Zum Hauptinhalt

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
26 DECEMBER 2013. - Wet houdende invoeging van boek XVII "Bijzondere rechtsprocedures" in het Wetboek van economisch recht, en houdende invoeging van een aan boek XVII eigen definitie en sanctiebepalingen in hetzelfde Wetboek
Titre
26 DECEMBRE 2013. - Loi portant insertion du livre XVII "Procédures juridictionnelles particulières" dans le Code de droit économique, et portant insertion d'une définition et d'un régime de sanctions propres au livre XVII dans ce même Code
Dokumentinformationen
Numac: 2014011019
Datum: 2013-12-26
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2014011019
Date: 2013-12-26
Moniteur: Voir
Tekst (14)
Texte (14)
HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling
CHAPITRE Ier. - Disposition générale
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 78 de la Constitution.
HOOFDSTUK II. - Het Wetboek van economisch recht
CHAPITRE II. - Le Code de droit économique
Art. 2. In het boek I, titel 2, van het Wetboek van eonomisch recht, wordt een hoofdstuk 12 ingevoegd, luidende :
  "HOOFDSTUK 12. - Definitie eigen aan boek XVII
  Art. I. 20. Voor de toepassing van boek XVII, geldt de volgende definitie :
  1° bevoegde instantie : elke organisatie die naar het recht van een lidstaat is opgericht, die een rechtmatig belang heeft bij het instellen van een vordering tot staking van een inbreuk om de collectieve belangen van de consumenten te beschermen op grond van de criteria vastgesteld door het recht van die lidstaat."
Art. 2. Dans le livre Ier, titre 2, du Code de droit économique, il est inséré un chapitre 12, rédigé comme suit :
  "CHAPITRE 12. - Définition particulière au livre XVII
  Art. I. 20. Pour l'application du livre XVII, la définition suivante est d'application :
  1° entité qualifiée : toute organisation constituée conformément au droit d'un Etat membre, ayant un intérêt légitime à intenter une action en cessation d'une infraction en vue de protéger les intérêts collectifs des consommateurs, en vertu des critères fixés par le droit de cet Etat membre."
Art. 3. In hetzelfde Wetboek wordt een boek XVII ingevoegd, luidende :
  "Boek XVII. - Bijzondere rechtsprocedures
  TITEL 1. - Vordering tot staking
  HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen [Art. XVII. 1. tot XVII. 4.]
  Art. XVII. 5. De vordering bedoeld in de artikelen XVII. 1 en XVII. 2 kan niet meer worden ingesteld één jaar nadat de feiten waarop men zich beroept een einde hebben genomen.
  Art. XVII. 6. De vordering wordt ingesteld en behandeld zoals in kortgeding.
  Zij mag worden ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak, overeenkomstig de artikelen 1034ter tot 1034sexies van het Gerechtelijk Wetboek.
  Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elk rechtsmiddel en zonder borgtocht.
  Elke uitspraak ingevolge een op de artikelen XVII. 1 en XVII. 2 gegronde vordering wordt binnen acht dagen en door toedoen van de griffier van het bevoegde rechtscollege meegedeeld aan de minister, tenzij de uitspraak is gewezen op zijn vordering.
  Bovendien is de griffier verplicht de minister onverwijld in te lichten over de voorziening tegen elke uitspraak die op grond van de artikelen XVII. 1 en XVII. 2 is gewezen.
  Wanneer de uitspraak betrekking heeft op een overtreder met een gereglementeerd beroep dat ressorteert onder een beroepsregulerende overheid, moet die uitspraak bovendien worden meegedeeld aan die overheid. Ook moet de griffier van het rechtscollege, waar beroep is aangetekend tegen deze uitspraak, zulks onmiddellijk melden aan de bevoegde beroepsregulerende overheid.
  HOOFDSTUK 2. - Titularissen van de vordering tot staking
  Art. XVII. 7. De vordering gegrond op artikel XVII.1 wordt ingesteld op verzoek van :
  1° de belanghebbenden;
  2° de voor deze materie bevoegde minister of de directeur-generaal van de algemene directie Controle en Bemiddeling van de federale overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, tenzij het verzoek betrekking heeft op een daad als bedoeld in artikel VI. 104;
  3° een beroepsregulerende overheid, een beroeps- of interprofessionele vereniging met rechtspersoonlijkheid;
  4° een vereniging ter verdediging van de consumentenbelangen die rechtspersoonlijkheid bezit en voor zover zij in de Raad voor het Verbruik vertegenwoordigd is of door de minister erkend is, volgens criteria vastgesteld bij een koninklijk besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, tenzij het verzoek betrekking heeft op een daad als bedoeld in artikel VI. 104.
  In afwijking van de bepalingen in de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek kunnen de verenigingen bedoeld in het eerste lid, 3° en 4°, in rechte optreden voor de verdediging van hun statutair omschreven collectieve belangen.
  Art. XVII. 8. Onverminderd de eventuele toepassing van artikel VI. 104 en van artikel XVII.1 op de daarin bedoelde daden kan de vordering wegens schending van artikel XVII.2 enkel worden ingesteld op verzoek van de minister die voor de betrokken aangelegenheid bevoegd is.
  De vordering op grond van artikel XVII.2, 9°, wordt ingesteld op verzoek van de minister bevoegd voor het Leefmilieu. Het Comité dat is opgericht bij de wet van 14 juli 1994 inzake de oprichting van het Comité voor het toekennen van het Europese milieukeurmerk kan aan de minister voorstellen een dergelijke vordering aanhangig te maken.
  De vordering op grond van artikel XVII.2, 2° tot 6°, voor wat betreft het beletten van het toezicht uitgeoefend krachtens de wetten betreffende het bijhouden van sociale documenten, of deze op grond van artikel XVII.2, 8° en 13°, wordt ingesteld op verzoek van de minister of de leidinggevende ambtenaar van de bevoegde inspectiedienst bedoeld in artikel 17 van het Sociaal Strafwetboek.
  HOOFDSTUK 3. - Bijzondere bepalingen eigen aan boek VI [Art. XVII. 9.]
  Art. XVII. 10. Als de inbreuk een reclame betreft, kan de vordering tot staking wegens overtreding van de bepalingen van de artikelen VI. 17, VI. 93 tot VI. 95, VI. 105 en VI. 106 van dit Wetboek alleen tegen de adverteerder van de gewraakte reclame worden ingesteld.
  Indien de adverteerder evenwel geen woonplaats in België heeft en geen verantwoordelijke persoon met woonplaats in België heeft aangewezen, kan de vordering tot staking eveneens worden ingesteld tegen :
  - de uitgever van de geschreven reclame of de producent van de audiovisuele reclame;
  - de drukker of de maker, indien de uitgever of de producent geen woonplaats in België hebben en geen verantwoordelijke persoon met woonplaats in België hebben aangewezen;
  - de verdeler, alsmede elke persoon die er bewust toe bijdraagt dat de reclame uitwerking heeft, indien de drukker of de maker geen woonplaats in België hebben en geen verantwoordelijke persoon met woonplaats in België hebben aangewezen.
  Art. XVII. 11. De vordering tot staking kan worden ingesteld tegen een onderneming voor handelspraktijken van haar agent gehanteerd buiten de verkoopruimten van die agent, wanneer de agent zijn identiteit niet duidelijk kenbaar heeft gemaakt en zijn identiteit redelijkerwijze ook niet kon gekend zijn door degene die de vordering tot staking instelt.
  Art. XVII. 12. De vordering tot staking van de door artikel VI. 84 verboden handelingen kan, afzonderlijk of gezamenlijk, worden ingesteld tegen verscheidene ondernemingen van dezelfde economische sector of hun verenigingen die gebruik maken dan wel het gebruik aanbevelen van dezelfde of van soortgelijke algemene contractuele bedingen.
  Art. XVII. 13. De onderneming is er toe gehouden, binnen een termijn van maximum een maand, de bewijzen te leveren betreffende de materiële juistheid van de feitelijke gegevens die zij meedeelt in het kader van een handelspraktijk, als er een vordering tot staking wordt ingesteld door :
  1° de minister en, in voorkomend geval, de bevoegde minister bedoeld in artikel XVII.8;
  2° de andere personen bedoeld in artikelen XVII.7, voor zover, rekening houdend met de gerechtvaardigde belangen van de onderneming en van elke andere partij bij de procedure, de voorzitter van de rechtbank van koophandel van oordeel is dat dergelijke eis aangepast is aan de omstandigheden van het concrete geval.
  Wanneer de bewijzen vereist krachtens het eerste lid niet worden geleverd of onvoldoende worden geacht, kan de voorzitter van de rechtbank van koophandel de feitelijke gegevens als onjuist beschouwen.
  HOOFDSTUK 4;. - Bijzondere bepalingen eigen aan boek XI [Art. XVII. 14. tot XVII. 21.]
  HOOFDSTUK 5. - Bijzondere bepalingen eigen aan boek XII [Art. XVII. 22.]
  [Art. XVII. 23. § 1]
  [Art. XVII. 23. § 2]
  [Art. XVII. 23. § 3]
  Art. XVII. 23. § 4. De vordering wordt ingesteld op verzoek van elke persoon die een legitiem belang aantoont ten opzichte van de betrokken domeinnaam en die een recht kan laten gelden op één van de in artikel XII. 23 vermelde tekens.
  [Art. XVII. 23. § 5]
  Art. XVII. 23. § 6. De vordering wordt ingesteld en behandeld zoals in kortgeding.
  Zij mag ingesteld worden bij verzoekschrift op tegenspraak. Dit wordt in vier exemplaren neergelegd op de griffie van de rechtbank of bij een aangetekende zending verzonden aan deze griffie.
  De griffier van de rechtbank verwittigt onverwijld de tegenpartij bij gerechtsbrief en nodigt haar uit te verschijnen ten vroegste drie dagen en ten laatste acht dagen na het verzenden van de gerechtsbrief, waaraan een exemplaar van het inleidend verzoekschrift werd gevoegd.
  Op straffe van nietigheid, vermeldt het verzoekschrift :
  1° de dag, de maand en het jaar;
  2° de naam, de voornaam, het beroep en de woonplaats van de verzoeker;
  3° de naam en het adres van de natuurlijke persoon of de rechtspersoon tegen wie de vordering wordt ingesteld;
  4° het onderwerp en de uiteenzetting van de middelen van de vordering;
  5° de handtekening van de eiser of van zijn advocaat.
  Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elk rechtsmiddel en zonder borgtocht.
  Elke uitspraak ingevolge een op deze wet gegronde vordering wordt binnen acht dagen en door toedoen van de griffier van het bevoegde rechtscollege meegedeeld aan de minister.
  Bovendien is de griffier verplicht de minister onverwijld in te lichten over de voorziening ingeleid tegen elke uitspraak die op grond van deze bepaling is gewezen."
  [Art. XVII. 24.]
  Art. XVII. 25. Voor de toepasing van de artikelen XII. 1 tot XII. 20, kan de vordering tot staking bedoeld in artikel XVII. 1 eveneens ingesteld worden op verzoek van een ziekenfonds of een landsbond van ziekenfondsen.
  HOOFDSTUK 6. - Intracommunautaire vordering tot staking op het gebied van de bescherming van de consumentenbelangen
  Art. XVII. 26. Dit hoofdstuk beoogt de intracommunautaire vordering tot staking van elke handeling die inbreuk maakt op de collectieve belangen van de consumenten en die strijdig is :
  a) of met de bepalingen in dit Wetboek en de uitvoeringsbesluiten ervan;
  b) of met de bepalingen vervat in de volgende wetgeving :
  1° de artikelen 33 tot 39 alsmede artikel 41 van de wet van 30 maart 1995 betreffende de elektronische-communicatienetwerken en -diensten en de uitoefening van omroepactiviteiten in het tweetalig gebied Brussel- en de uitvoeringsbesluiten ervan, tot omzetting van artikelen 10 tot 21 van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten;
  2° de artikelen 24, 28 en 29 van het gecoördineerde decreet van de Franse gemeenschap van 27 februari 2003 over de audiovisuele mediadiensten en de uitvoeringsbesluiten ervan, tot omzetting van artikelen 10 tot 21 van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten;
  3° de artikelen 81, 82, 84 en 87 van het besluit van 25 januari 1995 van de Vlaamse regering tot coördinatie van de decreten betreffende de radio-omroep en de televisie en de uitvoeringsbesluiten ervan, tot omzetting van artikelen 10 tot 21 van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten;
  4° de artikelen 6 tot 14 van het decreet van 27 juni 2005 van de Duitstalige gemeenschap over de audiovisuele mediadiensten en de filmvoorstellingen en de uitvoeringsbesluiten ervan, tot omzetting van artikelen 10 tot 21 van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten;
  5° de wet van 16 februari 1994 tot regeling van het contract tot reisorganisatie en reisbemiddeling en de uitvoeringsbesluiten ervan;
  6° de artikelen 9 en 10 van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen en de uitvoeringsbesluiten ervan tot omzetting van de bepalingen van Titel VIII van Richtlijn 2001/83//EEG van de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik betreffende de reclame voor deze geneesmiddelen;
  7° de wet van 28 augustus 2011 betreffende de bescherming van de consumenten inzake overeenkomsten betreffende het gebruik van goederen in deeltijd, vakantieproducten van lange duur, doorverkoop en uitwisseling, en de uitvoeringsbesluiten ervan;
  8° boek XII, titel 1, van dit Wetboek en de uitvoeringsbesluiten ervan;
  9° de bepalingen die door de daartoe bevoegde overheden zijn vastgesteld ter omzetting van Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt;
  10° de wet van 1 september 2004 betreffende de bescherming van de consumenten bij verkoop van consumptiegoederen;
  c) of met de bepalingen van een lidstaat, tot omzetting van de richtlijnen die worden opgesomd in bijlage I bij de Richtlijn 2009/22/EG van het Europese Parlement en van de Raad van 23 april 2009 betreffende het doen staken van inbreuken in het raam van de bescherming van de consumentenbelangen.
  Art. XVII. 27. In geval van inbreuk waarvan de oorsprong in België ligt en die gevolgen heeft in een andere lidstaat, kan elke bevoegde instantie in die andere lidstaat een vordering tot staking instellen voor de voorzitter van de rechtbank van koophandel van Brussel teneinde deze inbreuk te doen staken of te verbieden als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
  1° de door die bevoegde instantie beschermde belangen worden door de inbreuk geschaad;
  2° de genoemde instantie komt voor op de lijst van de bevoegde instanties, opgesteld door de Europese Commissie en bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.
  Art. XVII. 28. De bevoegde instanties van België zijn de verenigingen ter verdediging van de collectieve consumentenbelangen, die rechtspersoonlijkheid bezitten en die of vertegenwoordigd zijn in de Raad voor het Verbruik, of erkend zijn door de minister tot wiens bevoegdheid de bescherming van de consumenten behoort, volgens criteria vastgesteld bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
  Op verzoek van de bevoegde instanties van België deelt de minister tot wiens bevoegdheid de bescherming van de consumenten behoort de lijst ervan alsmede de doelstelling en de benaming mee aan de Europese Commissie.
  [Art. XVII. 29.]
  [Art. XVII. 30.]
  Art. XVII. 31. Wanneer de feiten het voorwerp zijn van een vordering tot staking kan er enkel beslist worden over de strafvordering nadat een in kracht van gewijsde gegane beslissing is genomen betreffende de vordering tot staking.
  Art. XVII. 32. De vordering tot staking wordt ingesteld en behandeld zoals in kort geding.
  Zij mag ingesteld worden bij verzoekschrift op tegenspraak. Dit wordt in vier exemplaren neergelegd op of aangetekend toegezonden aan de griffie van de rechtbank van koophandel van Brussel.
  De griffier van de rechtbank van koophandel van Brussel verwittigt onverwijld de tegenpartij bij gerechtsbrief en nodigt haar uit te verschijnen ten vroegste drie dagen en ten laatste acht dagen na het verzenden van de gerechtsbrief, waaraan een exemplaar van het inleidend verzoekschrift werd gevoegd.
  Op straffe van nietigheid bevat het verzoekschrift :
  1° de volledige datum (dag, maand en jaar);
  2° de naam of de benaming en de woonplaats van de verzoeker;
  3° de naam of de benaming en het adres van de natuurlijke persoon of de rechtspersoon tegen wie de vordering wordt ingesteld;
  4° het onderwerp en de uiteenzetting van de middelen van de vordering;
  5° de handtekening van de verzoeker of van diens vertegenwoordiger.
  Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elk rechtsmiddel en zonder borgtocht.
  Een afschrift van elke uitspraak over een vordering die is gesteund op artikel XVII. 27, wordt binnen acht dagen en door toedoen van de griffier toegezonden aan de minister tot wiens bevoegdheid de bescherming van de consumenten behoort.
  [Art. XVII. 33.]
  Art. XVII. 34. De Koning kan de bepalingen opgesomd in artikel XVII. 26 aanpassen teneinde rekening te houden met de eventuele wijzigingen van de bijlage van de Richtlijn 2009/22/EG van het Europese Parlement en van de Raad van 23 april 2009 betreffende het doen staken van inbreuken in het raam van de bescherming van de consumentenbelangen."
Art. 3. Dans le même Code, il est inséré un livre XVII, rédigé comme suit :
  "Livre XVII. - Procédures juridictionnelles particulières
  TITRE 1er. - De l'action en cessation
  CHAPITRE 1er. - Dispositions générales [Art. XVII. 1er. à XVII. 4.]
  Art. XVII. 5. L'action visée aux articles XVII. 1er et XVII. 2 ne peut plus être intentée un an après que les faits dont on se prévaut ont pris fin.
  Art. XVII. 6. L'action est formée et instruite selon les formes du référé.
  Elle peut être introduite par requête contradictoire conformément aux articles 1034ter à 1034sexies du Code judiciaire.
  Le jugement est exécutoire par provision, nonobstant tout recours et sans caution.
  Toute décision rendue sur une action fondée sur les articles XVII. 1er et XVII. 2 est, dans la huitaine, et à la diligence du greffier de la juridiction compétente, communiquée au ministre, sauf si la décision a été rendue à sa requête.
  En outre, le greffier est tenu d'informer sans délai le ministre du recours introduit contre toute décision rendue en application des articles XVII. 1er et XVII. 2.
  Lorsque la décision concerne un contrevenant exerçant une profession réglementée relevant d'une autorité professionnelle, elle est, en outre, communiquée à l'autorité professionnelle compétente. De même, le greffier de la juridiction devant laquelle un recours est introduit contre une telle décision est tenu d'en informer sans délai l'autorité professionnelle compétente.
  CHAPITRE 2. - Titulaires de l'action en cessation
  Art. XVII. 7. L'action fondée sur l'article XVII.1er est formée à la demande :
  1° des intéressés;
  2° du ministre compétent pour la matière concernée ou du directeur général de la direction générale Contrôle et Médiation du Service public fédéral Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie, sauf lorsque la demande porte sur un acte visé à l'article VI. 104;
  3° d'une autorité professionnelle, d'un groupement professionnel ou interprofessionnel ayant la personnalité civile;
  4° d'une association ayant pour objet la défense des intérêts des consommateurs et jouissant de la personnalité civile, pour autant qu'elle soit représentée au Conseil de la consommation ou qu'elle soit agréée par le ministre, suivant des critères déterminés par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres, sauf lorsque la demande porte sur un acte visé à l'article VI. 104.
  Par dérogation aux dispositions des articles 17 et 18 du Code judiciaire, les associations et groupements visés à l'alinéa premier, 3° et 4°, peuvent agir en justice pour la défense de leurs intérêts collectifs statutairement définis.
  Art. XVII. 8. Sans préjudice de l'application éventuelle de l'article VI. 104 et de l'article XVII.1er aux actes qu'ils visent, l'action pour violation de l'article XVII.2 est formée exclusivement à la demande du ministre qui est compétent pour la matière concernée.
  L'action fondée sur l'article XVII.2, 9°, est formée à la demande du ministre qui a l'environnement dans ses attributions. Le Comité créé par la loi du 14 juillet 1994 portant création du Comité d'attribution du label écologique européen peut proposer au ministre d'introduire une telle action.
  L'action fondée sur l'article XVII.2, 2° à 6°, en ce qui concerne l'obstacle à la surveillance exercée en vertu des lois relatives à la tenue des documents sociaux, ainsi que l'action fondée sur l'article XVII.2, 8° et 13°, sont formées à la demande du ministre ou du fonctionnaire dirigeant le service d'inspection compétent visé à l'article 17 du Code pénal social.
  CHAPITRE 3. - Dispositions particulières au livre VI [Art. XVII. 9.]
  Art. XVII. 10. Lorsque l'infraction concerne une publicité, l'action en cessation ne peut être intentée du chef de manquement aux dispositions des articles VI.17, VI. 93 à VI. 95, VI. 105 et VI. 106 du présent Code qu'à charge de l'annonceur de la publicité incriminée.
  Toutefois, lorsque l'annonceur n'est pas domicilié en Belgique et n'a pas désigné une personne responsable ayant son domicile en Belgique, l'action en cessation peut également être intentée à charge de :
  - l'éditeur de la publicité écrite ou le producteur de la publicité audiovisuelle;
  - l'imprimeur ou le réalisateur, si l'éditeur ou le producteur n'ont pas leur domicile en Belgique et n'ont pas désigné une personne responsable ayant son domicile en Belgique;
  - le distributeur ainsi que toute personne qui contribue sciemment à ce que la publicité produise son effet, si l'imprimeur ou le réalisateur n'ont pas leur domicile en Belgique et n'ont pas désigné une personne responsable ayant son domicile en Belgique.
  Art. XVII. 11. L'action en cessation peut être intentée contre une entreprise pour des pratiques commerciales de son agent utilisées en dehors des locaux de cet agent, lorsque l'agent n'a pas fait connaître clairement son identité et que son identité ne pouvait pas non plus être raisonnablement connue par celui qui intente l'action en cessation.
  Art. XVII. 12. L'action en cessation des actes interdits par l'article VI. 84 peut être dirigée, séparément ou conjointement, contre plusieurs entreprises du même secteur économique ou leurs associations qui utilisent ou recommandent l'utilisation des mêmes clauses contractuelles générales, ou de clauses similaires.
  Art. XVII. 13. L'entreprise est tenue d'apporter, dans un délai d'un mois maximum, les preuves concernant l'exactitude matérielle des données factuelles qu'elle communique dans le cadre d'une pratique commerciale, lorsqu'une action en cessation est intentée par :
  1° le ministre et, le cas échéant, le ministre compétent visé à l'article XVII.8;
  2° les autres personnes visées aux articles XVII.7, pour autant que, compte tenu des intérêts légitimes de l'entreprise et de toute autre partie à la procédure, le président du tribunal de commerce estime qu'une telle exigence est appropriée au vu des circonstances du cas d'espèce.
  Si les preuves exigées en vertu de l'alinéa 1er ne sont pas apportées ou sont jugées insuffisantes, le président du tribunal de commerce peut considérer les données factuelles comme inexactes.
  CHAPITRE 4. - Dispositions particulières au livre XI [Art. XVII. 14. à XVII. 21.]
  CHAPITRE 5. - Dispositions particulières au livre XII [Art. XVII. 22. ]
  [Art. XVII. 23. § 1er]
  [Art. XVII. 23. § 2]
  [Art. XVII. 23. § 3]
  Art. XVII. 23. § 4. L'action est formée à la demande de toute personne qui justifie d'un intérêt légitime à l'égard du nom de domaine concerné et qui peut faire valoir un droit à l'un des signes mentionnés à l'article XII. 23.
  [Art. XVII. 23. § 5]
  Art. XVII. 23. § 6. L'action est formée et instruite selon les formes du référé.
  Elle peut être formée par requête contradictoire. Celle-ci est déposée en quatre exemplaires au greffe du tribunal ou envoyée à ce greffe par envoi recommandé.
  Le greffier du tribunal avertit sans délai la partie adverse par pli judiciaire et l'invite à comparaître au plus tôt trois jours, au plus tard huit jours après l'envoi du pli judiciaire, auquel est joint un exemplaire de la requête introductive.
  Sous peine de nullité, la requête contient :
  1° l'indication des jour, mois et an;
  2° les nom, prénom, profession et domicile du requérant;
  3° les nom et adresse de la personne physique ou morale contre laquelle la demande est formée;
  4° l'objet et l'exposé des moyens de la demande;
  5° la signature du demandeur ou de son avocat.
  Le jugement est exécutoire par provision, nonobstant tout recours et sans caution.
  Toute décision rendue sur une action fondée sur la présente disposition est, dans la huitaine, et à la diligence du greffier de la juridiction compétente, communiquée au ministre.
  En outre, le greffier est tenu d'informer sans délai le ministre de tout recours introduit contre une décision rendue en application de la présente disposition."
  [Art. XVII. 24.]
  Art. XVII. 25. Pour l'application des articles XII. 1er à XII. 20, l'action en cessation visée à l'article XVII.1er peut également être introduite à la demande d'une mutuelle ou d'une union nationale de mutuelles.
  CHAPITRE 6. - Action en cessation intracommunautaire relative à la protection des intérêts des consommateurs
  Art. XVII. 26. Le présent chapitre vise l'action en cessation intracommunautaire en vue de faire cesser toute acte portant atteinte aux intérêts collectifs des consommateurs, et qui est contraire :
  a) soit aux dispositions figurant dans le présent Code et ses arrêtés d'exécution;
  b) soit aux dispositions figurant dans la législation suivante :
  1° les articles 33 à 39 et article 41 de la loi du 30 mars 1995 concernant les réseaux de communications électroniques et services de communications électroniques et l'exercice d'activités de radiodiffusion dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale et ses arrêtés d'exécution, transposant les articles 10 à 21 de la Directive 89/552/CEE du Conseil du 3 octobre 1989 visant à la coordination de certaines dispositions législatives, réglementaires et administratives des Etats membres relatives à la fourniture de services de médias audiovisuels;
  2° les articles 24, 28 et 29 du décret coordonné du 27 février 2003 de la Communauté française sur les services de médias de l'audiovisuel et ses arrêtés d'exécution, transposant les articles 10 à 21 de la Directive 89/552/CEE du Conseil du 3 octobre 1989 visant à la coordination de certaines dispositions législatives, réglementaires et administratives des Etats membres relatives à la fourniture de services de médias audiovisuels;
  3° les articles 81, 82, 84 et 87 de l'arrêté du 25 janvier 1995 du Gouvernement flamand portant coordination des décrets relatifs à la radiodiffusion et à la télévision et ses arrêtés d'exécution, transposant les articles 10 à 21 de la Directive 89/552/CEE du Conseil du 3 octobre 1989 visant à la coordination de certaines dispositions législatives, réglementaires et administratives des Etats membres relatives à la fourniture de services de médias audiovisuels;
  4° les articles 6 à 14 du décret du 27 juin 2005 de la Communauté germanophone sur les services de médias audiovisuels et les représentations cinématographiques, transposant les articles 10 à 21 de la Directive 89/552/CEE du Conseil du 3 octobre 1989 visant à la coordination de certaines dispositions législatives, réglementaires et administratives des Etats membres relatives à la fourniture de services de médias audiovisuels;
  5° loi du 16 février 1994 régissant le contrat d'organisation de voyages et le contrat d'intermédiaire de voyages, et ses arrêtés d'exécution;
  6° articles 9 et 10 de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments et ses arrêtés d'exécution, transposant les dispositions du Titre VIII de la Directive 2001/83/CEE du Conseil du 6 novembre 2001 instituant un Code communautaire relatif à l'usage des médicaments humains, concernant la publicité faite à l'égard de ces médicaments;
  7° loi du 28 août 2011 relative à la protection des consommateurs en matière de contrats d'utilisation de biens à temps partagé, de produits de vacances à long terme, de revente et d'échange, et ses arrêtés d'exécution;
  8° livre XII, titre 1er, du présent Code et ses arrêtés d'exécution;
  9° dispositions prises par les autorités compétentes à cet effet pour transposer la Directive 2006/123/CE du Parlement européen et du Conseil du 12 décembre 2006 relative aux services dans le marché intérieur;
  10° loi du 1er septembre 2004 relative à la protection des consommateurs en cas de vente de biens de consommation;
  c) soit aux dispositions d'un Etat membre ayant transposé les directives citées dans l'annexe Ire de la Directive 2009/22/CE du Parlement européen et du Conseil du 23 avril 2009 relative aux actions en cessation en matière de protection des intérêts des consommateurs.
  Art. XVII. 27. En cas d'infraction ayant son origine en Belgique et comportant des effets dans un autre Etat membre, toute entité qualifiée de cet autre Etat membre peut intenter une action en cessation devant le président du tribunal de commerce de Bruxelles visant à faire cesser ou interdire cette infraction si les conditions suivantes sont remplies :
  1° les intérêts protégés par cette entité qualifiée sont lésés par l'infraction;
  2° ladite entité figure sur la liste des entités qualifiées établie par la Commission européenne et publiée au Journal officiel des Communautés européennes.
  Art. XVII. 28. Les entités qualifiées de la Belgique sont les associations ayant pour objet la défense des intérêts collectifs des consommateurs, qui jouissent de la personnalité civile et qui soit sont représentées au Conseil de la Consommation soit sont agréées par le ministre ayant la protection des consommateurs dans ses attributions, suivant des critères déterminés par arrêté délibéré en Conseil des Ministres.
  A la demande des entités qualifiées de la Belgique, le ministre ayant la protection des consommateurs dans ses attributions communique la liste de ces dernières à la Commission européenne, ainsi que leur but et leur dénomination.
  [Art. XVII. 29.]
  [Art. XVII. 30.]
  Art. XVII. 31. Lorsque les faits font l'objet d'une action en cessation, il ne peut être statué sur l'action pénale qu'après une décision coulée en force de chose jugée quant à l'action en cessation.
  Art. XVII. 32. L'action en cessation est formée et instruite selon les formes du référé.
  Elle peut être formée par requête contradictoire. Celle-ci est déposée ou transmise par lettre recommandée, en quatre exemplaires, au greffe du tribunal de commerce de Bruxelles.
  Le greffier du tribunal de commerce de Bruxelles invite sans délai et par pli judiciaire, la partie adverse à comparaître dans une période comprise entre trois et huit jours à partir de l'envoi de ce pli, auquel est joint un exemplaire de la requête introductive.
  A peine de nullité, la requête contient :
  1° sa date complète (jour, mois et an);
  2° le nom ou la dénomination du requérant ainsi que son domicile;
  3° le nom ou la dénomination ainsi que l'adresse de la personne physique ou morale contre laquelle l'action est formée;
  4° l'objet et l'exposé des moyens de l'action;
  5° la signature du requérant ou de son représentant.
  Le jugement est exécutoire par provision, nonobstant tout recours et sans caution.
  Une copie de toute décision relative à une action fondée sur l'article XVII. 27 est, dans la huitaine, et à la diligence du greffier, transmise au ministre ayant la protection des consommateurs dans ses attributions.
  [Art. XVII. 33.]
  Art. XVII. 34. Le Roi peut adapter les dispositions énumérées à l'article XVII. 26 pour tenir compte des modifications éventuelles de l'annexe de la Directive 2009/22/CE du Parlement européen et du Conseil du 23 avril 2009 relative aux actions en cessation en matière de protection des intérêts des consommateurs."
Art. 4. In hetzelfde Wetboek wordt in boek XV, titel 3, hoofdstuk 2, een afdeling 11/1 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 11/1. De straffen voor de inbreuken op boek XVII.
  Art. XV. 125/1. Zij die de bevelen, bedoeld in artikel XVII. 33 niet naleven, worden gestraft met een sanctie van niveau 3."
Art. 4. Dans le même Code, il est inséré dans le livre XV, titre 3, chapitre 2, une section 11/1, rédigée comme suit :
  "Section 11/1. Les peines relatives aux infractions au livre XVII.
  Art. XV. 125/1. Ceux qui ne se conforment pas aux ordres visés à l'article XVII. 33 sont punis d'une amende de niveau 3."
HOOFDSTUK III. - Opheffingsbepalingen
CHAPITRE III. - Dispositions abrogatoires
Art. 5. Worden opgeheven voor zover ze van toepassing zijn op de aangelegenheden geregeld door overeenkomstige bepalingen van het Wetboek van economisch recht, zoals ingevoegd door deze wet :
  - de wet van 26 mei 2002 betreffende intracommunautaire vorderingen tot staking op het gebied van de bescherming van de consumentenbelangen;
  - in de wet van 6 april 2010 betreffende de marktpraktijken en consumentenbescherming, de artikelen 110 tot 113, en de artikelen 115 tot 118.
Art. 5. Sont abrogés, en tant qu'ils s'appliquent aux matières réglées par les dispositions correspondantes du Code de droit économique, telles qu'insérées par la présente loi :
  - la loi du 26 mai 2002 relative aux actions en cessation intracommunautaires en matière de protection des intérêts des consommateurs;
  - dans la loi du 6 avril 2010 relative aux pratiques du marché et à la protection du consommateur, les articles 110 à 113, et les articles 115 à 118.
HOOFDSTUK IV. - Bevoegdheidstoewijzing
CHAPITRE IV. - Attribution de compétences
Art. 6. De bestaande wetten en uitvoeringsbesluiten die verwijzen naar de bepalingen bedoeld in artikel 5, worden geacht te verwijzen naar de overeenkomstige bepalingen in het Wetboek van economisch recht, zoals ingevoegd bij deze wet.
Art. 6. Les lois et arrêtés d'exécution existants qui font référence aux dispositions visées à l'article 5 sont présumés faire référence aux dispositions équivalentes du Code de droit économique, telles qu'insérées par la présente loi.
Art. 7. De Koning kan de verwijzingen in bestaande wetten en koninklijke besluiten naar de bepalingen bedoeld in artikel 5, vervangen door verwijzingen naar de ermee overeenstemmende bepalingen in het Wetboek van economisch recht, zoals ingevoegd bij deze wet.
Art. 7. Le Roi peut remplacer les références dans les lois ou arrêtés existants aux dispositions visées à l'article 5, par des références aux dispositions équivalentes du Code de droit économique, telles qu' insérées par la présente loi.
Art. 8. De Koning kan de bepalingen van het Wetboek van economisch recht, zoals ingevoegd bij deze wet, coördineren met de bepalingen die daarin uitdrukkelijk of stilzwijgend wijzigingen hebben aangebracht tot het tijdstip van de coördinatie.
  Daartoe kan Hij :
  1° de volgorde en de nummering van de te coördineren bepalingen veranderen en in het algemeen de teksten naar de vorm wijzigen;
  2° de verwijzingen die voorkomen in de te coördineren bepalingen met de nieuwe nummering doen overeenstemmen;
  3° zonder afbreuk te doen aan de beginselen die in de te coördineren bepalingen vervat zijn, de redactie ervan wijzigen om ze onderling te doen overeenstemmen en eenheid in de terminologie te brengen.
Art. 8. Le Roi peut coordonner les dispositions du Code de droit économique, telles qu'insérées par la présente loi, avec les dispositions qui les auraient expressément ou implicitement modifiées au moment où la coordination sera établie.
  A cette fin, Il peut :
  1° modifier l'ordre, la numérotation et, en général, la présentation des dispositions à coordonner;
  2° modifier les références qui seraient contenues dans les dispositions à coordonner en vue de les mettre en concordance avec la numérotation nouvelle;
  3° modifier la rédaction des dispositions à coordonner en vue d'assurer leur concordance et d'en unifier la terminologie sans qu'il puisse être porté atteinte aux principes inscrits dans ces dispositions.
HOOFDSTUK V. - Inwerkingtreding
CHAPITRE V. - Entrée en vigueur
Art. 9. De Koning bepaalt de datum van inwerkingtreding van elke bepaling van deze wet en van elke bepaling ingevoegd door deze wet in het Wetboek van economisch recht.
Art. 9. Le Roi fixe la date d'entrée en vigueur de chacune des dispositions de la présente loi et de chacune des dispositions insérées par la présente loi dans le Code de droit économique.
(NOTE : Entrée en vigueur fixée au 31-05-2014 par AR 2014-03-28/26, art. 2)