Artikel 1. Artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2012 tot uitvoering van het kaderdecreet van 22 juni 2007 inzake ontwikkelingssamenwerking wordt vervangen door wat volgt :
"Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder :
1° adviescomité : het Adviescomité Microfinanciering, vermeld in artikel 24/1;
2° inclusieve kredietverstrekker in het Zuiden : een rechtspersoon die bijdraagt aan een inclusieve financiële sector door het verstrekken van kredieten aan personen en organisaties uit het Zuiden die voorheen uitgesloten waren van toegang tot klassieke financiële instellingen;
3° minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor de internationale samenwerking.".
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
29 NOVEMBER 2013. - Besluit van de Vlaamse Regering tot opheffing van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 september 2005 tot uitvoering van het kaderdecreet van 22 juni 2007 inzake ontwikkelingssamenwerking, wat de waarborgverlening voor de stimulering van microfinanciering betreft, en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2012 tot uitvoering van het kaderdecreet van 22 juni 2007 inzake ontwikkelingssamenwerking
Titre
29 NOVEMBRE 2013. - Arrêté du Gouvernement flamand abrogeant l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 septembre 2005 portant exécution du décret cadre du 22 juin 2007 relatif à la coopération au développement, en ce qui concerne l'octroi d'une garantie en vue de la stimulation du micro-financement, et modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 décembre 2012 portant exécution du décret cadre du 22 juin 2007 relatif à la coopération au développement
Dokumentinformationen
Info du document
Tekst (9)
Texte (9)
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingsbepalingen
Chapitre 1er. Dispositions modificatives
Article 1er : L'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 décembre 2012 portant exécution du décret cadre du 22 juin 2007 relatif à la coopération au développement, est remplacé par la disposition suivante :
" Article 1er. Dans le présent arrêté, on entend par :
1° comité consultatif : le Comité consultatif Micro-financement, visé à l'article 24/1;
2° dispensateur de crédits inclusifs dans le Sud : une personne morale contribuant à un secteur financier inclusif en fournissant des crédits aux personnes et organisations dans le Sud qui étaient auparavant exclues de l'accès aux institutions financières classiques;
3° le Ministre : le Ministre flamand chargé de la coopération internationale. ".
" Article 1er. Dans le présent arrêté, on entend par :
1° comité consultatif : le Comité consultatif Micro-financement, visé à l'article 24/1;
2° dispensateur de crédits inclusifs dans le Sud : une personne morale contribuant à un secteur financier inclusif en fournissant des crédits aux personnes et organisations dans le Sud qui étaient auparavant exclues de l'accès aux institutions financières classiques;
3° le Ministre : le Ministre flamand chargé de la coopération internationale. ".
Art. 2. In artikel 16 van hetzelfde besluit wordt punt 3° vervangen door wat volgt :
"3° het samenwerkingsverband kan aantoonbare kennis en ervaring voorleggen op het vlak van ontwikkelingssamenwerking en educatie;".
"3° het samenwerkingsverband kan aantoonbare kennis en ervaring voorleggen op het vlak van ontwikkelingssamenwerking en educatie;".
Art. 2. Dans l'article 16 du même arrêté, le point 3° est remplacé par ce qui suit :
" 3° le partenariat peut présenter des connaissances et de l'expérience démontrables dans le domaine de la coopération au développement et de l'éducation; ".
" 3° le partenariat peut présenter des connaissances et de l'expérience démontrables dans le domaine de la coopération au développement et de l'éducation; ".
Art. 3. In artikel 17, § 2, van hetzelfde besluit wordt punt 4° vervangen door wat volgt :
"4° de kennis en ervaring van de partners in het samenwerkingsverband op het vlak van ontwikkelingssamenwerking of educatie;".
"4° de kennis en ervaring van de partners in het samenwerkingsverband op het vlak van ontwikkelingssamenwerking of educatie;".
Art. 3. Dans l'article 17, § 2, du même arrêté, le point 4° est remplacé par la disposition suivante :
" 4° les connaissances et l'expérience des partenaires dans la structure de coopération dans le domaine de la coopération au développement ou l'éducation; ".
" 4° les connaissances et l'expérience des partenaires dans la structure de coopération dans le domaine de la coopération au développement ou l'éducation; ".
Art. 4. In artikel 20, § 1, tweede lid, van hetzelfde besluit worden de woorden "eigen financiële inbreng" vervangen door de woorden "andere financieringsbronnen dan de Vlaamse overheid".
Art. 4. Dans l'article 20, alinéa deux, du même arrêté, les mots " par un propre apport financier " sont remplacés par les mots " par des sources de financement autres que les autorités flamandes ".
Art. 5. In hetzelfde besluit wordt een hoofdstuk 3/1, dat bestaat uit artikel 24/1 tot en met 24/9, ingevoegd, dat luidt volgt :
"HOOFDSTUK 3/1. Ondersteuning van microfinanciering
Afdeling 1. - Adviescomité Microfinanciering
Art. 24/1. § 1. Er bestaat een Adviescomité Microfinanciering met de volgende taken :
1° het verlenen van advies aan de Vlaamse Regering over de participatie in internationale investeringsfondsen;
2° het verlenen van advies aan de minister over de erkenning en de intrekking van de erkenning van Vlaamse ontwikkelingsfondsen;
3° het verlenen van advies aan de minister over het toekennen van waarborgen;
4° het verlenen van advies aan de minister over de uitwinning van de waarborg;
5° het uitvoeren van voortgangscontrole op participaties en waarborgen.
§ 2. Het adviescomité bestaat uit de volgende drie leden :
1° een personeelslid van het Vlaams Ministerie internationaal Vlaanderen, dat het voorzitterschap waarneemt;
2° een personeelslid dat vertrouwd is met de bepalingen van het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof;
3° een externe adviseur met specifieke kennis over microfinanciering en over internationale financiering.
De leden worden aangewezen door de minister voor een duur van vijf jaar, die onbeperkt kan worden verlengd. Voor elk van de leden wordt een plaatsvervanger aangesteld.
§ 3. Het adviescomité stelt een huishoudelijk reglement op, dat door de minister wordt goedgekeurd.
Afdeling 2. - Participaties in internationale investeringsfondsen
Art. 24/2. § 1. De Vlaamse Regering kan, na advies van het adviescomité, besluiten tot het nemen van een participatie in een internationaal investeringsfonds dat inclusieve kredietverstrekkers in het Zuiden ondersteunt.
§ 2. Rekening houdend met de beschikbare middelen op de begroting en na een marktverkenning, brengt het adviescomité advies uit over het nemen van een participatie in een internationaal investeringsfonds waarbij zowel aan ontwikkelingscriteria als aan economische criteria aandacht wordt besteed.
Onder ontwikkelingscriteria worden in ieder geval de volgende elementen begrepen :
1° de bijdrage van de activiteiten van het investeringsfonds aan de structurele bestrijding van de armoede in het Zuiden;
2° de beoogde doelgroep;
3° de sectoren waarin het investeringsfonds actief is;
4° de geografische afbakening van de activiteiten van het investeringsfonds;
5° de overeenstemming van de activiteiten van het investeringsfonds met de beginselen van de duurzame ontwikkeling.
Onder economische criteria worden in ieder geval de volgende elementen begrepen :
1° de institutionele opzet van het investeringsfonds;
2° het risicoprofiel van het investeringsfonds;
3° de rendementsverwachting van het investeringsfonds;
4° het beheer van het investeringsfonds;
5° de mix van de kredietportefeuille van het investeringsfonds.
Afdeling 3. - Waarborgverlening
Onderafdeling 1. - Toekenning en intrekking van de erkenning van Vlaamse ontwikkelingsfondsen
Art. 24/3. § 1. Alleen erkende Vlaamse ontwikkelingsfondsen komen in aanmerking voor waarborgverlening door het Fonds Microfinanciering. De minister erkent de Vlaamse ontwikkelingsfondsen na advies van het adviescomité.
Om te kunnen worden erkend als Vlaams ontwikkelingsfonds moet de verzoekende organisatie voldoen aan alle volgende criteria :
1° ze heeft een rechtsvorm naar Belgisch recht aangenomen;
2° ze streeft statutair een sociaal doel na en heeft geen oogmerk tot winstmaximalisatie;
3° ze heeft gedurende de laatste drie jaar onafgebroken financieringsactiviteiten ontwikkeld met kredieten, waarborgen of participaties;
4° ze heeft een geïnvesteerde portefeuille in microfinanciering in het Zuiden die minstens 500.000 euro bedraagt.
§ 2. De erkenning als Vlaams ontwikkelingsfonds is vijf jaar geldig en is hernieuwbaar.
§ 3. De erkenning wordt van rechtswege ingetrokken als de organisatie haar financieringsactiviteiten staakt, als ze ontbonden of vereffend wordt, als ze haar fonds overdraagt, of als de geïnvesteerde portefeuille in microfinanciering in het Zuiden niet langer minstens 500.000 euro bedraagt.
De minister kan, op advies van het adviescomité en nadat de organisatie de mogelijkheid werd geboden om te worden gehoord, de erkenning als Vlaams ontwikkelingsfonds intrekken of schorsen in geval van een veroordeling of ernstige verdenkingen ten opzichte van het ontwikkelingsfonds of zijn bestuurders.
Onderafdeling 2. - Waarborgen
Art. 24/4. § 1. Een Vlaams ontwikkelingsfonds kan de volgende vormen van waarborgen verkrijgen van het Fonds Microfinanciering :
1° een waarborg voor een directe kredietverlening door het Vlaamse ontwikkelingsfonds aan een inclusieve kredietverstrekker in het Zuiden;
2° een tegenwaarborg voor een bankgarantie of een met een garantiebrief verstrekte waarborg die in opdracht en voor rekening van een Vlaams ontwikkelingsfonds aan een derde partij gesteld werd in het kader van de financiering van een inclusieve kredietverstrekker in het Zuiden;
3° een waarborg voor een participatie in het kapitaal van een inclusieve kredietverstrekker in het Zuiden.
§ 2. Bij het verlenen van een tegenwaarborg voor een bankgarantie of waarborg aan een inclusieve kredietverstrekker in het Zuiden als vermeld in paragraaf 1, 2°, gelden de volgende regels :
1° de garantiebrief vermeldt dat de waarborg betrekking heeft op de bankgaranties die in opdracht en voor rekening van de waarborgnemer zijn gesteld aan een derde partij in het kader van een financiering aan een inclusieve kredietverstrekker in het Zuiden;
2° het risico dat de garantie wordt opgevorderd, is gedekt als die opvordering te wijten is aan een commercieel risico met betrekking tot de inclusieve kredietverstrekker in het Zuiden, of aan een politiek risico;
3° de dekking vangt aan op de datum van de inwerkingtreding van de bankgarantie. Het recht op uitwinning ontstaat op de dag waarop het Vlaamse ontwikkelingsfonds wordt gedebiteerd door de bank die de opgevorderde bankgarantie heeft gesteld of een contragarantie ervoor heeft verleend;
4° het Vlaamse ontwikkelingsfonds zorgt ervoor dat de garantiestellingen of soortgelijke verbintenissen :
a) niet op eerste verzoek en zonder rechtvaardiging kunnen worden opgevorderd;
b) niet kunnen worden verlengd naar goeddunken van de begunstigde;
c) automatisch worden verminderd, afhankelijk van de terugbetaling, als ze betrekking hebben op een bankkrediet met gespreide terugbetaling, waarbij die degressie zowel in het waarborgcontract als in de eigenlijke garantiebrief wordt vastgelegd.
Bij het verlenen van een waarborg voor een participatie in het kapitaal van een inclusieve kredietverstrekker in het Zuiden als vermeld in paragraaf 1, 3°, komen de volgende participatievormen in aanmerking :
1° de deelname in het kapitaal van een inclusieve kredietverstrekker in het Zuiden, waarbij de te waarborgen inbreng alleen in cash of andere financiële activa gedaan wordt;
2° met investeringen gelijk te stellen leningen, wat inhoudt dat het Vlaamse ontwikkelingsfonds als leninggever een ondernemingsrisico aanvaardt, onder meer doordat de leningen het karakter van achtergestelde, al dan niet in kapitaal converteerbare; leningen hebben;
3° herinvestering van winsten.
§ 3. De inclusieve kredietverstrekker in het Zuiden voldoet aan de volgende voorwaarden :
1° het gaat om een entiteit waarvan de rechtspersoonlijkheid wordt erkend in de staat waarin ze haar activiteiten ontplooit;
2° de entiteit kan aan de hand van werkingsverslagen aantonen dat ze minstens drie jaar actief is op het gebied van microfinanciering voor arme en achtergestelde groepen;
3° de entiteit legt boekhoudkundige verslagen over de laatste twee boekjaren voor.
Art. 24/5. § 1. De waarborgen hebben betrekking op politieke en commerciële risico's, voor de dekkingspercentages, vermeld in paragraaf 2 en 3.
Het Vlaamse ontwikkelingsfonds houdt het gedeelte van de transactie dat niet door de waarborg van het Fonds Microfinanciering gedekt is, voor eigen rekening.
§ 2. Het maximale dekkingspercentage voor politieke risico's bedraagt 95 %.
Politieke risico's zijn gebeurtenissen die zich in het buitenland voordoen en die voor het Vlaamse ontwikkelingsfonds of voor de inclusieve kredietverstrekker in het Zuiden als een geval van overmacht worden beschouwd. Het gaat meer bepaald om :
1° politieke gebeurtenissen, zoals oorlogen, revoluties en opstanden;
2° rampen, zoals aardbevingen, vulkaanuitbarstingen, grootschalige overstromingen of tsunami's;
3° handelingen, beslissingen of het in gebreke blijven van overheidsinstanties, die als overheidsmaatregelen worden beschouwd.
§ 3. Het maximale dekkingspercentage voor commerciële risico's bedraagt 50 %.
Commerciële risico's zijn :
1° de bewezen insolventie van de inclusieve kredietverstrekker in het Zuiden, die kan worden vastgesteld :
a) in rechte, in geval van faillietverklaring, minnelijk of gerechtelijk akkoord, of een rechterlijke beslissing van gelijke strekking, die de opschorting van persoonlijke rechtsvorderingen tot gevolg heeft;
b) in feite, als het Vlaamse ontwikkelingsfonds aantoont dat de toestand van de inclusieve kredietverstrekker in het Zuiden elke betaling onwaarschijnlijk maakt en dat een gedwongen tenuitvoerlegging of faillissementsaanvraag het risico op een groter verlies inhoudt.
2° het in gebreke blijven van de inclusieve kredietverstrekker in het Zuiden doordat hij niet in staat is zijn verplichtingen na te komen of er zich zonder wettige reden aan onttrekt.
§ 4. Geen enkel verlies geeft aanleiding tot uitwinning als dat verlies, naast de gedekte oorzaken, vermeld in paragraaf 2 en 3, namelijk commercieel en politiek risico, ook te wijten is aan een fout van het Vlaamse ontwikkelingsfonds of van elke persoon voor wie dat ontwikkelingsfonds aansprakelijk is.
§ 5. Het Fonds Microfinanciering neemt alleen de hoofdsom in de dekking op.
De terugbetalingen door de inclusieve kredietverstrekker in het Zuiden aan het Vlaamse waarborgfonds komen in mindering van de verbintenis van het Fonds Microfinanciering.
Onderafdeling 3. - Toekenning van de waarborgverlening
Art. 24/6. § 1. De minister beslist, na advies van het adviescomité, over elke toekenning van een waarborgverlening waarvoor een Vlaams ontwikkelingsfonds een aanvraag heeft ingediend.
Een aanvraag wordt schriftelijk ingediend bij het adviescomité en heeft betrekking op een transactie van minstens 50.000 euro.
§ 2. Een aanvraag bevat de volgende elementen :
1° het type transactie waarvoor een waarborg wordt gevraagd;
2° de inclusieve kredietverstrekker in het Zuiden die de debiteur is van die transactie;
3° het bedrag van de waarborgstelling die het Vlaamse ontwikkelingsfonds verlangt;
4° de looptijd van de waarborgstelling;
5° het voorstel van financieringscontract tussen het Vlaamse ontwikkelingsfonds en de inclusieve kredietverstrekker in het Zuiden voor de gedekte transactie;
6° documentatie op het vlak van de kredietwaardigheid van de inclusieve kredietverstrekker in het Zuiden, zoals :
a) een kopie van de officiële akte van oprichting;
b) de twee meest recente werkingsverslagen;
c) de twee meest recente boekhoudkundige verslagen;
d) een actueel financieel verslag, met inbegrip van de balans en de resultatenrekening;
e) een actueel portefeuilleverslag, gebaseerd op de portfolio-at-riskberekeningswijze;
7° een werkplan dat aantoont dat de transactie de toegang tot financiële diensten verbetert voor arme en achtergestelde groepen.
Het adviescomité kan op elk moment aanvullende documenten en informatie opvragen bij het Vlaamse ontwikkelingsfonds.
§ 3. Het adviescomité baseert zijn advies op de volgende criteria :
1° de kredietwaardigheid van de inclusieve kredietverstrekker in het Zuiden;
2° de omvang van de voorgestelde transactie en andere lopende waarborgen voor transacties naar de inclusieve kredietverstrekker in het Zuiden, in verhouding tot diens balanstotaal;
3° de mate waarin de transactie de toegang van arme en achtergestelde groepen tot financiële diensten verbetert;
4° de inschatting van de specifieke politieke en commerciële risico's;
5° het verband met het prioritaire gebied van de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking.
Art. 24/7. § 1. De verlening van een waarborg door het Fonds Microfinanciering is afhankelijk van de betaling van een eenmalige premie door het indienende Vlaamse ontwikkelingsfonds van 0,25 % op het bedrag van de transactie, vermeerderd met een jaarlijkse premie van 0,25 %, te berekenen op het openstaande saldo van het transactiebedrag aan het begin van het jaar in kwestie.
Het Vlaamse ontwikkelingsfonds stort de eenmalige premie, samen met de eerste jaarlijkse premie, binnen een maand na de betekening van het ministerieel besluit tot waarborgverlening op straffe van intrekking van de verleende waarborg.
§ 2. Het Vlaamse ontwikkelingsfonds heeft de volgende verplichtingen :
1° het betaalt tijdig de waarborgpremie, vermeld in paragraaf 1;
2° het rapporteert jaarlijks aan het adviescomité over de activiteiten van de inclusieve kredietverstrekker in het Zuiden;
3° het breng het adviescomité zonder uitstel op de hoogte van elke dreigende schade en van elke gebeurtenis die een invloed kan hebben op het risico, zoals een verslechtering van de financiële toestand van de inclusieve kredietverstrekker in het Zuiden;
4° het brengt het adviescomité zonder uitstel op de hoogte van elke aanvraag tot faillissement, gerechtelijk akkoord of een soortgelijke procedure ten aanzien van het Vlaamse ontwikkelingsfonds.
§ 3. De waarborg vervalt van rechtswege als :
1° de erkenning van het Vlaamse ontwikkelingsfonds conform artikel 24/3 wordt ingetrokken of niet wordt verlengd;
2° het financieringscontract tussen het Vlaamse ontwikkelingsfonds en de inclusieve kredietverstrekker in het Zuiden niet in werking is getreden binnen zes maanden na de uitreiking van de waarborg;
3° de waarborgpremie, vermeld in paragraaf 1, niet binnen een maand na uitreiking van de waarborg door het Vlaamse ontwikkelingsfonds betaald wordt.
Onderafdeling 4. - Uitwinning van de waarborg
Art. 24/8. § 1. De minister beslist, na advies van het adviescomité, over elke betaling die het Fonds Microfinanciering doet in het kader van de uitwinning van de waarborg.
§ 2. Iedere betaling door het Fonds Microfinanciering aan een Vlaams ontwikkelingsfonds is afhankelijk van een aanvraag tot uitwinning, gericht aan het adviescomité, en van de inzending van alle inlichtingen en documenten die nodig zijn als bewijs van het recht op uitwinning van de waarborg.
§ 3. Naast de boekhouding kunnen de bewijzen waaruit het recht op uitwinning moet blijken, onder meer bestaan uit :
1° in geval van onteigening en overheidsmaatregelen : wetten, decreten, besluiten en verordeningen van het gastland;
2° in geval van oorlog : verklaring van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.
§ 4. De berekening van het te betalen bedrag bestaat uit de volgende elementen :
1° aan debetzijde : het niet-betaalde bedrag van de vordering waarop het schadegeval betrekking heeft;
2° aan creditzijde : elk bedrag dat werd verkregen in verband met de gedekte vordering en dat niet werd toegerekend aan de vordering, vermeld in het debet.
Het bedrag van de uitwinning wordt berekend met toepassing van het toegekende dekkingspercentage op het saldo van de berekening.
Afdeling 4. - Beheer van de DAB Fonds Microfinanciering
Art. 24/9. Het personeelslid dat met de leiding van de DAB Fonds Microfinanciering wordt belast of zijn plaatsvervanger wordt aangesteld als gedelegeerd ordonnateur van de DAB.
De gedelegeerde ordonnateur is gemachtigd om, binnen de delegatie die aan hem verleend is, alle verbintenissen aan te gaan die noodzakelijk zijn voor de realisatie van de opdracht van de DAB Fonds Microfinanciering.".
"HOOFDSTUK 3/1. Ondersteuning van microfinanciering
Afdeling 1. - Adviescomité Microfinanciering
Art. 24/1. § 1. Er bestaat een Adviescomité Microfinanciering met de volgende taken :
1° het verlenen van advies aan de Vlaamse Regering over de participatie in internationale investeringsfondsen;
2° het verlenen van advies aan de minister over de erkenning en de intrekking van de erkenning van Vlaamse ontwikkelingsfondsen;
3° het verlenen van advies aan de minister over het toekennen van waarborgen;
4° het verlenen van advies aan de minister over de uitwinning van de waarborg;
5° het uitvoeren van voortgangscontrole op participaties en waarborgen.
§ 2. Het adviescomité bestaat uit de volgende drie leden :
1° een personeelslid van het Vlaams Ministerie internationaal Vlaanderen, dat het voorzitterschap waarneemt;
2° een personeelslid dat vertrouwd is met de bepalingen van het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof;
3° een externe adviseur met specifieke kennis over microfinanciering en over internationale financiering.
De leden worden aangewezen door de minister voor een duur van vijf jaar, die onbeperkt kan worden verlengd. Voor elk van de leden wordt een plaatsvervanger aangesteld.
§ 3. Het adviescomité stelt een huishoudelijk reglement op, dat door de minister wordt goedgekeurd.
Afdeling 2. - Participaties in internationale investeringsfondsen
Art. 24/2. § 1. De Vlaamse Regering kan, na advies van het adviescomité, besluiten tot het nemen van een participatie in een internationaal investeringsfonds dat inclusieve kredietverstrekkers in het Zuiden ondersteunt.
§ 2. Rekening houdend met de beschikbare middelen op de begroting en na een marktverkenning, brengt het adviescomité advies uit over het nemen van een participatie in een internationaal investeringsfonds waarbij zowel aan ontwikkelingscriteria als aan economische criteria aandacht wordt besteed.
Onder ontwikkelingscriteria worden in ieder geval de volgende elementen begrepen :
1° de bijdrage van de activiteiten van het investeringsfonds aan de structurele bestrijding van de armoede in het Zuiden;
2° de beoogde doelgroep;
3° de sectoren waarin het investeringsfonds actief is;
4° de geografische afbakening van de activiteiten van het investeringsfonds;
5° de overeenstemming van de activiteiten van het investeringsfonds met de beginselen van de duurzame ontwikkeling.
Onder economische criteria worden in ieder geval de volgende elementen begrepen :
1° de institutionele opzet van het investeringsfonds;
2° het risicoprofiel van het investeringsfonds;
3° de rendementsverwachting van het investeringsfonds;
4° het beheer van het investeringsfonds;
5° de mix van de kredietportefeuille van het investeringsfonds.
Afdeling 3. - Waarborgverlening
Onderafdeling 1. - Toekenning en intrekking van de erkenning van Vlaamse ontwikkelingsfondsen
Art. 24/3. § 1. Alleen erkende Vlaamse ontwikkelingsfondsen komen in aanmerking voor waarborgverlening door het Fonds Microfinanciering. De minister erkent de Vlaamse ontwikkelingsfondsen na advies van het adviescomité.
Om te kunnen worden erkend als Vlaams ontwikkelingsfonds moet de verzoekende organisatie voldoen aan alle volgende criteria :
1° ze heeft een rechtsvorm naar Belgisch recht aangenomen;
2° ze streeft statutair een sociaal doel na en heeft geen oogmerk tot winstmaximalisatie;
3° ze heeft gedurende de laatste drie jaar onafgebroken financieringsactiviteiten ontwikkeld met kredieten, waarborgen of participaties;
4° ze heeft een geïnvesteerde portefeuille in microfinanciering in het Zuiden die minstens 500.000 euro bedraagt.
§ 2. De erkenning als Vlaams ontwikkelingsfonds is vijf jaar geldig en is hernieuwbaar.
§ 3. De erkenning wordt van rechtswege ingetrokken als de organisatie haar financieringsactiviteiten staakt, als ze ontbonden of vereffend wordt, als ze haar fonds overdraagt, of als de geïnvesteerde portefeuille in microfinanciering in het Zuiden niet langer minstens 500.000 euro bedraagt.
De minister kan, op advies van het adviescomité en nadat de organisatie de mogelijkheid werd geboden om te worden gehoord, de erkenning als Vlaams ontwikkelingsfonds intrekken of schorsen in geval van een veroordeling of ernstige verdenkingen ten opzichte van het ontwikkelingsfonds of zijn bestuurders.
Onderafdeling 2. - Waarborgen
Art. 24/4. § 1. Een Vlaams ontwikkelingsfonds kan de volgende vormen van waarborgen verkrijgen van het Fonds Microfinanciering :
1° een waarborg voor een directe kredietverlening door het Vlaamse ontwikkelingsfonds aan een inclusieve kredietverstrekker in het Zuiden;
2° een tegenwaarborg voor een bankgarantie of een met een garantiebrief verstrekte waarborg die in opdracht en voor rekening van een Vlaams ontwikkelingsfonds aan een derde partij gesteld werd in het kader van de financiering van een inclusieve kredietverstrekker in het Zuiden;
3° een waarborg voor een participatie in het kapitaal van een inclusieve kredietverstrekker in het Zuiden.
§ 2. Bij het verlenen van een tegenwaarborg voor een bankgarantie of waarborg aan een inclusieve kredietverstrekker in het Zuiden als vermeld in paragraaf 1, 2°, gelden de volgende regels :
1° de garantiebrief vermeldt dat de waarborg betrekking heeft op de bankgaranties die in opdracht en voor rekening van de waarborgnemer zijn gesteld aan een derde partij in het kader van een financiering aan een inclusieve kredietverstrekker in het Zuiden;
2° het risico dat de garantie wordt opgevorderd, is gedekt als die opvordering te wijten is aan een commercieel risico met betrekking tot de inclusieve kredietverstrekker in het Zuiden, of aan een politiek risico;
3° de dekking vangt aan op de datum van de inwerkingtreding van de bankgarantie. Het recht op uitwinning ontstaat op de dag waarop het Vlaamse ontwikkelingsfonds wordt gedebiteerd door de bank die de opgevorderde bankgarantie heeft gesteld of een contragarantie ervoor heeft verleend;
4° het Vlaamse ontwikkelingsfonds zorgt ervoor dat de garantiestellingen of soortgelijke verbintenissen :
a) niet op eerste verzoek en zonder rechtvaardiging kunnen worden opgevorderd;
b) niet kunnen worden verlengd naar goeddunken van de begunstigde;
c) automatisch worden verminderd, afhankelijk van de terugbetaling, als ze betrekking hebben op een bankkrediet met gespreide terugbetaling, waarbij die degressie zowel in het waarborgcontract als in de eigenlijke garantiebrief wordt vastgelegd.
Bij het verlenen van een waarborg voor een participatie in het kapitaal van een inclusieve kredietverstrekker in het Zuiden als vermeld in paragraaf 1, 3°, komen de volgende participatievormen in aanmerking :
1° de deelname in het kapitaal van een inclusieve kredietverstrekker in het Zuiden, waarbij de te waarborgen inbreng alleen in cash of andere financiële activa gedaan wordt;
2° met investeringen gelijk te stellen leningen, wat inhoudt dat het Vlaamse ontwikkelingsfonds als leninggever een ondernemingsrisico aanvaardt, onder meer doordat de leningen het karakter van achtergestelde, al dan niet in kapitaal converteerbare; leningen hebben;
3° herinvestering van winsten.
§ 3. De inclusieve kredietverstrekker in het Zuiden voldoet aan de volgende voorwaarden :
1° het gaat om een entiteit waarvan de rechtspersoonlijkheid wordt erkend in de staat waarin ze haar activiteiten ontplooit;
2° de entiteit kan aan de hand van werkingsverslagen aantonen dat ze minstens drie jaar actief is op het gebied van microfinanciering voor arme en achtergestelde groepen;
3° de entiteit legt boekhoudkundige verslagen over de laatste twee boekjaren voor.
Art. 24/5. § 1. De waarborgen hebben betrekking op politieke en commerciële risico's, voor de dekkingspercentages, vermeld in paragraaf 2 en 3.
Het Vlaamse ontwikkelingsfonds houdt het gedeelte van de transactie dat niet door de waarborg van het Fonds Microfinanciering gedekt is, voor eigen rekening.
§ 2. Het maximale dekkingspercentage voor politieke risico's bedraagt 95 %.
Politieke risico's zijn gebeurtenissen die zich in het buitenland voordoen en die voor het Vlaamse ontwikkelingsfonds of voor de inclusieve kredietverstrekker in het Zuiden als een geval van overmacht worden beschouwd. Het gaat meer bepaald om :
1° politieke gebeurtenissen, zoals oorlogen, revoluties en opstanden;
2° rampen, zoals aardbevingen, vulkaanuitbarstingen, grootschalige overstromingen of tsunami's;
3° handelingen, beslissingen of het in gebreke blijven van overheidsinstanties, die als overheidsmaatregelen worden beschouwd.
§ 3. Het maximale dekkingspercentage voor commerciële risico's bedraagt 50 %.
Commerciële risico's zijn :
1° de bewezen insolventie van de inclusieve kredietverstrekker in het Zuiden, die kan worden vastgesteld :
a) in rechte, in geval van faillietverklaring, minnelijk of gerechtelijk akkoord, of een rechterlijke beslissing van gelijke strekking, die de opschorting van persoonlijke rechtsvorderingen tot gevolg heeft;
b) in feite, als het Vlaamse ontwikkelingsfonds aantoont dat de toestand van de inclusieve kredietverstrekker in het Zuiden elke betaling onwaarschijnlijk maakt en dat een gedwongen tenuitvoerlegging of faillissementsaanvraag het risico op een groter verlies inhoudt.
2° het in gebreke blijven van de inclusieve kredietverstrekker in het Zuiden doordat hij niet in staat is zijn verplichtingen na te komen of er zich zonder wettige reden aan onttrekt.
§ 4. Geen enkel verlies geeft aanleiding tot uitwinning als dat verlies, naast de gedekte oorzaken, vermeld in paragraaf 2 en 3, namelijk commercieel en politiek risico, ook te wijten is aan een fout van het Vlaamse ontwikkelingsfonds of van elke persoon voor wie dat ontwikkelingsfonds aansprakelijk is.
§ 5. Het Fonds Microfinanciering neemt alleen de hoofdsom in de dekking op.
De terugbetalingen door de inclusieve kredietverstrekker in het Zuiden aan het Vlaamse waarborgfonds komen in mindering van de verbintenis van het Fonds Microfinanciering.
Onderafdeling 3. - Toekenning van de waarborgverlening
Art. 24/6. § 1. De minister beslist, na advies van het adviescomité, over elke toekenning van een waarborgverlening waarvoor een Vlaams ontwikkelingsfonds een aanvraag heeft ingediend.
Een aanvraag wordt schriftelijk ingediend bij het adviescomité en heeft betrekking op een transactie van minstens 50.000 euro.
§ 2. Een aanvraag bevat de volgende elementen :
1° het type transactie waarvoor een waarborg wordt gevraagd;
2° de inclusieve kredietverstrekker in het Zuiden die de debiteur is van die transactie;
3° het bedrag van de waarborgstelling die het Vlaamse ontwikkelingsfonds verlangt;
4° de looptijd van de waarborgstelling;
5° het voorstel van financieringscontract tussen het Vlaamse ontwikkelingsfonds en de inclusieve kredietverstrekker in het Zuiden voor de gedekte transactie;
6° documentatie op het vlak van de kredietwaardigheid van de inclusieve kredietverstrekker in het Zuiden, zoals :
a) een kopie van de officiële akte van oprichting;
b) de twee meest recente werkingsverslagen;
c) de twee meest recente boekhoudkundige verslagen;
d) een actueel financieel verslag, met inbegrip van de balans en de resultatenrekening;
e) een actueel portefeuilleverslag, gebaseerd op de portfolio-at-riskberekeningswijze;
7° een werkplan dat aantoont dat de transactie de toegang tot financiële diensten verbetert voor arme en achtergestelde groepen.
Het adviescomité kan op elk moment aanvullende documenten en informatie opvragen bij het Vlaamse ontwikkelingsfonds.
§ 3. Het adviescomité baseert zijn advies op de volgende criteria :
1° de kredietwaardigheid van de inclusieve kredietverstrekker in het Zuiden;
2° de omvang van de voorgestelde transactie en andere lopende waarborgen voor transacties naar de inclusieve kredietverstrekker in het Zuiden, in verhouding tot diens balanstotaal;
3° de mate waarin de transactie de toegang van arme en achtergestelde groepen tot financiële diensten verbetert;
4° de inschatting van de specifieke politieke en commerciële risico's;
5° het verband met het prioritaire gebied van de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking.
Art. 24/7. § 1. De verlening van een waarborg door het Fonds Microfinanciering is afhankelijk van de betaling van een eenmalige premie door het indienende Vlaamse ontwikkelingsfonds van 0,25 % op het bedrag van de transactie, vermeerderd met een jaarlijkse premie van 0,25 %, te berekenen op het openstaande saldo van het transactiebedrag aan het begin van het jaar in kwestie.
Het Vlaamse ontwikkelingsfonds stort de eenmalige premie, samen met de eerste jaarlijkse premie, binnen een maand na de betekening van het ministerieel besluit tot waarborgverlening op straffe van intrekking van de verleende waarborg.
§ 2. Het Vlaamse ontwikkelingsfonds heeft de volgende verplichtingen :
1° het betaalt tijdig de waarborgpremie, vermeld in paragraaf 1;
2° het rapporteert jaarlijks aan het adviescomité over de activiteiten van de inclusieve kredietverstrekker in het Zuiden;
3° het breng het adviescomité zonder uitstel op de hoogte van elke dreigende schade en van elke gebeurtenis die een invloed kan hebben op het risico, zoals een verslechtering van de financiële toestand van de inclusieve kredietverstrekker in het Zuiden;
4° het brengt het adviescomité zonder uitstel op de hoogte van elke aanvraag tot faillissement, gerechtelijk akkoord of een soortgelijke procedure ten aanzien van het Vlaamse ontwikkelingsfonds.
§ 3. De waarborg vervalt van rechtswege als :
1° de erkenning van het Vlaamse ontwikkelingsfonds conform artikel 24/3 wordt ingetrokken of niet wordt verlengd;
2° het financieringscontract tussen het Vlaamse ontwikkelingsfonds en de inclusieve kredietverstrekker in het Zuiden niet in werking is getreden binnen zes maanden na de uitreiking van de waarborg;
3° de waarborgpremie, vermeld in paragraaf 1, niet binnen een maand na uitreiking van de waarborg door het Vlaamse ontwikkelingsfonds betaald wordt.
Onderafdeling 4. - Uitwinning van de waarborg
Art. 24/8. § 1. De minister beslist, na advies van het adviescomité, over elke betaling die het Fonds Microfinanciering doet in het kader van de uitwinning van de waarborg.
§ 2. Iedere betaling door het Fonds Microfinanciering aan een Vlaams ontwikkelingsfonds is afhankelijk van een aanvraag tot uitwinning, gericht aan het adviescomité, en van de inzending van alle inlichtingen en documenten die nodig zijn als bewijs van het recht op uitwinning van de waarborg.
§ 3. Naast de boekhouding kunnen de bewijzen waaruit het recht op uitwinning moet blijken, onder meer bestaan uit :
1° in geval van onteigening en overheidsmaatregelen : wetten, decreten, besluiten en verordeningen van het gastland;
2° in geval van oorlog : verklaring van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.
§ 4. De berekening van het te betalen bedrag bestaat uit de volgende elementen :
1° aan debetzijde : het niet-betaalde bedrag van de vordering waarop het schadegeval betrekking heeft;
2° aan creditzijde : elk bedrag dat werd verkregen in verband met de gedekte vordering en dat niet werd toegerekend aan de vordering, vermeld in het debet.
Het bedrag van de uitwinning wordt berekend met toepassing van het toegekende dekkingspercentage op het saldo van de berekening.
Afdeling 4. - Beheer van de DAB Fonds Microfinanciering
Art. 24/9. Het personeelslid dat met de leiding van de DAB Fonds Microfinanciering wordt belast of zijn plaatsvervanger wordt aangesteld als gedelegeerd ordonnateur van de DAB.
De gedelegeerde ordonnateur is gemachtigd om, binnen de delegatie die aan hem verleend is, alle verbintenissen aan te gaan die noodzakelijk zijn voor de realisatie van de opdracht van de DAB Fonds Microfinanciering.".
Art. 5. Dans le même arrêté, il est inséré un chapitre 3/1, composé des articles 24/1 à 24/9 inclus, rédigé comme suit :
" CHAPITRE 3/1 : Appui du micro-financement
Section 1re. - Comité consultatif Micro-financement
Art. 24/1. § 1er. Il existe un Comité consultatif Micro-financement, chargé des tâches suivantes :
1° émettre des avis au Gouvernement flamand sur la participation dans des fonds d'investissement internationaux;
2° émettre des avis au Ministre sur l'agrément et le retrait de l'agrément des fonds flamands de développement;
3° émettre des avis au Ministre sur l'octroi de garanties;
4° émettre des avis au Ministre sur l'éviction de la garantie;
5° le contrôle de l'état d'avancement des participations et garanties.
§ 2. Le Comité consultatif se compose des trois membres suivants :
1° un membre du personnel du Département flamand des Affaires étrangères, qui assume la présidence;
2° un membre du personnel qui s'est familiarisé des dispositions du décret du 8 juillet 2011 réglant le budget, la comptabilité, l'attribution de subventions et le contrôle de leur utilisation, et le contrôle par la Cour des Comptes;
3° un conseiller externe ayant des connaissances spécifiques du micro-financement et du financement international.
Les membres sont désignés par le Ministre pour une durée de cinq ans, qui est renouvelable sans restriction. Un suppléant est désigné pour chaque membre.
§ 3. Le Comité consultatif établit un règlement d'ordre intérieur et le soumet à l'approbation du Ministre.
Section 2. - Participations dans des fonds d'investissement internationaux
Art. 24/2. § 1er. Le Gouvernement flamand peut, après avis du comité consultatif, décider de prendre une participation dans un fonds d'investissement international qui soutient les dispensateurs de crédits inclusifs dans le Sud.
§ 2. Compte tenu des ressources disponibles au budget et suivant une exploration du marché, le comité consultatif émet un avis sur une participation dans un fonds d'investissement international, à l'occasion de laquelle tant des critères de développement que des critères économiques sont pris en compte.
Par critères de développement il faut entendre en tout cas les éléments suivants :
1° la contribution des activités du fonds d'investissements à la lutte structurelle contre la pauvreté dans le Sud;
2° le groupe cible envisagé;
3° les secteurs dans lesquels le fonds d'investissement est actif;
4° la délimitation géographique des activités du fonds d'investissement;
5° la concordance des activités du fonds d'investissement avec les principes du développement durable.
Par critères économiques il faut entendre en tout cas les éléments suivants :
1° le but institutionnel du fonds d'investissement;
2° le profil de risque du fonds d'investissement;
3° la prévision de rendement du fonds d'investissement;
4° la gestion du fonds d'investissement;
5° le mélange du portefeuille de crédit du fonds d'investissement.
Section 3. - Octroi d'une garantie
Sous-section 1re. - Octroi et retrait de l'agrément des fonds flamands de développement
Art. 24/3. § 1er. Seuls des Fonds flamands de développement entrent en ligne de compte pour l'octroi d'une garantie par le " Fonds Microfinanciering ". Le Ministre agrée les Fonds flamands de développement après l'avis du comité consultatif.
Pour pouvoir être agréé en tant que Fonds flamand de développement, l'organisation demandeuse doit répondre à tous les critères suivants :
1° elle a adopté une forme juridique selon le droit belge;
2° au niveau statutaire, elle poursuit un objectif social et elle ne poursuit aucune maximalisation du bénéfice;
3° pendant les trois dernières années, elle a développé sans interruption des activités de financement avec des crédits, garanties ou participations;
4° elle dispose d'un portefeuille investi en micro-financement dans le Sud qui s'élève à 500.000 euros au minimum.
§ 2. L'agrément comme Fonds flamand de développement est valable pendant cinq ans et est renouvelable.
§ 3. L'agrément est retiré de droit en cas de cessation des activités de financement, en cas de dissolution ou de liquidation ou en cas de transfert du fonds, ou lorsque le portefeuille investi en micro-financement ne s'élève plus à 500.000 euros au minimum.
Le Ministre peut, sur avis du comité consultatif et après que l'organisation a eu la possibilité d'être entendu, retirer ou suspendre l'agrément comme Fonds flamand de développement en cas de conviction ou de suspicions graves pesant sur le fonds de développement ou ses dirigeants.
Sous-section 2. - Garanties
Art. 24/4. § 1er. Un fonds flamand de développement peut obtenir les formes de garanties suivantes du " Fonds Microfinanciering " :
1° une garantie pour un octroi de crédit direct par le Fonds flamand de développement à un dispensateur de crédits inclusifs dans le Sud;
2° une contre-garantie pour une garantie bancaire ou une garantie délivrée au moyen d'une lettre de garantie, établie pour le compte d'un fonds de développement flamand agréé à une tierce partie dans le cadre d'un financement d'un dispensateur de crédits inclusifs dans le Sud;
3° une garantie pour une participation au capital d'un dispensateur de crédits inclusifs dans le Sud.
§ 2. Lors de l'octroi d'une contre-garantie pour une garantie bancaire ou une garantie à un dispensateur de crédits inclusifs dans le Sud tel que visé au paragraphe 1er, 2°, les règles suivantes sont d'application :
1° la lettre de garantie mentionne que la garantie porte sur les garanties bancaires constituées, pour le compte du preneur de garantie, à une tierce partie dans le cadre d'un financement consenti à un dispensateur de crédits inclusifs dans le Sud;
2° le risque d'appel de la garantie est couvert si cet appel est dû à un risque commercial se rapportant au dispensateur de crédits inclusifs dans le Sud, ou à un risque politique;
3° la couverture prend cours à la date de l'entrée en vigueur de la garantie bancaire. Le droit d'éviction se forme le jour où le fonds flamand de développement est débité par la banque qui a constitué la garantie bancaire appelée, ou qui a consenti une contre-garantie;
4° Le fonds flamand de développement veille à ce que les constitutions de garanties ou engagements analogues :
a) ne puissent pas être recouverts à la première demande et sans justification;
b) ne puissent pas être prolongés par le bénéficiaire à sa guise;
c) soient diminués automatiquement, en fonction du remboursement, s'ils ont trait à un crédit bancaire à remboursement échelonné, par lequel cette dégression est fixée, tant dans le contrat de garantie que dans la lettre de garantie proprement dite.
Lors de l'octroi d'une garantie pour une participation au capital d'un dispensateur de crédits inclusifs dans le Sud, tel que visé au paragraphe 1er, 3°, les formes suivantes de participation sont éligibles :
1° la participation au capital d'un dispensateur de crédits inclusifs dans le Sud, par laquelle l'apport à garantir ne peut se faire qu'en espèces ou d'autres actifs financiers;
2° des prêts assimilés à des investissements, ce qui signifie que le Fonds flamand de développement en tant que fournisseur de prêts accepte un risque d'entreprise, entre autres parce que les prêts ont le caractère de prêts subordonnés, convertibles en capital ou non;
3° le réinvestissement de bénéfices.
§ 3. Le dispensateur de crédits inclusifs dans le Sud répond aux conditions suivantes :
1° il s'agit d'une entité dont la personnalité juridique est agréée dans l'état dans laquelle elle déploie ses activités;
2° l'entité peut démontrer à l'aide des rapports d'activité qu'elle est active depuis trois ans au moins dans le domaine du micro-financement en faveur de groupes pauvres et défavorisés;
3° l'entité présente des rapports comptables des deux derniers exercices.
Art. 24/5. § 1er. Les garanties ont trait aux risques politiques et commerciaux, pour les pourcentages de couverture, visés aux paragraphes 2 et 3.
Le fonds flamand de développement prend la partie de la transaction non couverte par la garantie du " Fonds Microfinanciering " pour son compte.
§ 2. Le pourcentage maximum de couverture pour les risques politiques s'élève à 95 % .
Les risques politiques sont des événements se produisant à l'étranger et qui constituent des cas de force majeure pour le fonds de développement flamand ou pour le dispensateur de crédits inclusifs dans le Sud. Il s'agit entre autres :
1° d'événements politiques, tels que des guerres, révolutions ou révoltes;
2° de' catastrophes, telles que des séismes, des éruptions volcaniques, des inondations à grande échelle ou des tsunamis;
3° d'actes, de décisions ou d'omissions d'instances publiques, qui sont considérés comme des mesures d'autorité publique;
§ 3. Le pourcentage maximum de couverture pour les risques commerciaux s'élève à 50 % .
Les risques commerciaux sont :
1° l'insolvabilité avérée du dispensateur de crédits inclusifs dans le Sud, qui peut être constatée :
a) en droit, en cas d'une déclaration de faillite, d'un accord à l'amiable ou concordat judiciaire ou d'une décision judiciaire de même tendance, qui entraîne la suspension d'actions personnelles;
b) en fait, lorsque le Fonds flamand de développement démontre que la situation du dispensateur de crédits inclusifs dans le Sud rend tout paiement invraisemblable et qu'une exécution contrainte ou une demande de faillite risquent d'entraîner des pertes plus importantes.
2° l'omission du dispensateur de crédits inclusifs dans le Sud parce qu'il n'est pas à même de respecter ses obligations ou qu'il s'y soustrait sans motif légitime.
§ 4. Aucune perte ne donne lieu à l'éviction si cette perte est également due, outre aux causes couvertes, mentionnées aux paragraphes 2 et 3, à savoir un risque commercial et politique, à une faute de la part du fonds flamand de développement ou de toute personne pour laquelle ce fonds de développement est responsable.
§ 5. Le " Fonds Microfinanciering " ne couvre que le principal.
Les remboursements par le dispensateur de crédits inclusifs dans le Sud au Fonds flamand de garantie sont déduits de l'engagement du " Fonds Microfinanciering ".
Sous-section 3. - Octroi de la garantie
Art. 24/6. § 1er. Le Ministre statue, après avis du comité consultatif, de chaque octroi d'une garantie, pour laquelle un Fonds flamand de développement a introduit une demande.
Une demande est introduite par écrit auprès du comité consultatif et a trait à une transaction d'au moins 50.000 euros.
§ 2. Une demande comporte les éléments suivants :
1° le type de transaction faisant l'objet de la demande de garantie;
2° le dispensateur de crédits inclusifs dans le Sud débiteur de la transaction;
3° le montant de l'octroi de la garantie désiré par le Fonds flamand de garantie;
4° la durée de l'octroi de la garantie;
5° la proposition de contrat de financement entre le fonds flamand de développement et le dispensateur de crédits inclusifs dans le Sud pour la transaction couverte;
6° la documentation en matière de la solvabilité du dispensateur de crédits inclusifs dans le Sud, telle que :
a) une copie de l'acte de constitution officielle;
b) les deux rapports d'activité les plus récents;
c) les deux rapports comptables les plus récents;
d) un rapport financier actuel, y compris le bilan et le compte des résultats;
e) un rapport de portefeuille actuel, basé sur le mode de calcul ' portefeuille à risque ';
7° un plan de travail démontrant que la transaction améliore l'accès aux services financiers pour des groupes pauvres et défavorisées.
Le comité consultatif peut se faire communiquer à tout moment des documents et informations supplémentaires auprès du Fonds flamand de développement.
§ 3. L'avis du comité consultatif est basé sur les critères suivants :
1° la solvabilité du dispensateur de crédits inclusifs dans le Sud;
2° l'ampleur de la transaction proposée et les autres garanties en cours pour des transactions vers le dispensateur de crédits inclusifs dans le Sud, par rapport à son total du bilan;
3° la mesure dans laquelle la transaction améliore l'accès de groupes pauvres et défavorisés aux services financiers;
4° l'appréciation des risques politiques et commerciaux spécifiques;
5° le rapport avec la zone prioritaire de la coopération au développement flamande.
Art. 24/7. § 1er. L'octroi d'une garantie par le " Fonds Microfinanciering " est tributaire du paiement d'une prime unique, par le Fonds flamand de développement, de 0,25 % du montant de la transaction, majorée d'une cotisation annuelle de 0,25 %, à calculer sur le solde ouvert du montant de la transaction au début de l'année en question.
Le Fonds flamand de développement est tenu de verser la prime unique, avec la première prime annuelle, dans les vingt jours ouvrables de la notification de l'arrêté ministériel octroyant la garantie, sous peine de retrait de la garantie octroyée.
§ 2. Le Fonds flamand de développement a les obligations suivantes :
1° le Fonds paie la prime de garantie à temps, tel que prévu au paragraphe 1er;
2° le Fonds fait chaque année rapport au comité consultatif sur les activités du dispensateur de crédits inclusifs dans le Sud;
3° le Fonds informe le comité consultatif sans tarder de toute menace de dommage et de tout événement qui peut avoir un effet négatif sur le risque, tel qu'une détérioration de la situation financière du dispensateur de crédits inclusifs dans le Sud;
4° le Fonds informe le comité consultatif sans tarder de toute demande de faillite, d'accord judiciaire ou procédure analogue à l'égard du Fonds flamand de développement.
§ 3. La garantie échoit de plein droit si :
1° l'agrément du Fonds flamand de développement est retiré ou n'est pas prolongé conformément à l'article 24/3;
2° le contrat de financement entre le Fonds flamand de développement et le dispensateur de crédits inclusifs dans le Sud n'est pas entré en vigueur dans les six mois de l'octroi de la garantie;
3° la prime de garantie, visée au paragraphe 1er, n'est pas payée par le Fonds flamand de développement dans un mois de l'octroi de la garantie.
Sous-section 4. - Eviction de la garantie
Art. 24/8. § 1er. Le Ministre statue, après avis du comité consultatif, de tout paiement effectué par le " Fonds Microfinanciering " dans le cadre de l'éviction de la garantie.
§ 2. Tout paiement par le " Fonds Microfinanciering " à un Fonds flamand de développement est tributaire d'une demande d'éviction, adressée au Comité consultatif, et de l'envoi de toutes informations et tous documents requis à titre de preuve du droit à l'éviction de la garantie.
§ 3. Outre la comptabilité, les preuves démontrant le droit à l'éviction comprennent entre autres :
1° en cas d'expropriation et de mesures des autorités publiques : lois, décrets, arrêtés et règlements du pays hôte;
2° en cas de guerre : la déclaration du Service Public Fédéral Affaires étrangères, Commerce extérieur et Coopération au développement.
§ 4. Le calcul du montant à payer comprend les éléments suivants :
1° au côté du débit : le montant non payé de la créance à laquelle se rapporte le dommage;
2° au côté du crédit : tout montant obtenu dans le cadre de la créance couverte, et non imputé à la créance mentionnée au débit.
Le montant de l'éviction est calculé en appliquant le taux de couverture accordé sur le solde du calcul.
Section 4. - Gestion du SGS " Fonds Microfinanciering "
Art. 24/9. Le membre du personnel chargé de la direction du SGS " Fonds Microfinanciering ", ou son suppléant, est désigné comme ordonnateur délégué du SGS.
L'ordonnateur délégué est autorisé dans les limites de la délégation qui lui a été confiée, à procéder à tous les engagements nécessaires à la réalisation de la mission du SGS " Fonds Microfinanciering ".
" CHAPITRE 3/1 : Appui du micro-financement
Section 1re. - Comité consultatif Micro-financement
Art. 24/1. § 1er. Il existe un Comité consultatif Micro-financement, chargé des tâches suivantes :
1° émettre des avis au Gouvernement flamand sur la participation dans des fonds d'investissement internationaux;
2° émettre des avis au Ministre sur l'agrément et le retrait de l'agrément des fonds flamands de développement;
3° émettre des avis au Ministre sur l'octroi de garanties;
4° émettre des avis au Ministre sur l'éviction de la garantie;
5° le contrôle de l'état d'avancement des participations et garanties.
§ 2. Le Comité consultatif se compose des trois membres suivants :
1° un membre du personnel du Département flamand des Affaires étrangères, qui assume la présidence;
2° un membre du personnel qui s'est familiarisé des dispositions du décret du 8 juillet 2011 réglant le budget, la comptabilité, l'attribution de subventions et le contrôle de leur utilisation, et le contrôle par la Cour des Comptes;
3° un conseiller externe ayant des connaissances spécifiques du micro-financement et du financement international.
Les membres sont désignés par le Ministre pour une durée de cinq ans, qui est renouvelable sans restriction. Un suppléant est désigné pour chaque membre.
§ 3. Le Comité consultatif établit un règlement d'ordre intérieur et le soumet à l'approbation du Ministre.
Section 2. - Participations dans des fonds d'investissement internationaux
Art. 24/2. § 1er. Le Gouvernement flamand peut, après avis du comité consultatif, décider de prendre une participation dans un fonds d'investissement international qui soutient les dispensateurs de crédits inclusifs dans le Sud.
§ 2. Compte tenu des ressources disponibles au budget et suivant une exploration du marché, le comité consultatif émet un avis sur une participation dans un fonds d'investissement international, à l'occasion de laquelle tant des critères de développement que des critères économiques sont pris en compte.
Par critères de développement il faut entendre en tout cas les éléments suivants :
1° la contribution des activités du fonds d'investissements à la lutte structurelle contre la pauvreté dans le Sud;
2° le groupe cible envisagé;
3° les secteurs dans lesquels le fonds d'investissement est actif;
4° la délimitation géographique des activités du fonds d'investissement;
5° la concordance des activités du fonds d'investissement avec les principes du développement durable.
Par critères économiques il faut entendre en tout cas les éléments suivants :
1° le but institutionnel du fonds d'investissement;
2° le profil de risque du fonds d'investissement;
3° la prévision de rendement du fonds d'investissement;
4° la gestion du fonds d'investissement;
5° le mélange du portefeuille de crédit du fonds d'investissement.
Section 3. - Octroi d'une garantie
Sous-section 1re. - Octroi et retrait de l'agrément des fonds flamands de développement
Art. 24/3. § 1er. Seuls des Fonds flamands de développement entrent en ligne de compte pour l'octroi d'une garantie par le " Fonds Microfinanciering ". Le Ministre agrée les Fonds flamands de développement après l'avis du comité consultatif.
Pour pouvoir être agréé en tant que Fonds flamand de développement, l'organisation demandeuse doit répondre à tous les critères suivants :
1° elle a adopté une forme juridique selon le droit belge;
2° au niveau statutaire, elle poursuit un objectif social et elle ne poursuit aucune maximalisation du bénéfice;
3° pendant les trois dernières années, elle a développé sans interruption des activités de financement avec des crédits, garanties ou participations;
4° elle dispose d'un portefeuille investi en micro-financement dans le Sud qui s'élève à 500.000 euros au minimum.
§ 2. L'agrément comme Fonds flamand de développement est valable pendant cinq ans et est renouvelable.
§ 3. L'agrément est retiré de droit en cas de cessation des activités de financement, en cas de dissolution ou de liquidation ou en cas de transfert du fonds, ou lorsque le portefeuille investi en micro-financement ne s'élève plus à 500.000 euros au minimum.
Le Ministre peut, sur avis du comité consultatif et après que l'organisation a eu la possibilité d'être entendu, retirer ou suspendre l'agrément comme Fonds flamand de développement en cas de conviction ou de suspicions graves pesant sur le fonds de développement ou ses dirigeants.
Sous-section 2. - Garanties
Art. 24/4. § 1er. Un fonds flamand de développement peut obtenir les formes de garanties suivantes du " Fonds Microfinanciering " :
1° une garantie pour un octroi de crédit direct par le Fonds flamand de développement à un dispensateur de crédits inclusifs dans le Sud;
2° une contre-garantie pour une garantie bancaire ou une garantie délivrée au moyen d'une lettre de garantie, établie pour le compte d'un fonds de développement flamand agréé à une tierce partie dans le cadre d'un financement d'un dispensateur de crédits inclusifs dans le Sud;
3° une garantie pour une participation au capital d'un dispensateur de crédits inclusifs dans le Sud.
§ 2. Lors de l'octroi d'une contre-garantie pour une garantie bancaire ou une garantie à un dispensateur de crédits inclusifs dans le Sud tel que visé au paragraphe 1er, 2°, les règles suivantes sont d'application :
1° la lettre de garantie mentionne que la garantie porte sur les garanties bancaires constituées, pour le compte du preneur de garantie, à une tierce partie dans le cadre d'un financement consenti à un dispensateur de crédits inclusifs dans le Sud;
2° le risque d'appel de la garantie est couvert si cet appel est dû à un risque commercial se rapportant au dispensateur de crédits inclusifs dans le Sud, ou à un risque politique;
3° la couverture prend cours à la date de l'entrée en vigueur de la garantie bancaire. Le droit d'éviction se forme le jour où le fonds flamand de développement est débité par la banque qui a constitué la garantie bancaire appelée, ou qui a consenti une contre-garantie;
4° Le fonds flamand de développement veille à ce que les constitutions de garanties ou engagements analogues :
a) ne puissent pas être recouverts à la première demande et sans justification;
b) ne puissent pas être prolongés par le bénéficiaire à sa guise;
c) soient diminués automatiquement, en fonction du remboursement, s'ils ont trait à un crédit bancaire à remboursement échelonné, par lequel cette dégression est fixée, tant dans le contrat de garantie que dans la lettre de garantie proprement dite.
Lors de l'octroi d'une garantie pour une participation au capital d'un dispensateur de crédits inclusifs dans le Sud, tel que visé au paragraphe 1er, 3°, les formes suivantes de participation sont éligibles :
1° la participation au capital d'un dispensateur de crédits inclusifs dans le Sud, par laquelle l'apport à garantir ne peut se faire qu'en espèces ou d'autres actifs financiers;
2° des prêts assimilés à des investissements, ce qui signifie que le Fonds flamand de développement en tant que fournisseur de prêts accepte un risque d'entreprise, entre autres parce que les prêts ont le caractère de prêts subordonnés, convertibles en capital ou non;
3° le réinvestissement de bénéfices.
§ 3. Le dispensateur de crédits inclusifs dans le Sud répond aux conditions suivantes :
1° il s'agit d'une entité dont la personnalité juridique est agréée dans l'état dans laquelle elle déploie ses activités;
2° l'entité peut démontrer à l'aide des rapports d'activité qu'elle est active depuis trois ans au moins dans le domaine du micro-financement en faveur de groupes pauvres et défavorisés;
3° l'entité présente des rapports comptables des deux derniers exercices.
Art. 24/5. § 1er. Les garanties ont trait aux risques politiques et commerciaux, pour les pourcentages de couverture, visés aux paragraphes 2 et 3.
Le fonds flamand de développement prend la partie de la transaction non couverte par la garantie du " Fonds Microfinanciering " pour son compte.
§ 2. Le pourcentage maximum de couverture pour les risques politiques s'élève à 95 % .
Les risques politiques sont des événements se produisant à l'étranger et qui constituent des cas de force majeure pour le fonds de développement flamand ou pour le dispensateur de crédits inclusifs dans le Sud. Il s'agit entre autres :
1° d'événements politiques, tels que des guerres, révolutions ou révoltes;
2° de' catastrophes, telles que des séismes, des éruptions volcaniques, des inondations à grande échelle ou des tsunamis;
3° d'actes, de décisions ou d'omissions d'instances publiques, qui sont considérés comme des mesures d'autorité publique;
§ 3. Le pourcentage maximum de couverture pour les risques commerciaux s'élève à 50 % .
Les risques commerciaux sont :
1° l'insolvabilité avérée du dispensateur de crédits inclusifs dans le Sud, qui peut être constatée :
a) en droit, en cas d'une déclaration de faillite, d'un accord à l'amiable ou concordat judiciaire ou d'une décision judiciaire de même tendance, qui entraîne la suspension d'actions personnelles;
b) en fait, lorsque le Fonds flamand de développement démontre que la situation du dispensateur de crédits inclusifs dans le Sud rend tout paiement invraisemblable et qu'une exécution contrainte ou une demande de faillite risquent d'entraîner des pertes plus importantes.
2° l'omission du dispensateur de crédits inclusifs dans le Sud parce qu'il n'est pas à même de respecter ses obligations ou qu'il s'y soustrait sans motif légitime.
§ 4. Aucune perte ne donne lieu à l'éviction si cette perte est également due, outre aux causes couvertes, mentionnées aux paragraphes 2 et 3, à savoir un risque commercial et politique, à une faute de la part du fonds flamand de développement ou de toute personne pour laquelle ce fonds de développement est responsable.
§ 5. Le " Fonds Microfinanciering " ne couvre que le principal.
Les remboursements par le dispensateur de crédits inclusifs dans le Sud au Fonds flamand de garantie sont déduits de l'engagement du " Fonds Microfinanciering ".
Sous-section 3. - Octroi de la garantie
Art. 24/6. § 1er. Le Ministre statue, après avis du comité consultatif, de chaque octroi d'une garantie, pour laquelle un Fonds flamand de développement a introduit une demande.
Une demande est introduite par écrit auprès du comité consultatif et a trait à une transaction d'au moins 50.000 euros.
§ 2. Une demande comporte les éléments suivants :
1° le type de transaction faisant l'objet de la demande de garantie;
2° le dispensateur de crédits inclusifs dans le Sud débiteur de la transaction;
3° le montant de l'octroi de la garantie désiré par le Fonds flamand de garantie;
4° la durée de l'octroi de la garantie;
5° la proposition de contrat de financement entre le fonds flamand de développement et le dispensateur de crédits inclusifs dans le Sud pour la transaction couverte;
6° la documentation en matière de la solvabilité du dispensateur de crédits inclusifs dans le Sud, telle que :
a) une copie de l'acte de constitution officielle;
b) les deux rapports d'activité les plus récents;
c) les deux rapports comptables les plus récents;
d) un rapport financier actuel, y compris le bilan et le compte des résultats;
e) un rapport de portefeuille actuel, basé sur le mode de calcul ' portefeuille à risque ';
7° un plan de travail démontrant que la transaction améliore l'accès aux services financiers pour des groupes pauvres et défavorisées.
Le comité consultatif peut se faire communiquer à tout moment des documents et informations supplémentaires auprès du Fonds flamand de développement.
§ 3. L'avis du comité consultatif est basé sur les critères suivants :
1° la solvabilité du dispensateur de crédits inclusifs dans le Sud;
2° l'ampleur de la transaction proposée et les autres garanties en cours pour des transactions vers le dispensateur de crédits inclusifs dans le Sud, par rapport à son total du bilan;
3° la mesure dans laquelle la transaction améliore l'accès de groupes pauvres et défavorisés aux services financiers;
4° l'appréciation des risques politiques et commerciaux spécifiques;
5° le rapport avec la zone prioritaire de la coopération au développement flamande.
Art. 24/7. § 1er. L'octroi d'une garantie par le " Fonds Microfinanciering " est tributaire du paiement d'une prime unique, par le Fonds flamand de développement, de 0,25 % du montant de la transaction, majorée d'une cotisation annuelle de 0,25 %, à calculer sur le solde ouvert du montant de la transaction au début de l'année en question.
Le Fonds flamand de développement est tenu de verser la prime unique, avec la première prime annuelle, dans les vingt jours ouvrables de la notification de l'arrêté ministériel octroyant la garantie, sous peine de retrait de la garantie octroyée.
§ 2. Le Fonds flamand de développement a les obligations suivantes :
1° le Fonds paie la prime de garantie à temps, tel que prévu au paragraphe 1er;
2° le Fonds fait chaque année rapport au comité consultatif sur les activités du dispensateur de crédits inclusifs dans le Sud;
3° le Fonds informe le comité consultatif sans tarder de toute menace de dommage et de tout événement qui peut avoir un effet négatif sur le risque, tel qu'une détérioration de la situation financière du dispensateur de crédits inclusifs dans le Sud;
4° le Fonds informe le comité consultatif sans tarder de toute demande de faillite, d'accord judiciaire ou procédure analogue à l'égard du Fonds flamand de développement.
§ 3. La garantie échoit de plein droit si :
1° l'agrément du Fonds flamand de développement est retiré ou n'est pas prolongé conformément à l'article 24/3;
2° le contrat de financement entre le Fonds flamand de développement et le dispensateur de crédits inclusifs dans le Sud n'est pas entré en vigueur dans les six mois de l'octroi de la garantie;
3° la prime de garantie, visée au paragraphe 1er, n'est pas payée par le Fonds flamand de développement dans un mois de l'octroi de la garantie.
Sous-section 4. - Eviction de la garantie
Art. 24/8. § 1er. Le Ministre statue, après avis du comité consultatif, de tout paiement effectué par le " Fonds Microfinanciering " dans le cadre de l'éviction de la garantie.
§ 2. Tout paiement par le " Fonds Microfinanciering " à un Fonds flamand de développement est tributaire d'une demande d'éviction, adressée au Comité consultatif, et de l'envoi de toutes informations et tous documents requis à titre de preuve du droit à l'éviction de la garantie.
§ 3. Outre la comptabilité, les preuves démontrant le droit à l'éviction comprennent entre autres :
1° en cas d'expropriation et de mesures des autorités publiques : lois, décrets, arrêtés et règlements du pays hôte;
2° en cas de guerre : la déclaration du Service Public Fédéral Affaires étrangères, Commerce extérieur et Coopération au développement.
§ 4. Le calcul du montant à payer comprend les éléments suivants :
1° au côté du débit : le montant non payé de la créance à laquelle se rapporte le dommage;
2° au côté du crédit : tout montant obtenu dans le cadre de la créance couverte, et non imputé à la créance mentionnée au débit.
Le montant de l'éviction est calculé en appliquant le taux de couverture accordé sur le solde du calcul.
Section 4. - Gestion du SGS " Fonds Microfinanciering "
Art. 24/9. Le membre du personnel chargé de la direction du SGS " Fonds Microfinanciering ", ou son suppléant, est désigné comme ordonnateur délégué du SGS.
L'ordonnateur délégué est autorisé dans les limites de la délégation qui lui a été confiée, à procéder à tous les engagements nécessaires à la réalisation de la mission du SGS " Fonds Microfinanciering ".
HOOFDSTUK 2. - Slotbepalingen
CHAPITRE 2. - Dispositions finales
Art. 6. Het besluit van de Vlaamse Regering van 23 september 2005 tot uitvoering van het kaderdecreet van 22 juni 2007 inzake ontwikkelingssamenwerking, wat de waarborgverlening voor de stimulering van microfinanciering betreft, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2012, wordt opgeheven.
Art. 6. L'arrêté du Gouvernement flamand du 23 septembre 2005 portant exécution du décret cadre du 22 juin 2007 relatif à la coopération au développement, en ce qui concerne l'octroi d'une garantie en vue de la stimulation du micro-financement, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 décembre 2012, est abrogé.
Art. 7. De Vlaamse minister, bevoegd voor internationale samenwerking, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 7. Le Ministre flamand qui a la coopération internationale dans ses attributions, est chargé de l'exécution du présent arrêté.
Brussel, 29 november 2013.
De minister-president van de Vlaamse Regering, Vlaams minister van Economie, Buitenlands Beleid, Landbouw en Plattelandsbeleid,
K. PEETERS
De minister-president van de Vlaamse Regering, Vlaams minister van Economie, Buitenlands Beleid, Landbouw en Plattelandsbeleid,
K. PEETERS
Bruxelles, le 29 novembre 2013.
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand, Ministre flamand de l'Economie, de la Politique extérieure, de l'Agriculture et de la Ruralité,
K. PEETERS
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand, Ministre flamand de l'Economie, de la Politique extérieure, de l'Agriculture et de la Ruralité,
K. PEETERS