Zum Hauptinhalt

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
11 SEPTEMBER 2014. - Besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie tot vaststelling van de samenstelling en de werking van de kabinetten van de leden van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 14-11-2014 en tekstbijwerking tot 25-01-2022)
Titre
11 SEPTEMBRE 2014. - Arrêté du Collège réuni de la Commission communautaire commune déterminant la composition et le fonctionnement des cabinets des membres du Collège réuni de la Commission communautaire commune(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 14-11-2014 et mise à jour au 25-01-2022)
Dokumentinformationen
Numac: 2014031863
Datum: 2014-09-11
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2014031863
Date: 2014-09-11
Moniteur: Voir
Tekst (21)
Texte (21)
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Section 1er. - Dispositions générales
Artikel 1. De Voorzitter en elk Lid van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie beschikken over een Kabinet.
Article 1er. Le Président et chaque Membre du Collège réuni de la Commission communautaire commune disposent d'un Cabinet.
Afdeling 2. - Bevoegdheden en samenstelling
Section 2. - Attributions et composition
Art. 2. De bevoegdheden van het Kabinet van de Voorzitter en van de leden van het Verenigd College betreffen: de aangelegenheden die het algemeen beleid van het Verenigd College of de werkzaamheden van de Verenigde Vergadering van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie kunnen beïnvloeden; de opzoekingen en de studies van aard het persoonlijk werk van het Lid van het Verenigd College te vergemakkelijken; het voorleggen van de dossiers van de administratie, eventueel het secretariaat van het Verenigd College, het in ontvangst nemen en openen van zijn persoonlijke briefwisseling, zijn privé-correspondentie, de verzoeken tot audiëntie, het persoverzicht.
Art. 2. Les attributions du Cabinet du Président et de chaque Cabinet des membres du Collège réuni concernent : les affaires susceptibles d'influencer la politique générale du Collège réuni ou les travaux de l'Assemblée réunie de la Commission communautaire commune; les recherches et les études propres à faciliter le travail personnel du Membre du Collège réuni; la présentation des dossiers de l'administration, éventuellement le secrétariat du Collège réuni, la réception et l'ouverture de son courrier personnel, sa correspondance particulière, les demandes d'audience, la revue de presse.
Art. 3. § 1. Elk kabinet mag niet meer dan drie kabinetsadviseurs of opdrachthouders of kabinetsattachés of uitvoerende personeelsleden omvatten, waarbij één de titel van adjunct-kabinetschef mag dragen.
  De leden en personeelsleden van de kabinetten kunnen ertoe gemachtigd worden hun persoonlijk voertuig te gebruiken overeenkomstig de bij het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten voorziene voorwaarden voor de ambtenaren, waarmee ze bij dit artikel worden geassimileerd. Zij moeten geen ritboekje bijhouden.
  § 2. Voor het algemeen beleid en voor opdrachten verbonden aan de uitoefening van het Voorzitterschap, kan de Voorzitter aan zijn Kabinet een bijkomende adviseur toevoegen.
  [1 § 3. Bij een langdurige gezondheidscrisis kan het Verenigd College op voorstel van een of meerdere van zijn leden beslissen om een specifiek en uitzonderlijk crisisbeheerskader samen te stellen. Daartoe kan het personeelsbestand van een of meerdere kabinetten voor een bepaalde indien nodig verlengbare duur worden uitgebreid. Het Verenigd College bepaalt de modaliteiten van de noodzakelijke aanvullende financiering voor het kabinet of de kabinetten in kwestie.]1
  
Art. 3. § 1er. Chaque cabinet ne peut comprendre plus de trois conseillers de cabinet ou chargés de mission ou attachés de cabinet ou personnel d'exécution, dont un peut porter le titre de directeur de Cabinet adjoint.
  Les membres et agents des cabinets peuvent être autorisés à utiliser leur voiture personnelle dans les conditions prévues dans l'arrêté royal du 18 janvier 1965 portant réglementation générale en matière de frais de parcours, pour les fonctionnaires auxquels ils sont assimilés par le présent article. Ils sont dispensés de la tenue du livret de course.
  § 2. Pour la politique générale et pour des missions liées à l'exercice de la Présidence, le Président peut adjoindre à son Cabinet un conseiller supplémentaire.
  [1 § 3. En cas de crise sanitaire prolongée, le Collège réuni peut décider, à l'initiative d'un ou plusieurs de ses membres, de constituer un cadre de gestion de crise spécifique et exceptionnel. L'effectif d'un ou plusieurs cabinets pourra à cette fin être augmenté pour une durée déterminée, renouvelable si nécessaire. Le Collège réuni fixera les modalités du financement complémentaire nécessaire pour le ou les cabinets concernés.]1
  
Art. 4. De leden van het personeel van de openbare diensten, de instellingen van openbaar nut of de gesubsidieerde onderwijsinstellingen die in een Kabinet worden opgenomen, kunnen hun functie niet verder blijven uitoefenen noch er de bevoegdheden van waarnemen. Zij komen evenwel in aanmerking voor bevordering in hun administratie en nemen hun functie weer op bij het einde van hun opdracht.
Art. 4. Les membres du personnel des services publics, des organismes d'intérêt public ou des établissements d'enseignement subventionné, appelés à faire partie d'un Cabinet, ne peuvent rester en fonction dans leur emploi, ni continuer à en exercer les attributions. Toutefois, ils participent à l'avancement dans leur administration et y reprennent leur emploi à la fin de leur mission.
Afdeling 3. - Benoemingen en werking
Section 3. - Nominations et fonctionnement
Art. 5. De leden en personeelsleden van het Kabinet worden benoemd door de Voorzitter of het betrokken Lid van het Verenigd College.
Art. 5. Les membres et agents du Cabinet sont nommés par le Président ou le Membre du Collège réuni concerné.
Afdeling 4. - Bezoldigingen, toelagen en vergoedingen
Section 4. - Rémunération, allocations et indemnités
Art. 6. Aan de leden van kabinetten die geen deel uitmaken van het personeel van de federale ministeries, van de ministeries van de gemeenschappen en van de gewesten of van de diensten van de Brusselse instellingen wordt een Kabinetstoelage toegekend geldend als wedde en vastgesteld in de hiernavolgende schalen toepasselijk op het personeel van de Diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie :
  - adjunct-kabinetschef : schaal A 310
  - kabinetsadviseur en opdrachthouder : schaal A 300;
  - kabinetsattaché : schaal A 102;
  - uitvoerend personeel : B 200 of lager.
Art. 6. Il est alloué aux membres des cabinets qui ne font pas partie du personnel des ministères fédéraux, des communautés et des régions ou des services des institutions bruxelloises une allocation de Cabinet tenant lieu de traitement, fixé dans les échelles ci-après, applicables au personnel des Services du Collège réuni de la Commission communautaire commune :
  - directeur de cabinet adjoint : échelle A 310
  - conseiller de Cabinet et chargé de mission : échelle A 300;
  - attaché de Cabinet : échelle A 102;
  personnel d'exécution : B 200 ou inférieur.
Art. 7. De leden en personeelsleden van de kabinetten ontvangen kinderbijslag, geboortepremie, haard- of standplaatstoelage, vakantiegeld, eindejaarspremie en alle andere toelagen, volgens het bedrag en de voorwaarden voorzien voor het personeel van de Diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie.
Art. 7. Les membres et agents des cabinets bénéficient des allocations familiales, de l'allocation de naissance, de l'allocation de foyer ou de résidence, du pécule de vacances, de l'allocation de fin d'année et de toute autre allocation aux taux et aux conditions prévus pour le personnel des Services du Collège réuni de la Commission communautaire commune.
Art. 8. § 1. Met het oog op de toekenning van de vergoedingen voor verplaatsingskosten geschiedt de assimilatie van de leden en personeelsleden van de kabinetten met de graden van de administratieve hiërarchie als volgt:
  - de adjunct-kabinetschef: met de ambtenaar van rang A4;
  - de kabinetsadviseurs en de opdrachthouders: met de ambtenaren van rang A3;
  - de kabinetsattachés: met de ambtenaren van rang A1.
  - de uitvoerende personeelsleden: met het personeel van de ministeries dat overeenstemmende functies uitoefent.
  Deze assimilatie mag niet tot gevolg hebben dat de leden en personeelsleden van de kabinetten die tot het personeel van de ministeries behoren, zouden ondergebracht worden in een lagere categorie dan die welke met hun graad overeenstemt.
  § 2. De leden van het personeel van de federale ministeries, van de ministeries van een Gemeenschap of van een Gewest die deel uitmaken van een Kabinet en die hun woonplaats buiten het Gewest hebben, kunnen ten laste van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie een abonnement verkrijgen op het openbaar vervoer voor het traject van hun woonplaats naar de plaats waar het Kabinet gevestigd is.
  Het abonnement is maandelijks en wordt van maand tot maand verlengd. Eventueel wordt de klasse van het abonnement bepaald door de graad die het personeelslid bezit in diens oorspronkelijke administratie, overeenkomstig het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten.
  De leden en personeelsleden van de kabinetten kunnen ertoe gemachtigd worden hun persoonlijk voertuig te gebruiken overeenkomstig de bij het bovenvermelde koninklijk besluit voorziene voorwaarden voor de ambtenaren, waarmee ze bij dit artikel worden geassimileerd. Zij moeten geen ritboekje bijhouden.
  Het totaal van het toegelaten gebruik van een persoonlijk voertuig mag niet meer bedragen dan 6 000 km per jaar en per begunstigde.
Art. 8. § 1er. En vue de l'octroi des indemnités pour frais de parcours, l'assimilation des membres et agents des cabinets aux grades de la hiérarchie administrative est établie comme suit :
  - le directeur de cabinet-adjoint : au fonctionnaire de rang A4;
  - les conseillers de Cabinet et les chargés de mission : aux fonctionnaires de rang A3;
  - les attachés de Cabinet : aux fonctionnaires de rang A1.
  - le personnel affecté aux travaux d'exécution : au personnel des ministères exerçant des fonctions correspondantes.
  Cette assimilation ne peut avoir pour effet de ranger dans une catégorie inférieure à celle correspondant à leur grade, les membres et agents des cabinets appartenant au personnel des ministères.
  § 2. Les membres du personnel des ministères fédéraux, d'une Communauté ou d'une Région qui font partie d'un Cabinet et qui ont leur domicile en dehors de la Région, peuvent bénéficier, à charge de la Commission communautaire commune, d'un abonnement sur un moyen de transport en commun pour le trajet de leur domicile au lieu où est établi le Cabinet.
  L'abonnement est mensuel et est prorogé de mois en mois. Eventuellement, la classe de l'abonnement est déterminée par le grade dont l'agent est revêtu dans son administration d'origine, conformément à l'arrêté royal du 18 janvier 1965 portant réglementation générale en matière de frais de parcours.
  Les membres et agents des cabinets peuvent être autorisés à utiliser leur voiture personnelle dans les conditions prévues par l'arrêté royal du 18 janvier 1965 précité pour les fonctionnaires auxquels ils sont assimilés par le présent article. Ils sont dispensés de la tenue du livret de course.
  Le total des autorisations d'utiliser une voiture personnelle ne peut dépasser 6 000 km par an et par bénéficiaire.
Art. 9. Een stelsel gelijk aan dat voorzien bij artikel 12, § 2, kan worden toegepast op de leden en personeelsleden van de kabinetten die, zonder deel uit te maken van het personeel van de federale ministeries, van de ministeries van een Gemeenschap of van een Gewest, toch behoren tot een Rijksdienst, tot een andere openbare dienst, tot een instelling van openbaar nut of tot een gesubsidieerde onderwijsinstelling.
Art. 9. Un régime analogue à celui prévu à l'article 12, § 2, peut être appliqué aux membres et agents des cabinets qui, sans faire partie du personnel des ministères fédéraux, d'une Communauté ou d'une Région, appartiennent toutefois à un service de l'Etat, à un autre service public, à une organisme d'intérêt public ou à un établissement d'enseignement subventionné.
Art. 10. § 1. Aan de leden en aan de personeelsleden van de kabinetten mag een Kabinetstoelage toegekend worden die de volgende jaarbedragen niet mag overschrijden:
  - adjunct-kabinetschef : € 6.465;
  - kabinetsadviseur : € 5.785;
  - kabinetsattaché : € 3.403;
  - uitvoerend personeel : € 2.382.
  § 2. Onverminderd de kabinetstoelage bedoeld in voorgaande paragraaf kan aan de leden en aan de personeelsleden van de kabinetten een deskundigheidspremie toegekend worden die niet hoger mag zijn dan de schaal A500 van toepassing op het personeel van de Diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie.
  De toewijzing van deze deskundigheidspremie wordt vastgesteld binnen de perken van de begrotingsmiddelen die hiervoor zijn toegekend.
  Voor de toepassing van de bepalingen van dit besluit wordt de deskundigheidspremie geassimileerd met het stelsel van toepassing op de kabinetstoelage bedoeld in voorgaande paragraaf.
Art. 10. § 1er Il peut être accordé aux membres et agents des cabinets, une allocation de Cabinet qui ne peut dépasser les taux annuels suivants :
  - directeur de Cabinet adjoint : € 6.465;
  - conseiller de Cabinet : € 5.785;
  - attaché de Cabinet : € 3.403;
  - personnel affecté aux travaux d'exécution : € 2.382.
  § 2. Sans préjudice de l'allocation de cabinet visée au paragraphe précédent, il peut être accordé aux membres et aux agents des cabinets, une prime d'expertise qui ne peut dépasser l'échelle A500 applicable au personnel des Services du Collège réuni de la Commission communautaire commune.
  L'allocation de cette prime d'expertise est fixée dans les limites des moyens budgétaires octroyés à cet effet.
  Pour l'application des dispositions du présent arrêté, la prime d'expertise est assimilée au régime applicable à l'allocation de cabinet visée au précédent paragraphe.
Art. 11. § 1. De geldelijke toestand van de leden en personeelsleden van het Kabinet die, zonder deel uit te maken van het personeel van de ministeries van de federale overheid, van de gemeenschappen en de gewesten en van de diensten van de Brusselse instellingen, toch behoren tot een Rijksdienst, tot een andere dienst, tot een instelling van openbaar nut of tot een gesubsidieerde onderwijsinstelling wordt geregeld als volgt :
  1° wanneer de werkgever erin toestemt de wedde verder te blijven uitbetalen, verkrijgt de betrokkene de bij artikel 10 voorziene Kabinetstoelage. De Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie betaalt eventueel aan de dienst van herkomst de wedde terug van het lid of personeelslid van het Kabinet, eventueel verhoogd met de werkgeversbijdragen; de ten laste te nemen wedde mag evenwel niet hoger zijn dan het maximumbedrag van de weddeschaal voorzien voor de bij artikel 6 overeenstemmende graad;
  2° wanneer de werkgever de uitbetaling van de wedde schorst, verkrijgt de betrokkene de bij artikel 6 voorziene Kabinetstoelage die als wedde geldt. Deze toelage mag evenwel niet hoger zijn dan het bedrag van de wedde verhoogd met de toelage die de betrokkene zou ontvangen indien de bepalingen van 1° op hem van toepassing zouden zijn.
  § 2. De terugbetaling van de bezoldiging van de leden van het personeel van de federale ministeries, van de ministeries van de gewesten en van de gemeenschappen die gedetacheerd zijn bij het Kabinet van de Voorzitter of van een Lid van het Verenigd College geschiedt overeenkomstig de modaliteiten vastgelegd door de betrokken federale, gewest- of gemeenschapsregering.
Art. 11. § 1er. La situation pécuniaire des membres et agents du Cabinet qui, sans faire partie du personnel des ministères fédéraux, des communautés, des régions et des services des institutions bruxelloises, appartiennent toutefois à un service de l'Etat, à un autre service public, à un organisme d'intérêt public ou à un établissement d'enseignement subventionné, est réglée comme suit :
  1° lorsque l'employeur consent à poursuivre le paiement du traitement, l'intéressé obtient l'allocation de Cabinet prévue à l'article 10. La Commission communautaire commune rembourse éventuellement au service d'origine le traitement du membre ou agent de Cabinet augmenté le cas échéant des charges patronales; le traitement à prendre en charge ne peut néanmoins excéder le montant maximum de l'échelle de traitement prévue pour le grade correspondant par l'article 6;
  2° lorsque l'employeur suspend le paiement du traitement, l'intéressé obtient l'allocation de Cabinet tenant lieu de traitement prévue à l'article 6. Cette allocation ne peut cependant pas dépasser le montant du traitement majoré de l'allocation que l'intéressé obtiendrait au cas où les dispositions du 1° lui seraient applicables.
  § 2. Le remboursement de la rémunération des membres du personnel des ministères fédéraux, des communautés et des régions détachés dans le Cabinet du Président ou d'un Membre du Collège réuni, est effectué conformément aux modalités fixées par le Gouvernement fédéral, régional ou communautaire concerné.
Art. 12. § 1. De Voorzitter of het Lid van het Verenigd College kan volgens de hierna volgende voorwaarden een forfaitaire vertrektoelage toekennen aan de personen die een functie hebben vervuld in een Kabinet en die geen vervangingsinkomen of rustpensioen genieten. Een overlevingspensioen of een minimum van bestaansmiddelen toegekend door een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt niet beschouwd als een vervangingsinkomen.
  § 2. Deze forfaitaire toelage omvat :
  - een maand kabinetstoelage geldend als wedde voor een ononderbroken activiteitsperiode van drie tot zes maanden;
  - twee maanden kabinetstoelage geldend als wedde voor een ononderbroken activiteitsperiode van zes maanden tot één jaar;
  - drie maanden kabinetstoelage geldend als wedde voor een ononderbroken activiteitsperiode van één jaar tot achttien maanden;
  - vier maanden kabinetstoelage geldend als wedde voor een ononderbroken activiteitsperiode van achttien maanden tot twee jaar;
  - vijf maanden kabinetstoelage geldend als wedde voor een ononderbroken activiteitsperiode van meer dan twee jaar.
  § 3. De vertrektoelage wordt in schijven van een maand uitbetaald. De betrokkene moet iedere maand een verklaring onder ede indienen, waaruit blijkt dat hij gedurende de desbetreffende periode geen enkele beroepsactiviteit uitgeoefend heeft of dat hij zich bevindt in de toestand bepaald in § 4.
  Hij dient iedere wijziging in zijn toestand te melden, op straffe geen aanspraak meer te kunnen maken op de bedoelde toelage.
  § 4. In afwijking van § 1 kan de Voorzitter of het Lid van het Verenigd College een forfaitaire vertrektoelage toekennen aan de personen die functies hebben vervuld in een Kabinet en die hetzij uitsluitend een of meerdere gedeeltelijke functies bekleden in een openbare dienst of in een gesubsidieerde onderwijsinstelling of die ten laste van de Schatkist een of meerdere rustpensioenen ontvangen die betrekking hebben op een of meerdere onvolledige loopbanen, hetzij werkloosheidsuitkeringen ontvangen. In dat geval wordt de vertrektoelage vastgesteld overeenkomstig § 2 en, naargelang het geval, verminderd met het totaal bedrag dat aan de betrokkene verschuldigd is voor de overeenstemmende periode, hetzij als betaling voor onvolledige functies, hetzij als rustpensioen of werkloosheidstoelage.
  § 5. De toelagen en vergoedingen voorzien in artikel 10 worden niet in aanmerking genomen voor de vaststelling van de vertrektoelage. Er is geen vertrektoelage verschuldigd aan personen die vrijwillig hun functie stopzetten.
Art. 12. § 1er. Le Président ou le Membre du Collège réuni peut accorder suivant les conditions reprises ci-après une allocation forfaitaire de départ aux personnes qui ont occupé une fonction dans un Cabinet et qui ne bénéficient d'aucun revenu professionnel de remplacement ou d'une pension de retraite. Une pension de survie ou un minimum de moyens d'existence accordé par un centre public d'aide sociale n'est pas considéré comme revenu de remplacement.
  § 2. Cette allocation forfaitaire comprend :
  - un mois d'allocation de Cabinet tenant lieu de traitement pour une période d'activité ininterrompue de trois à six mois;
  - deux mois d'allocation de Cabinet tenant lieu de traitement pour une période d'activité ininterrompue de six mois à un an;
  - trois mois d'allocation de Cabinet tenant lieu de traitement pour une période d'activité ininterrompue d'un an à dix-huit mois;
  - quatre mois d'allocation de Cabinet tenant lieu de traitement pour une période d'activité ininterrompue de dix-huit mois à deux ans;
  - cinq mois d'allocation de Cabinet tenant lieu de traitement pour une période d'activité ininterrompue de deux ans et plus.
  § 3. L'allocation de départ est payée par mensualités. L'intéressé doit introduire chaque mois une déclaration sur l'honneur dans laquelle il apparaît que pour la période concernée, il n'a pas exercé une activité professionnelle ou qu'il se trouve dans les conditions prévues au § 4.
  Il est tenu d'avertir de toute modification de sa situation sous peine de perdre le bénéfice de ladite allocation.
  § 4. Par dérogation au § 1er, le Président ou le Membre du Collège réuni peut accorder une allocation forfaitaire de départ aux personnes qui ont exercé des fonctions dans un Cabinet et qui soit sont titulaires exclusivement d'une ou plusieurs fonctions partielles dans un service public ou dans un établissement d'enseignement subventionné ou d'une ou plusieurs pensions à charge du Trésor, se rapportant à une ou plusieurs carrières incomplètes, soit bénéficient d'allocations de chômage. Dans ce cas, l'allocation de départ est fixée, conformément au § 2 et diminuée, selon le cas, de la somme totale qui est due à l'intéressé pour la période correspondante, soit en rétribution de fonctions incomplètes, soit à titre de pension ou d'allocation de chômage.
  § 5. Les allocations et indemnités prévues à l'article 10 ne sont pas prises en considération pour la fixation de l'allocation de départ. Il n'est dû aucune allocation de départ aux personnes qui cessent leurs fonctions de leur plein gré.
Art. 13. Het besluit van de Regent van 30 maart 1950 tot regeling van de toekenning van toelagen voor uitzonderlijke prestaties, het koninklijk besluit van 24 december 1964 houdende vaststelling van de vergoedingen van verblijfkosten van de personeelsleden van de ministeries alsmede de bijkomende toelage en de kabinetstoelage voorzien bij artikel 6 van dit besluit zijn hierop niet van toepassing.
Art. 13. L'arrêté du Régent du 30 mars 1950 réglant l'octroi d'allocations pour prestations à titre exceptionnel, l'arrêté royal du 24 décembre 1964 fixant les indemnités pour frais de séjour des membres du personnel des ministères ainsi que le supplément d'allocation et d'allocation de Cabinet prévus à l'article 6 du présent arrêté ne leur sont pas applicables.
Art. 14. § 1. De vergoedingen en toelagen voorzien bij de artikelen 6, 7 en 10 worden maandelijks na verloop van de termijn uitbetaald. De vergoeding of de toelage van de maand is gelijk aan 1/12e van het jaarbedrag. Wanneer de vergoeding of de toelage van de maand niet volledig verschuldigd is, wordt zij in dertigsten uitbetaald overeenkomstig de regels voorzien in het geldelijk statuut van het personeel van de Diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie.
  § 2. De vergoedingen en toelagen voorzien bij de artikelen 6, 7 en 10 zijn gebonden aan de schommelingen van het indexcijfer van de kleinhandelsprijzen, overeenkomstig de modaliteiten vastgesteld bij de wet van 2 augustus 1971 tot regeling van een stelsel van binding aan het indexcijfer van de kleinhandelsprijzen; derhalve geldt het indexcijfer 138.01.
Art. 14. § 1er. Les indemnités et allocations prévues aux articles 6, 7 et 10 sont payées mensuellement à terme échu. L'indemnité ou l'allocation de mois est égale à 1/12 du montant annuel. Lorsque l'indemnité ou l'allocation du mois n'est pas due entièrement, elle est payée en trentièmes, conformément à la règle prévue par le statut pécuniaire du personnel des Services du Collège réuni de la Commission communautaire commune.
  § 2. Les indemnités et allocations prévues aux articles 6, 7 et 10 sont liées aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation, conformément aux modalités fixées par la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation; à cet effet, elles sont rattachées à l'indice 138.01.
Afdeling 5. - Diverse bepalingen
Section 5. - Dispositions diverses
Art. 15. Er kan niet worden afgeweken van de bepalingen van dit besluit tenzij met het akkoord van het Verenigd College. Indien evenwel een afwijking een verhoging vereist van de voor het Kabinet van een Lid van het Verenigd College bestemde kredieten, dan is eveneens de voorafgaandelijke toestemming vereist van de Leden van het Verenigd College die bevoegd zijn voor de Begroting.
Art. 15. Il ne peut être dérogé aux dispositions du présent arrêté que de l'accord du Collège réuni. Toutefois, si une dérogation nécessite un accroissement des crédits réservés au Cabinet d'un Membre du Collège réuni, l'accord préalable des Membres du Collège réuni qui ont le Budget dans leurs attributions est également requis.
Art. 16. Het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 16 september 1999 tot vaststelling van de samenstelling en de werking van de kabinetten van de leden van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie wordt opgeheven.
Art. 16. L'arrêté du Collège réuni de la Commission communautaire commune du 16 septembre 1999 déterminant la composition et le fonctionnement des cabinets des membres du Collège réuni de la Commission communautaire commune est abrogé.