bepalingen die van toepassing ...
HOOFDSTUK 4. - Arresten
Afdeling 1. - Bepalingen die van toepassing zij...
Afdeling 2. - Bepalingen die van toepassing zij...
Afdeling 3. - Bepalingen die van toepassing zij...
Afdeling 4. - Bepaling die van toepassing is op...
Afdeling 5. [1 - Bepalingen die van toepassing ...
HOOFDSTUK 5. - Uitvoering
HOOFDSTUK 6. - Bekendmaking
HOOFDSTUK 7. - Rechtspositieregeling van de bes...
Afdeling 1. - Selectie en benoeming
Afdeling 2. - Bezoldiging
Afdeling 3. - Ontslag en opruststelling
Afdeling 4. - De evaluatie van de effectieve be...
Afdeling 5. - Tuchtregeling en ordemaatregel
Afdeling 6. - Andere delen van de rechtspositie...
HOOFDSTUK 8. - Wijzigingsbepalingen
Afdeling 1. - Wijzigingen van het decreet van 5...
Afdeling 2. - Wijzigingen van het decreet van 1...
Afdeling 3. - Wijzigingen van de Vlaamse Codex ...
Afdeling 4. - Wijzigingen van het Lokaal en Pro...
HOOFDSTUK 9. - Slotbepalingen
Inhoud
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
CHAPITRE 2. - Aménagement
Section 1re. - Composition
Section 2. - Fonctionnement
Sous-section 1re. - Assemblée générale
Sous-section 2. - Premier président
Sous-section 3. - Président
Sous-section 4. - Règles de fonctionnement
CHAPITRE 3. - Procédure
Section 1re. - Dispositions applicables [1 au C...
Section 2. - Dispositions applicables [1 au Col...
Section 3. - Dispositions applicables au Consei...
Section 4. - Dispositions applicables au Consei...
Sous-section 1re. - Administration de la justic...
Sous-section 2. - Procédure pour d'autres conte...
Section 5. [1 - Dispositions applicables [2 au ...
Section 6. [1 - Dispositions applicables au Con...
CHAPITRE 4. - Arrêts
Section 1re. - Dispositions applicables [1 au C...
Section 2. - Dispositions applicables au [1 Col...
Section 3. - Dispositions applicables au Consei...
Section 4. - Disposition applicable au [1 Collè...
Section 5. [1 - Dispositions applicables au Con...
CHAPITRE 5. - Exécution
CHAPITRE 6. - Publication
CHAPITRE 7. - Statut des juges administratifs
Section 1re. - Sélection et nomination
Section 2. - Rémunération
Section 3. - Démission et mise à la retraite
Section 4. - L'évaluation des juges administrat...
Section 5. - Régime disciplinaire et mesure d'o...
Section 6. - Autres parties du statut du juge a...
CHAPITRE 8. - Dispositions modificatives
Section 1re. - Modifications au décret du 5 avr...
Section 2. - Modifications du décret du 19 déce...
Section 3. - Modifications du Code flamand de l...
Section 4. - Modifications du Décret portant or...
CHAPITRE 9. - Dispositions finales
Tekst (143)
Texte (143)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
Artikel 1. Dit decreet regelt een gemeenschaps- en gewestaangelegenheid.
Article 1er. Le présent décret règle une matière communautaire et régionale.
Art. 2. In dit decreet wordt verstaan onder:
1° Vlaams bestuursrechtscollege: een van de volgende instanties:
a) het [3 Handhavingscollege]3, opgericht bij artikel 16.4.19, § 1, eerste lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid [7 en waaraan tevens bevoegdheden toegekend [8 kunnen]8 worden bij [8 hoofdstuk 10, afdeling 13 en 14,]8 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023 en de decreten die [8 hoofdstuk 10, afdeling 13 of 14, van]8 het voormelde decreet van toepassing verklaren, overeenkomstig artikel 3, eerste lid, van het voormelde decreet]7;
b) de Raad voor Vergunningsbetwistingen, opgericht bij artikel 4.8.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening [1 en waaraan tevens bevoegdheden toegekend worden bij artikel 105 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning]1[6 , artikel 45 van het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten]6 [2 en artikel 43 van het Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017]2;
c) de Raad voor Verkiezingsbetwistingen, opgericht bij artikel 202 van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011;
[5 d) de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen, opgericht bij artikel II.285 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013;]5
2° Vlaamse bestuursrechtscolleges: alle instanties, vermeld in punt 1°, samen;
3° bestuursrechter: de effectieve, aanvullende of plaatsvervangende bestuursrechter [5 of de bijzitter]5;
4° voorzitter: de voorzitter van een Vlaams bestuursrechtscollege;
5° algemene vergadering: de effectieve bestuursrechters van de Vlaamse bestuursrechtscolleges, met uitzondering van de bestuursrechters, vermeld in artikel 91, § 4, maar met toevoeging van de voorzitter van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen;
6° eerste voorzitter: de voorzitter van de algemene vergadering;
7° bestreden beslissing: voorwerp van een jurisdictioneel beroep waarvoor een Vlaams bestuursrechtscollege bevoegd is;
8° beveiligde zending: een van de volgende betekeningswijzen:
a) een aangetekend schrijven;
b) een afgifte tegen ontvangstbewijs;
c) elke andere door de Vlaamse Regering toegestane betekeningswijze waarbij de datum van kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld.
[4 9° vergunninghouder: de vergunninghouder, vermeld in artikel 105, § 2, eerste lid, 1°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;
10° de persoon die de melding heeft verricht: de persoon die de melding heeft verricht, vermeld in artikel 105, § 2, eerste lid, 1°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.]4
1° Vlaams bestuursrechtscollege: een van de volgende instanties:
a) het [3 Handhavingscollege]3, opgericht bij artikel 16.4.19, § 1, eerste lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid [7 en waaraan tevens bevoegdheden toegekend [8 kunnen]8 worden bij [8 hoofdstuk 10, afdeling 13 en 14,]8 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023 en de decreten die [8 hoofdstuk 10, afdeling 13 of 14, van]8 het voormelde decreet van toepassing verklaren, overeenkomstig artikel 3, eerste lid, van het voormelde decreet]7;
b) de Raad voor Vergunningsbetwistingen, opgericht bij artikel 4.8.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening [1 en waaraan tevens bevoegdheden toegekend worden bij artikel 105 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning]1[6 , artikel 45 van het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten]6 [2 en artikel 43 van het Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017]2;
c) de Raad voor Verkiezingsbetwistingen, opgericht bij artikel 202 van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011;
[5 d) de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen, opgericht bij artikel II.285 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013;]5
2° Vlaamse bestuursrechtscolleges: alle instanties, vermeld in punt 1°, samen;
3° bestuursrechter: de effectieve, aanvullende of plaatsvervangende bestuursrechter [5 of de bijzitter]5;
4° voorzitter: de voorzitter van een Vlaams bestuursrechtscollege;
5° algemene vergadering: de effectieve bestuursrechters van de Vlaamse bestuursrechtscolleges, met uitzondering van de bestuursrechters, vermeld in artikel 91, § 4, maar met toevoeging van de voorzitter van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen;
6° eerste voorzitter: de voorzitter van de algemene vergadering;
7° bestreden beslissing: voorwerp van een jurisdictioneel beroep waarvoor een Vlaams bestuursrechtscollege bevoegd is;
8° beveiligde zending: een van de volgende betekeningswijzen:
a) een aangetekend schrijven;
b) een afgifte tegen ontvangstbewijs;
c) elke andere door de Vlaamse Regering toegestane betekeningswijze waarbij de datum van kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld.
[4 9° vergunninghouder: de vergunninghouder, vermeld in artikel 105, § 2, eerste lid, 1°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;
10° de persoon die de melding heeft verricht: de persoon die de melding heeft verricht, vermeld in artikel 105, § 2, eerste lid, 1°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.]4
Änderungen
Art. 2. Dans le présent décret, on entend par :
1° juridiction administrative flamande : une des instances suivantes :
a) [4 le Collège de maintien]4 de la Région flamande, établie par l'article 16.4.19, § 1er, alinéa premier, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement [7 et à laquelle des compétences [8 peuvent également être attribuées]8 [8 au chapitre 10, sections 13 et 14,]8 du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023 et des décrets qui déclarent applicable [8 le chapitre 10, section 13 ou 14, du décret]8 précité, conformément à l'article 3, alinéa 1er, du décret précité]7 ;
b) le Conseil pour les Contestations des Autorisations, établi par l'article 4.8.1 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire [1 NOTE : Ajout non traduit, voir version néerlandaise]1 [6 , l'article 45 du décret du 25 avril 2014 relatif aux projets complexes ]6[2 et l'article 43 du décret flamand sur l'expropriation du 24 février 2017]2;
c) le Conseil des Contestations électorales, établi par l'article 202 du Décret sur les Elections locales et provinciales du 8 juillet 2011 ;
[5 d) le Conseil de règlement des différends en matière de décisions sur la progression des études, établi par l'article II.285 du Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013 ;]5
2° juridictions administratives flamandes : l'ensemble des instances, visées au point 1° ;
3° juge administratif : le juge administratif effectif, complémentaire ou suppléant [5 ou l'assesseur]5;
4° président : le président d'une juridiction administrative flamande ;
5° assemblée générale : les juges administratifs effectifs des juridictions administratives flamandes, à l'exception des juges administratifs, visés à l'article 91, § 4, mais avec addition du président du Conseil des Contestations électorales ;
6° premier président : le président de l'assemblée générale ;
7° décision contestée : l'objet d'un recours juridictionnel pour lequel une juridiction administrative flamande est compétente ;
8° envoi sécurisé : une des façons de notification suivantes :
a) une lettre recommandée ;
b) une remise contre récépissé ;
c) toute autre modalité de notification autorisée par le Gouvernement flamand par laquelle la date de notification peut être établie avec certitude.
[3 9° titulaire du permis : le titulaire du permis, visé à l'article 105, § 2, alinéa 1er, 1°, du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ;
10° la personne qui a procédé à la notification : la personne qui a procédé à la notification, visée à l'article 105, § 2, alinéa 1er, 1°, du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement. ]3
1° juridiction administrative flamande : une des instances suivantes :
a) [4 le Collège de maintien]4 de la Région flamande, établie par l'article 16.4.19, § 1er, alinéa premier, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement [7 et à laquelle des compétences [8 peuvent également être attribuées]8 [8 au chapitre 10, sections 13 et 14,]8 du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023 et des décrets qui déclarent applicable [8 le chapitre 10, section 13 ou 14, du décret]8 précité, conformément à l'article 3, alinéa 1er, du décret précité]7 ;
b) le Conseil pour les Contestations des Autorisations, établi par l'article 4.8.1 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire [1 NOTE : Ajout non traduit, voir version néerlandaise]1 [6 , l'article 45 du décret du 25 avril 2014 relatif aux projets complexes ]6[2 et l'article 43 du décret flamand sur l'expropriation du 24 février 2017]2;
c) le Conseil des Contestations électorales, établi par l'article 202 du Décret sur les Elections locales et provinciales du 8 juillet 2011 ;
[5 d) le Conseil de règlement des différends en matière de décisions sur la progression des études, établi par l'article II.285 du Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013 ;]5
2° juridictions administratives flamandes : l'ensemble des instances, visées au point 1° ;
3° juge administratif : le juge administratif effectif, complémentaire ou suppléant [5 ou l'assesseur]5;
4° président : le président d'une juridiction administrative flamande ;
5° assemblée générale : les juges administratifs effectifs des juridictions administratives flamandes, à l'exception des juges administratifs, visés à l'article 91, § 4, mais avec addition du président du Conseil des Contestations électorales ;
6° premier président : le président de l'assemblée générale ;
7° décision contestée : l'objet d'un recours juridictionnel pour lequel une juridiction administrative flamande est compétente ;
8° envoi sécurisé : une des façons de notification suivantes :
a) une lettre recommandée ;
b) une remise contre récépissé ;
c) toute autre modalité de notification autorisée par le Gouvernement flamand par laquelle la date de notification peut être établie avec certitude.
[3 9° titulaire du permis : le titulaire du permis, visé à l'article 105, § 2, alinéa 1er, 1°, du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ;
10° la personne qui a procédé à la notification : la personne qui a procédé à la notification, visée à l'article 105, § 2, alinéa 1er, 1°, du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement. ]3
Änderungen
Art. 3. De Vlaamse Regering bepaalt de zetel van de Vlaamse bestuursrechtscolleges en maakt die openbaar door bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
Art. 3. Le Gouvernement flamand détermine le siège des juridictions administratives flamandes et le publie au Moniteur belge.
Art. 4. De kredieten die nodig zijn voor de werking van de Vlaamse bestuursrechtscolleges zijn ten laste van de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap.
Art. 4. Les crédits nécessaires pour le fonctionnement des juridictions administratives flamandes sont à charge du budget général des dépenses de la Communauté flamande.
HOOFDSTUK 2. - Inrichting
CHAPITRE 2. - Aménagement
Afdeling 1. - Samenstelling
Section 1re. - Composition
Art. 5. De Vlaamse bestuursrechtscolleges bestaan uit ten minste acht bestuursrechters, onder wie een eerste voorzitter, voorzitters en kamervoorzitters.
Bestuursrechters die benoemd of aangesteld zijn bij een Vlaams bestuursrechtscollege, kunnen door de eerste voorzitter ten behoeve van de goede werking van de Vlaamse bestuursrechtscolleges ter beschikking gesteld worden van een ander Vlaams bestuursrechtscollege.
Indien een bestuursrechter overeenkomstig het tweede lid wordt ter beschikking gesteld, hoort de eerste voorzitter de betrokken bestuursrechter en motiveert hij zijn beslissing.
De terbeschikkingstelling van een bestuursrechter aan een Vlaams bestuursrechtscollege kan enkel voor zover de bestuursrechter over voldoende kennis beschikt in de domeinen waarvoor dat Vlaams bestuursrechtscollege bevoegd is.
De aanvullende bestuursrechters, vermeld in artikel 49, § 2, en 91, § 3, [1 de bijzitters, vermeld in artikel 49, § 2,]1 de plaatsvervangende bestuursrechters, vermeld in artikel 91, § 1, en de effectieve, aanvullende en plaatsvervangende bestuursrechters vermeld in artikel 91, § 4, zijn uitgesloten van de toepassing van het tweede lid.
Bestuursrechters die benoemd of aangesteld zijn bij een Vlaams bestuursrechtscollege, kunnen door de eerste voorzitter ten behoeve van de goede werking van de Vlaamse bestuursrechtscolleges ter beschikking gesteld worden van een ander Vlaams bestuursrechtscollege.
Indien een bestuursrechter overeenkomstig het tweede lid wordt ter beschikking gesteld, hoort de eerste voorzitter de betrokken bestuursrechter en motiveert hij zijn beslissing.
De terbeschikkingstelling van een bestuursrechter aan een Vlaams bestuursrechtscollege kan enkel voor zover de bestuursrechter over voldoende kennis beschikt in de domeinen waarvoor dat Vlaams bestuursrechtscollege bevoegd is.
De aanvullende bestuursrechters, vermeld in artikel 49, § 2, en 91, § 3, [1 de bijzitters, vermeld in artikel 49, § 2,]1 de plaatsvervangende bestuursrechters, vermeld in artikel 91, § 1, en de effectieve, aanvullende en plaatsvervangende bestuursrechters vermeld in artikel 91, § 4, zijn uitgesloten van de toepassing van het tweede lid.
Art. 5. Les juridictions administratives flamandes se composent d'au moins huit juges administratifs, parmi lesquels un premier président, des présidents et des présidents de chambre.
Des juges administratifs qui sont nommés ou désignés auprès d'une juridiction administrative flamande, peuvent être mis à disposition d'une autre juridiction administrative flamande par le premier président, en faveur du bon fonctionnement des juridictions administratives flamandes.
Si un juge administratif est mis à disposition conformément à l'alinéa deux, le premier président entend le juge administratif concerné et motive sa décision.
La mise à disposition d'un juge administratif à une juridiction administrative flamande ne peut avoir lieu que dans la mesure où le juge administratif dispose de suffisamment de connaissances dans les domaines pour lesquels cette juridiction administrative flamande est compétente.
Les juges administratifs complémentaires, visés à l'article 49, § 2, et l'article 91, § 3, [1 les assesseurs visés à l'article 49, § 2,]1 les juges administratifs suppléants, visés à l'article 91, § 1er, et les juges administratifs effectifs, complémentaires et suppléants, visés à l'article 91, § 4, sont exclus de l'application de l'alinéa deux.
Des juges administratifs qui sont nommés ou désignés auprès d'une juridiction administrative flamande, peuvent être mis à disposition d'une autre juridiction administrative flamande par le premier président, en faveur du bon fonctionnement des juridictions administratives flamandes.
Si un juge administratif est mis à disposition conformément à l'alinéa deux, le premier président entend le juge administratif concerné et motive sa décision.
La mise à disposition d'un juge administratif à une juridiction administrative flamande ne peut avoir lieu que dans la mesure où le juge administratif dispose de suffisamment de connaissances dans les domaines pour lesquels cette juridiction administrative flamande est compétente.
Les juges administratifs complémentaires, visés à l'article 49, § 2, et l'article 91, § 3, [1 les assesseurs visés à l'article 49, § 2,]1 les juges administratifs suppléants, visés à l'article 91, § 1er, et les juges administratifs effectifs, complémentaires et suppléants, visés à l'article 91, § 4, sont exclus de l'application de l'alinéa deux.
Art. 6. [1 De functie van beheerder, hoofd van het coördinatiebureau, hoofdgriffier, griffier, griffiemedewerker, coördinatiejurist en referendaris wordt opgenomen door personeelsleden van de dienst van de Bestuursrechtscolleges]1.
Deze personeelsleden kunnen hun functie bij de dienst van de Bestuursrechtscolleges niet cumuleren met een andere functie bij de diensten van de Vlaamse overheid.
De personeelsleden oefenen hun ambt onafhankelijk en onpartijdig uit. Zij mogen geen nadeel ondervinden van de uitoefening van hun taken.
Deze personeelsleden kunnen hun functie bij de dienst van de Bestuursrechtscolleges niet cumuleren met een andere functie bij de diensten van de Vlaamse overheid.
De personeelsleden oefenen hun ambt onafhankelijk en onpartijdig uit. Zij mogen geen nadeel ondervinden van de uitoefening van hun taken.
Art. 6. [1 La fonction de gestionnaire, de chef du bureau de coordination, de greffier en chef, de greffier, de collaborateur du greffe, de juriste de coordination et de référendaire est assumée par des membres du personnel du service des Juridictions administratives]1.
Ces membres du personnel ne peuvent pas cumuler leur fonction auprès du service des Juridictions administratives avec une autre fonction auprès des services de l'Autorité flamande.
Les membres du personnel exercent leur fonction de manière indépendante et impartiale. Ils ne peuvent subir de préjudice de l'exécution de leurs tâches.
Ces membres du personnel ne peuvent pas cumuler leur fonction auprès du service des Juridictions administratives avec une autre fonction auprès des services de l'Autorité flamande.
Les membres du personnel exercent leur fonction de manière indépendante et impartiale. Ils ne peuvent subir de préjudice de l'exécution de leurs tâches.
Afdeling 2. - Werking
Section 2. - Fonctionnement
Onderafdeling 1. - Algemene Vergadering
Sous-section 1re. - Assemblée générale
Art. 7. De hoofdgriffier [1 , het hoofd van het coördinatiebureau]1 en de beheerder zetelen met raadgevende stem in de algemene vergadering, wat hun respectieve bevoegdheden betreft.
De algemene vergadering beslist onder meer over de volgende aangelegenheden:
1° de aanstelling van de eerste voorzitter;
2° de hernieuwing van het mandaat van eerste voorzitter;
3° de goedkeuring en wijziging van het huishoudelijk reglement van de algemene vergadering en de Vlaamse bestuursrechtscolleges;
4° andere strategische aangelegenheden betreffende de werking en organisatie van de Vlaamse bestuursrechtscolleges.
De algemene vergadering beslist onder meer over de volgende aangelegenheden:
1° de aanstelling van de eerste voorzitter;
2° de hernieuwing van het mandaat van eerste voorzitter;
3° de goedkeuring en wijziging van het huishoudelijk reglement van de algemene vergadering en de Vlaamse bestuursrechtscolleges;
4° andere strategische aangelegenheden betreffende de werking en organisatie van de Vlaamse bestuursrechtscolleges.
Art. 7. Le greffier en chef [1 , le chef du bureau de coordination]1 et le gestionnaire siègent avec voix consultative dans l'assemblée générale, en ce qui concerne leurs compétences respectives.
L'assemblée générale décide entre autres des matières suivantes :
1° la désignation du premier président ;
2° le renouvellement du mandat de premier président ;
3° l'approbation et la modification du règlement d'ordre intérieur de l'assemblée générale et des juridictions administratives flamandes ;
4° d'autres matières stratégiques relatives au fonctionnement et à l'organisation des juridictions administratives flamandes.
L'assemblée générale décide entre autres des matières suivantes :
1° la désignation du premier président ;
2° le renouvellement du mandat de premier président ;
3° l'approbation et la modification du règlement d'ordre intérieur de l'assemblée générale et des juridictions administratives flamandes ;
4° d'autres matières stratégiques relatives au fonctionnement et à l'organisation des juridictions administratives flamandes.
Onderafdeling 2. - Eerste voorzitter
Sous-section 2. - Premier président
Art. 8. De algemene vergadering stelt onder de effectieve bestuursrechters die deel uitmaken van de algemene vergadering, een eerste voorzitter aan voor een mandaat van vijf jaar, dat eenmaal kan worden hernieuwd.
De algemene vergadering stelt de selectieprocedure vast voor het mandaat van eerste voorzitter.
De algemene vergadering stelt de selectieprocedure vast voor het mandaat van eerste voorzitter.
Art. 8. L'assemblée générale désigne, parmi les juges administratifs effectifs qui font partie de l'assemblée générale, un premier président pour un mandat de cinq ans, qui peut être renouvelé une fois.
L'assemblée générale établit la procédure de sélection pour le mandat du premier président.
L'assemblée générale établit la procédure de sélection pour le mandat du premier président.
Art. 9. De eerste voorzitter is belast met de algemene en dagelijkse leiding van de Vlaamse bestuursrechtscolleges.
De eerste voorzitter is tevens hoofd van de dienst van de Bestuursrechtscolleges.
De eerste voorzitter kan bevoegdheden inzake het dagelijks beheer delegeren aan de beheerder.
Het dagelijks beheer omvat het technisch en financieel beheer, het beheer van de infrastructuur, de communicatie en het personeelsmanagement van de bestuursrechters en van de personeelsleden van de dienst van de Bestuursrechtscolleges.
De eerste voorzitter is belast met het opmaken van een beleidsplan voor de Vlaamse bestuursrechtscolleges.
De eerste voorzitter stelt jaarlijks een werkingsverslag op waarin de implementatie van zijn beleidsplan en de evaluatie ervan wordt uiteengezet. In voorkomend geval bevat dat verslag de nodige bijsturingen van het plan, wijst het de behoeften aan en bevat het voorstellen om de werking van de Vlaamse bestuursrechtscolleges te verbeteren.
[1 De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de opmaak, de inhoud en de timing van het beleidsplan en de evaluatie ervan in het werkingsverslag.]1
Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen kan de eerste voorzitter maatregelen nemen die kunnen afwijken van de bepalingen in het huishoudelijk reglement. Onder de behoefte van de dienst kan onder meer worden begrepen de verdeling van de werklast, de onbeschikbaarheid van een bestuursrechter, een vereiste deskundigheid, de goede voortgang van een zaak of een andere daarmee vergelijkbare objectieve reden.
De eerste voorzitter bewaakt de eenheid van rechtspraak of rechtsvorming tussen de Vlaamse bestuursrechtscolleges. Hiertoe kan hij een zaak op eigen initiatief of op vraag van een voorzitter toewijzen aan een kamer bestaande uit de voorzitters van de Vlaamse bestuursrechtscolleges.
De eerste voorzitter oefent het mandaat van korpschef uit.
Het mandaat van korpschef omvat het hiërarchisch en functioneel gezag over de bestuursrechters.
De eerste voorzitter is tevens hoofd van de dienst van de Bestuursrechtscolleges.
De eerste voorzitter kan bevoegdheden inzake het dagelijks beheer delegeren aan de beheerder.
Het dagelijks beheer omvat het technisch en financieel beheer, het beheer van de infrastructuur, de communicatie en het personeelsmanagement van de bestuursrechters en van de personeelsleden van de dienst van de Bestuursrechtscolleges.
De eerste voorzitter is belast met het opmaken van een beleidsplan voor de Vlaamse bestuursrechtscolleges.
De eerste voorzitter stelt jaarlijks een werkingsverslag op waarin de implementatie van zijn beleidsplan en de evaluatie ervan wordt uiteengezet. In voorkomend geval bevat dat verslag de nodige bijsturingen van het plan, wijst het de behoeften aan en bevat het voorstellen om de werking van de Vlaamse bestuursrechtscolleges te verbeteren.
[1 De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de opmaak, de inhoud en de timing van het beleidsplan en de evaluatie ervan in het werkingsverslag.]1
Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen kan de eerste voorzitter maatregelen nemen die kunnen afwijken van de bepalingen in het huishoudelijk reglement. Onder de behoefte van de dienst kan onder meer worden begrepen de verdeling van de werklast, de onbeschikbaarheid van een bestuursrechter, een vereiste deskundigheid, de goede voortgang van een zaak of een andere daarmee vergelijkbare objectieve reden.
De eerste voorzitter bewaakt de eenheid van rechtspraak of rechtsvorming tussen de Vlaamse bestuursrechtscolleges. Hiertoe kan hij een zaak op eigen initiatief of op vraag van een voorzitter toewijzen aan een kamer bestaande uit de voorzitters van de Vlaamse bestuursrechtscolleges.
De eerste voorzitter oefent het mandaat van korpschef uit.
Het mandaat van korpschef omvat het hiërarchisch en functioneel gezag over de bestuursrechters.
Art. 9. Le premier président est chargé de la direction générale et journalière des juridictions administratives flamandes.
Le premier président est également le chef du service des Juridictions administratives.
Le premier président peut déléguer au gestionnaire des compétences en matière de gestion journalière.
La gestion journalière comprend la gestion technique et financière, la gestion de l'infrastructure, la communication et la gestion du personnel des juges administratifs et des membres du personnel du service des Juridictions administratives.
Le premier président est chargé de l'établissement d'un plan de gestion pour les juridictions administratives flamandes.
Le premier président établit annuellement un rapport d'activité dans lequel sont exposés son plan de gestion et l'évaluation de ce dernier. Le cas échéant, ce rapport contient les ajustements nécessaires du plan, il désigne les besoins et il contient des propositions pour améliorer le fonctionnement des juridictions administratives flamandes.
[1 Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités relatives à l'élaboration, au contenu et au calendrier du plan d'orientation et de son évaluation dans le rapport d'activité.]1
Lorsque les besoins du service le justifient, le premier président peut prendre des mesures qui peuvent déroger aux dispositions du règlement d'ordre intérieur. Par le besoin du service on entend, entre autres, la répartition de la charge de travail, l'indisponibilité d'un juge administratif, une expertise requise, le bon progrès d'une cause ou une autre raison objective comparable.
Le premier président veille à l'unité de jurisprudence ou de juridiction entre les juridictions administratives flamandes. A cet effet, il peut attribuer une affaire, d'initiative ou sur la demande d'un président, à une chambre composée des présidents des juridictions administratives flamandes.
Le premier président exerce le mandat de chef de corps.
Le mandat de chef de corps comprend l'autorité hiérarchique et fonctionnelle sur les juges administratifs.
Le premier président est également le chef du service des Juridictions administratives.
Le premier président peut déléguer au gestionnaire des compétences en matière de gestion journalière.
La gestion journalière comprend la gestion technique et financière, la gestion de l'infrastructure, la communication et la gestion du personnel des juges administratifs et des membres du personnel du service des Juridictions administratives.
Le premier président est chargé de l'établissement d'un plan de gestion pour les juridictions administratives flamandes.
Le premier président établit annuellement un rapport d'activité dans lequel sont exposés son plan de gestion et l'évaluation de ce dernier. Le cas échéant, ce rapport contient les ajustements nécessaires du plan, il désigne les besoins et il contient des propositions pour améliorer le fonctionnement des juridictions administratives flamandes.
[1 Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités relatives à l'élaboration, au contenu et au calendrier du plan d'orientation et de son évaluation dans le rapport d'activité.]1
Lorsque les besoins du service le justifient, le premier président peut prendre des mesures qui peuvent déroger aux dispositions du règlement d'ordre intérieur. Par le besoin du service on entend, entre autres, la répartition de la charge de travail, l'indisponibilité d'un juge administratif, une expertise requise, le bon progrès d'une cause ou une autre raison objective comparable.
Le premier président veille à l'unité de jurisprudence ou de juridiction entre les juridictions administratives flamandes. A cet effet, il peut attribuer une affaire, d'initiative ou sur la demande d'un président, à une chambre composée des présidents des juridictions administratives flamandes.
Le premier président exerce le mandat de chef de corps.
Le mandat de chef de corps comprend l'autorité hiérarchique et fonctionnelle sur les juges administratifs.
Onderafdeling 3. - Voorzitter
Sous-section 3. - Président
Art. 10. De voorzitter van een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, a) [1 , b) en d)]1, wordt aangesteld onder en door de effectieve bestuursrechters die benoemd of aangesteld zijn bij dat Vlaams bestuursrechtscollege.
De voorzitter van een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, c), wordt aangesteld onder en door de effectieve, aanvullende en plaatsvervangende bestuursrechters die benoemd zijn bij dat Vlaams bestuursrechtscollege.
Het betreft een mandaat van vijf jaar, dat eenmaal kan worden hernieuwd.
De voorzitter bewaakt de eenheid van rechtspraak of rechtsvorming binnen het Vlaams bestuursrechtscollege waarvoor hij bevoegd is. Hiertoe kan hij een zaak op eigen initiatief of op vraag van een kamervoorzitter toewijzen aan een kamer met drie rechters.
De voorzitter is belast met de efficiënte toewijzing van een beroep binnen het rechtscollege waarvoor hij bevoegd is.[2 De voorzitter van het bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, b), zorgt voor de behandeling bij voorrang van de beroepen tegen de besluiten tot definitieve vaststelling van ruimtelijke uitvoeringsplannen en stedenbouwkundige verordeningen en tegen definitieve voorkeursbesluiten en projectbesluiten inzake complexe projecten.]2
De Vlaamse Regering stelt de taken van de voorzitter betreffende de rechtspleging vast inzonderheid inzake het samenvoegen van beroepen of bezwaren, de toepassing van de vereenvoudigde procedure, de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en de voorlopige maatregelen.
De voorzitter van een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, c), wordt aangesteld onder en door de effectieve, aanvullende en plaatsvervangende bestuursrechters die benoemd zijn bij dat Vlaams bestuursrechtscollege.
Het betreft een mandaat van vijf jaar, dat eenmaal kan worden hernieuwd.
De voorzitter bewaakt de eenheid van rechtspraak of rechtsvorming binnen het Vlaams bestuursrechtscollege waarvoor hij bevoegd is. Hiertoe kan hij een zaak op eigen initiatief of op vraag van een kamervoorzitter toewijzen aan een kamer met drie rechters.
De voorzitter is belast met de efficiënte toewijzing van een beroep binnen het rechtscollege waarvoor hij bevoegd is.[2 De voorzitter van het bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, b), zorgt voor de behandeling bij voorrang van de beroepen tegen de besluiten tot definitieve vaststelling van ruimtelijke uitvoeringsplannen en stedenbouwkundige verordeningen en tegen definitieve voorkeursbesluiten en projectbesluiten inzake complexe projecten.]2
De Vlaamse Regering stelt de taken van de voorzitter betreffende de rechtspleging vast inzonderheid inzake het samenvoegen van beroepen of bezwaren, de toepassing van de vereenvoudigde procedure, de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en de voorlopige maatregelen.
Art. 10. Le président d'une juridiction administrative flamande, telle que visée à l'article 2, 1°, a) [1 , b) et d)]1, est désigné parmi et par les juges administratifs effectifs qui sont nommés ou désignés auprès de cette juridiction administrative flamande.
Le président d'une juridiction administrative flamande, telle que visée à l'article 2, 1°, c), est désigné parmi et par les juges administratifs effectifs, complémentaires et suppléants qui sont nommés auprès de cette juridiction administrative flamande.
Il s'agit d'un mandat de cinq ans, qui peut être renouvelé une fois.
Le président veille à l'unité de jurisprudence ou de juridiction au sein de la juridiction administrative flamande pour laquelle il est compétent. A cet effet, il peut attribuer une affaire, d'initiative ou sur la demande d'un président de chambre, à une chambre composée de trois juges.
Le président est chargé de l'attribution efficace d'un recours au sein de la juridiction pour laquelle il est compétent.[2 Le président de la juridiction administrative flamande, visée à l'article 2, 1°, b), assure le traitement prioritaire des recours contre les arrêtés portant la fixation définitive de plans d'exécution spatiale et de règlements d'urbanisme et contre les arrêtés définitifs relatifs à la préférence et les arrêtés relatifs au projet en matière de projets complexes.]2
Le Gouvernement flamand établit les tâches du président, notamment en ce qui concerne le rassemblement de recours ou de réclamations, l'application de la procédure simplifiée, la suspension d'extrême urgence et les mesures provisoires.
Le président d'une juridiction administrative flamande, telle que visée à l'article 2, 1°, c), est désigné parmi et par les juges administratifs effectifs, complémentaires et suppléants qui sont nommés auprès de cette juridiction administrative flamande.
Il s'agit d'un mandat de cinq ans, qui peut être renouvelé une fois.
Le président veille à l'unité de jurisprudence ou de juridiction au sein de la juridiction administrative flamande pour laquelle il est compétent. A cet effet, il peut attribuer une affaire, d'initiative ou sur la demande d'un président de chambre, à une chambre composée de trois juges.
Le président est chargé de l'attribution efficace d'un recours au sein de la juridiction pour laquelle il est compétent.[2 Le président de la juridiction administrative flamande, visée à l'article 2, 1°, b), assure le traitement prioritaire des recours contre les arrêtés portant la fixation définitive de plans d'exécution spatiale et de règlements d'urbanisme et contre les arrêtés définitifs relatifs à la préférence et les arrêtés relatifs au projet en matière de projets complexes.]2
Le Gouvernement flamand établit les tâches du président, notamment en ce qui concerne le rassemblement de recours ou de réclamations, l'application de la procédure simplifiée, la suspension d'extrême urgence et les mesures provisoires.
Onderafdeling 4. - Werkingsregelen
Sous-section 4. - Règles de fonctionnement
Art. 11. Het huishoudelijk reglement regelt minstens de indeling in kamers, [1 waaronder de specialiteit,]1 de toewijzing van dossiers en de wijze van beraadslaging en beslissing van de algemene vergadering.
Het reglement wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
Het reglement wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
Art. 11. Le règlement d'ordre intérieur règle au moins la division en chambres, [1 y compris la spécialité,]1 l'attribution de dossiers et le mode de délibération et de décision de l'assemblée générale.
Le règlement est publié au Moniteur belge.
Le règlement est publié au Moniteur belge.
Art. 12. De Vlaamse bestuursrechtscolleges worden ingedeeld in kamers.
[1 Het rechtscollege, zoals bedoeld in artikel 2, § 1, b), heeft een kamer die uitsluitend bevoegd is voor beroepen tegen definitieve onteigeningsbesluiten.]1[3 Het voormelde rechtscollege heeft ook een kamer die uitsluitend bevoegd is voor de beroepen tegen definitieve voorkeursbesluiten en projectbesluiten inzake complexe projecten.]3
Een enkelvoudige kamer houdt zitting met één bestuursrechter. Meervoudige kamers houden zitting met drie bestuursrechters.
De eerste voorzitter bepaalt de samenstelling van de kamers en wijst de kamervoorzitters aan. [1 Hij houdt daarbij rekening met de kennis van de bestuursrechters, overeenkomstig de kennisdomeinen bepaald in artikel 49, § 1, tweede lid, en wijst aan een gespecialiseerde kamer enkel een bestuursrechter toe voor zover deze over voldoende kennis beschikt in de materies waarin deze kamer gespecialiseerd is.]1
De kamervoorzitter neemt de leiding van de kamer en is belast met de organisatie ervan. Hij brengt daarover verslag uit bij de eerste voorzitter.
De kamervoorzitter bewaakt de eenheid van rechtspraak of rechtsvorming in zijn kamer.
De eerste voorzitter kan aanvullende kamers samenstellen. Hij kan daarbij afwijken van de regels die zijn vastgesteld in het huishoudelijk reglement.
[2 In afwijking van het derde lid stelt de eerste voorzitter alle kamers van het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), samen uit één kamervoorzitter en twee bijzitters.
In afwijking van het vierde lid kan de eerste voorzitter de kamervoorzitters van het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), niet aanwijzen onder de bijzitters.]2
[1 Het rechtscollege, zoals bedoeld in artikel 2, § 1, b), heeft een kamer die uitsluitend bevoegd is voor beroepen tegen definitieve onteigeningsbesluiten.]1[3 Het voormelde rechtscollege heeft ook een kamer die uitsluitend bevoegd is voor de beroepen tegen definitieve voorkeursbesluiten en projectbesluiten inzake complexe projecten.]3
Een enkelvoudige kamer houdt zitting met één bestuursrechter. Meervoudige kamers houden zitting met drie bestuursrechters.
De eerste voorzitter bepaalt de samenstelling van de kamers en wijst de kamervoorzitters aan. [1 Hij houdt daarbij rekening met de kennis van de bestuursrechters, overeenkomstig de kennisdomeinen bepaald in artikel 49, § 1, tweede lid, en wijst aan een gespecialiseerde kamer enkel een bestuursrechter toe voor zover deze over voldoende kennis beschikt in de materies waarin deze kamer gespecialiseerd is.]1
De kamervoorzitter neemt de leiding van de kamer en is belast met de organisatie ervan. Hij brengt daarover verslag uit bij de eerste voorzitter.
De kamervoorzitter bewaakt de eenheid van rechtspraak of rechtsvorming in zijn kamer.
De eerste voorzitter kan aanvullende kamers samenstellen. Hij kan daarbij afwijken van de regels die zijn vastgesteld in het huishoudelijk reglement.
[2 In afwijking van het derde lid stelt de eerste voorzitter alle kamers van het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), samen uit één kamervoorzitter en twee bijzitters.
In afwijking van het vierde lid kan de eerste voorzitter de kamervoorzitters van het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), niet aanwijzen onder de bijzitters.]2
Art. 12. Les juridictions administratives flamandes sont divisées en chambres.
[1 La juridiction administrative, telle que visée à l'article 2, § 1er, b), a une chambre exclusivement compétente pour des recours contre des décisions d'expropriation définitives.]1[3 La juridiction administrative précitée a également une chambre exclusivement compétente pour les recours contre des arrêtés définitifs relatifs à la préférence et des arrêtés relatifs au projet en matière de projets complexes.]3
Une chambre simple siège avec un seul juge administratif. Les chambres multiples siègent avec trois juges administratifs.
Le premier président détermine la composition des chambres et désigne les présidents de chambre. [1 A cet effet, il tient compte de la connaissance des juges administratifs, conformément aux domaines de connaissance fixées à l'article 49, § 1er, alinéa 2, et ne désigne un juge administratif à une chambre spécialisée que dans la mesure où celui-ci dispose de suffisamment de connaissance relative aux matières en lesquelles cette chambre est spécialisée.]1
Le président de chambre assure la direction de la chambre et est chargé de l'organisation de celle-ci. Il en fait rapport au premier président.
Le président de chambre veille à l'unité de jurisprudence ou de juridiction dans sa chambre.
Le premier président peut composer des chambres complémentaires. A cet effet, il peut déroger aux règles fixées dans le règlement d'ordre intérieur.
[2 Par dérogation à l'alinéa 3, le premier président compose toutes les chambres de la juridiction administrative flamande visée à l'article 2, 1°, d), d'un président de chambre et de deux assesseurs.
Par dérogation à l'alinéa 4, le premier président ne peut pas désigner les présidents de chambre de la juridiction administrative flamande visée à l'article 2, 1°, d), parmi les assesseurs.]2
[1 La juridiction administrative, telle que visée à l'article 2, § 1er, b), a une chambre exclusivement compétente pour des recours contre des décisions d'expropriation définitives.]1[3 La juridiction administrative précitée a également une chambre exclusivement compétente pour les recours contre des arrêtés définitifs relatifs à la préférence et des arrêtés relatifs au projet en matière de projets complexes.]3
Une chambre simple siège avec un seul juge administratif. Les chambres multiples siègent avec trois juges administratifs.
Le premier président détermine la composition des chambres et désigne les présidents de chambre. [1 A cet effet, il tient compte de la connaissance des juges administratifs, conformément aux domaines de connaissance fixées à l'article 49, § 1er, alinéa 2, et ne désigne un juge administratif à une chambre spécialisée que dans la mesure où celui-ci dispose de suffisamment de connaissance relative aux matières en lesquelles cette chambre est spécialisée.]1
Le président de chambre assure la direction de la chambre et est chargé de l'organisation de celle-ci. Il en fait rapport au premier président.
Le président de chambre veille à l'unité de jurisprudence ou de juridiction dans sa chambre.
Le premier président peut composer des chambres complémentaires. A cet effet, il peut déroger aux règles fixées dans le règlement d'ordre intérieur.
[2 Par dérogation à l'alinéa 3, le premier président compose toutes les chambres de la juridiction administrative flamande visée à l'article 2, 1°, d), d'un président de chambre et de deux assesseurs.
Par dérogation à l'alinéa 4, le premier président ne peut pas désigner les présidents de chambre de la juridiction administrative flamande visée à l'article 2, 1°, d), parmi les assesseurs.]2
HOOFDSTUK 3. - Rechtspleging
CHAPITRE 3. - Procédure
Afdeling 1. - Bepalingen die van toepassing zijn op het [1 Handhavingscollege]1, de Raad voor Vergunningsbetwistingen [2 , de]2 Raad voor Verkiezingsbetwistingen [2 en de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen]2
Section 1re. - Dispositions applicables [1 au Collège de maintien]1 de la Région flamande, au Conseil pour les Contestations des Autorisations [2 , au]2 Conseil des Contestations électorales [2 et le Conseil de règlement des différends en matière de décisions sur la progression des études]2
Art. 13. De partijen kunnen bestuursrechters die zich over het beroep of bezwaar moeten uitspreken schriftelijk en op gemotiveerde wijze wraken voor de aanvang van de zitting, tenzij de reden tot wraking later is ontstaan.
De redenen, vermeld in artikel 828 en 830 van het Gerechtelijk Wetboek, zijn de redenen tot wraking, vermeld in het eerste lid.
De eerste voorzitter of, als die wordt gewraakt, de oudste kamervoorzitter doet zo spoedig mogelijk uitspraak over het verzoek tot wraking. Als het verzoek wordt ingewilligd, wordt de gewraakte bestuursrechter vervangen.
De bestuursrechter die weet dat er een reden tot wraking tegen hem bestaat, onthoudt zich van de zaak en laat zich vervangen.
[1 Naast de redenen, vermeld in het tweede lid, gelden voor het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), de volgende bijkomende redenen tot wraking:
1° de redenen, vermeld in artikel 829, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek;
2° de hoedanigheid van lid van een rechtspersoon als vermeld in artikel 24, § 4, van de Grondwet, verantwoordelijk voor de universiteit of de hogeschool waaraan de kwestieuze beslissing werd genomen, of van een personeelslid van die universiteit of hogeschool;
3° de hoedanigheid, vermeld in punt 2°, hebben gehad in een periode van drie jaar die aan het ingestelde beroep voorafgaat.]1
De redenen, vermeld in artikel 828 en 830 van het Gerechtelijk Wetboek, zijn de redenen tot wraking, vermeld in het eerste lid.
De eerste voorzitter of, als die wordt gewraakt, de oudste kamervoorzitter doet zo spoedig mogelijk uitspraak over het verzoek tot wraking. Als het verzoek wordt ingewilligd, wordt de gewraakte bestuursrechter vervangen.
De bestuursrechter die weet dat er een reden tot wraking tegen hem bestaat, onthoudt zich van de zaak en laat zich vervangen.
[1 Naast de redenen, vermeld in het tweede lid, gelden voor het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), de volgende bijkomende redenen tot wraking:
1° de redenen, vermeld in artikel 829, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek;
2° de hoedanigheid van lid van een rechtspersoon als vermeld in artikel 24, § 4, van de Grondwet, verantwoordelijk voor de universiteit of de hogeschool waaraan de kwestieuze beslissing werd genomen, of van een personeelslid van die universiteit of hogeschool;
3° de hoedanigheid, vermeld in punt 2°, hebben gehad in een periode van drie jaar die aan het ingestelde beroep voorafgaat.]1
Art. 13. Les parties peuvent récuser des juges administratifs qui doivent se prononcer sur le recours ou la réclamation, par écrit et de manière motivée, avant l'ouverture de la séance, à moins que la cause de la récusation ne soit survenue plus tard.
Les causes, visées aux articles 828 et 830 du Code judiciaire, sont les causes de récusation visées à l'alinéa premier.
Le premier président ou, s'il est récusé, le président de chambre le plus âgé, se prononce dans les meilleurs délais sur la demande de récusation. Lorsque la demande est acceptée, le juge administratif récusé est remplacé.
Le juge administratif qui sait qu'il existe une cause de récusation contre sa personne, s'abstient de l'affaire et se fait remplacer.
[1 Outre les causes visées à l'alinéa 2, les causes supplémentaires de récusation suivantes s'appliquent à la juridiction administrative flamande, visée à l'article 2, 1°, d) :
1° les causes visées à l'article 829, alinéa 2, du Code judiciaire ;
2° la qualité de membre d'une personne morale telle que visée à l'article 24, § 4, de la Constitution, responsable de l'université ou de l'institut supérieur au sein de laquelle ou duquel la décision en cause a été prise, ou d'un membre du personnel de cette université ou cet institut supérieur ;
3° avoir eu la qualité visée au point 2°, dans une période de trois ans précédant le recours introduit.]1
Les causes, visées aux articles 828 et 830 du Code judiciaire, sont les causes de récusation visées à l'alinéa premier.
Le premier président ou, s'il est récusé, le président de chambre le plus âgé, se prononce dans les meilleurs délais sur la demande de récusation. Lorsque la demande est acceptée, le juge administratif récusé est remplacé.
Le juge administratif qui sait qu'il existe une cause de récusation contre sa personne, s'abstient de l'affaire et se fait remplacer.
[1 Outre les causes visées à l'alinéa 2, les causes supplémentaires de récusation suivantes s'appliquent à la juridiction administrative flamande, visée à l'article 2, 1°, d) :
1° les causes visées à l'article 829, alinéa 2, du Code judiciaire ;
2° la qualité de membre d'une personne morale telle que visée à l'article 24, § 4, de la Constitution, responsable de l'université ou de l'institut supérieur au sein de laquelle ou duquel la décision en cause a été prise, ou d'un membre du personnel de cette université ou cet institut supérieur ;
3° avoir eu la qualité visée au point 2°, dans une période de trois ans précédant le recours introduit.]1
Art. 14. Het beroep of bezwaar heeft geen schorsende werking, tenzij de decreten, vermeld in artikel 2, 1°, dat anders bepalen.
Art. 14. Le recours ou la réclamation n'a pas d'effet suspensif, sauf si les décrets visés à l'article 2, 1°, stipulent le contraire.
Art. 15. Een Vlaams bestuursrechtscollege kan zaken over hetzelfde of over een verwant onderwerp ter behandeling samenvoegen en de behandeling over samengevoegde zaken achteraf weer splitsen.
Art. 15. Une juridiction administrative flamande peut joindre des affaires sur des sujets identiques ou connexes en vue du traitement, et scinder le traitement d'affaires jointes par après.
Art. 16. De behandeling van het beroep of bezwaar geschiedt schriftelijk en op tegenspraak.
Partijen kunnen zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman.
Een Vlaams bestuursrechtscollege kan, op eigen initiatief of op verzoek van een partij, getuigen of deskundigen horen en een beroep doen op tolken. Een Vlaams bestuursrechtscollege kan ook andere onderzoeksmaatregelen bevelen die door de Vlaamse Regering worden vastgesteld.
De zittingen van een Vlaams bestuursrechtscollege zijn openbaar, behalve als de kamer in geval van gevaar voor de orde of goede zeden anders beslist.
Bij regelmatige oproeping belet de afwezigheid van een partij de geldigheid van een zitting niet. De zaak wordt in dat geval geacht op tegenspraak behandeld te zijn.
Tenzij een Vlaams bestuursrechtscollege anders beslist kunnen partijen in onderling overleg afzien van de behandeling van het beroep ter zitting.
Een Vlaams bestuursrechtscollege beraadslaagt achter gesloten deuren over zijn uitspraken.
Partijen kunnen zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman.
Een Vlaams bestuursrechtscollege kan, op eigen initiatief of op verzoek van een partij, getuigen of deskundigen horen en een beroep doen op tolken. Een Vlaams bestuursrechtscollege kan ook andere onderzoeksmaatregelen bevelen die door de Vlaamse Regering worden vastgesteld.
De zittingen van een Vlaams bestuursrechtscollege zijn openbaar, behalve als de kamer in geval van gevaar voor de orde of goede zeden anders beslist.
Bij regelmatige oproeping belet de afwezigheid van een partij de geldigheid van een zitting niet. De zaak wordt in dat geval geacht op tegenspraak behandeld te zijn.
Tenzij een Vlaams bestuursrechtscollege anders beslist kunnen partijen in onderling overleg afzien van de behandeling van het beroep ter zitting.
Een Vlaams bestuursrechtscollege beraadslaagt achter gesloten deuren over zijn uitspraken.
Art. 16. Le traitement du recours ou de la réclamation se fait par écrit et contradictoirement.
Les parties peuvent se faire assister ou représenter par un conseil.
Une juridiction administrative flamande peut, d'initiative ou sur la demande d'une partie, entendre des témoins ou des experts, et faire appel à des interprètes. Une juridiction administrative flamande peut également ordonner d'autres mesures d'instruction qui sont établies par le Gouvernement flamand.
Les séances d'une juridiction administrative flamande sont publiques, sauf si la chambre en décide autrement en cas de danger pour l'ordre public ou les bonnes moeurs.
En cas d'une convocation régulière, l'absence d'une partie n'empêche pas la validité d'une séance. Dans ce cas, l'affaire est censée être traitée contradictoirement.
Sauf si une juridiction administrative flamande en décide autrement, des parties peuvent renoncer de commun accord au traitement du recours en séance.
Une juridiction administrative flamande délibère sur ses prononcés à huis clos.
Les parties peuvent se faire assister ou représenter par un conseil.
Une juridiction administrative flamande peut, d'initiative ou sur la demande d'une partie, entendre des témoins ou des experts, et faire appel à des interprètes. Une juridiction administrative flamande peut également ordonner d'autres mesures d'instruction qui sont établies par le Gouvernement flamand.
Les séances d'une juridiction administrative flamande sont publiques, sauf si la chambre en décide autrement en cas de danger pour l'ordre public ou les bonnes moeurs.
En cas d'une convocation régulière, l'absence d'une partie n'empêche pas la validité d'une séance. Dans ce cas, l'affaire est censée être traitée contradictoirement.
Sauf si une juridiction administrative flamande en décide autrement, des parties peuvent renoncer de commun accord au traitement du recours en séance.
Une juridiction administrative flamande délibère sur ses prononcés à huis clos.
Art. 17. De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast voor de vormvereisten en ontvankelijkheid van de verzoekschriften en voor de rechtspleging voor de Vlaamse bestuursrechtscolleges, waaronder de regels betreffende:
1° de stukken die bij het verzoekschrift moeten worden gevoegd;
2° de registratie van het verzoekschrift en de voorwaarden waaronder het verzoekschrift kan worden geregulariseerd;
3° de wijze waarop en de personen aan wie een afschrift van het verzoekschrift wordt bezorgd;
4° de wijze van toezending en uitwisseling van de processtukken;
5° de bijstand of vertegenwoordiging door een raadsman;
6° het beroep op getuigen, deskundigen en tolken, met inbegrip van de regeling voor het getuigengeld, de kosten en erelonen van de deskundigen en de kosten van de tolken;
7° de wijze van de berekening van de termijnen, vermeld in dit hoofdstuk;
8° de voorwaarden waaronder een vergoeding kan worden gevraagd voor afschriften of uittreksels.
1° de stukken die bij het verzoekschrift moeten worden gevoegd;
2° de registratie van het verzoekschrift en de voorwaarden waaronder het verzoekschrift kan worden geregulariseerd;
3° de wijze waarop en de personen aan wie een afschrift van het verzoekschrift wordt bezorgd;
4° de wijze van toezending en uitwisseling van de processtukken;
5° de bijstand of vertegenwoordiging door een raadsman;
6° het beroep op getuigen, deskundigen en tolken, met inbegrip van de regeling voor het getuigengeld, de kosten en erelonen van de deskundigen en de kosten van de tolken;
7° de wijze van de berekening van de termijnen, vermeld in dit hoofdstuk;
8° de voorwaarden waaronder een vergoeding kan worden gevraagd voor afschriften of uittreksels.
Art. 17. Le Gouvernement flamand arrête les modalités pour les exigences formelles et la recevabilité des requêtes et pour la procédure devant les juridictions administratives flamandes, y compris les règles concernant :
1° les documents qui doivent être joints à la requête ;
2° l'enregistrement de la requête et les conditions auxquelles la requête peut être régularisée ;
3° la manière dont et les personnes à qui une copie de la requête est envoyée ;
4° le mode d'envoi et d'échange des pièces relatives au procès ;
5° l'assistance ou la représentation par un conseil ;
6° l'appel aux témoins, experts et interprètes, y compris le règlement des indemnités des témoins, des frais et honoraires des experts et des frais des interprètes ;
7° le mode de calcul des délais, visés au présent chapitre ;
8° les conditions auxquelles une indemnité peut être demandée pour des copies ou extraits.
1° les documents qui doivent être joints à la requête ;
2° l'enregistrement de la requête et les conditions auxquelles la requête peut être régularisée ;
3° la manière dont et les personnes à qui une copie de la requête est envoyée ;
4° le mode d'envoi et d'échange des pièces relatives au procès ;
5° l'assistance ou la représentation par un conseil ;
6° l'appel aux témoins, experts et interprètes, y compris le règlement des indemnités des témoins, des frais et honoraires des experts et des frais des interprètes ;
7° le mode de calcul des délais, visés au présent chapitre ;
8° les conditions auxquelles une indemnité peut être demandée pour des copies ou extraits.
Afdeling 2. - Bepalingen die van toepassing zijn op het [1 Handhavingscollege]1 [2 , de]2 Raad voor Vergunningsbetwistingen [2 en de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen]2
Section 2. - Dispositions applicables [1 au Collège de maintien]1 de la Région flamande [2 , au]2 Conseil des Contestations électorales [2 et au Conseil de règlement des différends en matière de décisions sur la progression des études]2
Art. 18. De decreten, vermeld in [1 artikel 2, 1°, a), b) en d)]1, stellen de personen vast die beroep kunnen instellen tegen een bestreden beslissing, alsook de daarvoor geldende termijnen.
Art. 18. Les décrets, visés à [1 l'article 2, 1°, a), b) et d)]1, établissent les personnes qui peuvent introduire un recours contre une décision contestée, ainsi que les délais applicables.
Art. 19. De Vlaamse Regering kan regels vaststellen voor de behandeling van verzoekschriften die in aanmerking komen voor een [1 verkorte procedure]1.
Art. 19. Le Gouvernement flamand peut arrêter des règles pour le traitement de requêtes qui entrent en ligne de compte pour une [1 procédure abrégée]1.
Afdeling 3. - Bepalingen die van toepassing zijn op de Raad voor Vergunningsbetwistingen
Section 3. - Dispositions applicables au Conseil pour les Contestations des Autorisations
Art. 20. Elke belanghebbende kan tussenkomen in een hangende procedure.
[1 De decreten, vermeld in artikel 2, 1°, b), bepalen welke personen belanghebbende zijn.]1
[3 De vergunninghouder of de persoon die de melding heeft verricht, die wordt vermeld in de bestreden beslissing of in de bestreden aktename of niet-aktename, is van rechtswege tussenkomende partij in een hangende procedure, op voorwaarde dat hijzelf niet de beroepsindiener is. In geval van overdracht van de bestreden beslissing kan het geding worden hervat door de nieuwe vergunninghouder.]3
[2 De Vlaamse Regering bepaalt de vervaltermijnen, die niet korter mogen zijn dan twintig dagen, behalve bij vervaltermijnen [3 om tussen te komen]3 in de vorderingen, ingesteld conform artikel 40, § 2.]2
De Vlaamse Regering bepaalt de vervaltermijnen die niet korter mogen zijn dan twintig dagen.
[1 De decreten, vermeld in artikel 2, 1°, b), bepalen welke personen belanghebbende zijn.]1
[3 De vergunninghouder of de persoon die de melding heeft verricht, die wordt vermeld in de bestreden beslissing of in de bestreden aktename of niet-aktename, is van rechtswege tussenkomende partij in een hangende procedure, op voorwaarde dat hijzelf niet de beroepsindiener is. In geval van overdracht van de bestreden beslissing kan het geding worden hervat door de nieuwe vergunninghouder.]3
[2 De Vlaamse Regering bepaalt de vervaltermijnen, die niet korter mogen zijn dan twintig dagen, behalve bij vervaltermijnen [3 om tussen te komen]3 in de vorderingen, ingesteld conform artikel 40, § 2.]2
De Vlaamse Regering bepaalt de vervaltermijnen die niet korter mogen zijn dan twintig dagen.
Art. 20. Tout intéressé peut intervenir dans une procédure en cours.
[1 Les décrets, visés à l'article 2, 1°, b), stipulent les personnes qui sont des intéressés.]1
[3 Le titulaire du permis ou la personne qui a procédé à la notification, mentionné dans la décision sujette à recours ou dans la prise d'acte ou la non-prise d'acte contestée, est de plein droit une partie intervenante dans une procédure en cours, à condition qu'il ne soit pas lui-même l'auteur du recours. En cas de transfert de la décision sujette à recours, le litige peut être repris par le nouveau titulaire du permis.]3
[2 Le Gouvernement flamand arrête les échéances qui ne peuvent être inférieures à vingt jours, sauf en cas d'échéances [3 pour intervenir ]3 dans les actions, introduites conformément à l'article 40, § 2]2.
Le Gouvernement flamand arrête les échéances qui ne peuvent être inférieures à vingt jours.
[1 Les décrets, visés à l'article 2, 1°, b), stipulent les personnes qui sont des intéressés.]1
[3 Le titulaire du permis ou la personne qui a procédé à la notification, mentionné dans la décision sujette à recours ou dans la prise d'acte ou la non-prise d'acte contestée, est de plein droit une partie intervenante dans une procédure en cours, à condition qu'il ne soit pas lui-même l'auteur du recours. En cas de transfert de la décision sujette à recours, le litige peut être repris par le nouveau titulaire du permis.]3
[2 Le Gouvernement flamand arrête les échéances qui ne peuvent être inférieures à vingt jours, sauf en cas d'échéances [3 pour intervenir ]3 dans les actions, introduites conformément à l'article 40, § 2]2.
Le Gouvernement flamand arrête les échéances qui ne peuvent être inférieures à vingt jours.
Art. 21. § 1. [2 Het rolrecht dat verschuldigd is per verzoekende partij bij de indiening van een verzoekschrift tot vernietiging, bedraagt 200 euro.
Het rolrecht dat verschuldigd is per verzoekende partij bij de indiening van een verzoekschrift tot schorsing, ingediend conform artikel 40, § 1 of § 2, bedraagt 100 euro.
Het rolrecht dat verschuldigd is per tussenkomende partij [6 , bedraagt 100 euro per vordering waarin ze tussenkomt ]6, ongeacht of de tussenkomst geldt voor een vordering tot vernietiging of voor een vordering tot schorsing, ingediend conform artikel 40, § 1 en § 2]2.
[7 § 1/1. De tussenkomende partij, vermeld in artikel 20, derde lid, is vrijgesteld van de betaling van het rolrecht.]7
§ 2. [4 [16 De leidende ambtenaren of, bij hun afwezigheid, hun gemachtigden die optreden met toepassing van artikel 105, Ї 2, respectievelijk punt 6А tot en met punt 8А, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, zijn vrijgesteld van de betaling van rolrecht.]16.]4
§ 3. De verzoekende partij of tussenkomende partij die aantoont dat haar inkomsten ontoereikend zijn, is vrijgesteld van de betaling van enig rolrecht.
De verzoekende partij [8 ...]8 richt daarvoor een verzoek aan de Raad voor Vergunningsbetwistingen, gelijktijdig met het indienen van haar verzoekschrift.
[9 De tussenkomende partij richt daarvoor een verzoek aan de Raad voor Vergunningsbetwistingen, gelijktijdig met haar tussenkomst in een vordering.]9
In het geval van het ontbreken van de bewijsstukken, vermeld in het eerste lid, vraagt de griffier die [10 met een beveiligde zending]10 op bij de verzoekende of tussenkomende partij. [2 De griffier vraagt deze bewijsstukken evenwel niet op in het geval het een vordering tot schorsing, ingediend conform artikel 40, § 2, betreft.]2
De bewijsstukken worden bezorgd binnen een termijn van acht dagen, die ingaat de dag na de betekening van de beveiligde zending, vermeld in [11 het vierde lid]11.
Bij het niet-tijdig bezorgen van de bewijsstukken, vermeld in [12 het vijfde lid]12, wordt de verzoekende of tussenkomende partij geacht afstand te doen van haar vraag tot vrijstelling van het rolrecht.
De ontoereikendheid van de inkomsten wordt beoordeeld conform [5 artikel 508/13/1 tot en met 508/13/4 van het Gerechtelijk Wetboek ]5.
§ 4. Collectieve verzoekschriften geven aanleiding tot het betalen van zoveel malen het recht als er verzoekende partijen zijn.
[13 Collectieve tussenkomsten]13 geven aanleiding tot het betalen van zoveel malen het recht als er tussenkomende partijen zijn.
§ 5. [2 [14 Gelijktijdig met de indiening van het verzoekschrift houdende een vordering tot vernietiging of een vordering tot schorsing, dat ingediend is conform artikel 40, § 1, of gelijktijdig met haar tussenkomst in de voormelde vorderingen, bezorgt de verzoekende of tussenkomende partij het bewijs dat een overschrijvingsopdracht is gegeven of dat een storting is uitgevoerd tot betaling van het rolrecht.
Als het rolrecht, vermeld in het eerste lid, niet op tijd is gestort, nodigt de griffier de verzoekende of de tussenkomende partij met een beveiligde zending uit om het rolrecht alsnog te betalen. De griffier vermeldt daarbij de sanctie, vermeld in het derde lid. In dit geval wordt het rolrecht gestort binnen acht dagen na de dag van de betekening van de voormelde beveiligde zending.
Als het bedrag van het rolrecht niet op tijd is gestort door de verzoekende of tussenkomende partij, is het beroep of de tussenkomst van die partij onontvankelijk]14.
§ 6. [2 Bij een vordering tot schorsing, ingesteld conform artikel 40, § 2, wordt het rolrecht, verschuldigd conform paragraaf 1, opgevraagd in de beschikking of het arrest tot bepaling van de rechtsdag.
Het bewijs dat een overschrijvingsopdracht is gegeven of dat een storting is uitgevoerd tot betaling van het rolrecht, vermeld in het eerste lid, wordt overgelegd op de zitting waarop de vordering, ingesteld conform artikel 40, § 2, wordt behandeld.
Als het rolrecht niet binnen een termijn van acht dagen te rekenen vanaf de dag na de betekening van de beschikking of het arrest tot bepaling van de rechtsdag is betaald, is de proceshandeling waarop de kwijting betrekking heeft, niet ontvankelijk.
Als de verzoekende partij het rolrecht, verschuldigd conform paragraaf 1, niet tijdig heeft betaald, worden de schorsing en de voorlopige maatregelen, die zouden zijn bevolen, conform artikel 40, § 2, en artikel 41, opgeheven conform de procedure, vermeld in artikel 40, § 13.
Als de tussenkomende partij het rolrecht, verschuldigd conform paragraaf 1, niet tijdig heeft betaald, kan ze geen voortzetting vragen van de rechtspleging.
De niet-tijdige betaling kan niet worden geregulariseerd]2.
[2 § 7. De Raad voor Vergunningsbetwistingen kan, op verzoek van een partij, een rechtsplegingsvergoeding toekennen, die een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en honoraria van de advocaat van de partij die [15 ...]15 in het gelijk wordt gesteld.
De Vlaamse Regering bepaalt de basisbedragen en de minimum- en maximumbedragen van de rechtsplegingsvergoeding.
De Raad voor Vergunningsbetwistingen kan, op gemotiveerde wijze, de vergoeding verlagen of verhogen, zonder echter de door de Vlaamse Regering bepaalde minimum- en maximumbedragen te overschrijden. In zijn beoordeling houdt hij rekening met:
1° de financiële draagkracht van de in het ongelijk gestelde partij, om het bedrag van de vergoeding te verlagen;
2° de complexiteit van de zaak;
3° de kennelijk onredelijke aard van de situatie.
Als de in het ongelijk gestelde partij juridische tweedelijnsbijstand geniet, wordt de rechtsplegingsvergoeding vastgelegd op het minimumbedrag bepaald door de Vlaamse Regering, behalve in geval van een kennelijk onredelijke situatie. In dat geval omkleedt de Raad voor Vergunningsbetwistingen zijn beslissing tot vermindering of verhoging met bijzondere redenen.
Als meer partijen de rechtsplegingsvergoeding ten laste van een of meer in het ongelijk gestelde partijen genieten, is het bedrag ervan maximaal het dubbel van de maximale rechtsplegingsvergoeding waarop de begunstigde die gerechtigd is om de hoogste vergoeding te eisen, aanspraak kan maken. Ze wordt door de Raad voor Vergunningsbetwistingen tussen de partijen verdeeld.
De tussenkomende partijen kunnen niet worden gehouden tot de betaling van de rechtsplegingsvergoeding of die vergoeding genieten.
Geen partij kan worden gehouden tot de betaling van de rechtsplegingsvergoeding of die vergoeding genieten, als de procedure, vermeld in artikel 42, leidt tot een bekrachtigd bemiddelingsakkoord.]2
Het rolrecht dat verschuldigd is per verzoekende partij bij de indiening van een verzoekschrift tot schorsing, ingediend conform artikel 40, § 1 of § 2, bedraagt 100 euro.
Het rolrecht dat verschuldigd is per tussenkomende partij [6 , bedraagt 100 euro per vordering waarin ze tussenkomt ]6, ongeacht of de tussenkomst geldt voor een vordering tot vernietiging of voor een vordering tot schorsing, ingediend conform artikel 40, § 1 en § 2]2.
[7 § 1/1. De tussenkomende partij, vermeld in artikel 20, derde lid, is vrijgesteld van de betaling van het rolrecht.]7
§ 2. [4 [16 De leidende ambtenaren of, bij hun afwezigheid, hun gemachtigden die optreden met toepassing van artikel 105, Ї 2, respectievelijk punt 6А tot en met punt 8А, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, zijn vrijgesteld van de betaling van rolrecht.]16.]4
§ 3. De verzoekende partij of tussenkomende partij die aantoont dat haar inkomsten ontoereikend zijn, is vrijgesteld van de betaling van enig rolrecht.
De verzoekende partij [8 ...]8 richt daarvoor een verzoek aan de Raad voor Vergunningsbetwistingen, gelijktijdig met het indienen van haar verzoekschrift.
[9 De tussenkomende partij richt daarvoor een verzoek aan de Raad voor Vergunningsbetwistingen, gelijktijdig met haar tussenkomst in een vordering.]9
In het geval van het ontbreken van de bewijsstukken, vermeld in het eerste lid, vraagt de griffier die [10 met een beveiligde zending]10 op bij de verzoekende of tussenkomende partij. [2 De griffier vraagt deze bewijsstukken evenwel niet op in het geval het een vordering tot schorsing, ingediend conform artikel 40, § 2, betreft.]2
De bewijsstukken worden bezorgd binnen een termijn van acht dagen, die ingaat de dag na de betekening van de beveiligde zending, vermeld in [11 het vierde lid]11.
Bij het niet-tijdig bezorgen van de bewijsstukken, vermeld in [12 het vijfde lid]12, wordt de verzoekende of tussenkomende partij geacht afstand te doen van haar vraag tot vrijstelling van het rolrecht.
De ontoereikendheid van de inkomsten wordt beoordeeld conform [5 artikel 508/13/1 tot en met 508/13/4 van het Gerechtelijk Wetboek ]5.
§ 4. Collectieve verzoekschriften geven aanleiding tot het betalen van zoveel malen het recht als er verzoekende partijen zijn.
[13 Collectieve tussenkomsten]13 geven aanleiding tot het betalen van zoveel malen het recht als er tussenkomende partijen zijn.
§ 5. [2 [14 Gelijktijdig met de indiening van het verzoekschrift houdende een vordering tot vernietiging of een vordering tot schorsing, dat ingediend is conform artikel 40, § 1, of gelijktijdig met haar tussenkomst in de voormelde vorderingen, bezorgt de verzoekende of tussenkomende partij het bewijs dat een overschrijvingsopdracht is gegeven of dat een storting is uitgevoerd tot betaling van het rolrecht.
Als het rolrecht, vermeld in het eerste lid, niet op tijd is gestort, nodigt de griffier de verzoekende of de tussenkomende partij met een beveiligde zending uit om het rolrecht alsnog te betalen. De griffier vermeldt daarbij de sanctie, vermeld in het derde lid. In dit geval wordt het rolrecht gestort binnen acht dagen na de dag van de betekening van de voormelde beveiligde zending.
Als het bedrag van het rolrecht niet op tijd is gestort door de verzoekende of tussenkomende partij, is het beroep of de tussenkomst van die partij onontvankelijk]14.
§ 6. [2 Bij een vordering tot schorsing, ingesteld conform artikel 40, § 2, wordt het rolrecht, verschuldigd conform paragraaf 1, opgevraagd in de beschikking of het arrest tot bepaling van de rechtsdag.
Het bewijs dat een overschrijvingsopdracht is gegeven of dat een storting is uitgevoerd tot betaling van het rolrecht, vermeld in het eerste lid, wordt overgelegd op de zitting waarop de vordering, ingesteld conform artikel 40, § 2, wordt behandeld.
Als het rolrecht niet binnen een termijn van acht dagen te rekenen vanaf de dag na de betekening van de beschikking of het arrest tot bepaling van de rechtsdag is betaald, is de proceshandeling waarop de kwijting betrekking heeft, niet ontvankelijk.
Als de verzoekende partij het rolrecht, verschuldigd conform paragraaf 1, niet tijdig heeft betaald, worden de schorsing en de voorlopige maatregelen, die zouden zijn bevolen, conform artikel 40, § 2, en artikel 41, opgeheven conform de procedure, vermeld in artikel 40, § 13.
Als de tussenkomende partij het rolrecht, verschuldigd conform paragraaf 1, niet tijdig heeft betaald, kan ze geen voortzetting vragen van de rechtspleging.
De niet-tijdige betaling kan niet worden geregulariseerd]2.
[2 § 7. De Raad voor Vergunningsbetwistingen kan, op verzoek van een partij, een rechtsplegingsvergoeding toekennen, die een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en honoraria van de advocaat van de partij die [15 ...]15 in het gelijk wordt gesteld.
De Vlaamse Regering bepaalt de basisbedragen en de minimum- en maximumbedragen van de rechtsplegingsvergoeding.
De Raad voor Vergunningsbetwistingen kan, op gemotiveerde wijze, de vergoeding verlagen of verhogen, zonder echter de door de Vlaamse Regering bepaalde minimum- en maximumbedragen te overschrijden. In zijn beoordeling houdt hij rekening met:
1° de financiële draagkracht van de in het ongelijk gestelde partij, om het bedrag van de vergoeding te verlagen;
2° de complexiteit van de zaak;
3° de kennelijk onredelijke aard van de situatie.
Als de in het ongelijk gestelde partij juridische tweedelijnsbijstand geniet, wordt de rechtsplegingsvergoeding vastgelegd op het minimumbedrag bepaald door de Vlaamse Regering, behalve in geval van een kennelijk onredelijke situatie. In dat geval omkleedt de Raad voor Vergunningsbetwistingen zijn beslissing tot vermindering of verhoging met bijzondere redenen.
Als meer partijen de rechtsplegingsvergoeding ten laste van een of meer in het ongelijk gestelde partijen genieten, is het bedrag ervan maximaal het dubbel van de maximale rechtsplegingsvergoeding waarop de begunstigde die gerechtigd is om de hoogste vergoeding te eisen, aanspraak kan maken. Ze wordt door de Raad voor Vergunningsbetwistingen tussen de partijen verdeeld.
De tussenkomende partijen kunnen niet worden gehouden tot de betaling van de rechtsplegingsvergoeding of die vergoeding genieten.
Geen partij kan worden gehouden tot de betaling van de rechtsplegingsvergoeding of die vergoeding genieten, als de procedure, vermeld in artikel 42, leidt tot een bekrachtigd bemiddelingsakkoord.]2
Änderungen
Art. 21. § 1er. [2 Le droit de mise au rôle dû par partie requérante lors de l'introduction d'une requête en annulation, s'élève à 200 euros.
Le droit de mise au rôle dû par partie requérante lors de l'introduction d'une requête en suspension, introduite conformément à l'article 40, § 1er ou § 2, s'élève à 100 euros.
Le droit de mise au rôle dû par partie intervenante [6 , s'élève à 100 euros par action dans laquelle elle intervient]6, que l'intervention s'applique à une demande d'annulation ou à une demande de suspension, introduite conformément à l'article 40, § 1er et § 2]2.
[7 § 1/1. La partie intervenante, visée à l'article 20, alinéa 3, est exemptée du paiement du droit de mise au rôle.]7
§ 2. [4 [16 Le fonctionnaire dirigeant ou, en leur absence, leurs mandataires intervenant en application de l'article 105, § 2, respectivement point 6° à point 8°, du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, sont exemptés du paiement de tout droit de rôle. ]16.]4
§ 3. La partie requérante ou la partie intervenante qui démontre que ses revenus sont insuffisants, est exemptée du paiement de quelconque droit de mise au rôle.
La partie requérante [8 ...]8 adresse à cet effet une demande au Conseil pour les Contestations des Autorisations, simultanément avec l'introduction de sa requête.
[9 La partie intervenante adresse à cet effet une demande au Conseil pour les Contestations des Autorisations, simultanément avec son intervention dans une action. ]9
A défaut des pièces justificatives, visées à l'alinéa premier, le greffier les demande [10 par envoi sécurisé ]10 à la partie requérante ou intervenante. [2 Le greffier ne demande toutefois pas ces pièces justificatives en cas d'une demande de suspension, introduite conformément à l'article 40, § 2.]2
Les pièces justificatives sont transmises dans un délai de huit jours qui prend cours le jour suivant celui de la notification de l'envoi sécurisé, visée à [11 l'alinéa 4 ]11.
En cas de transmission tardive des pièces justificatives, visées à [12 l'alinéa 5 ]12, la partie requérante ou intervenante est censée renoncer à sa demande d'exemption du droit de mise au rôle.
L'insuffisance des revenus est jugée conformément [5 aux articles 508/13/1 à 508/13/4 du Code judiciaire]5.
§ 4. Des requêtes collectives donnent lieu au paiement d'autant de fois le droit qu'il y a des parties requérantes.
[13 Des interventions collectives]13 donnent lieu au paiement d'autant de fois le droit qu'il y a des parties intervenantes.
§ 5. [2 [14 . Simultanément avec l'introduction de la requête portant demande d'annulation ou de suspension, déposée conformément à l'article 40, § 1er, ou simultanément avec son intervention dans les actions susmentionnées, la partie requérante ou intervenante apporte la preuve qu'un ordre de virement a été donné ou qu'un versement a été effectué afin de payer le droit de mise au rôle.
Si le droit de mise au rôle, visé à l'alinéa 1er, n'a pas été versé à temps, le greffier invite la partie requérante ou intervenante par envoi sécurisé à payer le droit de mise au rôle. Le greffier mentionne clairement la sanction visée à l'alinéa 3. Dans ce cas, le droit de mise au rôle est versé dans un délai de huit jours suivant le jour de la notification de l'envoi sécurisé précité.
Si le montant du droit de mise au rôle n'est pas versé à temps par la partie requérante ou intervenante, le recours ou l'intervention de cette partie est irrecevable]14.
§ 6. [2 En cas d'une demande de suspension, instituée conformément à l'article 40, § 2, le droit de mise au rôle, dû conformément au paragraphe 1er, est réclamé dans la décision ou l'arrêt fixant la date d'audience.
La preuve qu'un ordre de virement a été donné ou qu'un versement a été effectué afin de payer le droit de mise au rôle, visé à l'alinéa 1er, est présentée à la session à laquelle la demande, instituée conformément à l'article 40, § 2, est traitée.
Si le droit de mise au rôle n'est pas payé dans le délai de huit jours à partir du jour après la signification de la décision ou de l'arrêt fixant la date d'audience, l'acte de procédure auquel la décharge se rapporte, n'est pas recevable.
Si la partie requérante n'a pas payé à temps le droit de mise au rôle, dû conformément au paragraphe 1er, la suspension et les mesures provisoires qui seraient commandées conformément à l'article 40, § 2, et l'article 41, sont abrogées conformément à la procédure, visée à l'article 40, § 13.
Si la partie intervenante n'a pas payé à temps le droit de mise au rôle, dû conformément au paragraphe 1er, elle ne peut pas demander la continuation de la procédure.
Le paiement tardif ne peut être régularisé]2.
[2 § 7. Le Conseil pour les Contestations des Autorisations peut octroyer, à la demande d'une partie, une indemnité de procédure, qui est une intervention forfaitaire dans les frais et honoraires de l'avocat de la partie qui a succombé [15 ...]15.
Le Gouvernement flamand arrête les montants de base et les montants minimaux et maximaux de l'indemnité de procédure.
Le Conseil pour les Contestations des Autorisations peut réduire ou augmenter l'indemnité de manière motivée, sans toutefois dépasser les montants minimaux et maximaux fixés par le Gouvernement flamand. Dans son évaluation, il tient compte :
1° de la capacité financière de la partie succombante, pour réduire le montant de l'indemnité ;
2° de la complexité de l'affaire ;
3° du caractère manifestement déraisonnable de la situation.
Si la partie succombante bénéficie de l'aide juridique de deuxième ligne, l'indemnité de procédure est fixée au montant minimal arrêté par le Gouvernement flamand, sauf en cas d'une situation manifestement déraisonnable. Dans ce cas, le Conseil pour les Contestations des Autorisations motive sa décision de réduction ou d'augmentation par des raisons spéciales.
Si plusieurs parties bénéficient de l'indemnité de procédure à charge d'une ou de plusieurs parties succombantes, le montant de l'indemnité s'élève au maximum au double de l'indemnité de procédure maximale à laquelle le bénéficiaire qui a le droit d'exiger l'indemnité la plus élevée, peut prétendre. Elle est répartie parmi les parties par le Conseil pour les Contestations des Autorisations.
Les parties intervenantes ne peuvent pas être tenues au paiement de l'indemnité de procédure ou bénéficier de cette indemnité.
Aucune partie ne peut être tenue au paiement de l'indemnité de procédure ou bénéficier de cette indemnité, si la procédure visée à l'article 42, aboutit à un accord de médiation validé.]2
Le droit de mise au rôle dû par partie requérante lors de l'introduction d'une requête en suspension, introduite conformément à l'article 40, § 1er ou § 2, s'élève à 100 euros.
Le droit de mise au rôle dû par partie intervenante [6 , s'élève à 100 euros par action dans laquelle elle intervient]6, que l'intervention s'applique à une demande d'annulation ou à une demande de suspension, introduite conformément à l'article 40, § 1er et § 2]2.
[7 § 1/1. La partie intervenante, visée à l'article 20, alinéa 3, est exemptée du paiement du droit de mise au rôle.]7
§ 2. [4 [16 Le fonctionnaire dirigeant ou, en leur absence, leurs mandataires intervenant en application de l'article 105, § 2, respectivement point 6° à point 8°, du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, sont exemptés du paiement de tout droit de rôle. ]16.]4
§ 3. La partie requérante ou la partie intervenante qui démontre que ses revenus sont insuffisants, est exemptée du paiement de quelconque droit de mise au rôle.
La partie requérante [8 ...]8 adresse à cet effet une demande au Conseil pour les Contestations des Autorisations, simultanément avec l'introduction de sa requête.
[9 La partie intervenante adresse à cet effet une demande au Conseil pour les Contestations des Autorisations, simultanément avec son intervention dans une action. ]9
A défaut des pièces justificatives, visées à l'alinéa premier, le greffier les demande [10 par envoi sécurisé ]10 à la partie requérante ou intervenante. [2 Le greffier ne demande toutefois pas ces pièces justificatives en cas d'une demande de suspension, introduite conformément à l'article 40, § 2.]2
Les pièces justificatives sont transmises dans un délai de huit jours qui prend cours le jour suivant celui de la notification de l'envoi sécurisé, visée à [11 l'alinéa 4 ]11.
En cas de transmission tardive des pièces justificatives, visées à [12 l'alinéa 5 ]12, la partie requérante ou intervenante est censée renoncer à sa demande d'exemption du droit de mise au rôle.
L'insuffisance des revenus est jugée conformément [5 aux articles 508/13/1 à 508/13/4 du Code judiciaire]5.
§ 4. Des requêtes collectives donnent lieu au paiement d'autant de fois le droit qu'il y a des parties requérantes.
[13 Des interventions collectives]13 donnent lieu au paiement d'autant de fois le droit qu'il y a des parties intervenantes.
§ 5. [2 [14 . Simultanément avec l'introduction de la requête portant demande d'annulation ou de suspension, déposée conformément à l'article 40, § 1er, ou simultanément avec son intervention dans les actions susmentionnées, la partie requérante ou intervenante apporte la preuve qu'un ordre de virement a été donné ou qu'un versement a été effectué afin de payer le droit de mise au rôle.
Si le droit de mise au rôle, visé à l'alinéa 1er, n'a pas été versé à temps, le greffier invite la partie requérante ou intervenante par envoi sécurisé à payer le droit de mise au rôle. Le greffier mentionne clairement la sanction visée à l'alinéa 3. Dans ce cas, le droit de mise au rôle est versé dans un délai de huit jours suivant le jour de la notification de l'envoi sécurisé précité.
Si le montant du droit de mise au rôle n'est pas versé à temps par la partie requérante ou intervenante, le recours ou l'intervention de cette partie est irrecevable]14.
§ 6. [2 En cas d'une demande de suspension, instituée conformément à l'article 40, § 2, le droit de mise au rôle, dû conformément au paragraphe 1er, est réclamé dans la décision ou l'arrêt fixant la date d'audience.
La preuve qu'un ordre de virement a été donné ou qu'un versement a été effectué afin de payer le droit de mise au rôle, visé à l'alinéa 1er, est présentée à la session à laquelle la demande, instituée conformément à l'article 40, § 2, est traitée.
Si le droit de mise au rôle n'est pas payé dans le délai de huit jours à partir du jour après la signification de la décision ou de l'arrêt fixant la date d'audience, l'acte de procédure auquel la décharge se rapporte, n'est pas recevable.
Si la partie requérante n'a pas payé à temps le droit de mise au rôle, dû conformément au paragraphe 1er, la suspension et les mesures provisoires qui seraient commandées conformément à l'article 40, § 2, et l'article 41, sont abrogées conformément à la procédure, visée à l'article 40, § 13.
Si la partie intervenante n'a pas payé à temps le droit de mise au rôle, dû conformément au paragraphe 1er, elle ne peut pas demander la continuation de la procédure.
Le paiement tardif ne peut être régularisé]2.
[2 § 7. Le Conseil pour les Contestations des Autorisations peut octroyer, à la demande d'une partie, une indemnité de procédure, qui est une intervention forfaitaire dans les frais et honoraires de l'avocat de la partie qui a succombé [15 ...]15.
Le Gouvernement flamand arrête les montants de base et les montants minimaux et maximaux de l'indemnité de procédure.
Le Conseil pour les Contestations des Autorisations peut réduire ou augmenter l'indemnité de manière motivée, sans toutefois dépasser les montants minimaux et maximaux fixés par le Gouvernement flamand. Dans son évaluation, il tient compte :
1° de la capacité financière de la partie succombante, pour réduire le montant de l'indemnité ;
2° de la complexité de l'affaire ;
3° du caractère manifestement déraisonnable de la situation.
Si la partie succombante bénéficie de l'aide juridique de deuxième ligne, l'indemnité de procédure est fixée au montant minimal arrêté par le Gouvernement flamand, sauf en cas d'une situation manifestement déraisonnable. Dans ce cas, le Conseil pour les Contestations des Autorisations motive sa décision de réduction ou d'augmentation par des raisons spéciales.
Si plusieurs parties bénéficient de l'indemnité de procédure à charge d'une ou de plusieurs parties succombantes, le montant de l'indemnité s'élève au maximum au double de l'indemnité de procédure maximale à laquelle le bénéficiaire qui a le droit d'exiger l'indemnité la plus élevée, peut prétendre. Elle est répartie parmi les parties par le Conseil pour les Contestations des Autorisations.
Les parties intervenantes ne peuvent pas être tenues au paiement de l'indemnité de procédure ou bénéficier de cette indemnité.
Aucune partie ne peut être tenue au paiement de l'indemnité de procédure ou bénéficier de cette indemnité, si la procédure visée à l'article 42, aboutit à un accord de médiation validé.]2
Änderungen
Art. 21/1. [1 De kamer waarbij de zaak aanhangig is, spreekt een arrest uit binnen een ordetermijn van zes maanden na de neerlegging van het verzoekschrift tot vernietiging, als het beroep een definitief vastgesteld voorkeursbesluit als vermeld in artikel 45 van het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten tot voorwerp heeft.]1
Art. 21/1. [1 La chambre saisie de l'affaire rend un arrêt dans un délai d'ordre de six mois à compter de l'introduction d'une requête en annulation, si le recours porte sur un arrêté relatif à la préférence définitivement établi tel que visé à l'article 45 du décret du 25 avril 2014 relatif aux projets complexes.]1
Afdeling 4. - Bepalingen die van toepassing zijn op de Raad voor Verkiezingsbetwistingen
Section 4. - Dispositions applicables au Conseil des Contestations électorales
Onderafdeling 1. - Rechtspleging in de procedures voor bezwaren tegen de verkiezing en bezwaren op grond van de schending van de regelgeving inzake de verkiezingsuitgaven door kandidaten en lijsttrekkers, alsmede de procedures voor de verkiezing en benoeming van de schepenen en de verkiezing van de opvolgers
Sous-section 1re. - Administration de la justice dans les procédures pour des réclamations contre l'élection et des réclamations sur la base de la violation de la réglementation relative aux dépenses électorales par des candidats et des candidats en tête de liste, ainsi que dans les procédures pour l'élection et la nomination des échevins et l'élection des suppléants
Art. 22. Alleen de kandidaten zijn gerechtigd bij de Raad voor Verkiezingsbetwistingen bezwaar in te dienen tegen de verkiezing en tegen de verkiezingsuitgaven die werden gedaan door de lijsttrekkers en de kandidaten. Het bezwaar wordt ingediend bij wijze van verzoekschrift.
Art. 22. Seuls les candidats sont autorisés à introduire auprès du Conseil des Contestations électorales une réclamation contre l'élection et contre les dépenses électorales engagées par les candidats en tête de liste et les candidats. La réclamation est introduite par voie de requête.
Art. 23. Het bezwaar wordt binnen een termijn van [1 [2 veertig]2]1 dagen ingediend, te rekenen vanaf de dagtekening van het proces-verbaal van de verkiezingen.
Een nieuwe termijn van vijftien dagen wordt geopend met ingang van de datum van de uitspraak van de definitieve veroordeling, gesteund op een klacht die is ingediend met toepassing van artikel 201 van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011.
Een nieuwe termijn van vijftien dagen wordt geopend met ingang van de datum van de uitspraak van de definitieve veroordeling, gesteund op een klacht die is ingediend met toepassing van artikel 201 van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011.
Art. 23. La réclamation est introduite dans un délai de [1 [2 quarante]2]1 jours, à compter à partir de la datation du procès-verbal des élections.
Un nouveau délai de quinze jours est ouvert à compter du prononcé de la condamnation définitive fondée sur une plainte introduite en application de l'article 201 du Décret portant organisation des élections locales et provinciales du 8 juillet 2011.
Un nouveau délai de quinze jours est ouvert à compter du prononcé de la condamnation définitive fondée sur une plainte introduite en application de l'article 201 du Décret portant organisation des élections locales et provinciales du 8 juillet 2011.
Art. 24. Iedereen die een bezwaar heeft ingediend dat ongegrond blijkt en waarvan vaststaat dat het is ingediend met het oogmerk om te schaden, wordt gestraft met een geldboete van 50 tot 500 euro.
De opbrengst van de geldboete wordt gestort op rekening van het fonds voor de dienst van de Bestuursrechtscolleges.
De opbrengst van de geldboete wordt gestort op rekening van het fonds voor de dienst van de Bestuursrechtscolleges.
Art. 24. Toute personne ayant introduit une réclamation qui s`avère non fondée et dont il est établi qu'elle a été introduite dans le but de nuire, sera sanctionnée d'une amende de 50 à 500 euros.
Le produit de l'amende est versé sur le compte du fonds pour le service des Juridictions administratives.
Le produit de l'amende est versé sur le compte du fonds pour le service des Juridictions administratives.
Art. 25. De Raad voor Verkiezingsbetwistingen doet uitspraak over het bezwaar binnen [1 vijfendertig]1g dagen na de indiening ervan. Als binnen die termijn geen uitspraak is gedaan, wordt het bezwaar als verworpen beschouwd en is de uitslag van de verkiezing, zoals die door het hoofdstembureau is afgekondigd, definitief, met behoud van de toepassing van artikel 23, tweede lid, en de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State.
Art. 25. Le Conseil des Contestations électorales statue sur la réclamation dans les [1 trente-cinq]1 jours suivant son introduction. Si aucune décision n'est intervenue dans ce délai, la réclamation est considérée comme rejetée et le résultat de l'élection, tel qu'il a été proclamé par le bureau de vote principal, devient définitif sans préjudice de l'application de l'article 23, alinéa deux, et de la possibilité de recours auprès du Conseil d'Etat.
Art. 26. De griffie geeft binnen drie dagen kennis van de beslissing van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen of van het uitblijven van enige beslissing binnen de voorgeschreven termijn aan de betreffende gemeente-, stadsdistricts- of provincieraad. De bezwaarden worden hiervan [1 met een beveiligde zending]1 op de hoogte gebracht. Bovendien wordt:
1° [2 als de verkiezing geheel of gedeeltelijk ongeldig verklaard is, de beslissing van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen op dezelfde wijze meegedeeld aan het aftredend raadslid, vermeld in artikel 69, eerste lid, van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011, of aan de persoon die de voordrachtsakte van kandidaten aan de voorzitter van het hoofdbureau overhandigt, conform artikel 70 van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011;]2
2° van de beslissing waarbij de Raad voor Verkiezingsbetwistingen, al dan niet uitspraak doende op een bezwaar, de zetelverdeling tussen de lijsten, de rangorde van de gekozen raadsleden of die van de opvolgers wijzigt, op dezelfde wijze kennis gegeven aan de gekozen raadsleden, die hun hoedanigheid van gekozene verliezen, en aan de gekozen opvolgers, die hun rang van eerste of tweede opvolger verliezen.
Van de beslissing van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen waarbij de verkiezingen geheel of gedeeltelijk ongeldig worden verklaard of de zetelverdeling wordt gewijzigd, wordt tegelijkertijd naar de eerste voorzitter van de Raad van State een eensluidend verklaard afschrift van de uitspraak, van het administratief dossier en van de procedurestukken gestuurd.
[3 Met toepassing van artikel 23, lid 1, i), van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) kunnen de betrokkenen binnen acht dagen nadat is kennisgegeven van de beslissingen van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen, op de griffie inzage nemen in het dossier.]3
1° [2 als de verkiezing geheel of gedeeltelijk ongeldig verklaard is, de beslissing van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen op dezelfde wijze meegedeeld aan het aftredend raadslid, vermeld in artikel 69, eerste lid, van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011, of aan de persoon die de voordrachtsakte van kandidaten aan de voorzitter van het hoofdbureau overhandigt, conform artikel 70 van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011;]2
2° van de beslissing waarbij de Raad voor Verkiezingsbetwistingen, al dan niet uitspraak doende op een bezwaar, de zetelverdeling tussen de lijsten, de rangorde van de gekozen raadsleden of die van de opvolgers wijzigt, op dezelfde wijze kennis gegeven aan de gekozen raadsleden, die hun hoedanigheid van gekozene verliezen, en aan de gekozen opvolgers, die hun rang van eerste of tweede opvolger verliezen.
Van de beslissing van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen waarbij de verkiezingen geheel of gedeeltelijk ongeldig worden verklaard of de zetelverdeling wordt gewijzigd, wordt tegelijkertijd naar de eerste voorzitter van de Raad van State een eensluidend verklaard afschrift van de uitspraak, van het administratief dossier en van de procedurestukken gestuurd.
[3 Met toepassing van artikel 23, lid 1, i), van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) kunnen de betrokkenen binnen acht dagen nadat is kennisgegeven van de beslissingen van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen, op de griffie inzage nemen in het dossier.]3
Art. 26. La greffe notifie, dans les trois jours, la décision du Conseil des Contestations électorales ou l'absence de toute décision dans le délai prescrit au conseil communal, au conseil de district ou au conseiller provincial concerné. Les réclamants en sont informés [1 par un envoi sécurisé]1. En outre :
1° [2 en cas d'invalidation entière ou partielle de l'élection, la décision du Conseil des Contestations électorales est notifiée de la même manière au conseiller sortant visé à l'article 69, premier alinéa, du décret électoral local et provincial du 8 juillet 2011, ou à la personne qui remet l'acte de présentation des candidats au président du bureau principal, conformément à l'article 70 du décret électoral local et provincial du 8 juillet 2011 ;]2
2° la décision par laquelle le Conseil des Contestations électorales, se prononçant ou non sur une réclamation, modifie la répartition des sièges entre les listes, l'ordre des conseillers élus ou celui des suppléants, est notifiée de la même manière aux conseillers élus qui perdent leur qualité d'élu et aux suppléants élus qui perdent leur rang de premier ou de second suppléant.
Si le Conseil des Contestations électorales décide d'invalider entièrement ou partiellement les élections ou de modifier la répartition des sièges, il est adressé en même temps au premier président du Conseil d'Etat une copie certifiée conforme de cette décision, du dossier administratif et des pièces de la procédure.
[3 Conformément à l'article 23, alinéa premier, point i), du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données), les personnes concernées peuvent consulter le dossier au greffe dans les huit jours suivant la notification des décisions du Conseil sur les litiges électoraux.]3
1° [2 en cas d'invalidation entière ou partielle de l'élection, la décision du Conseil des Contestations électorales est notifiée de la même manière au conseiller sortant visé à l'article 69, premier alinéa, du décret électoral local et provincial du 8 juillet 2011, ou à la personne qui remet l'acte de présentation des candidats au président du bureau principal, conformément à l'article 70 du décret électoral local et provincial du 8 juillet 2011 ;]2
2° la décision par laquelle le Conseil des Contestations électorales, se prononçant ou non sur une réclamation, modifie la répartition des sièges entre les listes, l'ordre des conseillers élus ou celui des suppléants, est notifiée de la même manière aux conseillers élus qui perdent leur qualité d'élu et aux suppléants élus qui perdent leur rang de premier ou de second suppléant.
Si le Conseil des Contestations électorales décide d'invalider entièrement ou partiellement les élections ou de modifier la répartition des sièges, il est adressé en même temps au premier président du Conseil d'Etat une copie certifiée conforme de cette décision, du dossier administratif et des pièces de la procédure.
[3 Conformément à l'article 23, alinéa premier, point i), du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données), les personnes concernées peuvent consulter le dossier au greffe dans les huit jours suivant la notification des décisions du Conseil sur les litiges électoraux.]3
Art. 27. § 1. Behalve in de gevallen, vermeld in dit decreet, bedraagt de termijn voor het instellen van een bezwaar bij de Raad voor Verkiezingsbetwistingen dertig dagen.
§ 2. Artikel 16 en 22 tot en met 26 zijn van overeenkomstige toepassing op de verkiezing en benoeming van de schepenen, vermeld in artikel 45 van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005, met dien verstande dat alleen de gemeenteraadsleden een bezwaar mogen indienen en dat een termijn van dertig dagen begint te lopen vanaf de installatievergadering van de gemeenteraad na de volledige vernieuwing ervan.
§ 3. Bij gebrek aan opvolgers wordt in een of meer vacatures in de gemeenteraad of de stadsdistrictsraad voorzien. De aanwijzing van de verkozenen geschiedt conform de bepalingen van deel 3, titel 5, of artikel 219, eerste lid, 2°, van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011.
Als bij de verkiezing van het te vervangen raadslid kandidaten van dezelfde lijst met toepassing van artikel 169 of 175 van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011, tot opvolger zijn gekozen, treedt degene die volgens deze artikelen de eerste opvolger is, in functie, na onderzoek van zijn geloofsbrieven.
Als er bezwaren worden ingediend tegen de beslissing van de gemeenteraad of stadsdistrictsraad of tegen zijn weigering om de opvolger aan te stellen als gemeenteraadslid, doet de Raad voor Verkiezingsbetwistingen uitspraak met toepassing van artikel 16 en 25 van dit decreet, en artikel 204, tweede lid, van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011.
De Raad voor Verkiezingsbetwistingen doet uitspraak binnen veertig dagen, te rekenen vanaf de dag waarop het bezwaarschrift bij de Raad voor Verkiezingsbetwistingen is aangekomen. De betrokken opvolger en, in voorkomend geval, degenen die bij de Raad voor Verkiezingsbetwistingen bezwaren hebben ingediend, worden van die beslissing op de hoogte gebracht. Zij kunnen bij de Raad van State beroep instellen binnen acht dagen na de kennisgeving.
Het nieuwe raadslid voleindigt het mandaat van zijn voorganger.
§ 2. Artikel 16 en 22 tot en met 26 zijn van overeenkomstige toepassing op de verkiezing en benoeming van de schepenen, vermeld in artikel 45 van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005, met dien verstande dat alleen de gemeenteraadsleden een bezwaar mogen indienen en dat een termijn van dertig dagen begint te lopen vanaf de installatievergadering van de gemeenteraad na de volledige vernieuwing ervan.
§ 3. Bij gebrek aan opvolgers wordt in een of meer vacatures in de gemeenteraad of de stadsdistrictsraad voorzien. De aanwijzing van de verkozenen geschiedt conform de bepalingen van deel 3, titel 5, of artikel 219, eerste lid, 2°, van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011.
Als bij de verkiezing van het te vervangen raadslid kandidaten van dezelfde lijst met toepassing van artikel 169 of 175 van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011, tot opvolger zijn gekozen, treedt degene die volgens deze artikelen de eerste opvolger is, in functie, na onderzoek van zijn geloofsbrieven.
Als er bezwaren worden ingediend tegen de beslissing van de gemeenteraad of stadsdistrictsraad of tegen zijn weigering om de opvolger aan te stellen als gemeenteraadslid, doet de Raad voor Verkiezingsbetwistingen uitspraak met toepassing van artikel 16 en 25 van dit decreet, en artikel 204, tweede lid, van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011.
De Raad voor Verkiezingsbetwistingen doet uitspraak binnen veertig dagen, te rekenen vanaf de dag waarop het bezwaarschrift bij de Raad voor Verkiezingsbetwistingen is aangekomen. De betrokken opvolger en, in voorkomend geval, degenen die bij de Raad voor Verkiezingsbetwistingen bezwaren hebben ingediend, worden van die beslissing op de hoogte gebracht. Zij kunnen bij de Raad van State beroep instellen binnen acht dagen na de kennisgeving.
Het nieuwe raadslid voleindigt het mandaat van zijn voorganger.
Art. 27. § 1er. Sauf dans les cas, visés au présent décret, le délai d'introduction d'une réclamation auprès du Conseil des Contestations électorales s'élève à trente jours.
§ 2. Les articles 16 et 22 à 26 inclus sont applicables par analogie à l'élection et à la nomination des échevins, visés à l'article 45 du Décret communal du 15 juillet 2005, étant entendu que seuls les conseillers communaux sont autorisés à introduire une réclamation et qu'un délai de trente jours prend cours à partir de la réunion d'installation du conseil communal après son renouvellement intégral.
§ 3. A défaut de suppléants, il est pourvu à la vacance d'un ou de plusieurs sièges au conseil communal ou au conseil de district urbain. La désignation des élus se fait conformément aux dispositions de la partie 3, titre 5, ou de l'article 219, alinéa premier, 2°, du Décret portant organisation des élections locales et provinciales du 8 juillet 2011.
Si lors de l'élection du conseiller à remplacer, des candidats appartenant à la même liste ont été élus suppléants en application de l'article 169 ou 175 du Décret portant organisation des élections locales et provinciales du 8 juillet 2011, le suppléant arrivant le premier dans l'ordre indiqué selon ces articles, entre en fonction après vérification de ses pouvoirs.
En cas de réclamations contre la décision du conseil communal ou du conseil de district urbain ou contre le refus de celui-ci de procéder à l'installation du suppléant en qualité de conseiller communal, le Conseil des Contestations électorales statue en application des articles 16 et 25 du présent décret, et de l'article 204, alinéa deux, du Décret portant organisation des élections locales et provinciales du 8 juillet 2011.
Le Conseil des Contestations électorales statue dans les quarante jours à compter de la réception au Conseil des Contestations électorales de la réclamation formulée. Cette décision est notifiée au suppléant concerné et, le cas échéant, à ceux qui ont introduit une réclamation auprès du Conseil des Contestations électorales. Un recours auprès du Conseil d'Etat leur est ouvert dans les huit jours qui suivent la notification.
Le nouveau conseiller achève le mandat de son prédécesseur.
§ 2. Les articles 16 et 22 à 26 inclus sont applicables par analogie à l'élection et à la nomination des échevins, visés à l'article 45 du Décret communal du 15 juillet 2005, étant entendu que seuls les conseillers communaux sont autorisés à introduire une réclamation et qu'un délai de trente jours prend cours à partir de la réunion d'installation du conseil communal après son renouvellement intégral.
§ 3. A défaut de suppléants, il est pourvu à la vacance d'un ou de plusieurs sièges au conseil communal ou au conseil de district urbain. La désignation des élus se fait conformément aux dispositions de la partie 3, titre 5, ou de l'article 219, alinéa premier, 2°, du Décret portant organisation des élections locales et provinciales du 8 juillet 2011.
Si lors de l'élection du conseiller à remplacer, des candidats appartenant à la même liste ont été élus suppléants en application de l'article 169 ou 175 du Décret portant organisation des élections locales et provinciales du 8 juillet 2011, le suppléant arrivant le premier dans l'ordre indiqué selon ces articles, entre en fonction après vérification de ses pouvoirs.
En cas de réclamations contre la décision du conseil communal ou du conseil de district urbain ou contre le refus de celui-ci de procéder à l'installation du suppléant en qualité de conseiller communal, le Conseil des Contestations électorales statue en application des articles 16 et 25 du présent décret, et de l'article 204, alinéa deux, du Décret portant organisation des élections locales et provinciales du 8 juillet 2011.
Le Conseil des Contestations électorales statue dans les quarante jours à compter de la réception au Conseil des Contestations électorales de la réclamation formulée. Cette décision est notifiée au suppléant concerné et, le cas échéant, à ceux qui ont introduit une réclamation auprès du Conseil des Contestations électorales. Un recours auprès du Conseil d'Etat leur est ouvert dans les huit jours qui suivent la notification.
Le nouveau conseiller achève le mandat de son prédécesseur.
Art. 28. [1 De personen die op de hoogte moeten worden gebracht van de beslissing van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen, kunnen, met toepassing van artikel 23, lid 1, i), van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), binnen acht dagen na de kennisgeving of de mededeling van het feit dat de termijn van veertig dagen is verstreken inzage nemen in het dossier op de griffie en binnen diezelfde termijn beroep instellen bij de Raad van State.]1
De Raad van State doet uitspraak binnen een termijn van zestig dagen. De verkiezing kan door de Raad van State alleen geheel of gedeeltelijk ongeldig worden verklaard op grond van onregelmatigheden die de zetelverdeling tussen de verschillende lijsten kunnen beïnvloeden.
De gehele ongeldigverklaring van de verkiezing heeft tot gevolg dat de verkiezingen ab initio hernomen worden met toepassing van de bepalingen opgenomen in het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011. Als de Raad van State oordeelt dat de verkiezingen gedeeltelijk worden vernietigd, duidt hij de bepalingen aan van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011 die bij de herverkiezing opnieuw moeten worden uitgevoerd.
Het raadslid dat door de Raad van State van zijn mandaat vervallen is verklaard met toepassing van artikel 205 van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011, wordt in de gemeenteraad vervangen door de eerste opvolger van de lijst waarop hij werd verkozen.
Het beroep bij de Raad van State is niet opschortend, behalve als het beroep gericht is tegen een beslissing van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen die een gehele of gedeeltelijke ongeldigverklaring van de verkiezingen of een wijziging in de zetelverdeling inhoudt.
Als vóór de uitspraak van de Raad van State de Vlaamse Regering de burgemeester van de gemeente in kwestie benoemt, heeft die benoeming uitwerking vanaf de betekening van het arrest van de Raad van State dat de verkiezingen niet geheel of gedeeltelijk ongeldig verklaart of de zetelverdeling niet wijzigt.
De Raad van State doet uitspraak binnen een termijn van zestig dagen. De verkiezing kan door de Raad van State alleen geheel of gedeeltelijk ongeldig worden verklaard op grond van onregelmatigheden die de zetelverdeling tussen de verschillende lijsten kunnen beïnvloeden.
De gehele ongeldigverklaring van de verkiezing heeft tot gevolg dat de verkiezingen ab initio hernomen worden met toepassing van de bepalingen opgenomen in het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011. Als de Raad van State oordeelt dat de verkiezingen gedeeltelijk worden vernietigd, duidt hij de bepalingen aan van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011 die bij de herverkiezing opnieuw moeten worden uitgevoerd.
Het raadslid dat door de Raad van State van zijn mandaat vervallen is verklaard met toepassing van artikel 205 van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011, wordt in de gemeenteraad vervangen door de eerste opvolger van de lijst waarop hij werd verkozen.
Het beroep bij de Raad van State is niet opschortend, behalve als het beroep gericht is tegen een beslissing van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen die een gehele of gedeeltelijke ongeldigverklaring van de verkiezingen of een wijziging in de zetelverdeling inhoudt.
Als vóór de uitspraak van de Raad van State de Vlaamse Regering de burgemeester van de gemeente in kwestie benoemt, heeft die benoeming uitwerking vanaf de betekening van het arrest van de Raad van State dat de verkiezingen niet geheel of gedeeltelijk ongeldig verklaart of de zetelverdeling niet wijzigt.
Art. 28. [1 Les personnes à informer de la décision du Conseil sur les litiges électoraux peuvent, conformément à l'article 23, alinéa premier, point i), du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données), examiner le dossier au greffe dans les huit jours suivant la notification ou la notification de l'expiration du délai de quarante jours et introduire un recours auprès du Conseil d'Etat dans le même délai.]1
Le Conseil d'Etat statue dans un délai de soixante jours. L'élection ne peut être invalidée entièrement ou partiellement par le Conseil d'Etat que pour cause d'irrégularités susceptibles d'influencer la répartition des sièges entre les différentes listes.
L'invalidation entière de l'élection aboutit à la reprise ab initio des élections, en application des dispositions reprises au Décret portant organisation des élections locales et provinciales du 8 juillet 2011. Si le Conseil d'Etat juge que les élections sont partiellement annulées, il désigne les dispositions du Décret portant organisation des élections locales et provinciales du 8 juillet 2011 qui doivent à nouveau être exécutées lors de la réélection.
Le conseiller qui a été privé de son mandat par le Conseil d'Etat en application de l'article 205 du Décret portant organisation des élections locales et provinciales du 8 juillet 2011, est remplacé au conseil communal par le premier suppléant de la liste sur laquelle il avait été élu.
Le recours au Conseil d'Etat n'est pas suspensif, sauf s'il est dirigé contre une décision du Conseil des Contestations électorales qui porte une invalidation entière ou partielle des élections ou une modification de la répartition des sièges.
Lorsque le Gouvernement flamand nomme le bourgmestre de la commune concernée avant que le Conseil d'Etat se soit prononcé, cette nomination a effet à compter de la notification de l'arrêt du Conseil d'Etat qui n'invalide pas entièrement ou partiellement les élections ou ne modifie pas la répartition des sièges.
Le Conseil d'Etat statue dans un délai de soixante jours. L'élection ne peut être invalidée entièrement ou partiellement par le Conseil d'Etat que pour cause d'irrégularités susceptibles d'influencer la répartition des sièges entre les différentes listes.
L'invalidation entière de l'élection aboutit à la reprise ab initio des élections, en application des dispositions reprises au Décret portant organisation des élections locales et provinciales du 8 juillet 2011. Si le Conseil d'Etat juge que les élections sont partiellement annulées, il désigne les dispositions du Décret portant organisation des élections locales et provinciales du 8 juillet 2011 qui doivent à nouveau être exécutées lors de la réélection.
Le conseiller qui a été privé de son mandat par le Conseil d'Etat en application de l'article 205 du Décret portant organisation des élections locales et provinciales du 8 juillet 2011, est remplacé au conseil communal par le premier suppléant de la liste sur laquelle il avait été élu.
Le recours au Conseil d'Etat n'est pas suspensif, sauf s'il est dirigé contre une décision du Conseil des Contestations électorales qui porte une invalidation entière ou partielle des élections ou une modification de la répartition des sièges.
Lorsque le Gouvernement flamand nomme le bourgmestre de la commune concernée avant que le Conseil d'Etat se soit prononcé, cette nomination a effet à compter de la notification de l'arrêt du Conseil d'Etat qui n'invalide pas entièrement ou partiellement les élections ou ne modifie pas la répartition des sièges.
Art. 29. Het arrest van de Raad van State wordt door de zorg van de griffie onmiddellijk ter kennis gebracht van de provinciegouverneur, de voorzitter van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen en van de gemeente-, stadsdistricts- of provincieraad in kwestie.
Art. 29. L'arrêt rendu par le Conseil d'Etat est immédiatement notifié, par les soins du greffier, au gouverneur de province, au président du Conseil des Contestations électorales et au conseil communal, au conseil de district urbain ou au conseil provincial concerné.
Onderafdeling 2. - Rechtspleging voor overige betwistingen
Sous-section 2. - Procédure pour d'autres contestations
Art. 30. Voor de geschillen, vermeld in artikel 13, 44, § 6, 60, 218bis en 273, van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005, doet de Raad voor Verkiezingsbetwistingen uitspraak binnen veertig dagen na de indiening van het bezwaar, behalve in de geschillen over het verval van het mandaat, vermeld in artikel 10 en 13 van het voormelde decreet.
Voor de geschillen, vermeld in artikel 13, 44, § 4, en artikel 211bis van het Provinciedecreet van 9 december 2005, doet de Raad voor Verkiezingsbetwistingen uitspraak binnen veertig dagen na de indiening van het bezwaar, behalve in de geschillen over het verval van het mandaat, vermeld in artikel 10 en 13 van het voormelde decreet.
Voor de geschillen, vermeld in artikel 22 en 57 van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, doet de Raad voor Verkiezingsbetwistingen uitspraak binnen veertig dagen na de indiening van het bezwaar, behalve in de geschillen over het verval van het mandaat, vermeld in artikel 19 en 22 van het voormelde decreet.
Voor de geschillen, vermeld in artikel 13, 44, § 4, en artikel 211bis van het Provinciedecreet van 9 december 2005, doet de Raad voor Verkiezingsbetwistingen uitspraak binnen veertig dagen na de indiening van het bezwaar, behalve in de geschillen over het verval van het mandaat, vermeld in artikel 10 en 13 van het voormelde decreet.
Voor de geschillen, vermeld in artikel 22 en 57 van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, doet de Raad voor Verkiezingsbetwistingen uitspraak binnen veertig dagen na de indiening van het bezwaar, behalve in de geschillen over het verval van het mandaat, vermeld in artikel 19 en 22 van het voormelde decreet.
Art. 30. Pour les litiges, visés aux articles 13, 44, § 6, 60, 218bis et 273, du Décret communal du 15 juillet 2005, le Conseil des Contestations électorales statue dans les quarante jours suivant l'introduction de la réclamation, sauf dans les litiges sur la privation du mandat, visée aux articles 10 et 13 du décret précité.
Pour les litiges, visés aux articles 13, 44, § 4, et 211bis, du Décret provincial du 9 décembre 2005, le Conseil des Contestations électorales statue dans les quarante jours suivant l'introduction de la réclamation, sauf dans les litiges sur la privation du mandat, visée aux articles 10 et 13 du décret précité.
Pour les litiges, visés aux articles 22 et 57, du décret du 19 décembre 2008 relatif à l'organisation des centres publics d'aide sociale, le Conseil des Contestations électorales statue dans les quarante jours suivant l'introduction de la réclamation, sauf dans les litiges sur la privation du mandat, visée aux articles 19 et 22 du décret précité.
Pour les litiges, visés aux articles 13, 44, § 4, et 211bis, du Décret provincial du 9 décembre 2005, le Conseil des Contestations électorales statue dans les quarante jours suivant l'introduction de la réclamation, sauf dans les litiges sur la privation du mandat, visée aux articles 10 et 13 du décret précité.
Pour les litiges, visés aux articles 22 et 57, du décret du 19 décembre 2008 relatif à l'organisation des centres publics d'aide sociale, le Conseil des Contestations électorales statue dans les quarante jours suivant l'introduction de la réclamation, sauf dans les litiges sur la privation du mandat, visée aux articles 19 et 22 du décret précité.
Art. 31. § 1. In de gevallen, vermeld in artikel 15 van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, zijn alleen de gemeenteraadsleden en de personen die voorkomen op de voordrachtsakte, vermeld in artikel 10, § 1, en in artikel 14 van het voormelde decreet, gerechtigd om bezwaar in te dienen. Het bezwaarschrift wordt op straffe van onontvankelijkheid uiterlijk ingediend op de vijfde dag die volgt op de afkondiging van de verkiezingsuitslag.
Het is verboden, op straffe van een gevangenisstraf van een maand tot twee jaar, het bewijs van ontvangst van het bezwaarschrift te antidateren.
§ 2. Iedereen die een bezwaar heeft ingediend dat ongegrond blijkt en waarvan vaststaat dat het is ingediend met het oogmerk om te schaden, wordt gestraft met een geldboete van 50 tot 500 euro.
De opbrengst van de geldboete wordt gestort op de rekening van het fonds voor de dienst van de Bestuursrechtscolleges.
§ 3. De Raad voor Verkiezingsbetwistingen doet uitspraak, als er bezwaar wordt ingediend binnen veertig dagen na de ontvangst van het dossier, over de geldigheid van de verkiezingen. Hij herstelt, in voorkomend geval, de vergissingen die begaan zijn bij het vaststellen van de verkiezingsuitslag. Als binnen die termijn geen uitspraak is gedaan, wordt de verkiezing als regelmatig beschouwd.
§ 4. De beslissing van het rechtscollege heeft op zijn vroegst uitwerking na het verstrijken van de termijnen, vermeld in paragraaf 5, om beroep in te stellen bij de Raad van State.
§ 5. De gemeente, het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, de verkozen leden van de raad voor maatschappelijk welzijn, de opvolgers van wie de verkiezing is vernietigd en de opvolgers van wie de verkiezingsrang is gewijzigd, alsook de personen die bezwaren hebben ingediend, kunnen bij de Raad van State beroep instellen binnen acht dagen na de kennisgeving van de beslissing van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen of de mededeling van het feit dat de termijn van veertig dagen is verstreken. Het beroep schorst de beslissing van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen tot vernietiging of tot wijziging van de verkiezingsuitslag of van de zetelverdeling.
De hoofdgriffier van de Raad van State deelt het beroep binnen acht dagen na de ontvangst ervan mee aan de provinciegouverneur, aan het betrokken Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn, aan de gemeente, aan de voorzitter van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen en aan de verkozenen van wie de verkiezing of verkiezingsrang wordt betwist. De Raad van State doet uitspraak binnen een termijn van zestig dagen. Het arrest van de Raad van State wordt door de zorg van de hoofdgriffier onmiddellijk ter kennis gebracht van de verzoeker, de provinciegouverneur, het betrokken Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn, de gemeente en de verkozenen van wie de verkiezing wordt vernietigd of van wie de verkiezingsrang wordt gewijzigd.
Als een vernietiging definitief geworden is, wordt binnen twintig dagen, vanaf de dag na de kennisgeving van de vernietiging aan de betrokken gemeente, tot een nieuwe verkiezing overgegaan op basis van de ontvankelijke voordrachtsakte voor de vernietigde verkiezing, ingediend conform artikel 10, § 1, en 14, van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Ingeval van onvoldoende voordrachten is artikel 14, tweede lid, van het voormelde decreet, met behoud van artikel 13 van het voormelde decreet, van toepassing, met dien verstande dat de termijn van twintig dagen geldt.
Tot de installatie van de Raad voor Maatschappelijk Welzijn kunnen alleen dringende zaken worden behandeld.
Een vernietiging of een herstel van de verkiezingsuitslag tast de geldigheid niet aan van de beslissingen van de Raad voor Maatschappelijk Welzijn die genomen zijn voor de kennisgeving van de definitieve uitspraak.
Het is verboden, op straffe van een gevangenisstraf van een maand tot twee jaar, het bewijs van ontvangst van het bezwaarschrift te antidateren.
§ 2. Iedereen die een bezwaar heeft ingediend dat ongegrond blijkt en waarvan vaststaat dat het is ingediend met het oogmerk om te schaden, wordt gestraft met een geldboete van 50 tot 500 euro.
De opbrengst van de geldboete wordt gestort op de rekening van het fonds voor de dienst van de Bestuursrechtscolleges.
§ 3. De Raad voor Verkiezingsbetwistingen doet uitspraak, als er bezwaar wordt ingediend binnen veertig dagen na de ontvangst van het dossier, over de geldigheid van de verkiezingen. Hij herstelt, in voorkomend geval, de vergissingen die begaan zijn bij het vaststellen van de verkiezingsuitslag. Als binnen die termijn geen uitspraak is gedaan, wordt de verkiezing als regelmatig beschouwd.
§ 4. De beslissing van het rechtscollege heeft op zijn vroegst uitwerking na het verstrijken van de termijnen, vermeld in paragraaf 5, om beroep in te stellen bij de Raad van State.
§ 5. De gemeente, het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, de verkozen leden van de raad voor maatschappelijk welzijn, de opvolgers van wie de verkiezing is vernietigd en de opvolgers van wie de verkiezingsrang is gewijzigd, alsook de personen die bezwaren hebben ingediend, kunnen bij de Raad van State beroep instellen binnen acht dagen na de kennisgeving van de beslissing van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen of de mededeling van het feit dat de termijn van veertig dagen is verstreken. Het beroep schorst de beslissing van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen tot vernietiging of tot wijziging van de verkiezingsuitslag of van de zetelverdeling.
De hoofdgriffier van de Raad van State deelt het beroep binnen acht dagen na de ontvangst ervan mee aan de provinciegouverneur, aan het betrokken Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn, aan de gemeente, aan de voorzitter van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen en aan de verkozenen van wie de verkiezing of verkiezingsrang wordt betwist. De Raad van State doet uitspraak binnen een termijn van zestig dagen. Het arrest van de Raad van State wordt door de zorg van de hoofdgriffier onmiddellijk ter kennis gebracht van de verzoeker, de provinciegouverneur, het betrokken Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn, de gemeente en de verkozenen van wie de verkiezing wordt vernietigd of van wie de verkiezingsrang wordt gewijzigd.
Als een vernietiging definitief geworden is, wordt binnen twintig dagen, vanaf de dag na de kennisgeving van de vernietiging aan de betrokken gemeente, tot een nieuwe verkiezing overgegaan op basis van de ontvankelijke voordrachtsakte voor de vernietigde verkiezing, ingediend conform artikel 10, § 1, en 14, van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Ingeval van onvoldoende voordrachten is artikel 14, tweede lid, van het voormelde decreet, met behoud van artikel 13 van het voormelde decreet, van toepassing, met dien verstande dat de termijn van twintig dagen geldt.
Tot de installatie van de Raad voor Maatschappelijk Welzijn kunnen alleen dringende zaken worden behandeld.
Een vernietiging of een herstel van de verkiezingsuitslag tast de geldigheid niet aan van de beslissingen van de Raad voor Maatschappelijk Welzijn die genomen zijn voor de kennisgeving van de definitieve uitspraak.
Art. 31. § 1er. Dans les cas, visés à l'article 15 du décret du 19 décembre 2008 relatif à l'organisation des centres publics d'aide sociale, seuls les conseillers communaux et les personnes figurant sur l'acte de présentation, visés à l'article 10, § 1er, et à l'article 14 du décret précité, sont habilités à introduire une réclamation. Sous peine d'irrecevabilité, la réclamation est introduite au plus tard le cinquième jour suivant la publication du résultat des élections.
Il est interdit, sous peine d'une peine de réclusion d'un mois à deux ans, d'antidater le récépissé de la réclamation.
§ 2. Toute personne ayant introduit une réclamation qui s`avère non fondée et dont il est établi qu'elle a été introduite dans le but de nuire, sera sanctionnée d'une amende de 50 à 500 euros.
Le produit de l'amende est versé sur le compte du fonds pour le service des Juridictions administratives.
§ 3. Le Conseil des Contestations électorales statue, en cas d'introduction d'une réclamation dans les quarante jours suivant la réception du dossier, sur la validité des élections. Le cas échéant, il rectifie les erreurs commises lors de l'établissement du résultat des élections. Faute de décision du Conseil dans ce délai, l'élection est considérée comme régulière.
§ 4. La décision de la juridiction produit ses effets le plus tôt à l'expiration des délais visés au paragraphe 5, en vue de l'introduction d'un recours auprès du Conseil d'Etat.
§ 5. La commune, le centre public d'aide sociale, les membres élus du conseil de l'aide sociale, les suppléants dont l'élection a été annulée et les suppléants dont l'ordre d'élection a été modifié, ainsi que les personnes ayant introduit des réclamations, peuvent introduire un recours auprès du Conseil d'Etat dans les huit jours suivant la notification de la décision du Conseil des Contestations électorales ou la communication du fait que le délai de quarante jours a expiré. Le recours suspend la décision du Conseil des Contestations électorales jusqu'à l'annulation ou la modification du résultat des élections ou de la répartition des sièges.
Le greffier en chef du Conseil d'Etat communique le recours dans les huit jours suivant sa réception au gouverneur de province, au centre public d'aide sociale concerné, à la commune, au président du Conseil des Contestations électorales, et aux élus dont l'élection ou l'ordre d'élection est contesté. Le Conseil d'Etat statue dans un délai de soixante jours. L'arrêt rendu par le Conseil d'Etat est immédiatement notifié, par les soins du greffier en chef, au requérant, au gouverneur de province, au centre public d'aide sociale concerné, à la commune et aux élus dont l'élection est annulée ou dont l'ordre d'élection est modifié.
Lorsqu'une annulation devient définitive, il sera procédé dans les vingt jours suivant la date de la notification de l'annulation à la commune concernée, à une nouvelle élection sur la base de l'acte de présentation recevable pour l'élection annulée, déposé conformément aux articles 10, § 1er, et 14 du décret du 19 décembre 2008 relatif à l'organisation des centres publics d'aide sociale. S'il n'y a pas suffisamment de présentations, l'article 14, alinéa deux, du décret précité, s'applique sans préjudice de l'article 13 du décret précité, étant entendu que le délai de vingt jours s'applique.
Seules des matières urgentes peuvent être traitées jusqu'à l'installation du Conseil de l'Aide sociale.
Une annulation ou une réparation du résultat des élections ne porte pas préjudice à la validité des décisions du Conseil de l'Aide sociale qui ont été prises avant la notification de la décision définitive.
Il est interdit, sous peine d'une peine de réclusion d'un mois à deux ans, d'antidater le récépissé de la réclamation.
§ 2. Toute personne ayant introduit une réclamation qui s`avère non fondée et dont il est établi qu'elle a été introduite dans le but de nuire, sera sanctionnée d'une amende de 50 à 500 euros.
Le produit de l'amende est versé sur le compte du fonds pour le service des Juridictions administratives.
§ 3. Le Conseil des Contestations électorales statue, en cas d'introduction d'une réclamation dans les quarante jours suivant la réception du dossier, sur la validité des élections. Le cas échéant, il rectifie les erreurs commises lors de l'établissement du résultat des élections. Faute de décision du Conseil dans ce délai, l'élection est considérée comme régulière.
§ 4. La décision de la juridiction produit ses effets le plus tôt à l'expiration des délais visés au paragraphe 5, en vue de l'introduction d'un recours auprès du Conseil d'Etat.
§ 5. La commune, le centre public d'aide sociale, les membres élus du conseil de l'aide sociale, les suppléants dont l'élection a été annulée et les suppléants dont l'ordre d'élection a été modifié, ainsi que les personnes ayant introduit des réclamations, peuvent introduire un recours auprès du Conseil d'Etat dans les huit jours suivant la notification de la décision du Conseil des Contestations électorales ou la communication du fait que le délai de quarante jours a expiré. Le recours suspend la décision du Conseil des Contestations électorales jusqu'à l'annulation ou la modification du résultat des élections ou de la répartition des sièges.
Le greffier en chef du Conseil d'Etat communique le recours dans les huit jours suivant sa réception au gouverneur de province, au centre public d'aide sociale concerné, à la commune, au président du Conseil des Contestations électorales, et aux élus dont l'élection ou l'ordre d'élection est contesté. Le Conseil d'Etat statue dans un délai de soixante jours. L'arrêt rendu par le Conseil d'Etat est immédiatement notifié, par les soins du greffier en chef, au requérant, au gouverneur de province, au centre public d'aide sociale concerné, à la commune et aux élus dont l'élection est annulée ou dont l'ordre d'élection est modifié.
Lorsqu'une annulation devient définitive, il sera procédé dans les vingt jours suivant la date de la notification de l'annulation à la commune concernée, à une nouvelle élection sur la base de l'acte de présentation recevable pour l'élection annulée, déposé conformément aux articles 10, § 1er, et 14 du décret du 19 décembre 2008 relatif à l'organisation des centres publics d'aide sociale. S'il n'y a pas suffisamment de présentations, l'article 14, alinéa deux, du décret précité, s'applique sans préjudice de l'article 13 du décret précité, étant entendu que le délai de vingt jours s'applique.
Seules des matières urgentes peuvent être traitées jusqu'à l'installation du Conseil de l'Aide sociale.
Une annulation ou une réparation du résultat des élections ne porte pas préjudice à la validité des décisions du Conseil de l'Aide sociale qui ont été prises avant la notification de la décision définitive.
Afdeling 5. [1 - Bepalingen die van toepassing zijn op het [2 Handhavingscollege]2]1
Section 5. [1 - Dispositions applicables [2 au Collège de maintien]2 de la Région flamande]1
Art. 31/0. [1 [2 Als de decreten, vermeld in artikel 2, 1°, a), van dit decreet, hoofdstuk 10, afdeling 14, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023 van toepassing verklaren, kunnen de volgende personen]2 tussenkomen in een hangende procedure bij het Handhavingscollege die een bestuurlijke herstelbeslissing als vermeld in artikel 2, 5°, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, een bestuurlijke beveiligingsbeslissing als vermeld in artikel 2, 4°, van het voormelde decreet of een herstelschikking als vermeld in artikel 2, 16°, van het voormelde decreet, als voorwerp heeft:
Art. 31/0.[1 [2 Si les décrets visés à l'article 2, 1°, a), du présent décret, déclarent applicable le chapitre 10, section 14, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, les personnes suivantes peuvent]2 intervenir dans une procédure en cours auprès du Collège de maintien, qui a pour objet une décision administrative de réparation telle que visée à l'article 2, 5° du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, une décision administrative de sécurité telle que visée à l'article 2, 4°, du décret précité, ou une disposition de réparation, telle que visée à l'article 2, 16°, du décret précité :
Art. 31/1. [1 § 1. Het rolrecht dat verschuldigd is per verzoekende partij bij de indiening van een verzoekschrift tot vernietiging, bedraagt 100 euro.
[5 Het rolrecht dat verschuldigd is per verzoekende partij bij de indiening van een verzoekschrift tot schorsing, ingediend conform artikel 40, § 1 of § 2, bedraagt 50 euro.
Het rolrecht dat verschuldigd is per tussenkomende partij, bedraagt 50 euro per vordering waarin ze tussenkomt, ongeacht of de tussenkomst geldt voor een vordering tot vernietiging of voor een vordering tot schorsing, ingediend conform artikel 40, § 1 of § 2.]5
§ 2. De verzoekende partij [5 of tussenkomende partij]5 die aantoont dat haar inkomsten ontoereikend zijn, is vrijgesteld van de betaling van enig rolrecht.
De verzoekende partij richt daarvoor een verzoek aan het [2 Handhavingscollege]2, gelijktijdig met de indiening van haar verzoekschrift.
[5 De tussenkomende partij richt daarvoor een verzoek aan het Handhavingscollege, gelijktijdig met haar tussenkomst in een vordering.]5
Als de bewijsstukken, vermeld in het eerste lid, ontbreken, vraagt de griffier die bij beveiligde zending op bij de verzoekende [5 of tussenkomende]5 partij.
De bewijsstukken worden bezorgd binnen een termijn van acht dagen, die ingaat de dag na de betekening van de beveiligde zending, vermeld in het [5 vierde]5 lid.
Als de bewijsstukken niet worden bezorgd binnen de termijn, vermeld in het [5 vijfde]5 lid, wordt de verzoekende [5 of tussenkomende]5 partij geacht afstand te doen van haar vraag tot vrijstelling van het rolrecht.
De ontoereikendheid van de inkomsten wordt beoordeeld conform [3 artikel 508/13/1 tot en met 508/13/4 van het Gerechtelijk Wetboek]3.
§ 3. Collectieve verzoekschriften geven aanleiding tot het betalen van zoveel keer het recht als er verzoekende partijen zijn.
[5 Collectieve tussenkomsten geven aanleiding tot het betalen van zoveel malen het recht als er tussenkomende partijen zijn.]5
§ 4. [5 Als het rolrecht niet is gestort bij de indiening van het verzoekschrift of bij de tussenkomst, nodigt de griffier de verzoekende of tussenkomende partij met een beveiligde zending uit om het rolrecht alsnog te betalen. De griffier vermeldt daarbij duidelijk de sanctie, vermeld in het tweede lid. In dit geval wordt het rolrecht gestort binnen acht dagen na de dag van de betekening van de voormelde beveiligde zending. In geval van een vordering tot schorsing die is ingesteld conform artikel 40, § 2, wordt het rolrecht gestort binnen drie dagen na de dag van de betekening van de voormelde beveiligde zending.
Als het bedrag van het rolrecht niet op tijd is gestort door de verzoekende of tussenkomende partij, is het beroep of de tussenkomst van die partij onontvankelijk. Als de verzoekende partij in een vordering tot schorsing die ingesteld is conform artikel 40, § 2, het rolrecht niet tijdig heeft gestort, worden de schorsing en de voorlopige maatregelen die zouden zijn bevolen, conform artikel 40, § 2, en artikel 41 opgeheven conform de procedure, vermeld in artikel 40, § 13. Als de tussenkomende partij in een vordering tot schorsing die is ingesteld conform artikel 40, § 2, het rolrecht niet tijdig heeft gestort, kan ze geen voortzetting van de rechtspleging vragen.]5.]1
[5 § 5. Het Handhavingscollege kan, op verzoek van een partij, een rechtsplegingsvergoeding toekennen die een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en honoraria van de advocaat van de partij die in het gelijk wordt gesteld.
De Vlaamse Regering bepaalt de basisbedragen en de minimum- en maximumbedragen van de rechtsplegingsvergoeding, vermeld in het eerste lid.
Het Handhavingscollege kan, op gemotiveerde wijze, de rechtsplegingsvergoeding, vermeld in het eerste lid, verlagen of verhogen, zonder echter de door de Vlaamse Regering bepaalde minimum- en maximumbedragen te overschrijden. In deze beoordeling houdt het Handhavingscollege rekening met:
1° de financiële draagkracht van de in het ongelijk gestelde partij, om het bedrag van de vergoeding te verlagen;
2° de complexiteit van de zaak;
3° de kennelijk onredelijke aard van de situatie.
Als de in het ongelijk gestelde partij juridische tweedelijnsbijstand geniet, wordt de rechtsplegingsvergoeding, vermeld in het eerste lid, vastgelegd op het minimumbedrag bepaald door de Vlaamse Regering conform het tweede lid, behalve in geval van een kennelijk onredelijke situatie. In dat geval omkleedt het Handhavingscollege zijn beslissing tot vermindering of verhoging met bijzondere redenen.
Als meer partijen de rechtsplegingsvergoeding, vermeld in het eerste lid, ten laste van een of meer in het ongelijk gestelde partijen genieten, is het bedrag ervan maximaal het dubbele van de maximale rechtsplegingsvergoeding waarop de begunstigde die gerechtigd is om de hoogste vergoeding te eisen, aanspraak kan maken. Het Handhavingscollege verdeelt de rechtsplegingsvergoeding in dat geval tussen de partijen.
De tussenkomende partijen kunnen niet worden gehouden tot de betaling van de rechtsplegingsvergoeding en kunnen die vergoeding niet genieten.]5
[5 Het rolrecht dat verschuldigd is per verzoekende partij bij de indiening van een verzoekschrift tot schorsing, ingediend conform artikel 40, § 1 of § 2, bedraagt 50 euro.
Het rolrecht dat verschuldigd is per tussenkomende partij, bedraagt 50 euro per vordering waarin ze tussenkomt, ongeacht of de tussenkomst geldt voor een vordering tot vernietiging of voor een vordering tot schorsing, ingediend conform artikel 40, § 1 of § 2.]5
§ 2. De verzoekende partij [5 of tussenkomende partij]5 die aantoont dat haar inkomsten ontoereikend zijn, is vrijgesteld van de betaling van enig rolrecht.
De verzoekende partij richt daarvoor een verzoek aan het [2 Handhavingscollege]2, gelijktijdig met de indiening van haar verzoekschrift.
[5 De tussenkomende partij richt daarvoor een verzoek aan het Handhavingscollege, gelijktijdig met haar tussenkomst in een vordering.]5
Als de bewijsstukken, vermeld in het eerste lid, ontbreken, vraagt de griffier die bij beveiligde zending op bij de verzoekende [5 of tussenkomende]5 partij.
De bewijsstukken worden bezorgd binnen een termijn van acht dagen, die ingaat de dag na de betekening van de beveiligde zending, vermeld in het [5 vierde]5 lid.
Als de bewijsstukken niet worden bezorgd binnen de termijn, vermeld in het [5 vijfde]5 lid, wordt de verzoekende [5 of tussenkomende]5 partij geacht afstand te doen van haar vraag tot vrijstelling van het rolrecht.
De ontoereikendheid van de inkomsten wordt beoordeeld conform [3 artikel 508/13/1 tot en met 508/13/4 van het Gerechtelijk Wetboek]3.
§ 3. Collectieve verzoekschriften geven aanleiding tot het betalen van zoveel keer het recht als er verzoekende partijen zijn.
[5 Collectieve tussenkomsten geven aanleiding tot het betalen van zoveel malen het recht als er tussenkomende partijen zijn.]5
§ 4. [5 Als het rolrecht niet is gestort bij de indiening van het verzoekschrift of bij de tussenkomst, nodigt de griffier de verzoekende of tussenkomende partij met een beveiligde zending uit om het rolrecht alsnog te betalen. De griffier vermeldt daarbij duidelijk de sanctie, vermeld in het tweede lid. In dit geval wordt het rolrecht gestort binnen acht dagen na de dag van de betekening van de voormelde beveiligde zending. In geval van een vordering tot schorsing die is ingesteld conform artikel 40, § 2, wordt het rolrecht gestort binnen drie dagen na de dag van de betekening van de voormelde beveiligde zending.
Als het bedrag van het rolrecht niet op tijd is gestort door de verzoekende of tussenkomende partij, is het beroep of de tussenkomst van die partij onontvankelijk. Als de verzoekende partij in een vordering tot schorsing die ingesteld is conform artikel 40, § 2, het rolrecht niet tijdig heeft gestort, worden de schorsing en de voorlopige maatregelen die zouden zijn bevolen, conform artikel 40, § 2, en artikel 41 opgeheven conform de procedure, vermeld in artikel 40, § 13. Als de tussenkomende partij in een vordering tot schorsing die is ingesteld conform artikel 40, § 2, het rolrecht niet tijdig heeft gestort, kan ze geen voortzetting van de rechtspleging vragen.]5.]1
[5 § 5. Het Handhavingscollege kan, op verzoek van een partij, een rechtsplegingsvergoeding toekennen die een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en honoraria van de advocaat van de partij die in het gelijk wordt gesteld.
De Vlaamse Regering bepaalt de basisbedragen en de minimum- en maximumbedragen van de rechtsplegingsvergoeding, vermeld in het eerste lid.
Het Handhavingscollege kan, op gemotiveerde wijze, de rechtsplegingsvergoeding, vermeld in het eerste lid, verlagen of verhogen, zonder echter de door de Vlaamse Regering bepaalde minimum- en maximumbedragen te overschrijden. In deze beoordeling houdt het Handhavingscollege rekening met:
1° de financiële draagkracht van de in het ongelijk gestelde partij, om het bedrag van de vergoeding te verlagen;
2° de complexiteit van de zaak;
3° de kennelijk onredelijke aard van de situatie.
Als de in het ongelijk gestelde partij juridische tweedelijnsbijstand geniet, wordt de rechtsplegingsvergoeding, vermeld in het eerste lid, vastgelegd op het minimumbedrag bepaald door de Vlaamse Regering conform het tweede lid, behalve in geval van een kennelijk onredelijke situatie. In dat geval omkleedt het Handhavingscollege zijn beslissing tot vermindering of verhoging met bijzondere redenen.
Als meer partijen de rechtsplegingsvergoeding, vermeld in het eerste lid, ten laste van een of meer in het ongelijk gestelde partijen genieten, is het bedrag ervan maximaal het dubbele van de maximale rechtsplegingsvergoeding waarop de begunstigde die gerechtigd is om de hoogste vergoeding te eisen, aanspraak kan maken. Het Handhavingscollege verdeelt de rechtsplegingsvergoeding in dat geval tussen de partijen.
De tussenkomende partijen kunnen niet worden gehouden tot de betaling van de rechtsplegingsvergoeding en kunnen die vergoeding niet genieten.]5
Änderungen
Art. 31/1. [1 § 1er. Le droit de mise au rôle dû par partie requérante lors de l'introduction d'une requête en annulation, s'élève à 100 euros.
[5 Le droit de mise au rôle dû par partie requérante lors de l'introduction d'une requête en suspension, introduite conformément à l'article 40, § 1er ou § 2, s'élève à 50 euros
Le droit de mise au rôle dû par partie intervenante s'élève à 50 euros par action dans laquelle elle intervient, que l'intervention concerne une action en annulation ou une action en suspension, introduite conformément à l'article 40, § 1er ou § 2.]5
§ 2. La partie requérante [5 ou la partie intervenante]5 qui démontre que ses revenus sont insuffisants, est exemptée du paiement de quelconque droit de mise au rôle.
La partie requérante adresse à cet effet une demande [4 au Collège de maintien]4 de la Région flamande, simultanément avec l'introduction de sa requête.
[5 La partie intervenante adresse à cet effet une demande au Collège de maintien, simultanément avec son intervention dans une action.]5
Si les pièces justificatives, visées à l'alinéa 1er, font défaut, le greffier les demande par envoi sécurisé à la partie requérante [5 ou intervenante]5.
Les pièces justificatives sont transmises dans un délai de huit jours qui prend cours le jour suivant celui de la notification de l'envoi sécurisé, visée à l'alinéa [5 quatre]5.
Si les pièces justificatives ne sont pas transmises dans le délai, visé à l'alinéa [5 5]5, la partie requérante [5 ou intervenante]5 est censée renoncer à sa demande d'exemption du droit de mise au rôle.
L'insuffisance des revenus est jugée conformément [2 aux articles 508/13/1 à 508/13/4 du Code judiciaire]2.
§ 3. Des requêtes collectives donnent lieu au paiement d'autant de fois le droit qu'il y a des parties requérantes.
[5 Les interventions collectives donnent lieu au paiement d'autant de droits qu'il y a de parties intervenantes.]5
§ 4. [5 Si le droit de mise au rôle n'a pas été versé lors de l'introduction de la requête ou lors de l'intervention, le greffier invite la partie requérante ou intervenante par envoi sécurisé à payer le droit de mise au rôle. Le greffier mentionne clairement la sanction, visée à l'alinéa 2. Dans ce cas, le droit de mise au rôle est versé dans un délai de huit jours suivant le jour de la notification de l'envoi sécurisé précité. Dans le cas d'une action en suspension qui est introduite conformément à l'article 40, § 2, le droit de mise au rôle est versé dans un délai de trois jours suivant le jour de la notification de l'envoi sécurisé précité.
Si le montant du droit de mise au rôle n'est pas versé à temps par la partie requérante ou intervenante, le recours ou l'intervention de cette partie est irrecevable. Si la partie requérante dans une requête en suspension introduite conformément à l'article 40, § 2, n'a pas versé le droit de mise au rôle à temps, la suspension et les mesures provisoires qui auraient été ordonnées, conformément à l'article 40, § 2, et à l'article 41, sont abrogées conformément à la procédure, visée à l'article 40, § 13. Si la partie intervenante dans une requête en suspension introduite conformément à l'article 40, § 2, n'a pas versé le droit de mise au rôle à temps, elle ne peut pas demander de poursuite de la procédure.]5.]1
[5 § 5. Le Collège de maintien peut, à la demande d'une partie, accorder une indemnité de procédure qui est une intervention forfaitaire dans les frais et honoraires d'avocat de la partie ayant obtenu gain de cause.
Le Gouvernement flamand fixe les montants de base et les montants minimum et maximum de l'indemnité de procédure, visée à l'alinéa 1er.
Le Collège de maintien peut, de manière motivée, diminuer ou augmenter l'indemnité de procédure, visée à l'alinéa 1er, sans dépasser toutefois les montants minimum et maximum fixés par le Gouvernement flamand. Pour cette appréciation, le Collège de maintien tient compte :
1° de la capacité financière de la partie succombante, pour diminuer le montant de l'indemnité ;
2° de la complexité de l'affaire ;
3° du caractère manifestement déraisonnable de la situation.
Si la partie succombante bénéficie de l'aide juridique de deuxième ligne, l'indemnité de procédure, visée à l'alinéa 1er, est fixée au montant minimum fixé par le Gouvernement flamand conformément à l'alinéa 2, sauf en cas de situation manifestement déraisonnable. Le cas échéant, le Collège de maintien motive spécialement sa décision de diminution ou d'augmentation.
Lorsque plusieurs parties bénéficient de l'indemnité de procédure, visée à l'alinéa 1er, à charge d'une ou de plusieurs parties succombantes, son montant est au maximum le double de l'indemnité de procédure maximale à laquelle peut prétendre le bénéficiaire qui est fondé à réclamer l'indemnité la plus élevée. Dans ce cas, le Collège de maintien répartit l'indemnité de procédure entre les parties.
Les parties intervenantes ne peuvent être tenues au paiement de l'indemnité de procédure et ne peuvent pas non plus bénéficier de cette indemnité.]5
[5 Le droit de mise au rôle dû par partie requérante lors de l'introduction d'une requête en suspension, introduite conformément à l'article 40, § 1er ou § 2, s'élève à 50 euros
Le droit de mise au rôle dû par partie intervenante s'élève à 50 euros par action dans laquelle elle intervient, que l'intervention concerne une action en annulation ou une action en suspension, introduite conformément à l'article 40, § 1er ou § 2.]5
§ 2. La partie requérante [5 ou la partie intervenante]5 qui démontre que ses revenus sont insuffisants, est exemptée du paiement de quelconque droit de mise au rôle.
La partie requérante adresse à cet effet une demande [4 au Collège de maintien]4 de la Région flamande, simultanément avec l'introduction de sa requête.
[5 La partie intervenante adresse à cet effet une demande au Collège de maintien, simultanément avec son intervention dans une action.]5
Si les pièces justificatives, visées à l'alinéa 1er, font défaut, le greffier les demande par envoi sécurisé à la partie requérante [5 ou intervenante]5.
Les pièces justificatives sont transmises dans un délai de huit jours qui prend cours le jour suivant celui de la notification de l'envoi sécurisé, visée à l'alinéa [5 quatre]5.
Si les pièces justificatives ne sont pas transmises dans le délai, visé à l'alinéa [5 5]5, la partie requérante [5 ou intervenante]5 est censée renoncer à sa demande d'exemption du droit de mise au rôle.
L'insuffisance des revenus est jugée conformément [2 aux articles 508/13/1 à 508/13/4 du Code judiciaire]2.
§ 3. Des requêtes collectives donnent lieu au paiement d'autant de fois le droit qu'il y a des parties requérantes.
[5 Les interventions collectives donnent lieu au paiement d'autant de droits qu'il y a de parties intervenantes.]5
§ 4. [5 Si le droit de mise au rôle n'a pas été versé lors de l'introduction de la requête ou lors de l'intervention, le greffier invite la partie requérante ou intervenante par envoi sécurisé à payer le droit de mise au rôle. Le greffier mentionne clairement la sanction, visée à l'alinéa 2. Dans ce cas, le droit de mise au rôle est versé dans un délai de huit jours suivant le jour de la notification de l'envoi sécurisé précité. Dans le cas d'une action en suspension qui est introduite conformément à l'article 40, § 2, le droit de mise au rôle est versé dans un délai de trois jours suivant le jour de la notification de l'envoi sécurisé précité.
Si le montant du droit de mise au rôle n'est pas versé à temps par la partie requérante ou intervenante, le recours ou l'intervention de cette partie est irrecevable. Si la partie requérante dans une requête en suspension introduite conformément à l'article 40, § 2, n'a pas versé le droit de mise au rôle à temps, la suspension et les mesures provisoires qui auraient été ordonnées, conformément à l'article 40, § 2, et à l'article 41, sont abrogées conformément à la procédure, visée à l'article 40, § 13. Si la partie intervenante dans une requête en suspension introduite conformément à l'article 40, § 2, n'a pas versé le droit de mise au rôle à temps, elle ne peut pas demander de poursuite de la procédure.]5.]1
[5 § 5. Le Collège de maintien peut, à la demande d'une partie, accorder une indemnité de procédure qui est une intervention forfaitaire dans les frais et honoraires d'avocat de la partie ayant obtenu gain de cause.
Le Gouvernement flamand fixe les montants de base et les montants minimum et maximum de l'indemnité de procédure, visée à l'alinéa 1er.
Le Collège de maintien peut, de manière motivée, diminuer ou augmenter l'indemnité de procédure, visée à l'alinéa 1er, sans dépasser toutefois les montants minimum et maximum fixés par le Gouvernement flamand. Pour cette appréciation, le Collège de maintien tient compte :
1° de la capacité financière de la partie succombante, pour diminuer le montant de l'indemnité ;
2° de la complexité de l'affaire ;
3° du caractère manifestement déraisonnable de la situation.
Si la partie succombante bénéficie de l'aide juridique de deuxième ligne, l'indemnité de procédure, visée à l'alinéa 1er, est fixée au montant minimum fixé par le Gouvernement flamand conformément à l'alinéa 2, sauf en cas de situation manifestement déraisonnable. Le cas échéant, le Collège de maintien motive spécialement sa décision de diminution ou d'augmentation.
Lorsque plusieurs parties bénéficient de l'indemnité de procédure, visée à l'alinéa 1er, à charge d'une ou de plusieurs parties succombantes, son montant est au maximum le double de l'indemnité de procédure maximale à laquelle peut prétendre le bénéficiaire qui est fondé à réclamer l'indemnité la plus élevée. Dans ce cas, le Collège de maintien répartit l'indemnité de procédure entre les parties.
Les parties intervenantes ne peuvent être tenues au paiement de l'indemnité de procédure et ne peuvent pas non plus bénéficier de cette indemnité.]5
Änderungen
Afdeling 6. [1 - Bepalingen die van toepassing zijn op de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen]1
Section 6. [1 - Dispositions applicables au Conseil de règlement des différends en matière de décisions sur la progression des études]1
Art. 31/2. [1 In afwijking van artikel 16 van dit decreet verloopt de procedure voor een rechtstreeks beroep betreffende de in artikel II.285, tweede lid, van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013 bedoelde aanpassing van het leerkrediet bij overmachtsituaties, na mededeling van een vereenvoudigde procedurekalender louter schriftelijk en volgt er geen concrete oproeping van de partijen tenzij het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), van dit decreet, het noodzakelijk acht voor de behandeling van de zaak of tenzij een van de partijen uitdrukkelijk en gemotiveerd verzoekt om gehoord te worden.
Het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), oordeelt onverwijld bij beschikking van de kamervoorzitter of gevolg wordt gegeven aan het verzoek, vermeld in het eerste lid.]1
Het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), oordeelt onverwijld bij beschikking van de kamervoorzitter of gevolg wordt gegeven aan het verzoek, vermeld in het eerste lid.]1
Art. 31/2. [1 Par dérogation à l'article 16 du présent décret, la procédure de recours direct concernant l'adaptation du crédit d'apprentissage en cas de force majeure visée à l'article II.285, alinéa 2, du Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013, se déroule uniquement par écrit, après communication d'un calendrier de procédure simplifié, et ne fait pas l'objet d'une convocation concrète des parties, à moins que la juridiction administrative flamande visée à l'article 2, 1°, d ), du présent décret, l'estime nécessaire au traitement de l'affaire ou à moins que l'une des parties ne demande expressément et de manière motivée à être entendue.
La juridiction administrative flamande visée à l'article 2, 1°, d), décide sans délai, par ordonnance du président de chambre, s'il est donné suite à la requête visée à l'alinéa 1er.]1
La juridiction administrative flamande visée à l'article 2, 1°, d), décide sans délai, par ordonnance du président de chambre, s'il est donné suite à la requête visée à l'alinéa 1er.]1
Art. 31/3. [1 Als er gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens bestaan dat een partij of een derde een stuk onder zich heeft dat het bewijs inhoudt van een ter zake dienend feit, kan de kamervoorzitter bevelen dat het stuk of een eensluidend verklaard afschrift ervan bij het dossier van de rechtspleging wordt gevoegd.
De kamervoorzitter beslist ter zake bij beschikking. De beschikking vermeldt de identiteit van de partij of de derde die het stuk moet overleggen en de wijze waarop en de termijn waarbinnen dat moet gebeuren. De beschikking wordt via het meest gerede communicatiemiddel verzonden aan de partijen en bij beveiligde zending aan een derde.
Als het verzoek een aanpassing van het leerkrediet betreft, kan het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), bij de betrokken instellingen van het hoger onderwijs informatie opvragen met het oog op de verificatie van de voorgelegde feiten.]1
De kamervoorzitter beslist ter zake bij beschikking. De beschikking vermeldt de identiteit van de partij of de derde die het stuk moet overleggen en de wijze waarop en de termijn waarbinnen dat moet gebeuren. De beschikking wordt via het meest gerede communicatiemiddel verzonden aan de partijen en bij beveiligde zending aan een derde.
Als het verzoek een aanpassing van het leerkrediet betreft, kan het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), bij de betrokken instellingen van het hoger onderwijs informatie opvragen met het oog op de verificatie van de voorgelegde feiten.]1
Art. 31/3. [1 Lorsqu'il existe des présomptions graves, précises et concordantes qu'une partie ou un tiers détient un document établissant un fait pertinent, le président de chambre peut ordonner que le document ou une copie certifiée conforme de celui-ci soit versé au dossier de la procédure.
Le président de chambre statue par voie d'ordonnance. L'ordonnance mentionne l'identité de la partie ou du tiers qui doit produire le document ainsi que le mode et le délai d'introduction du document. L'ordonnance est envoyée aux parties par le moyen de communication le plus diligent et par envoi sécurisé à un tiers.
Si la requête concerne un ajustement du crédit d'apprentissage, la juridiction administrative flamande visée à l'article 2, 1°, d), peut demander des informations aux établissements d'enseignement supérieur concernés en vue de vérifier les faits présentés.]1
Le président de chambre statue par voie d'ordonnance. L'ordonnance mentionne l'identité de la partie ou du tiers qui doit produire le document ainsi que le mode et le délai d'introduction du document. L'ordonnance est envoyée aux parties par le moyen de communication le plus diligent et par envoi sécurisé à un tiers.
Si la requête concerne un ajustement du crédit d'apprentissage, la juridiction administrative flamande visée à l'article 2, 1°, d), peut demander des informations aux établissements d'enseignement supérieur concernés en vue de vérifier les faits présentés.]1
HOOFDSTUK 4. - Arresten
CHAPITRE 4. - Arrêts
Afdeling 1. - Bepalingen die van toepassing zijn op het [1 Handhavingscollege]1, de Raad voor Vergunningsbetwistingen [2 , de]2 Raad voor Verkiezingsbetwistingen [2 en de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen]2
Section 1re. - Dispositions applicables [1 au Collège de maintien]1 de la Région flamande, au Conseil pour les Contestations des Autorisations [2 , au]2 Conseil des Contestations électorales [2 et au Conseil de règlement des différends en matière de décisions sur la progression des études]2
Art. 32. Een Vlaams bestuursrechtscollege spreekt zijn arresten uit in openbare zitting.
Elk arrest van een Vlaams bestuursrechtscollege wordt met redenen omkleed.
De arresten van een Vlaams bestuursrechtscollege worden ondertekend door de kamervoorzitter en de griffier.
Elk arrest van een Vlaams bestuursrechtscollege wordt met redenen omkleed.
De arresten van een Vlaams bestuursrechtscollege worden ondertekend door de kamervoorzitter en de griffier.
Art. 32. Une juridiction administrative flamande prononce ses arrêts en session publique.
Chaque arrêt d'une juridiction administrative flamande est motivé.
Les arrêts d'une juridiction administrative flamande sont signés par le président de la chambre et par le greffier.
Chaque arrêt d'une juridiction administrative flamande est motivé.
Les arrêts d'une juridiction administrative flamande sont signés par le président de la chambre et par le greffier.
Art. 33. Een Vlaams bestuursrechtscollege legt in zijn arrest het geheel of een deel van de kosten ten laste van de partij die ten gronde in het ongelijk gesteld wordt.
[2 ...]2.
[1 Indien toepassing wordt gemaakt van artikel 34 dan legt een Vlaams bestuursrechtscollege de kosten geheel of gedeeltelijk ten laste van de verwerende partij.]1
De kosten omvatten:
1° het getuigengeld;
2° de kosten en erelonen van het onderzoek van de deskundigen;
3° de kosten van de bekendmaking conform artikel 47, uitgezonderd wat de Raad voor Verkiezingsbetwistingen betreft.
[2 Wat de Raad voor Vergunningsbetwistingen betreft, omvatten de kosten ook het rolrecht en de rechtsplegingsvergoeding, vermeld in artikel 21, alsook de kosten, vermeld in artikel 42, § 5]2.
[2 Wat het [3 Handhavingscollege]3 betreft, omvatten de kosten ook het rolrecht [4 en de rechtsplegingsvergoeding]4, vermeld in artikel 31/1.]2
[2 ...]2.
[1 Indien toepassing wordt gemaakt van artikel 34 dan legt een Vlaams bestuursrechtscollege de kosten geheel of gedeeltelijk ten laste van de verwerende partij.]1
De kosten omvatten:
1° het getuigengeld;
2° de kosten en erelonen van het onderzoek van de deskundigen;
3° de kosten van de bekendmaking conform artikel 47, uitgezonderd wat de Raad voor Verkiezingsbetwistingen betreft.
[2 Wat de Raad voor Vergunningsbetwistingen betreft, omvatten de kosten ook het rolrecht en de rechtsplegingsvergoeding, vermeld in artikel 21, alsook de kosten, vermeld in artikel 42, § 5]2.
[2 Wat het [3 Handhavingscollege]3 betreft, omvatten de kosten ook het rolrecht [4 en de rechtsplegingsvergoeding]4, vermeld in artikel 31/1.]2
Art. 33. Dans son arrêt, une juridiction administrative flamande porte l'ensemble ou une partie des frais à charge de la partie qui a succombé sur le fond.
[2 ...]2.
[1 Lorsque l'article 34 s'applique, une juridiction administrative flamande porte l'ensemble ou une partie des frais à charge de la partie défenderesse.]1
Ces frais comprennent :
1° les indemnités des témoins ;
2° les frais et honoraires de l'instruction des experts ;
3° les frais de la publication conformément à l'article 47, sauf en ce qui concerne le Conseil des Contestations électorales.
[2 En ce qui concerne le Conseil pour les Contestations des Autorisations, les frais comprennent également le droit de mise au rôle et l'indemnité de procédure, visés à l'article 21, ainsi que les frais, visés à l'article 42, § 5]2.
[2 En ce qui concerne le [3 collège de maintien]3 de la Région flamande, les frais comprennent également le droit de mise au rôle [4 et l'indemnité de procédure]4, visés à l'article 31/1.]2
[2 ...]2.
[1 Lorsque l'article 34 s'applique, une juridiction administrative flamande porte l'ensemble ou une partie des frais à charge de la partie défenderesse.]1
Ces frais comprennent :
1° les indemnités des témoins ;
2° les frais et honoraires de l'instruction des experts ;
3° les frais de la publication conformément à l'article 47, sauf en ce qui concerne le Conseil des Contestations électorales.
[2 En ce qui concerne le Conseil pour les Contestations des Autorisations, les frais comprennent également le droit de mise au rôle et l'indemnité de procédure, visés à l'article 21, ainsi que les frais, visés à l'article 42, § 5]2.
[2 En ce qui concerne le [3 collège de maintien]3 de la Région flamande, les frais comprennent également le droit de mise au rôle [4 et l'indemnité de procédure]4, visés à l'article 31/1.]2
(NOTA : bij arrest nr 152/2015 van 29-10-2015 (B.St. 22-12-2015, p. 76911-76924), heeft het Grondwettelijk Hof artikel 33, tweede lid, in zoverre het van toepassing is op bestuurlijke lus, vernietigd)
(NOTE : par son arrêt n° 152/2015 du 29-10-2015 (M.B. 22-12-2015, p. 76924-76937), la Cour Constitutionnelle a annulé l'article 33, alinéa 2, dans la mesure où il sapplique à la boucle administrative)
Afdeling 2. - Bepalingen die van toepassing zijn op het [1 Handhavingscollege]1 en de Raad voor Vergunningsbetwistingen
Section 2. - Dispositions applicables au [1 Collège de maintien]1 de la Région flamande et au Conseil des Contestations électorales
Art. 34. [1 § 1. Als een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, a) en b), vaststelt dat het de bestreden beslissing om reden van een onwettigheid moet vernietigen, kan het de verwerende partij in het bodemgeding de mogelijkheid bieden om met een herstelbeslissing de onwettigheid in de bestreden beslissing te herstellen of te laten herstellen, hierna bestuurlijke lus te noemen.
In dit artikel wordt verstaan onder onwettigheid: een strijdigheid met een geschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel die kan leiden tot vernietiging van de bestreden beslissing, maar die zou kunnen worden hersteld.
§ 2. Het gebruik van de bestuurlijke lus is alleen mogelijk nadat alle partijen de mogelijkheid hebben gehad hun standpunt over het gebruik ervan kenbaar te maken.
Als alle partijen een schriftelijk standpunt over het gebruik van de bestuurlijke lus kenbaar hebben kunnen maken, beslist het Vlaams bestuursrechtscollege over de toepassing van de bestuurlijke lus met een tussenuitspraak als vermeld in paragraaf 3.
Als niet alle partijen hun standpunt over het gebruik van de bestuurlijke lus kenbaar hebben kunnen maken, biedt het Vlaams bestuursrechtscollege bij tussenuitspraak de mogelijkheid om daarover een schriftelijk standpunt in te nemen. De partijen beschikken daarvoor over een vervaltermijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de dag van de betekening van die uitspraak. Daarna beslist het Vlaams bestuursrechtscollege over de toepassing van de bestuurlijke lus met een tussenuitspraak als vermeld in paragraaf 3.
§ 3. Met behoud van de toepassing van artikel 16, zesde lid, organiseert het Vlaams bestuursrechtscollege een zitting over de toepassing van de bestuurlijke lus.
Het Vlaams bestuursrechtscollege beslist met een tussenuitspraak over de toepassing van de bestuurlijke lus en bepaalt de termijn waarin de herstelbeslissing wordt genomen. Op gemotiveerd verzoek van de verwerende partij kan die termijn eenmalig worden verlengd. De termijnverlenging kan de duur van de aanvankelijke hersteltermijn niet overschrijden.
De tussenuitspraak, vermeld in het tweede lid, beslecht, in voorkomend geval, alle overige middelen.
§ 4. De verwerende partij bezorgt de herstelbeslissing aan het Vlaams bestuursrechtscollege binnen de hersteltermijn, vermeld in paragraaf 3.
Het voorwerp van het beroep wordt uitgebreid met de herstelbeslissing.
Het herstel kan alleen betrekking hebben op een onwettigheid die in de tussenuitspraak werd opgegeven.
Als de herstelbeslissing niet tijdig werd meegedeeld, vernietigt het Vlaams bestuursrechtscollege de bestreden beslissing.
§ 5. Het Vlaams bestuursrechtscollege bezorgt de herstelbeslissing aan de overige partijen.
Die partijen kunnen schriftelijk hun standpunt over het herstel meedelen binnen de vervaltermijnen die de Vlaamse Regering heeft bepaald en die niet korter mogen zijn dan dertig dagen.
Met behoud van de toepassing van artikel 16, zesde lid, organiseert het Vlaams bestuursrechtscollege een zitting over het herstel.
§ 6. Als het Vlaams bestuursrechtscollege vaststelt dat de onwettigheid niet is hersteld of dat het herstel aangetast is door een nieuw opgeworpen onwettigheid, vernietigt het Vlaams bestuursrechtscollege de bestreden beslissing geheel of gedeeltelijk en vernietigt het de herstelbeslissing, tenzij het Vlaams bestuursrechtscollege beslist om opnieuw toepassing te maken van de bestuurlijke lus overeenkomstig de bepalingen van dit artikel.
Als het Vlaams bestuursrechtscollege vaststelt dat de onwettigheid is hersteld en dat het herstel niet is aangetast door een nieuw opgeworpen onwettigheid, verwerpt het Vlaams bestuursrechtscollege het beroep tegen de herstelbeslissing. Daarnaast vernietigt het Vlaams bestuursrechtscollege de bestreden beslissing geheel of gedeeltelijk en doet het Vlaams bestuursrechtscollege uitspraak over de eventuele toepassing van artikel 36.
§ 7. De proceduretermijnen die niet in dit artikel worden vermeld, worden geschorst vanaf de datum van de tussenuitspraak die beslist over de toepassing van de bestuurlijke lus tot de datum van de uitspraak van het Vlaams bestuursrechtscollege, vermeld in paragraaf 4, derde lid, of paragraaf 6.
§ 8. Na de betekening van de uitspraak, vermeld in paragraaf 6, tweede lid, door het Vlaams bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, b), wordt de herstelbeslissing bekendgemaakt conform de bepalingen van [2 de decreten]2, vermeld in [3 artikel 2, 1°, a) en b)]3.
§ 9. De personen die daartoe belang hebben conform de bepalingen van [2 de decreten]2, vermeld in [3 artikel 2, 1°, a) en b)]3, kunnen tegen de herstelbeslissing beroep instellen bij het Vlaams bestuursrechtscollege binnen de termijnen, vermeld in het voormelde decreet.]1
In dit artikel wordt verstaan onder onwettigheid: een strijdigheid met een geschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel die kan leiden tot vernietiging van de bestreden beslissing, maar die zou kunnen worden hersteld.
§ 2. Het gebruik van de bestuurlijke lus is alleen mogelijk nadat alle partijen de mogelijkheid hebben gehad hun standpunt over het gebruik ervan kenbaar te maken.
Als alle partijen een schriftelijk standpunt over het gebruik van de bestuurlijke lus kenbaar hebben kunnen maken, beslist het Vlaams bestuursrechtscollege over de toepassing van de bestuurlijke lus met een tussenuitspraak als vermeld in paragraaf 3.
Als niet alle partijen hun standpunt over het gebruik van de bestuurlijke lus kenbaar hebben kunnen maken, biedt het Vlaams bestuursrechtscollege bij tussenuitspraak de mogelijkheid om daarover een schriftelijk standpunt in te nemen. De partijen beschikken daarvoor over een vervaltermijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de dag van de betekening van die uitspraak. Daarna beslist het Vlaams bestuursrechtscollege over de toepassing van de bestuurlijke lus met een tussenuitspraak als vermeld in paragraaf 3.
§ 3. Met behoud van de toepassing van artikel 16, zesde lid, organiseert het Vlaams bestuursrechtscollege een zitting over de toepassing van de bestuurlijke lus.
Het Vlaams bestuursrechtscollege beslist met een tussenuitspraak over de toepassing van de bestuurlijke lus en bepaalt de termijn waarin de herstelbeslissing wordt genomen. Op gemotiveerd verzoek van de verwerende partij kan die termijn eenmalig worden verlengd. De termijnverlenging kan de duur van de aanvankelijke hersteltermijn niet overschrijden.
De tussenuitspraak, vermeld in het tweede lid, beslecht, in voorkomend geval, alle overige middelen.
§ 4. De verwerende partij bezorgt de herstelbeslissing aan het Vlaams bestuursrechtscollege binnen de hersteltermijn, vermeld in paragraaf 3.
Het voorwerp van het beroep wordt uitgebreid met de herstelbeslissing.
Het herstel kan alleen betrekking hebben op een onwettigheid die in de tussenuitspraak werd opgegeven.
Als de herstelbeslissing niet tijdig werd meegedeeld, vernietigt het Vlaams bestuursrechtscollege de bestreden beslissing.
§ 5. Het Vlaams bestuursrechtscollege bezorgt de herstelbeslissing aan de overige partijen.
Die partijen kunnen schriftelijk hun standpunt over het herstel meedelen binnen de vervaltermijnen die de Vlaamse Regering heeft bepaald en die niet korter mogen zijn dan dertig dagen.
Met behoud van de toepassing van artikel 16, zesde lid, organiseert het Vlaams bestuursrechtscollege een zitting over het herstel.
§ 6. Als het Vlaams bestuursrechtscollege vaststelt dat de onwettigheid niet is hersteld of dat het herstel aangetast is door een nieuw opgeworpen onwettigheid, vernietigt het Vlaams bestuursrechtscollege de bestreden beslissing geheel of gedeeltelijk en vernietigt het de herstelbeslissing, tenzij het Vlaams bestuursrechtscollege beslist om opnieuw toepassing te maken van de bestuurlijke lus overeenkomstig de bepalingen van dit artikel.
Als het Vlaams bestuursrechtscollege vaststelt dat de onwettigheid is hersteld en dat het herstel niet is aangetast door een nieuw opgeworpen onwettigheid, verwerpt het Vlaams bestuursrechtscollege het beroep tegen de herstelbeslissing. Daarnaast vernietigt het Vlaams bestuursrechtscollege de bestreden beslissing geheel of gedeeltelijk en doet het Vlaams bestuursrechtscollege uitspraak over de eventuele toepassing van artikel 36.
§ 7. De proceduretermijnen die niet in dit artikel worden vermeld, worden geschorst vanaf de datum van de tussenuitspraak die beslist over de toepassing van de bestuurlijke lus tot de datum van de uitspraak van het Vlaams bestuursrechtscollege, vermeld in paragraaf 4, derde lid, of paragraaf 6.
§ 8. Na de betekening van de uitspraak, vermeld in paragraaf 6, tweede lid, door het Vlaams bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, b), wordt de herstelbeslissing bekendgemaakt conform de bepalingen van [2 de decreten]2, vermeld in [3 artikel 2, 1°, a) en b)]3.
§ 9. De personen die daartoe belang hebben conform de bepalingen van [2 de decreten]2, vermeld in [3 artikel 2, 1°, a) en b)]3, kunnen tegen de herstelbeslissing beroep instellen bij het Vlaams bestuursrechtscollege binnen de termijnen, vermeld in het voormelde decreet.]1
Art. 34. [1 § 1er. Lorsqu'une juridiction administrative flamande telle que visée à l'article 2, 1°, a) et b) constate qu'elle doit annuler la décision contestée pour cause d'une illégalité, elle peut offrir la possibilité à la partie défenderesse du litige sur le fond, par le biais d'une décision de réparation, de réparer ou de faire réparer l'illégalité dans la décision contestée, à dénommer ci-après la boucle administrative.
Dans le présent article, on entend par une illégalité : une incompatibilité avec une règle de droit écrite ou un principe de droit général qui peut aboutir à l'annulation de la décision contestée, mais qui pourrait être réparée.
§ 2. L'utilisation de la boucle administrative est uniquement possible après que toutes les parties ont eu la possibilité de faire connaître leur point de vue sur son utilisation.
Lorsque toutes les parties ont pu faire connaître un point de vue écrit sur l'utilisation de la boucle administrative, la juridiction administrative flamande décide de l'application de la boucle administrative par le biais d'un interlocutoire tel que visé au paragraphe 3.
Lorsque toutes les parties n'ont pas pu faire connaître leur point de vue sur l'utilisation de la boucle administrative, la juridiction administrative flamande offre la possibilité, par le biais d'un interlocutoire, d'adopter un point de vue écrit à ce sujet. Les parties disposent à cet effet d'un délai d'échéance de trente jours, qui prend cours le jour suivant le jour de la notification de ce jugement. Ensuite, la juridiction administrative flamande décide de l'application de la boucle administrative par le biais d'un interlocutoire tel que visé au paragraphe 3.
§ 3. Sans préjudice de l'application de l'article 16, alinéa six, la juridiction administrative flamande organise une séance sur l'application de la boucle administrative.
La juridiction administrative flamande décide par le biais d'un interlocutoire de l'application de la boucle administrative et fixe le délai dans lequel la décision de réparation est prise. A la demande motivée de la partie défenderesse, ce délai peut être prolongé une seule fois. Le prolongement du délai ne peut pas dépasser la durée du délai de réparation initial.
L'interlocutoire, visé à l'alinéa deux, règle, le cas échéant, tous les autres moyens.
§ 4. La partie défenderesse transmet la décision de réparation à la juridiction administrative flamande dans le délai de réparation, visé au paragraphe 3.
L'objet du recours est étendu par la décision de réparation.
La réparation peut uniquement porter sur une illégalité qui a été indiquée dans l'interlocutoire.
Lorsque la décision de réparation n'a pas été communiquée à temps, la juridiction administrative flamande annule la décision contestée.
§ 5. La juridiction administrative flamande transmet la décision de réparation aux autres parties.
Ces parties peuvent communiquer leur point de vue concernant la réparation dans les délais d'échéance fixés par le Gouvernement flamand et qui ne peuvent pas être inférieurs à trente jours.
Sans préjudice de l'application de l'article 16, alinéa six, la juridiction administrative flamande organise une séance sur la réparation.
§ 6. Lorsque la juridiction administrative flamande constate que l'illégalité n'a pas été réparée ou que la réparation a été atteinte d'une nouvelle illégalité invoquée, la juridiction administrative flamande annule la décision contestée en entier ou en partie et elle annule la décision de réparation, à moins que la juridiction administration flamande ne décide de nouveau d'appliquer la boucle administrative conformément aux dispositions du présent article.
Lorsque la juridiction administrative flamande constate que l'illégalité a été réparée et que la réparation n'a pas été atteinte d'une nouvelle illégalité invoquée, la juridiction administrative flamande rejette le recours contre la décision de réparation. En outre, la juridiction administrative flamande annule la décision contestée en entier ou en partie et la juridiction administrative flamande se prononce sur l'application éventuelle de l'article 36.
§ 7. Les délais de procédure qui ne sont pas visés au présent article sont suspendus à partir de la date de l'interlocutoire qui décide de l'application de la boucle administrative jusqu'à la date du jugement de la juridiction administrative flamande, visé au paragraphe 4, alinéa trois, ou au paragraphe 6.
§ 8. Après la notification du jugement, visé au paragraphe 6, alinéa deux, par la juridiction administrative flamande, visée à l'[3 article 2, 1°, a) et b)]3, la décision de réparation est publiée conformément aux dispositions [2 des décrets]2, visés à l'[3 article 2, 1°, a) et b)]3.
§ 9. Les personnes intéressées dans ce contexte conformément aux dispositions [2 des décrets]2, visés à l'[3 article 2, 1°, a) et b)]3, peuvent introduire un recours contre la décision de réparation auprès de la juridiction administrative flamande dans les délais, visés au décret précité.]1
Dans le présent article, on entend par une illégalité : une incompatibilité avec une règle de droit écrite ou un principe de droit général qui peut aboutir à l'annulation de la décision contestée, mais qui pourrait être réparée.
§ 2. L'utilisation de la boucle administrative est uniquement possible après que toutes les parties ont eu la possibilité de faire connaître leur point de vue sur son utilisation.
Lorsque toutes les parties ont pu faire connaître un point de vue écrit sur l'utilisation de la boucle administrative, la juridiction administrative flamande décide de l'application de la boucle administrative par le biais d'un interlocutoire tel que visé au paragraphe 3.
Lorsque toutes les parties n'ont pas pu faire connaître leur point de vue sur l'utilisation de la boucle administrative, la juridiction administrative flamande offre la possibilité, par le biais d'un interlocutoire, d'adopter un point de vue écrit à ce sujet. Les parties disposent à cet effet d'un délai d'échéance de trente jours, qui prend cours le jour suivant le jour de la notification de ce jugement. Ensuite, la juridiction administrative flamande décide de l'application de la boucle administrative par le biais d'un interlocutoire tel que visé au paragraphe 3.
§ 3. Sans préjudice de l'application de l'article 16, alinéa six, la juridiction administrative flamande organise une séance sur l'application de la boucle administrative.
La juridiction administrative flamande décide par le biais d'un interlocutoire de l'application de la boucle administrative et fixe le délai dans lequel la décision de réparation est prise. A la demande motivée de la partie défenderesse, ce délai peut être prolongé une seule fois. Le prolongement du délai ne peut pas dépasser la durée du délai de réparation initial.
L'interlocutoire, visé à l'alinéa deux, règle, le cas échéant, tous les autres moyens.
§ 4. La partie défenderesse transmet la décision de réparation à la juridiction administrative flamande dans le délai de réparation, visé au paragraphe 3.
L'objet du recours est étendu par la décision de réparation.
La réparation peut uniquement porter sur une illégalité qui a été indiquée dans l'interlocutoire.
Lorsque la décision de réparation n'a pas été communiquée à temps, la juridiction administrative flamande annule la décision contestée.
§ 5. La juridiction administrative flamande transmet la décision de réparation aux autres parties.
Ces parties peuvent communiquer leur point de vue concernant la réparation dans les délais d'échéance fixés par le Gouvernement flamand et qui ne peuvent pas être inférieurs à trente jours.
Sans préjudice de l'application de l'article 16, alinéa six, la juridiction administrative flamande organise une séance sur la réparation.
§ 6. Lorsque la juridiction administrative flamande constate que l'illégalité n'a pas été réparée ou que la réparation a été atteinte d'une nouvelle illégalité invoquée, la juridiction administrative flamande annule la décision contestée en entier ou en partie et elle annule la décision de réparation, à moins que la juridiction administration flamande ne décide de nouveau d'appliquer la boucle administrative conformément aux dispositions du présent article.
Lorsque la juridiction administrative flamande constate que l'illégalité a été réparée et que la réparation n'a pas été atteinte d'une nouvelle illégalité invoquée, la juridiction administrative flamande rejette le recours contre la décision de réparation. En outre, la juridiction administrative flamande annule la décision contestée en entier ou en partie et la juridiction administrative flamande se prononce sur l'application éventuelle de l'article 36.
§ 7. Les délais de procédure qui ne sont pas visés au présent article sont suspendus à partir de la date de l'interlocutoire qui décide de l'application de la boucle administrative jusqu'à la date du jugement de la juridiction administrative flamande, visé au paragraphe 4, alinéa trois, ou au paragraphe 6.
§ 8. Après la notification du jugement, visé au paragraphe 6, alinéa deux, par la juridiction administrative flamande, visée à l'[3 article 2, 1°, a) et b)]3, la décision de réparation est publiée conformément aux dispositions [2 des décrets]2, visés à l'[3 article 2, 1°, a) et b)]3.
§ 9. Les personnes intéressées dans ce contexte conformément aux dispositions [2 des décrets]2, visés à l'[3 article 2, 1°, a) et b)]3, peuvent introduire un recours contre la décision de réparation auprès de la juridiction administrative flamande dans les délais, visés au décret précité.]1
(NOTA : bij arrest nr 152/2015 van 29-10-2015 (B.St. 22-12-2015, p. 76911-76924), heeft het Grondwettelijk Hof artikel 34 vernietigd)
(NOTE : par son arrêt n° 152/2015 du 29-10-2015 (M.B. 22-12-2015, p. 76924-76937), la Cour Constitutionnelle a annulé l'article 34)
Art. 35. Als een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, a) en b), het beroep gegrond verklaart, vernietigt het de bestreden beslissing geheel of gedeeltelijk [1 , met behoud van de toepassing van artikel 34]1 .
[2 In zijn arrest beslecht een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, a) en b), alle aangevoerde middelen, waarvan het oordeelt dat de beoordeling nuttig kan zijn in geval van een nieuwe beslissing of een andere handeling van het bestuur.
[3 Zonder afbreuk te doen aan de mogelijkheid om de schending aan te voeren van regels die de openbare orde aanbelangen, kan de schending van een norm of algemeen rechtsbeginsel in elk van de volgende gevallen geen aanleiding geven tot een vernietiging:
1° als de partij die de schending aanvoert, niet wordt benadeeld door de ingeroepen onwettigheid. De omstandigheid dat de aangevoerde schending een onwettigheid uitmaakt die mogelijk aanleiding kan geven tot vernietiging, maakt op zich niet dat de partij benadeeld wordt door de ingeroepen onwettigheid;
2° als de ingeroepen onwettigheid kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept;
3° als de partij kennelijk verzuimd heeft de ingeroepen onwettigheid aan te voeren op het nuttige ogenblik waarop het kon worden aangevoerd tijdens de bestuurlijke procedure]3.]2
(NOTA : bij arrest nr 59/2023 van 11 april 2023 (B.S. 25-05-2023, p. 49702-49721), heeft het Grondwettelijk Hof artikel 35,L3,2°,3° vernietigd)
[2 In zijn arrest beslecht een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, a) en b), alle aangevoerde middelen, waarvan het oordeelt dat de beoordeling nuttig kan zijn in geval van een nieuwe beslissing of een andere handeling van het bestuur.
[3 Zonder afbreuk te doen aan de mogelijkheid om de schending aan te voeren van regels die de openbare orde aanbelangen, kan de schending van een norm of algemeen rechtsbeginsel in elk van de volgende gevallen geen aanleiding geven tot een vernietiging:
1° als de partij die de schending aanvoert, niet wordt benadeeld door de ingeroepen onwettigheid. De omstandigheid dat de aangevoerde schending een onwettigheid uitmaakt die mogelijk aanleiding kan geven tot vernietiging, maakt op zich niet dat de partij benadeeld wordt door de ingeroepen onwettigheid;
2° als de ingeroepen onwettigheid kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept;
3° als de partij kennelijk verzuimd heeft de ingeroepen onwettigheid aan te voeren op het nuttige ogenblik waarop het kon worden aangevoerd tijdens de bestuurlijke procedure]3.]2
(NOTA : bij arrest nr 59/2023 van 11 april 2023 (B.S. 25-05-2023, p. 49702-49721), heeft het Grondwettelijk Hof artikel 35,L3,2°,3° vernietigd)
Art. 35. Si une juridiction administrative flamande telle que visée à l'article 2, 1°, a) et b), déclare le recours fondé, elle annule entièrement ou partiellement la décision contestée [1 , sans préjudice de l'application de l'article 34]1 .
[2 Dans son arrêt, une juridiction administrative flamande telle que visée à l'article 2, 1°, a) et b), statue sur tous les moyens apportés dont elle juge que l'évaluation peut être utile en cas d'une nouvelle décision ou d'un autre acte de l'administration.
[3 Sans qu'il soit porté préjudice à la possibilité d'invoquer la violation de règles d'ordre public, la violation d'une norme ou d'un principe de droit général ne peut donner lieu à une annulation dans l'un des cas suivants :
1° si la partie qui avance la violation n'est pas lésée par l'illégalité invoquée. Le fait que la violation apportée constitue une illégalité susceptible de donner lieu à une annulation, ne signifie pas en soi que la partie est lésée par l'illégalité invoquée ;
2° si l'illégalité invoquée n'est manifestement pas de nature à protéger les intérêts de celui qui l'invoque ;
3° si la partie a manifestement omis d'apporter l'illégalité invoquée au moment utile où l'illégalité pu être apportée pendant la procédure administrative]3.]2
(NOTE : n° 59/2023 du 11 avril 2023 (M.B. 25-05-2023, p. 49702-49721), la Cour Constitutionnelle a annulé l'article 35,L3,2°,3°)
[2 Dans son arrêt, une juridiction administrative flamande telle que visée à l'article 2, 1°, a) et b), statue sur tous les moyens apportés dont elle juge que l'évaluation peut être utile en cas d'une nouvelle décision ou d'un autre acte de l'administration.
[3 Sans qu'il soit porté préjudice à la possibilité d'invoquer la violation de règles d'ordre public, la violation d'une norme ou d'un principe de droit général ne peut donner lieu à une annulation dans l'un des cas suivants :
1° si la partie qui avance la violation n'est pas lésée par l'illégalité invoquée. Le fait que la violation apportée constitue une illégalité susceptible de donner lieu à une annulation, ne signifie pas en soi que la partie est lésée par l'illégalité invoquée ;
2° si l'illégalité invoquée n'est manifestement pas de nature à protéger les intérêts de celui qui l'invoque ;
3° si la partie a manifestement omis d'apporter l'illégalité invoquée au moment utile où l'illégalité pu être apportée pendant la procédure administrative]3.]2
(NOTE : n° 59/2023 du 11 avril 2023 (M.B. 25-05-2023, p. 49702-49721), la Cour Constitutionnelle a annulé l'article 35,L3,2°,3°)
Art. 36. Een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, a) en b), kan op verzoek van een partij of op eigen initiatief oordelen dat de rechtsgevolgen van de geheel of gedeeltelijk vernietigde beslissing geheel of gedeeltelijk in stand blijven of voorlopig in stand blijven voor een termijn die het bepaalt.
De in het eerste lid voorziene maatregel kan enkel bevolen worden om uitzonderlijke redenen die een aantasting van het legaliteitsbeginsel rechtvaardigen, bij een met bijzondere redenen omklede beslissing en na een tegensprekelijk debat. Deze beslissing kan rekening houden met de belangen van derden.
De Vlaamse Regering bepaalt de procedureregels betreffende de toepassing van dit artikel.
De in het eerste lid voorziene maatregel kan enkel bevolen worden om uitzonderlijke redenen die een aantasting van het legaliteitsbeginsel rechtvaardigen, bij een met bijzondere redenen omklede beslissing en na een tegensprekelijk debat. Deze beslissing kan rekening houden met de belangen van derden.
De Vlaamse Regering bepaalt de procedureregels betreffende de toepassing van dit artikel.
Art. 36. Une juridiction administrative flamande telle que visée à l'article 2, 1°, a) et b), peut juger, sur la demande d'une partie ou d'initiative, que les effets juridiques de la décision entièrement ou partiellement annulée sont maintenus en tout ou en partie ou sont maintenus provisoirement pour un délai qu'elle détermine.
La mesure prévue à l'alinéa premier ne peut être ordonnée que pour des raisons exceptionnelles justifiant une violation du principe de légalité, sur décision spécialement motivée et après un débat contradictoire. Cette décision peut tenir compte des intérêts des tiers.
Le Gouvernement flamand arrête les règles procédurales relatives à l'application du présent article.
La mesure prévue à l'alinéa premier ne peut être ordonnée que pour des raisons exceptionnelles justifiant une violation du principe de légalité, sur décision spécialement motivée et après un débat contradictoire. Cette décision peut tenir compte des intérêts des tiers.
Le Gouvernement flamand arrête les règles procédurales relatives à l'application du présent article.
Art. 37. [1 § 1. [2 Als de verwerende partij na een gehele of gedeeltelijke vernietiging gehouden is een nieuwe beslissing te nemen of een andere handeling te stellen, beveelt een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, a) en b), de verwerende partij om met inachtneming van de overwegingen die in zijn uitspraak zijn opgenomen, een nieuwe beslissing te nemen of een andere handeling te stellen. Het kan daarbij de volgende voorwaarden opleggen:
1° welbepaalde rechtsregels of rechtsbeginselen worden bij de totstandkoming van de nieuwe beslissing betrokken;
2° welbepaalde procedurele handelingen worden vóór de nieuwe beslissing gesteld;
3° welbepaalde onregelmatige motieven of kennelijk onredelijke motieven worden niet bij de totstandkoming van de nieuwe beslissing betrokken.
Een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, a) en b), verbindt aan het bevel, opgelegd in het eerste lid, een ordetermijn voor de uitvoering ervan.]2
De ordetermijn, vermeld in het tweede lid, wordt geschorst zolang een cassatieberoep, gericht tegen het arrest van het Vlaams bestuursrechtscollege dat dit bevel bevat, aanhangig is bij de Raad van State.
§ 2. Het Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, b), kan, als de nieuw te nemen beslissing, bevolen conform paragraaf 1, eerste lid, het gevolg is van een gebonden bevoegdheid van de verwerende partij, het arrest in de plaats stellen van die beslissing.]1
[3 Onder het geval, vermeld in het eerste lid, worden ook de gevallen van feitelijke of naderhand gebonden bevoegdheid verstaan die volgen uit de toepassing van de regelgeving in het licht van de concrete gegevens en omstandigheden van het dossier.]3
1° welbepaalde rechtsregels of rechtsbeginselen worden bij de totstandkoming van de nieuwe beslissing betrokken;
2° welbepaalde procedurele handelingen worden vóór de nieuwe beslissing gesteld;
3° welbepaalde onregelmatige motieven of kennelijk onredelijke motieven worden niet bij de totstandkoming van de nieuwe beslissing betrokken.
Een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, a) en b), verbindt aan het bevel, opgelegd in het eerste lid, een ordetermijn voor de uitvoering ervan.]2
De ordetermijn, vermeld in het tweede lid, wordt geschorst zolang een cassatieberoep, gericht tegen het arrest van het Vlaams bestuursrechtscollege dat dit bevel bevat, aanhangig is bij de Raad van State.
§ 2. Het Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, b), kan, als de nieuw te nemen beslissing, bevolen conform paragraaf 1, eerste lid, het gevolg is van een gebonden bevoegdheid van de verwerende partij, het arrest in de plaats stellen van die beslissing.]1
[3 Onder het geval, vermeld in het eerste lid, worden ook de gevallen van feitelijke of naderhand gebonden bevoegdheid verstaan die volgen uit de toepassing van de regelgeving in het licht van de concrete gegevens en omstandigheden van het dossier.]3
Art. 37. [1 § 1er. [2 Si la partie défenderesse est tenue de prendre une nouvelle décision ou de poser un autre acte après une annulation entière ou partielle, une juridiction administrative flamande telle que visée à l'article 2, 1°, a) et b), ordonne la partie défenderesse de prendre une nouvelle décision ou de poser un autre acte, en respectant les considérations reprises dans son jugement. Elle peut imposer les conditions suivantes à cet effet :
1° des règles de droit ou des principes de droit déterminés sont invoqués lors de la formation de la nouvelle décision ;
2° des actes procéduraux déterminés sont effectués préalablement à la nouvelle décision ;
3° des motifs irréguliers ou manifestement déraisonnables déterminés ne sont pas invoqués lors de la formation de la nouvelle décision.
Une juridiction administrative flamande telle que visée à l'article 2, 1°, a) et b), lie un délai d'ordre à l'exécution de l'ordre, imposé conformément à l'alinéa 1er.]2
Le délai d'ordre, visé à l'alinéa 2, est suspendu tant qu'un recours de cassation, contre l'arrêt de la juridiction administrative flamande contenant cet ordre, est en cours auprès du Conseil d'Etat.
§ 2. La juridiction administrative flamande telle que visée à l'article 2, 1°, b), peut substituer l'arrêt à la décision, si la nouvelle décision à prendre, ordonnée conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, résulte d'une compétence liée de la partie défenderesse.]1
[3 Le cas visé à l'alinéa 1er comprend également les cas de compétence de fait ou ultérieurement liée, découlant de l'application de la réglementation à la lumière des données et des circonstances concrètes du dossier. ]3
1° des règles de droit ou des principes de droit déterminés sont invoqués lors de la formation de la nouvelle décision ;
2° des actes procéduraux déterminés sont effectués préalablement à la nouvelle décision ;
3° des motifs irréguliers ou manifestement déraisonnables déterminés ne sont pas invoqués lors de la formation de la nouvelle décision.
Une juridiction administrative flamande telle que visée à l'article 2, 1°, a) et b), lie un délai d'ordre à l'exécution de l'ordre, imposé conformément à l'alinéa 1er.]2
Le délai d'ordre, visé à l'alinéa 2, est suspendu tant qu'un recours de cassation, contre l'arrêt de la juridiction administrative flamande contenant cet ordre, est en cours auprès du Conseil d'Etat.
§ 2. La juridiction administrative flamande telle que visée à l'article 2, 1°, b), peut substituer l'arrêt à la décision, si la nouvelle décision à prendre, ordonnée conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, résulte d'une compétence liée de la partie défenderesse.]1
[3 Le cas visé à l'alinéa 1er comprend également les cas de compétence de fait ou ultérieurement liée, découlant de l'application de la réglementation à la lumière des données et des circonstances concrètes du dossier. ]3
Art. 38. § 1. [1 Een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, a) en b), kan in het vernietigingsarrest, op verzoek van een partij, een dwangsom opleggen aan de verwerende partij, zolang die niet voldoet aan een bevel, gegeven met toepassing van artikel 37, ten voordele van de partij die om de oplegging van een dwangsom heeft verzocht.
De dwangsom kan niet worden verbeurd voor het arrest waarbij ze is vastgesteld, wordt betekend]1.
§ 2. Een Vlaams bestuursrechtscollege kan de dwangsom hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid of per overtreding vaststellen. In de laatste twee gevallen kan een Vlaams bestuursrechtscollege eveneens een bedrag bepalen waarboven geen dwangsom meer verbeurd wordt.
§ 3. De kamer die de dwangsom heeft opgelegd kan op vordering van de [1 partij, aan wie een dwangsom is opgelegd,]1 de dwangsom opheffen, de looptijd ervan opschorten gedurende een door haar te bepalen termijn of de dwangsom verminderen in geval van blijvende of tijdelijke of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de [1 partij, aan wie een dwangsom is opgelegd,]1 om aan het bevel gegeven met toepassing van artikel 37 te voldoen. Voor zover de dwangsom verbeurd was voordat de onmogelijkheid intrad, kan de kamer haar niet opheffen of verminderen.
De partij op wiens verzoek reeds een dwangsom werd opgelegd kan vragen om een bijkomende dwangsom op te leggen of om de opgelegde dwangsom te verhogen als de [1 partij, aan wie een dwangsom is opgelegd,]1 manifest in gebreke blijft uitvoering te geven aan het bevel, gegeven met toepassing van artikel 37.
§ 4. De bepalingen van het vijfde deel van het Gerechtelijk Wetboek die op het beslag en de tenuitvoerlegging betrekking hebben, zijn van overeenkomstige toepassing op de tenuitvoerlegging van het arrest waarbij een dwangsom is opgelegd.
De dwangsom kan niet worden verbeurd voor het arrest waarbij ze is vastgesteld, wordt betekend]1.
§ 2. Een Vlaams bestuursrechtscollege kan de dwangsom hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid of per overtreding vaststellen. In de laatste twee gevallen kan een Vlaams bestuursrechtscollege eveneens een bedrag bepalen waarboven geen dwangsom meer verbeurd wordt.
§ 3. De kamer die de dwangsom heeft opgelegd kan op vordering van de [1 partij, aan wie een dwangsom is opgelegd,]1 de dwangsom opheffen, de looptijd ervan opschorten gedurende een door haar te bepalen termijn of de dwangsom verminderen in geval van blijvende of tijdelijke of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de [1 partij, aan wie een dwangsom is opgelegd,]1 om aan het bevel gegeven met toepassing van artikel 37 te voldoen. Voor zover de dwangsom verbeurd was voordat de onmogelijkheid intrad, kan de kamer haar niet opheffen of verminderen.
De partij op wiens verzoek reeds een dwangsom werd opgelegd kan vragen om een bijkomende dwangsom op te leggen of om de opgelegde dwangsom te verhogen als de [1 partij, aan wie een dwangsom is opgelegd,]1 manifest in gebreke blijft uitvoering te geven aan het bevel, gegeven met toepassing van artikel 37.
§ 4. De bepalingen van het vijfde deel van het Gerechtelijk Wetboek die op het beslag en de tenuitvoerlegging betrekking hebben, zijn van overeenkomstige toepassing op de tenuitvoerlegging van het arrest waarbij een dwangsom is opgelegd.
Art. 38. § 1er.[1 Une juridiction administrative flamande telle que visée à l'article 2, 1°, a) en b), peut, sur la demande d'une partie, imposer dans l'arrêt d'annulation une astreinte à la partie défenderesse, tant qu'elle ne répond pas à un ordre, donné en application de l'article 37, en faveur de la partie qui a demandé l'imposition d'une astreinte.
L'astreinte ne peut pas être encourue avant que l'arrêt portant son établissement, ne soit notifié.]1
§ 2. Une juridiction administrative flamande peut établir l'astreinte soit à un montant unique, soit à un montant par unité de temps ou par infraction. Dans les deux derniers cas, une juridiction administrative flamande peut également déterminer un montant au-dessus duquel aucune astreinte n'est plus due.
§ 3. La chambre qui a ordonné l'astreinte peut en prononcer la suppression, en suspendre le cours durant le délai qu'elle indique ou la réduire, à la demande de la [1 partie à laquelle une astreinte est imposée,]1, si celle-ci est dans l'impossibilité définitive ou temporaire, totale ou partielle de satisfaire à l'ordre en application de l'article 37. Dans la mesure où l'astreinte était acquise avant que l'impossibilité se fût produite, la chambre ne peut la supprimer ni la réduire.
La partie à la requête de laquelle une astreinte a déjà été imposée, peut demander d'imposer une astreinte supplémentaire ou d'augmenter l'astreinte imposée au cas où la [1 partie à laquelle une astreinte est imposée,]1 reste manifestement en défaut d'exécuter l'ordre, donné en application de l'article 37.
§ 4. Les dispositions de la cinquième partie du Code judiciaire concernant la saisie et l'exécution, s'appliquent par analogie à l'exécution de l'arrêt portant imposition d'une astreinte.
L'astreinte ne peut pas être encourue avant que l'arrêt portant son établissement, ne soit notifié.]1
§ 2. Une juridiction administrative flamande peut établir l'astreinte soit à un montant unique, soit à un montant par unité de temps ou par infraction. Dans les deux derniers cas, une juridiction administrative flamande peut également déterminer un montant au-dessus duquel aucune astreinte n'est plus due.
§ 3. La chambre qui a ordonné l'astreinte peut en prononcer la suppression, en suspendre le cours durant le délai qu'elle indique ou la réduire, à la demande de la [1 partie à laquelle une astreinte est imposée,]1, si celle-ci est dans l'impossibilité définitive ou temporaire, totale ou partielle de satisfaire à l'ordre en application de l'article 37. Dans la mesure où l'astreinte était acquise avant que l'impossibilité se fût produite, la chambre ne peut la supprimer ni la réduire.
La partie à la requête de laquelle une astreinte a déjà été imposée, peut demander d'imposer une astreinte supplémentaire ou d'augmenter l'astreinte imposée au cas où la [1 partie à laquelle une astreinte est imposée,]1 reste manifestement en défaut d'exécuter l'ordre, donné en application de l'article 37.
§ 4. Les dispositions de la cinquième partie du Code judiciaire concernant la saisie et l'exécution, s'appliquent par analogie à l'exécution de l'arrêt portant imposition d'une astreinte.
Art. 39. § 1. De arresten van een Vlaamse bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, a) en b), zijn vatbaar voor verbetering of herziening.
§ 2. Als een arrest een materiële vergissing bevat, kan een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, a) en b), uit eigen beweging of op verzoek van een van de betrokken partijen een verbeterend arrest uitspreken.
Een vergissing met betrekking tot het recht of met betrekking tot de feiten is nooit een materiële vergissing.
§ 3. Een beroep tot herziening kan worden ingesteld als sinds de uitspraak van het eindarrest over de vordering tot vernietiging doorslaggevende stukken zijn teruggevonden die door toedoen van de tegenpartij waren achtergehouden of als het arrest is uitgesproken op als vals erkende of vals verklaarde stukken.
Alleen degenen die bij het bestreden arrest partij waren, kunnen bij verzoekschrift een beroep tot herziening instellen.
Een beroep tot herziening schorst de uitvoering niet, tenzij de kamervoorzitter er bij beschikking anders over oordeelt.
De partijen worden uitgenodigd om te verschijnen op een zitting waarop het beroep tot herziening wordt behandeld.
Tegen een eindarrest waarbij uitspraak wordt gedaan over de vordering tot vernietiging, kan dezelfde partij slechts eenmaal een beroep tot herziening instellen.
Tegen een arrest waarbij uitspraak wordt gedaan over een beroep tot herziening, kan geen beroep tot herziening worden ingesteld.
§ 4. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de toepassing van de procedureregeling voor de verbetering of herziening van arresten, met inbegrip van het bepalen van termijnen en de organisatie van de zittingen, vermeld in dit artikel.
§ 2. Als een arrest een materiële vergissing bevat, kan een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, a) en b), uit eigen beweging of op verzoek van een van de betrokken partijen een verbeterend arrest uitspreken.
Een vergissing met betrekking tot het recht of met betrekking tot de feiten is nooit een materiële vergissing.
§ 3. Een beroep tot herziening kan worden ingesteld als sinds de uitspraak van het eindarrest over de vordering tot vernietiging doorslaggevende stukken zijn teruggevonden die door toedoen van de tegenpartij waren achtergehouden of als het arrest is uitgesproken op als vals erkende of vals verklaarde stukken.
Alleen degenen die bij het bestreden arrest partij waren, kunnen bij verzoekschrift een beroep tot herziening instellen.
Een beroep tot herziening schorst de uitvoering niet, tenzij de kamervoorzitter er bij beschikking anders over oordeelt.
De partijen worden uitgenodigd om te verschijnen op een zitting waarop het beroep tot herziening wordt behandeld.
Tegen een eindarrest waarbij uitspraak wordt gedaan over de vordering tot vernietiging, kan dezelfde partij slechts eenmaal een beroep tot herziening instellen.
Tegen een arrest waarbij uitspraak wordt gedaan over een beroep tot herziening, kan geen beroep tot herziening worden ingesteld.
§ 4. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de toepassing van de procedureregeling voor de verbetering of herziening van arresten, met inbegrip van het bepalen van termijnen en de organisatie van de zittingen, vermeld in dit artikel.
Art. 39. § 1er. Les arrêts d'une juridiction administrative flamande telle que visée à l'article 2, 1°, a) et b), sont susceptibles d'amélioration ou de révision.
§ 2. Lorsqu'un arrêt comporte une erreur matérielle, une juridiction administrative flamande telle que visée à l'article 2, 1°, a) et b), peut prononcer un arrêt rectificatif à sa propre initiative ou à la demande d'une des parties concernées.
Une erreur concernant le droit ou concernant les faits ne constitue jamais une erreur matérielle.
§ 3. Un recours de révision peut être introduit lorsque, depuis le prononcé de l'arrêt final concernant la demande d'annulation, des pièces décisives ont été retrouvées qui avaient été retenues par le biais de la partie adverse ou lorsque l'arrêt a été prononcé sur la base de pièces reconnues fausses ou déclarées fausses.
Seulement ceux qui étaient concernés comme partie lors de l'arrêt contesté, peuvent introduire un recours de révision par voie de requête.
Un recours de révision ne suspend pas l'exécution, à moins que le président de la chambre en décide autrement par disposition.
Les parties sont invitées à comparaître lors d'une séance où le recours de révision est traité.
La même partie ne peut introduire qu'une seule fois un recours de révision contre un arrêt final se prononçant sur la demande d'annulation.
Aucun recours de révision ne peut être introduit contre un arrêt se prononçant sur un recours de révision.
§ 4. Le Gouvernement flamand peut fixer des modalités pour l'application du régime de la procédure pour l'amélioration ou la révision d'arrêts, y compris la détermination des délais et l'organisation des séances visées au présent article.
§ 2. Lorsqu'un arrêt comporte une erreur matérielle, une juridiction administrative flamande telle que visée à l'article 2, 1°, a) et b), peut prononcer un arrêt rectificatif à sa propre initiative ou à la demande d'une des parties concernées.
Une erreur concernant le droit ou concernant les faits ne constitue jamais une erreur matérielle.
§ 3. Un recours de révision peut être introduit lorsque, depuis le prononcé de l'arrêt final concernant la demande d'annulation, des pièces décisives ont été retrouvées qui avaient été retenues par le biais de la partie adverse ou lorsque l'arrêt a été prononcé sur la base de pièces reconnues fausses ou déclarées fausses.
Seulement ceux qui étaient concernés comme partie lors de l'arrêt contesté, peuvent introduire un recours de révision par voie de requête.
Un recours de révision ne suspend pas l'exécution, à moins que le président de la chambre en décide autrement par disposition.
Les parties sont invitées à comparaître lors d'une séance où le recours de révision est traité.
La même partie ne peut introduire qu'une seule fois un recours de révision contre un arrêt final se prononçant sur la demande d'annulation.
Aucun recours de révision ne peut être introduit contre un arrêt se prononçant sur un recours de révision.
§ 4. Le Gouvernement flamand peut fixer des modalités pour l'application du régime de la procédure pour l'amélioration ou la révision d'arrêts, y compris la détermination des délais et l'organisation des séances visées au présent article.
Art. 39/1. [1 Een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, a) en b), kan ambtshalve een geldboete opleggen wegens kennelijk onrechtmatig beroep.
De geldboete, vermeld in het eerste lid, bedraagt minimaal 125 euro en maximaal 2500 euro. De Vlaamse Regering kan de voormelde bedragen wijzigen ingevolge de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen.
De opbrengst van de geldboete, vermeld in het eerste lid, wordt gestort op de rekening van het fonds voor de dienst van de Bestuursrechtscolleges.
De Vlaamse Regering stelt de regels vast om de geldboete, vermeld in het eerste lid, op te leggen en te innen.]1
De geldboete, vermeld in het eerste lid, bedraagt minimaal 125 euro en maximaal 2500 euro. De Vlaamse Regering kan de voormelde bedragen wijzigen ingevolge de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen.
De opbrengst van de geldboete, vermeld in het eerste lid, wordt gestort op de rekening van het fonds voor de dienst van de Bestuursrechtscolleges.
De Vlaamse Regering stelt de regels vast om de geldboete, vermeld in het eerste lid, op te leggen en te innen.]1
Art. 39/1. [1 Une juridiction administrative flamande, telle que visée à l'article 2, 1°, a) et b), peut imposer d'office une amende pour recours manifestement abusif.
L'amende, visée à l'alinéa 1er, s'élève au minimum à 125 euros et au maximum à 2 500 euros. Le Gouvernement flamand peut modifier les montants précités par suite de l'évolution de l'indice des prix à la consommation.
Les recettes de l'amende, visée à l'alinéa 1er, sont versées sur le compte du fonds pour le service des Juridictions administratives.
Le Gouvernement flamand fixe les règles d'imposition et de perception de l'amende, visée à l'alinéa 1er.]1
L'amende, visée à l'alinéa 1er, s'élève au minimum à 125 euros et au maximum à 2 500 euros. Le Gouvernement flamand peut modifier les montants précités par suite de l'évolution de l'indice des prix à la consommation.
Les recettes de l'amende, visée à l'alinéa 1er, sont versées sur le compte du fonds pour le service des Juridictions administratives.
Le Gouvernement flamand fixe les règles d'imposition et de perception de l'amende, visée à l'alinéa 1er.]1
Afdeling 3. - Bepalingen die van toepassing zijn op de Raad voor Vergunningsbetwistingen
Section 3. - Dispositions applicables au Conseil pour les Contestations des Autorisations
Art. 40. [1 Ї 1. Met behoud van de toepassing van artikel 14, kan een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1А, a) en b), op elk ogenblik de schorsing bevelen van de bestreden beslissing op voorwaarde dat wordt aangetoond dat:
1А de zaak hoogdringend is zodat de behandeling ervan onverenigbaar is met de behandelingstermijn van een vordering tot vernietiging;
2А en minstens щщn ernstig middel wordt aangevoerd dat de vernietiging van de bestreden beslissing op het eerste gezicht verantwoordt.
Ї 2. Met behoud van de toepassing van paragraaf 1, kan een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1А, a) en b), op elk ogenblik de schorsing bevelen wegens uiterst dringende noodzakelijkheid op voorwaarde dat wordt aangetoond dat:
1А de zaak uiterst dringend noodzakelijk is zodat de behandeling ervan onverenigbaar is met de behandelingstermijn van een vordering tot schorsing als vermeld in paragraaf 1;
2А en minstens щщn ernstig middel wordt aangevoerd dat de vernietiging van de bestreden beslissing op het eerste gezicht verantwoordt.
In voorkomend geval kan deze schorsing, op verzoek, bij wijze van voorlopige maatregel worden bevolen zonder dat de partijen of sommige van hen zijn gehoord. In dat geval worden in het arrest dat de voorlopige schorsing beveelt, de partijen binnen drie dagen opgeroepen om te verschijnen voor de kamer die uitspraak doet over de bevestiging van de schorsing.
Ї 3. Het verzoekschrift, ingediend conform dit artikel, omschrijft de redenen op grond waarvan de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verzocht.
Ї 4. Met behoud van de toepassing van de procedure, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, wordt het schorsingsarrest, uitgesproken conform dit artikel, gewezen nadat de partijen zijn gehoord of behoorlijk opgeroepen.
Als de verzoekende partij noch verschijnt, noch vertegenwoordigd is op de zitting, wordt de vordering tot schorsing verworpen.
Ї 5. Bij een vordering tot schorsing ingediend conform dit artikel, houdt een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1А, a) en b), op verzoek van de verwerende of de tussenkomende partij rekening met de waarschijnlijke gevolgen van de schorsing van de tenuitvoerlegging voor alle belangen die kunnen worden geschonden en met het algemeen belang. Het Vlaams bestuursrechtscollege kan besluiten de schorsing niet te bevelen als de nadelige gevolgen ervan op een klaarblijkelijk onevenredige wijze zwaarder wegen dan de voordelen.
Ї 6. Als een vordering tot schorsing, ingediend conform dit artikel, wordt verworpen wegens het gebrek aan hoogdringendheid of uiterst dringende noodzakelijkheid kan een nieuwe vordering alleen worden ingediend als die steunt op nieuwe elementen die de hoogdringendheid of uiterst dringende noodzakelijkheid ervan rechtvaardigen. Een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1А, a) en b), kan bovendien een termijn bepalen waarin geen enkele nieuwe vordering tot schorsing kan worden ingediend als het enige nieuw ingeroepen element bestaat uit het verloop van tijd.
Ї 7. Als een vordering tot schorsing, ingediend conform dit artikel, en een vordering tot vernietiging aanhangig worden gemaakt bij een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1А, a) en b), en als de verzoeker, in de loop van de schorsingsprocedure, afstand doet van het door hem ingediende beroep of als de bestreden beslissing wordt ingetrokken, zodat er geen uitspraak meer hoeft te worden gedaan, kan het Vlaams bestuursrechtscollege in een en hetzelfde arrest uitspraak doen over de vordering tot schorsing en over de vordering tot vernietiging.
Ї 8. De schorsing bevolen met toepassing van dit artikel wordt onmiddellijk opgeheven, met toepassing van de procedure, vermeld in paragraaf 13, als blijkt dat binnen de beroepstermijn bepaald in de decreten, vermeld in artikel 2, 1А, a) en b), geen verzoekschrift tot vernietiging is ingediend.
Ї 9. Een verzoekschrift tot schorsing dat met toepassing van de procedure, vermeld in dit artikel, wordt ingesteld buiten de beroepstermijn bepaald in de decreten, vermeld in artikel 2, 1А, a) en b), kan geen middelen bevatten die niet zijn geformuleerd in het verzoekschrift tot vernietiging.
Ї 10. Een vordering tot schorsing, ingediend conform dit artikel, stuit de vervaltermijnen voor de indiening van de nota's in het kader van de vordering tot vernietiging vanaf de datum van de ontvangst van het verzoekschrift door een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1А, a) en b), tot de dag na de betekening van het ingediende verzoek tot voortzetting van de rechtspleging. De griffier brengt de partijen daarvan onmiddellijk op de hoogte.
Ї 11. De Vlaamse Regering bepaalt de vervaltermijnen waarbinnen de partijen het administratieve dossier en hun nota's indienen. Die vervaltermijnen mogen niet korter zijn dan vijftien dagen bij vorderingen die ingesteld zijn conform de procedure, vermeld in paragraaf 1.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de behandeling van de vordering tot schorsing ingediend conform dit artikel.
Ї 12. Het arrest dat de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing beveelt, conform dit artikel, kan op verzoek van een partij een dwangsom opleggen aan een andere partij ten voordele van de partij die om de oplegging van de dwangsom heeft verzocht. In dat geval is artikel 38, Ї 2 tot en met Ї 4, van overeenkomstige toepassing.
Ї 13. Een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1А, a) en b), kan de arresten waarbij de schorsing is bevolen, conform dit artikel, op verzoek van de partijen of op eigen initiatief opheffen.
De opheffing is alleen mogelijk als nieuwe feiten, hetzij in rechte, hetzij in feite, zich voordoen of als de omstandigheden zodanig veranderd zijn dat de schorsing niet langer gerechtvaardigd is.
De partijen worden uitgenodigd om te verschijnen op een zitting waarop de vordering tot opheffing wordt behandeld.
De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de toepassing van de procedureregeling voor de opheffing van arresten, met inbegrip van het bepalen van termijnen en de organisatie van de zittingen, vermeld in dit artikel.]1
1А de zaak hoogdringend is zodat de behandeling ervan onverenigbaar is met de behandelingstermijn van een vordering tot vernietiging;
2А en minstens щщn ernstig middel wordt aangevoerd dat de vernietiging van de bestreden beslissing op het eerste gezicht verantwoordt.
Ї 2. Met behoud van de toepassing van paragraaf 1, kan een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1А, a) en b), op elk ogenblik de schorsing bevelen wegens uiterst dringende noodzakelijkheid op voorwaarde dat wordt aangetoond dat:
1А de zaak uiterst dringend noodzakelijk is zodat de behandeling ervan onverenigbaar is met de behandelingstermijn van een vordering tot schorsing als vermeld in paragraaf 1;
2А en minstens щщn ernstig middel wordt aangevoerd dat de vernietiging van de bestreden beslissing op het eerste gezicht verantwoordt.
In voorkomend geval kan deze schorsing, op verzoek, bij wijze van voorlopige maatregel worden bevolen zonder dat de partijen of sommige van hen zijn gehoord. In dat geval worden in het arrest dat de voorlopige schorsing beveelt, de partijen binnen drie dagen opgeroepen om te verschijnen voor de kamer die uitspraak doet over de bevestiging van de schorsing.
Ї 3. Het verzoekschrift, ingediend conform dit artikel, omschrijft de redenen op grond waarvan de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verzocht.
Ї 4. Met behoud van de toepassing van de procedure, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, wordt het schorsingsarrest, uitgesproken conform dit artikel, gewezen nadat de partijen zijn gehoord of behoorlijk opgeroepen.
Als de verzoekende partij noch verschijnt, noch vertegenwoordigd is op de zitting, wordt de vordering tot schorsing verworpen.
Ї 5. Bij een vordering tot schorsing ingediend conform dit artikel, houdt een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1А, a) en b), op verzoek van de verwerende of de tussenkomende partij rekening met de waarschijnlijke gevolgen van de schorsing van de tenuitvoerlegging voor alle belangen die kunnen worden geschonden en met het algemeen belang. Het Vlaams bestuursrechtscollege kan besluiten de schorsing niet te bevelen als de nadelige gevolgen ervan op een klaarblijkelijk onevenredige wijze zwaarder wegen dan de voordelen.
Ї 6. Als een vordering tot schorsing, ingediend conform dit artikel, wordt verworpen wegens het gebrek aan hoogdringendheid of uiterst dringende noodzakelijkheid kan een nieuwe vordering alleen worden ingediend als die steunt op nieuwe elementen die de hoogdringendheid of uiterst dringende noodzakelijkheid ervan rechtvaardigen. Een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1А, a) en b), kan bovendien een termijn bepalen waarin geen enkele nieuwe vordering tot schorsing kan worden ingediend als het enige nieuw ingeroepen element bestaat uit het verloop van tijd.
Ї 7. Als een vordering tot schorsing, ingediend conform dit artikel, en een vordering tot vernietiging aanhangig worden gemaakt bij een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1А, a) en b), en als de verzoeker, in de loop van de schorsingsprocedure, afstand doet van het door hem ingediende beroep of als de bestreden beslissing wordt ingetrokken, zodat er geen uitspraak meer hoeft te worden gedaan, kan het Vlaams bestuursrechtscollege in een en hetzelfde arrest uitspraak doen over de vordering tot schorsing en over de vordering tot vernietiging.
Ї 8. De schorsing bevolen met toepassing van dit artikel wordt onmiddellijk opgeheven, met toepassing van de procedure, vermeld in paragraaf 13, als blijkt dat binnen de beroepstermijn bepaald in de decreten, vermeld in artikel 2, 1А, a) en b), geen verzoekschrift tot vernietiging is ingediend.
Ї 9. Een verzoekschrift tot schorsing dat met toepassing van de procedure, vermeld in dit artikel, wordt ingesteld buiten de beroepstermijn bepaald in de decreten, vermeld in artikel 2, 1А, a) en b), kan geen middelen bevatten die niet zijn geformuleerd in het verzoekschrift tot vernietiging.
Ї 10. Een vordering tot schorsing, ingediend conform dit artikel, stuit de vervaltermijnen voor de indiening van de nota's in het kader van de vordering tot vernietiging vanaf de datum van de ontvangst van het verzoekschrift door een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1А, a) en b), tot de dag na de betekening van het ingediende verzoek tot voortzetting van de rechtspleging. De griffier brengt de partijen daarvan onmiddellijk op de hoogte.
Ї 11. De Vlaamse Regering bepaalt de vervaltermijnen waarbinnen de partijen het administratieve dossier en hun nota's indienen. Die vervaltermijnen mogen niet korter zijn dan vijftien dagen bij vorderingen die ingesteld zijn conform de procedure, vermeld in paragraaf 1.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de behandeling van de vordering tot schorsing ingediend conform dit artikel.
Ї 12. Het arrest dat de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing beveelt, conform dit artikel, kan op verzoek van een partij een dwangsom opleggen aan een andere partij ten voordele van de partij die om de oplegging van de dwangsom heeft verzocht. In dat geval is artikel 38, Ї 2 tot en met Ї 4, van overeenkomstige toepassing.
Ї 13. Een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1А, a) en b), kan de arresten waarbij de schorsing is bevolen, conform dit artikel, op verzoek van de partijen of op eigen initiatief opheffen.
De opheffing is alleen mogelijk als nieuwe feiten, hetzij in rechte, hetzij in feite, zich voordoen of als de omstandigheden zodanig veranderd zijn dat de schorsing niet langer gerechtvaardigd is.
De partijen worden uitgenodigd om te verschijnen op een zitting waarop de vordering tot opheffing wordt behandeld.
De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de toepassing van de procedureregeling voor de opheffing van arresten, met inbegrip van het bepalen van termijnen en de organisatie van de zittingen, vermeld in dit artikel.]1
Art. 40. [1 § 1er. Sans préjudice de l'application de l'article 14, une juridiction administrative flamande telle que visée à l'article 2, 1°, a) et b) peut ordonner à tout moment la suspension de la décision contestée à condition qu'il soit démontré que :
1° l'affaire est urgente, de sorte que son traitement est incompatible avec le délai de traitement d'une demande d'annulation ;
2° et qu'au moins un moyen sérieux est apporté qui justifie à première vue l'annulation de la décision contestée.
§ 2. Sans préjudice de l'application du paragraphe 1er, une juridiction administrative flamande telle que visée à l'article 2, 1°, a) et b) peut ordonner à tout moment la suspension en raison de l'extrême urgence à condition qu'il soit démontré que :
1° l'affaire est extrêmement urgente, de sorte que son traitement est incompatible avec le délai de traitement d'une demande de suspension telle que visée au paragraphe 1er ;
2° et qu'au moins un moyen sérieux est apporté qui justifie à première vue l'annulation de la décision contestée.
Le cas échéant, cette suspension peut être ordonnée sur demande à titre de mesure provisoire sans que les parties ou certaines d'entre elles aient été entendues. Dans ce cas, l'arrêt qui ordonne la suspension provisoire convoque les parties dans les trois jours devant la chambre qui statue sur la confirmation de la suspension.
§ 3. La requête, introduite conformément au présent article, décrit les motifs sur la base desquels la suspension de l'exécution de la décision contestée est demandée.
§ 4. Sans préjudice de l'application de la procédure, visée au paragraphe 2, alinéa 2, l'arrêt de suspension, prononcé conformément au présent article, est rendu après que les parties ont été entendues ou dûment convoquées.
Lorsque la partie requérante ne se présente pas ou n'est pas représentée lors de la séance, la demande de suspension est rejetée.
§ 5. En cas d'une demande de suspension introduite conformément au présent article, à la demande de la partie défenderesse ou intervenante, une juridiction administrative flamande telle que visée à l'article 2, 1°, a) et b) tient compte des conséquences probables de la suspension de l'exécution pour tous les intérêts susceptibles d'être lésés, ainsi que de l'intérêt général. La juridiction administrative flamande peut décider de ne pas ordonner la suspension si les conséquences négatives de la suspension l'emportent de manière manifestement déraisonnable sur ses avantages.
§ 6. Lorsqu'une demande de suspension, introduite conformément au présent article, est rejetée à défaut d'urgence ou d'urgence extrême, une nouvelle demande ne peut être introduite que si celle-ci est basée sur de nouveaux éléments justifiant l'urgence ou l'urgence extrême de cette demande. Une juridiction administrative flamande telle que visée à l'article 2, 1°, a) et b) peut en outre déterminer un délai dans lequel aucune nouvelle demande de suspension ne peut être introduite si le seul nouvel élément invoqué consiste en le déroulement du temps.
§ 7. Si une juridiction administrative flamande telle que visée à l'article 2, 1°, a) et b) est saisie d'une demande de suspension, introduite conformément au présent article, et d'une demande d'annulation, et si le requérant renonce, au cours de la procédure de suspension, au recours qu'il a introduit, ou si la décision contestée est retirée, de sorte qu'un jugement n'est plus nécessaire, la juridiction administrative flamande peut se prononcer dans un seul arrêt sur la demande de suspension et la demande d'annulation.
§ 8. La suspension ordonnée en application du présent article est immédiatement abrogée, en application de la procédure visée au paragraphe 13, s'il paraît qu'aucune requête en annulation n'est introduite dans le délai de recours fixé au décret, visé à l'article 2, 1°, a) et b).
§ 9. Une requête en suspension instituée en application de la procédure visée au présent article, en dehors du délai fixé aux décrets, visés à l'article 2, 1°, a) et b), ne peut pas contenir de moyens non formulés dans la requête en annulation.
§ 10. Une demande de suspension, introduite conformément au présent article, interrompt les échéances pour l'introduction des notes dans le cadre de la demande d'annulation à partir de la date de réception de la requête par une juridiction administrative flamande telle que visée à l'article 2, 1°, a) et b) jusqu'au jour suivant la notification de la demande introduite de continuation de la procédure. Le greffier en informe immédiatement les parties.
§ 11. Le Gouvernement flamand fixe les échéances dans lesquelles les parties introduisent le dossier administratif et leurs notes. Ces échéances ne peuvent être inférieures à quinze jours en cas de demandes instituées conformément à la procédure visée au paragraphe 1er.
Le Gouvernement flamand arrête les modalités concernant le traitement de la demande de suspension introduite conformément au présent article.
§ 12. L'arrêt ordonnant la suspension de l'exécution de la décision contestée, conformément au présent article, peut imposer à la demande d'une partie, une astreinte à une autre partie en faveur de la partie qui a demandé l'imposition de l'astreinte. Dans ce cas, l'article 38, §§ 2 à 4 inclus, s'applique par analogie.
§ 13. A la demande des parties ou d'initiative, une juridiction administrative flamande telle que visée à l'article 2, 1°, a) et b) peut abroger les arrêts par lesquels la suspension est ordonnée.
L'abrogation est uniquement possible lorsque de nouveaux faits, soit de droit, soit de fait, se présentent ou lorsque les circonstances ont tellement changé que la suspension n'est plus justifiée.
Les parties sont invitées à comparaître lors d'une séance où la demande d'abrogation est traitée.
Le Gouvernement flamand peut arrêter des modalités pour l'application du régime de la procédure pour l'abrogation d'arrêts, y compris la détermination des délais et l'organisation des séances visées au présent article.]1
1° l'affaire est urgente, de sorte que son traitement est incompatible avec le délai de traitement d'une demande d'annulation ;
2° et qu'au moins un moyen sérieux est apporté qui justifie à première vue l'annulation de la décision contestée.
§ 2. Sans préjudice de l'application du paragraphe 1er, une juridiction administrative flamande telle que visée à l'article 2, 1°, a) et b) peut ordonner à tout moment la suspension en raison de l'extrême urgence à condition qu'il soit démontré que :
1° l'affaire est extrêmement urgente, de sorte que son traitement est incompatible avec le délai de traitement d'une demande de suspension telle que visée au paragraphe 1er ;
2° et qu'au moins un moyen sérieux est apporté qui justifie à première vue l'annulation de la décision contestée.
Le cas échéant, cette suspension peut être ordonnée sur demande à titre de mesure provisoire sans que les parties ou certaines d'entre elles aient été entendues. Dans ce cas, l'arrêt qui ordonne la suspension provisoire convoque les parties dans les trois jours devant la chambre qui statue sur la confirmation de la suspension.
§ 3. La requête, introduite conformément au présent article, décrit les motifs sur la base desquels la suspension de l'exécution de la décision contestée est demandée.
§ 4. Sans préjudice de l'application de la procédure, visée au paragraphe 2, alinéa 2, l'arrêt de suspension, prononcé conformément au présent article, est rendu après que les parties ont été entendues ou dûment convoquées.
Lorsque la partie requérante ne se présente pas ou n'est pas représentée lors de la séance, la demande de suspension est rejetée.
§ 5. En cas d'une demande de suspension introduite conformément au présent article, à la demande de la partie défenderesse ou intervenante, une juridiction administrative flamande telle que visée à l'article 2, 1°, a) et b) tient compte des conséquences probables de la suspension de l'exécution pour tous les intérêts susceptibles d'être lésés, ainsi que de l'intérêt général. La juridiction administrative flamande peut décider de ne pas ordonner la suspension si les conséquences négatives de la suspension l'emportent de manière manifestement déraisonnable sur ses avantages.
§ 6. Lorsqu'une demande de suspension, introduite conformément au présent article, est rejetée à défaut d'urgence ou d'urgence extrême, une nouvelle demande ne peut être introduite que si celle-ci est basée sur de nouveaux éléments justifiant l'urgence ou l'urgence extrême de cette demande. Une juridiction administrative flamande telle que visée à l'article 2, 1°, a) et b) peut en outre déterminer un délai dans lequel aucune nouvelle demande de suspension ne peut être introduite si le seul nouvel élément invoqué consiste en le déroulement du temps.
§ 7. Si une juridiction administrative flamande telle que visée à l'article 2, 1°, a) et b) est saisie d'une demande de suspension, introduite conformément au présent article, et d'une demande d'annulation, et si le requérant renonce, au cours de la procédure de suspension, au recours qu'il a introduit, ou si la décision contestée est retirée, de sorte qu'un jugement n'est plus nécessaire, la juridiction administrative flamande peut se prononcer dans un seul arrêt sur la demande de suspension et la demande d'annulation.
§ 8. La suspension ordonnée en application du présent article est immédiatement abrogée, en application de la procédure visée au paragraphe 13, s'il paraît qu'aucune requête en annulation n'est introduite dans le délai de recours fixé au décret, visé à l'article 2, 1°, a) et b).
§ 9. Une requête en suspension instituée en application de la procédure visée au présent article, en dehors du délai fixé aux décrets, visés à l'article 2, 1°, a) et b), ne peut pas contenir de moyens non formulés dans la requête en annulation.
§ 10. Une demande de suspension, introduite conformément au présent article, interrompt les échéances pour l'introduction des notes dans le cadre de la demande d'annulation à partir de la date de réception de la requête par une juridiction administrative flamande telle que visée à l'article 2, 1°, a) et b) jusqu'au jour suivant la notification de la demande introduite de continuation de la procédure. Le greffier en informe immédiatement les parties.
§ 11. Le Gouvernement flamand fixe les échéances dans lesquelles les parties introduisent le dossier administratif et leurs notes. Ces échéances ne peuvent être inférieures à quinze jours en cas de demandes instituées conformément à la procédure visée au paragraphe 1er.
Le Gouvernement flamand arrête les modalités concernant le traitement de la demande de suspension introduite conformément au présent article.
§ 12. L'arrêt ordonnant la suspension de l'exécution de la décision contestée, conformément au présent article, peut imposer à la demande d'une partie, une astreinte à une autre partie en faveur de la partie qui a demandé l'imposition de l'astreinte. Dans ce cas, l'article 38, §§ 2 à 4 inclus, s'applique par analogie.
§ 13. A la demande des parties ou d'initiative, une juridiction administrative flamande telle que visée à l'article 2, 1°, a) et b) peut abroger les arrêts par lesquels la suspension est ordonnée.
L'abrogation est uniquement possible lorsque de nouveaux faits, soit de droit, soit de fait, se présentent ou lorsque les circonstances ont tellement changé que la suspension n'est plus justifiée.
Les parties sont invitées à comparaître lors d'une séance où la demande d'abrogation est traitée.
Le Gouvernement flamand peut arrêter des modalités pour l'application du régime de la procédure pour l'abrogation d'arrêts, y compris la détermination des délais et l'organisation des séances visées au présent article.]1
Art. 41. [1 Als bij een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1А, a) en b), conform artikel 40 een vordering tot schorsing of schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid aanhangig wordt gemaakt, kan het Vlaams bestuursrechtscollege, op verzoek, bij voorraad en onder de voorwaarden, vermeld in artikel 40, Ї 1, Ї 2 en Ї 5, alle nodige maatregelen bevelen om de belangen van de partijen of van de personen die belang hebben bij de oplossing van de zaak veilig te stellen, met uitzondering van de maatregelen die betrekking hebben op de burgerlijke rechten.
[2 Als de decreten, vermeld in artikel 2, 1° a), van dit decreet, hoofdstuk 10, afdeling 14, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023 van toepassing verklaren en]2 het Vlaams bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1А, a), van oordeel is dat er redenen zijn om, conform artikel 40, over te gaan tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van een bestuurlijke beveiligingsbeslissing als bedoeld in artikel [2 102/2]2 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, kan het, ambtshalve of op verzoek, beslissen om de beveiligingsbeslissing tijdelijk aan te passen.
Deze maatregelen worden, nadat de partijen gehoord zijn of behoorlijk zijn opgeroepen, bij een gemotiveerd arrest bevolen.
Als de verzoekende partij noch verschijnt, noch vertegenwoordigd is op de zitting, wordt de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen verworpen.
Wanneer een vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen wordt verworpen wegens het gebrek aan hoogdringendheid of uiterst dringende noodzakelijkheid kan een nieuwe vordering slechts worden ingediend indien die steunt op nieuwe elementen die de hoogdringendheid of uiterst dringende noodzakelijkheid van deze vordering rechtvaardigen. Een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1А, a) en b), kan bovendien een termijn bepalen waarin geen enkele nieuwe vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen kan worden ingediend indien het enige nieuw ingeroepen element bestaat uit het verloop van tijd.
In geval van uiterst dringende noodzakelijkheid kunnen voorlopige maatregelen worden bevolen, zonder dat de partijen of sommige van hen worden gehoord. In dat geval worden in het arrest dat de voorlopige maatregelen beveelt, de partijen binnen drie dagen opgeroepen om te verschijnen voor de kamer die uitspraak doet over de handhaving van de maatregelen die niet zouden zijn uitgevoerd.
De maatregelen die bevolen zijn met toepassing van dit artikel worden onmiddellijk opgeheven, met toepassing van de procedure, vermeld in artikel 40, Ї 13, als blijkt dat binnen de beroepstermijn bepaald in de decreten, vermeld in artikel 2, 1А, a) en b), geen verzoekschrift tot vernietiging is ingediend.
Artikel 40, Ї 12 en Ї 13, zijn van overeenkomstige toepassing op de krachtens dit artikel uitgesproken arresten.
De Vlaamse Regering bepaalt de procedure met betrekking tot de in dit artikel bedoelde maatregelen.]1
[2 Als de decreten, vermeld in artikel 2, 1° a), van dit decreet, hoofdstuk 10, afdeling 14, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023 van toepassing verklaren en]2 het Vlaams bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1А, a), van oordeel is dat er redenen zijn om, conform artikel 40, over te gaan tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van een bestuurlijke beveiligingsbeslissing als bedoeld in artikel [2 102/2]2 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, kan het, ambtshalve of op verzoek, beslissen om de beveiligingsbeslissing tijdelijk aan te passen.
Deze maatregelen worden, nadat de partijen gehoord zijn of behoorlijk zijn opgeroepen, bij een gemotiveerd arrest bevolen.
Als de verzoekende partij noch verschijnt, noch vertegenwoordigd is op de zitting, wordt de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen verworpen.
Wanneer een vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen wordt verworpen wegens het gebrek aan hoogdringendheid of uiterst dringende noodzakelijkheid kan een nieuwe vordering slechts worden ingediend indien die steunt op nieuwe elementen die de hoogdringendheid of uiterst dringende noodzakelijkheid van deze vordering rechtvaardigen. Een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1А, a) en b), kan bovendien een termijn bepalen waarin geen enkele nieuwe vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen kan worden ingediend indien het enige nieuw ingeroepen element bestaat uit het verloop van tijd.
In geval van uiterst dringende noodzakelijkheid kunnen voorlopige maatregelen worden bevolen, zonder dat de partijen of sommige van hen worden gehoord. In dat geval worden in het arrest dat de voorlopige maatregelen beveelt, de partijen binnen drie dagen opgeroepen om te verschijnen voor de kamer die uitspraak doet over de handhaving van de maatregelen die niet zouden zijn uitgevoerd.
De maatregelen die bevolen zijn met toepassing van dit artikel worden onmiddellijk opgeheven, met toepassing van de procedure, vermeld in artikel 40, Ї 13, als blijkt dat binnen de beroepstermijn bepaald in de decreten, vermeld in artikel 2, 1А, a) en b), geen verzoekschrift tot vernietiging is ingediend.
Artikel 40, Ї 12 en Ї 13, zijn van overeenkomstige toepassing op de krachtens dit artikel uitgesproken arresten.
De Vlaamse Regering bepaalt de procedure met betrekking tot de in dit artikel bedoelde maatregelen.]1
Art. 41. [1 Lorsqu'une juridiction administrative flamande telle que visée à l'article 2, 1°, a) et b) est saisie, conformément à l'article 40, d'une demande de suspension ou de suspension pour cause d'extrême urgence, la juridiction administrative flamande est la seule à pouvoir ordonner, sur demande, à titre provisoire et aux conditions fixées à l'article 40, § 1er, § 2, et § 5, toutes mesures nécessaires pour protéger les intérêts des parties ou des personnes ayant un intérêt à la solution de l'affaire, à l'exception des mesures concernant les droits civils.
[2 Si les décrets visés à l'article 2, 1°, a), du présent décret, déclarent applicable le chapitre 10, section 14, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023 et si]2 la juridiction administrative flamande, visée à l'article 2, 1°, a) et b), est d'avis qu'il y a des raisons, conformément à l'article 40, de procéder à la suspension de l'exécution d'une décision administrative de sécurité telle que visée à l'article [2 102/2]2 du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, elle peut décider, d'office ou sur demande, d'adapter temporairement la décision de sécurité.
Ces mesures sont ordonnées par un arrêt motivé, après avoir entendu ou dûment appelé les parties.
Lorsque la partie requérante ne se présente pas ou n'est pas représentée lors de la séance, la demande de mesures provisoires est rejetée.
Lorsqu'une demande de mesures provisoires est rejetée à défaut d'urgence ou urgence extrême, une nouvelle demande ne peut être introduite que si celle-ci est basée sur de nouveaux éléments justifiant l'urgence ou l'urgence extrême de cette demande. Une juridiction administrative flamande, visée à l'article 2, 1°, a) et b) peut en outre déterminer un délai dans lequel aucune nouvelle demande de mesures provisoires ne peut être introduite si le seul nouvel élément invoqué consiste en le déroulement du temps.
Dans les cas d'extrême urgence, des mesures provisoires peuvent être ordonnées sans que les parties ou certaines d'entre elles aient été entendues. Dans ce cas, l'arrêt qui ordonne les mesures provisoires convoque les parties dans les trois jours devant la chambre qui statue sur le maintien des mesures qui n'auraient pas été exécutées.
Les mesures ordonnées en application du présent article sont immédiatement abrogées, en application de la procédure visée à l'article 40, § 13, s'il paraît qu'aucune requête en annulation n'est introduite dans le délai de recours fixé au décret, visé à l'article 2, 1°, a) et b).
L'article 40, § 12 et § 13, s'applique par analogie aux arrêts rendus en vertu du présent article.
Le Gouvernement flamand arrête la procédure relative aux mesures visées au présent article. ]1
[2 Si les décrets visés à l'article 2, 1°, a), du présent décret, déclarent applicable le chapitre 10, section 14, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023 et si]2 la juridiction administrative flamande, visée à l'article 2, 1°, a) et b), est d'avis qu'il y a des raisons, conformément à l'article 40, de procéder à la suspension de l'exécution d'une décision administrative de sécurité telle que visée à l'article [2 102/2]2 du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, elle peut décider, d'office ou sur demande, d'adapter temporairement la décision de sécurité.
Ces mesures sont ordonnées par un arrêt motivé, après avoir entendu ou dûment appelé les parties.
Lorsque la partie requérante ne se présente pas ou n'est pas représentée lors de la séance, la demande de mesures provisoires est rejetée.
Lorsqu'une demande de mesures provisoires est rejetée à défaut d'urgence ou urgence extrême, une nouvelle demande ne peut être introduite que si celle-ci est basée sur de nouveaux éléments justifiant l'urgence ou l'urgence extrême de cette demande. Une juridiction administrative flamande, visée à l'article 2, 1°, a) et b) peut en outre déterminer un délai dans lequel aucune nouvelle demande de mesures provisoires ne peut être introduite si le seul nouvel élément invoqué consiste en le déroulement du temps.
Dans les cas d'extrême urgence, des mesures provisoires peuvent être ordonnées sans que les parties ou certaines d'entre elles aient été entendues. Dans ce cas, l'arrêt qui ordonne les mesures provisoires convoque les parties dans les trois jours devant la chambre qui statue sur le maintien des mesures qui n'auraient pas été exécutées.
Les mesures ordonnées en application du présent article sont immédiatement abrogées, en application de la procédure visée à l'article 40, § 13, s'il paraît qu'aucune requête en annulation n'est introduite dans le délai de recours fixé au décret, visé à l'article 2, 1°, a) et b).
L'article 40, § 12 et § 13, s'applique par analogie aux arrêts rendus en vertu du présent article.
Le Gouvernement flamand arrête la procédure relative aux mesures visées au présent article. ]1
Art. 42. Ter oplossing van een voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen gebrachte betwisting kan die op gezamenlijk verzoek van de partijen of op eigen initiatief maar met akkoord van de partijen met een [3 proces-verbaal laten overgaan tot bemiddeling]3 zolang het beroep niet in beraad is genomen.
§ 2. Bij inwilliging van het verzoek tot bemiddeling zendt de griffier onmiddellijk een afschrift van het [3 proces-verbaal]3, vermeld in paragraaf 1, aan de partijen en aan de bemiddelaar.
De volgende personen kunnen door de Raad voor Vergunningsbetwistingen als bemiddelaar worden aangewezen: [2 een personeelslid van de dienst van de Bestuursrechtscolleges]2 of derden die door de partijen gezamenlijk worden voorgesteld.
De bemiddelaar voldoet aan de volgende voorwaarden:
1° hij heeft een grondige kennis van en nuttige ervaring in het betreffende domein van het Vlaamse recht [3 dat het voorwerp uitmaakt van de betwisting]3]1;
2° hij geeft blijk van een vorming die passend is voor de bemiddelingspraktijk;
3° hij biedt de noodzakelijke waarborgen voor een onafhankelijke en onpartijdige bemiddeling;
4° hij heeft geen strafrechtelijke veroordelingen of tuchtrechtelijke sancties opgelopen die onverenigbaar zijn met de uitoefening van de functie van bemiddelaar.
Tijdens de bemiddeling probeert de bemiddelaar een directe dialoog tot stand te brengen tussen de partijen en verleent hij ondersteuning voor een goed verloop van de dialoog. De bemiddeling verloopt volgens de volgende principes:
1° vrijwilligheid;
2° onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de bemiddelaar;
3° vertrouwelijkheid.
De bemiddelaar kan ook derden bij de bemiddeling betrekken.
§ 3. Als de bemiddeling tot een bemiddelingsakkoord leidt, kunnen de partijen of een van hen de Raad voor Vergunningsbetwistingen verzoeken dat akkoord te bekrachtigen.
[2 Als het bemiddelingsakkoord wordt bekrachtigd, worden in afwijking van artikel 33, eerste lid, de kosten zoals vermeld in artikel 33, derde en vierde lid, gelijk verdeeld over de partijen, tenzij anders bepaald wordt in het bemiddelingsakkoord.]2
De Raad voor Vergunningsbetwistingen kan de bekrachtiging alleen weigeren als het akkoord strijdig is met de openbare orde, de regelgeving of stedenbouwkundige voorschriften.
Bij het ontbreken van een bemiddelingsakkoord of als de Raad voor Vergunningsbetwistingen vaststelt dat de randvoorwaarden voor een geslaagde bemiddeling niet of niet langer zijn vervuld, wordt bij [3 vastgesteld]3 de voortzetting van de jurisdictionele procedure bevolen.
§ 4. Een [3 gezamenlijk ondertekend]3 verzoek tot bemiddeling schorst de proceduretermijnen vanaf de datum van ontvangst van het verzoek door de Raad voor Vergunningsbetwistingen tot:
1° de datum van bekrachtiging van het bemiddelingsakkoord, vermeld in paragraaf 3, eerste lid;
2° de dag na de betekening van het [3 proces-verbaal]3, vermeld in [2 paragraaf 3, vierde lid]2.
§ 5. De Vlaamse Regering stelt de vormvereisten vast waaraan een verzoek tot bemiddeling moet voldoen, de mogelijkheid tot regularisatie van deze vereisten en de termijnen van de bemiddeling en alle aanvullende maatregelen betreffende de organisatie van de bemiddeling [2 , alsook de kosten die voortvloeien uit de bemiddeling]2.
§ 2. Bij inwilliging van het verzoek tot bemiddeling zendt de griffier onmiddellijk een afschrift van het [3 proces-verbaal]3, vermeld in paragraaf 1, aan de partijen en aan de bemiddelaar.
De volgende personen kunnen door de Raad voor Vergunningsbetwistingen als bemiddelaar worden aangewezen: [2 een personeelslid van de dienst van de Bestuursrechtscolleges]2 of derden die door de partijen gezamenlijk worden voorgesteld.
De bemiddelaar voldoet aan de volgende voorwaarden:
1° hij heeft een grondige kennis van en nuttige ervaring in het betreffende domein van het Vlaamse recht [3 dat het voorwerp uitmaakt van de betwisting]3]1;
2° hij geeft blijk van een vorming die passend is voor de bemiddelingspraktijk;
3° hij biedt de noodzakelijke waarborgen voor een onafhankelijke en onpartijdige bemiddeling;
4° hij heeft geen strafrechtelijke veroordelingen of tuchtrechtelijke sancties opgelopen die onverenigbaar zijn met de uitoefening van de functie van bemiddelaar.
Tijdens de bemiddeling probeert de bemiddelaar een directe dialoog tot stand te brengen tussen de partijen en verleent hij ondersteuning voor een goed verloop van de dialoog. De bemiddeling verloopt volgens de volgende principes:
1° vrijwilligheid;
2° onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de bemiddelaar;
3° vertrouwelijkheid.
De bemiddelaar kan ook derden bij de bemiddeling betrekken.
§ 3. Als de bemiddeling tot een bemiddelingsakkoord leidt, kunnen de partijen of een van hen de Raad voor Vergunningsbetwistingen verzoeken dat akkoord te bekrachtigen.
[2 Als het bemiddelingsakkoord wordt bekrachtigd, worden in afwijking van artikel 33, eerste lid, de kosten zoals vermeld in artikel 33, derde en vierde lid, gelijk verdeeld over de partijen, tenzij anders bepaald wordt in het bemiddelingsakkoord.]2
De Raad voor Vergunningsbetwistingen kan de bekrachtiging alleen weigeren als het akkoord strijdig is met de openbare orde, de regelgeving of stedenbouwkundige voorschriften.
Bij het ontbreken van een bemiddelingsakkoord of als de Raad voor Vergunningsbetwistingen vaststelt dat de randvoorwaarden voor een geslaagde bemiddeling niet of niet langer zijn vervuld, wordt bij [3 vastgesteld]3 de voortzetting van de jurisdictionele procedure bevolen.
§ 4. Een [3 gezamenlijk ondertekend]3 verzoek tot bemiddeling schorst de proceduretermijnen vanaf de datum van ontvangst van het verzoek door de Raad voor Vergunningsbetwistingen tot:
1° de datum van bekrachtiging van het bemiddelingsakkoord, vermeld in paragraaf 3, eerste lid;
2° de dag na de betekening van het [3 proces-verbaal]3, vermeld in [2 paragraaf 3, vierde lid]2.
§ 5. De Vlaamse Regering stelt de vormvereisten vast waaraan een verzoek tot bemiddeling moet voldoen, de mogelijkheid tot regularisatie van deze vereisten en de termijnen van de bemiddeling en alle aanvullende maatregelen betreffende de organisatie van de bemiddeling [2 , alsook de kosten die voortvloeien uit de bemiddeling]2.
Art. 42. § 1er. Concernant la résolution d'une contestation portée devant le Conseil pour les Contestations des Autorisations, le Conseil peut, sur la demande conjointe des parties ou à sa propre initiative mais moyennant l'accord des parties,[3 procéder à la médiation par le biais d'un procès-verbal]3 tant que le recours n'a pas été mis en délibéré.
§ 2. En cas d'acceptation de la demande de médiation, le greffier envoie immédiatement une copie [3 du procès-verbal]3, visé au paragraphe 1er, aux parties ainsi qu'au médiateur.
Les personnes suivantes peuvent être désignées comme médiateur par le Conseil pour les Contestations des Autorisations : [2 un membre du personnel du Service des Juridictions administratives]2 ou des tiers qui sont présentés conjointement par les parties.
Le médiateur répond aux conditions suivantes :
1° il possède une connaissance approfondie et de l'expérience utile du domaine concerné du droit flamand [3 qui fait l'objet de la contestation]3 [1 (NOTE : ajout non traduite, voir version néerlandaise)]1 ;
2° il fait preuve d'une formation appropriée pour la pratique de médiation ;
3° il offre les garanties nécessaires pour une médiation indépendante et impartiale ;
4° il n'a pas encouru de condamnations pénales ou de sanctions disciplinaires qui sont incompatibles avec l'exercice de la fonction de médiateur.
Lors de la médiation, le médiateur tente d'établir un dialogue direct entre les parties et il fournit du soutien pour un bon déroulement du dialogue. La médiation se déroule selon les principes suivants :
1° volontariat ;
2° indépendance et impartialité du médiateur ;
3° confidentialité.
Le médiateur peut également associer des tiers à la médiation.
§ 3. Si la médiation aboutit à un accord de médiation, les parties peuvent ou un d'entre eux peut demander au Conseil pour les Contestations des Autorisations de valider cet accord.
[2 Si l'accord de médiation est ratifié, les frais tels que visés à l'article 33, alinéas 3 et 4, sont répartis de manière égale sur les parties, par dérogation à l'article 33, alinéa 1er, sauf disposition contraire dans l'accord de médiation.]2
Le Conseil pour les Contestations des Autorisations peut uniquement refuser la validation lorsque l'accord est contraire à l'ordre public, à la réglementation ou aux prescriptions urbanistiques.
A défaut d'un accord de médiation ou lorsque le Conseil pour les Contestations des Autorisations constate que les conditions essentielles pour une médiation réussie ne sont pas ou ne sont plus remplies, la continuation de la procédure juridictionnelle sera [3 arrêtée]3 par le biais d'un [3 procès-verbal]3.
§ 4. Une demande de médiation [3 signée conjointement]3 suspend les délais de procédure à partir de la date de réception de la demande par le Conseil pour les Contestations des Autorisations jusqu'à :
1° la date de validation de l'accord de médiation, visé au paragraphe 3, alinéa premier ;
2° le jour suivant la notification [3 du procès-verbal]3, visé au [2 paragraphe 3, alinéa quatre]2.
§ 5. Le Gouvernement flamand arrête les exigences formelles auxquelles une demande de médiation doit répondre, la possibilité de régularisation de ces exigences et les délais de la médiation, ainsi que toutes mesures complémentaires concernant l'organisation de la médiation [2 , ainsi que les frais résultant de la médiation]2.
§ 2. En cas d'acceptation de la demande de médiation, le greffier envoie immédiatement une copie [3 du procès-verbal]3, visé au paragraphe 1er, aux parties ainsi qu'au médiateur.
Les personnes suivantes peuvent être désignées comme médiateur par le Conseil pour les Contestations des Autorisations : [2 un membre du personnel du Service des Juridictions administratives]2 ou des tiers qui sont présentés conjointement par les parties.
Le médiateur répond aux conditions suivantes :
1° il possède une connaissance approfondie et de l'expérience utile du domaine concerné du droit flamand [3 qui fait l'objet de la contestation]3 [1 (NOTE : ajout non traduite, voir version néerlandaise)]1 ;
2° il fait preuve d'une formation appropriée pour la pratique de médiation ;
3° il offre les garanties nécessaires pour une médiation indépendante et impartiale ;
4° il n'a pas encouru de condamnations pénales ou de sanctions disciplinaires qui sont incompatibles avec l'exercice de la fonction de médiateur.
Lors de la médiation, le médiateur tente d'établir un dialogue direct entre les parties et il fournit du soutien pour un bon déroulement du dialogue. La médiation se déroule selon les principes suivants :
1° volontariat ;
2° indépendance et impartialité du médiateur ;
3° confidentialité.
Le médiateur peut également associer des tiers à la médiation.
§ 3. Si la médiation aboutit à un accord de médiation, les parties peuvent ou un d'entre eux peut demander au Conseil pour les Contestations des Autorisations de valider cet accord.
[2 Si l'accord de médiation est ratifié, les frais tels que visés à l'article 33, alinéas 3 et 4, sont répartis de manière égale sur les parties, par dérogation à l'article 33, alinéa 1er, sauf disposition contraire dans l'accord de médiation.]2
Le Conseil pour les Contestations des Autorisations peut uniquement refuser la validation lorsque l'accord est contraire à l'ordre public, à la réglementation ou aux prescriptions urbanistiques.
A défaut d'un accord de médiation ou lorsque le Conseil pour les Contestations des Autorisations constate que les conditions essentielles pour une médiation réussie ne sont pas ou ne sont plus remplies, la continuation de la procédure juridictionnelle sera [3 arrêtée]3 par le biais d'un [3 procès-verbal]3.
§ 4. Une demande de médiation [3 signée conjointement]3 suspend les délais de procédure à partir de la date de réception de la demande par le Conseil pour les Contestations des Autorisations jusqu'à :
1° la date de validation de l'accord de médiation, visé au paragraphe 3, alinéa premier ;
2° le jour suivant la notification [3 du procès-verbal]3, visé au [2 paragraphe 3, alinéa quatre]2.
§ 5. Le Gouvernement flamand arrête les exigences formelles auxquelles une demande de médiation doit répondre, la possibilité de régularisation de ces exigences et les délais de la médiation, ainsi que toutes mesures complémentaires concernant l'organisation de la médiation [2 , ainsi que les frais résultant de la médiation]2.
Afdeling 4. - Bepaling die van toepassing is op het [1 Handhavingscollege]1
Section 4. - Disposition applicable au [1 Collège de maintien]1 de la Région flamande
Art. 44. [1 Na een gehele of gedeeltelijke vernietiging van de bestreden beslissing kan het Handhavingscollege zelf een beslissing nemen zowel over het bedrag van de boete en, in voorkomend geval, over de voordeelontneming en de uitsluiting van steun, als over de publieke herstelmaatregelen en de bestuurlijke beveiligingsbeslissingen. Het Handhavingscollege kan bepalen dat zijn uitspraak daarover de vernietigde beslissing vervangt.]1
Art. 44. [1 Après l'annulation entière ou partielle, le Collège de maintien de la Région flamande peut prendre lui-même une décision quant au montant de l'amende et, le cas échéant, sur le dessaisissement d'avantages et l'exclusion de l'aide, ainsi que sur les mesures de réparation publiques et les décisions administratives de sécurité. Le Collège de maintien peut décider que sa décision à ce sujet remplace la décision annulée.]1
Afdeling 5. [1 - Bepalingen die van toepassing zijn op de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen]1
Section 5. [1 - Dispositions applicables au Conseil de règlement des différends en matière de décisions sur la progression des études]1
Art. 44/1. [1 Het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), beoordeelt of studievoortgangsbeslissingen in overeenstemming zijn met:
1° de decretale en reglementaire bepalingen en het onderwijs- en examenreglement;
2° de algemene administratieve beginselen.
Het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), stelt zijn appreciatie betreffende de waarde van een kandidaat niet in de plaats van die van het bestuur of enig orgaan dat werkt onder de verantwoordelijkheid van het bestuur.]1
1° de decretale en reglementaire bepalingen en het onderwijs- en examenreglement;
2° de algemene administratieve beginselen.
Het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), stelt zijn appreciatie betreffende de waarde van een kandidaat niet in de plaats van die van het bestuur of enig orgaan dat werkt onder de verantwoordelijkheid van het bestuur.]1
Art. 44/1. [1 La juridiction administrative flamande mentionnée à l'article 2, 1°, d), évalue si les décisions sur la progression des études respectent :
1° les dispositions décrétales et réglementaires et le règlement des études et des examens ;
2° les principes administratifs généraux.
La juridiction administrative flamande visée à l'article 2, 1°, d), ne substitue pas son appréciation concernant la valeur d'un candidat à celle de la direction ou de tout organe agissant sous la responsabilité de la direction.]1
1° les dispositions décrétales et réglementaires et le règlement des études et des examens ;
2° les principes administratifs généraux.
La juridiction administrative flamande visée à l'article 2, 1°, d), ne substitue pas son appréciation concernant la valeur d'un candidat à celle de la direction ou de tout organe agissant sous la responsabilité de la direction.]1
Art. 44/2. [1 § 1. De behandeling van het verzoekschrift door het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), leidt tot:
1° de gemotiveerde afwijzing van het beroep op grond van de onontvankelijkheid of de ongegrondheid ervan; of
2° de gemotiveerde vernietiging van de onrechtmatig genomen studievoortgangsbeslissing, in welk geval het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), het bestuur kan bevelen een nieuwe beslissing te nemen, onder de door het Vlaamse bestuursrechtscollege te stellen voorwaarden. Deze voorwaarden kunnen inhouden dat:
a) een nieuwe examen(tucht)beslissing afhankelijk wordt gemaakt van de organisatie van een nieuw examen of een onderdeel daarvan. Het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), kan de termijn en de materiële voorwaarden bepalen waaronder deze organisatie moet gebeuren;
b) een nieuwe beslissing houdende toekenning van een bewijs van bekwaamheid in voorkomend geval afhankelijk wordt gemaakt van de organisatie van een nieuw bekwaamheidsonderzoek of een onderdeel daarvan. Het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), kan de termijn en de materiële voorwaarden bepalen waaronder deze organisatie moet gebeuren;
c) welbepaalde onregelmatige of onredelijke motieven bij de totstandkoming van de nieuwe beslissing niet worden betrokken;
d) welbepaalde regelmatige en redelijke motieven bij de totstandkoming van de nieuwe beslissing kennelijk in ogenschouw moeten worden genomen.
De termijn voor het nemen van een nieuwe beslissing overeenkomstig het eerste lid, 2°, bedraagt ten minste zeven kalenderdagen.
In het geval bedoeld onder het eerste lid, 2°, kan het Vlaamse bestuurs- rechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), zo het dit op grond van de aangedragen feiten kennelijk noodzakelijk acht, bevelen dat de verzoeker in afwachting van een nieuwe beslissing voorlopig ingeschreven wordt, alsof geen nadelige studievoortgangsbeslissing was genomen.
§ 2. Bij de behandeling van een verzoekschrift dat als voorwerp een studievoortgangsbeslissing heeft zoals bepaald in artikel I.3, 69°, i), van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, oordeelt het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), van dit decreet, of er in voorkomend geval al dan niet sprake is van een niet-remedieerbare overmacht en de onmogelijkheid om voor de betrokken student om organisatorische redenen een aangepaste examenregeling uit te werken.
§ 3. Het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), antwoordt in de uitspraken op alle opmerkingen van de partijen die de aan het geschil te geven oplossing kunnen beïnvloeden.]1
1° de gemotiveerde afwijzing van het beroep op grond van de onontvankelijkheid of de ongegrondheid ervan; of
2° de gemotiveerde vernietiging van de onrechtmatig genomen studievoortgangsbeslissing, in welk geval het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), het bestuur kan bevelen een nieuwe beslissing te nemen, onder de door het Vlaamse bestuursrechtscollege te stellen voorwaarden. Deze voorwaarden kunnen inhouden dat:
a) een nieuwe examen(tucht)beslissing afhankelijk wordt gemaakt van de organisatie van een nieuw examen of een onderdeel daarvan. Het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), kan de termijn en de materiële voorwaarden bepalen waaronder deze organisatie moet gebeuren;
b) een nieuwe beslissing houdende toekenning van een bewijs van bekwaamheid in voorkomend geval afhankelijk wordt gemaakt van de organisatie van een nieuw bekwaamheidsonderzoek of een onderdeel daarvan. Het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), kan de termijn en de materiële voorwaarden bepalen waaronder deze organisatie moet gebeuren;
c) welbepaalde onregelmatige of onredelijke motieven bij de totstandkoming van de nieuwe beslissing niet worden betrokken;
d) welbepaalde regelmatige en redelijke motieven bij de totstandkoming van de nieuwe beslissing kennelijk in ogenschouw moeten worden genomen.
De termijn voor het nemen van een nieuwe beslissing overeenkomstig het eerste lid, 2°, bedraagt ten minste zeven kalenderdagen.
In het geval bedoeld onder het eerste lid, 2°, kan het Vlaamse bestuurs- rechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), zo het dit op grond van de aangedragen feiten kennelijk noodzakelijk acht, bevelen dat de verzoeker in afwachting van een nieuwe beslissing voorlopig ingeschreven wordt, alsof geen nadelige studievoortgangsbeslissing was genomen.
§ 2. Bij de behandeling van een verzoekschrift dat als voorwerp een studievoortgangsbeslissing heeft zoals bepaald in artikel I.3, 69°, i), van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, oordeelt het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), van dit decreet, of er in voorkomend geval al dan niet sprake is van een niet-remedieerbare overmacht en de onmogelijkheid om voor de betrokken student om organisatorische redenen een aangepaste examenregeling uit te werken.
§ 3. Het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), antwoordt in de uitspraken op alle opmerkingen van de partijen die de aan het geschil te geven oplossing kunnen beïnvloeden.]1
Art. 44/2. [1 § 1er. Le traitement de la requête par la juridiction administrative flamande, visée à l'article 2, 1°, d), conduit :
1° au rejet motivé du recours en raison de son irrecevabilité ou de son caractère non fondé ; ou
2° à l'annulation motivée de la décision illégitime sur la progression des études, auquel cas la juridiction administrative flamande visée à l'article 2, 1°, d), peut ordonner à la direction de prendre une nouvelle décision, aux conditions fixées par la juridiction administrative flamande. Ces conditions peuvent impliquer :
a) une nouvelle décision (disciplinaire) d'examen est subordonnée à l'organisation d'un nouvel examen ou d'une partie de celui-ci. La juridiction administrative flamande visée à l'article 2, 1°, d), peut déterminer la durée et les conditions matérielles dans lesquelles cette organisation doit avoir lieu ;
b) une nouvelle décision d'octroi d'un certificat d'aptitude est, le cas échéant, subordonnée à l'organisation d'un nouvel examen d'aptitude ou d'une partie de celui-ci. La juridiction administrative flamande visée à l'article 2, 1°, d), peut déterminer la durée et les conditions matérielles dans lesquelles cette organisation doit avoir lieu ;
c) des motifs irréguliers ou déraisonnables déterminés ne sont pas associés à la formation de la nouvelle décision ;
d) des motifs réguliers et raisonnables déterminés doivent manifestement être pris en compte lors de la formation de la nouvelle décision.
Le délai pour prendre une nouvelle décision conformément à l'alinéa 1er, 2°, est d'au moins sept jours calendaires.
Dans le cas visé à l'alinéa 1er, 2°, la juridiction administrative flamande visée à l'article 2, 1°, d), peut, s'il l'estime manifestement nécessaire au vu des faits avancés, ordonner que le requérant soit inscrit provisoirement dans l'attente d'une nouvelle décision, comme si aucune décision négative sur la progression des études n'avait été prise.
§ 2. Lors du traitement d'une requête ayant pour objet une décision sur la progression d'études telle que visée à l'article I.3, 69°, i), du Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013, la juridiction administrative flamande visée à l'article 2, 1°, d), du présent décret, juge si, le cas échéant, il s'agit d'un cas de force majeure non remédiable ou non et si, d'un point de vue organisationnel, il est possible d'élaborer un règlement des examens adapté à l'étudiant concerné.
§ 3. La juridiction administrative flamande visée à l'article 2, 1°, d), répond dans ses prononcés à toutes les observations des parties susceptibles d'influencer la solution à donner au litige.]1
1° au rejet motivé du recours en raison de son irrecevabilité ou de son caractère non fondé ; ou
2° à l'annulation motivée de la décision illégitime sur la progression des études, auquel cas la juridiction administrative flamande visée à l'article 2, 1°, d), peut ordonner à la direction de prendre une nouvelle décision, aux conditions fixées par la juridiction administrative flamande. Ces conditions peuvent impliquer :
a) une nouvelle décision (disciplinaire) d'examen est subordonnée à l'organisation d'un nouvel examen ou d'une partie de celui-ci. La juridiction administrative flamande visée à l'article 2, 1°, d), peut déterminer la durée et les conditions matérielles dans lesquelles cette organisation doit avoir lieu ;
b) une nouvelle décision d'octroi d'un certificat d'aptitude est, le cas échéant, subordonnée à l'organisation d'un nouvel examen d'aptitude ou d'une partie de celui-ci. La juridiction administrative flamande visée à l'article 2, 1°, d), peut déterminer la durée et les conditions matérielles dans lesquelles cette organisation doit avoir lieu ;
c) des motifs irréguliers ou déraisonnables déterminés ne sont pas associés à la formation de la nouvelle décision ;
d) des motifs réguliers et raisonnables déterminés doivent manifestement être pris en compte lors de la formation de la nouvelle décision.
Le délai pour prendre une nouvelle décision conformément à l'alinéa 1er, 2°, est d'au moins sept jours calendaires.
Dans le cas visé à l'alinéa 1er, 2°, la juridiction administrative flamande visée à l'article 2, 1°, d), peut, s'il l'estime manifestement nécessaire au vu des faits avancés, ordonner que le requérant soit inscrit provisoirement dans l'attente d'une nouvelle décision, comme si aucune décision négative sur la progression des études n'avait été prise.
§ 2. Lors du traitement d'une requête ayant pour objet une décision sur la progression d'études telle que visée à l'article I.3, 69°, i), du Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013, la juridiction administrative flamande visée à l'article 2, 1°, d), du présent décret, juge si, le cas échéant, il s'agit d'un cas de force majeure non remédiable ou non et si, d'un point de vue organisationnel, il est possible d'élaborer un règlement des examens adapté à l'étudiant concerné.
§ 3. La juridiction administrative flamande visée à l'article 2, 1°, d), répond dans ses prononcés à toutes les observations des parties susceptibles d'influencer la solution à donner au litige.]1
HOOFDSTUK 5. - Uitvoering
CHAPITRE 5. - Exécution
Art. 45. De arresten van een Vlaams bestuursrechtscollege zijn van rechtswege uitvoerbaar. De Vlaamse Regering verzekert de uitvoering ervan met inbegrip van de vaststelling van het uitvoeringsformulier.
Art. 45. Les arrêts d'une juridiction administrative flamande sont exécutoires de plein droit. Le Gouvernement flamand assure leur exécution y compris l'établissement du formulaire d'exécution.
HOOFDSTUK 6. - Bekendmaking
CHAPITRE 6. - Publication
Art. 46. Een Vlaams bestuursrechtscollege zorgt voor een publicatie van de arresten op de website van de dienst van de Bestuursrechtscolleges.
Bij de publicatie van het arrest kan de identiteit van natuurlijke personen, op uitdrukkelijk verzoek van een natuurlijke persoon die partij is bij een geschil voor een Vlaams bestuursrechtscollege, worden weggelaten. Dat verzoek kan worden ingediend in het verzoekschrift of, in voorkomend geval, tot aan de sluiting van de debatten. In het bepalend gedeelte van het arrest wordt uitdrukkelijk melding gemaakt van de depersonalisatie.
In uitzonderlijke omstandigheden kan een natuurlijke persoon die partij was bij een geschil dat bij een Vlaams bestuursrechtscollege aanhangig was, op grond van gegevens waarvan hij geen kennis had voor het indienen van het verzoekschrift of de sluiting van de debatten, verzoeken dat de identiteit van de natuurlijke personen die hij aanwijst, niet langer wordt vermeld in de publicatie van de arresten in digitaal formaat.
Een natuurlijke persoon die geen partij was in het geding, maar een belang heeft bij de weglating van de identiteit bij de publicatie, kan ook een dergelijk verzoek indienen, als dat belang wordt aangetoond.
Het gemotiveerd verzoek wordt per beveiligde zending aan de eerste voorzitter bezorgd.
De eerste voorzitter beslist over het gemotiveerde verzoek.
[1 In afwijking van het eerste lid worden de arresten die worden uitgesproken in uitvoering van artikel II.204, § 3, van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013 slechts gepubliceerd door beslissing van de voorzitter van het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), van dit decreet, wanneer deze arresten een belang kunnen hebben voor de rechtspraak of het juridisch onderzoek, en onder voorbehoud van depersonalisatie.]1
Bij de publicatie van het arrest kan de identiteit van natuurlijke personen, op uitdrukkelijk verzoek van een natuurlijke persoon die partij is bij een geschil voor een Vlaams bestuursrechtscollege, worden weggelaten. Dat verzoek kan worden ingediend in het verzoekschrift of, in voorkomend geval, tot aan de sluiting van de debatten. In het bepalend gedeelte van het arrest wordt uitdrukkelijk melding gemaakt van de depersonalisatie.
In uitzonderlijke omstandigheden kan een natuurlijke persoon die partij was bij een geschil dat bij een Vlaams bestuursrechtscollege aanhangig was, op grond van gegevens waarvan hij geen kennis had voor het indienen van het verzoekschrift of de sluiting van de debatten, verzoeken dat de identiteit van de natuurlijke personen die hij aanwijst, niet langer wordt vermeld in de publicatie van de arresten in digitaal formaat.
Een natuurlijke persoon die geen partij was in het geding, maar een belang heeft bij de weglating van de identiteit bij de publicatie, kan ook een dergelijk verzoek indienen, als dat belang wordt aangetoond.
Het gemotiveerd verzoek wordt per beveiligde zending aan de eerste voorzitter bezorgd.
De eerste voorzitter beslist over het gemotiveerde verzoek.
[1 In afwijking van het eerste lid worden de arresten die worden uitgesproken in uitvoering van artikel II.204, § 3, van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013 slechts gepubliceerd door beslissing van de voorzitter van het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), van dit decreet, wanneer deze arresten een belang kunnen hebben voor de rechtspraak of het juridisch onderzoek, en onder voorbehoud van depersonalisatie.]1
Art. 46. Une juridiction administrative flamande assure la publication des arrêts sur le site web du service des Juridictions administratives.
Lors de la publication de l'arrêt, l'identité de personnes physiques peut être omise, à la demande explicite d'une personne physique qui est partie au litige devant une juridiction administrative flamande. Cette demande peut être introduite dans la requête ou, le cas échéant, jusqu'à la clôture des débats. Le dispositif de l'arrêt fait état expressément de cette dépersonnalisation.
Dans des circonstances exceptionnelles, une personne physique qui était partie à un litige dont une juridiction administrative flamande était saisie, peut demander, sur la base de données dont elle n'avait pas connaissance avant l'introduction de la requête ou la clôture des débats, de ne plus mentionner l'identité des personnes physiques qu'elle désigne, dans la publication des arrêts en format numérique.
Une personne physique qui n'était pas partie au litige mais qui a un intérêt à l'omission de l'identité lors de la publication, peut également introduire une demande pareille, si cet intérêt est démontré.
La demande motivée est transmise par envoi sécurisé au premier président.
Le premier président décide de la demande motivée.
[1 Par dérogation à l'alinéa 1er, les arrêts prononcés en exécution de l'article II.204, § 3, du Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013 ne sont publiés que par décision du président de la juridiction administrative flamande visée à l'article 2, 1°, d), du présent décret, lorsque ces arrêts peuvent avoir un intérêt pour la jurisprudence ou la recherche juridique, et sous réserve de dépersonnalisation.]1
Lors de la publication de l'arrêt, l'identité de personnes physiques peut être omise, à la demande explicite d'une personne physique qui est partie au litige devant une juridiction administrative flamande. Cette demande peut être introduite dans la requête ou, le cas échéant, jusqu'à la clôture des débats. Le dispositif de l'arrêt fait état expressément de cette dépersonnalisation.
Dans des circonstances exceptionnelles, une personne physique qui était partie à un litige dont une juridiction administrative flamande était saisie, peut demander, sur la base de données dont elle n'avait pas connaissance avant l'introduction de la requête ou la clôture des débats, de ne plus mentionner l'identité des personnes physiques qu'elle désigne, dans la publication des arrêts en format numérique.
Une personne physique qui n'était pas partie au litige mais qui a un intérêt à l'omission de l'identité lors de la publication, peut également introduire une demande pareille, si cet intérêt est démontré.
La demande motivée est transmise par envoi sécurisé au premier président.
Le premier président décide de la demande motivée.
[1 Par dérogation à l'alinéa 1er, les arrêts prononcés en exécution de l'article II.204, § 3, du Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013 ne sont publiés que par décision du président de la juridiction administrative flamande visée à l'article 2, 1°, d), du présent décret, lorsque ces arrêts peuvent avoir un intérêt pour la jurisprudence ou la recherche juridique, et sous réserve de dépersonnalisation.]1
Art. 47. Elk arrest vermeldt in voorkomend geval de beslissing dat het arrest wordt bekendgemaakt op de wijze die het bepaalt.
Art. 47. Le cas échéant, tout arrêt mentionne la décision que l'arrêt est publié de la manière y fixée.
Art. 48. De eerste voorzitter bezorgt het jaarverslag aan de voorzitter van het Vlaams Parlement en aan de Vlaamse Regering. Het jaarverslag omvat een overzicht van de activiteiten van de Vlaamse bestuursrechtscolleges gedurende het voorgaande jaar.
Art. 48. Le premier président transmet le rapport annuel au président du Parlement flamand et au Gouvernement flamand. Le rapport annuel comprend un aperçu des activités des juridictions administratives flamandes pendant l'année précédente.
HOOFDSTUK 7. - Rechtspositieregeling van de bestuursrechters
CHAPITRE 7. - Statut des juges administratifs
Afdeling 1. - Selectie en benoeming
Section 1re. - Sélection et nomination
Art. 49. § 1. De Vlaamse Regering benoemt de effectieve bestuursrechters voor het leven bij een Vlaams bestuursrechtscollege op voordracht van de algemene vergadering.
De effectieve bestuursrechters voldoen minstens aan de volgende benoemingsvoorwaarden:
1° houder zijn van het diploma van licentiaat of master in de rechten;
2° een grondige kennis hebben van en minstens tien jaar nuttige ervaring hebben in de domeinen van het Vlaamse recht inzake ruimtelijke ordening en van het Vlaamse milieurecht;
3° een grondige kennis hebben van procesvoering en rechtsbescherming in bestuurlijke of rechterlijke aangelegenheden.
[1 4° een grondige kennis hebben van het Vlaams onteigeningsrecht.]1
[2 In afwijking van het tweede lid voldoen de effectieve bestuursrechters die benoemd worden bij het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), minstens aan al de volgende benoemingsvoorwaarden:
1° houder zijn van het diploma van licentiaat of master in de rechten;
2° een grondige kennis hebben van het Vlaamse onderwijsrecht;
3° een grondige kennis hebben van procesvoering en rechtsbescherming in bestuurlijke of rechterlijke aangelegenheden.]2
§ 2. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, kan de Vlaamse Regering bij het Vlaams bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, c), aanvullende bestuursrechters benoemen op voordracht van de algemene vergadering voor een periode van zes jaar, die hernieuwbaar is.
In afwijking van paragraaf 1, tweede lid, kan niemand als aanvullende bestuursrechter worden benoemd [2 bij het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, c),]2 tenzij hij zijn deskundigheid kan aantonen op het vlak van publiek recht, politieke wetenschappen of bestuurswetenschappen.
[2 Naast de effectieve bestuursrechters kan de Vlaamse Regering bij het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), aanvullende bestuursrechters benoemen op voordracht van de algemene vergadering voor een periode van zes jaar, die hernieuwbaar is.
Niemand kan als aanvullende bestuursrechter worden benoemd bij het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), tenzij hij minstens voldoet aan de benoemingsvoorwaarden, bepaald in paragraaf 1, derde lid.
De Vlaamse Regering benoemt de bijzitters bij het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), op voordracht van de algemene vergadering voor een periode van zes jaar, die hernieuwbaar is.
De bijzitters die benoemd worden bij het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), voldoen minstens aan al de volgende benoemingsvoorwaarden:
1° op het ogenblik van de benoeming minstens vijf jaar belast zijn met een onderwijsopdracht als lid van het academisch of onderwijzend personeel van een instelling die binnen het toepassingsgebied valt van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, en die ten hoogste drie jaar voor de benoeming is beëindigd;
2° een grondige kennis hebben van het hoger onderwijs;
3° een grondige kennis hebben van de beroepsprocedures in het hoger onderwijs.]2
§ 3. De Vlaamse Regering verklaart de functie van bestuursrechter vacant.
§ 4. De kandidaten worden geselecteerd door een selectiecommissie. De selectie beoogt de bekwaamheid die vereist is voor de uitoefening van het ambt van bestuursrechter te beoordelen. De algemene vergadering bepaalt de samenstelling van de selectiecommissie. De selectiecommissie stelt het programma van de selectieproef vast en legt dat ter bekrachtiging voor aan de algemene vergadering.
De algemene vergadering brengt op grond van de beoordeling van de kandidaten een gemotiveerde voordracht uit aan de Vlaamse Regering, nadat ze de respectieve aanspraken en verdiensten van de kandidaten, die geslaagd zijn voor de selectieproef, vermeld in het eerste lid, heeft vergeleken, aangevuld met een interview met de batig gerangschikte kandidaten.
In afwijking van het eerste lid, kan de algemene vergadering beslissen om geen selectieproef te organiseren voor de aanvullende bestuursrechters.
§ 5. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de toepassing van deze bepalingen, waaronder de nadere regels voor de oproep tot de kandidaat-bestuursrechters.
De effectieve bestuursrechters voldoen minstens aan de volgende benoemingsvoorwaarden:
1° houder zijn van het diploma van licentiaat of master in de rechten;
2° een grondige kennis hebben van en minstens tien jaar nuttige ervaring hebben in de domeinen van het Vlaamse recht inzake ruimtelijke ordening en van het Vlaamse milieurecht;
3° een grondige kennis hebben van procesvoering en rechtsbescherming in bestuurlijke of rechterlijke aangelegenheden.
[1 4° een grondige kennis hebben van het Vlaams onteigeningsrecht.]1
[2 In afwijking van het tweede lid voldoen de effectieve bestuursrechters die benoemd worden bij het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), minstens aan al de volgende benoemingsvoorwaarden:
1° houder zijn van het diploma van licentiaat of master in de rechten;
2° een grondige kennis hebben van het Vlaamse onderwijsrecht;
3° een grondige kennis hebben van procesvoering en rechtsbescherming in bestuurlijke of rechterlijke aangelegenheden.]2
§ 2. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, kan de Vlaamse Regering bij het Vlaams bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, c), aanvullende bestuursrechters benoemen op voordracht van de algemene vergadering voor een periode van zes jaar, die hernieuwbaar is.
In afwijking van paragraaf 1, tweede lid, kan niemand als aanvullende bestuursrechter worden benoemd [2 bij het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, c),]2 tenzij hij zijn deskundigheid kan aantonen op het vlak van publiek recht, politieke wetenschappen of bestuurswetenschappen.
[2 Naast de effectieve bestuursrechters kan de Vlaamse Regering bij het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), aanvullende bestuursrechters benoemen op voordracht van de algemene vergadering voor een periode van zes jaar, die hernieuwbaar is.
Niemand kan als aanvullende bestuursrechter worden benoemd bij het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), tenzij hij minstens voldoet aan de benoemingsvoorwaarden, bepaald in paragraaf 1, derde lid.
De Vlaamse Regering benoemt de bijzitters bij het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), op voordracht van de algemene vergadering voor een periode van zes jaar, die hernieuwbaar is.
De bijzitters die benoemd worden bij het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), voldoen minstens aan al de volgende benoemingsvoorwaarden:
1° op het ogenblik van de benoeming minstens vijf jaar belast zijn met een onderwijsopdracht als lid van het academisch of onderwijzend personeel van een instelling die binnen het toepassingsgebied valt van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, en die ten hoogste drie jaar voor de benoeming is beëindigd;
2° een grondige kennis hebben van het hoger onderwijs;
3° een grondige kennis hebben van de beroepsprocedures in het hoger onderwijs.]2
§ 3. De Vlaamse Regering verklaart de functie van bestuursrechter vacant.
§ 4. De kandidaten worden geselecteerd door een selectiecommissie. De selectie beoogt de bekwaamheid die vereist is voor de uitoefening van het ambt van bestuursrechter te beoordelen. De algemene vergadering bepaalt de samenstelling van de selectiecommissie. De selectiecommissie stelt het programma van de selectieproef vast en legt dat ter bekrachtiging voor aan de algemene vergadering.
De algemene vergadering brengt op grond van de beoordeling van de kandidaten een gemotiveerde voordracht uit aan de Vlaamse Regering, nadat ze de respectieve aanspraken en verdiensten van de kandidaten, die geslaagd zijn voor de selectieproef, vermeld in het eerste lid, heeft vergeleken, aangevuld met een interview met de batig gerangschikte kandidaten.
In afwijking van het eerste lid, kan de algemene vergadering beslissen om geen selectieproef te organiseren voor de aanvullende bestuursrechters.
§ 5. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de toepassing van deze bepalingen, waaronder de nadere regels voor de oproep tot de kandidaat-bestuursrechters.
Art. 49. § 1er. Le Gouvernement flamand nomme les juges administratifs effectifs à vie auprès d'une juridiction administrative flamande, sur la proposition de l'assemblée générale.
Les juges administratifs effectifs répondent au minimum aux conditions de nomination suivantes :
1° être détenteur du diplôme de licencié ou de master en droit ;
2° avoir une connaissance approfondie et au moins dix années d'expérience utile dans les domaines du droit flamand en matière d'aménagement du territoire et du droit environnemental flamand ;
3° posséder une connaissance approfondie de la procédure et de la protection juridique dans des affaires administratives ou judiciaires.
[1 4° avoir une connaissance approfondie du droit d'expropriation flamand.]1
[2 Par dérogation à l'alinéa 2, les juges administratifs effectifs nommés à la juridiction administrative flamande visée à l'article 2, 1°, d), remplissent au moins toutes les conditions de nomination suivantes :
1° être titulaire d'une licence ou d'une maîtrise en droit ;
2° posséder une connaissance approfondie du droit flamand de l'enseignement ;
3° posséder une connaissance approfondie de la procédure et de la protection juridique dans les matières administratives ou juridiques.]2
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, alinéa premier, le Gouvernement flamand peut nommer auprès de la juridiction administrative flamande, visée à l'article 2, 1°, c), des juges administratifs complémentaires, sur la proposition de l'assemblée générale, pour une période de six ans qui est renouvelable.
Par dérogation au paragraphe 1er, alinéa deux, nul ne peut être nommé comme juge administratif complémentaire [2 à la juridiction administrative flamande visée à l'article 2, 1°, c),]2 s'il ne peut démontrer son expertise dans le domaine du droit public, des sciences politiques ou des sciences administratives.
[2 Outre les juges administratifs effectifs, le Gouvernement flamand peut nommer des juges administratifs complémentaires à la juridiction administrative flamande visée à l'article 2, 1°, d), sur proposition de l'assemblée générale pour une période renouvelable de six ans.
Nul ne peut être nommé juge administratif complémentaire à la juridiction administrative flamande visée à l'article 2, 1°, d), à moins qu'il ne remplisse au moins les conditions de nomination visées au paragraphe 1er, alinéa 3.
Le Gouvernement flamand nomme les assesseurs de la juridiction administrative flamande visée à l'article 2, 1°, d), sur proposition de l'assemblée générale, pour une période renouvelable de six ans.
Les assesseurs nommés à la juridiction administrative flamande visée à l'article 2, 1°, d), remplissent au moins toutes les conditions de nomination suivantes :
1° au moment de la nomination, avoir été chargé d'une mission d'enseignement pendant au moins cinq ans en tant que membre du personnel académique ou enseignant d'un établissement relevant du Code de l'enseignement supérieur du 11 octobre 2013, qui s'est achevée au plus tard trois ans avant la nomination ;
2° posséder une connaissance approfondie de l'enseignement supérieur ;
3° posséder une connaissance approfondie des procédures de recours dans l'enseignement supérieur.]2
§ 3. Le Gouvernement flamand déclare vacante la fonction de juge administratif.
§ 4. Les candidats sont sélectionnés par une commission de sélection. La sélection vise à évaluer les capacités requises pour l'exercice de la fonction de juge administratif. L'assemblée générale fixe la composition de la commission de sélection. La commission de sélection établit le programme de l'épreuve de sélection et le soumet à la ratification de l'assemblée générale.
Sur la base de l'évaluation des candidats, l'assemblée générale émet une proposition motivée au Gouvernement flamand, après avoir comparé les prétentions et mérites respectifs des candidats qui ont réussi l'épreuve de sélection, visée à l'alinéa premier, complétée par un interview avec les candidats classés favorablement.
Par dérogation à l'alinéa premier, l'assemblée générale peut décider de ne pas organiser une épreuve de sélection pour les juges administratifs complémentaires.
§ 5. Le Gouvernement flamand arrête les modalités relatives à l'application de ces dispositions, y compris les modalités relatives à l'appel aux candidats juges administratifs.
Les juges administratifs effectifs répondent au minimum aux conditions de nomination suivantes :
1° être détenteur du diplôme de licencié ou de master en droit ;
2° avoir une connaissance approfondie et au moins dix années d'expérience utile dans les domaines du droit flamand en matière d'aménagement du territoire et du droit environnemental flamand ;
3° posséder une connaissance approfondie de la procédure et de la protection juridique dans des affaires administratives ou judiciaires.
[1 4° avoir une connaissance approfondie du droit d'expropriation flamand.]1
[2 Par dérogation à l'alinéa 2, les juges administratifs effectifs nommés à la juridiction administrative flamande visée à l'article 2, 1°, d), remplissent au moins toutes les conditions de nomination suivantes :
1° être titulaire d'une licence ou d'une maîtrise en droit ;
2° posséder une connaissance approfondie du droit flamand de l'enseignement ;
3° posséder une connaissance approfondie de la procédure et de la protection juridique dans les matières administratives ou juridiques.]2
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, alinéa premier, le Gouvernement flamand peut nommer auprès de la juridiction administrative flamande, visée à l'article 2, 1°, c), des juges administratifs complémentaires, sur la proposition de l'assemblée générale, pour une période de six ans qui est renouvelable.
Par dérogation au paragraphe 1er, alinéa deux, nul ne peut être nommé comme juge administratif complémentaire [2 à la juridiction administrative flamande visée à l'article 2, 1°, c),]2 s'il ne peut démontrer son expertise dans le domaine du droit public, des sciences politiques ou des sciences administratives.
[2 Outre les juges administratifs effectifs, le Gouvernement flamand peut nommer des juges administratifs complémentaires à la juridiction administrative flamande visée à l'article 2, 1°, d), sur proposition de l'assemblée générale pour une période renouvelable de six ans.
Nul ne peut être nommé juge administratif complémentaire à la juridiction administrative flamande visée à l'article 2, 1°, d), à moins qu'il ne remplisse au moins les conditions de nomination visées au paragraphe 1er, alinéa 3.
Le Gouvernement flamand nomme les assesseurs de la juridiction administrative flamande visée à l'article 2, 1°, d), sur proposition de l'assemblée générale, pour une période renouvelable de six ans.
Les assesseurs nommés à la juridiction administrative flamande visée à l'article 2, 1°, d), remplissent au moins toutes les conditions de nomination suivantes :
1° au moment de la nomination, avoir été chargé d'une mission d'enseignement pendant au moins cinq ans en tant que membre du personnel académique ou enseignant d'un établissement relevant du Code de l'enseignement supérieur du 11 octobre 2013, qui s'est achevée au plus tard trois ans avant la nomination ;
2° posséder une connaissance approfondie de l'enseignement supérieur ;
3° posséder une connaissance approfondie des procédures de recours dans l'enseignement supérieur.]2
§ 3. Le Gouvernement flamand déclare vacante la fonction de juge administratif.
§ 4. Les candidats sont sélectionnés par une commission de sélection. La sélection vise à évaluer les capacités requises pour l'exercice de la fonction de juge administratif. L'assemblée générale fixe la composition de la commission de sélection. La commission de sélection établit le programme de l'épreuve de sélection et le soumet à la ratification de l'assemblée générale.
Sur la base de l'évaluation des candidats, l'assemblée générale émet une proposition motivée au Gouvernement flamand, après avoir comparé les prétentions et mérites respectifs des candidats qui ont réussi l'épreuve de sélection, visée à l'alinéa premier, complétée par un interview avec les candidats classés favorablement.
Par dérogation à l'alinéa premier, l'assemblée générale peut décider de ne pas organiser une épreuve de sélection pour les juges administratifs complémentaires.
§ 5. Le Gouvernement flamand arrête les modalités relatives à l'application de ces dispositions, y compris les modalités relatives à l'appel aux candidats juges administratifs.
(NOTA : bij arrest nr 152/2015 van 29-10-2015 (B.St. 22-12-2015, p. 76911-76924), heeft het Grondwettelijk Hof artikel 49, §4, laatste lid, vernietigd)
(NOTE : par son arrêt n° 152/2015 du 29-10-2015 (M.B. 22-12-2015, p. 76924-76937), la Cour Constitutionnelle a annulé l'article 49, § 4, dernier alinéa)
Art. 49/1. [1 Ten hoogste twee derde van de door de Vlaamse Regering benoemde leden van het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), mag van hetzelfde geslacht zijn.
Als geen enkele kandidaat van het ondervertegenwoordigde geslacht batig gerangschikt is na de selectieprocedure, vermeld in artikel 49, kan bij de voordracht gemotiveerd worden afgeweken van de verplichting, vermeld in het eerste lid, op grond van de aanspraken en verdiensten van de voorgedragen kandidaat van het andere geslacht.]1
Als geen enkele kandidaat van het ondervertegenwoordigde geslacht batig gerangschikt is na de selectieprocedure, vermeld in artikel 49, kan bij de voordracht gemotiveerd worden afgeweken van de verplichting, vermeld in het eerste lid, op grond van de aanspraken en verdiensten van de voorgedragen kandidaat van het andere geslacht.]1
Art. 49/1. [1 Deux tiers au plus des membres de la juridiction administrative flamande administrative flamande visée à l'article 2, 1°, d), nommés par le Gouvernement flamand, peuvent être du même sexe.
Si aucun candidat du sexe sous-représenté n'est classé en ordre utile après la procédure de sélection visée à l'article 49, il peut être dérogé à l'obligation visée à l'alinéa 1er, lors de la présentation, de manière motivée, sur la base des titres et mérites du candidat proposé de l'autre sexe.]1
Si aucun candidat du sexe sous-représenté n'est classé en ordre utile après la procédure de sélection visée à l'article 49, il peut être dérogé à l'obligation visée à l'alinéa 1er, lors de la présentation, de manière motivée, sur la base des titres et mérites du candidat proposé de l'autre sexe.]1
Art. 50. De bestuursrechters nemen hun ambt op nadat ze in handen van [1 de functioneel bevoegde Vlaamse minister]1 de volgende eed hebben afgelegd: "Ik zweer de verplichtingen van mijn ambt na te komen".
Art. 50. Les juges administratifs prennent leur fonction après qu'ils aient prêté le serment suivant entre les mains [1 du Ministre flamand responsable au niveau fonctionnel]1 : " Je jure d'être fidèle aux obligations de ma fonction ".
Art. 51. [1 De effectieve bestuursrechter wordt voltijds benoemd.]1
Het ambt van effectief bestuursrechter is onverenigbaar met de uitoefening van om het even welke andere bezoldigde activiteit of functie of mandaat. De algemene vergadering kan de uitoefening van bepaalde activiteiten, functies of mandaten toestaan of de toestemming opheffen.
Het ambt van effectief bestuursrechter is onverenigbaar met elke activiteit die hij zelf of via een tussenpersoon verricht en waardoor ofwel:
1° de functieplichten niet kunnen worden vervuld;
2° de waardigheid van de functie in het gedrang komt en/of het vertrouwen van het publiek in de dienst wordt aangetast;
3° de eigen onafhankelijkheid wordt aangetast;
4° een conflict tussen tegenstrijdige belangen ontstaat.
Het ambt van aanvullend bestuursrechter [1 bij het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, c),]1 is onverenigbaar met een politiek mandaat, met een beroepsactiviteit die de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de aanvullende bestuursrechter in het gedrang brengt en met elke activiteit die leidt tot tegenstrijdige belangen.
[1 Het ambt van aanvullende bestuursrechter of bijzitter bij het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), is onverenigbaar met een beroepsactiviteit die de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de bestuursrechter in het gedrang brengt en met elke activiteit die leidt tot tegenstrijdige belangen.]1
Het ambt van effectief bestuursrechter is onverenigbaar met de uitoefening van om het even welke andere bezoldigde activiteit of functie of mandaat. De algemene vergadering kan de uitoefening van bepaalde activiteiten, functies of mandaten toestaan of de toestemming opheffen.
Het ambt van effectief bestuursrechter is onverenigbaar met elke activiteit die hij zelf of via een tussenpersoon verricht en waardoor ofwel:
1° de functieplichten niet kunnen worden vervuld;
2° de waardigheid van de functie in het gedrang komt en/of het vertrouwen van het publiek in de dienst wordt aangetast;
3° de eigen onafhankelijkheid wordt aangetast;
4° een conflict tussen tegenstrijdige belangen ontstaat.
Het ambt van aanvullend bestuursrechter [1 bij het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, c),]1 is onverenigbaar met een politiek mandaat, met een beroepsactiviteit die de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de aanvullende bestuursrechter in het gedrang brengt en met elke activiteit die leidt tot tegenstrijdige belangen.
[1 Het ambt van aanvullende bestuursrechter of bijzitter bij het Vlaamse bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, d), is onverenigbaar met een beroepsactiviteit die de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de bestuursrechter in het gedrang brengt en met elke activiteit die leidt tot tegenstrijdige belangen.]1
Art. 51. [1 Le juge administratif effectif sera nommé à temps plein.]1
La fonction de juge administratif effectif est incompatible avec l'exercice de n'importe quelle autre activité, fonction ou mandat rémunérés. L'assemblée générale peut autoriser ou abroger l'autorisation de l'exercice de certains activités, fonctions ou mandats.
La fonction de juge administratif effectif est incompatible avec toute activité qu'il accomplit lui-même ou par un intermédiaire et qui :
1° l'empêche d'accomplir les devoirs de sa fonction ;
2° compromet la dignité de la fonction et/ou porte atteinte à la confiance du public en le service ;
3° sa propre indépendance est atteinte ;
4° donne lieu à un conflit d'intérêts.
La fonction de juge administratif complémentaire [1 à la juridiction administrative flamande visée à l'article 2, 1°, c),]1 est incompatible avec un mandat politique, avec une activité professionnelle compromettant l'impartialité et l'indépendance du juge administratif complémentaire et avec toute activité entraînant des intérêts contradictoires.
[1 La fonction de juge administratif complémentaire ou d'assesseur à la juridiction administrative flamande visée à l'article 2, 1°, d), est incompatible avec une activité professionnelle qui compromet l'impartialité et l'indépendance du juge administratif et avec toute activité qui conduit à des conflits d'intérêts.]1
La fonction de juge administratif effectif est incompatible avec l'exercice de n'importe quelle autre activité, fonction ou mandat rémunérés. L'assemblée générale peut autoriser ou abroger l'autorisation de l'exercice de certains activités, fonctions ou mandats.
La fonction de juge administratif effectif est incompatible avec toute activité qu'il accomplit lui-même ou par un intermédiaire et qui :
1° l'empêche d'accomplir les devoirs de sa fonction ;
2° compromet la dignité de la fonction et/ou porte atteinte à la confiance du public en le service ;
3° sa propre indépendance est atteinte ;
4° donne lieu à un conflit d'intérêts.
La fonction de juge administratif complémentaire [1 à la juridiction administrative flamande visée à l'article 2, 1°, c),]1 est incompatible avec un mandat politique, avec une activité professionnelle compromettant l'impartialité et l'indépendance du juge administratif complémentaire et avec toute activité entraînant des intérêts contradictoires.
[1 La fonction de juge administratif complémentaire ou d'assesseur à la juridiction administrative flamande visée à l'article 2, 1°, d), est incompatible avec une activité professionnelle qui compromet l'impartialité et l'indépendance du juge administratif et avec toute activité qui conduit à des conflits d'intérêts.]1
Afdeling 2. - Bezoldiging
Section 2. - Rémunération
Art. 52. De eerste voorzitter ontvangt een salaris in de schaal A311, een mandaattoelage klasse B, alsook de andere toelagen, vergoedingen en sociale voordelen, vermeld in het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006, met uitzondering van de prestatietoelagen.
De effectieve bestuursrechter ontvangt een salaris in de schaal A311, alsook de toelagen, vergoedingen en sociale voordelen, vermeld in het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006, met uitzondering van de prestatietoelagen.
De diensten en de ervaring van de eerste voorzitter en de effectieve bestuursrechters worden in aanmerking genomen voor hun geldelijke anciënniteit als vermeld in artikel VII 2 van het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006.
De voorzitter van het Vlaams bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, c), ontvangt een forfaitaire vergoeding per zitting van de algemene vergadering en de aanvullende bestuursrechter [1 en de bijzitter]1, vermeld in artikel 49, § 2, ontvangt een forfaitaire vergoeding per zitting van het bestuursrechtscollege. Het bedrag wordt door de Vlaamse Regering vastgesteld. Ze maken ook aanspraak op de terugbetaling van reis- en verblijfkosten, vermeld in het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006.
De effectieve bestuursrechter ontvangt een salaris in de schaal A311, alsook de toelagen, vergoedingen en sociale voordelen, vermeld in het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006, met uitzondering van de prestatietoelagen.
De diensten en de ervaring van de eerste voorzitter en de effectieve bestuursrechters worden in aanmerking genomen voor hun geldelijke anciënniteit als vermeld in artikel VII 2 van het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006.
De voorzitter van het Vlaams bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, c), ontvangt een forfaitaire vergoeding per zitting van de algemene vergadering en de aanvullende bestuursrechter [1 en de bijzitter]1, vermeld in artikel 49, § 2, ontvangt een forfaitaire vergoeding per zitting van het bestuursrechtscollege. Het bedrag wordt door de Vlaamse Regering vastgesteld. Ze maken ook aanspraak op de terugbetaling van reis- en verblijfkosten, vermeld in het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006.
Art. 52. Le premier président reçoit un traitement dans l'échelle A311, une allocation de mandat classe B, ainsi que les autres allocations, indemnités et avantages sociaux, visés au statut du personnel flamand du 13 janvier 2006, à l'exception des allocations de prestation.
Le juge administratif effectif reçoit un traitement dans l'échelle A311, ainsi que les allocations, indemnités et avantages sociaux, visés au statut du personnel flamand du 13 janvier 2006, à l'exception des allocations de prestation.
Les services et l'expérience du premier président et des juges administratifs effectifs sont pris en compte pour leur ancienneté pécuniaire telle que visée à l'article VII 2 du statut du personnel flamand du 13 janvier 2006.
Le président de la juridiction administrative flamande, visée à l'article 2, 1°, c), reçoit une indemnité forfaitaire par séance de l'assemblée générale, et le juge administratif complémentaire, [1 et l'assesseur]1 visé à l'article 49, § 2, reçoit une indemnité forfaitaire par séance de la juridiction administrative. Le montant est fixé par le Gouvernement flamand. Ils prétendent également au remboursement des frais de parcours et de séjour, visés au statut du personnel flamand du 13 janvier 2006.
Le juge administratif effectif reçoit un traitement dans l'échelle A311, ainsi que les allocations, indemnités et avantages sociaux, visés au statut du personnel flamand du 13 janvier 2006, à l'exception des allocations de prestation.
Les services et l'expérience du premier président et des juges administratifs effectifs sont pris en compte pour leur ancienneté pécuniaire telle que visée à l'article VII 2 du statut du personnel flamand du 13 janvier 2006.
Le président de la juridiction administrative flamande, visée à l'article 2, 1°, c), reçoit une indemnité forfaitaire par séance de l'assemblée générale, et le juge administratif complémentaire, [1 et l'assesseur]1 visé à l'article 49, § 2, reçoit une indemnité forfaitaire par séance de la juridiction administrative. Le montant est fixé par le Gouvernement flamand. Ils prétendent également au remboursement des frais de parcours et de séjour, visés au statut du personnel flamand du 13 janvier 2006.
Afdeling 3. - Ontslag en opruststelling
Section 3. - Démission et mise à la retraite
Art. 53. De bestuursrechters kunnen op ieder moment ontslag nemen. Ze blijven evenwel hun functie uitoefenen, tot ze zijn vervangen, maximaal gedurende zes maanden.
Een effectieve bestuursrechter houdt op zijn ambt uit te oefenen en wordt op rust gesteld door de algemene vergadering op een van de volgende momenten:
1° op het einde van de maand waarin hij de leeftijd van zevenenzestig jaar bereikt;
2° na advies van een medische dienst, die expertise heeft inzake vervroegde pensionering, als hij niet meer in staat is zijn ambt naar behoren te vervullen wegens zware en blijvende gebrekkigheid. De Vlaamse Regering stelt hiervoor de nadere regels vast.
[1 Op zijn verzoek en op gemotiveerd advies van de eerste voorzitter kan de Vlaamse Regering een effectieve bestuursrechter die de leeftijd van zevenenzestig jaar heeft bereikt, machtigen om zijn ambt verder uit te oefenen tot de bestuursrechter de leeftijd van zeventig jaar heeft bereikt.]1
[1 De machtiging, vermeld in het derde lid, is een jaar geldig en kan worden hernieuwd.
De bestuursrechter die zijn ambt verder wil uitoefenen nadat hij de leeftijd van zevenenzestig jaar heeft bereikt, dient daarvoor ten vroegste achttien maanden vóór de dag waarop hij de leeftijd van zevenenzestig jaar heeft bereikt en uiterlijk negen maanden voor die dag een verzoek in bij de eerste voorzitter.
De bestuursrechter die een verzoek om hernieuwing van de machtiging wil indienen dient dat uiterlijk zes maanden voor het verstrijken van de vorige machtiging in.
De bestuursrechter bezorgt tegelijkertijd een kopie van zijn verzoek, of in voorkomend geval van zijn verzoek om hernieuwing, aan de Vlaamse Regering.
De eerste voorzitter bezorgt zijn gemotiveerd advies binnen een termijn van een maand aan de Vlaamse Regering.]1
Een effectieve bestuursrechter houdt op zijn ambt uit te oefenen en wordt op rust gesteld door de algemene vergadering op een van de volgende momenten:
1° op het einde van de maand waarin hij de leeftijd van zevenenzestig jaar bereikt;
2° na advies van een medische dienst, die expertise heeft inzake vervroegde pensionering, als hij niet meer in staat is zijn ambt naar behoren te vervullen wegens zware en blijvende gebrekkigheid. De Vlaamse Regering stelt hiervoor de nadere regels vast.
[1 Op zijn verzoek en op gemotiveerd advies van de eerste voorzitter kan de Vlaamse Regering een effectieve bestuursrechter die de leeftijd van zevenenzestig jaar heeft bereikt, machtigen om zijn ambt verder uit te oefenen tot de bestuursrechter de leeftijd van zeventig jaar heeft bereikt.]1
[1 De machtiging, vermeld in het derde lid, is een jaar geldig en kan worden hernieuwd.
De bestuursrechter die zijn ambt verder wil uitoefenen nadat hij de leeftijd van zevenenzestig jaar heeft bereikt, dient daarvoor ten vroegste achttien maanden vóór de dag waarop hij de leeftijd van zevenenzestig jaar heeft bereikt en uiterlijk negen maanden voor die dag een verzoek in bij de eerste voorzitter.
De bestuursrechter die een verzoek om hernieuwing van de machtiging wil indienen dient dat uiterlijk zes maanden voor het verstrijken van de vorige machtiging in.
De bestuursrechter bezorgt tegelijkertijd een kopie van zijn verzoek, of in voorkomend geval van zijn verzoek om hernieuwing, aan de Vlaamse Regering.
De eerste voorzitter bezorgt zijn gemotiveerd advies binnen een termijn van een maand aan de Vlaamse Regering.]1
Art. 53. Les juges administratifs peuvent démissionner à tout moment. Ils continuent toutefois à exercer leur fonction jusqu'à ce qu'ils soient remplacés, pendant six mois au maximum.
Un juge administratif effectif cesse d'exercer sa fonction et est mis à la retraite par l'assemblée générale à un des moments suivants :
1° à la fin du mois auquel il atteint l'âge de soixante-sept ans ;
2° après l'avis d'un service médical qui dispose de l'expertise en matière de mise à la retraite anticipée, s'il n'est plus capable d'exercer convenablement ses fonctions à cause d'une infirmité grave et permanente. Le Gouvernement flamand arrête les modalités en la matière.
[1 A sa demande et sur la proposition du premier président, le Gouvernement flamand peut autoriser un juge administratif effectif qui a atteint l'âge de soixante-sept ans, à continuer à exercer sa fonction jusqu'à ce que le juge administratif ait atteint l'âge de septante ans]1.
[1 L'autorisation, visée à l'alinéa trois, vaut pour une période d'un an, et peut être renouvelée.
Le juge administratif qui souhaite continuer à exercer sa fonction après avoir atteint l'âge de soixante-sept ans, introduit à cet effet une demande auprès du premier président, au plus tôt dix-huit mois avant le jour auquel il a atteint l'âge de soixante-sept ans et au plus tard neuf mois avant ce jour.
Le juge administratif qui souhaite introduire une demande de renouvellement de l'autorisation, doit l'introduire au plus tard six mois avant l'expiration de l'autorisation précédente.
En même temps, le juge administratif transmet une copie de sa demande, ou le cas échéant de sa demande de renouvellement, au Gouvernement flamand.
Le premier président transmet son avis motivé au Gouvernement flamand dans le délai d'un mois.]1
Un juge administratif effectif cesse d'exercer sa fonction et est mis à la retraite par l'assemblée générale à un des moments suivants :
1° à la fin du mois auquel il atteint l'âge de soixante-sept ans ;
2° après l'avis d'un service médical qui dispose de l'expertise en matière de mise à la retraite anticipée, s'il n'est plus capable d'exercer convenablement ses fonctions à cause d'une infirmité grave et permanente. Le Gouvernement flamand arrête les modalités en la matière.
[1 A sa demande et sur la proposition du premier président, le Gouvernement flamand peut autoriser un juge administratif effectif qui a atteint l'âge de soixante-sept ans, à continuer à exercer sa fonction jusqu'à ce que le juge administratif ait atteint l'âge de septante ans]1.
[1 L'autorisation, visée à l'alinéa trois, vaut pour une période d'un an, et peut être renouvelée.
Le juge administratif qui souhaite continuer à exercer sa fonction après avoir atteint l'âge de soixante-sept ans, introduit à cet effet une demande auprès du premier président, au plus tôt dix-huit mois avant le jour auquel il a atteint l'âge de soixante-sept ans et au plus tard neuf mois avant ce jour.
Le juge administratif qui souhaite introduire une demande de renouvellement de l'autorisation, doit l'introduire au plus tard six mois avant l'expiration de l'autorisation précédente.
En même temps, le juge administratif transmet une copie de sa demande, ou le cas échéant de sa demande de renouvellement, au Gouvernement flamand.
Le premier président transmet son avis motivé au Gouvernement flamand dans le délai d'un mois.]1
Afdeling 4. - De evaluatie van de effectieve bestuursrechters en de eerste voorzitter
Section 4. - L'évaluation des juges administratifs effectifs et du premier président
Art. 54. § 1. De effectieve bestuursrechters en de eerste voorzitter krijgen een gemotiveerde schriftelijke en beschrijvende evaluatie.
De evaluatie omvat geen einduitspraak, behalve als de evaluator oordeelt dat de geëvalueerde de uitspraak `onvoldoende' krijgt.
De evaluatie van de effectieve bestuursrechter vindt de eerste keer plaats binnen drie maanden na het verstrijken van één jaar na de eedaflegging en vervolgens binnen drie maanden na het verstrijken van de evaluatieperiode van drie jaar. Er kan vroegtijdig een nieuwe tussentijdse evaluatie gehouden worden als zich sedert de laatste evaluatie bijzondere negatieve feiten hebben voorgedaan of als bijzondere negatieve vaststellingen zijn gedaan.
De evaluatie van de eerste voorzitter vindt de eerste keer plaats binnen drie maanden na het verstrijken van een jaar na de eerste aanstelling en vervolgens binnen drie maanden na het verstrijken van de evaluatieperiode van drie jaar. Er kan vroegtijdig een nieuwe tussentijdse evaluatie gehouden worden als zich sedert de laatste evaluatie bijzondere negatieve feiten hebben voorgedaan of als bijzondere negatieve vaststellingen zijn gedaan.
§ 2. De evaluatie slaat op de wijze van ambtsuitoefening en wordt gehouden op grond van criteria die betrekking hebben op de persoonlijkheid en de intellectuele, professionele en organisatorische capaciteiten, met in begrip van de kwaliteit van de geleverde prestaties zonder dat daardoor afbreuk wordt gedaan aan de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de bestuursrechter. De Vlaamse Regering stelt de evaluatiecriteria vast na het advies van de algemene vergadering te hebben gevraagd.
De eerste voorzitter evalueert de effectieve bestuursrechter. Het evaluatiecollege, dat bestaat uit de drie oudste effectieve bestuursrechters, evalueert de eerste voorzitter.
De evaluatie omvat geen einduitspraak, behalve als de evaluator oordeelt dat de geëvalueerde de uitspraak `onvoldoende' krijgt.
De evaluatie van de effectieve bestuursrechter vindt de eerste keer plaats binnen drie maanden na het verstrijken van één jaar na de eedaflegging en vervolgens binnen drie maanden na het verstrijken van de evaluatieperiode van drie jaar. Er kan vroegtijdig een nieuwe tussentijdse evaluatie gehouden worden als zich sedert de laatste evaluatie bijzondere negatieve feiten hebben voorgedaan of als bijzondere negatieve vaststellingen zijn gedaan.
De evaluatie van de eerste voorzitter vindt de eerste keer plaats binnen drie maanden na het verstrijken van een jaar na de eerste aanstelling en vervolgens binnen drie maanden na het verstrijken van de evaluatieperiode van drie jaar. Er kan vroegtijdig een nieuwe tussentijdse evaluatie gehouden worden als zich sedert de laatste evaluatie bijzondere negatieve feiten hebben voorgedaan of als bijzondere negatieve vaststellingen zijn gedaan.
§ 2. De evaluatie slaat op de wijze van ambtsuitoefening en wordt gehouden op grond van criteria die betrekking hebben op de persoonlijkheid en de intellectuele, professionele en organisatorische capaciteiten, met in begrip van de kwaliteit van de geleverde prestaties zonder dat daardoor afbreuk wordt gedaan aan de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de bestuursrechter. De Vlaamse Regering stelt de evaluatiecriteria vast na het advies van de algemene vergadering te hebben gevraagd.
De eerste voorzitter evalueert de effectieve bestuursrechter. Het evaluatiecollege, dat bestaat uit de drie oudste effectieve bestuursrechters, evalueert de eerste voorzitter.
Art. 54. § 1er. Les juges administratifs effectifs et le premier président reçoivent une évaluation écrite et descriptive motivée.
L'évaluation ne comprend pas de jugement final, sauf si l'évaluateur estime que la mention 'insuffisant' doit être attribuée à l'évalué.
L'évaluation du juge administratif effectif a lieu pour la première fois dans les trois mois après l'expiration d'un an après la prestation de serment et ensuite dans les trois mois après l'expiration de la période d'évaluation de trois années. Une nouvelle évaluation intérimaire précoce peut être tenue si des faits négatifs particuliers se sont produits ou si des constatations négatives particulières ont été faites depuis la dernière évaluation.
L'évaluation du premier président a lieu pour la première fois dans les trois mois après l'expiration d'un an après la première désignation et ensuite dans les trois mois après l'expiration de la période d'évaluation de trois années. Une nouvelle évaluation intérimaire précoce peut être tenue si des faits négatifs particuliers se sont produits ou si des constatations négatives particulières ont été faites depuis la dernière évaluation.
§ 2. L'évaluation concerne le mode d'exercice de la fonction et est faite sur la base de critères relatifs à la personnalité ainsi qu'aux capacités intellectuelles, professionnels et organisationnelles, y compris la qualité des prestations fournies sans qu'il soit porté préjudice à l'indépendance et l'impartialité du juge administratif. Le Gouvernement flamand établit les critères d'évaluation après avoir demandé l'avis de l'assemblée générale.
Le premier président évalue le juge administratif effectif. Le collège d'évaluation, qui se compose des trois juges administratifs effectifs les plus âgés, évalue le premier président.
L'évaluation ne comprend pas de jugement final, sauf si l'évaluateur estime que la mention 'insuffisant' doit être attribuée à l'évalué.
L'évaluation du juge administratif effectif a lieu pour la première fois dans les trois mois après l'expiration d'un an après la prestation de serment et ensuite dans les trois mois après l'expiration de la période d'évaluation de trois années. Une nouvelle évaluation intérimaire précoce peut être tenue si des faits négatifs particuliers se sont produits ou si des constatations négatives particulières ont été faites depuis la dernière évaluation.
L'évaluation du premier président a lieu pour la première fois dans les trois mois après l'expiration d'un an après la première désignation et ensuite dans les trois mois après l'expiration de la période d'évaluation de trois années. Une nouvelle évaluation intérimaire précoce peut être tenue si des faits négatifs particuliers se sont produits ou si des constatations négatives particulières ont été faites depuis la dernière évaluation.
§ 2. L'évaluation concerne le mode d'exercice de la fonction et est faite sur la base de critères relatifs à la personnalité ainsi qu'aux capacités intellectuelles, professionnels et organisationnelles, y compris la qualité des prestations fournies sans qu'il soit porté préjudice à l'indépendance et l'impartialité du juge administratif. Le Gouvernement flamand établit les critères d'évaluation après avoir demandé l'avis de l'assemblée générale.
Le premier président évalue le juge administratif effectif. Le collège d'évaluation, qui se compose des trois juges administratifs effectifs les plus âgés, évalue le premier président.
Art. 55. De effectieve bestuursrechter en de eerste voorzitter kunnen op straffe van verval binnen een termijn van vijftien kalenderdagen na de kennisgeving van de evaluatie tegen de uitspraak `onvoldoende' beroep instellen bij de beroepscommissie.
De algemene vergadering bepaalt de samenstelling van de beroepscommissie. De eerste voorzitter en de leden van het evaluatiecollege die de evaluatie hebben gedaan, kunnen geen deel uitmaken van de beroepscommissie.
Het beroep, vermeld in het eerste lid, is opschortend.
De algemene vergadering bepaalt de samenstelling van de beroepscommissie. De eerste voorzitter en de leden van het evaluatiecollege die de evaluatie hebben gedaan, kunnen geen deel uitmaken van de beroepscommissie.
Het beroep, vermeld in het eerste lid, is opschortend.
Art. 55. Sous peine de déchéance, le juge administratif effectif et le premier président peuvent introduire un recours contre la mention 'insuffisant' auprès de la commission de recours, dans un délai de quinze jours calendaires suivant la notification de l'évaluation.
L'assemblée générale fixe la composition de la commission de recours. Le premier président et les membres du collège d'évaluation qui ont effectué l'évaluation, ne peuvent pas faire partie de la commission de recours.
Le recours, visé à l'alinéa premier, est suspensif.
L'assemblée générale fixe la composition de la commission de recours. Le premier président et les membres du collège d'évaluation qui ont effectué l'évaluation, ne peuvent pas faire partie de la commission de recours.
Le recours, visé à l'alinéa premier, est suspensif.
Art. 56. Als een effectieve bestuursrechter de evaluatie `onvoldoende' heeft gekregen, wordt hij opnieuw geëvalueerd na verloop van één jaar.
Als de effectieve bestuursrechter na een evaluatie `onvoldoende' bij een van de twee eerstvolgende evaluaties een tweede evaluatie `onvoldoende' krijgt, doet de algemene vergadering uitspraak bij arrest over het ontslag van de effectieve bestuursrechter.
Als de eerste voorzitter eenmaal de evaluatie `onvoldoende' heeft gekregen, wordt voortijdig een einde gesteld aan zijn mandaat.
De ontslagen effectieve bestuursrechter krijgt een vergoeding wegens ontslag. Die vergoeding is gelijk aan twaalf keer de laatste maandbezoldiging van de bestuursrechter als hij ten minste twintig jaar dienst heeft, aan acht keer of zes keer die bezoldiging naargelang de bestuursrechter tien jaar dienst of minder dan tien jaar dienst heeft.
Als de effectieve bestuursrechter na een evaluatie `onvoldoende' bij een van de twee eerstvolgende evaluaties een tweede evaluatie `onvoldoende' krijgt, doet de algemene vergadering uitspraak bij arrest over het ontslag van de effectieve bestuursrechter.
Als de eerste voorzitter eenmaal de evaluatie `onvoldoende' heeft gekregen, wordt voortijdig een einde gesteld aan zijn mandaat.
De ontslagen effectieve bestuursrechter krijgt een vergoeding wegens ontslag. Die vergoeding is gelijk aan twaalf keer de laatste maandbezoldiging van de bestuursrechter als hij ten minste twintig jaar dienst heeft, aan acht keer of zes keer die bezoldiging naargelang de bestuursrechter tien jaar dienst of minder dan tien jaar dienst heeft.
Art. 56. Si un juge administratif effectif a obtenu l'évaluation 'insuffisant', il est réévalué après un an.
Si, après une évaluation 'insuffisant', le juge administratif effectif obtient une deuxième évaluation 'insuffisant' lors d'une des deux évaluations suivantes, l'assemblée générale se prononce par arrêt sur le licenciement du juge administratif effectif.
Si le premier président a obtenu une fois l'évaluation 'insuffisant', il est mis prématurément fin à son mandat.
Le juge administratif effectif licencié reçoit une indemnité pour cause de licenciement. Cette indemnité égale douze fois la dernière rémunération mensuelle du juge administratif s'il compte au moins vingt années de service, huit fois ou six fois cette rémunération selon que le juge administratif compte dix années ou moins de dix années de service.
Si, après une évaluation 'insuffisant', le juge administratif effectif obtient une deuxième évaluation 'insuffisant' lors d'une des deux évaluations suivantes, l'assemblée générale se prononce par arrêt sur le licenciement du juge administratif effectif.
Si le premier président a obtenu une fois l'évaluation 'insuffisant', il est mis prématurément fin à son mandat.
Le juge administratif effectif licencié reçoit une indemnité pour cause de licenciement. Cette indemnité égale douze fois la dernière rémunération mensuelle du juge administratif s'il compte au moins vingt années de service, huit fois ou six fois cette rémunération selon que le juge administratif compte dix années ou moins de dix années de service.
Art. 57. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de evaluatie, waaronder ten minste de evaluatieprocedure en de beroepsprocedure.
Art. 57. Le Gouvernement flamand arrêté les modalités pour l'évaluation, y compris au moins la procédure d'évaluation et la procédure de recours.
Afdeling 5. - Tuchtregeling en ordemaatregel
Section 5. - Régime disciplinaire et mesure d'ordre
Art. 58. Tegen een effectieve bestuursrechter en de eerste voorzitter die zijn ambtsplichten verzuimt of door zijn gedrag afbreuk doet aan de waardigheid van het ambt, kunnen de volgende tuchtstraffen worden uitgesproken:
1° blaam;
2° inhouding van salaris;
3° tuchtschorsing;
4° ontslag van ambtswege;
5° afzetting.
De inhouding van salaris wordt toegepast gedurende ten hoogste drie maanden en mag niet meer bedragen dan een vijfde van de nettobezoldiging.
De tuchtschorsing wordt uitgesproken voor ten hoogste drie maanden en kan aanleiding geven tot een inhouding van salaris die niet hoger mag liggen dan een vijfde van de nettobezoldiging.
Tijdens de tuchtschorsing bevindt de effectieve bestuursrechter zich in de administratieve toestand non-activiteit met behoud van salaris, met behoud van de toepassing van het eerste lid.
Het ontslag van ambtswege en de afzetting hebben het verlies van de hoedanigheid van bestuursrechter tot gevolg.
1° blaam;
2° inhouding van salaris;
3° tuchtschorsing;
4° ontslag van ambtswege;
5° afzetting.
De inhouding van salaris wordt toegepast gedurende ten hoogste drie maanden en mag niet meer bedragen dan een vijfde van de nettobezoldiging.
De tuchtschorsing wordt uitgesproken voor ten hoogste drie maanden en kan aanleiding geven tot een inhouding van salaris die niet hoger mag liggen dan een vijfde van de nettobezoldiging.
Tijdens de tuchtschorsing bevindt de effectieve bestuursrechter zich in de administratieve toestand non-activiteit met behoud van salaris, met behoud van de toepassing van het eerste lid.
Het ontslag van ambtswege en de afzetting hebben het verlies van de hoedanigheid van bestuursrechter tot gevolg.
Art. 58. Les peines disciplinaires suivantes peuvent être prononcées contre un juge administratif effectif et le premier président qui omet de respecter les devoirs de sa fonction ou qui, par son comportement, porte préjudice à la dignité de sa fonction :
1° le blâme ;
2° la retenue de traitement ;
3° la suspension disciplinaire ;
4° la démission d'office ;
5° la révocation.
La retenue de traitement est appliquée pour une période de trois mois au maximum et ne peut excéder un cinquième de la rémunération nette.
La suspension disciplinaire est prononcée pour une période de trois mois au maximum et peut provoquer une retenue de traitement qui ne peut dépasser un cinquième de la rémunération nette.
Lors de la suspension disciplinaire, le juge administratif effectif se trouve dans une position administrative de non-activité avec maintien du traitement, sans préjudice de l'alinéa premier.
La démission d'office et la révocation entraînent la perte de la qualité de juge administratif.
1° le blâme ;
2° la retenue de traitement ;
3° la suspension disciplinaire ;
4° la démission d'office ;
5° la révocation.
La retenue de traitement est appliquée pour une période de trois mois au maximum et ne peut excéder un cinquième de la rémunération nette.
La suspension disciplinaire est prononcée pour une période de trois mois au maximum et peut provoquer une retenue de traitement qui ne peut dépasser un cinquième de la rémunération nette.
Lors de la suspension disciplinaire, le juge administratif effectif se trouve dans une position administrative de non-activité avec maintien du traitement, sans préjudice de l'alinéa premier.
La démission d'office et la révocation entraînent la perte de la qualité de juge administratif.
Art. 59. De tuchtoverheid, die bevoegd is om een tuchtprocedure in te stellen en een van de tuchtstraffen, vermeld in artikel 58, eerste lid, op te leggen, is:
1° de eerste voorzitter ten aanzien van de effectieve bestuursrechters;
2° het tuchtcollege, dat bestaat uit de drie oudste effectieve bestuursrechters, ten aanzien van de eerste voorzitter.
1° de eerste voorzitter ten aanzien van de effectieve bestuursrechters;
2° het tuchtcollege, dat bestaat uit de drie oudste effectieve bestuursrechters, ten aanzien van de eerste voorzitter.
Art. 59. L'autorité disciplinaire compétente d'engager une procédure disciplinaire et d'imposer une des peines disciplinaires, visées à l'article 58, alinéa premier, est :
1° le premier président à l'égard des juges administratifs effectifs ;
2° le collège disciplinaire, qui se compose des trois juges administratifs effectifs les plus âgés, à l'égard du premier président.
1° le premier président à l'égard des juges administratifs effectifs ;
2° le collège disciplinaire, qui se compose des trois juges administratifs effectifs les plus âgés, à l'égard du premier président.
Art. 60. De effectieve bestuursrechter en de eerste voorzitter kunnen op straffe van verval binnen een termijn van vijftien kalenderdagen na de kennisgeving van de uitgesproken tuchtstraf daartegen gemotiveerd beroep instellen bij de beroepscommissie.
De algemene vergadering bepaalt de samenstelling van de beroepscommissie. De eerste voorzitter en de leden van het tuchtcollege die de tuchtstraf in eerste instantie hebben uitgesproken kunnen geen deel uitmaken van de beroepscommissie.
De algemene vergadering bepaalt de samenstelling van de beroepscommissie. De eerste voorzitter en de leden van het tuchtcollege die de tuchtstraf in eerste instantie hebben uitgesproken kunnen geen deel uitmaken van de beroepscommissie.
Art. 60. Sous peine de déchéance, le juge administratif effectif et le premier président peuvent introduire un recours motivé contre la peine disciplinaire prononcée, auprès de la commission de recours dans un délai de quinze jours calendaires suivant la notification de ladite peine disciplinaire.
L'assemblée générale fixe la composition de la commission de recours. Le premier président et les membres du collège disciplinaire qui ont prononcé la peine disciplinaire en première instance, ne peuvent pas faire partie de la commission de recours.
L'assemblée générale fixe la composition de la commission de recours. Le premier président et les membres du collège disciplinaire qui ont prononcé la peine disciplinaire en première instance, ne peuvent pas faire partie de la commission de recours.
Art. 61. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de tuchtprocedure, waaronder ten minste de wijze waarop de tuchtprocedure wordt ingesteld en gevoerd, de wijze waarop beroep kan worden ingesteld en de beroepsprocedure wordt gevoerd, en de regels voor de doorhaling van de tuchtstraffen.
Art. 61. Le Gouvernement flamand arrête les modalités relatives à la procédure disciplinaire, y compris au moins la manière dont la procédure disciplinaire est entamée et menée, la manière dont un recours peut être introduit et la procédure de recours est menée, et les règles pour la radiation des peines disciplinaires.
Art. 62. Als de eerste voorzitter of een effectieve bestuursrechter wordt vervolgd wegens een misdaad of wanbedrijf of tuchtrechtelijk wordt vervolgd, kan hij in het belang van de dienst bij wijze van ordemaatregel uit zijn ambt worden geschorst voor de duur van de vervolging en tot de eindbeslissing is genomen.
De eerste voorzitter spreekt de schorsing van de effectieve bestuursrechter uit. Het tuchtcollege, dat bestaat uit de drie oudste effectieve bestuursrechters, spreekt de schorsing uit ten aanzien van de eerste voorzitter.
De effectieve bestuursrechter en de eerste voorzitter kunnen op straffe van verval binnen een termijn van vijftien kalenderdagen na de kennisgeving van de ordemaatregel daartegen gemotiveerd beroep instellen bij de beroepscommissie.
De algemene vergadering bepaalt de samenstelling van de beroepscommissie. De eerste voorzitter en de leden van het tuchtcollege die de schorsing in eerste instantie hebben uitgesproken kunnen geen deel uitmaken van de beroepscommissie.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de schorsing, waaronder ten minste de wijze waarop beroep kan worden ingesteld en de beroepsprocedure wordt gevoerd, alsook de gevolgen die verbonden zijn aan de schorsing.
De eerste voorzitter spreekt de schorsing van de effectieve bestuursrechter uit. Het tuchtcollege, dat bestaat uit de drie oudste effectieve bestuursrechters, spreekt de schorsing uit ten aanzien van de eerste voorzitter.
De effectieve bestuursrechter en de eerste voorzitter kunnen op straffe van verval binnen een termijn van vijftien kalenderdagen na de kennisgeving van de ordemaatregel daartegen gemotiveerd beroep instellen bij de beroepscommissie.
De algemene vergadering bepaalt de samenstelling van de beroepscommissie. De eerste voorzitter en de leden van het tuchtcollege die de schorsing in eerste instantie hebben uitgesproken kunnen geen deel uitmaken van de beroepscommissie.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de schorsing, waaronder ten minste de wijze waarop beroep kan worden ingesteld en de beroepsprocedure wordt gevoerd, alsook de gevolgen die verbonden zijn aan de schorsing.
Art. 62. Lorsque le premier président ou un juge administratif effectif fait l'objet d'une poursuite pour un crime ou un délit ou de poursuites disciplinaires, il peut être suspendu de sa fonction dans l'intérêt du service, à titre de mesure d'ordre, pour la durée de la poursuite et jusqu'à ce que la décision finale soit prise.
Le premier président prononce la suspension du juge administratif effectif. Le collège disciplinaire, qui se compose des trois juges administratifs effectifs les plus âgés, prononce la suspension à l'égard du premier président.
Sous peine de déchéance, le juge administratif effectif et le premier président peuvent introduire un recours motivé contre la mesure d'ordre, auprès de la commission de recours dans un délai de quinze jours calendaires suivant la notification de ladite mesure d'ordre.
L'assemblée générale fixe la composition de la commission de recours. Le premier président et les membres du collège disciplinaire qui ont prononcé la suspension en première instance, ne peuvent pas faire partie de la commission de recours.
Le Gouvernement flamand arrête les modalités relatives à la suspension, y compris au moins la manière dont un recours peut être introduit et la procédure de recours est menée, et les conséquences de la suspension.
Le premier président prononce la suspension du juge administratif effectif. Le collège disciplinaire, qui se compose des trois juges administratifs effectifs les plus âgés, prononce la suspension à l'égard du premier président.
Sous peine de déchéance, le juge administratif effectif et le premier président peuvent introduire un recours motivé contre la mesure d'ordre, auprès de la commission de recours dans un délai de quinze jours calendaires suivant la notification de ladite mesure d'ordre.
L'assemblée générale fixe la composition de la commission de recours. Le premier président et les membres du collège disciplinaire qui ont prononcé la suspension en première instance, ne peuvent pas faire partie de la commission de recours.
Le Gouvernement flamand arrête les modalités relatives à la suspension, y compris au moins la manière dont un recours peut être introduit et la procédure de recours est menée, et les conséquences de la suspension.
Afdeling 6. - Andere delen van de rechtspositieregeling van de bestuursrechter
Section 6. - Autres parties du statut du juge administratif
Art. 63. [1 De effectieve bestuursrechter kan gedurende zijn volledige loopbaan verlof voor deeltijdse prestaties krijgen als gunst. De arbeidsprestaties kunnen met toepassing van dat verlof ten hoogste worden verminderd tot 80% van een voltijdse betrekking. De effectieve bestuursrechter vraagt het verlof aan bij de voorzitter van het Vlaamse bestuursrechtscollege waarbij hij is benoemd. De voorzitter weigert het verlof als de goede werking van de dienst dit vereist.]1
Met behoud van de toepassing van de bepalingen die in dit decreet zijn opgenomen over de rechtspositieregeling van de bestuursrechter, bepaalt de Vlaamse Regering de overige delen van de rechtspositieregeling van de bestuursrechter, waaronder ten minste [1 de deontologische rechten en plichten, de verloven en de vereisten inzake beschikbaarheid van de bijzitters]1.
De Vlaamse Regering stelt de deontologische code vast op voorstel van de algemene vergadering.
Met behoud van de toepassing van de bepalingen die in dit decreet zijn opgenomen over de rechtspositieregeling van de bestuursrechter, bepaalt de Vlaamse Regering de overige delen van de rechtspositieregeling van de bestuursrechter, waaronder ten minste [1 de deontologische rechten en plichten, de verloven en de vereisten inzake beschikbaarheid van de bijzitters]1.
De Vlaamse Regering stelt de deontologische code vast op voorstel van de algemene vergadering.
Art. 63. [1 Le juge administratif effectif peut obtenir un congé pour prestations à temps partiel comme faveur pendant toute la durée de sa carrière. Les prestations de travail peuvent être réduites jusqu'à un maximum de 80 % d'un emploi à temps plein en application de ce congé. Le juge administratif effectif demande le congé au président de la juridiction administrative flamande à laquelle il a été nommé. Le président refuse le congé si le bon fonctionnement du service l'exige.]1
Sans préjudice de l'application des dispositions du présent décret relatives au statut du juge administratif, le Gouvernement flamand arrête les autres parties du statut du juge administratif, y compris au moins [1 les droits et devoirs déontologiques, les congés et les exigences en matière de disponibilité des assesseurs]1.
Le Gouvernement flamand établit le code de déontologie sur la proposition de l'assemblée générale.
Sans préjudice de l'application des dispositions du présent décret relatives au statut du juge administratif, le Gouvernement flamand arrête les autres parties du statut du juge administratif, y compris au moins [1 les droits et devoirs déontologiques, les congés et les exigences en matière de disponibilité des assesseurs]1.
Le Gouvernement flamand établit le code de déontologie sur la proposition de l'assemblée générale.
HOOFDSTUK 8. - Wijzigingsbepalingen
CHAPITRE 8. - Dispositions modificatives
Afdeling 1. - Wijzigingen van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
Section 1re. - Modifications au décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement
Art. 64. In artikel 16.4.19 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007 en gewijzigd bij de decreten van 30 april 2009 en 23 december 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt het derde lid opgeheven;
2° paragraaf 4 wordt opgeheven.
1° in paragraaf 1 wordt het derde lid opgeheven;
2° paragraaf 4 wordt opgeheven.
Art. 64. A l'article 16.4.19 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, inséré par le décret du 21 décembre 2007 et modifié par les décrets des 30 avril 2009 et 23 décembre 2010, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le paragraphe 1er, l'alinéa trois est abrogé ;
2° le paragraphe 4 est abrogé.
1° dans le paragraphe 1er, l'alinéa trois est abrogé ;
2° le paragraphe 4 est abrogé.
Art. 65. Artikel 16.4.20 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007, wordt opgeheven.
Art. 65. L'article 16.4.20 du même décret, inséré par le décret du 21 décembre 2007, est abrogé.
Art. 66. Artikel 16.4.21 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007 en vervangen bij het decreet van 23 december 2010, wordt opgeheven.
Art. 66. L'article 16.4.21 du même décret, inséré par le décret du 21 décembre 2007 et remplacé par le décret du 23 décembre 2010, est abrogé.
Art. 67. Artikel 16.4.22 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007 en gewijzigd bij het decreet van 30 april 2009, wordt opgeheven.
Art. 67. L'article 16.4.22 du même décret, inséré par le décret du 21 décembre 2007 et modifié par le décret du 30 avril 2009, est abrogé.
Art. 68. Artikel 16.4.24 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007 en vervangen bij het decreet van 23 december 2010, wordt opgeheven.
Art. 68. L'article 16.4.24 du même décret, inséré par le décret du 21 décembre 2007 et remplacé par le décret du 23 décembre 2010, est abrogé.
Art. 69. In artikel 16.4.39 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007 en vervangen bij het decreet van 23 december 2010, worden tussen het woord "opgelegd" en het woord "beroep" de woorden "binnen een termijn van dertig dagen na de kennisgeving van de bestreden beslissing" ingevoegd.
Art. 69. Dans l'article 16.4.39 du même décret, inséré par le décret du 21 décembre 2007 et remplacé par le décret du 23 décembre 2010, les mots " , dans un délai de trente jours suivant la notification de la décision contestée, " sont insérés entre les mots " par écrit " et les mots " auprès du ".
Art. 70. In artikel 16.4.44 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007 en vervangen bij het decreet van 23 december 2010, worden tussen het woord "opgelegd" en de zinsnede ", beroep" de woorden "binnen een termijn van dertig dagen na de kennisgeving van de bestreden beslissing" ingevoegd.
Art. 70. Dans l'article 16.4.44 du même décret, inséré par le décret du 21 décembre 2007 et remplacé par le décret du 23 décembre 2010, les mots " , dans un délai de trente jours suivant la notification de la décision contestée, " sont insérés entre les mots " par écrit " et les mots " auprès du ".
Art. 71. Artikel 16.4.62, 16.4.63 en 16.4.65 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007 en vervangen bij het decreet van 23 december 2010, worden opgeheven.
Art. 71. Les articles 16.4.62, 16.4.63 et 16.4.65 du même décret, insérés par le décret du 21 décembre 2007 et remplacés par le décret du 23 décembre 2010, sont abrogés.
Afdeling 2. - Wijzigingen van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
Section 2. - Modifications du décret du 19 décembre 2008 relatif à l'organisation des centres publics d'aide sociale
Art. 72. In artikel 15 van het decreet van 19 december 2008 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, gewijzigd bij de decreten van 8 juli 2011, 29 juni 2012 en 29 maart 2013 worden paragraaf 2 tot en met 9 opgeheven.
Art. 72. Dans l'article 15 du décret du 19 décembre 2008 relatif à l'organisation des centres publics d'aide sociale, modifié par les décrets des 8 juillet 2011, 29 juin 2012 et 29 mars 2013, les paragraphes 2 à 9 inclus sont abrogés.
Art. 73. In artikel 16, § 2, tweede lid, van hetzelfde decreet wordt de zinsnede "artikel 15, § 9," vervangen door de zinsnede "artikel 31, § 5, van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges".
Art. 73. Dans l'article 16, § 2, alinéa deux, du même décret, le membre de phrase " à l'article 15, § 9, " est remplacé par le membre de phrase " à l'article 31, § 5, du décret du 4 avril 2014 relatif à l'organisation et à la procédure de certaines juridictions administratives flamandes ".
Afdeling 3. - Wijzigingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening
Section 3. - Modifications du Code flamand de l'Aménagement du Territoire
Art. 74. Aan artikel 4.2.11, § 2, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, gewijzigd bij het decreet van 6 juli 2012, worden de woorden "en het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges" toegevoegd.
Art. 74. L'article 4.2.11, § 2, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire, modifié par le décret du 6 juillet 2012, est complété par les mots " et le décret du 4 avril 2014 relatif à l'organisation et à la procédure de certaines juridictions administratives flamandes ".
Art. 75. In artikel 4.8.1. van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 6 juli 2012, wordt het tweede lid opgeheven.
Art. 75. Dans l'article 4.8.1 du même code, remplacé par le décret du 6 juillet 2012, l'alinéa deux est abrogé.
Art. 76. In artikel 4.8.2. van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 6 juli 2012, worden het tweede en het derde lid opgeheven.
Art. 76. Dans l'article 4.8.2 du même code, remplacé par le décret du 6 juillet 2012, les alinéas deux et trois sont abrogés.
Art. 77. In titel IV, hoofdstuk VIII, afdeling 2, van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 6 juli 2012, worden onderafdeling 2, die bestaat uit artikel 4.8.3, onderafdeling 3, die bestaat uit artikel 4.8.4, en onderafdeling 4, die bestaat uit artikel 4.8.5, opgeheven.
Art. 77. Dans le titre IV, chapitre VIII, section 2, du même code, remplacé par le décret du 6 juillet 2012, la sous-section 2, qui comprend l'article 4.8.3, la sous-section 3, qui comprend l'article 4.8.4, et la sous-section 4, qui comprend l'article 4.8.5, sont abrogées.
Art. 78. In titel IV, hoofdstuk VIII, afdeling 3, van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 6 juli 2012, wordt onderafdeling 1, die bestaat uit artikel 4.8.6 tot en met 4.8.10, opgeheven.
Art. 78. Dans le titre IV, chapitre VIII, section 3, du même code, modifié par le décret du 6 juillet 2012, la sous-section 1re, qui comprend les articles 4.8.6 à 4.8.10 inclus, est abrogée.
Art. 79. In artikel 4.8.11 van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 6 juli 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt het woord "belanghebbenden" vervangen door het woord "personen";
2° in paragraaf 1, tweede lid, wordt het woord "belanghebbende" vervangen door het woord "persoon";
3° paragraaf 3 wordt opgeheven.
1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt het woord "belanghebbenden" vervangen door het woord "personen";
2° in paragraaf 1, tweede lid, wordt het woord "belanghebbende" vervangen door het woord "persoon";
3° paragraaf 3 wordt opgeheven.
Art. 79. A l'article 4.8.11 du même code, remplacé par le décret du 6 juillet 2012, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le paragraphe 1er, alinéa premier, le mot " intéressés " est remplacé par le mot " personnes " ;
2° dans le paragraphe 1er, alinéa deux, la phrase " L'intéressé à qui il peut être reproché qu'il n'a pas contesté une décision d'autorisation désavantageuse pour lui par le biais du recours administratif organisé ouvert auprès de la députation est censé avoir renoncé au droit de s'adresser au Conseil. " est remplacée par la phrase " La personne à qui il peut être reproché qu'elle n'a pas contesté une décision d'autorisation désavantageuse pour elle par le biais du recours administratif organisé ouvert auprès de la députation est censée avoir renoncé au droit de s'adresser au Conseil. " ;
3° le paragraphe 3 est abrogé.
1° dans le paragraphe 1er, alinéa premier, le mot " intéressés " est remplacé par le mot " personnes " ;
2° dans le paragraphe 1er, alinéa deux, la phrase " L'intéressé à qui il peut être reproché qu'il n'a pas contesté une décision d'autorisation désavantageuse pour lui par le biais du recours administratif organisé ouvert auprès de la députation est censé avoir renoncé au droit de s'adresser au Conseil. " est remplacée par la phrase " La personne à qui il peut être reproché qu'elle n'a pas contesté une décision d'autorisation désavantageuse pour elle par le biais du recours administratif organisé ouvert auprès de la députation est censée avoir renoncé au droit de s'adresser au Conseil. " ;
3° le paragraphe 3 est abrogé.
Art. 80. Artikel 4.8.12 en 4.8.13 van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 6 juli 2012, worden opgeheven.
Art. 80. Les articles 4.8.12 et 4.8.13 du même code, remplacés par le décret du 6 juillet 2012, sont abrogés.
Art. 81. In titel IV, hoofdstuk VIII, afdeling 3, van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 6 juli 2012, worden onderafdeling 3, die bestaat uit artikel 4.8.14, en onderafdeling 4, die bestaat uit artikel 4.8.15 tot en met 4.8.20, opgeheven.
Art. 81. Dans le titre IV, chapitre VIII, section 3, du même code, modifié par le décret du 6 juillet 2012, la sous-section 3, qui comprend l'article 4.8.14, et la sous-section 4, qui comprend les articles 4.8.15 à 4.8.20 inclus, sont abrogées.
Art. 82. Artikel 4.8.21 van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 6 juli 2012, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 4.8.21. Elk van de personen, vermeld in artikel 4.8.11, § 1, eerste lid, kan in de zaak tussenkomen.".
"Art. 4.8.21. Elk van de personen, vermeld in artikel 4.8.11, § 1, eerste lid, kan in de zaak tussenkomen.".
Art. 82. L'article 4.8.21 du même code, remplacé par le décret du 6 juillet 2012, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 4.8.21. Chacune des personnes, visées à l'article 4.8.11, § 1er, alinéa premier, peut intervenir dans l'affaire. ".
" Art. 4.8.21. Chacune des personnes, visées à l'article 4.8.11, § 1er, alinéa premier, peut intervenir dans l'affaire. ".
Art. 83. In titel IV, hoofdstuk VIII, afdeling 3, van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 6 juli 2012, worden onderafdeling 6, die bestaat uit artikel 4.8.22 en 4.8.23, onderafdeling 7, die bestaat uit artikel 4.8.24 tot en met 4.8.27, en onderafdeling 8, die bestaat uit artikel 4.8.28 tot en met 4.8.32, opgeheven.
Art. 83. Dans le titre IV, chapitre VIII, section 3, du même code, remplacé par le décret du 6 juillet 2012, la sous-section 6, qui comprend les articles 4.8.22 et 4.8.23, la sous-section 7, qui comprend les articles 4.8.24 à 4.8.27 inclus, et la sous-section 8, qui comprend les articles 4.8.28 à 4.8.32 inclus, sont abrogées.
Art. 84. In titel IV, hoofdstuk VIII, van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 6 juli 2012, worden afdeling 4, die bestaat uit artikel 4.8.33 tot en met 4.8.40, afdeling 5, die bestaat uit artikel 4.8.41 tot en met 4.8.43, en afdeling 6, die bestaat uit artikel 4.8.44 tot en met 4.8.48, opgeheven.
Art. 84. Dans le titre IV, chapitre VIII, du même code, remplacé par le décret du 6 juillet 2012, la section 4, qui comprend les articles 4.8.33 à 4.8.40 inclus, la section 5, qui comprend les articles 4.8.41 à 4.8.43 inclus, et la section 6, qui comprend les articles 4.8.44 à 4.8.48 inclus, sont abrogées.
Art. 85. In artikel 5.1.3, § 3, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 6 juli 2012, worden tussen de zinsnede "hoofdstuk VIII van titel IV" en de zinsnede ". Artikel 14, § 3, van" de woorden "en het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges" ingevoegd.
Art. 85. Dans l'article 5.1.3, § 3, du même code, modifié par le décret du 6 juillet 2012, les mots " et au décret du 4 avril 2014 relatif à l'organisation et à la procédure de certaines juridictions administratives flamandes " sont insérés entre le membre de phrase " au chapitre VIII du titre IV " et le membre de phrase " . L'article 14, § 3, ".
Art. 86. In artikel 7.5.8 van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 16 juli 2010 en 6 juli 2012, wordt paragraaf 5 opgeheven.
Art. 86. Dans l'article 7.5.8 du même code, modifié par les décrets des 16 juillet 2010 et 6 juillet 2012, le paragraphe 5 est abrogé.
Afdeling 4. - Wijzigingen van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet
Section 4. - Modifications du Décret portant organisation des élections locales et provinciales
Art. 87. Artikel 202 van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011 wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 202. Er wordt een Raad voor Verkiezingsbetwistingen opgericht".
"Art. 202. Er wordt een Raad voor Verkiezingsbetwistingen opgericht".
Art. 87. L'article 202 du Décret portant organisation des élections locales et provinciales du 8 juillet 2011 est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 202. Il est créé un Conseil des Contestations électorales. "
" Art. 202. Il est créé un Conseil des Contestations électorales. "
Art. 88. In deel 4, titel 2, hoofdstuk 1, van hetzelfde decreet wordt afdeling 3, die bestaat uit artikel 206, opgeheven.
Art. 88. Dans la partie 4, titre 2, chapitre 1er, du même décret, la section 3 qui comprend l'article 206, est abrogée.
Art. 89. In deel 4, titel 2, hoofdstuk 1, van hetzelfde decreet wordt afdeling 4, die bestaat uit artikel 207 tot en met 215, opgeheven.
Art. 89. Dans la partie 4, titre 2, chapitre 1er, du même décret, la section 4, qui comprend les articles 207 à 215 inclus, est abrogée.
Art. 90. In deel 4, titel 2, van hetzelfde decreet wordt hoofdstuk 2, dat bestaat uit artikel 216 en 217, opgeheven.
Art. 90. Dans la partie 4, titre 2, du même décret, le chapitre 2, qui comprend les articles 216 et 217, est abrogé.
HOOFDSTUK 9. - Slotbepalingen
CHAPITRE 9. - Dispositions finales
Art. 91. § 1. De bestuursrechters die op de datum van inwerkingtreding van dit decreet aangesteld zijn bij het [2 Handhavingscollege]2, blijven aangesteld als effectief of plaatsvervangend bestuursrechter bij hun rechtscollege met behoud van de mandaatregeling en de bezoldigingsregeling die ze genoten overeenkomstig de regeling die van toepassing was voor de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, totdat ze op rust worden gesteld, ontslag nemen of ontslag krijgen.
Uiterlijk negentig dagen voor het mandaat van de bestuursrechters, vermeld in het eerste lid is verstreken, kan de Vlaamse Regering beslissen om het mandaat van bestuursrechter niet te verlengen.
De beslissing mag niet indruisen tegen de onafhankelijkheid van het [2 Handhavingscollege]2 of van de individuele bestuursrechters ervan, noch betrekking hebben op de inhoudelijke aspecten van de door het [2 Handhavingscollege]2 genomen beslissingen. Als de Vlaamse Regering uiterlijk negentig dagen voor het mandaat van de bestuursrechters, vermeld in het eerste lid verstrijkt, geen beslissing neemt om het mandaat niet te verlengen, wordt het mandaat stilzwijgend verlengd.
§ 2. De bestuursrechters die op de datum van de inwerkingtreding van dit decreet benoemd zijn bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, blijven benoemd bij hun rechtscollege als bestuursrechter [1 ...]1, totdat ze op rust worden gesteld, ontslag nemen of ontslag krijgen. [1 Ze ontvangen een salaris in de schaal A311, alsook de toelagen, vergoedingen en sociale voordelen, vermeld in deel VII van het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006, met uitzondering van de prestatietoelagen.]1
§ 3. De aanvullende bestuursrechters die op de datum van inwerkingtreding van dit decreet tijdelijk aangesteld zijn bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen blijven aangesteld bij dit rechtscollege met behoud van de bezoldigingsregeling die ze genoten overeenkomstig de regeling die van toepassing was voor de datum van de inwerkingtreding van dit decreet totdat de achterstand is weggewerkt of totdat ze ontslag nemen.
§ 4. De voorzitters, de raadsleden en de plaatsvervangers die op de datum van de inwerkingtreding van dit decreet benoemd zijn bij de Raad voor Verkiezingsbetwistingen, blijven benoemd bij hun rechtscollege met behoud van de bezoldigingsregeling die ze genoten overeenkomstig de regeling die van toepassing was voor de datum van de inwerkingtreding van dit decreet tot 1 maart van het jaar waarin de lokale en provinciale verkiezingen plaatsvinden.
In afwijking van artikel 49, § 2, kan de Vlaamse Regering de bestuursrechters, vermeld in het eerste lid van deze paragraaf, vanaf 1 maart van het jaar waarin de lokale en provinciale verkiezingen plaatsvinden, benoemen als aanvullend bestuursrechter bij de Raad voor Verkiezingsbetwistingen voor een periode van zes jaar, die hernieuwbaar is met behoud van de bezoldigingsregeling die ze genoten overeenkomstig de regeling die van toepassing was voor de datum van de inwerkingtreding van dit decreet.
Uiterlijk negentig dagen voor het mandaat van de bestuursrechters, vermeld in het eerste lid is verstreken, kan de Vlaamse Regering beslissen om het mandaat van bestuursrechter niet te verlengen.
De beslissing mag niet indruisen tegen de onafhankelijkheid van het [2 Handhavingscollege]2 of van de individuele bestuursrechters ervan, noch betrekking hebben op de inhoudelijke aspecten van de door het [2 Handhavingscollege]2 genomen beslissingen. Als de Vlaamse Regering uiterlijk negentig dagen voor het mandaat van de bestuursrechters, vermeld in het eerste lid verstrijkt, geen beslissing neemt om het mandaat niet te verlengen, wordt het mandaat stilzwijgend verlengd.
§ 2. De bestuursrechters die op de datum van de inwerkingtreding van dit decreet benoemd zijn bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, blijven benoemd bij hun rechtscollege als bestuursrechter [1 ...]1, totdat ze op rust worden gesteld, ontslag nemen of ontslag krijgen. [1 Ze ontvangen een salaris in de schaal A311, alsook de toelagen, vergoedingen en sociale voordelen, vermeld in deel VII van het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006, met uitzondering van de prestatietoelagen.]1
§ 3. De aanvullende bestuursrechters die op de datum van inwerkingtreding van dit decreet tijdelijk aangesteld zijn bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen blijven aangesteld bij dit rechtscollege met behoud van de bezoldigingsregeling die ze genoten overeenkomstig de regeling die van toepassing was voor de datum van de inwerkingtreding van dit decreet totdat de achterstand is weggewerkt of totdat ze ontslag nemen.
§ 4. De voorzitters, de raadsleden en de plaatsvervangers die op de datum van de inwerkingtreding van dit decreet benoemd zijn bij de Raad voor Verkiezingsbetwistingen, blijven benoemd bij hun rechtscollege met behoud van de bezoldigingsregeling die ze genoten overeenkomstig de regeling die van toepassing was voor de datum van de inwerkingtreding van dit decreet tot 1 maart van het jaar waarin de lokale en provinciale verkiezingen plaatsvinden.
In afwijking van artikel 49, § 2, kan de Vlaamse Regering de bestuursrechters, vermeld in het eerste lid van deze paragraaf, vanaf 1 maart van het jaar waarin de lokale en provinciale verkiezingen plaatsvinden, benoemen als aanvullend bestuursrechter bij de Raad voor Verkiezingsbetwistingen voor een periode van zes jaar, die hernieuwbaar is met behoud van de bezoldigingsregeling die ze genoten overeenkomstig de regeling die van toepassing was voor de datum van de inwerkingtreding van dit decreet.
Art. 91. § 1er. Les juges administratifs qui, à la date d'entrée en vigueur du présent décret, sont désignés auprès du [2 Collège de maintien]2 de la Région flamande, resteront désignés comme juge administratif effectif ou suppléant auprès de leur juridiction avec maintien du régime de mandat et du régime de rémunération dont ils bénéficiaient conformément au règlement qui était applicable avant la date d'entrée en vigueur du présent décret, jusqu'à ce qu'ils sont mis à la retraite, démissionnent ou sont licenciés.
Au plus tard nonante jours avant l'expiration du mandat des juges administratifs, visés à l'alinéa premier, le Gouvernement flamand peut décider de ne pas prolonger le mandat de juge administratif.
Cette décision ne peut pas aller à l'encontre de l'indépendance du [2 Collège de maintien]2 de la Région flamande ou de ses juges administratif individuels ni avoir trait aux contenus des décisions prises par le [2 Collège de maintien]2 de la Région flamande. A défaut d'une décision du Gouvernement flamand relative à la non prolongation du mandat des juges administratifs, visés à l'alinéa premier, au plus tard nonante jours avant l'expiration de celui-ci, le mandat est prolongé tacitement.
§ 2. Les juges administratifs qui, à la date d'entrée en vigueur du présent décret, sont nommés auprès du Conseil pour les Contestations des Autorisations, resteront nommés comme juge administratif auprès de leur juridiction [1 ...]1, jusqu'à ce qu'ils sont mis à la retraite, démissionnent ou sont licenciés. [1 Ils reçoivent un traitement dans l'échelle A311, ainsi que les allocations, indemnités et avantages sociaux, visés à la partie VII du statut du personnel flamand du 13 janvier 2006, à l'exception des allocations de prestation.]1
§ 3. Les juges administratifs complémentaires qui, à la date d'entrée en vigueur du présent décret, sont temporairement désignés auprès du Conseil pour les Contestations des Autorisations, resteront désignés auprès de cette juridiction avec maintien du régime de rémunération dont ils bénéficiaient conformément au règlement qui était applicable avant la date d'entrée en vigueur du présent décret, jusqu'à ce que le retard est rattrapé ou jusqu'à ce qu'ils démissionnent.
§ 4. Les présidents, les conseillers et les suppléants qui, à la date d'entrée en vigueur du présent décret, sont nommés auprès du Conseil pour les Contestations des Autorisations, resteront nommés auprès de leur juridiction avec maintien du régime de rémunération dont ils bénéficiaient conformément au règlement qui était applicable avant la date d'entrée en vigueur du présent décret, jusqu'au 1er mars de l'année pendant laquelle les élections locales et provinciales ont lieu.
Par dérogation à l'article 49, § 2, le Gouvernement flamand peut nommer les juges administratifs, visés à l'alinéa premier du présent paragraphe, à partir du 1er mars de l'année pendant laquelle les élections locales et provinciales ont lieu, comme juge administratif complémentaire auprès du Conseil pour les Contestations électorales pour une période renouvelable de six ans, avec maintien du régime de rémunération dont ils bénéficiaient conformément au règlement qui était applicables avant la date d'entrée en vigueur du présent décret.
Au plus tard nonante jours avant l'expiration du mandat des juges administratifs, visés à l'alinéa premier, le Gouvernement flamand peut décider de ne pas prolonger le mandat de juge administratif.
Cette décision ne peut pas aller à l'encontre de l'indépendance du [2 Collège de maintien]2 de la Région flamande ou de ses juges administratif individuels ni avoir trait aux contenus des décisions prises par le [2 Collège de maintien]2 de la Région flamande. A défaut d'une décision du Gouvernement flamand relative à la non prolongation du mandat des juges administratifs, visés à l'alinéa premier, au plus tard nonante jours avant l'expiration de celui-ci, le mandat est prolongé tacitement.
§ 2. Les juges administratifs qui, à la date d'entrée en vigueur du présent décret, sont nommés auprès du Conseil pour les Contestations des Autorisations, resteront nommés comme juge administratif auprès de leur juridiction [1 ...]1, jusqu'à ce qu'ils sont mis à la retraite, démissionnent ou sont licenciés. [1 Ils reçoivent un traitement dans l'échelle A311, ainsi que les allocations, indemnités et avantages sociaux, visés à la partie VII du statut du personnel flamand du 13 janvier 2006, à l'exception des allocations de prestation.]1
§ 3. Les juges administratifs complémentaires qui, à la date d'entrée en vigueur du présent décret, sont temporairement désignés auprès du Conseil pour les Contestations des Autorisations, resteront désignés auprès de cette juridiction avec maintien du régime de rémunération dont ils bénéficiaient conformément au règlement qui était applicable avant la date d'entrée en vigueur du présent décret, jusqu'à ce que le retard est rattrapé ou jusqu'à ce qu'ils démissionnent.
§ 4. Les présidents, les conseillers et les suppléants qui, à la date d'entrée en vigueur du présent décret, sont nommés auprès du Conseil pour les Contestations des Autorisations, resteront nommés auprès de leur juridiction avec maintien du régime de rémunération dont ils bénéficiaient conformément au règlement qui était applicable avant la date d'entrée en vigueur du présent décret, jusqu'au 1er mars de l'année pendant laquelle les élections locales et provinciales ont lieu.
Par dérogation à l'article 49, § 2, le Gouvernement flamand peut nommer les juges administratifs, visés à l'alinéa premier du présent paragraphe, à partir du 1er mars de l'année pendant laquelle les élections locales et provinciales ont lieu, comme juge administratif complémentaire auprès du Conseil pour les Contestations électorales pour une période renouvelable de six ans, avec maintien du régime de rémunération dont ils bénéficiaient conformément au règlement qui était applicables avant la date d'entrée en vigueur du présent décret.
Art. 92. Voor de effectieve bestuursrechters die op de datum van de inwerkingtreding van dit decreet aangesteld of benoemd zijn bij het Vlaams bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, a) en b), wordt de eerste evaluatie gehouden binnen een termijn van drie maanden na het verstrijken van één jaar na de inwerkingtreding van het decreet.
Art. 92. Pour les juges administratifs effectifs qui, à la date de l'entrée en vigueur du présent décret, sont désignés ou nommés auprès de la juridiction administrative flamande, visée à l'article 2, 1°, a) et b), la première évaluation est tenue dans un délai de trois mois suivant l'expiration d'un an après l'entrée en vigueur du décret.
Art. 93. De Vlaamse Regering regelt de overdracht van het personeel van het Vlaams bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, b), aan de dienst van de Bestuursrechtscolleges.
De Vlaamse Regering regelt de overdracht van het personeel van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie, dat overeenkomstig artikel 16.4.22 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid ter beschikking is gesteld van het Vlaams bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, a), aan de dienst van de Bestuursrechtscolleges.
De Vlaamse Regering bepaalt de noodzakelijke maatregelen om de rechten te waarborgen van het overgedragen personeel wat betreft de anciënniteit en de bezoldiging.
De Vlaamse Regering regelt de overdracht van het personeel van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie, dat overeenkomstig artikel 16.4.22 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid ter beschikking is gesteld van het Vlaams bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, a), aan de dienst van de Bestuursrechtscolleges.
De Vlaamse Regering bepaalt de noodzakelijke maatregelen om de rechten te waarborgen van het overgedragen personeel wat betreft de anciënniteit en de bezoldiging.
Art. 93. Le Gouvernement flamand règle le transfert de personnel de la juridiction administrative flamande, visée à l'article 2, 1°, b), au service des Juridictions administratives.
Le Gouvernement flamand règle le transfert de personnel du Département de l'Environnement, de la Nature et de l'Energie qui est mis à disposition, conformément à l'article 16.4.22 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, à la juridiction administrative flamande, visée à l'article 2, 1°, a), au service des Juridictions administratives.
Le Gouvernement flamand arrête les mesures nécessaires afin de garantir les droits du personnel transféré en ce qui concerne l'ancienneté et la rémunération.
Le Gouvernement flamand règle le transfert de personnel du Département de l'Environnement, de la Nature et de l'Energie qui est mis à disposition, conformément à l'article 16.4.22 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, à la juridiction administrative flamande, visée à l'article 2, 1°, a), au service des Juridictions administratives.
Le Gouvernement flamand arrête les mesures nécessaires afin de garantir les droits du personnel transféré en ce qui concerne l'ancienneté et la rémunération.
Art. 94. De beroepen die zijn ingediend bij de Vlaamse bestuursrechtscolleges, vermeld in artikel 2, 1°, a) en c), voor de datum van de inwerkingtreding van dit decreet worden behandeld volgens de reglementering die van toepassing was daags voor de inwerkingtreding van dit decreet.
Art. 94. Les recours introduits auprès des juridictions administratives flamandes, visées à l'article 2, 1°, a) et c), avant la date d'entrée en vigueur du présent décret, sont traités selon la réglementation qui était applicable la veille du jour de l'entrée en vigueur du présent décret.
Art. 95. De beroepen die zijn ingediend bij het Vlaams bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 1°, b), voor de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, worden behandeld volgens de volgende regels:
1° beroepen die zijn ingediend voor 1 september 2012, worden behandeld volgens de procedureregels die gelden voor die datum;
2° beroepen die zijn ingediend vanaf 1 september 2012 en voor de datum van inwerkingtreding van dit decreet worden behandeld volgens de procedureregels vermeld in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2012 houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen;
3° beroepen die al in beraad zijn genomen voor de datum van inwerkingtreding van dit decreet worden in dezelfde samenstelling als op de zitting besproken en uitgesproken.
1° beroepen die zijn ingediend voor 1 september 2012, worden behandeld volgens de procedureregels die gelden voor die datum;
2° beroepen die zijn ingediend vanaf 1 september 2012 en voor de datum van inwerkingtreding van dit decreet worden behandeld volgens de procedureregels vermeld in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2012 houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen;
3° beroepen die al in beraad zijn genomen voor de datum van inwerkingtreding van dit decreet worden in dezelfde samenstelling als op de zitting besproken en uitgesproken.
Art. 95. Les recours qui sont introduits auprès de la juridiction administrative flamande, visée à l'article 2, 1°, b), avant la date d'entrée en vigueur du présent décret, sont traités selon les règles suivantes :
1° les recours introduits avant le 1er septembre 2012 sont traités selon les règles de procédure s'appliquant avant cette date ;
2° les recours introduits à partir du 1er septembre 2012 et avant la date d'entrée en vigueur du présent décret, sont traités selon les règles de procédure visées au Code flamand sur l'Aménagement du Territoire et à l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 juillet 2012 relatif à la procédure devant le Conseil pour les Contestations des Autorisations ;
3° les recours déjà mis en délibéré avant la date d'entrée en vigueur du présent décret, sont discutés et prononcés dans la même composition que celle de la séance.
1° les recours introduits avant le 1er septembre 2012 sont traités selon les règles de procédure s'appliquant avant cette date ;
2° les recours introduits à partir du 1er septembre 2012 et avant la date d'entrée en vigueur du présent décret, sont traités selon les règles de procédure visées au Code flamand sur l'Aménagement du Territoire et à l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 juillet 2012 relatif à la procédure devant le Conseil pour les Contestations des Autorisations ;
3° les recours déjà mis en délibéré avant la date d'entrée en vigueur du présent décret, sont discutés et prononcés dans la même composition que celle de la séance.
Art. 96. Dit decreet treedt in werking op een door de Vlaamse Regering vast te stellen datum en uiterlijk op 1 januari 2015.
Art. 96. Le présent décret entre en vigueur à une date à fixer par le Gouvernement flamand, et au plus tard le 1er janvier 2015.
(NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 1 tot en met 12, 49 tot en met 63, 64, 1°, 65 tot en met 67, 68 wat betreft artikel 16.4.24, eerste lid, 72, 73, 75, 84 tot en met 88, en 91 tot en met 93 vastgesteld op 01-11-2014 door BVR 2014-05-16/41, art. 36, 1°)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 13 tot en met 48, 64, 2°, 68 wat betreft artikel 16.4.24, tweede en derde lid, artikel 69 tot en met 71, 74, 76 tot en met 83, 89, 90, 94 en 95 vastgesteld op 01-01-2015 door BVR 2014-05-16/41, art. 37)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 13 tot en met 48, 64, 2°, 68 wat betreft artikel 16.4.24, tweede en derde lid, artikel 69 tot en met 71, 74, 76 tot en met 83, 89, 90, 94 en 95 vastgesteld op 01-01-2015 door BVR 2014-05-16/41, art. 37)
(NOTE : Entrée en vigueur des art. 1er à 12; 49 à 63; 64, 1°; 65 à 67; 68 en ce qui concerne l'art. 16.4.24, premier alinéa; 72; 73; 75; 84 à 88; et 91 à 93 fixée au 01-11-2014 par AGF 2014-05-16/41, art. 36, 1°)
(NOTE : Entrée en vigueur des art. 13 à 48; 64, 2°; 68 en ce qui concerne l'art. 16.4.24, 2ème et 3ème alinéas; 69 à 71; 74; 76 à 83; 89; 90; 94 et 95 fixée au 01-01-2015 par AGF 2014-05-16/41, art. 37)
(NOTE : Entrée en vigueur des art. 13 à 48; 64, 2°; 68 en ce qui concerne l'art. 16.4.24, 2ème et 3ème alinéas; 69 à 71; 74; 76 à 83; 89; 90; 94 et 95 fixée au 01-01-2015 par AGF 2014-05-16/41, art. 37)