Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
13 DECEMBER 2013. - Decreet houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit (aangehaald als : Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-12-2013 en tekstbijwerking tot 30-12-2025)
Titre
13 DECEMBRE 2013. - Décret portant le Code flamand de la Fiscalité (cité comme Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013) (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 23-12-2013 et mise à jour au 30-12-2025)
Dokumentinformationen
Info du document
Inhoud
TITEL 1. - Inleidende bepalingen
Hoofdstuk 1. - Algemene bepalingen en definities
TITEL 2. - Belastingheffing
Hoofdstuk 1. - Onroerende voorheffing
Afdeling 1. - Belastbaar voorwerp
Afdeling 2. - Belastingplichtigen
Afdeling 3. - Belastbare grondslag
Afdeling 4. - Tarieven
Afdeling 5. - Verminderingen
Afdeling 6. - Vrijstellingen
Afdeling 7. - Wijze van heffing
Hoofdstuk 2. - Verkeersbelasting
Afdeling 1. - Belastbaar voorwerp
Afdeling 2. - Belastingplichtigen
Afdeling 3. - Belastbare grondslag
Afdeling 4. - Tarieven
Afdeling 5. - Verminderingen
Afdeling 6. - Vrijstellingen
Afdeling 7. - Wijze van heffing
Hoofdstuk 3. - Belasting op de inverkeerstelling
Afdeling 1. - Belastbaar voorwerp
Afdeling 2. - Belastingplichtigen
Afdeling 3. - Belastbare grondslag
Afdeling 4. - Tarieven
Onderafdeling 1. - Bedrag van de belasting voor...
Onderafdeling 2. - Bedrag van de belasting voor...
Afdeling 5. - Verminderingen
Afdeling 6. - Vrijstellingen
Afdeling 7. - Wijze van heffing
Hoofdstuk 4. - Kilometerheffing]1
Afdeling 1. - Belastbaar voorwerp
Afdeling 2. - Belastingplichtigen
Afdeling 3. - Belastbare grondslag
Afdeling 4. - Tarieven
Afdeling 5. - Verminderingen
Afdeling 6. - Vrijstellingen
Afdeling 7. - Wijze van heffing
Hoofdstuk 5. [1 - Heffing ongeschikte en onbewo...
Afdeling 1. - Belastbaar voorwerp
Afdeling 2. - Belastingplichtigen
Afdeling 3. - Belastbare grondslag
Afdeling 4. - Tarieven
Afdeling 5. - Verminderingen
Afdeling 6. - Vrijstellingen
Afdeling 7. - Wijze van heffing
Hoofdstuk 6. - Leegstandsheffing bedrijfsruimten
Afdeling 1. - Belastbaar voorwerp
Afdeling 2. - Belastingplichtigen
Afdeling 3. - Belastbare grondslag
Afdeling 4. - Tarieven
Afdeling 5. - Verminderingen
Afdeling 6. - Vrijstellingen
Afdeling 7. - Wijze van heffing
Onderafdeling 1. - Opschorting door een vernieu...
Onderafdeling 2. - Opschorting ingevolge een de...
Onderafdeling 3. - Opschorting ingevolge een co...
Onderafdeling 4. - Opschorting voor nieuwe eige...
Onderafdeling 5. - Opschorting voor leegstaande...
Onderafdeling 6. - Opschorting ingevolge stavin...
Onderafdeling 7. - Sancties
Hoofdstuk 7. - [1 Erfbelasting]1
Afdeling 1. - [1 Belastbaar voorwerp]1
Afdeling 2. - [1 Belastingplichtigen]1
Afdeling 3. [1 Belastbare grondslag]1
Onderafdeling 1. - [1 Algemeen]1
Onderafdeling 2. - [1 Actief van de nalatenschap]1
Onderafdeling 3. - [1 Waardering van het actief]1
Onderafdeling 4. - [1 Passief van de nalatensch...
Onderafdeling 5. - [1 Aanrekening van het passi...
Afdeling 4. - [1 Tarieven]1
Onderafdeling 1. - [1 Algemene bepalingen]1
Onderafdeling 2. - [1 Verlaagde tarieven]1
Afdeling 5. - [1 Verminderingen]1
Afdeling 6. - [1 Vrijstelling]1
Afdeling 7. - [1 Wijze van heffing]1
Hoofdstuk 8. - [1 Schenkbelasting]1
Afdeling 1. - [1 Belastbaar voorwerp]1
Afdeling 2. - [1 Belastingplichtigen]1
Afdeling 3. - [1 Belastbare grondslag]1
Afdeling 4. - [1 Tarieven]1
Onderafdeling 1. - [1 Algemeen]1
Onderafdeling 2. - [1 Tijdelijke bepalingen voo...
Onderafdeling 3. [1 - Tarieven voor schenkingen...
Onderafdeling 4. [1 - Tarieven voor schenkingen...
Afdeling 5. - [1 Verminderingen]1
Afdeling 6. - [1 Vrijstellingen]1
Afdeling 7. - [1 Wijze van heffing]1
Hoofdstuk 9. - [1 Verkooprecht]1
Afdeling 1. - [1 Belastbaar voorwerp]1
Afdeling 2. - [1 Belastingplichtigen]1
Afdeling 3. - [1 Belastbare grondslag]1
Afdeling 4. - [1 Tarieven]1
Onderafdeling 1. - [1 Algemeen]1
Onderafdeling 2. - [1 Verlaagde tarieven]1
Afdeling 5. - [1 Verminderingen]1
Afdeling 6. - [1 Vrijstellingen]1
Afdeling 7. - [1 Wijze van heffing]1
Hoofdstuk 10. - [1 Verdeelrecht]1
Afdeling 1. - [1 Belastbaar voorwerp]1
Afdeling 2. [1 Belastingplichtigen]1
Afdeling 3. [1 Belastbare grondslag]1
Afdeling 4. - [1 Tarieven]1
Afdeling 5. - [1 Verminderingen]1
Afdeling 6. - [1 Vrijstellingen]1
Afdeling 7. - [1 Wijze van heffing]1
Hoofdstuk 11. - [1 Recht op hypotheekvestiging]1
Afdeling 1. [1 Belastbaar voorwerp]1
Afdeling 1. [1 Art. 2.11.1.0.1. Overeenkomstig ...
Afdeling 2. - [1 Belastingplichtigen]1
Afdeling 3. - [1 Belastbare grondslag]1
Afdeling 4. - [1 Tarieven]1
Afdeling 5. - [1 Verminderingen]1
Afdeling 6. - [1 Vrijstellingen]1
Afdeling 7. - [1 Wijze van heffing]1
Hoofdstuk 12. [1 - Belasting op de spelen en we...
Afdeling 1. [1 - Belastbaar voorwerp]1
Afdeling 2. [1 - Belastingplichtigen]1
Afdeling 3. [1 - Belastbare grondslag]1
Afdeling 4. [1 Tarieven]1
Afdeling 5. [1 - Verminderingen]1
Afdeling 6. [1 - Vrijstellingen]1
Afdeling 7. [1 - Wijze van heffing]1
Hoofdstuk 13. [1 - Belasting op de automatische...
Afdeling 1. [1 - Belastbaar voorwerp]1
Afdeling 2. [1 ]1
Afdeling 3. [1 - Belastbare grondslag]1
Afdeling 4. [1 Tarieven]1
Afdeling 5. [1 - Verminderingen]1
Afdeling 6. [1 - Vrijstellingen]1
Afdeling 7. [1 Wijze van heffing]1
TITEL 3. - Inning en invordering
Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen, opcentiemen...
Hoofdstuk 2. - Inkohiering
Afdeling 1. - Algemeen
Afdeling 2. - Uitvoerbaarverklaring
Afdeling 3. - Overledenen en onverdeeldheden
Afdeling 4. - Aanslag voor overnemende of verkr...
Afdeling 5. - Berekening en afrondingswijze
Hoofdstuk 3. - Aanslagprocedure
Afdeling 1. - [1 Aangifte]1
Afdeling 2. - Aanslagjaar en belastbaar tijdperk
Afdeling 3. - Aanslagtermijn
Afdeling 4. - Aanslagbiljet
Afdeling 5. - Verzending
Hoofdstuk 4. - Betalingen
Afdeling 1. - Algemeen
Afdeling 2. - Betaaltermijn
Afdeling 3. - Wijze van betaling
Afdeling 4. - Vermeldingen op het betaalformulier
Afdeling 5. - Bewijs van betaling
Afdeling 6. - Datum van uitwerking van betaling
Afdeling 7. - Wijze van aanrekening van betalin...
Afdeling 8. - Betalingsfaciliteiten
Hoofdstuk 5. - Bezwaar
Afdeling 1. - Ontvangstmelding
Afdeling 2. - Bezwaartermijn
Afdeling 3. - Natuurlijke personen en rechtsper...
Afdeling 4. - Onderzoeksbevoegdheden
Afdeling 5. - Behandeltijd
Afdeling 6. - Beslissingswijze voor bezwaar
Afdeling 7. - Collectieve beslissing
Afdeling 8. - Hoorzitting
Afdeling 9. - Kennisgeving
Hoofdstuk 6. - Ambtshalve ontheffing
Hoofdstuk 7. - Nietigverklaring
Hoofdstuk 8. - Gerechtelijk beroep
Hoofdstuk 9. - Interesten
Afdeling 1. - Nalatigheidsinteresten
Afdeling 2. - Moratoriuminteresten
Hoofdstuk 10. - Invordering
Afdeling 1. - Herinnering
Afdeling 2. - Laatste herinnering
Afdeling 3. - Vervolging
Onderafdeling 1. - Algemeen
Onderafdeling 2. - Rechtstreekse vervolging
Onderafdeling 3. - Onrechtstreekse vervolging
Onderafdeling 4. - Vervolgingskosten
Onderafdeling 5. - Met vervolging belaste personen
Afdeling 4. - Bijzondere gevallen
Onderafdeling 1. - Invordering bij echtgenoten ...
Onderafdeling 2. - Invordering bij vennootschappen
Onderafdeling 3. - Invordering bij erfgenamen
Onderafdeling 4. - Invordering bij andere perso...
Onderafdeling 5. - Invordering van het eurovign...
Onderafdeling 6. - Invordering van betwiste bel...
Afdeling 5. - Zekerheden
Onderafdeling 1. - Waarborg
Onderafdeling 2. - Voorrecht
Onderafdeling 3. - Wettelijke hypotheek
Onderafdeling 4. - [1 Rechten van derden te goe...
Onderafdeling 5. - [1 Buiten de Europese Econom...
Hoofdstuk 11. - Wederzijdse internationale bijs...
Hoofdstuk 12. - Verplichtingen van derden
Afdeling 1. - Notificatieverplichtingen van derden
Afdeling 2. - Verplichtingen van kredietinstell...
Afdeling 3. - [1 Andere verplichtingen in het k...
Afdeling 4. [1 Verplichtingen van derden in het...
Afdeling 5. [1 Verplichtingen in het kader van ...
Hoofdstuk 13. - Onderzoek en controle
Afdeling 1. - Administratieve controle
Onderafdeling 1. - Algemeen
Onderafdeling 2. - Plichten van de belastingpli...
Onderafdeling 3. - Plichten van derden
Onderafdeling 4. - Plichten van openbare instel...
Afdeling 2. - Controle ter plaatse
Hoofdstuk 14. - Verjaring
Afdeling 1. - Termijn
Afdeling 2. - Stuiting
Afdeling 3. - Schorsing
Hoofdstuk 15. - Strafrechtelijke vervolging
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Afdeling 2. - Opsporing van inbreuken
Afdeling 3. - Strafrechtelijke sancties
Hoofdstuk 16. - [1 Administratieve sancties]1
Hoofdstuk 17. - [1 Bewijsmiddelen]1
Hoofdstuk 18. - Belastingverhogingen en adminis...
Hoofdstuk 19. - Beroepsgeheim
Hoofdstuk 20. - [1 Te verstrekken inlichtingen]1
Hoofdstuk 21. - [1 Voorafgaande attesten]1
Hoofdstuk 22. [1 - Voorafgaande beslissingen ov...
Hoofdstuk 23. [1 Verwerking van persoonsgegevens]1
Afdeling 1. [1 Bepalingen die aan alle gegevens...
Afdeling 2. [1 Gegevensverwerking voor de onroe...
3.23.2.0.1. [1 Met behoud van de toepassing van...
3.23.2.0.2. [1 In het kader van de gegevensverw...
3.23.2.0.3. [1 In het kader van de gegevenswerk...
Afdeling 3. [1Gegevensverwerking voor de verkee...
Afdeling 4. [1 Gegevensverwerking voor de erfbe...
Afdeling 5. [1 Gegevensverwerking voor de regis...
Afdeling 6. [1 Gegevensverwerking voor de belas...
TITEL 4. - Wijzigingsbepalingen
Hoofdstuk 1. - Wijzigingen van het wetboek van ...
Hoofdstuk 2. - Wijzigingen van het decreet van ...
Hoofdstuk 3. - Wijzigingen van het decreet van ...
Hoofdstuk 4. - Wijzigingen van de Vlaamse Codex...
Hoofdstuk 5. - Wijzigingen van andere decreten
Hoofdstuk 6. - Kruisverwijzingen
TITEL 5. - Opheffingsbepalingen en overgangsmaa...
TITEL 6. - Citeertitel
TITEL 7. - Inwerkingtredingsbepalingen
BIJLAGE.
Inhoud
TITRE 1er. - Dispositions introductives
Chapitre 1er. - Dispositions générales et défin...
TITRE 2. - Perception des impôts
Chapitre 1er. - Précompte immobilier
Section 1re. - Objet imposable
Section 2. - Contribuables
Section 3. - Base imposable
Section 4. - Tarifs
Section 5. - Réductions
Section 6. - Exonérations
Section 7. - Modalités de perception
Chapitre 2. - Taxe de circulation
Section 1re. - Objet imposable
Section 2. - Contribuables
Section 3. - Base imposable
Section 4. - Tarifs
Section 5. - Réductions
Section 6. - Exonérations
Section 7. - Modalités de perception
Chapitre 3. - Taxe sur la mise en circulation
Section 1re. - Objet imposable
Section 2. - Contribuables
Section 3. - Base imposable
Section 4. - Tarifs
Sous-section 1re. - Montant de la taxe pour les...
Sous-section 2. - Montant de la taxe pour les m...
Section 5. - Réductions
Section 6. - Exonérations
Section 7. - Modalités de perception
Chapitre 4. - [1 - Prélèvement kilométrique]1
Section 1re. - Objet imposable
Section 2. - Contribuables
Section 3. - Base imposable
Section 4. - Tarifs
Section 5. - Réductions
Section 6. - Exonérations
Section 7. - Modalités de perception
Chapitre 5. [1 - Taxe sur les habitations inada...
Section 1re. - Objet imposable
Section 2. - Contribuables
Section 3. - Base imposable
Section 4. - Tarifs
Section 5. - Réductions
Section 6. - Exonérations
Section 7. - Modalités de perception
Chapitre 6. - Taxe sur les sites d'activité éco...
Section 1re. - Objet imposable
Section 2.-. Contribuables
Section 3. - Base imposable
Section 4. - Tarifs
Section 5. - Réductions
Section 6. - Exonérations
Section 7. - Modalités de perception
Sous-section 1re. - Suspension suite à une réno...
Sous-section 2. - Suspension suite à une conven...
Sous-section 3. - Suspension suite à un projet ...
Sous-section 4. - Suspension pour les nouveaux ...
Sous-section 5. - Suspension pour des sites d'a...
Sous-section 6. - Suspension suite à la preuve ...
Sous-section 7. - Sanctions
Chapitre 7. - [1 Impôt sur la succession]1
Section 1re. - [1 Objet imposable]1
Section 2. - [1 Contribuables]1
Section 3. - [1 Base imposable]1
Sous-section 1re. - [1 Généralités]1
Sous-section 2. - [1 Actif de la succession]1
Sous-section 3. - [1 Valorisation de l'actif]1
Sous-section 4. - [1 Passif de la succession]1
Sous-section 5. - [1 Imputation du passif sur l...
Section 4. - [1 Tarifs]1
Sous-section 1re. - [1 Dispositions générales]1
Sous-section 2. - [1 Tarifs réduits]1
Section 5. - [1 Réductions ]1
Section 6. - [1 Exonération]1
Section 7. - [1 Modalités de perception ]1
Chapitre 8. [1 Droit de donation]1
Section 1re. - [1 Objet imposable]1
Section 2. - [1 Contribuables]1
Section 3. - [1 Base imposable]1
Section 4. - [1 Tarifs]1
Sous-section 1re. - [1 Généralités]1
Sous-section 2. - [1 Dispositions temporaires c...
Sous-section 3. [1 - Tarifs pour donations d'im...
Sous-section 4. [1 - Tarifs pour donations d'un...
Section 5. - [1 Réductions]1
Section 6. - [1 Exonérations]1
Section 7. - [1 Modalités de perception]1
Chapitre 9. - [1 Droit de vente]1
Section 1re. - [1 Objet imposable ]1
Section 2. - [1 Contribuables]1
Section 3. - [1 Base imposable]1
Section 4. - [1 Tarifs ]1
Sous-section 1re. - [1 Généralités]1
Sous-section 2. - [1 Tarifs réduits]1
Section 5. - [1 Réductions]1
Section 6. - [1 Exonérations]1
Section 7. - [1 Mode de perception]1
Chapitre 10. [1 Droit de partage]1
Section 1re. - [1 Objet imposable ]1
Section 2. - [1 Contribuables]1
Section 3. - [1 Base imposable]1
Section 4. - [1 Tarifs]1
Section 5. - [1 Réductions]1
Section 6. - [1 Exonérations]1
Section 7. - [1 Modalité de perception]1
Chapitre 11. - [1 Droit sur les constitutions d...
Section 1re. - [1 Objet imposable]1
Section 2. - [1 Redevables]1
Section 3. - [1 Base imposable ]1
Section 4. - [1 Tarifs ]1
Section 5. - [1 Réductions]1
Section 6. - [1 Exemptions]1
Section 7. - [1 Modalité de perception]1
Chapitre 12. [1 - Taxe sur les jeux et paris]1
Section 1re. [1 - Objet imposable]1
Section 2. [1 - Contribuables ]1
Section 3. [1 - Base imposable]1
Section 4. [1 Tarifs]1
Section 5. [1 - Réductions]1
Section 6. [1 - Exonérations]1
Section 7. [1 - Modalités de perception]1
Chapitre 13. [1 - Taxe sur les appareils automa...
Section 1ère. [1 - Objet imposable]1
Section 2. [1 - Contribuables]1
Section 3. [1 - Base imposable]1
Section 4. [1 - Tarifs]1
Section 5. [1 - Réductions]1
Section 6. [1 - Exonérations]1
Section 7. [1 - Modalités de perception]1
TITRE 3. - Perception et recouvrement
Chapitre 1er. - Dispositions préliminaires, cen...
Chapitre 2. . - Enrôlement
Section 1re. - Généralités
Section 2. - Exequatur
Section 3. - Personnes décédées et indivisions
Section 4. - Imposition pour une société repren...
Section 5. - Calcul et mode d'arrondissement
Chapitre 3. - Procédure d'imposition
Section 1re. - [1 Déclaration]1
Section 2. - Année d'imposition et période impo...
Section 3. - Délai d'imposition
Section 4. - Feuille d'imposition
Section 5. - Envoi
Chapitre 4. - Paiements
Section 1re. - Généralités
Section 2. - Délai de paiement
Section 3. - Mode de paiement
Section 4. - Mentions sur le formulaire de paie...
Section 5. - Preuve de paiement
Section 6. - Date des effets du paiement
Section 7. - Mode d'imputation de paiement, d'u...
Section 8. - Facilités de paiement
Chapitre 5. - Réclamation
Section 1re. - Notification de réception
Section 2. - Délai de réclamation
Section 3. - Personnes physiques et personnes m...
Section 4. - Compétences d'enquête
Section 5. - Temps imparti au traitement
Section 6. - Mode de décision en cas de réclama...
Section 7. - Décision collective
Section 8. - Audition
Section 9. - Notification
Chapitre 6. - Exonération d'office
Chapitre 7. - Annulation
Chapitre 8. - Recours judiciaire
Chapitre 9. - Intérêts
Section 1re. - Intérêts de retard
Section 2. - Intérêts moratoires
Chapitre 10. - Recouvrement
Section 1re. - Rappel
Section 2. - Dernier rappel
Section 3. - Poursuite
Sous-section 1re. - Généralités
Sous-section 2. - Poursuite directe.
Sous-section 3. - Poursuite indirecte.
Sous-section 4. - Frais de poursuite
Sous-section 5. - Personnes chargées de la pour...
Section 4. - Cas particuliers
Sous-section 1re. - Recouvrement auprès d'époux...
Sous-section 2. - Recouvrement auprès de sociétés.
Sous-section 3. - Recouvrement auprès des hérit...
Sous-section 4. - Recouvrement auprès d'autres ...
Sous-section 5. - Recouvrement de l'Eurovignett...
Sous-section 6. - Recouvrement d'impôts contestés
Section 5. - Sûretés
Sous-section 1re. - Garantie
Sous-section 2. - Privilège
Sous-section 3. - Hypothèque légale
Sous-section 4. - [1 Droits de tiers de bonne f...
Sous-section 5. - [1 Héritier habitant en dehor...
Chapitre 11. - Assistance internationale mutuelle
Chapitre 12. - Obligations de tiers
Section 1re. - Obligations de notification de t...
Section 2. - Obligations des établissements ou ...
Section 3. -[1 Autres obligations dans le cadre...
Section 4. [1 Obligations de tiers dans le cadr...
Section 5. [1 Obligations dans le cadre de l'ac...
Chapitre 13. - Enquête et contrôle
Section 1re. - Contrôle administratif
Sous-section 1re. - Généralités
Sous-section 2. - Obligations du contribuable
Sous-section 3. - Obligations de tiers
Sous-section 4. - Obligations des organismes pu...
Section 2. - Contrôle sur place
Chapitre 14. - Prescription
Section 1re. - Délai
Section 2. - Interruption
Section 3. . - Suspension
Chapitre 15. - Poursuite pénale
Section 1re. . - Dispositions générales
Section 2. . - Détection d'infractions
Section 3. - Sanctions pénales
Chapitre 16. - [1 Sanctions administratives. ]1
Chapitre 17. - [1 Moyens de preuve]1
Chapitre 18. - Majoration d'impôts et amendes a...
Chapitre 19. - Secret professionnel
Chapitre 20. - [1 Renseignements à fournir]1
Chapitre 21. - [1 Attestations antérieures]1
Chapitre 22. [1 - Décisions anticipées sur les ...
Chapitre 23. [1 Traitement des données à caract...
Section 1re. [1 Dispositions communes à l'ensem...
Section 2. [1 Traitement de données aux fins du...
Section 3. [1 Traitement de données aux fins de...
Section 4. [1 Traitement de données aux fins de...
Section 5. [1Traitement de données aux fins de ...
Section 6. [1 Traitement de données aux fins de...
TITRE 4. . - Dispositions modificatives
Chapitre 1er. - Modifications du code du 23 nov...
Chapitre 2. - Modifications au décret du 22 déc...
Chapitre 3. - Modifications du décret du 19 avr...
Chapitre 4. - Modifications du Code flamand de ...
Chapitre 5. - Modifications d'autres décrets
Chapitre 6. - Références mutuelles
TITRE 5. - Dispositions abrogatoires et mesures...
TITRE 6. - Titre de citation
TITRE 7. - Dispositions d'entrée en vigueur
ANNEXE.
Tekst (885)
Texte (885)
TITEL 1. - Inleidende bepalingen
TITRE 1er. - Dispositions introductives
Hoofdstuk 1. - Algemene bepalingen en definities
Chapitre 1er. - Dispositions générales et définitions
Artikel 1.1.0.0.1. Deze codex regelt een gewestaangelegenheid.
Article 1.1.0.0.1. Le présent Code règle une matière régionale.
Art. 1.1.0.0.2. [1 In deze codex wordt verstaan onder :
1° belastingen en toebehoren : de belastingen in hoofdsom waarop deze codex van toepassing is, in voorkomend geval met inbegrip van de opcentiemen of de opdeciem, nalatigheidsinteresten, administratieve geldboetes, belastingverhogingen en kosten van vervolging of tenuitvoerlegging, rechtsplegingsvergoedingen, gerechtskosten en betekeningskosten;
[19 1° /0 emissievrij voertuig: een voertuig dat beantwoordt aan de voorwaarden als bepaald in artikel 3, punt 11, van verordening (EU) 2019/1242 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 tot vaststelling van CO2-emissienormen voor nieuwe zware bedrijfsvoertuigen en tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 595/2009 en (EU) 2018/956 van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 96/53/EG van de Raad.]19
[11 1° /1 belasting op de automatische ontspanningstoestellen: de belasting die geheven wordt overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 13, van deze codex;]11
[11 1° /2 belasting op de spelen en weddenschappen: de belasting die geheven wordt overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 12, van deze codex;]11
2° belasting op de inverkeerstelling : de belasting die geheven wordt overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 3, van deze codex;
3° belastingplichtige : iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon in wiens hoofde een belasting wordt geheven;
4° belastingschuldige : iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die met toepassing van deze codex of het gemeen recht gehouden is tot de betaling van een belasting;
5° bevoegd personeelslid : het personeelslid van de Vlaamse administratie dat wordt aangewezen conform de besluiten van de Vlaamse Regering, en dat belast is met de uitvoering van de bepalingen van deze codex;
[2 5° /1 decreet Kilometerheffing : decreet van 3 juli 2015 tot invoering van de kilometerheffing en de stopzetting van de heffing van het eurovignet en tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit in dat verband;]2
6° decreet van 19 april 1995 : het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten;
7° [14 ...]14
[2 7° /1 [21 dienstaanbieder: elke juridische entiteit die door de tolheffer, vermeld in artikel 4, tweede lid, 2°, van het decreet Kilometerheffing geaccrediteerd is om in haar tolgebied, vermeld in artikel 4, § 2, derde lid, 1°, van het decreet Kilometerheffing, een dienst aan te bieden van inning van de kilometerheffing bij de gebruikers, en van afdracht aan de tolheffer, op basis van door boordapparatuur geregistreerde of verkregen gegevens;]21
7° /2 dienstverleningsovereenkomst : de overeenkomst tussen de houder van een voertuig en een [21 dienstaanbieder naar zijn keuze of de hoofddienstaanbieder]21, die voorafgaand aan het gebruik van enige weg voor dat voertuig moet worden gesloten;
7° /3 [21 boordapparatuur: alle hardware- of softwarecomponenten die aan boord van een voertuig zijn geïnstalleerd of worden meegenomen, en die worden gebruikt als onderdeel van de toldienst, om gegevens te verzamelen, op te slaan, te verwerken en vanop afstand te ontvangen of te verzenden;]21]2
8° [10 entiteit van de Vlaamse administratie: een intern of extern verzelfstandigd agentschap of een departement;]10
9° erfbelasting : verzamelterm voor het successierecht en het recht van overgang;
10° [2 eurovignet : de belasting die tot en met de inwerkingtreding van het decreet van 3 juli 2015 tot invoering van de kilometerheffing en de stopzetting van de heffing van het eurovignet en tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 in dat verband geheven werd overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de toenmalige bepalingen van titel 2, hoofdstuk 4, van deze codex;]2
[6 10° /1 heffing ongeschikte en onbewoonbare woningen: de belasting die geheven wordt conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 5, van deze codex;]6
11° kadastraal inkomen : het inkomen, vastgesteld overeenkomstig titel IX van het federale WIB 92 en geïndexeerd overeenkomstig artikel 518 van het federale WIB 92;
[2 11° /1 kilometerheffing : de belasting die geheven wordt conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 4, van deze codex;]2
12° kinderen : de afstammelingen van de belastingplichtige en die van zijn echtgenoot of van de wettelijk samenwonende, alsook de kinderen die hij volledig of hoofdzakelijk ten laste heeft;
13° leegstandsheffing bedrijfsruimten : de belasting die geheven wordt conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 6, van deze codex;
14° onroerende voorheffing : de belasting die geheven wordt overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 1, van deze codex;
15° recht op hypotheekvestiging : de belasting die onder de benaming `registratierecht op de vestiging van een hypotheek op een in België gelegen onroerend goed' geheven wordt overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 11, van deze codex;
16° recht van overgang : de belasting die onder de benaming `het recht van overgang bij overlijden van niet-rijksinwoners' wordt geheven overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 7, van deze codex;
17° registratiebelasting : verzamelterm voor de schenkbelasting, het verkooprecht, het verdeelrecht en het recht op hypotheekvestiging;
18° rijksinwoner : de natuurlijke persoon die naargelang het geval op het ogenblik van zijn overlijden of op het ogenblik van de schenking binnen het Rijk zijn domicilie of de zetel van zijn vermogen heeft gevestigd of de rechtspersoon die op het ogenblik van de schenking binnen het Rijk zijn zetel van werkelijke leiding heeft gevestigd;
[8 18° /1 schatter-expert: natuurlijk persoon die beroepsmatig schattingen en waarderingen van onroerende goederen uitvoert en daarvoor beschikt over de beroepskwalificatie, vermeld in artikel 3.3.1.0.9/1, § 2, 2° ;]8
19° schenkbelasting : de belasting die onder de benaming `registratierecht op de schenkingen onder de levenden van roerende of onroerende goederen' geheven wordt overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 8, van deze codex;
20° successierecht : de belasting die onder de benaming `het successierecht van rijksinwoners' wordt geheven overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 7, van deze codex;
21° vennootschappen : een vennootschap, vereniging, inrichting of instelling die regelmatig is opgericht, rechtspersoonlijkheid bezit en een onderneming exploiteert of zich bezighoudt met verrichtingen van winstgevende aard. Lichamen met rechtspersoonlijkheid die naar Belgisch recht zijn opgericht en die voor de toepassing van de inkomstenbelastingen worden geacht geen rechtspersoonlijkheid te bezitten, worden niet als vennootschappen aangemerkt;
22° verdeelrecht : de belasting die onder de benaming `registratierecht op de gedeeltelijke of gehele verdelingen van in België gelegen onroerende goederen, de afstanden onder bezwarende titel, onder mede-eigenaars, van onverdeelde delen in soortgelijke goederen, en de omzettingen overeenkomstig [20 artikel 4.61 en 4.62]20 van het Burgerlijk Wetboek, zelfs indien er geen onverdeeldheid is' geheven wordt overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 10, van deze codex;
23° verkeersbelasting : de belastingen die geheven worden overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 2, van deze codex;
24° verkooprecht : de belasting die onder de benaming `registratierecht op de overdrachten onder bezwarende titel van in België gelegen onroerende goederen met uitsluiting van de overdrachten die het gevolg zijn van een inbreng in een vennootschap behalve voor zover het een inbreng betreft door een natuurlijke persoon van een woning in een Belgische vennootschap' geheven wordt overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 9, van deze codex;
25° [6 ...]6;
26° WIB 92 : het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992;
27° Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten : het wetboek van 30 november 1939 der registratie-, hypotheek- en griffierechten;
28° Wetboek van Successierechten : het wetboek van 31 maart 1936 der Successierechten.
In titel 2, hoofdstuk 1, wordt verstaan onder :
1° [17 persoon met een handicap]17 : de als gehandicapt aangemerkte personen, vermeld in artikel 135, eerste lid, 1°, van het federale WIB 92;
2° gehandicapt kind : [12 een kind met een specifieke ondersteuningsbehoefte als vermeld in artikel 3, § 1, 39°, van het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid]12 [15 of een kind dat door de gezinsbijslagregelgeving van andere gefedereerde deelentiteiten beschouwd wordt als een kind met een handicap, een kind met een beperking of een kind dat op basis van de zelfredzaamheidsgraad of de ernst van de gevolgen van de aandoening recht heeft op een toeslag van de basiskinderbijslag of een kind dat voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 47, artikel 56septies of artikel 63 van de Algemene Kinderbijslagwet, en de koninklijke besluiten, genomen ter uitvoering van die bepalingen]15;
3° grensarbeider : de persoon die in de grensstreek van een buurland werkt en die volgens het bevolkingsregister op 1 januari van het aanslagjaar zijn woonplaats heeft in de grensstreek van België, waarnaar hij gewoonlijk dagelijks of ten minste eenmaal per week terugkeert.
In titel 2, hoofdstuk 2, wordt verstaan onder :
1° stoom- of motorvoertuigen : de motorvoertuigen, omschreven in de reglementering voor de inschrijving van motorvoertuigen en de aanhangwagens, de stoom- of motorvaartuigen en -boten en, in het algemeen, alle stoom- of motorvervoermiddelen tot voortbeweging, alsook de aanhangwagens en opleggers ervan;
2° lichte vrachtauto : in afwijking van punt 1°, elke auto, opgevat en gebouwd voor het vervoer van zaken waarvan [8 het maximaal toegestane totaalgewicht]8 niet meer bedraagt dan 3500 kg en die :
a) [18 bestaat uit een volledig van de laadruimte afgesloten enkele cabine die ten hoogste twee plaatsen bevat, die van de bestuurder niet inbegrepen, en een open laadbak. Als de auto is ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid na 31 december 2022, is de auto ingeschreven ofwel op naam van een rechtspersoon ofwel op naam van een natuurlijke persoon als vermeld in artikel I.1, eerste lid, 1°, (a), van het Wet- boek van economisch recht en ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen conform artikel III.17 van het voormelde wetboek. De voormelde voorwaarde dat het voertuig moet ingeschreven zijn ofwel op naam van een rechtspersoon ofwel op naam van een natuurlijke persoon met een ondernemingsnummer, is alleen van toepassing op auto's van natuurlijke personen en andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten;]18
b) [18 bestaat uit een volledig van de laadruimte afgesloten dubbele cabine die ten hoogste zes plaatsen bevat, die van de bestuurder niet inbegrepen, en een open laadbak. Als de auto is ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid na 31 december 2022, is de auto ingeschreven ofwel op naam van een rechtspersoon ofwel op naam van een natuurlijke persoon als vermeld in artikel I.1, eerste lid, 1°, (a), van het Wet- boek van economisch recht en ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen conform artikel III.17 van het voormelde wetboek. De voormelde voorwaarde dat het voertuig moet ingeschreven zijn ofwel op naam van een rechtspersoon ofwel op naam van een natuurlijke persoon met een ondernemingsnummer, is alleen van toepassing op auto's van natuurlijke personen en andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten;]18
c) gelijktijdig bestaat uit een passagiersruimte die ten hoogste twee plaatsen bevat, die van de bestuurder niet inbegrepen, en een daarvan afgesloten laadruimte waarvan de afstand tussen elk punt van de scheidingswand achter de zitplaatsen en de binnenkant van de achterzijde van de laadruimte, gemeten in de langsrichting van het voertuig, op een hoogte van 20 cm boven de vloer, altijd minstens 50 % bedraagt van de lengte van de wielbasis. De laadruimte moet bovendien over haar hele oppervlakte bestaan uit een vaste of duurzaam bevestigde, horizontale laadvloer zonder verankeringsplaatsen voor extra banken, zetels of veiligheidsgordels, die deel uitmaakt van het koetswerk;
d) gelijktijdig bestaat uit een passagiersruimte die ten hoogste zes plaatsen bevat, die van de bestuurder niet inbegrepen, en een daarvan volledig afgesloten laadruimte waarvan de afstand tussen elk punt van de scheidingswand achter de laatste rij zitplaatsen en de binnenkant van de achterzijde van de laadruimte, gemeten in de langsrichting van het voertuig, op een hoogte van 20 cm boven de vloer, altijd minstens 50 % bedraagt van de lengte van de wielbasis. De laadruimte moet bovendien over haar hele oppervlakte bestaan uit een vaste of duurzaam bevestigde, horizontale laadvloer zonder verankeringsplaatsen voor extra banken, zetels of veiligheidsgordels, die deel uitmaakt van het koetswerk.
Als het voertuig, aangewezen als lichte vrachtauto in de reglementering, vermeld in punt 1°, niet beantwoordt aan een van de voertuigtypes, vermeld in punt a) tot en met d), wordt het, afhankelijk van zijn constructie, beschouwd als een personenauto, een auto voor dubbel gebruik of een minibus;
3° beroepsmatig gebruik : het gebruik van een voertuig voor de rechtstreekse uitoefening van werkzaamheden tegen betaling of met winstoogmerk;
4° persoonlijk gebruik : elk ander gebruik dan beroepsmatig gebruik;
5° gewone verblijfplaats : de plaats waar iemand gewoonlijk verblijft, dat wil zeggen gedurende ten minste 185 dagen per kalenderjaar wegens persoonlijke en beroepsmatige bindingen of, voor personen zonder beroepsmatige bindingen, wegens persoonlijke bindingen waaruit nauwe banden blijken tussen hemzelf en de plaats waar hij woont.
De gewone verblijfplaats van iemand die zijn beroepsmatige bindingen op een andere plaats heeft dan zijn persoonlijke bindingen en daardoor afwisselend verblijft op verschillende plaatsen in twee of meer staten, wordt evenwel geacht zich op dezelfde plaats te bevinden als zijn persoonlijke bindingen, op voorwaarde dat hij op geregelde tijden terugkeert naar die plaats. Die laatste voorwaarde vervalt als de betrokkene in een staat verblijft voor een opdracht van een bepaalde duur. Het feit dat college wordt gelopen of een school wordt bezocht, houdt niet in dat de gewone verblijfplaats wordt verplaatst.
[4 6° euronorm: de maximumdrempel voor de concentratie van bepaalde vervuilende stoffen in de uitlaatgassen van motorvoertuigen, bepaald in opeenvolgende Europese richtlijnen en verordeningen;
7° wegvoertuigen: de personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen zoals die voertuigen zijn omschreven in de reglementering van de inschrijving van de motorvoertuigen en de aanhangwagens en zoals ze worden verstaan in de zin van de laatste zin van punt 2°, voor zover die voertuigen voorzien zijn van of voorzien moeten zijn van een andere nummerplaat dan een in het kader van de bedoelde regeling uitgereikte proefrittenplaat, handelaarsplaat [13 , beroepsplaat, nationale plaat]13 of tijdelijke plaat die geen internationale kentekenplaat is;]4
[7 8° vennootschap: in afwijking van het eerste lid, 21°, een vennootschap als vermeld in [16 het Wetboek van vennootschappen en verenigingen]16.]7
In titel 2, hoofdstuk 3, wordt verstaan onder :
1° wegvoertuigen : de personenauto's, auto's voor dubbel gebruik, minibussen en motorfietsen, zoals die voertuigen zijn omschreven in de reglementering van de inschrijving van de motorvoertuigen en de aanhangwagens en zoals ze worden verstaan in de zin van de laatste zin van punt 2° van het vorige lid, voor zover die voertuigen voorzien zijn van of voorzien moeten zijn van een andere nummerplaat dan een in het kader van de bedoelde regeling uitgereikte proefrittenplaat, handelaarsplaat of tijdelijke plaat die geen internationale kentekenplaat is;
2° luchtvaartuigen : de vliegtuigen, watervliegtuigen, helikopters, zweefvliegtuigen, luchtballons of bestuurbare luchtschepen en andere luchtvaartuigen, zwaarder of lichter dan lucht, met of zonder motor, als ze ingeschreven zijn of moeten zijn;
3° boten : de jachten en pleziervaartuigen die langer zijn dan 7,5 meter, als daarvoor een vlaggenbrief afgeleverd is of afgeleverd moet zijn;
[5 4° euronorm: de maximumdrempel voor de concentratie van bepaalde vervuilende stoffen in de uitlaatgassen van motorvoertuigen, bepaald in opeenvolgende Europese richtlijnen en verordeningen;]5
[7 5° vennootschap: in afwijking van het eerste lid, 21°, een vennootschap als vermeld in [16 het Wetboek van vennootschappen en verenigingen]16.]7
[2 In titel 2, hoofdstuk 4, wordt verstaan onder :
1° [21 Euro-emissieklasse: de klasse gedefinieerd op basis van emissiegrenswaarden, zoals omschreven in bijlage 0 van richtlijn 1999/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 1999 betreffende het in rekening brengen van het gebruik van wegeninfrastructuur aan voertuigen, met toevoeging van de klasse "minder vervuilend dan Euro VI, met inbegrip van emissievrije voertuigen]21
[21 1° /1 gebruiker: de houder van het voertuig die een dienstverleningsovereenkomst heeft met een dienstaanbieder of de hoofddienstaanbieder;]21
2° gegarandeerde betaalmiddel : het betaalmiddel waarmee de [21 dienstaanbieder, vermeld in artikel 1.1.0.0.2, eerste lid, 7° /1, of de hoofddienstaanbieder, vermeld in artikel 5, tweede lid, van het decreet Kilometerheffing]21 de kilometerheffing en, in voorkomend geval, de aan de houder van het voertuig gefactureerde inningskosten op het eerste verzoek [21 kunnen]21 innen, zonder verdere toelating van de [21 gebruiker]21 en zonder dat die de betaling die met het betaalmiddel is verricht, kan annuleren;
3° kilometer : elke kilometer, afgerond op het hogere of lagere duizendste, naargelang het cijfer van de tienduizendsten al of niet vijf bereikt;
4° niet-geconcedeerde weg : de weg of het gedeelte van de weg waarvan het beheer niet in concessie is gegeven;
[21 4° /1° vervoer over de weg van goederen: het vervoer van elk goed dat op een voertuig kan worden geladen of afgeladen, met inbegrip van het vervoer van werktuigen en gereedschapsmachines en van werktuigvoertuigen, alsook het vervoer van elk goed door die werktuigen, gereedschapsmachines en werktuigvoertuigen, als ze worden gebruikt op een niet-geconcedeerde weg;]21
5° Viapass : het publiekrechtelijk vormgegeven interregionaal samenwerkingsverband in de vorm van een gemeenschappelijke instelling als vermeld in artikel 92bis, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, vermeld in artikel 18 van het samenwerkingsakkoord van 31 januari 2014 tussen het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de invoering van de kilometerheffing op het grondgebied van de drie gewesten en tot oprichting van een publiekrechtelijk vormgegeven Interregionaal Samenwerkingsverband Viapass onder de vorm van een gemeenschappelijke instelling zoals bedoeld in artikel 92bis, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen;
6° voertuig : een motorvoertuig of een samenstel van voertuigen, bedoeld of gebruikt, al dan niet uitsluitend, voor het vervoer over de weg van goederen, waarvan het maximaal toegestane totaalgewicht meer dan 3,5 ton bedraagt;
7° weg : de landwegen en de aanhorigheden ervan.]2
In titel 2, hoofdstuk 7 en hoofdstuk 8, wordt verstaan onder :
1° beurswaarde : de slotkoers van een financieel instrument, zoals die als koersinformatie beschikbaar is in de gespecialiseerde pers of in gespecialiseerde elektronisch raadpleegbare bronnen;
[8 1° /1 bouwgrond: een perceel grond dat stedenbouwkundig bestemd is tot woningbouw of een onroerend goed dat ermee wordt gelijkgesteld. Het geheel of het gedeelte van een gebouw dat, pas na de uitvoering van andere werken dan normale herstellings- of onderhoudswerken, kan dienen tot huisvesting van een gezin of een persoon, met in voorkomend geval de aanhorigheden die tegelijk met het gebouw worden verkregen, wordt met een bouwgrond gelijkgesteld;]8
2° gehandicapt kind : [12 een kind met een specifieke ondersteuningsbehoefte als vermeld in artikel 3, § 1, 39°, van het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid]12 [15 of een kind dat door de gezinsbijslagregelgeving van andere gefedereerde deelentiteiten beschouwd wordt als een kind met een handicap, een kind met een beperking of een kind dat op basis van de zelfredzaamheidsgraad of de ernst van de gevolgen van de aandoening recht heeft op een toeslag van de basiskinderbijslag of een kind dat voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 47, artikel 56septies of artikel 63 van de Algemene Kinderbijslagwet, en de koninklijke besluiten, genomen ter uitvoering van die bepalingen]15;
3° [17 persoon met een handicap]17 : de als gehandicapt aangemerkte personen, vermeld in artikel 135, eerste lid, 1°, van het federale WIB 92;
4° partner :
a) de persoon die op dag van het openvallen van de nalatenschap met de erflater of op de dag van de schenking met de schenker gehuwd is;
b) de persoon die op de dag van het openvallen van de nalatenschap met de erflater of op de dag van de schenking met de schenker wettelijk samenwoont, overeenkomstig de bepalingen van boek III, titel Vbis, van het Burgerlijk Wetboek;
c) de personen die op de dag van het openvallen van de nalatenschap of op de dag van de schenking ten minste één jaar ononderbroken met de erflater of de schenker samenwonen en met de erflater of de schenker een gemeenschappelijke huishouding voeren. Artikel 2.7.4.1.1, § 2, derde lid, artikel 2.7.4.2.2 en artikel 2.8.6.0.3 zijn echter alleen van toepassing voor de personen die op de dag van het openvallen van de nalatenschap of op de dag van de schenking ten minste drie jaar ononderbroken met de erflater of de schenker samenwonen en met de erflater of de schenker een gemeenschappelijke huishouding voeren. Deze voorwaarden worden geacht ook vervuld te zijn als het samenwonen en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding met de erflater of de schenker, aansluitend op de bedoelde periode van één of drie jaar tot op de dag van het overlijden, ingevolge overmacht onmogelijk is geworden. Een inschrijving in het bevolkingsregister houdt een weerlegbaar vermoeden in van ononderbroken samenwoning en van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding;
5° verkrijging in rechte lijn :
a) een verkrijging tussen personen die de ene van de andere afstammen, overeenkomstig [20 artikel 4.11, § 1,]20 van het Burgerlijk Wetboek, of tussen personen die ingevolge volle adoptie overeenkomstig artikel 356-1 van het Burgerlijk Wetboek een statuut met dezelfde rechten en verplichtingen hebben;
b) een verkrijging tussen een persoon en het kind van zijn partner, ongeacht of de verkrijging plaatsvindt voor of na het overlijden van de partner. Als de verkrijging plaatsvindt na het overlijden van de partner, moet die laatste zijn hoedanigheid van partner ten aanzien van de eerst vermelde persoon nog hebben op de datum van zijn overlijden;
c) een verkrijging tussen personen tussen wie een relatie van zorgouder en zorgkind bestaat of heeft bestaan. Er is sprake van een zorgrelatie als iemand vóór de leeftijd van eenentwintig jaar gedurende drie achtereenvolgende jaren bij een andere persoon heeft ingewoond en gedurende die tijd hoofdzakelijk van die andere persoon, of van de andere persoon en zijn partner samen, de hulp en verzorging heeft gekregen die kinderen normaal van hun ouders krijgen. De inschrijving van het zorgkind in het bevolkings- of het vreemdelingenregister op het adres van de zorgouder geldt als weerlegbaar vermoeden van inwoning bij de zorgouder;
d) [3 een verkrijging door een persoon die met de overledene of de schenker een verwantschapsband had of heeft die voortkomt uit gewone adoptie, maar uitsluitend als daarvoor de nodige bewijsstukken worden aangebracht en als :
1) het adoptiekind een kind is van de partner van de adoptant;
2) het adoptiekind op het ogenblik van de adoptie onder de voogdij was van de openbare onderstand of van een Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn of van een vergelijkbare instelling binnen de Europese Economische Ruimte, of wees was van een voor het vaderland gestorven vader of moeder;
3) het adoptiekind, vóór de leeftijd van eenentwintig jaar, gedurende drie achtereenvolgende jaren hoofdzakelijk van de adoptant, of van de adoptant en zijn partner samen, de hulp en verzorging heeft gekregen die kinderen normaal van hun ouders krijgen;
4) het kind geadopteerd is door een persoon van wie al de afstammelingen voor het vaderland gestorven zijn;]3
e) een verkrijging tussen ex-partners als er gemeenschappelijke afstammelingen zijn.
De definitie van kinderen, vermeld in het eerste lid, 12°, en de definitie van vennootschappen, vermeld in het eerste lid, 21°, gelden niet voor de toepassing van hoofdstuk 7 en hoofdstuk 8 van titel 2.
In titel 2, hoofdstuk 7, wordt verstaan onder :
1° aanvullende rechten : de erfbelasting, geheven omdat de voorwaarden voor een verlaagd tarief, een vermindering of een vrijstelling niet vervuld zijn, of wegens de toepassing van artikel 3.3.1.0.6, artikel 3.17.0.0.2, of van artikel 2.7.7.0.1 in geval van een onjuiste of onvolledige aangifte of een aangifte die niet binnen de termijn is ingediend;
2° gezinswoning : de gezamenlijke hoofdverblijfplaats van de erflater en zijn langstlevende partner. Een uittreksel uit het bevolkingsregister houdt een weerlegbaar vermoeden in van de samenwoning. Als aan de samenwoning een einde is gekomen door een feitelijke scheiding van de partners, door een geval van overmacht dat tot op het ogenblik van het overlijden heeft voortgeduurd, of door de verplaatsing van de hoofdverblijfplaats van een van de partners of van beide partners naar een rust- en verzorgingsinstelling of een assistentiewoning, wordt de laatste gezamenlijke hoofdverblijfplaats van de erflater en zijn langstlevende partner als gezinswoning aangemerkt. [3 De aanhorigheden, vermeld in het twaalfde lid, 2°, worden in voorkomend geval geacht deel uit te maken van de gezinswoning.]3
In titel 2, hoofdstuk 8 tot en met 11, wordt verstaan onder :
1° registratie : de formaliteit, bepaald overeenkomstig artikel 1 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten;
2° aanvullende rechten : de registratiebelasting, berekend en geheven ter aanvulling van de registratiebelasting die is berekend en geheven op zicht van de ter registratie aangeboden akte of het ter registratie aangeboden geschrift of wegens de toepassing van artikel 3.17.0.0.2.
In titel 2, hoofdstuk 8 tot en met 11, worden lichamelijke roerende voorwerpen, aangewend tot de dienst en de exploitatie van onroerende goederen, niet beschouwd als onroerende goederen.
In titel 2, hoofdstuk 8, wordt de schenkbelasting, vermeld in het eerste lid, 19°, ook voor de volgende schenkingen geacht gelokaliseerd te zijn in het Vlaamse Gewest :
1° de schenking van roerende of onroerende goederen gedaan door een rijksinwoner-rechtspersoon als de schenker-rijksinwoner op het ogenblik van de schenking zijn zetel van werkelijke leiding in het Vlaamse Gewest had gevestigd of, als de zetel van werkelijke leiding van de schenker-rijksinwoner in de periode van vijf jaar voor de schenking in meer dan één gewest gevestigd was, als de schenker-rijksinwoner in de periode van vijf jaar voor de schenking zijn zetel van werkelijke leiding het langst in het Vlaamse Gewest had gevestigd;
2° de schenking door een niet-rijksinwoner-rechtspersoon van een in het in het Vlaamse Gewest gelegen onroerend goed;
3° de schenking van roerende goederen door een niet-rijksinwoner natuurlijke persoon of een rechtspersoon aan een rijksinwoner als de begiftigde-rijksinwoner op het ogenblik van de schenking zijn fiscale woonplaats of zetel van werkelijke leiding in het Vlaamse Gewest had gevestigd of, als de fiscale woonplaats of zetel van werkelijke leiding van de begiftigde-rijksinwoner in de periode van vijf jaar voor de schenking in meer dan één gewest gevestigd was, als de begiftigde-rijksinwoner in de periode van vijf jaar voor de schenking zijn fiscale woonplaats of zetel van werkelijke leiding het langst in het Vlaamse Gewest had gevestigd;
4° de schenking van roerende goederen door een niet-rijksinwoner natuurlijke persoon of een rechtspersoon aan een niet-rijksinwoner natuurlijke persoon of een rechtspersoon als de schenking ter registratie wordt aangeboden in het Vlaamse Gewest.
In titel 2, hoofdstuk 9, wordt in afwijking van het eerste lid verstaan onder :
1° [16 ...]16
2° aanhorigheid : elk gebouwd of ongebouwd onroerend goed dat volgens de aard, de ligging, de oppervlakte en de waarde ervan een normale bijhorigheid vormt, al naargelang het geval, hetzij van het huis of de verdieping of het gedeelte van verdieping, hetzij van een op te richten woning;
3° [16 ...]16
4° [16 ...]16
5° [16 onbebouwd landgoed: het onroerend goed dat bestaat uit een of meer gronden die voor het landbouwbedrijf gebruikt worden of bestemd zijn, met uitsluiting van gebouwen en de grond waarop deze gebouwen zich bevinden;]16
6° woning : het huis of het geheel of het gedeelte van een verdieping van een gebouw dat hetzij dadelijk, hetzij na normale herstellings- of onderhoudswerken [9 hoofdzakelijk dient of zal dienen tot huisvesting van één gezin of een persoon]9, met in voorkomend geval de aanhorigheden die tegelijk met het huis, het geheel of het gedeelte van een verdieping worden verkregen;]1
[3 7° bouwgrond : een perceel grond dat stedenbouwkundig bestemd is tot woningbouw of een onroerend goed dat ermee wordt gelijkgesteld. Het geheel of het gedeelte van een gebouw dat, pas na de uitvoering van andere werken dan normale herstellings- of onderhoudswerken, kan dienen tot huisvesting van een gezin of een persoon, met in voorkomend geval de aanhorigheden die tegelijk met het gebouw worden verkregen, wordt met een bouwgrond gelijkgesteld.]3
[9 8° kernsteden: de gemeenten Aalst, Antwerpen, Boom, Brugge, Dendermonde, Genk, Gent, Hasselt, Kortrijk, Leuven, Mechelen, Oostende, Roeselare, Sint-Niklaas, Turnhout en Vilvoorde;]9
[9 9° gemeenten van de Vlaamse Rand rond Brussel: de gemeenten Affligem, Asse, Beersel, Bertem, Bever, Dilbeek, Drogenbos, Galmaarden, Gooik, Grimbergen, Halle, Herne, Hoeilaart, Huldenberg, Kampenhout, Kapelle-op-den-Bos, Kortenberg, Kraainem, Lennik, Liedekerke, Linkebeek, Londerzeel, Machelen, Meise, Merchtem, Opwijk, Overijse, Pepingen, Roosdaal, Sint-Genesius-Rode, Sint-Pieters-Leeuw, Steenokkerzeel, Ternat, Tervuren Vilvoorde, Wemmel, Wezembeek-Oppem, Zaventem en Zemst.]9
[11 In titel 2, hoofdstuk 12 en hoofdstuk 13, en in titel 3, wordt verstaan onder Kansspelwet van 7 mei 1999: de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers.
In titel 2, hoofdstuk 13, en in titel 3, wordt, overeenkomstig artikel 76 van het federale Wetboek van 23 november 1965 van de met Inkomstenbelastingen Gelijkgestelde Belastingen, verstaan onder automatisch ontspanningstoestel: een toestel dat dient tot ontspanning en een mechanisch, elektrisch of elektronisch onderdeel bevat om het op gang te brengen, te laten werken of te bedienen, en dat gestart wordt door de inbreng van een geldstuk, van een penning of van een ander middel dat daarvoor in de plaats komt.]11
1° belastingen en toebehoren : de belastingen in hoofdsom waarop deze codex van toepassing is, in voorkomend geval met inbegrip van de opcentiemen of de opdeciem, nalatigheidsinteresten, administratieve geldboetes, belastingverhogingen en kosten van vervolging of tenuitvoerlegging, rechtsplegingsvergoedingen, gerechtskosten en betekeningskosten;
[19 1° /0 emissievrij voertuig: een voertuig dat beantwoordt aan de voorwaarden als bepaald in artikel 3, punt 11, van verordening (EU) 2019/1242 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 tot vaststelling van CO2-emissienormen voor nieuwe zware bedrijfsvoertuigen en tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 595/2009 en (EU) 2018/956 van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 96/53/EG van de Raad.]19
[11 1° /1 belasting op de automatische ontspanningstoestellen: de belasting die geheven wordt overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 13, van deze codex;]11
[11 1° /2 belasting op de spelen en weddenschappen: de belasting die geheven wordt overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 12, van deze codex;]11
2° belasting op de inverkeerstelling : de belasting die geheven wordt overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 3, van deze codex;
3° belastingplichtige : iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon in wiens hoofde een belasting wordt geheven;
4° belastingschuldige : iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die met toepassing van deze codex of het gemeen recht gehouden is tot de betaling van een belasting;
5° bevoegd personeelslid : het personeelslid van de Vlaamse administratie dat wordt aangewezen conform de besluiten van de Vlaamse Regering, en dat belast is met de uitvoering van de bepalingen van deze codex;
[2 5° /1 decreet Kilometerheffing : decreet van 3 juli 2015 tot invoering van de kilometerheffing en de stopzetting van de heffing van het eurovignet en tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit in dat verband;]2
6° decreet van 19 april 1995 : het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten;
7° [14 ...]14
[2 7° /1 [21 dienstaanbieder: elke juridische entiteit die door de tolheffer, vermeld in artikel 4, tweede lid, 2°, van het decreet Kilometerheffing geaccrediteerd is om in haar tolgebied, vermeld in artikel 4, § 2, derde lid, 1°, van het decreet Kilometerheffing, een dienst aan te bieden van inning van de kilometerheffing bij de gebruikers, en van afdracht aan de tolheffer, op basis van door boordapparatuur geregistreerde of verkregen gegevens;]21
7° /2 dienstverleningsovereenkomst : de overeenkomst tussen de houder van een voertuig en een [21 dienstaanbieder naar zijn keuze of de hoofddienstaanbieder]21, die voorafgaand aan het gebruik van enige weg voor dat voertuig moet worden gesloten;
7° /3 [21 boordapparatuur: alle hardware- of softwarecomponenten die aan boord van een voertuig zijn geïnstalleerd of worden meegenomen, en die worden gebruikt als onderdeel van de toldienst, om gegevens te verzamelen, op te slaan, te verwerken en vanop afstand te ontvangen of te verzenden;]21]2
8° [10 entiteit van de Vlaamse administratie: een intern of extern verzelfstandigd agentschap of een departement;]10
9° erfbelasting : verzamelterm voor het successierecht en het recht van overgang;
10° [2 eurovignet : de belasting die tot en met de inwerkingtreding van het decreet van 3 juli 2015 tot invoering van de kilometerheffing en de stopzetting van de heffing van het eurovignet en tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 in dat verband geheven werd overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de toenmalige bepalingen van titel 2, hoofdstuk 4, van deze codex;]2
[6 10° /1 heffing ongeschikte en onbewoonbare woningen: de belasting die geheven wordt conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 5, van deze codex;]6
11° kadastraal inkomen : het inkomen, vastgesteld overeenkomstig titel IX van het federale WIB 92 en geïndexeerd overeenkomstig artikel 518 van het federale WIB 92;
[2 11° /1 kilometerheffing : de belasting die geheven wordt conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 4, van deze codex;]2
12° kinderen : de afstammelingen van de belastingplichtige en die van zijn echtgenoot of van de wettelijk samenwonende, alsook de kinderen die hij volledig of hoofdzakelijk ten laste heeft;
13° leegstandsheffing bedrijfsruimten : de belasting die geheven wordt conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 6, van deze codex;
14° onroerende voorheffing : de belasting die geheven wordt overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 1, van deze codex;
15° recht op hypotheekvestiging : de belasting die onder de benaming `registratierecht op de vestiging van een hypotheek op een in België gelegen onroerend goed' geheven wordt overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 11, van deze codex;
16° recht van overgang : de belasting die onder de benaming `het recht van overgang bij overlijden van niet-rijksinwoners' wordt geheven overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 7, van deze codex;
17° registratiebelasting : verzamelterm voor de schenkbelasting, het verkooprecht, het verdeelrecht en het recht op hypotheekvestiging;
18° rijksinwoner : de natuurlijke persoon die naargelang het geval op het ogenblik van zijn overlijden of op het ogenblik van de schenking binnen het Rijk zijn domicilie of de zetel van zijn vermogen heeft gevestigd of de rechtspersoon die op het ogenblik van de schenking binnen het Rijk zijn zetel van werkelijke leiding heeft gevestigd;
[8 18° /1 schatter-expert: natuurlijk persoon die beroepsmatig schattingen en waarderingen van onroerende goederen uitvoert en daarvoor beschikt over de beroepskwalificatie, vermeld in artikel 3.3.1.0.9/1, § 2, 2° ;]8
19° schenkbelasting : de belasting die onder de benaming `registratierecht op de schenkingen onder de levenden van roerende of onroerende goederen' geheven wordt overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 8, van deze codex;
20° successierecht : de belasting die onder de benaming `het successierecht van rijksinwoners' wordt geheven overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 7, van deze codex;
21° vennootschappen : een vennootschap, vereniging, inrichting of instelling die regelmatig is opgericht, rechtspersoonlijkheid bezit en een onderneming exploiteert of zich bezighoudt met verrichtingen van winstgevende aard. Lichamen met rechtspersoonlijkheid die naar Belgisch recht zijn opgericht en die voor de toepassing van de inkomstenbelastingen worden geacht geen rechtspersoonlijkheid te bezitten, worden niet als vennootschappen aangemerkt;
22° verdeelrecht : de belasting die onder de benaming `registratierecht op de gedeeltelijke of gehele verdelingen van in België gelegen onroerende goederen, de afstanden onder bezwarende titel, onder mede-eigenaars, van onverdeelde delen in soortgelijke goederen, en de omzettingen overeenkomstig [20 artikel 4.61 en 4.62]20 van het Burgerlijk Wetboek, zelfs indien er geen onverdeeldheid is' geheven wordt overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 10, van deze codex;
23° verkeersbelasting : de belastingen die geheven worden overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 2, van deze codex;
24° verkooprecht : de belasting die onder de benaming `registratierecht op de overdrachten onder bezwarende titel van in België gelegen onroerende goederen met uitsluiting van de overdrachten die het gevolg zijn van een inbreng in een vennootschap behalve voor zover het een inbreng betreft door een natuurlijke persoon van een woning in een Belgische vennootschap' geheven wordt overeenkomstig de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en conform de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 9, van deze codex;
25° [6 ...]6;
26° WIB 92 : het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992;
27° Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten : het wetboek van 30 november 1939 der registratie-, hypotheek- en griffierechten;
28° Wetboek van Successierechten : het wetboek van 31 maart 1936 der Successierechten.
In titel 2, hoofdstuk 1, wordt verstaan onder :
1° [17 persoon met een handicap]17 : de als gehandicapt aangemerkte personen, vermeld in artikel 135, eerste lid, 1°, van het federale WIB 92;
2° gehandicapt kind : [12 een kind met een specifieke ondersteuningsbehoefte als vermeld in artikel 3, § 1, 39°, van het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid]12 [15 of een kind dat door de gezinsbijslagregelgeving van andere gefedereerde deelentiteiten beschouwd wordt als een kind met een handicap, een kind met een beperking of een kind dat op basis van de zelfredzaamheidsgraad of de ernst van de gevolgen van de aandoening recht heeft op een toeslag van de basiskinderbijslag of een kind dat voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 47, artikel 56septies of artikel 63 van de Algemene Kinderbijslagwet, en de koninklijke besluiten, genomen ter uitvoering van die bepalingen]15;
3° grensarbeider : de persoon die in de grensstreek van een buurland werkt en die volgens het bevolkingsregister op 1 januari van het aanslagjaar zijn woonplaats heeft in de grensstreek van België, waarnaar hij gewoonlijk dagelijks of ten minste eenmaal per week terugkeert.
In titel 2, hoofdstuk 2, wordt verstaan onder :
1° stoom- of motorvoertuigen : de motorvoertuigen, omschreven in de reglementering voor de inschrijving van motorvoertuigen en de aanhangwagens, de stoom- of motorvaartuigen en -boten en, in het algemeen, alle stoom- of motorvervoermiddelen tot voortbeweging, alsook de aanhangwagens en opleggers ervan;
2° lichte vrachtauto : in afwijking van punt 1°, elke auto, opgevat en gebouwd voor het vervoer van zaken waarvan [8 het maximaal toegestane totaalgewicht]8 niet meer bedraagt dan 3500 kg en die :
a) [18 bestaat uit een volledig van de laadruimte afgesloten enkele cabine die ten hoogste twee plaatsen bevat, die van de bestuurder niet inbegrepen, en een open laadbak. Als de auto is ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid na 31 december 2022, is de auto ingeschreven ofwel op naam van een rechtspersoon ofwel op naam van een natuurlijke persoon als vermeld in artikel I.1, eerste lid, 1°, (a), van het Wet- boek van economisch recht en ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen conform artikel III.17 van het voormelde wetboek. De voormelde voorwaarde dat het voertuig moet ingeschreven zijn ofwel op naam van een rechtspersoon ofwel op naam van een natuurlijke persoon met een ondernemingsnummer, is alleen van toepassing op auto's van natuurlijke personen en andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten;]18
b) [18 bestaat uit een volledig van de laadruimte afgesloten dubbele cabine die ten hoogste zes plaatsen bevat, die van de bestuurder niet inbegrepen, en een open laadbak. Als de auto is ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid na 31 december 2022, is de auto ingeschreven ofwel op naam van een rechtspersoon ofwel op naam van een natuurlijke persoon als vermeld in artikel I.1, eerste lid, 1°, (a), van het Wet- boek van economisch recht en ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen conform artikel III.17 van het voormelde wetboek. De voormelde voorwaarde dat het voertuig moet ingeschreven zijn ofwel op naam van een rechtspersoon ofwel op naam van een natuurlijke persoon met een ondernemingsnummer, is alleen van toepassing op auto's van natuurlijke personen en andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten;]18
c) gelijktijdig bestaat uit een passagiersruimte die ten hoogste twee plaatsen bevat, die van de bestuurder niet inbegrepen, en een daarvan afgesloten laadruimte waarvan de afstand tussen elk punt van de scheidingswand achter de zitplaatsen en de binnenkant van de achterzijde van de laadruimte, gemeten in de langsrichting van het voertuig, op een hoogte van 20 cm boven de vloer, altijd minstens 50 % bedraagt van de lengte van de wielbasis. De laadruimte moet bovendien over haar hele oppervlakte bestaan uit een vaste of duurzaam bevestigde, horizontale laadvloer zonder verankeringsplaatsen voor extra banken, zetels of veiligheidsgordels, die deel uitmaakt van het koetswerk;
d) gelijktijdig bestaat uit een passagiersruimte die ten hoogste zes plaatsen bevat, die van de bestuurder niet inbegrepen, en een daarvan volledig afgesloten laadruimte waarvan de afstand tussen elk punt van de scheidingswand achter de laatste rij zitplaatsen en de binnenkant van de achterzijde van de laadruimte, gemeten in de langsrichting van het voertuig, op een hoogte van 20 cm boven de vloer, altijd minstens 50 % bedraagt van de lengte van de wielbasis. De laadruimte moet bovendien over haar hele oppervlakte bestaan uit een vaste of duurzaam bevestigde, horizontale laadvloer zonder verankeringsplaatsen voor extra banken, zetels of veiligheidsgordels, die deel uitmaakt van het koetswerk.
Als het voertuig, aangewezen als lichte vrachtauto in de reglementering, vermeld in punt 1°, niet beantwoordt aan een van de voertuigtypes, vermeld in punt a) tot en met d), wordt het, afhankelijk van zijn constructie, beschouwd als een personenauto, een auto voor dubbel gebruik of een minibus;
3° beroepsmatig gebruik : het gebruik van een voertuig voor de rechtstreekse uitoefening van werkzaamheden tegen betaling of met winstoogmerk;
4° persoonlijk gebruik : elk ander gebruik dan beroepsmatig gebruik;
5° gewone verblijfplaats : de plaats waar iemand gewoonlijk verblijft, dat wil zeggen gedurende ten minste 185 dagen per kalenderjaar wegens persoonlijke en beroepsmatige bindingen of, voor personen zonder beroepsmatige bindingen, wegens persoonlijke bindingen waaruit nauwe banden blijken tussen hemzelf en de plaats waar hij woont.
De gewone verblijfplaats van iemand die zijn beroepsmatige bindingen op een andere plaats heeft dan zijn persoonlijke bindingen en daardoor afwisselend verblijft op verschillende plaatsen in twee of meer staten, wordt evenwel geacht zich op dezelfde plaats te bevinden als zijn persoonlijke bindingen, op voorwaarde dat hij op geregelde tijden terugkeert naar die plaats. Die laatste voorwaarde vervalt als de betrokkene in een staat verblijft voor een opdracht van een bepaalde duur. Het feit dat college wordt gelopen of een school wordt bezocht, houdt niet in dat de gewone verblijfplaats wordt verplaatst.
[4 6° euronorm: de maximumdrempel voor de concentratie van bepaalde vervuilende stoffen in de uitlaatgassen van motorvoertuigen, bepaald in opeenvolgende Europese richtlijnen en verordeningen;
7° wegvoertuigen: de personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen zoals die voertuigen zijn omschreven in de reglementering van de inschrijving van de motorvoertuigen en de aanhangwagens en zoals ze worden verstaan in de zin van de laatste zin van punt 2°, voor zover die voertuigen voorzien zijn van of voorzien moeten zijn van een andere nummerplaat dan een in het kader van de bedoelde regeling uitgereikte proefrittenplaat, handelaarsplaat [13 , beroepsplaat, nationale plaat]13 of tijdelijke plaat die geen internationale kentekenplaat is;]4
[7 8° vennootschap: in afwijking van het eerste lid, 21°, een vennootschap als vermeld in [16 het Wetboek van vennootschappen en verenigingen]16.]7
In titel 2, hoofdstuk 3, wordt verstaan onder :
1° wegvoertuigen : de personenauto's, auto's voor dubbel gebruik, minibussen en motorfietsen, zoals die voertuigen zijn omschreven in de reglementering van de inschrijving van de motorvoertuigen en de aanhangwagens en zoals ze worden verstaan in de zin van de laatste zin van punt 2° van het vorige lid, voor zover die voertuigen voorzien zijn van of voorzien moeten zijn van een andere nummerplaat dan een in het kader van de bedoelde regeling uitgereikte proefrittenplaat, handelaarsplaat of tijdelijke plaat die geen internationale kentekenplaat is;
2° luchtvaartuigen : de vliegtuigen, watervliegtuigen, helikopters, zweefvliegtuigen, luchtballons of bestuurbare luchtschepen en andere luchtvaartuigen, zwaarder of lichter dan lucht, met of zonder motor, als ze ingeschreven zijn of moeten zijn;
3° boten : de jachten en pleziervaartuigen die langer zijn dan 7,5 meter, als daarvoor een vlaggenbrief afgeleverd is of afgeleverd moet zijn;
[5 4° euronorm: de maximumdrempel voor de concentratie van bepaalde vervuilende stoffen in de uitlaatgassen van motorvoertuigen, bepaald in opeenvolgende Europese richtlijnen en verordeningen;]5
[7 5° vennootschap: in afwijking van het eerste lid, 21°, een vennootschap als vermeld in [16 het Wetboek van vennootschappen en verenigingen]16.]7
[2 In titel 2, hoofdstuk 4, wordt verstaan onder :
1° [21 Euro-emissieklasse: de klasse gedefinieerd op basis van emissiegrenswaarden, zoals omschreven in bijlage 0 van richtlijn 1999/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 1999 betreffende het in rekening brengen van het gebruik van wegeninfrastructuur aan voertuigen, met toevoeging van de klasse "minder vervuilend dan Euro VI, met inbegrip van emissievrije voertuigen]21
[21 1° /1 gebruiker: de houder van het voertuig die een dienstverleningsovereenkomst heeft met een dienstaanbieder of de hoofddienstaanbieder;]21
2° gegarandeerde betaalmiddel : het betaalmiddel waarmee de [21 dienstaanbieder, vermeld in artikel 1.1.0.0.2, eerste lid, 7° /1, of de hoofddienstaanbieder, vermeld in artikel 5, tweede lid, van het decreet Kilometerheffing]21 de kilometerheffing en, in voorkomend geval, de aan de houder van het voertuig gefactureerde inningskosten op het eerste verzoek [21 kunnen]21 innen, zonder verdere toelating van de [21 gebruiker]21 en zonder dat die de betaling die met het betaalmiddel is verricht, kan annuleren;
3° kilometer : elke kilometer, afgerond op het hogere of lagere duizendste, naargelang het cijfer van de tienduizendsten al of niet vijf bereikt;
4° niet-geconcedeerde weg : de weg of het gedeelte van de weg waarvan het beheer niet in concessie is gegeven;
[21 4° /1° vervoer over de weg van goederen: het vervoer van elk goed dat op een voertuig kan worden geladen of afgeladen, met inbegrip van het vervoer van werktuigen en gereedschapsmachines en van werktuigvoertuigen, alsook het vervoer van elk goed door die werktuigen, gereedschapsmachines en werktuigvoertuigen, als ze worden gebruikt op een niet-geconcedeerde weg;]21
5° Viapass : het publiekrechtelijk vormgegeven interregionaal samenwerkingsverband in de vorm van een gemeenschappelijke instelling als vermeld in artikel 92bis, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, vermeld in artikel 18 van het samenwerkingsakkoord van 31 januari 2014 tussen het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de invoering van de kilometerheffing op het grondgebied van de drie gewesten en tot oprichting van een publiekrechtelijk vormgegeven Interregionaal Samenwerkingsverband Viapass onder de vorm van een gemeenschappelijke instelling zoals bedoeld in artikel 92bis, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen;
6° voertuig : een motorvoertuig of een samenstel van voertuigen, bedoeld of gebruikt, al dan niet uitsluitend, voor het vervoer over de weg van goederen, waarvan het maximaal toegestane totaalgewicht meer dan 3,5 ton bedraagt;
7° weg : de landwegen en de aanhorigheden ervan.]2
In titel 2, hoofdstuk 7 en hoofdstuk 8, wordt verstaan onder :
1° beurswaarde : de slotkoers van een financieel instrument, zoals die als koersinformatie beschikbaar is in de gespecialiseerde pers of in gespecialiseerde elektronisch raadpleegbare bronnen;
[8 1° /1 bouwgrond: een perceel grond dat stedenbouwkundig bestemd is tot woningbouw of een onroerend goed dat ermee wordt gelijkgesteld. Het geheel of het gedeelte van een gebouw dat, pas na de uitvoering van andere werken dan normale herstellings- of onderhoudswerken, kan dienen tot huisvesting van een gezin of een persoon, met in voorkomend geval de aanhorigheden die tegelijk met het gebouw worden verkregen, wordt met een bouwgrond gelijkgesteld;]8
2° gehandicapt kind : [12 een kind met een specifieke ondersteuningsbehoefte als vermeld in artikel 3, § 1, 39°, van het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid]12 [15 of een kind dat door de gezinsbijslagregelgeving van andere gefedereerde deelentiteiten beschouwd wordt als een kind met een handicap, een kind met een beperking of een kind dat op basis van de zelfredzaamheidsgraad of de ernst van de gevolgen van de aandoening recht heeft op een toeslag van de basiskinderbijslag of een kind dat voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 47, artikel 56septies of artikel 63 van de Algemene Kinderbijslagwet, en de koninklijke besluiten, genomen ter uitvoering van die bepalingen]15;
3° [17 persoon met een handicap]17 : de als gehandicapt aangemerkte personen, vermeld in artikel 135, eerste lid, 1°, van het federale WIB 92;
4° partner :
a) de persoon die op dag van het openvallen van de nalatenschap met de erflater of op de dag van de schenking met de schenker gehuwd is;
b) de persoon die op de dag van het openvallen van de nalatenschap met de erflater of op de dag van de schenking met de schenker wettelijk samenwoont, overeenkomstig de bepalingen van boek III, titel Vbis, van het Burgerlijk Wetboek;
c) de personen die op de dag van het openvallen van de nalatenschap of op de dag van de schenking ten minste één jaar ononderbroken met de erflater of de schenker samenwonen en met de erflater of de schenker een gemeenschappelijke huishouding voeren. Artikel 2.7.4.1.1, § 2, derde lid, artikel 2.7.4.2.2 en artikel 2.8.6.0.3 zijn echter alleen van toepassing voor de personen die op de dag van het openvallen van de nalatenschap of op de dag van de schenking ten minste drie jaar ononderbroken met de erflater of de schenker samenwonen en met de erflater of de schenker een gemeenschappelijke huishouding voeren. Deze voorwaarden worden geacht ook vervuld te zijn als het samenwonen en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding met de erflater of de schenker, aansluitend op de bedoelde periode van één of drie jaar tot op de dag van het overlijden, ingevolge overmacht onmogelijk is geworden. Een inschrijving in het bevolkingsregister houdt een weerlegbaar vermoeden in van ononderbroken samenwoning en van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding;
5° verkrijging in rechte lijn :
a) een verkrijging tussen personen die de ene van de andere afstammen, overeenkomstig [20 artikel 4.11, § 1,]20 van het Burgerlijk Wetboek, of tussen personen die ingevolge volle adoptie overeenkomstig artikel 356-1 van het Burgerlijk Wetboek een statuut met dezelfde rechten en verplichtingen hebben;
b) een verkrijging tussen een persoon en het kind van zijn partner, ongeacht of de verkrijging plaatsvindt voor of na het overlijden van de partner. Als de verkrijging plaatsvindt na het overlijden van de partner, moet die laatste zijn hoedanigheid van partner ten aanzien van de eerst vermelde persoon nog hebben op de datum van zijn overlijden;
c) een verkrijging tussen personen tussen wie een relatie van zorgouder en zorgkind bestaat of heeft bestaan. Er is sprake van een zorgrelatie als iemand vóór de leeftijd van eenentwintig jaar gedurende drie achtereenvolgende jaren bij een andere persoon heeft ingewoond en gedurende die tijd hoofdzakelijk van die andere persoon, of van de andere persoon en zijn partner samen, de hulp en verzorging heeft gekregen die kinderen normaal van hun ouders krijgen. De inschrijving van het zorgkind in het bevolkings- of het vreemdelingenregister op het adres van de zorgouder geldt als weerlegbaar vermoeden van inwoning bij de zorgouder;
d) [3 een verkrijging door een persoon die met de overledene of de schenker een verwantschapsband had of heeft die voortkomt uit gewone adoptie, maar uitsluitend als daarvoor de nodige bewijsstukken worden aangebracht en als :
1) het adoptiekind een kind is van de partner van de adoptant;
2) het adoptiekind op het ogenblik van de adoptie onder de voogdij was van de openbare onderstand of van een Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn of van een vergelijkbare instelling binnen de Europese Economische Ruimte, of wees was van een voor het vaderland gestorven vader of moeder;
3) het adoptiekind, vóór de leeftijd van eenentwintig jaar, gedurende drie achtereenvolgende jaren hoofdzakelijk van de adoptant, of van de adoptant en zijn partner samen, de hulp en verzorging heeft gekregen die kinderen normaal van hun ouders krijgen;
4) het kind geadopteerd is door een persoon van wie al de afstammelingen voor het vaderland gestorven zijn;]3
e) een verkrijging tussen ex-partners als er gemeenschappelijke afstammelingen zijn.
De definitie van kinderen, vermeld in het eerste lid, 12°, en de definitie van vennootschappen, vermeld in het eerste lid, 21°, gelden niet voor de toepassing van hoofdstuk 7 en hoofdstuk 8 van titel 2.
In titel 2, hoofdstuk 7, wordt verstaan onder :
1° aanvullende rechten : de erfbelasting, geheven omdat de voorwaarden voor een verlaagd tarief, een vermindering of een vrijstelling niet vervuld zijn, of wegens de toepassing van artikel 3.3.1.0.6, artikel 3.17.0.0.2, of van artikel 2.7.7.0.1 in geval van een onjuiste of onvolledige aangifte of een aangifte die niet binnen de termijn is ingediend;
2° gezinswoning : de gezamenlijke hoofdverblijfplaats van de erflater en zijn langstlevende partner. Een uittreksel uit het bevolkingsregister houdt een weerlegbaar vermoeden in van de samenwoning. Als aan de samenwoning een einde is gekomen door een feitelijke scheiding van de partners, door een geval van overmacht dat tot op het ogenblik van het overlijden heeft voortgeduurd, of door de verplaatsing van de hoofdverblijfplaats van een van de partners of van beide partners naar een rust- en verzorgingsinstelling of een assistentiewoning, wordt de laatste gezamenlijke hoofdverblijfplaats van de erflater en zijn langstlevende partner als gezinswoning aangemerkt. [3 De aanhorigheden, vermeld in het twaalfde lid, 2°, worden in voorkomend geval geacht deel uit te maken van de gezinswoning.]3
In titel 2, hoofdstuk 8 tot en met 11, wordt verstaan onder :
1° registratie : de formaliteit, bepaald overeenkomstig artikel 1 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten;
2° aanvullende rechten : de registratiebelasting, berekend en geheven ter aanvulling van de registratiebelasting die is berekend en geheven op zicht van de ter registratie aangeboden akte of het ter registratie aangeboden geschrift of wegens de toepassing van artikel 3.17.0.0.2.
In titel 2, hoofdstuk 8 tot en met 11, worden lichamelijke roerende voorwerpen, aangewend tot de dienst en de exploitatie van onroerende goederen, niet beschouwd als onroerende goederen.
In titel 2, hoofdstuk 8, wordt de schenkbelasting, vermeld in het eerste lid, 19°, ook voor de volgende schenkingen geacht gelokaliseerd te zijn in het Vlaamse Gewest :
1° de schenking van roerende of onroerende goederen gedaan door een rijksinwoner-rechtspersoon als de schenker-rijksinwoner op het ogenblik van de schenking zijn zetel van werkelijke leiding in het Vlaamse Gewest had gevestigd of, als de zetel van werkelijke leiding van de schenker-rijksinwoner in de periode van vijf jaar voor de schenking in meer dan één gewest gevestigd was, als de schenker-rijksinwoner in de periode van vijf jaar voor de schenking zijn zetel van werkelijke leiding het langst in het Vlaamse Gewest had gevestigd;
2° de schenking door een niet-rijksinwoner-rechtspersoon van een in het in het Vlaamse Gewest gelegen onroerend goed;
3° de schenking van roerende goederen door een niet-rijksinwoner natuurlijke persoon of een rechtspersoon aan een rijksinwoner als de begiftigde-rijksinwoner op het ogenblik van de schenking zijn fiscale woonplaats of zetel van werkelijke leiding in het Vlaamse Gewest had gevestigd of, als de fiscale woonplaats of zetel van werkelijke leiding van de begiftigde-rijksinwoner in de periode van vijf jaar voor de schenking in meer dan één gewest gevestigd was, als de begiftigde-rijksinwoner in de periode van vijf jaar voor de schenking zijn fiscale woonplaats of zetel van werkelijke leiding het langst in het Vlaamse Gewest had gevestigd;
4° de schenking van roerende goederen door een niet-rijksinwoner natuurlijke persoon of een rechtspersoon aan een niet-rijksinwoner natuurlijke persoon of een rechtspersoon als de schenking ter registratie wordt aangeboden in het Vlaamse Gewest.
In titel 2, hoofdstuk 9, wordt in afwijking van het eerste lid verstaan onder :
1° [16 ...]16
2° aanhorigheid : elk gebouwd of ongebouwd onroerend goed dat volgens de aard, de ligging, de oppervlakte en de waarde ervan een normale bijhorigheid vormt, al naargelang het geval, hetzij van het huis of de verdieping of het gedeelte van verdieping, hetzij van een op te richten woning;
3° [16 ...]16
4° [16 ...]16
5° [16 onbebouwd landgoed: het onroerend goed dat bestaat uit een of meer gronden die voor het landbouwbedrijf gebruikt worden of bestemd zijn, met uitsluiting van gebouwen en de grond waarop deze gebouwen zich bevinden;]16
6° woning : het huis of het geheel of het gedeelte van een verdieping van een gebouw dat hetzij dadelijk, hetzij na normale herstellings- of onderhoudswerken [9 hoofdzakelijk dient of zal dienen tot huisvesting van één gezin of een persoon]9, met in voorkomend geval de aanhorigheden die tegelijk met het huis, het geheel of het gedeelte van een verdieping worden verkregen;]1
[3 7° bouwgrond : een perceel grond dat stedenbouwkundig bestemd is tot woningbouw of een onroerend goed dat ermee wordt gelijkgesteld. Het geheel of het gedeelte van een gebouw dat, pas na de uitvoering van andere werken dan normale herstellings- of onderhoudswerken, kan dienen tot huisvesting van een gezin of een persoon, met in voorkomend geval de aanhorigheden die tegelijk met het gebouw worden verkregen, wordt met een bouwgrond gelijkgesteld.]3
[9 8° kernsteden: de gemeenten Aalst, Antwerpen, Boom, Brugge, Dendermonde, Genk, Gent, Hasselt, Kortrijk, Leuven, Mechelen, Oostende, Roeselare, Sint-Niklaas, Turnhout en Vilvoorde;]9
[9 9° gemeenten van de Vlaamse Rand rond Brussel: de gemeenten Affligem, Asse, Beersel, Bertem, Bever, Dilbeek, Drogenbos, Galmaarden, Gooik, Grimbergen, Halle, Herne, Hoeilaart, Huldenberg, Kampenhout, Kapelle-op-den-Bos, Kortenberg, Kraainem, Lennik, Liedekerke, Linkebeek, Londerzeel, Machelen, Meise, Merchtem, Opwijk, Overijse, Pepingen, Roosdaal, Sint-Genesius-Rode, Sint-Pieters-Leeuw, Steenokkerzeel, Ternat, Tervuren Vilvoorde, Wemmel, Wezembeek-Oppem, Zaventem en Zemst.]9
[11 In titel 2, hoofdstuk 12 en hoofdstuk 13, en in titel 3, wordt verstaan onder Kansspelwet van 7 mei 1999: de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers.
In titel 2, hoofdstuk 13, en in titel 3, wordt, overeenkomstig artikel 76 van het federale Wetboek van 23 november 1965 van de met Inkomstenbelastingen Gelijkgestelde Belastingen, verstaan onder automatisch ontspanningstoestel: een toestel dat dient tot ontspanning en een mechanisch, elektrisch of elektronisch onderdeel bevat om het op gang te brengen, te laten werken of te bedienen, en dat gestart wordt door de inbreng van een geldstuk, van een penning of van een ander middel dat daarvoor in de plaats komt.]11
Art. 1.1.0.0.2. [1 Dans le présent code, il y a lieu d'entendre par :
1° impôts et accessoires : les impôts en principal auxquels le présent Code s'applique, y compris les centimes additionnels ou le décime additionnel, les intérêts, les amendes administratives, les augmentations des impôts et les frais de poursuite ou d'exécution, les indemnités de procédure, frais judiciaires et frais de signification ;
[18 1° /0 véhicule zéro émission : un véhicule qui satisfait aux conditions telles que visées à l'article 3, point 11, du règlement (UE) 2019/1242 du Parlement européen et du Conseil du 20 juin 2019 établissant des normes de performance en matière d'émissions de CO2 pour les véhicules utilitaires lourds neufs et modifiant les règlements (CE) n° 595/2009 et (UE) 2018/956 du Parlement européen et du Conseil et la directive 96/53/CE du Conseil.]18
[11 1°/1 taxe sur les appareils automatiques de divertissement : la taxe qui est prélevée conformément à la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des communautés et des régions et conformément aux dispositions du titre 2, chapitre 13, du présent Code;]11
[11 1°/2 taxe sur les jeux et paris : la taxe qui est prélevée conformément à la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des communautés et des régions et conformément aux dispositions du titre 2, chapitre 12, du présent Code;]11
2° taxe de mise en circulation : la taxe qui est prélevée conformément à la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des communautés et des régions et conformément aux dispositions du titre 2, chapitre 3, du présent Code ;
3° contribuable : toute personne physique ou morale dans le chef de laquelle un impôt est prélevé ;
4° redevable : toute personne physique ou morale qui, en application du présent Code ou du droit commun, est tenue de payer un impôt ;
5° membre du personnel compétent : le membre du personnel de l'administration flamande qui est désigné conformément aux arrêtés du Gouvernement flamand, et qui est chargé de l'exécution des dispositions du présent Code ;
[2 5° /1 décret sur le prélèvement kilométrique : décret du 3 juillet 2015 introduisant le prélèvement kilométrique et annulant le prélèvement de l'Eurovignette et modifiant le Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013 en la matière ;]2
6° décret du 19 avril 1995 : le décret du 19 avril 1995 portant des mesures visant à lutter contre et à prévenir la désaffectation et l'abandon de sites d'activité économique ;
7° [14 ...]14
[2 7° /1 [20 prestataire de services : toute entité juridique accréditée par le percepteur de péage, visé à l'article 4, alinéa 2, 2°, du décret sur le prélèvement kilométrique, pour offrir, dans son secteur à péage, visé à l'article 4, § 2, alinéa 3, 1°, du décret sur le prélèvement kilométrique, un service de recouvrement du prélèvement kilométrique auprès des utilisateurs et de versement à l'égard du percepteur de péage, sur la base de données enregistrées ou obtenues par l'équipement embarqué ;]20
7° /2 contrat de prestation de services : le contrat entre le détenteur d'un véhicule et un [20 prestataire de services de son choix ou prestataire de services principal]20, qui doit être conclu pour ce véhicule préalablement à l'utilisation d'une route quelconque ;
7° /3 [20 équipement embarqué : tout composant matériel ou logiciel installé ou transporté à bord d'un véhicule et utilisé dans le cadre du service de péage afin de recueillir, stocker, traiter et recevoir ou transmettre des données à distance ;]20]2
8° [10 entité de l'administration flamande : une agence autonomisée interne ou externe ou un département ;]10
9° impôt de succession : terme générique pour les droits de succession et les droits de mutation ;
10° [2 Eurovignette : la taxe prélevée jusqu'à l'entrée en vigueur du décret du 3 juillet 2015 introduisant le prélèvement kilométrique et annulant le prélèvement de l'Eurovignette et modifiant le Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013 en la matière, conformément à la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions et conformément aux anciennes dispositions du titre 2, chapitre 4 de ce code ;]2
[6 10° /1 taxe sur les habitations inadaptées ou insalubres : la taxe prélevée conformément aux dispositions du titre 2, chapitre 5, du présent Code ;]6
11° revenu cadastral : le revenu, fixé conformément au titre IX du CIR 92 fédéral et indexé conformément à l'article 518 du CIR 92 fédéral ;
[2 11° /1 prélèvement kilométrique : la taxe qui est prélevée conformément aux dispositions du titre 2, chapitre 4, du présent Code ;]2
12° enfants : les descendants du contribuable et de son conjoint/sa conjointe ou de son cohabitant légal/sa cohabitante légale, ainsi que les enfants qu'il/qu'elle a totalement ou partiellement à charge ;
13° taxe sur les sites d'activité économique désaffectés : la taxe qui est prélevée conformément aux dispositions du titre 2, chapitre 6, du présent Code ;
14° précompte immobilier : l'impôt qui est prélevé conformément à la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des communautés et des régions et conformément aux dispositions du titre 2, chapitre 1er, du présent Code ;
15° droits sur la constitution d'une hypothèque : l'impôt qui, sous la dénomination " droits d'enregistrement sur la constitution d'une hypothèque sur un bien immeuble situé en Belgique ", est prélevé conformément à la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des communautés et des régions et conformément aux dispositions du titre 2, chapitre 11, du présent Code ;
16° droits de mutation : l'impôt qui, sous la dénomination " droits de mutation par décès des non-habitants du Royaume ", est prélevé conformément à la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des communautés et des régions et conformément aux dispositions du titre 2, chapitre 7, du présent Code ;
17° taxe d'enregistrement : terme générique pour les droits de donation, les droits de vente, les droits de partage et les droits sur la constitution d'hypothèque ;
18° habitant du Royaume : la personne physique qui selon le cas au moment de son décès ou au moment de la donation a établi à l'intérieur du Royaume son domicile ou le siège de sa fortune, ou la personne morale qui au moment de la donation a établi à l'intérieur du Royaume le siège de sa direction effective ;
[8 18° /1 taxateur-expert : personne physique effectuant des estimations et taxations de biens immobiliers à titre professionnel et disposant à cette fin de la qualification professionnelle visée à l'article 3.3.1.0.9/1, § 2, 2° ;]8
19° droits de donation : l'impôt qui, sous la dénomination " droits d'enregistrement sur les donations entre vifs de biens meubles ou immeubles ", est prélevé conformément à la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des communautés et des régions et conformément aux dispositions du titre 2, chapitre 8, du présent Code ;
20° droits de succession : l'impôt qui, sous la dénomination `droits de succession des habitants du Royaume', est prélevé conformément à la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des communautés et des régions et conformément aux dispositions du titre 2, chapitre 7, du présent Code ;
21° sociétés : toute société, association ou institution créée de manière régulière, possédant la personnalité morale et exploitant une entreprise ou réalisant des opérations de nature lucrative. Les organismes dotés de la personnalité morale créés de droit belge et qui, pour l'application des impôts sur le revenu, sont censés ne pas posséder de personnalité morale, ne sont pas considérés comme des sociétés ;
22° droits de partage : l'impôt qui, sous la dénomination " droits d'enregistrement sur les partages partiels ou totaux de biens immeubles situés en Belgique, les cessions à titre onéreux, entre copropriétaires, de parties indivises de tels biens, et les conversions prévues aux [19 articles 4.61 et 4.62 ]19 du Code civil, même s'il n'y a pas indivision ", est prélevé conformément à la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des communautés et des régions et conformément aux dispositions du titre 2, chapitre 10, du présent Code ;
23° taxe de circulation : la taxe qui est prélevée conformément à la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des communautés et des régions et conformément aux dispositions du titre 2, chapitre 2, du présent Code ;
24° droits de vente : l'impôt qui, sous la dénomination " droits d'enregistrement sur les transmissions à titre onéreux de biens immeubles situés en Belgique, à l'exclusion des transmissions résultant d'un apport dans une société, sauf dans la mesure où il s'agit d'un apport, fait par une personne physique, dans une société belge, d'une habitation ", est prélevé conformément à la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des communautés et des régions et conformément aux dispositions du titre 2, chapitre 2, du présent Code ;
25° [6 ...]6 ;
26° CIR 92 : le Code des Impôts sur les Revenus 1992 ;
27° Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe : le Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe du 30 novembre 1939 ;
28° Code des droits de succession : le Code des droits de succession du 31 mars 1936.
Dans le titre 2, chapitre 1er, on entend par :
1° personne handicapée : les personnes considérées comme handicapées, visées à l'article 135, alinéa premier, 1°, du CIR 92 fédéral ;
2° enfant handicapé : [12 l'enfant ayant un besoin de soutien spécifique tel que visé à l'article 3, § 1er, 39°, du décret du 27 avril 2018 réglant les allocations dans le cadre de la politique familiale]12 [15 ou l'enfant qui est considéré par la réglementation en matière d'allocations familiales d'autres entités fédérées comme un enfant handicapé, un enfant présentant une déficience ou un enfant qui, sur la base du degré d'autonomie ou de la gravité des conséquences de l'affection, a droit à un supplément des allocations familiales de base, ou l'enfant qui répond aux conditions visées à l'article 47, l'article 56septies ou l'article 63 de la Loi générale relative aux allocations familiales et des arrêtés royaux pris en exécution de ces dispositions]15 ;
3° travailleur frontalier : la personne qui travaille dans la région frontalière d'un pays voisin et qui, selon le registre de la population, le 1er janvier de l'année d'imposition, a son domicile dans la région frontalière de la Belgique, où elle retourne généralement quotidiennement ou au moins une fois par semaine.
Dans le titre 2, chapitre 2, on entend par :
1° véhicules à vapeur ou à moteur : les véhicules à moteur, décrits dans la réglementation sur l'immatriculation de véhicules à moteur et des remorques, les bateaux et embarcations à vapeur ou à moteur et, en général, tous les moyens de transport à vapeur ou à moteur de locomotion, ainsi que leurs remorques et semi-remorques ;
2° camionnette : par dérogation au point 1°, chaque voiture, conçue et construite pour le transport de marchandises dont [8 le poids total en charge autorisé]8 n'excède pas les 3.500 kg et qui :
a) [17 se compose d'une cabine unique complètement séparée de l'espace de chargement comportant deux places au maximum, celle du conducteur non comprise, et d'un plateau de chargement ouvert. Si le véhicule est inscrit au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière après le 31 décembre 2022, le véhicule est immatriculé soit au nom d'une personne morale, soit au nom d'une personne physique telle que visée à l'article I.1, alinéa 1er, 1°, (a), du Code de droit économique et inscrit à la Banque-Carrefour des Entreprises conformément à l'article III.17 du Code précité. La condition précitée selon laquelle le véhicule doit être immatriculé soit au nom d'une personne morale, soit au nom d'une personne physique avec un numéro d'entreprise, ne s'applique qu'aux véhicules de personnes physiques et de personnes morales autres que les sociétés, les entreprises publiques autonomes et les associations sans but lucratif, exerçant des activités de leasing ;]17
b) [17 comprend une cabine double comportant six places au maximum, celle du conducteur non comprise, complètement séparée de l'espace de chargement, et un plateau de chargement ouvert. Si le véhicule est inscrit au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière après le 31 décembre 2022, le véhicule est immatriculé soit au nom d'une personne morale, soit au nom d'une personne physique telle que visée à l'article I.1, alinéa 1er, 1°, (a), du Code de droit économique et inscrit à la Banque-Carrefour des Entreprises conformément à l'article III.17 du Code précité. La condition précitée selon laquelle le véhicule doit être immatriculé soit au nom d'une personne morale, soit au nom d'une personne physique avec un numéro d'entreprise, ne s'applique qu'aux véhicules de personnes physiques et de personnes morales autres que les sociétés, les entreprises publiques autonomes et les associations sans but lucratif, exerçant des activités de leasing ;]17
c) comprend simultanément un espace réservé aux passagers comportant deux places au maximum, celle du conducteur non comprise, et un espace de chargement séparé dont la distance entre chaque point de la cloison de séparation derrière la rangée de sièges et le bord arrière intérieur de l'espace de chargement, mesurée dans l'axe longitudinal du véhicule, à une hauteur de 20 cm au-dessus du plancher, atteint toujours au moins 50 % de la longueur de l'empattement. En outre, l'espace de chargement doit être pourvu sur toute sa surface d'un plancher horizontal fixe ou y fixé de manière durable, sans points d'attache pour des banquettes, des sièges ou des ceintures de sécurité complémentaires, faisant partie intégrante de la carrosserie ;
d) comprend simultanément un espace réservé aux passagers comportant six places au maximum, celle du conducteur non comprise, et un espace de chargement complètement séparé dont la distance entre chaque point de la cloison de séparation derrière la dernière rangée de sièges et le bord arrière intérieur de l'espace de chargement, mesurée dans l'axe longitudinal du véhicule, à une hauteur de 20 cm au-dessus du plancher, atteint toujours au moins 50 % de la longueur de l'empattement. En outre, l'espace de chargement doit être pourvu sur toute sa surface d'un plancher horizontal fixe ou y fixé de manière durable, sans points d'attache pour des banquettes, des sièges ou des ceintures de sécurité complémentaires, faisant partie intégrante de la carrosserie.
Lorsque le véhicule, indiqué comme camionnette dans la réglementation, visée au point 1°, ne répond pas à un des types de véhicule, visés aux points a) à d) inclus, il est, en fonction de sa construction, considéré comme une voiture particulière, une voiture mixte ou un minibus ;
3° usage professionnel : l'usage d'un véhicule en vue de l'exercice direct d'une activité rémunérée ou ayant un but lucratif ;
4° usage privé : tout usage autre que professionnel ;
5° résidence habituelle : le lieu où une personne demeure habituellement, c'est-à-dire pendant au moins 185 jours par année civile, en raison d'attaches personnelles et professionnelles ou, dans le cas de personnes sans attaches professionnelles, en raison d'attaches personnelles, révélant des liens étroits entre elle-même et l'endroit où elle habite.
La résidence habituelle d'une personne dont les attaches professionnelles sont situées dans un lieu différent de celui de ses attaches personnelles et qui, de ce fait, est amenée à résider alternativement dans des lieux différents situés dans deux Etats ou plus, est cependant censée se situer au lieu de ses attaches personnelles, à condition qu'elle y retourne régulièrement. Cette dernière condition échoit lorsque la personne réside dans un Etat pour une mission d'une durée déterminée. Le fait d'assister à des cours ou la fréquentation d'une école n'implique pas le transfert de la résidence habituelle.
[4 6° euronorme : le seuil maximum pour la concentration de certains polluants dans les gaz d'échappement des véhicules à moteur, fixés dans des directives et règlements européen successifs ;
7° véhicules routiers : les voitures particulières, voitures mixtes et minibus, tels que ces véhicules sont décrits dans la réglementation sur l'immatriculation des véhicules à moteur et des remorques et tels qu'ils sont entendus au sens de la dernière phrase du point 2°, pour autant que ces véhicules sont munis ou doivent être munis d'une plaque d'immatriculation, autre qu'une plaque d'essai, de marchand [13 , professionnelle, nationale ]13 ou temporaire qui n'est pas une plaque d'immatriculation internationale, délivrée dans le cadre de la réglementation visée;]4
[7 8° société : par dérogation à l'alinéa 1er, 21°, une société telle que visée [16 au Code des sociétés et des associations]16.]7
Dans le titre 2, chapitre 3, on entend par :
1° véhicules routiers : les voitures particulières, voitures mixtes, minibus et motocyclettes, tels que ces véhicules sont décrits dans la réglementation sur l'immatriculation des véhicules à moteur et des remorques et tels qu'ils sont entendus au sens de la dernière phrase du point 2° de l'alinéa précédent, pour autant que ces véhicules sont munis ou doivent être munis d'une plaque d'immatriculation, autre qu'une plaque " essai ", " marchand " ou temporaire qui n'est pas une plaque d'immatriculation internationale, délivrée dans le cadre de la réglementation visée ;
2° aéronefs : les avions, hydravions, hélicoptères, planeurs, ballons sphériques ou dirigeables et autres aéronefs, qu'ils soient plus lourds ou plus légers que l'air, avec ou sans moteur, lorsqu'ils sont ou doivent être immatriculés ;
3° bateaux : les yachts et de plaisance d'une longueur supérieure à 7,50 mètres, lorsqu'une lettre de pavillon est ou doit être délivrée pour ceux-ci;
[5 4° euronorme : le seuil maximum pour la concentration de certains polluants dans les gaz d'échappement des véhicules à moteur, fixés dans des directives et règlements européen successifs;]5
[7 5° société : par dérogation à l'alinéa 1er, 21°, une société telle que visée [16 au Code des sociétés et des associations]16.]7
[2 Au titre 2, chapitre 4, on entend par :
1° [20 classe d'émission euro : la classe définie sur la base des valeurs limites d'émission, visées à l'annexe 0 de la directive 1999/62/CE du Parlement européen et du Conseil du 17 juin 1999 relative à la taxation des véhicules pour l'utilisation de l'infrastructure routière, avec l'ajout de la classe " moins polluant qu'Euro VI, y compris les véhicules à émission nulle]20 ;
[20 1° /1 usager : le détenteur du véhicule qui a conclu un contrat de prestation de services avec un prestataire de services ou le prestataire de services principal ;]20
2° moyen de paiement garanti : moyens de paiement par lesquels le [20 prestataire de services, visé à l'article 1.1.0.0.2, alinéa 1er, 7° /1, ou le prestataire de services principal, visé à l'article 5, alinéa 2, du décret sur le prélèvement kilométrique]20, [20 peuvent]20 percevoir, à première demande, le prélèvement kilométrique et, le cas échéant, les frais de perception facturés au détenteur du véhicule, sans autre autorisation du [20 usager]20 et sans que celui-ci ne puisse annuler le paiement qui a été effectué avec le moyen de paiement :
3° kilomètre : tout kilomètre, arrondi au millième supérieur ou inférieur selon que le chiffre des dix millièmes atteint ou non cinq ;
4° route non concédée : la route ou la partie de la route dont la gestion n'est donnée en concession ;
[20 4° /1° transport par route de marchandises : le transport de tout bien pouvant être chargé sur et déchargé d'un véhicule, y compris le transport d'outils, de machines-outils et de véhicules-outils, ainsi que le transport de tout bien par ces outils, machines-outils et véhicules-outils, quand ils sont utilisés sur une route non concédée ;]20
5° Viapass : le partenariat interrégional de droit public sous la forme d'une institution commune, telle que visée à l'article 92bis, § 1er de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, visée à l'article 18 de l'accord de coopération du 31 janvier 2014 entre la Région flamande, la Région wallonne et la Région de Bruxelles-Capitale relatif à l'introduction du système de prélèvement kilométrique sur le territoire des trois Régions et à la constitution d'un Partenariat interrégional de droit public Viapass sous forme d'une institution commune telle que visée à l'article 92bis, § 1er, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles ;
6° véhicule : un véhicule à moteur ou un ensemble de véhicules articulés prévu ou utilisé, soit partiellement, soit exclusivement, pour le transport par route de marchandises, et dont la masse maximale autorisée est de plus de 3,5 tonnes ;
7° route : les routes et leurs dépendances.]2
Dans le titre 2, chapitre 7 et chapitre 8, on entend par :
1° valeur boursière : le cours de clôture d'un instrument financier, suivant les informations des cours disponibles dans la presse écrite spécialisée ou les sources numériques consultables spécialisées ;
[8 1° /1 terrain à bâtir : une parcelle de terrain destinée à la construction d'habitations selon les prescriptions d'urbanisme ou un bien immeuble assimilé. L'ensemble ou la partie du bâtiment qui n'est propre au logement d'une famille ou d'une personne isolée qu'après exécution de travaux autres que les travaux normaux de réparation ou d'entretien, est assimilé, le cas échéant avec les dépendances acquises en même temps que le bâtiment, à un terrain à bâtir ;]8
2° enfant handicapé : [12 l'enfant ayant un besoin de soutien spécifique tel que visé à l'article 3, § 1er, 39°, du décret du 27 avril 2018 réglant les allocations dans le cadre de la politique familiale]12 [15 ou l'enfant qui est considéré par la réglementation en matière d'allocations familiales d'autres entités fédérées comme un enfant handicapé, un enfant présentant une déficience ou un enfant qui, sur la base du degré d'autonomie ou de la gravité des conséquences de l'affection, a droit à un supplément des allocations familiales de base, ou l'enfant qui répond aux conditions visées à l'article 47, l'article 56septies ou l'article 63 de la Loi générale relative aux allocations familiales et des arrêtés royaux pris en exécution de ces dispositions]15 ;
3° personne handicapée : les personnes considérées comme handicapées, visées à l'article 135, alinéa premier, 1°, du CIR 92 fédéral ;
4° partenaire :
a) la personne qui, à la date de l'ouverture de la succession, était mariée avec le défunt ou qui à la date de la donation est mariée avec le donateur ;
b) la personne qui, à la date de l'ouverture de la succession, vivait ensemble avec le défunt ou qui à la date de la donation vivait ensemble avec le donateur conformément aux dispositions du livre III, titre Vbis du Code civil ;
c) les personnes qui, à la date d'ouverture d'une succession, ou à la date de la donation, vivaient ensemble avec le défunt, ou avec le donateur sans interruption depuis au moins un an et tenaient un ménage commun avec le défunt, ou avec le donateur. L'article 2.7.4.1.1, § 2, troisième alinéa, l'article 2.7.4.2.2 et l'article 2.8.6.0.3 ne sont toutefois applicables qu'aux personnes qui vivaient avec le défunt ou le donateur sans interruption depuis au moins trois ans à la date d'ouverture de la succession ou à la date de la donation et qui formaient un ménage avec le défunt ou le donateur. Ces conditions sont censées être remplies également si la cohabitation et la vie en ménage commun avec le défunt ou avec le donateur consécutivement à la période susvisée de trois ans jusqu'au jour du décès, sont devenues impossible par force majeure. Un extrait du registre de la population constitue une présomption réfutable de cohabitation ininterrompue et de vie en ménage commun ;
5° acquisition en ligne directe :
a) une acquisition entre personnes qui descendent l'une de l'autre, conformément à l'[19 article 4.11, § 1er ]19 du Code civil, ou entre personnes qui, suite à une adoption plénière conformément à l'article 356-1 du Code civil bénéficient d'un statut avec les mêmes droits et obligations ;
b) une acquisition entre une personne et l'enfant de son partenaire, et ce que l'acquisition ait lieu avant ou après le décès du partenaire. Si l'acquisition a lieu après le décès du partenaire, ce dernier doit encore avoir sa qualité de partenaire vis-à-vis de la première personne citée à la date de son décès ;
c) une acquisition entre des personnes ayant ou ayant eu une relation de parent et d'enfant non biologique. Une telle relation est censée exister ou avoir existé lorsque quelqu'un; avant l'âge de vingt et un ans, a cohabité pendant trois années consécutives avec une autre personne, et a reçu principalement de cette personne ou de cette personne et de son partenaire les secours et les soins que les enfants reçoivent normalement de leurs parents. L'inscription de l'enfant non biologique dans le registre de la population ou des étrangers, à l'adresse du parent non biologique constitue une présomption réfutable de cohabitation avec le parent non biologique ;
d) [3 une acquisition par une personne ayant avec le défunt ou le donateur un lien de parenté suite à une adoption simple mais exclusivement moyennant la présentation des justifications nécessaires et si :
1) l'enfant adoptif est un enfant du partenaire de l'adoptant ;
2) lorsque, au moment de l'adoption, l'enfant adoptif était sous la tutelle de l'assistance publique ou d'un Centre Public d'Aide Sociale, ou d'une institution comparable établie dans l'Espace économique européen, ou était orphelin d'un père ou d'une mère mort(e) pour la patrie ;
3) lorsque l'enfant adoptif a, avant d'avoir atteint l'âge de vingt-et-un ans et pendant 3 années consécutives, reçu essentiellement de l'adoptant ou de l'adoptant et de son conjoint, les secours et les soins que les enfants reçoivent normalement de leurs parents ;
4) lorsque l'enfant est adopté par une personne dont tous les descendants sont morts pour la patrie ;]3
e) une acquisition entre ex-partenaires s'il y a des descendants communs.
La définition d'enfants figurant au premier alinéa, 12°, et la définition de sociétés, figurant au premier alinéa, 21°, ne sont pas valables pour l'application du chapitre 7 et du chapitre 8 du titre 2.
Dans le titre 2, chapitre 7, on entend par :
1° droits complémentaires : les droits de succession prélevés parce que les conditions d'un taux réduit, d'une réduction ou d'une exonération ne sont pas remplies ou en application de l'article 3.3.1.0.6, de l'article 3.17.0.0.2, ou de l'article 2.7.7.0.1 en cas de déclaration incorrecte ou incomplète ou de déclaration qui n'a pas été rendue dans les délais ;
2° logement familial : le lieu de séjour commun du de cujus et de son partenaire survivant. Un extrait du registre de la population constitue une présomption réfutable de la cohabitation. S'il est mis fin à la cohabitation soit par la séparation de fait des partenaires, soit par un cas de force majeure qui a perduré jusqu'au moment du décès, soit par le transfert de la résidence principale d'un ou des deux intéressés à une maison de repos ou de soins, ou une résidence-services, le dernier logement familial du de cujus et du partenaire survivant est pris en considération comme logement familial. [3 Les dépendances, visées au douzième alinéa, 2°, sont, le cas échéant, censées faire partie de l'habitation familiale.]3
Dans le titre 2, chapitres 8 à 11, on entend par :
1° enregistrement : formalités déterminées conformément à l'article premier du code fédéral des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe ;
2° droits complémentaires : les droits d'enregistrement calculés et prélevés en complément des droits d'enregistrements qui sont calculés et prélevés au vu de l'acte ou de l'écrit présentés pour enregistrement ou en application de l'article 3.17.0.0.2.
Dans le titre 2, chapitres 8 à 11, les objets mobiliers corporels affectés au service et à l'exploitation de biens immeubles ne sont pas considérés comme immeubles.
Dans le titre 2, chapitre 8, les droits de donation, mentionnés au premier alinéa, sont estimés être localisés en Région flamande pour les donations suivantes :
1° la donation de biens mobiliers ou immobiliers faite par un habitant du Royaume-personne morale si le donateur-habitant du royaume au moment de la donation avait établi le siège de sa direction effective dans la Région flamande ou, si le siège de la direction effective du donateur-habitant du royaume durant la période de cinq ans précédant la donation avait été établi dans plus d'une région, si le donateur-habitant du royaume durant la période de cinq ans précédant la donation avait établi le siège de sa direction effective pendant la période la plus longue dans la région flamande ;
2° la donation par un non-habitant du royaume-personne morale d'un bien immobilier situé dans la région flamande ;
3° la donation de biens mobiliers par un non-habitant du royaume personne physique ou personne morale à un habitant du royaume si le donataire habitant du royaume avait établi, au moment de la donation, son domicile fiscal ou le siège de sa direction effective dans la région flamande ou, si le domicile fiscal ou le siège de la direction effective avait été établi dans plus d'une région durant la période de cinq ans précédant la donation si le donataire-habitant du royaume, durant la période de cinq ans précédant la donation avait établi le siège de sa direction effective pendant la période la plus longue dans la région flamande ;
4° la donation de biens mobiliers par un non-habitant du royaume personne physique ou une personne morale à un non-habitant du royaume personne physique ou à une personne morale si la donation est présentée pour enregistrement dans la région flamande.
Dans le titre 2, chapitre 9, par dérogation au premier alinéa, on entend par :
1° [16 ...]16
2° dépendance : tout immeuble bâti ou non bâti qui d'après sa nature, sa situation, sa superficie et sa valeur constitue un accessoire normal, selon le cas, soit de la maison ou de l'étage ou partie d'étage, soit de l'habitation à construire sur le terrain ;
3° [16 ...]16
4° [16 ...]16
5° [16 immeuble rural non bâti : le bien immobilier qui se compose d'un ou de plusieurs terrains qui sont utilisés pour ou destinés à l'exploitation agricole, à l'exclusion des bâtiments et du terrain sur lequel ces bâtiments se trouvent ;]16
6° habitation : la maison ou l'étage ou partie d'étage d'un bâtiment, [9 servant principalement ou devant principalement servir [soit] immédiatement, soit après des travaux normaux de réparation ou d'entretien, au logement d'une famille ou d'une personne seule]9, avec, le cas échéant, les dépendances acquises en même temps que la maison ou l'étage ou partie d'étage;]1 (ERRATUM, voir M.B. 12-09-2017, p. 83324)
[3 ["7° terrain à bâtir : une parcelle de terrain destinée à la construction d'habitations selon les prescriptions d'urbanisme ou un bien immeuble assimilé. Le bâtiment ou partie de bâtiment, ne pouvant servir qu'après des travaux autres que des travaux normaux de réparation ou d'entretien, de logement d'une famille ou d'une personne seule, avec, le cas échéant, les dépendances acquises en même temps que le bâtiment, est assimilé à un terrain à bâtir."]3 (ERRATUM, voir M.B. 12-09-2017, p. 83324)
[9 8° villes noyaux : Alost, Anvers, Boom, Bruges, Termonde, Genk, Gand, Hasselt, Courtrai, Louvain, Malines, Ostende, Roulers, St.-Nicolas, Turnhout et Vilvorde;]9
[9 9° communes de la périphérie flamande de Bruxelles : les communes d'Affligem, d'Asse, de Beersel, de Bertem, de Bever, de Dilbeek, de Drogenbos, de Galmaarden, de Gooik, de Grimbergen, de Halle, de Herne, de Hoeilaart, de Huldenberg, de Kampenhout, de Kapelle-op-den-Bos, de Kortenberg, de Kraainem, de Lennik, de Liedekerke, de Linkebeek, de Londerzeel, de Machelen, de Meise, de Merchtem, d'Opwijk, d'Overijse, de Pepingen, de Roosdaal, de Sint-Genesius-Rode, de Sint-Pieters-Leeuw, de Steenokkerzeel, de Ternat, de Vilvoorde, de Wemmel, de Wezembeek-Oppem, de Zaventem et de Zemst.]9
[11 Au titre 2, chapitre 12 et chapitre 13 et au titre 3, on entend par Loi sur les jeux de hasard du 7 mai 1999 : la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard, les paris, les établissements de jeux de hasard et la protection des joueurs.
Au titre 2, chapitre 13 et au titre 3, on entend, conformément à l'article 76 du Code fédéral du 23 novembre 1965 des taxes assimilées aux impôts sur les revenus, par appareil automatique de divertissement : tout appareil qui contient une partie mécanique, électrique ou électronique servant à la mise en marche, à son fonctionnement ou à son utilisation et dont le déclenchement est provoqué par l'introduction d'une pièce de monnaie, d'un jeton ou par tout autre moyen qui lui serait substitué.]11
1° impôts et accessoires : les impôts en principal auxquels le présent Code s'applique, y compris les centimes additionnels ou le décime additionnel, les intérêts, les amendes administratives, les augmentations des impôts et les frais de poursuite ou d'exécution, les indemnités de procédure, frais judiciaires et frais de signification ;
[18 1° /0 véhicule zéro émission : un véhicule qui satisfait aux conditions telles que visées à l'article 3, point 11, du règlement (UE) 2019/1242 du Parlement européen et du Conseil du 20 juin 2019 établissant des normes de performance en matière d'émissions de CO2 pour les véhicules utilitaires lourds neufs et modifiant les règlements (CE) n° 595/2009 et (UE) 2018/956 du Parlement européen et du Conseil et la directive 96/53/CE du Conseil.]18
[11 1°/1 taxe sur les appareils automatiques de divertissement : la taxe qui est prélevée conformément à la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des communautés et des régions et conformément aux dispositions du titre 2, chapitre 13, du présent Code;]11
[11 1°/2 taxe sur les jeux et paris : la taxe qui est prélevée conformément à la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des communautés et des régions et conformément aux dispositions du titre 2, chapitre 12, du présent Code;]11
2° taxe de mise en circulation : la taxe qui est prélevée conformément à la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des communautés et des régions et conformément aux dispositions du titre 2, chapitre 3, du présent Code ;
3° contribuable : toute personne physique ou morale dans le chef de laquelle un impôt est prélevé ;
4° redevable : toute personne physique ou morale qui, en application du présent Code ou du droit commun, est tenue de payer un impôt ;
5° membre du personnel compétent : le membre du personnel de l'administration flamande qui est désigné conformément aux arrêtés du Gouvernement flamand, et qui est chargé de l'exécution des dispositions du présent Code ;
[2 5° /1 décret sur le prélèvement kilométrique : décret du 3 juillet 2015 introduisant le prélèvement kilométrique et annulant le prélèvement de l'Eurovignette et modifiant le Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013 en la matière ;]2
6° décret du 19 avril 1995 : le décret du 19 avril 1995 portant des mesures visant à lutter contre et à prévenir la désaffectation et l'abandon de sites d'activité économique ;
7° [14 ...]14
[2 7° /1 [20 prestataire de services : toute entité juridique accréditée par le percepteur de péage, visé à l'article 4, alinéa 2, 2°, du décret sur le prélèvement kilométrique, pour offrir, dans son secteur à péage, visé à l'article 4, § 2, alinéa 3, 1°, du décret sur le prélèvement kilométrique, un service de recouvrement du prélèvement kilométrique auprès des utilisateurs et de versement à l'égard du percepteur de péage, sur la base de données enregistrées ou obtenues par l'équipement embarqué ;]20
7° /2 contrat de prestation de services : le contrat entre le détenteur d'un véhicule et un [20 prestataire de services de son choix ou prestataire de services principal]20, qui doit être conclu pour ce véhicule préalablement à l'utilisation d'une route quelconque ;
7° /3 [20 équipement embarqué : tout composant matériel ou logiciel installé ou transporté à bord d'un véhicule et utilisé dans le cadre du service de péage afin de recueillir, stocker, traiter et recevoir ou transmettre des données à distance ;]20]2
8° [10 entité de l'administration flamande : une agence autonomisée interne ou externe ou un département ;]10
9° impôt de succession : terme générique pour les droits de succession et les droits de mutation ;
10° [2 Eurovignette : la taxe prélevée jusqu'à l'entrée en vigueur du décret du 3 juillet 2015 introduisant le prélèvement kilométrique et annulant le prélèvement de l'Eurovignette et modifiant le Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013 en la matière, conformément à la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions et conformément aux anciennes dispositions du titre 2, chapitre 4 de ce code ;]2
[6 10° /1 taxe sur les habitations inadaptées ou insalubres : la taxe prélevée conformément aux dispositions du titre 2, chapitre 5, du présent Code ;]6
11° revenu cadastral : le revenu, fixé conformément au titre IX du CIR 92 fédéral et indexé conformément à l'article 518 du CIR 92 fédéral ;
[2 11° /1 prélèvement kilométrique : la taxe qui est prélevée conformément aux dispositions du titre 2, chapitre 4, du présent Code ;]2
12° enfants : les descendants du contribuable et de son conjoint/sa conjointe ou de son cohabitant légal/sa cohabitante légale, ainsi que les enfants qu'il/qu'elle a totalement ou partiellement à charge ;
13° taxe sur les sites d'activité économique désaffectés : la taxe qui est prélevée conformément aux dispositions du titre 2, chapitre 6, du présent Code ;
14° précompte immobilier : l'impôt qui est prélevé conformément à la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des communautés et des régions et conformément aux dispositions du titre 2, chapitre 1er, du présent Code ;
15° droits sur la constitution d'une hypothèque : l'impôt qui, sous la dénomination " droits d'enregistrement sur la constitution d'une hypothèque sur un bien immeuble situé en Belgique ", est prélevé conformément à la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des communautés et des régions et conformément aux dispositions du titre 2, chapitre 11, du présent Code ;
16° droits de mutation : l'impôt qui, sous la dénomination " droits de mutation par décès des non-habitants du Royaume ", est prélevé conformément à la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des communautés et des régions et conformément aux dispositions du titre 2, chapitre 7, du présent Code ;
17° taxe d'enregistrement : terme générique pour les droits de donation, les droits de vente, les droits de partage et les droits sur la constitution d'hypothèque ;
18° habitant du Royaume : la personne physique qui selon le cas au moment de son décès ou au moment de la donation a établi à l'intérieur du Royaume son domicile ou le siège de sa fortune, ou la personne morale qui au moment de la donation a établi à l'intérieur du Royaume le siège de sa direction effective ;
[8 18° /1 taxateur-expert : personne physique effectuant des estimations et taxations de biens immobiliers à titre professionnel et disposant à cette fin de la qualification professionnelle visée à l'article 3.3.1.0.9/1, § 2, 2° ;]8
19° droits de donation : l'impôt qui, sous la dénomination " droits d'enregistrement sur les donations entre vifs de biens meubles ou immeubles ", est prélevé conformément à la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des communautés et des régions et conformément aux dispositions du titre 2, chapitre 8, du présent Code ;
20° droits de succession : l'impôt qui, sous la dénomination `droits de succession des habitants du Royaume', est prélevé conformément à la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des communautés et des régions et conformément aux dispositions du titre 2, chapitre 7, du présent Code ;
21° sociétés : toute société, association ou institution créée de manière régulière, possédant la personnalité morale et exploitant une entreprise ou réalisant des opérations de nature lucrative. Les organismes dotés de la personnalité morale créés de droit belge et qui, pour l'application des impôts sur le revenu, sont censés ne pas posséder de personnalité morale, ne sont pas considérés comme des sociétés ;
22° droits de partage : l'impôt qui, sous la dénomination " droits d'enregistrement sur les partages partiels ou totaux de biens immeubles situés en Belgique, les cessions à titre onéreux, entre copropriétaires, de parties indivises de tels biens, et les conversions prévues aux [19 articles 4.61 et 4.62 ]19 du Code civil, même s'il n'y a pas indivision ", est prélevé conformément à la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des communautés et des régions et conformément aux dispositions du titre 2, chapitre 10, du présent Code ;
23° taxe de circulation : la taxe qui est prélevée conformément à la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des communautés et des régions et conformément aux dispositions du titre 2, chapitre 2, du présent Code ;
24° droits de vente : l'impôt qui, sous la dénomination " droits d'enregistrement sur les transmissions à titre onéreux de biens immeubles situés en Belgique, à l'exclusion des transmissions résultant d'un apport dans une société, sauf dans la mesure où il s'agit d'un apport, fait par une personne physique, dans une société belge, d'une habitation ", est prélevé conformément à la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des communautés et des régions et conformément aux dispositions du titre 2, chapitre 2, du présent Code ;
25° [6 ...]6 ;
26° CIR 92 : le Code des Impôts sur les Revenus 1992 ;
27° Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe : le Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe du 30 novembre 1939 ;
28° Code des droits de succession : le Code des droits de succession du 31 mars 1936.
Dans le titre 2, chapitre 1er, on entend par :
1° personne handicapée : les personnes considérées comme handicapées, visées à l'article 135, alinéa premier, 1°, du CIR 92 fédéral ;
2° enfant handicapé : [12 l'enfant ayant un besoin de soutien spécifique tel que visé à l'article 3, § 1er, 39°, du décret du 27 avril 2018 réglant les allocations dans le cadre de la politique familiale]12 [15 ou l'enfant qui est considéré par la réglementation en matière d'allocations familiales d'autres entités fédérées comme un enfant handicapé, un enfant présentant une déficience ou un enfant qui, sur la base du degré d'autonomie ou de la gravité des conséquences de l'affection, a droit à un supplément des allocations familiales de base, ou l'enfant qui répond aux conditions visées à l'article 47, l'article 56septies ou l'article 63 de la Loi générale relative aux allocations familiales et des arrêtés royaux pris en exécution de ces dispositions]15 ;
3° travailleur frontalier : la personne qui travaille dans la région frontalière d'un pays voisin et qui, selon le registre de la population, le 1er janvier de l'année d'imposition, a son domicile dans la région frontalière de la Belgique, où elle retourne généralement quotidiennement ou au moins une fois par semaine.
Dans le titre 2, chapitre 2, on entend par :
1° véhicules à vapeur ou à moteur : les véhicules à moteur, décrits dans la réglementation sur l'immatriculation de véhicules à moteur et des remorques, les bateaux et embarcations à vapeur ou à moteur et, en général, tous les moyens de transport à vapeur ou à moteur de locomotion, ainsi que leurs remorques et semi-remorques ;
2° camionnette : par dérogation au point 1°, chaque voiture, conçue et construite pour le transport de marchandises dont [8 le poids total en charge autorisé]8 n'excède pas les 3.500 kg et qui :
a) [17 se compose d'une cabine unique complètement séparée de l'espace de chargement comportant deux places au maximum, celle du conducteur non comprise, et d'un plateau de chargement ouvert. Si le véhicule est inscrit au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière après le 31 décembre 2022, le véhicule est immatriculé soit au nom d'une personne morale, soit au nom d'une personne physique telle que visée à l'article I.1, alinéa 1er, 1°, (a), du Code de droit économique et inscrit à la Banque-Carrefour des Entreprises conformément à l'article III.17 du Code précité. La condition précitée selon laquelle le véhicule doit être immatriculé soit au nom d'une personne morale, soit au nom d'une personne physique avec un numéro d'entreprise, ne s'applique qu'aux véhicules de personnes physiques et de personnes morales autres que les sociétés, les entreprises publiques autonomes et les associations sans but lucratif, exerçant des activités de leasing ;]17
b) [17 comprend une cabine double comportant six places au maximum, celle du conducteur non comprise, complètement séparée de l'espace de chargement, et un plateau de chargement ouvert. Si le véhicule est inscrit au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière après le 31 décembre 2022, le véhicule est immatriculé soit au nom d'une personne morale, soit au nom d'une personne physique telle que visée à l'article I.1, alinéa 1er, 1°, (a), du Code de droit économique et inscrit à la Banque-Carrefour des Entreprises conformément à l'article III.17 du Code précité. La condition précitée selon laquelle le véhicule doit être immatriculé soit au nom d'une personne morale, soit au nom d'une personne physique avec un numéro d'entreprise, ne s'applique qu'aux véhicules de personnes physiques et de personnes morales autres que les sociétés, les entreprises publiques autonomes et les associations sans but lucratif, exerçant des activités de leasing ;]17
c) comprend simultanément un espace réservé aux passagers comportant deux places au maximum, celle du conducteur non comprise, et un espace de chargement séparé dont la distance entre chaque point de la cloison de séparation derrière la rangée de sièges et le bord arrière intérieur de l'espace de chargement, mesurée dans l'axe longitudinal du véhicule, à une hauteur de 20 cm au-dessus du plancher, atteint toujours au moins 50 % de la longueur de l'empattement. En outre, l'espace de chargement doit être pourvu sur toute sa surface d'un plancher horizontal fixe ou y fixé de manière durable, sans points d'attache pour des banquettes, des sièges ou des ceintures de sécurité complémentaires, faisant partie intégrante de la carrosserie ;
d) comprend simultanément un espace réservé aux passagers comportant six places au maximum, celle du conducteur non comprise, et un espace de chargement complètement séparé dont la distance entre chaque point de la cloison de séparation derrière la dernière rangée de sièges et le bord arrière intérieur de l'espace de chargement, mesurée dans l'axe longitudinal du véhicule, à une hauteur de 20 cm au-dessus du plancher, atteint toujours au moins 50 % de la longueur de l'empattement. En outre, l'espace de chargement doit être pourvu sur toute sa surface d'un plancher horizontal fixe ou y fixé de manière durable, sans points d'attache pour des banquettes, des sièges ou des ceintures de sécurité complémentaires, faisant partie intégrante de la carrosserie.
Lorsque le véhicule, indiqué comme camionnette dans la réglementation, visée au point 1°, ne répond pas à un des types de véhicule, visés aux points a) à d) inclus, il est, en fonction de sa construction, considéré comme une voiture particulière, une voiture mixte ou un minibus ;
3° usage professionnel : l'usage d'un véhicule en vue de l'exercice direct d'une activité rémunérée ou ayant un but lucratif ;
4° usage privé : tout usage autre que professionnel ;
5° résidence habituelle : le lieu où une personne demeure habituellement, c'est-à-dire pendant au moins 185 jours par année civile, en raison d'attaches personnelles et professionnelles ou, dans le cas de personnes sans attaches professionnelles, en raison d'attaches personnelles, révélant des liens étroits entre elle-même et l'endroit où elle habite.
La résidence habituelle d'une personne dont les attaches professionnelles sont situées dans un lieu différent de celui de ses attaches personnelles et qui, de ce fait, est amenée à résider alternativement dans des lieux différents situés dans deux Etats ou plus, est cependant censée se situer au lieu de ses attaches personnelles, à condition qu'elle y retourne régulièrement. Cette dernière condition échoit lorsque la personne réside dans un Etat pour une mission d'une durée déterminée. Le fait d'assister à des cours ou la fréquentation d'une école n'implique pas le transfert de la résidence habituelle.
[4 6° euronorme : le seuil maximum pour la concentration de certains polluants dans les gaz d'échappement des véhicules à moteur, fixés dans des directives et règlements européen successifs ;
7° véhicules routiers : les voitures particulières, voitures mixtes et minibus, tels que ces véhicules sont décrits dans la réglementation sur l'immatriculation des véhicules à moteur et des remorques et tels qu'ils sont entendus au sens de la dernière phrase du point 2°, pour autant que ces véhicules sont munis ou doivent être munis d'une plaque d'immatriculation, autre qu'une plaque d'essai, de marchand [13 , professionnelle, nationale ]13 ou temporaire qui n'est pas une plaque d'immatriculation internationale, délivrée dans le cadre de la réglementation visée;]4
[7 8° société : par dérogation à l'alinéa 1er, 21°, une société telle que visée [16 au Code des sociétés et des associations]16.]7
Dans le titre 2, chapitre 3, on entend par :
1° véhicules routiers : les voitures particulières, voitures mixtes, minibus et motocyclettes, tels que ces véhicules sont décrits dans la réglementation sur l'immatriculation des véhicules à moteur et des remorques et tels qu'ils sont entendus au sens de la dernière phrase du point 2° de l'alinéa précédent, pour autant que ces véhicules sont munis ou doivent être munis d'une plaque d'immatriculation, autre qu'une plaque " essai ", " marchand " ou temporaire qui n'est pas une plaque d'immatriculation internationale, délivrée dans le cadre de la réglementation visée ;
2° aéronefs : les avions, hydravions, hélicoptères, planeurs, ballons sphériques ou dirigeables et autres aéronefs, qu'ils soient plus lourds ou plus légers que l'air, avec ou sans moteur, lorsqu'ils sont ou doivent être immatriculés ;
3° bateaux : les yachts et de plaisance d'une longueur supérieure à 7,50 mètres, lorsqu'une lettre de pavillon est ou doit être délivrée pour ceux-ci;
[5 4° euronorme : le seuil maximum pour la concentration de certains polluants dans les gaz d'échappement des véhicules à moteur, fixés dans des directives et règlements européen successifs;]5
[7 5° société : par dérogation à l'alinéa 1er, 21°, une société telle que visée [16 au Code des sociétés et des associations]16.]7
[2 Au titre 2, chapitre 4, on entend par :
1° [20 classe d'émission euro : la classe définie sur la base des valeurs limites d'émission, visées à l'annexe 0 de la directive 1999/62/CE du Parlement européen et du Conseil du 17 juin 1999 relative à la taxation des véhicules pour l'utilisation de l'infrastructure routière, avec l'ajout de la classe " moins polluant qu'Euro VI, y compris les véhicules à émission nulle]20 ;
[20 1° /1 usager : le détenteur du véhicule qui a conclu un contrat de prestation de services avec un prestataire de services ou le prestataire de services principal ;]20
2° moyen de paiement garanti : moyens de paiement par lesquels le [20 prestataire de services, visé à l'article 1.1.0.0.2, alinéa 1er, 7° /1, ou le prestataire de services principal, visé à l'article 5, alinéa 2, du décret sur le prélèvement kilométrique]20, [20 peuvent]20 percevoir, à première demande, le prélèvement kilométrique et, le cas échéant, les frais de perception facturés au détenteur du véhicule, sans autre autorisation du [20 usager]20 et sans que celui-ci ne puisse annuler le paiement qui a été effectué avec le moyen de paiement :
3° kilomètre : tout kilomètre, arrondi au millième supérieur ou inférieur selon que le chiffre des dix millièmes atteint ou non cinq ;
4° route non concédée : la route ou la partie de la route dont la gestion n'est donnée en concession ;
[20 4° /1° transport par route de marchandises : le transport de tout bien pouvant être chargé sur et déchargé d'un véhicule, y compris le transport d'outils, de machines-outils et de véhicules-outils, ainsi que le transport de tout bien par ces outils, machines-outils et véhicules-outils, quand ils sont utilisés sur une route non concédée ;]20
5° Viapass : le partenariat interrégional de droit public sous la forme d'une institution commune, telle que visée à l'article 92bis, § 1er de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, visée à l'article 18 de l'accord de coopération du 31 janvier 2014 entre la Région flamande, la Région wallonne et la Région de Bruxelles-Capitale relatif à l'introduction du système de prélèvement kilométrique sur le territoire des trois Régions et à la constitution d'un Partenariat interrégional de droit public Viapass sous forme d'une institution commune telle que visée à l'article 92bis, § 1er, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles ;
6° véhicule : un véhicule à moteur ou un ensemble de véhicules articulés prévu ou utilisé, soit partiellement, soit exclusivement, pour le transport par route de marchandises, et dont la masse maximale autorisée est de plus de 3,5 tonnes ;
7° route : les routes et leurs dépendances.]2
Dans le titre 2, chapitre 7 et chapitre 8, on entend par :
1° valeur boursière : le cours de clôture d'un instrument financier, suivant les informations des cours disponibles dans la presse écrite spécialisée ou les sources numériques consultables spécialisées ;
[8 1° /1 terrain à bâtir : une parcelle de terrain destinée à la construction d'habitations selon les prescriptions d'urbanisme ou un bien immeuble assimilé. L'ensemble ou la partie du bâtiment qui n'est propre au logement d'une famille ou d'une personne isolée qu'après exécution de travaux autres que les travaux normaux de réparation ou d'entretien, est assimilé, le cas échéant avec les dépendances acquises en même temps que le bâtiment, à un terrain à bâtir ;]8
2° enfant handicapé : [12 l'enfant ayant un besoin de soutien spécifique tel que visé à l'article 3, § 1er, 39°, du décret du 27 avril 2018 réglant les allocations dans le cadre de la politique familiale]12 [15 ou l'enfant qui est considéré par la réglementation en matière d'allocations familiales d'autres entités fédérées comme un enfant handicapé, un enfant présentant une déficience ou un enfant qui, sur la base du degré d'autonomie ou de la gravité des conséquences de l'affection, a droit à un supplément des allocations familiales de base, ou l'enfant qui répond aux conditions visées à l'article 47, l'article 56septies ou l'article 63 de la Loi générale relative aux allocations familiales et des arrêtés royaux pris en exécution de ces dispositions]15 ;
3° personne handicapée : les personnes considérées comme handicapées, visées à l'article 135, alinéa premier, 1°, du CIR 92 fédéral ;
4° partenaire :
a) la personne qui, à la date de l'ouverture de la succession, était mariée avec le défunt ou qui à la date de la donation est mariée avec le donateur ;
b) la personne qui, à la date de l'ouverture de la succession, vivait ensemble avec le défunt ou qui à la date de la donation vivait ensemble avec le donateur conformément aux dispositions du livre III, titre Vbis du Code civil ;
c) les personnes qui, à la date d'ouverture d'une succession, ou à la date de la donation, vivaient ensemble avec le défunt, ou avec le donateur sans interruption depuis au moins un an et tenaient un ménage commun avec le défunt, ou avec le donateur. L'article 2.7.4.1.1, § 2, troisième alinéa, l'article 2.7.4.2.2 et l'article 2.8.6.0.3 ne sont toutefois applicables qu'aux personnes qui vivaient avec le défunt ou le donateur sans interruption depuis au moins trois ans à la date d'ouverture de la succession ou à la date de la donation et qui formaient un ménage avec le défunt ou le donateur. Ces conditions sont censées être remplies également si la cohabitation et la vie en ménage commun avec le défunt ou avec le donateur consécutivement à la période susvisée de trois ans jusqu'au jour du décès, sont devenues impossible par force majeure. Un extrait du registre de la population constitue une présomption réfutable de cohabitation ininterrompue et de vie en ménage commun ;
5° acquisition en ligne directe :
a) une acquisition entre personnes qui descendent l'une de l'autre, conformément à l'[19 article 4.11, § 1er ]19 du Code civil, ou entre personnes qui, suite à une adoption plénière conformément à l'article 356-1 du Code civil bénéficient d'un statut avec les mêmes droits et obligations ;
b) une acquisition entre une personne et l'enfant de son partenaire, et ce que l'acquisition ait lieu avant ou après le décès du partenaire. Si l'acquisition a lieu après le décès du partenaire, ce dernier doit encore avoir sa qualité de partenaire vis-à-vis de la première personne citée à la date de son décès ;
c) une acquisition entre des personnes ayant ou ayant eu une relation de parent et d'enfant non biologique. Une telle relation est censée exister ou avoir existé lorsque quelqu'un; avant l'âge de vingt et un ans, a cohabité pendant trois années consécutives avec une autre personne, et a reçu principalement de cette personne ou de cette personne et de son partenaire les secours et les soins que les enfants reçoivent normalement de leurs parents. L'inscription de l'enfant non biologique dans le registre de la population ou des étrangers, à l'adresse du parent non biologique constitue une présomption réfutable de cohabitation avec le parent non biologique ;
d) [3 une acquisition par une personne ayant avec le défunt ou le donateur un lien de parenté suite à une adoption simple mais exclusivement moyennant la présentation des justifications nécessaires et si :
1) l'enfant adoptif est un enfant du partenaire de l'adoptant ;
2) lorsque, au moment de l'adoption, l'enfant adoptif était sous la tutelle de l'assistance publique ou d'un Centre Public d'Aide Sociale, ou d'une institution comparable établie dans l'Espace économique européen, ou était orphelin d'un père ou d'une mère mort(e) pour la patrie ;
3) lorsque l'enfant adoptif a, avant d'avoir atteint l'âge de vingt-et-un ans et pendant 3 années consécutives, reçu essentiellement de l'adoptant ou de l'adoptant et de son conjoint, les secours et les soins que les enfants reçoivent normalement de leurs parents ;
4) lorsque l'enfant est adopté par une personne dont tous les descendants sont morts pour la patrie ;]3
e) une acquisition entre ex-partenaires s'il y a des descendants communs.
La définition d'enfants figurant au premier alinéa, 12°, et la définition de sociétés, figurant au premier alinéa, 21°, ne sont pas valables pour l'application du chapitre 7 et du chapitre 8 du titre 2.
Dans le titre 2, chapitre 7, on entend par :
1° droits complémentaires : les droits de succession prélevés parce que les conditions d'un taux réduit, d'une réduction ou d'une exonération ne sont pas remplies ou en application de l'article 3.3.1.0.6, de l'article 3.17.0.0.2, ou de l'article 2.7.7.0.1 en cas de déclaration incorrecte ou incomplète ou de déclaration qui n'a pas été rendue dans les délais ;
2° logement familial : le lieu de séjour commun du de cujus et de son partenaire survivant. Un extrait du registre de la population constitue une présomption réfutable de la cohabitation. S'il est mis fin à la cohabitation soit par la séparation de fait des partenaires, soit par un cas de force majeure qui a perduré jusqu'au moment du décès, soit par le transfert de la résidence principale d'un ou des deux intéressés à une maison de repos ou de soins, ou une résidence-services, le dernier logement familial du de cujus et du partenaire survivant est pris en considération comme logement familial. [3 Les dépendances, visées au douzième alinéa, 2°, sont, le cas échéant, censées faire partie de l'habitation familiale.]3
Dans le titre 2, chapitres 8 à 11, on entend par :
1° enregistrement : formalités déterminées conformément à l'article premier du code fédéral des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe ;
2° droits complémentaires : les droits d'enregistrement calculés et prélevés en complément des droits d'enregistrements qui sont calculés et prélevés au vu de l'acte ou de l'écrit présentés pour enregistrement ou en application de l'article 3.17.0.0.2.
Dans le titre 2, chapitres 8 à 11, les objets mobiliers corporels affectés au service et à l'exploitation de biens immeubles ne sont pas considérés comme immeubles.
Dans le titre 2, chapitre 8, les droits de donation, mentionnés au premier alinéa, sont estimés être localisés en Région flamande pour les donations suivantes :
1° la donation de biens mobiliers ou immobiliers faite par un habitant du Royaume-personne morale si le donateur-habitant du royaume au moment de la donation avait établi le siège de sa direction effective dans la Région flamande ou, si le siège de la direction effective du donateur-habitant du royaume durant la période de cinq ans précédant la donation avait été établi dans plus d'une région, si le donateur-habitant du royaume durant la période de cinq ans précédant la donation avait établi le siège de sa direction effective pendant la période la plus longue dans la région flamande ;
2° la donation par un non-habitant du royaume-personne morale d'un bien immobilier situé dans la région flamande ;
3° la donation de biens mobiliers par un non-habitant du royaume personne physique ou personne morale à un habitant du royaume si le donataire habitant du royaume avait établi, au moment de la donation, son domicile fiscal ou le siège de sa direction effective dans la région flamande ou, si le domicile fiscal ou le siège de la direction effective avait été établi dans plus d'une région durant la période de cinq ans précédant la donation si le donataire-habitant du royaume, durant la période de cinq ans précédant la donation avait établi le siège de sa direction effective pendant la période la plus longue dans la région flamande ;
4° la donation de biens mobiliers par un non-habitant du royaume personne physique ou une personne morale à un non-habitant du royaume personne physique ou à une personne morale si la donation est présentée pour enregistrement dans la région flamande.
Dans le titre 2, chapitre 9, par dérogation au premier alinéa, on entend par :
1° [16 ...]16
2° dépendance : tout immeuble bâti ou non bâti qui d'après sa nature, sa situation, sa superficie et sa valeur constitue un accessoire normal, selon le cas, soit de la maison ou de l'étage ou partie d'étage, soit de l'habitation à construire sur le terrain ;
3° [16 ...]16
4° [16 ...]16
5° [16 immeuble rural non bâti : le bien immobilier qui se compose d'un ou de plusieurs terrains qui sont utilisés pour ou destinés à l'exploitation agricole, à l'exclusion des bâtiments et du terrain sur lequel ces bâtiments se trouvent ;]16
6° habitation : la maison ou l'étage ou partie d'étage d'un bâtiment, [9 servant principalement ou devant principalement servir [soit] immédiatement, soit après des travaux normaux de réparation ou d'entretien, au logement d'une famille ou d'une personne seule]9, avec, le cas échéant, les dépendances acquises en même temps que la maison ou l'étage ou partie d'étage;]1 (ERRATUM, voir M.B. 12-09-2017, p. 83324)
[3 ["7° terrain à bâtir : une parcelle de terrain destinée à la construction d'habitations selon les prescriptions d'urbanisme ou un bien immeuble assimilé. Le bâtiment ou partie de bâtiment, ne pouvant servir qu'après des travaux autres que des travaux normaux de réparation ou d'entretien, de logement d'une famille ou d'une personne seule, avec, le cas échéant, les dépendances acquises en même temps que le bâtiment, est assimilé à un terrain à bâtir."]3 (ERRATUM, voir M.B. 12-09-2017, p. 83324)
[9 8° villes noyaux : Alost, Anvers, Boom, Bruges, Termonde, Genk, Gand, Hasselt, Courtrai, Louvain, Malines, Ostende, Roulers, St.-Nicolas, Turnhout et Vilvorde;]9
[9 9° communes de la périphérie flamande de Bruxelles : les communes d'Affligem, d'Asse, de Beersel, de Bertem, de Bever, de Dilbeek, de Drogenbos, de Galmaarden, de Gooik, de Grimbergen, de Halle, de Herne, de Hoeilaart, de Huldenberg, de Kampenhout, de Kapelle-op-den-Bos, de Kortenberg, de Kraainem, de Lennik, de Liedekerke, de Linkebeek, de Londerzeel, de Machelen, de Meise, de Merchtem, d'Opwijk, d'Overijse, de Pepingen, de Roosdaal, de Sint-Genesius-Rode, de Sint-Pieters-Leeuw, de Steenokkerzeel, de Ternat, de Vilvoorde, de Wemmel, de Wezembeek-Oppem, de Zaventem et de Zemst.]9
[11 Au titre 2, chapitre 12 et chapitre 13 et au titre 3, on entend par Loi sur les jeux de hasard du 7 mai 1999 : la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard, les paris, les établissements de jeux de hasard et la protection des joueurs.
Au titre 2, chapitre 13 et au titre 3, on entend, conformément à l'article 76 du Code fédéral du 23 novembre 1965 des taxes assimilées aux impôts sur les revenus, par appareil automatique de divertissement : tout appareil qui contient une partie mécanique, électrique ou électronique servant à la mise en marche, à son fonctionnement ou à son utilisation et dont le déclenchement est provoqué par l'introduction d'une pièce de monnaie, d'un jeton ou par tout autre moyen qui lui serait substitué.]11
Änderungen
----------
[1] <DCFL 2014-12-19/97, art. 2, 006; En vigueur : 01-01-2015> (ERRATUM, voir M.B. 12-09-2017, p. 83323)
[2] <DCFL 2015-07-03/17, art. 11, 008; En vigueur : 01-04-2016 (voir AGF 2015-07-17/15, art. 4, 1°)>
Art. 1.1.0.0.3. De begrippen, gehanteerd in titel 2, hoofdstuk 5, van deze codex, worden geïnterpreteerd in overeenstemming met de bepalingen van [1 artikel 1.3 en boek 3, deel 5, titel 2, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021]1.
De begrippen, gehanteerd in titel 2, hoofdstuk 6, van deze codex, worden geïnterpreteerd in overeenstemming met de bepalingen van het decreet van 19 april 1995.
De begrippen, gehanteerd in titel 2, hoofdstuk 6, van deze codex, worden geïnterpreteerd in overeenstemming met de bepalingen van het decreet van 19 april 1995.
Art. 1.1.0.0.3. Les notions, utilisées dans le titre 2, chapitre 5, du présent Code, sont interprétées conformément aux dispositions [1 de l'article 1.3 et du livre 3, partie 5, titre 2, du Code flamand du Logement de 2021]1.
Les notions, utilisées dans le titre 2, chapitre 6, du présent Code, sont interprétées conformément aux dispositions du décret du 19 avril 1995.
Les notions, utilisées dans le titre 2, chapitre 6, du présent Code, sont interprétées conformément aux dispositions du décret du 19 avril 1995.
Art. 1.1.0.0.4. De Vlaamse Regering kan eenieder die onderhevig is aan de bepalingen van deze codex de verplichting opleggen om documenten en formulieren te gebruiken waarvan ze de inhoud en het gebruik bepaalt.
Art. 1.1.0.0.4. Le Gouvernement flamand peut imposer à quiconque, sujet aux dispositions du présent Code, l'obligation d'utiliser des documents et des formulaires dont il détermine le contenu et l'usage.
TITEL 2. - Belastingheffing
TITRE 2. - Perception des impôts
Hoofdstuk 1. - Onroerende voorheffing
Chapitre 1er. - Précompte immobilier
Afdeling 1. - Belastbaar voorwerp
Section 1re. - Objet imposable
Art. 2.1.1.0.1. Overeenkomstig artikel 249 van het federale WIB 92 wordt de belasting geheven op inkomsten uit onroerende goederen, gelegen in het Vlaamse Gewest.
Art. 2.1.1.0.1. Conformément à l'article 249 du CIR 92 fédéral, l'impôt est levé sur les revenus de biens immobiliers, situés en Région flamande.
Afdeling 2. - Belastingplichtigen
Section 2. - Contribuables
Art. 2.1.2.0.1. De belastingplichtige is degene die op 1 januari van het aanslagjaar de eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker is van de belastbare goederen.
Art. 2.1.2.0.1. Le contribuable est celui qui, le 1er janvier de l'année d'imposition, est le propriétaire, le possesseur, l'emphytéote, le superficiaire ou l'usufruitier des biens immobiliers.
Afdeling 3. - Belastbare grondslag
Section 3. - Base imposable
Art. 2.1.3.0.1. De onroerende voorheffing wordt vastgesteld op basis van het kadastraal inkomen van de belastbare goederen dat op 1 januari van het aanslagjaar bekend is.
Art. 2.1.3.0.1. Le précompte immobilier est déterminé sur la base du revenu cadastral des biens imposables qui est connu le 1er janvier de l'année d'imposition.
Art. 2.1.3.0.2. Voor de vaststelling van de belastbare grondslag wordt geen rekening gehouden met de vermindering overeenkomstig artikel 15 van het federale WIB 92.
Art. 2.1.3.0.2. Pour la détermination de la base imposable, il n'est pas tenu compte de la réduction conformément à l'article 15 du CIR 92 fédéral.
Afdeling 4. - Tarieven
Section 4. - Tarifs
Art. 2.1.4.0.1. § 1. Het tarief van de onroerende voorheffing bedraagt [2 3,97]2 %.
§ 2. [1 In afwijking van paragraaf 1 bedraagt het tarief [2 2,54]2 % voor :
1° de eigendommen die als sociale woningen worden verhuurd en toebehoren aan Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn of aan door haar opgerichte verenigingen waarvan slechts één of meer Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn deel uitmaken;
2° de eigendommen die als sociale woningen worden verhuurd en toebehoren aan gemeenten;
3° de eigendommen die als sociale woningen worden verhuurd en toebehoren aan de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen of aan de erkende [7 woonmaatschappijen]7, vermeld in [5 artikel 4.36 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021]5;
4° de eigendommen die als sociale woningen worden verhuurd en toebehoren aan het Vlaams Woningfonds;
5° [7 ...]7
6° [3 ...]3
7° de eigendommen die toebehoren aan rechtspersonen, erkend overeenkomstig artikel 7, tweede lid, van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap en die gebruikt worden voor wooninfrastructuur voor personen met een handicap, vermeld in artikel 2, 2°, van hetzelfde decreet, die een duidelijk vastgestelde behoefte aan zorg en ondersteuning hebben. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de behoefte aan zorg en ondersteuning wordt vastgesteld.
Het verlaagde tarief, vermeld in het eerste lid, is ook van toepassing op gelijkaardige onroerende goederen van gelijkaardige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een staat van de Europese Economische Ruimte, en die bovendien hun [6 ...]6 zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben.
[3 ...]3
Het verlaagde tarief, vermeld in het eerste lid, 7°, wordt toegekend vanaf het aanslagjaar waarin uiterlijk op 31 maart aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie gemeld wordt dat een rechtspersoon erkend is overeenkomstig artikel 7, tweede lid, van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap. De toekenning geldt tot het einde van de erkenning. Elke beëindiging van een erkenning moet uiterlijk op 31 maart van het jaar dat volgt op de beëindiging aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie gemeld worden.]1
[3 § 2/1. In afwijking van paragraaf 1 bedraagt het tarief 2,4 % voor de eigendommen die door een [7 erkende woonmaatschappij worden gehuurd conform de voorwaarden ter uitvoering van [8 artikel 4.147 van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021 en waarvan de oorspronkelijke hoofd-huurovereenkomst met de woonmaatschappij een aanvangsdatum heeft vóór 1 januari 2026]8]7]6.
Het verlaagde tarief, vermeld in het eerste lid, wordt toegekend vanaf het aanslagjaar waarin uiterlijk op 31 maart aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie gemeld wordt dat de eigendom op 1 januari van het aanslagjaar gehuurd wordt door een [7 erkende woonmaatschappij]7. De toekenning geldt tot het einde van de huurovereenkomst. Elke vroegtijdige beëindiging van de huurovereenkomst wordt uiterlijk op 31 maart van het jaar dat volgt op de beëindiging aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie gemeld.]3
§ 3. [2 In afwijking van paragraaf 1 bedraagt het tarief voor materieel en outillage als vermeld in artikel 471, § 3, van het federale WIB 92, 3,97% vermenigvuldigd met de coëfficiënt, vermeld in het tweede lid. De toepassing van de coëfficiënt mag geen aanleiding geven tot een hoger tarief dan het tarief dat van toepassing is in het vorige aanslagjaar, met uitzondering van het aanslagjaar waarin dit decreet in werking treedt waarbij de toepassing van de coëfficiënt geen aanleiding mag geven tot een hoger tarief dan 3,97%.]2
[4 De coëfficiënt wordt verkregen door het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers van het jaar 1996 te delen door het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers van het jaar dat voorafgaat aan het jaar van de inkomsten. Daarbij worden de volgende afrondingen toegepast :
1° het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers wordt afgerond op het hogere of lagere honderdste naargelang het cijfer van de duizendsten al of niet vijf bereikt;
2° de coëfficiënt wordt afgerond op het hogere of lagere tienduizendste naargelang het cijfer van de honderdduizendsten al of niet vijf bereikt;
3° na de toepassing van de coëfficiënt wordt het verkregen tariefbedrag afgerond op het hogere of lagere honderdste naargelang het cijfer van de duizendsten al of niet vijf bereikt.]4
§ 2. [1 In afwijking van paragraaf 1 bedraagt het tarief [2 2,54]2 % voor :
1° de eigendommen die als sociale woningen worden verhuurd en toebehoren aan Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn of aan door haar opgerichte verenigingen waarvan slechts één of meer Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn deel uitmaken;
2° de eigendommen die als sociale woningen worden verhuurd en toebehoren aan gemeenten;
3° de eigendommen die als sociale woningen worden verhuurd en toebehoren aan de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen of aan de erkende [7 woonmaatschappijen]7, vermeld in [5 artikel 4.36 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021]5;
4° de eigendommen die als sociale woningen worden verhuurd en toebehoren aan het Vlaams Woningfonds;
5° [7 ...]7
6° [3 ...]3
7° de eigendommen die toebehoren aan rechtspersonen, erkend overeenkomstig artikel 7, tweede lid, van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap en die gebruikt worden voor wooninfrastructuur voor personen met een handicap, vermeld in artikel 2, 2°, van hetzelfde decreet, die een duidelijk vastgestelde behoefte aan zorg en ondersteuning hebben. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de behoefte aan zorg en ondersteuning wordt vastgesteld.
Het verlaagde tarief, vermeld in het eerste lid, is ook van toepassing op gelijkaardige onroerende goederen van gelijkaardige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een staat van de Europese Economische Ruimte, en die bovendien hun [6 ...]6 zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben.
[3 ...]3
Het verlaagde tarief, vermeld in het eerste lid, 7°, wordt toegekend vanaf het aanslagjaar waarin uiterlijk op 31 maart aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie gemeld wordt dat een rechtspersoon erkend is overeenkomstig artikel 7, tweede lid, van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap. De toekenning geldt tot het einde van de erkenning. Elke beëindiging van een erkenning moet uiterlijk op 31 maart van het jaar dat volgt op de beëindiging aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie gemeld worden.]1
[3 § 2/1. In afwijking van paragraaf 1 bedraagt het tarief 2,4 % voor de eigendommen die door een [7 erkende woonmaatschappij worden gehuurd conform de voorwaarden ter uitvoering van [8 artikel 4.147 van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021 en waarvan de oorspronkelijke hoofd-huurovereenkomst met de woonmaatschappij een aanvangsdatum heeft vóór 1 januari 2026]8]7]6.
Het verlaagde tarief, vermeld in het eerste lid, wordt toegekend vanaf het aanslagjaar waarin uiterlijk op 31 maart aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie gemeld wordt dat de eigendom op 1 januari van het aanslagjaar gehuurd wordt door een [7 erkende woonmaatschappij]7. De toekenning geldt tot het einde van de huurovereenkomst. Elke vroegtijdige beëindiging van de huurovereenkomst wordt uiterlijk op 31 maart van het jaar dat volgt op de beëindiging aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie gemeld.]3
§ 3. [2 In afwijking van paragraaf 1 bedraagt het tarief voor materieel en outillage als vermeld in artikel 471, § 3, van het federale WIB 92, 3,97% vermenigvuldigd met de coëfficiënt, vermeld in het tweede lid. De toepassing van de coëfficiënt mag geen aanleiding geven tot een hoger tarief dan het tarief dat van toepassing is in het vorige aanslagjaar, met uitzondering van het aanslagjaar waarin dit decreet in werking treedt waarbij de toepassing van de coëfficiënt geen aanleiding mag geven tot een hoger tarief dan 3,97%.]2
[4 De coëfficiënt wordt verkregen door het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers van het jaar 1996 te delen door het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers van het jaar dat voorafgaat aan het jaar van de inkomsten. Daarbij worden de volgende afrondingen toegepast :
1° het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers wordt afgerond op het hogere of lagere honderdste naargelang het cijfer van de duizendsten al of niet vijf bereikt;
2° de coëfficiënt wordt afgerond op het hogere of lagere tienduizendste naargelang het cijfer van de honderdduizendsten al of niet vijf bereikt;
3° na de toepassing van de coëfficiënt wordt het verkregen tariefbedrag afgerond op het hogere of lagere honderdste naargelang het cijfer van de duizendsten al of niet vijf bereikt.]4
Änderungen
Art. 2.1.4.0.1. § 1er. Le tarif du précompte immobilier s'élève à [2 3,97]2 %.
§ 2. [1 Par dérogation à l'alinéa premier, le taux s'élève à [2 2,54]2 % pour :
1° les propriétés qui sont louées comme habitations sociales et appartiennent à des centres publics d'aide sociale ou à des sociétés créées par eux, dont font partie seulement un ou plusieurs centres publics d'aide sociale;
2° les propriétés qui sont louées comme habitations sociales et appartiennent à des communes;
3° les propriétés qui sont louées comme habitations sociales et appartiennent à la Société flamande du Logement social ou aux [7 sociétés de logement]7 agréées, visées à [5 l'article 4.36 du Code flamand du Logement de 2021]5;
4° les propriétés qui sont louées comme habitations sociales et appartiennent au Fonds flamand du Logement;
5° [7 ...]7
6° [3 ...]3
7° les propriétés appartenant à des personnes morales agréées conformément à l'article 7, alinéa deux, du décret du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " (Agence flamande pour les Personnes handicapées), et qui sont utilisées comme infrastructures de logement pour les personnes handicapées, visées à l'article 2, 2°, du même décret, qui ont un besoin de soins et de soutien clairement constaté. Le Gouvernement flamand arrête le mode dont le besoin de soins et de soutien est constaté.
Le taux réduit, visé à l'alinéa premier, est également applicable aux biens immobiliers similaires de personnes morales similaires créées conformément et assujetties à la législation d'un Etat membre de l'Espace économique européen et ayant leur siège [6 ...]6, leur direction générale ou leur établissement principal dans l'Espace économique européen.
[3 ...]3
Le taux réduit, visé à l'alinéa premier, 7°, est accordé à partir de l'année d'imposition au cours de laquelle il est notifié, au plus tard le 31 mars, à l'entité compétente de l'administration qu'une personne morale est agréée conformément à l'article 7, alinéa deux, du décret du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " (Agence flamande pour les Personnes handicapées). L'octroi vaut jusqu'à la fin de l'agrément. Toute cessation d'un agrément doit être notifiée à l'entité compétente de l'administration flamande au plus tard le 31 mars de l'année qui suit la cessation.]1
[3 § 2/1. Par dérogation au paragraphe 1er, le tarif s'élève à 2,4 % pour les propriétés [7 qui sont louées par une société de logement agréée conformément aux conditions en exécution de l'8 l'article 4.147 de l'Arrêté Code flamand du Logement de 2021 et dont le contrat de location principal d'origine avec la société de logement a une date d'entrée en vigueur avant le 1er janvier 2026]8]7]6.
Le taux réduit, visé à l'alinéa 1er, est accordé à partir de l'année d'imposition au cours de laquelle il est notifié, au plus tard le 31 mars, à l'entité compétente de l'administration flamande que la propriété est louée, au 1er janvier de l'année d'imposition, par un [7 société de logement agréée]7 agréé. L'octroi vaut jusqu'à la fin du contrat de location. Toute cessation anticipée du contrat de location doit être notifiée à l'entité compétente de l'administration flamande au plus tard le 31 mars de l'année qui suit la cessation.]3
§ 3. [2 Par dérogation au paragraphe 1er, le tarif pour matériel et outillage, tel que visé à l'article 471, § 3, du CIR 92 fédéral, s'élève à 3,97 %, multiplié par le coefficient, visé à l'alinéa deux. L'application du coefficient ne peut pas aboutir à un tarif supérieur au tarif applicable dans l'année d'imposition précédente, à l'exception de l'année d'imposition dans laquelle le présent décret entre en vigueur, l'application du coefficient ne pouvant pas aboutir à un tarif supérieur à 3,97 %.]2
[4 Le coefficient est obtenu en divisant la moyenne des indices mensuels de l'année 1996 par la moyenne des indices mensuels de l'année précédant l'année des revenus. Dans ce cadre, les arrondissements suivants sont appliqués :
1° la moyenne des indices mensuels est arrondie au centième supérieur ou inférieur selon que le chiffre des millièmes s'élève à cinq ou non;
2° le coefficient est arrondi au dix millième supérieur ou inférieur selon que le chiffre des cent millièmes s'élève à cinq ou non;
3° après l'application du coefficient, le montant du tarif est arrondi au centième supérieur ou inférieur selon que le chiffre des millièmes s'élève à cinq ou non.]4
§ 2. [1 Par dérogation à l'alinéa premier, le taux s'élève à [2 2,54]2 % pour :
1° les propriétés qui sont louées comme habitations sociales et appartiennent à des centres publics d'aide sociale ou à des sociétés créées par eux, dont font partie seulement un ou plusieurs centres publics d'aide sociale;
2° les propriétés qui sont louées comme habitations sociales et appartiennent à des communes;
3° les propriétés qui sont louées comme habitations sociales et appartiennent à la Société flamande du Logement social ou aux [7 sociétés de logement]7 agréées, visées à [5 l'article 4.36 du Code flamand du Logement de 2021]5;
4° les propriétés qui sont louées comme habitations sociales et appartiennent au Fonds flamand du Logement;
5° [7 ...]7
6° [3 ...]3
7° les propriétés appartenant à des personnes morales agréées conformément à l'article 7, alinéa deux, du décret du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " (Agence flamande pour les Personnes handicapées), et qui sont utilisées comme infrastructures de logement pour les personnes handicapées, visées à l'article 2, 2°, du même décret, qui ont un besoin de soins et de soutien clairement constaté. Le Gouvernement flamand arrête le mode dont le besoin de soins et de soutien est constaté.
Le taux réduit, visé à l'alinéa premier, est également applicable aux biens immobiliers similaires de personnes morales similaires créées conformément et assujetties à la législation d'un Etat membre de l'Espace économique européen et ayant leur siège [6 ...]6, leur direction générale ou leur établissement principal dans l'Espace économique européen.
[3 ...]3
Le taux réduit, visé à l'alinéa premier, 7°, est accordé à partir de l'année d'imposition au cours de laquelle il est notifié, au plus tard le 31 mars, à l'entité compétente de l'administration qu'une personne morale est agréée conformément à l'article 7, alinéa deux, du décret du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " (Agence flamande pour les Personnes handicapées). L'octroi vaut jusqu'à la fin de l'agrément. Toute cessation d'un agrément doit être notifiée à l'entité compétente de l'administration flamande au plus tard le 31 mars de l'année qui suit la cessation.]1
[3 § 2/1. Par dérogation au paragraphe 1er, le tarif s'élève à 2,4 % pour les propriétés [7 qui sont louées par une société de logement agréée conformément aux conditions en exécution de l'8 l'article 4.147 de l'Arrêté Code flamand du Logement de 2021 et dont le contrat de location principal d'origine avec la société de logement a une date d'entrée en vigueur avant le 1er janvier 2026]8]7]6.
Le taux réduit, visé à l'alinéa 1er, est accordé à partir de l'année d'imposition au cours de laquelle il est notifié, au plus tard le 31 mars, à l'entité compétente de l'administration flamande que la propriété est louée, au 1er janvier de l'année d'imposition, par un [7 société de logement agréée]7 agréé. L'octroi vaut jusqu'à la fin du contrat de location. Toute cessation anticipée du contrat de location doit être notifiée à l'entité compétente de l'administration flamande au plus tard le 31 mars de l'année qui suit la cessation.]3
§ 3. [2 Par dérogation au paragraphe 1er, le tarif pour matériel et outillage, tel que visé à l'article 471, § 3, du CIR 92 fédéral, s'élève à 3,97 %, multiplié par le coefficient, visé à l'alinéa deux. L'application du coefficient ne peut pas aboutir à un tarif supérieur au tarif applicable dans l'année d'imposition précédente, à l'exception de l'année d'imposition dans laquelle le présent décret entre en vigueur, l'application du coefficient ne pouvant pas aboutir à un tarif supérieur à 3,97 %.]2
[4 Le coefficient est obtenu en divisant la moyenne des indices mensuels de l'année 1996 par la moyenne des indices mensuels de l'année précédant l'année des revenus. Dans ce cadre, les arrondissements suivants sont appliqués :
1° la moyenne des indices mensuels est arrondie au centième supérieur ou inférieur selon que le chiffre des millièmes s'élève à cinq ou non;
2° le coefficient est arrondi au dix millième supérieur ou inférieur selon que le chiffre des cent millièmes s'élève à cinq ou non;
3° après l'application du coefficient, le montant du tarif est arrondi au centième supérieur ou inférieur selon que le chiffre des millièmes s'élève à cinq ou non.]4
Änderungen
Art. 2.1.4.0.2. [1 § 1. Overeenkomstig artikel 464/1, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, zijn de provincies, gemeenten en de agglomeraties gemachtigd om opcentiemen op de onroerende voorheffing te heffen.
§ 2. Voor iedere gemeente van het Vlaamse Gewest mag het tarief, vermeld in artikel 2.1.4.0.1, op zichzelf de opbrengst van de gemeentelijke opcentiemen van het aanslagjaar waarin dit artikel in werking treedt niet verhogen ten opzichte van het vorige aanslagjaar.
Als een gemeente de opbrengst van haar deel in die onroerende voorheffing evenwel wil wijzigen, geeft ze dat expliciet aan in haar beslissing en vermeldt ze afzonderlijk :
1° het aantal opcentiemen dat nodig is om, op haar niveau, dezelfde opbrengst te verkrijgen als in het aanslagjaar voorafgaand aan het aanslagjaar waarin dit artikel in werking treedt;
2° het aantal opcentiemen dat voor het aanslagjaar waarin dit artikel in werking treedt daadwerkelijk wordt geheven.
§ 3. Voor iedere provincie van het Vlaamse Gewest mogen de provinciale opcentiemen niet meer bedragen dan :
1° voor de provincie Antwerpen : 145,33 opcentiemen;
2° voor de provincie Limburg : 214,52 opcentiemen;
3° voor de provincie Oost-Vlaanderen : 148,47 opcentiemen;
4° voor de provincie Vlaams-Brabant : 171,75 opcentiemen;
5° voor de provincie West-Vlaanderen : 186,22 opcentiemen.]1
§ 2. Voor iedere gemeente van het Vlaamse Gewest mag het tarief, vermeld in artikel 2.1.4.0.1, op zichzelf de opbrengst van de gemeentelijke opcentiemen van het aanslagjaar waarin dit artikel in werking treedt niet verhogen ten opzichte van het vorige aanslagjaar.
Als een gemeente de opbrengst van haar deel in die onroerende voorheffing evenwel wil wijzigen, geeft ze dat expliciet aan in haar beslissing en vermeldt ze afzonderlijk :
1° het aantal opcentiemen dat nodig is om, op haar niveau, dezelfde opbrengst te verkrijgen als in het aanslagjaar voorafgaand aan het aanslagjaar waarin dit artikel in werking treedt;
2° het aantal opcentiemen dat voor het aanslagjaar waarin dit artikel in werking treedt daadwerkelijk wordt geheven.
§ 3. Voor iedere provincie van het Vlaamse Gewest mogen de provinciale opcentiemen niet meer bedragen dan :
1° voor de provincie Antwerpen : 145,33 opcentiemen;
2° voor de provincie Limburg : 214,52 opcentiemen;
3° voor de provincie Oost-Vlaanderen : 148,47 opcentiemen;
4° voor de provincie Vlaams-Brabant : 171,75 opcentiemen;
5° voor de provincie West-Vlaanderen : 186,22 opcentiemen.]1
Art. 2.1.4.0.2. [1 § 1er. Conformément à l'article 464/1, 1°, du Code des Impôts sur les Revenus 1992, les provinces, communes et agglomérations sont autorisées à lever des centimes additionnels sur le précompte immobilier.
§ 2. Pour chaque commune de la Région flamande, le tarif, visé à l'article 2.1.4.0.1, ne peut pas en soi augmenter le produit des centimes additionnels communaux de l'année d'imposition dans laquelle le présent article entre en vigueur, par rapport à l'année d'imposition précédente.
Lorsqu'une commune souhaite toutefois modifier le produit de sa part dans ce précompte immobilier, elle l'indique explicitement dans sa décision, et elle mentionné séparément :
1° le nombre de centimes additionnels nécessaires afin d'obtenir, à son niveau, le même produit que dans l'année d'imposition précédant l'année d'imposition dans laquelle le présent article entre en vigueur ;
2° le nombre de centimes additionnels levés effectivement pour l'année d'imposition dans laquelle le présent article entre en vigueur.
§ 3. Pour chaque province de la Région flamande, les centimes additionnels provinciaux ne peuvent pas être supérieurs à :
1° pour la province d'Anvers : 145,33 centimes additionnels ;
2° pour la province du Limbourg : 214,52 centimes additionnels ;
3° pour la province de Flandre orientale : 148,47 centimes additionnels ;
4° pour la province du Brabant flamand : 171,75 centimes additionnels ;
5° pour la province de Flandre occidentale : 186,22 centimes additionnels.]1
§ 2. Pour chaque commune de la Région flamande, le tarif, visé à l'article 2.1.4.0.1, ne peut pas en soi augmenter le produit des centimes additionnels communaux de l'année d'imposition dans laquelle le présent article entre en vigueur, par rapport à l'année d'imposition précédente.
Lorsqu'une commune souhaite toutefois modifier le produit de sa part dans ce précompte immobilier, elle l'indique explicitement dans sa décision, et elle mentionné séparément :
1° le nombre de centimes additionnels nécessaires afin d'obtenir, à son niveau, le même produit que dans l'année d'imposition précédant l'année d'imposition dans laquelle le présent article entre en vigueur ;
2° le nombre de centimes additionnels levés effectivement pour l'année d'imposition dans laquelle le présent article entre en vigueur.
§ 3. Pour chaque province de la Région flamande, les centimes additionnels provinciaux ne peuvent pas être supérieurs à :
1° pour la province d'Anvers : 145,33 centimes additionnels ;
2° pour la province du Limbourg : 214,52 centimes additionnels ;
3° pour la province de Flandre orientale : 148,47 centimes additionnels ;
4° pour la province du Brabant flamand : 171,75 centimes additionnels ;
5° pour la province de Flandre occidentale : 186,22 centimes additionnels.]1
Afdeling 5. - Verminderingen
Section 5. - Réductions
Art. 2.1.5.0.1. § 1. Er wordt een vermindering verleend van :
1° 25 % van de onroerende voorheffing voor de woning waar de belastingplichtige volgens het bevolkingsregister op 1 januari van het aanslagjaar zijn hoofdverblijfplaats heeft, als het kadastraal inkomen van zijn gezamenlijke, in het Vlaamse Gewest gelegen, onroerende goederen niet meer bedraagt dan 745 euro;
2° [9 de onroerende voorheffing voor de kinderen die in aanmerking komen voor de gezinsbijslagen, vermeld in artikel 5, § 1, IV, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, voor de woning die op 1 januari van het aanslagjaar wordt betrokken door een gezin met ten minste twee kinderen die daar volgens het bevolkingsregister hun woonplaats hebben en die in aanmerking komen voor gezinsbijslag. De vermindering bedraagt per kind 8 euro. Daarbij wordt een gehandicapt kind voor twee gerekend.
Het voormelde bedrag van 8 euro is gekoppeld aan de schommelingen van het algemene indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk en wordt jaarlijks aangepast op basis van een coëfficiënt die verkregen wordt door het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers van het jaar dat voorafgaat aan het jaar van de inkomsten, te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 2022. Het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers wordt afgerond op het hogere of lagere honderdste naargelang het cijfer van de duizendsten al of niet vijf bereikt, en de coëfficiënt wordt afgerond op het hogere of lagere tienduizendste
naargelang het cijfer van de honderdduizendsten al of niet vijf bereikt. Na de toepassing van de coëfficiënt wordt het bedrag afgerond op het hogere of lagere honderdste naargelang het cijfer van de duizendste al of niet vijf bereikt;]9
3° de onroerende voorheffing per [8 persoon met een handicap]8, met uitsluiting van de gehandicapte kinderen, vermeld in punt 2°, voor de woning waar de [8 persoon met een handicap]8 volgens het bevolkingsregister op 1 januari van het aanslagjaar zijn woonplaats heeft. Deze vermindering wordt berekend alsof het een gehandicapt kind betreft.
[9 § 1/1. De vermindering, vermeld in paragraaf 1, 2°, wordt in geval van ouders die niet samenleven proportioneel toegekend, afhankelijk van de periode waarin die ouder het kind of de kinderen huisvest, als de volgende voorwaarden cumulatief zijn vervuld:
1° een van beide ouders dient uiterlijk op 31 maart van het aanslagjaar een aanvraag in bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie;
2° de ouder waarbij het kind of de kinderen volgens het bevolkingsregister niet zijn of hun woonplaats hebben, zorgt voor de huisvesting in een woning die in het Vlaamse Gewest ligt waarin die ouder op 1 januari van het aanslagjaar volgens het bevolkingsregister zijn woonplaats heeft;
3° de gedeeltelijke huisvesting wordt op een van de volgende wijzen aangetoond:
a) op grond van een overeenkomst die uiterlijk op 1 januari van het aanslagjaar geregistreerd of door een rechter gehomologeerd is;
b) op grond van een rechterlijke beslissing die uiterlijk op 1 januari van het aanslagjaar is uitgesproken;
c) op grond van een overeenkomst die uiterlijk op 1 januari van het aanslagjaar tot stand is gekomen ten gevolge van een vrijwillige gezinsbemiddeling door een bemiddelaar die erkend is door de commissie, vermeld in artikel 1727 van het Gerechtelijk Wetboek;
d) op grond van een overeenkomst die de beide ouders uiterlijk op 1 januari van het aanslagjaar hebben ondertekend.
De vermindering, vermeld in paragraaf 1, 2°, wordt proportioneel verdeeld tussen de woning, vermeld in paragraaf 1, 2°, en de woning, vermeld in het eerste lid, 2°.
Als de bevoegde entiteit van de Vlaamse Administratie geen andersluidende kennisgeving ontvangt en de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, 2°, en paragraaf 1/1, zijn vervuld, is de aanvraag die ingediend is voor een aanslagjaar, geldig voor de volgende aanslagjaren.
Als het bedrag, vermeld in paragraaf 1, 2°, overeenkomstig het eerste lid proportioneel wordt toegekend, worden de proportioneel verdeelde bedragen afgerond op het hogere of lagere honderdste naargelang het cijfer van de duizendsten al of niet vijf bereikt.]9
§ 2. Er wordt een vermindering verleend van :
1° 20 % van de onroerende voorheffing gedurende tien jaar voor woningen waarvoor de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning is ingediend vóór 1 januari 2013 en die op 1 januari van het aanslagjaar een E-peil hebben van ten hoogste E60;
2° 20 % van de onroerende voorheffing gedurende tien jaar voor andere gebouwde onroerende goederen dan woningen waarvoor de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning is ingediend vóór 1 januari 2013 en die op 1 januari van het aanslagjaar een E-peil hebben van ten hoogste E70;
3° 40 % van de onroerende voorheffing gedurende tien jaar voor gebouwde onroerende goederen waarvoor de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning is ingediend vóór 1 januari 2013 en die op 1 januari van het aanslagjaar een E-peil hebben van ten hoogste E40;
4° [1 [5 [7 50% van de onroerende voorheffing gedurende vijf jaar voor gebouwde onroerende goederen waarvoor de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning of omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen na 31 december 2012 is ingediend en die op 1 januari van het aanslagjaar ten hoogste een E-peil hebben als vermeld in de volgende tabel:
1° 25 % van de onroerende voorheffing voor de woning waar de belastingplichtige volgens het bevolkingsregister op 1 januari van het aanslagjaar zijn hoofdverblijfplaats heeft, als het kadastraal inkomen van zijn gezamenlijke, in het Vlaamse Gewest gelegen, onroerende goederen niet meer bedraagt dan 745 euro;
2° [9 de onroerende voorheffing voor de kinderen die in aanmerking komen voor de gezinsbijslagen, vermeld in artikel 5, § 1, IV, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, voor de woning die op 1 januari van het aanslagjaar wordt betrokken door een gezin met ten minste twee kinderen die daar volgens het bevolkingsregister hun woonplaats hebben en die in aanmerking komen voor gezinsbijslag. De vermindering bedraagt per kind 8 euro. Daarbij wordt een gehandicapt kind voor twee gerekend.
Het voormelde bedrag van 8 euro is gekoppeld aan de schommelingen van het algemene indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk en wordt jaarlijks aangepast op basis van een coëfficiënt die verkregen wordt door het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers van het jaar dat voorafgaat aan het jaar van de inkomsten, te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 2022. Het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers wordt afgerond op het hogere of lagere honderdste naargelang het cijfer van de duizendsten al of niet vijf bereikt, en de coëfficiënt wordt afgerond op het hogere of lagere tienduizendste
naargelang het cijfer van de honderdduizendsten al of niet vijf bereikt. Na de toepassing van de coëfficiënt wordt het bedrag afgerond op het hogere of lagere honderdste naargelang het cijfer van de duizendste al of niet vijf bereikt;]9
3° de onroerende voorheffing per [8 persoon met een handicap]8, met uitsluiting van de gehandicapte kinderen, vermeld in punt 2°, voor de woning waar de [8 persoon met een handicap]8 volgens het bevolkingsregister op 1 januari van het aanslagjaar zijn woonplaats heeft. Deze vermindering wordt berekend alsof het een gehandicapt kind betreft.
[9 § 1/1. De vermindering, vermeld in paragraaf 1, 2°, wordt in geval van ouders die niet samenleven proportioneel toegekend, afhankelijk van de periode waarin die ouder het kind of de kinderen huisvest, als de volgende voorwaarden cumulatief zijn vervuld:
1° een van beide ouders dient uiterlijk op 31 maart van het aanslagjaar een aanvraag in bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie;
2° de ouder waarbij het kind of de kinderen volgens het bevolkingsregister niet zijn of hun woonplaats hebben, zorgt voor de huisvesting in een woning die in het Vlaamse Gewest ligt waarin die ouder op 1 januari van het aanslagjaar volgens het bevolkingsregister zijn woonplaats heeft;
3° de gedeeltelijke huisvesting wordt op een van de volgende wijzen aangetoond:
a) op grond van een overeenkomst die uiterlijk op 1 januari van het aanslagjaar geregistreerd of door een rechter gehomologeerd is;
b) op grond van een rechterlijke beslissing die uiterlijk op 1 januari van het aanslagjaar is uitgesproken;
c) op grond van een overeenkomst die uiterlijk op 1 januari van het aanslagjaar tot stand is gekomen ten gevolge van een vrijwillige gezinsbemiddeling door een bemiddelaar die erkend is door de commissie, vermeld in artikel 1727 van het Gerechtelijk Wetboek;
d) op grond van een overeenkomst die de beide ouders uiterlijk op 1 januari van het aanslagjaar hebben ondertekend.
De vermindering, vermeld in paragraaf 1, 2°, wordt proportioneel verdeeld tussen de woning, vermeld in paragraaf 1, 2°, en de woning, vermeld in het eerste lid, 2°.
Als de bevoegde entiteit van de Vlaamse Administratie geen andersluidende kennisgeving ontvangt en de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, 2°, en paragraaf 1/1, zijn vervuld, is de aanvraag die ingediend is voor een aanslagjaar, geldig voor de volgende aanslagjaren.
Als het bedrag, vermeld in paragraaf 1, 2°, overeenkomstig het eerste lid proportioneel wordt toegekend, worden de proportioneel verdeelde bedragen afgerond op het hogere of lagere honderdste naargelang het cijfer van de duizendsten al of niet vijf bereikt.]9
§ 2. Er wordt een vermindering verleend van :
1° 20 % van de onroerende voorheffing gedurende tien jaar voor woningen waarvoor de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning is ingediend vóór 1 januari 2013 en die op 1 januari van het aanslagjaar een E-peil hebben van ten hoogste E60;
2° 20 % van de onroerende voorheffing gedurende tien jaar voor andere gebouwde onroerende goederen dan woningen waarvoor de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning is ingediend vóór 1 januari 2013 en die op 1 januari van het aanslagjaar een E-peil hebben van ten hoogste E70;
3° 40 % van de onroerende voorheffing gedurende tien jaar voor gebouwde onroerende goederen waarvoor de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning is ingediend vóór 1 januari 2013 en die op 1 januari van het aanslagjaar een E-peil hebben van ten hoogste E40;
4° [1 [5 [7 50% van de onroerende voorheffing gedurende vijf jaar voor gebouwde onroerende goederen waarvoor de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning of omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen na 31 december 2012 is ingediend en die op 1 januari van het aanslagjaar ten hoogste een E-peil hebben als vermeld in de volgende tabel:
Art. 2.1.5.0.1. § 1er. Il est accordé une réduction :
1° de 25 % du précompte immobilier pour l'habitation où le contribuable a, selon le registre de la population, sa résidence principale le 1er janvier de l'année d'imposition, lorsque le revenu cadastral de l'ensemble de ses biens immobiliers, situés en Région flamande, n'est pas supérieur à 745 euros;
2° [7 le précompte immobilier pour les enfants qui entrent en ligne de compte pour les allocations familiales, visées à l'article 5, § 1er, IV, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, pour l'habitation qui est occupée, le 1er janvier de l'année d'imposition, par une famille ayant au moins deux enfants, qui y ont leur domicile selon le registre de la population et qui entrent en ligne de compte pour l'allocation familiale. La diminution s'élève à 8 euros par enfant. Dans ce contexte, un enfant handicapé compte pour deux.
Le montant précité de 8 euros est lié aux fluctuations de l'indice général des prix à la consommation du Royaume et est ajusté annuellement sur la base d'un coefficient obtenu en divisant la moyenne des indices mensuels de l'année précédant l'année de revenu par la moyenne des indices de l'année 2022. La moyenne des indices mensuels est arrondie au centième supérieur ou inférieur selon que le chiffre des millièmes s'élève à cinq ou non et le coefficient est arrondi au dix millième supérieur ou inférieur,
selon que le chiffre des cent millièmes s'élève à cinq ou non. Après l'application du coefficient, le montant est arrondi au centième supérieur ou inférieur selon que le chiffre du millième s'élève à cinq ou non ;]7
3° du précompte immobilier par personne handicapée, à l'exclusion des enfants handicapés, visés au point 2°, pour l'habitation où la personne handicapée a son domicile, selon le registre de la population, le 1er janvier de l'année d'imposition. Cette réduction est calculée comme s'il s'agit d'un enfant handicapé.
[7 § 1er/1. La réduction visée au paragraphe 1er, 2°, est accordée proportionnellement dans le cas de parents non cohabitants, en fonction de la période pendant laquelle ce parent héberge le ou les enfants, si les conditions suivantes sont cumulativement remplies :
1° l'un des parents introduit une demande auprès de l'entité compétente de l'administration flamande au plus tard le 31 mars de l'année d'imposition ;
2° le parent chez qui l'enfant ou les enfants n'a/ont pas son/leur lieu de résidence selon le registre de la population fournit un logement dans une habitation située dans la Région flamande dans laquelle ce parent a son domicile selon le registre de la population au 1er janvier de l'année d'imposition ;
3° la preuve du logement partiel est apportée de l'une des manières suivantes :
a) en vertu d'une convention enregistrée ou homologuée par un juge au plus tard le 1er janvier de l'année d'imposition ;
b) en vertu d'une décision de justice prononcée au plus tard le 1er janvier de l'année d'imposition ;
c) en vertu d'une convention conclue au plus tard le 1er janvier de l'année d'imposition à la suite d'une médiation familiale volontaire par un médiateur reconnu par la commission visée à l'article 1727 du Code judiciaire ;
d) en vertu d'une convention signée par les deux parents au plus tard le 1er janvier de l'année d'imposition.
La réduction, visée au paragraphe 1er, 2°, est répartie proportionnellement entre le logement visé au paragraphe 1er, 2°, et le logement visé à l'alinéa 1er, 2°.
Si l'entité compétente de l'Administration flamande ne reçoit pas de notification contraire et que les conditions visées au paragraphe 1er, 2°, et au paragraphe 1er/1 sont remplies, la demande introduite pour une année d'imposition est valable pour les années d'imposition suivantes.
Si le montant visé au paragraphe 1er, 2° est attribué proportionnellement conformément à l'alinéa 1er, les montants répartis proportionnellement sont arrondis au centième supérieur ou inférieur selon que le chiffre des millièmes s'élève à cinq ou non.]7
§ 2. Il est accordé une réduction :
1° de 20 % du précompte immobilier pendant dix ans pour des habitations pour lesquelles la demande d'une autorisation urbanistique est introduite avant le 1er janvier 2013 et dont, le 1er janvier de l'année d'imposition, le niveau E maximal s'élève à E60;
2° de 20 % du précompte immobilier pendant dix ans pour des biens immobiliers bâtis, autres que les habitations, pour lesquels la demande d'une autorisation urbanistique est introduite avant le 1er janvier 2013 et dont, le 1er janvier de l'année d'imposition, le niveau E maximal s'élève à E70;
3° de 40 % du précompte immobilier pendant dix ans pour des biens immobiliers bâtis pour lesquels la demande d'une autorisation urbanistique est introduite avant le 1er janvier 2013 et dont, le 1er janvier de l'année d'imposition, le niveau E maximal s'élève à E40;
4° [1 [4 [6 de 50 % du précompte immobilier pendant cinq ans pour des biens immeubles bâtis pour lesquels la demande d'autorisation urbanistique ou de permis d'environnement pour actes urbanistiques a été introduite après le 31 décembre 2012 et qui, au 1 janvier de l'année d'imposition, ont un niveau E maximal tel qu'indiqué au tableau suivant :
1° de 25 % du précompte immobilier pour l'habitation où le contribuable a, selon le registre de la population, sa résidence principale le 1er janvier de l'année d'imposition, lorsque le revenu cadastral de l'ensemble de ses biens immobiliers, situés en Région flamande, n'est pas supérieur à 745 euros;
2° [7 le précompte immobilier pour les enfants qui entrent en ligne de compte pour les allocations familiales, visées à l'article 5, § 1er, IV, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, pour l'habitation qui est occupée, le 1er janvier de l'année d'imposition, par une famille ayant au moins deux enfants, qui y ont leur domicile selon le registre de la population et qui entrent en ligne de compte pour l'allocation familiale. La diminution s'élève à 8 euros par enfant. Dans ce contexte, un enfant handicapé compte pour deux.
Le montant précité de 8 euros est lié aux fluctuations de l'indice général des prix à la consommation du Royaume et est ajusté annuellement sur la base d'un coefficient obtenu en divisant la moyenne des indices mensuels de l'année précédant l'année de revenu par la moyenne des indices de l'année 2022. La moyenne des indices mensuels est arrondie au centième supérieur ou inférieur selon que le chiffre des millièmes s'élève à cinq ou non et le coefficient est arrondi au dix millième supérieur ou inférieur,
selon que le chiffre des cent millièmes s'élève à cinq ou non. Après l'application du coefficient, le montant est arrondi au centième supérieur ou inférieur selon que le chiffre du millième s'élève à cinq ou non ;]7
3° du précompte immobilier par personne handicapée, à l'exclusion des enfants handicapés, visés au point 2°, pour l'habitation où la personne handicapée a son domicile, selon le registre de la population, le 1er janvier de l'année d'imposition. Cette réduction est calculée comme s'il s'agit d'un enfant handicapé.
[7 § 1er/1. La réduction visée au paragraphe 1er, 2°, est accordée proportionnellement dans le cas de parents non cohabitants, en fonction de la période pendant laquelle ce parent héberge le ou les enfants, si les conditions suivantes sont cumulativement remplies :
1° l'un des parents introduit une demande auprès de l'entité compétente de l'administration flamande au plus tard le 31 mars de l'année d'imposition ;
2° le parent chez qui l'enfant ou les enfants n'a/ont pas son/leur lieu de résidence selon le registre de la population fournit un logement dans une habitation située dans la Région flamande dans laquelle ce parent a son domicile selon le registre de la population au 1er janvier de l'année d'imposition ;
3° la preuve du logement partiel est apportée de l'une des manières suivantes :
a) en vertu d'une convention enregistrée ou homologuée par un juge au plus tard le 1er janvier de l'année d'imposition ;
b) en vertu d'une décision de justice prononcée au plus tard le 1er janvier de l'année d'imposition ;
c) en vertu d'une convention conclue au plus tard le 1er janvier de l'année d'imposition à la suite d'une médiation familiale volontaire par un médiateur reconnu par la commission visée à l'article 1727 du Code judiciaire ;
d) en vertu d'une convention signée par les deux parents au plus tard le 1er janvier de l'année d'imposition.
La réduction, visée au paragraphe 1er, 2°, est répartie proportionnellement entre le logement visé au paragraphe 1er, 2°, et le logement visé à l'alinéa 1er, 2°.
Si l'entité compétente de l'Administration flamande ne reçoit pas de notification contraire et que les conditions visées au paragraphe 1er, 2°, et au paragraphe 1er/1 sont remplies, la demande introduite pour une année d'imposition est valable pour les années d'imposition suivantes.
Si le montant visé au paragraphe 1er, 2° est attribué proportionnellement conformément à l'alinéa 1er, les montants répartis proportionnellement sont arrondis au centième supérieur ou inférieur selon que le chiffre des millièmes s'élève à cinq ou non.]7
§ 2. Il est accordé une réduction :
1° de 20 % du précompte immobilier pendant dix ans pour des habitations pour lesquelles la demande d'une autorisation urbanistique est introduite avant le 1er janvier 2013 et dont, le 1er janvier de l'année d'imposition, le niveau E maximal s'élève à E60;
2° de 20 % du précompte immobilier pendant dix ans pour des biens immobiliers bâtis, autres que les habitations, pour lesquels la demande d'une autorisation urbanistique est introduite avant le 1er janvier 2013 et dont, le 1er janvier de l'année d'imposition, le niveau E maximal s'élève à E70;
3° de 40 % du précompte immobilier pendant dix ans pour des biens immobiliers bâtis pour lesquels la demande d'une autorisation urbanistique est introduite avant le 1er janvier 2013 et dont, le 1er janvier de l'année d'imposition, le niveau E maximal s'élève à E40;
4° [1 [4 [6 de 50 % du précompte immobilier pendant cinq ans pour des biens immeubles bâtis pour lesquels la demande d'autorisation urbanistique ou de permis d'environnement pour actes urbanistiques a été introduite après le 31 décembre 2012 et qui, au 1 janvier de l'année d'imposition, ont un niveau E maximal tel qu'indiqué au tableau suivant :
| datum aanvraag stedenbouwkundige vergunning of omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen | E-peil nieuwbouw | E-peil ingrijpende energetische renovatie |
| vanaf 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013 | E50 | / |
| vanaf 1 januari 2014 tot en met 31 december 2015 | E40 | / |
| vanaf 1 januari 2016 tot en met 30 september 2016 | E30 | / |
| vanaf 1 oktober 2016 tot en met 31 december 2019 | E30 | E90 |
| vanaf 1 januari 2020 tot en met 31 december 2021 | E30 | / |
| vanaf 1 januari 2022 tot en met 31 december 2022 | E20 | / |
nieuwbouw E-peil ingrijpende
energetische renovatie vanaf 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013 E50 / vanaf 1 januari 2014 tot en met 31 december 2015 E40 / vanaf 1 januari 2016 tot en met 30 september 2016 E30 / vanaf 1 oktober 2016 tot en met 31 december 2019 E30 E90 vanaf 1 januari 2020 tot en met 31 december 2021 E30 / vanaf 1 januari 2022 tot en met 31 december 2022 E20 /
]7]1
5° [1 [7 100% van de onroerende voorheffing gedurende vijf jaar voor gebouwde onroerende goederen waarvoor de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning of omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is ingediend na 31 december 2012 en die op 1 januari van het aanslagjaar een E-peil hebben als vermeld in de volgende tabel:
| date de la demande d'autorisation urbanistique ou de permis d'environnement pour actes urbanistiques | Niveau E constructions nouvelles | Niveau E rénovation énergétique substantielle |
| du 1 janvier 2013 au 31 décembre 2013 | E50 | / |
| du 1 janvier 2014 au 31 décembre 2015 | E40 | / |
| du 1 janvier 2016 au 30 septembre 2016 | E30 | / |
| du 1 octobre 2016 au 31 décembre 2019 | E30 | E90 |
| du 1 janvier 2020 au 31 décembre 2021 | E30 | / |
| du 1 janvier 2022 au 31 décembre 2022 | E20 | / |
constructions nouvelles Niveau E
rénovation énergétique substantielle du 1 janvier 2013 au 31 décembre 2013 E50 / du 1 janvier 2014 au 31 décembre 2015 E40 / du 1 janvier 2016 au 30 septembre 2016 E30 / du 1 octobre 2016 au 31 décembre 2019 E30 E90 du 1 janvier 2020 au 31 décembre 2021 E30 / du 1 janvier 2022 au 31 décembre 2022 E20 /
]6]4]1
5° [1 [6 de 100 % du précompte immobilier pendant cinq ans pour des biens immeubles bâtis pour lesquels la demande d'autorisation urbanistique ou de permis d'environnement pour actes urbanistiques a été introduite après le 31 décembre 2012 et qui, au 1 janvier de l'année d'imposition, ont un niveau E tel qu'indiqué au tableau suivant :
| datum aanvraag stedenbouwkundige vergunning of omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen | E-peil nieuwbouw | E-peil ingrijpende energetische renovatie |
| vanaf 1 januari 2013 tot en met 31 december 2014 | E30 | / |
| vanaf 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015 | E30 | / |
| vanaf 1 januari 2016 tot en met 30 september 2016 | E20 | / |
| vanaf 1 oktober 2016 tot en met 31 december 2021 | E20 | E60 |
| vanaf 1 januari 2022 tot en met 31 december 2022 | E10 | E60 |
| [1 vanaf 1 januari 2023 tot en met 30 september 2025 | / | E60]1 |
| (1)<DVR 2024-12-20/24, art. 30, 068; Inwerkingtreding : 01-01-2025> | ||
nieuwbouwE-peil ingrijpende
energetische renovatievanaf 1 januari 2013 tot en met 31 december 2014E30/vanaf 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015E30/vanaf 1 januari 2016 tot en met 30 september 2016E20/vanaf 1 oktober 2016 tot en met 31 december 2021E20E60vanaf 1 januari 2022 tot en met 31 december 2022E10E60[1 vanaf 1 januari 2023 tot en met 30 september 2025/E60]1(1)
]7]1
[7 6° 50% van de onroerende voorheffing gedurende vijf jaar voor gebouwde onroerende goederen waarvoor de aanvraag van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen [10 vanaf 1 januari 2023 tot en met 30 september 2025]10 is ingediend en die na herbouw of gedeeltelijke herbouw op 1 januari van het aanslagjaar een E-peil hebben van ten hoogste E20;
7° 100% van de onroerende voorheffing gedurende vijf jaar voor gebouwde onroerende goederen waarvoor de aanvraag van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen [10 vanaf 1 januari 2023 tot en met 30 september 2025]10 is ingediend en die na herbouw of gedeeltelijke herbouw op 1 januari van het aanslagjaar een E-peil hebben van ten hoogste E10.]7
Het E-peil, vermeld in het eerste lid, is het peil van primair energieverbruik, zoals berekend ter uitvoering van titel XI van het Energiedecreet van 8 mei 2009.
De grens van het E-peil waaraan het gebouwde onroerend goed moet voldoen voor de vermindering, wordt vastgesteld rekening houdend met het ogenblik waarop de volledige aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning is ingediend.
De termijn van tien jaar, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 3°, neemt een aanvang in het jaar dat volgt op het jaar waarin het E-peil dat recht geeft op een vermindering, voor de eerste keer is bepaald voor het gebouwde onroerend goed in kwestie. Die termijn kan op zijn vroegst een aanvang nemen vanaf het aanslagjaar 2009.
De termijn van vijf jaar, [7 vermeld in het eerste lid, 4° tot en met 7°]7, neemt een aanvang in het jaar dat volgt op het jaar waarin het E-peil dat recht geeft op een vermindering, voor de eerste keer is bepaald voor het gebouwde onroerend goed in kwestie. Die termijn kan op zijn vroegst een aanvang nemen vanaf het aanslagjaar 2014.
[1 Alleen de gebouwde onroerende goederen waarvoor het vereiste E-peil voor het gebouw als geheel is bepaald, komen in aanmerking voor de verminderingen, vermeld in het eerste lid. [2 [7 De verminderingen worden alleen toegekend als het gaat om gedeeltelijke herbouw, herbouw, renovatie of nieuwbouw als vermeld in artikel 1.1.1, § 2, 46/2°, 47/2°, 50° en 110°, van het Energiebesluit van 19 november 2010 en als is voldaan aan alle EPB-eisen, vermeld in titel IX, hoofdstuk I, van het Energiebesluit van 19 november 2010, die op de omgevingsvergunning(en) voor stedenbouwkundige handelingen van het specifieke bouwproject van toepassing zijn.]7]2]1
Bij de overdracht van een onroerend goed waarvoor een vermindering als vermeld in het eerste lid, is verleend, wordt de vermindering vanaf het aanslagjaar dat volgt op het jaar van de overdracht, verder toegekend aan de verkrijger van het goed, voor de nog resterende aanslagjaren in de periode van tien jaar of vijf jaar.
Änderungen
| date de la demande d'autorisation urbanistique ou de permis d'environnement pour actes urbanistiques | Niveau E constructions nouvelles | Niveau E rénovation énergétique substantielle |
| du 1 janvier 2013 au 31 décembre 2014 | E30 | / |
| du 1 janvier 2015 au 31 décembre 2015 | E30 | / |
| du 1 janvier 2016 au 30 septembre 2016 | E20 | / |
| du 1 octobre 2016 au 31 décembre 2021 | E20 | E60 |
| du 1 janvier 2022 au 31 décembre 2022 | E10 | E60 |
| [1 à partir du 1er janvier 2023 jusqu'au 30 septembre 2025 | / | E60]1 |
| (1)<DCFL 2024-12-20/24, art. 30, 068; En vigueur : 01-01-2025> | ||
constructions nouvellesNiveau E
rénovation énergétique substantielledu 1 janvier 2013 au 31 décembre 2014E30/du 1 janvier 2015 au 31 décembre 2015E30/du 1 janvier 2016 au 30 septembre 2016E20/du 1 octobre 2016 au 31 décembre 2021E20E60du 1 janvier 2022 au 31 décembre 2022E10E60[1 à partir du 1er janvier 2023 jusqu'au 30 septembre 2025/E60]1(1)
]6.]1
[6 6° de 50 % du précompte immobilier pendant cinq ans pour les biens immeubles bâtis pour lesquels une demande de permis d'environnement pour actes urbanistiques est introduite [8 à partir du 1er janvier 2023 jusqu'au 30 septembre 2025]8 et qui, après reconstruction ou reconstruction partielle, ont un niveau E maximum de E20 au 1 janvier de l'année d'imposition ;
7° de 100 % du précompte immobilier pendant cinq ans pour les biens immeubles bâtis pour lesquels une demande de permis d'environnement pour actes urbanistiques est introduite [8 à partir du 1er janvier 2023 jusqu'au 30 septembre 2025]8 et qui, après reconstruction ou reconstruction partielle, ont un niveau E maximum de E10 au 1 janvier de l'année d'imposition.]6
Le niveau E, visé à l'alinéa premier, est le niveau de consommation d'énergie primaire, tel que calculé en exécution du titre XI du décret relatif à l'énergie du 8 mai 2009.
La limite du niveau E à laquelle doit répondre le bien immobilier bâti pour la réduction est déterminée en tenant compte du moment auquel la demande complète d'une autorisation urbanistique est introduite.
Le délai de dix ans, visé à l'alinéa premier, 1°, à 3° inclus, prend cours l'année suivant l'année dans laquelle le niveau E donnant droit à une réduction est déterminé pour la première fois pour le bien immobilier bâti en question. Ce délai peut prendre cours au plus tôt à partir de l'année d'imposition 2009.
Le délai de cinq ans, [6 visé à l'alinéa premier, 4° à 7°]6, prend cours l'année suivant l'année dans laquelle le niveau E donnant droit à une réduction est déterminé pour la première fois pour le bien immobilier bâti en question. Ce délai peut prendre cours au plus tôt à partir de l'année d'imposition 2014.
[1 Seuls les biens immeubles bâtis, pour lesquels le niveau E requis a été fixé pour l'ensemble du bâtiment, entrent en ligne de compte pour les réductions, visées à l'alinéa premier. [2 [6 Les réductions ne sont accordées que s'il s'agit d'une reconstruction partielle, d'une reconstruction, d'une rénovation ou d'une nouvelle construction telles que visées à l'article 1.1.1, § 2, 46/2°, 47/2°, 50° et 110° de l'Arrêté relatif à l'Energie du 19 novembre 2010 et si toutes les exigences PEB visées au titre IX, chapitre I de l'Arrêté relatif à l'Energie du 19 novembre 2010 qui sont applicables au(x) permis d'environnement pour actes urbanistiques du projet de construction spécifique sont respectées.]6]2]1
En cas de transfert d'un bien immobilier pour lequel est accordée une réduction telle que visée à l'alinéa premier, la réduction reprend cours en faveur de l'acquéreur du bien à partir de l'année d'imposition suivant l'année du transfert, pour les années d'imposition encore restantes dans la période de dix ou de cinq ans.
Änderungen
----------
----------
Art. 2.1.5.0.2. § 1. Op aanvraag van de belastingschuldige wordt :
1° de vermindering van de onroerende voorheffing, vermeld in artikel 2.1.5.0.1, § 1, 1°, op 50 % gebracht voor een tijdperk van vijf jaar dat aanvangt met het eerste jaar waarvoor de onroerende voorheffing is verschuldigd, als het een woning betreft die de belastingplichtige heeft laten bouwen of nieuw gebouwd heeft aangekocht;
2° een vermindering van 20 % van de onroerende voorheffing verleend voor de woning die wordt betrokken door een oorlogsverminkte die het voordeel geniet van artikel 13 van de samengeordende wetten op de vergoedingspensioenen, gecoördineerd op 5 oktober 1948;
3° een kwijtschelding of proportionele vermindering van de onroerende voorheffing verleend als het belastbaar inkomen overeenkomstig artikel 15 van het federale WIB 92 kan worden verminderd;
4° de vermindering van de onroerende voorheffing, vermeld in artikel 2.1.5.0.1, § 1, 2°, verleend voor de kinderen van grensarbeiders die ingevolge de regelgeving in het land waar de grensarbeiders zijn tewerkgesteld, van ieder stelsel van [2 gezinsbijslag]2 zijn uitgesloten, als ze volgens de Belgische regelgeving inzake [2 gezinsbijslag]2 in aanmerking zouden komen voor [2 gezinsbijslag]2.
§ 2. Voor onroerende goederen die langer dan twaalf maanden niet in gebruik zijn genomen, rekening houdend met het vorige aanslagjaar, kan de kwijtschelding of proportionele vermindering van de onroerende voorheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°, alleen worden verleend voor :
1° een niet-gemeubileerd gebouwd onroerend goed, opgenomen in een onteigeningsplan;
2° een niet-gemeubileerd gebouwd onroerend goed in renovatie of verbouwing met sociaal of cultureel doel, uitgevoerd door een sociale woonorganisatie of in opdracht van een overheid;
3° een onroerend goed waarvan door toedoen van een ramp, overmacht, een lopende gerechtelijke of administratieve procedure of onderzoek of een niet-afgehandelde procedure van erfenis de belastingplichtige zijn zakelijke rechten niet kan uitoefenen.
De kwijtschelding of proportionele vermindering voor het geval, vermeld in het eerste lid, 2°, kan worden verleend voor een periode van maximaal vijf jaar.
[1 ...]1.
1° de vermindering van de onroerende voorheffing, vermeld in artikel 2.1.5.0.1, § 1, 1°, op 50 % gebracht voor een tijdperk van vijf jaar dat aanvangt met het eerste jaar waarvoor de onroerende voorheffing is verschuldigd, als het een woning betreft die de belastingplichtige heeft laten bouwen of nieuw gebouwd heeft aangekocht;
2° een vermindering van 20 % van de onroerende voorheffing verleend voor de woning die wordt betrokken door een oorlogsverminkte die het voordeel geniet van artikel 13 van de samengeordende wetten op de vergoedingspensioenen, gecoördineerd op 5 oktober 1948;
3° een kwijtschelding of proportionele vermindering van de onroerende voorheffing verleend als het belastbaar inkomen overeenkomstig artikel 15 van het federale WIB 92 kan worden verminderd;
4° de vermindering van de onroerende voorheffing, vermeld in artikel 2.1.5.0.1, § 1, 2°, verleend voor de kinderen van grensarbeiders die ingevolge de regelgeving in het land waar de grensarbeiders zijn tewerkgesteld, van ieder stelsel van [2 gezinsbijslag]2 zijn uitgesloten, als ze volgens de Belgische regelgeving inzake [2 gezinsbijslag]2 in aanmerking zouden komen voor [2 gezinsbijslag]2.
§ 2. Voor onroerende goederen die langer dan twaalf maanden niet in gebruik zijn genomen, rekening houdend met het vorige aanslagjaar, kan de kwijtschelding of proportionele vermindering van de onroerende voorheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°, alleen worden verleend voor :
1° een niet-gemeubileerd gebouwd onroerend goed, opgenomen in een onteigeningsplan;
2° een niet-gemeubileerd gebouwd onroerend goed in renovatie of verbouwing met sociaal of cultureel doel, uitgevoerd door een sociale woonorganisatie of in opdracht van een overheid;
3° een onroerend goed waarvan door toedoen van een ramp, overmacht, een lopende gerechtelijke of administratieve procedure of onderzoek of een niet-afgehandelde procedure van erfenis de belastingplichtige zijn zakelijke rechten niet kan uitoefenen.
De kwijtschelding of proportionele vermindering voor het geval, vermeld in het eerste lid, 2°, kan worden verleend voor een periode van maximaal vijf jaar.
[1 ...]1.
Art. 2.1.5.0.2. § 1er. Sur la demande du redevable :
1° la réduction du précompte immobilier, visée à l'article 2.1.5.0.1, § 1er, 1°, est portée à 50 % pour une période de cinq ans qui prend cours la première année pour laquelle le précompte immobilier est dû, lorsqu'il s'agit d'une habitation que le contribuable a fait bâtir ou qu'il a acheté comme construction neuve;
2° une réduction de 20 % du précompte immobilier est accordée pour l'habitation qui est occupée par un mutilé de guerre bénéficiant de l'avantage de l'article 13 des lois coordonnées sur les pensions de réparation, coordonnées le 5 octobre 1948;
3° une remise ou réduction proportionnelle du précompte immobilier est accordée lorsque le revenu imposable peut être réduit conformément à l'article 15 du CIR 92 fédéral;
4° la réduction du précompte immobilier, visée à l'article 2.1.5.0.1, § 1er, 2°, est accordée pour les enfants de travailleurs frontaliers qui, en vertu de la réglementation du pays où les travailleurs frontaliers sont occupés, sont exclus de tout régime d'allocations familiales, pour autant que ces enfants, aux termes de la réglementation belge relative aux allocations familiales, entreraient en ligne de compte pour des allocations familiales.
§ 2. Pour des biens immobiliers qui n'ont pas été occupés pendant plus de douze mois, compte tenu de l'année d'imposition précédente, la remise ou réduction proportionnelle du précompte immobilier, visée au paragraphe 1er, alinéa premier, 3°, peut uniquement être accordée pour :
1° un bien immobilier bâti non meublé, repris dans un plan d'expropriation;
2° un bien immobilier bâti non meublé en voie de rénovation ou de transformation et ayant un but social ou culturel, exécutée par une organisation de logement social ou sur l'ordre d'une autorité;
3° un bien immobilier dont, pour cause d'une calamité, de force majeure, d'une procédure ou d'une enquête administrative ou judiciaire en cours ou d'une procédure d'héritage non finalisée, le contribuable ne peut exercer ses droits réels.
La remise ou réduction proportionnelle pour le cas, visé à l'alinéa premier, 2°, peut être accordée pour une période de cinq ans au maximum.
[1 ...]1.
1° la réduction du précompte immobilier, visée à l'article 2.1.5.0.1, § 1er, 1°, est portée à 50 % pour une période de cinq ans qui prend cours la première année pour laquelle le précompte immobilier est dû, lorsqu'il s'agit d'une habitation que le contribuable a fait bâtir ou qu'il a acheté comme construction neuve;
2° une réduction de 20 % du précompte immobilier est accordée pour l'habitation qui est occupée par un mutilé de guerre bénéficiant de l'avantage de l'article 13 des lois coordonnées sur les pensions de réparation, coordonnées le 5 octobre 1948;
3° une remise ou réduction proportionnelle du précompte immobilier est accordée lorsque le revenu imposable peut être réduit conformément à l'article 15 du CIR 92 fédéral;
4° la réduction du précompte immobilier, visée à l'article 2.1.5.0.1, § 1er, 2°, est accordée pour les enfants de travailleurs frontaliers qui, en vertu de la réglementation du pays où les travailleurs frontaliers sont occupés, sont exclus de tout régime d'allocations familiales, pour autant que ces enfants, aux termes de la réglementation belge relative aux allocations familiales, entreraient en ligne de compte pour des allocations familiales.
§ 2. Pour des biens immobiliers qui n'ont pas été occupés pendant plus de douze mois, compte tenu de l'année d'imposition précédente, la remise ou réduction proportionnelle du précompte immobilier, visée au paragraphe 1er, alinéa premier, 3°, peut uniquement être accordée pour :
1° un bien immobilier bâti non meublé, repris dans un plan d'expropriation;
2° un bien immobilier bâti non meublé en voie de rénovation ou de transformation et ayant un but social ou culturel, exécutée par une organisation de logement social ou sur l'ordre d'une autorité;
3° un bien immobilier dont, pour cause d'une calamité, de force majeure, d'une procédure ou d'une enquête administrative ou judiciaire en cours ou d'une procédure d'héritage non finalisée, le contribuable ne peut exercer ses droits réels.
La remise ou réduction proportionnelle pour le cas, visé à l'alinéa premier, 2°, peut être accordée pour une période de cinq ans au maximum.
[1 ...]1.
Änderungen
()<DCFLxxxxxxxxxxxxxxx
Art. 2.1.5.0.3. De verminderingen, vermeld in artikel 2.1.5.0.1, § 1, 1° tot en met 3°, [2 artikel 2.1.5.0.1, § 1/1,]2 [1 artikel 2.1.5.0.1, § 2, eerste lid, 1° tot en met 7°]1, en artikel 2.1.5.0.2, § 1, 1° en 2°, worden beoordeeld naar de toestand op 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar van de onroerende voorheffing wordt genoemd. Die verminderingen kunnen worden samengevoegd, met uitzondering van de vermindering, vermeld in artikel 2.1.5.0.1, § 2, eerste lid, 3°, die niet samengevoegd kan worden met de verminderingen, vermeld in artikel 2.1.5.0.1, § 2, eerste lid, 1° en 2°.
Art. 2.1.5.0.3. Les réductions, visées à l'article 2.1.5.0.1, § 1er, 1° à 3° inclus, [2 article 2.1.5.0.1, § 1er/1,]2 [1 à l'article 2.1.5.0.1, § 2, alinéa premier, 1° à 7° inclus]1, et à l'article 2.1.5.0.2, § 1er, 1° et 2°, sont évaluées en fonction de la situation le 1er janvier de l'année dont le millésime désigne l'année d'imposition du précompte immobilier. Ces réductions peuvent être cumulées, à l'exception de la réduction, visée à l'article 2.1.5.0.1, § 2, alinéa premier, 3°, qui ne peut être cumulée avec les réductions, visées à l'article 2.1.5.0.1, § 2, alinéa premier, 1° et 2°.
Art. 2.1.5.0.4. De verminderingen, vermeld in artikel 2.1.5.0.1, § 1, 2° en 3°, [2 artikel 2.1.5.0.1, § 1/1]2 en artikel 2.1.5.0.2, § 1, 2°, zijn van de huur aftrekbaar, niettegenstaande elk beding dat strijdig is daarmee. De verminderingen zijn niet van toepassing op het gedeelte van de woning of van het onroerend goed dat wordt bewoond door personen die geen deel uitmaken van hetzelfde gezin of die niet tot het gezin van de betrokken oorlogsverminkte of van het gehandicapt kind of de [1 persoon met een handicap]1 behoren.
Art. 2.1.5.0.4. Les réductions, visées à l'article 2.1.5.0.1, § 1er, 2° et 3°, [1 article 2.1.5.0.1, § 1er/1]1 et à l'article 2.1.5.0.2, § 1er, 2°, sont déductibles du loyer, nonobstant toute convention contraire. Les réductions ne sont pas applicables à la partie de l'habitation ou du bien immobilier qui est occupée par des personnes qui ne font pas partie de la même famille ou qui n'appartiennent pas à la famille du mutilé de guerre ou de l'enfant handicapé ou de la personne handicapée concernés.
Änderungen
()<DCFLxxxxxxxxxx
Art. 2.1.5.0.5. Als de grens van 745 euro, vermeld in artikel 2.1.5.0.1, § 1, 1°, wordt overschreden, blijft de vermindering van 25 % ingevolge die bepaling niettemin behouden voor de belastingplichtige die ze genoten heeft voor het aanslagjaar 1979, zolang :
1° de belastingplichtige zijn woning volledig blijft betrekken;
2° het overschrijden van de grens van 745 euro uitsluitend het gevolg is van de algemene perequatie van de kadastrale inkomens die van toepassing is met ingang van het aanslagjaar 1980;
3° het kadastraal inkomen van zijn gezamenlijke, in het Vlaamse Gewest gelegen, onroerende goederen niet meer bedraagt dan 992 euro.
1° de belastingplichtige zijn woning volledig blijft betrekken;
2° het overschrijden van de grens van 745 euro uitsluitend het gevolg is van de algemene perequatie van de kadastrale inkomens die van toepassing is met ingang van het aanslagjaar 1980;
3° het kadastraal inkomen van zijn gezamenlijke, in het Vlaamse Gewest gelegen, onroerende goederen niet meer bedraagt dan 992 euro.
Art. 2.1.5.0.5. Lorsque la limite de 745 euros, visée à l'article 2.1.5.0.1, § 1er, 1°, est dépassée, la réduction de 25 % prévue par cette disposition est néanmoins maintenue au profit du contribuable qui en a bénéficié pour l'année d'imposition 1979, aussi longtemps que :
1° le contribuable occupe entièrement son habitation;
2° le dépassement de la limite de 745 euros résulte exclusivement de la péréquation générale des revenus cadastraux applicable à partir de l'année d'imposition 1980;
3° le revenu cadastral de l'ensemble de ses biens immobiliers, situés en Région flamande, n'est pas supérieur à 992 euros.
1° le contribuable occupe entièrement son habitation;
2° le dépassement de la limite de 745 euros résulte exclusivement de la péréquation générale des revenus cadastraux applicable à partir de l'année d'imposition 1980;
3° le revenu cadastral de l'ensemble de ses biens immobiliers, situés en Région flamande, n'est pas supérieur à 992 euros.
Art. 2.1.5.0.7. [1 Aan de belastingplichtige rechtspersoon wordt een belastingkrediet toegekend dat gelijk is aan :
1° [3 ...]3
2° [2 [3 ...]3]2
3° 2,5 % van het kadastraal inkomen vermenigvuldigd met de coëfficiënt, vermeld in artikel 2.1.4.0.1, § 3, tweede lid, als het tarief, vermeld in artikel 2.1.4.0.1, § 3, van toepassing is.
Het belastingkrediet, vermeld in het eerste lid, kan nooit meer bedragen dan de onroerende voorheffing, na toepassing van vrijstellingen en verminderingen.
Het belastingkrediet, vermeld in het eerste lid, komt volledig ten laste van het Vlaamse Gewest.]1
1° [3 ...]3
2° [2 [3 ...]3]2
3° 2,5 % van het kadastraal inkomen vermenigvuldigd met de coëfficiënt, vermeld in artikel 2.1.4.0.1, § 3, tweede lid, als het tarief, vermeld in artikel 2.1.4.0.1, § 3, van toepassing is.
Het belastingkrediet, vermeld in het eerste lid, kan nooit meer bedragen dan de onroerende voorheffing, na toepassing van vrijstellingen en verminderingen.
Het belastingkrediet, vermeld in het eerste lid, komt volledig ten laste van het Vlaamse Gewest.]1
Art. 2.1.5.0.7. [1 Il est accordé au contribuable un crédit d'impôt égal à :
1° [3 ...]3
2° [2 [3 ...]3]2
3° 2,5 % du revenu cadastral multiplié par le coefficient, visé à l'article 2.1.4.0.1, § 3, alinéa 2, si le tarif, visé à l'article 2.1.4.0.1, § 3, s'applique.
Le crédit d'impôt, visé à l'alinéa 1er, ne peut pas dépasser le précompte immobilier, après l'application des exonérations et réductions.
Le crédit d'impôt, visé à l'alinéa premier, est entièrement à charge de la Région flamande.]1
1° [3 ...]3
2° [2 [3 ...]3]2
3° 2,5 % du revenu cadastral multiplié par le coefficient, visé à l'article 2.1.4.0.1, § 3, alinéa 2, si le tarif, visé à l'article 2.1.4.0.1, § 3, s'applique.
Le crédit d'impôt, visé à l'alinéa 1er, ne peut pas dépasser le précompte immobilier, après l'application des exonérations et réductions.
Le crédit d'impôt, visé à l'alinéa premier, est entièrement à charge de la Région flamande.]1
Afdeling 6. - Vrijstellingen
Section 6. - Exonérations
Art. 2.1.6.0.1. Op aanvraag van de belastingschuldige wordt een vrijstelling van de onroerende voorheffing verleend voor het kadastraal inkomen van :
1° de onroerende goederen of delen ervan, gelegen in het Vlaamse Gewest die een belastingplichtige of een bewoner zonder winstoogmerk heeft bestemd voor het openbaar uitoefenen van een eredienst of van de vrijzinnige morele dienstverlening, voor onderwijs, voor het vestigen van hospitalen, klinieken, dispensaria, rusthuizen, vakantiehuizen voor [2 ...]2 gepensioneerden, of van andere soortgelijke weldadigheidsinstellingen;
2° de onroerende goederen die een vreemde staat heeft bestemd voor de huisvesting van zijn diplomatieke of consulaire zendingen of van culturele instellingen die zich niet met verrichtingen van winstgevende aard bezighouden, op voorwaarde van wederkerigheid;
3° de onroerende goederen die de aard van nationale domeingoederen hebben, op zichzelf niets opbrengen en voor een openbare dienst of voor een dienst van algemeen nut worden gebruikt;
4° de nieuwe onroerende goederen, vermeld in artikel 471, § 3, van het federale WIB 92, waarvoor overeenkomstig artikel 472, § 2, van het federale WIB 92 een kadastraal inkomen wordt vastgesteld vanaf 1 januari 2008;
5° de nieuwe onroerende goederen, vermeld in artikel 471, § 3, van het federale WIB 92, die overeenkomstig artikel 472, § 2, van het federale WIB 92 na 1 januari 1998 en voor 1 januari 2008 aanleiding hebben gegeven tot een verhoogd kadastraal inkomen in vergelijking met het kadastraal inkomen per 1 januari 1998;
6° de nieuwe onroerende goederen, vermeld in artikel 471, § 3, van het federale WIB 92, waarvoor voor de eerste keer, overeenkomstig artikel 472, § 2, van het federale WIB 92, een kadastraal inkomen is vastgesteld na 1 januari 1998 en voor 1 januari 2008;
7° de onroerende goederen die onder de toepassing van het Bosdecreet van 13 juni 1990 vallen en [7 ...]7 die erkend zijn voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal als vermeld in artikel 42 van het voormelde decreet;
8° [5 de als monument beschermde onroerende goederen of delen ervan die de Vlaamse Regering in erfpacht heeft gegeven of in volle eigendom heeft afgestaan aan een vereniging of stichting die is opgericht overeenkomstig [8 het Wetboek van vennootschappen en verenigingen]8, en waarvan de hoofddoelstelling erin bestaat een of meer beschermde onroerende goederen waarvan ze eigenaar of erfpachter is, in stand te houden, te beheren en te ontsluiten;]5
[1 9° de onroerende goederen, vermeld in artikel 471, § 3, van het federale WIB 92 voor het gedeelte dat overeenstemt met het kadastraal inkomen van de nieuwe onroerende goederen waarvoor overeenkomstig artikel 472, § 2, van het federale WIB 92 een kadastraal inkomen wordt vastgesteld vanaf 1 januari 2014 en voor 1 januari [3 2020]3. Die vrijstelling kan cumulatief worden genoten met de vrijstellingen, vermeld in punt 4° tot en met punt 6°.]1
[6 10° de onbebouwde onroerende goederen waarvoor een natuurbeheerplan als vermeld in artikel 16ter, § 1, 4°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, is goedgekeurd conform de bepalingen en uitvoeringsbepalingen van het voormelde decreet.]6
De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 3°, is van de drie voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 3°, samen afhankelijk. [4 Bij de beoordeling van de voorwaarde dat de goederen op zichzelf niets mogen opbrengen wordt geen rekening gehouden met het feit dat deze onroerende goederen worden gebruikt voor het installeren van hernieuwbare energietechnologieën zoals vermeld in het Energiedecreet van 8 mei 2009, zelfs indien de belastingschuldige daarvoor een vergoeding krijgt van een derde partij.]4
De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 5°, wordt verleend voor het gedeelte dat het kadastraal inkomen, vastgesteld op 1 januari 1998, overschrijdt.
De vrijstellingen, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 3°, worden ook verleend als het onroerend goed in kwestie het voorwerp uitmaakt van een financiering door middel van financiële leasing of huurkoop met uitgestelde eigendomsoverdracht voor de duur van de overeenkomst. Onder die overeenkomsten worden zowel de leasingovereenkomsten, vermeld in artikel 44, § 3, 2°, b), van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, als [8 de leasingovereenkomsten of vergelijkbare overeenkomsten, vermeld in het koninklijk besluit van 29 april 2019 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen]8, begrepen.
[1 In afwijking van het eerste lid, 4° en 9°, wordt de vrijstelling verleend, hetzij voor nieuwe onroerende goederen waarvoor voor de eerste keer een kadastraal inkomen is vastgesteld, hetzij voor het gedeelte dat het kadastraal inkomen, vastgesteld op 1 januari 1998, overschrijdt voor nieuwe onroerende goederen die na 1 januari 1998 aanleiding hebben gegeven tot een verhoogd kadastraal inkomen in vergelijking met het kadastraal inkomen per 1 januari 1998, voor de belastingplichtige die behoort tot een doelgroep waarvoor de Vlaamse Regering, met toepassing van artikel 7.7.1, § 2, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, een ontwerp van energiebeleidsovereenkomst heeft voorgelegd aan het Vlaams Parlement, en de belastingplichtige die overeenkomst niet heeft ondertekend of niet naleeft.]1
[1 De nieuwe onroerende goederen die geplaatst worden in industriële, nijverheids- of handelsgebouwen die met toepassing van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 in overtreding zijn inzake de bouwvergunning, komen niet in aanmerking voor de toepassing van het eerste lid, 4°, 5° en 9°.]1
1° de onroerende goederen of delen ervan, gelegen in het Vlaamse Gewest die een belastingplichtige of een bewoner zonder winstoogmerk heeft bestemd voor het openbaar uitoefenen van een eredienst of van de vrijzinnige morele dienstverlening, voor onderwijs, voor het vestigen van hospitalen, klinieken, dispensaria, rusthuizen, vakantiehuizen voor [2 ...]2 gepensioneerden, of van andere soortgelijke weldadigheidsinstellingen;
2° de onroerende goederen die een vreemde staat heeft bestemd voor de huisvesting van zijn diplomatieke of consulaire zendingen of van culturele instellingen die zich niet met verrichtingen van winstgevende aard bezighouden, op voorwaarde van wederkerigheid;
3° de onroerende goederen die de aard van nationale domeingoederen hebben, op zichzelf niets opbrengen en voor een openbare dienst of voor een dienst van algemeen nut worden gebruikt;
4° de nieuwe onroerende goederen, vermeld in artikel 471, § 3, van het federale WIB 92, waarvoor overeenkomstig artikel 472, § 2, van het federale WIB 92 een kadastraal inkomen wordt vastgesteld vanaf 1 januari 2008;
5° de nieuwe onroerende goederen, vermeld in artikel 471, § 3, van het federale WIB 92, die overeenkomstig artikel 472, § 2, van het federale WIB 92 na 1 januari 1998 en voor 1 januari 2008 aanleiding hebben gegeven tot een verhoogd kadastraal inkomen in vergelijking met het kadastraal inkomen per 1 januari 1998;
6° de nieuwe onroerende goederen, vermeld in artikel 471, § 3, van het federale WIB 92, waarvoor voor de eerste keer, overeenkomstig artikel 472, § 2, van het federale WIB 92, een kadastraal inkomen is vastgesteld na 1 januari 1998 en voor 1 januari 2008;
7° de onroerende goederen die onder de toepassing van het Bosdecreet van 13 juni 1990 vallen en [7 ...]7 die erkend zijn voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal als vermeld in artikel 42 van het voormelde decreet;
8° [5 de als monument beschermde onroerende goederen of delen ervan die de Vlaamse Regering in erfpacht heeft gegeven of in volle eigendom heeft afgestaan aan een vereniging of stichting die is opgericht overeenkomstig [8 het Wetboek van vennootschappen en verenigingen]8, en waarvan de hoofddoelstelling erin bestaat een of meer beschermde onroerende goederen waarvan ze eigenaar of erfpachter is, in stand te houden, te beheren en te ontsluiten;]5
[1 9° de onroerende goederen, vermeld in artikel 471, § 3, van het federale WIB 92 voor het gedeelte dat overeenstemt met het kadastraal inkomen van de nieuwe onroerende goederen waarvoor overeenkomstig artikel 472, § 2, van het federale WIB 92 een kadastraal inkomen wordt vastgesteld vanaf 1 januari 2014 en voor 1 januari [3 2020]3. Die vrijstelling kan cumulatief worden genoten met de vrijstellingen, vermeld in punt 4° tot en met punt 6°.]1
[6 10° de onbebouwde onroerende goederen waarvoor een natuurbeheerplan als vermeld in artikel 16ter, § 1, 4°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, is goedgekeurd conform de bepalingen en uitvoeringsbepalingen van het voormelde decreet.]6
De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 3°, is van de drie voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 3°, samen afhankelijk. [4 Bij de beoordeling van de voorwaarde dat de goederen op zichzelf niets mogen opbrengen wordt geen rekening gehouden met het feit dat deze onroerende goederen worden gebruikt voor het installeren van hernieuwbare energietechnologieën zoals vermeld in het Energiedecreet van 8 mei 2009, zelfs indien de belastingschuldige daarvoor een vergoeding krijgt van een derde partij.]4
De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 5°, wordt verleend voor het gedeelte dat het kadastraal inkomen, vastgesteld op 1 januari 1998, overschrijdt.
De vrijstellingen, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 3°, worden ook verleend als het onroerend goed in kwestie het voorwerp uitmaakt van een financiering door middel van financiële leasing of huurkoop met uitgestelde eigendomsoverdracht voor de duur van de overeenkomst. Onder die overeenkomsten worden zowel de leasingovereenkomsten, vermeld in artikel 44, § 3, 2°, b), van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, als [8 de leasingovereenkomsten of vergelijkbare overeenkomsten, vermeld in het koninklijk besluit van 29 april 2019 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen]8, begrepen.
[1 In afwijking van het eerste lid, 4° en 9°, wordt de vrijstelling verleend, hetzij voor nieuwe onroerende goederen waarvoor voor de eerste keer een kadastraal inkomen is vastgesteld, hetzij voor het gedeelte dat het kadastraal inkomen, vastgesteld op 1 januari 1998, overschrijdt voor nieuwe onroerende goederen die na 1 januari 1998 aanleiding hebben gegeven tot een verhoogd kadastraal inkomen in vergelijking met het kadastraal inkomen per 1 januari 1998, voor de belastingplichtige die behoort tot een doelgroep waarvoor de Vlaamse Regering, met toepassing van artikel 7.7.1, § 2, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, een ontwerp van energiebeleidsovereenkomst heeft voorgelegd aan het Vlaams Parlement, en de belastingplichtige die overeenkomst niet heeft ondertekend of niet naleeft.]1
[1 De nieuwe onroerende goederen die geplaatst worden in industriële, nijverheids- of handelsgebouwen die met toepassing van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 in overtreding zijn inzake de bouwvergunning, komen niet in aanmerking voor de toepassing van het eerste lid, 4°, 5° en 9°.]1
Änderungen
Art. 2.1.6.0.1. Sur la demande du redevable, une exonération du précompte immobilier est accordée pour le revenu cadastral :
1° des biens immobiliers ou des parties de biens immobiliers, situés en Région flamande, qu'un contribuable ou un occupant a affectés sans but lucratif à l'exercice public d'un culte ou de l'assistance morale laïque, à l'enseignement, à l'installation d'hôpitaux, de cliniques, de dispensaires, de maisons de repos, de maisons de vacances pour [2 ...]2 des personnes pensionnées, ou d'autres oeuvres analogues de bienfaisance;
2° des biens immobiliers qu'un état étranger a affectés à l'installation de ses missions diplomatiques ou consulaires ou d'institutions culturelles ne se livrant pas à des opérations de caractère lucratif, sous condition de réciprocité;
3° des biens immobiliers qui ont le caractère de domaines nationaux, sont improductifs par eux-mêmes et sont affectés à un service public ou d'intérêt général;
4° des biens immobiliers nouveaux, visés à l'article 471, § 3, du CIR 92 fédéral, pour lesquels, conformément à l'article 472, § 2, du CIR 92 fédéral, un revenu cadastral est fixé à partir du 1er janvier 2008;
5° des biens immobiliers nouveaux, visés à l'article 471, § 3, du CIR 92 fédéral, qui, conformément à l'article 472, § 2, du CIR 92 fédéral ont donné lieu après le 1er janvier 1998 et avant le 1er janvier 2008 à un revenu cadastral majoré par rapport au revenu cadastral fixé le 1er janvier 1998;
6° des biens immobiliers nouveaux, visés à l'article 471, § 3, du CIR 92 fédéral, pour lesquels, conformément à l'article 472, § 2, du CIR 92 fédéral, un revenu cadastral est fixé pour la première fois après le 1er janvier 1998 et avant le 1er janvier 2008;
7° des biens immobiliers régis par le décret forestier du 13 juin 1990 et [7 ...]7 qui ont été agréés pour la production de matériel de multiplication sylvicole, tel que visé à l'article 42 du décret précité;
8° [5 les biens immobiliers protégés en tant que monuments, ou des parties de ceux-ci, que le Gouvernement flamand a donnés en bail emphytéotique ou cédés en pleine propriété à une association ou fondation constituée conformément [8 au Code des sociétés et des associations]8, dont l'objectif principal est de conserver, gérer et ouvrir au public un ou plusieurs biens immobiliers protégés dont elle est propriétaire ou emphytéote ;]5
[1 9° des biens immobiliers, visés à l'article 471, § 3, du CIR 92 fédéral, pour la partie qui correspond au revenu cadastral des nouveaux biens immobiliers pour lesquels, conformément à l'article 472, § 2, du CIR 92 fédéral, un revenu cadastral est fixé à partir du 1er janvier 2014 et avant le 1er janvier [3 2020]3. Cette exonération peut être cumulée avec les exonérations, visées aux points 4° à 6° inclus.]1
[6 10° les biens immobiliers non bâtis pour lesquels un plan de gestion de la nature, tel que visé à l'article 16ter, § 1er, 4°, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, a été approuvé conformément aux dispositions et aux modalités d'exécution du décret précité.]6
L'exonération, visée à l'alinéa premier, 3°, est subordonnée à la réunion des trois conditions, visées à l'alinéa premier, 3°. [4 Lors de l'évaluation de la condition que les biens sont improductifs par eux-mêmes, il n'est pas tenu compte du fait que ces biens immobiliers sont utilisés pour l'installation de technologies d'énergie renouvelables telles que visées au Décret sur l'Energie du 8 mai 2009, même si le contribuable reçoit une indemnité d'une tierce partie.]4
L'exonération, visée à l'alinéa premier, 5°, est accordée pour la partie excédant le revenu cadastral, fixé le 1er janvier 1998.
Les exonérations, visées à l'alinéa premier, 1° à 3° inclus, sont également accordées lorsque le bien immobilier en question fait l'objet d'un financement par voie de crédit-bail ou de location-achat avec transfert de propriété remise pour la durée de la convention. Par ces conventions, on entend tant les conventions de leasing, visées à l'article 44, § 3, 2°, b), du Code de la TVA, que [8 les conventions de leasing ou les conventions comparables, visées à l'arrêté royal du 29 avril 2019 portant exécution du Code des sociétés et des associations]8.
[1 Par dérogation à l'alinéa premier, 4° et 9°, l'exonération est accordée, soit pour des biens immobiliers nouveaux pour lesquels un revenu cadastral a été fixé pour la première fois, soit pour la partie excédant le revenu cadastral, fixé le 1er janvier 1998, pour des biens immobiliers nouveaux ayant donné lieu après le 1er janvier 1998 à une augmentation du revenu cadastral par rapport au revenu cadastral fixé le 1er janvier 1998, pour le contribuable appartenant à un groupe-cible pour lequel le Gouvernement flamand, en application de l'article 7.7.1, § 2, du décret sur l'énergie du 8 mai 2009, a soumis un projet de convention énergétique au Parlement flamand, et que ce contribuable n'a pas signé ou ne respecte pas cette convention.]1
[1 Les biens immobiliers nouveaux placés dans des bâtiments industriels, d'entreprise ou commerciaux qui, en application du Code flamand de l'Aménagement du territoire du 15 mai 2009, sont en infraction en ce qui concerne l'autorisation de bâtir, n'entrent pas en ligne de compte pour l'application de l'alinéa premier, 4°, 5° et 9°.]1
1° des biens immobiliers ou des parties de biens immobiliers, situés en Région flamande, qu'un contribuable ou un occupant a affectés sans but lucratif à l'exercice public d'un culte ou de l'assistance morale laïque, à l'enseignement, à l'installation d'hôpitaux, de cliniques, de dispensaires, de maisons de repos, de maisons de vacances pour [2 ...]2 des personnes pensionnées, ou d'autres oeuvres analogues de bienfaisance;
2° des biens immobiliers qu'un état étranger a affectés à l'installation de ses missions diplomatiques ou consulaires ou d'institutions culturelles ne se livrant pas à des opérations de caractère lucratif, sous condition de réciprocité;
3° des biens immobiliers qui ont le caractère de domaines nationaux, sont improductifs par eux-mêmes et sont affectés à un service public ou d'intérêt général;
4° des biens immobiliers nouveaux, visés à l'article 471, § 3, du CIR 92 fédéral, pour lesquels, conformément à l'article 472, § 2, du CIR 92 fédéral, un revenu cadastral est fixé à partir du 1er janvier 2008;
5° des biens immobiliers nouveaux, visés à l'article 471, § 3, du CIR 92 fédéral, qui, conformément à l'article 472, § 2, du CIR 92 fédéral ont donné lieu après le 1er janvier 1998 et avant le 1er janvier 2008 à un revenu cadastral majoré par rapport au revenu cadastral fixé le 1er janvier 1998;
6° des biens immobiliers nouveaux, visés à l'article 471, § 3, du CIR 92 fédéral, pour lesquels, conformément à l'article 472, § 2, du CIR 92 fédéral, un revenu cadastral est fixé pour la première fois après le 1er janvier 1998 et avant le 1er janvier 2008;
7° des biens immobiliers régis par le décret forestier du 13 juin 1990 et [7 ...]7 qui ont été agréés pour la production de matériel de multiplication sylvicole, tel que visé à l'article 42 du décret précité;
8° [5 les biens immobiliers protégés en tant que monuments, ou des parties de ceux-ci, que le Gouvernement flamand a donnés en bail emphytéotique ou cédés en pleine propriété à une association ou fondation constituée conformément [8 au Code des sociétés et des associations]8, dont l'objectif principal est de conserver, gérer et ouvrir au public un ou plusieurs biens immobiliers protégés dont elle est propriétaire ou emphytéote ;]5
[1 9° des biens immobiliers, visés à l'article 471, § 3, du CIR 92 fédéral, pour la partie qui correspond au revenu cadastral des nouveaux biens immobiliers pour lesquels, conformément à l'article 472, § 2, du CIR 92 fédéral, un revenu cadastral est fixé à partir du 1er janvier 2014 et avant le 1er janvier [3 2020]3. Cette exonération peut être cumulée avec les exonérations, visées aux points 4° à 6° inclus.]1
[6 10° les biens immobiliers non bâtis pour lesquels un plan de gestion de la nature, tel que visé à l'article 16ter, § 1er, 4°, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, a été approuvé conformément aux dispositions et aux modalités d'exécution du décret précité.]6
L'exonération, visée à l'alinéa premier, 3°, est subordonnée à la réunion des trois conditions, visées à l'alinéa premier, 3°. [4 Lors de l'évaluation de la condition que les biens sont improductifs par eux-mêmes, il n'est pas tenu compte du fait que ces biens immobiliers sont utilisés pour l'installation de technologies d'énergie renouvelables telles que visées au Décret sur l'Energie du 8 mai 2009, même si le contribuable reçoit une indemnité d'une tierce partie.]4
L'exonération, visée à l'alinéa premier, 5°, est accordée pour la partie excédant le revenu cadastral, fixé le 1er janvier 1998.
Les exonérations, visées à l'alinéa premier, 1° à 3° inclus, sont également accordées lorsque le bien immobilier en question fait l'objet d'un financement par voie de crédit-bail ou de location-achat avec transfert de propriété remise pour la durée de la convention. Par ces conventions, on entend tant les conventions de leasing, visées à l'article 44, § 3, 2°, b), du Code de la TVA, que [8 les conventions de leasing ou les conventions comparables, visées à l'arrêté royal du 29 avril 2019 portant exécution du Code des sociétés et des associations]8.
[1 Par dérogation à l'alinéa premier, 4° et 9°, l'exonération est accordée, soit pour des biens immobiliers nouveaux pour lesquels un revenu cadastral a été fixé pour la première fois, soit pour la partie excédant le revenu cadastral, fixé le 1er janvier 1998, pour des biens immobiliers nouveaux ayant donné lieu après le 1er janvier 1998 à une augmentation du revenu cadastral par rapport au revenu cadastral fixé le 1er janvier 1998, pour le contribuable appartenant à un groupe-cible pour lequel le Gouvernement flamand, en application de l'article 7.7.1, § 2, du décret sur l'énergie du 8 mai 2009, a soumis un projet de convention énergétique au Parlement flamand, et que ce contribuable n'a pas signé ou ne respecte pas cette convention.]1
[1 Les biens immobiliers nouveaux placés dans des bâtiments industriels, d'entreprise ou commerciaux qui, en application du Code flamand de l'Aménagement du territoire du 15 mai 2009, sont en infraction en ce qui concerne l'autorisation de bâtir, n'entrent pas en ligne de compte pour l'application de l'alinéa premier, 4°, 5° et 9°.]1
Änderungen
Art. 2.1.6.0.2. [1 Op aanvraag van de belastingschuldige wordt ook een vrijstelling van de onroerende voorheffing verleend voor het kadastraal inkomen van:
1° de onroerende goederen die zijn gebruikt om een kleinhandelsactiviteit uit te oefenen, die in een winkelarm gebied liggen en die op grond van een geldige omgevingsvergunning verbouwd worden tot een of meerdere woningen;
2° de onroerende goederen waarvan minstens de benedenverdieping wordt gebruikt om een kleinhandelsactiviteit uit te oefenen, die in een kernwinkelgebied liggen en waarvan een of meer verdiepingen boven de kleinhandelsactiviteit op grond van een geldige omgevingsvergunning verbouwd worden tot een of meer woningen;
3° de onroerende goederen waar sloopwerkzaamheden, gevolgd door vervangbouw, worden uitgevoerd en die voorafgaand aan de omgevingsvergunning of meldingsakte opgenomen zijn in een van de volgende inventarissen:
a) de inventaris van ongeschikte of onbewoonbare woningen, vermeld in [2 artikel 3.19, § 1, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021]2;
b) de inventaris van leegstaande of verwaarloosde bedrijfsruimten, vermeld in artikel 3, § 1, van het decreet van 19 april 1995.
In het eerste lid wordt verstaan onder:
1° kernwinkelgebied: een kernwinkelgebied als vermeld in artikel 2, 3°, van het decreet van 15 juli 2016 betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid;
2° kleinhandelsactiviteit: de categorieën van kleinhandelsactiviteit, vermeld in artikel 3 van het voormelde decreet;
3° winkelarm gebied: een winkelarm gebied als vermeld in artikel 2, 8°, van het voormelde decreet.
De vrijstellingen, vermeld in het eerste lid, worden verleend voor een periode van vijf jaar.
De vrijstellingen, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, worden verleend vanaf het aanslagjaar dat volgt op het jaar van de effectieve bewoning die blijkt uit de inschrijving in het bevolkings- of vreemdelingenregister binnen vijf jaar na de voorlopige oplevering van de ombouwwerken.
De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 2°, wordt verleend voor het gedeelte dat is bestemd voor huisvesting.
De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 3°, wordt verleend vanaf het aanslagjaar dat volgt op het jaar dat het onroerend goed niet meer voorkomt in de inventaris en wordt in voorkomend geval beperkt tot het gedeelte van het bedrag van de belasting dat, inclusief de provinciale en gemeentelijke opcentiemen, per woning niet hoger is dan 1000 euro of per bedrijfsruimte niet hoger is dan 4000 euro.
De vrijstellingen, vermeld in het eerste lid, zijn overdraagbaar op de rechtsopvolger.
De Vlaamse Regering kan de nadere regels voor de aanvraag van de vrijstellingen bepalen.]1
1° de onroerende goederen die zijn gebruikt om een kleinhandelsactiviteit uit te oefenen, die in een winkelarm gebied liggen en die op grond van een geldige omgevingsvergunning verbouwd worden tot een of meerdere woningen;
2° de onroerende goederen waarvan minstens de benedenverdieping wordt gebruikt om een kleinhandelsactiviteit uit te oefenen, die in een kernwinkelgebied liggen en waarvan een of meer verdiepingen boven de kleinhandelsactiviteit op grond van een geldige omgevingsvergunning verbouwd worden tot een of meer woningen;
3° de onroerende goederen waar sloopwerkzaamheden, gevolgd door vervangbouw, worden uitgevoerd en die voorafgaand aan de omgevingsvergunning of meldingsakte opgenomen zijn in een van de volgende inventarissen:
a) de inventaris van ongeschikte of onbewoonbare woningen, vermeld in [2 artikel 3.19, § 1, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021]2;
b) de inventaris van leegstaande of verwaarloosde bedrijfsruimten, vermeld in artikel 3, § 1, van het decreet van 19 april 1995.
In het eerste lid wordt verstaan onder:
1° kernwinkelgebied: een kernwinkelgebied als vermeld in artikel 2, 3°, van het decreet van 15 juli 2016 betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid;
2° kleinhandelsactiviteit: de categorieën van kleinhandelsactiviteit, vermeld in artikel 3 van het voormelde decreet;
3° winkelarm gebied: een winkelarm gebied als vermeld in artikel 2, 8°, van het voormelde decreet.
De vrijstellingen, vermeld in het eerste lid, worden verleend voor een periode van vijf jaar.
De vrijstellingen, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, worden verleend vanaf het aanslagjaar dat volgt op het jaar van de effectieve bewoning die blijkt uit de inschrijving in het bevolkings- of vreemdelingenregister binnen vijf jaar na de voorlopige oplevering van de ombouwwerken.
De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 2°, wordt verleend voor het gedeelte dat is bestemd voor huisvesting.
De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 3°, wordt verleend vanaf het aanslagjaar dat volgt op het jaar dat het onroerend goed niet meer voorkomt in de inventaris en wordt in voorkomend geval beperkt tot het gedeelte van het bedrag van de belasting dat, inclusief de provinciale en gemeentelijke opcentiemen, per woning niet hoger is dan 1000 euro of per bedrijfsruimte niet hoger is dan 4000 euro.
De vrijstellingen, vermeld in het eerste lid, zijn overdraagbaar op de rechtsopvolger.
De Vlaamse Regering kan de nadere regels voor de aanvraag van de vrijstellingen bepalen.]1
Art. 2.1.6.0.2. [1 Sur la demande du redevable, une exonération du précompte immobilier est également accordée pour le revenu cadastral :
1° des biens immobiliers utilisés pour exercer une activité de commerce de détail, qui se situent dans une zone pauvre en commerces et qui, sur la base d'un permis d'environnement valable, sont transformés en une ou plusieurs habitations ;
2° des biens immobiliers dont au moins le rez-de-chaussée est utilisé pour exercer une activité de commerce de détail, qui se situent dans un noyau commercial principal et dont un ou plusieurs étages au-dessus de l'activité de commerce de détail sont transformés, sur la base d'un permis d'environnement valable, en une ou plusieurs habitations ;
3° des biens immobiliers où des travaux de destruction, suivis par une construction de remplacement, sont effectués et qui, préalablement au permis d'environnement ou à l'acte de déclaration, sont repris dans un des inventaires suivants :
a) l'inventaire d'habitations inadaptées ou inhabitables, visé à [2 l'article 3.19, § 1er, du Code flamand du Logement de 2021]2 ;
b) l'inventaire des sites d'activités économiques abandonnés ou désaffectés, visé à l'article 3, § 1er, du décret du 19 avril 1995.
Dans l'alinéa 1er, on entend par :
1° noyau commercial principal : un noyau commercial principal tel que visé à l'article 2, 3°, du décret du 15 juillet 2016 relatif à la politique d'implantation commerciale intégrale ;
2° activité de commerce de détail : les catégories d'activités de commerce de détail, visées à l'article 3 du décret précité ;
3° zone pauvre en commerces : une zone pauvre en commerces, telles que visée à l'article 2, 8°, du décret précité.
Les exonérations, visées à l'alinéa 1er, sont accordées pour une période de cinq ans.
Les exonérations, visées à l'alinéa 1er, 1° et 2°, sont accordées à partir de l'année d'imposition suivant l'année d'occupation effective qui apparaît de l'inscription au registre de la population ou des étrangers dans les cinq ans après la réception provisoire des travaux de transformation.
L'exonération, visée à l'alinéa 1er, 2°, est accordée pour la partie destinée au logement.
L'exonération, visée à l'alinéa 1er, 3°, est accordée à partir de l'année d'imposition suivant l'année pendant laquelle le bien immobilier n'est plus repris à l'inventaire et, le cas échéant, elle est limitée à la partie du montant de l'impôt qui, y compris les centimes additionnels communaux et provinciaux, n'est pas supérieur à 1000 euros par habitation ou qui n'est pas supérieur à 4000 euros par site d'activité économique.
Les exonérations, visées à l'alinéa 1er, sont transférables au successeur en droit.
Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités relatives à la demande des exonérations.]1
1° des biens immobiliers utilisés pour exercer une activité de commerce de détail, qui se situent dans une zone pauvre en commerces et qui, sur la base d'un permis d'environnement valable, sont transformés en une ou plusieurs habitations ;
2° des biens immobiliers dont au moins le rez-de-chaussée est utilisé pour exercer une activité de commerce de détail, qui se situent dans un noyau commercial principal et dont un ou plusieurs étages au-dessus de l'activité de commerce de détail sont transformés, sur la base d'un permis d'environnement valable, en une ou plusieurs habitations ;
3° des biens immobiliers où des travaux de destruction, suivis par une construction de remplacement, sont effectués et qui, préalablement au permis d'environnement ou à l'acte de déclaration, sont repris dans un des inventaires suivants :
a) l'inventaire d'habitations inadaptées ou inhabitables, visé à [2 l'article 3.19, § 1er, du Code flamand du Logement de 2021]2 ;
b) l'inventaire des sites d'activités économiques abandonnés ou désaffectés, visé à l'article 3, § 1er, du décret du 19 avril 1995.
Dans l'alinéa 1er, on entend par :
1° noyau commercial principal : un noyau commercial principal tel que visé à l'article 2, 3°, du décret du 15 juillet 2016 relatif à la politique d'implantation commerciale intégrale ;
2° activité de commerce de détail : les catégories d'activités de commerce de détail, visées à l'article 3 du décret précité ;
3° zone pauvre en commerces : une zone pauvre en commerces, telles que visée à l'article 2, 8°, du décret précité.
Les exonérations, visées à l'alinéa 1er, sont accordées pour une période de cinq ans.
Les exonérations, visées à l'alinéa 1er, 1° et 2°, sont accordées à partir de l'année d'imposition suivant l'année d'occupation effective qui apparaît de l'inscription au registre de la population ou des étrangers dans les cinq ans après la réception provisoire des travaux de transformation.
L'exonération, visée à l'alinéa 1er, 2°, est accordée pour la partie destinée au logement.
L'exonération, visée à l'alinéa 1er, 3°, est accordée à partir de l'année d'imposition suivant l'année pendant laquelle le bien immobilier n'est plus repris à l'inventaire et, le cas échéant, elle est limitée à la partie du montant de l'impôt qui, y compris les centimes additionnels communaux et provinciaux, n'est pas supérieur à 1000 euros par habitation ou qui n'est pas supérieur à 4000 euros par site d'activité économique.
Les exonérations, visées à l'alinéa 1er, sont transférables au successeur en droit.
Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités relatives à la demande des exonérations.]1
Art. 2.1.6.0.3. [1 Aan de belastingschuldige wordt een automatische vrijstelling van onroerende voorheffing verleend voor het kadastraal inkomen van :
1° de onroerende goederen of delen ervan, gelegen in het Vlaamse Gewest, die gebruikt worden door landelijk georganiseerde jeugdverenigingen die gesubsidieerd worden overeenkomstig het decreet van 20 januari 2012 houdende een vernieuwd jeugd- en kinderrechtenbeleid en hun lokale afdelingen of door lokale jeugdwerkinitiatieven waarvan het gemeentebestuur bevestigt dat ze beantwoorden aan de definitie zoals bepaald in artikel 9, § 3, tweede lid, van hetzelfde decreet;
2° [2 de onroerende goederen of delen ervan die aan al de volgende voorwaarden voldoen:
a) ze liggen in het Vlaamse Gewest;
b) ze worden gebruikt als toeristisch verblijf;
c) ze zijn aangemeld als jeugdverblijf of als hostel conform het decreet van 5 februari 2016 houdende het toeristische logies;
d) ze hebben het label `Toerisme voor Allen' ontvangen conform het decreet van 5 februari 2016 houdende het toeristische logies]2.]1
1° de onroerende goederen of delen ervan, gelegen in het Vlaamse Gewest, die gebruikt worden door landelijk georganiseerde jeugdverenigingen die gesubsidieerd worden overeenkomstig het decreet van 20 januari 2012 houdende een vernieuwd jeugd- en kinderrechtenbeleid en hun lokale afdelingen of door lokale jeugdwerkinitiatieven waarvan het gemeentebestuur bevestigt dat ze beantwoorden aan de definitie zoals bepaald in artikel 9, § 3, tweede lid, van hetzelfde decreet;
2° [2 de onroerende goederen of delen ervan die aan al de volgende voorwaarden voldoen:
a) ze liggen in het Vlaamse Gewest;
b) ze worden gebruikt als toeristisch verblijf;
c) ze zijn aangemeld als jeugdverblijf of als hostel conform het decreet van 5 februari 2016 houdende het toeristische logies;
d) ze hebben het label `Toerisme voor Allen' ontvangen conform het decreet van 5 februari 2016 houdende het toeristische logies]2.]1
Art. 2.1.6.0.3. [1 Une exonération automatique du précompte immobilier est également accordée au redevable pour le revenu cadastral :
1° des biens immobiliers ou des parties, situés en Région flamande, utilisés par des associations de jeunes régionales qui sont subventionnées conformément au décret du 20 janvier 2012 relatif à une politique rénovée des droits de l'enfant et de la jeunesse et leurs sections locales ou par des initiatives d'animation des jeunes locales dont l'administration communale confirme qu'elles répondent à la définition telle que stipulée à l'article 9, § 3, alinéa deux, du même décret ;
2° [2 2° des biens immobiliers ou des parties qui satisfont aux conditions suivantes :
a) ils sont situés en Région flamande ;
b) ils sont utilisés comme des résidences touristiques ;
c) ils ont été déclarés comme résidence pour jeunes ou comme hôtel pour jeunes conformément au décret du 5 février 2016 relatif à l'hébergement touristique ;
d) ils ont obtenu le label " Toerisme voor Allen " (" Tourisme pour Tous ") conformément au décret du 5 février 2016 relatif à l'hébergement touristique]2.]1
1° des biens immobiliers ou des parties, situés en Région flamande, utilisés par des associations de jeunes régionales qui sont subventionnées conformément au décret du 20 janvier 2012 relatif à une politique rénovée des droits de l'enfant et de la jeunesse et leurs sections locales ou par des initiatives d'animation des jeunes locales dont l'administration communale confirme qu'elles répondent à la définition telle que stipulée à l'article 9, § 3, alinéa deux, du même décret ;
2° [2 2° des biens immobiliers ou des parties qui satisfont aux conditions suivantes :
a) ils sont situés en Région flamande ;
b) ils sont utilisés comme des résidences touristiques ;
c) ils ont été déclarés comme résidence pour jeunes ou comme hôtel pour jeunes conformément au décret du 5 février 2016 relatif à l'hébergement touristique ;
d) ils ont obtenu le label " Toerisme voor Allen " (" Tourisme pour Tous ") conformément au décret du 5 février 2016 relatif à l'hébergement touristique]2.]1
Afdeling 7. - Wijze van heffing
Section 7. - Modalités de perception
Art. 2.1.7.0.1. De belasting wordt geheven in overeenstemming met de bepalingen van artikel 3.3.2.0.1, eerste lid, 1°, en tweede lid, 1°.
Art. 2.1.7.0.1. L'impôt est perçu conformément aux dispositions de l'article 3.3.2.0.1, alinéa premier, 1°, et alinéa deux, 1°.
Hoofdstuk 2. - Verkeersbelasting
Chapitre 2. - Taxe de circulation
Afdeling 1. - Belastbaar voorwerp
Section 1re. - Objet imposable
Art. 2.2.1.0.1. Overeenkomstig artikel 3 van het federale Wetboek van 23 november 1965 van de met inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, wordt er een belasting geheven op de stoom- of motorvoertuigen dienende hetzij tot het vervoer van personen, hetzij tot het vervoer van goederen of van om het even welke voorwerpen over de wegen.
Art. 2.2.1.0.1. Conformément à l'article 3 du Code fédéral du 23 novembre 1965 des taxes assimilées aux impôts sur les revenus, une taxe est perçue sur les véhicules à vapeur ou à moteur, servant soit au transport des personnes, soit au transport de marchandises ou d'objets quelconques sur les routes.
Afdeling 2. - Belastingplichtigen
Section 2. - Contribuables
Art. 2.2.2.0.1. § 1. De belastingplichtige is degene die een of meer van de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.1.0.1, aanwendt voor eigen gebruik of ze exploiteert, hetzij als ze zijn eigendom of persoonlijk bezit zijn, hetzij als hij er bestendig of gewoonlijk over beschikt door huur of andere overeenkomst.
§ 2. De belasting ontstaat ten aanzien van de natuurlijke persoon of rechtspersoon die vermeld is of vermeld moet zijn op het inschrijvingsbewijs zolang een voertuig op naam van die persoon is ingeschreven of ingeschreven moet zijn in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid. De bedoelde voertuigen zijn de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik, de trage auto's voor dubbel gebruik, de minibussen, de ziekenauto's, de motorfietsen, de motorfietsen-driewielers, de motorfietsen-vierwielers, de lichte vrachtauto's, de trage lichte vrachtauto's, de bootaanhangwagens, de kampeeraanhangwagens, de kampeerauto's, [1 de lijkwagens,]1 de aanhangwagens en opleggers met [2 een maximaal toegestane totaalgewicht]2 tot 3500 kg.
Deze paragraaf is niet van toepassing op :
1° de voertuigen van alle aard die niet worden bedoeld in het eerste lid;
2° de voertuigen van alle aard die niet onderworpen zijn aan de reglementering voor de inschrijving van de motorvoertuigen en de aanhangwagens.
§ 2. De belasting ontstaat ten aanzien van de natuurlijke persoon of rechtspersoon die vermeld is of vermeld moet zijn op het inschrijvingsbewijs zolang een voertuig op naam van die persoon is ingeschreven of ingeschreven moet zijn in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid. De bedoelde voertuigen zijn de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik, de trage auto's voor dubbel gebruik, de minibussen, de ziekenauto's, de motorfietsen, de motorfietsen-driewielers, de motorfietsen-vierwielers, de lichte vrachtauto's, de trage lichte vrachtauto's, de bootaanhangwagens, de kampeeraanhangwagens, de kampeerauto's, [1 de lijkwagens,]1 de aanhangwagens en opleggers met [2 een maximaal toegestane totaalgewicht]2 tot 3500 kg.
Deze paragraaf is niet van toepassing op :
1° de voertuigen van alle aard die niet worden bedoeld in het eerste lid;
2° de voertuigen van alle aard die niet onderworpen zijn aan de reglementering voor de inschrijving van de motorvoertuigen en de aanhangwagens.
Art. 2.2.2.0.1. § 1er. Le contribuable est la personne qui emploie un ou plusieurs des véhicules, visés à l'article 2.2.1.0.1, pour son propre usage ou les exploite, soit qu'il en ait la propriété ou la possession personnelle, soit qu'il en ait la disposition permanente ou habituelle par louage ou autre convention.
§ 2. La taxe naît à l'égard de la personne physique ou morale qui est mentionnée ou doit être mentionnée sur le certificat d'immatriculation tant qu'un véhicule est immatriculé ou doit être immatriculé au nom de cette personne au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière. Les véhicules visés sont les voitures particulières, les voitures mixtes, les voitures mixtes lentes, les minibus, les ambulances, les motocyclettes, les tricycles à moteur, les quadricycles à moteur, les camionnettes, les camionnettes lentes, les remorques à bateau, les remorques de camping, les véhicules de camping, [1 les corbillards,]1 les remorques et semi-remorques d'[2 un poids total autorisé en charge]2 jusqu'à 3.500 kg.
Le présent paragraphe ne s'applique pas :
1° aux véhicules de tout genre qui ne sont pas visés à l'alinéa premier;
2° aux véhicules de tout genre qui ne sont pas soumis à la réglementation de l'immatriculation des véhicules à moteur et des remorques.
§ 2. La taxe naît à l'égard de la personne physique ou morale qui est mentionnée ou doit être mentionnée sur le certificat d'immatriculation tant qu'un véhicule est immatriculé ou doit être immatriculé au nom de cette personne au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière. Les véhicules visés sont les voitures particulières, les voitures mixtes, les voitures mixtes lentes, les minibus, les ambulances, les motocyclettes, les tricycles à moteur, les quadricycles à moteur, les camionnettes, les camionnettes lentes, les remorques à bateau, les remorques de camping, les véhicules de camping, [1 les corbillards,]1 les remorques et semi-remorques d'[2 un poids total autorisé en charge]2 jusqu'à 3.500 kg.
Le présent paragraphe ne s'applique pas :
1° aux véhicules de tout genre qui ne sont pas visés à l'alinéa premier;
2° aux véhicules de tout genre qui ne sont pas soumis à la réglementation de l'immatriculation des véhicules à moteur et des remorques.
Afdeling 3. - Belastbare grondslag
Section 3. - Base imposable
Art. 2.2.3.0.1. De belasting wordt, naargelang van het geval, vastgesteld op basis van het vermogen van de motor, van zijn cilinderinhoud of van [1 het maximaal toegestane totaalgewicht]1 van het voertuig, vastgesteld door de bevoegde overheid, tenzij anders is bepaald in deze codex.
Art. 2.2.3.0.1. La taxe est fixée, selon le cas, sur la base de la puissance du moteur, de sa cylindrée ou de [1 le poids total autorisé en charge]1 du véhicule, fixée par l'autorité compétente, sauf disposition contraire au présent Code.
Art. 2.2.3.0.2. § 1. Het belastbaar vermogen van de motor van de voertuigen (pk) wordt berekend volgens de volgende formule : pk = k * d2 * c * n.
§ 2. De parameters, vermeld in paragraaf 1, worden gedefinieerd als volgt :
1° d = de cilinderboring, in meter;
2° c = de zuigerslag, in meter;
3° n = het aantal cilinders;
4° k = een coëfficiënt in functie van de cilinderboring, vermeld in de volgende tabel :
§ 2. De parameters, vermeld in paragraaf 1, worden gedefinieerd als volgt :
1° d = de cilinderboring, in meter;
2° c = de zuigerslag, in meter;
3° n = het aantal cilinders;
4° k = een coëfficiënt in functie van de cilinderboring, vermeld in de volgende tabel :
Art. 2.2.3.0.2. § 1er. La puissance imposable du moteur des véhicules (ch) est calculé selon la formule suivante : ch = k * d2 * c * n.
§ 2. Les paramètres, visés au paragraphe 1er, sont définis comme suit :
1° d = l'alésage des cylindres, en mètre;
2° c = la course des pistons, en mètre;
3° n = le nombre de cylindres;
4° k = un coefficient en fonction de l'alésage des cylindres, visé au tableau suivant :
§ 2. Les paramètres, visés au paragraphe 1er, sont définis comme suit :
1° d = l'alésage des cylindres, en mètre;
2° c = la course des pistons, en mètre;
3° n = le nombre de cylindres;
4° k = un coefficient en fonction de l'alésage des cylindres, visé au tableau suivant :
| cilinderboring in millimeter tot en met | coëfficiënt |
| 69 | 6000 |
| 70 | 5887 |
| 71 | 5777 |
| 72 | 5672 |
| 73 | 5570 |
| 74 | 5471 |
| 75 | 5376 |
| 76 | 5284 |
| 77 | 5194 |
| 78 | 5108 |
| 79 | 5024 |
| 80 | 4943 |
| 81 | 4864 |
| 82 | 4788 |
| 83 | 4714 |
| 84 | 4642 |
| 85 | 4572 |
| 86 | 4504 |
| 87 | 4438 |
| 88 | 4373 |
| 89 | 4310 |
| 90 en meer | 4250 |
Voor de voertuigen waarvan de motor met zware olie wordt aangedreven en die uitsluitend worden gebruikt voor het bezoldigd vervoer van personen krachtens een machtiging uitgereikt voor de exploitatie van autocardiensten, ter uitvoering van de besluitwet van 30 december 1946 betreffende het bezoldigd vervoer van personen over de weg met autobussen en met autocars, wordt de coëfficiënt k vastgesteld als volgt :
1° cilinderboring tot en met 89 : 3400;
2° cilinderboring 90 en meer : 3500.
Cilinderboring en zuigerslag worden uitgedrukt in millimeter. Gedeelten van een millimeter worden voor een millimeter aangerekend of weggelaten, naargelang ze al dan niet de halve millimeter overschrijden.
§ 3. Het belastbaar vermogen van de motor van de voertuigen (pk) mag echter niet hoger zijn dan het belastbaar vermogen dat wordt berekend volgens de volgende formule : pk = 4 * Cy + Gew / 4.
§ 4. De parameters, vermeld in paragraaf 3, worden gedefinieerd als volgt :
1° Cy = de cilinderinhoud van de motor, in liter;
2° Gew = het gewicht van het rijklare voertuig, in honderden kilogram.
Gedeelten van een deciliter worden voor een deciliter aangerekend of weggelaten, naargelang ze al dan niet de halve deciliter overschrijden.
Gedeelten van honderd kilogram worden voor honderd kilogram aangerekend of weggelaten, naargelang ze al dan niet de vijftig kilogram overschrijden.
| alésage des cylindres en millimètres jusqu'à | coefficient |
| 69 | 6000 |
| 70 | 5887 |
| 71 | 5777 |
| 72 | 5672 |
| 73 | 5570 |
| 74 | 5471 |
| 75 | 5376 |
| 76 | 5284 |
| 77 | 5194 |
| 78 | 5108 |
| 79 | 5024 |
| 80 | 4943 |
| 81 | 4864 |
| 82 | 4788 |
| 83 | 4714 |
| 84 | 4642 |
| 85 | 4572 |
| 86 | 4504 |
| 87 | 4438 |
| 88 | 4373 |
| 89 | 4310 |
| 90 et plus | 4250 |
Pour les véhicules dont le moteur est alimenté à l'huile lourde et qui sont employés exclusivement pour le transport rémunéré de personnes en vertu d'une autorisation délivrée en vue de l'exploitation de services d'autocars, en exécution de l'arrêté-loi du 30 décembre 1946 relatif aux transports rémunérés de voyageurs par route effectués par autobus et par autocars, le coefficient k est fixé comme suit :
1° alésage des cylindres jusqu'à 89 inclus : 3.400;
2° alésage des cylindres de 90 et plus : 3500.
Alésage des cylindres et course des pistons sont exprimés en millimètres. Les fractions d'un millimètre sont comptées pour un millimètre ou sont négligées, selon qu'elles dépassent un demi-millimètre ou non.
§ 3. La puissance imposable du moteur des véhicules (ch) ne peut toutefois pas être supérieure à la puissance imposable qui est calculée selon la formule suivante : ch = 4 * Cy + Pds / 4.
§ 4. Les paramètres, visés au paragraphe 3, sont définis comme suit :
1° Cy = la cylindrée du moteur, en litres;
2° Pds = le poids du véhicule en ordre de marche, en centaines de kilogrammes.
Les fractions de décilitre sont comptées pour un décilitre ou sont négligées, selon qu'elles dépassent un demi-décilitre ou non.
Les fractions de cent kilogrammes sont comptées pour cent kilogrammes ou sont négligées, selon qu'elles dépassent les cinquante kilogrammes ou non.
Art. 2.2.3.0.3. § 1. In afwijking van de bepalingen van artikel 2.2.3.0.2 wordt het belastbaar vermogen van de motor van de voertuigen (pk) die uitgerust zijn met motoren met draaiende zuigers, berekend volgens de volgende formule : pk = 4 * V + Gew / 4.
§ 2. De parameters, vermeld in paragraaf 1, worden gedefinieerd als volgt :
1° V = het nuttige volume van de verbrandingskamers, in liter;
2° Gew = het gewicht van het rijklare voertuig, in honderden kilogram.
Het nuttige volume van de verbrandingskamers is gelijk aan de gemiddelde cilinderinhoud van motoren met heen- en weergaande zuigers, waarvan de werkelijke motorkracht volgens de normen die aangenomen zijn door de automobielconstructeurs, overeenstemt met die van motoren met draaiende zuigers.
Gedeelten van honderd kilogram worden voor honderd kilogram aangerekend of weggelaten, naargelang ze al dan niet de vijftig kilogram overschrijden.
§ 2. De parameters, vermeld in paragraaf 1, worden gedefinieerd als volgt :
1° V = het nuttige volume van de verbrandingskamers, in liter;
2° Gew = het gewicht van het rijklare voertuig, in honderden kilogram.
Het nuttige volume van de verbrandingskamers is gelijk aan de gemiddelde cilinderinhoud van motoren met heen- en weergaande zuigers, waarvan de werkelijke motorkracht volgens de normen die aangenomen zijn door de automobielconstructeurs, overeenstemt met die van motoren met draaiende zuigers.
Gedeelten van honderd kilogram worden voor honderd kilogram aangerekend of weggelaten, naargelang ze al dan niet de vijftig kilogram overschrijden.
Art. 2.2.3.0.3. § 1er. Par dérogation aux dispositions de l'article 2.2.3.0.2, la puissance imposable du moteur des véhicules (ch) pourvus de moteurs à pistons rotatifs est calculée selon la formule suivante : ch = 4 * V + Pds / 4.
§ 2. Les paramètres, visés au paragraphe 1er, sont définis comme suit :
1° V = le volume utile des chambres de combustion, en litres;
2° Pds = le pois du véhicule en ordre de marche, en centaines de kilogrammes.
Le volume utile des chambres de combustion est égal à la cylindrée moyenne des moteurs à pistons alternatifs dont la puissance réelle, selon les normes retenues par les constructeurs d'automobiles, correspond à celle de moteurs à pistons rotatifs.
Les fractions de cent kilogrammes sont comptées pour cent kilogrammes ou sont négligées, selon qu'elles dépassent les cinquante kilogrammes ou non.
§ 2. Les paramètres, visés au paragraphe 1er, sont définis comme suit :
1° V = le volume utile des chambres de combustion, en litres;
2° Pds = le pois du véhicule en ordre de marche, en centaines de kilogrammes.
Le volume utile des chambres de combustion est égal à la cylindrée moyenne des moteurs à pistons alternatifs dont la puissance réelle, selon les normes retenues par les constructeurs d'automobiles, correspond à celle de moteurs à pistons rotatifs.
Les fractions de cent kilogrammes sont comptées pour cent kilogrammes ou sont négligées, selon qu'elles dépassent les cinquante kilogrammes ou non.
Art. 2.2.3.0.4. In afwijking van de bepalingen van artikel 2.2.3.0.2 wordt het belastbaar vermogen van de motor van de voertuigen (pk) die uitgerust zijn met elektromotoren, berekend volgens de volgende formule : pk = 0,0012 * n * e * i.
De parameters, vermeld in het eerste lid, worden gedefinieerd als volgt :
1° n = het aantal elementen;
2° e = de gemiddelde elektromotorische kracht aan de klemmen van een element bij gewone regeling, in volt;
3° i = de gemiddelde sterkte van de stroom bij dezelfde regeling, in ampère.
De parameters, vermeld in het eerste lid, worden gedefinieerd als volgt :
1° n = het aantal elementen;
2° e = de gemiddelde elektromotorische kracht aan de klemmen van een element bij gewone regeling, in volt;
3° i = de gemiddelde sterkte van de stroom bij dezelfde regeling, in ampère.
Art. 2.2.3.0.4. Par dérogation aux dispositions de l'article 2.2.3.0.2, la puissance imposable du moteur des véhicules (ch) pourvus de moteurs mus par l'électricité est calculée selon la formule suivante : ch = 0,0012 * n * e * i.
Les paramètres, visés à l'alinéa 1er, sont définis comme suit :
1° n = le nombre d'éléments;
2° e = la force électromotrice moyenne aux bornes d'un élément au régime habituel, en volts;
3° i = l'intensité moyenne du courant au même régime, en ampères.
Les paramètres, visés à l'alinéa 1er, sont définis comme suit :
1° n = le nombre d'éléments;
2° e = la force électromotrice moyenne aux bornes d'un élément au régime habituel, en volts;
3° i = l'intensité moyenne du courant au même régime, en ampères.
Art. 2.2.3.0.5. Het belastbaar vermogen van de motor van personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen die niet zijn uitgerust met elektromotoren en die vanaf 1 januari 1972 in de belasting moeten worden aangegeven, wordt uitsluitend berekend volgens de formules, vermeld in artikel 2.2.3.0.2, § 3, en artikel 2.2.3.0.3, § 1, waarin de parameter Gew / 4 wordt vervangen door een coëfficiënt in functie van de cilinderinhoud van de motor of van het nuttige volume van de verbrandingskamers, vermeld in de volgende tabel :
Art. 2.2.3.0.5. La puissance imposable du moteur de voitures particulières, de voitures mixtes et de minibus, non pourvus d'un moteur électrique et qui doivent être déclarés à la taxe à partir du 1er janvier 1972, est déterminée exclusivement au moyen des formules, visées à l'article 2.2.3.0.2, § 3, et à l'article 2.2.3.0.3, § 1er, où le paramètre Pds / 4 est remplacé par un coefficient en fonction de la cylindrée du moteur ou du volume utile des chambres de combustion, visés au tableau suivant :
| cilinderinhoud of nuttig volume van de verbrandingskamers, in liter | coëfficiënt |
| tot en met 0,9 | 1,50 |
| 1 tot met 1,2 | 1,75 |
| 1,3 tot en met 1,5 | 2,00 |
| 1,6 en 1,7 | 2,25 |
| 1,8 en 1,9 | 2,50 |
| 2 en 2,1 | 2,75 |
| 2,2 en 2,3 | 3,00 |
| 2,4 tot en met 2,6 | 3,25 |
| 2,7 tot en met 3,3 | 3,50 |
| 3,4 tot en met 3,9 | 3,75 |
| 4 tot en met 4,9 | 4,00 |
| 5 tot met 5,9 | 4,50 |
| 6 en meer | 5,00 |
van de verbrandingskamers, in liter coëfficiënt tot en met 0,9 1,50 1 tot met 1,2 1,75 1,3 tot en met 1,5 2,00 1,6 en 1,7 2,25 1,8 en 1,9 2,50 2 en 2,1 2,75 2,2 en 2,3 3,00 2,4 tot en met 2,6 3,25 2,7 tot en met 3,3 3,50 3,4 tot en met 3,9 3,75 4 tot en met 4,9 4,00 5 tot met 5,9 4,50 6 en meer 5,00
| cylindrée ou volume utile des chambres de combustion, en litres | coefficient |
| jusqu'à 0,9 inclusivement | 1,50 |
| 1 à 1,2 inclusivement | 1,75 |
| 1,3 à 1,5 inclusivement | 2,00 |
| 1,6 et 1,7 | 2,25 |
| 1,8 et 1,9 | 2,50 |
| 2 et 2,1 | 2,75 |
| 2,2 et 2,3 | 3,00 |
| 2,4 à 2,6 inclusivement | 3,25 |
| 2,7 à 3,3 inclusivement | 3,50 |
| 3,4 à 3,9 inclusivement | 3,75 |
| 4 à 4,9 inclusivement | 4,00 |
| 5 à 5,9 inclusivement | 4,50 |
| 6 et plus | 5,00 |
Art. 2.2.3.0.6. De opname en de controle van de elementen die nodig zijn voor de vaststelling van het belastbaar vermogen en het belastbaar gewicht, gebeuren door middel van aanduidingen op facturen, in catalogussen, beschrijvende handleidingen, weegbons of in andere bewijskrachtige documenten.
Zo nodig gaat de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie over tot het wegen van het voertuig of tot een grondig onderzoek ervan.
Zo nodig gaat de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie over tot het wegen van het voertuig of tot een grondig onderzoek ervan.
Art. 2.2.3.0.6. La mesure et le contrôle des éléments nécessaires pour la détermination de la puissance imposable et du poids imposable se font au moyen d'indications sur des factures, dans des catalogues, des livrets d'instructions descriptifs, des bons de pesage ou dans d'autres documents à force probante.
Le cas échéant, l'entité compétente de l'administration flamande procède au pesage du véhicule ou à son examen approfondi.
Le cas échéant, l'entité compétente de l'administration flamande procède au pesage du véhicule ou à son examen approfondi.
Art. 2.2.3.0.7. De plaats, de datum en het uur van de weging of van het volledige onderzoek van het voertuig worden ten minste vijf dagen vooraf meegedeeld aan de betrokkenen, die ertoe gehouden zijn het voertuig in bedrijfsvaardige toestand aan te bieden.
Art. 2.2.3.0.7. Le lieu, la date et l'heure du pesage ou de l'examen complet du véhicule sont communiqués au moins cinq jours à l'avance aux personnes concernées, qui sont tenues de présenter le véhicule en état de fonctionnement.
Art. 2.2.3.0.8. Breuken van fiscale paardenkracht worden naar boven of naar beneden afgerond, naargelang ze al dan niet de helft overschrijden.
Breuken van deciliter van de cilinderinhoud worden naar boven of naar beneden afgerond, naargelang ze al dan niet de halve deciliter overschrijden.
Breuken van deciliter van de cilinderinhoud worden naar boven of naar beneden afgerond, naargelang ze al dan niet de halve deciliter overschrijden.
Art. 2.2.3.0.8. Les fractions de chevaux fiscaux sont arrondies à l'unité supérieure ou inférieure, selon qu'elles dépassent la moitié ou non.
Les fractions de décilitres de la cylindrée sont arrondies à l'unité supérieure ou inférieure, selon qu'elles dépassent le demi-décilitre ou non.
Les fractions de décilitres de la cylindrée sont arrondies à l'unité supérieure ou inférieure, selon qu'elles dépassent le demi-décilitre ou non.
Afdeling 4. - Tarieven
Section 4. - Tarifs
Art. 2.2.4.0.1. § 1. De belasting wordt, ofwel per periode van twaalf opeenvolgende maanden, ofwel per kalenderjaar, berekend op de wijze die in de hierna volgende paragrafen wordt vermeld.
§ 2. Voor de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik en de minibussen wordt de belasting berekend, op basis van fiscale paardenkracht (pk), volgens de volgende tabel :
§ 2. Voor de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik en de minibussen wordt de belasting berekend, op basis van fiscale paardenkracht (pk), volgens de volgende tabel :
Art. 2.2.4.0.1. § 1er. La taxe est calculée, soit par période de douze mois consécutifs, soit par année calendaire, de la manière visée aux paragraphes suivants.
§ 2. Pour les voitures particulières, les voitures mixtes et les minibus, la taxe est calculée, sur la base des chevaux fiscaux (ch), selon le tableau suivant :
§ 2. Pour les voitures particulières, les voitures mixtes et les minibus, la taxe est calculée, sur la base des chevaux fiscaux (ch), selon le tableau suivant :
| aantal pk | totaalbedrag van de belasting in euro |
| 4 en minder | 69,72 |
| 5 | 87,24 |
| 6 | 126,12 |
| 7 | 164,76 |
| 8 | 203,76 |
| 9 | 242,64 |
| 10 | 281,16 |
| 11 | 364,92 |
| 12 | 448,56 |
| 13 | 532,08 |
| 14 | 615,84 |
| 15 | 699,48 |
| 16 | 916,20 |
| 17 | 1133,16 |
| 18 | 1350,00 |
| 19 | 1566,36 |
| 20 | 1783,20 |
| meer dan 20 | 1783,20 verhoogd met 97,20 per pk boven 20 |
| nombre de ch | montant total de la taxe en euros |
| 4 et moins | 69,72 |
| 5 | 87,24 |
| 6 | 126,12 |
| 7 | 164,76 |
| 8 | 203,76 |
| 9 | 242,64 |
| 10 | 281,16 |
| 11 | 364,92 |
| 12 | 448,56 |
| 13 | 532,08 |
| 14 | 615,84 |
| 15 | 699,48 |
| 16 | 916,20 |
| 17 | 1133,16 |
| 18 | 1350,00 |
| 19 | 1566,36 |
| 20 | 1783,20 |
| plus de 20 | 1783,20 majoré de 97,20 par ch supérieur à 20 |
[3 § 2/1. Voor de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik en de minibussen die na 31 december 2015 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid wordt de belasting berekend, op basis van de tabel, vermeld in paragraaf 2, met in achtneming van volgende elementen:
1° in functie van de CO2-uitstoot van het voertuig, gemeten tijdens de homologatie ervan [6 volgens de op het moment van de eerste inschrijving geldende Europese regelgeving]6, wordt het tarief
a) vermeerderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer boven 122 gram en niet hoger dan 500 gram;
b) verminderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer onder 122 gram, maar hoger dan 24 gram;
2° in functie van de euronorm en de brandstofsoort van het voertuig en desgevallend de aanwezigheid van een roetfilter wordt het tarief met een percentage vermeerderd of verminderd overeenkomstig de volgende tabel:
1° in functie van de CO2-uitstoot van het voertuig, gemeten tijdens de homologatie ervan [6 volgens de op het moment van de eerste inschrijving geldende Europese regelgeving]6, wordt het tarief
a) vermeerderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer boven 122 gram en niet hoger dan 500 gram;
b) verminderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer onder 122 gram, maar hoger dan 24 gram;
2° in functie van de euronorm en de brandstofsoort van het voertuig en desgevallend de aanwezigheid van een roetfilter wordt het tarief met een percentage vermeerderd of verminderd overeenkomstig de volgende tabel:
[3 § 2/1. Pour les voitures particulières, voitures mixtes et minibus, inscrits après le 31 décembre 2015 au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière, la taxe est calculée sur la base du tableau, repris au paragraphe 2, en tenant compte des éléments suivants :
1° en fonction de l'émission de CO2 du véhicule, mesuré lors de son homologation [6 selon la réglementation européenne en vigueur au moment de la première immatriculation]6, le tarif est
a) majoré de 0,30 % par gramme d'émission de CO2 par kilomètre au-dessus de 122 grammes et en-dessous de 500 grammes ;
b) réduit de 0,30 % par gramme d'émission de CO2 par kilomètre en-dessous de 122 grammes et au-dessus de 24 grammes ;
2° en fonction de l'euronorme et du type de carburant du véhicule et, le cas échéant, de la présence d'un filtre à particules, le tarif est majoré ou réduit d'un pourcentage, conformément au tableau suivant :
1° en fonction de l'émission de CO2 du véhicule, mesuré lors de son homologation [6 selon la réglementation européenne en vigueur au moment de la première immatriculation]6, le tarif est
a) majoré de 0,30 % par gramme d'émission de CO2 par kilomètre au-dessus de 122 grammes et en-dessous de 500 grammes ;
b) réduit de 0,30 % par gramme d'émission de CO2 par kilomètre en-dessous de 122 grammes et au-dessus de 24 grammes ;
2° en fonction de l'euronorme et du type de carburant du véhicule et, le cas échéant, de la présence d'un filtre à particules, le tarif est majoré ou réduit d'un pourcentage, conformément au tableau suivant :
| Euronorm | Benzine en andere brandstoffen | Diesel |
| euro 0 | 30 % | 50 % |
| euro 1 | 10 % | 40 % |
| euro 2 | 5 % | 35 % |
| euro 3 | 0 % | 30 % |
| [1 euro 3 + roetfilter | / | +25 %]1 |
| euro 4 | - 12,5 % | 25 % |
| euro 4 + roetfilter | / | 17,5 % |
| euro 5 of EEV | - 15 % | 17,5 % |
| euro 6 | - 15 % | 15 % |
| (1)<DVR 2017-06-16/10, art. 2, 023; Inwerkingtreding : 01-07-2017> | ||
In afwijking van artikel 2.2.4.0.2, § 2, bedraagt de belasting, berekend overeenkomstig het eerste lid, minimum 40 euro.
Deze paragraaf is alleen van toepassing op wegvoertuigen van natuurlijke personen en andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.]3
[6 § 2/2. Voor de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik en de minibus- sen die voor de eerste keer na 31 december 2020 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid wordt de belasting berekend, vermeld in paragraaf 2/1, met dien verstande dat het element, vermeld onder paragraaf 2/1, 1°, als volgt wordt toegepast: in functie van de CO2-uitstoot van het voertuig, gemeten tijdens de homologatie ervan volgens de geldende Europese regelgeving, wordt het tarief:
a) vermeerderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer boven 149 gram en niet hoger dan 500 gram;
b) verminderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer onder 149 gram, maar hoger dan 24 gram.
Deze paragraaf is alleen van toepassing op voertuigen van natuurlijke personen en van andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.
Deze paragraaf is ook van toepassing op de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik en de minibussen die voor de eerste keer na 31 december 2020 worden ingeschreven bij een vergelijkbare instelling binnen de Europese Economische Ruimte of een andere staat, wanneer zij nadien worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid.]6
§ 3. [1 Voor de motorvoertuigen, bestemd voor het vervoer van goederen waarvan [5 het maximaal toegestane totaalgewicht]5 3 500 kilogram niet overschrijdt, de lijkwagens, de alleenrijdende landbouwtractoren en de alleenrijdende trekkers, andere dan die, vermeld in paragraaf 6, bedraagt de belasting 19,32 euro per [5 500 kg maximaal toegestane totaalgewicht]5.]1
[4 § 3/1. Voor de motorvoertuigen, bestemd voor het vervoer van goederen, de lijkwagens, de alleenrijdende landbouwtractoren en de alleenrijdende trekkers, als het andere voertuigen zijn dan de voertuigen, vermeld in paragraaf 6, die na 30 juni 2017 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid en waarvan de maximaal toegelaten massa maximum 2500 kilogram bedraagt, bedraagt de belasting 19,32 euro per 500 kg maximaal toegelaten massa, met inachtneming van volgende elementen:
1° in functie van de CO2-uitstoot van het voertuig, gemeten tijdens de homologatie ervan [6 volgens de op het moment van de eerste inschrijving geldende Europese regelgeving]6, wordt het tarief
a) vermeerderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer boven 122 gram en niet hoger dan 500 gram;
b) verminderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer onder 122 gram, maar hoger dan 24 gram;
2° in functie van de euronorm en de brandstofsoort van het voertuig en, in voorkomend geval, de aanwezigheid van een roetfilter wordt het tarief met een percentage vermeerderd of verminderd conform de volgende tabel:
| Euronorme | Essence et autres carburants | Diesel |
| euro 0 | 30 % | 50 % |
| euro 1 | 10 % | 40 % |
| euro 2 | 5 % | 35 % |
| euro 3 | 0 % | 30 % |
| [1 euro 3 + filtre à particules | / | +25 %]1 |
| euro 4 | - 12,5 % | 25 % |
| euro 4 + filtre à particules | / | 17,5 % |
| euro 5 ou EEV | - 15 % | 17,5 % |
| euro 6 | - 15 % | 15 % |
| (1)<DCFL 2017-06-16/10, art. 3, 023; En vigueur : 01-07-2017> | ||
Par dérogation à l'article 2.2.4.0.2, § 2, la taxe, calculée conformément à l'alinéa 1er, s'élève à 40 euros au minimum.
Le présent paragraphe s'applique uniquement aux véhicules routiers de personnes physiques et d'autres personnes morales que les sociétés, les entreprises publiques autonomes et les associations sans but lucratif, qui exercent des activités de leasing.]3
[6 § 2/2. Pour les voitures particulières, les voitures mixtes et les minibus qui sont inscrits pour la première fois après le 31 décembre 2020 au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière, la taxe est calculée telle que visée au paragraphe 2/1, étant entendu que l'élément, visé au paragraphe 2/1, 1°, est appliqué comme suit : en fonction de l'émission de CO2 du véhicule, mesuré lors de son homologation selon la réglementation européenne en vigueur, le tarif est :
a) majoré de 0,30% par gramme d'émission de CO2 par kilomètre au-dessus de 149 grammes et en-dessous de 500 grammes ;
b) réduit de 0,30% par gramme d'émission de CO2 par kilomètre en-dessous de 149 grammes et au-dessus de 24 grammes.
Le présent paragraphe s'applique uniquement aux véhicules de personnes physiques et d'autres personnes morales que les sociétés, les entreprises publiques autonomes et les associations sans but lucratif, qui exercent des activités de leasing.
Le présent paragraphe s'applique également aux voitures particulières, aux voitures mixtes et aux minibus qui sont inscrits pour la première fois après le 31 décembre 2020 auprès d'une institution comparable au sein de l'Espace économique européen ou d'un autre Etat, lorsqu'ils sont inscrits plus tard au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière.]6
§ 3. [1 Pour les camionnettes, destinées au transport de marchandises dont [5 le poids total autorisé en charge]5 n'excède pas les 3 500 kg, les corbillards, les tracteurs agricoles à moteur solos et les tracteurs à moteur solos, autres que ceux, visés au paragraphe 6, la taxe s'élève à 19,32 euros par [5 500 kg de poids total autorisé en charge]5.]1
[4 § 3/1. Pour les camionnettes, destinées au transport de marchandises, les corbillards, les tracteurs agricoles à moteur solos et les tracteurs à moteur solos, autres que ceux, visés au paragraphe 6, qui sont inscrits au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière après le 30 juin 2017 et dont la masse maximale autorisée s'élève à 2500 kg au maximum, la taxe s'élève à 19,32 euros par 500 kg de la masse maximale autorisée, en tenant compte des éléments suivants :
1° en fonction de l'émission de CO2 du véhicule, mesuré lors de son homologation [6 selon la réglementation européenne en vigueur au moment de la première immatriculation]6, le tarif est
a) majoré de 0,30% par gramme d'émission de CO2 par kilomètre au-dessus de 122 grammes et en-dessous de 500 grammes ;
b) réduit de 0,30% par gramme d'émission de CO2 par kilomètre en-dessous de 122 grammes et au-dessus de 24 grammes ;
2° en fonction de l'euronorme et du type de carburant du véhicule et, le cas échéant, de la présence d'un filtre à particules, le tarif est majoré ou réduit d'un pourcentage, conformément au tableau suivant :
| euronorm | benzine en andere brandstoffen | diesel |
| euro 0 | +30% | +50% |
| euro 1 | +10% | +40% |
| euro 2 | +5% | +35% |
| euro 3 | 0% | +30% |
| euro 3 met roetfilter | / | +25% |
| euro 4 | -12,5% | +25% |
| euro 4 met roetfilter | / | +17,5% |
| euro 5 of EEV | -15% | +17,5% |
| euro 6 | -15% | +15% |
In afwijking van artikel 2.2.4.0.2, § 2, bedraagt de belasting, berekend overeenkomstig het eerste lid, minimum 40 euro.
Deze paragraaf is alleen van toepassing op voertuigen van natuurlijke personen en van andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.]4
[4 § 3/2. Voor de motorvoertuigen, bestemd voor het vervoer van goederen, de lijkwagens, de alleenrijdende landbouwtractoren en de alleenrijdende trekkers, als het andere voertuigen zijn dan de voertuigen, vermeld in paragraaf 6, die na 30 juni 2017 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid en waarvan de maximaal toegelaten massa hoger is dan 2500 kilogram en 3500 kilogram niet overschrijdt, bedraagt de belasting 19,32 euro per 500 kg maximaal toegelaten massa.
In functie van de euronorm van het voertuig en, in voorkomend geval, de aanwezigheid van een roetfilter wordt het tarief, vermeld in het eerste lid, met een percentage vermeerderd of verminderd conform de volgende tabel:
| Euronorme | essence et autres carburants | diesel |
| euro 0 | +30% | +50% |
| euro 1 | +10% | +40% |
| euro 2 | +5% | +35% |
| euro 3 | 0% | +30% |
| euro 3 avec filtre à particules | / | +25% |
| euro 4 | -12,5% | +25% |
| euro 4 avec filtre à particules | / | +17,5% |
| euro 5 ou EEV | -15% | +17,5% |
| euro 6 | -15% | +15% |
Par dérogation à l'article 2.2.4.0.2, § 2, la taxe, calculée conformément à l'alinéa 1er, s'élève à 40 euros au minimum.
Le présent paragraphe s'applique uniquement aux véhicules de personnes physiques et d'autres personnes morales que les sociétés, les entreprises publiques autonomes et les associations sans but lucratif, qui exercent des activités de leasing.]4
[4 § 3/2. Pour les camionnettes, destinées au transport de marchandises, les corbillards, les tracteurs agricoles à moteur solos et les tracteurs à moteur solos, autres que ceux, visés au paragraphe 6, qui sont inscrits au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière après le 30 juin 2017 et dont la masse maximale autorisée est supérieure à 2500 kg sans dépasser 3500 kg, la taxe s'élève à 19,32 euros par 500 kg de la masse maximale autorisée.
En fonction de l'euronorme du véhicule et, le cas échéant, de la présence d'un filtre à particules, le tarif visé à l'alinéa 1er est majoré ou réduit d'un pourcentage, conformément au tableau suivant :
| euronorm | percentage |
| euro 0 | + 35% |
| euro 1 | + 25% |
| euro 2 | + 20% |
| euro 3 | + 15% |
| euro 3 met roetfilter | + 10% |
| euro 4 | + 10% |
| euro 4 met roetfilter | + 2,5% |
| euro 5 of EEV | + 2,5% |
| euro 6 | 0% |
In afwijking van artikel 2.2.4.0.2, § 2, bedraagt de belasting, berekend overeenkomstig het eerste lid, minimum 40 euro.
Deze paragraaf is alleen van toepassing op voertuigen van natuurlijke personen en van andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.]4
[6 § 3/3. Voor de motorvoertuigen, bestemd voor het vervoer van goederen, de lijkwagens, de alleenrijdende landbouwtractoren en de alleenrijdende trekkers, als het andere voertuigen zijn dan de voertuigen, vermeld in paragraaf 6, die voor de eerste keer na 31 december 2020 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid en waarvan de maximaal toegelaten massa maximum 2500 kilogram bedraagt, wordt de belasting berekend als vermeld in paragraaf 3/1, met dien verstande dat het element, vermeld onder paragraaf 3/1, 1°, als volgt wordt toegepast: in functie van de CO2-uitstoot van het voertuig, gemeten tijdens de homologatie ervan volgens de geldende Europese regelgeving, wordt het tarief:
a) vermeerderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer boven 149 gram en niet hoger dan 500 gram;
b) verminderd met 0,30% voor iedere gram CO2-uitstoot per kilometer onder 149 gram, maar hoger dan 24 gram.
Deze paragraaf is alleen van toepassing op voertuigen van natuurlijke personen en van andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.
Deze paragraaf is ook van toepassing op de motorvoertuigen, vermeld in het eerste lid, die voor de eerste keer na 31 december 2020 worden in- geschreven bij een vergelijkbare instelling binnen de Europese Economische Ruimte of een andere staat, wanneer zij nadien worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid.]6
§ 4. Voor de motorfietsen bedraagt de belasting 49,44 euro.
§ 5 Voor de autobussen en de autocars bedraagt de belasting 4,44 euro per fiscale paardenkracht als het belastbaar vermogen 10 fiscale paardenkracht niet te boven gaat, met een minimum van 69,94 euro.
Als het belastbaar vermogen 10 fiscale paardenkracht te boven gaat, wordt de belasting voor de autobussen en de autocars berekend, op basis van fiscale paardenkracht (pk), volgens de volgende tabel :
| Euronorme | Pourcentage |
| euro 0 | + 35% |
| euro 1 | + 25% |
| euro 2 | + 20% |
| euro 3 | + 15% |
| euro 3 avec filtre à particules | + 10% |
| euro 4 | + 10% |
| euro 4 avec filtre à particules | + 2,5% |
| euro 5 ou EEV | + 2,5% |
| euro 6 | 0% |
Par dérogation à l'article 2.2.4.0.2, § 2, la taxe, calculée conformément à l'alinéa 1er, s'élève à 40 euros au minimum.
Le présent paragraphe s'applique uniquement aux véhicules de personnes physiques et d'autres personnes morales que les sociétés, les entreprises publiques autonomes et les associations sans but lucratif, qui exercent des activités de leasing.]4
[6 § 3/3. Pour les véhicules à moteur, destinés au transport de marchandises, les corbillards, les tracteurs agricoles à moteur solos et les tracteurs à moteur solos, autres que ceux, visés au paragraphe 6, qui sont inscrits pour la première fois après le 31 décembre 2020 au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière, et dont la masse maximale autorisée s'élève à 2500 kg au maximum, la taxe est calculée telle que visée au paragraphe 3/1, étant entendu que l'élément visé au paragraphe 3/1, 1°, est appliqué comme suit : en fonction de l'émission de CO2 du véhicule, mesuré lors de son homologation selon la réglementation européenne en vigueur, le tarif est :
a) majoré de 0,30% par gramme d'émission de CO2 par kilomètre au-dessus de 149 grammes et en-dessous de 500 grammes ;
b) réduit de 0,30% par gramme d'émission de CO2 par kilomètre en-dessous de 149 grammes et au-dessus de 24 grammes.
Le présent paragraphe s'applique uniquement aux véhicules de personnes physiques et d'autres personnes morales que les sociétés, les entreprises publiques autonomes et les associations sans but lucratif, qui exercent des activités de leasing.
Le présent paragraphe s'applique également aux véhicules à moteur, visés à l'alinéa 1er, qui sont inscrits pour la première fois après le 31 décembre 2020 auprès d'une institution comparable au sein de l'Espace économique européen ou d'un autre Etat, lorsqu'ils sont inscrits plus tard au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière.]6
§ 4. Pour les motocyclettes, la taxe s'élève à 49,44 euros.
§ 5. Pour les autobus et les autocars, la taxe s'élève à 4,44 euros par cheval fiscal lorsque la puissance imposable n'est pas supérieure à 10 chevaux fiscaux, avec un minimum de 69,94 euros.
Lorsque la puissance imposable est supérieure à 10 chevaux fiscaux, la taxe pour les autobus et les autocars est calculée, sur la base des chevaux fiscaux (ch), selon le tableau suivant :
| aantal pk | totaalbedrag van de belasting in euro |
| 11 | 51,48 |
| 12 | 59,04 |
| 13 | 67,08 |
| 14 | 75,60 |
| 15 | 84,60 |
| 16 | 94,08 |
| 17 | 104,04 |
| 18 | 114,48 |
| 19 | 125,40 |
| 20 | 136,80 |
| 21 | 148,68 |
| 22 | 161,04 |
| 23 | 173,88 |
| 24 | 187,20 |
| 25 | 201,00 |
| 26 | 215,28 |
| 27 | 230,04 |
| 28 | 245,28 |
| 29 | 261,00 |
| 30 | 277,20 |
| 31 | 293,88 |
| 32 | 311,04 |
| 33 | 328,68 |
| 34 | 346,80 |
| 35 | 365,40 |
| 36 | 384,48 |
| 37 | 404,04 |
| 38 | 424,08 |
| 39 | 444,60 |
| 40 | 465,60 |
| 41 | 487,08 |
| 42 | 509,04 |
| 43 | 531,48 |
| 44 | 549,12 |
| meer dan 44 | 549,12, verhoogd met 12,48 per pk boven 44 |
| nombre de ch | montant total de la taxe en euros |
| 11 | 51,48 |
| 12 | 59,04 |
| 13 | 67,08 |
| 14 | 75,60 |
| 15 | 84,60 |
| 16 | 94,08 |
| 17 | 104,04 |
| 18 | 114,48 |
| 19 | 125,40 |
| 20 | 136,80 |
| 21 | 148,68 |
| 22 | 161,04 |
| 23 | 173,88 |
| 24 | 187,20 |
| 25 | 201,00 |
| 26 | 215,28 |
| 27 | 230,04 |
| 28 | 245,28 |
| 29 | 261,00 |
| 30 | 277,20 |
| 31 | 293,88 |
| 32 | 311,04 |
| 33 | 328,68 |
| 34 | 346,80 |
| 35 | 365,40 |
| 36 | 384,48 |
| 37 | 404,04 |
| 38 | 424,08 |
| 39 | 444,60 |
| 40 | 465,60 |
| 41 | 487,08 |
| 42 | 509,04 |
| 43 | 531,48 |
| 44 | 549,12 |
| plus de 44 | 549,12 majoré de 12,48 par ch supérieur à 44 |
§ 6. [2 Voor de motorvoertuigen of de samengestelde voertuigen, bestemd voor het vervoer van goederen, waarvan het maximaal toegestane totaalgewicht 3,5 ton overschrijdt, maar minder bedraagt dan 12 ton, bedraagt de belasting 0 euro.
Voor de motorvoertuigen of de samengestelde voertuigen, bestemd voor het vervoer van goederen, waarvan het maximaal toegestane totaalgewicht 12 ton of meer bedraagt, wordt de belasting, afhankelijk van het aantal assen van het voertuig en de aard van de ophanging, berekend volgens de volgende bepalingen en tabellen :
1° voor de alleenrijdende motorvoertuigen is het in aanmerking te nemen maximaal toegestane totaalgewicht (MTT) voor de toepassing van onderstaande tabel het eigen maximaal toegestane totaalgewicht van het motorvoertuig;
Voor de motorvoertuigen of de samengestelde voertuigen, bestemd voor het vervoer van goederen, waarvan het maximaal toegestane totaalgewicht 12 ton of meer bedraagt, wordt de belasting, afhankelijk van het aantal assen van het voertuig en de aard van de ophanging, berekend volgens de volgende bepalingen en tabellen :
1° voor de alleenrijdende motorvoertuigen is het in aanmerking te nemen maximaal toegestane totaalgewicht (MTT) voor de toepassing van onderstaande tabel het eigen maximaal toegestane totaalgewicht van het motorvoertuig;
§ 6. [2 Pour les véhicules à moteur ou les ensembles de véhicules, destinés au transport de marchandises, dont la masse maximale autorisée est supérieure à 3,5 tonnes mais inférieure à 12 tonnes, la taxe est de 0 euros.
Pour les véhicules à moteur ou les ensembles de véhicules, destinés au transport de marchandises, dont la masse maximale autorisée est de 12 tonnes ou plus, la taxe est calculée, en fonction du nombre d'essieux du véhicule et de la nature de la suspension, selon les dispositions et tableaux suivants :
1° pour les véhicules à moteur solos, la masse maximale autorisée (MMA) à prendre en compte pour l'application du tableau sous-mentionné est la propre masse maximale autorisée du véhicule à moteur ;
Pour les véhicules à moteur ou les ensembles de véhicules, destinés au transport de marchandises, dont la masse maximale autorisée est de 12 tonnes ou plus, la taxe est calculée, en fonction du nombre d'essieux du véhicule et de la nature de la suspension, selon les dispositions et tableaux suivants :
1° pour les véhicules à moteur solos, la masse maximale autorisée (MMA) à prendre en compte pour l'application du tableau sous-mentionné est la propre masse maximale autorisée du véhicule à moteur ;
MOTORVOERTUIGEN
VEHICULES A MOTEUR
| aantal assen en MTT (in ton) | tarief (in euro/jaar) | ||
| Gelijk aan of meer dan | minder dan | luchtvering of als gelijkwaardig erkende vering (*) van de aangedreven as(sen) | andere ophangsystemen van de aangedreven as(sen) |
| 2 assen | |||
| 12 | 13 | 0 | 31 |
| 13 | 14 | 31 | 86 |
| 14 | 15 | 86 | 121 |
| 15 | 121 | 274 | |
| 3 assen | |||
| 15 | 17 | 31 | 54 |
| 17 | 19 | 54 | 111 |
| 19 | 21 | 111 | 144 |
| 21 | 23 | 144 | 222 |
| 23 | 25 | 222 | 345 |
| 25 | 222 | 345 | |
| 4 assen | |||
| 23 | 25 | 144 | 146 |
| 25 | 27 | 146 | 228 |
| 27 | 29 | 228 | 362 |
| 29 | 31 | 362 | 537 |
| 31 | 362 | 537 | |
| (*) Als gelijkwaardig erkende vering volgens de definitie in bijlage II bij richtlijn 96/53/EG van de Raad van 25 juli 1996 houdende vaststelling, voor bepaalde aan het verkeer binnen de Gemeenschap deelnemende wegvoertuigen, van de in het nationale en internationale verkeer maximaal toegestane afmetingen, en van de in het internationale verkeer toegestane gewichten (PB L 235 van 17.9.1996, blz. 59). | |||
2° voor de samengestelde voertuigen is het in aanmerking te nemen maximaal toegestane totaalgewicht (MTT) voor de toepassing van onderstaande tabel de som van het eigen maximaal toegestane totaalgewicht van de voertuigen die deel uitmaken van het samenstel.
| nombre d'essieux et MMA (en tonnes) | tarif (en euros/an) | ||
| égale à ou supérieur à | inférieure à | suspension pneumatique ou reconnue équivalente (*) de l'essieu/des essieux moteur(s) | autres systèmes de suspension de l'essieu/des essieux moteur(s) |
| 2 essieux | |||
| 12 | 13 | 0 | 31 |
| 13 | 14 | 31 | 86 |
| 14 | 15 | 86 | 121 |
| 15 | 121 | 274 | |
| 3 essieux | |||
| 15 | 17 | 31 | 54 |
| 17 | 19 | 54 | 111 |
| 19 | 21 | 111 | 144 |
| 21 | 23 | 144 | 222 |
| 23 | 25 | 222 | 345 |
| 25 | 222 | 345 | |
| 4 essieux | |||
| 23 | 25 | 144 | 146 |
| 25 | 27 | 146 | 228 |
| 27 | 29 | 228 | 362 |
| 29 | 31 | 362 | 537 |
| 31 | 362 | 537 | |
| (*) Suspension reconnue équivalente selon la définition dans l'annexe II à la directive 96/53/CE du Conseil du 25 juillet 1996 fixant, pour certains véhicules routiers circulant dans la Communauté les dimensions maximales autorisées en trafic national et international et les poids maximaux autorisés en trafic international (JO L 235 du 17.9.1996, p. 59) | |||
2° pour les ensemble de véhicules, la masse maximale autorisée (MMA) à prendre en compte pour l'application du tableau sous-mentionné est la somme des propres masses maximales autorisées des véhicules qui font partie de l'ensemble.
COMBINATIES (GELEDE VOERTUIGEN EN SAMENSTELLEN)
[7
[7
COMBINAISONS (VEHICULES ARTICULES ET ENSEMBLES)
[7
[7
| aantal assen en MMT (in ton) | tarief (in euro/jaar) | ||
| gelijk aan of meer dan | minder dan | Luchtvering of als gelijkwaardig erkende verig (*) van de aangedreven as(sen) | andere ophangsystemen van de aangedreven as(sen) |
| 2 + 1 assen | |||
| 12 | 14 | 0 | 0 |
| 14 | 16 | 0 | 0 |
| 16 | 18 | 0 | 14 |
| 18 | 20 | 14 | 32 |
| 20 | 22 | 32 | 75 |
| 22 | 23 | 75 | 97 |
| 23 | 25 | 97 | 175 |
| 25 | 175 | 307 | |
| nombre d'essieux et MMA (en tonnes) | tarif (en euros/an) | ||
| égal ou supérieur à | inférieur à | suspension pneumatique ou reconnue équivalente (*) de l'essieu/des essieux moteur(s) | autres systèmes de suspension de l'essieu/des essieux moteur(s) |
| 2 + 1 essieux | |||
| 12 | 14 | 0 | 0 |
| 14 | 16 | 0 | 0 |
| 16 | 18 | 0 | 14 |
| 18 | 20 | 14 | 32 |
| 20 | 22 | 32 | 75 |
| 22 | 23 | 75 | 97 |
| 23 | 25 | 97 | 175 |
| 25 | 175 | 307 | |
| 2 + 2 assen | |||
| 23 | 25 | 30 | 70 |
| 25 | 26 | 70 | 115 |
| 26 | 28 | 115 | 169 |
| 28 | 29 | 169 | 204 |
| 29 | 31 | 204 | 335 |
| 31 | 33 | 335 | 465 |
| 33 | 36 | 465 | 706 |
| 36 | 465 | 706 | |
| 2 + 3 assen | |||
| 36 | 38 | 370 | 515 |
| 38 | 515 | 700 | |
| 3 + 2 assen | |||
| 36 | 38 | 327 | 454 |
| 38 | 40 | 454 | 628 |
| 40 | 628 | 929 | |
| 3 + 3 assen | |||
| 36 | 38 | 186 | 225 |
| 38 | 40 | 225 | 336 |
| 40 | 336 | 535 | |
| andere combinaties dan bovenstaande combinaties aantal assen en MTT | |||
| 0 | 16 | 0 | 0 |
| 16 | 18 | 0 | 14 |
| 18 | 20 | 14 | 32 |
| 20 | 22 | 32 | 75 |
| 22 | 23 | 75 | 97 |
| 23 | 25 | 97 | 175 |
| 25 | 29 | 175 | 307 |
| 29 | 31 | 204 | 335 |
| 31 | 33 | 335 | 465 |
| 33 | 465 | 706 | |
| (*) Als gelijkwaardig erkende vering volgens de definitie in bijlage II bij richtlijn 96/53/EG van de Raad van 25 juli 1996 houdende vaststelling, voor bepaalde aan het verkeer binnen de Gemeenschap deelnemende wegvoertuigen, van de in het nationale en internationale verkeer maximaal toegestane afmetingen, en van de in het internationale verkeer toegestane gewichten (PB L 235 van 17.9.1996, blz. 59). | |||
]7
De bedragen, vermeld in de tabellen in het tweede lid, omvatten reeds de opdeciem, vermeld in artikel 2.2.4.0.5, § 2, eerste lid.]2
§ 7. De aanhangwagens en de opleggers zijn onderworpen aan een belasting van respectievelijk 32,64 euro of 67,80 euro, naargelang [5 het maximaal toegestane totaalgewicht]5 niet hoger is dan 500 kg, of 501 kg bereikt zonder 3500 kg te overschrijden.
In afwijking van het eerste lid zijn de aanhangwagens en opleggers waarvan de maximaal toegelaten massa 750 kg niet overschrijdt en die uitsluitend getrokken worden door een personenauto, een auto voor dubbel gebruik, een minibus, een ziekenauto, een motorfiets, een lichte vrachtauto, een kampeerwagen, een autobus of een autocar, vrijgesteld van de belasting. [1 Die vrijstelling geldt alleen als de belastingplichtige een natuurlijke persoon is of een andere rechtspersoon dan een vennootschap, autonoom overheidsbedrijf en vereniging zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.]1
§ 8. Voor de kampeerwagens wordt de belasting berekend volgens de volgende tabel :
| 2 + 2 essieux | |||
| 23 | 25 | 30 | 70 |
| 25 | 26 | 70 | 115 |
| 26 | 28 | 115 | 169 |
| 28 | 29 | 169 | 204 |
| 29 | 31 | 204 | 335 |
| 31 | 33 | 335 | 465 |
| 33 | 36 | 465 | 706 |
| 36 | 465 | 706 | |
| 2 + 3 essieux | |||
| 36 | 38 | 370 | 515 |
| 38 | 515 | 700 | |
| 3 + 2 essieux | |||
| 36 | 38 | 327 | 454 |
| 38 | 40 | 454 | 628 |
| 40 | 628 | 929 | |
| 3 + 3 essieux | |||
| 36 | 38 | 186 | 225 |
| 38 | 40 | 225 | 336 |
| 40 | 336 | 535 | |
| autres combinaisons du nombre d'essieux et de la MMA que les combinaisons précitées | |||
| 0 | 16 | 0 | 0 |
| 16 | 18 | 0 | 14 |
| 18 | 20 | 14 | 32 |
| 20 | 22 | 32 | 75 |
| 22 | 23 | 75 | 97 |
| 23 | 25 | 97 | 175 |
| 25 | 29 | 175 | 307 |
| 29 | 31 | 204 | 335 |
| 31 | 33 | 335 | 465 |
| 33 | 465 | 706 | |
| (*) Suspension reconnue équivalente selon la définition de l'annexe II à la directive 96/53/CE du Conseil du 25 juillet 1996 fixant, pour certains véhicules routiers circulant dans la Communauté les dimensions maximales autorisées en trafic national et international et les poids maximaux autorisés en trafic international (JO L 235 du 17.9.1996, p. 59). | |||
]7
Dans les montants visés aux tableaux dans l'alinéa deux, sont déjà inclus le décime additionnel, visé à l'article 2.2.4.0.5, § 2, alinéa premier.]2
§ 7. Les remorques et semi-remorques sont soumises à une taxe s'élevant respectivement à 32,64 euros ou 67,80 euros, selon que [5 le poids total autorisé en charge]5 n'est pas supérieure à 500 kg ou atteint 501 kg sans dépasser 3500 kilogrammes.
Par dérogation l'alinéa premier, les remorques et semi-remorques dont la masse maximale autorisée ne dépasse pas 750 kg et qui sont exclusivement tirées par une voiture particulière, une voiture mixte, un minibus, une ambulance, une motocyclette, une camionnette, un camping-car, un autobus ou un autocar, sont exonérées de la taxe. [1 Cette exonération s'applique uniquement lorsque le contribuable est une personne physique ou une personne morale autre qu'une société, entreprise publique autonome et association sans but lucratif, avec des activités de leasing.]1
§ 8. Pour les camping-cars, la taxe est calculée selon le tableau suivant :
| [1 MTT]1 in kg | totaalbedrag van de belasting in euro | |
| van | tot en met | |
| 0 | 1500 | 84 |
| 1501 | 3500 | 120 |
| 3501 | 7999 | 132 |
| 8000 | 10.999 | 168 |
| 11.000 | > 11.000 | 264 |
| (1)<DVR 2017-12-08/05, art. 11, 024; Inwerkingtreding : 24-12-2017> | ||
Deze bepaling is alleen van toepassing op natuurlijke personen [1 en andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten]1.
De kampeerwagens vallen buiten de toepassing van artikel 2.2.6.0.1, § 1, eerste lid, 13°, en artikel 2.2.6.0.1, § 2, 2°.
[8 § 9. Voor alle voertuigen als vermeld in dit artikel, met uitzondering van deze, vermeld in paragraaf 4 en paragraaf 6, die uitsluitend aangedreven worden door een elektrische motor of door waterstof en die na 31 december 2025 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid, bedraagt de belasting 93,60 euro.
Deze bepaling geldt voor voertuigen van:
1° vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten;
2° natuurlijke personen en rechtspersonen, andere dan deze, vermeld in punt 1°.]8
| [1 PTAC]1 en kg | montant total de la taxe en euros | |
| de | à | |
| 0 | 1500 | 84 |
| 1501 | 3500 | 120 |
| 3501 | 7999 | 132 |
| 8000 | 10.999 | 168 |
| 11.000 | > 11.000 | 264 |
| (1)<DCFL 2017-12-08/05, art. 11, 024; En vigueur : 24-12-2017> | ||
Cette disposition s'applique uniquement à des personnes physiques [1 et des personnes morales autres que des sociétés, des entreprises publiques autonomes et des associations sans but lucratif, avec des activités de leasing]1.
Les camping-cars ne relèvent pas de l'application de l'article 2.2.6.0.1, § 1er, alinéa premier, 13°, et de l'article 2.2.6.0.1, § 2, 2°.
[8 § 9. Pour tous les véhicules visés dans le présent article, à l'exception de ceux visés aux paragraphes 4 et 6, équipés exclusivement d'un moteur électrique ou à l'hydrogène et immatriculés au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière après le 31 décembre 2025, la taxe s'élève à 93,60 euros.
Cette disposition s'applique aux véhicules :
1° de sociétés, d'entreprises publiques autonomes et d'associations sans but lucratif exerçant des activités de leasing ;
2° de personnes physiques et morales, autres que celles visées au 1°.]8
Art. 2.2.4.0.2. § 1. [4 In afwijking van artikel 2.2.4.0.1, § 1, § 2, § 2/1, § 2/2, § 3, § 3/1, § 3/2, § 3/3, § 5, § 6, § 7 en § 8, bedraagt de belasting:]4
1° [4 90,90 euro voor de voertuigen die bij het ontstaan van de belastingplicht sinds meer dan dertig jaar in het verkeer zijn gebracht;]4
[2 1/1° [4 90,90 euro voor]4 de voertuigen die voldoen aan een van de volgende voorwaarden:
a) in aanslagjaar 2017 sedert meer dan vijfentwintig jaar in het verkeer zijn gebracht;
b) in aanslagjaar 2018 sedert meer dan zesentwintig jaar in het verkeer zijn gebracht;
c) in aanslagjaar 2019 sedert meer dan zevenentwintig jaar in het verkeer zijn gebracht;
d) in aanslagjaar 2020 sedert meer dan achtentwintig jaar in het verkeer zijn gebracht;
e) in aanslagjaar 2021 sedert meer dan negenentwintig jaar in het verkeer zijn gebracht;]2
[3 f) in aanslagjaar 2022 sedert meer dan dertig jaar in het verkeer zijn gebracht;]3
2° [4 31,61 euro voor]4 de kampeeraanhangwagens en de aanhangwagens die speciaal zijn ontworpen voor het vervoer van één boot;
3° [2 ...]2
Artikel 2.2.6.0.3, eerste lid, artikel 2.2.6.0.4, artikel 3.3.2.0.1 en artikel 3.4.7.0.3 zijn niet van toepassing op de belasting, vermeld in het eerste lid.
§ 2. Als de belastingplichtige belasting voor een voertuig is verschuldigd, mag de belasting voor dat voertuig niet minder dan 31,61 euro bedragen.
[1 Deze paragraaf is niet van toepassing op de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 6.]1
1° [4 90,90 euro voor de voertuigen die bij het ontstaan van de belastingplicht sinds meer dan dertig jaar in het verkeer zijn gebracht;]4
[2 1/1° [4 90,90 euro voor]4 de voertuigen die voldoen aan een van de volgende voorwaarden:
a) in aanslagjaar 2017 sedert meer dan vijfentwintig jaar in het verkeer zijn gebracht;
b) in aanslagjaar 2018 sedert meer dan zesentwintig jaar in het verkeer zijn gebracht;
c) in aanslagjaar 2019 sedert meer dan zevenentwintig jaar in het verkeer zijn gebracht;
d) in aanslagjaar 2020 sedert meer dan achtentwintig jaar in het verkeer zijn gebracht;
e) in aanslagjaar 2021 sedert meer dan negenentwintig jaar in het verkeer zijn gebracht;]2
[3 f) in aanslagjaar 2022 sedert meer dan dertig jaar in het verkeer zijn gebracht;]3
2° [4 31,61 euro voor]4 de kampeeraanhangwagens en de aanhangwagens die speciaal zijn ontworpen voor het vervoer van één boot;
3° [2 ...]2
Artikel 2.2.6.0.3, eerste lid, artikel 2.2.6.0.4, artikel 3.3.2.0.1 en artikel 3.4.7.0.3 zijn niet van toepassing op de belasting, vermeld in het eerste lid.
§ 2. Als de belastingplichtige belasting voor een voertuig is verschuldigd, mag de belasting voor dat voertuig niet minder dan 31,61 euro bedragen.
[1 Deze paragraaf is niet van toepassing op de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 6.]1
Art. 2.2.4.0.2. § 1er. [4 Par dérogation à l'article 2.2.4.0.1, § 1er, § 2, § 2/1, § 2/2, § 3, § 3/1, § 3/2, § 3/3, § 5, § 6, § 7 et § 8, la taxe s'élève à :]4
1° [4 90,90 euros pour les véhicules mis en circulation depuis plus de trente ans au moment de l'assujettissement ;]4
[2 1/1° [4 90,90 euros pour]4 les véhicules qui répondent à l'une des conditions suivantes :
a) en l'année d'imposition 2017, avoir été mis en circulation depuis plus de vingt-cinq ans ;
b) en l'année d'imposition 2018, avoir été mis en circulation depuis plus de vingt-six ans ;
c) en l'année d'imposition 2019, avoir été mis en circulation depuis plus de vingt-sept ans ;
d) en l'année d'imposition 2020, avoir été mis en circulation depuis plus de vingt-huit ans ;
e) en l'année d'imposition 2021, avoir été mis en circulation depuis plus de vingt-neuf ans ;]2
[3 f) en l'année d'imposition 2022, avoir été mis en circulation depuis plus de trente ans ;]3
2° [4 31,61 euros pour]4 les remorques de camping et les remorques spécialement conçues pour le transport d'un seul bateau;
3° [2 ...]2.
L'article 2.2.6.0.3, alinéa premier, l'article 2.2.6.0.4, l'article 3.3.2.0.1 et l'article 3.4.7.0.3 ne s'appliquent pas à la taxe, visée à l'alinéa premier.
§ 2. Lorsque le contribuable est redevable de la taxe pour un véhicule, la taxe pour ce véhicule ne peut pas être inférieure à 31,61 euros.
[1 Le présent paragraphe ne s'applique pas aux véhicules, visés à l'article 2.2.4.0.1, § 6.]1
1° [4 90,90 euros pour les véhicules mis en circulation depuis plus de trente ans au moment de l'assujettissement ;]4
[2 1/1° [4 90,90 euros pour]4 les véhicules qui répondent à l'une des conditions suivantes :
a) en l'année d'imposition 2017, avoir été mis en circulation depuis plus de vingt-cinq ans ;
b) en l'année d'imposition 2018, avoir été mis en circulation depuis plus de vingt-six ans ;
c) en l'année d'imposition 2019, avoir été mis en circulation depuis plus de vingt-sept ans ;
d) en l'année d'imposition 2020, avoir été mis en circulation depuis plus de vingt-huit ans ;
e) en l'année d'imposition 2021, avoir été mis en circulation depuis plus de vingt-neuf ans ;]2
[3 f) en l'année d'imposition 2022, avoir été mis en circulation depuis plus de trente ans ;]3
2° [4 31,61 euros pour]4 les remorques de camping et les remorques spécialement conçues pour le transport d'un seul bateau;
3° [2 ...]2.
L'article 2.2.6.0.3, alinéa premier, l'article 2.2.6.0.4, l'article 3.3.2.0.1 et l'article 3.4.7.0.3 ne s'appliquent pas à la taxe, visée à l'alinéa premier.
§ 2. Lorsque le contribuable est redevable de la taxe pour un véhicule, la taxe pour ce véhicule ne peut pas être inférieure à 31,61 euros.
[1 Le présent paragraphe ne s'applique pas aux véhicules, visés à l'article 2.2.4.0.1, § 6.]1
Art. 2.2.4.0.3. [1 De belasting, vastgesteld volgens artikel 2.2.4.0.1, § 2 [2 , § 3 voor zover het voertuigen betreft van natuurlijke personen en van andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten, § 3/1, eerste lid, § 3/2, eerste lid,]2 en § 4, de minimumbelastingen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 2/1, tweede lid, [2 , artikel 2.2.4.0.1, § 3/1, tweede lid, artikel 2.2.4.0.1, § 3/2, derde lid,]2 en artikel 2.2.4.0.1, § 5, de belastingen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 7 [4 en artikel 2.2.4.0.1, § 9]4, alsook de belasting, vermeld in artikel 2.2.4.0.2, § 1, en de minimumbelasting, vermeld in artikel 2.2.4.0.2, § 2, alsook het bedrag, vermeld in artikel 2.2.5.0.4, zijn gekoppeld aan de schommelingen van het algemeen indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk. De belastingbedragen worden aangepast op 1 juli van elk jaar op grond van de schommelingen van het algemeen indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk, vastgesteld tussen de maand mei van het vorige jaar en de maand mei van het lopende jaar. De belastingbedragen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, met uitzondering van paragraaf 2/1, [2 , § 3 voor zover het voertuigen betreft van natuurlijke personen en van andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten, § 3/1 en § 3/2,]2 [3 en artikel 2.2.4.0.2, § 1, eerste lid, 2°, en § 2, zijn]3 de bedragen die van toepassing waren op 1 juli 2013. Voor de toepassing van de indexatie zijn de bedragen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 2/1, tweede lid, en artikel 2.2.5.0.4, de bedragen die gelden alsof ze van toepassing waren op 1 juli 2015.]1 [2 Voor de toepassing van de indexatie zijn de bedragen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 3, voor zover het voertuigen betreft van natuurlijke personen en van andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten, § 3/1, eerste en tweede lid, en § 3/2, eerste en derde lid, de bedragen die gelden alsof ze van toepassing waren op 1 juli 2017.]2 [3 Voor de toepassing van de indexatie zijn de bedragen, vermeld in artikel 2.2.4.0.2, § 1, eerste lid, 1° en 1/1°, de bedragen die gelden alsof ze van toepassing waren op 1 juli 2023.]3 [4 Voor de toepassing van de indexatie is het bedrag, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 9, het bedrag dat geldt alsof het van toepassing was op 1 juli 2025.]4
De aangepaste belastingbedragen, vermeld in het eerste lid, kunnen met maximaal 0,11 euro worden verlaagd om een veelvoud van twaalf te vormen.
De aangepaste belastingbedragen, vermeld in het eerste lid, kunnen met maximaal 0,11 euro worden verlaagd om een veelvoud van twaalf te vormen.
Art. 2.2.4.0.3. [1 La taxe, fixée selon l'article 2.2.4.0.1, §§ 2 [2 §3, dans la mesure où il s'agit de véhicules de personnes physiques et d'autres personnes morales que les sociétés, les entreprises publiques autonomes et les associations sans but lucratif, qui exercent des activités de leasing, 3/1, alinéa 1er, 3/2, alinéa 1er,]2 et 4, les taxes minimum, visées à l'article 2.2.4.0.1, § 2/1, alinéa 2, [2 à l'article 2.2.4.0.1, § 3/1, alinéa 2, l'article 2.2.4.0.1, § 3/2, alinéa 3,]2 et à l'article 2.2.4.0.1, § 5, les taxes, visées à l'article 2.2.4.0.1, § 7, [4 et à l'article 2.2.4.0.1, § 9,]4 ainsi que la taxe, visée à l'article 2.2.4.0.2, § 1er, et la taxe minimum, visée à l'article 2.2.4.0.2, § 2, et le montant, visé à l'article 2.2.5.0.4, sont liés aux fluctuations de l'indice général des prix à la consommation du Royaume. Les montants des taxes sont adaptés le 1er juillet de chaque année sur la base des fluctuations de l'indice général des prix à la consommation du Royaume, fixé entre le mois de mai de l'année précédente et le mois de mai de l'année en cours. Les montants des taxes, visés à l'article 2.2.4.0.1, à l'exception du paragraphe 2/1, [2 , § 3, dans la mesure où il s'agit de véhicules de personnes physiques et d'autres personnes morales que les sociétés, les entreprises publiques autonomes et les associations sans but lucratif, qui exercent des activités de leasing, § 3/1 et § 3/2,]2 [3 et à l'article 2.2.4.0.2, § 1er, alinéa 1er, 2°, et § 2, sont]3 les montants qui s'appliquaient au 1er juillet 2013. Pour l'application de l'indexation, les montants, visés aux articles 2.2.4.0.1, § 2/1, alinéa 2, et 2.2.5.0.4, sont les montants en vigueur tels qu'ils étaient d'application au 1er juillet 2015. ]1 [2 Pour l'application de l'indexation, les montants visés à l'article 2.2.4.0.1, § 3, dans la mesure où il s'agit de véhicules de personnes physiques et d'autres personnes morales que les sociétés, les entreprises publiques autonomes et les associations sans but lucratif, qui exercent des activités de leasing, 3/1, alinéas 1er et 2, et § 3/2, alinéas 1er et 3, sont les montants en vigueur tels qu'ils étaient d'application au 1er juillet 2017.]2 [3 Pour l'application de l'indexation, les montants, visés à l'article 2.2.4.0.2, § 1er, alinéa 1er, 1°, et 1/1°, sont les montants en vigueur tels qu'ils étaient d'application au 1er juillet 2023.]3 [4 Pour l'application de l'indexation, le montant visé à l'article 2.2.4.0.1, § 9, est le montant en vigueur tel qu'il était d'application au 1er juillet 2025.]4
Les montants des taxes adaptés, visés à l'alinéa premier, peuvent être réduits de 0,11 euros au maximum pour atteindre un multiple de douze.
Les montants des taxes adaptés, visés à l'alinéa premier, peuvent être réduits de 0,11 euros au maximum pour atteindre un multiple de douze.
Art. 2.2.4.0.4. De personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik en de minibussen, met inbegrip van de lichte vrachtauto's, vermeld in artikel 1.1.0.0.2, derde lid, 2°, laatste zin, waarvan de motor, zelfs gedeeltelijk of tijdelijk, gedreven wordt met vloeibaar petroleumgas of andere vloeibare koolwaterstofgassen, zijn onderworpen aan een aanvullende verkeersbelasting van 89,16 euro, 148,68 euro of 208,20 euro, naargelang het belastbaar vermogen niet hoger is dan 7 pk, 8 pk bereikt zonder 13 pk te overschrijden of meer bedraagt dan 13 pk.
De aanvullende verkeersbelasting, vermeld in het eerste lid, wordt geregeld volgens de bepalingen die van toepassing zijn op de verkeersbelasting, met uitzondering van de bepalingen van artikel 2.2.4.0.2, § 2, artikel 2.2.4.0.3, artikel 2.2.4.0.5, § 2, artikel 2.2.5.0.2 en artikel 2.2.6.0.1, § 1, eerste lid, 3°, 4°, 5°, 7°, 8°, 9° [1 , 11° en 15° ]1.
Als de belastingplichtige, met toepassing van het eerste en het tweede lid, aanvullende verkeersbelasting verschuldigd is voor een voertuig, mag de belasting voor dat voertuig niet minder bedragen dan 23,16 euro.
De aanvullende verkeersbelasting, vermeld in het eerste lid, wordt geregeld volgens de bepalingen die van toepassing zijn op de verkeersbelasting, met uitzondering van de bepalingen van artikel 2.2.4.0.2, § 2, artikel 2.2.4.0.3, artikel 2.2.4.0.5, § 2, artikel 2.2.5.0.2 en artikel 2.2.6.0.1, § 1, eerste lid, 3°, 4°, 5°, 7°, 8°, 9° [1 , 11° en 15° ]1.
Als de belastingplichtige, met toepassing van het eerste en het tweede lid, aanvullende verkeersbelasting verschuldigd is voor een voertuig, mag de belasting voor dat voertuig niet minder bedragen dan 23,16 euro.
Art. 2.2.4.0.4. Les voitures particulières, les voitures mixtes et les minibus, y compris les camionnettes, visées à l'article 1.1.0.0.2, alinéa trois, 2°, dernière phrase, dont le moteur est alimenté, même partiellement ou temporairement, au gaz de pétrole liquéfié ou aux autres hydrocarbures gazeux liquéfiés, sont soumises à une taxe de circulation complémentaire de 89,16 euros, 148,68 euros ou 208,20 euros, selon que la puissance imposable n'est pas supérieure à 7 ch, atteint les 8 ch sans dépasser les 13 ch ou est supérieure à 13 ch.
La taxe de circulation complémentaire, visée à l'alinéa premier, est réglée par les dispositions qui s'appliquent à la taxe de circulation, à l'exception des dispositions de l'article 2.2.4.0.2, § 2, de l'article 2.2.4.0.3, de l'article 2.2.4.0.5, § 2, de l'article 2.2.5.0.2 et de l'article 2.2.6.0.1, § 1er, alinéa premier, 3°, 4°, 5°, 7°, 8°, 9° et [1 ,11° et 15° ]1.
Lorsque le contribuable, en application des alinéas premier et deux, est redevable de la taxe de circulation complémentaire pour un véhicule, la taxe pour ce véhicule ne peut pas être inférieure à 23,16 euros.
La taxe de circulation complémentaire, visée à l'alinéa premier, est réglée par les dispositions qui s'appliquent à la taxe de circulation, à l'exception des dispositions de l'article 2.2.4.0.2, § 2, de l'article 2.2.4.0.3, de l'article 2.2.4.0.5, § 2, de l'article 2.2.5.0.2 et de l'article 2.2.6.0.1, § 1er, alinéa premier, 3°, 4°, 5°, 7°, 8°, 9° et [1 ,11° et 15° ]1.
Lorsque le contribuable, en application des alinéas premier et deux, est redevable de la taxe de circulation complémentaire pour un véhicule, la taxe pour ce véhicule ne peut pas être inférieure à 23,16 euros.
Art. 2.2.4.0.5. § 1. Overeenkomstig artikel 42 van het federale Wetboek van 23 november 1965 van de met inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, zijn de provincies, de agglomeraties en de gemeenten niet gemachtigd tot het heffen van opcentiemen op de verkeersbelasting of enigerlei belasting op de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.1.0.1, behoudens wat betreft de vaartuigen, de bootjes, de bromfietsen en de motorfietsen respectievelijk bedoeld in artikel 2.2.6.0.1, § 1, eerste lid, 6° en 10° .
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 wordt voor de gemeenten een opdeciem geheven op de verkeersbelasting die het Vlaamse Gewest op autovoertuigen heft.
Als de gemeente deel uitmaakt van een agglomeratie van gemeenten, wordt 20 % van de opbrengst van die opdeciem toegekend aan de agglomeratie van gemeenten.
§ 3. In afwijking van paragraaf 2 wordt de opdeciem niet toegepast op de belasting op :
1° voertuigen die uitsluitend gebruikt worden voor bezoldigd vervoer van personen krachtens een machtiging uitgereikt voor de exploitatie van autocardiensten, ter uitvoering van de besluitwet van 30 december 1946 betreffende het bezoldigd vervoer van personen over de weg met autobussen en met autocars;
2° [1 ...]1
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 wordt voor de gemeenten een opdeciem geheven op de verkeersbelasting die het Vlaamse Gewest op autovoertuigen heft.
Als de gemeente deel uitmaakt van een agglomeratie van gemeenten, wordt 20 % van de opbrengst van die opdeciem toegekend aan de agglomeratie van gemeenten.
§ 3. In afwijking van paragraaf 2 wordt de opdeciem niet toegepast op de belasting op :
1° voertuigen die uitsluitend gebruikt worden voor bezoldigd vervoer van personen krachtens een machtiging uitgereikt voor de exploitatie van autocardiensten, ter uitvoering van de besluitwet van 30 december 1946 betreffende het bezoldigd vervoer van personen over de weg met autobussen en met autocars;
2° [1 ...]1
Art. 2.2.4.0.5. § 1er. Conformément à l'article 42 du Code fédéral du 23 novembre 1965 des taxes assimilées aux impôts sur les revenus, les provinces, les agglomérations et les communes ne sont pas autorisées à établir des centimes additionnels à la taxe de circulation, ni des taxes quelconques sur les véhicules, visées à l'article 2.2.1.0.1, sauf en ce qui concerne les bateaux, les embarcations, les cyclomoteurs et les motocyclettes, visés respectivement à l'article 2.2.6.0.1, § 1er, alinéa premier, 6° et 10° .
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, il est établi au profit des communes un décime additionnel à la taxe de circulation que la Région flamande perçoit sur les véhicules automobiles.
Lorsque la commune fait partie d'une agglomération de communes, 20 % du produit de ce décime additionnel sont accordés à l'agglomération de communes.
§ 3. Par dérogation au paragraphe 2, le décime additionnel ne s'applique pas à la taxe sur :
1° les véhicules employés exclusivement pour le transport rémunéré de personnes en vertu d'une autorisation délivrée en vue de l'exploitation de services d'autocars, en exécution de l'arrêté-loi du 30 décembre 1946 relatif aux transports rémunérés de voyageurs par route effectués par autobus et par autocars;
2° [1 ...]1
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, il est établi au profit des communes un décime additionnel à la taxe de circulation que la Région flamande perçoit sur les véhicules automobiles.
Lorsque la commune fait partie d'une agglomération de communes, 20 % du produit de ce décime additionnel sont accordés à l'agglomération de communes.
§ 3. Par dérogation au paragraphe 2, le décime additionnel ne s'applique pas à la taxe sur :
1° les véhicules employés exclusivement pour le transport rémunéré de personnes en vertu d'une autorisation délivrée en vue de l'exploitation de services d'autocars, en exécution de l'arrêté-loi du 30 décembre 1946 relatif aux transports rémunérés de voyageurs par route effectués par autobus et par autocars;
2° [1 ...]1
Art. 2.2.4.0.6. [1 Als de euronorm van het [2 voertuig]2 niet bekend is, wordt die parameter voor de toepassing van artikel 2.2.4.0.1, § 2/1, eerste lid, 2°, [2 artikel 2.2.4.0.1, § 3/1 en § 3/2,]2 bepaald aan de hand van de datum van de eerste inschrijving van het [2 voertuig]2, vermeld in de volgende tabel:
Art. 2.2.4.0.6. [1 Lorsque l'Euronorme du [2 véhicule]2 n'est pas connue, ce paramètre est déterminé pour l'application de l'article 2.2.4.0.1, § 2/1, alinéa 1er, 2°, [2 l'article 2.2.4.0.1, § 3/1 et § 3/2,]2 au moyen de la date de première immatriculation du [2 véhicule]2, visée au tableau suivant :
| Datum van de eerste inschrijving van het wegvoertuig in het binnenland of in het buitenland | Euronorm |
| tot en met 31 december 1993 | euro 0 |
| vanaf 1 januari 1994 tot en met 31 december 1996 | euro 1 |
| vanaf 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000 | euro 2 |
| vanaf 1 januari 2001 tot en met 31 december 2005 | euro 3 |
| vanaf 1 januari 2006 tot en met 31 december 2010 | euro 4 |
| vanaf 1 januari 2011 tot en met 31 augustus 2015 | euro 5 |
| vanaf 1 september 2015 | euro 6 |
]1
| Date de première inscription du véhicule en Belgique ou à l'étranger | Euronorme |
| jusqu'au 31 décembre 1993 inclus | euro 0 |
| du 1er janvier 1994 au 31 décembre 1996 inclus | euro 1 |
| du 1er janvier 1997 au 31 décembre 2000 inclus | euro 2 |
| du 1 janvier 2001 au 31 décembre 2005 inclus | euro 3 |
| du 1er janvier 2006 au 31 décembre 2010 inclus | euro 4 |
| du 1er janvier 2011 au 31 août 2015 inclus | euro 5 |
| à partir du 1er septembre 2015 | euro 6 |
]1
Art. 2.2.4.0.7. [1 Als de CO2-uitstoot van het [2 voertuig]2 niet bekend is, wordt die parameter voor de toepassing van artikel 2.2.4.0.1, § 2/1, eerste lid, 1°, [2 artikel 2.2.4.0.1, § 3/2,]2 bepaald aan de hand van de brandstofsoort, de cilinderinhoud en de euronorm, vermeld in de volgende tabel:
Art. 2.2.4.0.7. [1 Lorsque l'émission de CO2 du [2 véhicule]2 n'est pas connue, ce paramètre est déterminé pour l'application de l'article 2.2.4.0.1, § 2/1, alinéa 1er, 1°, [2 l'article 2.2.4.0.1, § 3/2,]2 au moyen du type de carburant, de la cylindrée et de l'euronorme, repris au tableau suivant :
| Brandstofsoort | Cilinderinhoud in cc | Euronorm | ||||||
| 6 | 5 | 4 | 3 | 2 | 1 | 0 | ||
| CO2-emissies in g/km | ||||||||
| Benzine en andere branstoffen, met uitzondering van aardgas en diesel | minder dan 1 400 | 117 | 125 | 140 | 150 | 164 | 173 | 175 |
| 1 400 tot en met 2 000 | 150 | 159 | 172 | 185 | 200 | 211 | 213 | |
| meer dan 2 000 | 228 | 238 | 247 | 259 | 279 | 295 | 297 | |
| Diesel | minder dan 1 400 | 98 | 103 | 120 | 116 | 125 | 132 | 133 |
| 1 400 tot en met 2 000 | 117 | 125 | 144 | 151 | 163 | 173 | 174 | |
| meer dan 2 000 | 159 | 169 | 201 | 199 | 214 | 226 | 228 | |
| Aardgas | minder dan 1 400 | 94 | 100 | 112 | 120 | 131 | 139 | 140 |
| 1 400 tot en met 2 000 | 120 | 127 | 138 | 148 | 160 | 169 | 171 | |
| meer dan 2 000 | 182 | 190 | 198 | 207 | 223 | 236 | 238 | |
]1
[3 § 2. Als de CO2-uitstoot van het voertuig niet bekend is, wordt die parameter voor de toepassing van artikel 2.2.4.0.1, § 2/2 en artikel 2.2.4.0.1, § 3/3, bepaald volgens volgende formule:
CO2-uitstoot = Constante + (Parameter_CC x CC) + (Parameter_KW x KW) + (Parameter_FPK x FPK) + (Parameter_ZP x ZP) + (Parameter_CC_KW x CC x KW) + (Parameter_CC_FPK x CC x FPK) + (Parameter_KW_FPK x KW x FPK) + (Parameter_CC_KW_FPK x CC x KW x FPK).
De parameters, vermeld in het eerste lid, worden gedefinieerd als volgt:
1° CC = de cilinderinhoud in cc gedeeld door 1000;
2° KW = het vermogen van de motor uitgedrukt in kilowatt gedeeld door 100;
3° FPK = het vermogen van de motor uitgedrukt in fiscale pk;
4° ZP = het aantal zitplaatsen.
De overige parameters, vermeld in het eerste lid, worden voor de toepassing van deze formule, bepaald aan de hand van de brandstofsoort, vermeld in de volgende tabel:
| Type de carburant | Cylindrée en cc | Euronorm | ||||||
| 6 | 5 | 4 | 3 | 2 | 1 | 0 | ||
| Emissions de CO2 en g/km | ||||||||
| Essence et autres carburants, à l'exception de gaz naturel et du diesel | moins de 1 400 | 117 | 125 | 140 | 150 | 164 | 173 | 175 |
| 1 400 jusqu'à 2 000 | 150 | 159 | 172 | 185 | 200 | 211 | 213 | |
| plus de 2 000 | 228 | 238 | 247 | 259 | 279 | 295 | 297 | |
| Diesel | moins de 1 400 | 98 | 103 | 120 | 116 | 125 | 132 | 133 |
| 1 400 jusqu'à 2 000 | 117 | 125 | 144 | 151 | 163 | 173 | 174 | |
| plus de 2 000 | 159 | 169 | 201 | 199 | 214 | 226 | 228 | |
| Gaz naturel | moins de 1 400 | 94 | 100 | 112 | 120 | 131 | 139 | 140 |
| 1 400 jusqu'à 2 000 | 120 | 127 | 138 | 148 | 160 | 169 | 171 | |
| plus de 2 000 | 182 | 190 | 198 | 207 | 223 | 236 | 238 | |
]1
[3 § 2. Si les émissions de CO2 du véhicule ne sont pas connues, ce paramètre est déterminé selon la formule suivante aux fins de l'article 2.2.4.0.1, § 2/2 et de l'article 2.2.4.0.1, § 3/3 :
émission CO2 = Constante + (Paramètre_CC x CC) + (Paramètre_KW x KW) + (Paramètre_FPK x FPK) + (Paramètre_ZP x ZP) + (Paramètre_CC_KW x CC x KW) + (Paramètre_CC_FPK x CC x FPK) + (Paramètre_KW_FPK x KW x FPK) + (Paramètre_CC_KW_FPK x CC x KW x FPK).
Les paramètres figurant à l'alinéa 1er sont définis comme suit :
1° CC = cylindrée en cc divisée par 1 000 ;
2° KW = puissance du moteur exprimée en kilowatts divisée par 100 ;
3° FPK = puissance du moteur exprimée en chevaux fiscaux ;
4° ZP = nombre de sièges.
Aux fins de la formule précitée, les autres paramètres figurant à l'alinéa 1er sont déterminés en fonction du type de carburant, selon le tableau suivant :
| Benzine en andere brandstoffen, met uitzondering van aardgas, diesel en plug-inhybride | Diesel | Benzine plug- inhybride | Diesel plug- inhybride | Aardgas | |
| Parameter constante | 58.3304 | 1017.5710 | 75.3124 | 1716.4604 | 7627.0345 |
| Parameter_CC | 2.9316 | -403.6269 | -126.9417 | -102.5352 | -8617.6901 |
| Parameter_KW | 53.6921 | -817.4980 | 56.3978 | -1333.5261 | -8710.9573 |
| Parameter_FPK | 5.0617 | -96.0669 | 27.1787 | -229.5888 | -606.3489 |
| Parameter_ZP | 1.9861 | 1.9861 | 1.9861 | 1.9861 | 1.9861 |
| Parameter_CC_ KW | 17.2267 | 399.2770 | -51.8607 | -344.2686 | 8134.2581 |
| Parameter_CC_ FPK | -0.2578 | 41.8433 | -1.0233 | 51.2497 | 817.4474 |
| Parameter_ KW_FPK | -5.4089 | 76.3656 | -2.7148 | 245.7955 | 905.1812 |
| Parameter_CC_ KW_FPK | 0.1784 | -34.3605 | 3.1869 | -30.2220 | -854.6351 |
De CO2-uitstoot, zoals berekend in het eerste lid, is minstens gelijk aan nul.
Een plug-inhybride voertuig is een voertuig dat aangedreven wordt door een elektrische motor en een verbrandingsmotor waarvoor de energie geleverd wordt aan de elektrische motor door batterijen die volledig opgeladen kunnen worden via een aansluiting aan een externe energiebron buiten het voertuig.
Een voertuig op aardgas is een voertuig waarvan de motor, ook al is het maar gedeeltelijk of tijdelijk, aangedreven wordt met aardgas.]3
| Essence et autres carburants, à l'exception du gaz naturel, du diesel et de l'hybride rechargeable | Diesel | Hybride rechargeable essence | Hybride rechargeable diesel | Gaz naturel | |
| Paramètre constante | 58.3304 | 1017.5710 | 75.3124 | 1716.4604 | 7627.0345 |
| Paramètre_CC | 2.9316 | -403.6269 | -126.9417 | -102.5352 | -8617.6901 |
| Paramètre_KW | 53.6921 | -817.4980 | 56.3978 | -1333.5261 | -8710.9573 |
| Paramètre_FPK | 5.0617 | -96.0669 | 27.1787 | -229.5888 | -606.3489 |
| Paramètre_ZP | 1.9861 | 1.9861 | 1.9861 | 1.9861 | 1.9861 |
| Paramètre_CC_ KW | 17.2267 | 399.2770 | -51.8607 | -344.2686 | 8134.2581 |
| Paramètre_CC_ FPK | -0.2578 | 41.8433 | -1.0233 | 51.2497 | 817.4474 |
| Paramètre_ KW_FPK | -5.4089 | 76.3656 | -2.7148 | 245.7955 | 905.1812 |
| Paramètre_CC_ KW_FPK | 0.1784 | -34.3605 | 3.1869 | -30.2220 | -854.6351 |
Les émissions de CO2, telles que calculées dans l'alinéa 1er, sont au moins égales à zéro.
Un véhicule hybride rechargeable est un véhicule à moteur électrique et à moteur à combustion, dont l'énergie est fournie au moteur électrique par des batteries pouvant être chargées complètement par un raccordement à une source d'énergie externe.
Un véhicule au gaz naturel est un véhicule dont le moteur est alimenté au gaz naturel, même partiellement ou temporairement.]3
Art. 2.2.4.0.8. [1 De aanwezigheid van een roetfilter als vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 2/1, eerste lid, 2°, [2 artikel 2.2.4.0.1, § 3/1 en § 3/2,]2 wordt vastgesteld op basis van de PM-gegevens of op basis van de gegevens over de premie voor de aankoop en installatie van emissieverminderende voorzieningen in [2 voertuigen]2 met een dieselmotor. Onder PM wordt verstaan: de uitstoot van deeltjes, gemeten tijdens de homologatie van het [2 voertuig]2 volgens de geldende Europese regelgeving.
Een roetfilter als vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 2/1, eerste lid, 2°, [2 artikel 2.2.4.0.1, § 3/1 en § 3/2,]2 is een halfopen of een gesloten roetfilter.
Een gesloten roetfilter wordt geacht aanwezig te zijn bij [2 voertuigen]2 van euronorm 3 en 4 met een uitstoot kleiner dan of gelijk aan 10 mg/km PM. Als in de waarden de combinatie van 0 mg/km PM en 0 g/km CO2 voorkomt, wordt er geacht geen gesloten roetfilter aanwezig te zijn.
Een halfopen roetfilter wordt geacht aanwezig te zijn bij [2 voertuigen]2 als de premie-aanvraag voor de aankoop en installatie van de roetfilter door de Vlaamse overheid is goedgekeurd.]1
Een roetfilter als vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 2/1, eerste lid, 2°, [2 artikel 2.2.4.0.1, § 3/1 en § 3/2,]2 is een halfopen of een gesloten roetfilter.
Een gesloten roetfilter wordt geacht aanwezig te zijn bij [2 voertuigen]2 van euronorm 3 en 4 met een uitstoot kleiner dan of gelijk aan 10 mg/km PM. Als in de waarden de combinatie van 0 mg/km PM en 0 g/km CO2 voorkomt, wordt er geacht geen gesloten roetfilter aanwezig te zijn.
Een halfopen roetfilter wordt geacht aanwezig te zijn bij [2 voertuigen]2 als de premie-aanvraag voor de aankoop en installatie van de roetfilter door de Vlaamse overheid is goedgekeurd.]1
Art. 2.2.4.0.8. [1 La présence d'un filtre à particules tel que visé à l'article 2.2.4.0.1, § 2/1, alinéa 1er, 2°, [2 l'article 2.2.4.0.1, § 3/1 et § 3/2,]2 est constatée sur la base des données PM ou sur la base des données sur la prime pour l'achat et l'installation d'équipements de réduction des émissions dans les [2 véhicules]2 à moteur diesel. Par PM, on entend : les émissions de particules, mesurées lors de l'homologation du [2 véhicule]2 selon la réglementation européenne en vigueur.
Un filtre à particules tel que visé à l'article 2.2.4.0.1, § 2/1, alinéa 1er, 2°, [2 l'article 2.2.4.0.1, § 3/1 et § 3/2,]2 est un filtre à particules demi-ouvert ou fermé.
Un filtre à particules fermé est censé être présent dans les [2 véhicules]2 des Euronormes 3 et 4 ayant une émission inférieure ou égale à 10 mg/km PM. Lorsque, dans les valeurs, la combinaison de 0 mg/km PM et de 0 g/km CO2 se présente, un filtre à particules fermé est censé être absent.
Un filtre à particules demi-ouvert est censé être présent dans les [2 véhicules]2 lorsque la demande de prime pour l'achat et l'installation du filtre à particules a été approuvée par l'es autorités flamandes.]1
Un filtre à particules tel que visé à l'article 2.2.4.0.1, § 2/1, alinéa 1er, 2°, [2 l'article 2.2.4.0.1, § 3/1 et § 3/2,]2 est un filtre à particules demi-ouvert ou fermé.
Un filtre à particules fermé est censé être présent dans les [2 véhicules]2 des Euronormes 3 et 4 ayant une émission inférieure ou égale à 10 mg/km PM. Lorsque, dans les valeurs, la combinaison de 0 mg/km PM et de 0 g/km CO2 se présente, un filtre à particules fermé est censé être absent.
Un filtre à particules demi-ouvert est censé être présent dans les [2 véhicules]2 lorsque la demande de prime pour l'achat et l'installation du filtre à particules a été approuvée par l'es autorités flamandes.]1
Art. 2.2.4.0.9. [1 De belasting voor de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik en de minibussen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 2/1, wordt berekend op basis van de bepalingen van dit hoofdstuk zoals deze van toepassing waren vóór 1 januari 2016, meer bepaald wat betreft de tarieven, vermeld in deze afdeling, de verminderingen, vermeld in afdeling 5, en de vrijstellingen, vermeld in afdeling 6.
Op straffe van verval wordt aan de volgende voorwaarden voldaan:
1° het wegvoertuig werd vóór 31 oktober 2015 besteld;
2° het wegvoertuig wordt na 31 december 2015 voor de eerste keer ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid;
3° een kopie van de bestelbon wordt aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie bezorgd vóór 15 januari 2016, samen met een formulier, afgeleverd door deze entiteit, dat wordt ondertekend door de betrokken belastingplichtige, en dat minstens de volgende gegevens bevat:
a) hetzij het identificatienummer uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, hetzij het ondernemingsnummer dat bekend is bij de Kruispuntbank van Ondernemingen, hetzij het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van de persoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid;
b) de voornamen, de achternaam en het domicilieadres van de natuurlijke persoon of de naam, de rechtsvorm en het adres van de [2 ...]2 zetel van de rechtspersoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid.]1
Op straffe van verval wordt aan de volgende voorwaarden voldaan:
1° het wegvoertuig werd vóór 31 oktober 2015 besteld;
2° het wegvoertuig wordt na 31 december 2015 voor de eerste keer ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid;
3° een kopie van de bestelbon wordt aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie bezorgd vóór 15 januari 2016, samen met een formulier, afgeleverd door deze entiteit, dat wordt ondertekend door de betrokken belastingplichtige, en dat minstens de volgende gegevens bevat:
a) hetzij het identificatienummer uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, hetzij het ondernemingsnummer dat bekend is bij de Kruispuntbank van Ondernemingen, hetzij het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van de persoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid;
b) de voornamen, de achternaam en het domicilieadres van de natuurlijke persoon of de naam, de rechtsvorm en het adres van de [2 ...]2 zetel van de rechtspersoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid.]1
Art. 2.2.4.0.9. [1 La taxe pour les voitures particulières, voitures mixtes et minibus, visée à l'article 2.2.4.0.1, § 2/1, est calculée sur la base des dispositions du présent chapitre telles qu'elles s'appliquaient avant le 1er janvier 2016, notamment en ce qui concerne les tarifs, visés dans la présente section, les réductions, visées à la section 5, et les exonérations, visées à la section 6.
A peine de déchéance, les conditions suivantes doivent être satisfaites :
1° le véhicule routier a été commandé avant le 31 octobre 2015 ;
2° le véhicule routier est inscrit pour la première fois après le 31 décembre 2015 au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière ;
3° une copie du bon de commande est transmise avant le 15 janvier 2016 à l'entité compétente de l'administration flamande, accompagnée d'un formulaire délivré par cette entité et signé par le contribuable concerné, qui comprend au moins les données suivantes :
a) soit le numéro d'identification du Registre national des personnes physiques, soit le numéro d'entreprise connu auprès de la Banque-Carrefour des Entreprises, soit le numéro d'identification, visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale, de la personne au nom de laquelle le véhicule est ou sera inscrit au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière ;
b) les prénom, nom et adresse du domicile des personnes physiques ou le nom, la forme juridique et l'adresse du siège [2 ...]2 de la personne morale au nom de laquelle le véhicule est ou sera inscrit au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière.]1
A peine de déchéance, les conditions suivantes doivent être satisfaites :
1° le véhicule routier a été commandé avant le 31 octobre 2015 ;
2° le véhicule routier est inscrit pour la première fois après le 31 décembre 2015 au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière ;
3° une copie du bon de commande est transmise avant le 15 janvier 2016 à l'entité compétente de l'administration flamande, accompagnée d'un formulaire délivré par cette entité et signé par le contribuable concerné, qui comprend au moins les données suivantes :
a) soit le numéro d'identification du Registre national des personnes physiques, soit le numéro d'entreprise connu auprès de la Banque-Carrefour des Entreprises, soit le numéro d'identification, visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale, de la personne au nom de laquelle le véhicule est ou sera inscrit au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière ;
b) les prénom, nom et adresse du domicile des personnes physiques ou le nom, la forme juridique et l'adresse du siège [2 ...]2 de la personne morale au nom de laquelle le véhicule est ou sera inscrit au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière.]1
Afdeling 5. - Verminderingen
Section 5. - Réductions
Art. 2.2.5.0.1. De belasting wordt verminderd met 25 % voor elk voertuig dat uitsluitend wordt gebruikt voor het bezoldigd vervoer van personen krachtens een machtiging uitgereikt voor de exploitatie van autocardiensten, ter uitvoering van de besluitwet van 30 december 1946 betreffende het bezoldigd vervoer van personen over de weg met autobussen en met autocars, dat bij het ontstaan van de belastingplicht sedert ten minste vijf jaar in het verkeer is gebracht. De datum waarop het voertuig voor het eerst in het verkeer is gebracht, is die welke op het inschrijvingsbewijs van het voertuig is vermeld.
De vermindering, vermeld in het eerste lid, wordt ook verleend voor aanhangwagens die uitsluitend worden getrokken door voertuigen als vermeld in het eerste lid.
De vermindering, vermeld in het eerste lid, wordt ook verleend voor aanhangwagens die uitsluitend worden getrokken door voertuigen als vermeld in het eerste lid.
Art. 2.2.5.0.1. La taxe est réduite de 25 % pour chaque véhicule qui est employé exclusivement pour le transport rémunéré de personnes en vertu d'une autorisation délivrée en vue de l'exploitation de services d'autocars, en exécution de l'arrêté-loi du 30 décembre 1946 relatif aux transports rémunérés de voyageurs par route effectués par autobus et par autocars, qui ont été mis en circulation depuis au moins cinq ans au moment de l'assujettissement. La date de première mise en circulation du véhicule est la date qui est mentionnée comme telle sur le certificat d'immatriculation du véhicule.
La réduction, visée à l'alinéa premier, est également accordée aux remorques qui sont tirées exclusivement par des véhicules tels que visés à l'alinéa premier.
La réduction, visée à l'alinéa premier, est également accordée aux remorques qui sont tirées exclusivement par des véhicules tels que visés à l'alinéa premier.
Art. 2.2.5.0.3. De belasting wordt met 10 % verminderd als ze is verschuldigd krachtens een regelmatige aangifte, ingediend door een belastingplichtige die op 1 januari van het aanslagjaar, en dit tot minstens 30 juni drie of meer motorvoertuigen aangeeft die zijn geïnvesteerd in een handels- of nijverheidsbedrijf en die uitsluitend worden gebruikt voor het bezoldigd vervoer van personen krachtens een machtiging uitgereikt voor de exploitatie van autocardiensten, ter uitvoering van de besluitwet van 30 december 1946 betreffende het bezoldigd vervoer van personen over de weg met autobussen en met autocars.
[1 ...]1
[1 ...]1
Art. 2.2.5.0.3. La taxe est réduite de 10 % lorsqu'elle est due en vertu d'une déclaration régulière, introduite par un contribuable qui, le 1er janvier de l'année d'imposition, et ce au moins jusqu'au 30 juin, déclare trois véhicules à moteur ou plus qui sont investis dans une exploitation commerciale ou industrielle et qui sont employés exclusivement pour le transport rémunéré de personnes en vertu d'une autorisation délivrée en vue de l'exploitation de services d'autocars en exécution de l'arrêté-loi du 30 décembre 1946 relatif aux transports rémunérés de voyageurs par route effectués par autobus et par autocars.
[1 ...]1
[1 ...]1
Art. 2.2.5.0.4. [1 Voor de voertuigen waarvan de motor, ook al is het maar gedeeltelijk of tijdelijk, aangedreven wordt met vloeibaar petroleumgas of andere vloeibare koolwaterstofgassen, wordt de belasting verminderd met 100 euro, in voorkomend geval beperkt tot het bedrag van de belasting als berekend overeenkomstig artikel 2.2.4.0.1 tot en met 2.2.4.0.3, maar zonder toepassing van de minimumbelastingen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 2/1, tweede lid, en § 5, en in artikel 2.2.4.0.2, § 2.
Dit artikel is alleen van toepassing op wegvoertuigen [2 , de lichte vrachtauto's, vermeld in artikel 1.1.0.0.2, derde lid, 2°, laatste zin, lijkwagens, en alleenrijdende trekkers, als het andere voertuigen zijn dan de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 6,]2 van natuurlijke personen en andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.]1
Dit artikel is alleen van toepassing op wegvoertuigen [2 , de lichte vrachtauto's, vermeld in artikel 1.1.0.0.2, derde lid, 2°, laatste zin, lijkwagens, en alleenrijdende trekkers, als het andere voertuigen zijn dan de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 6,]2 van natuurlijke personen en andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.]1
Art. 2.2.5.0.4. [1 Pour les véhicules dont le moteur est alimenté, même partiellement ou temporairement, au gaz de pétrole liquéfié ou autres hydrocarbures gazeux liquéfiés, la taxe est réduite de 100 euros, le cas échéant limité au montant de la taxe calculé conformément les articles 2.2.4.0.1 à 2.2.4.0.3 inclus, mais sans application des taxes minimum, visées à l'article 2.2.4.0.1, § 2/1, alinéa 2, en § 5, et à l'article 2.2.4.0.2, § 2.
Le présent article s'applique uniquement aux véhicules routiers [2 , aux camionnettes, visées à l'article 1.1.0.0.2, alinéa 3, 2°, dernière phrase, aux corbillards et aux tracteurs à moteur solos, autres que ceux visés à l'article 2.2.4.0.1, § 6,]2 de personnes physiques et d'autres personnes morales que les sociétés, les entreprises publiques autonomes et les associations sans but lucratif, qui exercent des activités de leasing.]1
Le présent article s'applique uniquement aux véhicules routiers [2 , aux camionnettes, visées à l'article 1.1.0.0.2, alinéa 3, 2°, dernière phrase, aux corbillards et aux tracteurs à moteur solos, autres que ceux visés à l'article 2.2.4.0.1, § 6,]2 de personnes physiques et d'autres personnes morales que les sociétés, les entreprises publiques autonomes et les associations sans but lucratif, qui exercent des activités de leasing.]1
Afdeling 6. - Vrijstellingen
Section 6. - Exonérations
Art. 2.2.6.0.1. § 1. Met uitzondering van de motorvoertuigen en van de samengestelde voertuigen gebruikt voor het vervoer van goederen over de weg met [1 het maximaal toegestane totaalgewicht]1 van minstens twaalf ton, wordt er een vrijstelling van de belasting verleend voor :
1° de voertuigen die uitsluitend gebruikt worden voor een openbare dienst van de staat, de gemeenschappen, de gewesten, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten of de gemeenten;
2° de voertuigen die uitsluitend gebruikt worden voor gemeenschappelijk vervoer van personen krachtens :
a) een machtiging uitgereikt voor de exploitatie van openbare autobusdiensten of van bijzondere autobusdiensten, ter uitvoering van de besluitwet van 30 december 1946 betreffende het bezoldigd vervoer van personen over de weg met autobussen en met autocars;
b) een machtiging afgeleverd ter uitvoering van het decreet van 20 april 2001 betreffende de organisatie van het personenvervoer over de weg [4 of een vergunning afgeleverd ter uitvoering van het decreet van 29 maart 2019 betreffende het individuele bezoldigd personenvervoer]4;
c) een concessie van de openbare machten;
3° de ziekenauto's die uitsluitend worden gebruikt voor het vervoer van gewonden en zieken;
4° de personenauto's die als persoonlijk vervoermiddel worden gebruikt door grootoorlogsinvaliden of door personen met een handicap;
5° de voertuigen die uitsluitend op proef worden gebruikt door de fabrikanten of handelaars of door hun bedienden;
6° de vaartuigen en bootjes;
7° de eigenlijke tractoren, de voertuigen-werktuigmachines die speciaal zijn ontworpen voor de landbouw, en de aanhangwagens, als die voertuigen uitsluitend worden gebruikt om landbouwarbeid te verrichten, zelfs als ze het personeel, de voorwerpen of de producten vervoeren die daarvoor onmisbaar zijn en om de vruchten van de uitvoering van die arbeid te vervoeren naar om het even welke plaats van de onderneming van de landbouwer voor de rekening van wie de werken zijn uitgevoerd. Voor zover hij er eigenaar van is of er het bestendige of gewoonlijke gebruik van heeft, mag de landbouwer die voertuigen, met vrijstelling van belasting, ook gebruiken voor het vervoer van vee, waren of goederen, die voortkomen van zijn landbouwbedrijf of ervoor zijn bestemd, alsook van brandhout, bestemd voor eigen verbruik. Dat geldt ook als die voertuigen toebehoren aan een van de leden van een groep landbouwers die, zij het tijdelijk, in gemeenschap werken, en als er vee, waren of goederen mee worden vervoerd die voortkomen van het bedrijf van een van hen of die ervoor zijn bestemd;
8° [2 ...]2
9° [2 ...]2
10° de bromfietsen en de motorfietsen voorzien van een motor met een cilinderinhoud van maximaal 250 kubieke centimeter;
11° de autovoertuigen die uitsluitend aangewend worden voor een taxidienst of voor verhuring met bestuurder;
12° de autovoertuigen die gebruikt worden door een Belgische verblijfhouder en ter beschikking zijn gesteld van hem door zijn werkgever die in het buitenland gevestigd is, en die in het buitenland zijn ingeschreven;
13° de motorvoertuigen en de samengestelde voertuigen die uitsluitend bestemd zijn voor het goederenvervoer over de weg, die slechts af en toe op de openbare weg in België rijden en die worden gebruikt door natuurlijke personen of rechtspersonen die het goederenvervoer niet als hoofdactiviteit hebben, als het vervoer met die voertuigen niet leidt tot concurrentievervalsing;
14° de voertuigen die ingezet worden door vervoerders die gesubsidieerd zijn door de Vlaamse Regering en die uitsluitend gebruikt worden voor het vervoer van personen met een handicap of met een ernstig beperkte mobiliteit.
[3 15° de voertuigen voorzien van een nationale plaat.]3
De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 4°, is beperkt tot één personenauto per begunstigde en is afhankelijk van de voorlegging aan het bevoegde personeelslid van :
1° een getuigschrift, uitgereikt door de overheid die het invaliditeitspensioen heeft toegekend, met de vermelding dat de betrokkene de hoedanigheid van grootoorlogsinvalide heeft en een invaliditeitspensioen van ten minste 60 % geniet;
2° een invaliditeitsattest, uitgereikt door de FOD Sociale Zekerheid, met de vermelding dat de betrokkene recht heeft op vrijstelling van de verkeersbelasting, of dat hij is getroffen door volledige blindheid of volledige verlamming van de bovenste ledematen, of dat die ledematen geamputeerd zijn, of dat hij is aangetast door een blijvende invaliditeit die rechtstreeks toe te schrijven is aan de onderste ledematen en ten minste 50 % bedraagt.
De volgende voertuigen komen in aanmerking voor de toepassing van de vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 11° :
1° de autovoertuigen die uitsluitend worden gebruikt voor taxidiensten onder de voorwaarden, vermeld in het decreet van 20 april 2001 betreffende de organisatie van het personenvervoer over de weg [4 of in het decreet van 29 maart 2019 betreffende het individuele bezoldigd personenvervoer]4, en die ingericht zijn krachtens een vergunning die regelmatig afgeleverd is ter uitvoering van [4 de voormelde decreten]4;
2° de autovoertuigen die, naar constructie en uitrusting, geschikt zijn voor het vervoer van ten hoogste negen personen, de bestuurder inbegrepen, en die, met uitsluiting van elk ander gebruik, met bestuurder worden verhuurd om personen te vervoeren, op voorwaarde dat de duur van elke verhuring niet meer dan één dag bedraagt en dat de verhuring op het voertuig en niet op elk van de plaatsen slaat;
3° de autovoertuigen die tegelijk worden gebruikt voor taxidiensten als vermeld in 1°, en voor verhuring met bestuurder als vermeld in 2°.
§ 2. Wat betreft de motorvoertuigen en de samengestelde voertuigen gebruikt voor het vervoer van goederen over de weg met [1 het maximaal toegestane totaalgewicht]1 van minstens twaalf ton, wordt er een vrijstelling van de belasting verleend voor :
1° de motorvoertuigen en de samengestelde voertuigen die uitsluitend bestemd zijn voor de landsverdediging, voor de diensten van de burgerbescherming en de rampeninterventie, voor de brandweerdiensten en andere hulpdiensten, voor de diensten die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de openbare orde en voor de diensten voor onderhoud en beheer van de wegen en die als zodanig geïdentificeerd zijn;
2° de motorvoertuigen en de samengestelde voertuigen die slechts af en toe op de openbare weg in België rijden en die worden gebruikt door natuurlijke personen of rechtspersonen die het goederenvervoer niet als hoofdactiviteit hebben, als het vervoer met die voertuigen niet leidt tot concurrentievervalsing.
§ 3. De vrijstellingen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 13°, en paragraaf 2, 2°, kunnen alleen worden verleend als ze worden aangevraagd voor het begin van het belastbare tijdperk.
[2 Aan het begrip `af en toe', vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 13°, en paragraaf 2, 2°, is voldaan in al de volgende gevallen:
1° als het voertuig in kwestie door de aard ervan maar af en toe gebruikmaakt van de openbare weg. De Vlaamse Regering bepaalt welke voertuigen hieronder vallen;
2° als het voertuig in kwestie maximaal vijfhonderd kilometer per kalenderjaar aflegt op de wegen of de wegsegmenten, vermeld in bijlage 2, die bij dit decreet is gevoegd, zoals geregistreerd door de elektronische registratievoorziening, vermeld in artikel 3.3.1.0.13;
3° als het voertuig in kwestie dat niet beschikt over een elektronische registratievoorziening als vermeld in artikel 3.3.1.0.13 maximaal dertig dagen op de openbare weg wordt gebruikt.]2
De vrijstelling [2 , vermeld in het tweede lid, 3°,]2 kan worden bewezen door een rittenblad bij te houden dat moet worden aangevraagd bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie. Het rittenblad moet zich op elk moment aan boord van het voertuig bevinden.
De geldigheidsduur van een rittenblad is maximaal twaalf opeenvolgende maanden vanaf de aanvangsdatum van het rittenblad. Als het belastbare tijdperk minder dan twaalf maanden bedraagt, wordt de geldigheidsduur van het rittenblad overeenkomstig ingekort.
De belastingplichtige die zijn aangifte of inschrijving stopzet en vervolgens opnieuw aangifte doet voor hetzelfde voertuig binnen een periode van twaalf maanden na de aanvangsdatum van het laatste geldige rittenblad, kan geen nieuw rittenblad aanvragen. De belastingplichtige die een rittenblad aanvraagt dat wordt geweigerd wegens laattijdige aanvraag, kan geen nieuw rittenblad aanvragen voor de periode van twaalf maanden die volgt op het begin van het lopende belastbare tijdperk waarvoor de aanvraag van een rittenblad werd geweigerd.
1° de voertuigen die uitsluitend gebruikt worden voor een openbare dienst van de staat, de gemeenschappen, de gewesten, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten of de gemeenten;
2° de voertuigen die uitsluitend gebruikt worden voor gemeenschappelijk vervoer van personen krachtens :
a) een machtiging uitgereikt voor de exploitatie van openbare autobusdiensten of van bijzondere autobusdiensten, ter uitvoering van de besluitwet van 30 december 1946 betreffende het bezoldigd vervoer van personen over de weg met autobussen en met autocars;
b) een machtiging afgeleverd ter uitvoering van het decreet van 20 april 2001 betreffende de organisatie van het personenvervoer over de weg [4 of een vergunning afgeleverd ter uitvoering van het decreet van 29 maart 2019 betreffende het individuele bezoldigd personenvervoer]4;
c) een concessie van de openbare machten;
3° de ziekenauto's die uitsluitend worden gebruikt voor het vervoer van gewonden en zieken;
4° de personenauto's die als persoonlijk vervoermiddel worden gebruikt door grootoorlogsinvaliden of door personen met een handicap;
5° de voertuigen die uitsluitend op proef worden gebruikt door de fabrikanten of handelaars of door hun bedienden;
6° de vaartuigen en bootjes;
7° de eigenlijke tractoren, de voertuigen-werktuigmachines die speciaal zijn ontworpen voor de landbouw, en de aanhangwagens, als die voertuigen uitsluitend worden gebruikt om landbouwarbeid te verrichten, zelfs als ze het personeel, de voorwerpen of de producten vervoeren die daarvoor onmisbaar zijn en om de vruchten van de uitvoering van die arbeid te vervoeren naar om het even welke plaats van de onderneming van de landbouwer voor de rekening van wie de werken zijn uitgevoerd. Voor zover hij er eigenaar van is of er het bestendige of gewoonlijke gebruik van heeft, mag de landbouwer die voertuigen, met vrijstelling van belasting, ook gebruiken voor het vervoer van vee, waren of goederen, die voortkomen van zijn landbouwbedrijf of ervoor zijn bestemd, alsook van brandhout, bestemd voor eigen verbruik. Dat geldt ook als die voertuigen toebehoren aan een van de leden van een groep landbouwers die, zij het tijdelijk, in gemeenschap werken, en als er vee, waren of goederen mee worden vervoerd die voortkomen van het bedrijf van een van hen of die ervoor zijn bestemd;
8° [2 ...]2
9° [2 ...]2
10° de bromfietsen en de motorfietsen voorzien van een motor met een cilinderinhoud van maximaal 250 kubieke centimeter;
11° de autovoertuigen die uitsluitend aangewend worden voor een taxidienst of voor verhuring met bestuurder;
12° de autovoertuigen die gebruikt worden door een Belgische verblijfhouder en ter beschikking zijn gesteld van hem door zijn werkgever die in het buitenland gevestigd is, en die in het buitenland zijn ingeschreven;
13° de motorvoertuigen en de samengestelde voertuigen die uitsluitend bestemd zijn voor het goederenvervoer over de weg, die slechts af en toe op de openbare weg in België rijden en die worden gebruikt door natuurlijke personen of rechtspersonen die het goederenvervoer niet als hoofdactiviteit hebben, als het vervoer met die voertuigen niet leidt tot concurrentievervalsing;
14° de voertuigen die ingezet worden door vervoerders die gesubsidieerd zijn door de Vlaamse Regering en die uitsluitend gebruikt worden voor het vervoer van personen met een handicap of met een ernstig beperkte mobiliteit.
[3 15° de voertuigen voorzien van een nationale plaat.]3
De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 4°, is beperkt tot één personenauto per begunstigde en is afhankelijk van de voorlegging aan het bevoegde personeelslid van :
1° een getuigschrift, uitgereikt door de overheid die het invaliditeitspensioen heeft toegekend, met de vermelding dat de betrokkene de hoedanigheid van grootoorlogsinvalide heeft en een invaliditeitspensioen van ten minste 60 % geniet;
2° een invaliditeitsattest, uitgereikt door de FOD Sociale Zekerheid, met de vermelding dat de betrokkene recht heeft op vrijstelling van de verkeersbelasting, of dat hij is getroffen door volledige blindheid of volledige verlamming van de bovenste ledematen, of dat die ledematen geamputeerd zijn, of dat hij is aangetast door een blijvende invaliditeit die rechtstreeks toe te schrijven is aan de onderste ledematen en ten minste 50 % bedraagt.
De volgende voertuigen komen in aanmerking voor de toepassing van de vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 11° :
1° de autovoertuigen die uitsluitend worden gebruikt voor taxidiensten onder de voorwaarden, vermeld in het decreet van 20 april 2001 betreffende de organisatie van het personenvervoer over de weg [4 of in het decreet van 29 maart 2019 betreffende het individuele bezoldigd personenvervoer]4, en die ingericht zijn krachtens een vergunning die regelmatig afgeleverd is ter uitvoering van [4 de voormelde decreten]4;
2° de autovoertuigen die, naar constructie en uitrusting, geschikt zijn voor het vervoer van ten hoogste negen personen, de bestuurder inbegrepen, en die, met uitsluiting van elk ander gebruik, met bestuurder worden verhuurd om personen te vervoeren, op voorwaarde dat de duur van elke verhuring niet meer dan één dag bedraagt en dat de verhuring op het voertuig en niet op elk van de plaatsen slaat;
3° de autovoertuigen die tegelijk worden gebruikt voor taxidiensten als vermeld in 1°, en voor verhuring met bestuurder als vermeld in 2°.
§ 2. Wat betreft de motorvoertuigen en de samengestelde voertuigen gebruikt voor het vervoer van goederen over de weg met [1 het maximaal toegestane totaalgewicht]1 van minstens twaalf ton, wordt er een vrijstelling van de belasting verleend voor :
1° de motorvoertuigen en de samengestelde voertuigen die uitsluitend bestemd zijn voor de landsverdediging, voor de diensten van de burgerbescherming en de rampeninterventie, voor de brandweerdiensten en andere hulpdiensten, voor de diensten die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de openbare orde en voor de diensten voor onderhoud en beheer van de wegen en die als zodanig geïdentificeerd zijn;
2° de motorvoertuigen en de samengestelde voertuigen die slechts af en toe op de openbare weg in België rijden en die worden gebruikt door natuurlijke personen of rechtspersonen die het goederenvervoer niet als hoofdactiviteit hebben, als het vervoer met die voertuigen niet leidt tot concurrentievervalsing.
§ 3. De vrijstellingen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 13°, en paragraaf 2, 2°, kunnen alleen worden verleend als ze worden aangevraagd voor het begin van het belastbare tijdperk.
[2 Aan het begrip `af en toe', vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 13°, en paragraaf 2, 2°, is voldaan in al de volgende gevallen:
1° als het voertuig in kwestie door de aard ervan maar af en toe gebruikmaakt van de openbare weg. De Vlaamse Regering bepaalt welke voertuigen hieronder vallen;
2° als het voertuig in kwestie maximaal vijfhonderd kilometer per kalenderjaar aflegt op de wegen of de wegsegmenten, vermeld in bijlage 2, die bij dit decreet is gevoegd, zoals geregistreerd door de elektronische registratievoorziening, vermeld in artikel 3.3.1.0.13;
3° als het voertuig in kwestie dat niet beschikt over een elektronische registratievoorziening als vermeld in artikel 3.3.1.0.13 maximaal dertig dagen op de openbare weg wordt gebruikt.]2
De vrijstelling [2 , vermeld in het tweede lid, 3°,]2 kan worden bewezen door een rittenblad bij te houden dat moet worden aangevraagd bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie. Het rittenblad moet zich op elk moment aan boord van het voertuig bevinden.
De geldigheidsduur van een rittenblad is maximaal twaalf opeenvolgende maanden vanaf de aanvangsdatum van het rittenblad. Als het belastbare tijdperk minder dan twaalf maanden bedraagt, wordt de geldigheidsduur van het rittenblad overeenkomstig ingekort.
De belastingplichtige die zijn aangifte of inschrijving stopzet en vervolgens opnieuw aangifte doet voor hetzelfde voertuig binnen een periode van twaalf maanden na de aanvangsdatum van het laatste geldige rittenblad, kan geen nieuw rittenblad aanvragen. De belastingplichtige die een rittenblad aanvraagt dat wordt geweigerd wegens laattijdige aanvraag, kan geen nieuw rittenblad aanvragen voor de periode van twaalf maanden die volgt op het begin van het lopende belastbare tijdperk waarvoor de aanvraag van een rittenblad werd geweigerd.
Art. 2.2.6.0.1. § 1er. A l'exception des véhicules à moteur et des ensembles de véhicules qui sont employés pour le transport par route de marchandises, d'[1 un poids total autorisé en charge]1 d'au moins 12 tonnes, une exonération de la taxe est accordée :
1° aux véhicules employés exclusivement pour un service public de l'état, des communautés, des régions, des provinces, des agglomérations, des fédérations de communes ou des communes;
2° aux véhicules employés exclusivement pour les transports en commun de personnes en vertu :
a) d'une autorisation délivrée en vue de l'exploitation de services publics d'autobus ou de services spéciaux d'autobus, en exécution de l'arrêté-loi du 30 décembre 1946 relatif aux transports rémunérés de voyageurs par route effectués par autobus et par autocars;
b) d'une autorisation délivrée en exécution de la loi du 20 avril 2001 relatif à l'organisation du transport de personnes par la route [4 ou d'une autorisation délivrée en exécution du décret du 29 mars 2019 relatif au transport particulier rémunéré]4;
c) d'une concession des pouvoirs publics;
3° aux ambulances employées exclusivement pour le transport de personnes blessées et malades;
4° aux voitures particulières employées comme moyen de transport personnel par des grands invalides de guerre ou par des personnes handicapées;
5° aux véhicules employés exclusivement à l'essai par les fabricants ou marchands ou par leurs employés;
6° aux bateaux et embarcations;
7° aux tracteurs proprement dits, les véhicules-outils conçus spécialement pour l'agriculture, et les remorques, lorsque ces véhicules sont employés exclusivement pour effectuer des travaux agricoles, mêmes s'ils transportent le personnel, les objets ou les produits indispensables à cette fin, et pour transporter les produits résultant de l'exécution desdits travaux en un lieu quelconque de l'exploitation du cultivateur pour le compte duquel les travaux ont été exécutés. Pour autant qu'il en soit le propriétaire ou qu'il en ait la disposition permanente ou habituelle, le cultivateur peut également employer ces véhicules, avec exonération de la taxe, pour le transport de bétail, de denrées ou de marchandises, provenant de son exploitation agricole ou destinés à celle-ci, ainsi que de bois de chauffage, destiné à son usage personnel. Il en est de même lorsque ces véhicules appartiennent à un des membres d'un groupe de cultivateurs travaillant, quoi que temporairement, en commun, et lorsqu'ils sont employés pour le transport de bétail, de denrées ou de marchandises provenant de l'exploitation de l'un d'entre eux ou sont destinés à celle-ci;
8° [2 ...]2
9° [2 ...]2
10° aux cyclomoteurs et motocyclettes pourvus d'un moteur d'une cylindrée maximale de 250 centimètres cubes;
11° aux véhicules automobiles affectés exclusivement, soit à un service de taxis, soit à la location avec chauffeur;
12° aux véhicules automobiles employés par un résident belge et mis à sa disposition par son employeur établi à l'étranger, et qui y sont immatriculés;
13° aux véhicules à moteur et les ensembles de véhicules affectés exclusivement au transport de marchandises par route, qui ne circulent qu'occasionnellement sur la voie publique en Belgique et qui sont employés par des personnes physiques ou morales dont l'activité principale n'est pas le transport de marchandises, lorsque le transport effectué par ces véhicules n'entraîne pas de distorsion de concurrence;
14° les véhicules déployés par des transporteurs subventionnés par le Gouvernement flamand, et employés exclusivement au transport de personnes handicapées ou à mobilité gravement réduite.
[3 15° aux véhicules munis d'une plaque nationale.]3
L'exonération, visée à l'alinéa premier, 4°, est limitée à une voiture particulière par bénéficiaire et subordonnée à la remise au membre du personnel compétent :
1° d'un certificat, délivré par l'autorité ayant accordé la pension d'invalidité, mentionnant que la personne concernée a la qualité de grand invalide de guerre et bénéficie d'une pension d'invalidité d'au moins 60 %;
2° d'une attestation d'invalidité, délivrée par le SPF Sécurité sociale, mentionnant que la personne concernée a droit à l'exonération de la taxe de circulation, ou qu'elle est atteinte de cécité totale ou de paralysie totale des membres supérieurs, ou que ces membres ont été amputés, ou qu'elle est atteinte d'une invalidité permanente découlant directement des membres inférieurs et s'élevant au moins à 50 %.
Les véhicules suivants entrent en ligne de compte pour l'application de l'exonération, visée à l'alinéa premier, 11° :
1° les véhicules automobiles employés exclusivement pour des services de taxi aux conditions, visées au décret du 20 avril 2001, relatif à l'organisation du transport de personnes par la route [4 ou au décret du 29 mars 2019 relatif au transport particulier rémunéré]4, et organisés en vertu d'une autorisation régulièrement délivrée en exécution [4 des décrets précités]4;
2° les véhicules automobiles qui, d'après leur type de construction et leur équipement, sont aptes à transporter au maximum neuf personnes, y compris le conducteur, et qui, à l'exclusion de tout autre usage, sont donnés en location avec chauffeur, en vue du transport de personnes, à la condition que chaque location ait une durée qui ne dépasse pas un jour et porte sur le véhicule et non pas sur chacune des places;
3° les véhicules automobiles qui sont à la fois employés pour des services de taxi, tels que visés au 1°, et à la location avec chauffeur, telle que visée au 2°.
§ 2. En ce qui concerne les véhicules à moteur et les ensembles de véhicules qui sont employés pour le transport par route de marchandises, d'[1 un poids total autorisé en charge]1 d'au moins 12 tonnes, une exonération de la taxe est accordée :
1° aux véhicules à moteur et ensembles de véhicules affectés exclusivement à la défense nationale, aux services de la protection civile et d'intervention en cas de catastrophe, aux services de lutte contre les incendies et aux autres services d'urgence, aux services responsables du maintien de l'ordre public et aux services d'entretien et de gestion des routes, et qui sont identifiés comme tels;
2° aux véhicules à moteur et les ensembles de véhicules qui ne circulent qu'occasionnellement sur la voie publique en Belgique et qui sont employés par des personnes physiques ou morales dont l'activité principale n'est pas le transport de marchandises, lorsque le transport effectué par ces véhicules n'entraîne pas de distorsion de concurrence.
§ 3. Les exonérations, visées au paragraphe 1er, alinéa premier, 13°, et au paragraphe 2, 2°, ne peuvent être accordées que lorsqu'elles sont demandées avant le début de la période imposable.
[2 Il est satisfait à la notion " occasionnellement ", visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, 13°, et au paragraphe 2, 2°, dans tous les cas suivants :
1° lorsque le véhicule en question n'est utilisé, pas sa nature, qu'occasionnellement sur la voie publique. Le Gouvernement flamand détermine quels véhicules en relèvent ;
2° lorsque le véhicule en question ne parcourt que cinq cent kilomètres par année calendaire sur les routes ou les segments de route, visés à l'annexe 2 jointe au présent décret, tels qu'enregistrés par le dispositif d'enregistrement électronique, visé à l'article 3.3.1.0.13 ;
3° lorsque le véhicule en question qui ne dispose pas d'un dispositif d'enregistrement électronique tel que visé à l'article 3.3.1.0.13, est utilisé pendant au maximum trente jours sur la voie publique.]2
L'exonération [2 , visée à l'alinéa 2, 3°,]2 peut être prouvée par la tenue d'une feuille de route qui doit être demandée auprès de l'entité compétente de l'administration flamande. La feuille de route doit se trouver à bord du véhicule à tout moment.
La durée de validité d'une feuille de route est de douze mois consécutifs au maximum, à compter de la date de début de la feuille de route. Lorsque la période imposable comprend moins de douze mois, la durée de validité de la feuille de route est réduite conséquemment.
Le contribuable qui met fin à sa déclaration ou à son immatriculation et qui, par la suite, introduit une nouvelle déclaration pour le même véhicule dans une période de douze mois après la date de début de la dernière feuille de route valide, ne peut pas demander de nouvelle feuille de route. Le contribuable qui demande une feuille de route, qui est refusée pour cause de demande tardive, ne peut pas demander de nouvelle feuille de route pour la période de douze mois suivant le début de la période imposable en cours pour laquelle la demande d'une feuille de route a été refusée.
1° aux véhicules employés exclusivement pour un service public de l'état, des communautés, des régions, des provinces, des agglomérations, des fédérations de communes ou des communes;
2° aux véhicules employés exclusivement pour les transports en commun de personnes en vertu :
a) d'une autorisation délivrée en vue de l'exploitation de services publics d'autobus ou de services spéciaux d'autobus, en exécution de l'arrêté-loi du 30 décembre 1946 relatif aux transports rémunérés de voyageurs par route effectués par autobus et par autocars;
b) d'une autorisation délivrée en exécution de la loi du 20 avril 2001 relatif à l'organisation du transport de personnes par la route [4 ou d'une autorisation délivrée en exécution du décret du 29 mars 2019 relatif au transport particulier rémunéré]4;
c) d'une concession des pouvoirs publics;
3° aux ambulances employées exclusivement pour le transport de personnes blessées et malades;
4° aux voitures particulières employées comme moyen de transport personnel par des grands invalides de guerre ou par des personnes handicapées;
5° aux véhicules employés exclusivement à l'essai par les fabricants ou marchands ou par leurs employés;
6° aux bateaux et embarcations;
7° aux tracteurs proprement dits, les véhicules-outils conçus spécialement pour l'agriculture, et les remorques, lorsque ces véhicules sont employés exclusivement pour effectuer des travaux agricoles, mêmes s'ils transportent le personnel, les objets ou les produits indispensables à cette fin, et pour transporter les produits résultant de l'exécution desdits travaux en un lieu quelconque de l'exploitation du cultivateur pour le compte duquel les travaux ont été exécutés. Pour autant qu'il en soit le propriétaire ou qu'il en ait la disposition permanente ou habituelle, le cultivateur peut également employer ces véhicules, avec exonération de la taxe, pour le transport de bétail, de denrées ou de marchandises, provenant de son exploitation agricole ou destinés à celle-ci, ainsi que de bois de chauffage, destiné à son usage personnel. Il en est de même lorsque ces véhicules appartiennent à un des membres d'un groupe de cultivateurs travaillant, quoi que temporairement, en commun, et lorsqu'ils sont employés pour le transport de bétail, de denrées ou de marchandises provenant de l'exploitation de l'un d'entre eux ou sont destinés à celle-ci;
8° [2 ...]2
9° [2 ...]2
10° aux cyclomoteurs et motocyclettes pourvus d'un moteur d'une cylindrée maximale de 250 centimètres cubes;
11° aux véhicules automobiles affectés exclusivement, soit à un service de taxis, soit à la location avec chauffeur;
12° aux véhicules automobiles employés par un résident belge et mis à sa disposition par son employeur établi à l'étranger, et qui y sont immatriculés;
13° aux véhicules à moteur et les ensembles de véhicules affectés exclusivement au transport de marchandises par route, qui ne circulent qu'occasionnellement sur la voie publique en Belgique et qui sont employés par des personnes physiques ou morales dont l'activité principale n'est pas le transport de marchandises, lorsque le transport effectué par ces véhicules n'entraîne pas de distorsion de concurrence;
14° les véhicules déployés par des transporteurs subventionnés par le Gouvernement flamand, et employés exclusivement au transport de personnes handicapées ou à mobilité gravement réduite.
[3 15° aux véhicules munis d'une plaque nationale.]3
L'exonération, visée à l'alinéa premier, 4°, est limitée à une voiture particulière par bénéficiaire et subordonnée à la remise au membre du personnel compétent :
1° d'un certificat, délivré par l'autorité ayant accordé la pension d'invalidité, mentionnant que la personne concernée a la qualité de grand invalide de guerre et bénéficie d'une pension d'invalidité d'au moins 60 %;
2° d'une attestation d'invalidité, délivrée par le SPF Sécurité sociale, mentionnant que la personne concernée a droit à l'exonération de la taxe de circulation, ou qu'elle est atteinte de cécité totale ou de paralysie totale des membres supérieurs, ou que ces membres ont été amputés, ou qu'elle est atteinte d'une invalidité permanente découlant directement des membres inférieurs et s'élevant au moins à 50 %.
Les véhicules suivants entrent en ligne de compte pour l'application de l'exonération, visée à l'alinéa premier, 11° :
1° les véhicules automobiles employés exclusivement pour des services de taxi aux conditions, visées au décret du 20 avril 2001, relatif à l'organisation du transport de personnes par la route [4 ou au décret du 29 mars 2019 relatif au transport particulier rémunéré]4, et organisés en vertu d'une autorisation régulièrement délivrée en exécution [4 des décrets précités]4;
2° les véhicules automobiles qui, d'après leur type de construction et leur équipement, sont aptes à transporter au maximum neuf personnes, y compris le conducteur, et qui, à l'exclusion de tout autre usage, sont donnés en location avec chauffeur, en vue du transport de personnes, à la condition que chaque location ait une durée qui ne dépasse pas un jour et porte sur le véhicule et non pas sur chacune des places;
3° les véhicules automobiles qui sont à la fois employés pour des services de taxi, tels que visés au 1°, et à la location avec chauffeur, telle que visée au 2°.
§ 2. En ce qui concerne les véhicules à moteur et les ensembles de véhicules qui sont employés pour le transport par route de marchandises, d'[1 un poids total autorisé en charge]1 d'au moins 12 tonnes, une exonération de la taxe est accordée :
1° aux véhicules à moteur et ensembles de véhicules affectés exclusivement à la défense nationale, aux services de la protection civile et d'intervention en cas de catastrophe, aux services de lutte contre les incendies et aux autres services d'urgence, aux services responsables du maintien de l'ordre public et aux services d'entretien et de gestion des routes, et qui sont identifiés comme tels;
2° aux véhicules à moteur et les ensembles de véhicules qui ne circulent qu'occasionnellement sur la voie publique en Belgique et qui sont employés par des personnes physiques ou morales dont l'activité principale n'est pas le transport de marchandises, lorsque le transport effectué par ces véhicules n'entraîne pas de distorsion de concurrence.
§ 3. Les exonérations, visées au paragraphe 1er, alinéa premier, 13°, et au paragraphe 2, 2°, ne peuvent être accordées que lorsqu'elles sont demandées avant le début de la période imposable.
[2 Il est satisfait à la notion " occasionnellement ", visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, 13°, et au paragraphe 2, 2°, dans tous les cas suivants :
1° lorsque le véhicule en question n'est utilisé, pas sa nature, qu'occasionnellement sur la voie publique. Le Gouvernement flamand détermine quels véhicules en relèvent ;
2° lorsque le véhicule en question ne parcourt que cinq cent kilomètres par année calendaire sur les routes ou les segments de route, visés à l'annexe 2 jointe au présent décret, tels qu'enregistrés par le dispositif d'enregistrement électronique, visé à l'article 3.3.1.0.13 ;
3° lorsque le véhicule en question qui ne dispose pas d'un dispositif d'enregistrement électronique tel que visé à l'article 3.3.1.0.13, est utilisé pendant au maximum trente jours sur la voie publique.]2
L'exonération [2 , visée à l'alinéa 2, 3°,]2 peut être prouvée par la tenue d'une feuille de route qui doit être demandée auprès de l'entité compétente de l'administration flamande. La feuille de route doit se trouver à bord du véhicule à tout moment.
La durée de validité d'une feuille de route est de douze mois consécutifs au maximum, à compter de la date de début de la feuille de route. Lorsque la période imposable comprend moins de douze mois, la durée de validité de la feuille de route est réduite conséquemment.
Le contribuable qui met fin à sa déclaration ou à son immatriculation et qui, par la suite, introduit une nouvelle déclaration pour le même véhicule dans une période de douze mois après la date de début de la dernière feuille de route valide, ne peut pas demander de nouvelle feuille de route. Le contribuable qui demande une feuille de route, qui est refusée pour cause de demande tardive, ne peut pas demander de nouvelle feuille de route pour la période de douze mois suivant le début de la période imposable en cours pour laquelle la demande d'une feuille de route a été refusée.
Art. 2.2.6.0.2. Er wordt een gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de aanvullende verkeersbelasting verleend aan :
1° de niet-verblijfhouders als, in de staat waar ze verblijf houden, geen soortgelijke belasting bestaat of als de Belgische verblijfhouders daarvan vrijgesteld zijn, en naargelang van die vrijstelling;
2° de internationale organisaties, hun vertegenwoordigers, ambtenaren en leden, voor zover ze vrijgesteld zijn van de verkeersbelasting op de autovoertuigen, ingevolge de voorrechten en immuniteiten die aan hen toegestaan zijn overeenkomstig het internationale recht.
1° de niet-verblijfhouders als, in de staat waar ze verblijf houden, geen soortgelijke belasting bestaat of als de Belgische verblijfhouders daarvan vrijgesteld zijn, en naargelang van die vrijstelling;
2° de internationale organisaties, hun vertegenwoordigers, ambtenaren en leden, voor zover ze vrijgesteld zijn van de verkeersbelasting op de autovoertuigen, ingevolge de voorrechten en immuniteiten die aan hen toegestaan zijn overeenkomstig het internationale recht.
Art. 2.2.6.0.2. Une exonération totale ou partielle de la taxe de circulation complémentaire est accordée :
1° aux non-résidents lorsque, dans l'état où ils résident, il n'existe pas de taxe analogue ou lorsque les résidents belges en sont exonérés, et dans la mesure de cette exonération;
2° aux organisations internationales, à leurs représentants, fonctionnaires et membres, dans la mesure où ils bénéficient de l'exonération de la taxe de circulation sur les véhicules automobiles, en vertu des privilèges et immunités qui leur sont accordés conformément au droit international.
1° aux non-résidents lorsque, dans l'état où ils résident, il n'existe pas de taxe analogue ou lorsque les résidents belges en sont exonérés, et dans la mesure de cette exonération;
2° aux organisations internationales, à leurs représentants, fonctionnaires et membres, dans la mesure où ils bénéficient de l'exonération de la taxe de circulation sur les véhicules automobiles, en vertu des privilèges et immunités qui leur sont accordés conformément au droit international.
Art. 2.2.6.0.3. Als de voorwaarden tot vrijstelling in de loop van een aanslagjaar niet meer vervuld zijn, is de belasting verschuldigd in verhouding tot de niet-verstreken maanden.
Dit artikel is niet van toepassing op de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.2.0.1, § 2, tweede lid.
Dit artikel is niet van toepassing op de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.2.0.1, § 2, tweede lid.
Art. 2.2.6.0.3. Lorsque les conditions d'exonération ne sont plus remplies au cours d'une année d'imposition, la taxe est due en fonction des mois non écoulés.
Le présent article ne s'applique pas aux véhicules, visés à l'article 2.2.2.0.1, § 2, alinéa deux.
Le présent article ne s'applique pas aux véhicules, visés à l'article 2.2.2.0.1, § 2, alinéa deux.
Art. 2.2.6.0.4. De belasting, betaald voor vrachtauto's, tractors, aanhangwagens en opleggers, wordt terugbetaald als die voertuigen afstanden afleggen in het kader van gecombineerd vervoer als vermeld in artikel 1 van Richtlijn nr. 92/106/EEG van de Raad van 7 december 1992 houdende vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor bepaalde vormen van gecombineerd vervoer van goederen tussen Lid-Staten.
[1 De terugbetaling (T), vermeld in het eerste lid, wordt op forfaitaire wijze berekend volgens de volgende formule: T = t * n/[2 100]2, waarbij:
1° t = het bedrag van de verschuldigde verkeersbelasting voor het voertuig;
2° n = het aantal overslagverrichtingen tijdens de belastbare periode waarbij de vrachtwagen, de aanhangwagen, de oplegger met of zonder trekker, de wissellaadbak of de container van 20 voet en meer overschakelt van vervoer per spoor, via zeetraject of via de binnenwateren naar vervoer over de weg of omgekeerd. De parameter n mag niet meer dan [2 100]2 bedragen.
In het tweede lid wordt verstaan onder:
1° overslagverrichting: het verplaatsen van intermodale transporteenheden van de ene vervoersmodus, namelijk per spoor, via zeetraject of via de binnenwateren, naar de andere vervoersmodus, namelijk vervoer over de weg, of omgekeerd, waarbij de verplaatsing plaatsvindt tussen minstens twee staten van de Europese Economische Ruimte en [2 ...]2;
2° wissellaadbak: een vrachtvervoereenheid die aan de afmetingen van wegvoertuigen is aangepast en die voorzien is van inrichtingen voor goederenoverslag tussen verschillende vervoerswijzen, zoals van weg naar spoor.
De minimumbelasting, vermeld in artikel 2.2.4.0.2, § 2, is niet van toepassing.
De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van de aanvraag van de terugbetaling, vermeld in het eerste lid.]1
[1 De terugbetaling (T), vermeld in het eerste lid, wordt op forfaitaire wijze berekend volgens de volgende formule: T = t * n/[2 100]2, waarbij:
1° t = het bedrag van de verschuldigde verkeersbelasting voor het voertuig;
2° n = het aantal overslagverrichtingen tijdens de belastbare periode waarbij de vrachtwagen, de aanhangwagen, de oplegger met of zonder trekker, de wissellaadbak of de container van 20 voet en meer overschakelt van vervoer per spoor, via zeetraject of via de binnenwateren naar vervoer over de weg of omgekeerd. De parameter n mag niet meer dan [2 100]2 bedragen.
In het tweede lid wordt verstaan onder:
1° overslagverrichting: het verplaatsen van intermodale transporteenheden van de ene vervoersmodus, namelijk per spoor, via zeetraject of via de binnenwateren, naar de andere vervoersmodus, namelijk vervoer over de weg, of omgekeerd, waarbij de verplaatsing plaatsvindt tussen minstens twee staten van de Europese Economische Ruimte en [2 ...]2;
2° wissellaadbak: een vrachtvervoereenheid die aan de afmetingen van wegvoertuigen is aangepast en die voorzien is van inrichtingen voor goederenoverslag tussen verschillende vervoerswijzen, zoals van weg naar spoor.
De minimumbelasting, vermeld in artikel 2.2.4.0.2, § 2, is niet van toepassing.
De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van de aanvraag van de terugbetaling, vermeld in het eerste lid.]1
Art. 2.2.6.0.4. La taxe, payée pour des camions, des tracteurs, des remorques et des semi-remorques, est remboursée lorsque ces véhicules effectuent des parcours dans le cadre d'un transport combiné, tel que visé à l'article 1er de la Directive n° 92/106/CEE du Conseil du 7 décembre 1992 relative à l'établissement de règles communes pour certains transports combinés de marchandises entre Etats membres.
[1 Le remboursement (T), visé à l'alinéa 1er, est calculé de manière forfaitaire selon la formule suivante : T = t * n/[2 100]2, où :
1° t = le montant de la taxe de circulation due pour le véhicule ;
2° n = le nombre de transbordements pendant la période imposable entre le transport ferroviaire, maritime ou par voie de navigation intérieure, d'une part, et le transport routier, d'autre part, du camion, de la remorque, de la semi-remorque avec ou sans tracteur, de la caisse mobile ou du conteneur de 20 pieds ou plus. Le paramètre n ne peut pas dépasser [2 100]2.
Dans l'alinéa 2, il faut entendre par :
1° transbordement : le transfert [2 ...]2 d'unités de transport intermodal d'un mode de transport, à savoir le transport ferroviaire, maritime ou par voie de navigation intérieure, à l'autre, à savoir le transport routier, ou vice versa, entre au moins deux Etats de l'Espace économique européen ;
2° caisse mobile : une unité de transport de fret adaptée aux dimensions de véhicules routiers et équipée d'installations de transbordement entre différents modes de transport, p.ex. du transport routier au transport ferroviaire.
La taxe minimale, visée à l'article 2.2.4.0.2, § 2, n'est pas d'application.
Le Gouvernement flamand arrête les modalités de demande du remboursement, visé à l'article 1er.]1
[1 Le remboursement (T), visé à l'alinéa 1er, est calculé de manière forfaitaire selon la formule suivante : T = t * n/[2 100]2, où :
1° t = le montant de la taxe de circulation due pour le véhicule ;
2° n = le nombre de transbordements pendant la période imposable entre le transport ferroviaire, maritime ou par voie de navigation intérieure, d'une part, et le transport routier, d'autre part, du camion, de la remorque, de la semi-remorque avec ou sans tracteur, de la caisse mobile ou du conteneur de 20 pieds ou plus. Le paramètre n ne peut pas dépasser [2 100]2.
Dans l'alinéa 2, il faut entendre par :
1° transbordement : le transfert [2 ...]2 d'unités de transport intermodal d'un mode de transport, à savoir le transport ferroviaire, maritime ou par voie de navigation intérieure, à l'autre, à savoir le transport routier, ou vice versa, entre au moins deux Etats de l'Espace économique européen ;
2° caisse mobile : une unité de transport de fret adaptée aux dimensions de véhicules routiers et équipée d'installations de transbordement entre différents modes de transport, p.ex. du transport routier au transport ferroviaire.
La taxe minimale, visée à l'article 2.2.4.0.2, § 2, n'est pas d'application.
Le Gouvernement flamand arrête les modalités de demande du remboursement, visé à l'article 1er.]1
Art. 2.2.6.0.5. § 1. Er wordt een vrijstelling van de belasting verleend voor de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik, de minibussen, met inbegrip van de aanhangwagens van die voertuigen, en de motorfietsen die tijdelijk in België worden ingevoerd door een natuurlijke persoon die zijn gewone verblijfplaats in een andere staat van de Europese Economische Ruimte heeft, en die op het Belgische grondgebied voor persoonlijk of voor beroepsmatig gebruik van de invoerder worden aangewend.
De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, wordt ook verleend aan de natuurlijke personen met gewone verblijfplaats in een land dat geen deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte, als in dat land dezelfde vrijstelling wordt toegekend aan de Belgische verblijfhouders.
§ 2. De vrijstelling, vermeld in paragraaf 1, wordt verleend voor een al dan niet ononderbroken duur van niet meer dan zes maanden per tijdvak van twaalf maanden.
In afwijking van het eerste lid wordt :
1° de duur van de vrijstelling op zeven maanden vastgesteld per tijdvak van twaalf maanden bij beroepsmatig gebruik van het voertuig door een tussenpersoon in handel, industrie of ambacht;
2° de duur van de vrijstelling niet in de tijd beperkt als het voertuig door de invoerder wordt gebruikt voor de weg die hij in België regelmatig aflegt om zich uitsluitend van zijn verblijfplaats naar de arbeidsplaats van de onderneming in België en terug te begeven;
3° de vrijstelling verleend voor de werkelijke duur van de studies als het voertuig wordt gebruikt door een student die in België verblijft, met als enig doel er te studeren.
§ 3. De tijdelijk ingevoerde voertuigen moeten zijn verkregen of moeten zijn ingevoerd met toepassing van de algemene belastingregeling voor de binnenlandse markt van een andere staat en mogen niet wegens de uitvoer in aanmerking komen voor ontheffing of teruggave van omzetbelastingen, accijnzen of andere verbruiksbelastingen.
De voertuigen, verkregen of ingevoerd in een andere staat, met vrijstelling van alle belastingen in het kader van de voorrechten, verleend aan de diplomatieke zendingen en consulaire posten en aan hun leden, aan de internationale instellingen en aan hun leden, en aan de krijgsmachten van de staten die toegetreden zijn tot het Noord-Atlantisch Verdrag, andere dan de Belgische krijgsmacht, en aan hun leden, worden geacht te hebben voldaan aan de algemene belastingregeling voor de binnenlandse markt van die staat.
§ 4. De tijdelijk ingevoerde voertuigen mogen in België niet worden overgedragen, noch verhuurd, noch uitgeleend. Bij tijdelijke invoer voor persoonlijk gebruik, met uitsluiting van het gebruik, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, 2° en 3°, en als ze toebehoren aan een verhuuronderneming met [1 ...]1 zetel in het buitenland, kunnen ze aan een niet-verblijfhouder worden wederverhuurd met het oog op de wederuitvoer, als ze zich in België bevinden ingevolge de uitvoering van een huurovereenkomst die hier te lande is verstreken. De voertuigen mogen ook naar de staat van de plaats van oorspronkelijke huur worden teruggebracht door een personeelslid van de verhuuronderneming, zelfs als dat personeelslid zijn gewone verblijfplaats in België heeft.
§ 5. Als de tijdelijke invoer plaatsvindt voor beroepsmatig gebruik en voor het gebruik, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, 2° en 3°, moet de voorwaarde, vermeld in paragraaf 3, vervuld zijn in de staat waarin de gebruiker zijn gewone verblijfplaats heeft. Die voorwaarde wordt geacht te zijn vervuld als de voertuigen voorzien zijn van een gewone nummerplaat van die staat, met uitzondering van alle tijdelijke nummerplaten.
Voor voertuigen die ingeschreven zijn in een staat waar de afgifte van nummerplaten niet verbonden is aan de inachtneming van de algemene belastingregeling voor de buitenlandse markt, moeten de gebruikers, met alle door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed, bewijzen dat ze de verbruiksbelastingen hebben betaald.
De voertuigen die voor dezelfde doeleinden worden ingevoerd, mogen bovendien niet worden gebruikt voor vervoer van personen tegen betaling of ander materieel voordeel, of voor om het even welk vervoer van goederen, al dan niet tegen betaling.
De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, wordt ook verleend aan de natuurlijke personen met gewone verblijfplaats in een land dat geen deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte, als in dat land dezelfde vrijstelling wordt toegekend aan de Belgische verblijfhouders.
§ 2. De vrijstelling, vermeld in paragraaf 1, wordt verleend voor een al dan niet ononderbroken duur van niet meer dan zes maanden per tijdvak van twaalf maanden.
In afwijking van het eerste lid wordt :
1° de duur van de vrijstelling op zeven maanden vastgesteld per tijdvak van twaalf maanden bij beroepsmatig gebruik van het voertuig door een tussenpersoon in handel, industrie of ambacht;
2° de duur van de vrijstelling niet in de tijd beperkt als het voertuig door de invoerder wordt gebruikt voor de weg die hij in België regelmatig aflegt om zich uitsluitend van zijn verblijfplaats naar de arbeidsplaats van de onderneming in België en terug te begeven;
3° de vrijstelling verleend voor de werkelijke duur van de studies als het voertuig wordt gebruikt door een student die in België verblijft, met als enig doel er te studeren.
§ 3. De tijdelijk ingevoerde voertuigen moeten zijn verkregen of moeten zijn ingevoerd met toepassing van de algemene belastingregeling voor de binnenlandse markt van een andere staat en mogen niet wegens de uitvoer in aanmerking komen voor ontheffing of teruggave van omzetbelastingen, accijnzen of andere verbruiksbelastingen.
De voertuigen, verkregen of ingevoerd in een andere staat, met vrijstelling van alle belastingen in het kader van de voorrechten, verleend aan de diplomatieke zendingen en consulaire posten en aan hun leden, aan de internationale instellingen en aan hun leden, en aan de krijgsmachten van de staten die toegetreden zijn tot het Noord-Atlantisch Verdrag, andere dan de Belgische krijgsmacht, en aan hun leden, worden geacht te hebben voldaan aan de algemene belastingregeling voor de binnenlandse markt van die staat.
§ 4. De tijdelijk ingevoerde voertuigen mogen in België niet worden overgedragen, noch verhuurd, noch uitgeleend. Bij tijdelijke invoer voor persoonlijk gebruik, met uitsluiting van het gebruik, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, 2° en 3°, en als ze toebehoren aan een verhuuronderneming met [1 ...]1 zetel in het buitenland, kunnen ze aan een niet-verblijfhouder worden wederverhuurd met het oog op de wederuitvoer, als ze zich in België bevinden ingevolge de uitvoering van een huurovereenkomst die hier te lande is verstreken. De voertuigen mogen ook naar de staat van de plaats van oorspronkelijke huur worden teruggebracht door een personeelslid van de verhuuronderneming, zelfs als dat personeelslid zijn gewone verblijfplaats in België heeft.
§ 5. Als de tijdelijke invoer plaatsvindt voor beroepsmatig gebruik en voor het gebruik, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, 2° en 3°, moet de voorwaarde, vermeld in paragraaf 3, vervuld zijn in de staat waarin de gebruiker zijn gewone verblijfplaats heeft. Die voorwaarde wordt geacht te zijn vervuld als de voertuigen voorzien zijn van een gewone nummerplaat van die staat, met uitzondering van alle tijdelijke nummerplaten.
Voor voertuigen die ingeschreven zijn in een staat waar de afgifte van nummerplaten niet verbonden is aan de inachtneming van de algemene belastingregeling voor de buitenlandse markt, moeten de gebruikers, met alle door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed, bewijzen dat ze de verbruiksbelastingen hebben betaald.
De voertuigen die voor dezelfde doeleinden worden ingevoerd, mogen bovendien niet worden gebruikt voor vervoer van personen tegen betaling of ander materieel voordeel, of voor om het even welk vervoer van goederen, al dan niet tegen betaling.
Art. 2.2.6.0.5. § 1er. Une exonération de la taxe est accordée pour les voitures particulières, les voitures mixtes, les minibus, y compris les remorques de ces véhicules, et les motocyclettes qui sont importés en Belgique temporairement par une personne physique qui a sa résidence habituelle dans un autre état de l'Espace économique européen, et qui sont affectés sur le territoire belge à l'usage personnel ou professionnel de l'importateur.
L'exonération, visée à l'alinéa premier, est également accordée à la personne physique ayant sa résidence habituelle dans un pays qui ne fait pas partie de l'Espace économique européen, lorsque ce pays accorde la même exonération aux résidents belges.
§ 2. L'exonération, visée au paragraphe 1er, est accordée pour une durée ininterrompue ou non qui n'excède pas six mois par période de douze mois.
Par dérogation à l'alinéa premier :
1° la durée de l'exonération est fixée à sept mois par période de douze mois en cas d'usage professionnel du véhicule par un intermédiaire du commerce, de l'industrie ou de l'artisanat;
2° la durée de l'exonération n'est pas limitée dans le temps lorsque le véhicule est employé par l'importateur pour le trajet qu'il effectue régulièrement en Belgique pour se déplacer exclusivement de sa résidence au lieu de travail de l'entreprise en Belgique et en revenir;
3° l'exonération est accordée pour la durée réelle des études lorsque le véhicule est employé par un étudiant résidant en Belgique, ayant pour seul objectif d'y étudier.
§ 3. Les véhicules importés temporairement doivent être acquis ou importés, en application de la réglementation générale d'imposition du marché intérieur, d'un autre état membre, et ne peuvent pas, au titre de l'exportation, entrer en ligne de compte d'une exonération ou d'un remboursement de taxes sur le chiffre d'affaires, d'accises ou d'autres taxes à la consommation.
Les véhicules, acquis ou importés dans un autre état, avec exonération de toutes les taxes dans le cadre des privilèges, accordés aux missions diplomatiques et postes consulaires et à leurs membres, aux institutions internationales et à leurs membres, et aux forces armées des états ayant adhéré au Traité de l'Atlantique Nord, autres que les forces armées belges, et à leurs membres, sont censés avoir satisfait à la réglementation générale d'imposition du marché intérieur de cet état.
§ 4. Les véhicules importés temporairement ne peuvent être ni cédés, ni loués, ni prêtés en Belgique. En cas d'importation temporaire à usage personnel, à l'exclusion de l'usage, visé au paragraphe 2, alinéa deux, 2° et 3°, et lorsqu'ils appartiennent à une entreprise de location ayant son siège [1 ...]1 à l'étranger, ils peuvent être redonnés en location à un non-résident en vue de leur réexportation, lorsqu'ils se trouvent en Belgique à la suite de l'exécution d'un contrat de location qui s'est terminé en Belgique. Les véhicules peuvent également être ramenés dans l'état du lieu d'origine de location par un membre du personnel de l'entreprise de location, même si ce membre du personnel a sa résidence habituelle en Belgique.
§ 5. Lorsque l'importation temporaire a lieu en cas d'usage professionnel et en cas de l'usage, visé au paragraphe 2, alinéa deux, 2° et 3°, la conditions, visée au paragraphe 3, doit être remplie dans l'état où l'usager a sa résidence habituelle. Cette condition est censée être remplie lorsque les véhicules sont munis d'une plaque d'immatriculation normale de cet état, à l'exception de toutes les plaques d'immatriculation temporaires.
Pour les véhicules immatriculés dans un état où la délivrance des plaques d'immatriculation n'est pas liée au respect de la réglementation générale d'imposition du marché extérieur, les usagers doivent prouver, au moyen de toutes les preuves autorisées par le droit commun, à l'exception du serment, d'avoir payé les taxes de consommation.
En outre, les véhicules importés pour les mêmes objectifs ne peuvent pas être employés pour effectuer le transport de personnes, moyennant rémunération ou autre avantage matériel, ni pour effectuer le transport quelconque de marchandises, moyennant rémunération ou non.
L'exonération, visée à l'alinéa premier, est également accordée à la personne physique ayant sa résidence habituelle dans un pays qui ne fait pas partie de l'Espace économique européen, lorsque ce pays accorde la même exonération aux résidents belges.
§ 2. L'exonération, visée au paragraphe 1er, est accordée pour une durée ininterrompue ou non qui n'excède pas six mois par période de douze mois.
Par dérogation à l'alinéa premier :
1° la durée de l'exonération est fixée à sept mois par période de douze mois en cas d'usage professionnel du véhicule par un intermédiaire du commerce, de l'industrie ou de l'artisanat;
2° la durée de l'exonération n'est pas limitée dans le temps lorsque le véhicule est employé par l'importateur pour le trajet qu'il effectue régulièrement en Belgique pour se déplacer exclusivement de sa résidence au lieu de travail de l'entreprise en Belgique et en revenir;
3° l'exonération est accordée pour la durée réelle des études lorsque le véhicule est employé par un étudiant résidant en Belgique, ayant pour seul objectif d'y étudier.
§ 3. Les véhicules importés temporairement doivent être acquis ou importés, en application de la réglementation générale d'imposition du marché intérieur, d'un autre état membre, et ne peuvent pas, au titre de l'exportation, entrer en ligne de compte d'une exonération ou d'un remboursement de taxes sur le chiffre d'affaires, d'accises ou d'autres taxes à la consommation.
Les véhicules, acquis ou importés dans un autre état, avec exonération de toutes les taxes dans le cadre des privilèges, accordés aux missions diplomatiques et postes consulaires et à leurs membres, aux institutions internationales et à leurs membres, et aux forces armées des états ayant adhéré au Traité de l'Atlantique Nord, autres que les forces armées belges, et à leurs membres, sont censés avoir satisfait à la réglementation générale d'imposition du marché intérieur de cet état.
§ 4. Les véhicules importés temporairement ne peuvent être ni cédés, ni loués, ni prêtés en Belgique. En cas d'importation temporaire à usage personnel, à l'exclusion de l'usage, visé au paragraphe 2, alinéa deux, 2° et 3°, et lorsqu'ils appartiennent à une entreprise de location ayant son siège [1 ...]1 à l'étranger, ils peuvent être redonnés en location à un non-résident en vue de leur réexportation, lorsqu'ils se trouvent en Belgique à la suite de l'exécution d'un contrat de location qui s'est terminé en Belgique. Les véhicules peuvent également être ramenés dans l'état du lieu d'origine de location par un membre du personnel de l'entreprise de location, même si ce membre du personnel a sa résidence habituelle en Belgique.
§ 5. Lorsque l'importation temporaire a lieu en cas d'usage professionnel et en cas de l'usage, visé au paragraphe 2, alinéa deux, 2° et 3°, la conditions, visée au paragraphe 3, doit être remplie dans l'état où l'usager a sa résidence habituelle. Cette condition est censée être remplie lorsque les véhicules sont munis d'une plaque d'immatriculation normale de cet état, à l'exception de toutes les plaques d'immatriculation temporaires.
Pour les véhicules immatriculés dans un état où la délivrance des plaques d'immatriculation n'est pas liée au respect de la réglementation générale d'imposition du marché extérieur, les usagers doivent prouver, au moyen de toutes les preuves autorisées par le droit commun, à l'exception du serment, d'avoir payé les taxes de consommation.
En outre, les véhicules importés pour les mêmes objectifs ne peuvent pas être employés pour effectuer le transport de personnes, moyennant rémunération ou autre avantage matériel, ni pour effectuer le transport quelconque de marchandises, moyennant rémunération ou non.
Art. 2.2.6.0.6. [1 Op voertuigen die uitsluitend aangedreven worden door een elektrische motor of waterstof [4 en die uiterlijk op 31 december 2025 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid]4 wordt geen belasting geheven.
[3 Dit artikel is niet van toepassing op de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 6.]3.]1
[4 De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, wordt ook toegekend voor voertuigen, die na 31 december 2025 ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid of bij een vergelijkbare instelling binnen de Europese Economische Ruimte of een andere staat en nadien in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid, en die voldoen aan de volgende voorwaarden:
1° het voertuig werd vóór 6 oktober 2025 besteld;
2° een kopie van de bestelbon wordt aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie bezorgd voor 15 januari 2026, samen met een formulier, afgeleverd door deze entiteit, dat wordt ondertekend door de betrokken belastingplichtige, en dat minstens de volgende gegevens bevat:
a) hetzij het identificatienummer uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, hetzij het ondernemingsnummer dat bekend is bij de Kruispuntbank van Ondernemingen, hetzij het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van de persoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid;
b) de voornamen, de achternaam en het domicilieadres van de natuurlijke persoon of de naam, de rechtsvorm en het adres van de maatschappelijke zetel van de rechtspersoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid.]4
[3 Dit artikel is niet van toepassing op de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 6.]3.]1
[4 De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, wordt ook toegekend voor voertuigen, die na 31 december 2025 ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid of bij een vergelijkbare instelling binnen de Europese Economische Ruimte of een andere staat en nadien in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid, en die voldoen aan de volgende voorwaarden:
1° het voertuig werd vóór 6 oktober 2025 besteld;
2° een kopie van de bestelbon wordt aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie bezorgd voor 15 januari 2026, samen met een formulier, afgeleverd door deze entiteit, dat wordt ondertekend door de betrokken belastingplichtige, en dat minstens de volgende gegevens bevat:
a) hetzij het identificatienummer uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, hetzij het ondernemingsnummer dat bekend is bij de Kruispuntbank van Ondernemingen, hetzij het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van de persoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid;
b) de voornamen, de achternaam en het domicilieadres van de natuurlijke persoon of de naam, de rechtsvorm en het adres van de maatschappelijke zetel van de rechtspersoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid.]4
Art. 2.2.6.0.6. [1 Les véhicules fonctionnant exclusivement avec moteur électrique ou à l'hydrogène [4 et immatriculés au plus tard au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière au 31 décembre 2025]4 ne sont pas taxés.
[3 Le présent article ne s'applique pas aux véhicules, visés à l'article 2.2.4.0.1, § 6.]3.]1
[4 L'exonération visée à l'alinéa 1er, est également accordée pour les véhicules qui sont inscrits après le 31 décembre 2025 au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière ou auprès d'une institution comparable au sein de l'Espace économique européen ou d'un autre Etat et par la suite au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière, et qui remplissent les conditions suivantes :
1° le véhicule a été commandé avant le 6 octobre 2025 ;
2° une copie du bon de commande est transmise avant le 15 janvier 2026 à l'entité compétente de l'administration flamande, accompagnée d'un formulaire délivré par cette entité et signé par le contribuable concerné, qui comprend au moins les données suivantes :
a) soit le numéro d'identification du Registre national des personnes physiques, soit le numéro d'entreprise connu auprès de la Banque-Carrefour des Entreprises, soit le numéro d'identification, visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale, de la personne au nom de laquelle le véhicule est ou sera inscrit au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière ;
b) les prénom, nom et adresse du domicile des personnes physiques ou le nom, la forme juridique et l'adresse du siège social de la personne morale au nom de laquelle le véhicule est ou sera inscrit au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière.]4
[3 Le présent article ne s'applique pas aux véhicules, visés à l'article 2.2.4.0.1, § 6.]3.]1
[4 L'exonération visée à l'alinéa 1er, est également accordée pour les véhicules qui sont inscrits après le 31 décembre 2025 au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière ou auprès d'une institution comparable au sein de l'Espace économique européen ou d'un autre Etat et par la suite au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière, et qui remplissent les conditions suivantes :
1° le véhicule a été commandé avant le 6 octobre 2025 ;
2° une copie du bon de commande est transmise avant le 15 janvier 2026 à l'entité compétente de l'administration flamande, accompagnée d'un formulaire délivré par cette entité et signé par le contribuable concerné, qui comprend au moins les données suivantes :
a) soit le numéro d'identification du Registre national des personnes physiques, soit le numéro d'entreprise connu auprès de la Banque-Carrefour des Entreprises, soit le numéro d'identification, visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale, de la personne au nom de laquelle le véhicule est ou sera inscrit au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière ;
b) les prénom, nom et adresse du domicile des personnes physiques ou le nom, la forme juridique et l'adresse du siège social de la personne morale au nom de laquelle le véhicule est ou sera inscrit au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière.]4
Art. 2.2.6.0.7. [1 Er wordt [3 op volgende voertuigen die uiterlijk op 31 december 2020 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid]3 geen belasting geheven op:
1° voertuigen waarvan de motor, ook al is het maar gedeeltelijk of tijdelijk, aangedreven wordt met aardgas;
2° plug-in hybride voertuigen met een maximale CO2-uitstoot van 50 gram per kilometer.
[3 De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, wordt ook toegekend voor voertuigen, die na 31 december 2020 ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid of bij een vergelijkbare instelling binnen de Europese Economische Ruimte of een andere staat en nadien in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid, en die voldoen aan de volgende voorwaarden:
1° het wegvoertuig werd voor 12 oktober 2020 besteld;
2° een kopie van de bestelbon wordt aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie bezorgd voor 15 januari 2021, samen met een formulier, afgeleverd door deze entiteit, dat wordt ondertekend door de betrokken belastingplichtige, en dat minstens de volgende gegevens bevat:
a) hetzij het identificatienummer uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, hetzij het ondernemingsnummer dat bekend is bij de Kruispuntbank van Ondernemingen, hetzij het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van de persoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid;
b) de voornamen, de achternaam en het domicilieadres van de natuurlijke persoon of de naam, de rechtsvorm en het adres van de maat- schappelijke zetel van de rechtspersoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid.]3
Een plug-in hybride voertuig is een voertuig dat aangedreven wordt door een elektrische motor en een verbrandingsmotor waarvoor de energie geleverd wordt aan de elektrische motor door batterijen die volledig opgeladen kunnen worden via een aansluiting aan een externe energiebron buiten het voertuig.
[2 Het eerste lid, 1°, is alleen van toepassing op de volgende voertuigen van natuurlijke personen en andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten:
1° de wegvoertuigen die vóór 1 juli 2017 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid;
2° de wegvoertuigen die na 30 juni 2017 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid en waarvan het belastbaar vermogen 11 fiscale paardenkracht niet te boven gaat;
3° de lichte vrachtauto's, de lijkwagens, en de alleenrijdende trekkers, als het andere voertuigen zijn dan de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 6.]2]1
[2 Het eerste lid, 2°, is alleen van toepassing op de wegvoertuigen, de lichte vrachtauto's, de lijkwagens, en de alleenrijdende trekkers als het andere voertuigen zijn dan de voertuigen vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 6, van natuurlijke personen en andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.]2
1° voertuigen waarvan de motor, ook al is het maar gedeeltelijk of tijdelijk, aangedreven wordt met aardgas;
2° plug-in hybride voertuigen met een maximale CO2-uitstoot van 50 gram per kilometer.
[3 De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, wordt ook toegekend voor voertuigen, die na 31 december 2020 ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid of bij een vergelijkbare instelling binnen de Europese Economische Ruimte of een andere staat en nadien in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid, en die voldoen aan de volgende voorwaarden:
1° het wegvoertuig werd voor 12 oktober 2020 besteld;
2° een kopie van de bestelbon wordt aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie bezorgd voor 15 januari 2021, samen met een formulier, afgeleverd door deze entiteit, dat wordt ondertekend door de betrokken belastingplichtige, en dat minstens de volgende gegevens bevat:
a) hetzij het identificatienummer uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, hetzij het ondernemingsnummer dat bekend is bij de Kruispuntbank van Ondernemingen, hetzij het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van de persoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid;
b) de voornamen, de achternaam en het domicilieadres van de natuurlijke persoon of de naam, de rechtsvorm en het adres van de maat- schappelijke zetel van de rechtspersoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid.]3
Een plug-in hybride voertuig is een voertuig dat aangedreven wordt door een elektrische motor en een verbrandingsmotor waarvoor de energie geleverd wordt aan de elektrische motor door batterijen die volledig opgeladen kunnen worden via een aansluiting aan een externe energiebron buiten het voertuig.
[2 Het eerste lid, 1°, is alleen van toepassing op de volgende voertuigen van natuurlijke personen en andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten:
1° de wegvoertuigen die vóór 1 juli 2017 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid;
2° de wegvoertuigen die na 30 juni 2017 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid en waarvan het belastbaar vermogen 11 fiscale paardenkracht niet te boven gaat;
3° de lichte vrachtauto's, de lijkwagens, en de alleenrijdende trekkers, als het andere voertuigen zijn dan de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 6.]2]1
[2 Het eerste lid, 2°, is alleen van toepassing op de wegvoertuigen, de lichte vrachtauto's, de lijkwagens, en de alleenrijdende trekkers als het andere voertuigen zijn dan de voertuigen vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 6, van natuurlijke personen en andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.]2
Art. 2.2.6.0.7. [1 [3 Les véhicules suivants qui sont inscrits au plus tard le 31 décembre 2020 au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière, sont exonérés de taxes]3 :
1° véhicules dont le moteur est alimenté, même partiellement ou temporairement, au gaz naturel ;
2° véhicules hybrides rechargeables avec une émission de CO2 jusqu'à 50 gr/km.
[3 L'exonération, visée à l'alinéa 1er, est également accordée pour les véhicules qui sont inscrits après le 31 décembre 2020 au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière ou auprès d'une institution comparable au sein de l'Espace économique européen ou d'un autre Etat et plus tard au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière, et qui remplissent les conditions suivantes :
1° le véhicule routier a été commandé avant le 12 octobre 2020 ;
2° une copie du bon de commande est transmise avant le 15 janvier 2021 à l'entité compétente de l'administration flamande, accompagnée d'un formulaire délivré par cette entité et signé par le contribuable concerné, qui comprend au moins les données suivantes :
a) soit le numéro d'identification du Registre national des personnes physiques, soit le numéro d'entreprise connu auprès de la Banque-Carrefour des Entreprises, soit le numéro d'identification, visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale, de la personne au nom de laquelle le véhicule est ou sera inscrit au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière ;
b) les prénom, nom et adresse du domicile des personnes physiques ou le nom, la forme juridique et l'adresse du siège social de la personne morale au nom de laquelle le véhicule est ou sera inscrit au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière.]3
Un véhicule hybride rechargeable est un véhicule à moteur électrique et à moteur à combustion, dont l'énergie est fournie au moteur électrique par des batteries pouvant être chargées complètement par un raccordement à une source d'énergie externe.
[2 L'alinéa 1er, 1°, s'applique uniquement aux véhicules suivants de personnes physiques et d'autres personnes morales que les sociétés, les entreprises publiques autonomes et les associations sans but lucratif, qui exercent des activités de leasing :
1° les véhicules routiers qui sont inscrits avant le 1er juillet 2017 au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière ;
2° les véhicules routiers qui sont inscrits après le 30 juin 2017 au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière, et dont la puissance imposable n'est pas supérieure à 11 chevaux fiscaux ;
3° les camionnettes, les corbillards et les tracteurs à moteur solos, autres que les véhicules visés à l'article 2.2.4.0.1, § 6.]2]1
[2 L'alinéa 1er, 2°, s'applique uniquement aux véhicules routiers, aux camionnettes, aux corbillards et aux tracteurs à moteur solos, autres que les véhicules visés à l'article 2.2.4.0.1, § 6, de personnes physiques et d'autres personnes morales que les sociétés, les entreprises publiques autonomes et les associations sans but lucratif, qui exercent des activités de leasing.]2
1° véhicules dont le moteur est alimenté, même partiellement ou temporairement, au gaz naturel ;
2° véhicules hybrides rechargeables avec une émission de CO2 jusqu'à 50 gr/km.
[3 L'exonération, visée à l'alinéa 1er, est également accordée pour les véhicules qui sont inscrits après le 31 décembre 2020 au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière ou auprès d'une institution comparable au sein de l'Espace économique européen ou d'un autre Etat et plus tard au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière, et qui remplissent les conditions suivantes :
1° le véhicule routier a été commandé avant le 12 octobre 2020 ;
2° une copie du bon de commande est transmise avant le 15 janvier 2021 à l'entité compétente de l'administration flamande, accompagnée d'un formulaire délivré par cette entité et signé par le contribuable concerné, qui comprend au moins les données suivantes :
a) soit le numéro d'identification du Registre national des personnes physiques, soit le numéro d'entreprise connu auprès de la Banque-Carrefour des Entreprises, soit le numéro d'identification, visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale, de la personne au nom de laquelle le véhicule est ou sera inscrit au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière ;
b) les prénom, nom et adresse du domicile des personnes physiques ou le nom, la forme juridique et l'adresse du siège social de la personne morale au nom de laquelle le véhicule est ou sera inscrit au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière.]3
Un véhicule hybride rechargeable est un véhicule à moteur électrique et à moteur à combustion, dont l'énergie est fournie au moteur électrique par des batteries pouvant être chargées complètement par un raccordement à une source d'énergie externe.
[2 L'alinéa 1er, 1°, s'applique uniquement aux véhicules suivants de personnes physiques et d'autres personnes morales que les sociétés, les entreprises publiques autonomes et les associations sans but lucratif, qui exercent des activités de leasing :
1° les véhicules routiers qui sont inscrits avant le 1er juillet 2017 au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière ;
2° les véhicules routiers qui sont inscrits après le 30 juin 2017 au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière, et dont la puissance imposable n'est pas supérieure à 11 chevaux fiscaux ;
3° les camionnettes, les corbillards et les tracteurs à moteur solos, autres que les véhicules visés à l'article 2.2.4.0.1, § 6.]2]1
[2 L'alinéa 1er, 2°, s'applique uniquement aux véhicules routiers, aux camionnettes, aux corbillards et aux tracteurs à moteur solos, autres que les véhicules visés à l'article 2.2.4.0.1, § 6, de personnes physiques et d'autres personnes morales que les sociétés, les entreprises publiques autonomes et les associations sans but lucratif, qui exercent des activités de leasing.]2
Afdeling 7. - Wijze van heffing
Section 7. - Modalités de perception
Art. 2.2.7.0.1. De belasting wordt geheven in overeenstemming met de bepalingen van artikel 3.3.2.0.1, eerste lid, 2° en 3°, en tweede lid, 2° en 3°.
Art. 2.2.7.0.1. La taxe est perçue conformément aux dispositions de l'article 3.3.2.0.1, alinéa premier, 2° et 3°, et alinéa deux, 2° et 3°.
Art. 2.2.7.0.2. § 1. Met toepassing van artikel 2.2.7.0.1 is de belasting verschuldigd voor het aantal maanden dat begrepen is tussen de eerste dag van de maand waarin het voertuig in de loop van een kalenderjaar in gebruik is genomen op de openbare weg en 31 december van hetzelfde jaar, voor de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.2.0.1, § 2, tweede lid.
Het verschuldigde bedrag is gelijk aan een twaalfde van de jaarlijkse belasting, vermenigvuldigd met het aantal maanden, vermeld in het eerste lid.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 en artikel 3.3.1.0.1, eerste lid, is geen enkele belasting verschuldigd voor de maand december als het gebruik na 15 december begint.
§ 3. Als het gebruik in de loop van het aanslagjaar ophoudt, is de belasting die betaald moet worden, het bedrag dat verschuldigd is voor de verstreken maanden.
Dat bedrag mag niet lager zijn dan het minimum, vermeld in artikel 2.2.4.0.2, § 2.
§ 4. Als het voertuig wordt gewijzigd, is de belasting die betaald moet worden, het bedrag dat verschuldigd is voor de verstreken maanden.
Het verschuldigde bedrag is gelijk aan een twaalfde van de jaarlijkse belasting, vermenigvuldigd met het aantal maanden, vermeld in het eerste lid.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 en artikel 3.3.1.0.1, eerste lid, is geen enkele belasting verschuldigd voor de maand december als het gebruik na 15 december begint.
§ 3. Als het gebruik in de loop van het aanslagjaar ophoudt, is de belasting die betaald moet worden, het bedrag dat verschuldigd is voor de verstreken maanden.
Dat bedrag mag niet lager zijn dan het minimum, vermeld in artikel 2.2.4.0.2, § 2.
§ 4. Als het voertuig wordt gewijzigd, is de belasting die betaald moet worden, het bedrag dat verschuldigd is voor de verstreken maanden.
Art. 2.2.7.0.2. § 1er. En application de l'article 2.2.7.0.1, la taxe est due pour le nombre de mois compris entre le premier jour du mois au cours duquel le véhicule est mis en usage sur la voie publique dans le courant d'une année calendaire et le 31 décembre de la même année, pour les véhicules, visés à l'article 2.2.2.0.1, § 2, alinéa deux.
Le montant dû est égal à un douzième de la taxe annuelle, multiplié par le nombre de mois, visé à l'alinéa premier.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er et l'article 3.3.1.0.1, alinéa premier, aucune taxe n'est due pour le mois de décembre lorsque l'usage commence après le 15 décembre.
§ 3. En cas de cessation d'usage au cours de l'année d'imposition, la taxe qui doit être payée est le montant dû à concurrence des mois écoulés.
Ce montant ne peut pas être inférieur au minimum, visé à l'article 2.2.4.0.2, § 2.
§ 4. En cas de modification du véhicule, la taxe qui doit être payée est le montant dû à concurrence des mois écoulés.
Le montant dû est égal à un douzième de la taxe annuelle, multiplié par le nombre de mois, visé à l'alinéa premier.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er et l'article 3.3.1.0.1, alinéa premier, aucune taxe n'est due pour le mois de décembre lorsque l'usage commence après le 15 décembre.
§ 3. En cas de cessation d'usage au cours de l'année d'imposition, la taxe qui doit être payée est le montant dû à concurrence des mois écoulés.
Ce montant ne peut pas être inférieur au minimum, visé à l'article 2.2.4.0.2, § 2.
§ 4. En cas de modification du véhicule, la taxe qui doit être payée est le montant dû à concurrence des mois écoulés.
Hoofdstuk 3. - Belasting op de inverkeerstelling
Chapitre 3. - Taxe sur la mise en circulation
Afdeling 1. - Belastbaar voorwerp
Section 1re. - Objet imposable
Art. 2.3.1.0.1. Overeenkomstig artikel 94 van het federale Wetboek van 23 november 1965 van de met inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, wordt er een belasting geheven op de wegvoertuigen, de luchtvaartuigen en de boten, als ze op de openbare weg in het verkeer worden gesteld of worden gebruikt in België.
Art. 2.3.1.0.1. Conformément à l'article 94 du Code fédéral du 23 novembre 1965 des taxes assimilées aux impôts sur les revenus, une taxe est perçue sur les véhicules routiers, les aéronefs et les bateaux, lorsqu'ils sont mis en usage sur la voie publique ou utilisés en Belgique.
Afdeling 2. - Belastingplichtigen
Section 2. - Contribuables
Art. 2.3.2.0.1. § 1. De belastingplichtige is degene die vermeld is, naargelang het geval, op het inschrijvingsbewijs of op de vlaggenbrief op het ogenblik van de eerste inverkeerstelling op de openbare weg van het wegvoertuig of op het ogenblik van een eerste gebruik van een luchtvaartuig of van een boot door de vermelde natuurlijke persoon of rechtspersoon.
De wegvoertuigen worden geacht in het verkeer te zijn gesteld als ze ingeschreven zijn of moeten zijn in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid.
De luchtvaartuigen worden geacht in België te zijn gebruikt als ze ingeschreven zijn of moeten zijn door het Directoraat-generaal Luchtvaart.
De boten worden geacht in België te zijn gebruikt als daarvoor een vlaggenbrief is uitgereikt of moet zijn uitgereikt door de Federale Overheidsdienst Mobiliteit.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 is de belasting niet verschuldigd voor een wegvoertuig of een luchtvaartuig dat wordt ingeschreven, of voor een boot waarvoor een vlaggenbrief wordt uitgereikt naar aanleiding van een overdracht tussen echtgenoten [1 of wettelijke samenwonenden]1 of een overdracht tussen uit de echt gescheiden personen ingevolge de echtscheiding [1 of ex-wettelijk samenwonenden door de beëindiging van de wettelijke samenwoning]1, op voorwaarde dat de overdrager voor hetzelfde wegvoertuig, hetzelfde luchtvaartuig of dezelfde boot de belasting al heeft betaald.
De wegvoertuigen worden geacht in het verkeer te zijn gesteld als ze ingeschreven zijn of moeten zijn in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid.
De luchtvaartuigen worden geacht in België te zijn gebruikt als ze ingeschreven zijn of moeten zijn door het Directoraat-generaal Luchtvaart.
De boten worden geacht in België te zijn gebruikt als daarvoor een vlaggenbrief is uitgereikt of moet zijn uitgereikt door de Federale Overheidsdienst Mobiliteit.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 is de belasting niet verschuldigd voor een wegvoertuig of een luchtvaartuig dat wordt ingeschreven, of voor een boot waarvoor een vlaggenbrief wordt uitgereikt naar aanleiding van een overdracht tussen echtgenoten [1 of wettelijke samenwonenden]1 of een overdracht tussen uit de echt gescheiden personen ingevolge de echtscheiding [1 of ex-wettelijk samenwonenden door de beëindiging van de wettelijke samenwoning]1, op voorwaarde dat de overdrager voor hetzelfde wegvoertuig, hetzelfde luchtvaartuig of dezelfde boot de belasting al heeft betaald.
Art. 2.3.2.0.1. § 1er. Le contribuable est celui qui est mentionné, selon le cas, sur le certificat d'immatriculation ou la lettre de pavillon au moment de la première mise en circulation sur la voie publique du véhicule routier ou au moment du premier usage d'un aéronef ou d'un bateau par la personne physique ou morale visée.
Les véhicules routiers sont censés être mis en circulation lorsqu'ils sont immatriculés ou doivent être immatriculés au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière.
Les aéronefs sont censés être utilisés en Belgique lorsqu'ils sont immatriculés ou doivent être immatriculés par la Direction générale Transport aérien.
Les bateaux sont censés être utilisés en Belgique lorsqu'une lettre de pavillon est délivrée ou doit être délivrée à cet effet par le Service public fédéral Mobilité.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, la taxe n'est pas due pour un véhicule routier ou un aéronef qui est immatriculé, ou pour un bateau pour lequel une lettre de pavillon est délivrée suite à un transfert entre époux [1 ou cohabitants légaux]1 ou un transfert entre personnes séparées en conséquence du divorce [1 ou ex-cohabitants par la fin de la cohabitation légale]1, à condition que le cédant ait déjà payé la taxe pour le même véhicule routier, aéronef ou bateau.
Les véhicules routiers sont censés être mis en circulation lorsqu'ils sont immatriculés ou doivent être immatriculés au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière.
Les aéronefs sont censés être utilisés en Belgique lorsqu'ils sont immatriculés ou doivent être immatriculés par la Direction générale Transport aérien.
Les bateaux sont censés être utilisés en Belgique lorsqu'une lettre de pavillon est délivrée ou doit être délivrée à cet effet par le Service public fédéral Mobilité.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, la taxe n'est pas due pour un véhicule routier ou un aéronef qui est immatriculé, ou pour un bateau pour lequel une lettre de pavillon est délivrée suite à un transfert entre époux [1 ou cohabitants légaux]1 ou un transfert entre personnes séparées en conséquence du divorce [1 ou ex-cohabitants par la fin de la cohabitation légale]1, à condition que le cédant ait déjà payé la taxe pour le même véhicule routier, aéronef ou bateau.
Afdeling 3. - Belastbare grondslag
Section 3. - Base imposable
Art. 2.3.3.0.1. § 1. Voor de wegvoertuigen wordt de belasting vastgesteld op basis van het vermogen van de motor, uitgedrukt in fiscale paardenkracht of in kilowatt.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 wordt de belasting op de wegvoertuigen, vermeld in artikel 2.3.4.1.1, vastgesteld op basis van milieukenmerken.
De milieukenmerken van het wegvoertuig worden uitgedrukt in functie van de CO2-uitstoot en de milieuklasse euronorm 0, 1, 2, 3, 4, 5 of 6. De aanwezigheid van een roetfilter wordt ook in rekening gebracht.
Euronormen zijn de maximumdrempels voor de concentratie van bepaalde vervuilende stoffen in de uitlaatgassen van autovoertuigen, bepaald in opeenvolgende Europese richtlijnen en verordeningen.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 wordt de belasting op de wegvoertuigen, vermeld in artikel 2.3.4.1.1, vastgesteld op basis van milieukenmerken.
De milieukenmerken van het wegvoertuig worden uitgedrukt in functie van de CO2-uitstoot en de milieuklasse euronorm 0, 1, 2, 3, 4, 5 of 6. De aanwezigheid van een roetfilter wordt ook in rekening gebracht.
Euronormen zijn de maximumdrempels voor de concentratie van bepaalde vervuilende stoffen in de uitlaatgassen van autovoertuigen, bepaald in opeenvolgende Europese richtlijnen en verordeningen.
Art. 2.3.3.0.1. § 1er. Pour les véhicules routiers, la taxe est fixée sur la base de la puissance du moteur, exprimée en chevaux fiscaux ou en kilowatts.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, la taxe sur les véhicules routiers, visée à l'article 2.3.4.1.1, est fixée sur la base de caractéristiques environnementales.
Les indicateurs environnementaux du véhicule routier sont exprimés en fonction des émissions de CO2 et de la classe environnementale Euronorme 0, 1, 2, 3, 4, 5 ou 6. La présence d'un filtre à particules est également portée en compte.
Les Euronormes sont les plafonds maximums pour la concentration de certains polluants dans les gaz d'échappement de véhicules automobiles, fixés dans des directives et règlements européen successifs.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, la taxe sur les véhicules routiers, visée à l'article 2.3.4.1.1, est fixée sur la base de caractéristiques environnementales.
Les indicateurs environnementaux du véhicule routier sont exprimés en fonction des émissions de CO2 et de la classe environnementale Euronorme 0, 1, 2, 3, 4, 5 ou 6. La présence d'un filtre à particules est également portée en compte.
Les Euronormes sont les plafonds maximums pour la concentration de certains polluants dans les gaz d'échappement de véhicules automobiles, fixés dans des directives et règlements européen successifs.
Afdeling 4. - Tarieven
Section 4. - Tarifs
Onderafdeling 1. - Bedrag van de belasting voor personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen als vermeld in artikel 1.1.0.0.2, vierde lid, 1°, die worden geacht in het verkeer te zijn gesteld in het Vlaamse Gewest
Sous-section 1re. - Montant de la taxe pour les voitures privées, les voitures mixtes et les minibus, tels que visés à l'article 1.1.0.0.2, alinéa quatre, 1°, qui sont censés être mis en circulation en Région flamande
Art. 2.3.4.1.1. De belasting op de personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en de minibussen, vermeld in artikel 1.1.0.0.2, vierde lid, 1°, die worden geacht in het verkeer te zijn gesteld in het Vlaamse Gewest, met uitzondering van de voertuigen die worden geacht in het verkeer te zijn gesteld door vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten, wordt berekend op de wijze, vermeld in artikel 2.3.4.1.2 tot en met 2.3.4.1.7 [1 [2 en artikel]2 2.3.6.0.3]1.
[3 In afwijking van het eerste lid bedraagt de belasting voor de voertuigen, die uitsluitend aangedreven worden door een elektrische motor of door waterstof en die na 31 december 2025 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid, 61,50 euro.]3
[3 In afwijking van het eerste lid bedraagt de belasting voor de voertuigen, die uitsluitend aangedreven worden door een elektrische motor of door waterstof en die na 31 december 2025 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid, 61,50 euro.]3
Art. 2.3.4.1.1. La taxe sur les voitures privées, les voitures mixtes et les minibus, visés à l'article 1.1.0.0.2, alinéa quatre, 1°, qui sont censés être mis en circulation en Région flamande, à l'exception des véhicules qui sont censés être mis en circulation par des sociétés, des entreprises publiques autonomes et des associations sans but lucratif, ayant des activités de crédit-bail, est calculée selon le mode, visé aux articles 2.3.4.1.2 à 2.3.4.1.7 inclus [1 et aux articles [2 et à l'article]2 2.3.6.0.3]1.
[3 Par dérogation à l'alinéa 1er, la taxe pour les véhicules équipés exclusivement d'un moteur électrique ou à l'hydrogène et immatriculés au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière après le 31 décembre 2025, s'élève à 61,50 euros.]3
[3 Par dérogation à l'alinéa 1er, la taxe pour les véhicules équipés exclusivement d'un moteur électrique ou à l'hydrogène et immatriculés au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière après le 31 décembre 2025, s'élève à 61,50 euros.]3
Art. 2.3.4.1.2. [1 De belasting wordt berekend volgens de volgende formule:
BIV= ((CO2 * f + x) /246)6 * 4500 + c) * LC.]1
De parameters, vermeld in het eerste lid, worden gedefinieerd als volgt :
1° CO2 = de CO2-uitstoot van het wegvoertuig, gemeten tijdens de homologatie ervan [2 volgens de op het moment van de eerste inschrijving geldende Europese regelgeving]2;
2° f = 0,88 voor wegvoertuigen die aangedreven worden door lpg;
f = 0,93 voor wegvoertuigen die aangedreven worden door aardgas;
f = 0,744 voor wegvoertuigen die aangedreven worden door zowel aardgas als benzine, als ze als benzinewagen gehomologeerd zijn;
f = 1 voor andere wegvoertuigen;
3° x = CO2-correctie in functie van de technologische evolutie; x is gelijk aan 0 g CO2/km en wordt jaarlijks verhoogd met 4,5 g CO2/km vanaf het jaar 2013;
4° c = constante (luchtcomponent) in functie van de euronorm en de brandstofsoort van het wegvoertuig, vermeld in de volgende tabel :
BIV= ((CO2 * f + x) /246)6 * 4500 + c) * LC.]1
De parameters, vermeld in het eerste lid, worden gedefinieerd als volgt :
1° CO2 = de CO2-uitstoot van het wegvoertuig, gemeten tijdens de homologatie ervan [2 volgens de op het moment van de eerste inschrijving geldende Europese regelgeving]2;
2° f = 0,88 voor wegvoertuigen die aangedreven worden door lpg;
f = 0,93 voor wegvoertuigen die aangedreven worden door aardgas;
f = 0,744 voor wegvoertuigen die aangedreven worden door zowel aardgas als benzine, als ze als benzinewagen gehomologeerd zijn;
f = 1 voor andere wegvoertuigen;
3° x = CO2-correctie in functie van de technologische evolutie; x is gelijk aan 0 g CO2/km en wordt jaarlijks verhoogd met 4,5 g CO2/km vanaf het jaar 2013;
4° c = constante (luchtcomponent) in functie van de euronorm en de brandstofsoort van het wegvoertuig, vermeld in de volgende tabel :
Art. 2.3.4.1.2. [1 La taxe est calculée selon la formule suivante :
BIV= ((CO2 * f + x) /246)6 * 4500 + c) * LC.]1
Les paramètres, visés à l'alinéa premier, sont définis comme suit :
1° CO2 = les émissions de CO2 du véhicule, mesurées lors de l'homologation du véhicule [2 selon la réglementation européenne en vigueur au moment de la première immatriculation]2;
2° f = 0,88 pour les véhicules routiers actionnés par le GPL;
f = 0,93 pour les véhicules routiers actionnés par le gaz naturel;
f = 0,744 pour les véhicules routiers actionnés tant par le gaz naturel que par l'essence, lorsqu'ils sont homologués comme des voitures à essence;
f = 1 pour les autres voitures routiers;
3° x = terme de correction CO2 en fonction de l'évolution technologique; x est égal à 0 g CO2/km et est majoré annuellement de 4,5 g CO2/km à partir de l'année 2013;
4° c = constante (composante air) en fonction de l'Euronorme et du type de carburant du véhicule routier, visé au tableau suivant :
BIV= ((CO2 * f + x) /246)6 * 4500 + c) * LC.]1
Les paramètres, visés à l'alinéa premier, sont définis comme suit :
1° CO2 = les émissions de CO2 du véhicule, mesurées lors de l'homologation du véhicule [2 selon la réglementation européenne en vigueur au moment de la première immatriculation]2;
2° f = 0,88 pour les véhicules routiers actionnés par le GPL;
f = 0,93 pour les véhicules routiers actionnés par le gaz naturel;
f = 0,744 pour les véhicules routiers actionnés tant par le gaz naturel que par l'essence, lorsqu'ils sont homologués comme des voitures à essence;
f = 1 pour les autres voitures routiers;
3° x = terme de correction CO2 en fonction de l'évolution technologique; x est égal à 0 g CO2/km et est majoré annuellement de 4,5 g CO2/km à partir de l'année 2013;
4° c = constante (composante air) en fonction de l'Euronorme et du type de carburant du véhicule routier, visé au tableau suivant :
| [1 Brandstofsoort | Euronorm | Bedrag in euro |
| Diesel | euro 0 | 2.863,15 |
| euro 1 | 840,00 | |
| euro 2 | 622,57 | |
| euro 3 | 493,36 | |
| euro 3 + roetfilter | 467,06 | |
| euro 4 | 467,06 | |
| euro 4 + roetfilter | 459,35 | |
| euro 5 of EEV | 459,35 | |
| euro 6 | 454,07 | |
| Benzine, en andere brandstoffen | euro 0 | 1138,78 |
| euro 1 | 509,28 | |
| euro 2 | 152,29 | |
| euro 3 | 95,53 | |
| euro 4 | 22,93 | |
| euro 5 of EEV | 20,61 | |
| euro 6 | 20,61]1 | |
| (1)<DVR 2015-12-18/23, art. 117, 2°, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2016> | ||
| [1 Type de carburant | Euronorme | Montant en euros |
| Diesel | euro 0 | 2.863,15 |
| euro 1 | 840,00 | |
| euro 2 | 622,57 | |
| euro 3 | 493,36 | |
| euro 3 + filtre à particules | 467,06 | |
| euro 4 | 467,06 | |
| euro 4 + filtre à particules | 459,35 | |
| euro 5 ou EEV | 459,35 | |
| euro 6 | 454,07 | |
| Essence, et autres carburants | euro 0 | 1.138,78 |
| euro 1 | 509,28 | |
| euro 2 | 152,29 | |
| euro 3 | 95,53 | |
| euro 4 | 22,93 | |
| euro 5 ou EEV | 20,61 | |
| euro 6 | 20,61]1 | |
| (1)<DCFL 2015-12-18/23, art. 117, 2°, 011; En vigueur : 01-01-2016> | ||
5° LC = leeftijdscorrectie in functie van de ouderdom van het wegvoertuig, vermeld in de volgende tabel :
5° CA = correction d'âge en fonction de l'ancienneté du véhicule routier, visée au tableau suivant :
| ouderdom van het wegvoertuig op basis van de datum van de eerste inschrijving ervan, in het binnenland of in het buitenland, vermeld op het inschrijvingsbewijs | waarde LC in % |
| minder dan 12 volle maanden | 100 |
| van 12 volle maanden tot en met 23 volle maanden | 90 |
| van 24 volle maanden tot en met 35 volle maanden | 80 |
| van 36 volle maanden tot en met 47 volle maanden | 70 |
| van 48 volle maanden tot en met 59 volle maanden | 60 |
| van 60 volle maanden tot en met 71 volle maanden | 50 |
| van 72 volle maanden tot en met 83 volle maanden | 40 |
| van 84 volle maanden tot en met 95 volle maanden | 30 |
| van 96 volle maanden tot en met 107 volle maanden | 20 |
| meer dan 107 volle maanden | 10 |
| ancienneté du véhicule sur la base de la date de sa première immatriculation, en Belgique ou à l'étranger, mentionnée sur le certificat d'immatriculation | valeur CA en % |
| moins de 12 mois entiers | 100 |
| de 12 à 23 mois entiers | 90 |
| de 24 à 35 mois entiers | 80 |
| de 36 à 47 mois entiers | 70 |
| de 48 à 59 mois entiers | 60 |
| de 60 à 71 mois entiers | 50 |
| de 72 à 83 mois entiers | 40 |
| de 84 à 95 mois entiers | 30 |
| de 96 à 107 mois entiers | 20 |
| plus de 107 mois entiers | 10 |
Art. 2.3.4.1.2 /1. [1 De belasting wordt voor de voertuigen, vermeld in artikel 2.3.4.1.1, die voor de eerste keer worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid na 31 december 2020, berekend volgens de volgende formule:
BIV= ((CO2 * f * q) /246)6 * 4500 + c) * LC
De parameters, vermeld in het eerste lid, worden gedefinieerd als volgt:
1° CO2 = de CO2-uitstoot van het wegvoertuig, gemeten tijdens de homologatie ervan volgens de geldende Europese regelgeving;
2° f = 0,88 voor wegvoertuigen die aangedreven worden door lpg;
f = 0,93 voor wegvoertuigen die aangedreven worden door aardgas;
f = 0,744 voor wegvoertuigen die aangedreven worden door zowel aardgas als benzine, als ze als benzinewagen gehomologeerd zijn;
f = 1 voor andere wegvoertuigen;
3° q = een factor in functie van de Europese emissienormen voor 2025 en 2030; q is gelijk aan 1,07 in 2021 en wordt jaarlijks verhoogd met 0,035 vanaf het jaar 2022;
4° c = constante (luchtcomponent) in functie van de euronorm en de brand- stofsoort van het wegvoertuig, vermeld in de volgende tabel:
BIV= ((CO2 * f * q) /246)6 * 4500 + c) * LC
De parameters, vermeld in het eerste lid, worden gedefinieerd als volgt:
1° CO2 = de CO2-uitstoot van het wegvoertuig, gemeten tijdens de homologatie ervan volgens de geldende Europese regelgeving;
2° f = 0,88 voor wegvoertuigen die aangedreven worden door lpg;
f = 0,93 voor wegvoertuigen die aangedreven worden door aardgas;
f = 0,744 voor wegvoertuigen die aangedreven worden door zowel aardgas als benzine, als ze als benzinewagen gehomologeerd zijn;
f = 1 voor andere wegvoertuigen;
3° q = een factor in functie van de Europese emissienormen voor 2025 en 2030; q is gelijk aan 1,07 in 2021 en wordt jaarlijks verhoogd met 0,035 vanaf het jaar 2022;
4° c = constante (luchtcomponent) in functie van de euronorm en de brand- stofsoort van het wegvoertuig, vermeld in de volgende tabel:
Art. 2.3.4.1.2 /1. [1 Pour les véhicules visés à l'article 2.3.4.1.1, qui sont inscrits pour la première fois au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière après le 31 décembre 2020, la taxe est calculée selon la formule suivante :
BIV= ((CO2 * f * q) /246)6 * 4500 + c) * LC
Les paramètres, visés à l'alinéa 1er, sont définis comme suit :
1° CO2 = les émissions de CO2 du véhicule routier, mesurées lors de l'homologation du véhicule selon la réglementation européenne en vigueur ;
2° f = 0,88 pour les véhicules routiers actionnés par le GPL ;
f = 0,93 pour les véhicules routiers actionnés par le gaz naturel ;
f = 0,744 pour les véhicules routiers actionnés tant par le gaz naturel que par l'essence, lorsqu'ils sont homologués comme des voitures à essence ;
f = 1 pour les autres voitures routiers ;
3° q = un facteur en fonction des normes d'émission européennes pour 2025 et 2030 ; q égale 1,07 en 2021 et est majoré annuellement de 0,035 à partir de l'année 2022 ;
4° c = constante (composante air) en fonction de l'Euronorme et du type de carburant du véhicule routier, visé au tableau suivant :
BIV= ((CO2 * f * q) /246)6 * 4500 + c) * LC
Les paramètres, visés à l'alinéa 1er, sont définis comme suit :
1° CO2 = les émissions de CO2 du véhicule routier, mesurées lors de l'homologation du véhicule selon la réglementation européenne en vigueur ;
2° f = 0,88 pour les véhicules routiers actionnés par le GPL ;
f = 0,93 pour les véhicules routiers actionnés par le gaz naturel ;
f = 0,744 pour les véhicules routiers actionnés tant par le gaz naturel que par l'essence, lorsqu'ils sont homologués comme des voitures à essence ;
f = 1 pour les autres voitures routiers ;
3° q = un facteur en fonction des normes d'émission européennes pour 2025 et 2030 ; q égale 1,07 en 2021 et est majoré annuellement de 0,035 à partir de l'année 2022 ;
4° c = constante (composante air) en fonction de l'Euronorme et du type de carburant du véhicule routier, visé au tableau suivant :
| Brandstofsoort | Euronorm | Bedrag in euro |
| Diesel | euro 0 | 2.863,15 |
| euro 1 | 840,00 | |
| euro 2 | 622,57 | |
| euro 3 | 493,36 | |
| euro 3 + roetfilter | 467,06 | |
| euro 4 | 467,06 | |
| euro 4 + roetfilter | 459,35 | |
| euro 5 of EEV | 459,35 | |
| euro 6 | 454,07 | |
| Benzine, en andere brandstoffen | euro 0 | 1138,78 |
| euro 1 | 509,28 | |
| euro 2 | 152,29 | |
| euro 3 | 95,53 | |
| euro 4 | 22,93 | |
| euro 5 of EEV | 20,61 | |
| euro 6 | 20,61 |
5° LC = leeftijdscorrectie in functie van de ouderdom van het wegvoertuig, ver- meld in de volgende tabel:
| Type de carburant | Euronorme | Montant en euros |
| Diesel | euro 0 | 2.863,15 |
| euro 1 | 840,00 | |
| euro 2 | 622,57 | |
| euro 3 | 493,36 | |
| euro 3 + filtre à particules | 467,06 | |
| euro 4 | 467,06 | |
| euro 4 + filtre à particules | 459,35 | |
| euro 5 ou EEV | 459,35 | |
| euro 6 | 454,07 | |
| Essence et autres carburants | euro 0 | 1138,78 |
| euro 1 | 509,28 | |
| euro 2 | 152,29 | |
| euro 3 | 95,53 | |
| euro 4 | 22,93 | |
| euro 5 ou EEV | 20,61 | |
| euro 6 | 20,61 |
5° LC = correction d'âge en fonction de l'ancienneté du véhicule routier, visée au tableau suivant :
| ouderdom van het wegvoertuig op basis van de datum van de eerste inschrijving ervan, in het binnenland of in het buitenland, vermeld op het inschrijvingsbewijs | waarde LC in % |
| minder dan 12 volle maanden | 100 |
| van 12 volle maanden tot en met 23 volle maanden | 90 |
| van 24 volle maanden tot en met 35 volle maanden | 80 |
| van 36 volle maanden tot en met 47 volle maanden | 70 |
| van 48 volle maanden tot en met 59 volle maanden | 60 |
| van 60 volle maanden tot en met 71 volle maanden | 50 |
| van 72 volle maanden tot en met 83 volle maanden | 40 |
| van 84 volle maanden tot en met 95 volle maanden | 30 |
| van 96 volle maanden tot en met 107 volle maanden | 20 |
| meer dan 107 volle maanden | 10 |
]1
| ancienneté du véhicule sur la base de la date de sa première immatriculation, en Belgique ou à l'étranger, mentionnée sur le certificat d'immatriculation | valeur LC en % |
| Moins de 12 mois entiers | 100 |
| de 12 à 23 mois entiers | 90 |
| de 24 à 35 mois entiers | 80 |
| de 36 à 47 mois entiers | 70 |
| de 48 à 59 mois entiers | 60 |
| de 60 à 71 mois entiers | 50 |
| de 72 à 83 mois entiers | 40 |
| de 84 à 95 mois entiers | 30 |
| de 96 à 107 mois entiers | 20 |
| plus de 107 mois entiers | 10 |
]1
Art. 2.3.4.1.3. De belasting bedraagt nooit minder dan [1 41,99 euro]1 en nooit meer dan [1 10.497,70 euro]1. [2 [3 In afwijking van artikel 2.3.4.1.2 en artikel 2.3.4.1.2/1]3 bedraagt de belasting 41,99 euro voor de wegvoertuigen die een eerste keer in het verkeer zijn gesteld 30 jaar geleden of eerder en voor de wegvoertuigen die voldoen aan een van de volgende voorwaarden:
1° in aanslagjaar 2017 sedert meer dan vijfentwintig jaar in het verkeer zijn gebracht;
2° in aanslagjaar 2018 sedert meer dan zesentwintig jaar in het verkeer zijn gebracht;
3° in aanslagjaar 2019 sedert meer dan zevenentwintig jaar in het verkeer zijn gebracht;
4° in aanslagjaar 2020 sedert meer dan achtentwintig jaar in het verkeer zijn gebracht;
5° in aanslagjaar 2021 sedert meer dan negenentwintig jaar in het verkeer zijn gebracht;]2
[4 6° in aanslagjaar 2022 sedert meer dan dertig jaar in het verkeer zijn gebracht.]4
1° in aanslagjaar 2017 sedert meer dan vijfentwintig jaar in het verkeer zijn gebracht;
2° in aanslagjaar 2018 sedert meer dan zesentwintig jaar in het verkeer zijn gebracht;
3° in aanslagjaar 2019 sedert meer dan zevenentwintig jaar in het verkeer zijn gebracht;
4° in aanslagjaar 2020 sedert meer dan achtentwintig jaar in het verkeer zijn gebracht;
5° in aanslagjaar 2021 sedert meer dan negenentwintig jaar in het verkeer zijn gebracht;]2
[4 6° in aanslagjaar 2022 sedert meer dan dertig jaar in het verkeer zijn gebracht.]4
Art. 2.3.4.1.3. La taxe n'est jamais inférieure à [1 41,99 euros]1 et jamais supérieure à [1 10.497,70 euros]1. [2 [3 Par dérogation aux articles 2.3.4.1.2 et 2.3.4.1.2/1]3, la taxe s'élève à 41,99 euros pour les véhicules routiers dont la première mise en circulation date d'il y a 30 ans ou plus et pour les véhicules routiers qui répondent à l'une des conditions suivantes :
1° en l'année d'imposition 2017, avoir été mis en circulation depuis plus de vingt-cinq ans ;
2° en l'année d'imposition 2018, avoir été mis en circulation depuis plus de vingt-six ans ;
3° en l'année d'imposition 2019, avoir été mis en circulation depuis plus de vingt-sept ans ;
4° en l'année d'imposition 2020, avoir été mis en circulation depuis plus de vingt-huit ans ;
5° en l'année d'imposition 2021, avoir été mis en circulation depuis plus de vingt-neuf ans;]2
[4 6° en l'année d'imposition 2022, avoir été mis en circulation depuis plus de trente ans.]4
1° en l'année d'imposition 2017, avoir été mis en circulation depuis plus de vingt-cinq ans ;
2° en l'année d'imposition 2018, avoir été mis en circulation depuis plus de vingt-six ans ;
3° en l'année d'imposition 2019, avoir été mis en circulation depuis plus de vingt-sept ans ;
4° en l'année d'imposition 2020, avoir été mis en circulation depuis plus de vingt-huit ans ;
5° en l'année d'imposition 2021, avoir été mis en circulation depuis plus de vingt-neuf ans;]2
[4 6° en l'année d'imposition 2022, avoir été mis en circulation depuis plus de trente ans.]4
Art. 2.3.4.1.4. De bedragen, [2 vermeld in artikel 2.3.4.1.2, tweede lid, 4°, en artikel 2.3.4.1.2/1, tweede lid, 4°, ]2 en de bedragen, vermeld in artikel 2.3.4.1.3, zijn gekoppeld aan de schommelingen van het algemeen indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk. De bedragen worden aangepast op 1 juli van elk jaar op grond van de schommelingen van het algemeen indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk, vastgesteld tussen de maand mei van het vorige jaar en de maand mei van het lopende jaar. De bedragen, vermeld in artikel 2.3.4.1.2 [2 , 2.3.4.1.2/1]2 en artikel 2.3.4.1.3, zijn de bedragen die van toepassing waren op [1 1 juli 2015]1.
Art. 2.3.4.1.4. Les montants, [2 visés à l'article 2.3.4.1.2, alinéa 2, 4°, et à l'article 2.3.4.1.2/1, alinéa 2, 4°,]2 et les montants, visés à l'article 2.3.4.1.3, sont liés aux fluctuations de l'indice général des prix à la consommation du Royaume. Les montants sont adaptés le 1er juillet de chaque année sur la base des fluctuations de l'indice général des prix à la consommation du Royaume, fixé entre le mois de mai de l'année précédente et le mois de mai de l'année en cours. Les montants, visés à l'article 2.3.4.1.2 [2 , à l'article 2.3.4.1.2/1]2 et à l'article 2.3.4.1.3, sont les montants qui s'appliquaient le [1 1er juillet 2015]1.
Art. 2.3.4.1.5. Als de euronorm van het wegvoertuig niet bekend is, wordt die parameter bepaald aan de hand van de datum van de eerste inschrijving van het wegvoertuig, vermeld in de volgende tabel :
Art. 2.3.4.1.5. Lorsque l'Euronorme du véhicule routier n'est pas connue, ce paramètre est déterminé au moyen de la date de la première immatriculation du véhicule routier, visée au tableau suivant :
| datum van de eerste inschrijving van het wegvoertuig in het binnenland of in het buitenland | euronorm |
| tot en met 31 december 1993 | euro 0 |
| vanaf 1 januari 1994 tot en met 31 december 1996 | euro 1 |
| vanaf 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000 | euro 2 |
| vanaf 1 januari 2001 tot en met 31 december 2005 | euro 3 |
| vanaf 1 januari 2006 tot en met 31 december 2010 | euro 4 |
| vanaf 1 januari 2011 tot en met 31 augustus 2015 | euro 5 |
| vanaf 1 september 2015 | euro 6 |
| date de la première immatriculation du véhicule routier en Belgique ou à l'étranger | Euronorme |
| jusqu'au 31 décembre 1993 inclus | euro 0 |
| du 1er janvier 1994 au 31 décembre 1996 inclus | euro 1 |
| du 1er janvier 1997 au 31 décembre 2000 inclus | euro 2 |
| du 1er janvier 2001 au 31 décembre 2005 inclus | euro 3 |
| du 1er janvier 2006 au 31 décembre 2010 inclus | euro 4 |
| du 1er janvier 2011 au 31 août 2015 inclus | euro 5 |
| à partir du 1er septembre 2015 | euro 6 |
Art. 2.3.4.1.6. Als de CO2-uitstoot van het wegvoertuig niet bekend is, wordt die parameter [2 voor de toepassing van artikel 2.3.4.2.1,]2 bepaald aan de hand van de brandstofsoort, de cilinderinhoud en de euronorm, vermeld in de volgende tabel :
Art. 2.3.4.1.6. Lorsque les émissions de CO2 du véhicule routier ne sont pas connues, ce paramètre est déterminé [2 , aux fins de l'article 2.3.4.2.1, ]2 au moyen du type de carburant, de la cylindrée et de l'Euronorme, visés au tableau suivant :
| brandstofsoort | cilinderinhoud in cc | Euronorm | |||||||
| 6 | 5 | 4 | 3 | 2 | 1 | 0 | |||
| CO2-emissies in g/km | |||||||||
| [1 benzine en andere brandstoffen, met uitzondering van diesel en aardgas]1 | minder dan 1400 | 117 | 125 | 140 | 150 | 164 | 173 | 175 | |
| 1400 tot en met 2000 | 150 | 159 | 172 | 185 | 200 | 211 | 213 | ||
| meer dan 2000 | 228 | 238 | 247 | 259 | 279 | 295 | 297 | ||
| diesel | minder dan 1400 | 98 | 103 | 120 | 116 | 125 | 132 | 133 | |
| 1400 tot en met 2000 | 117 | 125 | 144 | 151 | 163 | 173 | 174 | ||
| meer dan 2000 | 159 | 169 | 201 | 199 | 214 | 226 | 228 | ||
| aardgas | minder dan 1400 | 94 | 100 | 112 | 120 | 131 | 139 | 140 | |
| 1400 tot en met 2000 | 120 | 127 | 138 | 148 | 160 | 169 | 171 | ||
| meer dan 2000 | 182 | 190 | 198 | 207 | 223 | 236 | 238 | ||
| (1)<DVR 2015-12-18/23, art. 120, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2016> | |||||||||
| type de carburant | cylindrée en cc | Euronorme | |||||||
| 6 | 5 | 4 | 3 | 2 | 1 | 0 | |||
| émissions de CO2 en g/km | |||||||||
| [1 essence et autres carburants, à l'exception du diesel et du gaz naturel]1 | moins de 1400 | 117 | 125 | 140 | 150 | 164 | 173 | 175 | |
| 1400 à 2000 inclusivement | 150 | 159 | 172 | 185 | 200 | 211 | 213 | ||
| plus de 2000 | 228 | 238 | 247 | 259 | 279 | 295 | 297 | ||
| diesel | moins de 1400 | 98 | 103 | 120 | 116 | 125 | 132 | 133 | |
| 1400 à 2000 inclusivement | 117 | 125 | 144 | 151 | 163 | 173 | 174 | ||
| plus de 2000 | 159 | 169 | 201 | 199 | 214 | 226 | 228 | ||
| gaz naturel | moins de 1400 | 94 | 100 | 112 | 120 | 131 | 139 | 140 | |
| 1400 à 2000 inclusivement | 120 | 127 | 138 | 148 | 160 | 169 | 171 | ||
| plus de 2000 | 182 | 190 | 198 | 207 | 223 | 236 | 238 | ||
| (1)<DCFL 2015-12-18/23, art. 120, 011; En vigueur : 01-01-2016> | |||||||||
[2 § 2. Als de CO2-uitstoot van het voertuig niet bekend is, wordt die parameter voor de toepassing van artikel 2.3.4.1.2/1, bepaald volgens volgende formule: CO2-uitstoot = Constante + (Parameter_CC x CC) + (Parameter_KW x KW) + (Parameter_FPK x FPK) + (Parameter_ZP x ZP) + (Parameter_CC_KW x CC x KW) + (Parameter_CC_FPK x CC x FPK) + (Parameter_KW_FPK x KW x FPK) + (Parameter_CC_KW_FPK x CC x KW x FPK).
De parameters, vermeld in het eerste lid, worden gedefinieerd als volgt:
1° CC = de cilinderinhoud in cc gedeeld door 1000;
2° KW = het vermogen van de motor uitgedrukt in kilowatt gedeeld door 100;
3° FPK = het vermogen van de motor uitgedrukt in fiscale pk;
4° ZP = het aantal zitplaatsen.
De overige parameters, vermeld in het eerste lid, worden voor de toepassing van deze formule, bepaald aan de hand van de brandstofsoort, vermeld in de volgende tabel:
De parameters, vermeld in het eerste lid, worden gedefinieerd als volgt:
1° CC = de cilinderinhoud in cc gedeeld door 1000;
2° KW = het vermogen van de motor uitgedrukt in kilowatt gedeeld door 100;
3° FPK = het vermogen van de motor uitgedrukt in fiscale pk;
4° ZP = het aantal zitplaatsen.
De overige parameters, vermeld in het eerste lid, worden voor de toepassing van deze formule, bepaald aan de hand van de brandstofsoort, vermeld in de volgende tabel:
[2 § 2. Si les émissions de CO2 du véhicule ne sont pas connues, ce paramètre est déterminé selon la formule suivante aux fins de l'article 2.3.4.1.2/1 : émission CO2 = Constante + (Paramètre_CC x CC) + (Paramètre_KW x KW) + (Paramètre_FPK x FPK) + (Paramètre_ZP x ZP) + (Paramètre_CC_KW x CC x KW) + (Paramètre_CC_FPK x CC x FPK) + (Paramètre_KW_FPK x KW x FPK) + (Paramètre_CC_KW_FPK x CC x KW x FPK).
Les paramètres figurant à l'alinéa 1er sont définis comme suit :
1° CC = cylindrée en cc divisée par 1 000 ;
2° KW = puissance du moteur exprimée en kilowatts divisée par 100 ;
3° FPK = puissance du moteur exprimée en chevaux fiscaux ;
4° ZP = nombre de sièges.
Aux fins de la formule précitée, les autres paramètres figurant à l'alinéa 1er sont déterminés en fonction du type de carburant, selon le tableau suivant :
Les paramètres figurant à l'alinéa 1er sont définis comme suit :
1° CC = cylindrée en cc divisée par 1 000 ;
2° KW = puissance du moteur exprimée en kilowatts divisée par 100 ;
3° FPK = puissance du moteur exprimée en chevaux fiscaux ;
4° ZP = nombre de sièges.
Aux fins de la formule précitée, les autres paramètres figurant à l'alinéa 1er sont déterminés en fonction du type de carburant, selon le tableau suivant :
| Benzine en andere brand- stoffen, met uitzondering van aardgas, diesel en plug-inhybride | Diesel | Benzine plug- inhybride | Diesel plug- inhybride | Aardgas | |
| Parameter constante | 58.3304 | 1017.5710 | 75.3124 | 1716.4604 | 7627.0345 |
| Parameter_ CC | 2.9316 | -403.6269 | -126.9417 | -102.5352 | -8617.6901 |
| Parameter_ KW | 53.6921 | -817.4980 | 56.3978 | -1333.5261 | -8710.9573 |
| Parameter_ FPK | 5.0617 | -96.0669 | 27.1787 | -229.5888 | -606.3489 |
| Parameter_ ZP | 1.9861 | 1.9861 | 1.9861 | 1.9861 | 1.9861 |
| Parameter_ CC_KW | 17.2267 | 399.2770 | -51.8607 | -344.2686 | 8134.2581 |
| Parameter_ CC_FPK | -0.2578 | 41.8433 | -1.0233 | 51.2497 | 817.4474 |
| Parameter_ KW_FPK | -5.4089 | 76.3656 | -2.7148 | 245.7955 | 905.1812 |
| Parameter_ CC_KW_ FPK | 0.1784 | -34.3605 | 3.1869 | -30.2220 | -854.6351 |
De CO2-uitstoot, zoals berekend in het eerste lid, is minstens gelijk aan nul.
Een plug-inhybride voertuig is een voertuig dat aangedreven wordt door een elektrische motor en een verbrandingsmotor waarvoor de energie geleverd wordt aan de elektrische motor door batterijen die volledig opgeladen kunnen worden via een aansluiting aan een externe energiebron buiten het voertuig.
Een voertuig op aardgas is een voertuig waarvan de motor, ook al is het maar gedeeltelijk of tijdelijk, aangedreven wordt met aardgas.]2
(2)
| Essence et autres carburants, à l'exception du gaz naturel, du diesel et de l'hybride rechargeable | Diesel | Hybride rechargeable essence | Hybride rechargeable diesel | Gaz naturel | |
| Paramètre constante | 58.3304 | 1017.5710 | 75.3124 | 1716.4604 | 7627.0345 |
| Paramètre_ CC | 2.9316 | -403.6269 | -126.9417 | -102.5352 | -8617.6901 |
| Paramètre_ KW | 53.6921 | -817.4980 | 56.3978 | -1333.5261 | -8710.9573 |
| Paramètre_ FPK | 5.0617 | -96.0669 | 27.1787 | -229.5888 | -606.3489 |
| Paramètre_ ZP | 1.9861 | 1.9861 | 1.9861 | 1.9861 | 1.9861 |
| Paramètre_ CC_KW | 17.2267 | 399.2770 | -51.8607 | -344.2686 | 8134.2581 |
| Paramètre_ CC_FPK | -0.2578 | 41.8433 | -1.0233 | 51.2497 | 817.4474 |
| Paramètre_ KW_FPK | -5.4089 | 76.3656 | -2.7148 | 245.7955 | 905.1812 |
| Paramètre_ CC_KW_ FPK | 0.1784 | -34.3605 | 3.1869 | -30.2220 | -854.6351 |
Les émissions de CO2, telles que calculées dans l'alinéa 1er, sont au moins égales à zéro.
Un véhicule hybride rechargeable est un véhicule à moteur électrique et à moteur à combustion, dont l'énergie est fournie au moteur électrique par des batteries pouvant être chargées complètement par un raccordement à une source d'énergie externe.
Un véhicule au gaz naturel est un véhicule dont le moteur est alimenté au gaz naturel, même partiellement ou temporairement. ]2
(2)
Art. 2.3.4.1.7. De aanwezigheid van een roetfilter als vermeld in artikel 2.3.4.1.2, tweede lid, wordt vastgesteld op basis van de PM-gegevens of op basis van de gegevens over de premie voor de aankoop en installatie van emissieverminderende voorzieningen in wegvoertuigen met een dieselmotor. Onder PM wordt verstaan : de uitstoot van deeltjes, gemeten tijdens de homologatie van het wegvoertuig volgens de geldende Europese regelgeving.
Een roetfilter als vermeld in artikel 2.3.4.1.2, tweede lid, is een halfopen of een gesloten roetfilter.
Een gesloten roetfilter wordt geacht aanwezig te zijn bij wegvoertuigen van euronorm 3 en 4 met een uitstoot kleiner dan of gelijk aan 10 mg/km PM. Als in de waarden de combinatie van 0 mg/km PM en 0 g/km CO2 voorkomt, wordt er geacht geen gesloten roetfilter aanwezig te zijn.
Een halfopen roetfilter wordt geacht aanwezig te zijn bij wegvoertuigen als de premieaanvraag voor de aankoop en installatie van de roetfilter door de Vlaamse overheid is goedgekeurd.
Een roetfilter als vermeld in artikel 2.3.4.1.2, tweede lid, is een halfopen of een gesloten roetfilter.
Een gesloten roetfilter wordt geacht aanwezig te zijn bij wegvoertuigen van euronorm 3 en 4 met een uitstoot kleiner dan of gelijk aan 10 mg/km PM. Als in de waarden de combinatie van 0 mg/km PM en 0 g/km CO2 voorkomt, wordt er geacht geen gesloten roetfilter aanwezig te zijn.
Een halfopen roetfilter wordt geacht aanwezig te zijn bij wegvoertuigen als de premieaanvraag voor de aankoop en installatie van de roetfilter door de Vlaamse overheid is goedgekeurd.
Art. 2.3.4.1.7. La présence d'un filtre à particules tel que visé à l'article 2.3.4.1.2, alinéa deux, est constatée sur la base des données PM ou sur la base des données sur la prime pour l'achat et l'installation d'équipements de réduction des émissions dans les véhicules routiers à moteur diesel. Par PM, on entend : les émissions de particules, mesurées lors de l'homologation du véhicule routier selon la réglementation européenne en vigueur.
Un filtre à particules tel que visé à l'article 2.3.4.1.2, alinéa deux, est un filtre à particules demi-ouvert ou fermé.
Un filtre à particules fermé est censé être présent dans les véhicules routiers des Euronormes 3 et 4 ayant une émission inférieure ou égale à 10 mg/km PM. Lorsque, dans les valeurs, la combinaison de 0 mg/km PM et de 0 g/km CO2 se présente, un filtre à particules fermé est censé être absent.
Un filtre à particules demi-ouvert est censé être présent dans les véhicules routiers lorsque la demande de prime pour l'achat et l'installation du filtre à particules a été approuvée par l'es autorités flamandes.
Un filtre à particules tel que visé à l'article 2.3.4.1.2, alinéa deux, est un filtre à particules demi-ouvert ou fermé.
Un filtre à particules fermé est censé être présent dans les véhicules routiers des Euronormes 3 et 4 ayant une émission inférieure ou égale à 10 mg/km PM. Lorsque, dans les valeurs, la combinaison de 0 mg/km PM et de 0 g/km CO2 se présente, un filtre à particules fermé est censé être absent.
Un filtre à particules demi-ouvert est censé être présent dans les véhicules routiers lorsque la demande de prime pour l'achat et l'installation du filtre à particules a été approuvée par l'es autorités flamandes.
Onderafdeling 2. - Bedrag van de belasting voor motorfietsen, luchtvoertuigen, boten en andere voertuigen dan de wegvoertuigen, vermeld in artikel 2.3.4.1.1
Sous-section 2. - Montant de la taxe pour les motocyclettes, les aéronefs, les bateaux et les véhicules autres que les véhicules routiers, visés à l'article 2.3.4.1.1
Art. 2.3.4.2.1. § 1. De belasting op andere voertuigen dan de voertuigen, vermeld in artikel 2.3.4.1.1, wordt berekend op de wijze die hierna wordt vermeld :
1° voor de personenauto's, auto's voor dubbel gebruik, minibussen en motorfietsen wordt de belasting berekend op basis van de volgende tabel :
1° voor de personenauto's, auto's voor dubbel gebruik, minibussen en motorfietsen wordt de belasting berekend op basis van de volgende tabel :
Art. 2.3.4.2.1. § 1er. La taxe sur les véhicules autres que les véhicules, visés à l'article 2.3.4.1.1, est calculée de la manière visée ci-après :
1° pour les voitures particulières, les voitures mixtes, les minibus et les motocyclettes, la taxe est calculée sur la base du tableau suivant :
1° pour les voitures particulières, les voitures mixtes, les minibus et les motocyclettes, la taxe est calculée sur la base du tableau suivant :
| aantal pk | aantal kW | totaalbedrag van de belasting in euro |
| 8 en minder | 70 en minder | 61,50 |
| 9 tot en met 10 | 71 tot en met 85 | 123 |
| 11 | 86 tot en met 100 | 495 |
| 12 tot en met 14 | 101 tot en met 110 | 867 |
| 15 | 111 tot en met 120 | 1239 |
| 16 tot en met 17 | 121 tot en met 155 | 2478 |
| meer dan 17 | meer dan 155 | 4957 |
Als het vermogen van eenzelfde motor, uitgedrukt in fiscale paardenkracht (pk) en in kilowatt (kW), aanleiding geeft tot de heffing van een verschillend belastingbedrag, is de belasting voor het hoogste bedrag verschuldigd;
2° de belasting bedraagt 619 euro voor ultralichte motorluchtvaartuigen en 2478 euro voor alle andere luchtvaartuigen;
3° de belasting bedraagt 2478 euro voor boten.
§ 2. [2 ...]2
Voor de wegvoertuigen waarvan de motor, ook al is het maar gedeeltelijk of tijdelijk, aangedreven wordt met vloeibaar petroleumgas of andere vloeibare [2 koolwaterstofgassen]2, wordt de belasting, berekend conform paragraaf 1, 1°, verminderd met 298 euro, in voorkomend geval beperkt tot het bedrag van de belasting.
Als de verbrandingsmotor van een wegvoertuig wordt aangedreven door verschillende brandstofsoorten en het voertuig daardoor in aanmerking komt voor een combinatie van de vermindering voor benzine en lpg, wordt de toe te kennen vermindering beperkt tot het hoogste bedrag dat voor dat aanslagjaar voor een bepaalde soort van brandstof van toepassing is.
[3 ...]3
§ 3. De belasting, berekend conform paragraaf 1, 1°, en paragraaf 2, wordt verminderd tot het percentage van de belasting voor de wegvoertuigen, vermeld in de volgende tabel, naargelang de voertuigen al ingeschreven zijn geweest in het binnenland of in het buitenland voor ze definitief ingevoerd werden :
| nombre de ch | nombre de kW | montant total de la taxe en euros |
| 8 et moins | 70 et moins | 61,50 |
| de 9 à 10 | de 71 à 85 | 123 |
| 11 | de 86 à 100 | 495 |
| de 12 à 14 | de 101 à 110 | 867 |
| 15 | de 111 à 120 | 1239 |
| de 16 à 17 | de 121 à 155 | 2478 |
| plus de 17 | plus de 155 | 4 957 |
Lorsque la puissance d'un même moteur, exprimée en chevaux fiscaux (ch) et en kilowatts (kW), donne lieu à la perception d'une taxe d'un montant différent, la taxe pour le montant le plus élevé est due;
2° la taxe s'élève à 619 euros pour des pour des aéronefs ultra-légers motorisés et à 2.478 euros pour tous les autres aéronefs;
3° la taxe s'élève à 2.478 euros pour des bateaux.
§ 2. [2 ...]2
Pour les véhicules routiers dont le moteur est alimenté, même partiellement ou temporairement, au gaz de pétrole liquéfié ou à d'autres hydrocarbures gazeux liquéfiés, la taxe, calculée conformément au paragraphe 1er, 1°, est réduite d'un montant de 298 euros, le cas échéant limité au montant de la taxe.
Lorsque le moteur à combustion d'un véhicule routier est propulsé par différents types de carburants et que le véhicule, par voie de conséquence, entre en ligne de compte pour une combinaison de la réduction pour essence et pour GPL, la réduction à accorder est limitée au montant le plus élevé qui s'applique pour cette année d'imposition pour un certain type de carburant.
[3 ...]3
§ 3. La taxe, calculée conformément au paragraphe 1er, 1°, et au paragraphe 2, est réduite au pourcentage de la taxe pour les véhicules routiers, visé au tableau suivant, selon que les véhicules ont déjà été immatriculés en Belgique ou à l'étranger avant leur importation définitive :
| Termijn | Percentage |
| van 1 jaar tot 2 jaar | 90 |
| van 2 jaar tot 3 jaar | 80 |
| van 3 jaar tot 4 jaar | 70 |
| van 4 jaar tot 5 jaar | 60 |
| van 5 jaar tot 6 jaar | 55 |
| van 6 jaar tot 7 jaar | 50 |
| van 7 jaar tot 8 jaar | 45 |
| van 8 jaar tot 9 jaar | 40 |
| van 9 jaar tot 10 jaar | 35 |
| van 10 jaar tot 11 jaar | 30 |
| van 11 jaar tot 12 jaar | 25 |
| van 12 jaar tot 13 jaar | 20 |
| van 13 jaar tot 14 jaar | 15 |
| van 14 jaar tot 15 jaar | 10 |
| Délai | Pourcentage |
| de 1 an à 2 ans | 90 |
| de 2 ans à 3 ans | 80 |
| de 3 ans à 4 ans | 70 |
| de 4 ans à 5 ans | 60 |
| de 5 ans à 6 ans | 55 |
| de 6 ans à 7 ans | 50 |
| de 7 ans à 8 ans | 45 |
| de 8 ans à 9 ans | 40 |
| de 9 ans à 10 ans | 35 |
| de 10 ans à 11 ans | 30 |
| de 11 ans à 12 ans | 25 |
| de 12 ans à 13 ans | 20 |
| de 13 ans à 14 ans | 15 |
| de 14 ans à 15 ans | 10 |
In afwijking van het eerste lid bedraagt de belasting voor de voertuigen die vijftien jaar en meer ingeschreven geweest zijn 61,50 euro.
Na toepassing van het eerste lid mag de belasting voor een voertuig niet minder dan 61,50 euro bedragen.
De belasting, berekend conform paragraaf 1, 2° en 3°, wordt verminderd tot het percentage van de belasting voor de luchtvaartuigen en boten, vermeld in de volgende tabel, naargelang de luchtvaartuigen en boten al normaal ingeschreven geweest zijn of voorzien geweest zijn van een vlaggenbrief in het binnenland of in het buitenland voor ze definitief ingevoerd werden :
Na toepassing van het eerste lid mag de belasting voor een voertuig niet minder dan 61,50 euro bedragen.
De belasting, berekend conform paragraaf 1, 2° en 3°, wordt verminderd tot het percentage van de belasting voor de luchtvaartuigen en boten, vermeld in de volgende tabel, naargelang de luchtvaartuigen en boten al normaal ingeschreven geweest zijn of voorzien geweest zijn van een vlaggenbrief in het binnenland of in het buitenland voor ze definitief ingevoerd werden :
Par dérogation à l'alinéa premier, la taxe pour les véhicules qui ont été immatriculés pendant quinze ans et plus s'élève à 61,50 euros.
Après l'application de l'alinéa premier, la taxe pour un véhicule ne peut pas être inférieure à 61,50 euros.
La taxe, calculée conformément au paragraphe 1er, 2° et 3°, est réduite au pourcentage de la taxe pour les aéronefs et les bateaux, visé au tableau suivant, selon que les aéronefs et bateaux ont déjà été immatriculés régulièrement ou munis d'une lettre de pavillon en Belgique ou à l'étranger avant leur importation définitive :
Après l'application de l'alinéa premier, la taxe pour un véhicule ne peut pas être inférieure à 61,50 euros.
La taxe, calculée conformément au paragraphe 1er, 2° et 3°, est réduite au pourcentage de la taxe pour les aéronefs et les bateaux, visé au tableau suivant, selon que les aéronefs et bateaux ont déjà été immatriculés régulièrement ou munis d'une lettre de pavillon en Belgique ou à l'étranger avant leur importation définitive :
| Termijn | Percentage |
| van 1 jaar tot 2 jaar | 90 |
| van 2 jaar tot 3 jaar | 80 |
| van 3 jaar tot 4 jaar | 70 |
| van 4 jaar tot 5 jaar | 60 |
| van 5 jaar tot 6 jaar | 50 |
| van 6 jaar tot 7 jaar | 40 |
| van 7 jaar tot 8 jaar | 30 |
| van 8 jaar tot 9 jaar | 20 |
| van 9 jaar tot 10 jaar | 10 |
[1
In afwijking van het vierde lid bedraagt de belasting 61,50 euro voor :
1° de luchtvaartuigen en boten die tien jaar of ouder zijn;
2° de zelfbouwvliegtuigen, met uitzondering van de zelfbouwvliegtuigen die worden geacht in het verkeer te zijn gesteld door vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten;
3° de paramotoren, met uitzondering van de paramotoren die worden geacht in het verkeer te zijn gesteld door vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten.]1
[4 § 4. In afwijking van paragraaf 1, 2 en 3, bedraagt de belasting voor de voertuigen, die uitsluitend aangedreven worden door een elektrische motor of door waterstof en die na 31 december 2025 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid, 61,50 euro.]4
| Délai | Pourcentage |
| de 1 an à 2 ans | 90 |
| de 2 ans à 3 ans | 80 |
| de 3 ans à 4 ans | 70 |
| de 4 ans à 5 ans | 60 |
| de 5 ans à 6 ans | 50 |
| de 6 ans à 7 ans | 40 |
| de 7 ans à 8 ans | 30 |
| de 8 ans à 9 ans | 20 |
| de 9 ans à 10 ans | 10 |
-
[1 Par dérogation au quatrième alinéa, l'impôt s'élève à 61,50 euros pour :
1° les aéronefs et bateaux de dix ans ou plus ;
2° les avions de construction amateur, à l'exception d'avions de construction amateur qui sont censés être mis en circulation par des sociétés, des entreprises publiques autonomes et des associations sans but lucratif, pratiquant des activités de leasing ;
3° les paramoteurs, à l'exception des paramoteurs qui sont censés être mis en circulation par des sociétés, des entreprises publiques autonomes et des associations sans but lucratif, pratiquant des activités de leasing.]1
[4 § 4. Par dérogation aux paragraphes 1er, 2 et 3, la taxe pour les véhicules équipés exclusivement d'un moteur électrique ou à l'hydrogène et immatriculés au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière après le 31 décembre 2025, s'élève à 61,50 euros.]4
1° les aéronefs et bateaux de dix ans ou plus ;
2° les avions de construction amateur, à l'exception d'avions de construction amateur qui sont censés être mis en circulation par des sociétés, des entreprises publiques autonomes et des associations sans but lucratif, pratiquant des activités de leasing ;
3° les paramoteurs, à l'exception des paramoteurs qui sont censés être mis en circulation par des sociétés, des entreprises publiques autonomes et des associations sans but lucratif, pratiquant des activités de leasing.]1
[4 § 4. Par dérogation aux paragraphes 1er, 2 et 3, la taxe pour les véhicules équipés exclusivement d'un moteur électrique ou à l'hydrogène et immatriculés au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière après le 31 décembre 2025, s'élève à 61,50 euros.]4
Art. 2.3.4.2.2. Overeenkomstig artikel 107 van het federale Wetboek van 23 november 1965 van de met inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, zijn de gemeenschappen, de gewesten, de provincies, de agglomeraties en de gemeenten niet gemachtigd om opcentiemen te heffen op de belasting op de inverkeerstelling.
Art. 2.3.4.2.2. Conformément à l'article 107 du Code fédéral du 23 novembre 1965 des taxes assimilées aux impôts sur les revenus, les communautés, les régions, les provinces, les agglomérations et les communes ne sont pas autorisées à établir des centimes additionnels à la taxe sur la mise en circulation.
Afdeling 5. - Verminderingen
Section 5. - Réductions
Art. 2.3.5.0.1. [1 Voor voertuigen waarvan het belastbaar vermogen 11 fiscale paardenkracht te boven gaat en waarvan de motor, ook al is het maar gedeeltelijk of tijdelijk, aangedreven wordt met aardgas, wordt de belasting verminderd met vierduizend euro, in voorkomend geval beperkt tot het bedrag van de belasting als berekend overeenkomstig artikel 2.3.4.1.2 tot en met 2.3.4.1.4, maar zonder toepassing van de minimumbelasting, vermeld in artikel 2.3.4.1.3.
Dit artikel is alleen van toepassing op de wegvoertuigen, vermeld in artikel 2.3.4.1.1.
De vermindering, vermeld in het eerste lid, wordt toegekend [2 voor voertuigen die uiterlijk op 31 december 2020 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid]2.]1
[2 De vermindering, vermeld in het eerste lid, wordt ook toegekend voor voer- tuigen die na 31 december 2020 ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid of bij een vergelijk- bare instelling binnen de Europese Economische Ruimte of een andere staat en nadien in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid, en die voldoen aan de volgende voorwaarden:
1° het wegvoertuig werd voor 12 oktober 2020 besteld;
2° een kopie van de bestelbon wordt aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie bezorgd voor 15 januari 2021, samen met een formulier, afgeleverd door deze entiteit, dat wordt ondertekend door de betrokken belastingplichtige, en dat minstens de volgende gegevens bevat:
a) hetzij het identificatienummer uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, hetzij het ondernemingsnummer dat bekend is bij de Kruispuntbank van Ondernemingen, hetzij het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van de persoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid;
b) de voornamen, de achternaam en het domicilieadres van de natuur- lijke persoon of de naam, de rechtsvorm en het adres van de maat- schappelijke zetel van de rechtspersoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid.]2
Dit artikel is alleen van toepassing op de wegvoertuigen, vermeld in artikel 2.3.4.1.1.
De vermindering, vermeld in het eerste lid, wordt toegekend [2 voor voertuigen die uiterlijk op 31 december 2020 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid]2.]1
[2 De vermindering, vermeld in het eerste lid, wordt ook toegekend voor voer- tuigen die na 31 december 2020 ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid of bij een vergelijk- bare instelling binnen de Europese Economische Ruimte of een andere staat en nadien in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid, en die voldoen aan de volgende voorwaarden:
1° het wegvoertuig werd voor 12 oktober 2020 besteld;
2° een kopie van de bestelbon wordt aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie bezorgd voor 15 januari 2021, samen met een formulier, afgeleverd door deze entiteit, dat wordt ondertekend door de betrokken belastingplichtige, en dat minstens de volgende gegevens bevat:
a) hetzij het identificatienummer uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, hetzij het ondernemingsnummer dat bekend is bij de Kruispuntbank van Ondernemingen, hetzij het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van de persoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid;
b) de voornamen, de achternaam en het domicilieadres van de natuur- lijke persoon of de naam, de rechtsvorm en het adres van de maat- schappelijke zetel van de rechtspersoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid.]2
Art. 2.3.5.0.1. [1 Pour les véhicules dont la puissance imposable est supérieure à 11 chevaux fiscaux et dont le moteur est alimenté, même partiellement ou temporairement, au gaz naturel, la taxe est réduite de 4000 euros, le cas échéant limité au montant de la taxe calculé conformément aux articles 2.3.4.1.2 à 2.3.4.1.4 inclus, mais sans application de la taxe minimale, visée à l'article 2.3.4.1.3.
Le présent article s'applique uniquement aux véhicules routiers, visés à l'article 2.3.4.1.1.
La réduction visée à l'alinéa 1er, est accordée [2 pour les véhicules qui sont inscrits au plus tard le 31 décembre 2020 au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière]2.]1
[2 La réduction, visée à l'alinéa 1er, est également accordée pour les véhicules qui sont inscrits après le 31 décembre 2020 au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière ou auprès d'une institution comparable au sein de l'Espace économique européen ou d'un autre Etat et plus tard au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière, et qui remplissent les conditions suivantes :
1° le véhicule routier a été commandé avant le 12 octobre 2020 ;
2° une copie du bon de commande est transmise avant le 15 janvier 2021 à l'entité compétente de l'administration flamande, accompagnée d'un formulaire délivré par cette entité et signé par le contribuable concerné, qui comprend au moins les données suivantes :
a) soit le numéro d'identification du Registre national des personnes physiques, soit le numéro d'entreprise connu auprès de la Banque-Carrefour des Entreprises, soit le numéro d'identification, visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale, de la personne au nom de laquelle le véhicule est ou sera inscrit au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière ;
b) les prénom, nom et adresse du domicile des personnes physiques ou le nom, la forme juridique et l'adresse du siège social de la personne morale au nom de laquelle le véhicule est ou sera inscrit au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière.]2
Le présent article s'applique uniquement aux véhicules routiers, visés à l'article 2.3.4.1.1.
La réduction visée à l'alinéa 1er, est accordée [2 pour les véhicules qui sont inscrits au plus tard le 31 décembre 2020 au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière]2.]1
[2 La réduction, visée à l'alinéa 1er, est également accordée pour les véhicules qui sont inscrits après le 31 décembre 2020 au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière ou auprès d'une institution comparable au sein de l'Espace économique européen ou d'un autre Etat et plus tard au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière, et qui remplissent les conditions suivantes :
1° le véhicule routier a été commandé avant le 12 octobre 2020 ;
2° une copie du bon de commande est transmise avant le 15 janvier 2021 à l'entité compétente de l'administration flamande, accompagnée d'un formulaire délivré par cette entité et signé par le contribuable concerné, qui comprend au moins les données suivantes :
a) soit le numéro d'identification du Registre national des personnes physiques, soit le numéro d'entreprise connu auprès de la Banque-Carrefour des Entreprises, soit le numéro d'identification, visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale, de la personne au nom de laquelle le véhicule est ou sera inscrit au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière ;
b) les prénom, nom et adresse du domicile des personnes physiques ou le nom, la forme juridique et l'adresse du siège social de la personne morale au nom de laquelle le véhicule est ou sera inscrit au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière.]2
Afdeling 6. - Vrijstellingen
Section 6. - Exonérations
Art. 2.3.6.0.1. § 1. Er wordt een vrijstelling van de belasting verleend voor :
1° de luchtvaartuigen en de boten die uitsluitend gebruikt worden voor een openbare dienst van de staat, de gemeenschappen, de gewesten, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten of de gemeenten;
2° de voertuigen die uitsluitend gebruikt worden voor het vervoer van zieke of gewonde personen en, als het wegvoertuigen betreft, die ingeschreven zijn als ziekenauto's;
3° de voertuigen die als persoonlijk vervoermiddel gebruikt worden door :
a) de militaire of burgerlijke grootoorlogsinvaliden die een invaliditeitspensioen van ten minste 60 % genieten;
b) de personen die volledig blind zijn, volledig verlamd zijn aan de bovenste ledematen of van wie de bovenste ledematen geamputeerd zijn, en de personen die aangetast zijn door een blijvende invaliditeit die rechtstreeks toe te schrijven is aan de onderste ledematen en ten minste 50 % bedraagt.
[2 4° de voertuigen voorzien van een beroepsplaat;
5° de voertuigen voorzien van een nationale plaat;]2
[3 6° de voertuigen die specifiek worden omgebouwd voor het gemeenschappelijk vervoer van rolstoelgebruikers.]3
De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 3°, is beperkt tot één personenauto per begunstigde en is afhankelijk van de voorlegging aan het bevoegde personeelslid van :
1° een getuigschrift, uitgereikt door de overheid die het invaliditeitspensioen heeft toegekend, met de vermelding dat de betrokkene de hoedanigheid van grootoorlogsinvalide heeft en een invaliditeitspensioen van ten minste 60 % geniet;
2° een invaliditeitsattest, uitgereikt door de FOD Sociale Zekerheid, met de vermelding dat de betrokkene recht heeft op vrijstelling van de verkeersbelasting, of dat hij is getroffen door volledige blindheid of volledige verlamming van de bovenste ledematen, of dat die ledematen geamputeerd zijn, of dat hij is aangetast door een blijvende invaliditeit die rechtstreeks toe te schrijven is aan de onderste ledematen en ten minste 50 % bedraagt.
[3 De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 6°, wordt verleend op voorwaarde dat de volgende documenten worden voorgelegd aan het bevoegde personeelslid:
1° een geldig certificaat van individuele nationale goedkeuring van een voertuig dat is afgeleverd door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of een gelijkwaardig certificaat dat is afgeleverd door de bevoegde entiteit van een staat binnen de Europese Economische Ruimte. Uit dat certificaat blijkt dat het voertuig twee of meer voor rolstoelgebruikers toegankelijke plaatsen heeft en omgebouwd is met een bodemverlaging of rolstoelplateaulift;
2° een schriftelijke verklaring waarin de houder van het voertuig bevestigt dat de verbouwing specifiek heeft plaatsgevonden om rolstoelgebruikers te vervoeren.]3
§ 2. Er wordt ook een vrijstelling van de belasting verleend voor de wegvoertuigen, luchtvaartuigen en boten die binnen zes maanden na de inschrijving conform artikel 2.3.2.0.1, § 1, tweede en derde lid, of na de uitreiking van een vlaggenbrief conform artikel 2.3.2.0.1, § 1, vierde lid, worden overgebracht naar een andere staat van de Europese Economische Ruimte en daar onder een definitieve regeling worden ingeschreven of van een vlaggenbrief worden voorzien.
De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, is afhankelijk van de voorlegging van de volgende documenten :
1° naargelang het geval, het bewijs van de afvoering van het wegvoertuig in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid, van de doorhaling van het luchtvaartuig in het Belgisch luchtvaartuigregister of van het terugzenden van de vlaggenbrief aan de autoriteit die hem heeft afgeleverd;
2° het bewijs van de inschrijving van het wegvoertuig of het luchtvaartuig, of van de aflevering van een vlaggenbrief of een gelijkwaardig document, volgens een definitieve regeling, in de betrokken staat van de Europese Economische Ruimte.
Als een wegvoertuig in een andere staat van de Europese Economische Ruimte door een beroepshandelaar uit de automobielsector geleverd wordt, kan het document, vermeld in het tweede lid, 2°, geldig worden vervangen door een afschrift van de factuur die de overdracht bekrachtigt, en het bewijs van betaling van die factuur.
[1 § 3. Er wordt een vrijstelling van de belasting verleend voor de op afstand bestuurde luchtvaartuigsystemen.
In het eerste lid wordt verstaan onder op afstand bestuurde luchtvaartuigsystemen, afgekort als `RPAS': luchtvaartuigsystemen als vermeld in artikel 1, eerste lid, 5°, van het koninklijk besluit van 10 april 2016 met betrekking tot het gebruik van op afstand bestuurde luchtvaartuigen in het Belgisch luchtruim.]1
1° de luchtvaartuigen en de boten die uitsluitend gebruikt worden voor een openbare dienst van de staat, de gemeenschappen, de gewesten, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten of de gemeenten;
2° de voertuigen die uitsluitend gebruikt worden voor het vervoer van zieke of gewonde personen en, als het wegvoertuigen betreft, die ingeschreven zijn als ziekenauto's;
3° de voertuigen die als persoonlijk vervoermiddel gebruikt worden door :
a) de militaire of burgerlijke grootoorlogsinvaliden die een invaliditeitspensioen van ten minste 60 % genieten;
b) de personen die volledig blind zijn, volledig verlamd zijn aan de bovenste ledematen of van wie de bovenste ledematen geamputeerd zijn, en de personen die aangetast zijn door een blijvende invaliditeit die rechtstreeks toe te schrijven is aan de onderste ledematen en ten minste 50 % bedraagt.
[2 4° de voertuigen voorzien van een beroepsplaat;
5° de voertuigen voorzien van een nationale plaat;]2
[3 6° de voertuigen die specifiek worden omgebouwd voor het gemeenschappelijk vervoer van rolstoelgebruikers.]3
De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 3°, is beperkt tot één personenauto per begunstigde en is afhankelijk van de voorlegging aan het bevoegde personeelslid van :
1° een getuigschrift, uitgereikt door de overheid die het invaliditeitspensioen heeft toegekend, met de vermelding dat de betrokkene de hoedanigheid van grootoorlogsinvalide heeft en een invaliditeitspensioen van ten minste 60 % geniet;
2° een invaliditeitsattest, uitgereikt door de FOD Sociale Zekerheid, met de vermelding dat de betrokkene recht heeft op vrijstelling van de verkeersbelasting, of dat hij is getroffen door volledige blindheid of volledige verlamming van de bovenste ledematen, of dat die ledematen geamputeerd zijn, of dat hij is aangetast door een blijvende invaliditeit die rechtstreeks toe te schrijven is aan de onderste ledematen en ten minste 50 % bedraagt.
[3 De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 6°, wordt verleend op voorwaarde dat de volgende documenten worden voorgelegd aan het bevoegde personeelslid:
1° een geldig certificaat van individuele nationale goedkeuring van een voertuig dat is afgeleverd door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of een gelijkwaardig certificaat dat is afgeleverd door de bevoegde entiteit van een staat binnen de Europese Economische Ruimte. Uit dat certificaat blijkt dat het voertuig twee of meer voor rolstoelgebruikers toegankelijke plaatsen heeft en omgebouwd is met een bodemverlaging of rolstoelplateaulift;
2° een schriftelijke verklaring waarin de houder van het voertuig bevestigt dat de verbouwing specifiek heeft plaatsgevonden om rolstoelgebruikers te vervoeren.]3
§ 2. Er wordt ook een vrijstelling van de belasting verleend voor de wegvoertuigen, luchtvaartuigen en boten die binnen zes maanden na de inschrijving conform artikel 2.3.2.0.1, § 1, tweede en derde lid, of na de uitreiking van een vlaggenbrief conform artikel 2.3.2.0.1, § 1, vierde lid, worden overgebracht naar een andere staat van de Europese Economische Ruimte en daar onder een definitieve regeling worden ingeschreven of van een vlaggenbrief worden voorzien.
De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, is afhankelijk van de voorlegging van de volgende documenten :
1° naargelang het geval, het bewijs van de afvoering van het wegvoertuig in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid, van de doorhaling van het luchtvaartuig in het Belgisch luchtvaartuigregister of van het terugzenden van de vlaggenbrief aan de autoriteit die hem heeft afgeleverd;
2° het bewijs van de inschrijving van het wegvoertuig of het luchtvaartuig, of van de aflevering van een vlaggenbrief of een gelijkwaardig document, volgens een definitieve regeling, in de betrokken staat van de Europese Economische Ruimte.
Als een wegvoertuig in een andere staat van de Europese Economische Ruimte door een beroepshandelaar uit de automobielsector geleverd wordt, kan het document, vermeld in het tweede lid, 2°, geldig worden vervangen door een afschrift van de factuur die de overdracht bekrachtigt, en het bewijs van betaling van die factuur.
[1 § 3. Er wordt een vrijstelling van de belasting verleend voor de op afstand bestuurde luchtvaartuigsystemen.
In het eerste lid wordt verstaan onder op afstand bestuurde luchtvaartuigsystemen, afgekort als `RPAS': luchtvaartuigsystemen als vermeld in artikel 1, eerste lid, 5°, van het koninklijk besluit van 10 april 2016 met betrekking tot het gebruik van op afstand bestuurde luchtvaartuigen in het Belgisch luchtruim.]1
Art. 2.3.6.0.1. § 1er. Une exonération de la taxe est accordée pour :
1° les aéronefs et les bateaux employés exclusivement pour un service public de l'état, des communautés, des régions, des provinces, des agglomérations, des fédérations de communes ou des communes;
2° les véhicules employés exclusivement pour le transport de personnes malades ou blessées et, lorsqu'il s'agit de véhicules routiers, immatriculés comme des ambulances;
3° les véhicules employés comme moyen de transport personnel par :
a) les grands invalides de guerre militaires ou civils bénéficiant d'une pension d'invalidité d'au moins 60 %;
b) les personnes atteintes de cécité totale, de paralysie totale des membres supérieurs ou dont les membres supérieurs ont été amputés, et les personnes atteintes d'une invalidité permanente découlant directement des membres inférieurs et s'élevant au moins à 50 %.
[2 4° les véhicules munis d'une plaque professionnelle ;
5° les véhicules munis d'une plaque nationale;]2
[3 6° les véhicules spécifiquement transformés pour le transport en commun d'utilisateurs de fauteuils roulants.]3
L'exonération, visée à l'alinéa premier, 3°, est limitée à une voiture particulière par bénéficiaire et subordonnée à la remise au membre du personnel compétent :
1° d'un certificat, délivré par l'autorité ayant accordé la pension d'invalidité, mentionnant que la personne concernée a la qualité de grand invalide de guerre et bénéficie d'une pension d'invalidité d'au moins 60 %;
2° d'une attestation d'invalidité, délivrée par le SPF Sécurité sociale, mentionnant que la personne concernée a droit à l'exonération de la taxe de circulation, ou qu'elle est atteinte de cécité totale ou de paralysie totale des membres supérieurs, ou que ces membres ont été amputés, ou qu'elle est atteinte d'une invalidité permanente découlant directement des membres inférieurs et s'élevant au moins à 50 %.
[3 L'exonération, visée à l'alinéa 1er, 6°, est accordée à condition que les documents suivants soient soumis au membre du personnel compétent :
1° un certificat valable de réception nationale individuelle d'un véhicule, délivré par l'entité compétente de l'administration flamande ou un certificat équivalent délivré par l'entité compétente d'un état au sein de l'Espace économique européen. Ce certificat démontre que le véhicule dispose de deux ou plusieurs places accessibles aux utilisateurs de fauteuils roulants et a été équipé, lors de la transformation, d'un plancher abaissé ou d'une plate-forme élévatrice pour fauteuil ;
2° une déclaration écrite dans laquelle le titulaire du véhicule confirme que la transformation a spécifiquement eu lieu en vue du transport d'utilisateurs de fauteuils roulants.]3
§ 2. Une exonération de la taxe est également accordée pour les véhicules routiers, les aéronefs et les bateaux qui, dans un délai de six mois suivant l'immatriculation conformément à l'article 2.3.2.0.1, § 1er, alinéas deux et trois, ou après la délivrance d'une lettre de pavillon conformément à l'article 2.3.2.0.1, § 1er, alinéa quatre, sont transférés à un autre état de l'Espace économique européen et y sont immatriculés ou munis d'une lettre de pavillon en régime définitif.
L'exonération, visée à l'alinéa premier, est subordonnée à la production des documents suivants :
1° selon le cas, la preuve de l'effacement du véhicule routier dans le répertoire matricule de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière, de la radiation de l'aéronef dans le matricule aéronautique belge ou du renvoi de la lettre de pavillon à l'autorité qui l'a délivrée;
2° la preuve de l'immatriculation du véhicule routier ou de l'aéronef, ou de la délivrance d'une lettre de pavillon ou d'un document équivalent, en régime définitif, dans l'état concerné de l'Espace économique européen.
Lorsqu'un véhicule routier est livré dans un autre état de l'Espace économique européen par un commerçant professionnel du secteur de l'automobile, le document, visé à l'alinéa deux, 2°, peut être valablement remplacé par une copie de la facture attestant la transaction, et la preuve de paiement de cette facture.
[1 § 3. Une exonération de la taxe est accordée pour les aéronefs télépilotés.
A l'alinéa premier, on entend par aéronefs télépilotés, en abrégé "RPAS" : les aéronefs tels que visés à l'article 1er, alinéa premier, 5°, de l'arrêté royal du 10 avril 2016 relatif à l'utilisation des aéronefs télépilotés dans l'espace aérien belge.]1
1° les aéronefs et les bateaux employés exclusivement pour un service public de l'état, des communautés, des régions, des provinces, des agglomérations, des fédérations de communes ou des communes;
2° les véhicules employés exclusivement pour le transport de personnes malades ou blessées et, lorsqu'il s'agit de véhicules routiers, immatriculés comme des ambulances;
3° les véhicules employés comme moyen de transport personnel par :
a) les grands invalides de guerre militaires ou civils bénéficiant d'une pension d'invalidité d'au moins 60 %;
b) les personnes atteintes de cécité totale, de paralysie totale des membres supérieurs ou dont les membres supérieurs ont été amputés, et les personnes atteintes d'une invalidité permanente découlant directement des membres inférieurs et s'élevant au moins à 50 %.
[2 4° les véhicules munis d'une plaque professionnelle ;
5° les véhicules munis d'une plaque nationale;]2
[3 6° les véhicules spécifiquement transformés pour le transport en commun d'utilisateurs de fauteuils roulants.]3
L'exonération, visée à l'alinéa premier, 3°, est limitée à une voiture particulière par bénéficiaire et subordonnée à la remise au membre du personnel compétent :
1° d'un certificat, délivré par l'autorité ayant accordé la pension d'invalidité, mentionnant que la personne concernée a la qualité de grand invalide de guerre et bénéficie d'une pension d'invalidité d'au moins 60 %;
2° d'une attestation d'invalidité, délivrée par le SPF Sécurité sociale, mentionnant que la personne concernée a droit à l'exonération de la taxe de circulation, ou qu'elle est atteinte de cécité totale ou de paralysie totale des membres supérieurs, ou que ces membres ont été amputés, ou qu'elle est atteinte d'une invalidité permanente découlant directement des membres inférieurs et s'élevant au moins à 50 %.
[3 L'exonération, visée à l'alinéa 1er, 6°, est accordée à condition que les documents suivants soient soumis au membre du personnel compétent :
1° un certificat valable de réception nationale individuelle d'un véhicule, délivré par l'entité compétente de l'administration flamande ou un certificat équivalent délivré par l'entité compétente d'un état au sein de l'Espace économique européen. Ce certificat démontre que le véhicule dispose de deux ou plusieurs places accessibles aux utilisateurs de fauteuils roulants et a été équipé, lors de la transformation, d'un plancher abaissé ou d'une plate-forme élévatrice pour fauteuil ;
2° une déclaration écrite dans laquelle le titulaire du véhicule confirme que la transformation a spécifiquement eu lieu en vue du transport d'utilisateurs de fauteuils roulants.]3
§ 2. Une exonération de la taxe est également accordée pour les véhicules routiers, les aéronefs et les bateaux qui, dans un délai de six mois suivant l'immatriculation conformément à l'article 2.3.2.0.1, § 1er, alinéas deux et trois, ou après la délivrance d'une lettre de pavillon conformément à l'article 2.3.2.0.1, § 1er, alinéa quatre, sont transférés à un autre état de l'Espace économique européen et y sont immatriculés ou munis d'une lettre de pavillon en régime définitif.
L'exonération, visée à l'alinéa premier, est subordonnée à la production des documents suivants :
1° selon le cas, la preuve de l'effacement du véhicule routier dans le répertoire matricule de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière, de la radiation de l'aéronef dans le matricule aéronautique belge ou du renvoi de la lettre de pavillon à l'autorité qui l'a délivrée;
2° la preuve de l'immatriculation du véhicule routier ou de l'aéronef, ou de la délivrance d'une lettre de pavillon ou d'un document équivalent, en régime définitif, dans l'état concerné de l'Espace économique européen.
Lorsqu'un véhicule routier est livré dans un autre état de l'Espace économique européen par un commerçant professionnel du secteur de l'automobile, le document, visé à l'alinéa deux, 2°, peut être valablement remplacé par une copie de la facture attestant la transaction, et la preuve de paiement de cette facture.
[1 § 3. Une exonération de la taxe est accordée pour les aéronefs télépilotés.
A l'alinéa premier, on entend par aéronefs télépilotés, en abrégé "RPAS" : les aéronefs tels que visés à l'article 1er, alinéa premier, 5°, de l'arrêté royal du 10 avril 2016 relatif à l'utilisation des aéronefs télépilotés dans l'espace aérien belge.]1
Art. 2.3.6.0.2. [1 Op voertuigen die uitsluitend aangedreven worden door een elektrische motor of waterstof [4 en die uiterlijk op 31 december 2025 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid]4 wordt geen belasting geheven.
[2 [3 ...]3.]2]1
[4 De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, wordt ook toegekend voor voertuigen, die na 31 december 2025 ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid of bij een vergelijkbare instelling binnen de Europese Economische Ruimte of een andere staat en nadien in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid, en die voldoen aan de volgende voorwaarden:
1° het voertuig werd vóór 6 oktober 2025 besteld;
2° een kopie van de bestelbon wordt aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie bezorgd voor 15 januari 2026, samen met een formulier, afgeleverd door deze entiteit, dat wordt ondertekend door de betrokken belastingplichtige, en dat minstens de volgende gegevens bevat:
a) hetzij het identificatienummer uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, hetzij het ondernemingsnummer dat bekend is bij de Kruispuntbank van Ondernemingen, hetzij het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van de persoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid;
b) de voornamen, de achternaam en het domicilieadres van de natuurlijke persoon of de naam, de rechtsvorm en het adres van de maatschappelijke zetel van de rechtspersoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid.]4
[2 [3 ...]3.]2]1
[4 De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, wordt ook toegekend voor voertuigen, die na 31 december 2025 ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid of bij een vergelijkbare instelling binnen de Europese Economische Ruimte of een andere staat en nadien in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid, en die voldoen aan de volgende voorwaarden:
1° het voertuig werd vóór 6 oktober 2025 besteld;
2° een kopie van de bestelbon wordt aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie bezorgd voor 15 januari 2026, samen met een formulier, afgeleverd door deze entiteit, dat wordt ondertekend door de betrokken belastingplichtige, en dat minstens de volgende gegevens bevat:
a) hetzij het identificatienummer uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, hetzij het ondernemingsnummer dat bekend is bij de Kruispuntbank van Ondernemingen, hetzij het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van de persoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid;
b) de voornamen, de achternaam en het domicilieadres van de natuurlijke persoon of de naam, de rechtsvorm en het adres van de maatschappelijke zetel van de rechtspersoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid.]4
Art. 2.3.6.0.2. [1 Les véhicules fonctionnant exclusivement avec moteur électrique ou à l'hydrogène [4 et immatriculés au plus tard au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière au 31 décembre 2025]4 ne sont pas taxés.
[2 [3 ...]3g.]2]1
[4 L'exonération visée à l'alinéa 1er, est également accordée pour les véhicules qui sont inscrits après le 31 décembre 2025 au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière ou auprès d'une institution comparable au sein de l'Espace économique européen ou d'un autre Etat et par la suite au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière, et qui remplissent les conditions suivantes :
1° le véhicule a été commandé avant le 6 octobre 2025 ;
2° une copie du bon de commande est transmise avant le 15 janvier 2026 à l'entité compétente de l'administration flamande, accompagnée d'un formulaire délivré par cette entité et signé par le contribuable concerné, qui comprend au moins les données suivantes :
a) soit le numéro d'identification du Registre national des personnes physiques, soit le numéro d'entreprise connu auprès de la Banque-Carrefour des Entreprises, soit le numéro d'identification, visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale, de la personne au nom de laquelle le véhicule est ou sera inscrit au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière ;
b) les prénom, nom et adresse du domicile des personnes physiques ou le nom, la forme juridique et l'adresse du siège social de la personne morale au nom de laquelle le véhicule est ou sera inscrit au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière.]4
[2 [3 ...]3g.]2]1
[4 L'exonération visée à l'alinéa 1er, est également accordée pour les véhicules qui sont inscrits après le 31 décembre 2025 au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière ou auprès d'une institution comparable au sein de l'Espace économique européen ou d'un autre Etat et par la suite au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière, et qui remplissent les conditions suivantes :
1° le véhicule a été commandé avant le 6 octobre 2025 ;
2° une copie du bon de commande est transmise avant le 15 janvier 2026 à l'entité compétente de l'administration flamande, accompagnée d'un formulaire délivré par cette entité et signé par le contribuable concerné, qui comprend au moins les données suivantes :
a) soit le numéro d'identification du Registre national des personnes physiques, soit le numéro d'entreprise connu auprès de la Banque-Carrefour des Entreprises, soit le numéro d'identification, visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale, de la personne au nom de laquelle le véhicule est ou sera inscrit au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière ;
b) les prénom, nom et adresse du domicile des personnes physiques ou le nom, la forme juridique et l'adresse du siège social de la personne morale au nom de laquelle le véhicule est ou sera inscrit au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière.]4
Art. 2.3.6.0.3. [1 Er wordt [3 voor volgende voertuigen die uiterlijk op 31 december 2020 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid]3 geen belasting geheven op:
1° voertuigen [2 waarvan het belastbaar vermogen 11 fiscale paardenkracht niet te boven gaat en]2 waarvan de motor, ook al is het maar gedeeltelijk of tijdelijk, aangedreven wordt met aardgas;
2° plug-in hybride voertuigen met een maximale CO2-uitstoot van 50 gram per kilometer.
Een plug-in hybride voertuig is een voertuig dat aangedreven wordt door een elektrische motor en een verbrandingsmotor waarvoor de energie geleverd wordt aan de elektrische motor door batterijen die volledig opgeladen kunnen worden via een aansluiting aan een externe energiebron buiten het voertuig.
Dit artikel is alleen van toepassing op de wegvoertuigen, vermeld in artikel 2.3.4.1.1.]1
[3 De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, wordt ook toegekend voor voertuigen, die na 31 december 2020 ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid of bij een vergelijk- bare instelling binnen de Europese Economische Ruimte of een andere staat en nadien in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid, en die voldoen aan de volgende voorwaarden:
1° het wegvoertuig werd voor 12 oktober 2020 besteld;
2° een kopie van de bestelbon wordt aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie bezorgd voor 15 januari 2021, samen met een formulier, afgeleverd door deze entiteit, dat wordt ondertekend door de betrokken belastingplichtige, en dat minstens de volgende gegevens bevat:
a) hetzij het identificatienummer uit het Rijksregister van de natuur- lijke personen, hetzij het ondernemingsnummer dat bekend is bij de Kruispuntbank van Ondernemingen, hetzij het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprich- ting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van de persoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-gene- raal Mobiliteit en Verkeersveiligheid;
b) de voornamen, de achternaam en het domicilieadres van de natuur- lijke persoon of de naam, de rechtsvorm en het adres van de maat- schappelijke zetel van de rechtspersoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid.]3
1° voertuigen [2 waarvan het belastbaar vermogen 11 fiscale paardenkracht niet te boven gaat en]2 waarvan de motor, ook al is het maar gedeeltelijk of tijdelijk, aangedreven wordt met aardgas;
2° plug-in hybride voertuigen met een maximale CO2-uitstoot van 50 gram per kilometer.
Een plug-in hybride voertuig is een voertuig dat aangedreven wordt door een elektrische motor en een verbrandingsmotor waarvoor de energie geleverd wordt aan de elektrische motor door batterijen die volledig opgeladen kunnen worden via een aansluiting aan een externe energiebron buiten het voertuig.
Dit artikel is alleen van toepassing op de wegvoertuigen, vermeld in artikel 2.3.4.1.1.]1
[3 De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, wordt ook toegekend voor voertuigen, die na 31 december 2020 ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid of bij een vergelijk- bare instelling binnen de Europese Economische Ruimte of een andere staat en nadien in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid, en die voldoen aan de volgende voorwaarden:
1° het wegvoertuig werd voor 12 oktober 2020 besteld;
2° een kopie van de bestelbon wordt aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie bezorgd voor 15 januari 2021, samen met een formulier, afgeleverd door deze entiteit, dat wordt ondertekend door de betrokken belastingplichtige, en dat minstens de volgende gegevens bevat:
a) hetzij het identificatienummer uit het Rijksregister van de natuur- lijke personen, hetzij het ondernemingsnummer dat bekend is bij de Kruispuntbank van Ondernemingen, hetzij het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprich- ting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van de persoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-gene- raal Mobiliteit en Verkeersveiligheid;
b) de voornamen, de achternaam en het domicilieadres van de natuur- lijke persoon of de naam, de rechtsvorm en het adres van de maat- schappelijke zetel van de rechtspersoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid.]3
Art. 2.3.6.0.3. [1 [3 Les véhicules suivants qui sont inscrits au plus tard le 31 décembre 2020 au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière, sont exonérés de taxes ]3 :
1° véhicules [2 dont la puissance imposable n'est pas supérieure à 11 chevaux fiscaux et]2 dont le moteur est alimenté, même partiellement ou temporairement, au gaz naturel ;
2° véhicules hybrides rechargeables avec une émission de CO2 jusqu'à 50 gr/km.
Un véhicule hybride rechargeable est un véhicule à moteur électrique et à moteur à combustion, dont l'énergie est fournie au moteur électrique par des batteries pouvant être chargées complètement par un raccordement à une source d'énergie externe.
Le présent article s'applique uniquement aux véhicules routiers, visés à l'article 2.3.4.1.1.]1
[3 L'exonération, visée à l'alinéa 1er, est également accordée pour les véhicules qui sont inscrits après le 31 décembre 2020 au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière ou auprès d'une institution comparable au sein de l'Espace économique européen ou d'un autre Etat et plus tard au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière, et qui remplissent les conditions suivantes :
1° le véhicule routier a été commandé avant le 12 octobre 2020 ;
2° une copie du bon de commande est transmise avant le 15 janvier 2021 à l'entité compétente de l'administration flamande, accompagnée d'un formulaire délivré par cette entité et signé par le contribuable concerné, qui comprend au moins les données suivantes :
a) soit le numéro d'identification du Registre national des personnes physiques, soit le numéro d'entreprise connu auprès de la Banque-Carrefour des Entreprises, soit le numéro d'identification, visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale, de la personne au nom de laquelle le véhicule est ou sera inscrit au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière ;
b) les prénom, nom et adresse du domicile des personnes physiques ou le nom, la forme juridique et l'adresse du siège social de la personne morale au nom de laquelle le véhicule est ou sera inscrit au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière.]3
1° véhicules [2 dont la puissance imposable n'est pas supérieure à 11 chevaux fiscaux et]2 dont le moteur est alimenté, même partiellement ou temporairement, au gaz naturel ;
2° véhicules hybrides rechargeables avec une émission de CO2 jusqu'à 50 gr/km.
Un véhicule hybride rechargeable est un véhicule à moteur électrique et à moteur à combustion, dont l'énergie est fournie au moteur électrique par des batteries pouvant être chargées complètement par un raccordement à une source d'énergie externe.
Le présent article s'applique uniquement aux véhicules routiers, visés à l'article 2.3.4.1.1.]1
[3 L'exonération, visée à l'alinéa 1er, est également accordée pour les véhicules qui sont inscrits après le 31 décembre 2020 au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière ou auprès d'une institution comparable au sein de l'Espace économique européen ou d'un autre Etat et plus tard au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière, et qui remplissent les conditions suivantes :
1° le véhicule routier a été commandé avant le 12 octobre 2020 ;
2° une copie du bon de commande est transmise avant le 15 janvier 2021 à l'entité compétente de l'administration flamande, accompagnée d'un formulaire délivré par cette entité et signé par le contribuable concerné, qui comprend au moins les données suivantes :
a) soit le numéro d'identification du Registre national des personnes physiques, soit le numéro d'entreprise connu auprès de la Banque-Carrefour des Entreprises, soit le numéro d'identification, visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale, de la personne au nom de laquelle le véhicule est ou sera inscrit au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière ;
b) les prénom, nom et adresse du domicile des personnes physiques ou le nom, la forme juridique et l'adresse du siège social de la personne morale au nom de laquelle le véhicule est ou sera inscrit au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière.]3
Afdeling 7. - Wijze van heffing
Section 7. - Modalités de perception
Art. 2.3.7.0.1. De belasting wordt geheven in overeenstemming met de bepalingen van artikel 3.3.2.0.1, eerste lid, 4°.
Art. 2.3.7.0.1. La taxe est perçue conformément aux dispositions de l'article 3.3.2.0.1, alinéa premier, 4°.
Hoofdstuk 4. - Kilometerheffing]1
Chapitre 4. - [1 - Prélèvement kilométrique]1
Afdeling 1. - Belastbaar voorwerp
Section 1re. - Objet imposable
Art. 2.4.1.0.1. [1 Er wordt een kilometerheffing geheven op het gebruik dat een voertuig maakt van een niet-geconcedeerde weg.]1
Art. 2.4.1.0.1. [1 Un prélèvement kilométrique est levé sur l'usage que fait un véhicule d'une route non concédée.]1
Afdeling 2. - Belastingplichtigen
Section 2. - Contribuables
Art. 2.4.2.0.1. [1 § 1. De belastingplichtige is degene die houder is van het voertuig. De houder van het voertuig is degene, hetzij :
1° op naam van wie het kenteken van het voertuig is ingeschreven bij de overheid die belast is met de inschrijving van de voertuigen;
2° op naam van wie het kenteken van het voertuig is ingeschreven bij het buitenlands geldende equivalent van de overheid die belast is met de inschrijving van de voertuigen;
3° die het voertuig, waarvoor geen kenteken is ingeschreven bij de overheid die belast is met de inschrijving van de voertuigen of zijn equivalent in het buitenland, feitelijk ter beschikking heeft.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt, in geval van een samenstel van voertuigen, het kenteken van het [2 trekkend voertuig]2 bedoeld.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, kan de houder van het voertuig, als het voertuig door de houder ervan bestendig of gewoonlijk ter beschikking is gesteld van een derde door verhuur, leasing of een andere overeenkomst, die derde na hun gezamenlijk akkoord, aanwijzen als de houder van het voertuig. De initiële houder van het voertuig blijft solidair aansprakelijk voor de goede uitvoering van de verplichtingen van de vermelde derde.
De Vlaamse Regering kan de voorwaarden, beperkingen en nadere regels van deze mogelijkheid bepalen.]1
1° op naam van wie het kenteken van het voertuig is ingeschreven bij de overheid die belast is met de inschrijving van de voertuigen;
2° op naam van wie het kenteken van het voertuig is ingeschreven bij het buitenlands geldende equivalent van de overheid die belast is met de inschrijving van de voertuigen;
3° die het voertuig, waarvoor geen kenteken is ingeschreven bij de overheid die belast is met de inschrijving van de voertuigen of zijn equivalent in het buitenland, feitelijk ter beschikking heeft.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt, in geval van een samenstel van voertuigen, het kenteken van het [2 trekkend voertuig]2 bedoeld.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, kan de houder van het voertuig, als het voertuig door de houder ervan bestendig of gewoonlijk ter beschikking is gesteld van een derde door verhuur, leasing of een andere overeenkomst, die derde na hun gezamenlijk akkoord, aanwijzen als de houder van het voertuig. De initiële houder van het voertuig blijft solidair aansprakelijk voor de goede uitvoering van de verplichtingen van de vermelde derde.
De Vlaamse Regering kan de voorwaarden, beperkingen en nadere regels van deze mogelijkheid bepalen.]1
Art. 2.4.2.0.1. [1 § 1er. Le contribuable est la personne qui est le détenteur du véhicule. Le détenteur du véhicule est la personne, soit :
1° au nom de laquelle le véhicule a été immatriculé auprès de l'autorité chargée de l'immatriculation des véhicules ;
2° au nom de laquelle le véhicule a été immatriculé auprès de l'équivalent étranger de l'autorité chargée de l'immatriculation des véhicules ;
3° qui dispose dans les faits du véhicule pour lequel aucune immatriculation n'a été enregistrée auprès de l'autorité chargée de l'immatriculation des véhicules ou de son équivalent étranger.
Pour l'application du premier alinéa, il y a lieu d'avoir égard, dans le cas d'un ensemble de véhicules articulés, à l'immatriculation du [2 véhicule tracteur]2.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, premier alinéa, le détenteur du véhicule peut, lorsqu'il met le véhicule, de façon permanente ou habituelle, par location, leasing ou tout autre contrat, à la disposition d'un tiers, convenir avec ce dernier que celui-ci sera considéré comme détenteur du véhicule. Le détenteur originel du véhicule reste solidairement tenu à la bonne exécution des obligations du tiers susmentionné.
Le Gouvernement flamand peut fixer les conditions, restrictions et modalités de cette possibilité.]1
1° au nom de laquelle le véhicule a été immatriculé auprès de l'autorité chargée de l'immatriculation des véhicules ;
2° au nom de laquelle le véhicule a été immatriculé auprès de l'équivalent étranger de l'autorité chargée de l'immatriculation des véhicules ;
3° qui dispose dans les faits du véhicule pour lequel aucune immatriculation n'a été enregistrée auprès de l'autorité chargée de l'immatriculation des véhicules ou de son équivalent étranger.
Pour l'application du premier alinéa, il y a lieu d'avoir égard, dans le cas d'un ensemble de véhicules articulés, à l'immatriculation du [2 véhicule tracteur]2.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, premier alinéa, le détenteur du véhicule peut, lorsqu'il met le véhicule, de façon permanente ou habituelle, par location, leasing ou tout autre contrat, à la disposition d'un tiers, convenir avec ce dernier que celui-ci sera considéré comme détenteur du véhicule. Le détenteur originel du véhicule reste solidairement tenu à la bonne exécution des obligations du tiers susmentionné.
Le Gouvernement flamand peut fixer les conditions, restrictions et modalités de cette possibilité.]1
Afdeling 3. - Belastbare grondslag
Section 3. - Base imposable
Art. 2.4.3.0.1. [1 De heffing wordt vastgesteld op basis van het aantal kilometers die door een voertuig worden afgelegd en die geregistreerd worden conform artikel 3.3.1.0.13.]1
Art. 2.4.3.0.1. [1 Le prélèvement est fixé sur la base du nombre de kilomètres parcourus et enregistrés par un véhicule conformément à l'article 3.3.1.0.13.]1
Afdeling 4. - Tarieven
Section 4. - Tarifs
Art. 2.4.4.0.1. [1 De heffing wordt vastgesteld met behulp van de volgende berekeningsformule :
Σ Tz x Kz,
z
waarbij :
1° Tz = het tarief, vermeld in artikel 2.4.4.0.2, dat van toepassing is in een bepaalde tariefzone voor kilometers afgelegd in een welbepaalde rijrichting, op een welbepaald moment, uitgedrukt in eurocent/kilometer en dat rekening houdt met de kost van onderhoud van de infrastructuur en met de externe kosten;
2° Kz = het aantal aan te rekenen kilometers, vermeld in artikel 2.4.4.0.3, dat afgelegd wordt in elk van de tariefzones;
3° z = de onderscheiden tariefzones, vermeld in artikel 1.1.0.0.2, vijfde lid, 5°.
Gezien het tarief Tz kan variëren in de tijd en naargelang de rijrichting, zal Kz afzonderlijk worden berekend voor elke waarde van Tz die tijdens het gebruik van het betreffende wegsegment voorkomt.
Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder tariefzone : een begrensd wegsegment met een vast begin- en eindpunt waarop bij gebruik in een welbepaalde rijrichting op elk moment een eenduidig bepaald en afstandsgerelateerd tarief Tz van toepassing is.]1
Σ Tz x Kz,
z
waarbij :
1° Tz = het tarief, vermeld in artikel 2.4.4.0.2, dat van toepassing is in een bepaalde tariefzone voor kilometers afgelegd in een welbepaalde rijrichting, op een welbepaald moment, uitgedrukt in eurocent/kilometer en dat rekening houdt met de kost van onderhoud van de infrastructuur en met de externe kosten;
2° Kz = het aantal aan te rekenen kilometers, vermeld in artikel 2.4.4.0.3, dat afgelegd wordt in elk van de tariefzones;
3° z = de onderscheiden tariefzones, vermeld in artikel 1.1.0.0.2, vijfde lid, 5°.
Gezien het tarief Tz kan variëren in de tijd en naargelang de rijrichting, zal Kz afzonderlijk worden berekend voor elke waarde van Tz die tijdens het gebruik van het betreffende wegsegment voorkomt.
Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder tariefzone : een begrensd wegsegment met een vast begin- en eindpunt waarop bij gebruik in een welbepaalde rijrichting op elk moment een eenduidig bepaald en afstandsgerelateerd tarief Tz van toepassing is.]1
Art. 2.4.4.0.1. [1 Le prélèvement est établi en appliquant la formule de calcul suivante :
Σ Tz x Kz,
z
où :
1° Tz = le tarif, visé à l'article 2.4.4.0.2, applicable dans une zone tarifaire déterminée, pour les kilomètres parcourus, dans un sens bien déterminé, à un moment bien déterminé, exprimé en centimes d'euros par kilomètre, dans lequel le coût de l'entretien de l'infrastructure et les coûts externes sont compris ;
2° Kz = le nombre de kilomètres à prendre en compte, visé à l'article 2.4.4.0.3, parcourus dans chacune de ces zones tarifaires ;
3° z = les différentes zones tarifaires, définies à l'article 1.1.0.0.2, alinéa cinq, 5°.
Vu qu'il est possible que le Tarif Tz varie dans le temps et par sens de circulation, Kz sera calculé séparément pour chaque valeur survenue de Tz pendant l'utilisation du segment de route en question.
Pour l'application de la présente section, on entend par zone tarifaire : un segment de route limité avec un début et une fin fixes pour l'utilisation duquel dans un sens bien déterminé un tarif Tz déterminé de manière univoque et en rapport avec la distance parcourue est d'application.]1
Σ Tz x Kz,
z
où :
1° Tz = le tarif, visé à l'article 2.4.4.0.2, applicable dans une zone tarifaire déterminée, pour les kilomètres parcourus, dans un sens bien déterminé, à un moment bien déterminé, exprimé en centimes d'euros par kilomètre, dans lequel le coût de l'entretien de l'infrastructure et les coûts externes sont compris ;
2° Kz = le nombre de kilomètres à prendre en compte, visé à l'article 2.4.4.0.3, parcourus dans chacune de ces zones tarifaires ;
3° z = les différentes zones tarifaires, définies à l'article 1.1.0.0.2, alinéa cinq, 5°.
Vu qu'il est possible que le Tarif Tz varie dans le temps et par sens de circulation, Kz sera calculé séparément pour chaque valeur survenue de Tz pendant l'utilisation du segment de route en question.
Pour l'application de la présente section, on entend par zone tarifaire : un segment de route limité avec un début et une fin fixes pour l'utilisation duquel dans un sens bien déterminé un tarif Tz déterminé de manière univoque et en rapport avec la distance parcourue est d'application.]1
Art. 2.4.4.0.2. [1 De hoogte van het tarief Tz, vermeld in artikel 2.4.4.0.1, 1°, uitgedrukt in eurocent wordt als volgt bepaald :
Tz = F x (Bt + a X A + b X G + c X En + d X Et + e X Ep + f X Ex),
waarbij :
1° F = factor, die 1 is voor de wegen of wegsegmenten, vermeld in punt 3°, die limitatief opgesomd zijn in bijlage 2, en 0 voor alle andere wegen of wegsegmenten;
2° Bt = basistarief van de heffing, met waarde 11,3 eurocent;
3° A = variatie in functie van wegtype W met een tarief dat hoger is dan nul eurocent, gedifferentieerd volgens de volgende tabel :
Tz = F x (Bt + a X A + b X G + c X En + d X Et + e X Ep + f X Ex),
waarbij :
1° F = factor, die 1 is voor de wegen of wegsegmenten, vermeld in punt 3°, die limitatief opgesomd zijn in bijlage 2, en 0 voor alle andere wegen of wegsegmenten;
2° Bt = basistarief van de heffing, met waarde 11,3 eurocent;
3° A = variatie in functie van wegtype W met een tarief dat hoger is dan nul eurocent, gedifferentieerd volgens de volgende tabel :
Art. 2.4.4.0.2. [1 La hauteur du tarif Tz, visé à l'article 2.4.4.0.1, 1°, exprimé en centimes d'euros, est déterminée selon la formule suivante :
Tz = F x (Bt + a X A + b X G + c X En + d X Et + e X Ep + f X Ex),
où :
1° F = un facteur égal à 1 pour les routes ou segments de route, visés au point 3°, énumérés de façon limitative à l'annexe 2 et à l'annexe 0 pour toutes les autres routes ou segments de route ;
2° Bt = tarif de base du prélèvement, à valeur de 11,3 centimes d'euro ;
3° A = variation en fonction du type de route W à taux d'imposition supérieur à zéro centime, ventilé selon le tableau suivant :
Tz = F x (Bt + a X A + b X G + c X En + d X Et + e X Ep + f X Ex),
où :
1° F = un facteur égal à 1 pour les routes ou segments de route, visés au point 3°, énumérés de façon limitative à l'annexe 2 et à l'annexe 0 pour toutes les autres routes ou segments de route ;
2° Bt = tarif de base du prélèvement, à valeur de 11,3 centimes d'euro ;
3° A = variation en fonction du type de route W à taux d'imposition supérieur à zéro centime, ventilé selon le tableau suivant :
| wegtype (W) | A |
| autosnelwegen en autosnelwegenringen | 0 |
| overige gewestwegen met een tarief hoger dan nul eurocent | 0 |
| gemeentewegen met een tarief hoger dan nul eurocent | 0 |
De wegen of wegsegmenten die onder een van de wegtypes, vermeld in de bovenstaande tabel, vallen, worden limitatief opgesomd in bijlage 2;
4° G = variatie in functie van gewichtsklasse van het voertuig, gedifferentieerd volgens de volgende tabel :
| type de route (W) | A |
| autoroutes et rings autoroutiers | 0 |
| autres routes régionales à taux d'imposition supérieur à zéro centime | 0 |
| routes communales à taux d'imposition supérieur à zéro centime | 0 |
Les routes ou segments de route qui sont repris sous un des types de route, visés au tableau sus-mentionné, sont énumérés de façon limitative à l'annexe 2 ;
4° G = variation en fonction de la catégorie de poids du véhicule, différenciée selon les catégories suivantes :
| [1 maximaal toegestane totaalgewicht | G |
| maximaal toegestane totaalgewicht hoger dan 3,5 ton en lager dan 12 ton | - 9,8 |
| maximaal toegestane totaalgewicht hoger dan of gelijk aan 12 ton en niet hoger dan of gelijk aan 32 ton | - 1,7 |
| maximaal toegestane totaalgewicht hoger dan 32 ton | 0,7]1 |
| (1)<DVR 2019-12-20/13, art. 31,2°, 041; Inwerkingtreding : 01-01-2020> | |
5° En = variatie in functie van de hoogte van de EURO-emissieklasse, vermeld in artikel 1.1.0.0.2, vijfde lid, 1;
6° Et = variatie in functie van de tijd;
7° Ep = variatie in functie van de plaats;
8° Ex = toeslag in functie van de door het voertuig veroorzaakte externe kosten, in functie van de hoogte van de EURO-emissieklasse, gedifferentieerd volgens de volgende tabel :
| [1 masse maximale autorisée | G |
| masse maximale autorisée supérieure à 3,5 tonnes et inférieure à 12 tonnes | - 9,8 |
| masse maximale autorisée supérieure ou égale à 12 tonnes et non pas supérieure ou égale à 32 tonnes | - 1,7 |
| masse maximale autorisée supérieure à 32 tonnes | 0,7]1 |
| (1)<DCFL 2019-12-20/13, art. 31,2°, 041; En vigueur : 01-01-2020> | |
5° En = variation en fonction de la classe d'émission EURO, visée à l'article 1.1.0.0.2, alinéa cinq, 1 ;
6° Et = variation en fonction du moment ;
7° Ep = variation en fonction du lieu ;
8° Ex = supplément dû en fonction des coûts externes, engendrés par le véhicule, en fonction de la hauteur de la classe d'émission EURO, différenciée selon le tableau suivant :
| EURO-emissieklasse | Ex |
| EURO 5 of EEV of hoger | 1,1 |
| EURO 4 | 3.2 |
| EURO 3 | 6,3 |
| overige EURO-emissieklassen | 8,3 |
Vanaf 1 januari 2018 wordt volgende tabel toegepast :
| Classe d'émission EURO | Ex |
| EURO 5 ou EEV ou supérieure | 1,1 |
| EURO 4 | 3.2 |
| EURO 3 | 6,3 |
| autres classes d'émission EURO | 8,3 |
Le tableau suivant est appliqué à partir du 1 janvier 2018 :
| EURO-emissieklasse | Ex |
| EURO 6 of hoger | 1,1 |
| EURO 5 of EEV | 2,1 |
| EURO 4 | 3.2 |
| EURO 3 | 6,3 |
| overige EURO-emissieklassen | 8,3 |
9° a, b, c, d, e, en f = factoren die een invloed uitoefenen op het gewicht van respectievelijk A, G, En, Et, Ep en Ex, waarbij a = 1, b = 1, c = 0, d = 0, e = 0, en f = 1.
De Vlaamse Regering wordt ertoe gemachtigd om de wegenlijst in bijlage 2, vermeld in het eerste lid, 1°, aan te passen aan :
1° naamswijzigingen van de erin opgenomen wegen;
2° wijzigingen van de categorisering van de erin opgenomen wegen.
[3 Het tarief Tz, vermeld in het eerste lid, wordt]3 met ingang van 1 juli 2017 op 1 juli van elk jaar geïndexeerd met behulp van de coëfficiënt die wordt verkregen door het algemene indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk, [3 voor de maand maart van het lopende jaar]3 te delen door het algemene indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk voor de maand mei van het jaar 2016. Daarbij worden de volgende afrondingen toegepast :
1° de coëfficiënt wordt afgerond op het hogere of lagere tienduizendste naargelang het cijfer van de honderdduizendsten al of niet vijf bereikt;
2° na de toepassing van de coëfficiënt wordt het verkregen bedrag afgerond op [2 het hogere of lagere tiende van een eurocent naargelang het cijfer van het honderdste van de eurocent al dan niet vijf bereikt]2.
Als de factor F, vermeld in het eerste lid, 1°, gelijk is aan 1, mag het tarief nooit lager zijn dan nul eurocent.]1
[2 [4 Emissievrije voertuigen met een maximaal toegestane totaalgewicht (MTT) lager dan of gelijk aan 4,25 ton zijn vanaf 1 januari 2024 tot en met 31 december 2029 vrijgesteld van de verplichting om de kilometerheffing te betalen.
Voor de overige emissievrije voertuigen, andere dan deze vermeld in het vijfde lid, is de toeslag Ex tot en met 31 december 2029 gelijk aan nul. Het overige gedeelte van de kilometerheffing wordt voor deze voertuigen verminderd met:
- 100% vanaf 1 januari 2024 tot en met 31 december 2025;
- 80% vanaf 1 januari 2026 tot en met 31 december 2026;
- 60% vanaf 1 januari 2027 tot en met 31 december 2027;
- 40% vanaf 1 januari 2028 tot en met 31 december 2028;
- 20% vanaf 1 januari 2029 tot en met 31 december 2029.]4.]2
| Classe d'émission EURO | Ex |
| EURO 6 ou supérieure | 1,1 |
| EURO 5 ou EEV | 2,1 |
| EURO 4 | 3.2 |
| EURO 3 | 6,3 |
| autres classes d'émission EURO | 8,3 |
9° a, b, c, d, e et f = les facteurs qui influent sur le poids de A, G, En, Et, Ep et Ex, où a = 1, b = 1, c = 0, d = 0, e = 0, en f = 1.
Le Gouvernement flamand est autorisé à ajuster la liste des routes de l'annexe 2, visée à l'alinéa premier, 1° :
1° aux changements de nom des routes y reprises ;
2° aux changements de catégorie des routes y reprises.
[3 Le tarif Tz, visé à l'alinéa 1er, est indexé]3 à partir du 1 juillet 2017 au 1 juillet de chaque année au moyen du coefficient obtenu en divisant l'indice général des prix à la consommation du Royaume [3 pour le mois de mars de l'année en cours]3 par l'indice général des prix à la consommation du Royaume pour le mois de mai de l'année 2016. Dans ce contexte, les arrondissements suivants sont appliqués :
1° le coefficient est arrondi au dix millième supérieur ou inférieur selon que le chiffre des cent millièmes atteint ou non cinq ;
2° après l'application du coefficient, le montant obtenu est arrondi au [2 dixième supérieur ou inférieur d'un centime d'euro selon que le chiffre des centièmes du centime d'euro atteint ou non cinq]2.
Dans le cas où le facteur F, visé à l'alinéa premier, 1°, vaut 1, le tarif ne peut jamais être inférieur à zéro centime d'euros.]1
[2 [4 Les véhicules zéro émission dont la masse maximale autorisée (MMA) est inférieure ou égale à 4,25 tonnes sont exemptés de l'obligation de payer le prélèvement kilométrique du 1er janvier 2024 au 31 décembre 2029.
Pour les véhicules zéro émission autres que ceux visés à l'alinéa 5, le supplément Ex est égal à zéro jusqu'au 31 décembre 2029. La partie restante du prélèvement kilométrique est réduite pour ces véhicules de :
- 100 % du 1er janvier 2024 au 31 décembre 2025 ;
- 80 % du 1er janvier 2026 au 31 décembre 2026 ;
- 60 % du 1er janvier 2027 au 31 décembre 2027 ;
- 40 % du 1er janvier 2028 au 31 décembre 2028 ;
- 20 % du 1er janvier 2029 au 31 décembre 2029.]4]2
Art. 2.4.4.0.2 TOEKOMSTIG RECHT. [1 De hoogte van het tarief Tz, vermeld in artikel 2.4.4.0.1, 1°, uitgedrukt in eurocent wordt als volgt bepaald :
Tz = F x (Bt + a X A + b X G + c X En + d X Et + e X Ep + f X Ex),
waarbij :
1° F = factor, die 1 is voor de wegen of wegsegmenten, vermeld in punt 3°, die limitatief opgesomd zijn in bijlage 2, en 0 voor alle andere wegen of wegsegmenten;
2° Bt = basistarief van de heffing, met waarde [6 13,5]6 eurocent;
3° A = variatie in functie van wegtype W met een tarief dat hoger is dan nul eurocent, gedifferentieerd volgens de volgende tabel :
Tz = F x (Bt + a X A + b X G + c X En + d X Et + e X Ep + f X Ex),
waarbij :
1° F = factor, die 1 is voor de wegen of wegsegmenten, vermeld in punt 3°, die limitatief opgesomd zijn in bijlage 2, en 0 voor alle andere wegen of wegsegmenten;
2° Bt = basistarief van de heffing, met waarde [6 13,5]6 eurocent;
3° A = variatie in functie van wegtype W met een tarief dat hoger is dan nul eurocent, gedifferentieerd volgens de volgende tabel :
Art. 2.4.4.0.2 DROIT FUTUR. [1 La hauteur du tarif Tz, visé à l'article 2.4.4.0.1, 1°, exprimé en centimes d'euros, est déterminée selon la formule suivante :
Tz = F x (Bt + a X A + b X G + c X En + d X Et + e X Ep + f X Ex),
où :
1° F = un facteur égal à 1 pour les routes ou segments de route, visés au point 3°, énumérés de façon limitative à l'annexe 2 et à l'annexe 0 pour toutes les autres routes ou segments de route ;
2° Bt = tarif de base du prélèvement, à valeur de [6 13,5]6 centimes d'euro ;
3° A = variation en fonction du type de route W à taux d'imposition supérieur à zéro centime, ventilé selon le tableau suivant :
Tz = F x (Bt + a X A + b X G + c X En + d X Et + e X Ep + f X Ex),
où :
1° F = un facteur égal à 1 pour les routes ou segments de route, visés au point 3°, énumérés de façon limitative à l'annexe 2 et à l'annexe 0 pour toutes les autres routes ou segments de route ;
2° Bt = tarif de base du prélèvement, à valeur de [6 13,5]6 centimes d'euro ;
3° A = variation en fonction du type de route W à taux d'imposition supérieur à zéro centime, ventilé selon le tableau suivant :
| wegtype (W) | A |
| autosnelwegen en autosnelwegenringen | 0 |
| overige gewestwegen met een tarief hoger dan nul eurocent | 0 |
| gemeentewegen met een tarief hoger dan nul eurocent | 0 |
De wegen of wegsegmenten die onder een van de wegtypes, vermeld in de bovenstaande tabel, vallen, worden limitatief opgesomd in bijlage 2;
4° G = variatie in functie van gewichtsklasse van het voertuig, gedifferentieerd volgens de volgende tabel :
[6
| type de route (W) | A |
| autoroutes et rings autoroutiers | 0 |
| autres routes régionales à taux d'imposition supérieur à zéro centime | 0 |
| routes communales à taux d'imposition supérieur à zéro centime | 0 |
Les routes ou segments de route qui sont repris sous un des types de route, visés au tableau sus-mentionné, sont énumérés de façon limitative à l'annexe 2 ;
4° G = variation en fonction de la catégorie de poids du véhicule, différenciée selon les catégories suivantes :
[6
| maximaal toegestane totaalgewicht | G |
| maximaal toegestane totaalgewicht hoger dan 3,5 ton en lager dan 12 ton | -10,1 |
| maximaal toegestane totaalgewicht hoger dan of gelijk aan 12 ton en niet hoger dan of gelijk aan 32 ton | -1,7 |
| maximaal toegestane totaalgewicht hoger dan 32 ton | 0,8 |
]6
5° En = variatie in functie van de hoogte van de EURO-emissieklasse, vermeld in artikel 1.1.0.0.2, vijfde lid, 1;
6° Et = variatie in functie van de tijd;
7° Ep = variatie in functie van de plaats;
8° Ex = toeslag in functie van de door het voertuig veroorzaakte externe kosten, in functie van de hoogte van de EURO-emissieklasse, gedifferentieerd volgens de volgende tabel :
[6
| masse maximale autorisée | G |
| masse maximale autorisée supérieure à 3,5 tonnes et inférieure à 12 tonnes | -10,1 |
| masse maximale autorisée supérieure ou égale à 12 tonnes et inférieure ou égale à 32 tonnes | -1,7 |
| masse maximale autorisée supérieure à 32 tonnes | 0,8 |
]6
5° En = variation en fonction de la classe d'émission EURO, visée à l'article 1.1.0.0.2, alinéa cinq, 1 ;
6° Et = variation en fonction du moment ;
7° Ep = variation en fonction du lieu ;
8° Ex = supplément dû en fonction des coûts externes, engendrés par le véhicule, en fonction de la hauteur de la classe d'émission EURO, différenciée selon le tableau suivant :
[6
| EURO-emissieklasse | Ex |
| EURO 6 of hoger | 1,2 |
| EURO 5 of EEV | 2,2 |
| EURO 4 | 3,4 |
| EURO 3 | 6,6 |
| overige EURO-emissieklassen | 8,6 |
]6
9° a, b, c, d, e, en f = factoren die een invloed uitoefenen op het gewicht van respectievelijk A, G, En, Et, Ep en Ex, waarbij a = 1, b = 1, c = 0, d = 0, e = 0, en f = 1.
De Vlaamse Regering wordt ertoe gemachtigd om de wegenlijst in bijlage 2, vermeld in het eerste lid, 1°, aan te passen aan :
1° naamswijzigingen van de erin opgenomen wegen;
2° wijzigingen van de categorisering van de erin opgenomen wegen.
[3 Het tarief Tz, vermeld in het eerste lid, wordt]3 met ingang van 1 juli 2017 op 1 juli van elk jaar geïndexeerd met behulp van de coëfficiënt die wordt verkregen door het algemene indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk, [3 voor de maand maart van het lopende jaar]3 te delen door het algemene indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk voor de maand mei van het jaar 2016. Daarbij worden de volgende afrondingen toegepast :
1° de coëfficiënt wordt afgerond op het hogere of lagere tienduizendste naargelang het cijfer van de honderdduizendsten al of niet vijf bereikt;
2° na de toepassing van de coëfficiënt wordt het verkregen bedrag afgerond op [2 het hogere of lagere tiende van een eurocent naargelang het cijfer van het honderdste van de eurocent al dan niet vijf bereikt]2.
Als de factor F, vermeld in het eerste lid, 1°, gelijk is aan 1, mag het tarief nooit lager zijn dan nul eurocent.]1
[2 [5 Emissievrije voertuigen met een maximaal toegestane totaalgewicht (MTT) lager dan of gelijk aan 4,25 ton zijn vanaf 1 januari 2024 tot en met 31 december 2029 vrijgesteld van de verplichting om de kilometerheffing te betalen.
Voor de overige emissievrije voertuigen, andere dan deze vermeld in het vijfde lid, is de toeslag Ex tot en met 31 december 2029 gelijk aan nul. Het overige gedeelte van de kilometerheffing wordt voor deze voertuigen verminderd met:
- 100% vanaf 1 januari 2024 tot en met 31 december 2025;
- 80% vanaf 1 januari 2026 tot en met 31 december 2026;
- 60% vanaf 1 januari 2027 tot en met 31 december 2027;
- 40% vanaf 1 januari 2028 tot en met 31 december 2028;
- 20% vanaf 1 januari 2029 tot en met 31 december 2029.]5]2
| classe d'émission EURO | Ex |
| EURO 6 ou supérieur | 1,2 |
| EURO 5 ou EEV | 2,2 |
| EURO 4 | 3,4 |
| EURO 3 | 6,6 |
| autres classes d'émission EURO | 8,6 |
]6
9° a, b, c, d, e et f = les facteurs qui influent sur le poids de A, G, En, Et, Ep et Ex, où a = 1, b = 1, c = 0, d = 0, e = 0, en f = 1.
Le Gouvernement flamand est autorisé à ajuster la liste des routes de l'annexe 2, visée à l'alinéa premier, 1° :
1° aux changements de nom des routes y reprises ;
2° aux changements de catégorie des routes y reprises.
[3 Le tarif Tz, visé à l'alinéa 1er, est indexé]3 à partir du 1 juillet 2017 au 1 juillet de chaque année au moyen du coefficient obtenu en divisant l'indice général des prix à la consommation du Royaume [3 pour le mois de mars de l'année en cours]3 par l'indice général des prix à la consommation du Royaume pour le mois de mai de l'année 2016. Dans ce contexte, les arrondissements suivants sont appliqués :
1° le coefficient est arrondi au dix millième supérieur ou inférieur selon que le chiffre des cent millièmes atteint ou non cinq ;
2° après l'application du coefficient, le montant obtenu est arrondi au [2 dixième supérieur ou inférieur d'un centime d'euro selon que le chiffre des centièmes du centime d'euro atteint ou non cinq]2.
Dans le cas où le facteur F, visé à l'alinéa premier, 1°, vaut 1, le tarif ne peut jamais être inférieur à zéro centime d'euros.]1
[2 [5 Les véhicules zéro émission dont la masse maximale autorisée (MMA) est inférieure ou égale à 4,25 tonnes sont exemptés de l'obligation de payer le prélèvement kilométrique du 1er janvier 2024 au 31 décembre 2029.
Pour les véhicules zéro émission autres que ceux visés à l'alinéa 5, le supplément Ex est égal à zéro jusqu'au 31 décembre 2029. La partie restante du prélèvement kilométrique est réduite pour ces véhicules de :
- 100 % du 1er janvier 2024 au 31 décembre 2025 ;
- 80 % du 1er janvier 2026 au 31 décembre 2026 ;
- 60 % du 1er janvier 2027 au 31 décembre 2027 ;
- 40 % du 1er janvier 2028 au 31 décembre 2028 ;
- 20 % du 1er janvier 2029 au 31 décembre 2029.]5]2
Art. 2.4.4.0.3. [1 Het aantal aan te rekenen kilometers Kz, vermeld in artikel 2.4.4.0.1, eerste lid, 2°, wordt bepaald volgens de volgende formule :
Kz = KM x (100% - C)
waarbij :
1° KM = het aantal geregistreerde kilometers in de betreffende tariefzone waar op dat ogenblik een tarief Tz van toepassing is, gedurende een bepaalde kalenderdag;
2° C = een correctiefactor ter compensatie van eventueel onnauwkeurige registratie, met waarde [2 1%]2.]1
Kz = KM x (100% - C)
waarbij :
1° KM = het aantal geregistreerde kilometers in de betreffende tariefzone waar op dat ogenblik een tarief Tz van toepassing is, gedurende een bepaalde kalenderdag;
2° C = een correctiefactor ter compensatie van eventueel onnauwkeurige registratie, met waarde [2 1%]2.]1
Art. 2.4.4.0.3. [1 Le nombre Kz de kilomètres à prendre en compte, visé à l'article 2.4.4.0.1, alinéa premier, 2°, est déterminé selon la formule suivante :
Kz = KM x (100 % - C)
où :
1° KM = le nombre de kilomètres enregistré au cours d'un jour calendrier donné dans la zone tarifaire concernée dans laquelle un tarif Tz s'applique à ce moment ;
2° C = facteur de correction appliqué pour compenser les imprécisions de l'enregistrement, d'une valeur de [2 1 %]2.]1
Kz = KM x (100 % - C)
où :
1° KM = le nombre de kilomètres enregistré au cours d'un jour calendrier donné dans la zone tarifaire concernée dans laquelle un tarif Tz s'applique à ce moment ;
2° C = facteur de correction appliqué pour compenser les imprécisions de l'enregistrement, d'une valeur de [2 1 %]2.]1
Art. 2.4.4.0.4. [1 Op de kilometerheffing mogen geen opcentiemen worden geheven.]1
Art. 2.4.4.0.4. [1 Des centimes additionnels ne peuvent pas être établis sur le prélèvement kilométrique.]1
Art. 2.4.4.0.5. [1 In dit artikel wordt verstaan onder de niet voor de weg bestemde mobiele machines: de voertuigen, vermeld in artikel 1, 1°, van het koninklijk besluit van 5 december 2004 houdende vaststelling van productnormen voor inwendige verbrandingsmotoren in niet voor de weg bestemde mobiele machines.
Als de EURO-emissieklasse van het voertuig niet bekend is, wordt die parameter voor de toepassing van artikel 2.4.4.0.2, eerste lid, 8°, bepaald overeenkomstig de volgende bepalingen:
1° voor de niet voor de weg bestemde mobiele machines:
a) als de emissienorm, uitgedrukt in `Fase' of in `Tier', is vermeld op de boorddocumenten van het voertuig, conform de volgende tabel:
Als de EURO-emissieklasse van het voertuig niet bekend is, wordt die parameter voor de toepassing van artikel 2.4.4.0.2, eerste lid, 8°, bepaald overeenkomstig de volgende bepalingen:
1° voor de niet voor de weg bestemde mobiele machines:
a) als de emissienorm, uitgedrukt in `Fase' of in `Tier', is vermeld op de boorddocumenten van het voertuig, conform de volgende tabel:
Art. 2.4.4.0.5. [1 Dans le présent article, on entend par engins mobiles non routiers les véhicules visés à l'article 1er, 1°, de l'arrêté royal du 5 décembre 2004 concernant l'établissement des normes de produits pour des moteurs à combustion interne aux engins mobiles non routiers.
Lorsque la classe d'émission EURO du véhicule n'est pas connue, ce paramètre est déterminé, pour l'application de l'article 2.4.4.0.2, alinéa premier, 8°, conformément aux dispositions suivantes :
1° pour les engins mobiles non routiers :
a) lorsque la norme d'émission, exprimée en " Stage " ou en " Tier ", est mentionnée dans les documents de bord du véhicule, conformément au tableau suivant :
Lorsque la classe d'émission EURO du véhicule n'est pas connue, ce paramètre est déterminé, pour l'application de l'article 2.4.4.0.2, alinéa premier, 8°, conformément aux dispositions suivantes :
1° pour les engins mobiles non routiers :
a) lorsque la norme d'émission, exprimée en " Stage " ou en " Tier ", est mentionnée dans les documents de bord du véhicule, conformément au tableau suivant :
| emissienorm op boorddocumenten | emissienorm op boorddocumenten | EURO-emissieklasse voor de kilometerheffing |
| Fase I | Euro I | |
| Fase II | Euro II | |
| Fase IIIa | Tier 3 | Euro III |
| Fase IIIb | Tier 4i | Euro V |
| Fase IV | Tier 4 | Euro VI |
b) als er geen emissienorm, uitgedrukt in `Fase' of in `Tier', is vermeld op de boorddocumenten van het voertuig, conform de volgende tabel:
| norme d'émission dans documents de bord | norme d'émission dans documents de bord | classe d'émission EURO pour le prélèvement kilométrique |
| Stage I | Euro I | |
| Stage II | Euro II | |
| Stage IIIa | Tier 3 | Euro III |
| Stage IIIb | Tier 4i | Euro V |
| Stage IV | Tier 4 | Euro VI |
b) lorsqu'aucune norme d'émission, exprimée en " Stage " ou en " Tier ", n'est mentionnée dans les documents de bord du véhicule, conformément au tableau suivant :
| datum van eerste inschrijving van het voertuig in het binnen- of buitenland | EURO-emissieklasse voor de kilometerheffing |
| vanaf 1 januari 1999 tot en met 31 december 2001 | Euro I |
| vanaf 1 januari 2002 tot en met 31 december 2005 | Euro II |
| vanaf 1 januari 2006 tot en met 31 december 2010 | Euro III |
| vanaf 1 januari 2011 tot en met 31 december 2013 | Euro V |
| vanaf 1 januari 2014 | Euro VI |
2° voor vrachtwagens en andere voertuigen dan de voertuigen, vermeld in punt 1°, als er geen emissienorm is vermeld op de boorddocumenten van het voertuig:
| date de première immatriculation du véhicule dans le pays ou à l'étranger | classe d'émission EURO pour le prélèvement kilométrique |
| du 1er janvier 1999 au 31 décembre 2001 inclus | Euro I |
| du 1er janvier 2002 au 31 décembre 2005 inclus | Euro II |
| du 1er janvier 2006 au 31 décembre 2010 inclus | Euro III |
| du 1er janvier 2011 au 31 décembre 2013 inclus | Euro V |
| à partir du 1er janvier 2014 | Euro VI |
2° pour les camions et les véhicules autres que les véhicules visés au 1°, lorsqu'aucune norme d'émission n'est mentionnée dans les documents de bord du véhicule :
| datum van eerste inschrijving van het voertuig in het binnen- of buitenland | EURO-emissieklasse voor de kilometerheffing |
| vanaf 1 oktober 1993 tot en met 30 september 1996 | Euro I |
| vanaf 1 oktober 1996 tot en met 30 september 2001 | Euro II |
| vanaf 1 oktober 2001 tot en met 30 september 2006 | Euro III |
| vanaf 1 oktober 2006 tot en met 30 september 2009 | Euro IV |
| vanaf 1 oktober 2009 tot en met 31 december 2013 | Euro V |
| vanaf 1 januari 2014 | Euro VI |
.]1
| date de première immatriculation du véhicule dans le pays ou à l'étranger | classe d'émission EURO pour le prélèvement kilométrique |
| du 1er octobre 1993 au 30 septembre 1996 inclus | Euro I |
| du 1er octobre 1996 au 30 septembre 2001 inclus | Euro II |
| du 1er octobre 2001 au 30 septembre 2006 inclus | Euro III |
| du 1er octobre 2006 au 30 septembre 2009 inclus | Euro IV |
| du 1er octobre 2009 au 31 décembre 2013 inclus | Euro V |
| à partir du 1er janvier 2014 | Euro VI |
]1
Afdeling 5. - Verminderingen
Section 5. - Réductions
Art. 2.4.5.0.1. [1 Voorbehouden voor toekomstig gebruik.]1
Art. 2.4.5.0.1. [1 Réservé pour un usage futur.]1
Afdeling 6. - Vrijstellingen
Section 6. - Exonérations
Art. 2.4.6.0.1. [1 § 1. Er wordt in een vrijstelling van de heffing voorzien voor de voertuigen die :
1° in het Waalse Gewest of het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest overeenkomstig de aldaar geldende bepalingen zijn vrijgesteld van de heffing;
2° uitsluitend gebruikt worden voor en door defensie, bescherming burgerbevolking, brandweer en politie en als zodanig uiterlijk herkenbaar zijn;
3° speciaal en uitsluitend voor medische doeleinden zijn uitgerust en als zodanig uiterlijk herkenbaar zijn;
4° de aard hebben van een landbouw-, tuinbouw- of bosbouwvoertuig, die slechts in beperkte mate worden gebruikt op de openbare weg in België en die uitsluitend worden gebruikt voor landbouw, tuinbouw, visteelt en bosbouwwerkzaamheden.
§ 2. De vrijstellingen, vermeld in paragraaf 1, 2° tot en met 4°, kunnen alleen worden toegekend als ze worden aangevraagd voor het begin van het belastbare tijdperk en zullen pas uitwerking hebben vanaf het belastbare tijdperk dat volgt op de toekenning van de vrijstelling.
§ 3. [2 De houder van een voertuig als vermeld in paragraaf 1, 2° tot en met 4°, van wie het domicilie of de zetel op het grondgebied van het Vlaamse Gewest ligt, vraagt de vrijstelling, vermeld in paragraaf 1, 2° tot en met 4°, aan bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.]2
[2 ...]2
De houder van een voertuig als vermeld in paragraaf 1, 2° tot en met 4°, dat niet in België moet zijn ingeschreven, dient de betreffende vrijstelling aan te vragen bij Viapass.
§ 4. De vrijstellingen vermeld in paragraaf 1 blijven gelden tot niet langer aan de voorwaarden van dit artikel is voldaan.
§ 5. De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie maakt onmiddellijk aan Viapass de voertuigen kenbaar die van een vrijstelling genieten ingevolge dit artikel.]1
[3 § 6. Het vrijgestelde voertuig wordt opgenomen in een lijst met vrijgestelde voertuigen door de Vlaamse administratie. Die lijst wordt bijgehouden en bijgewerkt in overeenstemming met de geldende regels ter bescherming van de persoonsgegevens.]3
1° in het Waalse Gewest of het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest overeenkomstig de aldaar geldende bepalingen zijn vrijgesteld van de heffing;
2° uitsluitend gebruikt worden voor en door defensie, bescherming burgerbevolking, brandweer en politie en als zodanig uiterlijk herkenbaar zijn;
3° speciaal en uitsluitend voor medische doeleinden zijn uitgerust en als zodanig uiterlijk herkenbaar zijn;
4° de aard hebben van een landbouw-, tuinbouw- of bosbouwvoertuig, die slechts in beperkte mate worden gebruikt op de openbare weg in België en die uitsluitend worden gebruikt voor landbouw, tuinbouw, visteelt en bosbouwwerkzaamheden.
§ 2. De vrijstellingen, vermeld in paragraaf 1, 2° tot en met 4°, kunnen alleen worden toegekend als ze worden aangevraagd voor het begin van het belastbare tijdperk en zullen pas uitwerking hebben vanaf het belastbare tijdperk dat volgt op de toekenning van de vrijstelling.
§ 3. [2 De houder van een voertuig als vermeld in paragraaf 1, 2° tot en met 4°, van wie het domicilie of de zetel op het grondgebied van het Vlaamse Gewest ligt, vraagt de vrijstelling, vermeld in paragraaf 1, 2° tot en met 4°, aan bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.]2
[2 ...]2
De houder van een voertuig als vermeld in paragraaf 1, 2° tot en met 4°, dat niet in België moet zijn ingeschreven, dient de betreffende vrijstelling aan te vragen bij Viapass.
§ 4. De vrijstellingen vermeld in paragraaf 1 blijven gelden tot niet langer aan de voorwaarden van dit artikel is voldaan.
§ 5. De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie maakt onmiddellijk aan Viapass de voertuigen kenbaar die van een vrijstelling genieten ingevolge dit artikel.]1
[3 § 6. Het vrijgestelde voertuig wordt opgenomen in een lijst met vrijgestelde voertuigen door de Vlaamse administratie. Die lijst wordt bijgehouden en bijgewerkt in overeenstemming met de geldende regels ter bescherming van de persoonsgegevens.]3
Art. 2.4.6.0.1. [1 § 1er. Sont exonérés du prélèvement les véhicules :
1° qui sont exonérés du prélèvement en Région wallonne ou dans la Région de Bruxelles-Capitale conformément aux dispositions en vigueur dans ces régions ;
2° qui sont utilisés exclusivement pour et par la défense, la protection civile, les services d'incendie et de police, et sont reconnaissables en tant que tel ;
3° qui sont équipés spécialement et exclusivement à des fins médicales et sont reconnaissables en tant que tel ;
4° de type agricole, horticole ou forestier, qui ne sont utilisés que de manière limitée sur la voie publique en Belgique et qui sont exclusivement utilisés pour l'agriculture, l'horticulture, l'aquaculture et la sylviculture.
§ 2. Les exonérations, visées au paragraphe 1er, 2° à 4° inclus, ne peuvent être octroyées que si elles sont demandées avant le début de la période imposable et ne prendront effet à partir de la période imposable suivant l'octroi de l'exonération.
§ 3. [2 Le détenteur d'un véhicule tel que visé au paragraphe 1er, 2° à 4°, dont le domicile ou le siège est situé sur le territoire de la Région flamande, demande l'exonération visée au paragraphe 1er, 2° à 4° auprès de l'entité compétente de l'administration flamande.]2
[2 ...]2
Le détenteur d'un véhicule, tel que visé au paragraphe 1er, 2° à 4° inclus, qui ne doit pas être immatriculé en Belgique, adresse sa demande d'exonération à Viapass.
§ 4. Les exonérations visées au paragraphe 1er sont valides pour autant qu'il a été satisfait aux conditions du présent article.
§ 5. L'entité compétente de l'administration flamande notifie Viapass sans délai des véhicules qui bénéficient d'exonérations en application de cet article.]1
[3 § 6. Le véhicule exonéré est inclus dans une liste de véhicules exonérés par l'administration flamande. Cette liste est tenue et mise à jour conformément aux règles applicables en matière de protection des données à caractère personnel.]3
1° qui sont exonérés du prélèvement en Région wallonne ou dans la Région de Bruxelles-Capitale conformément aux dispositions en vigueur dans ces régions ;
2° qui sont utilisés exclusivement pour et par la défense, la protection civile, les services d'incendie et de police, et sont reconnaissables en tant que tel ;
3° qui sont équipés spécialement et exclusivement à des fins médicales et sont reconnaissables en tant que tel ;
4° de type agricole, horticole ou forestier, qui ne sont utilisés que de manière limitée sur la voie publique en Belgique et qui sont exclusivement utilisés pour l'agriculture, l'horticulture, l'aquaculture et la sylviculture.
§ 2. Les exonérations, visées au paragraphe 1er, 2° à 4° inclus, ne peuvent être octroyées que si elles sont demandées avant le début de la période imposable et ne prendront effet à partir de la période imposable suivant l'octroi de l'exonération.
§ 3. [2 Le détenteur d'un véhicule tel que visé au paragraphe 1er, 2° à 4°, dont le domicile ou le siège est situé sur le territoire de la Région flamande, demande l'exonération visée au paragraphe 1er, 2° à 4° auprès de l'entité compétente de l'administration flamande.]2
[2 ...]2
Le détenteur d'un véhicule, tel que visé au paragraphe 1er, 2° à 4° inclus, qui ne doit pas être immatriculé en Belgique, adresse sa demande d'exonération à Viapass.
§ 4. Les exonérations visées au paragraphe 1er sont valides pour autant qu'il a été satisfait aux conditions du présent article.
§ 5. L'entité compétente de l'administration flamande notifie Viapass sans délai des véhicules qui bénéficient d'exonérations en application de cet article.]1
[3 § 6. Le véhicule exonéré est inclus dans une liste de véhicules exonérés par l'administration flamande. Cette liste est tenue et mise à jour conformément aux règles applicables en matière de protection des données à caractère personnel.]3
Afdeling 7. - Wijze van heffing
Section 7. - Modalités de perception
Art. 2.4.7.0.1. [1 De heffing wordt geheven in overeenstemming met artikel 3.3.2.0.1, eerste lid, 10°, en tweede lid, 6°.]1
Art. 2.4.7.0.1. [1 Le prélèvement est établi conformément à l'article 3.3.2.0.1, alinéa premier, 10°, et alinéa deux, 6°.]1
Hoofdstuk 5. [1 - Heffing ongeschikte en onbewoonbare woningen]1
Chapitre 5. [1 - Taxe sur les habitations inadaptées et inhabitables]1
Afdeling 1. - Belastbaar voorwerp
Section 1re. - Objet imposable
Art. 2.5.1.0.1. [1 § 1. De gemeenten zijn gemachtigd tot het heffen van een gemeentelijke heffing op ongeschikte en/of onbewoonbare woningen die opgenomen zijn in de inventaris, rekening houdend met het minimale voorschrift dat de minimumaanslag bedraagt:
a) 500 euro voor een kamer als vermeld in [3 artikel 1.3, § 1, eerste lid, 25°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021]3;
b) 990 euro voor elke andere woning dan deze, vermeld in a).
§ 2. De gemeente geeft vóór 31 maart van het aanslagjaar aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kennis over de heffing, vermeld in paragraaf 1, aan de hand van een voor eensluidend verklaard afschrift van het gemeenteraadsbesluit.
§ 3. Er wordt een gewestelijke heffing ongeschikte en onbewoonbare woningen geheven op ongeschikte en onbewoonbare woningen die opgenomen zijn in de inventaris. Als de gemeente een eigen heffingsreglement heeft dat minstens één van de minima voorziet vermeld in paragraaf 1, dan wordt in die gemeente de gewestelijke heffing ongeschikte en onbewoonbare woningen niet geheven.]1
[2 Voor de toepassing van het eerste lid geldt, behalve in geval van sloop, het vermoeden dat de woning die is opgenomen in de inventaris, vermeld in [4 artikel 3.19, § 1, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021]4, ononderbroken is blijven voortbestaan vanaf datum van de opname in de inventaris tot op de datum van de schrapping uit deze inventaris met toepassing van [4 artikel 3.23]4. Dit vermoeden kan slechts worden weerlegd wanneer de woning ophield voort te bestaan na het uitvoeren van handelingen waarvoor een omgevingsvergunning werd afgeleverd.]2
a) 500 euro voor een kamer als vermeld in [3 artikel 1.3, § 1, eerste lid, 25°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021]3;
b) 990 euro voor elke andere woning dan deze, vermeld in a).
§ 2. De gemeente geeft vóór 31 maart van het aanslagjaar aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kennis over de heffing, vermeld in paragraaf 1, aan de hand van een voor eensluidend verklaard afschrift van het gemeenteraadsbesluit.
§ 3. Er wordt een gewestelijke heffing ongeschikte en onbewoonbare woningen geheven op ongeschikte en onbewoonbare woningen die opgenomen zijn in de inventaris. Als de gemeente een eigen heffingsreglement heeft dat minstens één van de minima voorziet vermeld in paragraaf 1, dan wordt in die gemeente de gewestelijke heffing ongeschikte en onbewoonbare woningen niet geheven.]1
[2 Voor de toepassing van het eerste lid geldt, behalve in geval van sloop, het vermoeden dat de woning die is opgenomen in de inventaris, vermeld in [4 artikel 3.19, § 1, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021]4, ononderbroken is blijven voortbestaan vanaf datum van de opname in de inventaris tot op de datum van de schrapping uit deze inventaris met toepassing van [4 artikel 3.23]4. Dit vermoeden kan slechts worden weerlegd wanneer de woning ophield voort te bestaan na het uitvoeren van handelingen waarvoor een omgevingsvergunning werd afgeleverd.]2
Art. 2.5.1.0.1. [1 § 1er. Les communes sont autorisées à lever une taxe communale sur les habitations inadaptées et/ou inhabitables reprises dans l'inventaire, compte tenu de la condition de redevance minimale, qui est égale à :
a) 500 euros pour une pièce telle que visée à [3 l'article 1.3, § 1er, alinéa 1er, 25°, du Code flamand du Logement de 2021]3 ;
b) 990 euros pour toute habitation autre que celles visées au point a).
§ 2. Avant le 31 mars de l'année d'imposition, la commune informe l'autorité compétente de l'administration flamande du prélèvement visé au paragraphe premier, au moyen d'une copie déclarée conforme de la décision du conseil communal.
§ 3. Il est prélevé une taxe sur les habitations inadaptées et insalubres qui sont reprises dans l'inventaire. Lorsque la commune applique un propre règlement-taxe prévoyant au moins un des minima visés au paragraphe 1er, la taxe régionale sur les habitations inadaptées et insalubres n'est pas prélevée dans cette commune.]1
[2 Pour l'application de l'alinéa 1er, la présomption vaut, sauf en cas de démolition, que l'habitation reprise dans l'inventaire visé à [4 l'article 3.19, § 1er, du Code flamand du Logement de 2021]4, a subsisté sans interruption à partir de la date de reprise dans l'inventaire jusqu'à la date de radiation de cet inventaire en application de [4 l'article 3.23]4. Cette présomption ne peut être réfutée que lorsque l'habitation a cessé de subsister après l'exécution d'actes pour lesquels un permis d'environnement a été délivré.]2
a) 500 euros pour une pièce telle que visée à [3 l'article 1.3, § 1er, alinéa 1er, 25°, du Code flamand du Logement de 2021]3 ;
b) 990 euros pour toute habitation autre que celles visées au point a).
§ 2. Avant le 31 mars de l'année d'imposition, la commune informe l'autorité compétente de l'administration flamande du prélèvement visé au paragraphe premier, au moyen d'une copie déclarée conforme de la décision du conseil communal.
§ 3. Il est prélevé une taxe sur les habitations inadaptées et insalubres qui sont reprises dans l'inventaire. Lorsque la commune applique un propre règlement-taxe prévoyant au moins un des minima visés au paragraphe 1er, la taxe régionale sur les habitations inadaptées et insalubres n'est pas prélevée dans cette commune.]1
[2 Pour l'application de l'alinéa 1er, la présomption vaut, sauf en cas de démolition, que l'habitation reprise dans l'inventaire visé à [4 l'article 3.19, § 1er, du Code flamand du Logement de 2021]4, a subsisté sans interruption à partir de la date de reprise dans l'inventaire jusqu'à la date de radiation de cet inventaire en application de [4 l'article 3.23]4. Cette présomption ne peut être réfutée que lorsque l'habitation a cessé de subsister après l'exécution d'actes pour lesquels un permis d'environnement a été délivré.]2
Afdeling 2. - Belastingplichtigen
Section 2. - Contribuables
Art. 2.5.2.0.1. De belastingplichtige van de heffing is degene die de houder is van een van de volgende zakelijke rechten met betrekking tot [1 ...]1 een woning op het ogenblik dat elke opeenvolgende periode van twaalf maanden na de opname in de inventaris verstreken is :
1° de volle eigendom;
2° het recht van opstal of van erfpacht;
3° het vruchtgebruik.
Als een van de zakelijke rechten, vermeld in het eerste lid, in onverdeeldheid toebehoort aan meer dan één persoon, geldt de onverdeeldheid als belastingplichtige.
[2 ...]2
1° de volle eigendom;
2° het recht van opstal of van erfpacht;
3° het vruchtgebruik.
Als een van de zakelijke rechten, vermeld in het eerste lid, in onverdeeldheid toebehoort aan meer dan één persoon, geldt de onverdeeldheid als belastingplichtige.
[2 ...]2
Art. 2.5.2.0.1. Le contribuable de la taxe est celui qui est le titulaire d'un des droits réels suivants relatifs [1 ...]1 à une habitation au moment de l'échéance de chaque période consécutive de douze mois suivant la reprise dans l'inventaire :
1° la pleine propriété;
2° le droit de superficie ou d'emphytéose;
3° l'usufruit;
Lorsqu'un des droits réels, visés à l'alinéa premier, appartient en indivision à plus d'une personne, l'indivision tient lieu de contribuable.
[2 ...]2
1° la pleine propriété;
2° le droit de superficie ou d'emphytéose;
3° l'usufruit;
Lorsqu'un des droits réels, visés à l'alinéa premier, appartient en indivision à plus d'une personne, l'indivision tient lieu de contribuable.
[2 ...]2
Afdeling 3. - Belastbare grondslag
Section 3. - Base imposable
Art. 2.5.3.0.1. [1 De heffing wordt vastgesteld op een basisbedrag van 1100 euro.
[3 Het basisbedrag, vermeld in het eerste lid, wordt met ingang van 1 januari 2022 jaarlijks geïndexeerd op 1 januari met behulp van de coëfficiënt die wordt verkregen door het algemene indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk voor de maand november van het vorige jaar te delen door het algemene indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk voor de maand november van het jaar 2020.]3
Het aangepast basisbedrag, vermeld in het tweede lid, wordt afgerond op de lagere vijftig euro.]1
[3 Het basisbedrag, vermeld in het eerste lid, wordt met ingang van 1 januari 2022 jaarlijks geïndexeerd op 1 januari met behulp van de coëfficiënt die wordt verkregen door het algemene indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk voor de maand november van het vorige jaar te delen door het algemene indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk voor de maand november van het jaar 2020.]3
Het aangepast basisbedrag, vermeld in het tweede lid, wordt afgerond op de lagere vijftig euro.]1
Art. 2.5.3.0.1. [1 La taxe est fixée sur un montant de base de 1100 euros.
[3 Le montant de base, visé à l'alinéa 1er, est indexé annuellement au 1er janvier, à partir du 1er janvier 2022, au moyen du coefficient obtenu par la division de l'indice général des prix à la consommation du Royaume pour le mois de novembre de l'année précédente par l'indice général des prix à la consommation du Royaume pour le mois de novembre de l'année 2020.]3
Le montant de base adapté, visé à l'alinéa 2, est arrondi aux 50 euros inférieurs.]1
[3 Le montant de base, visé à l'alinéa 1er, est indexé annuellement au 1er janvier, à partir du 1er janvier 2022, au moyen du coefficient obtenu par la division de l'indice général des prix à la consommation du Royaume pour le mois de novembre de l'année précédente par l'indice général des prix à la consommation du Royaume pour le mois de novembre de l'année 2020.]3
Le montant de base adapté, visé à l'alinéa 2, est arrondi aux 50 euros inférieurs.]1
Afdeling 4. - Tarieven
Section 4. - Tarifs
Art. 2.5.4.0.1. [1 De heffing wordt berekend volgens de volgende formule: B * (P + 1), waarbij:
- B gelijk is aan het geïndexeerd basisbedrag, vermeld in artikel 2.5.3.0.1, afgerond naar het eerstvolgende natuurlijk getal;
- P gelijk is aan het aantal periodes van twaalf maanden dat de woning zonder onderbreking is opgenomen op de desbetreffende lijst in de inventaris, vermeld in [2 artikel 3.19, § 1, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021]2, en waarbij P niet meer bedraagt dan vier.]1
- B gelijk is aan het geïndexeerd basisbedrag, vermeld in artikel 2.5.3.0.1, afgerond naar het eerstvolgende natuurlijk getal;
- P gelijk is aan het aantal periodes van twaalf maanden dat de woning zonder onderbreking is opgenomen op de desbetreffende lijst in de inventaris, vermeld in [2 artikel 3.19, § 1, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021]2, en waarbij P niet meer bedraagt dan vier.]1
Art. 2.5.4.0.1. [1 La taxe est calculée selon la formule suivante : B * (P + 1), où :
- B est égal au montant de base indexé, visé à l'article 2.5.3.0.1, arrondi au nombre naturel suivant ;
- P est égal au nombre de périodes de douze mois que l'habitation est reprise sans interruption dans la liste concernée de l'inventaire, visé à [2 l'article 3.19, § 1er, du Code flamand du Logement de 2021]2, où P n'est pas supérieur à quatre.]1
- B est égal au montant de base indexé, visé à l'article 2.5.3.0.1, arrondi au nombre naturel suivant ;
- P est égal au nombre de périodes de douze mois que l'habitation est reprise sans interruption dans la liste concernée de l'inventaire, visé à [2 l'article 3.19, § 1er, du Code flamand du Logement de 2021]2, où P n'est pas supérieur à quatre.]1
Art. 2.5.4.0.2. [1 Met toepassing van artikel 464/1, 2°, van het federale WIB 92 mogen de provincies, de agglomeraties en de gemeenten opcentiemen heffen op de [2 heffing ongeschikte en onbewoonbare woningen]2.]1
Art. 2.5.4.0.2. [1 En application de l'article 464/1, 2°, du CIR fédéral 92, les provinces, les agglomérations et les communes peuvent percevoir des centimes additionnels sur la [2 taxe sur les habitations inadaptées et insalubres]2.]1
Afdeling 5. - Verminderingen
Section 5. - Réductions
Art. 2.5.5.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.
Art. 2.5.5.0.1. Réservé pour un usage futur
Afdeling 6. - Vrijstellingen
Section 6. - Exonérations
Art. 2.5.6.0.1. De houder van een zakelijk recht wordt vrijgesteld van de heffing als hij [1 ...]1 de woning volledig en uitsluitend gebruikt als zijn hoofdverblijfplaats en als hij niet over een andere woning beschikt.
Art. 2.5.6.0.1. Le titulaire d'un droit réel est exonéré de la taxe lorsqu'il utilise [1 ...]1 l'habitation totalement et exclusivement comme sa résidence principale et lorsqu'il ne dispose pas d'une autre habitation.
Art. 2.5.6.0.2. § 1. De houder van een zakelijk recht wordt vrijgesteld van de heffing op :
1° [2 ...]2 de woningen die binnen de grenzen liggen van een door de bevoegde overheid goedgekeurd onteigeningsplan of waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning meer wordt afgeleverd omdat een onteigeningsplan wordt voorbereid;
2° [1 ...]1
3° [2 ...]2 de woningen die getroffen zijn door een ramp die zich heeft voorgedaan onafhankelijk van de wil van de belastingplichtige, gedurende een periode van twee jaar die volgt op de datum van de ramp;
4° [2 ...]2 de woningen waarvoor het sociaal beheersrecht conform [4 artikel 5.82 tot 5.85 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021]4, ingesteld is;
5° de woningen waarvoor een renovatiecontract als vermeld in [4 artikel 3.30, § 2, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021]4 gesloten is;
[5 6° de woningen geheel of gedeeltelijk verkregen bij erfopvolging of testament, gedurende een periode van twee jaar die volgt op de datum van de verkrijging.]5
Onder een ramp als vermeld in het eerste lid, 3°, wordt verstaan elke gebeurtenis die uiterlijk waarneembare schade veroorzaakt aan [2 ...]2 de woning, waardoor het gebruik of de bewoning van [2 ...]2 de woning geheel of ten dele onmogelijk wordt.
§ 2. Er wordt een vrijstelling van de heffing wegens overmacht verleend aan de houder van het zakelijk recht die aantoont dat de woning [3 ...]3 opgenomen blijft in de inventaris om redenen die onafhankelijk zijn van zijn wil. Die vrijstelling wordt verleend voor een termijn van één jaar, maar wordt jaarlijks verlengd als de overmacht aanhoudt.
De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen om de gevallen van overmacht te beoordelen en om de aanvang van de termijn van de vrijstelling te bepalen.
1° [2 ...]2 de woningen die binnen de grenzen liggen van een door de bevoegde overheid goedgekeurd onteigeningsplan of waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning meer wordt afgeleverd omdat een onteigeningsplan wordt voorbereid;
2° [1 ...]1
3° [2 ...]2 de woningen die getroffen zijn door een ramp die zich heeft voorgedaan onafhankelijk van de wil van de belastingplichtige, gedurende een periode van twee jaar die volgt op de datum van de ramp;
4° [2 ...]2 de woningen waarvoor het sociaal beheersrecht conform [4 artikel 5.82 tot 5.85 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021]4, ingesteld is;
5° de woningen waarvoor een renovatiecontract als vermeld in [4 artikel 3.30, § 2, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021]4 gesloten is;
[5 6° de woningen geheel of gedeeltelijk verkregen bij erfopvolging of testament, gedurende een periode van twee jaar die volgt op de datum van de verkrijging.]5
Onder een ramp als vermeld in het eerste lid, 3°, wordt verstaan elke gebeurtenis die uiterlijk waarneembare schade veroorzaakt aan [2 ...]2 de woning, waardoor het gebruik of de bewoning van [2 ...]2 de woning geheel of ten dele onmogelijk wordt.
§ 2. Er wordt een vrijstelling van de heffing wegens overmacht verleend aan de houder van het zakelijk recht die aantoont dat de woning [3 ...]3 opgenomen blijft in de inventaris om redenen die onafhankelijk zijn van zijn wil. Die vrijstelling wordt verleend voor een termijn van één jaar, maar wordt jaarlijks verlengd als de overmacht aanhoudt.
De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen om de gevallen van overmacht te beoordelen en om de aanvang van de termijn van de vrijstelling te bepalen.
Änderungen
Art. 2.5.6.0.2. § 1er. Le titulaire d'un droit réel est exonéré de la taxe sur :
1° [2 ...]2 les habitations situées dans le périmètre d'un plan d'expropriation approuvé par l'autorité compétente ou pour lesquels une autorisation urbanistique n'est plus délivrée parce qu'un plan d'expropriation est en cours de préparation;
2° [1 ...]1
3° les [2 ...]2 habitations ayant subi un sinistre qui est survenu indépendamment de la volonté du contribuable, pendant une période de deux ans à compter de la date du sinistre;
4° [2 ...]2 les habitations pour lesquelles le droit de gestion sociale a été établi, conformément [4 aux articles 5.82 à 5.85 du Code flamand du Logement de 2021]4;
5° les habitations pour lesquelles il a été conclu un contrat de rénovation, tel que visé à [4 l'article 3.30, § 2, du Code flamand du Logement de 2021]4;
[5 6° les logements recueillis, en tout ou en partie, par dévolution successorale ou testamentaire pendant une période de deux ans suivant la date de l'acquisition.]5
Par un sinistre, tel que visé à l'alinéa premier, 3°, on entend tout événement qui cause des dégâts extérieurs visibles [2 ...]2 à l'habitation, rendant l'utilisation ou l'habitation [2 ...]2 de l'habitation totalement ou en partie impossible.
§ 2. Une exonération de la taxe en cas de force majeure est accordée au titulaire du droit réel qui démontre que l'habitation [3 ...]3 reste repris dans l'inventaire pour des raisons indépendantes de sa volonté. Cette exonération est accordée pour un délai d'un an, mais est prolongée annuellement lorsque le cas de force majeure persiste.
Le Gouvernement flamand peut fixer des modalités pour évaluer les cas de force majeure et pour déterminer le début du délai de l'exonération.
1° [2 ...]2 les habitations situées dans le périmètre d'un plan d'expropriation approuvé par l'autorité compétente ou pour lesquels une autorisation urbanistique n'est plus délivrée parce qu'un plan d'expropriation est en cours de préparation;
2° [1 ...]1
3° les [2 ...]2 habitations ayant subi un sinistre qui est survenu indépendamment de la volonté du contribuable, pendant une période de deux ans à compter de la date du sinistre;
4° [2 ...]2 les habitations pour lesquelles le droit de gestion sociale a été établi, conformément [4 aux articles 5.82 à 5.85 du Code flamand du Logement de 2021]4;
5° les habitations pour lesquelles il a été conclu un contrat de rénovation, tel que visé à [4 l'article 3.30, § 2, du Code flamand du Logement de 2021]4;
[5 6° les logements recueillis, en tout ou en partie, par dévolution successorale ou testamentaire pendant une période de deux ans suivant la date de l'acquisition.]5
Par un sinistre, tel que visé à l'alinéa premier, 3°, on entend tout événement qui cause des dégâts extérieurs visibles [2 ...]2 à l'habitation, rendant l'utilisation ou l'habitation [2 ...]2 de l'habitation totalement ou en partie impossible.
§ 2. Une exonération de la taxe en cas de force majeure est accordée au titulaire du droit réel qui démontre que l'habitation [3 ...]3 reste repris dans l'inventaire pour des raisons indépendantes de sa volonté. Cette exonération est accordée pour un délai d'un an, mais est prolongée annuellement lorsque le cas de force majeure persiste.
Le Gouvernement flamand peut fixer des modalités pour évaluer les cas de force majeure et pour déterminer le début du délai de l'exonération.
Änderungen
Art. 2.5.6.0.3. [1 De Vlaamse Regering kan nadere procedurele regels vaststellen voor de aanvraag en de toekenning van vrijstellingen als vermeld in artikel 2.5.6.0.1 en 2.5.6.0.2.]1
Art. 2.5.6.0.3. [1 Le Gouvernement flamand peut arrêter des règles procédurales pour la demande et l'octroi d'exonérations telles que visées aux articles 2.5.6.0.1 et 2.5.6.0.2.]1
Afdeling 7. - Wijze van heffing
Section 7. - Modalités de perception
Art. 2.5.7.0.1. De heffing is verschuldigd als [1 ...]1 de woning gedurende twaalf opeenvolgende maanden is opgenomen in de inventaris.
Zolang [1 ...]1 de woning niet is geschrapt uit de inventaris, blijft de heffing verschuldigd bij het verstrijken van elke opeenvolgende periode van twaalf maanden, conform artikel 2.5.4.0.1 en artikel 3.3.2.0.1, eerste lid, 6°, en tweede lid, 5°.
Zolang [1 ...]1 de woning niet is geschrapt uit de inventaris, blijft de heffing verschuldigd bij het verstrijken van elke opeenvolgende periode van twaalf maanden, conform artikel 2.5.4.0.1 en artikel 3.3.2.0.1, eerste lid, 6°, en tweede lid, 5°.
Art. 2.5.7.0.1. La taxe est due lorsque [1 ...]1 l'habitation est repris(e) dans l'inventaire pendant douze mois consécutifs.
Tant que [1 ...]1 l'habitation n'est pas rayée de l'inventaire, la taxe reste due à l'échéance de chaque période consécutive de douze mois, conformément à l'article 2.5.4.0.1 et à l'article 3.3.2.0.1, alinéa premier, 6°, et alinéa deux, 5°.
Tant que [1 ...]1 l'habitation n'est pas rayée de l'inventaire, la taxe reste due à l'échéance de chaque période consécutive de douze mois, conformément à l'article 2.5.4.0.1 et à l'article 3.3.2.0.1, alinéa premier, 6°, et alinéa deux, 5°.
Art. 2.5.7.0.2. Aan de verkrijger van een zakelijk recht als vermeld in artikel 2.5.2.0.1, wordt een opschorting van de heffing verleend gedurende een periode van twee jaar die volgt op de volledige overdracht van het gebouw of de woning, op voorwaarde dat in de loop van de voormelde periode geen nieuwe overdracht plaatsvindt, en zich een van de twee volgende gevallen voordoet :
1° [1 ...]1 de woning wordt in de loop van de voormelde periode geschrapt uit de inventaris;
2° bij het verstrijken van de voormelde periode loopt een periode van vrijstelling op grond van artikel 2.5.6.0.1 of 2.5.6.0.2, of loopt een periode van opschorting op grond van artikel 2.5.7.0.3, en die opschorting wordt achteraf niet ongedaan gemaakt.
De opschorting, vermeld in het eerste lid, geldt niet voor de volgende overdrachten :
1° de overdracht aan vennootschappen die door de overdrager rechtstreeks of onrechtstreeks in rechten of in feiten gecontroleerd worden;
2° de overdracht die het gevolg is van een fusie, splitsing of een andere overgang onder algemene titel ;
3° de overdracht aan bloed- en aanverwanten tot en met de derde graad [2 ...]2.
1° [1 ...]1 de woning wordt in de loop van de voormelde periode geschrapt uit de inventaris;
2° bij het verstrijken van de voormelde periode loopt een periode van vrijstelling op grond van artikel 2.5.6.0.1 of 2.5.6.0.2, of loopt een periode van opschorting op grond van artikel 2.5.7.0.3, en die opschorting wordt achteraf niet ongedaan gemaakt.
De opschorting, vermeld in het eerste lid, geldt niet voor de volgende overdrachten :
1° de overdracht aan vennootschappen die door de overdrager rechtstreeks of onrechtstreeks in rechten of in feiten gecontroleerd worden;
2° de overdracht die het gevolg is van een fusie, splitsing of een andere overgang onder algemene titel ;
3° de overdracht aan bloed- en aanverwanten tot en met de derde graad [2 ...]2.
Art. 2.5.7.0.2. Il est accordé à l'acquéreur d'un droit réel, tel que visé à l'article 2.5.2.0.1, une suspension de la taxe pendant une période de deux ans suivant le transfert total du bâtiment ou de l'habitation, à condition qu'au cours de la période précitée aucun nouveau transfert n'ait lieu, et qu'un des deux cas suivants se présente :
1° [1 ...]1 l'habitation est rayé de l'inventaire au cours de la période précitée;
2° à l'échéance de la période précitée expire une période d'exonération en vertu de l'article 2.5.6.0.1 ou 2.5.6.0.2, ou expire une période de suspension en vertu de l'article 2.5.7.0.3, et cette suspension n'est pas annulée par la suite.
La suspension, visée à l'alinéa premier, ne s'applique pas aux transferts suivants :
1° le transfert à des sociétés qui sont contrôlées directement ou indirectement, de droit ou de fait, par le cédant;
2° le transfert qui est la conséquence d'une fusion, d'une division ou d'une autre transition à titre général;
3° le transfert à des parents et des apparentés jusqu'au troisième degré compris [2 ...]2.
1° [1 ...]1 l'habitation est rayé de l'inventaire au cours de la période précitée;
2° à l'échéance de la période précitée expire une période d'exonération en vertu de l'article 2.5.6.0.1 ou 2.5.6.0.2, ou expire une période de suspension en vertu de l'article 2.5.7.0.3, et cette suspension n'est pas annulée par la suite.
La suspension, visée à l'alinéa premier, ne s'applique pas aux transferts suivants :
1° le transfert à des sociétés qui sont contrôlées directement ou indirectement, de droit ou de fait, par le cédant;
2° le transfert qui est la conséquence d'une fusion, d'une division ou d'une autre transition à titre général;
3° le transfert à des parents et des apparentés jusqu'au troisième degré compris [2 ...]2.
Art. 2.5.7.0.3. [1 Er wordt een opschorting van de heffing verleend zodra de belastingplichtige:
- een omgevingsvergunning tot sloop of een schriftelijke bevestiging van de volledig bevonden aanvraag voor een omgevingsvergunning tot sloop, opgemaakt door de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar, voorlegt;
- een gedetailleerd renovatieschema voorlegt waaruit blijkt dat hij de nodige renovatiewerken zal uitvoeren met het oog op het herstel van de conformiteit, vermeld in [2 artikel 1.3, § 1, eerste lid, 8°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021]2.
Het gedetailleerde renovatieschema bevat al de volgende stukken:
1° een tekening of schets van de woning met aanduiding van de geplande werken;
2° een volledige opsomming en korte beschrijving van alle geplande werken;
3° een raming van de kosten van de geplande werken via een van de volgende stukken:
a) een offerte voor de levering en plaatsing van materialen door een aannemer;
b) een offerte voor de levering van materialen als de werken in eigen beheer worden uitgevoerd;
c) een combinatie van beide offertes;
4° een fotoreportage van de delen van de woning die gerenoveerd worden.
De opschorting geldt voor de heffingen die verschuldigd zijn op de inventarisatiedata die in de periode van opschorting vallen.
De periode van opschorting eindigt op het moment dat de renovatiewerkzaamheden beëindigd zijn of de sloop voltooid is. Ze kan niet langer duren dan twee jaar, tenzij de belastingplichtige aantoont dat voor het herstel van de conformiteit, vermeld in het eerste lid, een omgevingsvergunning noodzakelijk is of tenzij de werken betrekking hebben op drie of meer gebouwen of woningen, of zo omvangrijk zijn dat ze niet kunnen worden voltooid in twee jaar. In die gevallen bedraagt de maximale periode vier jaar.
De opschorting wordt ongedaan gemaakt als de ongeschikte en/of onbewoonbare woning op het einde van de periode van opschorting of op het ogenblik van de overdracht van een zakelijk recht als vermeld in artikel 2.5.2.0.1, niet uit de inventaris geschrapt is, tenzij op dat ogenblik een periode van vrijstelling loopt met toepassing van artikel 2.5.6.0.1 of 2.5.6.0.2. De opschorting wordt ook ongedaan gemaakt als de aanvraag van een omgevingsvergunning tot sloop geweigerd wordt. De opgeschorte heffingen zijn in die gevallen alsnog verschuldigd.
Als de renovatiewerkzaamheden of de sloop worden uitgevoerd door een sociale woonorganisatie, de gemeente of het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn, dan kan de termijn, vermeld in het vierde lid, door de Vlaamse Regering worden verlengd op grond van een verslag over de voorbereiding of de vordering van de werkzaamheden.]1
- een omgevingsvergunning tot sloop of een schriftelijke bevestiging van de volledig bevonden aanvraag voor een omgevingsvergunning tot sloop, opgemaakt door de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar, voorlegt;
- een gedetailleerd renovatieschema voorlegt waaruit blijkt dat hij de nodige renovatiewerken zal uitvoeren met het oog op het herstel van de conformiteit, vermeld in [2 artikel 1.3, § 1, eerste lid, 8°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021]2.
Het gedetailleerde renovatieschema bevat al de volgende stukken:
1° een tekening of schets van de woning met aanduiding van de geplande werken;
2° een volledige opsomming en korte beschrijving van alle geplande werken;
3° een raming van de kosten van de geplande werken via een van de volgende stukken:
a) een offerte voor de levering en plaatsing van materialen door een aannemer;
b) een offerte voor de levering van materialen als de werken in eigen beheer worden uitgevoerd;
c) een combinatie van beide offertes;
4° een fotoreportage van de delen van de woning die gerenoveerd worden.
De opschorting geldt voor de heffingen die verschuldigd zijn op de inventarisatiedata die in de periode van opschorting vallen.
De periode van opschorting eindigt op het moment dat de renovatiewerkzaamheden beëindigd zijn of de sloop voltooid is. Ze kan niet langer duren dan twee jaar, tenzij de belastingplichtige aantoont dat voor het herstel van de conformiteit, vermeld in het eerste lid, een omgevingsvergunning noodzakelijk is of tenzij de werken betrekking hebben op drie of meer gebouwen of woningen, of zo omvangrijk zijn dat ze niet kunnen worden voltooid in twee jaar. In die gevallen bedraagt de maximale periode vier jaar.
De opschorting wordt ongedaan gemaakt als de ongeschikte en/of onbewoonbare woning op het einde van de periode van opschorting of op het ogenblik van de overdracht van een zakelijk recht als vermeld in artikel 2.5.2.0.1, niet uit de inventaris geschrapt is, tenzij op dat ogenblik een periode van vrijstelling loopt met toepassing van artikel 2.5.6.0.1 of 2.5.6.0.2. De opschorting wordt ook ongedaan gemaakt als de aanvraag van een omgevingsvergunning tot sloop geweigerd wordt. De opgeschorte heffingen zijn in die gevallen alsnog verschuldigd.
Als de renovatiewerkzaamheden of de sloop worden uitgevoerd door een sociale woonorganisatie, de gemeente of het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn, dan kan de termijn, vermeld in het vierde lid, door de Vlaamse Regering worden verlengd op grond van een verslag over de voorbereiding of de vordering van de werkzaamheden.]1
Art. 2.5.7.0.3. [1 Une exonération de la taxe est prévue dès que le contribuable :
- présente un permis d'environnement de démolition ou une confirmation écrite de la demande estimée complète d'un permis d'environnement de démolition, établie par le fonctionnaire urbanistique communal ;
- présente un schéma de rénovation détaillé dont il ressort qu'il effectuera les travaux de rénovation nécessaires en vue de la réparation de la conformité, visée à [2 l'article 1.3, § 1er, alinéa 1er, 8°, du Code flamand du Logement de 2021]2.
Le schéma de rénovation détaillé comprend les documents suivants :
1° un dessin ou plan de l'habitation avec indication des travaux envisagés ;
2° une énumération complète et une description brève de tous les travaux envisagés ;
3° une estimation des frais des travaux envisagés au moyen d'un des documents suivants :
a) une offre pour la fourniture et pose de matériaux par un entrepreneur ;
b) une offre pour la livraison de matériaux lorsque les travaux sont exécutés en gestion propre ;
c) une combinaison des deux offres ;
4° un reportage photographique des parties de l'habitation qui sont rénovées.
La suspension s'applique aux taxes dues aux dates d'inventaire tombant dans la période de suspension.
La période de suspension prend fin au moment que les travaux de rénovation sont terminés ou que la démolition est achevée. Elle ne peut pas dépasser deux ans, sauf si le contribuable démontre qu'un permis d'environnement est nécessaire pour la réparation de la conformité visée à l'alinéa 1er, ou si les travaux concernent trois bâtiments ou habitations ou plus, ou sont tellement importants qu'ils ne peuvent pas être achevés en deux ans. Dans ces cas, la période maximale est de quatre ans.
La suspension est annulée si l'habitation inadéquate et/ou inhabitable n'est pas radiée de l'inventaire à la fin de la période de suspension ou au moment du transfert d'un droit réel tel que visé à l'article 2.5.2.0.1, sauf si une période d'exonération est en cours à ce moment-là, en application de l'article 2.5.6.0.1 ou 2.5.6.0.2. La suspension est également annulée lorsque la demande d'un permis d'environnement de démolition est refusée. Dans ces cas, les taxes suspendues sont tout de même dues.
Lorsque les travaux de rénovation ou la démolition sont exécutés par une organisation de logement social, la commune ou le Centre public d'Aide sociale, le délai visé à l'alinéa 4 peut être prolongé par le Gouvernement flamand sur la base d'un rapport relatif à la préparation ou à l'avancement des travaux.]1
- présente un permis d'environnement de démolition ou une confirmation écrite de la demande estimée complète d'un permis d'environnement de démolition, établie par le fonctionnaire urbanistique communal ;
- présente un schéma de rénovation détaillé dont il ressort qu'il effectuera les travaux de rénovation nécessaires en vue de la réparation de la conformité, visée à [2 l'article 1.3, § 1er, alinéa 1er, 8°, du Code flamand du Logement de 2021]2.
Le schéma de rénovation détaillé comprend les documents suivants :
1° un dessin ou plan de l'habitation avec indication des travaux envisagés ;
2° une énumération complète et une description brève de tous les travaux envisagés ;
3° une estimation des frais des travaux envisagés au moyen d'un des documents suivants :
a) une offre pour la fourniture et pose de matériaux par un entrepreneur ;
b) une offre pour la livraison de matériaux lorsque les travaux sont exécutés en gestion propre ;
c) une combinaison des deux offres ;
4° un reportage photographique des parties de l'habitation qui sont rénovées.
La suspension s'applique aux taxes dues aux dates d'inventaire tombant dans la période de suspension.
La période de suspension prend fin au moment que les travaux de rénovation sont terminés ou que la démolition est achevée. Elle ne peut pas dépasser deux ans, sauf si le contribuable démontre qu'un permis d'environnement est nécessaire pour la réparation de la conformité visée à l'alinéa 1er, ou si les travaux concernent trois bâtiments ou habitations ou plus, ou sont tellement importants qu'ils ne peuvent pas être achevés en deux ans. Dans ces cas, la période maximale est de quatre ans.
La suspension est annulée si l'habitation inadéquate et/ou inhabitable n'est pas radiée de l'inventaire à la fin de la période de suspension ou au moment du transfert d'un droit réel tel que visé à l'article 2.5.2.0.1, sauf si une période d'exonération est en cours à ce moment-là, en application de l'article 2.5.6.0.1 ou 2.5.6.0.2. La suspension est également annulée lorsque la demande d'un permis d'environnement de démolition est refusée. Dans ces cas, les taxes suspendues sont tout de même dues.
Lorsque les travaux de rénovation ou la démolition sont exécutés par une organisation de logement social, la commune ou le Centre public d'Aide sociale, le délai visé à l'alinéa 4 peut être prolongé par le Gouvernement flamand sur la base d'un rapport relatif à la préparation ou à l'avancement des travaux.]1
Art. 2.5.7.0.4. [1 De Vlaamse Regering kan nadere procedurele regels vaststellen voor de aanvraag en de toekenning van opschortingen als vermeld in artikel 2.5.7.0.2 en 2.5.7.0.3.]1
Art. 2.5.7.0.4. [1 Le Gouvernement flamand peut arrêter des règles procédurales pour la demande et l'octroi de suspensions telles que visées aux articles 2.5.7.0.2 et 2.5.7.0.3.]1
Hoofdstuk 6. - Leegstandsheffing bedrijfsruimten
Chapitre 6. - Taxe sur les sites d'activité économique désaffectés
Afdeling 1. - Belastbaar voorwerp
Section 1re. - Objet imposable
Art. 2.6.1.0.1. Er wordt een leegstandsheffing geheven op de bedrijfsruimten die opgenomen zijn in de inventaris.
Art. 2.6.1.0.1. Une taxe d'inoccupation est prélevée sur les sites d'activité économique repris dans l'inventaire.
Afdeling 2. - Belastingplichtigen
Section 2.-. Contribuables
Art. 2.6.2.0.1. De belastingplichtige is degene die op 1 januari van het aanslagjaar eigenaar is van de bedrijfsgebouwen die onderworpen zijn aan de heffing.
Art. 2.6.2.0.1. Le contribuable est celui qui, le 1er janvier de l'année d'imposition, est le propriétaire des bâtiments d'activité économique soumis à la taxe.
Afdeling 3. - Belastbare grondslag
Section 3. - Base imposable
Art. 2.6.3.0.1. De heffing wordt vastgesteld op basis van het kadastraal inkomen van de gronden dat op 1 januari van het aanslagjaar bekend is, inclusief opstanden, van het perceel dat de leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimte uitmaakt, alsook voor de niet-landbouwbedrijven op basis van het kadastraal inkomen van alle aangrenzende percelen die één geheel ermee vormen en die behoren tot dezelfde eigenaar.
Art. 2.6.3.0.1. La taxe est fixée sur la base du revenu cadastral des terres, connu le 1er janvier de l'année d'imposition, y compris les élévations, de la parcelle constituant le site d'activité économique inoccupé et/ou désaffecté, ainsi que, pour les entreprises non agricoles, sur la base du revenu cadastral de toutes les parcelles attenantes formant un ensemble et appartenant au même propriétaire.
Afdeling 4. - Tarieven
Section 4. - Tarifs
Art. 2.6.4.0.1. [2 De heffing wordt berekend volgens de volgende tabel, waarbij het kadastraal inkomen wordt verdeeld in de volgende schijven, die elk worden onderworpen aan de volgende een heffingspercentages:
Art. 2.6.4.0.1. [2 La taxe est calculée selon le tableau suivant, dans lequel le revenu cadastral est réparti dans les tranches suivantes, chacune étant soumise aux taux de taxation suivants :
| schijf van het kadastraal inkomen in euro | percentage van toepassing op het overeenstemmende gedeelte | totaalbedrag van de heffing op het voorgaande gedeelte in euro |
| tot en met 12.350 | 168 | / |
| van 12.351 tot en met 37.150 | 140 | 20.748 |
| van 37.151 tot en met 74.350 | 112 | 55.468 |
| vanaf 74.351 | 84 | 97.132 |
]2
De heffing bedraagt nooit minder dan 3.700 euro. Voor de niet-landbouwbedrijven komt het bedrag van de heffing minstens overeen met een tarief van 2,47 euro/m2 oppervlakte van het grondvlak van het terrein, vastgelegd door de diensten van [1 de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie]1. Zo niet geldt de laatste heffing als minimumtarief.
| tranche du revenu cadastral en euros | pourcentage applicable à la partie correspondante | montant total de la taxe sur la partie précédente en euros |
| jusqu'à 12350 inclus | 168 | / |
| de 12 351 à 37 150 | 140 | 20 748 |
| de 37 151 à 74 350 | 112 | 55 468 |
| à partir de 74 351 | 84 | 97 132 |
]2.
Pour les entreprises non agricoles, le montant de la taxe correspond au moins à un tarif de 2,47 euros/m2 de superficie pour la superficie de base du terrain, telle que fixée par les services [1 de l'Administration générale de la Documentation patrimoniale]1. Sinon, la dernière taxe vaut comme tarif minimum.
Art. 2.6.4.0.2. [1 Met toepassing van artikel 464/1, 2°, van het federale WIB 92 mogen de provincies, de agglomeraties en de gemeenten opcentiemen heffen op de leegstandsheffing bedrijfsruimten.]1
Art. 2.6.4.0.2. [1 En application de l'article 464/1er, 2°, du CIR fédéral 92, les provinces, les agglomérations et les communes peuvent percevoir des centimes additionnels sur la redevance visant à lutter contre le délabrement d'habitations et de bâtiments.]1
Afdeling 5. - Verminderingen
Section 5. - Réductions
Art. 2.6.5.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.
Art. 2.6.5.0.1. Réservé pour un usage futur
Afdeling 6. - Vrijstellingen
Section 6. - Exonérations
Art. 2.6.6.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.
Art. 2.6.6.0.1. Réservé pour un usage futur
Afdeling 7. - Wijze van heffing
Section 7. - Modalités de perception
Art. 2.6.7.0.1. De heffing is verschuldigd vanaf het kalenderjaar dat volgt op de derde opeenvolgende registratie in de inventaris voor geheel of gedeeltelijk leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten.
Art. 2.6.7.0.1. La taxe est due à partir de l'année calendaire suivant le troisième enregistrement consécutif dans l'inventaire pour des sites d'activité économique inoccupés et/ou désaffectés en tout ou en partie.
Onderafdeling 1. - Opschorting door een vernieuwing, al of niet gekoppeld aan de beëindiging van de leegstand
Sous-section 1re. - Suspension suite à une rénovation, liée ou non à la cessation de l'inoccupation
Art. 2.6.7.1.1. Er wordt een opschorting van de heffing verleend voor de bedrijfsruimten waarvoor uiterlijk op 31 december van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het aanslagjaar, een vernieuwingsvoorstel wordt ingediend, voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden voor indiening en aanvaarding van dat voorstel, bepaald met toepassing van het vierde lid.
De opschorting blijft beperkt tot een termijn van twee jaar vanaf de betekening van het vernieuwingsvoorstel aan het departement. Tijdens die periode moet ook de eventuele leegstand zijn beëindigd.
Het departement kan eenmalig een verlenging van de opschortingstermijn toestaan met hoogstens twee jaar als :
1° [1 ...]1;
2° de aanvaarde vernieuwing dermate buitengewone werkzaamheden omvat dat ze niet kan worden voltooid binnen de opschortingstermijn, vermeld in het tweede lid;
3° de aanvaarde vernieuwing vanwege economische, ruimtelijke, juridische of (milieu)technische redenen dermate complex is dat ze niet kan worden voltooid binnen de opschortingstermijn, vermeld in het tweede lid.
De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de indiening en aanvaarding van het vernieuwingsvoorstel.
De opschorting blijft beperkt tot een termijn van twee jaar vanaf de betekening van het vernieuwingsvoorstel aan het departement. Tijdens die periode moet ook de eventuele leegstand zijn beëindigd.
Het departement kan eenmalig een verlenging van de opschortingstermijn toestaan met hoogstens twee jaar als :
1° [1 ...]1;
2° de aanvaarde vernieuwing dermate buitengewone werkzaamheden omvat dat ze niet kan worden voltooid binnen de opschortingstermijn, vermeld in het tweede lid;
3° de aanvaarde vernieuwing vanwege economische, ruimtelijke, juridische of (milieu)technische redenen dermate complex is dat ze niet kan worden voltooid binnen de opschortingstermijn, vermeld in het tweede lid.
De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de indiening en aanvaarding van het vernieuwingsvoorstel.
Art. 2.6.7.1.1. Une suspension de la taxe est accordée pour les sites d'activité économique pour lesquels, au plus tard le 31 décembre de l'année calendaire précédant l'année d'imposition, une proposition de rénovation est introduite, dans la mesure où les conditions d'introduction et d'acceptation de cette proposition, fixées en application du paragraphe 4, sont remplies.
La suspension se limite à un délai de deux ans à compter de la notification de la proposition de rénovation au département. Au cours de cette période, il doit également être mis fin à l'éventuelle désaffectation.
Le département peut accorder une seule fois une prolongation du délai de suspension, d'un maximum de deux ans, lorsque :
1° [1 ...]1;
2° la rénovation acceptée comprend des travaux tellement extraordinaires qu'elle ne peut pas être achevée dans le délai de suspension, visé à l'alinéa deux;
3° la rénovation acceptée est tellement complexe, pour des raisons économiques, spatiales, juridiques ou éco-techniques, qu'elle ne peut pas être achevée dans le délai de suspension, visé à l'alinéa deux.
Le Gouvernement flamand fixe les règles pour l'introduction et l'acceptation de la proposition de rénovation.
La suspension se limite à un délai de deux ans à compter de la notification de la proposition de rénovation au département. Au cours de cette période, il doit également être mis fin à l'éventuelle désaffectation.
Le département peut accorder une seule fois une prolongation du délai de suspension, d'un maximum de deux ans, lorsque :
1° [1 ...]1;
2° la rénovation acceptée comprend des travaux tellement extraordinaires qu'elle ne peut pas être achevée dans le délai de suspension, visé à l'alinéa deux;
3° la rénovation acceptée est tellement complexe, pour des raisons économiques, spatiales, juridiques ou éco-techniques, qu'elle ne peut pas être achevée dans le délai de suspension, visé à l'alinéa deux.
Le Gouvernement flamand fixe les règles pour l'introduction et l'acceptation de la proposition de rénovation.
Art. 2.6.7.1.2. In de inventaris worden de datum van de indiening van het aanvaarde vernieuwingsvoorstel en de opschortingstermijn vermeld.
Art. 2.6.7.1.2. L'inventaire mentionne la date de l'introduction de la proposition de rénovation acceptée et le délai de suspension.
Onderafdeling 2. - Opschorting ingevolge een definitief gesloten brownfieldconvenant
Sous-section 2. - Suspension suite à une convention Brownfield conclue à titre définitif
Art. 2.6.7.2.1. [1 Er kan een opschorting van de heffing worden verleend op verzoek van de eigenaar of eigenaars voor de bedrijfsruimten die gevat zijn in een brownfieldproject waarvoor het ontwerp van brownfieldconvenant is goedgekeurd door de Vlaamse Regering, conform hoofdstuk III van het decreet van 30 maart 2007 betreffende de Brownfieldconvenanten, voor zover de eigenaar actor is bij het brownfieldconvenant.]1
[1 De opschorting wordt ongedaan gemaakt als de Vlaamse Regering beslist tot stopzetting van de onderhandelingen, vermeld in artikel 8, § 3, eerste lid, van het decreet van 30 maart 2007 betreffende de Brownfieldconvenanten, of als het brownfieldproject niet tijdig wordt gestart of gerealiseerd conform de voorwaarden, vermeld in het brownfieldconvenant. De opgeschorte heffingen zijn in die gevallen alsnog verschuldigd.]1
De opschorting kan worden toegekend voor een termijn die loopt vanaf de datum van de aanvraag van de opschorting tot aan de beëindiging van het brownfieldconvenant, met toepassing van artikel 10, § 3, van het decreet van 30 maart 2007 betreffende de Brownfieldconvenanten. Op het einde van die periode moet de verwaarlozing en/of de leegstand zijn beëindigd.
De opschorting wordt verleend voor de bedrijfsruimten waarvoor uiterlijk op 31 december van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het aanslagjaar, een aanvraag tot opschorting met toepassing van het eerste en het tweede lid wordt ingediend die leidt tot een aanvaarding van het verzoek tot opschorting.
De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de indiening en aanvaarding van het verzoek tot opschorting.
[1 De opschorting wordt ongedaan gemaakt als de Vlaamse Regering beslist tot stopzetting van de onderhandelingen, vermeld in artikel 8, § 3, eerste lid, van het decreet van 30 maart 2007 betreffende de Brownfieldconvenanten, of als het brownfieldproject niet tijdig wordt gestart of gerealiseerd conform de voorwaarden, vermeld in het brownfieldconvenant. De opgeschorte heffingen zijn in die gevallen alsnog verschuldigd.]1
De opschorting kan worden toegekend voor een termijn die loopt vanaf de datum van de aanvraag van de opschorting tot aan de beëindiging van het brownfieldconvenant, met toepassing van artikel 10, § 3, van het decreet van 30 maart 2007 betreffende de Brownfieldconvenanten. Op het einde van die periode moet de verwaarlozing en/of de leegstand zijn beëindigd.
De opschorting wordt verleend voor de bedrijfsruimten waarvoor uiterlijk op 31 december van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het aanslagjaar, een aanvraag tot opschorting met toepassing van het eerste en het tweede lid wordt ingediend die leidt tot een aanvaarding van het verzoek tot opschorting.
De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de indiening en aanvaarding van het verzoek tot opschorting.
Art. 2.6.7.2.1. [1 Une suspension de la taxe peut être accordée sur la demande du propriétaire ou des propriétaires pour les sites d'activité économique faisant l'objet d'une convention Brownfield, dont le projet est approuvé par le Gouvernement flamand, conformément au chapitre III du décret du 30 mars 2007 relatif aux conventions Brownfield, pour autant que le propriétaire soit acteur de la convention Brownfield.]1
[1 La suspension est annulée si le Gouvernement flamand décide d'arrêter les négociations visées à l'article 8, § 3, alinéa 1er, du décret du 30 mars 2007 relatif aux conventions Brownfield, ou si le projet Brownfield n'est pas entamé ou réalisé à temps conformément aux conditions visées à la convention Brownfield. Dans ces cas, les taxes suspendues sont tout de même dues.]1
La suspension peut être accordée pour un délai qui court de la date de la demande de la suspension jusqu'à la fin de la convention Brownfield, en application de l'article 10, § 3, du décret du 30 mars 2007 relatif aux conventions Brownfield. A la fin de cette période, le délabrement et/ou l'inoccupation doivent être terminés.
La suspension est accordée pour les sites d'activité économique pour lesquels, au plus tard le 31 décembre de l'année calendaire précédant l'année d'imposition, une demande de suspension est introduite, en application des alinéas premier et deux, qui aboutit à une acceptation de la demande de suspension.
Le Gouvernement flamand fixe les règles pour l'introduction et l'acceptation de la demande de suspension.
[1 La suspension est annulée si le Gouvernement flamand décide d'arrêter les négociations visées à l'article 8, § 3, alinéa 1er, du décret du 30 mars 2007 relatif aux conventions Brownfield, ou si le projet Brownfield n'est pas entamé ou réalisé à temps conformément aux conditions visées à la convention Brownfield. Dans ces cas, les taxes suspendues sont tout de même dues.]1
La suspension peut être accordée pour un délai qui court de la date de la demande de la suspension jusqu'à la fin de la convention Brownfield, en application de l'article 10, § 3, du décret du 30 mars 2007 relatif aux conventions Brownfield. A la fin de cette période, le délabrement et/ou l'inoccupation doivent être terminés.
La suspension est accordée pour les sites d'activité économique pour lesquels, au plus tard le 31 décembre de l'année calendaire précédant l'année d'imposition, une demande de suspension est introduite, en application des alinéas premier et deux, qui aboutit à une acceptation de la demande de suspension.
Le Gouvernement flamand fixe les règles pour l'introduction et l'acceptation de la demande de suspension.
Onderafdeling 3. - Opschorting ingevolge een conform verklaard bodemsaneringsproject
Sous-section 3. - Suspension suite à un projet d'assainissement du sol déclaré conforme
Art. 2.6.7.3.1. Er kan een opschorting van de heffing worden verleend op verzoek van de eigenaar(s) voor de bedrijfsruimten die het voorwerp uitmaken van een door de OVAM conform verklaard bodemsaneringsproject, met toepassing van titel III, hoofdstuk V, van het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming.
De opschorting kan worden toegekend voor een termijn die loopt vanaf de datum van de aanvraag van de opschorting tot aan de datum van de eindverklaring van de OVAM, vermeld in artikel 68 van het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming, met een maximumtermijn van vijf jaar vanaf de conformverklaring van het bodemsaneringsproject. Op het einde van die periode moet de verwaarlozing en/of de leegstand zijn beëindigd.
De opschorting wordt verleend voor de bedrijfsruimten waarvoor uiterlijk op 31 december van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het aanslagjaar, een aanvraag tot opschorting met toepassing van het eerste en het tweede lid wordt ingediend die leidt tot een aanvaarding van het verzoek tot opschorting.
De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de indiening en aanvaarding van het verzoek tot opschorting.
De opschorting kan worden toegekend voor een termijn die loopt vanaf de datum van de aanvraag van de opschorting tot aan de datum van de eindverklaring van de OVAM, vermeld in artikel 68 van het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming, met een maximumtermijn van vijf jaar vanaf de conformverklaring van het bodemsaneringsproject. Op het einde van die periode moet de verwaarlozing en/of de leegstand zijn beëindigd.
De opschorting wordt verleend voor de bedrijfsruimten waarvoor uiterlijk op 31 december van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het aanslagjaar, een aanvraag tot opschorting met toepassing van het eerste en het tweede lid wordt ingediend die leidt tot een aanvaarding van het verzoek tot opschorting.
De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de indiening en aanvaarding van het verzoek tot opschorting.
Art. 2.6.7.3.1. Une suspension de la taxe peut être accordée sur la demande du propriétaire ou des propriétaires pour les sites d'activité économique faisant l'objet d'un projet d'assainissement du sol déclaré conforme par l'OVAM, en application du titre III, chapitre V, du décret du 27 octobre 2006 relatif à l'assainissement du sol et à la protection du sol.
La suspension peut être accordée pour un délai qui court de la date de la demande de la suspension jusqu'à la date de la déclaration finale par l'OVAM, visée à l'article 68 du décret du 27 octobre 2006 relatif à l'assainissement du sol et à la protection du sol, pour un délai maximum de cinq ans à partir de la déclaration de conformité du projet d'assainissement du sol. A la fin de cette période, le délabrement et/ou l'inoccupation doivent être terminés.
La suspension est accordée pour les sites d'activité économique pour lesquels, au plus tard le 31 décembre de l'année calendaire précédant l'année d'imposition, une demande de suspension est introduite, en application des alinéas premier et deux, qui aboutit à une acceptation de la demande de suspension.
Le Gouvernement flamand fixe les règles pour l'introduction et l'acceptation de la demande de suspension.
La suspension peut être accordée pour un délai qui court de la date de la demande de la suspension jusqu'à la date de la déclaration finale par l'OVAM, visée à l'article 68 du décret du 27 octobre 2006 relatif à l'assainissement du sol et à la protection du sol, pour un délai maximum de cinq ans à partir de la déclaration de conformité du projet d'assainissement du sol. A la fin de cette période, le délabrement et/ou l'inoccupation doivent être terminés.
La suspension est accordée pour les sites d'activité économique pour lesquels, au plus tard le 31 décembre de l'année calendaire précédant l'année d'imposition, une demande de suspension est introduite, en application des alinéas premier et deux, qui aboutit à une acceptation de la demande de suspension.
Le Gouvernement flamand fixe les règles pour l'introduction et l'acceptation de la demande de suspension.
Onderafdeling 4. - Opschorting voor nieuwe eigenaars
Sous-section 4. - Suspension pour les nouveaux propriétaires
Art. 2.6.7.4.1. Nieuwe eigenaars van een geregistreerde bedrijfsruimte krijgen een opschorting van de heffing gedurende twee jaar vanaf de datum van het verlijden van de authentieke akte van overdracht. Als er verschillende eigenaars voor dezelfde bedrijfsruimte zijn, en minstens één ervan een nieuwe eigenaar is, gelet op de overdracht aan hem door erfopvolging of testament, krijgen ze een opschorting van de heffing gedurende twee jaar vanaf de datum van eigendomsoverdracht door erfopvolging of testament.
De volgende rechtspersonen of natuurlijke personen worden niet beschouwd als nieuwe eigenaar :
1° de vennootschappen waarin de vroegere eigenaars van de bedrijfsruimte rechtstreeks of onrechtstreeks participeren [1 ...]1;
2° bloed- en aanverwanten tot en met de derde graad, tenzij in geval van overdracht door erfopvolging of testament.
De volgende rechtspersonen of natuurlijke personen worden niet beschouwd als nieuwe eigenaar :
1° de vennootschappen waarin de vroegere eigenaars van de bedrijfsruimte rechtstreeks of onrechtstreeks participeren [1 ...]1;
2° bloed- en aanverwanten tot en met de derde graad, tenzij in geval van overdracht door erfopvolging of testament.
Art. 2.6.7.4.1. Les nouveaux propriétaires d'un site d'activité économique enregistré obtiennent une suspension de la taxe pendant deux ans, à partir de la date de la passation de l'acte de transfert authentique. Lorsqu'il y a plusieurs propriétaires pour le même site d'activité économique, et au moins un d'entre eux est le nouveau propriétaire, vu le transfert à lui suite à un héritage ou un testament, ils obtiennent une suspension de la taxe pendant deux ans, à partir de la date du transfert de propriété par héritage ou testament.
Les personnes morales ou physiques suivantes ne sont pas considérées comme nouveau propriétaire :
1° les sociétés dans lesquelles les anciens propriétaires du site d'activité économique participent directement ou indirectement [1 ...]1;
2° des parents et apparentés jusqu'au troisième degré compris, sauf en cas de transfert par héritage ou testament.
Les personnes morales ou physiques suivantes ne sont pas considérées comme nouveau propriétaire :
1° les sociétés dans lesquelles les anciens propriétaires du site d'activité économique participent directement ou indirectement [1 ...]1;
2° des parents et apparentés jusqu'au troisième degré compris, sauf en cas de transfert par héritage ou testament.
Art. 2.6.7.4.2. In de inventaris worden de datum van het verlijden van de authentieke akte en de opschortingstermijn vermeld.
Art. 2.6.7.4.2. L'inventaire mentionne la date de la passation de l'acte authentique et le délai de suspension.
Onderafdeling 5. - Opschorting voor leegstaande maar niet-verwaarloosde bedrijfsruimten
Sous-section 5. - Suspension pour des sites d'activité économique inoccupés mais non désaffectés
Art. 2.6.7.5.1. Er kan een opschorting van de heffing worden verleend op verzoek van de eigenaars voor de bedrijfsruimten die ten gevolge van bedrijfseconomische omstandigheden geheel of gedeeltelijk leegstaan, maar die in een goede staat worden gehouden zodat ze onmiddellijk opnieuw in gebruik genomen kunnen worden.
De opschorting blijft beperkt tot een termijn van een jaar. Tijdens die periode moet de leegstand zijn beëindigd.
De opschorting wordt verleend voor de bedrijfsruimten waarvoor uiterlijk op 31 december van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het aanslagjaar, een aanvraag tot opschorting met toepassing van het eerste en het tweede lid wordt ingediend die leidt tot een aanvaarding van het verzoek tot opschorting.
De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de indiening en aanvaarding van het verzoek tot opschorting.
De opschorting blijft beperkt tot een termijn van een jaar. Tijdens die periode moet de leegstand zijn beëindigd.
De opschorting wordt verleend voor de bedrijfsruimten waarvoor uiterlijk op 31 december van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het aanslagjaar, een aanvraag tot opschorting met toepassing van het eerste en het tweede lid wordt ingediend die leidt tot een aanvaarding van het verzoek tot opschorting.
De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de indiening en aanvaarding van het verzoek tot opschorting.
Art. 2.6.7.5.1. Une suspension de la taxe peut être accordée sur la demande des propriétaires pour les sites d'activité économique qui, suite à des circonstances économiques, sont inoccupés, en tout ou en partie, mais qui sont maintenus en bon état de sorte qu'ils puissent immédiatement être remis en usage.
La suspension reste limitée à un délai d'un an. Au cours de cette période, il doit être mis fin à l'inoccupation.
La suspension est accordée pour les sites d'activité économique pour lesquels, au plus tard le 31 décembre de l'année calendaire précédant l'année d'imposition, une demande de suspension est introduite, en application des alinéas premier et deux, qui aboutit à une acceptation de la demande de suspension.
Le Gouvernement flamand fixe les règles pour l'introduction et l'acceptation de la demande de suspension.
La suspension reste limitée à un délai d'un an. Au cours de cette période, il doit être mis fin à l'inoccupation.
La suspension est accordée pour les sites d'activité économique pour lesquels, au plus tard le 31 décembre de l'année calendaire précédant l'année d'imposition, une demande de suspension est introduite, en application des alinéas premier et deux, qui aboutit à une acceptation de la demande de suspension.
Le Gouvernement flamand fixe les règles pour l'introduction et l'acceptation de la demande de suspension.
Art. 2.6.7.5.2. In de inventaris worden de datum van de indiening van de aanvaarde opschortingsaanvraag en de opschortingstermijn vermeld.
Art. 2.6.7.5.2. L'inventaire mentionne la date de l'introduction de la demande de suspension acceptée et le délai de suspension.
Onderafdeling 6. - Opschorting ingevolge staving van de beëindiging van de vernieuwing en/of de leegstand
Sous-section 6. - Suspension suite à la preuve de la cessation de la rénovation et/ou de l'inoccupation
Art. 2.6.7.6.1. Als de eigenaar tijdens de toegestane opschortingstermijn een aanvraag tot schrapping uit de inventaris heeft ingediend conform artikel 12 van het decreet van 19 april 1995, krijgt hij een opschorting van de heffing gedurende de termijn dat zijn aanvraag, conform artikel 13 van het decreet van 19 april 1995, onderzocht wordt. Als de aanvraag tot schrapping geweigerd wordt, heeft die beslissing rechtsgevolgen vanaf de datum van de kennisgeving, vermeld in artikel 12 van het voormelde decreet.
Art. 2.6.7.6.1. Lorsque le propriétaire a introduit, au cours du délai de suspension accordé, une demande de radiation de l'inventaire, conformément à l'article 12 du décret du 19 avril 1995, il obtient une suspension de la taxe pendant le délai d'examen de sa demande, conformément à l'article 13 du décret du 19 avril 1995. Lorsque la demande de radiation est refusée, cette décision produit des effets juridiques à partir de la date de la notification, visée à l'article 12 du décret précité.
Onderafdeling 7. - Sancties
Sous-section 7. - Sanctions
Art. 2.6.7.7.1. Als de opschortingen, verleend met toepassing van artikel 2.6.7.1.1, 2.6.7.2.1, 2.6.7.3.1, 2.6.7.4.1 en 2.6.7.5.1, bij het verstrijken van de toegestane opschortingstermijnen niet resulteren in een beëindiging van de verwaarlozing en/of de leegstand, is de opgeschorte heffing alsnog verschuldigd voor die termijnen, vermeerderd met de interesten.
Als de eigenaar, aan wie een opschorting is verleend met toepassing van artikel 2.6.7.1.1, 2.6.7.2.1, 2.6.7.3.1, 2.6.7.4.1 of 2.6.7.5.1, overgaat tot overdracht van de aan de heffing onderworpen bedrijfsruimte, is de opgeschorte heffing, vermeerderd met de interesten, alsnog verschuldigd voor de termijn waarvoor de opschorting is verkregen, tot de datum van de authentieke akte van overdracht.
[1 In afwijking van het tweede lid, blijft de opschorting van de heffing behouden als de eigenaar, aan wie een opschorting is verleend met toepassing van artikel 2.6.7.2.1, overgaat tot overdracht van de aan de heffing onderworpen bedrijfsruimte aan een actor bij het brownfieldconvenant.]1
Als de eigenaar, aan wie een opschorting is verleend met toepassing van artikel 2.6.7.6.1, overgaat tot overdracht van de aan de heffing onderworpen bedrijfsruimte, is de opgeschorte heffing, vermeerderd met de interesten, alsnog verschuldigd vanaf de datum van de kennisgeving, vermeld in artikel 12 van het decreet van 19 april 1995.
Als de eigenaar, aan wie een opschorting is verleend met toepassing van artikel 2.6.7.1.1, 2.6.7.2.1, 2.6.7.3.1, 2.6.7.4.1 of 2.6.7.5.1, overgaat tot overdracht van de aan de heffing onderworpen bedrijfsruimte, is de opgeschorte heffing, vermeerderd met de interesten, alsnog verschuldigd voor de termijn waarvoor de opschorting is verkregen, tot de datum van de authentieke akte van overdracht.
[1 In afwijking van het tweede lid, blijft de opschorting van de heffing behouden als de eigenaar, aan wie een opschorting is verleend met toepassing van artikel 2.6.7.2.1, overgaat tot overdracht van de aan de heffing onderworpen bedrijfsruimte aan een actor bij het brownfieldconvenant.]1
Als de eigenaar, aan wie een opschorting is verleend met toepassing van artikel 2.6.7.6.1, overgaat tot overdracht van de aan de heffing onderworpen bedrijfsruimte, is de opgeschorte heffing, vermeerderd met de interesten, alsnog verschuldigd vanaf de datum van de kennisgeving, vermeld in artikel 12 van het decreet van 19 april 1995.
Art. 2.6.7.7.1. Lorsque, à l'expiration des délais de suspension accordés, les suspensions accordées en application des articles 2.6.7.1.1, 2.6.7.2.1, 2.6.7.3.1, 2.6.7.4.1 et 2.6.7.5.1, ne résultent pas en une cessation de la désaffectation et/ou de l'inoccupation, la taxe suspendue est tout de même due pour ces délais, majorée des intérêts.
Lorsque le propriétaire, à qui une suspension a été accordée en application de l'article 2.6.7.1.1, 2.6.7.2.1, 2.6.7.3.1, 2.6.7.4.1 ou 2.6.7.5.1, procède au transfert du site d'activité économique soumis à la taxe, la taxe suspendue, majorée des intérêts, est tout de même due pour le délai pour lequel la suspension est obtenue, jusqu'à la date de l'acte authentique de transfert.
[1 Par dérogation à l'alinéa 2, la suspension de la redevance est maintenue si le propriétaire, à qui une suspension a été accordée en application de l'article 2.6.7.2.1, procède au transfert du site d'activité économique soumis à la redevance à un opérateur auprès de la convention Brownfield.]1
Lorsque le propriétaire, à qui une suspension a été accordée en application de l'article 2.6.7.6.1, procède au transfert du site d'activité économique soumis à la taxe, la taxe suspendue, majorée des intérêts, est tout de même due à partir de la date de la notification, visée à l'article 12 du décret du 19 avril 1995.
Lorsque le propriétaire, à qui une suspension a été accordée en application de l'article 2.6.7.1.1, 2.6.7.2.1, 2.6.7.3.1, 2.6.7.4.1 ou 2.6.7.5.1, procède au transfert du site d'activité économique soumis à la taxe, la taxe suspendue, majorée des intérêts, est tout de même due pour le délai pour lequel la suspension est obtenue, jusqu'à la date de l'acte authentique de transfert.
[1 Par dérogation à l'alinéa 2, la suspension de la redevance est maintenue si le propriétaire, à qui une suspension a été accordée en application de l'article 2.6.7.2.1, procède au transfert du site d'activité économique soumis à la redevance à un opérateur auprès de la convention Brownfield.]1
Lorsque le propriétaire, à qui une suspension a été accordée en application de l'article 2.6.7.6.1, procède au transfert du site d'activité économique soumis à la taxe, la taxe suspendue, majorée des intérêts, est tout de même due à partir de la date de la notification, visée à l'article 12 du décret du 19 avril 1995.
Hoofdstuk 7. - [1 Erfbelasting]1
Chapitre 7. - [1 Impôt sur la succession]1
Afdeling 1. - [1 Belastbaar voorwerp]1
Section 1re. - [1 Objet imposable]1
Art. 2.7.1.0.1. [1 Overeenkomstig artikel 3, 4°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten wordt het successierecht en het recht van overgang gevestigd op de goederen die overgaan ingevolge het overlijden.]1
Art. 2.7.1.0.1. [1 Conformément à l'article 3, 4°, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des communautés et des régions, les droits de succession et les droits de mutation sont établis sur les biens transmis suite au décès.]1
Art. 2.7.1.0.2. [1 De erfbelasting is verschuldigd ongeacht of de verkrijging gebeurt ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.]1
[2 Naast het geval, vermeld in het eerste lid, is de erfbelasting ook verschuldigd op een verkrijging van vruchtgebruik met toepassing van [5 artikel 4.1]5 [3 ...]3 van het Burgerlijk Wetboek, tenzij de langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende [4 voor het overlijden van de schenker]4 aan het vruchtgebruik heeft verzaakt [3 conform [5 het derde lid]5]3 van het voormelde artikel.]2
[2 Naast het geval, vermeld in het eerste lid, is de erfbelasting ook verschuldigd op een verkrijging van vruchtgebruik met toepassing van [5 artikel 4.1]5 [3 ...]3 van het Burgerlijk Wetboek, tenzij de langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende [4 voor het overlijden van de schenker]4 aan het vruchtgebruik heeft verzaakt [3 conform [5 het derde lid]5]3 van het voormelde artikel.]2
Änderungen
Art. 2.7.1.0.2. [1 L'impôt sur la succession est dû, que l'acquisition découle de la dévolution légale, d'une disposition testamentaire ou d'une institution contractuelle]1
[2 Outre le cas visé à l'alinéa 1er, l'impôt de succession est également dû sur une acquisition d'usufruit en application de l'[5 article 4.18]5[3 ...]3 du Code civil, sauf si l'époux survivant ou le cohabitant légal a renoncé [4 avant le décès du donateur,]4 à l'usufruit [3 conformément [5 à l'alinéa 3]5]3 de l'article précité.]2
[2 Outre le cas visé à l'alinéa 1er, l'impôt de succession est également dû sur une acquisition d'usufruit en application de l'[5 article 4.18]5[3 ...]3 du Code civil, sauf si l'époux survivant ou le cohabitant légal a renoncé [4 avant le décès du donateur,]4 à l'usufruit [3 conformément [5 à l'alinéa 3]5]3 de l'article précité.]2
Änderungen
Art. 2.7.1.0.3. [1 Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd :
1° alle schulden die uitsluitend bij uiterste wil erkend zijn;
2° alle schuldbekentenissen van sommen die voorkomen als een contract onder bezwarende titel, maar die een bevoordeling inhouden en die niet aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen zijn onderworpen;
3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.]1
[2 Het eerste lid, 3°, is niet van toepassing bij de realisatie van een beding van terugval die de erflater heeft bedongen in het voordeel van een derde voor een vruchtgebruik dat de erflater zich heeft voorbehouden.]2
1° alle schulden die uitsluitend bij uiterste wil erkend zijn;
2° alle schuldbekentenissen van sommen die voorkomen als een contract onder bezwarende titel, maar die een bevoordeling inhouden en die niet aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen zijn onderworpen;
3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.]1
[2 Het eerste lid, 3°, is niet van toepassing bij de realisatie van een beding van terugval die de erflater heeft bedongen in het voordeel van een derde voor een vruchtgebruik dat de erflater zich heeft voorbehouden.]2
Art. 2.7.1.0.3. [1 Sont considérées comme legs, pour la perception du droit de succession :
1° toutes dettes uniquement reconnues par testament ;
2° toutes obligations de sommes déguisant une libéralité sous l'apparence d'un contrat à titre onéreux, qui n'ont pas été assujetties au droit d'enregistrement établi pour les donations ;
3° toutes donations entre vifs de biens meubles faites par le défunt sous condition suspensive ou terme suspensif respecté(e) à la suite du décès du donateur.]1
[2 L'alinéa 1er, 3°, ne s'applique pas à la réalisation d'une clause de réversion que le testateur a stipulé au profit d'un tiers pour un usufruit que le testateur s'est réservé.]2
1° toutes dettes uniquement reconnues par testament ;
2° toutes obligations de sommes déguisant une libéralité sous l'apparence d'un contrat à titre onéreux, qui n'ont pas été assujetties au droit d'enregistrement établi pour les donations ;
3° toutes donations entre vifs de biens meubles faites par le défunt sous condition suspensive ou terme suspensif respecté(e) à la suite du décès du donateur.]1
[2 L'alinéa 1er, 3°, ne s'applique pas à la réalisation d'une clause de réversion que le testateur a stipulé au profit d'un tiers pour un usufruit que le testateur s'est réservé.]2
Art. 2.7.1.0.4. [1 De langstlevende echtgenoot die ingevolge een huwelijksovereenkomst die niet aan de regels voor de schenkingen is onderworpen, [2 ...]2 meer dan de helft van de gemeenschap toegekend krijgt, wordt voor de heffing van de erfbelasting gelijkgesteld met de langstlevende echtgenoot die, als niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling van de gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking onder de levenden of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt.]1
Art. 2.7.1.0.4. [1 L'époux survivant, auquel une convention de mariage non sujette aux règles relatives aux donations attribue [2 ...]2 plus de la moitié de la communauté, est assimilé, pour la perception des droits de succession et de mutation par décès, à l'époux survivant qui, en l'absence d'une dérogation au partage égal de la communauté, recueille, en tout ou en partie, la portion de l'autre époux, en vertu d'une donation ou d'une disposition testamentaire.]1
Art. 2.7.1.0.5. [1 § 1. De goederen waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bewijs levert dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de [2 vijf]2 jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden. De erfgenamen of legatarissen hebben een verhaalsrecht ten aanzien van de begiftigde voor de successierechten die op die goederen voldaan zijn.
Als door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of door de erfgenamen en legatarissen bewezen wordt dat de bevoordeling toekwam aan een bepaalde persoon, wordt die als legataris van de geschonken zaak beschouwd.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een bevoordeling waarvoor een vrijstelling van de schenkbelasting is toegepast, gelijkgesteld met een bevoordeling die aan de schenkbelasting of aan het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen.
§ 2. De termijn van [2 vijf]2 jaar, vermeld in paragraaf 1, wordt evenwel op zeven jaar gebracht als het gaat om aandelen en activa als vermeld in artikel 2.8.6.0.3.
De termijn van zeven jaar, vermeld in het eerste lid, wordt teruggebracht tot drie jaar als de kosteloze beschikking dagtekent van voor 1 januari 2012.]1
Als door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of door de erfgenamen en legatarissen bewezen wordt dat de bevoordeling toekwam aan een bepaalde persoon, wordt die als legataris van de geschonken zaak beschouwd.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een bevoordeling waarvoor een vrijstelling van de schenkbelasting is toegepast, gelijkgesteld met een bevoordeling die aan de schenkbelasting of aan het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen.
§ 2. De termijn van [2 vijf]2 jaar, vermeld in paragraaf 1, wordt evenwel op zeven jaar gebracht als het gaat om aandelen en activa als vermeld in artikel 2.8.6.0.3.
De termijn van zeven jaar, vermeld in het eerste lid, wordt teruggebracht tot drie jaar als de kosteloze beschikking dagtekent van voor 1 januari 2012.]1
Art. 2.7.1.0.5. [1 § 1er. Les biens dont l'entité compétente de l'administration flamande établit que le défunt a disposé à titre gratuit dans les [2 cinq]2 années précédant son décès, sont considérés comme faisant partie de sa succession si la libéralité n'a pas été assujettie aux droits de donation ou au droit d'enregistrement établi pour les donations entre vifs. Les héritiers ou légataires possèdent un droit de recours contre le donataire pour les droits de succession acquittés à raison desdits biens.
Lorsque l'entité compétente de l'administration flamande ou les héritiers et légataires démontrent que la libéralisation valait pour une personne particulière, celle-ci est considérée comme légataire de la donation.
Pour l'application du présent paragraphe, une libéralisation faisant l'objet d'une exonération du droit d'enregistrement est assimilée à une libéralisation assujettie aux droits de donation ou au droit d'enregistrement établi pour les donations entre vifs.
§ 2. Le délai de [2 cinq]2 ans mentionné au paragraphe 1er est toutefois étendu à sept ans lorsqu'il s'agit d'actions et d'actifs visés à l'article 2.8.6.0.3.
Le délai de sept ans mentionné au paragraphe 1er est réduit à trois ans lorsque la disposition gratuite date d'avant le 1er janvier 2012.]1
Lorsque l'entité compétente de l'administration flamande ou les héritiers et légataires démontrent que la libéralisation valait pour une personne particulière, celle-ci est considérée comme légataire de la donation.
Pour l'application du présent paragraphe, une libéralisation faisant l'objet d'une exonération du droit d'enregistrement est assimilée à une libéralisation assujettie aux droits de donation ou au droit d'enregistrement établi pour les donations entre vifs.
§ 2. Le délai de [2 cinq]2 ans mentionné au paragraphe 1er est toutefois étendu à sept ans lorsqu'il s'agit d'actions et d'actifs visés à l'article 2.8.6.0.3.
Le délai de sept ans mentionné au paragraphe 1er est réduit à trois ans lorsque la disposition gratuite date d'avant le 1er janvier 2012.]1
Art. 2.7.1.0.6. [1 § 1. [2 De sommen, renten of waarden die kosteloos aan een persoon kunnen toekomen bij het overlijden van de erflater, ingevolge een contract dat een door de erflater of door een derde in het voordeel van die persoon gemaakt beding bevat, worden geacht als legaat te zijn verkregen door die persoon.
Ook de sommen, renten of waarden die kosteloos aan een persoon zijn toegekomen, binnen [4 vijf]4 jaar vóór het overlijden van de erflater, ingevolge een contract dat een door de erflater in het voordeel van die persoon gemaakt beding bevat, worden geacht als legaat te zijn verkregen door die persoon.
Als de erflater een contract had afgesloten op grond waarvan er pas een uitkering kan gebeuren na het overlijden van de erflater, worden de sommen, renten of waarden geacht kosteloos te worden verkregen, en geacht als legaat te zijn verkregen, naar gelang van het geval:
1° door de persoon die het levensverzekeringscontract afkoopt na het overlijden van de erflater, op het tijdstip van de afkoop;
2° door de persoon die de sommen, renten of waarden effectief verkrijgt na het overlijden van de erflater, op het tijdstip dat er een uitkering gebeurt.
Wanneer een overledene gehuwd was onder een stelsel van gemeenschap, gelden de bepalingen van het eerste, het tweede en het derde lid ook voor de sommen, renten of waarden die kosteloos aan de langstlevende echtgenoot toekomen ingevolge een levensverzekeringscontract of een contract met vestiging van rente dat door die langstlevende echtgenoot is gesloten]2.
§ 2. Dit artikel is van toepassing op de sommen of waarden die kosteloos aan een persoon kunnen toekomen bij het overlijden van degene die een levensverzekering aan order of aan toonder is aangegaan.
De persoon, vermeld in dit artikel, wordt vermoed kosteloos te ontvangen, behoudens tegenbewijs. [2 Dit tegenbewijs kan niet worden geleverd door aan te tonen dat het contract werd geschonken aan deze persoon.]2
Dit artikel is niet van toepassing op :
1° de sommen, renten of waarden die verkregen zijn ingevolge een beding dat aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen;
2° de renten en kapitalen die gevestigd zijn ter uitvoering van een wettelijke verplichting;
3° de renten en kapitalen die door tussenkomst van de werkgever van de erflater [3 , of door tussenkomst van de werkgever van de langstlevende echtgenoot van de erflater die met de erflater gehuwd was onder een stelsel van gemeenschap,]3 gevestigd zijn in het voordeel van de langstlevende echtgenoot van de erflater of zijn kinderen die de leeftijd van eenentwintig jaar niet hebben bereikt, tot uitvoering van hetzij een groepsverzekeringscontract, onderschreven ingevolge een bindend reglement van de onderneming dat beantwoordt aan de voorwaarden, gesteld door de reglementering betreffende de controle van dergelijke contracten, hetzij het bindend reglement van een voorzorgsfonds, opgericht in het voordeel van het personeel van de onderneming;
4° de sommen, renten of waarden die bij het overlijden van de erflater worden verkregen ingevolge een contract dat een door een derde in het voordeel van de verkrijger gemaakt beding bevat, als er bewezen wordt dat die derde kosteloos in het voordeel van de verkrijger heeft bedongen.]1
Ook de sommen, renten of waarden die kosteloos aan een persoon zijn toegekomen, binnen [4 vijf]4 jaar vóór het overlijden van de erflater, ingevolge een contract dat een door de erflater in het voordeel van die persoon gemaakt beding bevat, worden geacht als legaat te zijn verkregen door die persoon.
Als de erflater een contract had afgesloten op grond waarvan er pas een uitkering kan gebeuren na het overlijden van de erflater, worden de sommen, renten of waarden geacht kosteloos te worden verkregen, en geacht als legaat te zijn verkregen, naar gelang van het geval:
1° door de persoon die het levensverzekeringscontract afkoopt na het overlijden van de erflater, op het tijdstip van de afkoop;
2° door de persoon die de sommen, renten of waarden effectief verkrijgt na het overlijden van de erflater, op het tijdstip dat er een uitkering gebeurt.
Wanneer een overledene gehuwd was onder een stelsel van gemeenschap, gelden de bepalingen van het eerste, het tweede en het derde lid ook voor de sommen, renten of waarden die kosteloos aan de langstlevende echtgenoot toekomen ingevolge een levensverzekeringscontract of een contract met vestiging van rente dat door die langstlevende echtgenoot is gesloten]2.
§ 2. Dit artikel is van toepassing op de sommen of waarden die kosteloos aan een persoon kunnen toekomen bij het overlijden van degene die een levensverzekering aan order of aan toonder is aangegaan.
De persoon, vermeld in dit artikel, wordt vermoed kosteloos te ontvangen, behoudens tegenbewijs. [2 Dit tegenbewijs kan niet worden geleverd door aan te tonen dat het contract werd geschonken aan deze persoon.]2
Dit artikel is niet van toepassing op :
1° de sommen, renten of waarden die verkregen zijn ingevolge een beding dat aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen;
2° de renten en kapitalen die gevestigd zijn ter uitvoering van een wettelijke verplichting;
3° de renten en kapitalen die door tussenkomst van de werkgever van de erflater [3 , of door tussenkomst van de werkgever van de langstlevende echtgenoot van de erflater die met de erflater gehuwd was onder een stelsel van gemeenschap,]3 gevestigd zijn in het voordeel van de langstlevende echtgenoot van de erflater of zijn kinderen die de leeftijd van eenentwintig jaar niet hebben bereikt, tot uitvoering van hetzij een groepsverzekeringscontract, onderschreven ingevolge een bindend reglement van de onderneming dat beantwoordt aan de voorwaarden, gesteld door de reglementering betreffende de controle van dergelijke contracten, hetzij het bindend reglement van een voorzorgsfonds, opgericht in het voordeel van het personeel van de onderneming;
4° de sommen, renten of waarden die bij het overlijden van de erflater worden verkregen ingevolge een contract dat een door een derde in het voordeel van de verkrijger gemaakt beding bevat, als er bewezen wordt dat die derde kosteloos in het voordeel van de verkrijger heeft bedongen.]1
Art. 2.7.1.0.6. [1 § 1er. [2 Les sommes, rentes ou valeurs qu'une personne peut être appelée à recevoir à titre gratuit au décès du testateur en vertu d'une stipulation faite à son profit dans un contrat conclu par le défunt ou par un tiers au profit de cette personne sont considérées comme recueillies à titre de legs par cette personne.
Sont de même considérées comme recueillies à titre de legs les sommes, rentes ou valeurs qu'une personne a été appelée à recevoir à titre gratuit dans les [4 cinq]4 ans précédant le décès du défunt, en vertu d'une stipulation faite à son profit dans un contrat conclu par le défunt.
Si le défunt avait conclu un contrat en vertu duquel une indemnité ne peut être versée qu'après le décès du défunt, les sommes, rentes ou valeurs sont supposées avoir été reçues à titre gratuit et à titre de legs, selon le cas :
1° par la personne qui rachète le contrat d'assurance-vie après le décès du défunt, au moment du rachat ;
2° par la personne qui reçoit réellement les sommes, rentes ou valeurs après le décès du défunt, au moment où une indemnité est versée.
Lorsque le défunt était marié sous un régime de communauté, les dispositions des premier, second et troisième alinéas s'appliquent également aux sommes, rentes ou valeurs que le conjoint survivant est appelé à recevoir à titre gratuit en vertu d'un contrat d'assurance-vie ou d'un contrat avec établissement d'une rente conclu par le conjoint survivant.]2.
§ 2. Le présent article est applicable aux sommes ou valeurs qu'une personne est appelée à recevoir à titre gratuit au décès de celui qui a contracté une assurance sur la vie à ordre ou au porteur.
La personne, mentionnée dans le présent article, est présumée recevoir à titre gratuit, sauf preuve contraire. [2 Cette preuve du contraire ne peut être fournie en démontrant qu'il a été fait don du contrat à cette personne.]2
Le présent article n'est pas applicable :
1° aux sommes, rentes ou valeurs recueillies en vertu d'une stipulation qui a été assujettie aux droits de donation ou au droit d'enregistrement établi pour les donations entre vifs ;
2° aux rentes et capitaux constitués en exécution d'une obligation légale ;
3° aux capitaux et rentes constitués à l'intervention de l'employeur du défunt [3 ou à l'intervention de l'employeur du conjoint survivant du défunt qui était marié avec le défunt sous le régime de la communauté de biens,]3 au profit du conjoint survivant du défunt ou, à défaut, au profit de ses enfants n'ayant pas atteint l'âge de vingt et un ans, en exécution soit d'un contrat d'assurance de groupe souscrit en vertu d'un règlement obligatoire de l'entreprise et répondant aux conditions déterminées par la réglementation relative au contrôle de ces contrats, soit du règlement obligatoire d'un fonds de prévoyance institué au profit du personnel de l'entreprise ;
4° aux sommes, rentes ou valeurs recueillies au décès du défunt en vertu d'un contrat renfermant une stipulation faite par un tiers au profit du bénéficiaire, quand il est établi que ce tiers a stipulé à titre gratuit au profit du bénéficiaire.]1
Sont de même considérées comme recueillies à titre de legs les sommes, rentes ou valeurs qu'une personne a été appelée à recevoir à titre gratuit dans les [4 cinq]4 ans précédant le décès du défunt, en vertu d'une stipulation faite à son profit dans un contrat conclu par le défunt.
Si le défunt avait conclu un contrat en vertu duquel une indemnité ne peut être versée qu'après le décès du défunt, les sommes, rentes ou valeurs sont supposées avoir été reçues à titre gratuit et à titre de legs, selon le cas :
1° par la personne qui rachète le contrat d'assurance-vie après le décès du défunt, au moment du rachat ;
2° par la personne qui reçoit réellement les sommes, rentes ou valeurs après le décès du défunt, au moment où une indemnité est versée.
Lorsque le défunt était marié sous un régime de communauté, les dispositions des premier, second et troisième alinéas s'appliquent également aux sommes, rentes ou valeurs que le conjoint survivant est appelé à recevoir à titre gratuit en vertu d'un contrat d'assurance-vie ou d'un contrat avec établissement d'une rente conclu par le conjoint survivant.]2.
§ 2. Le présent article est applicable aux sommes ou valeurs qu'une personne est appelée à recevoir à titre gratuit au décès de celui qui a contracté une assurance sur la vie à ordre ou au porteur.
La personne, mentionnée dans le présent article, est présumée recevoir à titre gratuit, sauf preuve contraire. [2 Cette preuve du contraire ne peut être fournie en démontrant qu'il a été fait don du contrat à cette personne.]2
Le présent article n'est pas applicable :
1° aux sommes, rentes ou valeurs recueillies en vertu d'une stipulation qui a été assujettie aux droits de donation ou au droit d'enregistrement établi pour les donations entre vifs ;
2° aux rentes et capitaux constitués en exécution d'une obligation légale ;
3° aux capitaux et rentes constitués à l'intervention de l'employeur du défunt [3 ou à l'intervention de l'employeur du conjoint survivant du défunt qui était marié avec le défunt sous le régime de la communauté de biens,]3 au profit du conjoint survivant du défunt ou, à défaut, au profit de ses enfants n'ayant pas atteint l'âge de vingt et un ans, en exécution soit d'un contrat d'assurance de groupe souscrit en vertu d'un règlement obligatoire de l'entreprise et répondant aux conditions déterminées par la réglementation relative au contrôle de ces contrats, soit du règlement obligatoire d'un fonds de prévoyance institué au profit du personnel de l'entreprise ;
4° aux sommes, rentes ou valeurs recueillies au décès du défunt en vertu d'un contrat renfermant une stipulation faite par un tiers au profit du bénéficiaire, quand il est établi que ce tiers a stipulé à titre gratuit au profit du bénéficiaire.]1
Art. 2.7.1.0.7. [1 De roerende en onroerende goederen die wat betreft het vruchtgebruik door de erflater en wat betreft de blote eigendom door een derde onder bezwarende titel zijn verkregen, worden, voor de heffing van de erfbelasting, geacht in volle eigendom in zijn nalatenschap aanwezig te zijn en als legaat door die derde te zijn verkregen. Hetzelfde geldt voor effecten aan toonder of op naam en voor geldbeleggingen die voor het vruchtgebruik ingeschreven zijn op naam van de erflater en voor de blote eigendom op naam van een derde.
Het eerste lid is niet van toepassing :
1° als wordt bewezen dat de verkrijging geen bedekte bevoordeling van de derde is;
2° als de erflater langer heeft geleefd dan de derde of als de derde niet behoort tot de personen, vermeld in artikel 2.7.3.4.4, eerste, tweede en derde lid.]1
Het eerste lid is niet van toepassing :
1° als wordt bewezen dat de verkrijging geen bedekte bevoordeling van de derde is;
2° als de erflater langer heeft geleefd dan de derde of als de derde niet behoort tot de personen, vermeld in artikel 2.7.3.4.4, eerste, tweede en derde lid.]1
Art. 2.7.1.0.7. [1 Les biens meubles ou immeubles qui ont été acquis à titre onéreux par le défunt pour l'usufruit et par un tiers pour la nue-propriété sont considérés, pour la perception des droits de succession et de mutation, comme se trouvant en pleine propriété dans la succession de celui-ci et comme recueillis à titre de legs par le tiers. Il en va de même pour les titres au porteur ou nominatifs et pour les placements d'argent qui ont été immatriculés au nom du défunt pour l'usufruit et au nom d'un tiers pour la nue-propriété.
L'alinéa premier ne s'applique pas
1° s'il est établi que l'acquisition ne déguisait pas une libéralité au profit du tiers ;
2° si le défunt a vécu plus longtemps que le tiers ou si le tiers ne fait pas partie des personnes mentionnées à l'article 2.7.3.4.4, premier, deuxième et troisième alinéa.]1
L'alinéa premier ne s'applique pas
1° s'il est établi que l'acquisition ne déguisait pas une libéralité au profit du tiers ;
2° si le défunt a vécu plus longtemps que le tiers ou si le tiers ne fait pas partie des personnes mentionnées à l'article 2.7.3.4.4, premier, deuxième et troisième alinéa.]1
Art. 2.7.1.0.8. [1 Als aan de erflater bij een verdeling of bij een met verdeling gelijkgestelde akte een vruchtgebruik, een rente of elk ander recht toebedeeld is dat vervalt ingevolge zijn overlijden, wordt de verrichting voor de heffing van de erfbelasting gelijkgesteld met een legaat in het voordeel van de deelgenoten van de erflater, de verkrijgers van de blote eigendom of de personen die belast zijn met het levenslange recht, in de mate waarin die deelgenoten, verkrijgers of personen boven hun deel in de onverdeeldheid goederen in eigendom hebben verkregen.
Het eerste lid is niet van toepassing als :
1° wordt bewezen dat de verrichting geen bedekte bevoordeling is van de verscheidene deelgenoten in de onverdeeldheid;
2° de erflater langer heeft geleefd dan de deelgenoot in de onverdeeldheid, de verkrijger van de blote eigendom of de persoon die belast is met het levenslange recht, of als de voormelde personen niet behoren tot de personen, vermeld in artikel 2.7.3.4.4, eerste, tweede en derde lid.]1
Het eerste lid is niet van toepassing als :
1° wordt bewezen dat de verrichting geen bedekte bevoordeling is van de verscheidene deelgenoten in de onverdeeldheid;
2° de erflater langer heeft geleefd dan de deelgenoot in de onverdeeldheid, de verkrijger van de blote eigendom of de persoon die belast is met het levenslange recht, of als de voormelde personen niet behoren tot de personen, vermeld in artikel 2.7.3.4.4, eerste, tweede en derde lid.]1
Art. 2.7.1.0.8. [1 En cas de partage ou d'acte équipollent à partage dans lequel il a été attribué au défunt un usufruit, une rente ou tout autre droit devant cesser à sa mort, l'opération est, pour la perception de l'impôt de succession, assimilée à un legs au profit des copartageants du défunt, attributaires de la nue-propriété ou chargés du droit viager, dans la mesure où ceux-ci ont obtenu des biens en propriété au-delà de leur part dans l'indivision.
L'alinéa premier n'est pas applicable si :
1° il est établi que le partage ne déguisait pas une libéralité au profit des divers coindivisaires ;
2° le défunt a vécu plus longtemps que le coindivisaire, l'acquéreur de la nue-propriété ou la personne chargée du droit viager, ou si les personnes précitées ne font pas partie des personnes mentionnées à l'article 2.7.3.4.4, premier, deuxième et troisième alinéa.]1
L'alinéa premier n'est pas applicable si :
1° il est établi que le partage ne déguisait pas une libéralité au profit des divers coindivisaires ;
2° le défunt a vécu plus longtemps que le coindivisaire, l'acquéreur de la nue-propriété ou la personne chargée du droit viager, ou si les personnes précitées ne font pas partie des personnes mentionnées à l'article 2.7.3.4.4, premier, deuxième et troisième alinéa.]1
Art. 2.7.1.0.9. [1 Als de roerende of onroerende goederen door de erflater onder bezwarende titel zijn verkocht of afgestaan, worden ze voor de heffing van de erfbelasting geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap en als legaat te zijn verkregen door de verkrijger of door de overnemer als de erflater zich volgens de overeenkomst ofwel een vruchtgebruik heeft voorbehouden op de afgestane goederen of op andere goederen, ofwel de afstand van om het even welk ander levenslange recht in zijn voordeel heeft bedongen.
Het eerste lid is niet van toepassing als :
1° wordt bewezen dat de verkoop of de afstand geen bedekte bevoordeling is van de verkrijger of van de overnemer;
2° de erflater langer heeft geleefd dan de verkrijger of de overnemer, of als de verkrijger of de overnemer niet behoort tot de personen, vermeld in artikel 2.7.3.4.4, eerste, tweede en derde lid.]1
Het eerste lid is niet van toepassing als :
1° wordt bewezen dat de verkoop of de afstand geen bedekte bevoordeling is van de verkrijger of van de overnemer;
2° de erflater langer heeft geleefd dan de verkrijger of de overnemer, of als de verkrijger of de overnemer niet behoort tot de personen, vermeld in artikel 2.7.3.4.4, eerste, tweede en derde lid.]1
Art. 2.7.1.0.9. [1 Les biens meubles ou immeubles qui ont été vendus ou cédés à titre onéreux par le défunt sont considérés comme faisant partie de sa succession et comme recueillis à titre de legs par l'acquéreur ou par le cessionnaire, si le défunt, aux termes de la convention, s'est réservé un usufruit ou a stipulé l'abandon à son profit soit de l'usufruit d'un autre bien, soit de tout autre droit viager.
L'alinéa premier n'est pas applicable si :
1° il est établi que la vente ou la cession ne déguisent pas une libéralité au profit de l'acquéreur ou du cessionnaire ;
2° le défunt a vécu plus longtemps que l'acquéreur ou le cessionnaire, ou si l'acquéreur ou le cessionnaire ne font pas partie des personnes mentionnées à l'article 2.7.3.4.4, premier, deuxième et troisième alinéa.]1
L'alinéa premier n'est pas applicable si :
1° il est établi que la vente ou la cession ne déguisent pas une libéralité au profit de l'acquéreur ou du cessionnaire ;
2° le défunt a vécu plus longtemps que l'acquéreur ou le cessionnaire, ou si l'acquéreur ou le cessionnaire ne font pas partie des personnes mentionnées à l'article 2.7.3.4.4, premier, deuxième et troisième alinéa.]1
Art. 2.7.1.0.10. [1 De in een testament of andere beschikking die uitwerking heeft bij het overlijden van de beschikker, door de erflater aan zijn erfgenaam, legataris of begiftigde opgelegde verbintenis om aan een met naam aangeduide derde een kapitaal of een rente te geven die in natura in de nalatenschap niet bestaat en in geld of in vervangbare zaken betaalbaar is, wordt voor de heffing van het successierecht als legaat beschouwd.
De aan een erfgenaam, legataris of begiftigde opgelegde verbintenis om ten bate van een ander iets te doen en in het bijzonder de last, opgelegd aan de erfgenamen, legatarissen of begiftigden, om de rechten en kosten die verbonden zijn aan een aan een andere persoon gedaan legaat, te dragen, worden niet beschouwd als legaat.]1
De aan een erfgenaam, legataris of begiftigde opgelegde verbintenis om ten bate van een ander iets te doen en in het bijzonder de last, opgelegd aan de erfgenamen, legatarissen of begiftigden, om de rechten en kosten die verbonden zijn aan een aan een andere persoon gedaan legaat, te dragen, worden niet beschouwd als legaat.]1
Art. 2.7.1.0.10. [1 Pour la liquidation du droit de succession, est considérée comme legs l'obligation imposée à titre gratuit par le défunt, dans un testament ou autre disposition à cause de mort, à son héritier, légataire ou donataire de donner à un tiers nommément désigné un capital ou une rente n'existant pas en nature dans l'hérédité et payable en argent ou en choses fongibles.
Ne peut être considérée comme legs l'obligation de faire imposée à un héritier, légataire ou donataire au profit d'autrui, et notamment la charge imposée à des héritiers, légataires ou donataires de supporter les droits et frais afférents à un legs fait à une autre personne.]1
Ne peut être considérée comme legs l'obligation de faire imposée à un héritier, légataire ou donataire au profit d'autrui, et notamment la charge imposée à des héritiers, légataires ou donataires de supporter les droits et frais afférents à un legs fait à une autre personne.]1
Afdeling 2. - [1 Belastingplichtigen]1
Section 2. - [1 Contribuables]1
Art. 2.7.2.0.1. [1 De belastingplichtige is degene die erfgenaam, legataris of begiftigde is [2 of, in voorkomend geval, de onbeheerde nalatenschap]2.]1
Art. 2.7.2.0.1. [1 Le contribuable est celui qui est héritier, légataire ou donataire [2 ou, le cas échéant, la succession vacante]2.]1
Afdeling 3. [1 Belastbare grondslag]1
Section 3. - [1 Base imposable]1
Onderafdeling 1. - [1 Algemeen]1
Sous-section 1re. - [1 Généralités]1
Art. 2.7.3.1.1. [1 Het successierecht wordt gevestigd op de waarde van alles wat uit de nalatenschap van een rijksinwoner wordt verkregen overeenkomstig afdeling 1 van dit hoofdstuk.
Het recht van overgang wordt gevestigd op de waarde van de onroerende goederen die in België liggen en verkregen werden overeenkomstig afdeling 1 van dit hoofdstuk uit de nalatenschap van iemand die geen rijksinwoner is.]1
Het recht van overgang wordt gevestigd op de waarde van de onroerende goederen die in België liggen en verkregen werden overeenkomstig afdeling 1 van dit hoofdstuk uit de nalatenschap van iemand die geen rijksinwoner is.]1
Art. 2.7.3.1.1. [1 Le droit de succession est établi sur la valeur de tout ce qui est recueilli dans la succession d'un habitant du royaume conformément à la section 1re du présent chapitre.
Le droit de mutation est établi sur la valeur des biens immeubles situés en Belgique et recueillis dans la succession d'un non-habitant du royaume conformément à la section 1re du présent chapitre.]1
Le droit de mutation est établi sur la valeur des biens immeubles situés en Belgique et recueillis dans la succession d'un non-habitant du royaume conformément à la section 1re du présent chapitre.]1
Onderafdeling 2. - [1 Actief van de nalatenschap]1
Sous-section 2. - [1 Actif de la succession]1
Art. 2.7.3.2.1. [1 Het successierecht wordt vastgesteld op basis van de belastbare waarde van alle goederen die toebehoren aan de erflater, waar ze zich ook bevinden, na aftrek van de schulden, vermeld in onderafdeling 4, en met behoud van de toepassing van artikel 2.7.3.2.7 en artikel 2.7.5.0.4.]1
Art. 2.7.3.2.1. [1 Le droit de succession est établi sur la base de la valeur imposable de tous les biens qui appartiennent au défunt, où qu'ils se trouvent, déduction faite des dettes mentionnées à la sous-section 4, et sous réserve de l'application de l'article 2.7.3.2.7 et de l'article 2.7.5.0.4.]1
Art. 2.7.3.2.2. [1 Het recht van overgang wordt vastgesteld op basis van de belastbare waarde van alle onroerende goederen die overeenkomstig artikel 5, § 2, 4°, tweede streepje, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten in het Vlaamse Gewest te lokaliseren zijn, en die aan de erflater toebehoren, na aftrek van de schulden, [2 vermeld in artikel 2.7.3.4.1, tweede lid]2.]1
Art. 2.7.3.2.2. [1 Le droit de mutation est établi sur la base de la valeur imposable de tous les biens immobiliers qui, conformément à l'article 5, § 2, 4°, deuxième tiret de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des communautés et des régions, sont à localiser dans la région flamande, et qui appartiennent au défunt, déduction faite des dettes [2 mentionnées à l'article 2.7.3.4.1, deuxième alinéa]2.]1
Art. 2.7.3.2.3. [1 Als een erfgenaam, legataris of begiftigde het vruchtgebruik of de blote eigendom verkrijgt van een goed waarvan de volle eigendom van de nalatenschap afhangt, of als hij een door de erflater gevestigde periodieke rente of pensioen ontvangt, wordt de belastbare grondslag bepaald overeenkomstig de regels, vermeld in artikel 2.7.3.3.2 en artikel 2.7.3.3.3.
Als de erflater de rente of prestatie voor een onbepaalde tijd ten voordele van een rechtspersoon vestigt, bedraagt de belastbare grondslag twintig keer het jaarlijkse bedrag.
Als die rente of prestatie voor een bepaalde tijd is gevestigd, is de belastbare grondslag gelijk aan de gekapitaliseerde waarde op de dag van het overlijden van de jaarlijkse rente of prestatie tegen een rentevoet van 4%, waarbij die waarde niet meer mag bedragen dan twintig keer het jaarlijkse bedrag van de rente of prestatie.
Dezelfde regels zijn van toepassing als het gaat om een vruchtgebruik, gevestigd ten voordele van een rechtspersoon, met dien verstande dat voor de grondslag van de raming de jaarlijkse opbrengst van de goederen bepaald wordt overeenkomstig artikel 2.7.3.3.2, eerste lid, 6°.
Als de lijfrente, de levenslange prestatie of het vruchtgebruik gezamenlijk of achtereenvolgens ten voordele van twee of meer natuurlijke personen wordt gevestigd met een beding van aanwas, wordt de belastbare grondslag voor de heffing van de opvorderbare belasting op het ogenblik van de aanwas bepaald volgens de leeftijd die de genieter op dat ogenblik heeft.]1
Als de erflater de rente of prestatie voor een onbepaalde tijd ten voordele van een rechtspersoon vestigt, bedraagt de belastbare grondslag twintig keer het jaarlijkse bedrag.
Als die rente of prestatie voor een bepaalde tijd is gevestigd, is de belastbare grondslag gelijk aan de gekapitaliseerde waarde op de dag van het overlijden van de jaarlijkse rente of prestatie tegen een rentevoet van 4%, waarbij die waarde niet meer mag bedragen dan twintig keer het jaarlijkse bedrag van de rente of prestatie.
Dezelfde regels zijn van toepassing als het gaat om een vruchtgebruik, gevestigd ten voordele van een rechtspersoon, met dien verstande dat voor de grondslag van de raming de jaarlijkse opbrengst van de goederen bepaald wordt overeenkomstig artikel 2.7.3.3.2, eerste lid, 6°.
Als de lijfrente, de levenslange prestatie of het vruchtgebruik gezamenlijk of achtereenvolgens ten voordele van twee of meer natuurlijke personen wordt gevestigd met een beding van aanwas, wordt de belastbare grondslag voor de heffing van de opvorderbare belasting op het ogenblik van de aanwas bepaald volgens de leeftijd die de genieter op dat ogenblik heeft.]1
Art. 2.7.3.2.3. [1 Si un héritier, légataire ou donataire acquiert l'usufruit ou la nue-propriété d'un bien dont la pleine propriété dépend de la succession, ou lorsqu'il reçoit une rente ou pension périodique créée par le défunt, la base imposable est déterminée conformément aux règles tracées par les articles 2.7.3.3.2 et 2.7.3.3.3.
Lorsque la rente ou prestation constituée par le défunt est créée sur la tête d'une personne morale pour un temps indéterminé, la base imposable est de vingt fois le montant annuel.
Si cette rente ou prestation est constituée pour un temps limité, la base imposable est la somme représentant la capitalisation à la date du décès au taux de 4 % de la rente ou prestation annuelle, sans que cette somme puisse excéder vingt fois la rente ou prestation.
Les mêmes règles sont applicables s'il s'agit d'un usufruit constitué sur la tête d'une personne morale, sauf à prendre pour base d'évaluation le revenu annuel des biens comme il est dit à l'article 2.7.3.3.2, premier alinéa, 6°.
Si la rente ou prestation viagère ou si l'usufruit est constitué au profit de deux ou plusieurs personnes physiques successivement ou conjointement avec clause d'accroissement, la base imposable est déterminée, pour la perception du droit exigible au moment de l'accroissement, suivant l'âge du bénéficiaire lors de cet accroissement.]1
Lorsque la rente ou prestation constituée par le défunt est créée sur la tête d'une personne morale pour un temps indéterminé, la base imposable est de vingt fois le montant annuel.
Si cette rente ou prestation est constituée pour un temps limité, la base imposable est la somme représentant la capitalisation à la date du décès au taux de 4 % de la rente ou prestation annuelle, sans que cette somme puisse excéder vingt fois la rente ou prestation.
Les mêmes règles sont applicables s'il s'agit d'un usufruit constitué sur la tête d'une personne morale, sauf à prendre pour base d'évaluation le revenu annuel des biens comme il est dit à l'article 2.7.3.3.2, premier alinéa, 6°.
Si la rente ou prestation viagère ou si l'usufruit est constitué au profit de deux ou plusieurs personnes physiques successivement ou conjointement avec clause d'accroissement, la base imposable est déterminée, pour la perception du droit exigible au moment de l'accroissement, suivant l'âge du bénéficiaire lors de cet accroissement.]1
Art. 2.7.3.2.4. [1 Met behoud van de toepassing van artikel 2.7.3.2.1 bestaat er voor de heffing van de erfbelasting, alsook van de belastingverhogingen, tot bewijs van het tegendeel, een wettelijk vermoeden van eigendom in de volgende gevallen :
1° voor onroerende goederen : als ze voor de onroerende voorheffing zijn ingekohierd op naam van de erflater en die daarvoor een betaling heeft gedaan;
2° voor hypothecaire renten en schuldvorderingen : als ze op naam van de erflater in [2 de registers van de hypothecaire openbaarmaking of in de registers van het Belgisch Scheepsregister]2 zijn ingeschreven;
3° voor de schuldvorderingen op de Belgische Staat : als ze op naam van de erflater in het Grootboek van de Staatsschuld zijn opgenomen;
4° voor obligaties, aandelen of andere schuldvorderingen op provincies, gemeenten, openbare instellingen en stichtingen van openbaar nut van het Rijk : als ze op naam van de erflater in hun registers en rekeningen ingeschreven zijn.]1
1° voor onroerende goederen : als ze voor de onroerende voorheffing zijn ingekohierd op naam van de erflater en die daarvoor een betaling heeft gedaan;
2° voor hypothecaire renten en schuldvorderingen : als ze op naam van de erflater in [2 de registers van de hypothecaire openbaarmaking of in de registers van het Belgisch Scheepsregister]2 zijn ingeschreven;
3° voor de schuldvorderingen op de Belgische Staat : als ze op naam van de erflater in het Grootboek van de Staatsschuld zijn opgenomen;
4° voor obligaties, aandelen of andere schuldvorderingen op provincies, gemeenten, openbare instellingen en stichtingen van openbaar nut van het Rijk : als ze op naam van de erflater in hun registers en rekeningen ingeschreven zijn.]1
Art. 2.7.3.2.4. [1 Sous réserve de l'application de l'article 2.7.3.2.1, il existe pour la perception de l'impôt sur la succession, ainsi que des majorations d'impôt, et jusqu'à preuve du contraire, une présomption légale de propriété dans les cas suivants :
1° quant aux biens immobiliers : s'ils sont enrôlés pour le précompte immobilier au nom du défunt et si celui-ci a fait un paiement à cette fin ;
2° quant aux rentes et créances hypothécaires : si elles ont été inscrites au nom du défunt dans [2 les registre de la publicité hypothécaire ou dans le Registre naval belge]2 ;
3° quant aux créances sur l'Etat belge, lorsqu'elles figurent au nom du défunt dans le Grand livre de la dette publique ;
4° quant aux obligations, actions ou autres créances sur les provinces, communes, établissements publics et fondations d'utilité publique du Royaume, lorsqu'elles sont inscrites au nom du défunt dans leurs registres et comptes.]1
1° quant aux biens immobiliers : s'ils sont enrôlés pour le précompte immobilier au nom du défunt et si celui-ci a fait un paiement à cette fin ;
2° quant aux rentes et créances hypothécaires : si elles ont été inscrites au nom du défunt dans [2 les registre de la publicité hypothécaire ou dans le Registre naval belge]2 ;
3° quant aux créances sur l'Etat belge, lorsqu'elles figurent au nom du défunt dans le Grand livre de la dette publique ;
4° quant aux obligations, actions ou autres créances sur les provinces, communes, établissements publics et fondations d'utilité publique du Royaume, lorsqu'elles sont inscrites au nom du défunt dans leurs registres et comptes.]1
Art. 2.7.3.2.5. [1 Voor de heffing van de erfbelasting, alsook van de belastingverhoging wegens het gebrek aan aangifte of het verzuim bepaalde goederen aan te geven, is het bestaan van een roerend of onroerend goed, tot bewijs van het tegendeel, voldoende vastgesteld bij de akten van eigendom die ten bate van de erflater of op zijn verzoek zijn verleden.
Voor [2 lichamelijke roerende goederen, contant geld en effecten aan toonder]2 bestaat het wettelijk vermoeden, vermeld in het eerste lid, alleen op voorwaarde dat de akten niet sinds meer dan [3 vijf]3 jaar vóór het overlijden bestaan. Als dat wel het geval is, kan het bestaan van die akten door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie alleen ingeroepen worden als een element van vermoeden als vermeld in artikel 3.17.0.0.1.]1
Voor [2 lichamelijke roerende goederen, contant geld en effecten aan toonder]2 bestaat het wettelijk vermoeden, vermeld in het eerste lid, alleen op voorwaarde dat de akten niet sinds meer dan [3 vijf]3 jaar vóór het overlijden bestaan. Als dat wel het geval is, kan het bestaan van die akten door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie alleen ingeroepen worden als een element van vermoeden als vermeld in artikel 3.17.0.0.1.]1
Art. 2.7.3.2.5. [1 our la perception de l'impôt sur la succession, ainsi que des majorations d'impôt pour défaut de déclaration ou pour l'omission de déclaration de certains biens, l'existence d'un bien mobilier ou immobilier, jusqu'à preuve du contraire, est suffisamment établie par les actes de propriété qui ont été passés en faveur du défunt ou à sa demande.
Pour [2 biens mobiliers corporels, espèces et titres au porteur]2, la présomption légale dont question au premier alinéa n'existe qu'à la condition que les actes n'existent pas depuis plus de [3 cinq]3 ans avant le décès. Si tel est bien le cas, l'existence de ces actes ne peut être invoquée par l'entité compétente de l'administration flamande que comme un élément de présomption, tel que figurant à l'article 3.17.0.0.1. ]1
Pour [2 biens mobiliers corporels, espèces et titres au porteur]2, la présomption légale dont question au premier alinéa n'existe qu'à la condition que les actes n'existent pas depuis plus de [3 cinq]3 ans avant le décès. Si tel est bien le cas, l'existence de ces actes ne peut être invoquée par l'entité compétente de l'administration flamande que comme un élément de présomption, tel que figurant à l'article 3.17.0.0.1. ]1
Art. 2.7.3.2.6. [1 Voor de heffing van het successierecht wordt het volgende, behoudens tegenbewijs, geacht aan de erflater voor een gelijk deel per hoofd toe te behoren :
1° de effecten, sommen, waarden of om het even welke voorwerpen die gedeponeerd zijn in een brandkast die door de erflater en door een of meer andere personen samen of solidair wordt gehuurd of als gehuurd wordt beschouwd met toepassing van artikel 3.13.1.3.7;
2° de gehouden zaken en de verschuldigde sommen, vermeld in artikel 99 van het federale Wetboek van Successierechten.
Het volgende wordt, behoudens tegenbewijs, geacht in het geheel toe te behoren aan de erflater :
1° de effecten, sommen, waarden of om het even welke voorwerpen die zich bevinden in een brandkast die door de erflater alleen wordt gehuurd of als gehuurd wordt beschouwd met toepassing van artikel 3.13.1.3.7;
2° de effecten, sommen, waarden of om het even welke voorwerpen die in een gesloten koffer, omslag of colli op naam van de erflater alleen gedeponeerd zijn bij de natuurlijke personen of rechtspersonen.]1
1° de effecten, sommen, waarden of om het even welke voorwerpen die gedeponeerd zijn in een brandkast die door de erflater en door een of meer andere personen samen of solidair wordt gehuurd of als gehuurd wordt beschouwd met toepassing van artikel 3.13.1.3.7;
2° de gehouden zaken en de verschuldigde sommen, vermeld in artikel 99 van het federale Wetboek van Successierechten.
Het volgende wordt, behoudens tegenbewijs, geacht in het geheel toe te behoren aan de erflater :
1° de effecten, sommen, waarden of om het even welke voorwerpen die zich bevinden in een brandkast die door de erflater alleen wordt gehuurd of als gehuurd wordt beschouwd met toepassing van artikel 3.13.1.3.7;
2° de effecten, sommen, waarden of om het even welke voorwerpen die in een gesloten koffer, omslag of colli op naam van de erflater alleen gedeponeerd zijn bij de natuurlijke personen of rechtspersonen.]1
Art. 2.7.3.2.6. [1 Pour la perception du droit de succession, sont considérés, sauf preuve contraire, comme appartenant au défunt pour une part virile :
1° les titres, sommes, valeurs ou objets quelconques déposés dans un coffre-fort tenu en location ou considéré comme loué en application de l'article 3.13.1.3.7, par le défunt et par une ou plusieurs autres personnes ensemble ou solidairement ;
2° les choses détenues et les sommes dues visées à l'article 99 du Code fédéral des droits de succession.
Sont considérés comme appartenant en totalité au défunt, sauf preuve contraire :
1° les titres, sommes, valeurs ou objets quelconques déposés dans un coffre-fort tenu en location ou considéré comme loué en application de l'article 3.13.1.3.7 ;
2° les titres, sommes, valeurs ou objets quelconques qui sont placés dans un coffre fermé, pli ou colis cacheté, déposé, au nom du défunt seul, chez les personnes physiques ou morales.]1
1° les titres, sommes, valeurs ou objets quelconques déposés dans un coffre-fort tenu en location ou considéré comme loué en application de l'article 3.13.1.3.7, par le défunt et par une ou plusieurs autres personnes ensemble ou solidairement ;
2° les choses détenues et les sommes dues visées à l'article 99 du Code fédéral des droits de succession.
Sont considérés comme appartenant en totalité au défunt, sauf preuve contraire :
1° les titres, sommes, valeurs ou objets quelconques déposés dans un coffre-fort tenu en location ou considéré comme loué en application de l'article 3.13.1.3.7 ;
2° les titres, sommes, valeurs ou objets quelconques qui sont placés dans un coffre fermé, pli ou colis cacheté, déposé, au nom du défunt seul, chez les personnes physiques ou morales.]1
Art. 2.7.3.2.7. [1 Voor de inning van het successierecht in rechte nederdalende lijn of tussen echtgenoten met gemeenschappelijke kinderen of afstammelingen worden de terugnemingen en vergoedingen die verbonden zijn hetzij aan de gemeenschap die heeft bestaan tussen de erflater en een echtgenoot, met wie de erflater bij het overlijden levende kinderen of afstammelingen heeft, hetzij aan de gemeenschap die tussen de verwanten in de opgaande lijn van de erflater heeft bestaan, niet in aanmerking genomen.
[2 ...]2]1
[2 ...]2]1
Art. 2.7.3.2.7. [1 Pour la perception du droit de succession en ligne directe descendante ou entre époux ayant des enfants ou descendants communs, il est fait abstraction des reprises et des récompenses qui se rattachent soit à la communauté ayant existé entre le défunt et un conjoint dont il a, à son décès, des enfants ou descendants en vie, soit à la communauté ayant existé entre les ascendants du défunt.
[2 ...]2]1
[2 ...]2]1
Art. 2.7.3.2.8. [1 [2 § 1.]2 Als de erflater gehuwd was onder een stelsel van gemeenschap van goederen, worden de sommen, renten of waarden, vermeld in artikel 2.7.1.0.6, die aan de echtgenoot als legaat toevallen voor het volledige bedrag ervan, als legaat belast als ze zijn verkregen als tegenwaarde voor de eigen goederen van de erflater. Ze worden slechts voor de helft belast in alle andere gevallen. Het recht is niet verschuldigd als er bewezen wordt dat de sommen, renten of waarden verkregen zijn als tegenwaarde voor eigen goederen van de echtgenoot. De omstandigheid dat het beding wederkerig is, ontneemt de aard van bevoordeling niet daaraan.
De verkrijging wordt vermoed kosteloos te zijn ontvangen, behoudens tegenbewijs.]1
[2 § 2. In het geval van een levensverzekeringscontract wordt de belastbare grondslag van de sommen, renten of waarden, die aan de persoon, vermeld in artikel 2.7.1.0.6, kunnen toekomen, verminderd met het bedrag dat als belastbare grondslag heeft gediend voor de heffing van de schenkbelasting indien het contract door de erflater aan die persoon werd geschonken.]2
De verkrijging wordt vermoed kosteloos te zijn ontvangen, behoudens tegenbewijs.]1
[2 § 2. In het geval van een levensverzekeringscontract wordt de belastbare grondslag van de sommen, renten of waarden, die aan de persoon, vermeld in artikel 2.7.1.0.6, kunnen toekomen, verminderd met het bedrag dat als belastbare grondslag heeft gediend voor de heffing van de schenkbelasting indien het contract door de erflater aan die persoon werd geschonken.]2
Art. 2.7.3.2.8. [2 § 1er.]2 [1 Lorsque le défunt était marié sous un régime de communauté, les sommes, rentes ou valeurs mentionnées à l'article 2.7.1.0.6, recueillies à titre de legs par le conjoint pour la totalité, sont imposées comme legs si elles sont la contrepartie de biens propres au défunt. Elles sont imposées à concurrence de la moitié seulement dans les autres cas. Le droit n'est pas dû s'il est établi que les sommes, rentes ou valeurs sont la contrepartie de biens propres au conjoint survivant. La circonstance que la stipulation est réciproque n'enlève pas à celle-ci le caractère de libéralité.
Le bénéficiaire de la stipulation est présumé recevoir à titre gratuit, sauf preuve contraire.]1
[2 § 2. Dans le cas d'un contrat d'assurance-vie, la base imposable des sommes, rentes ou valeurs pouvant revenir à la personne visée à l'article 2.7.1.0.6 sont diminuées du montant ayant servi de base imposable pour le prélèvement des droits de donation si le contrat a fait l'objet d'une donation à cette personne par le défunt.]2
Le bénéficiaire de la stipulation est présumé recevoir à titre gratuit, sauf preuve contraire.]1
[2 § 2. Dans le cas d'un contrat d'assurance-vie, la base imposable des sommes, rentes ou valeurs pouvant revenir à la personne visée à l'article 2.7.1.0.6 sont diminuées du montant ayant servi de base imposable pour le prélèvement des droits de donation si le contrat a fait l'objet d'une donation à cette personne par le défunt.]2
Art. 2.7.3.2.9. [1 Als er schenkingen onder de levenden als vermeld in artikel 3.3.1.0.8, § 1, eerste lid, 12°, bestaan, wordt de basis waarop de schenkbelasting is geheven of zou moeten worden geheven, gevoegd bij de erfgoederen van de belanghebbenden om de progressieve erfbelasting die op die erfgoederen van toepassing is, te bepalen.
Het eerste lid is niet van toepassing op :
1° schenkingen onder de levenden van percelen grond die volgens de stedenbouwkundige voorschriften bestemd zijn voor woningbouw en waarop de schenkbelasting, vermeld in artikel 2.8.4.2.1, tabel I, is geheven;
2° schenkingen onder de levenden van roerende goederen waarop de schenkbelasting, vermeld in artikel 2.8.4.1.1, § 2, is geheven;
3° schenkingen onder de levenden van ondernemingen waarop voor 1 januari 2012 het recht, vermeld in artikel 140bis van het Wetboek van Registratie-, Hypotheek-, en Griffierechten, is geheven of waarvoor vanaf 1 januari 2012 de vrijstelling, vermeld in artikel 2.8.6.0.3, is toegepast.]1
[2 4° schenkingen onder de levenden van onbebouwde onroerende goederen waarop de vrijstelling, vermeld in artikel 2.8.6.0.8, is toegepast.]2
Het eerste lid is niet van toepassing op :
1° schenkingen onder de levenden van percelen grond die volgens de stedenbouwkundige voorschriften bestemd zijn voor woningbouw en waarop de schenkbelasting, vermeld in artikel 2.8.4.2.1, tabel I, is geheven;
2° schenkingen onder de levenden van roerende goederen waarop de schenkbelasting, vermeld in artikel 2.8.4.1.1, § 2, is geheven;
3° schenkingen onder de levenden van ondernemingen waarop voor 1 januari 2012 het recht, vermeld in artikel 140bis van het Wetboek van Registratie-, Hypotheek-, en Griffierechten, is geheven of waarvoor vanaf 1 januari 2012 de vrijstelling, vermeld in artikel 2.8.6.0.3, is toegepast.]1
[2 4° schenkingen onder de levenden van onbebouwde onroerende goederen waarop de vrijstelling, vermeld in artikel 2.8.6.0.8, is toegepast.]2
Art. 2.7.3.2.9. [1 S'il existe des donations entre vifs telles que mentionnées à l'article 3.3.1.0.8, § 1er, premier alinéa, 12°, la base sur laquelle le droit de donation est prélevé ou devrait être prélevé est ajoutée à l'héritage des ayants droit afin de déterminer l'imposition progressive qui est d'application sur l'héritage en question.
L'alinéa premier ne s'applique pas aux :
1° donations entre vifs d'une parcelle de terrain destinée à la construction d'habitations selon les prescriptions d'urbanisme et sur lesquelles est perçu le droit de donation mentionné à l'article 2.8.4.2.1, tableau I ;
2° donations entre vifs de biens meubles sur lesquelles est perçu le droit de donation mentionné à l'article 2.8.4.1.1, § 2 ;
3° donations entre vifs d'entreprise sur lesquelles, avant le 1er janvier 2012, est perçu le droit mentionné à l'article 140bis du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe ou sur lesquelles, à partir du 1er janvier 2012, l'exonération mentionnée à l'article 2.8.6.0.3 est d'application.]1
[2 4° des donations entre vifs de biens immeubles non bâtis sur lesquelles l'exemption visée à l'article 2.8.6.0.8, a été appliquée.]2
L'alinéa premier ne s'applique pas aux :
1° donations entre vifs d'une parcelle de terrain destinée à la construction d'habitations selon les prescriptions d'urbanisme et sur lesquelles est perçu le droit de donation mentionné à l'article 2.8.4.2.1, tableau I ;
2° donations entre vifs de biens meubles sur lesquelles est perçu le droit de donation mentionné à l'article 2.8.4.1.1, § 2 ;
3° donations entre vifs d'entreprise sur lesquelles, avant le 1er janvier 2012, est perçu le droit mentionné à l'article 140bis du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe ou sur lesquelles, à partir du 1er janvier 2012, l'exonération mentionnée à l'article 2.8.6.0.3 est d'application.]1
[2 4° des donations entre vifs de biens immeubles non bâtis sur lesquelles l'exemption visée à l'article 2.8.6.0.8, a été appliquée.]2
Art. 2.7.3.2.10. [1 Als de verkrijger binnen zes maanden na het overlijden van de erflater sterft, wordt voor de berekening van de erfbelasting op de nalatenschap van die laatste geen rekening gehouden met hetgeen de verkrijger in vruchtgebruik [2 of]2 als levenslange of periodieke rente of als pensioen heeft verkregen.]1
Art. 2.7.3.2.10. [1 Il n'est pas tenu compte, pour le calcul de l'impôt de succession, de ce qui est recueilli en usufruit ou à titre de rente ou pension viagère ou périodique, si le bénéficiaire meurt dans les six mois du décès du défunt.]1
Art. 2.7.3.2.11. [1 Als in de gevallen, vermeld in artikel 2.7.1.0.7, 2.7.1.0.8 en 2.7.1.0.9, niet bewezen wordt dat de verrichting geen bedekte bevoordeling is, maar kan worden bewezen dat de erflater werkelijk het levenslange recht genoten heeft, wordt op de belastbare grondslag op de dag van het openvallen van de nalatenschap een evenredige vermindering toegepast, conform artikel 2.7.3.3.4 en artikel 2.7.3.3.5. Daarbij wordt rekening gehouden met de waarde van het bedoelde levenslange recht dat wordt gekapitaliseerd tegen 4%, volgens het werkelijke aantal volle jaren dat de erflater het recht genoten heeft. Als het gaat om een vruchtgebruik of een ander zakelijk levenslang recht, wordt de waarde van het in aanmerking te nemen jaarlijkse inkomen forfaitair vastgesteld op 4% van de waarde van de volle eigendom van het goed op de dag van het contract.]1
Art. 2.7.3.2.11. [1 Lorsque, dans les cas prévus aux articles 2.7.1.0.7, 2.7.1.0.8 et 2.7.1.0.9, il n'est pas démontré que l'opération ne déguise pas une libéralité, mais qu'il est établi que le défunt a réellement joui du droit viager, il y a lieu d'opérer sur la base imposable, au jour de l'ouverture de la succession, une réduction proportionnelle conformément aux articles 2.7.3.3.4 et 2.7.3.3.5, et ce en tenant compte de la valeur dudit droit viager capitalisée au taux de 4 % et d'après le nombre effectif des années entières pendant lesquelles le défunt en a joui. S'il s'agit d'un usufruit ou autre droit réel viager, la valeur du revenu annuel à prendre en considération doit être fixée forfaitairement à 4 % de la valeur de la pleine propriété du bien au jour du contrat.]1
Art. 2.7.3.2.12. [1 § 1. Op hetgeen een [3 persoon met een handicap]3 of een gehandicapt kind verkrijgt, wordt een abattement toegepast voor de som die verkregen is door toepassing van de volgende formule :
1° (3000 euro) x (cijfer, aangeduid in artikel 2.7.3.3.2, eerste lid, 5°, volgens de leeftijd van de verkrijger) als de verkrijging onderworpen is aan het tarief, vermeld in tabel I van artikel 2.7.4.1.1;
2° (1000 euro) x (cijfer, aangeduid in artikel 2.7.3.3.2, eerste lid, 5°, volgens de leeftijd van de verkrijger) als de verkrijging onderworpen is aan het tarief, vermeld in tabel II van artikel 2.7.4.1.1.
§ 2. Als een [3 persoon met een handicap]3 of een gehandicapt kind als vermeld in paragraaf 1, onderworpen is aan het tarief, vermeld in tabel I van artikel 2.7.4.1.1, wordt het bedrag van het abattement [2 eerst toegerekend op zijn overeenkomstig artikel 2.7.4.1.1, § 2, derde lid, of artikel 2.7.6.0.6 niet vrijgestelde gedeelte van het netto onroerend aandeel, vervolgens op zijn overeenkomstig artikel 2.7.6.0.6 niet vrijgestelde gedeelte van het netto roerend aandeel]2 en bij uitputting van dat aandeel tot slot op de belastbare grondslag waarop het verlaagde tarief voor familiale ondernemingen en vennootschappen, met toepassing van artikel 2.7.4.2.2, wordt berekend.
Als een [3 persoon met een handicap]3 of een gehandicapt kind als vermeld in paragraaf 1, samen met personen op wie het tarief `tussen anderen' van toepassing is, onderworpen is aan het tarief, vermeld in tabel II van artikel 2.7.4.1.1, wordt, in afwijking van artikel 2.7.4.1.1, de belasting voor de [3 persoon met een handicap]3 of het gehandicapte kind berekend alsof hij als enige voor de nettoverkrijging van de nalatenschap in aanmerking komt. Voor de andere verkrijgers wordt conform artikel 2.7.4.1.1 de belasting berekend alsof de [3 persoon met een handicap]3 of het gehandicapte kind die hoedanigheid niet heeft.]1
[4 § 3. Als een persoon met een handicap als vermeld in paragraaf 1, volledig of gedeeltelijk onderworpen is aan het tarief, vermeld in tabel II van artikel 2.7.4.1.1, § 1, wordt het bedrag van het abattement eerst toegerekend op het gedeelte van de verkrijging dat onderworpen is aan het tarief, vermeld in tabel II van artikel 2.7.4.1.1, § 1, en bij uitputting van dat aandeel op de belastbare grondslag waarop het verlaagde tarief wordt berekend, met toepassing van artikel 2.7.4.2.5.]4
1° (3000 euro) x (cijfer, aangeduid in artikel 2.7.3.3.2, eerste lid, 5°, volgens de leeftijd van de verkrijger) als de verkrijging onderworpen is aan het tarief, vermeld in tabel I van artikel 2.7.4.1.1;
2° (1000 euro) x (cijfer, aangeduid in artikel 2.7.3.3.2, eerste lid, 5°, volgens de leeftijd van de verkrijger) als de verkrijging onderworpen is aan het tarief, vermeld in tabel II van artikel 2.7.4.1.1.
§ 2. Als een [3 persoon met een handicap]3 of een gehandicapt kind als vermeld in paragraaf 1, onderworpen is aan het tarief, vermeld in tabel I van artikel 2.7.4.1.1, wordt het bedrag van het abattement [2 eerst toegerekend op zijn overeenkomstig artikel 2.7.4.1.1, § 2, derde lid, of artikel 2.7.6.0.6 niet vrijgestelde gedeelte van het netto onroerend aandeel, vervolgens op zijn overeenkomstig artikel 2.7.6.0.6 niet vrijgestelde gedeelte van het netto roerend aandeel]2 en bij uitputting van dat aandeel tot slot op de belastbare grondslag waarop het verlaagde tarief voor familiale ondernemingen en vennootschappen, met toepassing van artikel 2.7.4.2.2, wordt berekend.
Als een [3 persoon met een handicap]3 of een gehandicapt kind als vermeld in paragraaf 1, samen met personen op wie het tarief `tussen anderen' van toepassing is, onderworpen is aan het tarief, vermeld in tabel II van artikel 2.7.4.1.1, wordt, in afwijking van artikel 2.7.4.1.1, de belasting voor de [3 persoon met een handicap]3 of het gehandicapte kind berekend alsof hij als enige voor de nettoverkrijging van de nalatenschap in aanmerking komt. Voor de andere verkrijgers wordt conform artikel 2.7.4.1.1 de belasting berekend alsof de [3 persoon met een handicap]3 of het gehandicapte kind die hoedanigheid niet heeft.]1
[4 § 3. Als een persoon met een handicap als vermeld in paragraaf 1, volledig of gedeeltelijk onderworpen is aan het tarief, vermeld in tabel II van artikel 2.7.4.1.1, § 1, wordt het bedrag van het abattement eerst toegerekend op het gedeelte van de verkrijging dat onderworpen is aan het tarief, vermeld in tabel II van artikel 2.7.4.1.1, § 1, en bij uitputting van dat aandeel op de belastbare grondslag waarop het verlaagde tarief wordt berekend, met toepassing van artikel 2.7.4.2.5.]4
Art. 2.7.3.2.12. [1 § 1er. Ce qui est recueilli par une personne handicapée ou par un enfant handicapé fait l'objet d'un abattement à concurrence du montant obtenu par l'application de la formule suivante :
1° (3.000 euros) x (chiffre indiqué à l'article 2.7.3.3.2, premier alinéa, 5°, en fonction de l'âge du bénéficiaire) lorsque l'acquisition est soumise au tarif mentionné dans le tableau I de l'article 2.7.4.1.1 ;
2° (1.000 euros) x (chiffre indiqué à l'article 2.7.3.3.2, premier alinéa, 5°, en fonction de l'âge du bénéficiaire) lorsque l'acquisition est soumise au tarif mentionné dans le tableau II de l'article 2.7.4.1.1.
§ 2. Au cas où une personne handicapée ou un enfant handicapé, tels que mentionnés au paragraphe 1er, sont soumis au tarif mentionné dans le tableau I de l'article 2.7.4.1.1, le montant de l'abattement est [2 d'abord appliqué à la partie de leur part nette des biens immeubles non exonérée conformément à l'article 2.7.4.1.1, § 2, alinéa 3, ou l'article 2.7.6.0.6, puis à la partie de leur part nette des biens meubles non exonérée conformément à l'article 2.7.6.0.6 ]2, et enfin, après épuisement de cette part, à la base imposable sur laquelle le taux réduit pour les entreprises familiales et les sociétés est calculé en application de l'article 2.7.4.2.2.
Au cas où une personne handicapée ou un enfant handicapé, tels que mentionnés au paragraphe 1er, sont soumis, avec d'autres personnes, au tarif mentionné dans le tableau II de l'article 2.7.4.1.1, l'impôt dans le chef de la personne handicapée ou de l'enfant handicapé est calculé comme si la personne concernée était la seule personne à qui revient sa part nette de la succession. L'impôt dans le chef des autres bénéficiaires est calculé conformément à l'article 2.7.4.1.1, comme si la personne handicapée ou l'enfant handicapé n'avait pas cette qualité.]1
[3 § 3. Si une personne porteuse d'un handicap telle que visée au paragraphe 1er, est soumise entièrement ou partiellement au taux visé au tableau II de l'article 2.7.4.1.1, § 1er, le montant de l'abattement est d'abord affecté à la partie de l'acquisition soumise au taux visé au tableau II de l'article 2.7.4.1.1, § 1er, et, à l'épuisement de cette partie, à la base imposable sur laquelle le taux réduit est calculé, en application de l'article 2.7.4.2.5.]3
1° (3.000 euros) x (chiffre indiqué à l'article 2.7.3.3.2, premier alinéa, 5°, en fonction de l'âge du bénéficiaire) lorsque l'acquisition est soumise au tarif mentionné dans le tableau I de l'article 2.7.4.1.1 ;
2° (1.000 euros) x (chiffre indiqué à l'article 2.7.3.3.2, premier alinéa, 5°, en fonction de l'âge du bénéficiaire) lorsque l'acquisition est soumise au tarif mentionné dans le tableau II de l'article 2.7.4.1.1.
§ 2. Au cas où une personne handicapée ou un enfant handicapé, tels que mentionnés au paragraphe 1er, sont soumis au tarif mentionné dans le tableau I de l'article 2.7.4.1.1, le montant de l'abattement est [2 d'abord appliqué à la partie de leur part nette des biens immeubles non exonérée conformément à l'article 2.7.4.1.1, § 2, alinéa 3, ou l'article 2.7.6.0.6, puis à la partie de leur part nette des biens meubles non exonérée conformément à l'article 2.7.6.0.6 ]2, et enfin, après épuisement de cette part, à la base imposable sur laquelle le taux réduit pour les entreprises familiales et les sociétés est calculé en application de l'article 2.7.4.2.2.
Au cas où une personne handicapée ou un enfant handicapé, tels que mentionnés au paragraphe 1er, sont soumis, avec d'autres personnes, au tarif mentionné dans le tableau II de l'article 2.7.4.1.1, l'impôt dans le chef de la personne handicapée ou de l'enfant handicapé est calculé comme si la personne concernée était la seule personne à qui revient sa part nette de la succession. L'impôt dans le chef des autres bénéficiaires est calculé conformément à l'article 2.7.4.1.1, comme si la personne handicapée ou l'enfant handicapé n'avait pas cette qualité.]1
[3 § 3. Si une personne porteuse d'un handicap telle que visée au paragraphe 1er, est soumise entièrement ou partiellement au taux visé au tableau II de l'article 2.7.4.1.1, § 1er, le montant de l'abattement est d'abord affecté à la partie de l'acquisition soumise au taux visé au tableau II de l'article 2.7.4.1.1, § 1er, et, à l'épuisement de cette partie, à la base imposable sur laquelle le taux réduit est calculé, en application de l'article 2.7.4.2.5.]3
Art. 2.7.3.2.13. [1 In geval van legaat van een geldsom of van legaat van een periodieke rente of pensioen wordt het bedrag van de gelegateerde geldsom of het kapitaal waarop het successierecht naar rato van de bedoelde rente of het pensioen wordt geheven, voor de berekening van de rechten afgetrokken van de nettoverkrijging van de erfgenaam, legataris of begiftigde die het legaat van de geldsom, de rente of het pensioen moet uitbetalen.]1
Art. 2.7.3.2.13. [1 En cas de legs d'une somme d'argent ou de legs d'une rente ou pension périodique, le montant de la somme léguée ou du capital légué, sur lequel le droit de succession est perçu au prorata de la rente ou de la pension en question, est déduit, pour le calcul des droits, de l'acquisition nette de l'héritier, du légataire ou du donataire qui doit acquitter le legs de la somme d'argent, de la rente ou de la pension.]1
Art. 2.7.3.2.14. [1 Voor de inning van het successierecht worden andere schuldvorderingen dan de schuldvorderingen, vermeld in artikel 2.7.3.2.7, die voortkomen uit de toepassing van een beding in een huwelijksovereenkomst dat door de erflater en zijn partner is overeengekomen en dat betrekking heeft op de vereffening van hun huwelijksvermogensstelsel, niet in aanmerking genomen.]1
Art. 2.7.3.2.14. [1 Pour le recouvrement du droit de succession, les créances autres que les créances visées à l'article 2.7.3.2.7, découlant de l'application d'une stipulation dans un contrat de mariage conclu entre le défunt et son partenaire et se rapportant à la liquidation de leur régime matrimonial, ne sont pas prises en considération.]1
Art. 2.7.3.2.15. [1 Als er zich onder de erfgenamen, legatarissen of begiftigden een of meer legatarissen bevinden van wie het legaat onder de toepassing van artikel 2.7.4.2.1 valt, wordt om de rechten te berekenen:
1° voor de legatarissen, vermeld in artikel 2.7.4.2.1, het eventuele bedrag om de erfbelasting van andere erfgenamen, legatarissen of begiftigden te voldoen, gedeeld door (1 - het marginale tarief dat is toegepast om dat bedrag te berekenen) en begrensd tot het legaat zelf, niet in aanmerking genomen voor de belastbare grondslag;
2° voor de andere erfgenamen, legatarissen of begiftigden, vermeld in punt 1°, het eventuele bedrag, vermeld in punt 1°, in aanmerking genomen voor de belastbare grondslag.]1
1° voor de legatarissen, vermeld in artikel 2.7.4.2.1, het eventuele bedrag om de erfbelasting van andere erfgenamen, legatarissen of begiftigden te voldoen, gedeeld door (1 - het marginale tarief dat is toegepast om dat bedrag te berekenen) en begrensd tot het legaat zelf, niet in aanmerking genomen voor de belastbare grondslag;
2° voor de andere erfgenamen, legatarissen of begiftigden, vermeld in punt 1°, het eventuele bedrag, vermeld in punt 1°, in aanmerking genomen voor de belastbare grondslag.]1
Art. 2.7.3.2.15. [1 S'il y a, parmi les héritiers, légataires ou bénéficiaires, un ou plusieurs légataires dont le legs relève de l'application de l'article 2.7.4.2.1, pour le calcul des droits :
1° pour les légataires visés à l'article 2.7.4.2.1, le montant éventuel pour payer les droits de succession des autres héritiers, légataires ou bénéficiaires, divisé par (1 - le taux marginal appliqué pour calculer ce montant) et limité au legs lui-même, n'est pas pris en considération pour la base imposable ;
2° pour les autres héritiers, légataires ou bénéficiaires, visés au point 1°, le montant éventuel visé au point 1° est pris en considération pour la base imposable.]1
1° pour les légataires visés à l'article 2.7.4.2.1, le montant éventuel pour payer les droits de succession des autres héritiers, légataires ou bénéficiaires, divisé par (1 - le taux marginal appliqué pour calculer ce montant) et limité au legs lui-même, n'est pas pris en considération pour la base imposable ;
2° pour les autres héritiers, légataires ou bénéficiaires, visés au point 1°, le montant éventuel visé au point 1° est pris en considération pour la base imposable.]1
Onderafdeling 3. - [1 Waardering van het actief]1
Sous-section 3. - [1 Valorisation de l'actif]1
Art. 2.7.3.3.1. [1 De belastbare waarde van de goederen die het actief van de nalatenschap van een rijksinwoner uitmaken en van de onroerende goederen die onderworpen zijn aan het recht van overgang, is de door de aangevers te schatten verkoopwaarde op de dag van het overlijden.
In afwijking van het eerste lid wordt voor de waardering van de goederen waarvan de erflater schijnbaar eigenaar was, geen rekening gehouden met de waardevermindering die zou kunnen voortspruiten uit de wederroepelijkheid van de titel van verkrijging van de erflater.]1
In afwijking van het eerste lid wordt voor de waardering van de goederen waarvan de erflater schijnbaar eigenaar was, geen rekening gehouden met de waardevermindering die zou kunnen voortspruiten uit de wederroepelijkheid van de titel van verkrijging van de erflater.]1
Art. 2.7.3.3.1. [1 La valeur imposable des biens composant l'actif de la succession d'un habitant du Royaume et des immeubles assujettis au droit de mutation par décès est la valeur vénale au jour du décès, à estimer par les déclarants.
Par dérogation au premier alinéa, pour l'évaluation des biens dont la propriété apparente repose sur la tête du défunt, il n'est pas tenu compte de la dépréciation de valeur qui pourrait résulter de la précarité du titre d'acquisition du défunt.]1
Par dérogation au premier alinéa, pour l'évaluation des biens dont la propriété apparente repose sur la tête du défunt, il n'est pas tenu compte de la dépréciation de valeur qui pourrait résulter de la précarité du titre d'acquisition du défunt.]1
Art. 2.7.3.3.2. [1 In afwijking van artikel 2.7.3.3.1 wordt de belastbare waarde van de goederen die tot de nalatenschap behoren, als volgt vastgesteld :
1° voor de onroerende goederen die in het buitenland liggen, waarvan de verkoopwaarde niet blijkt uit akten en bescheiden : twintig of dertig keer de jaarlijkse opbrengst van de goederen of de prijs van de lopende huurcelen, zonder aftrek van de aan de huurder of aan de pachter opgelegde lasten, naargelang het gaat om bebouwde eigendommen of onbebouwde eigendommen. De belastbare waarde mag in geen geval lager zijn dan de waarde die tot grondslag gediend heeft voor de heffing van de belasting in het buitenland;
2° voor het kapitaal en de interesten die vervallen zijn of die verkregen zijn van de schuldvorderingen : het nominale bedrag van dat kapitaal en van die interesten. In geval van onvermogen van de schuldenaar of van het bestaan van elke andere oorzaak van waardevermindering mogen de aangevers de schuldvordering op haar verkoopwaarde schatten;
3° voor financiële instrumenten die toegelaten zijn tot verhandeling op Belgische of buitenlandse gereglementeerde markten als vermeld in artikel 2, eerste lid, 5° en 6°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en voor Belgische of buitenlandse multilaterale handelsfaciliteiten als vermeld in artikel 2, eerste lid, 4°, van de voormelde wet : volgens de beurswaarden ervan;
4° voor de altijddurende of voor een onbepaalde tijd gevestigde erfpachten, grondrenten en andere prestaties, alsook voor de al dan niet gehypothekeerde altijddurende renten : twintig keer de rente of de jaarlijkse prestatie. In geval van onvermogen van de schuldenaar of bij een andere oorzaak van waardevermindering mogen de aangevers de rente of prestatie op haar verkoopwaarde schatten;
5° voor de op het hoofd van een derde gevestigde lijfrenten en andere levenslange uitkeringen : door de vermenigvuldiging van het jaarlijkse bedrag van de uitkering met de leeftijdscoëfficiënt uit de onderstaande tabel :
1° voor de onroerende goederen die in het buitenland liggen, waarvan de verkoopwaarde niet blijkt uit akten en bescheiden : twintig of dertig keer de jaarlijkse opbrengst van de goederen of de prijs van de lopende huurcelen, zonder aftrek van de aan de huurder of aan de pachter opgelegde lasten, naargelang het gaat om bebouwde eigendommen of onbebouwde eigendommen. De belastbare waarde mag in geen geval lager zijn dan de waarde die tot grondslag gediend heeft voor de heffing van de belasting in het buitenland;
2° voor het kapitaal en de interesten die vervallen zijn of die verkregen zijn van de schuldvorderingen : het nominale bedrag van dat kapitaal en van die interesten. In geval van onvermogen van de schuldenaar of van het bestaan van elke andere oorzaak van waardevermindering mogen de aangevers de schuldvordering op haar verkoopwaarde schatten;
3° voor financiële instrumenten die toegelaten zijn tot verhandeling op Belgische of buitenlandse gereglementeerde markten als vermeld in artikel 2, eerste lid, 5° en 6°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en voor Belgische of buitenlandse multilaterale handelsfaciliteiten als vermeld in artikel 2, eerste lid, 4°, van de voormelde wet : volgens de beurswaarden ervan;
4° voor de altijddurende of voor een onbepaalde tijd gevestigde erfpachten, grondrenten en andere prestaties, alsook voor de al dan niet gehypothekeerde altijddurende renten : twintig keer de rente of de jaarlijkse prestatie. In geval van onvermogen van de schuldenaar of bij een andere oorzaak van waardevermindering mogen de aangevers de rente of prestatie op haar verkoopwaarde schatten;
5° voor de op het hoofd van een derde gevestigde lijfrenten en andere levenslange uitkeringen : door de vermenigvuldiging van het jaarlijkse bedrag van de uitkering met de leeftijdscoëfficiënt uit de onderstaande tabel :
Art. 2.7.3.3.2. [1 Par dérogation à l'article 2.7.3.3.1, la valeur imposable des biens qui appartiennent à la succession est établie comme suit :
1° pour les immeubles situés à l'étranger, si la valeur vénale ne résulte pas d'actes et documents : par vingt ou trente fois le produit annuel des biens ou le prix des baux courants, sans distraction des charges imposées au locataire ou au fermier, suivant qu'il s'agit de propriétés bâties ou de propriétés non bâties. En aucun cas, la valeur imposable ne peut être inférieure à celle qui a servi de base pour la perception de l'impôt à l'étranger ;
2° pour le capital et les intérêts échus ou acquis des créances : par le montant nominal de ce capital et de ces intérêts, sous réserve pour les déclarants d'estimer la créance à sa valeur vénale en cas d'insolvabilité du débiteur ou d'existence de toute autre cause de dépréciation ;
3° pour les instruments financiers admis à la négociation sur les marchés réglementés belges ou étrangers visés à l'article 2, alinéa 1er, 5°, de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers, et pour les systèmes multilatéraux de négociation belges ou étrangers, visés à l'article 2, alinéa 1er, 4°, de la même loi : selon leur valeur en bourse ;
4° pour les rentes emphytéotiques, les rentes foncières et autres prestations, lorsqu'elles sont établies à perpétuité ou à terme illimité, ainsi que pour les rentes perpétuelles hypothéquées ou non : par vingt fois la rente ou la prestation annuelle, sous réserve pour les déclarants d'estimer la vente ou la prestation à leur valeur vénale en cas d'insolvabilité du débiteur ou d'existence de toute autre cause de dépréciation;
5° Pour les rentes et autres prestations viagères constituées sur la tête d'un tiers : par la multiplication du montant annuel de la prestation par le coefficient d'âge figurant dans le tableau ci-dessous :
1° pour les immeubles situés à l'étranger, si la valeur vénale ne résulte pas d'actes et documents : par vingt ou trente fois le produit annuel des biens ou le prix des baux courants, sans distraction des charges imposées au locataire ou au fermier, suivant qu'il s'agit de propriétés bâties ou de propriétés non bâties. En aucun cas, la valeur imposable ne peut être inférieure à celle qui a servi de base pour la perception de l'impôt à l'étranger ;
2° pour le capital et les intérêts échus ou acquis des créances : par le montant nominal de ce capital et de ces intérêts, sous réserve pour les déclarants d'estimer la créance à sa valeur vénale en cas d'insolvabilité du débiteur ou d'existence de toute autre cause de dépréciation ;
3° pour les instruments financiers admis à la négociation sur les marchés réglementés belges ou étrangers visés à l'article 2, alinéa 1er, 5°, de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers, et pour les systèmes multilatéraux de négociation belges ou étrangers, visés à l'article 2, alinéa 1er, 4°, de la même loi : selon leur valeur en bourse ;
4° pour les rentes emphytéotiques, les rentes foncières et autres prestations, lorsqu'elles sont établies à perpétuité ou à terme illimité, ainsi que pour les rentes perpétuelles hypothéquées ou non : par vingt fois la rente ou la prestation annuelle, sous réserve pour les déclarants d'estimer la vente ou la prestation à leur valeur vénale en cas d'insolvabilité du débiteur ou d'existence de toute autre cause de dépréciation;
5° Pour les rentes et autres prestations viagères constituées sur la tête d'un tiers : par la multiplication du montant annuel de la prestation par le coefficient d'âge figurant dans le tableau ci-dessous :
| Leeftijdscoëfficiënt | leeftijd van degene op het hoofd van wie de rente gevestigd is, in jaar |
| 18 | ≤ 20 |
| 17 | > 20-30 |
| 16 | > 30-40 |
| 14 | > 40-50 |
| 13 | > 50-55 |
| 11 | > 55-60 |
| 9,5 | > 60-65 |
| 8 | > 65-70 |
| 6 | > 70-75 |
| 4 | > 75-80 |
| 2 | > 80 |
6° voor het op het hoofd van een derde gevestigde vruchtgebruik : de jaarlijkse opbrengst van de goederen, berekend tegen 4% van de waarde van de volle eigendom, te vermenigvuldigen met het cijfer, vermeld in punt 5° ;
7° voor de voor een beperkte tijd gevestigde renten of prestaties : de som die door de kapitalisatie van de renten of prestaties tegen 4% op de datum van het overlijden wordt vertegenwoordigd, onder voorbehoud dat het bedrag van de kapitalisatie, al naargelang het geval, de belastbare waarde, zoals die in punt 4° en punt 5° wordt bepaald, niet te boven gaat. Dezelfde regel is van toepassing als het gaat over een voor een beperkte tijd gevestigd vruchtgebruik, waarbij de opbrengst van de goederen, vermeld in punt 6°, als grondslag van de kapitalisatie wordt genomen;
8° voor de blote eigendom : de waarde van de volle eigendom, onder aftrek van de waarde van het vruchtgebruik, berekend conform dit artikel en artikel 2.7.3.3.3. Er vindt geen aftrek plaats als het vruchtgebruik met toepassing van artikel 2.7.3.2.10 vrij is van erfbelasting.
Voor de toepassing van het eerste lid, 3°, kunnen de aangevers kiezen uit de beurswaarde op de datum van het overlijden, de beurswaarde op de datum van één maand na het overlijden of de beurswaarde op de datum van twee maanden na het overlijden. Als er op een van die data geen notering is, geldt de beurswaarde op de eerstvolgende dag waarop er opnieuw een notering wordt vastgesteld. Als er op de gekozen datum voor bepaalde van de aan te geven waarden wel en voor andere geen notering is, moeten laatstbedoelde waarden worden aangegeven volgens de beurswaarden op de eerstvolgende dag waarop er wel een notering is. De aangevers mogen slechts een van de voormelde data kiezen, die zal gelden voor al de nagelaten waarden. De aangevers geven hun keuze aan in de aangifte, waarin ze ook de door hen geraadpleegde bron voor de opgegeven beurswaarden vermelden.]1
| Coefficient d'âge | âge de celui sur la tête de qui la rente est créée |
| 18 | ≤ 20 |
| 17 | > 20-30 |
| 16 | > 30-40 |
| 14 | > 40-50 |
| 13 | > 50-55 |
| 11 | > 55-60 |
| 9,5 | > 60-65 |
| 8 | > 65-70 |
| 6 | > 70-75 |
| 4 | > 75-80 |
| 2 | > 80 |
6° pour l'usufruit constitué sur la tête d'un tiers : par le revenu annuel des biens calculé au taux de 4 % de la valeur de la pleine propriété multiplié par le nombre indiqué au point 5° ;
7° pour les rentes ou prestations constituées pour un temps limité : par la somme représentant la capitalisation à la date du décès au taux de 4 % des rentes ou prestations, sous cette réserve que le montant de la capitalisation ne peut excéder, selon le cas, la valeur imposable telle qu'elle est déterminée aux points 4 et 5. La même règle est applicable s'il s'agit d'un usufruit constitué pour un temps limité, sauf à prendre pour base de la capitalisation le revenu des biens comme il est dit au point 6 ;
8° pour la nue-propriété : par la valeur de la pleine propriété sous déduction de la valeur de l'usufruit calculée conformément aux prescriptions du présent article et de l'article 2.7.3.3.3. Aucune déduction n'est opérée si l'usufruit est exempt de l'impôt de succession par application de l'article 2.7.3.2.10.
Pour l'application du premier alinéa, 3°, les déclarants peuvent choisir parmi la valeur de la bourse à la date du décès la valeur de la bourse à la date d'un mois après le décès ou à la date de deux mois après le décès. Lorsqu'il n'y a pas de cote à une de ces dates, la valeur de la bourse est celle du prochain jour auquel une cotation est à nouveau établie. Si, à la date choisie, il y a une cotation pour certaines des valeurs à déclarer et pas pour d'autres, ces dernières valeurs doivent être déclarées selon les valeurs de bourses au prochain jour auquel il y a une cotation. Les déclarants ne peuvent choisir qu'une des dates précitées, qui vaudra pour toutes les valeurs laissées. Les déclarants indiquent leur choix dans la déclaration, et mentionnent également la source qu'ils ont consultée pour les valeurs de bourse indiquées.]1
Art. 2.7.3.3.3. [1 Het recht van gebruik en het recht van bewoning, alsook het recht op vruchten, inkomsten of opbrengsten worden voor de toepassing van artikel 2.7.3.3.2 en van artikel 2.7.3.2.3 met vruchtgebruik gelijkgesteld.
Als de lijfrente, de levenslange prestatie of het vruchtgebruik op het hoofd van twee of meer personen is gevestigd, is de in aanmerking te nemen leeftijd die van de jongste persoon.]1
Als de lijfrente, de levenslange prestatie of het vruchtgebruik op het hoofd van twee of meer personen is gevestigd, is de in aanmerking te nemen leeftijd die van de jongste persoon.]1
Art. 2.7.3.3.3. [1 Sont assimilés à l'usufruit pour l'application des articles 2.7.3.3.2 et 2.7.3.2.3, les droits d'usage et d'habitation ainsi que le droit aux fruits, revenus ou produits.
Si la rente ou prestation viagère ou si l'usufruit est constitué sur la tête de deux ou plusieurs personnes, l'âge à prendre en considération est celui de la personne la plus jeune.]1
Si la rente ou prestation viagère ou si l'usufruit est constitué sur la tête de deux ou plusieurs personnes, l'âge à prendre en considération est celui de la personne la plus jeune.]1
Art. 2.7.3.3.4. [1 De belastbare waarde (X) van de goederen die het voorwerp uitmaken van de verrichting, vermeld in artikel 2.7.1.0.8, wordt als volgt bepaald :
X = a x b c
De parameters, vermeld in het eerste lid, worden als volgt gedefinieerd :
1° a = het bedrag van de bedekte bevoordeling op de dag van de verrichting;
2° b = de waarde van de goederen die op de dag van het overlijden in eigendom toebedeeld zijn aan de deelgenoten;
3° c = de waarde van de goederen die op de dag van de verrichting in eigendom toebedeeld zijn.]1
X = a x b c
De parameters, vermeld in het eerste lid, worden als volgt gedefinieerd :
1° a = het bedrag van de bedekte bevoordeling op de dag van de verrichting;
2° b = de waarde van de goederen die op de dag van het overlijden in eigendom toebedeeld zijn aan de deelgenoten;
3° c = de waarde van de goederen die op de dag van de verrichting in eigendom toebedeeld zijn.]1
Art. 2.7.3.3.4. [1 La valeur imposable (X) des biens qui font l'objet de l'opération, dont question à l'article 2.7.1.0.8, est déterminée comme suit :
X = a x b c
Les paramètres, visés à l'alinéa premier, sont définis comme suit :
1° a = le montant de la libéralité déguisée, le jour de l'opération ;
2° b = la valeur des biens qui, le jour du décès, sont attribués en propriété aux copartageants ;
3° c = la valeur des biens qui, le jour de l'opération, sont attribués en propriété.]1
X = a x b c
Les paramètres, visés à l'alinéa premier, sont définis comme suit :
1° a = le montant de la libéralité déguisée, le jour de l'opération ;
2° b = la valeur des biens qui, le jour du décès, sont attribués en propriété aux copartageants ;
3° c = la valeur des biens qui, le jour de l'opération, sont attribués en propriété.]1
Art. 2.7.3.3.5. [1 De belastbare waarde (X) van de goederen die het voorwerp uitmaken van een verkoop of afstand als vermeld in artikel 2.7.1.0.9, wordt, als de erflater daarenboven de overlating van een goed in eigendom in zijn voordeel heeft bedongen, als volgt bepaald :
X = a x b c
De parameters, vermeld in het eerste lid, worden als volgt gedefinieerd :
1° a = het bedrag van de bedekte bevoordeling op de dag van de verkoop of de afstand;
2° b = de waarde van de door de erflater verkochte of afgestane goederen op de dag van het overlijden;
3° c = de waarde van de door de erflater verkochte of afgestane goederen op de dag van de verkoop of de afstand.]1
X = a x b c
De parameters, vermeld in het eerste lid, worden als volgt gedefinieerd :
1° a = het bedrag van de bedekte bevoordeling op de dag van de verkoop of de afstand;
2° b = de waarde van de door de erflater verkochte of afgestane goederen op de dag van het overlijden;
3° c = de waarde van de door de erflater verkochte of afgestane goederen op de dag van de verkoop of de afstand.]1
Art. 2.7.3.3.5. [1 La valeur imposable (X) des biens qui font l'objet d'une vente à distance telle que visée à l'article 2.7.1.0.9, est déterminée comme suit, si le défunt a stipulé en outre l'abandon à son profit d'un bien en propriété :
X = a x b c
Les paramètres, visés à l'alinéa premier, sont définis comme suit :
1° a = le montant de la libéralité déguisée, le jour de la vente ou de la cession ;
2° b = la valeur des biens vendus ou cédés par le défunt au jour du décès ;
3° c = la valeur des biens vendus ou cédés par le défunt le jour de la vente ou de la cession.]1
X = a x b c
Les paramètres, visés à l'alinéa premier, sont définis comme suit :
1° a = le montant de la libéralité déguisée, le jour de la vente ou de la cession ;
2° b = la valeur des biens vendus ou cédés par le défunt au jour du décès ;
3° c = la valeur des biens vendus ou cédés par le défunt le jour de la vente ou de la cession.]1
Art. 2.7.3.3.6. [1 De zekere schuldvorderingen waarvan het bedrag op het ogenblik van het overlijden onbepaald is, worden in de aangifte voor de waarde ervan opgenomen, behoudens regularisatie bij de definitieve bepaling van het bedrag ervan.]1
Art. 2.7.3.3.6. [1 Les créances certaines dont le montant est indéterminé au moment du décès sont reprises dans la déclaration pour leur valeur, sauf régularisation lors de la détermination définitive de leur montant. ]1
Art. 2.7.3.3.7. [1 In de gevallen, vermeld in artikel 3.3.1.0.6, eerste lid, moet de waarde van de goederen op de dag van het vonnis, van de dading of van de gebeurtenis die het uitgangspunt vormt van de termijn voor de indiening van de aangifte, vermeld in artikel 3.3.1.0.6, vierde lid, als belastbare waarde worden aangegeven.]1
Art. 2.7.3.3.7. [1 Dans les cas visés à l'article 3.3.1.0.6, premier alinéa, il y a lieu de déclarer comme valeur imposable la valeur des biens au jour du jugement, de la transaction ou de l'événement, qui constitue le point de départ du délai, fixé par l'article 3.3.1.0.6, alinéa 4, pour le dépôt de la déclaration.]1
Onderafdeling 4. - [1 Passief van de nalatenschap]1
Sous-section 4. - [1 Passif de la succession]1
Art. 2.7.3.4.1. [1 Als passief van de nalatenschap van een rijksinwoner wordt alleen het volgende aanvaard :
1° [2 de schulden van de erflater die op de dag van zijn overlijden bestaan. Andere schulden dan de schulden, vermeld in artikel 2.7.3.2.7, die voortkomen uit de toepassing van een beding in een huwelijksovereenkomst dat door de erflater en zijn partner is overeengekomen en dat betrekking heeft op de vereffening van hun huwelijksvermogensstelsel worden niet beschouwd als schulden van de erflater die op de dag van zijn overlijden bestaan;]2
2° de begrafeniskosten.
Als passief van de nalatenschap van een erflater die geen rijksinwoner is, maar die zijn domicilie of de zetel van zijn vermogen binnen de Europees Economische Ruimte had, worden alleen de schulden aanvaard waarvan de aangevers het bewijs leveren dat ze specifiek zijn aangegaan om de onroerende goederen te verwerven of te behouden.
De regels voor de waardering van de goederen die het actief van de nalatenschap samenstellen, vermeld in artikel 2.7.3.3.1 tot en met artikel 2.7.3.3.7, zijn van toepassing op de waardering van het passief van de nalatenschap.]1
[3 Het bedrag van de regularisatieheffing die is geheven en betaald in uitvoering van een federale wet die een systeem van fiscale regularisatie voorziet, wordt gelijkgesteld met een schuld van de erflater als vermeld in het eerste lid, 1°. Die schuld wordt alleen als passief van de nalatenschap aanvaard als al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
1° de geregulariseerde inkomsten of kapitalen en de activa in kwestie die die inkomsten hebben gegenereerd, zijn aangegeven in een aangifte van nalatenschap;
2° de inkomsten en bedragen die zijn aangegeven in de regularisatieaangifte en waarvoor de regularisatieheffing is betaald, zijn door de erflater behaald of verkregen.]3
1° [2 de schulden van de erflater die op de dag van zijn overlijden bestaan. Andere schulden dan de schulden, vermeld in artikel 2.7.3.2.7, die voortkomen uit de toepassing van een beding in een huwelijksovereenkomst dat door de erflater en zijn partner is overeengekomen en dat betrekking heeft op de vereffening van hun huwelijksvermogensstelsel worden niet beschouwd als schulden van de erflater die op de dag van zijn overlijden bestaan;]2
2° de begrafeniskosten.
Als passief van de nalatenschap van een erflater die geen rijksinwoner is, maar die zijn domicilie of de zetel van zijn vermogen binnen de Europees Economische Ruimte had, worden alleen de schulden aanvaard waarvan de aangevers het bewijs leveren dat ze specifiek zijn aangegaan om de onroerende goederen te verwerven of te behouden.
De regels voor de waardering van de goederen die het actief van de nalatenschap samenstellen, vermeld in artikel 2.7.3.3.1 tot en met artikel 2.7.3.3.7, zijn van toepassing op de waardering van het passief van de nalatenschap.]1
[3 Het bedrag van de regularisatieheffing die is geheven en betaald in uitvoering van een federale wet die een systeem van fiscale regularisatie voorziet, wordt gelijkgesteld met een schuld van de erflater als vermeld in het eerste lid, 1°. Die schuld wordt alleen als passief van de nalatenschap aanvaard als al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
1° de geregulariseerde inkomsten of kapitalen en de activa in kwestie die die inkomsten hebben gegenereerd, zijn aangegeven in een aangifte van nalatenschap;
2° de inkomsten en bedragen die zijn aangegeven in de regularisatieaangifte en waarvoor de regularisatieheffing is betaald, zijn door de erflater behaald of verkregen.]3
Art. 2.7.3.4.1. [1 Le passif admissible dans la succession d'un habitant du royaume se borne :
1° [2 aux dettes du défunt existantes au moment du décès. Les dettes autres que les dettes, visées à l'article 2.7.3.2.7, découlant de l'application d'une stipulation dans un contrat de mariage conclu entre le défunt et son partenaire et se rapportant à la liquidation de leur régime matrimonial, ne sont pas prises en considération comme des dettes du défunt existantes au moment du décès ;]2
2° aux frais funéraires.
Sont valables comme passif admissible dans la succession d'une personne qui n'est pas un habitant du Royaume, mais dont le domicile ou le siège de son patrimoine étaient établis dans l'Espace économique européen, les dettes dont les déclarants fournissent la preuve qu'elles ont été spécifiquement encourues afin d'acquérir ou de maintenir ces immeubles.
Les règles relatives à l'évaluation des biens composant l'actif successoral, mentionnées de l'article 2.7.3.3.1 à l'article 2.7.3.3.7 inclus, sont applicables à l'évaluation du passif de la succession. ]1
[3 Le montant du prélèvement de régularisation perçu et payé en exécution d'une loi fédérale prévoyant un système de régularisation fiscale est assimilé à une dette du testateur telle que visée à l'alinéa 1er, 1°. Cette dette n'est admise au passif de la succession que si l'ensemble des conditions suivantes sont remplies :
1° les revenus ou capitaux régularisés et les actifs en question qui ont généré ces revenus ont été déclarés dans une déclaration de succession ;
2° les revenus et les montants indiqués dans la déclaration de régularisation et pour lesquels le prélèvement de régularisation a été payé ont été obtenus ou acquis par le testateur.]3
1° [2 aux dettes du défunt existantes au moment du décès. Les dettes autres que les dettes, visées à l'article 2.7.3.2.7, découlant de l'application d'une stipulation dans un contrat de mariage conclu entre le défunt et son partenaire et se rapportant à la liquidation de leur régime matrimonial, ne sont pas prises en considération comme des dettes du défunt existantes au moment du décès ;]2
2° aux frais funéraires.
Sont valables comme passif admissible dans la succession d'une personne qui n'est pas un habitant du Royaume, mais dont le domicile ou le siège de son patrimoine étaient établis dans l'Espace économique européen, les dettes dont les déclarants fournissent la preuve qu'elles ont été spécifiquement encourues afin d'acquérir ou de maintenir ces immeubles.
Les règles relatives à l'évaluation des biens composant l'actif successoral, mentionnées de l'article 2.7.3.3.1 à l'article 2.7.3.3.7 inclus, sont applicables à l'évaluation du passif de la succession. ]1
[3 Le montant du prélèvement de régularisation perçu et payé en exécution d'une loi fédérale prévoyant un système de régularisation fiscale est assimilé à une dette du testateur telle que visée à l'alinéa 1er, 1°. Cette dette n'est admise au passif de la succession que si l'ensemble des conditions suivantes sont remplies :
1° les revenus ou capitaux régularisés et les actifs en question qui ont généré ces revenus ont été déclarés dans une déclaration de succession ;
2° les revenus et les montants indiqués dans la déclaration de régularisation et pour lesquels le prélèvement de régularisation a été payé ont été obtenus ou acquis par le testateur.]3
Art. 2.7.3.4.2. [1 De schulden van de erflater die op de dag van het overlijden bestaan, worden forfaitair bepaald op 1500 euro.
In afwijking van het eerste lid wordt het forfait voor de schulden van de gemeenschap bepaald op 3000 euro als de erflater gehuwd was onder een stelsel van gemeenschap. Hiervan kan de helft in het passief van de nalatenschap worden opgenomen.
Het forfait, vermeld in het eerste lid, en het forfait, vermeld in het tweede lid, kunnen niet gecombineerd, noch gecumuleerd worden.
De schulden die specifiek zijn aangegaan om onroerende goederen te verwerven of te behouden, zijn uitgesloten uit het forfaitaire bedrag, vermeld in het eerste en tweede lid.
Het bedrag van de begrafeniskosten wordt forfaitair bepaald op 6000 euro. Deze bepaling geldt niet als de erflater een uitvaartverzekering heeft afgesloten.
De bedragen, vermeld in het eerste, tweede en vijfde lid, zijn gekoppeld aan de schommelingen van het algemene indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk. De bedragen worden jaarlijks op 1 januari aangepast op basis van een coëfficiënt die verkregen wordt door het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers van het jaar dat voorafgaat aan het jaar, te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 2014. [2 Het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers wordt afgerond op het hogere of lagere honderdste naargelang het cijfer van de duizendsten al of niet vijf bereikt, en de coëfficiënt wordt afgerond op het hogere of lagere tienduizendste naargelang het cijfer van de honderdduizendsten al of niet vijf bereikt.]2 Na de toepassing van die coëfficiënt worden de bedragen afgerond op de cent.
De aangevers kunnen, in afwijking van het eerste, tweede en vijfde lid, ervoor kiezen om de werkelijke schulden of werkelijke begrafeniskosten te bewijzen met een verklaring in de aangifte van nalatenschap.]1
In afwijking van het eerste lid wordt het forfait voor de schulden van de gemeenschap bepaald op 3000 euro als de erflater gehuwd was onder een stelsel van gemeenschap. Hiervan kan de helft in het passief van de nalatenschap worden opgenomen.
Het forfait, vermeld in het eerste lid, en het forfait, vermeld in het tweede lid, kunnen niet gecombineerd, noch gecumuleerd worden.
De schulden die specifiek zijn aangegaan om onroerende goederen te verwerven of te behouden, zijn uitgesloten uit het forfaitaire bedrag, vermeld in het eerste en tweede lid.
Het bedrag van de begrafeniskosten wordt forfaitair bepaald op 6000 euro. Deze bepaling geldt niet als de erflater een uitvaartverzekering heeft afgesloten.
De bedragen, vermeld in het eerste, tweede en vijfde lid, zijn gekoppeld aan de schommelingen van het algemene indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk. De bedragen worden jaarlijks op 1 januari aangepast op basis van een coëfficiënt die verkregen wordt door het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers van het jaar dat voorafgaat aan het jaar, te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 2014. [2 Het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers wordt afgerond op het hogere of lagere honderdste naargelang het cijfer van de duizendsten al of niet vijf bereikt, en de coëfficiënt wordt afgerond op het hogere of lagere tienduizendste naargelang het cijfer van de honderdduizendsten al of niet vijf bereikt.]2 Na de toepassing van die coëfficiënt worden de bedragen afgerond op de cent.
De aangevers kunnen, in afwijking van het eerste, tweede en vijfde lid, ervoor kiezen om de werkelijke schulden of werkelijke begrafeniskosten te bewijzen met een verklaring in de aangifte van nalatenschap.]1
Art. 2.7.3.4.2. [1 Les dettes du testateur existantes au jour du décès sont fixées forfaitairement à 1.500 euros.
Par dérogation au premier alinéa, le forfait pour les dettes de la communauté est fixé à 3000 euros lorsque le testateur était marié sous le régime de la communauté de biens. La moitié de cela peut être incluse dans le passif successoral.
Le forfait, visé au premier alinéa, et le forfait, visé au deuxième alinéa, ne peuvent être ni combinés, ni cumulés.
Les dettes spécialement contractées pour acquérir ou conserver des biens immeubles sont exclues du montant forfaitaire, visé aux premier et deuxième alinéas.
Le montant des frais funéraires est forfaitairement fixé à 6.000 euros. Cette disposition ne s'applique pas si le testateur avait souscrit une assurance obsèques.
Les montants visés aux premier, deuxième et cinquième alinéas sont liés aux fluctuations de l'indice général des prix à la consommation du Royaume. Les montants sont adaptés chaque année au 1er janvier sur la base d'un coefficient obtenu en divisant la moyenne des indices mensuels de l'année qui précède l'année par la moyenne des indices mensuels de l'année 2014. [2 La moyenne des indices mensuels est arrondie au centième supérieur ou inférieur selon que le chiffre des millièmes s'élève à cinq ou non, et le coefficient est arrondi au dix millième supérieur ou inférieur selon que le chiffre des cent millièmes s'élève à cinq ou non.]2 Après application de ce coefficient, les montants sont arrondis au centime.
Les déclarants peuvent, dans la déclaration de succession, et par dérogation aux premier, deuxième et cinquième alinéas, choisir de déclarer sur la base de documents justificatifs les dettes réelles ou les frais funéraires réels.]1
Par dérogation au premier alinéa, le forfait pour les dettes de la communauté est fixé à 3000 euros lorsque le testateur était marié sous le régime de la communauté de biens. La moitié de cela peut être incluse dans le passif successoral.
Le forfait, visé au premier alinéa, et le forfait, visé au deuxième alinéa, ne peuvent être ni combinés, ni cumulés.
Les dettes spécialement contractées pour acquérir ou conserver des biens immeubles sont exclues du montant forfaitaire, visé aux premier et deuxième alinéas.
Le montant des frais funéraires est forfaitairement fixé à 6.000 euros. Cette disposition ne s'applique pas si le testateur avait souscrit une assurance obsèques.
Les montants visés aux premier, deuxième et cinquième alinéas sont liés aux fluctuations de l'indice général des prix à la consommation du Royaume. Les montants sont adaptés chaque année au 1er janvier sur la base d'un coefficient obtenu en divisant la moyenne des indices mensuels de l'année qui précède l'année par la moyenne des indices mensuels de l'année 2014. [2 La moyenne des indices mensuels est arrondie au centième supérieur ou inférieur selon que le chiffre des millièmes s'élève à cinq ou non, et le coefficient est arrondi au dix millième supérieur ou inférieur selon que le chiffre des cent millièmes s'élève à cinq ou non.]2 Après application de ce coefficient, les montants sont arrondis au centime.
Les déclarants peuvent, dans la déclaration de succession, et par dérogation aux premier, deuxième et cinquième alinéas, choisir de déclarer sur la base de documents justificatifs les dettes réelles ou les frais funéraires réels.]1
Art. 2.7.3.4.3. [1 De schulden en schuldbekentenissen, vermeld in artikel 2.7.1.0.3, worden niet aanvaard als passief van de nalatenschap.]1
Art. 2.7.3.4.3. [1 Sont exclues du passif de la succession les dettes et reconnaissances de dette mentionnées à l'article 2.7.1.0.3.]1
Art. 2.7.3.4.4. [1 De schulden die aangegaan zijn door de erflater in het voordeel van een van zijn erfgenamen, legatarissen of begiftigden of van tussenpersonen, worden niet aanvaard als passief van de nalatenschap.
Het eerste lid is van toepassing op de schulden die door de erflater aangegaan zijn :
1° in het voordeel van erfgenamen die hij bij uiterste wilsbeschikking of bij contractuele beschikking uit zijn nalatenschap heeft gesloten;
2° in het voordeel van erfgenamen, legatarissen of begiftigden die de nalatenschap ofwel de uiterste wilsbeschikking of de contractuele beschikking die in hun voordeel was gemaakt, hebben verworpen.
De personen, vermeld in [2 artikel 4.144, tweede lid,]2 van het Burgerlijk Wetboek, worden als tussenpersonen beschouwd.
De schulden, vermeld in het eerste lid, worden wel aanvaard als passief van de nalatenschap :
1° als het bewijs van de echtheid ervan door de aangevers wordt aangevoerd;
2° als ze de verkrijging, de verbetering, het behoud of het opnieuw verkrijgen van een goed dat op de dag van het overlijden van de erflater tot zijn boedel behoorde, tot onmiddellijke en rechtstreekse oorzaak hebben.]1
Het eerste lid is van toepassing op de schulden die door de erflater aangegaan zijn :
1° in het voordeel van erfgenamen die hij bij uiterste wilsbeschikking of bij contractuele beschikking uit zijn nalatenschap heeft gesloten;
2° in het voordeel van erfgenamen, legatarissen of begiftigden die de nalatenschap ofwel de uiterste wilsbeschikking of de contractuele beschikking die in hun voordeel was gemaakt, hebben verworpen.
De personen, vermeld in [2 artikel 4.144, tweede lid,]2 van het Burgerlijk Wetboek, worden als tussenpersonen beschouwd.
De schulden, vermeld in het eerste lid, worden wel aanvaard als passief van de nalatenschap :
1° als het bewijs van de echtheid ervan door de aangevers wordt aangevoerd;
2° als ze de verkrijging, de verbetering, het behoud of het opnieuw verkrijgen van een goed dat op de dag van het overlijden van de erflater tot zijn boedel behoorde, tot onmiddellijke en rechtstreekse oorzaak hebben.]1
Art. 2.7.3.4.4. [1 Ne sont pas admises les dettes contractées par le défunt au profit d'un de ses héritiers, légataires ou donataires ou de personnes interposées.
Le premier alinéa s'applique aux dettes contractées par le défunt :
1° au profit d'héritiers qu'il a exclus de sa succession par une disposition testamentaire ou contractuelle ;
2° au profit d'héritiers, légataires ou donataires qui ont renoncé à la succession ou à la disposition testamentaire ou contractuelle faite en leur faveur.
Sont réputées personnes interposées, les personnes désignées dans [2 l'article 4.144, alinéa 2 ]2.
Toutefois, les dettes visées au premier alinéa sont admises dans le passif de la succession :
1° si la preuve de leur sincérité est administrée par les parties déclarantes ;
2° si elles ont pour cause immédiate et directe l'acquisition, l'amélioration, la conservation ou le recouvrement d'un bien qui se trouvait dans le patrimoine du défunt au jour de son décès.]1
Le premier alinéa s'applique aux dettes contractées par le défunt :
1° au profit d'héritiers qu'il a exclus de sa succession par une disposition testamentaire ou contractuelle ;
2° au profit d'héritiers, légataires ou donataires qui ont renoncé à la succession ou à la disposition testamentaire ou contractuelle faite en leur faveur.
Sont réputées personnes interposées, les personnes désignées dans [2 l'article 4.144, alinéa 2 ]2.
Toutefois, les dettes visées au premier alinéa sont admises dans le passif de la succession :
1° si la preuve de leur sincérité est administrée par les parties déclarantes ;
2° si elles ont pour cause immédiate et directe l'acquisition, l'amélioration, la conservation ou le recouvrement d'un bien qui se trouvait dans le patrimoine du défunt au jour de son décès.]1
Onderafdeling 5. - [1 Aanrekening van het passief op het actief]1
Sous-section 5. - [1 Imputation du passif sur l'actif]1
Art. 2.7.3.5.1. [1 De nettoverkrijging wordt bepaald door het aandeel dat de erfgenaam, legataris of begiftigde in de belastbare waarde van de goederen verkrijgt, te verminderen met het passief dat op die goederen moet worden aangerekend, volgens de regels, vermeld in artikel 2.7.3.5.2.]1
Art. 2.7.3.5.1. [1 L'acquisition nette est déterminée par la part que l'héritier, le légataire ou le donataire reçoit dans la valeur imposable des biens, déduction faite du passif qui doit être imputé sur les biens en question suivant les règles mentionnées à l'article 2.7.3.5.2.]1
Art. 2.7.3.5.2. [1 Voor de toepassing van artikel 2.7.4.1.1 worden niet-specifieke schulden en begrafeniskosten eerst aangerekend op de goederen, vermeld in artikel 2.7.4.2.2, vervolgens op de roerende goederen en ten slotte op de onroerende goederen.
De schulden, waarvan wordt bewezen dat ze specifiek werden aangegaan om bepaalde goederen te verwerven of te behouden, worden aangerekend op de desbetreffende categorie van goederen [2 , vermeld in artikel 2.7.4.1.1, § 2, artikel 2.7.4.2.2, § 1, en artikel 2.7.6.0.5]2. Wanneer een bepaalde categorie van goederen ontoereikend is voor de volledige aanrekening van een specifieke schuld, wordt het overblijvende gedeelte van de schuld aangerekend zoals een niet-specifieke schuld.
Als de langstlevende partner een deel verkrijgt in de gezinswoning, wordt zijn aandeel in de schulden van de nalatenschap, die specifiek zijn aangegaan om de gezinswoning te verwerven of te behouden, eerst aangerekend op de waarde van zijn deel in de gezinswoning. Wanneer zijn deel in de gezinswoning ontoereikend is voor de aanrekening van de volledige schuld, wordt het overblijvende gedeelte aangerekend zoals een specifiek onroerende schuld. Alle andere schulden van de langstlevende partner volgen, naargelang het geval, de toerekening voorzien in het eerste lid of het tweede lid, en worden pas in laatste instantie aangerekend op de waarde van zijn deel in de gezinswoning.]1
De schulden, waarvan wordt bewezen dat ze specifiek werden aangegaan om bepaalde goederen te verwerven of te behouden, worden aangerekend op de desbetreffende categorie van goederen [2 , vermeld in artikel 2.7.4.1.1, § 2, artikel 2.7.4.2.2, § 1, en artikel 2.7.6.0.5]2. Wanneer een bepaalde categorie van goederen ontoereikend is voor de volledige aanrekening van een specifieke schuld, wordt het overblijvende gedeelte van de schuld aangerekend zoals een niet-specifieke schuld.
Als de langstlevende partner een deel verkrijgt in de gezinswoning, wordt zijn aandeel in de schulden van de nalatenschap, die specifiek zijn aangegaan om de gezinswoning te verwerven of te behouden, eerst aangerekend op de waarde van zijn deel in de gezinswoning. Wanneer zijn deel in de gezinswoning ontoereikend is voor de aanrekening van de volledige schuld, wordt het overblijvende gedeelte aangerekend zoals een specifiek onroerende schuld. Alle andere schulden van de langstlevende partner volgen, naargelang het geval, de toerekening voorzien in het eerste lid of het tweede lid, en worden pas in laatste instantie aangerekend op de waarde van zijn deel in de gezinswoning.]1
Art. 2.7.3.5.2. [1 Pour l'application de l'article 2.7.4.1.1, les dettes non spécifiques et les frais funéraires sont imputés prioritairement sur les biens, visés à l'article 2.7.4.2.2, ensuite sur les biens meubles et finalement sur les biens immeubles.
Les dettes dont il est prouvé qu'elles étaient contractées spécifiquement pour acquérir ou conserver certains biens sont imputées sur la catégorie concernée de biens [2 , visés à l'article 2.7.4.1.1, § 2, l'article 2.7.4.2.2, § 1er, et l'article 2.7.6.0.5]2. Lorsqu'une certaine catégorie de biens est insuffisante pour l'imputation intégrale d'une dette spécifique, la partie restante de la dette est imputée comme une dette non spécifique.
Si le partenaire survivant acquiert une part dans l'habitation familiale, sa part dans les dettes de la succession spécifiquement contractées pour acquérir ou conserver cette habitation familiale est imputée par priorité sur la valeur de sa part dans l'habitation familiale. Lorsque sa part dans l'habitation familiale est insuffisante pour l'imputation de la dette totale, la partie résiduelle de la dette est imputée comme une dette immeuble spécifique. Le solde des dettes du partenaire survivant suivent, le cas échéant, l'imputation visée au premier alinéa ou au deuxième alinéa, et ne sont imputées qu'en dernière instance sur la valeur de sa part dans l'habitation familiale.]1
Les dettes dont il est prouvé qu'elles étaient contractées spécifiquement pour acquérir ou conserver certains biens sont imputées sur la catégorie concernée de biens [2 , visés à l'article 2.7.4.1.1, § 2, l'article 2.7.4.2.2, § 1er, et l'article 2.7.6.0.5]2. Lorsqu'une certaine catégorie de biens est insuffisante pour l'imputation intégrale d'une dette spécifique, la partie restante de la dette est imputée comme une dette non spécifique.
Si le partenaire survivant acquiert une part dans l'habitation familiale, sa part dans les dettes de la succession spécifiquement contractées pour acquérir ou conserver cette habitation familiale est imputée par priorité sur la valeur de sa part dans l'habitation familiale. Lorsque sa part dans l'habitation familiale est insuffisante pour l'imputation de la dette totale, la partie résiduelle de la dette est imputée comme une dette immeuble spécifique. Le solde des dettes du partenaire survivant suivent, le cas échéant, l'imputation visée au premier alinéa ou au deuxième alinéa, et ne sont imputées qu'en dernière instance sur la valeur de sa part dans l'habitation familiale.]1
Afdeling 4. - [1 Tarieven]1
Section 4. - [1 Tarifs]1
Onderafdeling 1. - [1 Algemene bepalingen]1
Sous-section 1re. - [1 Dispositions générales]1
Art. 2.7.4.1.1. [1 [2 § 1. De erfbelasting wordt berekend volgens het tarief, vermeld in de volgende tabellen:
Art. 2.7.4.1.1. [1 [2 § 1er. L'impôt de succession est calculé selon le tarif mentionné dans les tableaux ci-dessous :
| TABEL I. Tarief voor een verkrijging in rechte lijn en tussen partners | |||
| A schijf in euro | tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in % | totaalbedrag van de belasting op de voorgaande gedeelten, in euro | |
| vanaf | tot en met | ||
| 0,01 | 50.000 | 3 | |
| 50.000,01 | 250.000 | 9 | 1500 |
| 250.000,01 | 27 | 19.500 | |
| TABLEAU I. Tarif pour une acquisition en ligne directe et entre partenaires | |||
| A tranche en euros | tarif applicable à la tranche correspondante figurant dans la colonne A, en % | montant total de l'impôt sur les tranches précédentes, en euros | |
| à partir du | à | ||
| 0,01 | 50.000 | 3 | |
| 50.000,01 | 250.000 | 9 | 1500 |
| 250.000,01 | 27 | 19.500 | |
| TABEL II. Tarief voor een andere verkrijging dan de verkrijgingen, vermeld in tabel I | |||||
| A schijf in euro | tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in % | totaalbedrag van de belasting op de voorgaande gedeelten, in euro | |||
| vanaf | tot en met | tussen broers en zussen | tussen anderen | tussen broers en zussen | tussen anderen |
| 0,01 | 35.000 | 25 | 25 | ||
| 35.000,01 | 75.000 | 30 | 45 | 8750 | 8750 |
| 75.000,01 | 55 | 55 | 20.750 | 26.750 | |
]2
§ 2. Tabel I, vermeld in paragraaf 1, bevat het tarief voor een verkrijging in rechte lijn en tussen partners.
Dit tarief wordt per rechtverkrijgende toegepast op de nettoverkrijging in de onroerende goederen enerzijds en op de nettoverkrijging in de roerende goederen anderzijds, volgens de overeenstemmende gedeelten in kolom A.
In afwijking van het tweede lid wordt het tarief van de erfbelasting voor de onroerende goederen tussen partners alleen toegepast op de nettoverkrijging van de rechtverkrijgende partner in de andere goederen dan de woning die de gezinswoning was van de erflater en zijn partner op het ogenblik van het overlijden. Die afwijking geldt evenwel niet als de partner die een deel verkrijgt in die gezinswoning, een bloedverwant in de rechte lijn van de erflater is of een rechtverkrijgende is die voor de toepassing van het tarief met een rechtverkrijgende in de rechte lijn wordt gelijkgesteld.
§ 3. Tabel II, vermeld in paragraaf 1, bevat het tarief voor een verkrijging tussen andere personen dan personen in rechte lijn en tussen partners. Dit tarief wordt voor broers en zussen toegepast op het overeenstemmende gedeelte van de nettoverkrijging van elk van de rechtverkrijgenden, zoals bepaald in kolom A. Voor alle anderen wordt dit tarief toegepast op het overeenstemmende gedeelte van de som van de nettoverkrijgingen door de rechtverkrijgenden van deze groep.]1
| TABLEAU II. Tarif pour une autre acquisition que les acquisitions mentionnées au tableau I | |||||
| A tranche en euros | tarif applicable à la tranche correspondante figurant dans la colonne A, en % | montant total de l'impôt sur les tranches précédentes, en euros | |||
| à partir du | à | entre frères et soeurs | entre autres | entre frères et soeurs | entre autres |
| 0,01 | 35.000 | 25 | 25 | ||
| 35.000,01 | 75.000 | 30 | 45 | 8750 | 8750 |
| 75.000,01 | 55 | 55 | 20.750 | 26.750 | |
.]2
§ 2. Le tableau I, mentionné au paragraphe 1er, contient le tarif pour une acquisition en ligne directe et entre partenaires.
Ce tarif est appliqué par ayant droit sur l'acquisition nette en biens immobiliers d'une part et sur l'acquisition nette en biens mobiliers, d'autre part, selon les parties correspondantes dans la colonne A.
Par dérogation au second alinéa, le tarif de l'impôt de succession pour les biens immobiliers entre partenaires n'est appliqué que sur l'acquisition nette du partenaire ayant droit dans les autres biens que l'habitation qui était l'habitation du ménage constitué par le défunt et son partenaire au moment du décès. Cette dérogation ne vaut cependant pas si le partenaire qui obtient une partie dans cette habitation est un parent en ligne directe du défunt ou est un ayant droit qui, pour l'application du tarif, est assimilé à un ayant droit en ligne directe.
§ 3. Le tableau II, mentionné au paragraphe 1er, contient le tarif pour une acquisition entre d'autres personnes que des personnes en ligne directe et entre partenaires. Ce tarif est appliqué pour les frères et soeurs sur la partie correspondante de l'acquisition nette de chacun des ayants droit, telle que déterminée dans la colonne A. Pour tous les autres, ce tarif est appliqué sur la partie correspondante de la somme des acquisitions nettes par les ayants droit de ce groupe.]1
Art. 2.7.4.1.2. [1 Als er onzekerheid bestaat over de devolutie van de nalatenschap of de graad van bloedverwantschap van een erfgenaam, legataris of begiftigde, wordt de hoogste erfbelasting geheven.]1
Art. 2.7.4.1.2. [1 Lorsqu'il y a incertitude au sujet de la dévolution de la succession ou du degré de parenté d'un héritier, légataire ou donataire, il est perçu le droit le plus élevé.]1
Art. 2.7.4.1.3. [1 Als een persoon in verschillende hoedanigheden tot de nalatenschap van de erflater komt, wordt de erfbelasting op alles wat hij verkrijgt, berekend volgens het voor die persoon voordeligste tarief, vermeld in artikel 2.7.4.1.1.]1
Art. 2.7.4.1.3. [1 Si une personne vient en plusieurs qualités à la succession du testateur, l'impôt de succession sur tout ce qu'il obtient est calculé au tarif le plus avantageux pour la personne en question, tarif mentionné à l'article 2.7.4.1.1.]1
Art. 2.7.4.1.4. [1 Als een met fideï-commis bezwaard goed op de verwachter overgaat, alsook in geval van aanwas of terugval van eigendom, vruchtgebruik of van elk tijdelijk of levenslang recht, is de erfbelasting bij overlijden verschuldigd volgens de graad van verwantschap tussen de erflater en de verwachter of andere verkrijger.
In de gevallen, vermeld in het eerste lid, blijven de rechten die geheven zijn ten laste van de bezwaarde of van de ingestelde in eerste rang, verworven voor de overheid in het voordeel waarvan ze geïnd zijn, tenzij de substitutie, de aanwas of de terugval binnen een jaar na het overlijden van de beschikker plaatsvinden. In dat geval worden de eerste geheven rechten op de eisbaar geworden rechten aangerekend, zonder dat er aanleiding tot teruggave kan zijn en behoudens toepassing van artikel 2.7.3.2.10]1
In de gevallen, vermeld in het eerste lid, blijven de rechten die geheven zijn ten laste van de bezwaarde of van de ingestelde in eerste rang, verworven voor de overheid in het voordeel waarvan ze geïnd zijn, tenzij de substitutie, de aanwas of de terugval binnen een jaar na het overlijden van de beschikker plaatsvinden. In dat geval worden de eerste geheven rechten op de eisbaar geworden rechten aangerekend, zonder dat er aanleiding tot teruggave kan zijn en behoudens toepassing van artikel 2.7.3.2.10]1
Art. 2.7.4.1.4. [1 Lorsqu'un bien grevé de fidéicommis passe au substitué, ainsi qu'en cas d'accroissement ou de réversion de propriété, d'usufruit ou de tout autre droit temporaire ou viager, l'impôt de succession est dû suivant le degré de parenté entre le défunt et le substitué ou autre bénéficiaire.
Dans les cas mentionnés au premier alinéa, les droits perçus à charge du grevé ou de l'institué en premier ordre restent acquis à l'autorité en faveur de laquelle ils sont perçus, à moins que la substitution, l'accroissement ou la réversion n'ait lieu dans l'année du décès de l'auteur de la disposition. Dans ce cas, les droits primitivement perçus sont imputés sur les droits devenus exigibles, sans que toutefois il puisse y avoir lieu à restitution, et sauf application éventuelle de l'article 2.7.3.2.10.]1
Dans les cas mentionnés au premier alinéa, les droits perçus à charge du grevé ou de l'institué en premier ordre restent acquis à l'autorité en faveur de laquelle ils sont perçus, à moins que la substitution, l'accroissement ou la réversion n'ait lieu dans l'année du décès de l'auteur de la disposition. Dans ce cas, les droits primitivement perçus sont imputés sur les droits devenus exigibles, sans que toutefois il puisse y avoir lieu à restitution, et sauf application éventuelle de l'article 2.7.3.2.10.]1
Art. 2.7.4.1.5. [1 Het toe te passen tarief is het tarief dat van kracht is op de dag van het overlijden.]1
Art. 2.7.4.1.5. [1 Le tarif à appliquer est le tarif qui est en vigueur au jour du décès]1
Onderafdeling 2. - [1 Verlaagde tarieven]1
Sous-section 2. - [1 Tarifs réduits]1
Art. 2.7.4.2.1. [1 In afwijking van artikel 2.7.4.1.1 bedraagt het tarief van de erfbelasting [4 0%]4 voor de legaten aan :
1° het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap;
2° de Vlaamse, de Franse en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie;
3° de Franse en de Duitstalige Gemeenschap en aan het Waalse en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest;
4° een staat in de Europese Economische Ruimte;
5° de provincies en gemeenten in het Vlaamse Gewest;
6° de openbare instellingen van de publiekrechtelijke rechtspersonen, vermeld in punt 1° tot en met 5° ;
7° erkende [5 woonmaatschappijen]5 als vermeld in [2 artikel 4.36 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021]2;
8° [3 het Vlaams Woningfonds;]3
9° dienstverlenende en opdrachthoudende verenigingen als vermeld in artikel 12, § 2, 2° en 3°, van het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking;
10° verenigingen zonder winstoogmerk, ziekenfondsen en landsbonden van ziekenfondsen, [4 ...]4 internationale verenigingen zonder winstoogmerk [4 ...]4 en stichtingen van openbaar nut;
11° openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
[4 In afwijking van artikel 2.7.4.1.1 bedraagt het tarief van de erfbelasting 8,5% voor de legaten aan beroepsverenigingen en private stichtingen.]4
Het verlaagde tarief, vermeld in het eerste [4 en het tweede]4 lid, is ook van toepassing op gelijksoortige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een andere staat van de Europese Economische Ruimte, en die bovendien hun [3 ...]3 zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben.]1
1° het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap;
2° de Vlaamse, de Franse en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie;
3° de Franse en de Duitstalige Gemeenschap en aan het Waalse en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest;
4° een staat in de Europese Economische Ruimte;
5° de provincies en gemeenten in het Vlaamse Gewest;
6° de openbare instellingen van de publiekrechtelijke rechtspersonen, vermeld in punt 1° tot en met 5° ;
7° erkende [5 woonmaatschappijen]5 als vermeld in [2 artikel 4.36 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021]2;
8° [3 het Vlaams Woningfonds;]3
9° dienstverlenende en opdrachthoudende verenigingen als vermeld in artikel 12, § 2, 2° en 3°, van het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking;
10° verenigingen zonder winstoogmerk, ziekenfondsen en landsbonden van ziekenfondsen, [4 ...]4 internationale verenigingen zonder winstoogmerk [4 ...]4 en stichtingen van openbaar nut;
11° openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
[4 In afwijking van artikel 2.7.4.1.1 bedraagt het tarief van de erfbelasting 8,5% voor de legaten aan beroepsverenigingen en private stichtingen.]4
Het verlaagde tarief, vermeld in het eerste [4 en het tweede]4 lid, is ook van toepassing op gelijksoortige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een andere staat van de Europese Economische Ruimte, en die bovendien hun [3 ...]3 zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben.]1
Änderungen
Art. 2.7.4.2.1. [1 Par dérogation à l'article 2.7.4.1.1, le tarif de l'impôt de succession est réduit à [4 0%]4 pour les legs faits :
1° à la Région flamande et à la Communauté flamande ;
2° à la Commission communauté flamande, à la Commission communautaire française et à la Commission communautaire commune ;
3° à la Communauté française et la Communauté de langue allemande et à la Région wallonne et à la Région de Bruxelles capitale ;
4° à un Etat de l'Espace économique européen ;
5° aux provinces et aux communes en Région flamande ;
6° aux organismes publics des personnes morales de droit public, visées aux parties 1° à 5° inclus ;
7° aux [5 sociétés de logement]5 agréées, telles que visées à [2 l'article 4.36 du Code flamand du Logement de 2021]2 ;
8° [3 au Fonds flamand du Logement ;]3
9° à des associations prestataires de services et chargées de missions, telles que visées à l'article 12, § 2, 2° et 3°, du décret du 6 juillet 2001 portant réglementation de la coopération intercommunale ;
10° aux associations sans but lucratif, aux mutualités et unions nationales de mutualités, [4 ...]4 aux associations internationales sans but lucratif [4 ...]4 et aux fondations d'utilité publique ;
11° aux centres publics d'action sociale.
[4 Par dérogation à l'article 2.7.4.1.1, le tarif des droits de succession est de 8,5 % pour les legs aux associations professionnelles et aux fondations privées.]4
La réduction, [4 visée aux alinéas 1er et 2]4, s'applique également aux personnes morales analogues créées conformément et assujetties à la législation d'un Etat membre de l'Espace économique européen et ayant en outre leur siège [3 ...]3, leur direction générale ou leur établissement principal au sein de l'Espace économique européen.]1
1° à la Région flamande et à la Communauté flamande ;
2° à la Commission communauté flamande, à la Commission communautaire française et à la Commission communautaire commune ;
3° à la Communauté française et la Communauté de langue allemande et à la Région wallonne et à la Région de Bruxelles capitale ;
4° à un Etat de l'Espace économique européen ;
5° aux provinces et aux communes en Région flamande ;
6° aux organismes publics des personnes morales de droit public, visées aux parties 1° à 5° inclus ;
7° aux [5 sociétés de logement]5 agréées, telles que visées à [2 l'article 4.36 du Code flamand du Logement de 2021]2 ;
8° [3 au Fonds flamand du Logement ;]3
9° à des associations prestataires de services et chargées de missions, telles que visées à l'article 12, § 2, 2° et 3°, du décret du 6 juillet 2001 portant réglementation de la coopération intercommunale ;
10° aux associations sans but lucratif, aux mutualités et unions nationales de mutualités, [4 ...]4 aux associations internationales sans but lucratif [4 ...]4 et aux fondations d'utilité publique ;
11° aux centres publics d'action sociale.
[4 Par dérogation à l'article 2.7.4.1.1, le tarif des droits de succession est de 8,5 % pour les legs aux associations professionnelles et aux fondations privées.]4
La réduction, [4 visée aux alinéas 1er et 2]4, s'applique également aux personnes morales analogues créées conformément et assujetties à la législation d'un Etat membre de l'Espace économique européen et ayant en outre leur siège [3 ...]3, leur direction générale ou leur établissement principal au sein de l'Espace économique européen.]1
Änderungen
Art. 2.7.4.2.2. [1 § 1. In afwijking van artikel 2.7.4.1.1 wordt het tarief van de erfbelasting verlaagd tot 3% voor een verkrijging in rechte lijn en tussen partners en tot 7% voor een verkrijging tussen andere personen voor :
1° de nettoverkrijging van de volle eigendom, de blote eigendom of het vruchtgebruik van de activa die door de erflater of zijn partner beroepsmatig zijn geïnvesteerd in een familiale onderneming. Het verlaagde tarief is niet van toepassing op de verkrijging van onroerende goederen die hoofdzakelijk tot bewoning worden aangewend of zijn bestemd [5 , met inbegrip van bouwgronden als vermeld in artikel 1.1.0.0.2, zesde lid, 1° /1]5;
2° de nettoverkrijging van de volle eigendom, het vruchtgebruik of de blote eigendom van aandelen van een familiale vennootschap met zetel van werkelijke leiding in een van de staten van de Europese Economische Ruimte, [3 op voorwaarde dat de aandelen van de vennootschap die op het ogenblik van het overlijden in volle eigendom toebehoren aan de erflater en zijn familie ten minste 50% van de stemrechten in die vennootschap vertegenwoordigen]3. [5 Het verlaagde tarief is niet van toepassing op het gedeelte van de waarde van de aandelen dat de onroerende goederen, vermeld in punt 1°, in de familiale vennootschap, of in participaties van minstens 10% van de familiale vennootschap in haar dochtervennootschappen, vertegenwoordigt. Deze beperking is niet van toepassing voor familiale vennootschappen waarvan de omzet voor minstens 75% wordt gegenereerd door de uitoefening van een activiteit die betrekking heeft op onroerende goederen, vermeld in punt 1°.]5
[3 In afwijking van het eerste lid vertegenwoordigen de aandelen van de vennootschap die op het ogenblik van het overlijden in volle eigendom toebehoren aan de erflater en zijn familie minstens 30% van de stemrechten in die vennootschap, als hij en zijn familie aan een van de volgende voorwaarden voldoen:
1° samen met één andere aandeelhouder en zijn familie volle eigenaar zijn van de aandelen van de vennootschap die minstens 70% van de stemrechten in die vennootschap vertegenwoordigen;
2° samen met twee andere aandeelhouders en hun familie volle eigenaar zijn van de aandelen van de vennootschap die minstens 90% van de stemrechten in die vennootschap vertegenwoordigen.]3
Voor de toepassing van het tweede lid komen de aandelen die toebehoren aan rechtspersonen, niet in aanmerking om te worden samengeteld met de aandelen die toebehoren aan de erflater.
§ 2. Voor de toepassing van dit artikel, artikel 2.7.4.2.3 en artikel 2.7.4.2.4 wordt verstaan onder :
1° familiale onderneming : een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwbedrijf of een vrij beroep dat door de erflater of zijn partner, al dan niet samen met anderen, persoonlijk wordt geëxploiteerd en uitgeoefend;
2° familiale vennootschap : een vennootschap die de uitoefening van een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit, of van een vrij beroep tot [3 voorwerp]3 heeft en uitoefent.
Als de vennootschap aan het voorgaande niet beantwoordt, maar [4 aandelen houdt die minstens 30% van de stemrechten van één directe dochtervennootschap vertegenwoordigen]4 die aan die voorwaarde beantwoordt en die haar zetel van werkelijke leiding heeft in een van de staten van de Europese Economische Ruimte, wordt ze ook beschouwd als een familiale vennootschap.
Vennootschappen die geen reële economische activiteit hebben, worden uitgesloten van het verlaagde tarief, vermeld in paragraaf 1. [5 Voor een vennootschap waarvan de omzet voor minstens 75% wordt gegenereerd door de uitoefening van een activiteit die betrekking heeft op onroerende goederen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, kan het uitsluiten van de beperking vermeld in artikel 2.7.4.2.2, § 1, eerste lid, 2°, slechts gelden op voorwaarde dat de vennootschap in de drie jaar voorafgaand aan het overlijden minstens één tewerkgestelde werknemer telt, uitgedrukt in voltijdse eenheden]5;
3° aandelen :
a) [4 naargelang het geval:
1) als de familiale vennootschap een naamloze vennootschap, een Europese vennootschap of een Europese coöperatieve vennootschap is, dan wel een vennootschap met een andere rechtsvorm waarvoor het Belgische of buitenlandse recht dat haar beheerst, voorziet in een vergelijkbaar begrip: elk deelbewijs met stemrecht dat een deel van het kapitaal vertegenwoordigt;
2) als de familiale vennootschap een vennootschapsvorm heeft waarvoor het Belgische of buitenlandse recht dat de vennootschap beheerst, niet voorziet in het begrip kapitaal of een vergelijkbaar begrip: elk deelbe- wijs met stemrecht dat is uitgereikt als tegenprestatie voor een inbreng of naar aanleiding van de incorporatie van onbeschikbare reserves;]4
b) de certificaten van aandelen, uitgereikt door rechtspersonen met een zetel in een van de staten van de Europese Economische Ruimte, ter vertegen-woordiging van aandelen van familiale vennootschappen die aan de gestelde voorwaarden voldoen en waarvan de rechtspersoon de verplichting heeft om de dividenden en andere vermogensvoordelen onmiddellijk en uiterlijk binnen een maand door te storten aan de certificaathouder;
4° [2 familie van de erflater of de aandeelhouder als vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 2° :
a) de partner van de erflater of aandeelhouder, waarbij het begrip partner voor de aandeelhouder op een gelijkaardige wijze moet worden geïnterpreteerd als dat het geval is voor de erflater;
b) de verwanten in rechte lijn van de erflater of aandeelhouder, alsook hun partners, waarbij het begrip partner op een gelijkaardige wijze moet worden geïnterpreteerd als dat het geval is voor de erflater;
c) de zijverwanten van de erflater of aandeelhouder tot en met de tweede graad en hun partners, waarbij het begrip partner op een gelijkaardige wijze moet worden geïnterpreteerd als dat het geval is voor de erflater;
d) de kinderen van broers en zussen van de erflater of aandeelhouder.]2
§ 3. Als een vennootschap met toepassing van paragraaf 2, 2°, tweede lid, als een familiale vennootschap wordt beschouwd, wordt de toepassing van het verlaagde tarief beperkt tot de waarden van de aandelen van de vennootschap in de dochtervennootschappen die de uitoefening van een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit, of van een vrij beroep tot [3 voorwerp]3 hebben en die hun zetel van werkelijke leiding in een van de staten van de Europese Economische Ruimte hebben.]1
1° de nettoverkrijging van de volle eigendom, de blote eigendom of het vruchtgebruik van de activa die door de erflater of zijn partner beroepsmatig zijn geïnvesteerd in een familiale onderneming. Het verlaagde tarief is niet van toepassing op de verkrijging van onroerende goederen die hoofdzakelijk tot bewoning worden aangewend of zijn bestemd [5 , met inbegrip van bouwgronden als vermeld in artikel 1.1.0.0.2, zesde lid, 1° /1]5;
2° de nettoverkrijging van de volle eigendom, het vruchtgebruik of de blote eigendom van aandelen van een familiale vennootschap met zetel van werkelijke leiding in een van de staten van de Europese Economische Ruimte, [3 op voorwaarde dat de aandelen van de vennootschap die op het ogenblik van het overlijden in volle eigendom toebehoren aan de erflater en zijn familie ten minste 50% van de stemrechten in die vennootschap vertegenwoordigen]3. [5 Het verlaagde tarief is niet van toepassing op het gedeelte van de waarde van de aandelen dat de onroerende goederen, vermeld in punt 1°, in de familiale vennootschap, of in participaties van minstens 10% van de familiale vennootschap in haar dochtervennootschappen, vertegenwoordigt. Deze beperking is niet van toepassing voor familiale vennootschappen waarvan de omzet voor minstens 75% wordt gegenereerd door de uitoefening van een activiteit die betrekking heeft op onroerende goederen, vermeld in punt 1°.]5
[3 In afwijking van het eerste lid vertegenwoordigen de aandelen van de vennootschap die op het ogenblik van het overlijden in volle eigendom toebehoren aan de erflater en zijn familie minstens 30% van de stemrechten in die vennootschap, als hij en zijn familie aan een van de volgende voorwaarden voldoen:
1° samen met één andere aandeelhouder en zijn familie volle eigenaar zijn van de aandelen van de vennootschap die minstens 70% van de stemrechten in die vennootschap vertegenwoordigen;
2° samen met twee andere aandeelhouders en hun familie volle eigenaar zijn van de aandelen van de vennootschap die minstens 90% van de stemrechten in die vennootschap vertegenwoordigen.]3
Voor de toepassing van het tweede lid komen de aandelen die toebehoren aan rechtspersonen, niet in aanmerking om te worden samengeteld met de aandelen die toebehoren aan de erflater.
§ 2. Voor de toepassing van dit artikel, artikel 2.7.4.2.3 en artikel 2.7.4.2.4 wordt verstaan onder :
1° familiale onderneming : een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwbedrijf of een vrij beroep dat door de erflater of zijn partner, al dan niet samen met anderen, persoonlijk wordt geëxploiteerd en uitgeoefend;
2° familiale vennootschap : een vennootschap die de uitoefening van een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit, of van een vrij beroep tot [3 voorwerp]3 heeft en uitoefent.
Als de vennootschap aan het voorgaande niet beantwoordt, maar [4 aandelen houdt die minstens 30% van de stemrechten van één directe dochtervennootschap vertegenwoordigen]4 die aan die voorwaarde beantwoordt en die haar zetel van werkelijke leiding heeft in een van de staten van de Europese Economische Ruimte, wordt ze ook beschouwd als een familiale vennootschap.
Vennootschappen die geen reële economische activiteit hebben, worden uitgesloten van het verlaagde tarief, vermeld in paragraaf 1. [5 Voor een vennootschap waarvan de omzet voor minstens 75% wordt gegenereerd door de uitoefening van een activiteit die betrekking heeft op onroerende goederen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, kan het uitsluiten van de beperking vermeld in artikel 2.7.4.2.2, § 1, eerste lid, 2°, slechts gelden op voorwaarde dat de vennootschap in de drie jaar voorafgaand aan het overlijden minstens één tewerkgestelde werknemer telt, uitgedrukt in voltijdse eenheden]5;
3° aandelen :
a) [4 naargelang het geval:
1) als de familiale vennootschap een naamloze vennootschap, een Europese vennootschap of een Europese coöperatieve vennootschap is, dan wel een vennootschap met een andere rechtsvorm waarvoor het Belgische of buitenlandse recht dat haar beheerst, voorziet in een vergelijkbaar begrip: elk deelbewijs met stemrecht dat een deel van het kapitaal vertegenwoordigt;
2) als de familiale vennootschap een vennootschapsvorm heeft waarvoor het Belgische of buitenlandse recht dat de vennootschap beheerst, niet voorziet in het begrip kapitaal of een vergelijkbaar begrip: elk deelbe- wijs met stemrecht dat is uitgereikt als tegenprestatie voor een inbreng of naar aanleiding van de incorporatie van onbeschikbare reserves;]4
b) de certificaten van aandelen, uitgereikt door rechtspersonen met een zetel in een van de staten van de Europese Economische Ruimte, ter vertegen-woordiging van aandelen van familiale vennootschappen die aan de gestelde voorwaarden voldoen en waarvan de rechtspersoon de verplichting heeft om de dividenden en andere vermogensvoordelen onmiddellijk en uiterlijk binnen een maand door te storten aan de certificaathouder;
4° [2 familie van de erflater of de aandeelhouder als vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 2° :
a) de partner van de erflater of aandeelhouder, waarbij het begrip partner voor de aandeelhouder op een gelijkaardige wijze moet worden geïnterpreteerd als dat het geval is voor de erflater;
b) de verwanten in rechte lijn van de erflater of aandeelhouder, alsook hun partners, waarbij het begrip partner op een gelijkaardige wijze moet worden geïnterpreteerd als dat het geval is voor de erflater;
c) de zijverwanten van de erflater of aandeelhouder tot en met de tweede graad en hun partners, waarbij het begrip partner op een gelijkaardige wijze moet worden geïnterpreteerd als dat het geval is voor de erflater;
d) de kinderen van broers en zussen van de erflater of aandeelhouder.]2
§ 3. Als een vennootschap met toepassing van paragraaf 2, 2°, tweede lid, als een familiale vennootschap wordt beschouwd, wordt de toepassing van het verlaagde tarief beperkt tot de waarden van de aandelen van de vennootschap in de dochtervennootschappen die de uitoefening van een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit, of van een vrij beroep tot [3 voorwerp]3 hebben en die hun zetel van werkelijke leiding in een van de staten van de Europese Economische Ruimte hebben.]1
Änderungen
Art. 2.7.4.2.2. [1 § 1er. Par dérogation à l'article 2.7.4.1.1, le tarif de l'impôt de succession est réduit à 3 % pour une acquisition en ligne directe et entre partenaires et à 7 % pour une acquisition entres d'autres personnes pour :
1° l'acquisition nette de la pleine propriété, de la nue-propriété ou de l'usufruit des avoirs investis à titre professionnel par le défunt ou son partenaire dans une entreprise familiale. Cette réduction n'est pas applicable à l'acquisition de biens immeubles affectés ou destinés principalement à l'habitation [5 , y compris les terrains à bâtir tels que visés à l'article 1.1.0.0.2, alinéa 6, 1° /1]5;
2° l'acquisition nette de la pleine propriété, de l'usufruit ou l'usufruit des actions d'une entreprise familiale dont le siège de direction effective est situé dans l'un des Etats membres de l'Espace économique européen, [3 à condition que les actions de la société qui, au moment du décès, appartiennent en pleine propriété au testateur et à sa famille représentent au moins 50 % des droits de vote dans cette société]3 [5 Le taux réduit ne s'applique pas à la partie de la valeur des actions représentant les biens immobiliers visés au point 1°, dans la société familiale, ni aux participations d'au moins 10 % de la société familiale dans ses filiales. Cette restriction ne s'applique pas aux sociétés familiales dont au moins 75 % du chiffre d'affaires sont générés par l'exercice d'une activité liée aux biens immobiliers visés au point 1°]5.
[3 Par dérogation au premier alinéa, les actions de la société qui, au moment du décès, appartiennent en pleine propriété au testateur et à sa famille représentent au moins 30 % des droits de vote de cette société, si lui et sa famille répondent à l'une des conditions suivantes :
1° être, ensemble avec un autre actionnaire et sa famille, propriétaire à part entière des actions de la société représentant au moins 70 % des droits de vote dans cette société ;
2° être, ensemble avec deux autres actionnaires et leur famille, propriétaire à part entière des actions de la société représentant au moins 90% des droits de vote dans cette société.]3
Pour l'application du deuxième alinéa, les actions qui reviennent à des personnes morales ne sont pas prises en compte pour être comptabilisées avec les actions qui reviennent au testateur.
§ 2. Pour l'application du présent article, de l'article 2.7.4.2.3 et de l'article 2.7.4.2.4, il faut entendre par :
1° entreprise familiale : une entreprise industrielle, commerciale, artisanale ou agricole ou une profession libérale, qui est exploitée et exécutée personnellement par le testateur ou son partenaire, en collaboration ou non avec d'autres personnes ;
2° société de famille : une société ayant pour [3 objet]3 l'exercice d'une activité industrielle, commerciale, artisanale ou agricole, ou d'une profession libérale et qui exerce cette activité ou cette profession.
Si la société ne répond pas aux exigences précédentes, mais détient [4 des actions qui représentent au moins 30% des droits de vote d'une filiale directe]4 qui répond à ces conditions et ayant son siège de direction effective dans l'un des Etats membres de l'Espace économique européen, elle est également considérée comme une société de famille.
Les sociétés qui n'ont pas d'activité économique réelle sont exclues de la réduction visée au paragraphe 1er. [5 Pour une société dont au moins 75 % du chiffre d'affaires sont générés par l'exercice d'une activité liée à des biens immobiliers, visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, l'exclusion de la restriction visée à l'art.7.4.2.2, § 1er, alinéa 1er, 2°, ne s'applique qu'à condition que la société compte au moins un travailleur salarié, exprimé en unités à temps plein, au cours des trois années précédant le décès]5;
3° actions :
a) [4 selon le cas :
1) si la société familiale est une société anonyme, une société européenne ou une société coopérative européenne, ou une société ayant une autre forme juridique pour laquelle le droit belge ou étranger qui la régit prévoit une notion comparable : chaque part avec droit de vote représentant une partie du capital ;
2) si la société familiale a une forme de société pour laquelle le droit belge ou étranger qui la régit ne prévoit pas la notion de capital ou une notion comparable : chaque part avec droit de vote émise en contrepartie d'un apport ou à la suite de l'incorporation de réserves indisponibles ;]4
b) les certificats d'actions délivrés par des personnes morales ayant leur siège dans l'un des Etats membres de l'Espace économique européen, à titre de représentation d'actions de sociétés familiales qui remplissent les conditions posées et dont la personne morale a l'obligation de transmettre sans délai et au plus tard dans le mois, les dividendes et autres plus-values au porteur du certificat ;
4° [2 famille du testateur ou de l'actionnaire, dont il est question au paragraphe 1er, premier alinéa, 2° :
a) le partenaire du testateur ou de l'actionnaire, la notion de partenaire pour l'actionnaire devant être interprétée de manière analogue que lorsqu'il s'agit du testateur ;
b) les parents en ligne directe du testateur ou de l'actionnaire de même que leurs partenaires, la notion de partenaire devant être interprétée de manière analogue que lorsqu'il s'agit du testateur ;
b) les collatéraux du testateur ou de l'actionnaire jusqu'au deuxième degré de même que leurs partenaires, la notion de partenaire devant être interprétée de manière analogue que lorsqu'il s'agit du testateur ;
d) les enfants de frères et soeurs du testateur ou de l'actionnaire.]2
§ 3. Au cas où une société est considérée, conformément au § 2, point 2°, alinéa deux, comme une société de famille, l'exemption est limitée aux valeurs des actions de la société dans les filiales directes ayant pour [3 objet]3 l'exercice d'une activité industrielle, commerciale, artisanale ou agricole, ou d'une profession libérale et ayant leur siège de direction effective dans l'un des Etats membres de l'Espace économique européen.]1
1° l'acquisition nette de la pleine propriété, de la nue-propriété ou de l'usufruit des avoirs investis à titre professionnel par le défunt ou son partenaire dans une entreprise familiale. Cette réduction n'est pas applicable à l'acquisition de biens immeubles affectés ou destinés principalement à l'habitation [5 , y compris les terrains à bâtir tels que visés à l'article 1.1.0.0.2, alinéa 6, 1° /1]5;
2° l'acquisition nette de la pleine propriété, de l'usufruit ou l'usufruit des actions d'une entreprise familiale dont le siège de direction effective est situé dans l'un des Etats membres de l'Espace économique européen, [3 à condition que les actions de la société qui, au moment du décès, appartiennent en pleine propriété au testateur et à sa famille représentent au moins 50 % des droits de vote dans cette société]3 [5 Le taux réduit ne s'applique pas à la partie de la valeur des actions représentant les biens immobiliers visés au point 1°, dans la société familiale, ni aux participations d'au moins 10 % de la société familiale dans ses filiales. Cette restriction ne s'applique pas aux sociétés familiales dont au moins 75 % du chiffre d'affaires sont générés par l'exercice d'une activité liée aux biens immobiliers visés au point 1°]5.
[3 Par dérogation au premier alinéa, les actions de la société qui, au moment du décès, appartiennent en pleine propriété au testateur et à sa famille représentent au moins 30 % des droits de vote de cette société, si lui et sa famille répondent à l'une des conditions suivantes :
1° être, ensemble avec un autre actionnaire et sa famille, propriétaire à part entière des actions de la société représentant au moins 70 % des droits de vote dans cette société ;
2° être, ensemble avec deux autres actionnaires et leur famille, propriétaire à part entière des actions de la société représentant au moins 90% des droits de vote dans cette société.]3
Pour l'application du deuxième alinéa, les actions qui reviennent à des personnes morales ne sont pas prises en compte pour être comptabilisées avec les actions qui reviennent au testateur.
§ 2. Pour l'application du présent article, de l'article 2.7.4.2.3 et de l'article 2.7.4.2.4, il faut entendre par :
1° entreprise familiale : une entreprise industrielle, commerciale, artisanale ou agricole ou une profession libérale, qui est exploitée et exécutée personnellement par le testateur ou son partenaire, en collaboration ou non avec d'autres personnes ;
2° société de famille : une société ayant pour [3 objet]3 l'exercice d'une activité industrielle, commerciale, artisanale ou agricole, ou d'une profession libérale et qui exerce cette activité ou cette profession.
Si la société ne répond pas aux exigences précédentes, mais détient [4 des actions qui représentent au moins 30% des droits de vote d'une filiale directe]4 qui répond à ces conditions et ayant son siège de direction effective dans l'un des Etats membres de l'Espace économique européen, elle est également considérée comme une société de famille.
Les sociétés qui n'ont pas d'activité économique réelle sont exclues de la réduction visée au paragraphe 1er. [5 Pour une société dont au moins 75 % du chiffre d'affaires sont générés par l'exercice d'une activité liée à des biens immobiliers, visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, l'exclusion de la restriction visée à l'art.7.4.2.2, § 1er, alinéa 1er, 2°, ne s'applique qu'à condition que la société compte au moins un travailleur salarié, exprimé en unités à temps plein, au cours des trois années précédant le décès]5;
3° actions :
a) [4 selon le cas :
1) si la société familiale est une société anonyme, une société européenne ou une société coopérative européenne, ou une société ayant une autre forme juridique pour laquelle le droit belge ou étranger qui la régit prévoit une notion comparable : chaque part avec droit de vote représentant une partie du capital ;
2) si la société familiale a une forme de société pour laquelle le droit belge ou étranger qui la régit ne prévoit pas la notion de capital ou une notion comparable : chaque part avec droit de vote émise en contrepartie d'un apport ou à la suite de l'incorporation de réserves indisponibles ;]4
b) les certificats d'actions délivrés par des personnes morales ayant leur siège dans l'un des Etats membres de l'Espace économique européen, à titre de représentation d'actions de sociétés familiales qui remplissent les conditions posées et dont la personne morale a l'obligation de transmettre sans délai et au plus tard dans le mois, les dividendes et autres plus-values au porteur du certificat ;
4° [2 famille du testateur ou de l'actionnaire, dont il est question au paragraphe 1er, premier alinéa, 2° :
a) le partenaire du testateur ou de l'actionnaire, la notion de partenaire pour l'actionnaire devant être interprétée de manière analogue que lorsqu'il s'agit du testateur ;
b) les parents en ligne directe du testateur ou de l'actionnaire de même que leurs partenaires, la notion de partenaire devant être interprétée de manière analogue que lorsqu'il s'agit du testateur ;
b) les collatéraux du testateur ou de l'actionnaire jusqu'au deuxième degré de même que leurs partenaires, la notion de partenaire devant être interprétée de manière analogue que lorsqu'il s'agit du testateur ;
d) les enfants de frères et soeurs du testateur ou de l'actionnaire.]2
§ 3. Au cas où une société est considérée, conformément au § 2, point 2°, alinéa deux, comme une société de famille, l'exemption est limitée aux valeurs des actions de la société dans les filiales directes ayant pour [3 objet]3 l'exercice d'une activité industrielle, commerciale, artisanale ou agricole, ou d'une profession libérale et ayant leur siège de direction effective dans l'un des Etats membres de l'Espace économique européen.]1
Änderungen
Art. 2.7.4.2.3. [1 § 1. Het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.7.4.2.2, § 1, eerste lid, 1°, wordt alleen behouden als de volgende voorwaarden cumulatief zijn vervuld :
1° als een activiteit van de familiale onderneming zonder onderbreking wordt voortgezet gedurende drie jaar vanaf de datum van het overlijden van de erflater;
2° als de onroerende goederen die met toepassing van het verlaagde tarief zijn overgedragen, niet hoofdzakelijk tot bewoning aangewend of bestemd worden gedurende een periode van drie jaar vanaf de datum van het overlijden van de erflater.
§ 2. [4 Het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.7.4.2.2, § 1, eerste lid, 2°, wordt alleen behouden als al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
1° de familiale vennootschap blijft gedurende drie jaar vanaf de datum van het overlijden van de erflater voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2.7.4.2.2, § 2, 2° ;
2° een activiteit van de familiale vennootschap wordt zonder onderbreking voortgezet gedurende drie jaar vanaf de datum van het overlijden van de erflater;
3° voor elk van de drie jaar vanaf het overlijden van de erflater wordt een jaarrekening of geconsolideerde jaarrekening opgemaakt en in voorkomend geval gepubliceerd conform de geldende boekhoudwetgeving van de lidstaat waar de zetel gevestigd is op het ogenblik van het overlijden, die ook aangewend is ter verantwoording van de aangifte in de inkomstenbelasting. Ondernemingen of vennootschappen waarvan de zetel buiten het Vlaamse Gewest, maar binnen België ligt, maken een jaarrekening of geconsolideerde jaarrekening op en in voorkomend geval publiceren ze die conform de geldende boekhoudwetgeving in België op het ogenblik van het overlijden;
4° naargelang het geval:
a) als de familiale vennootschap een naamloze vennootschap, een Europese vennootschap of een Europese coöperatieve vennootschap is, of een vennootschap met een andere rechtsvorm waarvoor het Belgische of buitenlandse recht dat haar beheerst, voorziet in een vergelijkbaar begrip: het kapitaal daalt op geen enkel moment door uitkeringen of terugbetalingen gedurende drie jaar vanaf de datum van het overlijden van de erflater;
b) als de familiale vennootschap een vennootschapsvorm heeft waarvoor het Belgische of buitenlandse recht dat de vennootschap beheerst, niet voorziet in het begrip kapitaal of een vergelijkbaar begrip: de verrichte inbrengen dalen op geen enkel moment gedurende drie jaar vanaf de datum van het overlijden van de erflater door uitkeringen of terugbetalingen tot onder het bedrag van de tot op de datum van het overlijden verrichte inbrengen, zoals dat blijkt uit de jaarrekening;
5° de zetel van de werkelijke leiding van de vennootschap wordt niet overgebracht naar een staat die geen deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte gedurende drie jaar vanaf de datum van het overlijden van de erflater]4.]1
1° als een activiteit van de familiale onderneming zonder onderbreking wordt voortgezet gedurende drie jaar vanaf de datum van het overlijden van de erflater;
2° als de onroerende goederen die met toepassing van het verlaagde tarief zijn overgedragen, niet hoofdzakelijk tot bewoning aangewend of bestemd worden gedurende een periode van drie jaar vanaf de datum van het overlijden van de erflater.
§ 2. [4 Het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.7.4.2.2, § 1, eerste lid, 2°, wordt alleen behouden als al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
1° de familiale vennootschap blijft gedurende drie jaar vanaf de datum van het overlijden van de erflater voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2.7.4.2.2, § 2, 2° ;
2° een activiteit van de familiale vennootschap wordt zonder onderbreking voortgezet gedurende drie jaar vanaf de datum van het overlijden van de erflater;
3° voor elk van de drie jaar vanaf het overlijden van de erflater wordt een jaarrekening of geconsolideerde jaarrekening opgemaakt en in voorkomend geval gepubliceerd conform de geldende boekhoudwetgeving van de lidstaat waar de zetel gevestigd is op het ogenblik van het overlijden, die ook aangewend is ter verantwoording van de aangifte in de inkomstenbelasting. Ondernemingen of vennootschappen waarvan de zetel buiten het Vlaamse Gewest, maar binnen België ligt, maken een jaarrekening of geconsolideerde jaarrekening op en in voorkomend geval publiceren ze die conform de geldende boekhoudwetgeving in België op het ogenblik van het overlijden;
4° naargelang het geval:
a) als de familiale vennootschap een naamloze vennootschap, een Europese vennootschap of een Europese coöperatieve vennootschap is, of een vennootschap met een andere rechtsvorm waarvoor het Belgische of buitenlandse recht dat haar beheerst, voorziet in een vergelijkbaar begrip: het kapitaal daalt op geen enkel moment door uitkeringen of terugbetalingen gedurende drie jaar vanaf de datum van het overlijden van de erflater;
b) als de familiale vennootschap een vennootschapsvorm heeft waarvoor het Belgische of buitenlandse recht dat de vennootschap beheerst, niet voorziet in het begrip kapitaal of een vergelijkbaar begrip: de verrichte inbrengen dalen op geen enkel moment gedurende drie jaar vanaf de datum van het overlijden van de erflater door uitkeringen of terugbetalingen tot onder het bedrag van de tot op de datum van het overlijden verrichte inbrengen, zoals dat blijkt uit de jaarrekening;
5° de zetel van de werkelijke leiding van de vennootschap wordt niet overgebracht naar een staat die geen deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte gedurende drie jaar vanaf de datum van het overlijden van de erflater]4.]1
Art. 2.7.4.2.3. [1 § 1er. Le tarif réduit mentionné à l'article 2.7.4.2.2, § 1er, premier alinéa, 1°, n'est applicable que si les conditions suivantes sont remplies de manière cumulative :
1° si une activité de la société de famille est poursuivie pendant une durée ininterrompue de 3 ans à compter de la date du décès du testateur ;
2° si et dans la mesure où les biens immeubles transmis en application du tarif réduit, ne sont pas affectés ni destinés partiellement ou totalement à l'habitation pendant une durée ininterrompue de 3 ans à compter de la date du décès du testateur.
§ 2. [4 Le taux réduit visé à l'article 2.7.4.2.2, § 1er, alinéa 1er, 2°, n'est applicable que si toutes les conditions suivantes sont remplies :
1° pendant trois ans à compter de la date du décès du testateur, la société familiale continue à remplir les conditions visées à l'article 2.7.4.2.2, § 2, 2° ;
2° une activité de la société familiale est poursuivie sans interruption pendant trois ans à compter de la date du décès du testateur ;
3° pour chacune des trois années à compter de la date du décès du testateur, des comptes annuels ou des comptes annuels consolidés sont établis et, le cas échéant, publiés conformément à la législation comptable en vigueur de l'Etat membre dans lequel se trouve le siège au moment du décès, qui ont également servi à justifier la déclaration d'impôt sur les revenus. Les entreprises ou les sociétés dont le siège est situé en dehors de la Région flamande mais en Belgique, établissent et, le cas échéant, publient des comptes annuels ou des comptes annuels consolidés conformément à la législation comptable en vigueur en Belgique au moment du décès ;
4° selon le cas :
a) si la société familiale est une société anonyme, une société européenne ou une société coopérative européenne, ou une société ayant une autre forme juridique pour laquelle le droit belge ou étranger qui la régit prévoit une notion comparable : le capital ne diminue à aucun moment par le biais d'allocations ou de remboursements pendant trois ans à compter de la date du décès du testateur ;
b) si la société familiale a une forme de société pour laquelle le droit belge ou étranger qui la régit ne prévoit pas la notion de capital ou une notion comparable : à aucun moment pendant trois ans à compter de la date du décès du testateur, les apports effectués ne diminuent pas par le biais d'allocations ou de remboursements sous le montant des apports effectués à la date du décès, comme il ressort des comptes annuels ;
5° le siège de direction effective de la société n'est pas transféré dans un Etat non membre de l'Espace économique européen pendant 3 ans à compter de la date du décès du testateur]4.]1
1° si une activité de la société de famille est poursuivie pendant une durée ininterrompue de 3 ans à compter de la date du décès du testateur ;
2° si et dans la mesure où les biens immeubles transmis en application du tarif réduit, ne sont pas affectés ni destinés partiellement ou totalement à l'habitation pendant une durée ininterrompue de 3 ans à compter de la date du décès du testateur.
§ 2. [4 Le taux réduit visé à l'article 2.7.4.2.2, § 1er, alinéa 1er, 2°, n'est applicable que si toutes les conditions suivantes sont remplies :
1° pendant trois ans à compter de la date du décès du testateur, la société familiale continue à remplir les conditions visées à l'article 2.7.4.2.2, § 2, 2° ;
2° une activité de la société familiale est poursuivie sans interruption pendant trois ans à compter de la date du décès du testateur ;
3° pour chacune des trois années à compter de la date du décès du testateur, des comptes annuels ou des comptes annuels consolidés sont établis et, le cas échéant, publiés conformément à la législation comptable en vigueur de l'Etat membre dans lequel se trouve le siège au moment du décès, qui ont également servi à justifier la déclaration d'impôt sur les revenus. Les entreprises ou les sociétés dont le siège est situé en dehors de la Région flamande mais en Belgique, établissent et, le cas échéant, publient des comptes annuels ou des comptes annuels consolidés conformément à la législation comptable en vigueur en Belgique au moment du décès ;
4° selon le cas :
a) si la société familiale est une société anonyme, une société européenne ou une société coopérative européenne, ou une société ayant une autre forme juridique pour laquelle le droit belge ou étranger qui la régit prévoit une notion comparable : le capital ne diminue à aucun moment par le biais d'allocations ou de remboursements pendant trois ans à compter de la date du décès du testateur ;
b) si la société familiale a une forme de société pour laquelle le droit belge ou étranger qui la régit ne prévoit pas la notion de capital ou une notion comparable : à aucun moment pendant trois ans à compter de la date du décès du testateur, les apports effectués ne diminuent pas par le biais d'allocations ou de remboursements sous le montant des apports effectués à la date du décès, comme il ressort des comptes annuels ;
5° le siège de direction effective de la société n'est pas transféré dans un Etat non membre de l'Espace économique européen pendant 3 ans à compter de la date du décès du testateur]4.]1
Art. 2.7.4.2.4. [1 § 1. Na verloop van een termijn van drie jaar vanaf de datum van het overlijden van de erflater controleren de bevoegde personeelsleden of de voorwaarden, gesteld voor het behoud van het verlaagde tarief, vervuld zijn.
Bij niet-vervulling van de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, wordt de erfbelasting geacht verschuldigd te zijn, berekend tegen het tarief, vermeld in artikel 2.7.4.1.1, zonder toepassing van het verlaagde tarief.
Bij niet-vervulling van de voorwaarde, vermeld in artikel 2.7.4.2.3, § 2, 3°, is de erfbelasting evenredig verschuldigd tegen het tarief, vermeld in artikel 2.7.4.1.1, zonder toepassing van het verlaagde tarief.
§ 2. Als aanvullende rechten verschuldigd zijn doordat de voorwaarden, gesteld tot behoud van het verlaagde tarief, niet langer vervuld zijn, kunnen de verkrijgers dat melden bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.
Bij niet-vervulling van de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, wordt de erfbelasting geacht verschuldigd te zijn, berekend tegen het tarief, vermeld in artikel 2.7.4.1.1, zonder toepassing van het verlaagde tarief.
[2 Bij niet-vervulling van de voorwaarde, vermeld in artikel 2.7.4.2.3, § 2, 4°, is de erfbelasting verschuldigd tegen het tarief, vermeld in artikel 2.7.4.1.1, zonder toepassing van het verlaagde tarief, op het bedrag waarmee het kapitaal of de verrichte inbrengen is verminderd, vermenigvuldigd met de grondslag waarop het verlaagde tarief is toegepast, en gedeeld door de waarde van alle aandelen van de familiale vennootschap op de datum van het overlijden van de erflater]2.]1
Bij niet-vervulling van de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, wordt de erfbelasting geacht verschuldigd te zijn, berekend tegen het tarief, vermeld in artikel 2.7.4.1.1, zonder toepassing van het verlaagde tarief.
Bij niet-vervulling van de voorwaarde, vermeld in artikel 2.7.4.2.3, § 2, 3°, is de erfbelasting evenredig verschuldigd tegen het tarief, vermeld in artikel 2.7.4.1.1, zonder toepassing van het verlaagde tarief.
§ 2. Als aanvullende rechten verschuldigd zijn doordat de voorwaarden, gesteld tot behoud van het verlaagde tarief, niet langer vervuld zijn, kunnen de verkrijgers dat melden bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.
Bij niet-vervulling van de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, wordt de erfbelasting geacht verschuldigd te zijn, berekend tegen het tarief, vermeld in artikel 2.7.4.1.1, zonder toepassing van het verlaagde tarief.
[2 Bij niet-vervulling van de voorwaarde, vermeld in artikel 2.7.4.2.3, § 2, 4°, is de erfbelasting verschuldigd tegen het tarief, vermeld in artikel 2.7.4.1.1, zonder toepassing van het verlaagde tarief, op het bedrag waarmee het kapitaal of de verrichte inbrengen is verminderd, vermenigvuldigd met de grondslag waarop het verlaagde tarief is toegepast, en gedeeld door de waarde van alle aandelen van de familiale vennootschap op de datum van het overlijden van de erflater]2.]1
Art. 2.7.4.2.4. [1 § 1er. Après l'expiration d'un délai de 3 ans à compter de la date du décès du testateur, les fonctionnaires compétents vérifient si les conditions, posées pour le maintien du tarif réduit, ont été remplies.
En cas de non-respect des conditions telles que visées au premier alinéa, l'impôt de succession qui est censé être dû, est calculé au tarif mentionné à l'article 2.7.4.1.1, sans application du tarif réduit.
[2 En cas de non-respect de la condition telle que visée à l'article 2.7.4.2.3, § 2, 4°, les droits de succession sont dus au taux visé à l'article 2.7.4.1.1, sans application du taux réduit, sur le montant de la réduction du capital ou des apports effectués, multiplié par la base à laquelle le taux réduit a été appliqué, et divisé par la valeur de l'ensemble des parts de la société familiale à la date du décès du testateur]2.
§ 2. Si des droits complémentaires sont dus parce que les conditions, posées en vue du maintien du tarif réduit, ne sont plus satisfaites, les bénéficiaires peuvent en aviser l'entité compétente de l'administration flamande.
En cas de non-respect des conditions telles que visées au premier alinéa, l'impôt de succession qui est censé être dû est calculé au tarif mentionné à l'article 2.7.4.1.1, sans application du tarif réduit.
[2 En cas de non-respect de la condition telle que visée à l'article 2.7.4.2.3, § 2, 4°, les droits de succession sont dus au taux visé à l'article 2.7.4.1.1, sans application du taux réduit, sur le montant de la réduction du capital ou des apports effectués, multiplié par la base à laquelle le taux réduit a été appliqué, et divisé par la valeur de l'ensemble des parts de la société familiale à la date du décès du testateur]2.]1
En cas de non-respect des conditions telles que visées au premier alinéa, l'impôt de succession qui est censé être dû, est calculé au tarif mentionné à l'article 2.7.4.1.1, sans application du tarif réduit.
[2 En cas de non-respect de la condition telle que visée à l'article 2.7.4.2.3, § 2, 4°, les droits de succession sont dus au taux visé à l'article 2.7.4.1.1, sans application du taux réduit, sur le montant de la réduction du capital ou des apports effectués, multiplié par la base à laquelle le taux réduit a été appliqué, et divisé par la valeur de l'ensemble des parts de la société familiale à la date du décès du testateur]2.
§ 2. Si des droits complémentaires sont dus parce que les conditions, posées en vue du maintien du tarif réduit, ne sont plus satisfaites, les bénéficiaires peuvent en aviser l'entité compétente de l'administration flamande.
En cas de non-respect des conditions telles que visées au premier alinéa, l'impôt de succession qui est censé être dû est calculé au tarif mentionné à l'article 2.7.4.1.1, sans application du tarif réduit.
[2 En cas de non-respect de la condition telle que visée à l'article 2.7.4.2.3, § 2, 4°, les droits de succession sont dus au taux visé à l'article 2.7.4.1.1, sans application du taux réduit, sur le montant de la réduction du capital ou des apports effectués, multiplié par la base à laquelle le taux réduit a été appliqué, et divisé par la valeur de l'ensemble des parts de la société familiale à la date du décès du testateur]2.]1
Art. 2.7.4.2.5. [1 § 1. In afwijking van artikel 2.7.4.1.1, § 1, wordt voor de verkrijgingen, vermeld in tabel II van artikel 2.7.4.1.1, § 1, het tarief van de erfbelasting verlaagd:
1° tot 3% voor het gedeelte van de nettoverkrijging dat kleiner is dan of gelijk is aan 50.000 euro;
2° tot 9% voor het gedeelte van de nettoverkrijging dat groter is dan 50.000 euro en niet meer bedraagt dan 100.000 euro.
Het verlaagde tarief wordt toegepast op een nettoverkrijging tot een bedrag van maximaal 100.000 euro per nalatenschap.
Het gedeelte van de nettoverkrijging dat het maximum, vermeld in het tweede lid, te boven gaat, wordt onderworpen aan het tarief voor verkrijgingen, vermeld in tabel II van artikel 2.7.4.1.1, § 1.
Het verlaagde tarief, vermeld in het eerste lid, wordt alleen toegepast als al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
1° op de datum van het openvallen van de nalatenschap heeft de erflater geen partner als vermeld in artikel 1.1.0.0.2, zesde lid, 4°, en geen bloedverwanten in de rechte nederdalende lijn of daarmee gelijkgestelde personen als vermeld in artikel 1.1.0.0.2, zesde lid, 5° ;
2° de erflater heeft in een niet-herroepen testament op ondubbelzinnige wijze een of meer natuurlijke personen aangewezen die de toepassing van het verlaagde tarief kunnen vragen.
Als maar één natuurlijke persoon door de erflater is aangewezen conform het vierde lid, 2°, wordt het verlaagde tarief, vermeld in het eerste lid, exclusief toegepast op de volledige of gedeeltelijke nettoverkrijging van die persoon.
Als meer dan één natuurlijke persoon door de erflater is aangewezen conform het vierde lid, 2°, wordt het verlaagde tarief, vermeld in het eerste lid, toegepast op de nettoverkrijgingen van die personen.
Als het totaal van de nettoverkrijgingen, vermeld in het zesde lid, het maximumbedrag van 100.000 euro te boven gaat, wordt het verlaagde tarief toegepast op dat maximumbedrag. Het maximum wordt verdeeld naar verhouding van de persoonlijke nettoverkrijgingen ten opzichte van de samengenomen nettoverkrijgingen, tenzij de erflater een andere verdeling heeft bepaald.
§ 2. Als de nettoverkrijging, vermeld in paragraaf 1, goederen omvat die vrijgesteld zijn conform artikel 2.7.6.0.5, wordt het vrijgestelde gedeelte proportioneel verdeeld tussen het gedeelte van de nettoverkrijging dat is onderworpen aan het tarief, vermeld in paragraaf 1, en het gedeelte van de nettoverkrijging dat is onderworpen aan het tarief, vermeld in tabel II van artikel 2.7.4.1.1, § 1.
§ 3. Het gedeelte van de nettoverkrijging waarop het verlaagde tarief, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, wordt toegepast, wordt bij voorrang toegerekend op het gedeelte van de verkrijging waarop het tarief, vermeld in tabel II van artikel 2.7.4.1.1, § 1, wordt toegepast, en vervolgens op het gedeelte van de verkrijging waarop het tarief, vermeld in artikel 2.7.4.2.2, wordt toegepast.]1
1° tot 3% voor het gedeelte van de nettoverkrijging dat kleiner is dan of gelijk is aan 50.000 euro;
2° tot 9% voor het gedeelte van de nettoverkrijging dat groter is dan 50.000 euro en niet meer bedraagt dan 100.000 euro.
Het verlaagde tarief wordt toegepast op een nettoverkrijging tot een bedrag van maximaal 100.000 euro per nalatenschap.
Het gedeelte van de nettoverkrijging dat het maximum, vermeld in het tweede lid, te boven gaat, wordt onderworpen aan het tarief voor verkrijgingen, vermeld in tabel II van artikel 2.7.4.1.1, § 1.
Het verlaagde tarief, vermeld in het eerste lid, wordt alleen toegepast als al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
1° op de datum van het openvallen van de nalatenschap heeft de erflater geen partner als vermeld in artikel 1.1.0.0.2, zesde lid, 4°, en geen bloedverwanten in de rechte nederdalende lijn of daarmee gelijkgestelde personen als vermeld in artikel 1.1.0.0.2, zesde lid, 5° ;
2° de erflater heeft in een niet-herroepen testament op ondubbelzinnige wijze een of meer natuurlijke personen aangewezen die de toepassing van het verlaagde tarief kunnen vragen.
Als maar één natuurlijke persoon door de erflater is aangewezen conform het vierde lid, 2°, wordt het verlaagde tarief, vermeld in het eerste lid, exclusief toegepast op de volledige of gedeeltelijke nettoverkrijging van die persoon.
Als meer dan één natuurlijke persoon door de erflater is aangewezen conform het vierde lid, 2°, wordt het verlaagde tarief, vermeld in het eerste lid, toegepast op de nettoverkrijgingen van die personen.
Als het totaal van de nettoverkrijgingen, vermeld in het zesde lid, het maximumbedrag van 100.000 euro te boven gaat, wordt het verlaagde tarief toegepast op dat maximumbedrag. Het maximum wordt verdeeld naar verhouding van de persoonlijke nettoverkrijgingen ten opzichte van de samengenomen nettoverkrijgingen, tenzij de erflater een andere verdeling heeft bepaald.
§ 2. Als de nettoverkrijging, vermeld in paragraaf 1, goederen omvat die vrijgesteld zijn conform artikel 2.7.6.0.5, wordt het vrijgestelde gedeelte proportioneel verdeeld tussen het gedeelte van de nettoverkrijging dat is onderworpen aan het tarief, vermeld in paragraaf 1, en het gedeelte van de nettoverkrijging dat is onderworpen aan het tarief, vermeld in tabel II van artikel 2.7.4.1.1, § 1.
§ 3. Het gedeelte van de nettoverkrijging waarop het verlaagde tarief, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, wordt toegepast, wordt bij voorrang toegerekend op het gedeelte van de verkrijging waarop het tarief, vermeld in tabel II van artikel 2.7.4.1.1, § 1, wordt toegepast, en vervolgens op het gedeelte van de verkrijging waarop het tarief, vermeld in artikel 2.7.4.2.2, wordt toegepast.]1
Art. 2.7.4.2.5. [1 § 1er. Par dérogation à l'article 2.7.4.1.1, § 1er, le taux des droits de succession est réduit pour les acquisitions visées au tableau II de l'article 2.7.4.1.1, § 1er :
1° à 3 % pour la partie de l'acquisition nette inférieure ou égale à 50 000 ;
2° à 9 % pour la partie de l'acquisition nette supérieure à 50 000 et qui n'excède pas 100 000 .
Le taux réduit s'applique à une acquisition nette jusqu'à un maximum de 100 000 euros par succession.
La partie de l'acquisition nette qui excède le maximum visé à l'alinéa 2, est soumise au taux pour les acquisitions visées au tableau II de l'article 2.7.4.1.1, § 1er.
Le taux réduit visé à l'alinéa 1er, n'est applicable que si toutes les conditions suivantes sont remplies :
1° à la date de l'ouverture de la succession, le testateur n'a pas de partenaire tel que visé à l'article 1.1.0.0.2, alinéa 6, 4°, ni de parents en ligne directe ou de personnes assimilées telles que visées à l'article 1.1.0.0.2, alinéa 6, 5° ;
2° le testateur a désigné sans équivoque, dans un testament non révoqué, une ou plusieurs personnes physiques qui peuvent demander l'application du taux réduit.
Si une seule personne physique est désignée par le testateur conformément à l'alinéa 4, 2°, le taux réduit visé à l'alinéa 1er, s'applique exclusivement à tout ou partie de l'acquisition nette de cette personne.
Si plusieurs personnes physiques ont été désignées par le testateur conformément à l'alinéa 4, 2°, le taux réduit visé à l'alinéa 1er, est appliqué aux acquisitions nettes de ces personnes.
Si le total des acquisitions nettes visées à l'alinéa 6, est supérieur au montant maximal de 100 000 euros, le taux réduit est appliqué à ce montant maximal. Le maximum est réparti proportionnellement aux acquisitions nettes personnelles par rapport aux acquisitions nettes globales, à moins que le testateur n'ait prévu une répartition différente.
§ 2. Si l'acquisition nette visée au paragraphe 1er, comprend des biens exonérés conformément à l'article 2.7.6.0.5, la partie exonérée est répartie proportionnellement entre la partie de l'acquisition nette soumise au taux visé au paragraphe 1er, et la partie de l'acquisition nette soumise au taux visé au tableau II de l'article 2.7.4.1.1, § 1er.
§ 3. La partie de l'acquisition nette à laquelle s'applique le taux réduit visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, est appliquée en priorité à la partie de l'acquisition à laquelle s'applique le taux visé dans le tableau II de l'article 2.7.4.1.1, § 1er, et ensuite à la partie de l'acquisition à laquelle s'applique le taux visé à l'article 2.7.4.2.2.]1
1° à 3 % pour la partie de l'acquisition nette inférieure ou égale à 50 000 ;
2° à 9 % pour la partie de l'acquisition nette supérieure à 50 000 et qui n'excède pas 100 000 .
Le taux réduit s'applique à une acquisition nette jusqu'à un maximum de 100 000 euros par succession.
La partie de l'acquisition nette qui excède le maximum visé à l'alinéa 2, est soumise au taux pour les acquisitions visées au tableau II de l'article 2.7.4.1.1, § 1er.
Le taux réduit visé à l'alinéa 1er, n'est applicable que si toutes les conditions suivantes sont remplies :
1° à la date de l'ouverture de la succession, le testateur n'a pas de partenaire tel que visé à l'article 1.1.0.0.2, alinéa 6, 4°, ni de parents en ligne directe ou de personnes assimilées telles que visées à l'article 1.1.0.0.2, alinéa 6, 5° ;
2° le testateur a désigné sans équivoque, dans un testament non révoqué, une ou plusieurs personnes physiques qui peuvent demander l'application du taux réduit.
Si une seule personne physique est désignée par le testateur conformément à l'alinéa 4, 2°, le taux réduit visé à l'alinéa 1er, s'applique exclusivement à tout ou partie de l'acquisition nette de cette personne.
Si plusieurs personnes physiques ont été désignées par le testateur conformément à l'alinéa 4, 2°, le taux réduit visé à l'alinéa 1er, est appliqué aux acquisitions nettes de ces personnes.
Si le total des acquisitions nettes visées à l'alinéa 6, est supérieur au montant maximal de 100 000 euros, le taux réduit est appliqué à ce montant maximal. Le maximum est réparti proportionnellement aux acquisitions nettes personnelles par rapport aux acquisitions nettes globales, à moins que le testateur n'ait prévu une répartition différente.
§ 2. Si l'acquisition nette visée au paragraphe 1er, comprend des biens exonérés conformément à l'article 2.7.6.0.5, la partie exonérée est répartie proportionnellement entre la partie de l'acquisition nette soumise au taux visé au paragraphe 1er, et la partie de l'acquisition nette soumise au taux visé au tableau II de l'article 2.7.4.1.1, § 1er.
§ 3. La partie de l'acquisition nette à laquelle s'applique le taux réduit visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, est appliquée en priorité à la partie de l'acquisition à laquelle s'applique le taux visé dans le tableau II de l'article 2.7.4.1.1, § 1er, et ensuite à la partie de l'acquisition à laquelle s'applique le taux visé à l'article 2.7.4.2.2.]1
Art. 2.7.4.2.6. [1 Voor de toepassing van artikel 2.7.4.2.2 en van artikel 2.7.4.2.3, § 1, 2°, moet de aanwending of de bestemming van een onroerend goed worden nagegaan per kadastraal perceel of per gedeelte van een kadastraal perceel als dat gedeelte ofwel een afzonderlijke huisvesting is, ofwel een afdeling van de productie of van de werkzaamheden is die, of een onderdeel daarvan dat, afzonderlijk kan werken, ofwel een eenheid is die van de andere goederen of delen die het perceel vormen, kan worden afgezonderd.]1
Art. 2.7.4.2.6. [1 Aux fins de l'application de l'article 2.7.4.2.2 et de l'article 2.7.4.2.3, § 1er, 2°, l'affectation ou la destination d'un bien immobilier doit être déterminée par parcelle cadastrale ou par partie de parcelle cadastrale si cette partie est soit un logement séparé, soit un département de production ou d'activités qui, en tout ou en partie, peut fonctionner séparément, soit une unité qui peut être séparée des autres biens ou parties qui constituent la parcelle.]1
Afdeling 5. - [1 Verminderingen]1
Section 5. - [1 Réductions ]1
Art. 2.7.5.0.1. [1 1. De erfbelasting, verschuldigd uit hoofde van een verkrijging in de rechte lijn of tussen partners wordt verminderd met 500 euro, vermenigvuldigd met [1 - (nettoverkrijging / 50.000)], als de nettoverkrijging van roerende en onroerende goederen samen niet meer bedraagt dan 50.000 euro.
Voor de bepaling van de nettoverkrijging, vermeld in het eerste lid, wordt geen rekening gehouden met het aandeel dat de partner verkrijgt in de gezinswoning dat ingevolge de toepassing van artikel 2.7.4.1.1, § 2, derde lid, niet onderworpen is aan erfbelasting.
[2 De erfbelasting, verschuldigd uit hoofde van een verkrijging door een broer of zus, wordt verminderd met een bedrag gelijk aan hetzij:
1° 2.000 euro, vermenigvuldigd met (nettoverkrijging/20.000 euro), wanneer de nettoverkrijging kleiner is dan of gelijk is aan 18.750 euro;
2° 2.500 euro, vermenigvuldigd met [1-(nettoverkrijging/75.000 euro)], wanneer de nettoverkrijging groter is dan 18.750 euro en niet meer bedraagt dan 75.000 euro.
Voor de erfbelasting verschuldigd door andere personen dan erfgenamen in de rechte lijn, de partners of broers en zussen, wordt eenzelfde vermindering toegepast als berekend overeenkomstig het derde lid waarbij onder de nettoverkrijging moet begrepen worden: de som van de nettoverkrijgingen.]2
Voor de bepaling van de nettoverkrijging, vermeld in het eerste tot en met het vierde lid, wordt geen rekening gehouden met het abattement, vermeld in artikel 2.7.3.2.12. Het bedrag van de vermindering kan in voorkomend geval niet meer bedragen dan de erfbelasting, verschuldigd na de toekenning van het abattement, vermeld in artikel 2.7.3.2.12.
§ 2. Als voor dezelfde nalatenschap zowel de vermindering, vermeld in paragraaf 1, als de vermindering, vermeld in artikel 2.7.5.0.3, genoten kan worden, wordt de vermindering, vermeld in paragraaf 1, eerst toegepast.]1
Voor de bepaling van de nettoverkrijging, vermeld in het eerste lid, wordt geen rekening gehouden met het aandeel dat de partner verkrijgt in de gezinswoning dat ingevolge de toepassing van artikel 2.7.4.1.1, § 2, derde lid, niet onderworpen is aan erfbelasting.
[2 De erfbelasting, verschuldigd uit hoofde van een verkrijging door een broer of zus, wordt verminderd met een bedrag gelijk aan hetzij:
1° 2.000 euro, vermenigvuldigd met (nettoverkrijging/20.000 euro), wanneer de nettoverkrijging kleiner is dan of gelijk is aan 18.750 euro;
2° 2.500 euro, vermenigvuldigd met [1-(nettoverkrijging/75.000 euro)], wanneer de nettoverkrijging groter is dan 18.750 euro en niet meer bedraagt dan 75.000 euro.
Voor de erfbelasting verschuldigd door andere personen dan erfgenamen in de rechte lijn, de partners of broers en zussen, wordt eenzelfde vermindering toegepast als berekend overeenkomstig het derde lid waarbij onder de nettoverkrijging moet begrepen worden: de som van de nettoverkrijgingen.]2
Voor de bepaling van de nettoverkrijging, vermeld in het eerste tot en met het vierde lid, wordt geen rekening gehouden met het abattement, vermeld in artikel 2.7.3.2.12. Het bedrag van de vermindering kan in voorkomend geval niet meer bedragen dan de erfbelasting, verschuldigd na de toekenning van het abattement, vermeld in artikel 2.7.3.2.12.
§ 2. Als voor dezelfde nalatenschap zowel de vermindering, vermeld in paragraaf 1, als de vermindering, vermeld in artikel 2.7.5.0.3, genoten kan worden, wordt de vermindering, vermeld in paragraaf 1, eerst toegepast.]1
Art. 2.7.5.0.1. [1 § 1er. Les droits de succession dus du chef d'une obtention en ligne directe entre partenaires sont réduits de 500 euros multipliés par [1-(obtention nette/50.000)], si l'obtention nette cumulée des biens mobiliers et immobiliers n'excède pas 50.000 EUR.
Pour la détermination de l'acquisition nette, visée à l'alinéa 1er, il n'est pas tenu compte de la part que le partenaire acquiert dans le logement familial, qui, en raison de l'application de l'article 2.7.4.1.1, § 2, troisième alinéa, n'est pas soumise à l'impôt de succession.
[2 L'impôt de succession, dû en raison d'une acquisition par un frère ou une soeur est réduit d'un montant égal à soit :
1° 2.000 euros, multipliés par (acquisition nette/20.000 euros), si l'acquisition nette est inférieure ou égale à 18.750 euros ;
2° 2.500 euros, multipliés par [1-(acquisition nette/75.000 euros)], si l'acquisition nette est supérieure à 18.750 euros et n'excède pas 75.000 euros.
Sur l'impôt de succession qui est dû par d'autres personnes que des héritiers en ligne directe, les partenaires ou les frères et soeurs, la même réduction est appliquée que celle calculée conformément à l'alinéa 3, où il faut entendre par l'acquisition nette : la somme des acquisitions nettes.]2
Pour la détermination de l'obtention nette mentionnée du premier au quatrième alinéa, il n'est pas tenu compte de l'abattement, mentionné à l'article 2.7.3.2.12. Le montant de la réduction ne peut le cas échéant être supérieur à l'impôt de succession, qui est dû après l'octroi de l'abattement, mentionné à l'article 2.7.3.2.12.
§ 2. S'il est possible, pour la même succession, de bénéficier aussi bien de la réduction mentionnée au paragraphe 1er, que de la réduction mentionnée à l'article 2.7.5.0.3, c'est la réduction mentionnée au paragraphe 1er qui s'applique d'abord.]1
Pour la détermination de l'acquisition nette, visée à l'alinéa 1er, il n'est pas tenu compte de la part que le partenaire acquiert dans le logement familial, qui, en raison de l'application de l'article 2.7.4.1.1, § 2, troisième alinéa, n'est pas soumise à l'impôt de succession.
[2 L'impôt de succession, dû en raison d'une acquisition par un frère ou une soeur est réduit d'un montant égal à soit :
1° 2.000 euros, multipliés par (acquisition nette/20.000 euros), si l'acquisition nette est inférieure ou égale à 18.750 euros ;
2° 2.500 euros, multipliés par [1-(acquisition nette/75.000 euros)], si l'acquisition nette est supérieure à 18.750 euros et n'excède pas 75.000 euros.
Sur l'impôt de succession qui est dû par d'autres personnes que des héritiers en ligne directe, les partenaires ou les frères et soeurs, la même réduction est appliquée que celle calculée conformément à l'alinéa 3, où il faut entendre par l'acquisition nette : la somme des acquisitions nettes.]2
Pour la détermination de l'obtention nette mentionnée du premier au quatrième alinéa, il n'est pas tenu compte de l'abattement, mentionné à l'article 2.7.3.2.12. Le montant de la réduction ne peut le cas échéant être supérieur à l'impôt de succession, qui est dû après l'octroi de l'abattement, mentionné à l'article 2.7.3.2.12.
§ 2. S'il est possible, pour la même succession, de bénéficier aussi bien de la réduction mentionnée au paragraphe 1er, que de la réduction mentionnée à l'article 2.7.5.0.3, c'est la réduction mentionnée au paragraphe 1er qui s'applique d'abord.]1
Art. 2.7.5.0.2. [1 De door een kind van de erflater verschuldigde erfbelasting wordt verminderd met 75 euro voor elk vol jaar dat nog moet verlopen tot het kind de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.
De door de langstlevende partner verschuldigde erfbelasting wordt verminderd met de helft van de verminderingen die de gemeenschappelijke kinderen overeenkomstig het eerste lid genieten.
De gemeenschappelijke kinderen, vermeld in het tweede lid, zijn de kinderen die deel uitmaken van de rechte lijn, vermeld in artikel 1.1.0.0.2, zesde lid, 5°, a) en b).
§ 2. Als voor dezelfde nalatenschap zowel de vermindering, vermeld in paragraaf 1, als de vermindering, vermeld in artikel 2.7.5.0.3, genoten kan worden, wordt de vermindering, vermeld in paragraaf 1, eerst toegepast.]1
De door de langstlevende partner verschuldigde erfbelasting wordt verminderd met de helft van de verminderingen die de gemeenschappelijke kinderen overeenkomstig het eerste lid genieten.
De gemeenschappelijke kinderen, vermeld in het tweede lid, zijn de kinderen die deel uitmaken van de rechte lijn, vermeld in artikel 1.1.0.0.2, zesde lid, 5°, a) en b).
§ 2. Als voor dezelfde nalatenschap zowel de vermindering, vermeld in paragraaf 1, als de vermindering, vermeld in artikel 2.7.5.0.3, genoten kan worden, wordt de vermindering, vermeld in paragraaf 1, eerst toegepast.]1
Art. 2.7.5.0.2. [1 § 1er. L'impôt de succession dû par un enfant du testateur est réduit de 75 € pour chaque année entière restant à courir avant que l'enfant atteigne l'âge de 21 ans.
L'impôt de succession dû par le partenaire survivant est réduit de la moitié des réductions dont bénéficient les enfants communs conformément au premier alinéa.
Les enfants communs, mentionnés au second alinéa, sont les enfants qui font partie de la ligne directe dont question à l'article 1.1.0.0.2, sixième alinéa, 5°, a) et b).
§ 2. S'il est possible de bénéficier pour la même succession de la réduction mentionnée au paragraphe 1er et de la réduction mentionnée à l'article 2.7.5.0.3, c'est la réduction mentionnée au paragraphe 1er qui s'applique d'abord.]1
L'impôt de succession dû par le partenaire survivant est réduit de la moitié des réductions dont bénéficient les enfants communs conformément au premier alinéa.
Les enfants communs, mentionnés au second alinéa, sont les enfants qui font partie de la ligne directe dont question à l'article 1.1.0.0.2, sixième alinéa, 5°, a) et b).
§ 2. S'il est possible de bénéficier pour la même succession de la réduction mentionnée au paragraphe 1er et de la réduction mentionnée à l'article 2.7.5.0.3, c'est la réduction mentionnée au paragraphe 1er qui s'applique d'abord.]1
Art. 2.7.5.0.3. [1 Als de goederen die belast zijn met de erfbelasting, binnen een jaar na het overlijden van de erflater het voorwerp uitmaken van een of meer andere overdrachten bij overlijden, wordt de wegens die overdrachten verschuldigde erfbelasting met de helft verminderd. De vermindering mag voor elk van die overdrachten nooit hoger zijn dan de erfbelasting, geheven op de overdracht die er onmiddellijk aan voorafgaat.
Als voor dezelfde nalatenschap zowel de vermindering, vermeld in het eerste lid, als de vermindering, vermeld in artikel 2.7.5.0.4, genoten kan worden, wordt de vermindering, vermeld in het eerste lid, eerst toegepast.]1
Als voor dezelfde nalatenschap zowel de vermindering, vermeld in het eerste lid, als de vermindering, vermeld in artikel 2.7.5.0.4, genoten kan worden, wordt de vermindering, vermeld in het eerste lid, eerst toegepast.]1
Art. 2.7.5.0.3. [1 Si les biens qui font l'objet de l'impôt de succession, dans l'année qui suit le décès du testateur, font l'objet d'une ou de plusieurs autres mutations par décès, l'impôt de succession dû en raison de ces mutations est réduit de moitié. La réduction ne peut jamais, pour chacune de ces mutations, être supérieure à l'impôt de succession perçu sur la mutation qui précède immédiatement.
S'il est possible de bénéficier pour la même succession de la réduction mentionnée au paragraphe 1er et de la réduction mentionnée à l'article 2.7.5.0.4, c'est la réduction mentionnée au paragraphe 1er qui s'applique d'abord.]1
S'il est possible de bénéficier pour la même succession de la réduction mentionnée au paragraphe 1er et de la réduction mentionnée à l'article 2.7.5.0.4, c'est la réduction mentionnée au paragraphe 1er qui s'applique d'abord.]1
Art. 2.7.5.0.4. [1 Als het actief van de nalatenschap van een rijksinwoner [2 buitenlandse]2 goederen bevat [2 ...]2 die in [2 het buitenland]2 aanleiding geven tot het heffen van een erfbelasting, wordt het verschuldigde successierecht, in de mate waarin het de belastbare waarde van die goederen treft, verminderd met het bedrag van de in [2 het buitenland]2 geheven belasting, omgerekend in euro, op de datum van de betaling van die belasting.
De vermindering, vermeld in het eerste lid, wordt alleen toegekend als aan het bevoegde personeelslid een behoorlijk gedateerd betalingsbewijs van een in het buitenland betaalde erfbelasting wordt voorgelegd, samen met een door de bevoegde overheden eensluidend verklaard afschrift van de aangifte die ze hebben ontvangen en de berekening van de belasting die ze hebben vastgesteld.
Als voor dezelfde nalatenschap zowel de vermindering, vermeld in het eerste lid, als het abattement, vermeld in artikel 2.7.3.2.12, genoten kan worden, wordt de vermindering, vermeld in het eerste lid, eerst toegepast.]1
De vermindering, vermeld in het eerste lid, wordt alleen toegekend als aan het bevoegde personeelslid een behoorlijk gedateerd betalingsbewijs van een in het buitenland betaalde erfbelasting wordt voorgelegd, samen met een door de bevoegde overheden eensluidend verklaard afschrift van de aangifte die ze hebben ontvangen en de berekening van de belasting die ze hebben vastgesteld.
Als voor dezelfde nalatenschap zowel de vermindering, vermeld in het eerste lid, als het abattement, vermeld in artikel 2.7.3.2.12, genoten kan worden, wordt de vermindering, vermeld in het eerste lid, eerst toegepast.]1
Art. 2.7.5.0.4. [1 Si l'actif de la succession d'un habitant du royaume contient des biens [2 étrangers]2 [2 ...]2 qui, [2 à l'étranger]2, donnent lieu à la perception d'un impôt de succession, le droit de succession dû, dans la mesure de ce qui concerne la valeur imposable de ces biens, est réduit du montant de l'impôt perçu [2 à l'étranger]2, converti en euro, à la date du paiement de l'impôt susdit.
La réduction mentionnée au premier alinéa est seulement accordée s'il peut être présenté au membre du personnel compétent, une preuve de paiement dûment datée d'un impôt de succession payé à l'étranger, ainsi qu'une copie certifiée conforme par les autorités compétentes de la déclaration qu'elles ont reçue et du calcul de l'impôt qu'elles ont établi.
S'il est possible de bénéficier pour la même succession de la réduction mentionnée au paragraphe 1er et de l'abattement mentionné à l'article 2.7.3.2.12, c'est la réduction mentionnée au paragraphe 1er qui s'applique d'abord.]1
La réduction mentionnée au premier alinéa est seulement accordée s'il peut être présenté au membre du personnel compétent, une preuve de paiement dûment datée d'un impôt de succession payé à l'étranger, ainsi qu'une copie certifiée conforme par les autorités compétentes de la déclaration qu'elles ont reçue et du calcul de l'impôt qu'elles ont établi.
S'il est possible de bénéficier pour la même succession de la réduction mentionnée au paragraphe 1er et de l'abattement mentionné à l'article 2.7.3.2.12, c'est la réduction mentionnée au paragraphe 1er qui s'applique d'abord.]1
Art. 2.7.5.0.5. [1 Het verkooprecht en het verdeelrecht dat geheven wordt bij de registratie van de akte van verkoop of van afstand, en, in voorkomend geval, het overschrijvingsrecht, of een soortgelijke belasting die geheven wordt in een staat van de Europese Economische Ruimte, worden afgetrokken van de erfbelasting als de voormelde belastingen opeisbaar zijn krachtens artikel 2.7.1.0.9 en artikel 2.7.3.3.5, eventueel gecombineerd met artikel 2.7.3.2.11.]1
Art. 2.7.5.0.5. [1 Le droit de vente et le droit de partage qui sont perçus lors de l'enregistrement de l'acte de vente ou de cession et, le cas échéant, le droit de transcription, ou un impôt équivalent qui est perçu dans un Etat de l'Espace économique européen, sont déduits de l'impôt de succession dans la mesure où ces derniers droits sont exigibles en vertu de l'article 2.7.1.0.9 et de l'article 2.7.3.3.5, combiné éventuellement avec l'article 2.7.3.2.11.]1
Art. 2.7.5.0.6. [1 De erfbelasting, verschuldigd door natuurlijke personen van wie de verkrijging onderworpen is aan het tarief, vermeld in tabel II van artikel 2.7.4.1.1, en die voldoen aan de hierna gestelde voorwaarden, wordt verminderd met een bedrag dat verkregen wordt door toepassing van de volgende formule: X = a x (b - c).
De parameters, vermeld in het eerste lid, worden gedefinieerd als volgt:
1° a = de som van de nettoverkrijgingen tot een totaal maximumbedrag van 15.000 euro, aan de natuurlijke personen, vermeld in het eerste lid, die belast zijn volgens het tarief, vermeld in tabel II van artikel 2.7.4.1.1;
2° b = het laagste [2 ...]2 tarief, vermeld in tabel II van het voormelde artikel;
3° c = het laagste tarief, vermeld in tabel I van het voormelde artikel.
De vermindering, vermeld in het eerste lid, wordt alleen toegekend aan de natuurlijke personen die de erflater in een niet-herroepen testament op ondubbelzinnige wijze heeft aangewezen als diegenen die de toepassing van de vermindering, vermeld in het eerste lid, mogen vragen. [3 Het testament is vóór 1 januari 2026 gedagtekend.]3
De vermindering, vermeld in het eerste lid, wordt toegepast op de erfbelasting, verschuldigd door de verkrijgers die zijn aangewezen overeenkomstig het derde lid, na de toepassing van alle andere vrijstellingen en verminderingen waarop de voormelde verkrijgers aanspraak kunnen maken.
Als er slechts één natuurlijke persoon is aangewezen overeenkomstig het derde lid, wordt de vermindering, vermeld in het eerste lid, exclusief toegekend aan deze persoon.
Als er meer dan één natuurlijke persoon is aangewezen overeenkomstig het derde lid, wordt de vermindering, vermeld in het eerste lid, onder deze personen verdeeld naar verhouding van hun persoonlijke nettoverkrijging ten opzichte van de samengenomen nettoverkrijgingen van al deze personen [2 , tenzij de erflater een andere verdeling heeft bepaald]2.
De vermindering die conform dit artikel wordt toegepast, levert in geen geval grond voor een teruggave op.]1
[4 De vermindering, vermeld in het eerste lid, wordt niet toegepast als voor dezelfde nalatenschap toepassing wordt gemaakt van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.7.4.2.5, § 1, eerste lid.]4
De parameters, vermeld in het eerste lid, worden gedefinieerd als volgt:
1° a = de som van de nettoverkrijgingen tot een totaal maximumbedrag van 15.000 euro, aan de natuurlijke personen, vermeld in het eerste lid, die belast zijn volgens het tarief, vermeld in tabel II van artikel 2.7.4.1.1;
2° b = het laagste [2 ...]2 tarief, vermeld in tabel II van het voormelde artikel;
3° c = het laagste tarief, vermeld in tabel I van het voormelde artikel.
De vermindering, vermeld in het eerste lid, wordt alleen toegekend aan de natuurlijke personen die de erflater in een niet-herroepen testament op ondubbelzinnige wijze heeft aangewezen als diegenen die de toepassing van de vermindering, vermeld in het eerste lid, mogen vragen. [3 Het testament is vóór 1 januari 2026 gedagtekend.]3
De vermindering, vermeld in het eerste lid, wordt toegepast op de erfbelasting, verschuldigd door de verkrijgers die zijn aangewezen overeenkomstig het derde lid, na de toepassing van alle andere vrijstellingen en verminderingen waarop de voormelde verkrijgers aanspraak kunnen maken.
Als er slechts één natuurlijke persoon is aangewezen overeenkomstig het derde lid, wordt de vermindering, vermeld in het eerste lid, exclusief toegekend aan deze persoon.
Als er meer dan één natuurlijke persoon is aangewezen overeenkomstig het derde lid, wordt de vermindering, vermeld in het eerste lid, onder deze personen verdeeld naar verhouding van hun persoonlijke nettoverkrijging ten opzichte van de samengenomen nettoverkrijgingen van al deze personen [2 , tenzij de erflater een andere verdeling heeft bepaald]2.
De vermindering die conform dit artikel wordt toegepast, levert in geen geval grond voor een teruggave op.]1
[4 De vermindering, vermeld in het eerste lid, wordt niet toegepast als voor dezelfde nalatenschap toepassing wordt gemaakt van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.7.4.2.5, § 1, eerste lid.]4
Änderungen
Art. 2.7.5.0.6. [1 Les droits de succession dus par des personnes physiques dont l'acquisition est soumise au tarif visé au tableau II de l'article 2.7.4.1.1 et qui remplissent les conditions énoncées ci-dessous, sont diminués d'un montant obtenu en appliquant la formule suivante : X = a x (b - c).
Les paramètres, visés à l'alinéa 1er, sont définis comme suit :
1° a = la somme des acquisitions nettes jusqu'à un montant total maximum de 15.000 euros, aux personnes physiques visées à l'alinéa 1er, qui sont imposées selon le tarif visé au tableau II de l'article 2.7.4.1.1 ;
2° b = le tarif [2 ...]2 le plus bas, visé au tableau II de l'article précité ;
3° c = le tarif le plus bas, visé au tableau I de l'article précité.
La réduction, visée à l'alinéa 1er, n'est accordée qu'aux personnes physiques que le testateur a désignées sans équivoque dans un testament non révoqué comme étant les personnes habilitées à demander l'application de la réduction visée à l'alinéa 1er. [3 Le testament est daté avant le 1er janvier 2026.]3
La réduction, visée à l'alinéa 1er, est appliquée aux droits de succession dus par les acquéreurs désignés conformément à l'alinéa 3, après l'application de toutes les autres exonérations et réductions auxquelles les acquéreurs précités ont droit.
Si une seule personne physique est désignée conformément à l'alinéa 3, la réduction visée à l'alinéa 1er est accordée exclusivement à cette personne.
Si plusieurs personnes physiques sont désignées conformément à l'alinéa 3, la réduction visée à l'alinéa 1er est répartie entre ces personnes au prorata de leurs acquisitions nettes personnelles par rapport aux acquisitions nettes cumulées de toutes ces personnes [2 , sauf si le défunt a prévu un partage différent]2.
La réduction appliquée conformément au présent article ne donne en aucun cas lieu à une restitution.]1
[4 La réduction visée à l'alinéa 1er, n'est pas appliquée si le taux réduit visé à l'article 2.7.4.2.5, § 1er, alinéa 1er, est appliqué à la même succession.]4
Les paramètres, visés à l'alinéa 1er, sont définis comme suit :
1° a = la somme des acquisitions nettes jusqu'à un montant total maximum de 15.000 euros, aux personnes physiques visées à l'alinéa 1er, qui sont imposées selon le tarif visé au tableau II de l'article 2.7.4.1.1 ;
2° b = le tarif [2 ...]2 le plus bas, visé au tableau II de l'article précité ;
3° c = le tarif le plus bas, visé au tableau I de l'article précité.
La réduction, visée à l'alinéa 1er, n'est accordée qu'aux personnes physiques que le testateur a désignées sans équivoque dans un testament non révoqué comme étant les personnes habilitées à demander l'application de la réduction visée à l'alinéa 1er. [3 Le testament est daté avant le 1er janvier 2026.]3
La réduction, visée à l'alinéa 1er, est appliquée aux droits de succession dus par les acquéreurs désignés conformément à l'alinéa 3, après l'application de toutes les autres exonérations et réductions auxquelles les acquéreurs précités ont droit.
Si une seule personne physique est désignée conformément à l'alinéa 3, la réduction visée à l'alinéa 1er est accordée exclusivement à cette personne.
Si plusieurs personnes physiques sont désignées conformément à l'alinéa 3, la réduction visée à l'alinéa 1er est répartie entre ces personnes au prorata de leurs acquisitions nettes personnelles par rapport aux acquisitions nettes cumulées de toutes ces personnes [2 , sauf si le défunt a prévu un partage différent]2.
La réduction appliquée conformément au présent article ne donne en aucun cas lieu à une restitution.]1
[4 La réduction visée à l'alinéa 1er, n'est pas appliquée si le taux réduit visé à l'article 2.7.4.2.5, § 1er, alinéa 1er, est appliqué à la même succession.]4
Afdeling 6. - [1 Vrijstelling]1
Section 6. - [1 Exonération]1
Art. 2.7.6.0.1. [1 § 1. De waarde van de maatschappelijke rechten, vermeld in paragraaf 2, die door de erflater of door zijn echtgenoot ten minste vijf jaar vóór het openvallen van de nalatenschap en uiterlijk in het jaar 2005 zijn verworven en die gedurende de vermelde termijn ingeschreven waren op naam van de erflater of van zijn echtgenoot, of de waarde van hetgeen verkregen wordt als terugbetaling van diezelfde maatschappelijke rechten, wordt vrijgesteld van het successierecht. Als de erflater op het moment van de inschrijving niet heeft geopteerd voor de kapitalisatie van het inkomen dat periodiek toegekend is aan het maatschappelijk recht, wordt het bedrag dat voor de vrijstelling in aanmerking komt, toch berekend alsof voor kapitalisatie gekozen is.
De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, heeft alleen betrekking op de waarde van de maatschappelijke rechten die op datum van de terugbetaling ervan minstens drie jaar volgestort zijn. De mogelijkheid tot vrijstelling vervalt in geval van terugbetaling aan, of vervreemding door de inschrijver van de vermelde maatschappelijke rechten.
De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, is gelijk aan het kleinste van de volgende bedragen :
1° de beurswaarde van de maatschappelijke rechten waarvoor een attest als vermeld in paragraaf 4 gevraagd wordt, verhoogd met het gekapitaliseerde bedrag van de periodieke netto inkomsten (na belasting) toegewezen aan de rechten die voor de vrijstelling in aanmerking komen met betrekking tot de periode waarvoor de Vlaamse Regering de emitterende beleggingsvennootschap met vast kapitaal erkende;
2° het bedrag van de volstorting van de maatschappelijke rechten waarvoor een attest als vermeld in paragraaf 4 gevraagd wordt, verhoogd met het gekapitaliseerde bedrag van de periodieke netto inkomsten (na belasting) toegewezen aan de rechten die voor de vrijstelling in aanmerking komen met betrekking tot de periode waarvoor de Vlaamse Regering de emitterende beleggingsvennootschap met vast kapitaal erkende.
Het gekapitaliseerd bedrag, vermeld in het eerste lid, bevat enkel de inkomsten toegekend aan de maatschappelijke rechten waarvoor, gelet op artikel 7 en 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 1995 tot regeling van de vrijstelling inzake successierechten verbonden aan de maatschappelijke rechten in vennootschappen opgericht in het kader van de realisatie en/of financiering van investeringsprogramma's van serviceflats, aangetoond is dat de overledene of zijn echtgenoot er houder van was.
Als slechts een gedeelte van de beurswaarde of van het bedrag van de volstorting van de maatschappelijke rechten voor effectieve vrijstelling in aanmerking komt, zal bovendien het gekapitaliseerd bedrag van de periodieke netto inkomsten slechts in dezelfde verhouding worden bijgeteld.
Het gekapitaliseerd bedrag is gelijk aan de effectief uitgekeerde dividenden tijdens de periode, vermeld in het eerste lid.
§ 2. Onder maatschappelijke rechten wordt verstaan de maatschappelijke rechten in een vennootschap die door de Vlaamse Regering is erkend in het kader van de financiering en de realisatie van serviceflatgebouwen als vermeld in artikel 88, § 5, van het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009, of woningcomplexen met dienstverlening als vermeld in artikel 88, § 1 en § 2, van het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009.
§ 3. Om erkend te worden door de Vlaamse Regering moet de vennootschap, vermeld in paragraaf 2, minstens voldoen aan de volgende voorwaarden :
1° haar [2 ...]2 zetel gevestigd hebben in de Europese Economische Ruimte;
2° opgericht zijn na 1 januari 1995;
3° vanaf het ogenblik van de uitgifte van de maatschappelijke rechten, vermeld in paragraaf 2, en minstens tot 27 november 2012, uitsluitend de financiering en realisatie van projecten voor de oprichting van serviceflatgebouwen [2 als voorwerp hebben]2 gehad;
4° vanaf 27 november 2012 :
a) voor het Vlaamse Gewest uitsluitend de financiering en realisatie van projecten voor de oprichting van serviceflatgebouwen als vermeld in artikel 88, § 5, van het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009, of de financiering en realisatie van projecten inzake onroerende goederen voor voorzieningen in het kader van het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009, of de financiering en realisatie van projecten inzake onroerende goederen voor personen met een handicap [2 als voorwerp hebben]2;
b) voor de Europese Economische Ruimte, uitgezonderd het Vlaamse Gewest, uitsluitend de financiering en realisatie van soortgelijke projecten inzake onroerende goederen [2 als voorwerp hebben]2;
5° de gelden, die zijn ingezameld ingevolge de uitgifte van de maatschappelijke rechten, vermeld in paragraaf 2, integraal besteden of besteed hebben aan projecten binnen de Europese Economische Ruimte.
§ 4. Op verzoek van de houder van maatschappelijke rechten of van zijn rechtverkrijgenden, wordt een attest uitgereikt voor het verkrijgen van de vrijstelling van het successierecht. Dit attest wordt, in de vorm vastgesteld door de Vlaamse Regering, door de betrokken financiële instelling slechts uitgereikt voor maatschappelijke rechten waarop, op de datum van het openvallen van de nalatenschap wegens het overlijden van de houder van de rechten of zijn echtgenoot, minstens vijf jaar vóór het overlijden van de houder ingeschreven werd en die reeds drie jaar volgestort werden.
Met inschrijving wordt gelijkgesteld de verwerving op een andere wijze uiterlijk in het jaar 2005, van maatschappelijke rechten in een door de Vlaamse Regering erkende beleggingsvennootschap met vast kapitaal of een gereglementeerde vastgoedvennootschap als vermeld in artikel 2, 1°, van de wet van 12 mei 2014 betreffende de gereglementeerde vastgoedvennootschappen. Dit houdt tevens in dat een verwerving na het jaar 2005, met uitzondering van verkrijging onder echtgenoten en erfgenamen in de eerste graad waarbij geen vrijstelling van de erfbelasting verworven werd, nooit aanleiding kan geven tot vrijstelling van de erfbelasting.
Het attest vermeldt de bedragen, vermeld in paragraaf 1, derde lid, met betrekking tot het geheel van de maatschappelijke rechten die voor een hele of gedeeltelijke vrijstelling in aanmerking komen.
Bij uitreiking van een tweede attest wordt bovendien melding gemaakt van het vorige attest en van de datum waarop het werd afgegeven.
§ 5. Als de erkenning, vermeld in paragraaf 3, ingetrokken wordt, brengt dat niet het vervallen van de vrijstellingsmogelijkheid mee ten aanzien van de waarde van de maatschappelijke rechten waarop ingeschreven is, in de mate dat die volgestort zijn voor de intrekking van de erkenning. De vrijstelling wordt in dat geval beperkt tot de waarde, bepaald met toepassing van paragraaf 1, op de datum van de intrekking van de vrijstelling.]1
De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, heeft alleen betrekking op de waarde van de maatschappelijke rechten die op datum van de terugbetaling ervan minstens drie jaar volgestort zijn. De mogelijkheid tot vrijstelling vervalt in geval van terugbetaling aan, of vervreemding door de inschrijver van de vermelde maatschappelijke rechten.
De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, is gelijk aan het kleinste van de volgende bedragen :
1° de beurswaarde van de maatschappelijke rechten waarvoor een attest als vermeld in paragraaf 4 gevraagd wordt, verhoogd met het gekapitaliseerde bedrag van de periodieke netto inkomsten (na belasting) toegewezen aan de rechten die voor de vrijstelling in aanmerking komen met betrekking tot de periode waarvoor de Vlaamse Regering de emitterende beleggingsvennootschap met vast kapitaal erkende;
2° het bedrag van de volstorting van de maatschappelijke rechten waarvoor een attest als vermeld in paragraaf 4 gevraagd wordt, verhoogd met het gekapitaliseerde bedrag van de periodieke netto inkomsten (na belasting) toegewezen aan de rechten die voor de vrijstelling in aanmerking komen met betrekking tot de periode waarvoor de Vlaamse Regering de emitterende beleggingsvennootschap met vast kapitaal erkende.
Het gekapitaliseerd bedrag, vermeld in het eerste lid, bevat enkel de inkomsten toegekend aan de maatschappelijke rechten waarvoor, gelet op artikel 7 en 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 1995 tot regeling van de vrijstelling inzake successierechten verbonden aan de maatschappelijke rechten in vennootschappen opgericht in het kader van de realisatie en/of financiering van investeringsprogramma's van serviceflats, aangetoond is dat de overledene of zijn echtgenoot er houder van was.
Als slechts een gedeelte van de beurswaarde of van het bedrag van de volstorting van de maatschappelijke rechten voor effectieve vrijstelling in aanmerking komt, zal bovendien het gekapitaliseerd bedrag van de periodieke netto inkomsten slechts in dezelfde verhouding worden bijgeteld.
Het gekapitaliseerd bedrag is gelijk aan de effectief uitgekeerde dividenden tijdens de periode, vermeld in het eerste lid.
§ 2. Onder maatschappelijke rechten wordt verstaan de maatschappelijke rechten in een vennootschap die door de Vlaamse Regering is erkend in het kader van de financiering en de realisatie van serviceflatgebouwen als vermeld in artikel 88, § 5, van het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009, of woningcomplexen met dienstverlening als vermeld in artikel 88, § 1 en § 2, van het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009.
§ 3. Om erkend te worden door de Vlaamse Regering moet de vennootschap, vermeld in paragraaf 2, minstens voldoen aan de volgende voorwaarden :
1° haar [2 ...]2 zetel gevestigd hebben in de Europese Economische Ruimte;
2° opgericht zijn na 1 januari 1995;
3° vanaf het ogenblik van de uitgifte van de maatschappelijke rechten, vermeld in paragraaf 2, en minstens tot 27 november 2012, uitsluitend de financiering en realisatie van projecten voor de oprichting van serviceflatgebouwen [2 als voorwerp hebben]2 gehad;
4° vanaf 27 november 2012 :
a) voor het Vlaamse Gewest uitsluitend de financiering en realisatie van projecten voor de oprichting van serviceflatgebouwen als vermeld in artikel 88, § 5, van het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009, of de financiering en realisatie van projecten inzake onroerende goederen voor voorzieningen in het kader van het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009, of de financiering en realisatie van projecten inzake onroerende goederen voor personen met een handicap [2 als voorwerp hebben]2;
b) voor de Europese Economische Ruimte, uitgezonderd het Vlaamse Gewest, uitsluitend de financiering en realisatie van soortgelijke projecten inzake onroerende goederen [2 als voorwerp hebben]2;
5° de gelden, die zijn ingezameld ingevolge de uitgifte van de maatschappelijke rechten, vermeld in paragraaf 2, integraal besteden of besteed hebben aan projecten binnen de Europese Economische Ruimte.
§ 4. Op verzoek van de houder van maatschappelijke rechten of van zijn rechtverkrijgenden, wordt een attest uitgereikt voor het verkrijgen van de vrijstelling van het successierecht. Dit attest wordt, in de vorm vastgesteld door de Vlaamse Regering, door de betrokken financiële instelling slechts uitgereikt voor maatschappelijke rechten waarop, op de datum van het openvallen van de nalatenschap wegens het overlijden van de houder van de rechten of zijn echtgenoot, minstens vijf jaar vóór het overlijden van de houder ingeschreven werd en die reeds drie jaar volgestort werden.
Met inschrijving wordt gelijkgesteld de verwerving op een andere wijze uiterlijk in het jaar 2005, van maatschappelijke rechten in een door de Vlaamse Regering erkende beleggingsvennootschap met vast kapitaal of een gereglementeerde vastgoedvennootschap als vermeld in artikel 2, 1°, van de wet van 12 mei 2014 betreffende de gereglementeerde vastgoedvennootschappen. Dit houdt tevens in dat een verwerving na het jaar 2005, met uitzondering van verkrijging onder echtgenoten en erfgenamen in de eerste graad waarbij geen vrijstelling van de erfbelasting verworven werd, nooit aanleiding kan geven tot vrijstelling van de erfbelasting.
Het attest vermeldt de bedragen, vermeld in paragraaf 1, derde lid, met betrekking tot het geheel van de maatschappelijke rechten die voor een hele of gedeeltelijke vrijstelling in aanmerking komen.
Bij uitreiking van een tweede attest wordt bovendien melding gemaakt van het vorige attest en van de datum waarop het werd afgegeven.
§ 5. Als de erkenning, vermeld in paragraaf 3, ingetrokken wordt, brengt dat niet het vervallen van de vrijstellingsmogelijkheid mee ten aanzien van de waarde van de maatschappelijke rechten waarop ingeschreven is, in de mate dat die volgestort zijn voor de intrekking van de erkenning. De vrijstelling wordt in dat geval beperkt tot de waarde, bepaald met toepassing van paragraaf 1, op de datum van de intrekking van de vrijstelling.]1
Art. 2.7.6.0.1. [1 § 1er. Sont exemptes du droit de succession, les parts sociales visées au § 2 du présent article qui sont acquises par le défunt ou son conjoint au moins cinq ans avant l'ouverture de la succession et au plus tard au cours de l'année 2005, et ont fait l'objet pendant le délai précité d'une souscription au nom du défunt ou de son conjoint, ainsi que tout ce qui est recueilli en guise de remboursement de ces mêmes parts sociales. Lorsque le testateur n'a pas opté, au moment de la souscription, pour la capitalisation du revenu périodique attribué aux droits sociaux en question, le montant admis à l'exemption est tout de même calculé comme si l'option de la capitalisation avait été choisie.
L'exemption dont question au premier alinéa n'est applicable qu'aux droits sociaux qui, à la date de leur remboursement, sont déjà libérés entièrement depuis au moins trois ans. Le droit à l'exemption cesse lorsque les droits sociaux dont il s'agit sont remboursés au souscripteur ou sont aliénés par lui.
L'exemption mentionnée au premier alinéa est égale au plus petit des montants suivants :
1° la valeur en bourse des parts pour lesquelles une attestation telle que mentionnée au paragraphe 4 est demandée, majorée du montant capitalisé des revenus nets périodiques (après impôts) attribués aux parts admissibles à l'exonération pour la période pour laquelle le Gouvernement flamand a agréé la SICAV émettrice ;
2° le montant de la libération des parts pour lesquelles une attestation telle que mentionnée au paragraphe 4 est demandée, majoré du montant capitalisé des revenus nets périodiques (après impôts) attribués aux parts admissibles à l'exonération pour la période pour laquelle le Gouvernement flamand a agréé la SICAV émettrice.
Le montant capitalisé visé à l'alinéa précédent ne contient que les revenus attribués aux parts pour lesquelles il a été démontré, vu les articles 7 et 8 de l'arrêté du gouvernement flamand du 3 mai 1995 réglant l'exonération de droits de succession afférents aux parts de sociétés créées dans le cadre de la réalisation et/ou du financement de programmes d'investissement de résidences-services, que le défunt ou son époux en était porteur.
Si seulement une partie de la valeur en bourse ou du montant libéré des parts est admissible à l'exonération effective, le montant capitalisé des revenus nets périodiques ne sera ajouté que dans la même proportion.
Le montant capitalisé est égal à la somme des dividendes effectivement distribués au cours de la période fixée dans le premier alinéa.
§ 2. Par droits sociaux, il faut entendre les droits sociaux dans une société agréée par le Gouvernement flamand dans le cadre du financement et de la réalisation de résidences-services, tels que visés à l'article 88, § 5, du décret sur les soins et le logement du 13 mars 2009, ou de complexes résidentiels proposant des services tels que visés à l'article 88, § 1er et 2 du décret sur les soins et le logement du 13 mars 2009.
§ 3. Pour être agréée par le Gouvernement flamand, la société visée au paragraphe 2 doit au moins répondre aux conditions suivantes :
1° avoir établi son siège [2 ...]2 dans l'Espace économique européen ;
2° avoir été constituée après le 1er janvier 1995 ;
3° à partir du moment de l'émission des droits sociaux visés au paragraphe 2 et au moins jusqu'au 27 novembre 2012, avoir eu pour seul et unique objet le financement et la réalisation de projets en matière de création de bâtiments de résidences-services ;
4° à partir du 27 novembre 2012 :
a) en ce qui concerne la Région flamande, avoir pour seul et unique objet le financement et la réalisation de projets en matière de création de résidences-services mentionnées à l'article 88, § 5, du décret du 13 mars 2009 sur les soins et le logement ou le financement et la réalisation de projets en matière de biens immobiliers pour des structures dans le cadre du décret du 13 mars 2009 sur les soins et le logement ou le financement et la réalisation de projets en matière de biens immobiliers pour personnes handicapées ;
b) en ce qui concerne l'Espace économique européen, à l'exclusion de la Région flamande, avoir pour seul et unique objet le financement et la réalisation de projets similaires en matière de biens immobiliers ;
5° affecter ou avoir affecté intégralement les fonds collectés à la suite de l'émission des droits sociaux visés au paragraphe 2, à des projets au sein de l'Espace économique européen.
§ 4. A la demande du porteur ou de ses ayants droit, une attestation sera délivrée, pouvant donner droit à l'exonération des droits de succession. Cette attestation, dans la forme fixée par le gouvernement flamand, n'est délivrée que pour les parts de société dont l'inscription, à la date d'ouverture de l'héritage suite au décès du porteur des parts ou de son conjoint, est antérieure de cinq ans au moins au décès du porteur et qui sont libérées depuis trois ans.
Est assimilée à l'inscription, l'acquisition sous une autre forme et au plus tard en l'an 2005, de parts dans une SICAV agréée par le Gouvernement flamand ou dans une société immobilière réglementée visée à l'article 2, 1°, de la loi du 12 mai 2014 relative aux sociétés immobilières réglementées. Cela implique en outre qu'une acquisition au-delà de l'an 2005, à l'exception de l'acquisition entre conjoints et héritiers au premier degré, n'ayant pas donné lieu à l'exonération de l'impôt de succession, ne peut jamais donner lieu à l'exonération de l'impôt de succession.
L'attestation fait mention des montants mentionnés au paragraphe 1er, troisième alinéa, concernant l'ensemble des parts de sociétés admissibles en tout ou en partie à l'exonération.
A la délivrance de la deuxième attestation, il est fait mention de l'attestation précédente ainsi que de sa date de délivrance.
§ 5. Si l'agréation visée au § 3 est retirée, le droit à l'exemption ne cesse pas pour les droits sociaux auxquels il a été souscrit, pour autant qu'ils aient été libérés entièrement avant le retrait de l'agréation. Le montant admis à l'exemption est limité, en ce cas, à la valeur à la date du retrait de l'exemption, calculée conformément aux dispositions du § 1er.]1
L'exemption dont question au premier alinéa n'est applicable qu'aux droits sociaux qui, à la date de leur remboursement, sont déjà libérés entièrement depuis au moins trois ans. Le droit à l'exemption cesse lorsque les droits sociaux dont il s'agit sont remboursés au souscripteur ou sont aliénés par lui.
L'exemption mentionnée au premier alinéa est égale au plus petit des montants suivants :
1° la valeur en bourse des parts pour lesquelles une attestation telle que mentionnée au paragraphe 4 est demandée, majorée du montant capitalisé des revenus nets périodiques (après impôts) attribués aux parts admissibles à l'exonération pour la période pour laquelle le Gouvernement flamand a agréé la SICAV émettrice ;
2° le montant de la libération des parts pour lesquelles une attestation telle que mentionnée au paragraphe 4 est demandée, majoré du montant capitalisé des revenus nets périodiques (après impôts) attribués aux parts admissibles à l'exonération pour la période pour laquelle le Gouvernement flamand a agréé la SICAV émettrice.
Le montant capitalisé visé à l'alinéa précédent ne contient que les revenus attribués aux parts pour lesquelles il a été démontré, vu les articles 7 et 8 de l'arrêté du gouvernement flamand du 3 mai 1995 réglant l'exonération de droits de succession afférents aux parts de sociétés créées dans le cadre de la réalisation et/ou du financement de programmes d'investissement de résidences-services, que le défunt ou son époux en était porteur.
Si seulement une partie de la valeur en bourse ou du montant libéré des parts est admissible à l'exonération effective, le montant capitalisé des revenus nets périodiques ne sera ajouté que dans la même proportion.
Le montant capitalisé est égal à la somme des dividendes effectivement distribués au cours de la période fixée dans le premier alinéa.
§ 2. Par droits sociaux, il faut entendre les droits sociaux dans une société agréée par le Gouvernement flamand dans le cadre du financement et de la réalisation de résidences-services, tels que visés à l'article 88, § 5, du décret sur les soins et le logement du 13 mars 2009, ou de complexes résidentiels proposant des services tels que visés à l'article 88, § 1er et 2 du décret sur les soins et le logement du 13 mars 2009.
§ 3. Pour être agréée par le Gouvernement flamand, la société visée au paragraphe 2 doit au moins répondre aux conditions suivantes :
1° avoir établi son siège [2 ...]2 dans l'Espace économique européen ;
2° avoir été constituée après le 1er janvier 1995 ;
3° à partir du moment de l'émission des droits sociaux visés au paragraphe 2 et au moins jusqu'au 27 novembre 2012, avoir eu pour seul et unique objet le financement et la réalisation de projets en matière de création de bâtiments de résidences-services ;
4° à partir du 27 novembre 2012 :
a) en ce qui concerne la Région flamande, avoir pour seul et unique objet le financement et la réalisation de projets en matière de création de résidences-services mentionnées à l'article 88, § 5, du décret du 13 mars 2009 sur les soins et le logement ou le financement et la réalisation de projets en matière de biens immobiliers pour des structures dans le cadre du décret du 13 mars 2009 sur les soins et le logement ou le financement et la réalisation de projets en matière de biens immobiliers pour personnes handicapées ;
b) en ce qui concerne l'Espace économique européen, à l'exclusion de la Région flamande, avoir pour seul et unique objet le financement et la réalisation de projets similaires en matière de biens immobiliers ;
5° affecter ou avoir affecté intégralement les fonds collectés à la suite de l'émission des droits sociaux visés au paragraphe 2, à des projets au sein de l'Espace économique européen.
§ 4. A la demande du porteur ou de ses ayants droit, une attestation sera délivrée, pouvant donner droit à l'exonération des droits de succession. Cette attestation, dans la forme fixée par le gouvernement flamand, n'est délivrée que pour les parts de société dont l'inscription, à la date d'ouverture de l'héritage suite au décès du porteur des parts ou de son conjoint, est antérieure de cinq ans au moins au décès du porteur et qui sont libérées depuis trois ans.
Est assimilée à l'inscription, l'acquisition sous une autre forme et au plus tard en l'an 2005, de parts dans une SICAV agréée par le Gouvernement flamand ou dans une société immobilière réglementée visée à l'article 2, 1°, de la loi du 12 mai 2014 relative aux sociétés immobilières réglementées. Cela implique en outre qu'une acquisition au-delà de l'an 2005, à l'exception de l'acquisition entre conjoints et héritiers au premier degré, n'ayant pas donné lieu à l'exonération de l'impôt de succession, ne peut jamais donner lieu à l'exonération de l'impôt de succession.
L'attestation fait mention des montants mentionnés au paragraphe 1er, troisième alinéa, concernant l'ensemble des parts de sociétés admissibles en tout ou en partie à l'exonération.
A la délivrance de la deuxième attestation, il est fait mention de l'attestation précédente ainsi que de sa date de délivrance.
§ 5. Si l'agréation visée au § 3 est retirée, le droit à l'exemption ne cesse pas pour les droits sociaux auxquels il a été souscrit, pour autant qu'ils aient été libérés entièrement avant le retrait de l'agréation. Le montant admis à l'exemption est limité, en ce cas, à la valeur à la date du retrait de l'exemption, calculée conformément aux dispositions du § 1er.]1
Art. 2.7.6.0.4. [1 De waarde van de zaken die ascendenten verkrijgen uit de nalatenschap van de erflater, wordt vrijgesteld van de erfbelasting als de volgende voorwaarden cumulatief zijn vervuld :
1° de zaken zijn door die ascendenten onder de levenden aan de erflater geschonken voor zijn overlijden;
2° de zaken bevinden zich nog in natura in de nalatenschap of er is, als ze zijn vervreemd, nog een schuldvordering in de nalatenschap aanwezig;
3° de erflater is zonder nakomelingen gestorven.]1
1° de zaken zijn door die ascendenten onder de levenden aan de erflater geschonken voor zijn overlijden;
2° de zaken bevinden zich nog in natura in de nalatenschap of er is, als ze zijn vervreemd, nog een schuldvordering in de nalatenschap aanwezig;
3° de erflater is zonder nakomelingen gestorven.]1
Art. 2.7.6.0.4. [1 La valeur des biens qu'obtiennent les ascendants de la succession du testateur est exemptée de l'impôt de succession, lorsque les conditions cumulatives suivantes sont remplies :
1° les biens ont fait l'objet d'une donation entre vifs par ces ascendants au testateur avant son décès ;
2° les biens se trouvent encore en nature dans la succession ou, lorsqu'ils ont été cédés, il existe encore une créance pour ces biens dans la succession ;
3° le testateur est mort sans descendants.]1
1° les biens ont fait l'objet d'une donation entre vifs par ces ascendants au testateur avant son décès ;
2° les biens se trouvent encore en nature dans la succession ou, lorsqu'ils ont été cédés, il existe encore une créance pour ces biens dans la succession ;
3° le testateur est mort sans descendants.]1
Art. 2.7.6.0.5. [1 § 1. De waarde van de nettoverkrijging in de onbebouwde onroerende goederen waarvoor een natuurbeheerplan type twee, drie of vier als vermeld in artikel 16ter, § 1, 2°, 3° en 4°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, is goedgekeurd conform artikel 16octies van het voormelde decreet, wordt op de datum van het openvallen van de nalatenschap, zowel voor de grond- als voor de opstandswaarde, als volgt van de erfbelasting vrijgesteld:
1° ten belope van 50% in geval van een natuurbeheerplan type twee;
2° ten belope van 75% in geval van een natuurbeheerplan type drie;
3° ten belope van 100% in geval van een natuurbeheerplan type vier.
§ 2. De vrijstelling, vermeld in paragraaf 1, is ook van toepassing als er nog geen natuurbeheerplan is afgesloten, en als de erflater een intentieovereenkomst met het Agentschap voor Natuur en Bos heeft afgesloten of als de erfgenaam, legataris of begiftigde de intentie heeft om op het onroerend goed een natuurbeheerplan type twee, drie of vier als vermeld in artikel 16ter, § 1, 2°, 3° en 4°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, tot stand te brengen.
De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, wordt aan de erfgenaam, legataris of begiftigde verleend als de erfgenaam, legataris of begiftigde binnen een termijn van zes maanden na het openvallen van de nalatenschap een overeenkomst heeft gesloten met het Agentschap voor Natuur en Bos, waaruit de intentie blijkt om een natuurbeheerplan voor het onroerend goed te laten goedkeuren. In voorkomend geval dient deze overeenkomst gezamenlijk te zijn afgesloten met alle andere houders van zakelijke rechten op het desbetreffende goed.]1
1° ten belope van 50% in geval van een natuurbeheerplan type twee;
2° ten belope van 75% in geval van een natuurbeheerplan type drie;
3° ten belope van 100% in geval van een natuurbeheerplan type vier.
§ 2. De vrijstelling, vermeld in paragraaf 1, is ook van toepassing als er nog geen natuurbeheerplan is afgesloten, en als de erflater een intentieovereenkomst met het Agentschap voor Natuur en Bos heeft afgesloten of als de erfgenaam, legataris of begiftigde de intentie heeft om op het onroerend goed een natuurbeheerplan type twee, drie of vier als vermeld in artikel 16ter, § 1, 2°, 3° en 4°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, tot stand te brengen.
De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, wordt aan de erfgenaam, legataris of begiftigde verleend als de erfgenaam, legataris of begiftigde binnen een termijn van zes maanden na het openvallen van de nalatenschap een overeenkomst heeft gesloten met het Agentschap voor Natuur en Bos, waaruit de intentie blijkt om een natuurbeheerplan voor het onroerend goed te laten goedkeuren. In voorkomend geval dient deze overeenkomst gezamenlijk te zijn afgesloten met alle andere houders van zakelijke rechten op het desbetreffende goed.]1
Art. 2.7.6.0.5. [1 § 1er. La valeur de l'acquisition nette dans les biens immobiliers non bâtis pour lesquels un plan de gestion de la nature type deux, trois ou quatre tel que visé à l'article 16ter, § 1er, 2°, 3° et 4°, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, a été approuvée conformément à l'article 16octies du décret précité, est exemptée de l'impôt de succession à la date de l'ouverture de la succession, tant pour la valeur du terrain que pour celle des peuplements ;
1° à concurrence de 50 % en cas d'un plan de gestion de la nature type deux ;
2° à concurrence de 75 % en cas d'un plan de gestion de la nature type trois ;
3° à concurrence de 100 % en cas d'un plan de gestion de la nature type quatre.
§ 2. L'exemption visée au paragraphe 1er s'applique également lorsqu'aucun plan de gestion de la nature n'a été conclu et lorsque le testateur a conclu une convention d'intention avec l' " Agentschap voor Natuur en Bos " (Agence de la Nature et des Forêts) ou lorsque l'héritier, le légataire ou le donataire a l'intention de réaliser sur le bien immobilier un plan de gestion de la nature type deux, trois ou quatre tel que visé à l'article 16ther, § 1er, 2°, 3° et 4° du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel.
L'exemption visée à l'alinéa premier est octroyée à l'héritier, au légataire ou au donateur lorsque l'héritier, le légataire ou le donateur a conclu une convention avec l' " Agentschap voor Natuur en Bos ", dans un délai de six mois de l'ouverture de la succession, qui démontre l'intention de faire approuver une plan de gestion de la nature pour le bien immobilier. Le cas échéant, cette convention doit être conclue en commun avec l'ensemble des autres titulaires de droit réels sur le bien concerné.]1
1° à concurrence de 50 % en cas d'un plan de gestion de la nature type deux ;
2° à concurrence de 75 % en cas d'un plan de gestion de la nature type trois ;
3° à concurrence de 100 % en cas d'un plan de gestion de la nature type quatre.
§ 2. L'exemption visée au paragraphe 1er s'applique également lorsqu'aucun plan de gestion de la nature n'a été conclu et lorsque le testateur a conclu une convention d'intention avec l' " Agentschap voor Natuur en Bos " (Agence de la Nature et des Forêts) ou lorsque l'héritier, le légataire ou le donataire a l'intention de réaliser sur le bien immobilier un plan de gestion de la nature type deux, trois ou quatre tel que visé à l'article 16ther, § 1er, 2°, 3° et 4° du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel.
L'exemption visée à l'alinéa premier est octroyée à l'héritier, au légataire ou au donateur lorsque l'héritier, le légataire ou le donateur a conclu une convention avec l' " Agentschap voor Natuur en Bos ", dans un délai de six mois de l'ouverture de la succession, qui démontre l'intention de faire approuver une plan de gestion de la nature pour le bien immobilier. Le cas échéant, cette convention doit être conclue en commun avec l'ensemble des autres titulaires de droit réels sur le bien concerné.]1
Art. 2.7.6.0.6. [1 § 1. Voor de toepassing van het tarief, vermeld in artikel 2.7.4.1.1, § 1, in rechte nederdalende lijn, en voor zover de andere ouder van het betrokken kind reeds vooroverleden is, wordt de eerste schijf van 75.000 euro in de nettoverkrijging van het rechtverkrijgende kind onder de 21 jaar van de roerende goederen vrijgesteld van het successierecht.
In afwijking van artikel 2.7.4.1.1, § 2, tweede lid, en voor zover de andere ouder van het betrokken kind reeds vooroverleden is, wordt het tarief van de erfbelasting voor de onroerende goederen in rechte lijn niet toegepast op de nettoverkrijging van het rechtverkrijgende kind onder de 21 jaar in de woning die op het ogenblik van het overlijden van de langstlevende ouder de woning was waar de erflater gedomicilieerd was op het moment van overlijden.
§ 2. Voor de toepassing van het tarief, vermeld in artikel 2.7.4.1.1, § 1, tussen partners wordt de eerste schijf van [3 75.000 euro]3 in de nettoverkrijging van de rechtverkrijgende partner van de roerende goederen vrijgesteld van het successierecht. [2 Die vrijstelling geldt niet als de rechtverkrijgende partner een bloedverwant in de rechte lijn van de erflater is of een rechtverkrijgende is die voor de toepassing van het tarief met een rechtverkrijgende in de rechte lijn wordt gelijkgesteld.]2]1
In afwijking van artikel 2.7.4.1.1, § 2, tweede lid, en voor zover de andere ouder van het betrokken kind reeds vooroverleden is, wordt het tarief van de erfbelasting voor de onroerende goederen in rechte lijn niet toegepast op de nettoverkrijging van het rechtverkrijgende kind onder de 21 jaar in de woning die op het ogenblik van het overlijden van de langstlevende ouder de woning was waar de erflater gedomicilieerd was op het moment van overlijden.
§ 2. Voor de toepassing van het tarief, vermeld in artikel 2.7.4.1.1, § 1, tussen partners wordt de eerste schijf van [3 75.000 euro]3 in de nettoverkrijging van de rechtverkrijgende partner van de roerende goederen vrijgesteld van het successierecht. [2 Die vrijstelling geldt niet als de rechtverkrijgende partner een bloedverwant in de rechte lijn van de erflater is of een rechtverkrijgende is die voor de toepassing van het tarief met een rechtverkrijgende in de rechte lijn wordt gelijkgesteld.]2]1
Art. 2.7.6.0.6. [1 § 1er. Pour l'application du tarif, visé à l'article 2.7.4.1.1, § 1er, en ligne directe descendante, et dans la mesure où l'autre parent de l'enfant concerné est déjà décédé antérieurement, la première tranche de 75.000 euros dans l'acquisition nette de l'enfant ayant droit de moins de 21 ans des biens meubles est exonérée du droit de succession.
Par dérogation à l'article 2.7.4.1.1, § 2, alinéa 2, et dans la mesure où l'autre parent de l'enfant concerné est déjà décédé antérieurement, le tarif de l'impôt de succession pour les biens immeubles en ligne directe n'est pas appliqué à l'acquisition nette de l'enfant ayant droit de moins de 21 ans dans l'habitation qui, au moment du décès du parent survivant, était l'habitation où le testateur était domicilié au moment du décès.
§ 2. Pour l'application du tarif, visé à l'article 2.7.4.1.1, § 1er, entre partenaires, la première tranche de [3 75 000 euros]3 dans l'acquisition nette du partenaire ayant droit des biens meubles, est exonérée du droit de succession. [2 Cette exonération ne vaut pas si le partenaire ayant droit est un parent en ligne directe du défunt, ou un ayant droit qui est assimilé à un ayant droit en ligne directe pour l'application du tarif.]2]1
Par dérogation à l'article 2.7.4.1.1, § 2, alinéa 2, et dans la mesure où l'autre parent de l'enfant concerné est déjà décédé antérieurement, le tarif de l'impôt de succession pour les biens immeubles en ligne directe n'est pas appliqué à l'acquisition nette de l'enfant ayant droit de moins de 21 ans dans l'habitation qui, au moment du décès du parent survivant, était l'habitation où le testateur était domicilié au moment du décès.
§ 2. Pour l'application du tarif, visé à l'article 2.7.4.1.1, § 1er, entre partenaires, la première tranche de [3 75 000 euros]3 dans l'acquisition nette du partenaire ayant droit des biens meubles, est exonérée du droit de succession. [2 Cette exonération ne vaut pas si le partenaire ayant droit est un parent en ligne directe du défunt, ou un ayant droit qui est assimilé à un ayant droit en ligne directe pour l'application du tarif.]2]1
Afdeling 7. - [1 Wijze van heffing]1
Section 7. - [1 Modalités de perception ]1
Art. 2.7.7.0.1. [1 De erfbelasting wordt gevestigd op zicht van de aangifte, vermeld in artikel 3.3.1.0.5 en 3.3.1.0.6, of ambtshalve als de aangifte niet is ingediend binnen de termijn, vermeld in artikel 3.3.1.0.5 en artikel 3.3.1.0.6, of bij onjuistheid of onvolledigheid van de aangifte.]1
Art. 2.7.7.0.1. [1 L'impôt de succession est établi sur la vue de la déclaration mentionnée à l'article 3.3.1.0.5 et 3.3.1.0.6, ou d'office, si la déclaration n'est pas introduite dans le délai mentionné à l'article 3.3.1.0.5 et à l'article 3.3.1.0.6, ou en cas de déclaration inexacte ou incomplète.]1
Art. 2.7.7.0.2. [1 In geval van achtereenvolgende overgangen door overlijden van een goed dat onder opschortende voorwaarde is verkregen, of van een goed dat in bezit is van een derde, maar door de nalatenschap is teruggeëist, is de erfbelasting verschuldigd overeenkomstig de voorwaarden, vermeld in artikel 2.7.3.3.7, artikel 3.3.1.0.5, § 2, en artikel 3.3.1.0.6, alleen wegens de laatste overgang.
Als de achtereenvolgende overgangen een goed tot voorwerp hebben dat betwist in het bezit van de erflater is of dat aan hem toebehoort onder ontbindende voorwaarde, is de belasting onmiddellijk opvorderbaar bij elk overlijden.]1
Als de achtereenvolgende overgangen een goed tot voorwerp hebben dat betwist in het bezit van de erflater is of dat aan hem toebehoort onder ontbindende voorwaarde, is de belasting onmiddellijk opvorderbaar bij elk overlijden.]1
Art. 2.7.7.0.2. [1 En cas de transmissions successives par décès d'un bien acquis sous condition suspensive ou d'un bien possédé par un tiers, mais revendiqué par la succession, l'impôt de succession est dû, dans les conditions déterminées par l'article 2.7.3.3.7, par l'article 3.3.1.0.5, § 2, et par l'article 3.3.1.0.6, uniquement à raison de la dernière mutation.
Si les transmissions successives ont pour objet un bien litigieux en la possession du défunt ou un bien appartenant à celui-ci sous condition résolutoire, l'impôt est immédiatement exigible lors de chaque décès.]1
Si les transmissions successives ont pour objet un bien litigieux en la possession du défunt ou un bien appartenant à celui-ci sous condition résolutoire, l'impôt est immédiatement exigible lors de chaque décès.]1
Hoofdstuk 8. - [1 Schenkbelasting]1
Chapitre 8. [1 Droit de donation]1
Afdeling 1. - [1 Belastbaar voorwerp]1
Section 1re. - [1 Objet imposable]1
Art. 2.8.1.0.1. [1 Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt de schenkbelasting gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die tot bewijs strekken van een schenking onder de levenden.]1
Art. 2.8.1.0.1. [1 Conformément à l'article 1er, à l'article 19 et à l'article 31 du code général des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, le droit de donation est établi à l'occasion de l'enregistrement ou de l'obligation d'enregistrement d'actes décrits tendant à prouver une donation entre vifs.]1
Art. 2.8.1.0.2. [1 § 1. Vonnissen en arresten die tot bewijs strekken van een schenking onder de levenden van eigendom of vruchtgebruik van onroerende goederen in België die nog niet aan de schenkbelasting onderworpen zijn, geven aanleiding tot de heffing van de schenkbelasting waaraan de schenking onderworpen zou zijn als ze in een schenkingsakte zou zijn vastgesteld.
Dat geldt ook als de rechterlijke beslissing die tot bewijs van de overeenkomst strekt, de ontbinding of herroeping ervan uitspreekt of vaststelt voor om het even welke reden, tenzij uit de beslissing blijkt dat ten hoogste één jaar na de overeenkomst een eis tot ontbinding of herroeping, zelfs bij een onbevoegde rechter, is ingesteld.
§ 2. Exequaturs van scheidsrechterlijke uitspraken en in het buitenland gewezen rechterlijke beslissingen worden, voor de toepassing van dit hoofdstuk, als een geheel met de desbetreffende akte beschouwd. Als de desbetreffende akte tot bewijs strekt van een schenking van eigendom of vruchtgebruik van onroerende goederen die in het Vlaamse Gewest te lokaliseren zijn en die niet aan de schenkbelasting onderworpen zijn, geeft ze aanleiding tot de heffing van de schenkbelasting waaraan de schenking onderworpen zou zijn als ze in een schenkingsakte zou zijn vastgesteld.
Dat geldt ook als de scheidsrechterlijke uitspraak of in het buitenland gewezen rechterlijke beslissing die tot bewijs van de overeenkomst strekt, de ontbinding of herroeping ervan uitspreekt of vaststelt voor om het even welke reden, tenzij uit de beslissing blijkt dat ten hoogste één jaar na de overeenkomst een eis tot ontbinding of herroeping, zelfs bij een onbevoegde rechter, is ingesteld.
De schenkbelasting is ook van toepassing in geval van aanbieding ter registratie van een in het buitenland gewezen rechterlijke beslissing die van rechtswege in België uitvoerbaar is.]1
Dat geldt ook als de rechterlijke beslissing die tot bewijs van de overeenkomst strekt, de ontbinding of herroeping ervan uitspreekt of vaststelt voor om het even welke reden, tenzij uit de beslissing blijkt dat ten hoogste één jaar na de overeenkomst een eis tot ontbinding of herroeping, zelfs bij een onbevoegde rechter, is ingesteld.
§ 2. Exequaturs van scheidsrechterlijke uitspraken en in het buitenland gewezen rechterlijke beslissingen worden, voor de toepassing van dit hoofdstuk, als een geheel met de desbetreffende akte beschouwd. Als de desbetreffende akte tot bewijs strekt van een schenking van eigendom of vruchtgebruik van onroerende goederen die in het Vlaamse Gewest te lokaliseren zijn en die niet aan de schenkbelasting onderworpen zijn, geeft ze aanleiding tot de heffing van de schenkbelasting waaraan de schenking onderworpen zou zijn als ze in een schenkingsakte zou zijn vastgesteld.
Dat geldt ook als de scheidsrechterlijke uitspraak of in het buitenland gewezen rechterlijke beslissing die tot bewijs van de overeenkomst strekt, de ontbinding of herroeping ervan uitspreekt of vaststelt voor om het even welke reden, tenzij uit de beslissing blijkt dat ten hoogste één jaar na de overeenkomst een eis tot ontbinding of herroeping, zelfs bij een onbevoegde rechter, is ingesteld.
De schenkbelasting is ook van toepassing in geval van aanbieding ter registratie van een in het buitenland gewezen rechterlijke beslissing die van rechtswege in België uitvoerbaar is.]1
Art. 2.8.1.0.2. [1 § 1er. Les jugements et arrêts tendant à faire preuve d'une donation entre vifs de propriété ou d'usufruit d'immeubles situés en Belgique qui n'a pas subi l'impôt y afférent, donnent lieu à la perception du droit de donation auquel la donation serait assujettie si elle était constatée dans un acte de donation.
Il en est également ainsi si la décision judiciaire faisant titre de la convention prononce la résolution ou la révocation de celle-ci pour quelque cause que ce soit, à moins qu'il ne résulte de la décision que la convention n'est pas antérieure de plus d'un an à une demande en résolution ou en révocation, même si elle a été introduite devant un juge incompétent.
§ 2. Les exequaturs de sentences arbitrales et de décisions judiciaires rendues à l'étranger sont considérés, pour l'application du présent chapitre, comme formant un tout avec l'acte concerné. Si l'acte concerné tend à faire la preuve d'une donation de propriété ou d'usufruit de biens immobiliers qui doivent être localisés dans la Région flamande et qui ne sont pas soumis au droit de donation, il donne lieu à la perception du droit de donation auquel la donation aurait été soumise si elle avait été établie dans un acte de donation.
Il en est également ainsi si la sentence arbitrale ou la décision judiciaire rendue à l'étranger faisant titre de la convention prononce la résolution ou la révocation de celle-ci pour quelque cause que ce soit, à moins qu'il ne résulte de la décision que la convention n'est pas antérieure de plus d'un an à une demande en résolution ou en révocation, même si elle a été introduite devant un juge incompétent.
Le droit de donation est également d'application en cas de présentation à l'enregistrement d'une décision judiciaire rendue à l'étranger et qui de droit est exécutoire en Belgique.]1
Il en est également ainsi si la décision judiciaire faisant titre de la convention prononce la résolution ou la révocation de celle-ci pour quelque cause que ce soit, à moins qu'il ne résulte de la décision que la convention n'est pas antérieure de plus d'un an à une demande en résolution ou en révocation, même si elle a été introduite devant un juge incompétent.
§ 2. Les exequaturs de sentences arbitrales et de décisions judiciaires rendues à l'étranger sont considérés, pour l'application du présent chapitre, comme formant un tout avec l'acte concerné. Si l'acte concerné tend à faire la preuve d'une donation de propriété ou d'usufruit de biens immobiliers qui doivent être localisés dans la Région flamande et qui ne sont pas soumis au droit de donation, il donne lieu à la perception du droit de donation auquel la donation aurait été soumise si elle avait été établie dans un acte de donation.
Il en est également ainsi si la sentence arbitrale ou la décision judiciaire rendue à l'étranger faisant titre de la convention prononce la résolution ou la révocation de celle-ci pour quelque cause que ce soit, à moins qu'il ne résulte de la décision que la convention n'est pas antérieure de plus d'un an à une demande en résolution ou en révocation, même si elle a été introduite devant un juge incompétent.
Le droit de donation est également d'application en cas de présentation à l'enregistrement d'une décision judiciaire rendue à l'étranger et qui de droit est exécutoire en Belgique.]1
Afdeling 2. - [1 Belastingplichtigen]1
Section 2. - [1 Contribuables]1
Art. 2.8.2.0.1. [1 De belastingplichtige is de begiftigde.
Bij een inbreng om niet is de belastingplichtige de begunstigde rechtspersoon.]1
Bij een inbreng om niet is de belastingplichtige de begunstigde rechtspersoon.]1
Art. 2.8.2.0.1. [1 Le contribuable est le donataire.
En cas d'apport à titre gratuit, le contribuable est la personne morale bénéficiaire.]1
En cas d'apport à titre gratuit, le contribuable est la personne morale bénéficiaire.]1
Afdeling 3. - [1 Belastbare grondslag]1
Section 3. - [1 Base imposable]1
Art. 2.8.3.0.1. [1 § 1. Voor de schenkingen onder de levenden van roerende en onroerende goederen wordt een schenkbelasting geheven op het aandeel van elke begiftigde, op basis van de verkoopwaarde van de geschonken goederen, zonder aftrek van lasten.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 wordt de belastbare grondslag als volgt vastgesteld :
1° voor de schenking van financiële instrumenten die toegelaten zijn tot verhandeling op Belgische of buitenlandse gereglementeerde markten als vermeld in artikel 2, eerste lid, 5° en 6°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en voor Belgische of buitenlandse multilaterale handelsfaciliteiten als vermeld in artikel 2, eerste lid, 4°, van de voormelde wet, volgens de beurswaarden ervan op datum van de eerste dag van de maand waarin de schenking plaatsvindt. Als er op die datum geen notering is, geldt de beurswaarde op de eerstvolgende dag waarop er opnieuw een notering wordt vastgesteld. Als er op de datum van de eerste dag van de maand waarin de schenking plaatsvindt voor bepaalde van de geschonken waarden wel en voor andere geen notering is, wordt de belastbare grondslag van die laatste waarden vastgesteld volgens de beurswaarden op de eerstvolgende dag waarop er wel een notering is;
2° voor de schenking van het vruchtgebruik of de blote eigendom van een onroerend goed, zoals in artikel 2.9.3.0.4 tot en met artikel 2.9.3.0.7 is bepaald;
3° voor de schenking van het op het leven van de begiftigde of een derde gevestigde vruchtgebruik van roerende goederen, volgens de volgende formule :
belastbare grondslag = a x b, waarbij :
a) a = de jaarlijkse opbrengst van de goederen, forfaitair vastgesteld op 4% van de waarde van de volle eigendom van de goederen;
b) b = de leeftijdscoëfficiënt, vermeld in de tabel van artikel 2.9.3.0.4, § 1, naargelang de leeftijd van de persoon op het hoofd van wie het vruchtgebruik is gevestigd op de datum van de schenking;
4° voor de schenking van het voor een bepaalde tijd gevestigd vruchtgebruik van roerende goederen, door het bedrag van de jaarlijkse opbrengst tegen 4% te kapitaliseren over de duur van het vruchtgebruik, bepaald in de schenkingsakte. De jaarlijkse opbrengst van de roerende goederen wordt forfaitair vastgesteld op 4% van de waarde van de volle eigendom van die goederen. Het aldus verkregen bedrag van de belastbare grondslag mag evenwel niet meer bedragen dan hetzij de waarde, berekend volgens punt 3°, als het vruchtgebruik gevestigd is ten voordele van een natuurlijke persoon, hetzij twintig keer de opbrengst, als het vruchtgebruik gevestigd is ten voordele van een rechtspersoon;
5° voor de schenking van de blote eigendom van roerende goederen waarvan het vruchtgebruik door de schenker is voorbehouden, op basis van de verkoopwaarde van de volle eigendom van de goederen;
6° voor de schenking van de blote eigendom van roerende goederen waarvan het vruchtgebruik door de schenker niet is voorbehouden, op basis van de verkoopwaarde van de volle eigendom van de goederen, verminderd met de waarde van het vruchtgebruik, berekend volgens punt 3° of punt 4° ;
7° voor schenkingen van een lijfrente of een levenslang pensioen, op basis van het jaarlijkse bedrag van de uitkering, vermenigvuldigd met de leeftijdscoëfficiënt, vermeld in de tabel van artikel 2.9.3.0.4, § 1, die op de begiftigde moet worden toegepast;
8° voor schenkingen van een altijddurende rente, op basis van het jaarlijkse bedrag van de rente, vermenigvuldigd met twintig.
§ 3. [2 Voor de toepassing van paragraaf 1]2 wordt de last die bestaat uit een som, een rente of een pensioen, onder kosteloze titel bedongen ten voordele van een derde die aanvaardt, in hoofde van die derde als schenking belast en wordt de last van het aandeel van de hoofdbegiftigde afgetrokken. In de mate dat de schenking betrekking heeft op onroerende goederen, wordt de last in hoofde van de derde als schenking belast volgens de tarieven, vermeld in artikel 2.8.4.1.1, § 1.]1
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 wordt de belastbare grondslag als volgt vastgesteld :
1° voor de schenking van financiële instrumenten die toegelaten zijn tot verhandeling op Belgische of buitenlandse gereglementeerde markten als vermeld in artikel 2, eerste lid, 5° en 6°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en voor Belgische of buitenlandse multilaterale handelsfaciliteiten als vermeld in artikel 2, eerste lid, 4°, van de voormelde wet, volgens de beurswaarden ervan op datum van de eerste dag van de maand waarin de schenking plaatsvindt. Als er op die datum geen notering is, geldt de beurswaarde op de eerstvolgende dag waarop er opnieuw een notering wordt vastgesteld. Als er op de datum van de eerste dag van de maand waarin de schenking plaatsvindt voor bepaalde van de geschonken waarden wel en voor andere geen notering is, wordt de belastbare grondslag van die laatste waarden vastgesteld volgens de beurswaarden op de eerstvolgende dag waarop er wel een notering is;
2° voor de schenking van het vruchtgebruik of de blote eigendom van een onroerend goed, zoals in artikel 2.9.3.0.4 tot en met artikel 2.9.3.0.7 is bepaald;
3° voor de schenking van het op het leven van de begiftigde of een derde gevestigde vruchtgebruik van roerende goederen, volgens de volgende formule :
belastbare grondslag = a x b, waarbij :
a) a = de jaarlijkse opbrengst van de goederen, forfaitair vastgesteld op 4% van de waarde van de volle eigendom van de goederen;
b) b = de leeftijdscoëfficiënt, vermeld in de tabel van artikel 2.9.3.0.4, § 1, naargelang de leeftijd van de persoon op het hoofd van wie het vruchtgebruik is gevestigd op de datum van de schenking;
4° voor de schenking van het voor een bepaalde tijd gevestigd vruchtgebruik van roerende goederen, door het bedrag van de jaarlijkse opbrengst tegen 4% te kapitaliseren over de duur van het vruchtgebruik, bepaald in de schenkingsakte. De jaarlijkse opbrengst van de roerende goederen wordt forfaitair vastgesteld op 4% van de waarde van de volle eigendom van die goederen. Het aldus verkregen bedrag van de belastbare grondslag mag evenwel niet meer bedragen dan hetzij de waarde, berekend volgens punt 3°, als het vruchtgebruik gevestigd is ten voordele van een natuurlijke persoon, hetzij twintig keer de opbrengst, als het vruchtgebruik gevestigd is ten voordele van een rechtspersoon;
5° voor de schenking van de blote eigendom van roerende goederen waarvan het vruchtgebruik door de schenker is voorbehouden, op basis van de verkoopwaarde van de volle eigendom van de goederen;
6° voor de schenking van de blote eigendom van roerende goederen waarvan het vruchtgebruik door de schenker niet is voorbehouden, op basis van de verkoopwaarde van de volle eigendom van de goederen, verminderd met de waarde van het vruchtgebruik, berekend volgens punt 3° of punt 4° ;
7° voor schenkingen van een lijfrente of een levenslang pensioen, op basis van het jaarlijkse bedrag van de uitkering, vermenigvuldigd met de leeftijdscoëfficiënt, vermeld in de tabel van artikel 2.9.3.0.4, § 1, die op de begiftigde moet worden toegepast;
8° voor schenkingen van een altijddurende rente, op basis van het jaarlijkse bedrag van de rente, vermenigvuldigd met twintig.
§ 3. [2 Voor de toepassing van paragraaf 1]2 wordt de last die bestaat uit een som, een rente of een pensioen, onder kosteloze titel bedongen ten voordele van een derde die aanvaardt, in hoofde van die derde als schenking belast en wordt de last van het aandeel van de hoofdbegiftigde afgetrokken. In de mate dat de schenking betrekking heeft op onroerende goederen, wordt de last in hoofde van de derde als schenking belast volgens de tarieven, vermeld in artikel 2.8.4.1.1, § 1.]1
Art. 2.8.3.0.1. [1 § 1er. Pour les donations entre vifs de biens mobiliers et immobiliers, un droit de donation est perçu sur la part de chaque donataire, sur la valeur vénale des biens donnés, sans distraction de charges.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, la base imposable est établie comme suit :
1° pour la donation d'instruments financiers admis à la négociation sur les marchés réglementés belges ou étrangers, tels que visés à l'article 2, alinéa premier, 5° et 6°, de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers, et pour les systèmes multilatéraux de négociation belges ou étrangers, tels que visés à l'article 2, alinéa premier, 4°, de la loi précitée, selon leurs valeurs en bourse à la date du premier jour du mois durant lequel la donation a lieu. Lorsqu'il n'y a pas de cote à cette date, la valeur en bourse du prochain jour auquel une cotation est à nouveau établie, vaut. Si, à la date choisie, il y a une cotation pour certaines des valeurs à déclarer et pas pour d'autres, ces dernières valeurs doivent être déclarées selon les valeurs de bourses au prochain jour auquel il y a une cotation ;
2° si la donation a pour objet l'usufruit ou la nue-propriété d'un immeuble, suivant ce qui est déterminé aux articles 2.9.3.0.4 à 2.9.3.0.7 inclus ;
3° si la donation a pour objet l'usufruit de biens meubles établi sur la tête du donataire ou d'un tiers selon la formule suivante :
base imposable = a x b, où :
a) a = le montant annuel de la prestation, fixé de manière forfaitaire à 4 %, de la pleine propriété des biens ;
b) b = le coefficient mentionné dans le tableau de l'article 2.9.3.0.4, § 1er, en regard de la catégorie d'âge à laquelle appartient, à la date de la donation, celui sur la tête duquel l'usufruit a été établi ;
4° si la donation a pour objet l'usufruit de biens meubles pour un temps limité, la base imposable est représentée par la somme obtenue en capitalisant au taux de 4 % le revenu annuel pour la durée assignée à l'usufruit. Le revenu annuel des biens meubles est fixé de manière forfaitaire à 4 % de la valeur de la pleine propriété de ces biens. Le montant ainsi obtenu de la base imposable ne peut toutefois excéder la valeur déterminée selon le point 3, s'il s'agit d'un usufruit constitué au profit d'une personne physique, ou vingt fois le revenu s'il s'agit d'un usufruit constitué au profit d'une personne morale ;
5° en ce qui concerne les donations de la nue-propriété de biens meubles dont l'usufruit est réservé par le donateur, la base imposable est la valeur vénale de la pleine propriété des biens ;
6° en ce qui concerne les donations de la nue-propriété de biens meubles dont l'usufruit n'est pas réservé par le donateur, la base imposable est la valeur vénale de la pleine propriété des biens, déduction faite de la valeur de l'usufruit déterminée selon le troisième ou le quatrième point ;
7° si la donation a pour objet une rente ou une pension viagère, le droit est liquidé sur le montant annuel de la prestation multiplié par le coefficient d'âge figurant au tableau à l'article 2.9.3.0.4, § 1er, et appliqué au bénéficiaire ;
8° pour les donations d'une rente perpétuelle, le droit est liquidé sur le montant annuel de la rente multiplié par vingt.
§ 3. [2 Pour l'application du paragraphe 1er]2, la charge consistant en une somme ou une rente ou pension stipulée à titre gratuit au profit d'un tiers acceptant, est imposée à titre de donation dans le chef dudit tiers et déduite de l'émolument du donataire principal. Dans la mesure où la donation concerne des biens immobiliers, la charge est imposée dans le chef du tiers comme une donation, selon les tarifs mentionnés à l'article 2.8.4.1.1, § 1er.]1
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, la base imposable est établie comme suit :
1° pour la donation d'instruments financiers admis à la négociation sur les marchés réglementés belges ou étrangers, tels que visés à l'article 2, alinéa premier, 5° et 6°, de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers, et pour les systèmes multilatéraux de négociation belges ou étrangers, tels que visés à l'article 2, alinéa premier, 4°, de la loi précitée, selon leurs valeurs en bourse à la date du premier jour du mois durant lequel la donation a lieu. Lorsqu'il n'y a pas de cote à cette date, la valeur en bourse du prochain jour auquel une cotation est à nouveau établie, vaut. Si, à la date choisie, il y a une cotation pour certaines des valeurs à déclarer et pas pour d'autres, ces dernières valeurs doivent être déclarées selon les valeurs de bourses au prochain jour auquel il y a une cotation ;
2° si la donation a pour objet l'usufruit ou la nue-propriété d'un immeuble, suivant ce qui est déterminé aux articles 2.9.3.0.4 à 2.9.3.0.7 inclus ;
3° si la donation a pour objet l'usufruit de biens meubles établi sur la tête du donataire ou d'un tiers selon la formule suivante :
base imposable = a x b, où :
a) a = le montant annuel de la prestation, fixé de manière forfaitaire à 4 %, de la pleine propriété des biens ;
b) b = le coefficient mentionné dans le tableau de l'article 2.9.3.0.4, § 1er, en regard de la catégorie d'âge à laquelle appartient, à la date de la donation, celui sur la tête duquel l'usufruit a été établi ;
4° si la donation a pour objet l'usufruit de biens meubles pour un temps limité, la base imposable est représentée par la somme obtenue en capitalisant au taux de 4 % le revenu annuel pour la durée assignée à l'usufruit. Le revenu annuel des biens meubles est fixé de manière forfaitaire à 4 % de la valeur de la pleine propriété de ces biens. Le montant ainsi obtenu de la base imposable ne peut toutefois excéder la valeur déterminée selon le point 3, s'il s'agit d'un usufruit constitué au profit d'une personne physique, ou vingt fois le revenu s'il s'agit d'un usufruit constitué au profit d'une personne morale ;
5° en ce qui concerne les donations de la nue-propriété de biens meubles dont l'usufruit est réservé par le donateur, la base imposable est la valeur vénale de la pleine propriété des biens ;
6° en ce qui concerne les donations de la nue-propriété de biens meubles dont l'usufruit n'est pas réservé par le donateur, la base imposable est la valeur vénale de la pleine propriété des biens, déduction faite de la valeur de l'usufruit déterminée selon le troisième ou le quatrième point ;
7° si la donation a pour objet une rente ou une pension viagère, le droit est liquidé sur le montant annuel de la prestation multiplié par le coefficient d'âge figurant au tableau à l'article 2.9.3.0.4, § 1er, et appliqué au bénéficiaire ;
8° pour les donations d'une rente perpétuelle, le droit est liquidé sur le montant annuel de la rente multiplié par vingt.
§ 3. [2 Pour l'application du paragraphe 1er]2, la charge consistant en une somme ou une rente ou pension stipulée à titre gratuit au profit d'un tiers acceptant, est imposée à titre de donation dans le chef dudit tiers et déduite de l'émolument du donataire principal. Dans la mesure où la donation concerne des biens immobiliers, la charge est imposée dans le chef du tiers comme une donation, selon les tarifs mentionnés à l'article 2.8.4.1.1, § 1er.]1
Art. 2.8.3.0.2. [1 De schenkbelasting, verschuldigd op akten waarbij eigendom of vruchtgebruik van een handelszaak overgedragen wordt, wordt geheven op basis van de belastbare grondslagen, vermeld in deze afdeling.
De schulden die al dan niet met de handelszaak in verband staan en die door de nieuwe eigenaar of vruchtgebruiker ten laste genomen worden, worden als lasten van de overeenkomst beschouwd.]1
De schulden die al dan niet met de handelszaak in verband staan en die door de nieuwe eigenaar of vruchtgebruiker ten laste genomen worden, worden als lasten van de overeenkomst beschouwd.]1
Art. 2.8.3.0.2. [1 Le droit de donation qui est dû sur les actes translatifs de propriété ou d'usufruit de fonds de commerce est perçu sur les bases imposables mentionnées dans la présente section.
Les dettes, afférentes ou non au fonds de commerce, qui sont prises en charge par le nouveau propriétaire ou usufruitier doivent être considérées comme charges de la convention.]1
Les dettes, afférentes ou non au fonds de commerce, qui sont prises en charge par le nouveau propriétaire ou usufruitier doivent être considérées comme charges de la convention.]1
Art. 2.8.3.0.3. [1 § 1. Als er eerdere schenkingen van onroerende goederen bestaan tussen dezelfde partijen, die vastgesteld zijn door akten die dateren van minder dan drie jaar vóór de datum van de nieuwe schenking van onroerende goederen [3 ...]3 wordt de belastbare grondslag van die eerdere schenkingen gevoegd bij de belastbare grondslag van de nieuwe schenking om de toepasselijke schenkbelasting op de nieuwe schenking te bepalen.
[2 [4 Het eerste lid is niet van toepassing op:
1° de onroerende goederen die deel uitmaken van een vrijgestelde schenking van activa als vermeld in artikel 2.8.6.0.3, § 1, 1° ;
2° de onbebouwde onroerende goederen waarop de vrijstelling, vermeld in artikel 2.8.6.0.8, is toegepast;]4]2
[5 3° de onroerende goederen waarop de vrijstelling, vermeld in artikel 2.8.6.0.1, is toegepast.]5
§ 2. Als in dezelfde akte of in een andere akte van dezelfde datum naast de grond die volgens de stedenbouwkundige voorschriften bestemd is voor woningbouw, nog andere onroerende goederen worden geschonken, wordt voor de toepassing van paragraaf 1 de schenking van de bouwgrond geacht vóór de schenking van de andere goederen geregistreerd te zijn of verplicht registreerbaar te zijn geworden.
§ 3. In geval van een aan een opschortende voorwaarde onderworpen schenking wordt voor de toepassing van paragraaf 1 en paragraaf 2 de datum van de vervulling van de voorwaarde in de plaats gesteld van de datum van de akte.]1
[2 [4 Het eerste lid is niet van toepassing op:
1° de onroerende goederen die deel uitmaken van een vrijgestelde schenking van activa als vermeld in artikel 2.8.6.0.3, § 1, 1° ;
2° de onbebouwde onroerende goederen waarop de vrijstelling, vermeld in artikel 2.8.6.0.8, is toegepast;]4]2
[5 3° de onroerende goederen waarop de vrijstelling, vermeld in artikel 2.8.6.0.1, is toegepast.]5
§ 2. Als in dezelfde akte of in een andere akte van dezelfde datum naast de grond die volgens de stedenbouwkundige voorschriften bestemd is voor woningbouw, nog andere onroerende goederen worden geschonken, wordt voor de toepassing van paragraaf 1 de schenking van de bouwgrond geacht vóór de schenking van de andere goederen geregistreerd te zijn of verplicht registreerbaar te zijn geworden.
§ 3. In geval van een aan een opschortende voorwaarde onderworpen schenking wordt voor de toepassing van paragraaf 1 en paragraaf 2 de datum van de vervulling van de voorwaarde in de plaats gesteld van de datum van de akte.]1
Änderungen
Art. 2.8.3.0.3. [1 § 1er. S'il existe des donations de biens immobiliers déjà intervenues entre les mêmes parties, constatées par actes remontant à moins de trois ans avant la date de la nouvelle donation de biens immobiliers [3 ...]3, la base imposable de ces donations antérieures s'ajoute à la base imposable de la nouvelle donation pour déterminer le droit de donation applicable sur la nouvelle donation.
[2 [4 L'alinéa premier ne s'applique pas :
1° aux biens immobiliers faisant partie d'une donation d'actifs exemptée telle que visée à l'article 2.8.6.0.3, § 1er, 1° ;
" 2° aux biens immobiliers non bâtis sur lesquels l'exemption visée à l'article 2.8.6.0.8, est appliquée;]4]2
[5 3° aux biens immobiliers sur lesquels l'exonération visée à l'article 2.8.6.0.1, est appliquée.]5
§ 2. Si, dans le même acte ou dans un autre acte de la même date, il y a donation de biens autres que la parcelle de terrain destinée à la construction d'habitations selon les prescriptions d'urbanisme, la donation du terrain à bâtir est censée, pour l'application du paragraphe 1er, avoir été enregistrée ou être obligatoirement enregistrable avant la donation des autres biens.
§ 3. En cas de donation soumise à une condition suspensive, pour l'application du paragraphe 1er et du paragraphe 2, la date de l'accomplissement de la condition est substituée à la date de l'acte.]1
[2 [4 L'alinéa premier ne s'applique pas :
1° aux biens immobiliers faisant partie d'une donation d'actifs exemptée telle que visée à l'article 2.8.6.0.3, § 1er, 1° ;
" 2° aux biens immobiliers non bâtis sur lesquels l'exemption visée à l'article 2.8.6.0.8, est appliquée;]4]2
[5 3° aux biens immobiliers sur lesquels l'exonération visée à l'article 2.8.6.0.1, est appliquée.]5
§ 2. Si, dans le même acte ou dans un autre acte de la même date, il y a donation de biens autres que la parcelle de terrain destinée à la construction d'habitations selon les prescriptions d'urbanisme, la donation du terrain à bâtir est censée, pour l'application du paragraphe 1er, avoir été enregistrée ou être obligatoirement enregistrable avant la donation des autres biens.
§ 3. En cas de donation soumise à une condition suspensive, pour l'application du paragraphe 1er et du paragraphe 2, la date de l'accomplissement de la condition est substituée à la date de l'acte.]1
Änderungen
Art. 2.8.3.0.4. [1 Op hetgeen aan een [2 persoon met een handicap]2 of een gehandicapt kind geschonken wordt, wordt een abattement toegepast aan de voet van de belastbare grondslag, voor de som die verkregen is door toepassing van de volgende formule :
1° (3000 euro) x (cijfer, aangeduid in artikel 2.7.3.3.2, eerste lid, 5°, volgens de leeftijd van de verkrijger) als de schenking onderworpen is aan het tarief voor verkrijgingen in de rechte lijn en tussen partners, vermeld in artikel 2.8.4.1.1, § 1, of artikel 2.8.4.2.1;
2° (1000 euro) x (cijfer, aangeduid in artikel 2.7.3.3.2, eerste lid, 5°, volgens de leeftijd van de verkrijger) als de schenking onderworpen is aan het tarief voor verkrijgingen tussen alle andere personen, vermeld in artikel 2.8.4.1.1, § 1, of artikel 2.8.4.2.1.
Het abattement, vermeld in het eerste lid, wordt slechts toegepast als tussen de schenker en de begiftigde nog geen schenkingen zijn voorgekomen waarbij van deze vermindering van belastbare grondslag werd genoten.]1
1° (3000 euro) x (cijfer, aangeduid in artikel 2.7.3.3.2, eerste lid, 5°, volgens de leeftijd van de verkrijger) als de schenking onderworpen is aan het tarief voor verkrijgingen in de rechte lijn en tussen partners, vermeld in artikel 2.8.4.1.1, § 1, of artikel 2.8.4.2.1;
2° (1000 euro) x (cijfer, aangeduid in artikel 2.7.3.3.2, eerste lid, 5°, volgens de leeftijd van de verkrijger) als de schenking onderworpen is aan het tarief voor verkrijgingen tussen alle andere personen, vermeld in artikel 2.8.4.1.1, § 1, of artikel 2.8.4.2.1.
Het abattement, vermeld in het eerste lid, wordt slechts toegepast als tussen de schenker en de begiftigde nog geen schenkingen zijn voorgekomen waarbij van deze vermindering van belastbare grondslag werd genoten.]1
Art. 2.8.3.0.4. [1 Toute donation à une personne handicapée ou un enfant handicapé fait l'objet d'un abattement au taux de la base imposable, à concurrence de la somme obtenue en application de la formule suivante :
1° (3000 euros) x (chiffre, indiqué à l'article 2.7.3.3.2, alinéa premier, 5°, selon l'âge de l'acquéreur) si la donation est soumise au tarif d'acquisitions en ligne directe et entre partenaires, visé à l'article 2.8.4.1.1, § 1er, ou à l'article 2.8.4.2.1 ;
2° (1000 euros) x (chiffre, indiqué à l'article 2.7.3.3.2, alinéa premier, 5°, selon l'âge de l'acquéreur) si la donation est soumise au tarif d'acquisitions entre toutes les autres personnes, visé à l'article 2.8.4.1.1, § 1er, ou à l'article 2.8.4.2.1.
L'abattement, visé à l'alinéa premier, n'est appliqué que si, entre le donateur et le bénéficiaire, aucune donation ne s'est pas encore produite lors de laquelle on a bénéficié de cette réduction de la base imposable.]1
1° (3000 euros) x (chiffre, indiqué à l'article 2.7.3.3.2, alinéa premier, 5°, selon l'âge de l'acquéreur) si la donation est soumise au tarif d'acquisitions en ligne directe et entre partenaires, visé à l'article 2.8.4.1.1, § 1er, ou à l'article 2.8.4.2.1 ;
2° (1000 euros) x (chiffre, indiqué à l'article 2.7.3.3.2, alinéa premier, 5°, selon l'âge de l'acquéreur) si la donation est soumise au tarif d'acquisitions entre toutes les autres personnes, visé à l'article 2.8.4.1.1, § 1er, ou à l'article 2.8.4.2.1.
L'abattement, visé à l'alinéa premier, n'est appliqué que si, entre le donateur et le bénéficiaire, aucune donation ne s'est pas encore produite lors de laquelle on a bénéficié de cette réduction de la base imposable.]1
Änderungen
Art. 2.8.3.0.5. [1 Een akte die een door de wet toegelaten erfovereenkomst vaststelt, strekt voor de toepassing van de schenkbelasting niet tot bewijs van een schenking die in die overeenkomst wordt vermeld en die niet aan de formaliteit van de registratie is onderworpen, en waarvan de partijen in of onderaan de akte bevestigen dat die heeft plaatsgevonden vóór de datum waarop die overeenkomst gesloten werd.
In afwijking van het eerste lid kunnen de partijen of een van hen in een uitdrukkelijke fiscale verklaring in of onderaan de akte te kennen geven dat de vermelding van een dergelijke schenking wel tot bewijs strekt voor de toepassing van de schenkbelasting.]1
In afwijking van het eerste lid kunnen de partijen of een van hen in een uitdrukkelijke fiscale verklaring in of onderaan de akte te kennen geven dat de vermelding van een dergelijke schenking wel tot bewijs strekt voor de toepassing van de schenkbelasting.]1
Art. 2.8.3.0.5. [1 Un acte établissant un pacte successoral autorisé par la loi, ne fait pas preuve, pour l'application de l'impôt de donation, d'une donation qui est mentionnée dans le pacte et qui n'est pas soumise à la formalité de l'enregistrement, et dont les parties confirment dans ou en bas de l'acte qu'elle a eu lieu avant la date de conclusion de ce pacte.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les parties ou l'une d'entre elles peuvent communiquer dans une déclaration fiscale explicite dans ou en bas de l'acte qu'une donation pareille fait effectivement preuve pour l'application de l'impôt de donation.]1
Par dérogation à l'alinéa 1er, les parties ou l'une d'entre elles peuvent communiquer dans une déclaration fiscale explicite dans ou en bas de l'acte qu'une donation pareille fait effectivement preuve pour l'application de l'impôt de donation.]1
Afdeling 4. - [1 Tarieven]1
Section 4. - [1 Tarifs]1
Onderafdeling 1. - [1 Algemeen]1
Sous-section 1re. - [1 Généralités]1
Art. 2.8.4.1.1. [1 § 1. [2 De schenkbelasting voor de schenkingen van onroerende goederen wordt berekend volgens het tarief, vermeld in de onderstaande tabellen :
TABEL I
TABEL I
Art. 2.8.4.1.1. [1 § 1er. [2 L'impôt de donation pour les donations de biens immeubles est calculé selon le tarif, visé aux tableaux suivants :
TABLEAU I
TABLEAU I
| verkrijging in rechte lijn en tussen partners | |||
| gedeelte van de schenking | |||
| A schijf in euro | tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in % | totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro | |
| Vanaf | tot en met | ||
| 0,01 | 150.000 | 3 | - |
| 150.000,01 | 250.000 | 9 | 4500 |
| 250.000,01 | 450.000 | 18 | 13.500 |
| 450.000,01 | 27 | 49.500 | |
schijf in eurotarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in % totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euroVanaf tot en met0,01 150.000 3-150.000,01 250.000 9 4500250.000,01 450.000 18 13.500450.000,01 27 49.500
TABEL II
| tarif en ligne directe et entre partenaires | |||
| tranche de la donation | |||
| A tranche en euros | tarif applicable à la tranche correspondante figurant dans la colonne A, en % | montant total de la taxe sur les tranches précédentes, en euros | |
| A partir de | à | ||
| 0,01 | 150 000 | 3 | - |
| 150 000,01 | 250 000 | 9 | 4500 |
| 250 000,01 | 450 000 | 18 | 13 500 |
| 450 000,01 | 27 | 49 500 | |
TABLEAU II
| tarief tussen alle andere personen | |||
| gedeelte van de schenking | |||
| A schijf in euro | tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in % | totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro | |
| Vanaf | tot en met | ||
| 0,01 | 150.000 | 10 | - |
| 150.000,01 | 250.000 | 20 | 15.000 |
| 250.000,01 | 450.000 | 30 | 35.000 |
| 450.000,01 | 40 | 95.000 | |
]2
§ 2. Het tarief van de schenkbelasting voor de schenkingen van roerende goederen bedraagt :
1° 3% voor [3 een verkrijging]3 in de rechte lijn en tussen partners;
2° 7% voor [3 een verkrijging door]3 alle andere personen.
Dat tarief is niet van toepassing op de schenkingen onder de levenden van roerende goederen die met legaten worden gelijkgesteld met toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3°.
§ 3. In afwijking van paragraaf 1 en 2 bedraagt het tarief van de schenkbelasting [7 0%]7 voor schenkingen [4 , inclusief inbrengen om niet,]4 aan :
1° het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap;
2° de Vlaamse, de Franse en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie;
3° de Franse en de Duitstalige Gemeenschap en aan het Waalse en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest;
4° een staat van de Europese Economische Ruimte;
5° provincies en gemeenten in het Vlaamse Gewest;
6° de openbare instellingen van de publiekrechtelijke rechtspersonen, vermeld in de punt 1° tot en met 5° ;
7° erkende [8 woonmaatschappijen]8 als vermeld in [5 artikel 4.36 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021]5;
8° [6 het Vlaams Woningfonds;]6
9° dienstverlenende en opdrachthoudende verenigingen als vermeld in artikel 12, § 2, 2° en 3°, van het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking;
10° verenigingen zonder winstoogmerk, ziekenfondsen en landsbonden van ziekenfondsen, [7 ...]7 internationale verenigingen zonder winstoogmerk [7 ...]7 en stichtingen van openbaar nut;
11° openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
[7 In afwijking van paragraaf 1 en 2 bedraagt het tarief van de schenkbelasting 5,5% voor schenkingen, inclusief inbrengen om niet, aan beroepsverenigingen en private stichtingen.]7
In afwijking van het [9 tweede]9 lid wordt de schenkbelasting, vermeld in paragraaf 1 en 2, gebracht op 100 euro voor de schenkingen, inclusief inbrengen om niet, gedaan aan rechtspersonen als vermeld in [9 het eerste lid, 10°, of]9 het [7 tweede lid]7, als de schenker zelf een rechtspersoon als vermeld in [7 tweede lid]7, is.
Het tarief, vermeld in het [7 eerste, tweede en derde lid]7, is ook van toepassing op gelijksoortige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een andere staat van de Europese Economische Ruimte, en die bovendien hun [6 ...]6 zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben.]1
Änderungen
| tarif entre toutes les autres personnes | |||
| tranche de la donation | |||
| A tranche en euros | tarif applicable à la tranche correspondante figurant dans la colonne A, en % | montant total de la taxe sur les tranches précédentes, en euros | |
| A partir de | à | ||
| 0,01 | 150 000 | 10 | - |
| 150 000,01 | 250 000 | 20 | 15 000 |
| 250 000,01 | 450 000 | 30 | 35 000 |
| 450 000,01 | 40 | 95 000 | |
]2
§ 2. Le tarif du droit de donation pour les donations de biens mobiliers se monte à :
1° 3 % pour [3 une acquisition]3 en ligne directe et entre partenaires ;
2° 7 % pour [3 une acquisition par]3 toutes autres personnes.
Ce tarif n'est pas d'application sur les donations entre vifs de biens mobiliers qui sont assimilés à des legs en application de l'article 2.7.1.0.3, 3°.
§ 3. Par dérogation aux paragraphes 1er et 2, le tarif du droit de donation se monte à [7 0%]7 pour les donations [4 , y compris les apports à titre gratuit]4:
1° à la Région flamande et à la Communauté flamande ;
2° à la Communauté française et la Communauté de langue allemande et à la Région wallonne et à la Région de Bruxelles capitale;
3° à la Communauté française et la Communauté de langue allemande et à la Région wallonne et à la Région de Bruxelles capitale ;
4° à un Etat de l'Espace économique européen ;
5° aux provinces et communes en Région flamande ;
6° aux organismes publics des personnes morales de droit public, visées aux parties 1° à 5° inclus ;
7° aux [8 sociétés de logement]8 agréées, telles que visées à [5 l'article 4.36 du Code flamand du Logement de 2021]5 ;
8° [6 au Fonds flamand du Logement ;]6
9° à des associations prestataires de services et chargées de missions, telles que visées à l'article 12, § 2, 2° et 3°, du décret du 6 juillet 2001 portant réglementation de la coopération intercommunale ;
10° aux associations sans but lucratif, aux mutualités et unions nationales de mutualités, [7 ...]7 aux associations internationales sans but lucratif [7 ...]7 et aux fondations d'utilité publique ;
11° aux centres publics d'action sociale.
[7 Par dérogation aux paragraphes 1et et 2, le tarif des droits de succession est de 5,5 % pour les donations, y compris les apports à titre gratuit, aux fédérations professionnelles et aux fondations privées.]7
Par dérogation à l'alinéa [9 2]9, le droit de donation mentionné aux paragraphes 1er et 2 est réduit à 100 euros pour les donations, y compris les apports à titre gratuit, faits à des personnes morales, visées à [7 l'alinéa 2]7, lorsque le donateur est lui-même une personne morale, visée à [9 l'alinéa 1er, 10°, ou]9 [7 l'alinéa 2]7.
La réduction, visée [7 aux alinéas 1er, 2 et 3]7, s'applique également aux personnes morales analogues créées conformément et assujetties à la législation d'un Etat membre de l'Espace économique européen et ayant en outre leur siège [6 ...]6, leur direction générale ou leur établissement principal au sein de l'Espace économique européen.]1
Änderungen
Art. 2.8.4.1.2. [1 Als een akte of geschrift, overeengekomen tussen dezelfde partijen, verschillende van elkaar afhankelijke of noodzakelijk uit elkaar voortvloeiende regelingen bevat waaronder een schenking die onderworpen is aan de schenkbelasting, wordt de belasting geheven die van toepassing is op de regeling die aanleiding geeft tot de heffing van de hoogste belasting, vastgesteld met toepassing van hoofdstuk 8 tot en met hoofdstuk 11.
Als een akte of geschrift, overeengekomen tussen dezelfde partijen, verschillende van elkaar onafhankelijke of niet noodzakelijk uit elkaar voortvloeiende regelingen bevat waaronder een schenking die onderworpen is aan de schenkbelasting, wordt op elke regeling al naargelang het geval de belasting, vermeld in hoofdstuk 8 tot en met hoofdstuk 11, geheven.]1
Als een akte of geschrift, overeengekomen tussen dezelfde partijen, verschillende van elkaar onafhankelijke of niet noodzakelijk uit elkaar voortvloeiende regelingen bevat waaronder een schenking die onderworpen is aan de schenkbelasting, wordt op elke regeling al naargelang het geval de belasting, vermeld in hoofdstuk 8 tot en met hoofdstuk 11, geheven.]1
Art. 2.8.4.1.2. [1 Lorsqu'un acte ou un écrit, convenu entre les mêmes parties, contient des réglementations dépendantes l'une de l'autre ou découlant nécessairement l'une de l'autre, et en vertu desquelles une donation est soumise aux droits de donation, le droit qui est perçu est le droit d'application en vertu de la réglementation qui donne lieu à la perception du droit le plus élevé, constaté en application des chapitres 8 à 11.
Lorsqu'un acte ou un écrit, convenu entre les mêmes parties, contient des réglementations indépendantes l'une de l'autre ou ne découlant pas nécessairement l'une de l'autre, et en vertu desquelles une donation est soumise aux droits de donation, le droit est perçu selon chaque réglementation, et selon les cas, conformément aux dispositions des chapitres 8 à 11.]1
Lorsqu'un acte ou un écrit, convenu entre les mêmes parties, contient des réglementations indépendantes l'une de l'autre ou ne découlant pas nécessairement l'une de l'autre, et en vertu desquelles une donation est soumise aux droits de donation, le droit est perçu selon chaque réglementation, et selon les cas, conformément aux dispositions des chapitres 8 à 11.]1
Onderafdeling 2. - [1 Tijdelijke bepalingen voor schenkingen van percelen grond die volgens de stedenbouwkundige voorschriften bestemd zijn voor woningbouw]1
Sous-section 2. - [1 Dispositions temporaires concernant les donations de parcelles de terrain destinées à la construction d'habitations selon les prescriptions d'urbanisme]1
Art. 2.8.4.2.1. [1 In afwijking van artikel 2.8.4.1.1, § 1, wordt de schenkbelasting voor schenkingen van een perceel grond in het Vlaamse Gewest dat volgens de stedenbouwkundige voorschriften bestemd is voor woningbouw, waarvan de akte verleden wordt in de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2019, berekend volgens het tarief, vermeld in de onderstaande tabellen :
Art. 2.8.4.2.1. [1 Par dérogation à l'article 2.8.4.1.1, § 1er, le droit de donation pour les donations d'une parcelle de terrain en région flamande qui est destinée à la construction d'habitations selon les prescriptions d'urbanisme, et dont l'acte est passé durant la période allant du 1er janvier 2012 au 31 décembre 2019 inclus, est calculé selon le tarif mentionné dans les tableaux ci-dessous :
| TABEL I [1 verkrijging in rechte lijn en tussen partners]1 gedeelte van de schenking | |||
| A Schijf in euro | tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in % | totaalbedrag van de belasting op de voorgaande gedeelten, in euro | |
| Vanaf | tot en met | ||
| 0,01 | 12.500 | 1 | - |
| 12.500,01 | 25.000 | 2 | 125 |
| 25.000,01 | 50.000 | 3 | 375 |
| 50.000,01 | 100.000 | 5 | 1.125 |
| 100.000,01 | 150.000 | 8 | 3.625 |
| 150.000,01 | 200.000 | 14 | 7.625 |
| 200.000,01 | 250.000 | 18 | 14.625 |
| 250.000,01 | 500.000 | 24 | 23.625 |
| 500.000,01 | 30 | 83.625 | |
| (1)<DVR 2015-07-17/22, art. 11, 009; Inwerkingtreding : 14-08-2015> | |||
[1 verkrijging in rechte lijn en tussen partners]1 gedeelte van de schenkingA Schijf in eurotarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in %totaalbedrag van de belasting op de voorgaande gedeelten, in euroVanaftot en met
0,0112.5001-12.500,0125.000212525.000,0150.000337550.000,01100.00051.125100.000,01150.00083.625150.000,01200.000147.625200.000,01250.0001814.625250.000,01500.0002423.625500.000,013083.625(1)
| TABLEAU I [1 acquisition en ligne directe et entre partenaires]1 tranche de la donation | |||
| A tranche en euros | tarif applicable à la tranche correspondante dans la colonne A, en % | montant total de l'impôt sur les tranches précédentes, en euros | |
| A partir de | jusqu'à | ||
| 0,01 | 12.500 | 1 | - |
| 12.500,01 | 25.000 | 2 | 125 |
| 25.000,01 | 50.000 | 3 | 375 |
| 50.000,01 | 100.000 | 5 | 1.125 |
| 100.000,01 | 150.000 | 8 | 3.625 |
| 150.000,01 | 200.000 | 14 | 7.625 |
| 200.000,01 | 250.000 | 18 | 14.625 |
| 250.000,01 | 500.000 | 24 | 23.625 |
| 500.000,01 | 30 | 83.625 | |
| (1)<DCFL 2015-07-17/22, art. 11, 009; En vigueur : 14-08-2015> | |||
tranche en eurostarif applicable à la tranche correspondante dans la colonne A, en %montant total de l'impôt sur les tranches précédentes, en eurosA partir dejusqu'à
0,0112.5001-12.500,0125.000212525.000,0150.000337550.000,01100.00051.125100.000,01150.00083.625150.000,01200.000147.625200.000,01250.0001814.625250.000,01500.0002423.625500.000,013083.625(1)
| TABEL II tarief tussen broers en zussen gedeelte van de schenking | |||
| A Schijf in euro | tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in % | totaalbedrag van de belasting op de voorgaande gedeelten, in euro | |
| Vanaf | tot en met | ||
| 0,01 | 150.000 | 10 | - |
| 150.000,01 | 175.000 | 50 | 15.000 |
| 175.000,01 | 65 | 27.500 | |
tarief tussen broers en zussen gedeelte van de schenkingA Schijf in euro tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in % totaalbedrag van de belasting op de voorgaande gedeelten, in euroVanaf tot en met
0,01 150.000 10-150.000,01 175.000 50 15.000175.000,0165 27.500
| TABLEAU II tarif entre frères et soeurs tranche de la donation | |||
| A tranche en euros | tarif applicable à la tranche correspondante dans la colonne A, en % | montant total de l'impôt sur les tranches précédentes, en euros | |
| A partir de | jusqu'à | ||
| 0,01 | 150.000 | 10 | - |
| 150.000,01 | 175.000 | 50 | 15.000 |
| 175.000,01 | 65 | 27.500 | |
tranche en euros tarif applicable à la tranche correspondante dans la colonne A, en % montant total de l'impôt sur les tranches précédentes, en eurosA partir de jusqu'à
0,01 150.000 10 -150.000,01 175.000 50 15.000175.000,01 65 27.500
| TABEL III tarief tussen ooms, tantes, neven en nichten gedeelte van de schenking | |||
| A Schijf in euro | tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in % | totaalbedrag van de belasting op de voorgaande gedeelten, in euro | |
| Vanaf | tot en met | ||
| 0,01 | 150.000 | 10 | - |
| 150.000,01 | 175.000 | 55 | 15.000 |
| 175.000,01 | 70 | 28.750 | |
tarief tussen ooms, tantes, neven en nichten gedeelte van de schenking A Schijf in euro tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in % totaalbedrag van de belasting op de voorgaande gedeelten, in euroVanaf tot en met
0,01 150.000 10 -150.000,01 175.000 55 15.000175.000,01 70 28.750
| TABEL III tarif entre oncles et tantes et neveux et nièces tranche de la donation | |||
| A tranche en euros | tarif applicable à la tranche correspondante dans la colonne A, en % | montant total de l'impôt sur les tranches précédentes, en euros | |
| A partir de | jusqu'à | ||
| 0,01 | 150.000 | 10 | - |
| 150.000,01 | 175.000 | 55 | 15.000 |
| 175.000,01 | 70 | 28.750 | |
tranche en euros tarif applicable à la tranche correspondante dans la colonne A, en % montant total de l'impôt sur les tranches précédentes, en eurosA partir de jusqu'à
0,01 150.000 10 -150.000,01 175.000 55 15.000175.000,01 70 28.750
| TABEL IV tarief tussen alle andere personen gedeelte van de schenking | |||
| A Schijf in euro | tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in % | totaalbedrag van de belasting op de voorgaande gedeelten, in euro | |
| Vanaf | tot en met | ||
| 0,01 | 150.000 | 10 | - |
| 150.000,01 | 175.000 | 65 | 15.000 |
| 175.000,01 | 80 | 31.250 | |
0,01 150.000 10-150.000,01 175.000 65 15.000175.000,0180 31.250
]1
| TABLEAU IV tarif entre toutes autres personnes tranche de la donation | |||
| A tranche en euros | tarif applicable à la tranche correspondante dans la colonne A, en % | montant total de l'impôt sur les tranches précédentes, en euros | |
| A partir de | jusqu'à | ||
| 0,01 | 150.000 | 10 | - |
| 150.000,01 | 175.000 | 65 | 15.000 |
| 175.000,01 | 80 | 31.250 | |
tranche en euros tarif applicable à la tranche correspondante dans la colonne A, en % montant total de l'impôt sur les tranches précédentes, en eurosA partir de jusqu'à
0,01 150.000 10 -150.000,01 175.000 65 15.000175.000,01 80 31.250
]1
Art. 2.8.4.2.2. [1 De schenkbelasting, vermeld in artikel 2.8.4.2.1, is niet van toepassing op schenkingen die zijn gedaan onder een opschortende voorwaarde die vervuld wordt na het verstrijken van de periode, bepaald in hetzelfde artikel, of die zijn gedaan onder een tijdsbepaling die verder reikt dan de periode, bepaald in het voormelde artikel.]1
Art. 2.8.4.2.2. [1 Le droit de donation mentionné à l'article 2.8.4.2.1, n'est pas applicable pour les donations qui sont faites sous une condition suspensive remplie après l'expiration de la période fixée dans le même article ou faites à un terme au-delà de la période fixée à l'article précité.]1
Art. 2.8.4.2.3. [1 De schenkbelasting, vermeld in artikel 2.8.4.2.1, wordt alleen toegepast als in de akte van schenking uitdrukkelijk wordt verklaard dat :
1° het perceel grond volgens de stedenbouwkundige voorschriften bestemd is voor woningbouw;
2° de begiftigden, of een van hen, zich ertoe verbinden om binnen vijf jaar vanaf de datum van de akte hun hoofdverblijfplaats te vestigen op het adres van het verkregen goed.
Als een onjuiste verklaring wordt afgelegd over de bestemming van de grond, vermeld in het eerste lid, 1°, zijn aanvullende rechten verschuldigd.
Bij niet-nakoming van de aangegane verbintenis, vermeld in het eerste lid, 2°, zijn de begiftigden die de verbintenis zijn aangegaan en niet zijn nagekomen, elk gehouden tot betaling van de aanvullende rechten over hun eigen aandeel in de schenking. De aanvullende rechten zijn niet verschuldigd als de niet-nakoming van de aangegane verbintenis het gevolg is van overmacht.]1
1° het perceel grond volgens de stedenbouwkundige voorschriften bestemd is voor woningbouw;
2° de begiftigden, of een van hen, zich ertoe verbinden om binnen vijf jaar vanaf de datum van de akte hun hoofdverblijfplaats te vestigen op het adres van het verkregen goed.
Als een onjuiste verklaring wordt afgelegd over de bestemming van de grond, vermeld in het eerste lid, 1°, zijn aanvullende rechten verschuldigd.
Bij niet-nakoming van de aangegane verbintenis, vermeld in het eerste lid, 2°, zijn de begiftigden die de verbintenis zijn aangegaan en niet zijn nagekomen, elk gehouden tot betaling van de aanvullende rechten over hun eigen aandeel in de schenking. De aanvullende rechten zijn niet verschuldigd als de niet-nakoming van de aangegane verbintenis het gevolg is van overmacht.]1
Art. 2.8.4.2.3. [1 Le droit de donation mentionné à l'article 2.8.4.2.1, n'est appliqué que s'il est expressément déclaré dans l'acte de donation que :
1° la parcelle de terrain est destinée à la construction d'habitations selon les prescriptions d'urbanisme;
2° les bénéficiaires, ou l'un d'entre eux, s'engagent, dans les cinq années à compter de la date de l'acte, à établir leur domicile principal à l'adresse du bien acquis.
Dans le cas d'une déclaration inexacte relative à la destination du terrain, des droits complémentaires sont exigibles.
En cas de non-respect de l'engagement visé à l'alinéa premier, point 2°, les bénéficiaires qui ont contracté cet engagement et qui ne l'ont pas respecté, sont tenus au paiement des droits complémentaires sur leur propre part dans le don. Les droits complémentaires et les intérêts ne sont pas dus lorsque le non-respect de l'engagement résulte d'un cas de force majeure. ]1
1° la parcelle de terrain est destinée à la construction d'habitations selon les prescriptions d'urbanisme;
2° les bénéficiaires, ou l'un d'entre eux, s'engagent, dans les cinq années à compter de la date de l'acte, à établir leur domicile principal à l'adresse du bien acquis.
Dans le cas d'une déclaration inexacte relative à la destination du terrain, des droits complémentaires sont exigibles.
En cas de non-respect de l'engagement visé à l'alinéa premier, point 2°, les bénéficiaires qui ont contracté cet engagement et qui ne l'ont pas respecté, sont tenus au paiement des droits complémentaires sur leur propre part dans le don. Les droits complémentaires et les intérêts ne sont pas dus lorsque le non-respect de l'engagement résulte d'un cas de force majeure. ]1
Onderafdeling 3. [1 - Tarieven voor schenkingen van gebouwen onderworpen aan een energetische renovatie of van gebouwen met conformiteitsattest die verhuurd worden]1
Sous-section 3. [1 - Tarifs pour donations d'immeubles soumis à une rénovation énergétique ou d'immeubles disposant d'une attestation de conformité qui sont loués.]1
Art. 2.8.4.3.1. [1 § 1. In afwijking van artikel 2.8.4.1.1, § 1, wordt de schenkbelasting voor schenkingen van onroerende goederen gelegen in het Vlaamse Gewest [2 en gedaan met ingang van 1 juli 2015,]2 [6 en voor 1 januari 2025]6 berekend volgens het tarief, vermeld in de onderstaande tabellen, op voorwaarde dat :
1° [3 de begiftigden, een van hen of de schenker die zich het vruchtgebruik heeft voorbehouden, binnen vijf jaar vanaf de datum van de akte van schenking renovatiewerken laten uitvoeren aan het geschonken onroerend goed voor een totaalbedrag van minstens 10.000 euro, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde, zoals blijkt uit facturen die uitgereikt zijn door aannemers van werken;]3
2° de aannemer, vermeld in punt 1°, attesteert dat de facturen voor de renovatiewerken, vermeld in punt 1°, betrekking hebben op werken vermeld in de artikelen 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/2 of 6.4.1/5, § 1, van het Energiebesluit van 19 november 2010.
TABEL I
1° [3 de begiftigden, een van hen of de schenker die zich het vruchtgebruik heeft voorbehouden, binnen vijf jaar vanaf de datum van de akte van schenking renovatiewerken laten uitvoeren aan het geschonken onroerend goed voor een totaalbedrag van minstens 10.000 euro, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde, zoals blijkt uit facturen die uitgereikt zijn door aannemers van werken;]3
2° de aannemer, vermeld in punt 1°, attesteert dat de facturen voor de renovatiewerken, vermeld in punt 1°, betrekking hebben op werken vermeld in de artikelen 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/2 of 6.4.1/5, § 1, van het Energiebesluit van 19 november 2010.
TABEL I
Art. 2.8.4.3.1. [1 § 1er. Par dérogation à l'article 2.8.4.1.1, § 1er, l'impôt de donation pour les donations de biens immeubles situés en Région flamande [2 , faites à partir du 1er juillet 2015,]2 [6 et avant le 1er janvier 2025]6 est calculé selon le tarif, visé aux tableaux suivants, à condition que :
1° [3 les bénéficiaires ou l'un d'entre eux ou le donateur qui s'est réservé l'usufruit, fassent effectuer dans les cinq ans à partir de la date de l'acte de donation, des travaux de rénovation au bien immobilier faisant l'objet de la donation pour un montant total d'au moins 10.000 euros, hors la taxe sur la valeur ajoutée, tel qu'il ressort des factures délivrées par des entrepreneurs de travaux ;]3
2° l'entrepreneur de travaux, visé au point 1°, atteste que les factures pour les travaux de rénovation, visées au point 1°, concernent des travaux visés aux articles 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/2 ou 6.4.1/5, § 1er, de l'Arrêté relatif à l'Energie du 19 novembre 2010.
TABLEAU I
1° [3 les bénéficiaires ou l'un d'entre eux ou le donateur qui s'est réservé l'usufruit, fassent effectuer dans les cinq ans à partir de la date de l'acte de donation, des travaux de rénovation au bien immobilier faisant l'objet de la donation pour un montant total d'au moins 10.000 euros, hors la taxe sur la valeur ajoutée, tel qu'il ressort des factures délivrées par des entrepreneurs de travaux ;]3
2° l'entrepreneur de travaux, visé au point 1°, atteste que les factures pour les travaux de rénovation, visées au point 1°, concernent des travaux visés aux articles 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/2 ou 6.4.1/5, § 1er, de l'Arrêté relatif à l'Energie du 19 novembre 2010.
TABLEAU I
| verkrijging in rechte lijn en tussen partners | |||
| gedeelte van de schenking | |||
| A schijf in euro | tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in % | totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro | |
| Vanaf | tot en met | ||
| 0,01 | 150.000 | 3 | - |
| 150.000,01 | 250.000 | 6 | 4500 |
| 250.000,01 | 450.000 | 12 | 10.500 |
| 450.000,01 | 18 | 34.500 | |
TABEL II
| tarif en ligne directe et entre partenaires | |||
| tranche de la donation | |||
| A tranche en euros | tarif applicable à la tranche correspondante figurant dans la colonne A, en % | montant total de la taxe sur les tranches précédentes, en euros | |
| A partir de | à | ||
| 0,01 | 150 000 | 3 | - |
| 150 000,01 | 250 000 | 6 | 4500 |
| 250 000,01 | 450 000 | 12 | 10 500 |
| 450 000,01 | 18 | 34 500 | |
TABLEAU II
| verkrijging tussen alle andere personen | |||
| gedeelte van de schenking | |||
| A schijf in euro | tarief, toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in % | totaalbedrag van de belasting over de voorgaan- de gedeelten, in euro | |
| Vanaf | tot en met | ||
| 0,01 | 150.000 | 9 | - |
| 150.000,01 | 250.000 | 17 | 13.500 |
| 250.000,01 | 450.000 | 24 | 30.500 |
| 450.000,01 | 31 | 78.500 | |
Het verschil tussen de schenkbelasting, berekend overeenkomstig de tabellen van artikel 2.8.4.1.1, § 1, en de schenkbelasting, berekend overeenkomstig de tabellen van het eerste lid, wordt teruggegeven overeenkomstig de bepalingen van artikel 3.6.0.0.6, § 1/1. Het abattement toegepast overeenkomstig artikel 2.8.3.0.4 en de vermindering verleend overeenkomstig artikel 2.8.5.0.1 blijft in dat geval behouden.
§ 2. In afwijking van artikel 2.8.4.1.1, § 1, wordt de schenkbelasting voor schenkingen van onroerende goederen gelegen in het Vlaamse Gewest [2 en gedaan met ingang van 1 juli 2015,]2 berekend volgens het tarief, vermeld in paragraaf 1, op voorwaarde dat de begiftigden of een van hen, binnen een termijn van drie jaar vanaf de datum van de akte van schenking het conformiteitsattest, vermeld in [4 boek 3, deel 3, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021]4, en een geregistreerde huurovereenkomst voor het geschonken goed met een minimumduur van negen jaar, beiden daterend van na de datum van de akte van schenking, voorlegt. [3 Noch de schenker, noch de begiftigden of een van hen mogen in de geregistreerde huurovereenkomst als huurder optreden.]3
Het verschil tussen de schenkbelasting, berekend overeenkomstig de tabellen van artikel 2.8.4.1.1, § 1, en de schenkbelasting, berekend overeenkomstig het eerste lid, wordt teruggegeven overeenkomstig de bepalingen van artikel 3.6.0.0.6, § 1/2. Het abattement toegepast overeenkomstig artikel 2.8.3.0.4 en de vermindering verleend overeenkomstig artikel 2.8.5.0.1 blijft in dat geval behouden.
Het teruggegeven bedrag, vermeld in het tweede lid, wordt teruggevorderd als de begiftigden geen effectieve verhuring van negen jaar kunnen aantonen. De begiftigden moeten de voortijdige beëindiging van de geregistreerde huurovereenkomst melden bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie [3 binnen een termijn van vier maanden vanaf de beëindiging]3. Om de terugvordering te vermijden, moeten de begiftigden bovendien binnen een termijn van zes maanden na deze beëindiging een nieuwe geregistreerde huurovereenkomst, alsmede een conformiteitsattest, voor het geschonken goed voorleggen.
Bij niet-nakoming van de verbintenissen, vermeld in het derde lid, zijn de begiftigden elk gehouden tot betaling van de teruggegeven schenkbelasting over hun eigen aandeel in de schenking. De teruggegeven schenkbelasting is niet verschuldigd als de niet-nakoming van de aangegane verbintenis het gevolg is van overmacht.
§ 3. In afwijking van artikel 2.8.4.1.1, § 3, [5 tweede lid,]5 bedraagt het tarief van de schenkbelasting 3% voor een schenking van een onroerend goed gelegen in het Vlaamse Gewest als de begiftigde voldoet aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid van hetzij paragraaf 1, hetzij paragraaf 2.
Het verschil tussen de schenkbelasting, berekend overeenkomstig het artikel 2.8.4.1.1, § 3, [5 tweede lid,]5 en de schenkbelasting, berekend overeenkomstig het eerste lid, wordt teruggegeven overeenkomstig de bepalingen van artikel 3.6.0.0.6, § 1/1, of § 1/2.
§ 4. Als in dezelfde akte of in een andere akte van dezelfde datum naast het goed waarvoor de teruggave overeenkomstig paragraaf 1 of paragraaf 2 wordt gevraagd, nog andere onroerende goederen werden geschonken, wordt de schenking van het goed waarop de teruggave betrekking heeft, geacht vóór de schenking van de andere goederen geregistreerd te zijn of verplicht registreerbaar te zijn geworden.
§ 5. In geval van een aan een opschortende voorwaarde onderworpen schenking wordt voor de toepassing van dit artikel de datum van de vervulling van de voorwaarde in de plaats gesteld van de datum van de akte.]1
Änderungen
| acquisition entre toutes les autres personnes | |||
| tranche de la donation | |||
| A tranche en euros | tarif applicable à la tranche correspondante figurant dans la colonne A, en % | montant total de la taxe sur les tranches précédentes, en euros | |
| A partir de | à | ||
| 0,01 | 150 000 | 9 | - |
| 150 000,01 | 250 000 | 17 | 13 500 |
| 250 000,01 | 450 000 | 24 | 30 500 |
| 450 000,01 | 31 | 78 500 | |
La différence entre l'impôt de donation, calculé conformément aux tableaux de l'article 2.8.4.1.1, § 1er, et l'impôt de donation, calculé conformément aux tableaux de l'alinéa premier, est restituée conformément aux dispositions de l'article 3.6.0.0.6, § 1/1. L'abattement appliqué conformément à l'article 2.8.3.0.4 et la réduction octroyée conformément à l'article 2.8.5.0.1 resteront maintenus dans ce cas.
§ 2. Par dérogation à l'article 2.8.4.1.1, § 1er, l'impôt de donation pour les donations de biens immeubles situés en Région flamande, [2 faites à partir du 1er juillet 2015,]2 est calculé selon le tarif, visé au paragraphe 1er, à condition que les bénéficiaires ou l'un d'entre eux, dans un délai de trois ans à partir de la date de l'acte de donation, présente l'attestation de conformité, visée au [4 livre 3, partie 3, du Code flamand du Logement de 2021]4, ainsi qu'un contrat de location enregistré pour le bien donné d'une durée minimale de neuf années, les deux datant d'après la date de l'acte de donation. [3 Ni le donateur ni les bénéficiaires ni un de ceux-ci ne peuvent agir en tant que locataires dans le contrat de location enregistré.]3
La différence entre l'impôt de donation, calculé conformément aux tableaux de l'article 2.8.4.1.1, § 1er, et l'impôt de donation, calculé conformément à l'alinéa premier, est restituée conformément aux dispositions de l'article 3.6.0.0.6, § 1/2. L'abattement appliqué conformément à l'article 2.8.3.0.4 et la réduction octroyée conformément à l'article 2.8.5.0.1 resteront maintenus dans ce cas.
Le montant restitué, visé à l'alinéa deux, est recouvré si les bénéficiaires ne peuvent pas démontrer une location effective de neuf années. Les bénéficiaires doivent notifier la cessation prématurée du contrat de location enregistré auprès de l'entité compétente de l'administration flamande [3 dans un délai de quatre mois à partir de la cessation]3. Pour éviter le recouvrement, les bénéficiaires doivent en outre présenter, dans un délai de six mois après cette cessation, un nouveau contrat de location enregistré, ainsi qu'une attestation de conformité, pour le bien donné.
En cas de non-respect des engagements, visés à l'alinéa trois, les bénéficiaires sont chacun tenus au paiement de l'impôt de donation restitué sur leur propre part de la donation. L'impôt de donation restitué n'est pas dû si le non-respect de l'engagement contracté résulte d'un cas de force majeure.
§ 3. Par dérogation à l'article 2.8.4.1.1, § 3, [5 alinéa 2,]5 le tarif de l'impôt de donation s'élève à 3% pour une donation d'un bien immeuble situé en Région flamande si le bénéficiaire répond aux conditions, visées à l'alinéa premier soit du paragraphe 1er, soit du paragraphe 2.
La différence entre l'impôt de donation, calculé conformément à l'article 2.8.4.1.1, § 3, [5 alinéa 2,]5 et l'impôt de donation, calculé conformément à l'alinéa premier, est restituée conformément aux dispositions de l'article 3.6.0.0.6, § 1/1 ou § 1/2.
§ 4. Si le même acte ou un autre acte de la même date concerne également la donation d'autres biens immeubles, outre celle du bien pour lequel la restitution est demandée conformément au paragraphe 1er ou au paragraphe 2, la donation du bien auquel la restitution a trait, est censée être enregistrée ou devenue obligatoirement enregistrable avant la donation des autres biens.
§ 5. En cas d'une donation soumise à une condition suspensive, la date du respect des conditions est substituée à la date de l'acte pour l'application du présent article.]1
Änderungen
Onderafdeling 4. [1 - Tarieven voor schenkingen van een beschermd monument waarvoor een investeringsverplichting geldt]1
Sous-section 4. [1 - Tarifs pour donations d'un monument protégé soumis à une obligation d'investissement]1
Art. 2.8.4.4.1. [1 § 1. In afwijking van artikel 2.8.4.1.1, § 1, wordt de schenkbelasting voor schenkingen van de geheelheid eigendom van onroerende goederen in het Vlaamse Gewest [6 , gedaan voor 1 januari 2025,]6 berekend volgens het tarief, vermeld in de tabellen, vermeld in artikel 2.8.4.3.1, § 1, eerste lid, op voorwaarde dat:
1° binnen vijf jaar vanaf de datum van de schenkingsakte het bedrag dat overeenstemt met het verschil tussen de schenkbelasting, geheven conform artikel 2.8.4.1.1, § 1, en de schenkbelasting, verschuldigd bij gebrek aan toepassing van hetzelfde artikel, geïnvesteerd wordt in beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten die noodzakelijk zijn voor het behoud of de herwaardering van de erfgoedkenmerken en -elementen van het beschermde monument, vermeld in artikel 2.1, 16°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013. De voormelde beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten dienen opgenomen te zijn in een goedgekeurd beheersplan als vermeld in punt 2°, dat geldig is bij de aanvang van de voormelde beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten;
2° voor het beschermde monument, vermeld in artikel 2.1, 16°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, een beheersplan is opgemaakt conform hoofdstuk 8 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en hoofdstuk 8 van het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014. Het beheersplan is goedgekeurd door het agentschap, vermeld in artikel 2.1, 2°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.
Het verschil tussen de schenkbelasting, berekend conform de tabellen van artikel 2.8.4.1.1, § 1, en de schenkbelasting, berekend conform de tabellen, vermeld in het eerste lid, wordt teruggegeven conform artikel 3.6.0.0.6, § 1/3. Het abattement, toegepast conform artikel 2.8.3.0.4, en de vermindering, verleend conform artikel 2.8.5.0.1, blijven in dat geval behouden.
§ 2. Het bedrag, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, is exclusief btw.
§ 3. In afwijking van artikel 2.8.4.1.1, § 3, [5 tweede lid,]5 bedraagt het tarief van de schenkbelasting 3% voor een schenking van een onroerend goed in het Vlaamse Gewest als de begiftigde voldoet aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, eerste lid.
Het verschil tussen de schenkbelasting, berekend conform artikel 2.8.4.1.1, § 3, [5 tweede lid,]5 en de schenkbelasting, berekend conform het eerste lid, wordt teruggegeven conform de bepalingen van artikel 3.6.0.0.6, § 1/3.
§ 4. Als in dezelfde akte of in een andere akte van dezelfde datum naast het goed waarvoor de teruggave, vermeld in paragraaf 1, wordt gevraagd, nog andere onroerende goederen zijn geschonken, wordt de schenking van het goed waarop de teruggave betrekking heeft, geacht vóór de schenking van de andere goederen geregistreerd te zijn of verplicht registreerbaar te zijn geworden.
§ 5. Bij een schenking die onderworpen is aan een opschortende voorwaarde, wordt voor de toepassing van dit artikel de datum van de vervulling van de voorwaarde in de plaats gesteld van de datum van de akte.
§ 6. Het voordeel van de toepassing van paragraaf 1 of 3 kan niet gecombineerd worden met de premies, vermeld in artikel 10.2.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 [3 , noch met de belastingvermindering van de personenbelasting, vermeld in artikel 14536 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, als de voormelde premies of de belastingvermindering]3 betrekking hebben op dezelfde beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten als de beheersmaatregelen, de werkzaamheden of de diensten, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°.]1
[2 § 7. Voor de toepassing van dit artikel moet voldaan zijn aan de verplichtingen van [4 artikel 3.12.3.0.1, § 1, 5°, en § 3, eerste lid]4.]2
1° binnen vijf jaar vanaf de datum van de schenkingsakte het bedrag dat overeenstemt met het verschil tussen de schenkbelasting, geheven conform artikel 2.8.4.1.1, § 1, en de schenkbelasting, verschuldigd bij gebrek aan toepassing van hetzelfde artikel, geïnvesteerd wordt in beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten die noodzakelijk zijn voor het behoud of de herwaardering van de erfgoedkenmerken en -elementen van het beschermde monument, vermeld in artikel 2.1, 16°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013. De voormelde beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten dienen opgenomen te zijn in een goedgekeurd beheersplan als vermeld in punt 2°, dat geldig is bij de aanvang van de voormelde beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten;
2° voor het beschermde monument, vermeld in artikel 2.1, 16°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, een beheersplan is opgemaakt conform hoofdstuk 8 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en hoofdstuk 8 van het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014. Het beheersplan is goedgekeurd door het agentschap, vermeld in artikel 2.1, 2°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.
Het verschil tussen de schenkbelasting, berekend conform de tabellen van artikel 2.8.4.1.1, § 1, en de schenkbelasting, berekend conform de tabellen, vermeld in het eerste lid, wordt teruggegeven conform artikel 3.6.0.0.6, § 1/3. Het abattement, toegepast conform artikel 2.8.3.0.4, en de vermindering, verleend conform artikel 2.8.5.0.1, blijven in dat geval behouden.
§ 2. Het bedrag, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, is exclusief btw.
§ 3. In afwijking van artikel 2.8.4.1.1, § 3, [5 tweede lid,]5 bedraagt het tarief van de schenkbelasting 3% voor een schenking van een onroerend goed in het Vlaamse Gewest als de begiftigde voldoet aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, eerste lid.
Het verschil tussen de schenkbelasting, berekend conform artikel 2.8.4.1.1, § 3, [5 tweede lid,]5 en de schenkbelasting, berekend conform het eerste lid, wordt teruggegeven conform de bepalingen van artikel 3.6.0.0.6, § 1/3.
§ 4. Als in dezelfde akte of in een andere akte van dezelfde datum naast het goed waarvoor de teruggave, vermeld in paragraaf 1, wordt gevraagd, nog andere onroerende goederen zijn geschonken, wordt de schenking van het goed waarop de teruggave betrekking heeft, geacht vóór de schenking van de andere goederen geregistreerd te zijn of verplicht registreerbaar te zijn geworden.
§ 5. Bij een schenking die onderworpen is aan een opschortende voorwaarde, wordt voor de toepassing van dit artikel de datum van de vervulling van de voorwaarde in de plaats gesteld van de datum van de akte.
§ 6. Het voordeel van de toepassing van paragraaf 1 of 3 kan niet gecombineerd worden met de premies, vermeld in artikel 10.2.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 [3 , noch met de belastingvermindering van de personenbelasting, vermeld in artikel 14536 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, als de voormelde premies of de belastingvermindering]3 betrekking hebben op dezelfde beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten als de beheersmaatregelen, de werkzaamheden of de diensten, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°.]1
[2 § 7. Voor de toepassing van dit artikel moet voldaan zijn aan de verplichtingen van [4 artikel 3.12.3.0.1, § 1, 5°, en § 3, eerste lid]4.]2
Änderungen
Art. 2.8.4.4.1. [1 § 1er. Par dérogation à l'article 2.8.4.1.1, § 1er, l'impôt de donation pour les donations de la totalité de propriété de biens immobiliers situés en Région flamande [6 effectué avant le 1er janvier 2025]6 est calculé selon le tarif, visé aux tableaux visés à l'article 2.8.4.3.1, § 1er, alinéa 1er, à condition que :
1° dans les cinq années à partir de la date de l'acte de donation, le montant correspondant à la différence entre l'impôt de donation, perçu conformément à l'article 2.8.4.1.1, § 1er, et l'impôt de donation, dû à défaut d'application du même article, soit investi dans des mesures de gestion, des travaux ou services nécessaires au maintien ou à la revalorisation des caractéristiques et éléments patrimoniaux du monument protégé, visé à l'article 2.1, 16°, du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013. Les mesures de gestion, travaux ou services précités doivent être repris dans un plan de gestion approuvé tel que visé au point 2°, qui est valable au début des mesures de gestion, travaux ou services précités ;
2° pour le monument protégé, visé à l'article 2.1, 16°, du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, un plan de gestion soit établi conformément au chapitre 8 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 et au chapitre 8 de l'Arrêté sur le Patrimoine immobilier du 16 mai 2014. Le plan de gestion est approuvé par l'agence, visée à l'article 2.1, 2°, du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013.
La différence entre l'impôt de donation, calculé conformément aux tableaux de l'article 2.8.4.1.1, § 1er, et l'impôt de donation, calculé conformément aux tableaux visés à l'alinéa 1er, est restituée conformément à l'article 3.6.0.0.6, § 1/3. L'abattement appliqué conformément à l'article 2.8.3.0.4 et la réduction octroyée conformément à l'article 2.8.5.0.1 resteront maintenus dans ce cas.
§ 2. Le montant visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, est hors T.V.A..
§ 3. Par dérogation à l'article 2.8.4.1.1, § 3, [5 alinéa 2,]5 le tarif de l'impôt de donation s'élève à 3% pour une donation d'un bien immobilier situé en Région flamande si le bénéficiaire répond aux conditions, visées au paragraphe 1er, alinéa 1er.
La différence entre l'impôt de donation, calculé conformément à l'article 2.8.4.1.1, § 3, [5 alinéa 2,]5 et l'impôt de donation, calculé conformément à l'alinéa premier, est restituée conformément aux dispositions de l'article 3.6.0.0.6, § 1/3.
§ 4. Si le même acte ou un autre acte de la même date concerne également la donation d'autres biens immobiliers, outre celle du bien pour lequel la restitution est demandée conformément au paragraphe 1er, la donation du bien auquel la restitution a trait, est censée être enregistrée ou devenue obligatoirement enregistrable avant la donation des autres biens.
§ 5. En cas d'une donation soumise à une condition suspensive, la date du respect de la condition est substituée à la date de l'acte pour l'application du présent article.
§ 6. L'avantage de l'application du paragraphe 1er ou 3 ne peut pas être combiné avec les primes, visées à l'article 10.2.1 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 [3 , ni avec la diminution des impôts des personnes physiques, visée à l'article 14536 du Code des Impôts sur les Revenus 1992, si les primes ou la diminution des impôts précitées]3 concernent les mêmes mesures de gestion, travaux ou services que ceux visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°.]1
[2 § 7. Pour l'application du présent article, il doit être satisfait aux obligations de [4 l'article 3.12.3.0.1, § 1er, 5°, et § 3, alinéa 1er]4.]2
1° dans les cinq années à partir de la date de l'acte de donation, le montant correspondant à la différence entre l'impôt de donation, perçu conformément à l'article 2.8.4.1.1, § 1er, et l'impôt de donation, dû à défaut d'application du même article, soit investi dans des mesures de gestion, des travaux ou services nécessaires au maintien ou à la revalorisation des caractéristiques et éléments patrimoniaux du monument protégé, visé à l'article 2.1, 16°, du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013. Les mesures de gestion, travaux ou services précités doivent être repris dans un plan de gestion approuvé tel que visé au point 2°, qui est valable au début des mesures de gestion, travaux ou services précités ;
2° pour le monument protégé, visé à l'article 2.1, 16°, du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, un plan de gestion soit établi conformément au chapitre 8 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 et au chapitre 8 de l'Arrêté sur le Patrimoine immobilier du 16 mai 2014. Le plan de gestion est approuvé par l'agence, visée à l'article 2.1, 2°, du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013.
La différence entre l'impôt de donation, calculé conformément aux tableaux de l'article 2.8.4.1.1, § 1er, et l'impôt de donation, calculé conformément aux tableaux visés à l'alinéa 1er, est restituée conformément à l'article 3.6.0.0.6, § 1/3. L'abattement appliqué conformément à l'article 2.8.3.0.4 et la réduction octroyée conformément à l'article 2.8.5.0.1 resteront maintenus dans ce cas.
§ 2. Le montant visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, est hors T.V.A..
§ 3. Par dérogation à l'article 2.8.4.1.1, § 3, [5 alinéa 2,]5 le tarif de l'impôt de donation s'élève à 3% pour une donation d'un bien immobilier situé en Région flamande si le bénéficiaire répond aux conditions, visées au paragraphe 1er, alinéa 1er.
La différence entre l'impôt de donation, calculé conformément à l'article 2.8.4.1.1, § 3, [5 alinéa 2,]5 et l'impôt de donation, calculé conformément à l'alinéa premier, est restituée conformément aux dispositions de l'article 3.6.0.0.6, § 1/3.
§ 4. Si le même acte ou un autre acte de la même date concerne également la donation d'autres biens immobiliers, outre celle du bien pour lequel la restitution est demandée conformément au paragraphe 1er, la donation du bien auquel la restitution a trait, est censée être enregistrée ou devenue obligatoirement enregistrable avant la donation des autres biens.
§ 5. En cas d'une donation soumise à une condition suspensive, la date du respect de la condition est substituée à la date de l'acte pour l'application du présent article.
§ 6. L'avantage de l'application du paragraphe 1er ou 3 ne peut pas être combiné avec les primes, visées à l'article 10.2.1 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 [3 , ni avec la diminution des impôts des personnes physiques, visée à l'article 14536 du Code des Impôts sur les Revenus 1992, si les primes ou la diminution des impôts précitées]3 concernent les mêmes mesures de gestion, travaux ou services que ceux visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°.]1
[2 § 7. Pour l'application du présent article, il doit être satisfait aux obligations de [4 l'article 3.12.3.0.1, § 1er, 5°, et § 3, alinéa 1er]4.]2
Änderungen
Afdeling 5. - [1 Verminderingen]1
Section 5. - [1 Réductions]1
Art. 2.8.5.0.1. [1 § 1. Als de belastingplichtige op het tijdstip waarop de schenkbelasting opvorderbaar is, minstens drie kinderen in leven heeft die de leeftijd van eenentwintig jaar niet hebben bereikt, wordt de met toepassing van artikel 2.8.4.1.1, § 1, vastgestelde schenkbelasting verminderd met 2% voor elk van die kinderen van de begiftigde, zonder dat de vermindering meer dan 62 euro per kind mag bedragen.
Die vermindering wordt ten gunste van de begiftigde partner gebracht op 4% per kind dat de leeftijd van eenentwintig jaar niet heeft bereikt, zonder dat de vermindering meer dan 124 euro per kind mag bedragen.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een kind dat verwekt is op het ogenblik van de schenking, als het levensvatbaar geboren wordt, gelijkgesteld met een geboren kind.
§ 2. Het voordeel van de verminderingen, vermeld in paragraaf 1, wordt alleen toegestaan als voldaan is aan de verplichtingen, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1 en § 4, eerste lid.
[2 ...]2
De belastingplichtige die over het aantal kinderen een onjuiste verklaring heeft afgelegd, is aanvullende rechten verschuldigd.]1
Die vermindering wordt ten gunste van de begiftigde partner gebracht op 4% per kind dat de leeftijd van eenentwintig jaar niet heeft bereikt, zonder dat de vermindering meer dan 124 euro per kind mag bedragen.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een kind dat verwekt is op het ogenblik van de schenking, als het levensvatbaar geboren wordt, gelijkgesteld met een geboren kind.
§ 2. Het voordeel van de verminderingen, vermeld in paragraaf 1, wordt alleen toegestaan als voldaan is aan de verplichtingen, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1 en § 4, eerste lid.
[2 ...]2
De belastingplichtige die over het aantal kinderen een onjuiste verklaring heeft afgelegd, is aanvullende rechten verschuldigd.]1
Art. 2.8.5.0.1. [1 § 1er. Lorsque le donataire a au moins trois enfants en vie, n'ayant pas atteint l'âge de vingt et un ans au jour où le droit est exigible, le montant du droit fixé suivant l'article 2.8.4.1.1, § 1er est réduit de 2 % pour chacun de ces enfants, sans que la réduction puisse excéder 62 euros par enfant.
Cette réduction est portée, en faveur du conjoint donataire, à 4 % par enfant n'ayant pas atteint l'âge de vingt et un ans, sans que la réduction puisse excéder 124 euros par enfant.
Pour l'application du présent article, l'enfant conçu est, pour autant qu'il naisse viable, assimilé à l'enfant né.
§ 2. Le bénéfice des réductions prévues au paragraphe 1er est subordonné au respect des obligations mentionnées à l'article 3.12.3.0.1, § 1er et § 4, premier alinéa.
[2 ...]2
Le contribuable qui a fait une déclaration inexacte relativement au nombre de ses enfants est tenu à des droits complémentaires.]1
Cette réduction est portée, en faveur du conjoint donataire, à 4 % par enfant n'ayant pas atteint l'âge de vingt et un ans, sans que la réduction puisse excéder 124 euros par enfant.
Pour l'application du présent article, l'enfant conçu est, pour autant qu'il naisse viable, assimilé à l'enfant né.
§ 2. Le bénéfice des réductions prévues au paragraphe 1er est subordonné au respect des obligations mentionnées à l'article 3.12.3.0.1, § 1er et § 4, premier alinéa.
[2 ...]2
Le contribuable qui a fait une déclaration inexacte relativement au nombre de ses enfants est tenu à des droits complémentaires.]1
Afdeling 6. - [1 Vrijstellingen]1
Section 6. - [1 Exonérations]1
Art. 2.8.6.0.1. [1 Er wordt een vrijstelling van de schenkbelasting verleend voor :
1° de overeenkomsten houdende schenking van vruchtgebruik aan de blote eigenaar, als de schenkbelasting of de erfbelasting of een soortgelijk recht door de blote eigenaar of door een vorige blote eigenaar, zijn rechtsvoorganger, op de waarde van de volle eigendom is voldaan;
2° de overeenkomsten houdende schenking van onroerende goederen die in het buitenland liggen;
3° op voorwaarde van wederkerigheid, de akten houdende schenking aan vreemde staten van onroerende goederen die bestemd zijn tot vestiging van hun diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in België, of voor de woning van het hoofd van de standplaats;
4° de akten houdende schenking van onroerende goederen als vermeld in artikel 2.8.4.1.1, § 1, voor zover die schenking plaatsvindt met het oog op de realisatie van een brownfieldproject dat het voorwerp uitmaakt of zal uitmaken van een bownfieldconvenant als vermeld in het decreet van 30 maart 2007 betreffende de Brownfieldconvenanten;
[3 5° de akten die met toepassing van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn of deel 3, titel 4, van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, verrichtingen vaststellen als vermeld in artikel 2.8.1.0.1, hetzij ten bate van openbare centra voor maatschappelijk welzijn, hetzij ten bate van op grond van de voormelde wet of decreten opgerichte verenigingen, alsook akten houdende verrichtingen als vermeld in artikel 2.8.1.0.1, na ontbinding of splitsing van een voormelde vereniging.]3
De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 4°, wordt alleen verleend als bij de aan de formaliteit van de registratie onderworpen akte of verklaring over de overeenkomst een attest is gevoegd waarin wordt bevestigd dat de schenking plaatsvindt met het oog op de realisatie van een brownfieldproject dat het voorwerp uitmaakt of zal uitmaken van een brownfieldconvenant, en dat de onroerende goederen waarvoor de vrijstelling wordt gevraagd, deel uitmaken van dat brownfieldproject. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de vormgeving van dat attest.
Als de overeenkomst, vermeld in het eerste lid, 4°, ook andere onroerende goederen omvat dan de onroerende goederen, vermeld in het tweede lid, moet de verkoopwaarde van elk van de onderscheiden categorieën van onroerende goederen worden opgegeven in een aanvullende verklaring als vermeld in artikel 3.13.1.2.1, eerste lid.
[2 De schenkbelasting is alsnog verschuldigd door de verkrijger van de onroerende goederen, vermeld in het eerste lid, 4°, als de Vlaamse Regering beslist tot stopzetting van de onderhandelingen als vermeld in artikel 8, § 3, vierde lid, van het decreet van 30 maart 2007 betreffende de Brownfieldconvenanten, of als het brownfieldproject niet tijdig wordt gestart of gerealiseerd conform de voorwaarden, vermeld in het brownfieldconvenant.]2 De schenkbelasting wordt opeisbaar vanaf de kennisgeving aan het bevoegde personeelslid van het niet langer vervuld zijn van de voorwaarden voor het behoud van de vrijstelling. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor die kennisgeving.]1
1° de overeenkomsten houdende schenking van vruchtgebruik aan de blote eigenaar, als de schenkbelasting of de erfbelasting of een soortgelijk recht door de blote eigenaar of door een vorige blote eigenaar, zijn rechtsvoorganger, op de waarde van de volle eigendom is voldaan;
2° de overeenkomsten houdende schenking van onroerende goederen die in het buitenland liggen;
3° op voorwaarde van wederkerigheid, de akten houdende schenking aan vreemde staten van onroerende goederen die bestemd zijn tot vestiging van hun diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in België, of voor de woning van het hoofd van de standplaats;
4° de akten houdende schenking van onroerende goederen als vermeld in artikel 2.8.4.1.1, § 1, voor zover die schenking plaatsvindt met het oog op de realisatie van een brownfieldproject dat het voorwerp uitmaakt of zal uitmaken van een bownfieldconvenant als vermeld in het decreet van 30 maart 2007 betreffende de Brownfieldconvenanten;
[3 5° de akten die met toepassing van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn of deel 3, titel 4, van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, verrichtingen vaststellen als vermeld in artikel 2.8.1.0.1, hetzij ten bate van openbare centra voor maatschappelijk welzijn, hetzij ten bate van op grond van de voormelde wet of decreten opgerichte verenigingen, alsook akten houdende verrichtingen als vermeld in artikel 2.8.1.0.1, na ontbinding of splitsing van een voormelde vereniging.]3
De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 4°, wordt alleen verleend als bij de aan de formaliteit van de registratie onderworpen akte of verklaring over de overeenkomst een attest is gevoegd waarin wordt bevestigd dat de schenking plaatsvindt met het oog op de realisatie van een brownfieldproject dat het voorwerp uitmaakt of zal uitmaken van een brownfieldconvenant, en dat de onroerende goederen waarvoor de vrijstelling wordt gevraagd, deel uitmaken van dat brownfieldproject. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de vormgeving van dat attest.
Als de overeenkomst, vermeld in het eerste lid, 4°, ook andere onroerende goederen omvat dan de onroerende goederen, vermeld in het tweede lid, moet de verkoopwaarde van elk van de onderscheiden categorieën van onroerende goederen worden opgegeven in een aanvullende verklaring als vermeld in artikel 3.13.1.2.1, eerste lid.
[2 De schenkbelasting is alsnog verschuldigd door de verkrijger van de onroerende goederen, vermeld in het eerste lid, 4°, als de Vlaamse Regering beslist tot stopzetting van de onderhandelingen als vermeld in artikel 8, § 3, vierde lid, van het decreet van 30 maart 2007 betreffende de Brownfieldconvenanten, of als het brownfieldproject niet tijdig wordt gestart of gerealiseerd conform de voorwaarden, vermeld in het brownfieldconvenant.]2 De schenkbelasting wordt opeisbaar vanaf de kennisgeving aan het bevoegde personeelslid van het niet langer vervuld zijn van de voorwaarden voor het behoud van de vrijstelling. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor die kennisgeving.]1
Art. 2.8.6.0.1. [1 Une exonération du droit de donation est accordée pour :
1° les conventions de transmission de l'usufruit au nu-propriétaire, lorsque le droit de donation ou le droit de succession, ou un droit analogue a été payé par le nu-propriétaire, ou par un précédent nu-propriétaire dont il tient ses droits, sur la valeur de la pleine propriété ;
2° les conventions ayant pour objet la donation d'immeubles situés à l'étranger ;
3° les actes portant donation à des Etats étrangers de biens immobiliers, pour l'installation de leur représentation diplomatique ou consulaire en Belgique ou pour la résidence du chef de leur mission, sous la condition que la réciprocité soit garantie ;
4° les actes portant donation de biens immobiliers tels que mentionnés à l'article 2.8.4.1.1, § 1er, pour autant que la donation soit conclue en vue de la réalisation d'un projet Brownfield qui fait ou qui fera l'objet d'une convention Brownfield, mentionnée dans le décret du 30 mars 2007 relatif aux conventions Brownfield;
[3 5° les actes qui, en application de la loi organique du 8 juillet 1976 relative aux centres publics d'aide sociale, du décret du 19 décembre 2008 relatif à l'organisation des centres publics d'aide sociale, ou de la partie 3, titre 4, du décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale, constatent des opérations telles que visées à l'article 2.8.1.0.1, soit au profit de centres publics d'aide sociale, soit au profit d'associations créées en vertu de la loi ou des décrets précités, de même que les actes portant des opérations telles que visées à l'article 2.8.1.0.1, après dissolution ou division d'une association précitée.]3
L'exonération mentionnée au premier alinéa, 4°, ne sera accordée qu'à condition de joindre à l'acte ou à la déclaration concernant la convention, soumis à la formalité d'enregistrement, une attestation confirmant que la donation est conclue en vue de la réalisation d'un projet Brownfield qui fait ou fera l'objet d'une convention Brownfield, et que les biens immeubles pour lesquels l'enregistrement gratuit est demandé, font partie de ce projet Brownfield. Le Gouvernement flamand arrête les modalités relatives à la forme de cette attestation
Lorsque la convention mentionnée au premier alinéa porte également sur d'autres biens immeubles que ceux visés au second alinéa, la valeur vénale de chacune des catégories distinctes de biens immeubles doit être indiquée dans une déclaration, telle que visée à l'article 3.13.1.2.1, premier alinéa.
[2 Le droit de donation devient payable par l'acquéreur des biens immobiliers, visés à l'alinéa premier, 4°, lorsque le Gouvernement flamand décide d'interrompre les négociations visées à l'article 8, § 3, alinéa quatre, du décret du 30 mars 2007 relatif aux conventions Brownfield, ou lorsque le projet Brownfield n'est pas entamé à temps ou réalisé conformément aux conditions reprises dans la convention Brownfield.]2 Le droit de donation devient exigible à compter de la notification au membre du personnel compétent du non-respect des conditions du maintien de l'exonération. Le Gouvernement flamand arrête les modalités de cette notification.]1
1° les conventions de transmission de l'usufruit au nu-propriétaire, lorsque le droit de donation ou le droit de succession, ou un droit analogue a été payé par le nu-propriétaire, ou par un précédent nu-propriétaire dont il tient ses droits, sur la valeur de la pleine propriété ;
2° les conventions ayant pour objet la donation d'immeubles situés à l'étranger ;
3° les actes portant donation à des Etats étrangers de biens immobiliers, pour l'installation de leur représentation diplomatique ou consulaire en Belgique ou pour la résidence du chef de leur mission, sous la condition que la réciprocité soit garantie ;
4° les actes portant donation de biens immobiliers tels que mentionnés à l'article 2.8.4.1.1, § 1er, pour autant que la donation soit conclue en vue de la réalisation d'un projet Brownfield qui fait ou qui fera l'objet d'une convention Brownfield, mentionnée dans le décret du 30 mars 2007 relatif aux conventions Brownfield;
[3 5° les actes qui, en application de la loi organique du 8 juillet 1976 relative aux centres publics d'aide sociale, du décret du 19 décembre 2008 relatif à l'organisation des centres publics d'aide sociale, ou de la partie 3, titre 4, du décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale, constatent des opérations telles que visées à l'article 2.8.1.0.1, soit au profit de centres publics d'aide sociale, soit au profit d'associations créées en vertu de la loi ou des décrets précités, de même que les actes portant des opérations telles que visées à l'article 2.8.1.0.1, après dissolution ou division d'une association précitée.]3
L'exonération mentionnée au premier alinéa, 4°, ne sera accordée qu'à condition de joindre à l'acte ou à la déclaration concernant la convention, soumis à la formalité d'enregistrement, une attestation confirmant que la donation est conclue en vue de la réalisation d'un projet Brownfield qui fait ou fera l'objet d'une convention Brownfield, et que les biens immeubles pour lesquels l'enregistrement gratuit est demandé, font partie de ce projet Brownfield. Le Gouvernement flamand arrête les modalités relatives à la forme de cette attestation
Lorsque la convention mentionnée au premier alinéa porte également sur d'autres biens immeubles que ceux visés au second alinéa, la valeur vénale de chacune des catégories distinctes de biens immeubles doit être indiquée dans une déclaration, telle que visée à l'article 3.13.1.2.1, premier alinéa.
[2 Le droit de donation devient payable par l'acquéreur des biens immobiliers, visés à l'alinéa premier, 4°, lorsque le Gouvernement flamand décide d'interrompre les négociations visées à l'article 8, § 3, alinéa quatre, du décret du 30 mars 2007 relatif aux conventions Brownfield, ou lorsque le projet Brownfield n'est pas entamé à temps ou réalisé conformément aux conditions reprises dans la convention Brownfield.]2 Le droit de donation devient exigible à compter de la notification au membre du personnel compétent du non-respect des conditions du maintien de l'exonération. Le Gouvernement flamand arrête les modalités de cette notification.]1
Art. 2.8.6.0.2. [1 Er wordt een vrijstelling van de schenkbelasting verleend voor vonnissen en arresten houdende vernietiging, ontbinding of herroeping van een schenking van onroerende goederen die in België liggen.
Als de vernietiging, ontbinding of herroeping, vermeld in het eerste lid, uitgesproken is ten voordele van een andere persoon dan een van de partijen bij de overeenkomst, haar erfgenamen of legatarissen, wordt al naargelang het geval de belasting, vermeld in hoofdstuk 8 tot en met hoofdstuk 11, geheven die verschuldigd geweest zou zijn als de vernietiging, de ontbinding of de herroeping het voorwerp van een minnelijke akte had uitgemaakt.]1
Als de vernietiging, ontbinding of herroeping, vermeld in het eerste lid, uitgesproken is ten voordele van een andere persoon dan een van de partijen bij de overeenkomst, haar erfgenamen of legatarissen, wordt al naargelang het geval de belasting, vermeld in hoofdstuk 8 tot en met hoofdstuk 11, geheven die verschuldigd geweest zou zijn als de vernietiging, de ontbinding of de herroeping het voorwerp van een minnelijke akte had uitgemaakt.]1
Art. 2.8.6.0.2. [1 Une exonération du droit de donation est octroyée pour les jugements et arrêts portant annulation, résolution ou révocation d'une donation de biens immobiliers situés en Belgique.
Lorsque l'annulation, la résolution ou la révocation mentionnée dans le premier alinéa est prononcée au profit d'une personne autre que l'une des parties à la convention, ses héritiers ou légataires, il est perçu le droit mentionné aux chapitres 8 à 11 qui aurait été exigible si l'annulation, la résolution ou la révocation avait fait l'objet d'un acte amiable.]1
Lorsque l'annulation, la résolution ou la révocation mentionnée dans le premier alinéa est prononcée au profit d'une personne autre que l'une des parties à la convention, ses héritiers ou légataires, il est perçu le droit mentionné aux chapitres 8 à 11 qui aurait été exigible si l'annulation, la résolution ou la révocation avait fait l'objet d'un acte amiable.]1
Art. 2.8.6.0.3. [1 § 1. In afwijking van artikel 2.8.4.1.1 wordt van [2 de schenkbelasting]2 vrijgesteld :
1° de schenking van de volle eigendom, de blote eigendom of het vruchtgebruik van de activa die door de schenker of zijn partner beroepsmatig zijn geïnvesteerd in een familiale onderneming. Die vrijstelling is niet van toepassing op de overdrachten van onroerende goederen die hoofdzakelijk tot bewoning worden aangewend of zijn bestemd [5 , met inbegrip van bouwgronden als vermeld in artikel 1.1.0.0.2, zesde lid, 1° /1]5;
2° de schenking van de volle eigendom, de blote eigendom of het vruchtgebruik van aandelen van een familiale vennootschap met zetel van werkelijke leiding in een van de staten van de Europese Economische Ruimte, [3 op voorwaarde dat de aandelen van de vennootschap die op het ogenblik van de schenking onder de levenden in volle eigendom toebehoren aan de schenker en zijn familie, ten minste 50% van de stemrechten in die vennootschap vertegenwoordigen]3. [5 De vrijstelling is niet van toepassing op het gedeelte van de waarde van de aandelen dat de onroerende goederen, vermeld in punt 1°, in de familiale vennootschap, of in participaties van minstens 10% van de familiale vennootschap in haar dochtervennootschappen, vertegenwoordigt. Deze beperking is niet van toepassing voor familiale vennootschappen waarvan de omzet voor minstens 75% wordt gegenereerd door de uitoefening van een activiteit die betrekking heeft op onroerende goederen, vermeld in punt 1°.]5
[3 In afwijking van het eerste lid vertegenwoordigen de aandelen van de vennootschap die op het ogenblik van de schenking in volle eigendom toebehoren aan de schenker en zijn familie, minstens 30% van de stemrechten in die vennootschap, als hij en zijn familie aan een van de volgende voorwaarden voldoen:
1° samen met één andere aandeelhouder en zijn familie volle eigenaar zijn van de aandelen van de vennootschap die minstens 70% van de stemrechten in die vennootschap vertegenwoordigen;
2° samen met twee andere aandeelhouders en hun familie volle eigenaar zijn van de aandelen van de vennootschap die minstens 90% van de stemrechten in die vennootschap vertegenwoordigen.]3
Voor de toepassing van het tweede lid komen de aandelen die toebehoren aan rechtspersonen, niet in aanmerking om te worden samengeteld met de aandelen die toebehoren aan de schenker.
§ 2. Voor de toepassing van dit artikel en artikel 2.8.6.0.4 tot en met artikel 2.8.6.0.7 wordt verstaan onder :
1° familiale onderneming : een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwbedrijf of een vrij beroep dat door de schenker of zijn partner, al dan niet samen met anderen, persoonlijk wordt geëxploiteerd en uitgeoefend;
2° familiale vennootschap : een vennootschap die de uitoefening van een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit, of van een vrij beroep tot [3 voorwerp]3 heeft en uitoefent.
Als de vennootschap aan het voorgaande niet beantwoordt, maar [4 aandelen houdt die minstens 30 % van de stemrechten van één directe dochtervennootschap vertegenwoordigen]4 die aan die voorwaarde beantwoordt en die haar zetel van werkelijke leiding heeft in een van de staten van de Europese Economische Ruimte, wordt ze ook beschouwd als een familiale vennootschap.
Vennootschappen die geen reële economische activiteit hebben, worden uitgesloten van de vrijstelling, vermeld in paragraaf 1. [5 Voor een vennootschap waarvan de omzet voor minstens 75% wordt gegenereerd door de uitoefening van een activiteit die betrekking heeft op onroerende goederen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, kan het uitsluiten van de beperking vermeld in artikel 2.8.6.0.3, § 1, eerste lid, 2°, slechts gelden op voorwaarde dat de vennootschap in de drie jaar voorafgaand aan de authentieke akte van de schenking minstens één tewerkgestelde werknemer telt, uitgedrukt in voltijdse eenheden]5;
3° aandelen :
a) [4 naargelang het geval:
1) als de familiale vennootschap een naamloze vennootschap, een Europese vennootschap of een Europese coöperatieve vennootschap is, dan wel een vennootschap met een andere rechtsvorm waarvoor het Belgische of buitenlandse recht dat haar beheerst, voorziet in een vergelijkbaar begrip: elk deelbewijs met stemrecht dat een deel van het kapitaal vertegenwoordigt;
2) als de familiale vennootschap een vennootschapsvorm heeft waarvoor het Belgische of buitenlandse recht dat de vennootschap beheerst, niet voorziet in het begrip kapitaal of een vergelijkbaar begrip: elk deelbewijs met stemrecht dat is uitgereikt als tegenprestatie voor een inbreng of naar aanleiding van de incorporatie van onbeschikbare reserves;]4
b) de certificaten van aandelen, uitgereikt door rechtspersonen met een zetel in een van de staten van de Europese Economische Ruimte, ter vertegenwoordiging van aandelen van familiale vennootschappen die aan de gestelde voorwaarden voldoen en waarvan de rechtspersoon de verplichting heeft om de dividenden en andere vermogensvoordelen onmiddellijk en uiterlijk binnen een maand door te storten aan de certificaathouder;
4° [2 familie van de schenker of de aandeelhouder als vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 2° :
a) de partner van de schenker of aandeelhouder, waarbij het begrip partner voor de aandeelhouder op een gelijkaardige wijze moet worden geïnterpreteerd als dat het geval is voor de schenker;
b) de verwanten in rechte lijn van de schenker of aandeelhouder, alsook hun partners, waarbij het begrip partner op een gelijkaardige wijze moet worden geïnterpreteerd als dat het geval is voor de schenker;
c) de zijverwanten van de schenker of aandeelhouder tot en met de tweede graad en hun partners, waarbij het begrip partner op een gelijkaardige wijze moet worden geïnterpreteerd als dat het geval is voor de schenker;
d) de kinderen van broers en zussen van de schenker of aandeelhouder.]2
§ 3. Als een vennootschap met toepassing van paragraaf 2, 2°, tweede lid, als een familiale vennootschap wordt beschouwd, wordt de vrijstelling beperkt tot de waarden van de aandelen van de vennootschap in de dochtervennootschappen die de uitoefening van een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit, of van een vrij beroep tot [3 voorwerp]3 hebben en die hun zetel van werkelijke leiding in een van de staten van de Europese Economische Ruimte hebben.]1
1° de schenking van de volle eigendom, de blote eigendom of het vruchtgebruik van de activa die door de schenker of zijn partner beroepsmatig zijn geïnvesteerd in een familiale onderneming. Die vrijstelling is niet van toepassing op de overdrachten van onroerende goederen die hoofdzakelijk tot bewoning worden aangewend of zijn bestemd [5 , met inbegrip van bouwgronden als vermeld in artikel 1.1.0.0.2, zesde lid, 1° /1]5;
2° de schenking van de volle eigendom, de blote eigendom of het vruchtgebruik van aandelen van een familiale vennootschap met zetel van werkelijke leiding in een van de staten van de Europese Economische Ruimte, [3 op voorwaarde dat de aandelen van de vennootschap die op het ogenblik van de schenking onder de levenden in volle eigendom toebehoren aan de schenker en zijn familie, ten minste 50% van de stemrechten in die vennootschap vertegenwoordigen]3. [5 De vrijstelling is niet van toepassing op het gedeelte van de waarde van de aandelen dat de onroerende goederen, vermeld in punt 1°, in de familiale vennootschap, of in participaties van minstens 10% van de familiale vennootschap in haar dochtervennootschappen, vertegenwoordigt. Deze beperking is niet van toepassing voor familiale vennootschappen waarvan de omzet voor minstens 75% wordt gegenereerd door de uitoefening van een activiteit die betrekking heeft op onroerende goederen, vermeld in punt 1°.]5
[3 In afwijking van het eerste lid vertegenwoordigen de aandelen van de vennootschap die op het ogenblik van de schenking in volle eigendom toebehoren aan de schenker en zijn familie, minstens 30% van de stemrechten in die vennootschap, als hij en zijn familie aan een van de volgende voorwaarden voldoen:
1° samen met één andere aandeelhouder en zijn familie volle eigenaar zijn van de aandelen van de vennootschap die minstens 70% van de stemrechten in die vennootschap vertegenwoordigen;
2° samen met twee andere aandeelhouders en hun familie volle eigenaar zijn van de aandelen van de vennootschap die minstens 90% van de stemrechten in die vennootschap vertegenwoordigen.]3
Voor de toepassing van het tweede lid komen de aandelen die toebehoren aan rechtspersonen, niet in aanmerking om te worden samengeteld met de aandelen die toebehoren aan de schenker.
§ 2. Voor de toepassing van dit artikel en artikel 2.8.6.0.4 tot en met artikel 2.8.6.0.7 wordt verstaan onder :
1° familiale onderneming : een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwbedrijf of een vrij beroep dat door de schenker of zijn partner, al dan niet samen met anderen, persoonlijk wordt geëxploiteerd en uitgeoefend;
2° familiale vennootschap : een vennootschap die de uitoefening van een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit, of van een vrij beroep tot [3 voorwerp]3 heeft en uitoefent.
Als de vennootschap aan het voorgaande niet beantwoordt, maar [4 aandelen houdt die minstens 30 % van de stemrechten van één directe dochtervennootschap vertegenwoordigen]4 die aan die voorwaarde beantwoordt en die haar zetel van werkelijke leiding heeft in een van de staten van de Europese Economische Ruimte, wordt ze ook beschouwd als een familiale vennootschap.
Vennootschappen die geen reële economische activiteit hebben, worden uitgesloten van de vrijstelling, vermeld in paragraaf 1. [5 Voor een vennootschap waarvan de omzet voor minstens 75% wordt gegenereerd door de uitoefening van een activiteit die betrekking heeft op onroerende goederen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, kan het uitsluiten van de beperking vermeld in artikel 2.8.6.0.3, § 1, eerste lid, 2°, slechts gelden op voorwaarde dat de vennootschap in de drie jaar voorafgaand aan de authentieke akte van de schenking minstens één tewerkgestelde werknemer telt, uitgedrukt in voltijdse eenheden]5;
3° aandelen :
a) [4 naargelang het geval:
1) als de familiale vennootschap een naamloze vennootschap, een Europese vennootschap of een Europese coöperatieve vennootschap is, dan wel een vennootschap met een andere rechtsvorm waarvoor het Belgische of buitenlandse recht dat haar beheerst, voorziet in een vergelijkbaar begrip: elk deelbewijs met stemrecht dat een deel van het kapitaal vertegenwoordigt;
2) als de familiale vennootschap een vennootschapsvorm heeft waarvoor het Belgische of buitenlandse recht dat de vennootschap beheerst, niet voorziet in het begrip kapitaal of een vergelijkbaar begrip: elk deelbewijs met stemrecht dat is uitgereikt als tegenprestatie voor een inbreng of naar aanleiding van de incorporatie van onbeschikbare reserves;]4
b) de certificaten van aandelen, uitgereikt door rechtspersonen met een zetel in een van de staten van de Europese Economische Ruimte, ter vertegenwoordiging van aandelen van familiale vennootschappen die aan de gestelde voorwaarden voldoen en waarvan de rechtspersoon de verplichting heeft om de dividenden en andere vermogensvoordelen onmiddellijk en uiterlijk binnen een maand door te storten aan de certificaathouder;
4° [2 familie van de schenker of de aandeelhouder als vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 2° :
a) de partner van de schenker of aandeelhouder, waarbij het begrip partner voor de aandeelhouder op een gelijkaardige wijze moet worden geïnterpreteerd als dat het geval is voor de schenker;
b) de verwanten in rechte lijn van de schenker of aandeelhouder, alsook hun partners, waarbij het begrip partner op een gelijkaardige wijze moet worden geïnterpreteerd als dat het geval is voor de schenker;
c) de zijverwanten van de schenker of aandeelhouder tot en met de tweede graad en hun partners, waarbij het begrip partner op een gelijkaardige wijze moet worden geïnterpreteerd als dat het geval is voor de schenker;
d) de kinderen van broers en zussen van de schenker of aandeelhouder.]2
§ 3. Als een vennootschap met toepassing van paragraaf 2, 2°, tweede lid, als een familiale vennootschap wordt beschouwd, wordt de vrijstelling beperkt tot de waarden van de aandelen van de vennootschap in de dochtervennootschappen die de uitoefening van een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit, of van een vrij beroep tot [3 voorwerp]3 hebben en die hun zetel van werkelijke leiding in een van de staten van de Europese Economische Ruimte hebben.]1
Änderungen
Art. 2.8.6.0.3. [1 § 1er. Par dérogation à l'article 2.8.4.1.1, sont exemptées du [2 impôt de donation]2 :
1° la donation de la pleine propriété, la nue-propriété ou l'usufruit des actifs qui sont investis par le donateur ou son partenaire dans une entreprise familiale. Cette exemption n'est pas applicable aux transmissions de biens immeubles affectés ou destinés principalement à l'habitation [5 , y compris les terrains à bâtir tels que visés à l'article 1.1.0.0.2, alinéa 6, 1° /1]5;
2° la donation de la pleine propriété, de l'usufruit ou l'usufruit des actions d'une entreprise familiale dont le siège de direction effective est situé dans l'un des Etats membres de l'Espace économique européen, [3 à condition que les actions de la société qui, au moment de la donation parmi les personnes vivantes appartiennent en pleine propriété au donateur et à sa famille, représentent au moins 50 % des droits de vote dans cette société]3. [5 L'exonération ne s'applique pas à la partie de la valeur des actions représentant les biens immobiliers visés au point 1°, dans la société familiale, ni aux participations d'au moins 10 % de la société familiale dans ses filiales.
Cette restriction ne s'applique pas aux sociétés familiales dont au moins 75 % du chiffre d'affaires sont générés par l'exercice d'une activité liée aux biens immobiliers visés au point 1°.]5
[3 Par dérogation au premier alinéa, les actions de la société qui, au moment de la donation, appartiennent en pleine propriété au donateur et à sa famille représentent au moins 30 % des droits de vote dans cette société, si lui et sa famille répondent à l'une des conditions suivantes :
1° être, ensemble avec un autre actionnaire et sa famille, propriétaire à part entière des actions de la société représentant au moins 70 % des droits de vote dans cette société ;
2° être, ensemble avec deux autres actionnaires et leur famille, propriétaire à part entière des actions de la société représentant au moins 90% des droits de vote dans cette société.]3
Pour l'application du deuxième alinéa, les actions qui reviennent aux personnes morales ne sont pas prises en considération pour être comptabilisées avec les actions qui reviennent au donateur.
§ 2. Pour l'application du présent article et des articles 2.8.6.0.4 à 2.8.6.0.7 il faut entendre par :
1° entreprise familiale : une entreprise industrielle, commerciale, artisanale ou agricole ou une profession libérale, qui est exploitée et exécutée personnellement par le donateur ou son partenaire, en collaboration ou non avec d'autres personnes ;
2° société de famille : une société ayant pour [3 objet]3 l'exercice d'une activité industrielle, commerciale, artisanale ou agricole, ou d'une profession libérale et qui exerce cette activité ou cette profession.
Si la société ne répond pas aux exigences précédentes, mais détient [4 des actions qui représentent au moins 30% des droits de vote d'une filiale directe]4 qui répond à ces conditions et ayant son siège de direction effective dans l'un des Etats membres de l'Espace économique européen, elle est également considérée comme une société de famille.
Les sociétés qui n'ont pas d'activité économique réelle sont exclues de la réduction, visée au paragraphe 1er. [5 Pour une société dont au moins 75 % du chiffre d'affaires sont générés par l'exercice d'une activité liée à des biens immobiliers, visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, l'exclusion de la restriction visée à l'article 2.8.6.0.3, § 1er, alinéa 1er, 2°, ne s'applique qu'à condition que la société compte au moins un travailleur salarié, exprimé en unités à temps plein, au cours des trois années précédant l'acte authentique de donation]5 ;
3° actions :
a) [4 selon le cas :
1) si la société familiale est une société anonyme, une société européenne ou une société coopérative européenne, ou une société ayant une autre forme juridique pour laquelle le droit belge ou étranger qui la régit prévoit une notion comparable : chaque part avec droit de vote représentant une partie du capital ;
2) si la société familiale a une forme de société pour laquelle le droit belge ou étranger qui la régit ne prévoit pas la notion de capital ou une notion comparable : chaque part avec droit de vote émise en contrepartie d'un apport ou à la suite de l'incorporation de réserves indisponibles ;]4
b) les certificats d'actions délivrés par des personnes morales ayant leur siège dans l'un des Etats membres de l'Espace économique européen, à titre de représentation d'actions de sociétés familiales qui remplissent les conditions posées et dont la personne morale a l'obligation de transmettre sans délai et au plus tard dans le mois, les dividendes et autres plus-values au porteur du certificat ;
4° [2 famille du donateur ou de l'actionnaire, dont il est question au paragraphe 1er, premier alinéa, 2° :
a) le partenaire du donateur ou de l'actionnaire, la notion de partenaire pour l'actionnaire devant être interprétée de manière analogue que lorsqu'il s'agit du donateur ;
b) les parents en ligne directe du donateur ou de l'actionnaire ainsi que leurs partenaires, la notion de partenaire devant être interprétée de manière analogue que lorsqu'il s'agit du donateur ;
b) les collatéraux du donateur ou de l'actionnaire jusqu'au deuxième degré ainsi que leurs partenaires, la notion de partenaire devant être interprétée de manière analogue que lorsqu'il s'agit du donateur ;
d) les enfants de frères et soeurs du donateur ou de l'actionnaire.]2
§ 3. Au cas où une société est considérée, conformément au § 2, point 2°, alinéa deux, comme une société de famille, l'exemption est limitée aux valeurs des actions de la société dans les filiales directes ayant pour [3 objet]3 l'exercice d'une activité industrielle, commerciale, artisanale ou agricole, ou d'une profession libérale et ayant leur siège de direction effective dans l'un des Etats membres de l'Espace économique européen.]1
1° la donation de la pleine propriété, la nue-propriété ou l'usufruit des actifs qui sont investis par le donateur ou son partenaire dans une entreprise familiale. Cette exemption n'est pas applicable aux transmissions de biens immeubles affectés ou destinés principalement à l'habitation [5 , y compris les terrains à bâtir tels que visés à l'article 1.1.0.0.2, alinéa 6, 1° /1]5;
2° la donation de la pleine propriété, de l'usufruit ou l'usufruit des actions d'une entreprise familiale dont le siège de direction effective est situé dans l'un des Etats membres de l'Espace économique européen, [3 à condition que les actions de la société qui, au moment de la donation parmi les personnes vivantes appartiennent en pleine propriété au donateur et à sa famille, représentent au moins 50 % des droits de vote dans cette société]3. [5 L'exonération ne s'applique pas à la partie de la valeur des actions représentant les biens immobiliers visés au point 1°, dans la société familiale, ni aux participations d'au moins 10 % de la société familiale dans ses filiales.
Cette restriction ne s'applique pas aux sociétés familiales dont au moins 75 % du chiffre d'affaires sont générés par l'exercice d'une activité liée aux biens immobiliers visés au point 1°.]5
[3 Par dérogation au premier alinéa, les actions de la société qui, au moment de la donation, appartiennent en pleine propriété au donateur et à sa famille représentent au moins 30 % des droits de vote dans cette société, si lui et sa famille répondent à l'une des conditions suivantes :
1° être, ensemble avec un autre actionnaire et sa famille, propriétaire à part entière des actions de la société représentant au moins 70 % des droits de vote dans cette société ;
2° être, ensemble avec deux autres actionnaires et leur famille, propriétaire à part entière des actions de la société représentant au moins 90% des droits de vote dans cette société.]3
Pour l'application du deuxième alinéa, les actions qui reviennent aux personnes morales ne sont pas prises en considération pour être comptabilisées avec les actions qui reviennent au donateur.
§ 2. Pour l'application du présent article et des articles 2.8.6.0.4 à 2.8.6.0.7 il faut entendre par :
1° entreprise familiale : une entreprise industrielle, commerciale, artisanale ou agricole ou une profession libérale, qui est exploitée et exécutée personnellement par le donateur ou son partenaire, en collaboration ou non avec d'autres personnes ;
2° société de famille : une société ayant pour [3 objet]3 l'exercice d'une activité industrielle, commerciale, artisanale ou agricole, ou d'une profession libérale et qui exerce cette activité ou cette profession.
Si la société ne répond pas aux exigences précédentes, mais détient [4 des actions qui représentent au moins 30% des droits de vote d'une filiale directe]4 qui répond à ces conditions et ayant son siège de direction effective dans l'un des Etats membres de l'Espace économique européen, elle est également considérée comme une société de famille.
Les sociétés qui n'ont pas d'activité économique réelle sont exclues de la réduction, visée au paragraphe 1er. [5 Pour une société dont au moins 75 % du chiffre d'affaires sont générés par l'exercice d'une activité liée à des biens immobiliers, visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, l'exclusion de la restriction visée à l'article 2.8.6.0.3, § 1er, alinéa 1er, 2°, ne s'applique qu'à condition que la société compte au moins un travailleur salarié, exprimé en unités à temps plein, au cours des trois années précédant l'acte authentique de donation]5 ;
3° actions :
a) [4 selon le cas :
1) si la société familiale est une société anonyme, une société européenne ou une société coopérative européenne, ou une société ayant une autre forme juridique pour laquelle le droit belge ou étranger qui la régit prévoit une notion comparable : chaque part avec droit de vote représentant une partie du capital ;
2) si la société familiale a une forme de société pour laquelle le droit belge ou étranger qui la régit ne prévoit pas la notion de capital ou une notion comparable : chaque part avec droit de vote émise en contrepartie d'un apport ou à la suite de l'incorporation de réserves indisponibles ;]4
b) les certificats d'actions délivrés par des personnes morales ayant leur siège dans l'un des Etats membres de l'Espace économique européen, à titre de représentation d'actions de sociétés familiales qui remplissent les conditions posées et dont la personne morale a l'obligation de transmettre sans délai et au plus tard dans le mois, les dividendes et autres plus-values au porteur du certificat ;
4° [2 famille du donateur ou de l'actionnaire, dont il est question au paragraphe 1er, premier alinéa, 2° :
a) le partenaire du donateur ou de l'actionnaire, la notion de partenaire pour l'actionnaire devant être interprétée de manière analogue que lorsqu'il s'agit du donateur ;
b) les parents en ligne directe du donateur ou de l'actionnaire ainsi que leurs partenaires, la notion de partenaire devant être interprétée de manière analogue que lorsqu'il s'agit du donateur ;
b) les collatéraux du donateur ou de l'actionnaire jusqu'au deuxième degré ainsi que leurs partenaires, la notion de partenaire devant être interprétée de manière analogue que lorsqu'il s'agit du donateur ;
d) les enfants de frères et soeurs du donateur ou de l'actionnaire.]2
§ 3. Au cas où une société est considérée, conformément au § 2, point 2°, alinéa deux, comme une société de famille, l'exemption est limitée aux valeurs des actions de la société dans les filiales directes ayant pour [3 objet]3 l'exercice d'une activité industrielle, commerciale, artisanale ou agricole, ou d'une profession libérale et ayant leur siège de direction effective dans l'un des Etats membres de l'Espace économique européen.]1
Änderungen
Art. 2.8.6.0.4. [1 De vrijstelling, vermeld in artikel 2.8.6.0.3, is alleen toepasselijk als de volgende voorwaarden cumulatief zijn vervuld :
1° de schenking van de activa of aandelen van de familiale onderneming of vennootschap wordt vastgesteld bij authentieke akte;
2° aan de verplichtingen, vermeld [2 in [3 artikel 3.12.3.0.1, § 1 en § 5,]3]2 is voldaan.]1
1° de schenking van de activa of aandelen van de familiale onderneming of vennootschap wordt vastgesteld bij authentieke akte;
2° aan de verplichtingen, vermeld [2 in [3 artikel 3.12.3.0.1, § 1 en § 5,]3]2 is voldaan.]1
Art. 2.8.6.0.4. [1 L'exonération mentionnée à l'article 2.8.6.0.3 n'est applicable que si les conditions suivantes sont remplies de manière cumulative :
1° la donation des actifs ou actions de la société de famille ou de société est fixée par acte authentique ;
2° il est satisfait aux obligations mentionnées [2 à [3 l'article 3.12.3.0.1, § 1er et § 5]3]2.]1
1° la donation des actifs ou actions de la société de famille ou de société est fixée par acte authentique ;
2° il est satisfait aux obligations mentionnées [2 à [3 l'article 3.12.3.0.1, § 1er et § 5]3]2.]1
Art. 2.8.6.0.5. [1 Voor de toepassing van artikel 2.8.6.0.3 en artikel 2.8.6.0.6., § 1, 2°, moet de aanwending of de bestemming van een onroerend goed worden nagegaan per kadastraal perceel of per gedeelte van een kadastraal perceel als dat gedeelte ofwel een afzonderlijke huisvesting is, ofwel een afdeling van de productie of van de werkzaamheden is die, of een onderdeel daarvan dat, afzonderlijk kan werken, ofwel een eenheid is die van de andere goederen of delen die het perceel vormen, kan worden afgezonderd.]1
Art. 2.8.6.0.5. [1 Pour l'application de l'article 2.8.6.0.3 et de l'article 2.8.6.0.6., § 1er, 2°, l'affectation ou la destination d'un immeuble doit s'apprécier par parcelle cadastrale ou par partie de parcelle cadastrale lorsqu'une telle partie forme, soit un logement séparé, soit un département ou une division de production ou d'activité susceptibles de fonctionner séparément, soit une entité dissociable des autres biens ou parties formant la parcelle.]1
Art. 2.8.6.0.6. [1 § 1. De vrijstelling, vermeld in artikel 2.8.6.0.3, § 1, eerste lid, 1°, wordt behouden als de volgende voorwaarden cumulatief zijn vervuld :
1° als een activiteit van de familiale onderneming zonder onderbreking wordt voortgezet gedurende drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking;
2° als de onroerende goederen die met toepassing van de vrijstelling zijn overgedragen, niet hoofdzakelijk tot bewoning aangewend of bestemd worden gedurende een periode van drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking.
§ 2. [4 De vrijstelling, vermeld in artikel 2.8.6.0.3, § 1, eerste lid, 2°, wordt alleen behouden als al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
1° de familiale vennootschap blijft gedurende drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2.8.6.0.3, § 2, 2° ;
2° een activiteit van de familiale vennootschap wordt zonder onderbreking voortgezet gedurende drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking;
3° voor elk van de drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking wordt een jaarrekening of geconsolideerde jaarrekening opgemaakt die in voorkomend geval wordt gepubliceerd conform de geldende boekhoudwetgeving van de lidstaat waar de zetel gevestigd is op het ogenblik van de datum van de authentieke akte van schenking, die ook aangewend is ter verantwoording van de aangifte in de inkomstenbelasting. Ondernemingen of vennootschappen waarvan de zetel buiten het Vlaamse Gewest, maar binnen België ligt, maken een jaarrekening of geconsolideerde jaarrekening op en in voorkomend geval publiceren ze die conform de geldende boekhoudwetgeving in België op de datum van de authentieke akte van schenking;
4° naargelang het geval:
a) als de familiale vennootschap een naamloze vennootschap, een Europese vennootschap of een Europese coöperatieve vennootschap is, of een vennootschap met een andere rechtsvorm waarvoor het Belgische of buitenlandse recht dat haar beheerst, voorziet in een vergelijkbaar begrip: het kapitaal daalt op geen enkel moment door uitkeringen of terugbetalingen gedurende drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking;
b) als de familiale vennootschap een vennootschapsvorm heeft waarvoor het Belgische of buitenlandse recht dat de vennootschap beheerst, niet voorziet in het begrip kapitaal of een vergelijkbaar begrip: de verrichte inbrengen dalen op geen enkel moment gedurende drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking door uitkeringen of terugbetalingen tot onder het bedrag van de tot op de datum van de authentieke akte van schenking verrichte inbrengen, zoals dat blijkt uit de jaarrekening;
5° de zetel van de werkelijke leiding van de vennootschap wordt niet overgebracht naar een staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte gedurende drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking]4.
1° als een activiteit van de familiale onderneming zonder onderbreking wordt voortgezet gedurende drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking;
2° als de onroerende goederen die met toepassing van de vrijstelling zijn overgedragen, niet hoofdzakelijk tot bewoning aangewend of bestemd worden gedurende een periode van drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking.
§ 2. [4 De vrijstelling, vermeld in artikel 2.8.6.0.3, § 1, eerste lid, 2°, wordt alleen behouden als al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
1° de familiale vennootschap blijft gedurende drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2.8.6.0.3, § 2, 2° ;
2° een activiteit van de familiale vennootschap wordt zonder onderbreking voortgezet gedurende drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking;
3° voor elk van de drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking wordt een jaarrekening of geconsolideerde jaarrekening opgemaakt die in voorkomend geval wordt gepubliceerd conform de geldende boekhoudwetgeving van de lidstaat waar de zetel gevestigd is op het ogenblik van de datum van de authentieke akte van schenking, die ook aangewend is ter verantwoording van de aangifte in de inkomstenbelasting. Ondernemingen of vennootschappen waarvan de zetel buiten het Vlaamse Gewest, maar binnen België ligt, maken een jaarrekening of geconsolideerde jaarrekening op en in voorkomend geval publiceren ze die conform de geldende boekhoudwetgeving in België op de datum van de authentieke akte van schenking;
4° naargelang het geval:
a) als de familiale vennootschap een naamloze vennootschap, een Europese vennootschap of een Europese coöperatieve vennootschap is, of een vennootschap met een andere rechtsvorm waarvoor het Belgische of buitenlandse recht dat haar beheerst, voorziet in een vergelijkbaar begrip: het kapitaal daalt op geen enkel moment door uitkeringen of terugbetalingen gedurende drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking;
b) als de familiale vennootschap een vennootschapsvorm heeft waarvoor het Belgische of buitenlandse recht dat de vennootschap beheerst, niet voorziet in het begrip kapitaal of een vergelijkbaar begrip: de verrichte inbrengen dalen op geen enkel moment gedurende drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking door uitkeringen of terugbetalingen tot onder het bedrag van de tot op de datum van de authentieke akte van schenking verrichte inbrengen, zoals dat blijkt uit de jaarrekening;
5° de zetel van de werkelijke leiding van de vennootschap wordt niet overgebracht naar een staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte gedurende drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking]4.
Art. 2.8.6.0.6. [1 § 1er. L'exonération mentionnée à l'article 2.8.6.0.3, § 1er, alinéa premier, 1°, n'est maintenue que s'il est satisfait de manière cumulative aux conditions suivantes :
1° si l'activité de la société de famille est poursuivie pendant une durée ininterrompue de 3 ans à compter de la date de l'acte authentique de donation ;
2° si les biens immeubles transmis en application de l'exonération ne sont pas affectés ni destinés partiellement ou totalement à l'habitation pendant une durée ininterrompue de 3 ans à compter de la date de l'acte authentique de donation.
§ 2. [4 L'exonération visée à l'article 2.8.6.0.3, § 1er, alinéa 1er, 2°, n'est applicable que si toutes les conditions suivantes sont remplies :
1° la société familiale continue à répondre, pendant une durée de 3 ans à compter de la date de l'acte authentique de donation aux conditions visées à l'article 2.8.6.0.3, § 2, 2° ;
2° une activité de la société familiale est poursuivie pendant une durée ininterrompue de 3 ans à compter de la date de l'acte authentique de donation ;
3° pour chacune des trois années à compter de la date de l'acte authentique de donation, des comptes annuels ou des comptes annuels consolidés sont établis et, le cas échéant, publiés conformément à la législation comptable en vigueur de l'Etat membre dans lequel se trouve le siège à la date de l'acte authentique de donation, qui ont également servi à justifier la déclaration d'impôt sur les revenus.
Les entreprises ou les sociétés dont le siège est situé en dehors de la Région flamande mais en Belgique, établissent et, le cas échéant, publient des comptes annuels ou des comptes annuels consolidés conformément à la législation comptable en vigueur en Belgique à la date de l'acte authentique de donation ;
4° selon le cas :
a) si la société familiale est une société anonyme, une société européenne ou une société coopérative européenne, ou une société ayant une autre forme juridique pour laquelle le droit belge ou étranger qui la régit prévoit une notion comparable : le capital ne diminue à aucun moment par le biais d'allocations ou de remboursements pendant trois ans à compter de la date de l'acte authentique de donation ;
b) si la société familiale a une forme de société pour laquelle le droit belge ou étranger qui la régit ne prévoit pas la notion de capital ou une notion comparable : à aucun moment pendant trois ans à compter de la date de l'acte authentique de donation, les apports effectués ne diminuent pas par le biais d'allocations ou de remboursements sous le montant des apports effectués jusqu'à la date de l'acte authentique de donation, comme il ressort des comptes annuels ;
5° le siège de direction effective de la société n'est pas transféré dans un Etat non membre de l'Espace économique européen pendant 3 ans à compter de la date de l'acte authentique de donation]4.]1
1° si l'activité de la société de famille est poursuivie pendant une durée ininterrompue de 3 ans à compter de la date de l'acte authentique de donation ;
2° si les biens immeubles transmis en application de l'exonération ne sont pas affectés ni destinés partiellement ou totalement à l'habitation pendant une durée ininterrompue de 3 ans à compter de la date de l'acte authentique de donation.
§ 2. [4 L'exonération visée à l'article 2.8.6.0.3, § 1er, alinéa 1er, 2°, n'est applicable que si toutes les conditions suivantes sont remplies :
1° la société familiale continue à répondre, pendant une durée de 3 ans à compter de la date de l'acte authentique de donation aux conditions visées à l'article 2.8.6.0.3, § 2, 2° ;
2° une activité de la société familiale est poursuivie pendant une durée ininterrompue de 3 ans à compter de la date de l'acte authentique de donation ;
3° pour chacune des trois années à compter de la date de l'acte authentique de donation, des comptes annuels ou des comptes annuels consolidés sont établis et, le cas échéant, publiés conformément à la législation comptable en vigueur de l'Etat membre dans lequel se trouve le siège à la date de l'acte authentique de donation, qui ont également servi à justifier la déclaration d'impôt sur les revenus.
Les entreprises ou les sociétés dont le siège est situé en dehors de la Région flamande mais en Belgique, établissent et, le cas échéant, publient des comptes annuels ou des comptes annuels consolidés conformément à la législation comptable en vigueur en Belgique à la date de l'acte authentique de donation ;
4° selon le cas :
a) si la société familiale est une société anonyme, une société européenne ou une société coopérative européenne, ou une société ayant une autre forme juridique pour laquelle le droit belge ou étranger qui la régit prévoit une notion comparable : le capital ne diminue à aucun moment par le biais d'allocations ou de remboursements pendant trois ans à compter de la date de l'acte authentique de donation ;
b) si la société familiale a une forme de société pour laquelle le droit belge ou étranger qui la régit ne prévoit pas la notion de capital ou une notion comparable : à aucun moment pendant trois ans à compter de la date de l'acte authentique de donation, les apports effectués ne diminuent pas par le biais d'allocations ou de remboursements sous le montant des apports effectués jusqu'à la date de l'acte authentique de donation, comme il ressort des comptes annuels ;
5° le siège de direction effective de la société n'est pas transféré dans un Etat non membre de l'Espace économique européen pendant 3 ans à compter de la date de l'acte authentique de donation]4.]1
Art. 2.8.6.0.7. [1 § 1. Na verloop van een termijn van drie jaar na de datum van de authentieke akte van schenking controleert het bevoegde personeelslid of de voorwaarden, gesteld voor het behoud van de vrijstelling, vervuld zijn.
Bij niet-vervulling van de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, wordt de schenkbelasting geacht verschuldigd te zijn, berekend tegen het tarief, vermeld in artikel 2.8.4.1.1, zonder toepassing van de vrijstelling.
[2 Bij niet-vervulling van de voorwaarde, vermeld in artikel 2.8.6.0.6, § 2, 4°, is de schenkbelasting verschuldigd tegen het tarief, vermeld in artikel 2.8.4.1.1, zonder toepassing van de vrijstelling op het bedrag waarmee het kapitaal is verminderd of waarmee de verrichte inbrengen zijn verminderd, vermenigvuldigd met de grondslag waarop de vrijstelling is toegepast, en gedeeld door de waarde van alle aandelen van de familiale vennootschap op de datum van de authentieke schenkingsakte]2.
§ 2. Als de schenkbelasting verschuldigd is doordat de voorwaarden, gesteld tot behoud van de vrijstelling, niet langer vervuld zijn, kunnen de begiftigden dat melden bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.
Bij niet-vervulling van de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, wordt de schenkbelasting geacht verschuldigd te zijn, berekend tegen het tarief, vermeld in artikel 2.8.4.1.1, zonder toepassing van de vrijstelling.
[2 Bij niet-vervulling van de voorwaarde, vermeld in artikel 2.8.6.0.6, § 2, 4°, is de schenkbelasting verschuldigd tegen het tarief, vermeld in artikel 2.8.4.1.1, zonder toepassing van de vrijstelling op het bedrag waarmee het kapitaal is verminderd of waarmee de verrichte inbrengen zijn verminderd, vermenigvuldigd met de grondslag waarop de vrijstelling is toegepast, en gedeeld door de waarde van alle aandelen van de familiale vennootschap op de datum van de authentieke schenkingsakte]2.]1
Bij niet-vervulling van de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, wordt de schenkbelasting geacht verschuldigd te zijn, berekend tegen het tarief, vermeld in artikel 2.8.4.1.1, zonder toepassing van de vrijstelling.
[2 Bij niet-vervulling van de voorwaarde, vermeld in artikel 2.8.6.0.6, § 2, 4°, is de schenkbelasting verschuldigd tegen het tarief, vermeld in artikel 2.8.4.1.1, zonder toepassing van de vrijstelling op het bedrag waarmee het kapitaal is verminderd of waarmee de verrichte inbrengen zijn verminderd, vermenigvuldigd met de grondslag waarop de vrijstelling is toegepast, en gedeeld door de waarde van alle aandelen van de familiale vennootschap op de datum van de authentieke schenkingsakte]2.
§ 2. Als de schenkbelasting verschuldigd is doordat de voorwaarden, gesteld tot behoud van de vrijstelling, niet langer vervuld zijn, kunnen de begiftigden dat melden bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.
Bij niet-vervulling van de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, wordt de schenkbelasting geacht verschuldigd te zijn, berekend tegen het tarief, vermeld in artikel 2.8.4.1.1, zonder toepassing van de vrijstelling.
[2 Bij niet-vervulling van de voorwaarde, vermeld in artikel 2.8.6.0.6, § 2, 4°, is de schenkbelasting verschuldigd tegen het tarief, vermeld in artikel 2.8.4.1.1, zonder toepassing van de vrijstelling op het bedrag waarmee het kapitaal is verminderd of waarmee de verrichte inbrengen zijn verminderd, vermenigvuldigd met de grondslag waarop de vrijstelling is toegepast, en gedeeld door de waarde van alle aandelen van de familiale vennootschap op de datum van de authentieke schenkingsakte]2.]1
Art. 2.8.6.0.7. [1 § 1er. Après l'expiration d'un délai de 3 ans après la date de l'acte authentique de donation, le membre du personnel compétent vérifie si les conditions, posées pour le maintien de la réduction, ont été remplies.
En cas de non-respect des conditions telles que visées au premier alinéa, le droit de donation qui est censé être dû, est calculé au tarif mentionné à l'article 2.8.4.1.1, sans application de l'exonération.
[2 En cas de non-respect de la condition visée à l'article 2.8.6.0.6, § 2, 4°, les droits de donation sont dus au taux visé à l'article 2.8.4.1.1, sans application de l'exonération sur le montant de la réduction du capital ou des apports effectués, multiplié par la base à laquelle l'exonération a été appliquée, et divisé par la valeur de l'ensemble des parts de la société familiale à la date de l'acte authentique de donation]2.
§ 2. Si le droit de donation est dû parce que les conditions, posées en vue du maintien de la réduction, ne sont plus satisfaites, les bénéficiaires peuvent le notifier auprès de l'entité compétente de l'administration flamande.
En cas de non-respect des conditions telles que visées au premier alinéa, le droit de donation qui est censé être dû, est calculé au tarif mentionné à l'article 2.8.4.1.1, sans application de l'exonération.
[2 En cas de non-respect de la condition visée à l'article 2.8.6.0.6, § 2, 4°, les droits de donation sont dus au taux visé à l'article 2.8.4.1.1, sans application de l'exonération sur le montant de la réduction du capital ou des apports effectués, multiplié par la base à laquelle l'exonération a été appliquée, et divisé par la valeur de l'ensemble des parts de la société familiale à la date de l'acte authentique de donation]2.]1
En cas de non-respect des conditions telles que visées au premier alinéa, le droit de donation qui est censé être dû, est calculé au tarif mentionné à l'article 2.8.4.1.1, sans application de l'exonération.
[2 En cas de non-respect de la condition visée à l'article 2.8.6.0.6, § 2, 4°, les droits de donation sont dus au taux visé à l'article 2.8.4.1.1, sans application de l'exonération sur le montant de la réduction du capital ou des apports effectués, multiplié par la base à laquelle l'exonération a été appliquée, et divisé par la valeur de l'ensemble des parts de la société familiale à la date de l'acte authentique de donation]2.
§ 2. Si le droit de donation est dû parce que les conditions, posées en vue du maintien de la réduction, ne sont plus satisfaites, les bénéficiaires peuvent le notifier auprès de l'entité compétente de l'administration flamande.
En cas de non-respect des conditions telles que visées au premier alinéa, le droit de donation qui est censé être dû, est calculé au tarif mentionné à l'article 2.8.4.1.1, sans application de l'exonération.
[2 En cas de non-respect de la condition visée à l'article 2.8.6.0.6, § 2, 4°, les droits de donation sont dus au taux visé à l'article 2.8.4.1.1, sans application de l'exonération sur le montant de la réduction du capital ou des apports effectués, multiplié par la base à laquelle l'exonération a été appliquée, et divisé par la valeur de l'ensemble des parts de la société familiale à la date de l'acte authentique de donation]2.]1
Art. 2.8.6.0.8. [1 § 1. De waarde van de onbebouwde onroerende goederen waarvoor een natuurbeheerplan type twee, drie of vier als vermeld in artikel 16ter, § 1, 2°, 3° en 4°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, is goedgekeurd conform artikel 16octies van het voormelde decreet, wordt, zowel voor de grond- als voor de opstandswaarde, als volgt van de schenkbelasting vrijgesteld:
1° ten belope van 75% voor een natuurbeheerplan type twee;
2° ten belope van 100% voor een natuurbeheerplan type drie en vier.
§ 2. De vrijstelling, vermeld in paragraaf 1, is ook van toepassing als er nog geen natuurbeheerplan is afgesloten, als het onroerend goed wordt geschonken met het oog op het tot stand brengen van een natuurbeheerplan type twee, drie of vier als vermeld in artikel 16ter, § 1, 2°, 3° en 4°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.
De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, wordt verleend op voorwaarde dat uiterlijk bij de aanbieding ter registratie van de authentieke schenkingsakte een overeenkomst is gesloten met het Agentschap voor Natuur en Bos waaruit de intentie blijkt om een natuurbeheerplan voor het onroerend goed te laten goedkeuren.
§ 3. Voor de toepassing van dit artikel moet voldaan zijn aan de verplichtingen van artikel 3.12.3.0.1, § 1, 4°, en § 5, [2 vierde en vijfde lid]2.]1
1° ten belope van 75% voor een natuurbeheerplan type twee;
2° ten belope van 100% voor een natuurbeheerplan type drie en vier.
§ 2. De vrijstelling, vermeld in paragraaf 1, is ook van toepassing als er nog geen natuurbeheerplan is afgesloten, als het onroerend goed wordt geschonken met het oog op het tot stand brengen van een natuurbeheerplan type twee, drie of vier als vermeld in artikel 16ter, § 1, 2°, 3° en 4°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.
De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, wordt verleend op voorwaarde dat uiterlijk bij de aanbieding ter registratie van de authentieke schenkingsakte een overeenkomst is gesloten met het Agentschap voor Natuur en Bos waaruit de intentie blijkt om een natuurbeheerplan voor het onroerend goed te laten goedkeuren.
§ 3. Voor de toepassing van dit artikel moet voldaan zijn aan de verplichtingen van artikel 3.12.3.0.1, § 1, 4°, en § 5, [2 vierde en vijfde lid]2.]1
Art. 2.8.6.0.8. [1 1er. La valeur des biens immobiliers non bâtis pour lesquels un plan de gestion de la nature type deux, trois ou quatre tel que visé à l'article 16ter, § 1er, 2°, 3° et 4°, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel a été approuvé conformément à l'article 16octies du décret précité, est exemptée comme suit de l'impôt de donation, tant pour la valeur du terrain que pour celle des peuplements :
1° à concurrence de 75 % pour un plan de gestion de la nature type deux ;
2° à concurrence de 100 % pour un plan de gestion de la nature type trois et quatre.
§ 2. L'exemption visée au paragraphe 1er, s'applique également lorsqu'aucun plan de gestion de la nature n'a été conclu, lorsque le bien immobilier fait l'objet d'une donation en vue de la réalisation d'un plan de gestion de la nature tel que visé à l'article 16ter, § 1er, 2°, 3° et 4° du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel.
L'exemption visée à l'alinéa premier est octroyée à condition qu'au plus tard lors de la présentation à l'enregistrement de l'acte de donation authentique, une convention est conclue avec l' " Agentschap voor Natuur en Bos ", qui démontre l'intention de faire approuver un plan de gestion de la nature pour le bien immobilier.
§ 3. Pour l'application du présent article il doit être répondu aux obligations de l'article 3.12.3.0.1, § 1er, 4°, et § 5, [2 alinéas quatre et cinq]2.]1
1° à concurrence de 75 % pour un plan de gestion de la nature type deux ;
2° à concurrence de 100 % pour un plan de gestion de la nature type trois et quatre.
§ 2. L'exemption visée au paragraphe 1er, s'applique également lorsqu'aucun plan de gestion de la nature n'a été conclu, lorsque le bien immobilier fait l'objet d'une donation en vue de la réalisation d'un plan de gestion de la nature tel que visé à l'article 16ter, § 1er, 2°, 3° et 4° du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel.
L'exemption visée à l'alinéa premier est octroyée à condition qu'au plus tard lors de la présentation à l'enregistrement de l'acte de donation authentique, une convention est conclue avec l' " Agentschap voor Natuur en Bos ", qui démontre l'intention de faire approuver un plan de gestion de la nature pour le bien immobilier.
§ 3. Pour l'application du présent article il doit être répondu aux obligations de l'article 3.12.3.0.1, § 1er, 4°, et § 5, [2 alinéas quatre et cinq]2.]1
Art. 2.8.6.0.9. [1 Als de waarde van de goederen die belast is met de erfbelasting, of een deel van deze goederen, binnen het jaar na het overlijden van de erflater, door een verkrijger van wie de verkrijging belast werd aan het tarief voor een verkrijging in de rechte lijn en tussen partners, bij notariële akte wordt geschonken aan een of meer van zijn afstammelingen of aan een of meer personen die voor de toepassing van de schenkbelasting met afstammelingen worden gelijkgesteld, wordt de schenking vrijgesteld van de schenkbelasting in de mate dat de waarde van de geschonken goederen de brutowaarde van de met erfbelasting belaste goederen niet te boven gaat.
In voorkomend geval wordt het bedrag van de vrijstelling, vermeld in het eerste lid, beperkt met toepassing van de volgende formule: X = a x b/c, waarbij de parameters als volgt worden gedefinieerd:
1° a = het bedrag van de schenkbelasting zonder de toepassing van de vrijstelling;
2° b = het gedeelte van de schenking dat overeenstemt met de met erfbelasting belaste brutowaarde;
3° c = de totale belastbare grondslag van de schenking.
Het bedrag van de vrijstelling, vermeld in het eerste lid, kan nooit hoger zijn dan het bedrag van de erfbelasting dat geheven werd op de overdracht aan de schenker. Als de schenker meer dan één schenking doet zoals vermeld in het eerste lid, wordt het maximumbedrag van de vrijstelling beoordeeld voor alle schenkingen samen.
In voorkomend geval wordt het bedrag van de erfbelasting, vermeld in het derde lid, beperkt met toepassing van de volgende formule: X = a x b/c, waarbij de parameters als volgt worden gedefinieerd:
1° a = het bedrag van de erfbelasting berekend in hoofde van de schenker [2 ...]2;
2° b = het gedeelte van de schenking dat overeenstemt met de met erfbelasting belaste brutowaarde;
3° c = de brutowaarde van de met erfbelasting belaste goederen [2 ...]2
Het bedrag van de erfbelasting, vermeld in het derde lid, dat geheven werd op de overdracht aan de schenker is het bedrag dat op regelmatige wijze in hoofde van deze persoon werd geheven op zicht van de aangifte die werd ingediend bij toepassing van artikel 3.3.1.0.5.
Voor schenkingen onderworpen aan het tarief, vermeld in artikel 2.8.4.1.1, § 1, of artikel 2.8.4.2.1, kan de vrijstelling niet verleend worden in de mate deze schenking een onroerend goed tot voorwerp heeft dat geen deel uitmaakte van de verkrijging bij het overlijden, vermeld in het eerste lid.
Voor de toepassing van de vrijstelling, vermeld in het eerste lid, is vereist dat:
1° de nalatenschap van de erflater waaruit de waarde van de geschonken goederen werd verkregen fiscaal gelokaliseerd is in het Vlaamse Gewest;
2° het overlijden heeft plaatsgevonden na 31 augustus 2018;
3° de erfbelasting die werd geheven op de overdracht, is betaald;
4° de schenking noch aan een opschortende voorwaarde, noch aan een opschortende termijn is onderworpen;
5° de vrijstelling wordt gevraagd overeenkomstig artikel 3.12.3.0.1, § 1, 3° en 4°.
Voor de toepassing van dit artikel moet onder brutowaarde worden begrepen: de belastbare waarde van de betrokken goederen voor de heffing van de erfbelasting, vóór enige aftrek van passief.]1
In voorkomend geval wordt het bedrag van de vrijstelling, vermeld in het eerste lid, beperkt met toepassing van de volgende formule: X = a x b/c, waarbij de parameters als volgt worden gedefinieerd:
1° a = het bedrag van de schenkbelasting zonder de toepassing van de vrijstelling;
2° b = het gedeelte van de schenking dat overeenstemt met de met erfbelasting belaste brutowaarde;
3° c = de totale belastbare grondslag van de schenking.
Het bedrag van de vrijstelling, vermeld in het eerste lid, kan nooit hoger zijn dan het bedrag van de erfbelasting dat geheven werd op de overdracht aan de schenker. Als de schenker meer dan één schenking doet zoals vermeld in het eerste lid, wordt het maximumbedrag van de vrijstelling beoordeeld voor alle schenkingen samen.
In voorkomend geval wordt het bedrag van de erfbelasting, vermeld in het derde lid, beperkt met toepassing van de volgende formule: X = a x b/c, waarbij de parameters als volgt worden gedefinieerd:
1° a = het bedrag van de erfbelasting berekend in hoofde van de schenker [2 ...]2;
2° b = het gedeelte van de schenking dat overeenstemt met de met erfbelasting belaste brutowaarde;
3° c = de brutowaarde van de met erfbelasting belaste goederen [2 ...]2
Het bedrag van de erfbelasting, vermeld in het derde lid, dat geheven werd op de overdracht aan de schenker is het bedrag dat op regelmatige wijze in hoofde van deze persoon werd geheven op zicht van de aangifte die werd ingediend bij toepassing van artikel 3.3.1.0.5.
Voor schenkingen onderworpen aan het tarief, vermeld in artikel 2.8.4.1.1, § 1, of artikel 2.8.4.2.1, kan de vrijstelling niet verleend worden in de mate deze schenking een onroerend goed tot voorwerp heeft dat geen deel uitmaakte van de verkrijging bij het overlijden, vermeld in het eerste lid.
Voor de toepassing van de vrijstelling, vermeld in het eerste lid, is vereist dat:
1° de nalatenschap van de erflater waaruit de waarde van de geschonken goederen werd verkregen fiscaal gelokaliseerd is in het Vlaamse Gewest;
2° het overlijden heeft plaatsgevonden na 31 augustus 2018;
3° de erfbelasting die werd geheven op de overdracht, is betaald;
4° de schenking noch aan een opschortende voorwaarde, noch aan een opschortende termijn is onderworpen;
5° de vrijstelling wordt gevraagd overeenkomstig artikel 3.12.3.0.1, § 1, 3° en 4°.
Voor de toepassing van dit artikel moet onder brutowaarde worden begrepen: de belastbare waarde van de betrokken goederen voor de heffing van de erfbelasting, vóór enige aftrek van passief.]1
Art. 2.8.6.0.9. [1 Si la valeur des biens qui est soumise à l'impôt de succession, ou une partie de ces biens, est donnée par acte notarié dans un an après le décès du testateur, par un acquéreur dont l'acquisition a été imposée selon le tarif pour une acquisition en ligne directe et entre partenaires, à un ou plusieurs de ses descendants ou à une ou plusieurs personnes qui sont assimilées à des descendants pour l'application de l'impôt de donation, la donation est exonérée de l'impôt de donation dans la mesure où la valeur des biens donnés n'excède pas la valeur brute des biens soumis à l'impôt de succession.
Le cas échéant, le montant de l'exonération visée à l'alinéa 1er, est limité en application de la formule suivante : X = a x b/c, où les paramètres sont définis comme suit :
1° a = le montant de l'impôt de donation sans l'application de l'exonération ;
2° b = la partie de la donation qui correspond à la valeur brute soumise à l'impôt de succession ;
3° c = la base imposable totale de la donation.
Le montant de l'exonération visée à l'alinéa 1er, ne peut jamais excéder le montant de l'impôt de succession levé sur le transfert au donateur. Si le donateur fait plusieurs donations, tel que visé à l'alinéa 1er, le montant maximal de l'exonération est évaluée pour l'ensemble des donations.
Le cas échéant, le montant de l'impôt de succession visé à l'alinéa 3, est limité en application de la formule suivante : X = a x b/c, où les paramètres sont définis comme suit :
1° a = le montant de l'impôt de succession calculé du chef du donateur [2 ...]2 ;
2° b = la partie de la donation qui correspond à la valeur brute soumise à l'impôt de succession ;
3° c = la valeur brute des biens soumis à l'impôt de succession [2 ...]2.
Le montant de l'impôt de succession, visé à l'alinéa 3, qui a été levé sur le transfert au donateur est le montant qui a été levé régulièrement du chef de cette personne sur la vue de la déclaration qui a été introduite en application de l'article 3.3.1.0.5.
Pour les donations soumises au tarif visé à l'article 2.8.4.1.1, § 1er, ou l'article 2.8.4.2.1, l'exonération ne peut pas être accordée dans la mesure où cette donation porte sur un bien immeuble qui ne faisait pas partie de l'acquisition au moment du décès, visé à l'alinéa 1er.
Les conditions pour l'application de l'exonération, visée à l'alinéa 1er, sont les suivantes :
1° la succession du testateur dont la valeur des biens donnés a été obtenue, est localisée fiscalement en Région flamande ;
2° le décès a eu lieu après le 31 août 2018 ;
3° l'impôt de succession qui a été levé sur le transfert, est payé ;
4° la donation n'est soumise ni à une condition suspensive, ni à un délai suspensif ;
5° l'exonération est demandée conformément à l'article 3.12.3.0.1, § 1er, 3° et 4°.
Pour l'application du présent article, on entend par valeur brute : la valeur imposable des biens concernés pour le prélèvement de l'impôt de succession, avant déduction de passifs.]1
Le cas échéant, le montant de l'exonération visée à l'alinéa 1er, est limité en application de la formule suivante : X = a x b/c, où les paramètres sont définis comme suit :
1° a = le montant de l'impôt de donation sans l'application de l'exonération ;
2° b = la partie de la donation qui correspond à la valeur brute soumise à l'impôt de succession ;
3° c = la base imposable totale de la donation.
Le montant de l'exonération visée à l'alinéa 1er, ne peut jamais excéder le montant de l'impôt de succession levé sur le transfert au donateur. Si le donateur fait plusieurs donations, tel que visé à l'alinéa 1er, le montant maximal de l'exonération est évaluée pour l'ensemble des donations.
Le cas échéant, le montant de l'impôt de succession visé à l'alinéa 3, est limité en application de la formule suivante : X = a x b/c, où les paramètres sont définis comme suit :
1° a = le montant de l'impôt de succession calculé du chef du donateur [2 ...]2 ;
2° b = la partie de la donation qui correspond à la valeur brute soumise à l'impôt de succession ;
3° c = la valeur brute des biens soumis à l'impôt de succession [2 ...]2.
Le montant de l'impôt de succession, visé à l'alinéa 3, qui a été levé sur le transfert au donateur est le montant qui a été levé régulièrement du chef de cette personne sur la vue de la déclaration qui a été introduite en application de l'article 3.3.1.0.5.
Pour les donations soumises au tarif visé à l'article 2.8.4.1.1, § 1er, ou l'article 2.8.4.2.1, l'exonération ne peut pas être accordée dans la mesure où cette donation porte sur un bien immeuble qui ne faisait pas partie de l'acquisition au moment du décès, visé à l'alinéa 1er.
Les conditions pour l'application de l'exonération, visée à l'alinéa 1er, sont les suivantes :
1° la succession du testateur dont la valeur des biens donnés a été obtenue, est localisée fiscalement en Région flamande ;
2° le décès a eu lieu après le 31 août 2018 ;
3° l'impôt de succession qui a été levé sur le transfert, est payé ;
4° la donation n'est soumise ni à une condition suspensive, ni à un délai suspensif ;
5° l'exonération est demandée conformément à l'article 3.12.3.0.1, § 1er, 3° et 4°.
Pour l'application du présent article, on entend par valeur brute : la valeur imposable des biens concernés pour le prélèvement de l'impôt de succession, avant déduction de passifs.]1
Art. 2.8.6.0.10. [1 Er wordt een vrijstelling van de schenkbelasting verleend voor de akten in der minne die betrekking hebben op onroerende goederen die uitsluitend bestemd zijn voor onderwijs, en die verleden zijn op naam van of ten voordele van de inrichtende machten van het gemeenschapsonderwijs of het gesubsidieerd onderwijs, of op naam van of ten voordele van verenigingen zonder winstoogmerk voor patrimoniaal beheer die uitsluitend tot doel hebben onroerende goederen ter beschikking te stellen voor onderwijs dat door de voormelde inrichtende machten wordt verstrekt.]1
Art. 2.8.6.0.10. [1 Une exonération de l'impôt de donation est accordée pour les actes à l'amiable portant sur des biens immobiliers exclusivement destinés à l'enseignement, et qui sont passés au nom ou en faveur des pouvoirs organisateurs de l'enseignement communautaire ou subventionné, ou au nom ou en faveur d'associations sans but lucratif de gestion patrimoniale dont le seul but est de mettre des biens immobiliers à la disposition de l'enseignement dispensé par les pouvoirs organisateurs précités.]1
Afdeling 7. - [1 Wijze van heffing]1
Section 7. - [1 Modalités de perception]1
Art. 2.8.7.0.1. [1 De schenkbelasting wordt geheven in overeenstemming met de bepalingen van artikel 3.3.2.0.1, 9°, en artikel 3.3.3.0.1, § 4/2.]1
Art. 2.8.7.0.1. [1 Le droit de donation est perçu conformément aux dispositions de l'article 3.3.2.0.1, 9°, et de l'article 3.3.3.0.1, § 4/2.]1
Art. 2.8.7.0.2. [1 § 1. De belastingplicht, de belastbare grondslag, het tarief, de vrijstellingen en de verminderingen worden bepaald door het ogenblik waarop de rechtshandeling is gesteld.
In afwijking van het eerste lid worden, als er geen verplichting tot registratie geldt, de belastingplicht, de belastbare grondslag en het tarief bepaald door het ogenblik waarop de akte of het geschrift ter registratie wordt aangeboden.
§ 2. Op een rechtshandeling die onderworpen is aan een opschortende voorwaarde, wordt de schenkbelasting alleen geheven als de voorwaarde vervuld is. In voorkomend geval wordt gehandeld als volgt :
1° het toepasbare tarief waarmee voor de heffing rekening moet worden gehouden, is het tarief dat van kracht is op de datum waarop de schenkbelasting opvorderbaar geweest zou zijn als de handeling onvoorwaardelijk was;
2° de belastbare grondslag waarmee voor de heffing rekening moet worden gehouden, is de belastbare grondslag op de datum van de vervulling van de voorwaarde.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt de door een rechtspersoon verrichte rechtshandeling die aan machtiging, goedkeuring of bekrachtiging van een overheid onderworpen is, gelijkgesteld met een aan een opschortende voorwaarde onderworpen rechtshandeling.]1
In afwijking van het eerste lid worden, als er geen verplichting tot registratie geldt, de belastingplicht, de belastbare grondslag en het tarief bepaald door het ogenblik waarop de akte of het geschrift ter registratie wordt aangeboden.
§ 2. Op een rechtshandeling die onderworpen is aan een opschortende voorwaarde, wordt de schenkbelasting alleen geheven als de voorwaarde vervuld is. In voorkomend geval wordt gehandeld als volgt :
1° het toepasbare tarief waarmee voor de heffing rekening moet worden gehouden, is het tarief dat van kracht is op de datum waarop de schenkbelasting opvorderbaar geweest zou zijn als de handeling onvoorwaardelijk was;
2° de belastbare grondslag waarmee voor de heffing rekening moet worden gehouden, is de belastbare grondslag op de datum van de vervulling van de voorwaarde.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt de door een rechtspersoon verrichte rechtshandeling die aan machtiging, goedkeuring of bekrachtiging van een overheid onderworpen is, gelijkgesteld met een aan een opschortende voorwaarde onderworpen rechtshandeling.]1
Art. 2.8.7.0.2. [1 § 1er. L'obligation de contribution, la base imposable, le tarif, les exonérations et les réductions sont déterminés par le moment où l'acte juridique est posé.
Par dérogation au premier alinéa, si aucune obligation d'enregistrement ne vaut, l'obligation de contribution, la base imposable et le tarif sont déterminés par le moment où l'acte ou l'écrit sont proposés pour enregistrement.
§ 2. En cas d'acte soumis à une condition suspensive, le droit de donation n'est perçu que si cette condition est remplie. Le cas échéant, il est traité comme suit :
1° Le tarif applicable dont il faut tenir compte pour la perception est le tarif qui est en vigueur à la date à laquelle le droit de donation aurait été exigible si l'acte avait été inconditionnel ;
2° la base imposable dont il faut tenir compte pour la perception est la base imposable à la date à laquelle la condition a été remplie.
Pour l'application du premier alinéa, un acte posé par une personne morale soumise à autorisation, approbation ou ratification d'une autorité est assimilé à un acte soumis à une condition suspensive.]1
Par dérogation au premier alinéa, si aucune obligation d'enregistrement ne vaut, l'obligation de contribution, la base imposable et le tarif sont déterminés par le moment où l'acte ou l'écrit sont proposés pour enregistrement.
§ 2. En cas d'acte soumis à une condition suspensive, le droit de donation n'est perçu que si cette condition est remplie. Le cas échéant, il est traité comme suit :
1° Le tarif applicable dont il faut tenir compte pour la perception est le tarif qui est en vigueur à la date à laquelle le droit de donation aurait été exigible si l'acte avait été inconditionnel ;
2° la base imposable dont il faut tenir compte pour la perception est la base imposable à la date à laquelle la condition a été remplie.
Pour l'application du premier alinéa, un acte posé par une personne morale soumise à autorisation, approbation ou ratification d'une autorité est assimilé à un acte soumis à une condition suspensive.]1
Art. 2.8.7.0.3. [1 In geval van een handelszaak wordt de schenkbelasting vastgesteld volgens de aard van elk goed dat er deel van uitmaakt.]1
Art. 2.8.7.0.3. [1 Dans le cas d'un fonds de commerce, le droit de donation et constaté suivant la nature de chaque bien qui en fait partie.]1
Hoofdstuk 9. - [1 Verkooprecht]1
Chapitre 9. - [1 Droit de vente]1
Afdeling 1. - [1 Belastbaar voorwerp]1
Section 1re. - [1 Objet imposable ]1
Art. 2.9.1.0.1. [1 Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt het verkooprecht gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die als titel gelden van een overeenkomst houdende overdracht onder bezwarende titel van eigendom of vruchtgebruik van onroerende goederen, met uitsluiting van de inbrengen, vermeld in artikel 115bis van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten.]1
Art. 2.9.1.0.1. [1 Conformément à l'article 1er, à l'article 19 et à l'article 31 du Code fédéral des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, le droit de vente est établi à l'occasion de l'enregistrement ou de l'obligation d'enregistrement d'actes ou d'écrits tendant à prouver une convention translative à titre onéreux de propriété ou d'usufruit de biens immeubles, à l'exception des apports visés à l'article 115bis du Code fédéral des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe.]1
Art. 2.9.1.0.2. [1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden de volgende overeenkomsten gelijkgesteld met een overeenkomst houdende overdracht onder bezwarende titel van eigendom van onroerende goederen :
1° een overdragende overeenkomst onder bezwarende titel, waarbij de eigendom wordt verkregen van, hetzij hout op stam onder beding van het te vellen, hetzij gebouwen onder beding van ze te slopen, als de eigendom van de grond nadien wordt verkregen voor het hout helemaal geveld is of de gebouwen helemaal gesloopt zijn;
2° een overeenkomst onder de levenden onder bezwarende titel, waarbij de eigendom wordt verkregen van hetzij hout op stam, hetzij gebouwen, als die bewuste overdracht ten voordele van de eigenaar van de grond wordt toegestaan.
Het eerste lid is niet van toepassing als bewezen wordt dat de belasting over de toegevoegde waarde is voldaan voor de levering van de goederen die in de overeenkomst begrepen zijn.]1
1° een overdragende overeenkomst onder bezwarende titel, waarbij de eigendom wordt verkregen van, hetzij hout op stam onder beding van het te vellen, hetzij gebouwen onder beding van ze te slopen, als de eigendom van de grond nadien wordt verkregen voor het hout helemaal geveld is of de gebouwen helemaal gesloopt zijn;
2° een overeenkomst onder de levenden onder bezwarende titel, waarbij de eigendom wordt verkregen van hetzij hout op stam, hetzij gebouwen, als die bewuste overdracht ten voordele van de eigenaar van de grond wordt toegestaan.
Het eerste lid is niet van toepassing als bewezen wordt dat de belasting over de toegevoegde waarde is voldaan voor de levering van de goederen die in de overeenkomst begrepen zijn.]1
Art. 2.9.1.0.2. [1 Pour l'application de ce chapitre, les conventions suivantes sont assimilées à une convention translative à titre onéreux de propriété ou d'usufruit de biens immeubles :
1° une convention translative à titre onéreux de biens immeubles, par laquelle la propriété est acquise soit de bois sur pied avec obligation de les abattre, soit de constructions avec obligation de les démolir, si la propriété du fonds est ensuite acquise avant que les bois soient entièrement abattus ou que les constructions soient complètement démolies ;
2° une convention entre vifs à titre onéreux par laquelle la propriété est acquise soit de bois sur pied, soit de constructions, si ladite transmission est consentie au profit du propriétaire du fonds.
Le premier alinéa n'est pas applicable s'il est établi que la taxe sur la valeur ajoutée a été acquittée pour la livraison des biens repris dans la convention.]1
1° une convention translative à titre onéreux de biens immeubles, par laquelle la propriété est acquise soit de bois sur pied avec obligation de les abattre, soit de constructions avec obligation de les démolir, si la propriété du fonds est ensuite acquise avant que les bois soient entièrement abattus ou que les constructions soient complètement démolies ;
2° une convention entre vifs à titre onéreux par laquelle la propriété est acquise soit de bois sur pied, soit de constructions, si ladite transmission est consentie au profit du propriétaire du fonds.
Le premier alinéa n'est pas applicable s'il est établi que la taxe sur la valeur ajoutée a été acquittée pour la livraison des biens repris dans la convention.]1
Art. 2.9.1.0.3. [1 Met behoud van de toepassing van artikel 2.9.1.0.1, wordt, behoudens vestiging van de belasting, vermeld in hoofdstuk 10 en 11, het verkooprecht gevestigd op een inbreng van onroerende goederen als vermeld in artikel 115bis van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten in een Belgische vennootschap naarmate die inbreng anders vergoed wordt dan bij toekenning van maatschappelijke rechten.
Als een inbreng als vermeld in het eerste lid meteen onroerende goederen als vermeld in artikel 115bis van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten en goederen van een andere aard omvat, worden, niettegenstaande elk strijdig beding, de maatschappelijke rechten en de andere lasten die de vergoeding van de vermelde inbreng uitmaken, geacht evenredig verdeeld te zijn tussen de waarde die aan de onroerende goederen is toegekend en de waarde die aan de andere goederen is toegekend, bij de overeenkomst. De te vervallen huurprijzen van de huurcontracten waarvan de rechten worden ingebracht, worden evenwel geacht alleen op de laatstvermelde rechten betrekking te hebben.
Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op de inbreng van de universaliteit van de goederen of van een bedrijfstak, vermeld in artikel 117, § 1 en § 2, van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten.
Dit artikel is ook van toepassing op de oprichting van nieuwe vennootschappen, als vermeld in artikel 118 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten.]1
Als een inbreng als vermeld in het eerste lid meteen onroerende goederen als vermeld in artikel 115bis van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten en goederen van een andere aard omvat, worden, niettegenstaande elk strijdig beding, de maatschappelijke rechten en de andere lasten die de vergoeding van de vermelde inbreng uitmaken, geacht evenredig verdeeld te zijn tussen de waarde die aan de onroerende goederen is toegekend en de waarde die aan de andere goederen is toegekend, bij de overeenkomst. De te vervallen huurprijzen van de huurcontracten waarvan de rechten worden ingebracht, worden evenwel geacht alleen op de laatstvermelde rechten betrekking te hebben.
Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op de inbreng van de universaliteit van de goederen of van een bedrijfstak, vermeld in artikel 117, § 1 en § 2, van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten.
Dit artikel is ook van toepassing op de oprichting van nieuwe vennootschappen, als vermeld in artikel 118 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten.]1
Art. 2.9.1.0.3. [1 Sans préjudice de l'application de l'article 2.9.1.0.1, le droit de vente, excepté établissement de l'impôt visé aux chapitres 10 et 11, est établi sur un apport de biens immobiliers tels que mentionnés à l'article 115bis du code fédéral des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, dans une société belge, dans la mesure où cet apport est autrement rémunéré que par l'octroi de droits sociaux.
Si un apport tel que mentionné au premier alinéa comprend à la fois des immeubles visés à l'article 115bis du Code fédéral des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, et des biens d'une autre nature, les droits sociaux et les autres charges qui constituent la rémunération de cet apport sont censés, nonobstant toute clause contraire, se répartir proportionnellement entre la valeur attribuée par la convention aux immeubles et celle que cette convention attribue aux autres biens. Les loyers à échoir des baux dont les droits sont apportés sont censés toutefois se rapporter exclusivement à ces droits.
Le premier et le deuxième alinéa ne sont toutefois pas applicables en cas d'apport d'universalité de biens ou d'une branche d'activité conformément à l'article 117, § 1er et § 2, du Code fédéral des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe.
Cet article est également d'application sur la création de sociétés nouvelles telles que mentionnées à l'article 118 du Code fédéral des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe.]1
Si un apport tel que mentionné au premier alinéa comprend à la fois des immeubles visés à l'article 115bis du Code fédéral des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, et des biens d'une autre nature, les droits sociaux et les autres charges qui constituent la rémunération de cet apport sont censés, nonobstant toute clause contraire, se répartir proportionnellement entre la valeur attribuée par la convention aux immeubles et celle que cette convention attribue aux autres biens. Les loyers à échoir des baux dont les droits sont apportés sont censés toutefois se rapporter exclusivement à ces droits.
Le premier et le deuxième alinéa ne sont toutefois pas applicables en cas d'apport d'universalité de biens ou d'une branche d'activité conformément à l'article 117, § 1er et § 2, du Code fédéral des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe.
Cet article est également d'application sur la création de sociétés nouvelles telles que mentionnées à l'article 118 du Code fédéral des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe.]1
Art. 2.9.1.0.4. [1 [3 Het verkooprecht wordt ook gevestigd op de verkrijging, op welke wijze ook, anders dan bij inbreng in een vennootschap, door een of meer vennoten van onroerende goederen die in België liggen en die voortkomen van een vennootschap onder firma, van een commanditaire vennootschap, van een besloten vennootschap of van een coöperatieve vennootschap.]3
De verkrijging zal evenwel belast worden volgens haar gemeenrechtelijke aard als het gaat om :
1° onroerende goederen die in de vennootschap zijn ingebracht, als ze verkregen zijn door de persoon die de inbreng gedaan heeft;
2° onroerende goederen die door de vennootschap met betaling van het verkooprecht verkregen zijn, als het vaststaat dat de vennoot die eigenaar van die onroerende goederen wordt, deel uitmaakte van de vennootschap toen [2 laatstgenoemde]2 de goederen verkreeg.
[3 In geval van verkrijging van maatschappelijke onroerende goederen door al de vennoten door een gehele of gedeeltelijke vereffening conform boek 2, titel 8, hoofdstuk 1, afdeling 2, van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen, is, naargelang van het geval, de registratiebelasting die met toepassing van het eerste of het tweede lid is gevestigd, van toepassing op de latere toebedeling van de goederen aan een of meer vennoten.]3]1
[4 Als al de vennoten maatschappelijke onroerende goederen verkrijgen naar verhouding van hun participatie in de vennootschap zonder enige tegenprestatie, waarbij die verkrijging boekhoudkundig wordt aangerekend op de beschikbare of onbeschikbare inbreng, is, naargelang van het geval, de registratiebelasting die met toepassing van het eerste of het tweede lid is gevestigd, van toepassing op de latere toebedeling van de goederen aan een of meer vennoten.]4
De verkrijging zal evenwel belast worden volgens haar gemeenrechtelijke aard als het gaat om :
1° onroerende goederen die in de vennootschap zijn ingebracht, als ze verkregen zijn door de persoon die de inbreng gedaan heeft;
2° onroerende goederen die door de vennootschap met betaling van het verkooprecht verkregen zijn, als het vaststaat dat de vennoot die eigenaar van die onroerende goederen wordt, deel uitmaakte van de vennootschap toen [2 laatstgenoemde]2 de goederen verkreeg.
[3 In geval van verkrijging van maatschappelijke onroerende goederen door al de vennoten door een gehele of gedeeltelijke vereffening conform boek 2, titel 8, hoofdstuk 1, afdeling 2, van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen, is, naargelang van het geval, de registratiebelasting die met toepassing van het eerste of het tweede lid is gevestigd, van toepassing op de latere toebedeling van de goederen aan een of meer vennoten.]3]1
[4 Als al de vennoten maatschappelijke onroerende goederen verkrijgen naar verhouding van hun participatie in de vennootschap zonder enige tegenprestatie, waarbij die verkrijging boekhoudkundig wordt aangerekend op de beschikbare of onbeschikbare inbreng, is, naargelang van het geval, de registratiebelasting die met toepassing van het eerste of het tweede lid is gevestigd, van toepassing op de latere toebedeling van de goederen aan een of meer vennoten.]4
Art. 2.9.1.0.4. [1 [3 Le droit de vente est également établi pour l'acquisition par un ou plusieurs associés, de quelque manière qu'elle s'opère, mais autrement que par voie d'apport en société, d'immeubles situés en Belgique provenant d'une société en nom collectif ou en commandite, d'une société privée ou d'une société coopérative.]3
L'acquisition sera cependant imposée selon sa nature de droit commun s'il s'agit :
1° des immeubles apportés à la société, lorsqu'ils sont acquis par la personne qui a effectué l'apport ;
2° des immeubles acquis par la société avec paiement du droit d'enregistrement fixé pour les ventes, lorsqu'il est établi que l'associé qui devient propriétaire de ces immeubles faisait partie de la société au jour de l'acquisition [2 par ce dernier.]2
[3 En cas d'acquisition de biens immobiliers sociaux par tous les associés suite à une liquidation entière ou partielle conformément au livre 2, titre 8, chapitre 1er, section 2 du Code des Sociétés et Associations, selon les cas, le droit d'enregistrement établi en application du premier ou du second alinéa s'applique à l'attribution ultérieure des biens à un ou plusieurs associés.]3]1
[4 Si tous les associés acquièrent sans contrepartie des biens immobiliers sociaux au prorata de leur participation dans la société, cette acquisition étant imputée sur le plan de la comptabilité sur l'apport disponible ou indisponible, le droit d'enregistrement établi en vertu de l'alinéa 1er ou 2, selon le cas, s'applique à l'attribution ultérieure de ces biens à un ou plusieurs associés.]4
L'acquisition sera cependant imposée selon sa nature de droit commun s'il s'agit :
1° des immeubles apportés à la société, lorsqu'ils sont acquis par la personne qui a effectué l'apport ;
2° des immeubles acquis par la société avec paiement du droit d'enregistrement fixé pour les ventes, lorsqu'il est établi que l'associé qui devient propriétaire de ces immeubles faisait partie de la société au jour de l'acquisition [2 par ce dernier.]2
[3 En cas d'acquisition de biens immobiliers sociaux par tous les associés suite à une liquidation entière ou partielle conformément au livre 2, titre 8, chapitre 1er, section 2 du Code des Sociétés et Associations, selon les cas, le droit d'enregistrement établi en application du premier ou du second alinéa s'applique à l'attribution ultérieure des biens à un ou plusieurs associés.]3]1
[4 Si tous les associés acquièrent sans contrepartie des biens immobiliers sociaux au prorata de leur participation dans la société, cette acquisition étant imputée sur le plan de la comptabilité sur l'apport disponible ou indisponible, le droit d'enregistrement établi en vertu de l'alinéa 1er ou 2, selon le cas, s'applique à l'attribution ultérieure de ces biens à un ou plusieurs associés.]4
Art. 2.9.1.0.5. [1 [2 Het verkooprecht wordt ook gevestigd op de verkrijging, op welke wijze ook, door een of meer vennoten van onroerende goederen die in België liggen en die voortkomen van een naamloze vennootschap, van een Europese vennootschap of van een Europese coöperatieve vennootschap.]2
Het eerste lid is niet van toepassing bij een verkrijging bij wijze van inbreng in een vennootschap.]1
Het eerste lid is niet van toepassing bij een verkrijging bij wijze van inbreng in een vennootschap.]1
Art. 2.9.1.0.5. [1 [2 Le droit de vente est également établi sur l'acquisition, de quelque manière que ce soit, par un ou plusieurs associés, de biens immobiliers situés en Belgique et provenant d'une société anonyme, d'une société européenne ou d'une société coopérative européenne.]2
Le premier alinéa n'est pas d'application en cas d'acquisition par voie d'apport dans une société.]1
Le premier alinéa n'est pas d'application en cas d'acquisition par voie d'apport dans une société.]1
Art. 2.9.1.0.6. [1 § 1. Vonnissen en arresten die tot bewijs strekken van een overeenkomst waarop de bepalingen van deze afdeling van toepassing zijn, maar die nog niet aan het verkooprecht onderworpen is, geven aanleiding tot de heffing van het verkooprecht.
Het eerste lid is ook van toepassing als de rechterlijke beslissing die tot bewijs van de overeenkomst strekt, de ontbinding of herroeping ervan uitspreekt of vaststelt voor om het even welke reden, tenzij uit de beslissing blijkt dat ten hoogste één jaar na de overeenkomst een eis tot ontbinding of herroeping, zelfs bij een onbevoegde rechter, is ingesteld.
§ 2. Exequaturs van scheidsrechterlijke uitspraken en in het buitenland gewezen rechterlijke beslissingen worden, voor de toepassing van dit hoofdstuk, als een geheel met de desbetreffende akte beschouwd. Als de desbetreffende akte tot bewijs strekt van een overeenkomst houdende overdracht onder bezwarende titel van eigendom of vruchtgebruik van in het Vlaamse Gewest te lokaliseren onroerende goederen en niet aan het verkooprecht onderworpen is, geeft ze aanleiding tot de heffing van het verkooprecht.
Dat geldt ook als de scheidsrechterlijke uitspraak of in het buitenland gewezen rechterlijke beslissing die tot bewijs van de overeenkomst strekt, de ontbinding of herroeping ervan uitspreekt of vaststelt voor om het even welke reden, tenzij uit de beslissing blijkt dat ten hoogste één jaar na de overeenkomst een eis tot ontbinding of herroeping, zelfs bij een onbevoegde rechter, is ingesteld.
Het verkooprecht is ook van toepassing in geval van aanbieding ter registratie van een in het buitenland gewezen rechterlijke beslissing die van rechtswege in België uitvoerbaar is.]1
Het eerste lid is ook van toepassing als de rechterlijke beslissing die tot bewijs van de overeenkomst strekt, de ontbinding of herroeping ervan uitspreekt of vaststelt voor om het even welke reden, tenzij uit de beslissing blijkt dat ten hoogste één jaar na de overeenkomst een eis tot ontbinding of herroeping, zelfs bij een onbevoegde rechter, is ingesteld.
§ 2. Exequaturs van scheidsrechterlijke uitspraken en in het buitenland gewezen rechterlijke beslissingen worden, voor de toepassing van dit hoofdstuk, als een geheel met de desbetreffende akte beschouwd. Als de desbetreffende akte tot bewijs strekt van een overeenkomst houdende overdracht onder bezwarende titel van eigendom of vruchtgebruik van in het Vlaamse Gewest te lokaliseren onroerende goederen en niet aan het verkooprecht onderworpen is, geeft ze aanleiding tot de heffing van het verkooprecht.
Dat geldt ook als de scheidsrechterlijke uitspraak of in het buitenland gewezen rechterlijke beslissing die tot bewijs van de overeenkomst strekt, de ontbinding of herroeping ervan uitspreekt of vaststelt voor om het even welke reden, tenzij uit de beslissing blijkt dat ten hoogste één jaar na de overeenkomst een eis tot ontbinding of herroeping, zelfs bij een onbevoegde rechter, is ingesteld.
Het verkooprecht is ook van toepassing in geval van aanbieding ter registratie van een in het buitenland gewezen rechterlijke beslissing die van rechtswege in België uitvoerbaar is.]1
Art. 2.9.1.0.6. [1 § 1er. Les jugements et arrêts tendant à faire preuve d'une convention sur laquelle les dispositions de la présente section sont d'application mais qui n'ont pas encore été soumises au droit de vente, donnent lieu à la perception du droit de vente.
Le premier alinéa est également d'application si la décision judiciaire qui tend à prouver la convention, prononce ou constate sa dissolution ou sa révocation, pour quelque motif que ce soit, à moins qu'il résulte de la décision que la convention n'est pas antérieure de plus d'un an à une demande en résolution ou en révocation, même si elle a été introduite devant un juge incompétent.
§ 2. Les exequaturs de sentences arbitrales et de décisions judiciaires rendues à l'étranger sont considérés, pour l'application du présent chapitre, comme formant un tout avec l'acte concerné. Si l'acte concerné tend à prouver une convention translative à titre onéreux de propriété ou d'usufruit de biens immeubles qui doivent être localisés dans la Région flamande et qui ne sont pas soumis au droit de vente, il donne lieu à la perception du droit de vente.
Il en est également ainsi si la sentence arbitrale ou la décision judiciaire rendue à l'étranger faisant titre de la convention prononce la résolution ou la révocation de celle-ci pour quelque cause que ce soit, à moins qu'il ne résulte de la décision que la convention n'est pas antérieure de plus d'un an à une demande en résolution ou en révocation, même si elle a été introduite devant un juge incompétent.
Le droit de vente est également d'application en cas de présentation pour enregistrement d'une décision de justice rendue à l'étranger qui est de plein droit exécutoire en Belgique.]1
Le premier alinéa est également d'application si la décision judiciaire qui tend à prouver la convention, prononce ou constate sa dissolution ou sa révocation, pour quelque motif que ce soit, à moins qu'il résulte de la décision que la convention n'est pas antérieure de plus d'un an à une demande en résolution ou en révocation, même si elle a été introduite devant un juge incompétent.
§ 2. Les exequaturs de sentences arbitrales et de décisions judiciaires rendues à l'étranger sont considérés, pour l'application du présent chapitre, comme formant un tout avec l'acte concerné. Si l'acte concerné tend à prouver une convention translative à titre onéreux de propriété ou d'usufruit de biens immeubles qui doivent être localisés dans la Région flamande et qui ne sont pas soumis au droit de vente, il donne lieu à la perception du droit de vente.
Il en est également ainsi si la sentence arbitrale ou la décision judiciaire rendue à l'étranger faisant titre de la convention prononce la résolution ou la révocation de celle-ci pour quelque cause que ce soit, à moins qu'il ne résulte de la décision que la convention n'est pas antérieure de plus d'un an à une demande en résolution ou en révocation, même si elle a été introduite devant un juge incompétent.
Le droit de vente est également d'application en cas de présentation pour enregistrement d'une décision de justice rendue à l'étranger qui est de plein droit exécutoire en Belgique.]1
Art. 2.9.1.0.7. [1 In afwijking van artikel 2.10.1.0.1 wordt in geval van toebedeling bij verdeling of van afstand van onverdeelde delen aan een derde die bij overeenkomst een onverdeeld deel heeft verkregen van goederen die toebehoren aan een of meer personen, het verkooprecht geheven op de delen waarvan de derde ten gevolge van de overeenkomst eigenaar wordt, met toepassing van artikel 2.9.3.0.1 en artikel 2.9.3.0.4 tot en met artikel 2.9.3.0.7.
Het eerste lid is van toepassing als de toebedeling van goederen of de afstand van onverdeelde delen gedaan wordt aan de erfgenamen of legatarissen van de overleden derde verkrijger.
Het eerste lid is niet van toepassing als de derde, aan wie de toebedeling of de afstand gedaan wordt, met anderen het geheel van een of meer goederen heeft verkregen.]1
Het eerste lid is van toepassing als de toebedeling van goederen of de afstand van onverdeelde delen gedaan wordt aan de erfgenamen of legatarissen van de overleden derde verkrijger.
Het eerste lid is niet van toepassing als de derde, aan wie de toebedeling of de afstand gedaan wordt, met anderen het geheel van een of meer goederen heeft verkregen.]1
Art. 2.9.1.0.7. [1 Par dérogation à l'article 2.10.1.0.1, en cas d'attribution par partage ou de cession de parts indivises à un tiers qui a acquis conventionnellement une part indivise de biens appartenant à une ou à plusieurs personnes, le droit est perçu sur les quotités dont le tiers devient propriétaire par l'effet de la convention en application de l'article 2.9.3.0.1 et des articles 2.9.3.0.4 à 2.9.3.0.7.
Le premier alinéa est d'application lorsque l'attribution de biens ou la cession de parts indivises est consentie aux héritiers ou légataires du tiers acquéreur décédé.
Le premier alinéa n'est pas applicable dans le cas où le tiers attributaire ou cessionnaire a acquis avec d'autres la totalité d'un ou de plusieurs biens.]1
Le premier alinéa est d'application lorsque l'attribution de biens ou la cession de parts indivises est consentie aux héritiers ou légataires du tiers acquéreur décédé.
Le premier alinéa n'est pas applicable dans le cas où le tiers attributaire ou cessionnaire a acquis avec d'autres la totalité d'un ou de plusieurs biens.]1
Afdeling 2. - [1 Belastingplichtigen]1
Section 2. - [1 Contribuables]1
Art. 2.9.2.0.1. [1 De belastingplichtige is de verkrijger van het zakelijk recht.
Bij een ruilovereenkomst is de belastingplichtige de verkrijger van het onroerend goed waarvan de overeengekomen waarde als heffingsgrondslag heeft gediend overeenkomstig artikel 2.9.7.0.2.
Voor de belasting, vermeld in artikel 2.9.4.2.9, is de belastingplichtige de persoon die als eerste met naam wordt vermeld in de akte die of het geschrift dat ter registratie wordt aangeboden.]1
Bij een ruilovereenkomst is de belastingplichtige de verkrijger van het onroerend goed waarvan de overeengekomen waarde als heffingsgrondslag heeft gediend overeenkomstig artikel 2.9.7.0.2.
Voor de belasting, vermeld in artikel 2.9.4.2.9, is de belastingplichtige de persoon die als eerste met naam wordt vermeld in de akte die of het geschrift dat ter registratie wordt aangeboden.]1
Art. 2.9.2.0.1. [1 Le contribuable est le cessionnaire du droit réel.
En cas de convention d'échange, le contribuable est le cessionnaire du bien immobilier dont la valeur convenue a servi de base de perception conformément à l'article 2.9.7.0.2.
Pour l'imposition mentionnée à l'article 2.9.4.2.9, le contribuable est la personne dont le nom est mentionné en premier lieu dans l'acte ou dans l'écrit présenté pour enregistrement.]1
En cas de convention d'échange, le contribuable est le cessionnaire du bien immobilier dont la valeur convenue a servi de base de perception conformément à l'article 2.9.7.0.2.
Pour l'imposition mentionnée à l'article 2.9.4.2.9, le contribuable est la personne dont le nom est mentionné en premier lieu dans l'acte ou dans l'écrit présenté pour enregistrement.]1
Afdeling 3. - [1 Belastbare grondslag]1
Section 3. - [1 Base imposable]1
Art. 2.9.3.0.1. [1 § 1. Het verkooprecht wordt vastgesteld op basis van het bedrag van de overeengekomen prijs en lasten of het bedrag van de overeengekomen tegenprestatie ten laste van de verkrijger.
In afwijking van het eerste lid wordt het verkooprecht voor overeenkomsten tot inbreng van onroerende goederen in vennootschappen vastgesteld op basis van het bedrag van de waarde van de als vergoeding voor de inbreng toegekende maatschappelijke rechten, verhoogd met de lasten die door de vennootschap gedragen worden.
§ 2. De belastbare grondslag mag in geen geval lager zijn dan de verkoopwaarde van de overgedragen onroerende goederen.]1
In afwijking van het eerste lid wordt het verkooprecht voor overeenkomsten tot inbreng van onroerende goederen in vennootschappen vastgesteld op basis van het bedrag van de waarde van de als vergoeding voor de inbreng toegekende maatschappelijke rechten, verhoogd met de lasten die door de vennootschap gedragen worden.
§ 2. De belastbare grondslag mag in geen geval lager zijn dan de verkoopwaarde van de overgedragen onroerende goederen.]1
Art. 2.9.3.0.1. [1 § 1er. Le droit de vente est établi sur la base du montant du prix convenu et des charges ou du montant de la contrepartie convenue à charge du cessionnaire.
Par dérogation au premier alinéa, le droit de vente pour des conventions d'apport de biens immobiliers dans des sociétés est établi sur la base du montant de la valeur des droits sociaux attribués en contrepartie des apports augmentée des charges supportées par la société.
§ 2. La base imposable ne peut en aucun cas être inférieure à la valeur vénale des biens immobiliers transmis.]1
Par dérogation au premier alinéa, le droit de vente pour des conventions d'apport de biens immobiliers dans des sociétés est établi sur la base du montant de la valeur des droits sociaux attribués en contrepartie des apports augmentée des charges supportées par la société.
§ 2. La base imposable ne peut en aucun cas être inférieure à la valeur vénale des biens immobiliers transmis.]1
Art. 2.9.3.0.4. [1 § 1. Als bij een overeenkomst als vermeld in artikel 2.9.3.0.1, een levenslang vruchtgebruik op een onroerend goed wordt gevestigd, wordt de verkoopwaarde (vkw), vermeld in artikel 2.9.3.0.1, § 2, berekend volgens de volgende formule :
vkw = a x b.
De parameters, vermeld in het eerste lid, worden als volgt gedefinieerd :
1° a = de jaarlijkse bruto-opbrengst of, bij gebrek daaraan, de brutohuurwaarde van het goed;
2° b = de leeftijdscoëfficiënt, vermeld in de onderstaande tabel, naargelang de leeftijd van de persoon op het hoofd van wie het vruchtgebruik is gevestigd op de dag van de akte :
vkw = a x b.
De parameters, vermeld in het eerste lid, worden als volgt gedefinieerd :
1° a = de jaarlijkse bruto-opbrengst of, bij gebrek daaraan, de brutohuurwaarde van het goed;
2° b = de leeftijdscoëfficiënt, vermeld in de onderstaande tabel, naargelang de leeftijd van de persoon op het hoofd van wie het vruchtgebruik is gevestigd op de dag van de akte :
Art. 2.9.3.0.4. [1 § 1er. Lorsque, par un contrat tel que mentionné à l'article 2.9.3.0.1, un usufruit viager est établi sur un bien immobilier, la valeur vénale (vv), mentionnée à l'article 2.9.3.0.1, § 2, est calculée selon la formule suivante :
vv = a x b.
Les paramètres, visés à l'alinéa premier, sont définis comme suit :
1° a = le revenu annuel brut ou, à défaut, la valeur locative brute du bien ;
2° b = le coefficient d'âge mentionné dans le tableau ci-dessous, en fonction de l'âge de la personne sur la tête de laquelle l'usufruit est établi, le jour de l'acte :
vv = a x b.
Les paramètres, visés à l'alinéa premier, sont définis comme suit :
1° a = le revenu annuel brut ou, à défaut, la valeur locative brute du bien ;
2° b = le coefficient d'âge mentionné dans le tableau ci-dessous, en fonction de l'âge de la personne sur la tête de laquelle l'usufruit est établi, le jour de l'acte :
| leeftijdscoëfficiënt | leeftijd van degene op het hoofd van wie de rente gevestigd is, in jaar |
| 18 | ≤ 20 |
| 17 | > 20-30 |
| 16 | > 30-40 |
| 14 | > 40-50 |
| 13 | > 50-55 |
| 11 | > 55-60 |
| 9,5 | > 60-65 |
| 8 | > 65-70 |
| 6 | > 70-75 |
| 4 | > 75-80 |
| 2 | > 80 |
§ 2. Als bij een overeenkomst als vermeld in artikel 2.9.3.0.1, een vruchtgebruik voor beperkte tijd op een onroerend goed wordt gevestigd, wordt de verkoopwaarde, vermeld in artikel 2.9.3.0.1, § 2, berekend door de jaarlijkse opbrengst tegen 4% te kapitaliseren, rekening houdend met de bij de overeenkomst gestelde duur van het vruchtgebruik.
De verkoopwaarde, verkregen in het eerste lid, mag niet hoger zijn dan een van de volgende bedragen :
1° de waarde, vermeld in paragraaf 1, als het gaat om een ten voordele van een natuurlijke persoon gevestigd vruchtgebruik;
2° het bedrag van twintig keer de opbrengst van het onroerend goed, als het gaat om een ten voordele van een rechtspersoon gevestigd vruchtgebruik.
§ 3. In geen geval mag de verkoopwaarde van het vruchtgebruik meer bedragen dan vier vijfde van de verkoopwaarde van de volle eigendom van het onroerend goed.]1
| coefficient d'âge | âge de la personne sur la tête de laquelle la rente est établie, en années |
| 18 | ≤ 20 |
| 17 | > 20-30 |
| 16 | > 30-40 |
| 14 | > 40-50 |
| 13 | > 50-55 |
| 11 | > 55-60 |
| 9,5 | > 60-65 |
| 8 | > 65-70 |
| 6 | > 70-75 |
| 4 | > 75-80 |
| 2 | > 80 |
§ 2. Lorsque, par un contrat tel que mentionné à l'article 2.9.3.0.1, un usufruit est établi sur un bien immobilier, la valeur vénale (vv), mentionnée à l'article 2.9.3.0.1, § 2, est calculée en capitalisant le revenu annuel à 4 %, en tenant compte de la durée de l'usufruit mentionnée dans la convention.
La valeur vénale obtenue au premier alinéa ne peut être supérieure à l'un des montants suivants :
1° la valeur mentionnée au paragraphe 1er, s'il s'agit d'un usufruit établi en faveur d'une personne physique ;
2° le montant correspondant à 20 fois le revenu du bien immobilier s'il s'agit d'un usufruit établi en faveur d'une personne morale.
§ 3. En aucun cas, la valeur vénale de l'usufruit ne peut se monter à plus de quatre cinquièmes de la valeur vénale de la pleine propriété du bien immobilier.]1
Art. 2.9.3.0.5. [1 Als bij een overeenkomst als vermeld in artikel 2.9.3.0.1, de blote eigendom wordt overgedragen met voorbehoud van het vruchtgebruik, mag de verkoopwaarde, vermeld in artikel 2.9.3.0.1, § 2, niet lager zijn dan de verkoopwaarde van de volle eigendom.]1
Art. 2.9.3.0.5. [1 Lorsque, par un contrat tel que mentionné à l'article 2.9.3.0.1, la nue-propriété est transmise sous réserve d'usufruit, la valeur vénale mentionnée à l'article 2.9.3.0.1, § 2, ne peut être inférieure à la valeur vénale de la pleine propriété.]1
Art. 2.9.3.0.6. [1 Als bij een overeenkomst als vermeld in artikel 2.9.3.0.1, de blote eigendom wordt overgedragen zonder dat het vruchtgebruik door de vervreemder is voorbehouden, mag de verkoopwaarde, vermeld in artikel 2.9.3.0.1, § 2, niet lager zijn dan de verkoopwaarde van de volle eigendom, na aftrek van de waarde van het vruchtgebruik, berekend volgens artikel 2.9.3.0.4.]1
Art. 2.9.3.0.6. [1 Lorsque, par un contrat tel que mentionné à l'article 2.9.3.0.1, la nue-propriété est transmise, sans que l'usufruit ne soit réservé par l'aliénateur, la valeur vénale mentionnée à l'article 2.9.3.0.1, § 2, ne peut être inférieure à la valeur vénale de la pleine propriété, déduction faite de la valeur de l'usufruit calculé selon l'article 2.9.3.0.4.]1
Art. 2.9.3.0.7. [1 Als bij een overeenkomst als vermeld in artikel 2.9.3.0.1, een vruchtgebruik op een onroerend goed op het hoofd van twee of meer personen wordt gevestigd, met recht van aanwas of van terugvalling, wordt voor de toepassing van artikel 2.9.3.0.4 en artikel 2.9.3.0.6 rekening gehouden met de leeftijd van de jongste persoon.]1
Art. 2.9.3.0.7. [1 Si par une convention telle que mentionnée à l'article 2.9.3.0.1, l'usufruit est ou a été constitué sur la tête de deux ou plusieurs personnes avec droit d'accroissement ou de réversion, l'âge à prendre en considération pour l'application des articles 2.9.3.0.4 et 2.9.3.0.6 est celui de la personne la plus jeune.]1
Art. 2.9.3.0.8. [1 Het verkooprecht, verschuldigd op akten waarbij eigendom of vruchtgebruik van een handelszaak overgedragen wordt, wordt vastgesteld op basis van de in deze afdeling vastgestelde grondslagen.
De schulden die al dan niet met de handelszaak in verband staan en die door de nieuwe eigenaar of vruchtgebruiker ten laste genomen worden, worden als lasten van de overeenkomst beschouwd.]1
De schulden die al dan niet met de handelszaak in verband staan en die door de nieuwe eigenaar of vruchtgebruiker ten laste genomen worden, worden als lasten van de overeenkomst beschouwd.]1
Art. 2.9.3.0.8. [1 Le droit de vente dû sur les actes translatifs ou déclaratifs de propriété ou d'usufruit d'un fonds de commerce est établi selon les bases établies dans la présente section.
Les dettes, afférentes ou non au fonds de commerce, qui sont prises en charge par le nouveau propriétaire ou usufruitier doivent être considérées comme charges de la convention.]1
Les dettes, afférentes ou non au fonds de commerce, qui sont prises en charge par le nouveau propriétaire ou usufruitier doivent être considérées comme charges de la convention.]1
Art. 2.9.3.0.9. [1 In geval van een openbare verkoop van onroerende goederen, in verschillende loten, wordt het verkooprecht geheven op het samengevoegde bedrag van de aan hetzelfde tarief onderworpen loten.]1
Art. 2.9.3.0.9. [1 En cas de vente publique de biens immobiliers en plusieurs lots, le droit de vente est perçu sur le montant cumulé des lots soumis au même tarif. ]1
Afdeling 4. - [1 Tarieven]1
Section 4. - [1 Tarifs ]1
Onderafdeling 1. - [1 Algemeen]1
Sous-section 1re. - [1 Généralités]1
Art. 2.9.4.1.1. [1 Het verkooprecht bedraagt [2 12%]2.]1
Art. 2.9.4.1.1. [1 Le droit de vente se monte à [2 12%]2]1
Art. 2.9.4.1.2. [1 Als een akte of geschrift, overeengekomen tussen dezelfde partijen, verschillende van elkaar afhankelijke of noodzakelijk uit elkaar voortvloeiende regelingen bevat waaronder een verkoopovereenkomst die onderworpen is aan het verkooprecht, wordt de belasting geheven die van toepassing is op de regeling die aanleiding geeft tot de heffing van de hoogste belasting, vastgesteld met toepassing van hoofdstuk 8 tot en met hoofdstuk 11.
Als een akte of geschrift, overeengekomen tussen dezelfde partijen, verschillende van elkaar onafhankelijke of niet noodzakelijk uit elkaar voortvloeiende regelingen bevat waaronder een verkoopovereenkomst die onderworpen is aan het verkooprecht, wordt op elke regeling al naargelang het geval de belasting, vermeld in hoofdstuk 8 tot en met hoofdstuk 11, geheven.]1
Als een akte of geschrift, overeengekomen tussen dezelfde partijen, verschillende van elkaar onafhankelijke of niet noodzakelijk uit elkaar voortvloeiende regelingen bevat waaronder een verkoopovereenkomst die onderworpen is aan het verkooprecht, wordt op elke regeling al naargelang het geval de belasting, vermeld in hoofdstuk 8 tot en met hoofdstuk 11, geheven.]1
Art. 2.9.4.1.2. [1 Lorsqu'un acte ou un écrit, convenu entre les mêmes parties, contient des réglementations dépendantes l'une de l'autre ou découlant nécessairement l'une de l'autre, et en vertu desquelles un contrat de vente est soumis au droit de vente, le droit qui est perçu est le droit qui est d'application en vertu de la réglementation qui donne lieu à la perception du droit le plus élevé, constaté en application des chapitres 8 à 11.
Lorsqu'un acte ou un écrit, convenu entre les mêmes parties, contient des réglementations indépendantes l'une de l'autre ou ne découlant pas nécessairement l'une de l'autre, et en vertu desquelles un contrat de vente est soumis au droit de vente, le droit est perçu selon chaque réglementation, et selon les cas, conformément aux dispositions des chapitres 8 à 11.]1
Lorsqu'un acte ou un écrit, convenu entre les mêmes parties, contient des réglementations indépendantes l'une de l'autre ou ne découlant pas nécessairement l'une de l'autre, et en vertu desquelles un contrat de vente est soumis au droit de vente, le droit est perçu selon chaque réglementation, et selon les cas, conformément aux dispositions des chapitres 8 à 11.]1
Onderafdeling 2. - [1 Verlaagde tarieven]1
Sous-section 2. - [1 Tarifs réduits]1
Art. 2.9.4.2.3. [1 In afwijking van artikel 2.9.4.1.1 bedraagt het verkooprecht 1,50 % voor verkoopovereenkomsten van woningen die gesloten zijn door de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen of door de erkende [4 woonmaatschappijen]4, vermeld in [2 artikel 4.36 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021]2, en voor kopers die voldoen aan de voorwaarden, [4 opgelegd ter uitvoering van artikel 4.27, 4.45 en 5.91 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021]4]2.
Als na de aankoop blijkt dat de kopers niet meer voldoen aan de voorwaarden, [4 opgelegd ter uitvoering van artikel 4.27, 4.45 en 5.91 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021]4, of aan de voorwaarden tot behoud of bewoning, opgelegd door de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen of door de erkende [4 woonmaatschappijen]4, vermeld in [2 artikel 4.36 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021]2, zijn ze het verkooprecht, vermeld in artikel 2.9.4.1.1, verschuldigd na aftrek van de reeds geheven belasting.
Het verlaagde tarief, vermeld in het eerste lid, is ook van toepassing op gelijksoortige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een staat van de Europese Economische Ruimte, en die bovendien hun [3 ...]3 zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben.]1
Als na de aankoop blijkt dat de kopers niet meer voldoen aan de voorwaarden, [4 opgelegd ter uitvoering van artikel 4.27, 4.45 en 5.91 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021]4, of aan de voorwaarden tot behoud of bewoning, opgelegd door de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen of door de erkende [4 woonmaatschappijen]4, vermeld in [2 artikel 4.36 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021]2, zijn ze het verkooprecht, vermeld in artikel 2.9.4.1.1, verschuldigd na aftrek van de reeds geheven belasting.
Het verlaagde tarief, vermeld in het eerste lid, is ook van toepassing op gelijksoortige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een staat van de Europese Economische Ruimte, en die bovendien hun [3 ...]3 zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben.]1
Art. 2.9.4.2.3. [1 Par dérogation à l'article 2.9.4.1.1, le droit de vente se monte à 1,50 % pour les ventes d'habitation qui sont conclues par la " Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen " ou par les [4 sociétés de logement]4 reconnues mentionnées à [2 l'article 4.36 du Code flamand du Logement de 2021]2, et pour les acheteurs qui répondent aux conditions [4 établies en exécution de l'article 4.27, 4.45 et 5.91 du Code flamand du Logement de 2021]4.
Si, après l'achat, il appert que les acheteurs ne répondent plus aux conditions [4 établies en exécution des articles 4.27, 4.45 et 5.91 du Code flamand du Logement de 2021]4, ou aux conditions imposées par la " Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen " ou par les [4 sociétés de logement]4 reconnues, mentionnées à [2 l'article 4.36 du Code flamand du Logement de 2021]2, ces acheteurs sont tenus de s'acquitter du droit de vente mentionné à l'article 2.9.4.1.1, après déduction de l'impôt déjà perçu.
Le tarif réduit mentionné au premier alinéa est également d'application pour les personnes morales analogues créées conformément et assujetties à la législation d'un autre Etat membre de l'Espace économique européen et ayant leur siège [3 ...]3, leur direction générale ou leur établissement principal dans l'Espace économique européen.]1
Si, après l'achat, il appert que les acheteurs ne répondent plus aux conditions [4 établies en exécution des articles 4.27, 4.45 et 5.91 du Code flamand du Logement de 2021]4, ou aux conditions imposées par la " Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen " ou par les [4 sociétés de logement]4 reconnues, mentionnées à [2 l'article 4.36 du Code flamand du Logement de 2021]2, ces acheteurs sont tenus de s'acquitter du droit de vente mentionné à l'article 2.9.4.1.1, après déduction de l'impôt déjà perçu.
Le tarif réduit mentionné au premier alinéa est également d'application pour les personnes morales analogues créées conformément et assujetties à la législation d'un autre Etat membre de l'Espace économique européen et ayant leur siège [3 ...]3, leur direction générale ou leur établissement principal dans l'Espace économique européen.]1
Art. 2.9.4.2.4. [1 § 1. In afwijking van artikel 2.9.4.1.1 wordt het tarief van het verkooprecht verlaagd tot [4 6%]4 voor overeenkomsten houdende [2 overdrachten ten bezwarende titel, uit de hand en bij authentieke akte, met uitsluiting van de inbrengen, vermeld in artikel 115bis van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten]2, waarbij de verkrijger een persoon is die zijn beroep maakt van het kopen en verkopen van onroerende goederen.
§ 2. Voor de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in paragraaf 1, moeten de volgende voorwaarden vervuld zijn :
1° de verkrijger ondertekent een beroepsverklaring en dient die in;
2° [3 ...]3
3° de verkrijger heeft de erkenning verkregen van een in België gevestigde vertegenwoordiger die met toepassing van artikel 3.10.4.4.5 met hem instaat voor de nakoming van zijn fiscale verplichtingen als hij :
a) een natuurlijke persoon is en zijn wettelijke verblijfplaats buiten de Europese Economische Ruimte heeft;
b) een rechtspersoon is zonder vestiging in België waarvan de [3 ...]3 zetel gevestigd is buiten de Europese Economische Ruimte.
§ 3. De akte die de verklaring, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1, niet bevat of waarbij de verklaring, [3 vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 3, tweede lid,]3 niet gevoegd is, wordt tegen het tarief, vermeld in artikel 2.9.4.1.1, geregistreerd zonder enige mogelijkheid tot teruggave.
Een andere beroepspersoon dan de persoon, vermeld in paragraaf 2, 3°, kan de erkenning verkrijgen van een in België gevestigde vertegenwoordiger die medeaansprakelijk is en hoofdelijk met hem instaat voor de nakoming van zijn fiscale verplichtingen.
§ 4. Als de persoon die een beroepsverklaring heeft ondertekend, bij het verstrijken van een termijn van vijf jaar na die verklaring, geen drie wederverkopen kan aantonen waardoor blijkt dat hij het aangegeven beroep werkelijk uitoefent, is hij op al zijn aankopen het verkooprecht, vermeld in artikel 2.9.4.1.1, verschuldigd na aftrek van de reeds geheven belasting.]1
§ 2. Voor de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in paragraaf 1, moeten de volgende voorwaarden vervuld zijn :
1° de verkrijger ondertekent een beroepsverklaring en dient die in;
2° [3 ...]3
3° de verkrijger heeft de erkenning verkregen van een in België gevestigde vertegenwoordiger die met toepassing van artikel 3.10.4.4.5 met hem instaat voor de nakoming van zijn fiscale verplichtingen als hij :
a) een natuurlijke persoon is en zijn wettelijke verblijfplaats buiten de Europese Economische Ruimte heeft;
b) een rechtspersoon is zonder vestiging in België waarvan de [3 ...]3 zetel gevestigd is buiten de Europese Economische Ruimte.
§ 3. De akte die de verklaring, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1, niet bevat of waarbij de verklaring, [3 vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 3, tweede lid,]3 niet gevoegd is, wordt tegen het tarief, vermeld in artikel 2.9.4.1.1, geregistreerd zonder enige mogelijkheid tot teruggave.
Een andere beroepspersoon dan de persoon, vermeld in paragraaf 2, 3°, kan de erkenning verkrijgen van een in België gevestigde vertegenwoordiger die medeaansprakelijk is en hoofdelijk met hem instaat voor de nakoming van zijn fiscale verplichtingen.
§ 4. Als de persoon die een beroepsverklaring heeft ondertekend, bij het verstrijken van een termijn van vijf jaar na die verklaring, geen drie wederverkopen kan aantonen waardoor blijkt dat hij het aangegeven beroep werkelijk uitoefent, is hij op al zijn aankopen het verkooprecht, vermeld in artikel 2.9.4.1.1, verschuldigd na aftrek van de reeds geheven belasting.]1
Art. 2.9.4.2.4. [1 § 1er. Par dérogation à l'article 2.9.4.1.1, le tarif du droit de vente est réduit à [4 6%]4 pour [2 les cessions à titre onéreux, faits de gré à gré et par acte authentique, à l'exception des apports visés à l'article 115bis du Code fédéral des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe]2 à des personnes qui exercent la profession d'acheter des immeubles en vue de la revente.
§ 2. Pour l'application du tarif réduit mentionné au paragraphe 1er, les conditions suivantes doivent être remplies :
1° l'acquéreur signe et dépose une déclaration de profession ;
2° [3 ...]3
3° l'acquéreur a fait agréer un représentant établi en Belgique, qui assume avec lui, en application de l'article 3.10.4.4.5, l'exécution de ses obligations fiscales s'il est :
a) une personne physique et qu'il a son domicile en dehors de l'Espace économique européen ;
b) une personne morale sans établissement en Belgique et dont le siège [3 ...]3 est établi en dehors de l'Espace économique européen.
§ 3. L'acte qui ne contient pas la déclaration mentionnée à l'article 3.12.3.0.1, § 1er, ou auquel la déclaration [3 mentionnée à l'article 3.12.3.0.1, § 3, alinéa 2, ]3 n'est pas jointe, est enregistré au tarif mentionné à l'article 2.9.4.1.1, sans aucune possibilité de restitution.
Un professionnel non visé au paragraphe 2, 3°, peut faire agréer un représentant établi en Belgique, qui assume, solidairement avec le professionnel, l'exécution des obligations fiscales de ce dernier.
§ 4. Si la personne qui a souscrit une déclaration de profession n'est pas à même, à l'expiration d'un délai de cinq ans après cette déclaration, de justifier, par trois reventes, qu'il exerce effectivement la profession déclarée, cette personne sera tenue de payer sur toutes ses acquisitions le droit de vente mentionné à l'article 2.9.4.1.1, après déduction de l'impôt déjà perçu.]1
§ 2. Pour l'application du tarif réduit mentionné au paragraphe 1er, les conditions suivantes doivent être remplies :
1° l'acquéreur signe et dépose une déclaration de profession ;
2° [3 ...]3
3° l'acquéreur a fait agréer un représentant établi en Belgique, qui assume avec lui, en application de l'article 3.10.4.4.5, l'exécution de ses obligations fiscales s'il est :
a) une personne physique et qu'il a son domicile en dehors de l'Espace économique européen ;
b) une personne morale sans établissement en Belgique et dont le siège [3 ...]3 est établi en dehors de l'Espace économique européen.
§ 3. L'acte qui ne contient pas la déclaration mentionnée à l'article 3.12.3.0.1, § 1er, ou auquel la déclaration [3 mentionnée à l'article 3.12.3.0.1, § 3, alinéa 2, ]3 n'est pas jointe, est enregistré au tarif mentionné à l'article 2.9.4.1.1, sans aucune possibilité de restitution.
Un professionnel non visé au paragraphe 2, 3°, peut faire agréer un représentant établi en Belgique, qui assume, solidairement avec le professionnel, l'exécution des obligations fiscales de ce dernier.
§ 4. Si la personne qui a souscrit une déclaration de profession n'est pas à même, à l'expiration d'un délai de cinq ans après cette déclaration, de justifier, par trois reventes, qu'il exerce effectivement la profession déclarée, cette personne sera tenue de payer sur toutes ses acquisitions le droit de vente mentionné à l'article 2.9.4.1.1, après déduction de l'impôt déjà perçu.]1
Art. 2.9.4.2.5. [1 § 1. Als de verkrijger, vermeld in artikel 2.9.4.2.4, § 1, of zijn rechthebbenden het verkregen onroerend goed niet vervreemd hebben door een wederverkoop of elke andere overdracht onder bezwarende titel, vastgesteld bij een authentieke akte die uiterlijk verleden is op 31 december van het achtste jaar na de datum van de koopakte, is het tarief, vermeld in artikel 2.9.4.1.1, dat van kracht is op het ogenblik van de aankoop, verschuldigd na aftrek van de reeds geheven belasting.
Het verkooprecht wordt geheven op de belastbare grondslag, vermeld in artikel 2.9.3.0.1, op het moment van de aankoop.
Als slechts een deel van tegen een enige prijs aangekochte onroerende goederen wordt vervreemd, wordt de belastbare waarde van het niet-vervreemde gedeelte bepaald naar verhouding van de [2 omvang]2.
Een wederverkoop aan een beroepspersoon met toepassing van artikel 2.9.4.2.4 en een inbreng in een vennootschap worden niet beschouwd als een wederverkoop als vermeld in het eerste lid. [2 Een overdracht onder bezwarende titel die aan het verdeelrecht is onderworpen, wordt niet beschouwd als een overdracht onder bezwarende titel als vermeld in het eerste lid.]2
§ 2. De verkrijger mag de betaling aanbieden van de belasting, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, vóór het verstrijken van de termijn, vermeld in paragraaf 1, eerste lid. Hij moet daarvoor een verklaring indienen [2 bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie]2. Die verklaring vermeldt de samenstelling en de waarde van de goederen waarvoor hij de belasting wil betalen.]1
Het verkooprecht wordt geheven op de belastbare grondslag, vermeld in artikel 2.9.3.0.1, op het moment van de aankoop.
Als slechts een deel van tegen een enige prijs aangekochte onroerende goederen wordt vervreemd, wordt de belastbare waarde van het niet-vervreemde gedeelte bepaald naar verhouding van de [2 omvang]2.
Een wederverkoop aan een beroepspersoon met toepassing van artikel 2.9.4.2.4 en een inbreng in een vennootschap worden niet beschouwd als een wederverkoop als vermeld in het eerste lid. [2 Een overdracht onder bezwarende titel die aan het verdeelrecht is onderworpen, wordt niet beschouwd als een overdracht onder bezwarende titel als vermeld in het eerste lid.]2
§ 2. De verkrijger mag de betaling aanbieden van de belasting, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, vóór het verstrijken van de termijn, vermeld in paragraaf 1, eerste lid. Hij moet daarvoor een verklaring indienen [2 bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie]2. Die verklaring vermeldt de samenstelling en de waarde van de goederen waarvoor hij de belasting wil betalen.]1
Art. 2.9.4.2.5. [1 § 1er. Si l'acquéreur mentionné à l'article ou ses ayants cause n'ont pas aliéné cet immeuble par revente ou par toute transmission à titre onéreux, constatée par acte authentique passé au plus tard le 31 décembre de la huitième année qui suit la date de l'acte d'achat, le tarif mentionné à l'article 2.9.4.2.4, § 1er en vigueur à moment de l'achat est dû, déduction faite de l'impôt déjà perçu.
Le droit de vente est perçu sur la base imposable mentionnée à l'article 2.9.3.0.1, au moment de l'achat.
Si des immeubles qui ont été achetés pour un prix unique ne sont aliénés qu'en partie, la valeur imposable de la partie non aliénée est déterminée au prorata [2 du volume]2.
Une revente à un professionnel en application de l'article 2.9.4.2.4 et un apport dans une société ne sont pas considérés comme une revente telle que visée au premier alinéa. [2 Une cession à titre onéreux qui est soumise au droit de partage n'est pas considérée comme une cession à titre onéreux telle que visée au premier alinéa.]2
§ 2. L'acquéreur peut offrir de payer le droit mentionné au paragraphe 1er, premier alinéa, avant l'expiration du délai prévu au paragraphe 1er, premier alinéa. Il doit à cette fin présenter une déclaration [2 à l'entité compétente de l'Administration flamande]2. Cette déclaration précise la consistance et la valeur des biens pour lesquels il désire acquitter l'impôt.]1
Le droit de vente est perçu sur la base imposable mentionnée à l'article 2.9.3.0.1, au moment de l'achat.
Si des immeubles qui ont été achetés pour un prix unique ne sont aliénés qu'en partie, la valeur imposable de la partie non aliénée est déterminée au prorata [2 du volume]2.
Une revente à un professionnel en application de l'article 2.9.4.2.4 et un apport dans une société ne sont pas considérés comme une revente telle que visée au premier alinéa. [2 Une cession à titre onéreux qui est soumise au droit de partage n'est pas considérée comme une cession à titre onéreux telle que visée au premier alinéa.]2
§ 2. L'acquéreur peut offrir de payer le droit mentionné au paragraphe 1er, premier alinéa, avant l'expiration du délai prévu au paragraphe 1er, premier alinéa. Il doit à cette fin présenter une déclaration [2 à l'entité compétente de l'Administration flamande]2. Cette déclaration précise la consistance et la valeur des biens pour lesquels il désire acquitter l'impôt.]1
Art. 2.9.4.2.6. [1 Bij overlijden van de vertegenwoordiger van een beroepspersoon als vermeld in artikel 2.9.4.2.4, § 2, 3°, bij de intrekking van zijn erkenning of als hij onbekwaam wordt verklaard om als vertegenwoordiger op te treden, moet binnen een termijn van zes maanden in zijn vervanging voorzien worden.
Als de voorschriften, vermeld in het eerste lid [2 ...]2 niet voldaan zijn, is de belasting, vermeld in artikel 2.9.4.2.5, verschuldigd voor de niet-wederverkochte goederen.]1
Als de voorschriften, vermeld in het eerste lid [2 ...]2 niet voldaan zijn, is de belasting, vermeld in artikel 2.9.4.2.5, verschuldigd voor de niet-wederverkochte goederen.]1
Art. 2.9.4.2.6. [1 En cas de décès du représentant d'un professionnel visé à l'article 2.9.4.2.4, § 2, 3°, de retrait de son agrément ou d'évènement entraînant son incapacité à agir comme représentant, il doit être pourvu à son remplacement dans les six mois.
Si les prescriptions mentionnées au premier alinéa [2 ...]2 ne sont pas respectées, l'impôt mentionné à l'article 2.9.4.2.5 est dû pour les biens non revendus.]1
Si les prescriptions mentionnées au premier alinéa [2 ...]2 ne sont pas respectées, l'impôt mentionné à l'article 2.9.4.2.5 est dû pour les biens non revendus.]1
Art. 2.9.4.2.7. [1 In afwijking van artikel 2.9.4.1.1 bedraagt het verkooprecht 6% voor een koopovereenkomst ter verwezenlijking van haar [2 voorwerp]2 :
1° door een maatschappij die erkend is door de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen, op voorwaarde van bewijs van haar erkenning;
2° door het Vlaams Woningfonds.
Het verlaagde tarief, vermeld in het eerste lid, is ook van toepassing op gelijksoortige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een staat van de Europese Economische Ruimte, en die bovendien hun [2 ...]2 zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben.]1
1° door een maatschappij die erkend is door de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen, op voorwaarde van bewijs van haar erkenning;
2° door het Vlaams Woningfonds.
Het verlaagde tarief, vermeld in het eerste lid, is ook van toepassing op gelijksoortige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een staat van de Europese Economische Ruimte, en die bovendien hun [2 ...]2 zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben.]1
Art. 2.9.4.2.7. [1 Par dérogation à l'article 2.9.4.1.1, le droit de vente se monte à 6 % pour un contrat d'achat, pour la réalisation de son [2 objet]2, par :
1° une société agréée par la " Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen ", à la condition d'une preuve de son agrément ;
2° le Fonds flamand du logement.
Le tarif réduit mentionné au premier alinéa s'applique également aux personnes morales analogues créées conformément et assujetties à la législation d'un Etat membre de l'Espace économique européen et ayant en outre leur siège [2 ...]2, leur direction générale ou leur établissement principal au sein de l'Espace économique européen.]1
1° une société agréée par la " Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen ", à la condition d'une preuve de son agrément ;
2° le Fonds flamand du logement.
Le tarif réduit mentionné au premier alinéa s'applique également aux personnes morales analogues créées conformément et assujetties à la législation d'un Etat membre de l'Espace économique européen et ayant en outre leur siège [2 ...]2, leur direction générale ou leur établissement principal au sein de l'Espace économique européen.]1
Art. 2.9.4.2.8. [1 § 1. In afwijking van artikel 2.9.4.1.1 wordt het tarief van het verkooprecht verlaagd tot 6% voor de ruilovereenkomsten van ongebouwde landgoederen [2 waarvan de oppervlakte van elk van de kavels niet meer bedraagt dan vijf hectare,]2 op voorwaarde dat het waardeverschil tussen elk van de kavels of de opleg een vierde van de verkoopwaarde van de minste kavel niet te boven gaat.
Voor de toepassing van het tarief, vermeld in het eerste lid, moet voldaan zijn aan de verplichtingen van [3 artikel 3.12.3.0.1, § 1 en § 3, derde lid]3.
§ 2. Voor elke te laag bevonden opleg of elk te laag bevonden waardeverschil, zijn aanvullende rechten verschuldigd.
Hetzelfde geldt voor elke overschatting van de kavels die een vermindering van het verkooprecht tot gevolg heeft.]1
Voor de toepassing van het tarief, vermeld in het eerste lid, moet voldaan zijn aan de verplichtingen van [3 artikel 3.12.3.0.1, § 1 en § 3, derde lid]3.
§ 2. Voor elke te laag bevonden opleg of elk te laag bevonden waardeverschil, zijn aanvullende rechten verschuldigd.
Hetzelfde geldt voor elke overschatting van de kavels die een vermindering van het verkooprecht tot gevolg heeft.]1
Art. 2.9.4.2.8. [1 § 1er. Par dérogation à l'article 2.9.4.1.1, le tarif du droit de vente est abaissé à 6% pour les échanges d'immeubles ruraux non bâtis [2 dont la superficie de chacun des lots n'excède pas cinq hectares,]2 si la différence de valeur ou la soulte n'excède pas le quart de la valeur vénale du moindre lot.
Pour l'application du tarif mentionné au premier alinéa, il doit être satisfait aux obligations de [3 l'article 3.12.3.0.1, § 1er et § 3, alinéa 3]3.
§ 2. Toute insuffisance constatée dans la différence de valeur ou dans la soulte rend exigible le paiement de droits complémentaires.
Il en est de même de toute surestimation des lots qui aurait pour effet de diminuer le montant du droit.]1
Pour l'application du tarif mentionné au premier alinéa, il doit être satisfait aux obligations de [3 l'article 3.12.3.0.1, § 1er et § 3, alinéa 3]3.
§ 2. Toute insuffisance constatée dans la différence de valeur ou dans la soulte rend exigible le paiement de droits complémentaires.
Il en est de même de toute surestimation des lots qui aurait pour effet de diminuer le montant du droit.]1
Art. 2.9.4.2.9. [1 § 1. Een overeenkomst als vermeld in artikel 2.9.1.0.1, wordt onderworpen aan een tarief van 10 euro als ze niet bij authentieke akte is vastgesteld, en als binnen de termijnen, overeenkomstig artikel 32 of artikel 33 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, samen met de ter registratie aangeboden akte of het ter registratie aangeboden geschrift een schriftelijk vastgestelde overeenkomst ter registratie wordt aangeboden waarin alle partijen verklaren de eerste overeenkomst in der minne te hebben ontbonden of vernietigd of waarin ze verklaren dat een in de eerste overeenkomst uitdrukkelijk bedongen ontbindende voorwaarde al is vervuld.
Het tarief, vermeld in het eerste lid, geldt niet voor de inbrengen door een natuurlijke persoon van een woning in een Belgische vennootschap [2 ...]2.
§ 2. De schriftelijk vastgestelde overeenkomst waarin alle partijen verklaren een overeenkomst, zoals omschreven in artikel 2.9.1.0.1, te hebben ontbonden of vernietigd of waarin ze verklaren dat een in die overeenkomst uitdrukkelijk bedongen ontbindende voorwaarde is vervuld, wordt geregistreerd tegen het tarief van 10 euro op voorwaarde dat die ontbonden of vernietigde overeenkomst :
1° niet bij authentieke akte is vastgesteld;
2° dateert van minder dan één jaar vóór de dagtekening van de ter registratie aangeboden overeenkomst.]1
Het tarief, vermeld in het eerste lid, geldt niet voor de inbrengen door een natuurlijke persoon van een woning in een Belgische vennootschap [2 ...]2.
§ 2. De schriftelijk vastgestelde overeenkomst waarin alle partijen verklaren een overeenkomst, zoals omschreven in artikel 2.9.1.0.1, te hebben ontbonden of vernietigd of waarin ze verklaren dat een in die overeenkomst uitdrukkelijk bedongen ontbindende voorwaarde is vervuld, wordt geregistreerd tegen het tarief van 10 euro op voorwaarde dat die ontbonden of vernietigde overeenkomst :
1° niet bij authentieke akte is vastgesteld;
2° dateert van minder dan één jaar vóór de dagtekening van de ter registratie aangeboden overeenkomst.]1
Art. 2.9.4.2.9. [1 § 1er. Une convention visée à l'article 2.9.1.0.1 est soumise à un tarif de 10 euros si elle n'a pas été constatée par acte authentique et si, dans les délais visés aux articles 32 ou 33 du code fédéral des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, il est présenté ensemble à l'enregistrement, le document relatif à cette convention ainsi qu'une convention constatée par écrit dans laquelle toutes les parties à cette première convention déclarent avoir résolu ou annulé celle-ci à l'amiable ou dans laquelle elles déclarent qu'une condition résolutoire expresse stipulée dans la première convention s'est réalisée.
Ce tarif ne vaut pas pour les apports par une personne physique d'une habitation dans une société belge par une personne physique [2 ...]2.
§ 2. Est enregistrée à un droit fixe de 10 euros, la convention constatée par écrit dans laquelle toutes les parties déclarent avoir résolu ou annulé à l'amiable une convention visée à l'article 2.9.1.0.1, ou dans laquelle elles déclarent qu'une condition résolutoire expresse stipulée dans cette convention s'est réalisée, à condition que la convention résolue ou annulée :
1° n'ait pas été constatée par acte authentique ;
2° date de moins d'un an avant la date de la convention présentée à l'enregistrement.]1
Ce tarif ne vaut pas pour les apports par une personne physique d'une habitation dans une société belge par une personne physique [2 ...]2.
§ 2. Est enregistrée à un droit fixe de 10 euros, la convention constatée par écrit dans laquelle toutes les parties déclarent avoir résolu ou annulé à l'amiable une convention visée à l'article 2.9.1.0.1, ou dans laquelle elles déclarent qu'une condition résolutoire expresse stipulée dans cette convention s'est réalisée, à condition que la convention résolue ou annulée :
1° n'ait pas été constatée par acte authentique ;
2° date de moins d'un an avant la date de la convention présentée à l'enregistrement.]1
Art. 2.9.4.2.10. [1 § 1. Het tarief, vermeld in artikel 2.9.4.1.1 [2 ...]2, wordt [5 voor overeenkomsten gesloten voor 1 januari 2025]5 gehalveerd voor verkrijgingen onder bezwarende titel bij authentieke akte van de geheelheid eigendom van een beschermd monument als vermeld in artikel 2.1, 16°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, met uitzondering van ruilovereenkomsten die onder de toepassing vallen van artikel 2.9.7.0.2.
§ 2. Voor de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in paragraaf 1, moeten de volgende voorwaarden vervuld zijn:
1° de verkrijgers verbinden zich ertoe dat minstens het bedrag dat overeenkomt met het verschil tussen het verkooprecht, geheven met toepassing van paragraaf 1, en het verkooprecht, verschuldigd bij gebrek aan toepassing van hetzelfde artikel, binnen vijf jaar vanaf de datum van de authentieke akte van verkrijging geïnvesteerd wordt in beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten die noodzakelijk zijn voor het behoud of de herwaardering van erfgoedkenmerken en -elementen van het beschermde monument, vermeld in artikel 2.1, 16°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013. De voormelde beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten dienen opgenomen te zijn in een goedgekeurd beheersplan als vermeld in punt 2°, dat geldig is bij de aanvang van de voormelde beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten;
2° voor het beschermde monument, vermeld in artikel 2.1, 16°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, is er een goedgekeurd beheersplan of zal een beheersplan opgemaakt worden conform hoofdstuk 8 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en hoofdstuk 8 van het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014. Het beheersplan is goedgekeurd of zal worden goedgekeurd door het agentschap, vermeld in artikel 2.1, 2°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;
3° de verkrijgers voldoen aan de verplichting, vermeld in [4 artikel 3.12.3.0.1, § 1 en § 3, vierde lid]4.
§ 3. Het bedrag, vermeld in paragraaf 2, 1°, is exclusief btw.
§ 4. Het voordeel van de toepassing van de tariefvermindering uit dit artikel kan niet gecombineerd worden met de toepassing van [2 ...]2 de vermindering, vermeld in artikel 2.9.5.0.1, noch met de ontheffing, vermeld in artikel 3.6.0.0.6, § 3.
Het voordeel van de toepassing van de tariefvermindering uit dit artikel kan niet gecombineerd worden met de premies, vermeld in artikel 10.2.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, [3 noch met de belastingvermindering van de personenbelasting, vermeld in artikel 14536 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, als de voormelde premies of de belastingvermindering]3 betrekking hebben op dezelfde beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten als de beheersmaatregelen, de werkzaamheden of de diensten, vermeld in paragraaf 2, 1°.
§ 5. Bij een rechtshandeling als vermeld in paragraaf 1 die onderworpen is aan een opschortende voorwaarde, wordt voor de toepassing van dit artikel de datum van de vervulling van de voorwaarde in de plaats gesteld van de datum van de akte.]1
§ 2. Voor de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in paragraaf 1, moeten de volgende voorwaarden vervuld zijn:
1° de verkrijgers verbinden zich ertoe dat minstens het bedrag dat overeenkomt met het verschil tussen het verkooprecht, geheven met toepassing van paragraaf 1, en het verkooprecht, verschuldigd bij gebrek aan toepassing van hetzelfde artikel, binnen vijf jaar vanaf de datum van de authentieke akte van verkrijging geïnvesteerd wordt in beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten die noodzakelijk zijn voor het behoud of de herwaardering van erfgoedkenmerken en -elementen van het beschermde monument, vermeld in artikel 2.1, 16°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013. De voormelde beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten dienen opgenomen te zijn in een goedgekeurd beheersplan als vermeld in punt 2°, dat geldig is bij de aanvang van de voormelde beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten;
2° voor het beschermde monument, vermeld in artikel 2.1, 16°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, is er een goedgekeurd beheersplan of zal een beheersplan opgemaakt worden conform hoofdstuk 8 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en hoofdstuk 8 van het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014. Het beheersplan is goedgekeurd of zal worden goedgekeurd door het agentschap, vermeld in artikel 2.1, 2°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;
3° de verkrijgers voldoen aan de verplichting, vermeld in [4 artikel 3.12.3.0.1, § 1 en § 3, vierde lid]4.
§ 3. Het bedrag, vermeld in paragraaf 2, 1°, is exclusief btw.
§ 4. Het voordeel van de toepassing van de tariefvermindering uit dit artikel kan niet gecombineerd worden met de toepassing van [2 ...]2 de vermindering, vermeld in artikel 2.9.5.0.1, noch met de ontheffing, vermeld in artikel 3.6.0.0.6, § 3.
Het voordeel van de toepassing van de tariefvermindering uit dit artikel kan niet gecombineerd worden met de premies, vermeld in artikel 10.2.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, [3 noch met de belastingvermindering van de personenbelasting, vermeld in artikel 14536 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, als de voormelde premies of de belastingvermindering]3 betrekking hebben op dezelfde beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten als de beheersmaatregelen, de werkzaamheden of de diensten, vermeld in paragraaf 2, 1°.
§ 5. Bij een rechtshandeling als vermeld in paragraaf 1 die onderworpen is aan een opschortende voorwaarde, wordt voor de toepassing van dit artikel de datum van de vervulling van de voorwaarde in de plaats gesteld van de datum van de akte.]1
Änderungen
Art. 2.9.4.2.10. [1 § 1er. Le tarif, visé à l'article 2.9.4.1.1 [2 ...]2, [5 pour les contrats de vente conclus avant le 1er janvier 2025,]5 est réduit de moitié par des acquisitions à titre onéreux par acte authentique de la totalité de la propriété d'un monument protégé tel que visé à l'article 2.1, 16° du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, à l'exception des conventions d'échange relevant de l'application de l'article 2.9.7.0.2.
§ 2. Pour l'application du tarif réduit, visé au paragraphe 1er, les conditions suivantes doivent être remplies :
1° les bénéficiaires s'engagent à investir au moins le montant correspondant à la différence entre le droit de vente, perçu en application du paragraphe 1er, et le droit de vente, dû à défaut d'application du même article, dans des mesures de gestion, des travaux ou services nécessaires au maintien ou à la revalorisation des caractéristiques et éléments patrimoniaux du monument protégé, visé à l'article 2.1, 16°, du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, dans les cinq ans à partir de la date de l'acte authentique d'acquisition. Les mesures de gestion, travaux ou services précités doivent être repris dans un plan de gestion approuvé tel que visé au point 2°, qui est valable au début des mesures de gestion, travaux ou services précités ;
2° pour le monument protégé, visé à l'article 2.1, 16°, du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, il y a un plan de gestion approuvé ou un plan de gestion sera établi conformément au chapitre 8 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 et au chapitre 8 de l'Arrêté sur le Patrimoine immobilier du 16 mai 2014. Le plan de gestion est ou sera approuvé par l'agence, visée à l'article 2.1, 2°, du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 ;
3° les bénéficiaires répondent à l'obligation, visée à [4 l'article 3.12.3.0.1, § 1er et § 3, alinéa 4]4.
§ 3. Le montant visé au paragraphe 2, 1°, est hors T.V.A..
§ 4. L'avantage de l'application de la réduction de tarif du présent article ne peut pas être combiné avec l'application de [2 ...]2 la réduction visée à l'article 2.9.5.0.1, ni avec le dégrèvement visé à l'article 3.6.0.0.6, § 3.
L'avantage de l'application de la réduction de tarif du présent article ne peut pas être combiné avec les primes, visées à l'article 10.2.1 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 [3 ni avec la diminution des impôts des personnes physiques, visée à l'article 14536 du Code des Impôts sur les Revenus 1992, si les primes ou la diminution des impôts précitées]3 concernent les mêmes mesures de gestion, travaux ou services que ceux visés au paragraphe 2, 1°.
§ 5. En cas d'un acte juridique tel que visé au paragraphe 1er, qui est soumis à une condition suspensive, la date du respect de la condition est substituée à la date de l'acte pour l'application du présent article.]1
§ 2. Pour l'application du tarif réduit, visé au paragraphe 1er, les conditions suivantes doivent être remplies :
1° les bénéficiaires s'engagent à investir au moins le montant correspondant à la différence entre le droit de vente, perçu en application du paragraphe 1er, et le droit de vente, dû à défaut d'application du même article, dans des mesures de gestion, des travaux ou services nécessaires au maintien ou à la revalorisation des caractéristiques et éléments patrimoniaux du monument protégé, visé à l'article 2.1, 16°, du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, dans les cinq ans à partir de la date de l'acte authentique d'acquisition. Les mesures de gestion, travaux ou services précités doivent être repris dans un plan de gestion approuvé tel que visé au point 2°, qui est valable au début des mesures de gestion, travaux ou services précités ;
2° pour le monument protégé, visé à l'article 2.1, 16°, du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, il y a un plan de gestion approuvé ou un plan de gestion sera établi conformément au chapitre 8 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 et au chapitre 8 de l'Arrêté sur le Patrimoine immobilier du 16 mai 2014. Le plan de gestion est ou sera approuvé par l'agence, visée à l'article 2.1, 2°, du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 ;
3° les bénéficiaires répondent à l'obligation, visée à [4 l'article 3.12.3.0.1, § 1er et § 3, alinéa 4]4.
§ 3. Le montant visé au paragraphe 2, 1°, est hors T.V.A..
§ 4. L'avantage de l'application de la réduction de tarif du présent article ne peut pas être combiné avec l'application de [2 ...]2 la réduction visée à l'article 2.9.5.0.1, ni avec le dégrèvement visé à l'article 3.6.0.0.6, § 3.
L'avantage de l'application de la réduction de tarif du présent article ne peut pas être combiné avec les primes, visées à l'article 10.2.1 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 [3 ni avec la diminution des impôts des personnes physiques, visée à l'article 14536 du Code des Impôts sur les Revenus 1992, si les primes ou la diminution des impôts précitées]3 concernent les mêmes mesures de gestion, travaux ou services que ceux visés au paragraphe 2, 1°.
§ 5. En cas d'un acte juridique tel que visé au paragraphe 1er, qui est soumis à une condition suspensive, la date du respect de la condition est substituée à la date de l'acte pour l'application du présent article.]1
Änderungen
Art. 2.9.4.2.11. [1 § 1. In afwijking van artikel 2.9.4.1.1 bedraagt het verkooprecht [8 2%]8 voor overeenkomsten houdende zuivere [9 aankoop van volle eigendom, waarbij uitsluitend]9 door een of meer natuurlijke personen samen en gelijktijdig de geheelheid volle eigendom van een woning wordt verkregen om er hun hoofdverblijfplaats te vestigen.
[6 In afwijking van het eerste lid bedraagt het tarief 6% voor overeenkomsten houdende zuivere aankoop waarvan de authentieke akte uiterlijk op 31 december 2023 is verleden, als de verkrijger opteert voor de vermindering, vermeld in artikel 2.9.5.0.1, of de ontheffing, vermeld in artikel 3.6.0.0.6, § 3.]6
§ 2. Om het verlaagde tarief, vermeld in paragraaf 1, te kunnen toepassen, moeten alle volgende voorwaarden vervuld zijn:
1° de verkrijger is op de datum van de authentieke aankoopakte niet voor de geheelheid volle eigenaar van een andere woning of bouwgrond. [2 Als er verschillende verkrijgers zijn]2, zijn ze op de vermelde datum niet samen voor de geheelheid volle eigenaar van een andere woning of bouwgrond;
2° de verkrijger verbindt zich ertoe zijn inschrijving in het bevolkingsregister of het vreemdelingenregister te nemen op het adres van de aangekochte woning binnen [4 drie]4 jaar na de datum van de authentieke aankoopakte [9 , en die inschrijving gedurende een ononderbroken periode van minstens een jaar te behouden]9;
3° de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1, is nageleefd.
[2 De koper die de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 2°, niet is nagekomen, is aanvullende rechten verschuldigd.]2
§ 3. In afwijking van paragraaf 2, 1°, wordt geen rekening gehouden met de woning of de bouwgrond als:
1° de verkrijger zich ertoe verbindt om dit onroerend goed uiterlijk [6 twee jaar]6 na de datum van de authentieke akte volledig en ten bezwarende titel te vervreemden en aantoont dat er een causaal verband bestaat tussen die vervreemding en de verkrijging tegen het verlaagd tarief, vermeld in paragraaf 1, en als de verkrijger voldoet aan de verplichting, vermeld in [5 artikel 3.12.3.0.1, § 3, vijfde lid]5;
2° het onroerend goed uiterlijk een jaar na de datum van de authentieke akte van verkrijging, al dan niet gedwongen, wordt onteigend en als de verkrijger voldoet aan de verplichting, vermeld in [5 artikel 3.12.3.0.1, § 3, zesde lid]5.
[2 De koper die de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 1° of 2°, niet is nagekomen, is aanvullende rechten verschuldigd.]2
§ 4. In geval van een overdracht, die aan een opschortende voorwaarde is onderworpen [2 die nog niet is vervuld op datum van de authentieke akte]2, wordt voor de toepassing van dit artikel de datum van vervulling van de voorwaarde in de plaats gesteld van de datum van de authentieke akte.]1
[2 § 5. Het tarief, vermeld in paragraaf 1, kan niet [7 voor het bijbehorende terrein]7 worden toegepast als voor de overdracht van het gebouw of gedeelten van het gebouw de vrijstelling, vermeld in artikel 2.9.6.0.1, eerste lid, 4°, is genoten.]2
[6 § 6. Het tarief, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, kan niet gecombineerd worden met de vermindering, vermeld in artikel 2.9.5.0.1, of de ontheffing, vermeld in artikel 3.6.0.0.6, § 3.]6
[6 In afwijking van het eerste lid bedraagt het tarief 6% voor overeenkomsten houdende zuivere aankoop waarvan de authentieke akte uiterlijk op 31 december 2023 is verleden, als de verkrijger opteert voor de vermindering, vermeld in artikel 2.9.5.0.1, of de ontheffing, vermeld in artikel 3.6.0.0.6, § 3.]6
§ 2. Om het verlaagde tarief, vermeld in paragraaf 1, te kunnen toepassen, moeten alle volgende voorwaarden vervuld zijn:
1° de verkrijger is op de datum van de authentieke aankoopakte niet voor de geheelheid volle eigenaar van een andere woning of bouwgrond. [2 Als er verschillende verkrijgers zijn]2, zijn ze op de vermelde datum niet samen voor de geheelheid volle eigenaar van een andere woning of bouwgrond;
2° de verkrijger verbindt zich ertoe zijn inschrijving in het bevolkingsregister of het vreemdelingenregister te nemen op het adres van de aangekochte woning binnen [4 drie]4 jaar na de datum van de authentieke aankoopakte [9 , en die inschrijving gedurende een ononderbroken periode van minstens een jaar te behouden]9;
3° de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1, is nageleefd.
[2 De koper die de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 2°, niet is nagekomen, is aanvullende rechten verschuldigd.]2
§ 3. In afwijking van paragraaf 2, 1°, wordt geen rekening gehouden met de woning of de bouwgrond als:
1° de verkrijger zich ertoe verbindt om dit onroerend goed uiterlijk [6 twee jaar]6 na de datum van de authentieke akte volledig en ten bezwarende titel te vervreemden en aantoont dat er een causaal verband bestaat tussen die vervreemding en de verkrijging tegen het verlaagd tarief, vermeld in paragraaf 1, en als de verkrijger voldoet aan de verplichting, vermeld in [5 artikel 3.12.3.0.1, § 3, vijfde lid]5;
2° het onroerend goed uiterlijk een jaar na de datum van de authentieke akte van verkrijging, al dan niet gedwongen, wordt onteigend en als de verkrijger voldoet aan de verplichting, vermeld in [5 artikel 3.12.3.0.1, § 3, zesde lid]5.
[2 De koper die de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 1° of 2°, niet is nagekomen, is aanvullende rechten verschuldigd.]2
§ 4. In geval van een overdracht, die aan een opschortende voorwaarde is onderworpen [2 die nog niet is vervuld op datum van de authentieke akte]2, wordt voor de toepassing van dit artikel de datum van vervulling van de voorwaarde in de plaats gesteld van de datum van de authentieke akte.]1
[2 § 5. Het tarief, vermeld in paragraaf 1, kan niet [7 voor het bijbehorende terrein]7 worden toegepast als voor de overdracht van het gebouw of gedeelten van het gebouw de vrijstelling, vermeld in artikel 2.9.6.0.1, eerste lid, 4°, is genoten.]2
[6 § 6. Het tarief, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, kan niet gecombineerd worden met de vermindering, vermeld in artikel 2.9.5.0.1, of de ontheffing, vermeld in artikel 3.6.0.0.6, § 3.]6
Änderungen
Art. 2.9.4.2.11. [1 § 1er Par dérogation à l'article 2.9.4.1.1, le droit de vente s'élève à [8 2%]8 pour [9 les contrats d'acquisition pure d'une pleine propriété, aux termes desquels exclusivement une]9 ou plusieurs personnes physiques acquièrent ensemble et simultanément la totalité en pleine propriété d'un immeuble affecté ou destiné à l'habitation en vue d'y établir leur résidence principale.
[6 Par dérogation à l'alinéa premier, le tarif est de 6 % pour les contrats d'acquisition pure dont l'acte authentique est passé au plus tard le 31 décembre 2023, si l'acquéreur opte pour la réduction, visée à l'article 2.9.5.0.1, ou le dégrèvement, visé à l'article 3.6.0.0.6, § 3.]6
§ 2. Pour pouvoir appliquer le tarif réduit, visé au paragraphe 1er, toutes les conditions suivantes doivent être remplies :
1° l'acquéreur n'est, à la date de l'acte d'acquisition authentique, pas le plein propriétaire à 100 % d'une autre habitation ou d'un autre terrain à bâtir. [2 S'il y a plusieurs acquéreurs]2, elles ne sont à la date mentionnée pas conjointement pleins propriétaires à 100 % d'une autre habitation ou d'un autre terrain à bâtir ;
2° l'acquéreur s'engage à enregistrer son inscription dans le registre de la population ou dans le registre des étrangers à l'adresse de l'habitation acquise dans les [4 trois]4 années suivant la date de l'acte d'acquisition authentique [9 , et de conserver cette inscription pendant une période ininterrompue d'au moins un an]9;
3° l'obligation visée à l'article 3.12.3.0.1, § 1er, a été respectée.
[2 L'acheteur qui n'a pas respecté la condition, visée à l'alinéa premier, 2°, est tenu de payer des droits complémentaires.]2
§ 3. Par dérogation au paragraphe 2, 1°, il n'est pas tenu compte de l'habitation ou du terrain à bâtir si :
1° l'acquéreur s'engage à aliéner ce bien immobilier pour sa totalité et à titre onéreux au plus tard endéans [6 deux ans]6 après la signature de l'acte authentique et démontre qu'il existe un lien causal entre cette aliénation et l'acquisition contre le tarif réduit, visé au paragraphe 1er et si l'acquéreur satisfait à l'obligation visée à [5 l'article 3.12.3.0.1, § 3, alinéa 5]5 ;
2° le bien immobilier est exproprié, de force ou non, au plus tard un an après la date de la signature de l'acte authentique d'acquisition et que l'acquéreur satisfait à l'obligation visée à [5 l'article 3.12.3.0.1, § 3, alinéa 6]5.
[2 L'acheteur qui n'a pas respecté les conditions, visées à l'alinéa premier, 1° ou 2°, est tenu de payer des droits complémentaires.]2
§ 4. Dans le cas d'un transfert qui est soumis à une condition suspensive, [2 qui n'est pas encore remplie à la date de l'acte authentique,]2 la date du respect de la condition est substituée à la date de l'acte authentique pour l'application du présent article.]1
[2 § 5. Le tarif visé au paragraphe 1er ne peut être appliqué [7 pour le sol y attenant]7 si, pour le transfert du bâtiment ou de parties du bâtiment, l'exemption visée à l'article 2.9.6.0.1, alinéa premier, 4°, a été accordée.]2
[6 § 6. Le tarif visé au paragraphe 1, alinéa premier, n'est pas cumulable avec la réduction, visée à l'article 2.9.5.0.1, ou le dégrèvement, visé à l'article 3.6.0.0.6, § 3.]6
[6 Par dérogation à l'alinéa premier, le tarif est de 6 % pour les contrats d'acquisition pure dont l'acte authentique est passé au plus tard le 31 décembre 2023, si l'acquéreur opte pour la réduction, visée à l'article 2.9.5.0.1, ou le dégrèvement, visé à l'article 3.6.0.0.6, § 3.]6
§ 2. Pour pouvoir appliquer le tarif réduit, visé au paragraphe 1er, toutes les conditions suivantes doivent être remplies :
1° l'acquéreur n'est, à la date de l'acte d'acquisition authentique, pas le plein propriétaire à 100 % d'une autre habitation ou d'un autre terrain à bâtir. [2 S'il y a plusieurs acquéreurs]2, elles ne sont à la date mentionnée pas conjointement pleins propriétaires à 100 % d'une autre habitation ou d'un autre terrain à bâtir ;
2° l'acquéreur s'engage à enregistrer son inscription dans le registre de la population ou dans le registre des étrangers à l'adresse de l'habitation acquise dans les [4 trois]4 années suivant la date de l'acte d'acquisition authentique [9 , et de conserver cette inscription pendant une période ininterrompue d'au moins un an]9;
3° l'obligation visée à l'article 3.12.3.0.1, § 1er, a été respectée.
[2 L'acheteur qui n'a pas respecté la condition, visée à l'alinéa premier, 2°, est tenu de payer des droits complémentaires.]2
§ 3. Par dérogation au paragraphe 2, 1°, il n'est pas tenu compte de l'habitation ou du terrain à bâtir si :
1° l'acquéreur s'engage à aliéner ce bien immobilier pour sa totalité et à titre onéreux au plus tard endéans [6 deux ans]6 après la signature de l'acte authentique et démontre qu'il existe un lien causal entre cette aliénation et l'acquisition contre le tarif réduit, visé au paragraphe 1er et si l'acquéreur satisfait à l'obligation visée à [5 l'article 3.12.3.0.1, § 3, alinéa 5]5 ;
2° le bien immobilier est exproprié, de force ou non, au plus tard un an après la date de la signature de l'acte authentique d'acquisition et que l'acquéreur satisfait à l'obligation visée à [5 l'article 3.12.3.0.1, § 3, alinéa 6]5.
[2 L'acheteur qui n'a pas respecté les conditions, visées à l'alinéa premier, 1° ou 2°, est tenu de payer des droits complémentaires.]2
§ 4. Dans le cas d'un transfert qui est soumis à une condition suspensive, [2 qui n'est pas encore remplie à la date de l'acte authentique,]2 la date du respect de la condition est substituée à la date de l'acte authentique pour l'application du présent article.]1
[2 § 5. Le tarif visé au paragraphe 1er ne peut être appliqué [7 pour le sol y attenant]7 si, pour le transfert du bâtiment ou de parties du bâtiment, l'exemption visée à l'article 2.9.6.0.1, alinéa premier, 4°, a été accordée.]2
[6 § 6. Le tarif visé au paragraphe 1, alinéa premier, n'est pas cumulable avec la réduction, visée à l'article 2.9.5.0.1, ou le dégrèvement, visé à l'article 3.6.0.0.6, § 3.]6
Änderungen
Art. 2.9.4.2.12. [1 § 1. Het verlaagde tarief, [7 vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1, eerste lid, wordt verminderd tot 1%]7 [9 voor verkoopovereenkomsten gesloten voor 1 januari 2025,]9 als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
1° [4 de verkrijger verbindt zich ertoe aan de aangekochte woning een ingrijpende energetische renovatie uit te voeren als vermeld in artikel 1.1.1, § 2, 50°, van het Energiebesluit van 19 november 2010, een gedeeltelijke herbouw uit te voeren als vermeld in artikel 1.1.1, § 2, 46/2°, of een herbouw uit te voeren als vermeld in artikel 1.1.1, § 2, 47/2°, van het voormelde besluit;]4
2° [6 de verkrijger heeft binnen een termijn van zes jaar vanaf de datum van de authentieke aankoopakte een EPB-aangifte als vermeld in artikel 1.1.3, 47°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, laten indienen waaruit blijkt dat de werken die aan de aangekochte woning uitgevoerd zijn, betrekking hebben op werken als vermeld in punt 1° en dat is voldaan aan alle EPB-eisen, vermeld in titel IX, hoofdstuk I, van het Energiebesluit van 19 november 2010, die op de omgevingsvergunning(en) voor stedenbouwkundige handelingen van het specifieke bouwproject van toepassing zijn;]6;
3° de verkrijger is op de datum van de authentieke aankoopakte niet voor de geheelheid volle eigenaar van een andere woning of bouwgrond. [2 Als er verschillende verkrijgers zijn]2, zijn ze op de vermelde datum niet samen voor de geheelheid volle eigenaar van een andere woning of bouwgrond;
4° de verkrijger verbindt zich ertoe zijn inschrijving in het bevolkingsregister of het vreemdelingenregister te nemen op het adres van de aangekochte woning [6 binnen zes jaar]6 na de datum van de authentieke aankoopakte;
5° de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1, is nageleefd.
De [2 koper]2 die de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 1°, 2° en 4°, niet is nagekomen, is aanvullende rechten verschuldigd.
[6 Als de verkrijger zich ertoe verbindt een gedeeltelijke herbouw of een herbouw uit te voeren als vermeld in het eerste lid, 1°, wordt voor de toepassing van het verlaagd tarief met een woning gelijkgesteld een huis of het geheel of gedeelte van een verdieping van een gebouw dat op een bepaald moment in de periode van vijf jaar voorafgaand aan de datum van de authentieke aankoopakte hoofdzakelijk tot huisvesting heeft gediend van één gezin of een persoon, als de verklaring, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 3, zevende lid, is gedaan.
De koper die de voorwaarde, vermeld in het derde lid, niet is nagekomen, is aanvullende rechten verschuldigd.]6
[7 In afwijking van het eerste lid bedraagt het tarief 5% voor overeenkomsten houdende zuivere aankoop waarvan de authentieke akte uiterlijk op 31 december 2023 is verleden, als de verkrijger opteert voor de vermindering, vermeld in artikel 2.9.5.0.1, of de ontheffing, vermeld in artikel 3.6.0.0.6, § 3.]7
§ 2. In afwijking van paragraaf 1, 3°, wordt geen rekening gehouden met de woning of de bouwgrond als:
1° de verkrijger zich ertoe verbindt om dit onroerend goed uiterlijk [8 drie jaar]8 na de datum van de authentieke akte volledig en ten bezwarende titel te vervreemden en aantoont dat er een causaal verband bestaat tussen die vervreemding en de verkrijging tegen het verlaagd tarief, vermeld in paragraaf 1, en als de verkrijger voldoet aan de verplichting, vermeld in [5 [6 artikel 3.12.3.0.1, § 3, achtste lid]6]5;
2° het onroerend goed uiterlijk een jaar na de datum van de authentieke akte van verkrijging, al dan niet gedwongen, wordt onteigend en als de verkrijger voldoet aan de verplichting, vermeld in [5 [6 artikel 3.12.3.0.1, § 3, negende lid]6]5.
[2 De koper die de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 1° of 2°, niet is nagekomen, is aanvullende rechten verschuldigd.]2
§ 3. In geval van een overdracht, die aan een opschortende voorwaarde is onderworpen [2 die nog niet is vervuld op datum van de authentieke akte]2, wordt voor de toepassing van dit artikel de datum van vervulling van de voorwaarde in de plaats gesteld van de datum van de akte.]1
[7 § 4. Het tarief, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, kan niet gecombineerd worden met de vermindering, vermeld in artikel 2.9.5.0.1, of de ontheffing, vermeld in artikel 3.6.0.0.6, § 3.]7
1° [4 de verkrijger verbindt zich ertoe aan de aangekochte woning een ingrijpende energetische renovatie uit te voeren als vermeld in artikel 1.1.1, § 2, 50°, van het Energiebesluit van 19 november 2010, een gedeeltelijke herbouw uit te voeren als vermeld in artikel 1.1.1, § 2, 46/2°, of een herbouw uit te voeren als vermeld in artikel 1.1.1, § 2, 47/2°, van het voormelde besluit;]4
2° [6 de verkrijger heeft binnen een termijn van zes jaar vanaf de datum van de authentieke aankoopakte een EPB-aangifte als vermeld in artikel 1.1.3, 47°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, laten indienen waaruit blijkt dat de werken die aan de aangekochte woning uitgevoerd zijn, betrekking hebben op werken als vermeld in punt 1° en dat is voldaan aan alle EPB-eisen, vermeld in titel IX, hoofdstuk I, van het Energiebesluit van 19 november 2010, die op de omgevingsvergunning(en) voor stedenbouwkundige handelingen van het specifieke bouwproject van toepassing zijn;]6;
3° de verkrijger is op de datum van de authentieke aankoopakte niet voor de geheelheid volle eigenaar van een andere woning of bouwgrond. [2 Als er verschillende verkrijgers zijn]2, zijn ze op de vermelde datum niet samen voor de geheelheid volle eigenaar van een andere woning of bouwgrond;
4° de verkrijger verbindt zich ertoe zijn inschrijving in het bevolkingsregister of het vreemdelingenregister te nemen op het adres van de aangekochte woning [6 binnen zes jaar]6 na de datum van de authentieke aankoopakte;
5° de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1, is nageleefd.
De [2 koper]2 die de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 1°, 2° en 4°, niet is nagekomen, is aanvullende rechten verschuldigd.
[6 Als de verkrijger zich ertoe verbindt een gedeeltelijke herbouw of een herbouw uit te voeren als vermeld in het eerste lid, 1°, wordt voor de toepassing van het verlaagd tarief met een woning gelijkgesteld een huis of het geheel of gedeelte van een verdieping van een gebouw dat op een bepaald moment in de periode van vijf jaar voorafgaand aan de datum van de authentieke aankoopakte hoofdzakelijk tot huisvesting heeft gediend van één gezin of een persoon, als de verklaring, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 3, zevende lid, is gedaan.
De koper die de voorwaarde, vermeld in het derde lid, niet is nagekomen, is aanvullende rechten verschuldigd.]6
[7 In afwijking van het eerste lid bedraagt het tarief 5% voor overeenkomsten houdende zuivere aankoop waarvan de authentieke akte uiterlijk op 31 december 2023 is verleden, als de verkrijger opteert voor de vermindering, vermeld in artikel 2.9.5.0.1, of de ontheffing, vermeld in artikel 3.6.0.0.6, § 3.]7
§ 2. In afwijking van paragraaf 1, 3°, wordt geen rekening gehouden met de woning of de bouwgrond als:
1° de verkrijger zich ertoe verbindt om dit onroerend goed uiterlijk [8 drie jaar]8 na de datum van de authentieke akte volledig en ten bezwarende titel te vervreemden en aantoont dat er een causaal verband bestaat tussen die vervreemding en de verkrijging tegen het verlaagd tarief, vermeld in paragraaf 1, en als de verkrijger voldoet aan de verplichting, vermeld in [5 [6 artikel 3.12.3.0.1, § 3, achtste lid]6]5;
2° het onroerend goed uiterlijk een jaar na de datum van de authentieke akte van verkrijging, al dan niet gedwongen, wordt onteigend en als de verkrijger voldoet aan de verplichting, vermeld in [5 [6 artikel 3.12.3.0.1, § 3, negende lid]6]5.
[2 De koper die de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 1° of 2°, niet is nagekomen, is aanvullende rechten verschuldigd.]2
§ 3. In geval van een overdracht, die aan een opschortende voorwaarde is onderworpen [2 die nog niet is vervuld op datum van de authentieke akte]2, wordt voor de toepassing van dit artikel de datum van vervulling van de voorwaarde in de plaats gesteld van de datum van de akte.]1
[7 § 4. Het tarief, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, kan niet gecombineerd worden met de vermindering, vermeld in artikel 2.9.5.0.1, of de ontheffing, vermeld in artikel 3.6.0.0.6, § 3.]7
Änderungen
Art. 2.9.4.2.12. [1 § 1er Le tarif réduit, [7 visé à l'article 2.9.4.2.11, § 1, alinéa premier, est réduit jusqu'à 1 %]7 [9 pour les contrats de vente conclus avant le 1er janvier 2025,]9 s'il a été satisfait à toutes les conditions suivantes :
1° [4 l'acquéreur s'engage à soumettre l'habitation acquise à une rénovation énergétique radicale, telle que visée à l'article 1.1.1, § 2, 50° de l'arrêté relatif à l'énergie du 19 novembre 2010, à effectuer une reconstruction partielle telle que visée à l'article 1.1.1, § 2, 46/2° ou à effectuer une reconstruction telle que visée à l'article 1.1.1, § 2, 47/2°, du décret précité ;]4
2° [6 l'acquéreur a fait déposer, dans un délai de six ans à compter de la date de l'acte authentique d'achat, une déclaration PEB telle que visée à l'article 1.1.3, 47° du Décret sur l'énergie du 8 mai 2009, démontrant que les travaux réalisés sur le logement acheté concernent des travaux tels que visés au point 1° et que toutes les exigences PEB visées au titre IX, chapitre I de l'Arrêté relatif à l'énergie du 19 novembre 2010 qui sont applicables au(x) permis d'environnement pour actes urbanistiques du projet de construction spécifique sont respectées ;]6
3° l'acquéreur n'est, à la date de l'acte d'acquisition authentique, pas le plein propriétaire à 100 % d'une autre habitation ou d'un autre terrain à bâtir. [2 S'il y a plusieurs acquéreurs]2, elles ne sont à la date mentionnée pas conjointement pleins propriétaires à 100 % d'une autre habitation ou d'un autre terrain à bâtir ;
4° l'acquéreur s'engage à enregistrer son inscription dans le registre de la population ou dans le registre des étrangers à l'adresse de l'habitation acquise [6 dans les six années]6 suivant la date de l'acte d'acquisition authentique ;
5° l'obligation visée à l'article 3.12.3.0.1, § 1er, a été respectée.
[2 l'acheteur]2 qui n'a pas respecté les conditions visées à l'alinéa premier, 1°, 2° et 4°, est tenu de payer des droits complémentaires.
[6 Si l'acquéreur s'engage à effectuer une reconstruction partielle ou une reconstruction, telles que visées au premier alinéa, 1°, sont assimilés à un logement pour l'application du tarif réduit, une maison ou tout ou partie d'un étage d'un bâtiment qui, à un moment donné au cours de la période de cinq ans précédant la date de l'acte authentique d'achat, a servi principalement au logement d'un ménage ou d'une personne, si la déclaration visée à l'article 3.12.3.0.1, § 3, septième alinéa a été faite.
L'acheteur qui n'a pas respecté la condition visée au troisième alinéa est tenu de payer des droits complémentaires]6.
[7 Par dérogation à l'alinéa premier, le tarif est de 5 % pour les contrats d'acquisition pure dont l'acte authentique est passé au plus tard le 31 décembre 2023, si l'acquéreur opte pour la réduction, visée à l'article 2.9.5.0.1, ou le dégrèvement, visé à l'article 3.6.0.0.6, § 3.]7
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, 3°, il n'est pas tenu compte de l'habitation ou du terrain à bâtir si :
1° l'acquéreur s'engage à aliéner ce bien immobilier pour sa totalité et à titre onéreux au plus tard endéans [8 trois ans]8 après la signature de l'acte authentique et démontre qu'il existe un lien causal entre cette aliénation et l'acquisition contre le tarif réduit, visé au paragraphe 1er et si l'acquéreur satisfait à l'obligation visée [6 à l'article 3.12.3.0.1, § 3, huitième alinéa ]6 ;
2° le bien immobilier est exproprié, de force ou non, au plus tard un an après la date de la signature de l'acte authentique d'acquisition et que l'acquéreur satisfait à l'obligation visée [6 à l'article 3.12.3.0.1, § 3, neuvième alinéa]6.
[2 L'acheteur qui n'a pas respecté les conditions, visées à l'alinéa premier, 1° ou 2°, est tenu de payer des droits complémentaires.]2
§ 3. Dans le cas d'un transfert qui est soumis à une condition suspensive, [2 qui n'est pas encore remplie à la date de l'acte authentique,]2 la date du respect de la condition est substituée à la date de l'acte pour l'application du présent article.]1
[7 § 4. Le tarif visé au paragraphe 1, alinéa premier, n'est pas cumulable avec la réduction, visée à l'article 2.9.5.0.1, ou le dégrèvement, visé à l'article 3.6.0.0.6, § 3.]7
1° [4 l'acquéreur s'engage à soumettre l'habitation acquise à une rénovation énergétique radicale, telle que visée à l'article 1.1.1, § 2, 50° de l'arrêté relatif à l'énergie du 19 novembre 2010, à effectuer une reconstruction partielle telle que visée à l'article 1.1.1, § 2, 46/2° ou à effectuer une reconstruction telle que visée à l'article 1.1.1, § 2, 47/2°, du décret précité ;]4
2° [6 l'acquéreur a fait déposer, dans un délai de six ans à compter de la date de l'acte authentique d'achat, une déclaration PEB telle que visée à l'article 1.1.3, 47° du Décret sur l'énergie du 8 mai 2009, démontrant que les travaux réalisés sur le logement acheté concernent des travaux tels que visés au point 1° et que toutes les exigences PEB visées au titre IX, chapitre I de l'Arrêté relatif à l'énergie du 19 novembre 2010 qui sont applicables au(x) permis d'environnement pour actes urbanistiques du projet de construction spécifique sont respectées ;]6
3° l'acquéreur n'est, à la date de l'acte d'acquisition authentique, pas le plein propriétaire à 100 % d'une autre habitation ou d'un autre terrain à bâtir. [2 S'il y a plusieurs acquéreurs]2, elles ne sont à la date mentionnée pas conjointement pleins propriétaires à 100 % d'une autre habitation ou d'un autre terrain à bâtir ;
4° l'acquéreur s'engage à enregistrer son inscription dans le registre de la population ou dans le registre des étrangers à l'adresse de l'habitation acquise [6 dans les six années]6 suivant la date de l'acte d'acquisition authentique ;
5° l'obligation visée à l'article 3.12.3.0.1, § 1er, a été respectée.
[2 l'acheteur]2 qui n'a pas respecté les conditions visées à l'alinéa premier, 1°, 2° et 4°, est tenu de payer des droits complémentaires.
[6 Si l'acquéreur s'engage à effectuer une reconstruction partielle ou une reconstruction, telles que visées au premier alinéa, 1°, sont assimilés à un logement pour l'application du tarif réduit, une maison ou tout ou partie d'un étage d'un bâtiment qui, à un moment donné au cours de la période de cinq ans précédant la date de l'acte authentique d'achat, a servi principalement au logement d'un ménage ou d'une personne, si la déclaration visée à l'article 3.12.3.0.1, § 3, septième alinéa a été faite.
L'acheteur qui n'a pas respecté la condition visée au troisième alinéa est tenu de payer des droits complémentaires]6.
[7 Par dérogation à l'alinéa premier, le tarif est de 5 % pour les contrats d'acquisition pure dont l'acte authentique est passé au plus tard le 31 décembre 2023, si l'acquéreur opte pour la réduction, visée à l'article 2.9.5.0.1, ou le dégrèvement, visé à l'article 3.6.0.0.6, § 3.]7
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, 3°, il n'est pas tenu compte de l'habitation ou du terrain à bâtir si :
1° l'acquéreur s'engage à aliéner ce bien immobilier pour sa totalité et à titre onéreux au plus tard endéans [8 trois ans]8 après la signature de l'acte authentique et démontre qu'il existe un lien causal entre cette aliénation et l'acquisition contre le tarif réduit, visé au paragraphe 1er et si l'acquéreur satisfait à l'obligation visée [6 à l'article 3.12.3.0.1, § 3, huitième alinéa ]6 ;
2° le bien immobilier est exproprié, de force ou non, au plus tard un an après la date de la signature de l'acte authentique d'acquisition et que l'acquéreur satisfait à l'obligation visée [6 à l'article 3.12.3.0.1, § 3, neuvième alinéa]6.
[2 L'acheteur qui n'a pas respecté les conditions, visées à l'alinéa premier, 1° ou 2°, est tenu de payer des droits complémentaires.]2
§ 3. Dans le cas d'un transfert qui est soumis à une condition suspensive, [2 qui n'est pas encore remplie à la date de l'acte authentique,]2 la date du respect de la condition est substituée à la date de l'acte pour l'application du présent article.]1
[7 § 4. Le tarif visé au paragraphe 1, alinéa premier, n'est pas cumulable avec la réduction, visée à l'article 2.9.5.0.1, ou le dégrèvement, visé à l'article 3.6.0.0.6, § 3.]7
Änderungen
Art. 2.9.4.2.13. [1 § 1. In afwijking van artikel 2.9.4.1.1 bedraagt het verkooprecht 7 % voor overeenkomsten houdende zuivere aankoop, waarbij door een of meer natuurlijke personen samen en gelijktijdig de geheelheid volle eigendom van een woning wordt verkregen als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1° de verkrijger verbindt zich ertoe om binnen een termijn van drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte een huurovereenkomst met een minimumduur van 9 jaar voor het aangekochte goed af te sluiten met een [4 erkende woonmaatschappij met toepassing van en conform de voorwaarden opgelegd ter uitvoering van artikel 4.40, 4°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021]4]3;
2° de verkrijger verbindt zich ertoe om binnen een termijn van drie jaar en zes maanden een kopie van de geregistreerde huurovereenkomst, vermeld in punt 1°, in te dienen bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie;
3° de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1, is nageleefd.
De [2 koper]2 die de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, niet is nagekomen, is aanvullende rechten verschuldigd.
§ 2. In geval van een overdracht, die aan een opschortende voorwaarde is onderworpen [2 die nog niet is vervuld op datum van de authentieke akte]2, wordt voor de toepassing van dit artikel de datum van vervulling van de voorwaarde in de plaats gesteld van de datum van de authentieke akte.]1
[2 § 3. Het tarief, vermeld in paragraaf 1, kan niet worden toegepast als voor de overdracht van het gebouw, of gedeelten van het gebouw de vrijstelling, vermeld in artikel 2.9.6.0.1, eerste lid, 4°, is genoten.
§ 4. De verkrijgers melden de voortijdige beëindiging van de geregistreerde huurovereenkomst bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie binnen vier maanden vanaf de beëindiging. Bij een beëindiging hetzij in onderling overleg tussen [4 de erkende woonmaatschappij]4 en de verkrijgers, hetzij door toedoen van de verkrijgers, zijn er aanvullende rechten verschuldigd.]2
1° de verkrijger verbindt zich ertoe om binnen een termijn van drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte een huurovereenkomst met een minimumduur van 9 jaar voor het aangekochte goed af te sluiten met een [4 erkende woonmaatschappij met toepassing van en conform de voorwaarden opgelegd ter uitvoering van artikel 4.40, 4°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021]4]3;
2° de verkrijger verbindt zich ertoe om binnen een termijn van drie jaar en zes maanden een kopie van de geregistreerde huurovereenkomst, vermeld in punt 1°, in te dienen bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie;
3° de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1, is nageleefd.
De [2 koper]2 die de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, niet is nagekomen, is aanvullende rechten verschuldigd.
§ 2. In geval van een overdracht, die aan een opschortende voorwaarde is onderworpen [2 die nog niet is vervuld op datum van de authentieke akte]2, wordt voor de toepassing van dit artikel de datum van vervulling van de voorwaarde in de plaats gesteld van de datum van de authentieke akte.]1
[2 § 3. Het tarief, vermeld in paragraaf 1, kan niet worden toegepast als voor de overdracht van het gebouw, of gedeelten van het gebouw de vrijstelling, vermeld in artikel 2.9.6.0.1, eerste lid, 4°, is genoten.
§ 4. De verkrijgers melden de voortijdige beëindiging van de geregistreerde huurovereenkomst bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie binnen vier maanden vanaf de beëindiging. Bij een beëindiging hetzij in onderling overleg tussen [4 de erkende woonmaatschappij]4 en de verkrijgers, hetzij door toedoen van de verkrijgers, zijn er aanvullende rechten verschuldigd.]2
Art. 2.9.4.2.13. [1 § 1er. Par dérogation à l'article 2.9.4.1.1, le droit de vente s'élève à 7 % pour les contrats d'acquisition pure, aux termes desquels une ou plusieurs personnes physiques acquièrent ensemble et simultanément la totalité en pleine propriété d'une habitation s'il a été satisfait aux conditions suivantes :
1° l'acquéreur s'engage à conclure avec [4 un société de logement agréée]4 un contrat de location d'une durée minimum de 9 ans pour le bien acquis [4 en application des et conformément aux conditions établies en exécution de l'article 4.40, 4°, du Code flamand du Logement de 2021]4 et ce dans un délai de trois ans à partir de la date de la signature de l'acte authentique ;
2° l'acquéreur s'engage à introduire auprès de l'entité compétente de l'administration flamande une copie du contrat de location enregistré, visé au point 1°, dans un délai de trois ans et six mois ;
3° l'obligation visée à l'article 3.12.3.0.1, § 1er, a été respectée.
[2 L'acheteur]2 qui n'a pas respecté les conditions visées à l'alinéa premier, 1° et 2°, est tenu de payer des droits complémentaires.
§ 2. Dans le cas d'un transfert qui est soumis à une condition suspensive, [2 qui n'est pas encore remplie à la date de l'acte authentique,]2 la date du respect de la condition est substituée à la date de l'acte authentique pour l'application du présent article.]1
[2 § 3. Le tarif visé au paragraphe 1er ne peut être appliqué si, pour le transfert du bâtiment ou de parties du bâtiment, l'exemption visée à l'article 2.9.6.0.1, alinéa premier, 4°, a été accordée.
§ 4. Les acquéreurs notifient à l'entité compétente de l'Administration flamande la résiliation anticipée du bail enregistré dans les quatre mois suivant sa résiliation. En cas de résiliation, soit d'un commun accord entre [4 la société de logement agréée]4 et les acquéreurs, soit par l'action des acquéreurs, des droits complémentaires sont dus.]2
1° l'acquéreur s'engage à conclure avec [4 un société de logement agréée]4 un contrat de location d'une durée minimum de 9 ans pour le bien acquis [4 en application des et conformément aux conditions établies en exécution de l'article 4.40, 4°, du Code flamand du Logement de 2021]4 et ce dans un délai de trois ans à partir de la date de la signature de l'acte authentique ;
2° l'acquéreur s'engage à introduire auprès de l'entité compétente de l'administration flamande une copie du contrat de location enregistré, visé au point 1°, dans un délai de trois ans et six mois ;
3° l'obligation visée à l'article 3.12.3.0.1, § 1er, a été respectée.
[2 L'acheteur]2 qui n'a pas respecté les conditions visées à l'alinéa premier, 1° et 2°, est tenu de payer des droits complémentaires.
§ 2. Dans le cas d'un transfert qui est soumis à une condition suspensive, [2 qui n'est pas encore remplie à la date de l'acte authentique,]2 la date du respect de la condition est substituée à la date de l'acte authentique pour l'application du présent article.]1
[2 § 3. Le tarif visé au paragraphe 1er ne peut être appliqué si, pour le transfert du bâtiment ou de parties du bâtiment, l'exemption visée à l'article 2.9.6.0.1, alinéa premier, 4°, a été accordée.
§ 4. Les acquéreurs notifient à l'entité compétente de l'Administration flamande la résiliation anticipée du bail enregistré dans les quatre mois suivant sa résiliation. En cas de résiliation, soit d'un commun accord entre [4 la société de logement agréée]4 et les acquéreurs, soit par l'action des acquéreurs, des droits complémentaires sont dus.]2
Art. 2.9.4.2.14. [1 § 1. Het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, wordt verminderd tot 1 % wanneer deze verkrijging naast [5 de voorwaarde, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 2, eerste lid, 1°,]5 ook voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2.9.4.2.10.
§ 2. [4 Voor de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in paragraaf 1, is het bedrag, vermeld in artikel 2.9.4.2.10, § 2, 1°, minstens het bedrag dat overeenkomt met het verschil tussen het verkooprecht, geheven met toepassing van artikel 2.9.4.2.14, § 1, en het verkooprecht, verschuldigd bij toepassing van artikel 2.9.4.2.11, § 1, en dit ongeacht de eventuele toepassing van paragraaf 7.]4
[5 Om het tarief, vermeld in paragraaf 1, te kunnen toepassen, voldoen de verkrijgers aan al de volgende voorwaarden :
1° ze verbinden zich ertoe om binnen vijf jaar na de datum van de authentieke aankoopakte hun inschrijving in het bevolkingsregister of het vreemdelingenregister op het adres van de aangekochte woning te nemen;
2° ze voldoen aan de verplichtingen, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1 en § 5, achtste lid.]5
§ 3. Het bedrag, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, is exclusief btw.
§ 4. Het verbod, vermeld in artikel 2.9.4.2.10, § 4, eerste lid, geldt niet voor de verkrijgingen, vermeld in paragraaf 1.
Het voordeel van de toepassing van de tariefvermindering, vermeld in paragraaf 1, kan niet gecombineerd worden met de premies, vermeld in artikel 10.2.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, [2 noch met de vermindering van de personenbelasting, vermeld in artikel 14536 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, als de voormelde premies of de belastingvermindering]2 betrekking hebben op dezelfde beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten als de beheersmaatregelen, de werkzaamheden of de diensten, vermeld in artikel 2.9.4.2.10, § 2, 1°.
§ 5. In afwijking van de voorwaarde, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 2, eerste lid, 1°, wordt er geen rekening gehouden met de woning of de bouwgrond als:
1° de verkrijger zich ertoe verbindt om dit onroerend goed uiterlijk [9 drie jaar]9 na de datum van de authentieke akte volledig en ten bezwarende titel te vervreemden en aantoont dat er een causaal verband bestaat tussen die vervreemding en de verkrijging tegen het verlaagd tarief, vermeld in paragraaf 1, en als de verkrijger voldoet aan de verplichting, vermeld in [6 [7 artikel 3.12.3.0.1, § 3, tiende lid]7]6;
2° het onroerend goed uiterlijk een jaar na de datum van de authentieke akte van verkrijging, al dan niet gedwongen, wordt onteigend en als de verkrijger voldoet aan de verplichting, vermeld in [6 [7 artikel 3.12.3.0.1, § 3, elfde lid]7]6.
[3 De koper die de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 1° of 2°, niet is nagekomen, is aanvullende rechten verschuldigd.]3
§ 6. In geval van een overdracht, die aan een opschortende voorwaarde is onderworpen [3 die nog niet is vervuld op datum van de authentieke akte]3, wordt voor de toepassing van dit artikel de datum van de vervulling van de voorwaarde in de plaats gesteld van de datum van de authentieke akte.
§ 7. De [3 koper]3 die de voorwaarden, [5 vermeld in paragraaf 2, tweede lid, 1°, en artikel 2.9.4.2.11, § 2, eerste lid, 1°]5, niet is nagekomen, is aanvullende rechten verschuldigd.]1
§ 2. [4 Voor de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in paragraaf 1, is het bedrag, vermeld in artikel 2.9.4.2.10, § 2, 1°, minstens het bedrag dat overeenkomt met het verschil tussen het verkooprecht, geheven met toepassing van artikel 2.9.4.2.14, § 1, en het verkooprecht, verschuldigd bij toepassing van artikel 2.9.4.2.11, § 1, en dit ongeacht de eventuele toepassing van paragraaf 7.]4
[5 Om het tarief, vermeld in paragraaf 1, te kunnen toepassen, voldoen de verkrijgers aan al de volgende voorwaarden :
1° ze verbinden zich ertoe om binnen vijf jaar na de datum van de authentieke aankoopakte hun inschrijving in het bevolkingsregister of het vreemdelingenregister op het adres van de aangekochte woning te nemen;
2° ze voldoen aan de verplichtingen, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1 en § 5, achtste lid.]5
§ 3. Het bedrag, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, is exclusief btw.
§ 4. Het verbod, vermeld in artikel 2.9.4.2.10, § 4, eerste lid, geldt niet voor de verkrijgingen, vermeld in paragraaf 1.
Het voordeel van de toepassing van de tariefvermindering, vermeld in paragraaf 1, kan niet gecombineerd worden met de premies, vermeld in artikel 10.2.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, [2 noch met de vermindering van de personenbelasting, vermeld in artikel 14536 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, als de voormelde premies of de belastingvermindering]2 betrekking hebben op dezelfde beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten als de beheersmaatregelen, de werkzaamheden of de diensten, vermeld in artikel 2.9.4.2.10, § 2, 1°.
§ 5. In afwijking van de voorwaarde, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 2, eerste lid, 1°, wordt er geen rekening gehouden met de woning of de bouwgrond als:
1° de verkrijger zich ertoe verbindt om dit onroerend goed uiterlijk [9 drie jaar]9 na de datum van de authentieke akte volledig en ten bezwarende titel te vervreemden en aantoont dat er een causaal verband bestaat tussen die vervreemding en de verkrijging tegen het verlaagd tarief, vermeld in paragraaf 1, en als de verkrijger voldoet aan de verplichting, vermeld in [6 [7 artikel 3.12.3.0.1, § 3, tiende lid]7]6;
2° het onroerend goed uiterlijk een jaar na de datum van de authentieke akte van verkrijging, al dan niet gedwongen, wordt onteigend en als de verkrijger voldoet aan de verplichting, vermeld in [6 [7 artikel 3.12.3.0.1, § 3, elfde lid]7]6.
[3 De koper die de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 1° of 2°, niet is nagekomen, is aanvullende rechten verschuldigd.]3
§ 6. In geval van een overdracht, die aan een opschortende voorwaarde is onderworpen [3 die nog niet is vervuld op datum van de authentieke akte]3, wordt voor de toepassing van dit artikel de datum van de vervulling van de voorwaarde in de plaats gesteld van de datum van de authentieke akte.
§ 7. De [3 koper]3 die de voorwaarden, [5 vermeld in paragraaf 2, tweede lid, 1°, en artikel 2.9.4.2.11, § 2, eerste lid, 1°]5, niet is nagekomen, is aanvullende rechten verschuldigd.]1
Änderungen
Art. 2.9.4.2.14. [1 § 1er. Le tarif réduit, visé à l'article 2.9.4.2.11, est réduit à 1 % lorsque cette acquisition, outre [5 la condition visée à l'article 2.9.4.2.11, § 2, alinéa 1er, 1°,]5 satisfait également aux conditions visées à l'article 2.9.4.2.10.
§ 2. [4 Pour l'application du tarif réduit, visé au paragraphe 1er, le montant, visé à l'article 2.9.4.2.10, § 2, 1°, s'élève à au le montant correspondant à la différence entre le droit de vente, perçu en application de l'article 2.9.4.2.14, § 1er, et le droit de vente, dû en application de l'article 2.9.4.2.11, § 1er, sans préjudice de l'application éventuelle du paragraphe 7.]4
[5 Pour pouvoir appliquer le tarif visé au paragraphe 1er, les acquéreurs satisfont à toutes conditions suivantes :
1° ils s'engagent à prendre leur inscription au registre de la population ou au registre des étrangers à l'adresse de l'habitation achetée dans un délai de cinq ans à compter de la date de l'acte authentique d'achat ;
2° ils satisfont aux obligations, visées à l'article 3.12.3.0.1, § § 1er et 5, alinéa 8.]5
§ 3. Le montant visé au paragraphe 2, alinéa 1er, s'entend hors TVA.
§ 4. L'interdiction, visée à l'article 2.9.4.2.10, § 4, alinéa premier, ne s'applique pas aux acquisitions, visées aux paragraphe 1er.
L'avantage de l'application de la réduction de tarif, visée au paragraphe 1er, ne peut pas être combiné avec les primes, visées à l'article 10.2.1 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 [2 ni avec la diminution des impôts des personnes physiques, visée à l'article 14536 du Code des Impôts sur les Revenus 1992, si les primes ou la diminution des impôts précitées]2 concernent les mêmes mesures de gestion, travaux ou services que les mesures de gestion, les travaux ou services visés à l'article 2.9.4.2.10, § 2, 1°.
§ 5. Par dérogation à la condition, visée à l'article 2.9.4.2.11, § 2, alinéa premier, 1°, il n'est pas tenu compte de l'habitation ou du terrain à bâtir si :
1° l'acquéreur s'engage à aliéner ce bien immobilier pour sa totalité et à titre onéreux au plus tard endéans [9 trois ans]9 après la date de l'acte authentique et démontre qu'il existe un lien causal entre cette aliénation et l'acquisition contre le tarif réduit, visé au paragraphe 1er et si l'acquéreur satisfait à l'obligation visée [7 à l'article 3.12.3.0.1, § 3, dixième alinéa]7 ;
2° le bien immobilier est exproprié, de force ou non, au plus tard un an après la date de la signature de l'acte authentique d'acquisition et que l'acquéreur satisfait à l'obligation visée [7 à l'article 3.12.3.0.1, § 3, onzième alinéa]7.
[3 L'acheteur qui n'a pas respecté les conditions, visées à l'alinéa premier, 1° ou 2°, est tenu de payer des droits complémentaires.]3
§ 6. Dans le cas d'un transfert qui est soumis à une condition suspensive, [3 qui n'est pas encore remplie à la date de l'acte authentique,]3 la date du respect de la condition est substituée à la date de l'acte authentique pour l'application du présent article.
§ 7. L'[3 acheteur]3 qui n'a pas respecté les conditions [5 visées au paragraphe 2, alinéa 2, 1°, et à l'article 2.9.4.2.11, § 2, alinéa 1er, 1°,]5, est tenu de payer des droits complémentaires.]1
§ 2. [4 Pour l'application du tarif réduit, visé au paragraphe 1er, le montant, visé à l'article 2.9.4.2.10, § 2, 1°, s'élève à au le montant correspondant à la différence entre le droit de vente, perçu en application de l'article 2.9.4.2.14, § 1er, et le droit de vente, dû en application de l'article 2.9.4.2.11, § 1er, sans préjudice de l'application éventuelle du paragraphe 7.]4
[5 Pour pouvoir appliquer le tarif visé au paragraphe 1er, les acquéreurs satisfont à toutes conditions suivantes :
1° ils s'engagent à prendre leur inscription au registre de la population ou au registre des étrangers à l'adresse de l'habitation achetée dans un délai de cinq ans à compter de la date de l'acte authentique d'achat ;
2° ils satisfont aux obligations, visées à l'article 3.12.3.0.1, § § 1er et 5, alinéa 8.]5
§ 3. Le montant visé au paragraphe 2, alinéa 1er, s'entend hors TVA.
§ 4. L'interdiction, visée à l'article 2.9.4.2.10, § 4, alinéa premier, ne s'applique pas aux acquisitions, visées aux paragraphe 1er.
L'avantage de l'application de la réduction de tarif, visée au paragraphe 1er, ne peut pas être combiné avec les primes, visées à l'article 10.2.1 du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 [2 ni avec la diminution des impôts des personnes physiques, visée à l'article 14536 du Code des Impôts sur les Revenus 1992, si les primes ou la diminution des impôts précitées]2 concernent les mêmes mesures de gestion, travaux ou services que les mesures de gestion, les travaux ou services visés à l'article 2.9.4.2.10, § 2, 1°.
§ 5. Par dérogation à la condition, visée à l'article 2.9.4.2.11, § 2, alinéa premier, 1°, il n'est pas tenu compte de l'habitation ou du terrain à bâtir si :
1° l'acquéreur s'engage à aliéner ce bien immobilier pour sa totalité et à titre onéreux au plus tard endéans [9 trois ans]9 après la date de l'acte authentique et démontre qu'il existe un lien causal entre cette aliénation et l'acquisition contre le tarif réduit, visé au paragraphe 1er et si l'acquéreur satisfait à l'obligation visée [7 à l'article 3.12.3.0.1, § 3, dixième alinéa]7 ;
2° le bien immobilier est exproprié, de force ou non, au plus tard un an après la date de la signature de l'acte authentique d'acquisition et que l'acquéreur satisfait à l'obligation visée [7 à l'article 3.12.3.0.1, § 3, onzième alinéa]7.
[3 L'acheteur qui n'a pas respecté les conditions, visées à l'alinéa premier, 1° ou 2°, est tenu de payer des droits complémentaires.]3
§ 6. Dans le cas d'un transfert qui est soumis à une condition suspensive, [3 qui n'est pas encore remplie à la date de l'acte authentique,]3 la date du respect de la condition est substituée à la date de l'acte authentique pour l'application du présent article.
§ 7. L'[3 acheteur]3 qui n'a pas respecté les conditions [5 visées au paragraphe 2, alinéa 2, 1°, et à l'article 2.9.4.2.11, § 2, alinéa 1er, 1°,]5, est tenu de payer des droits complémentaires.]1
Änderungen
Art. 2.9.4.2.15. [1 § 1. In afwijking van artikel 2.9.4.1.1 bedraagt het verkooprecht 10% voor verkoopovereenkomsten van [2 onbebouwde onroerende goederen die stedenbouwkundig uitsluitend en volledig zijn bestemd voor landbouw of die uitsluitend en volledig liggen in de categorie gebiedsaanduiding landbouw of een subcategorie van de gebiedsaanduiding landbouw]2 en onbebouwde onroerende goederen waarvoor een natuurbeheerplan type twee of drie als vermeld in artikel 16ter, § 1, 2° en 3°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, is goedgekeurd conform artikel 16octies van het voormelde decreet.
§ 2. Voor de toepassing van het verlaagd tarief, vermeld in paragraaf 1, moeten naargelang het geval de volgende voorwaarden vervuld zijn:
1° [2 de verkrijgers van het onbebouwde onroerend goed dat stedenbouwkundig uitsluitend en volledig is bestemd voor landbouw of dat uitsluitend en volledig ligt in de categorie gebiedsaanduiding landbouw of een subcategorie van de gebiedsaanduiding landbouw voldoen aan de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1;]2
2° [2 de verkrijgers van het onbebouwde onroerend goed waarvoor een natuurbeheerplan type twee of drie als vermeld in artikel 16ter, § 1, 2° en 3°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, is goedgekeurd conform artikel 16octies van het voormelde decreet, van toepassing is, voldoen aan de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1 en § 3.]2]1
§ 2. Voor de toepassing van het verlaagd tarief, vermeld in paragraaf 1, moeten naargelang het geval de volgende voorwaarden vervuld zijn:
1° [2 de verkrijgers van het onbebouwde onroerend goed dat stedenbouwkundig uitsluitend en volledig is bestemd voor landbouw of dat uitsluitend en volledig ligt in de categorie gebiedsaanduiding landbouw of een subcategorie van de gebiedsaanduiding landbouw voldoen aan de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1;]2
2° [2 de verkrijgers van het onbebouwde onroerend goed waarvoor een natuurbeheerplan type twee of drie als vermeld in artikel 16ter, § 1, 2° en 3°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, is goedgekeurd conform artikel 16octies van het voormelde decreet, van toepassing is, voldoen aan de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1 en § 3.]2]1
Art. 2.9.4.2.15. [1 § 1. Par dérogation à l'article 2.9.4.1.1, le droit de vente s'élève à 10 % pour les contrats de vente [2 de biens immobiliers non bâtis exclusivement et entièrement destinés sur le plan urbanistique à l'agriculture ou exclusivement et entièrement situés dans la catégorie de zones affectées à l'agriculture ou dans une sous-catégorie de zones affectées à l'agriculture]2 et de biens immobiliers non bâtis pour lesquels un plan de gestion de la nature type deux ou trois visé à l'article 16ter, § 1, 2° et 3°, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, a été approuvé conformément à l'article 16octies du décret précité.
§ 2. Pour l'application du tarif réduit, visé au paragraphe 1, les conditions suivantes doivent être remplies selon le cas :
1° [2 les acquéreurs du bien immobilier non bâti exclusivement et entièrement destiné sur le plan urbanistique à l'agriculture ou exclusivement et entièrement situé dans la catégorie de zones affectées à l'agriculture ou dans une sous-catégorie de zones affectées à l'agriculture, répondent à l'obligation, visée à l'article 3.12.3.0.1, § 1er ;]2
2° [2 les acquéreurs du bien immobilier non bâti pour lequel un plan de gestion de la nature type deux ou trois tel que visé à l'article 16ter, § 1er, 2° et 3°, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, qui est approuvé conformément à l'article 16octies du décret précité, s'applique, répondent à l'obligation visée à l'article 3.12.3.0.1, § 1er et § 3.]2]1
§ 2. Pour l'application du tarif réduit, visé au paragraphe 1, les conditions suivantes doivent être remplies selon le cas :
1° [2 les acquéreurs du bien immobilier non bâti exclusivement et entièrement destiné sur le plan urbanistique à l'agriculture ou exclusivement et entièrement situé dans la catégorie de zones affectées à l'agriculture ou dans une sous-catégorie de zones affectées à l'agriculture, répondent à l'obligation, visée à l'article 3.12.3.0.1, § 1er ;]2
2° [2 les acquéreurs du bien immobilier non bâti pour lequel un plan de gestion de la nature type deux ou trois tel que visé à l'article 16ter, § 1er, 2° et 3°, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, qui est approuvé conformément à l'article 16octies du décret précité, s'applique, répondent à l'obligation visée à l'article 3.12.3.0.1, § 1er et § 3.]2]1
Afdeling 5. - [1 Verminderingen]1
Section 5. - [1 Réductions]1
Art. 2.9.5.0.1. [1 In geval van zuivere aankoop van een tot bewoning aangewend of bestemd onroerend goed [5 waarvan de authentieke akte uiterlijk op 31 december 2023 wordt verleden]5 door een natuurlijke persoon om er zijn hoofdverblijfplaats te vestigen, wordt zijn wettelijk aandeel in de belastingen die met toepassing van [3 artikel 2.9.4.1.1, artikel 2.9.4.2.11, artikel 2.9.4.2.12, artikel 2.9.4.2.13 of artikel 2.9.4.2.14]3 verschuldigd waren op de aankoop van de woning [5 waarvan de authentieke akte voor 1 januari 2022 werd verleden en]5 die hem voorheen tot hoofdverblijfplaats heeft gediend of van de bouwgrond waarop die woning is opgericht, in mindering gebracht van zijn wettelijk aandeel in de belastingen, verschuldigd op de nieuwe aankoop, [2 op voorwaarde dat de authentieke akte van de nieuwe aankoop is verleden binnen twee jaar na de datum van het verlijden van de authentieke akte die aanleiding heeft gegeven of geeft tot een van de volgende handelingen :]2
1° de heffing van het verkooprecht op de zuivere wederverkoop van de woning die hem voorheen tot hoofdverblijfplaats heeft gediend, of de heffing van het verdeelrecht op de verdeling van die woning waarbij de natuurlijke persoon al zijn rechten erin heeft afgestaan;
2° de vrijstelling van het verkooprecht met toepassing van artikel 2.9.6.0.1, eerste lid, 4°, voor de zuivere wederverkoop van de woning die hem voorheen tot hoofdverblijfplaats heeft gediend, of de vrijstelling van het verdeelrecht met toepassing van artikel 2.10.6.0.1, eerste lid, 1°, voor de verdeling van die woning, waarbij de natuurlijke persoon al zijn rechten erin heeft afgestaan.
[2 Als de authentieke akte van vervreemding geen aanleiding geeft tot een van de voormelde handelingen omdat de vervreemding onderworpen is aan een niet-vervulde opschortende voorwaarde, wordt de termijn van twee jaar gerekend vanaf de datum van de registratie van de authentieke akte of het geschrift dat aanleiding heeft gegeven of geeft tot een van de handelingen, vermeld in 1° of 2°.]2
De registratiebelasting, betaald voor de verkrijging van een onroerend goed dat niet in het Vlaamse Gewest ligt, alsook de aanvullende rechten die om om het even welke reden op een aankoop zijn geheven, zijn van de vermindering, overeenkomstig de bepalingen van dit artikel, uitgesloten.
De vermindering overeenkomstig de bepalingen van dit artikel levert in geen geval grond voor een teruggave op.
Als een verrichting als vermeld in het eerste lid, is voorafgegaan door een of meer van dergelijke verrichtingen of door een of meer verrichtingen als vermeld in artikel 3.6.0.0.6, § 3, eerste lid, worden, in voorkomend geval, de bij die voorgaande verrichtingen ingevolge de toepassing van het derde of het vijfde lid van dit artikel nog niet in mindering gebrachte belastingen of de ingevolge de toepassing van artikel 3.6.0.0.6, § 3, derde of vijfde lid, nog niet teruggegeven belastingen, gevoegd bij het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de conform artikel 2.9.4.1.1, artikel 2.9.4.2.1 of artikel 3.6.0.0.6, § 6, eerste lid, 2°, verschuldigde belastingen op de voorlaatste aankoop, om het bedrag van de vermindering bij de laatste aankoop te bepalen.
[3 Het in mindering te brengen bedrag, verkregen met toepassing van het eerste of het vierde lid, kan nooit meer bedragen dan 12.500 euro. Dit bedrag is gekoppeld aan de schommelingen van het algemene indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk. De bedragen worden jaarlijks op 1 januari aangepast op basis van een coëfficiënt die verkregen wordt door het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers van het jaar dat voorafgaat aan het jaar, te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 2017. Het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers wordt afgerond op het hogere of lagere honderdste naargelang het cijfer van de duizendsten al of niet vijf bereikt, en de coëfficiënt wordt afgerond op het hogere of lagere tienduizendste naargelang het cijfer van de honderdduizendsten al of niet vijf bereikt. Na de toepassing van die coëfficiënt worden de bedragen afgerond op de lagere vijfhonderd euro. Het toepasbare geïndexeerde maximumbedrag is het bedrag voor het jaar waarin de authentieke akte van de nieuwe aankoop wordt verleden. Het maximale in mindering te brengen bedrag wordt bepaald in verhouding tot de fractie die de natuurlijke persoon verkrijgt [4 in het nieuw aangekochte onroerend goed]4.]3]1
1° de heffing van het verkooprecht op de zuivere wederverkoop van de woning die hem voorheen tot hoofdverblijfplaats heeft gediend, of de heffing van het verdeelrecht op de verdeling van die woning waarbij de natuurlijke persoon al zijn rechten erin heeft afgestaan;
2° de vrijstelling van het verkooprecht met toepassing van artikel 2.9.6.0.1, eerste lid, 4°, voor de zuivere wederverkoop van de woning die hem voorheen tot hoofdverblijfplaats heeft gediend, of de vrijstelling van het verdeelrecht met toepassing van artikel 2.10.6.0.1, eerste lid, 1°, voor de verdeling van die woning, waarbij de natuurlijke persoon al zijn rechten erin heeft afgestaan.
[2 Als de authentieke akte van vervreemding geen aanleiding geeft tot een van de voormelde handelingen omdat de vervreemding onderworpen is aan een niet-vervulde opschortende voorwaarde, wordt de termijn van twee jaar gerekend vanaf de datum van de registratie van de authentieke akte of het geschrift dat aanleiding heeft gegeven of geeft tot een van de handelingen, vermeld in 1° of 2°.]2
De registratiebelasting, betaald voor de verkrijging van een onroerend goed dat niet in het Vlaamse Gewest ligt, alsook de aanvullende rechten die om om het even welke reden op een aankoop zijn geheven, zijn van de vermindering, overeenkomstig de bepalingen van dit artikel, uitgesloten.
De vermindering overeenkomstig de bepalingen van dit artikel levert in geen geval grond voor een teruggave op.
Als een verrichting als vermeld in het eerste lid, is voorafgegaan door een of meer van dergelijke verrichtingen of door een of meer verrichtingen als vermeld in artikel 3.6.0.0.6, § 3, eerste lid, worden, in voorkomend geval, de bij die voorgaande verrichtingen ingevolge de toepassing van het derde of het vijfde lid van dit artikel nog niet in mindering gebrachte belastingen of de ingevolge de toepassing van artikel 3.6.0.0.6, § 3, derde of vijfde lid, nog niet teruggegeven belastingen, gevoegd bij het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de conform artikel 2.9.4.1.1, artikel 2.9.4.2.1 of artikel 3.6.0.0.6, § 6, eerste lid, 2°, verschuldigde belastingen op de voorlaatste aankoop, om het bedrag van de vermindering bij de laatste aankoop te bepalen.
[3 Het in mindering te brengen bedrag, verkregen met toepassing van het eerste of het vierde lid, kan nooit meer bedragen dan 12.500 euro. Dit bedrag is gekoppeld aan de schommelingen van het algemene indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk. De bedragen worden jaarlijks op 1 januari aangepast op basis van een coëfficiënt die verkregen wordt door het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers van het jaar dat voorafgaat aan het jaar, te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 2017. Het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers wordt afgerond op het hogere of lagere honderdste naargelang het cijfer van de duizendsten al of niet vijf bereikt, en de coëfficiënt wordt afgerond op het hogere of lagere tienduizendste naargelang het cijfer van de honderdduizendsten al of niet vijf bereikt. Na de toepassing van die coëfficiënt worden de bedragen afgerond op de lagere vijfhonderd euro. Het toepasbare geïndexeerde maximumbedrag is het bedrag voor het jaar waarin de authentieke akte van de nieuwe aankoop wordt verleden. Het maximale in mindering te brengen bedrag wordt bepaald in verhouding tot de fractie die de natuurlijke persoon verkrijgt [4 in het nieuw aangekochte onroerend goed]4.]3]1
Änderungen
Art. 2.9.5.0.1. [1 En cas d'acquisition pure d'un immeuble affecté ou destiné à l'habitation [5 dont l'acte authentique est passé au plus tard le 31 décembre 2023]5 par une personne physique en vue d'y établir sa résidence principale, sa partie légale dans les droits dus conformément à [3 l'article 2.9.4.1.1, l'article 2.9.4.2.11, l'article 2.9.4.2.12, l'article 2.9.4.2.13 ou l'article 2.9.4.2.14]3 sur l'acquisition de l'habitation [5 dont l'acte authentique a été passé avant le 1er janvier 2022 et]5 qui lui a servi auparavant comme résidence principale ou du terrain à bâtir sur lequel cette habitation est construite, décomptée de sa partie légale dans les droits dus à la nouvelle acquisition, [2 à condition que l'acte authentique de la nouvelle acquisition est passé dans les deux ans après la date de la passation de l'acte authentique ayant donné lieu à une des opérations suivantes :]2
1° à l'établissement du droit de vente, soit sur la revente pure de l'habitation affectée antérieurement à sa résidence principale, soit sur le partage de cette habitation, la personne physique ayant cédé tous ses droits ;
2° ou à l'exemption du droit de vente en application de l'article 2.9.6.0.1, premier alinéa, 4°, soit pour la revente pure de l'habitation affectée antérieurement à sa résidence principale, soit pour le partage de cette habitation, la personne physique ayant cédé tous ses droits.
[2 Si l'acte acte authentique d'aliénation n'a pas donné lieu à une des actions précitées parce que l'aliénation est soumise à une condition suspensive non réalisée, le terme de deux ans est compté à partir de la date de l'enregistrement de l'acte authentique ou du document ayant donné lieu à une des opérations, visées au 1° ou au 2°.]2
Sont exclus de l'imputation conformément aux dispositions du présent article, les droits payés pour l'acquisition d'un immeuble qui n'est pas situé en Région flamande. Sont également exclus de l'imputation les droits complémentaires dus sur une acquisition pour quelque raison que ce soit.
L'imputation conformément aux dispositions du présent article ne donne en aucun cas lieu à une restitution.
Lorsqu'une opération, telle que visée au premier alinéa, est précédée d'une ou plusieurs opérations pareilles et/ou d'une ou plusieurs opérations telles que visées au premier alinéa de l'article 3.6.0.0.6, § 3, premier alinéa, les droits qui n'ont pas encore été imputés lors de ces opérations précédentes suite à l'application du troisième ou du cinquième alinéa du présent article et/ou les droits qui n'ont pas encore été restitués suite à l'application du troisième ou du cinquième alinéa de l'article 3.6.0.0.6, § 3 sont, le cas échéant, ajoutés à la part légale de la personne physique dans les droits dus conformément aux articles 2.9.4.1.1, 2.9.4.2.1 ou 3.6.0.0.6, § 6, premier alinéa, 2°, sur l'avant-dernière acquisition, pour déterminer le montant imputable sur la dernière acquisition.
[3 Le montant à réduire, obtenu en application de l'alinéa premier ou quatre, ne peut jamais excéder 12.500 euros. Ce montant suit l'évolution de l'indice général des prix à la consommation du Royaume. Les montants sont adaptés chaque année au 1er janvier sur la base d'un coefficient obtenu en divisant la moyenne des indices mensuels de l'année qui précède l'année, par la moyenne des indices mensuels de l'année 2017. La moyenne des indices mensuels est arrondie au centième supérieur ou inférieur selon que le chiffre des millièmes s'élève à cinq ou non et le coefficient est arrondi au dix millième supérieur ou inférieur, selon que le chiffre des cent millièmes s'élève à cinq ou non. Après l'application de ce coefficient, les montants sont arrondis aux cinq cent euros inférieurs. Le montant maximum indexé applicable est le montant pour l'année dans laquelle l'acte authentique de la nouvelle acquisition est passé. Le montant maximal à réduire est fixé par rapport à la fraction que la personne physique obtient [4 dans le bien immobilier nouvellement acquis]4.]3]1
1° à l'établissement du droit de vente, soit sur la revente pure de l'habitation affectée antérieurement à sa résidence principale, soit sur le partage de cette habitation, la personne physique ayant cédé tous ses droits ;
2° ou à l'exemption du droit de vente en application de l'article 2.9.6.0.1, premier alinéa, 4°, soit pour la revente pure de l'habitation affectée antérieurement à sa résidence principale, soit pour le partage de cette habitation, la personne physique ayant cédé tous ses droits.
[2 Si l'acte acte authentique d'aliénation n'a pas donné lieu à une des actions précitées parce que l'aliénation est soumise à une condition suspensive non réalisée, le terme de deux ans est compté à partir de la date de l'enregistrement de l'acte authentique ou du document ayant donné lieu à une des opérations, visées au 1° ou au 2°.]2
Sont exclus de l'imputation conformément aux dispositions du présent article, les droits payés pour l'acquisition d'un immeuble qui n'est pas situé en Région flamande. Sont également exclus de l'imputation les droits complémentaires dus sur une acquisition pour quelque raison que ce soit.
L'imputation conformément aux dispositions du présent article ne donne en aucun cas lieu à une restitution.
Lorsqu'une opération, telle que visée au premier alinéa, est précédée d'une ou plusieurs opérations pareilles et/ou d'une ou plusieurs opérations telles que visées au premier alinéa de l'article 3.6.0.0.6, § 3, premier alinéa, les droits qui n'ont pas encore été imputés lors de ces opérations précédentes suite à l'application du troisième ou du cinquième alinéa du présent article et/ou les droits qui n'ont pas encore été restitués suite à l'application du troisième ou du cinquième alinéa de l'article 3.6.0.0.6, § 3 sont, le cas échéant, ajoutés à la part légale de la personne physique dans les droits dus conformément aux articles 2.9.4.1.1, 2.9.4.2.1 ou 3.6.0.0.6, § 6, premier alinéa, 2°, sur l'avant-dernière acquisition, pour déterminer le montant imputable sur la dernière acquisition.
[3 Le montant à réduire, obtenu en application de l'alinéa premier ou quatre, ne peut jamais excéder 12.500 euros. Ce montant suit l'évolution de l'indice général des prix à la consommation du Royaume. Les montants sont adaptés chaque année au 1er janvier sur la base d'un coefficient obtenu en divisant la moyenne des indices mensuels de l'année qui précède l'année, par la moyenne des indices mensuels de l'année 2017. La moyenne des indices mensuels est arrondie au centième supérieur ou inférieur selon que le chiffre des millièmes s'élève à cinq ou non et le coefficient est arrondi au dix millième supérieur ou inférieur, selon que le chiffre des cent millièmes s'élève à cinq ou non. Après l'application de ce coefficient, les montants sont arrondis aux cinq cent euros inférieurs. Le montant maximum indexé applicable est le montant pour l'année dans laquelle l'acte authentique de la nouvelle acquisition est passé. Le montant maximal à réduire est fixé par rapport à la fraction que la personne physique obtient [4 dans le bien immobilier nouvellement acquis]4.]3]1
Änderungen
Art. 2.9.5.0.2. [1 Aan de vermindering, vermeld in artikel 2.9.5.0.1, zijn de volgende voorwaarden verbonden :
1° aan de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1, is voldaan en de verklaringen, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 4, tweede of vierde lid, zijn gedaan;
2° de natuurlijke persoon heeft op een ogenblik in de periode van achttien maanden die voorafgaan aan de verkoop of verdeling, zijn hoofdverblijfplaats gehad in de verkochte of verdeelde woning;
3° de natuurlijke persoon verbindt zich ertoe om zijn hoofdverblijfplaats te vestigen op de plaats van het nieuw aangekochte goed :
a) als het een woning betreft, binnen twee jaar na een van de volgende data :
1) de datum van de registratie van de akte of het geschrift dat tot de heffing van het verkooprecht op de aankoop aanleiding geeft, als die akte of dat geschrift binnen de termijn die daarvoor bepaald is, ter registratie wordt aangeboden;
2) de uiterste datum voor tijdige aanbieding ter registratie, als de akte die of het geschrift dat tot de heffing van het verkooprecht op de aankoop aanleiding geeft, wordt aangeboden na het verstrijken van de termijn die daarvoor bepaald is;
b) als het een bouwgrond betreft, binnen vijf jaar na dezelfde datum.
Als een van de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, niet is vervuld, wordt de akte over de nieuwe aankoop die of het geschrift over de nieuwe aankoop dat aanleiding geeft tot de heffing van het verkooprecht, geregistreerd zonder de toepassing van artikel 2.9.5.0.1.]1
1° aan de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1, is voldaan en de verklaringen, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 4, tweede of vierde lid, zijn gedaan;
2° de natuurlijke persoon heeft op een ogenblik in de periode van achttien maanden die voorafgaan aan de verkoop of verdeling, zijn hoofdverblijfplaats gehad in de verkochte of verdeelde woning;
3° de natuurlijke persoon verbindt zich ertoe om zijn hoofdverblijfplaats te vestigen op de plaats van het nieuw aangekochte goed :
a) als het een woning betreft, binnen twee jaar na een van de volgende data :
1) de datum van de registratie van de akte of het geschrift dat tot de heffing van het verkooprecht op de aankoop aanleiding geeft, als die akte of dat geschrift binnen de termijn die daarvoor bepaald is, ter registratie wordt aangeboden;
2) de uiterste datum voor tijdige aanbieding ter registratie, als de akte die of het geschrift dat tot de heffing van het verkooprecht op de aankoop aanleiding geeft, wordt aangeboden na het verstrijken van de termijn die daarvoor bepaald is;
b) als het een bouwgrond betreft, binnen vijf jaar na dezelfde datum.
Als een van de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, niet is vervuld, wordt de akte over de nieuwe aankoop die of het geschrift over de nieuwe aankoop dat aanleiding geeft tot de heffing van het verkooprecht, geregistreerd zonder de toepassing van artikel 2.9.5.0.1.]1
Art. 2.9.5.0.2. [1 A la réduction mentionnée à l'article 2.9.5.0.1, sont liées les conditions suivantes :
1° il est satisfait à l'obligation mentionnée à l'article 3.12.3.0.1, § 1er, et les déclarations mentionnées à l'article 3.12.3.0.1, § 4, deuxième au quatrième alinéa, ont été faites ;
2° la personne physique a eu à un moment quelconque dans la période de dix-huit mois précédant l'acquisition ou le partage sa résidence principale dans l'habitation vendue ou partagée ;
3° la personne physique s'engage à établir sa résidence principale dans le nouveau bien acquis :
a) s'il s'agit d'une habitation, dans les deux ans à compter d'une des dates suivantes :
1) la date de l'enregistrement de l'acte ou de l'écrit qui donne lieu à la perception du droit de vente sur l'achat si cet acte ou cet écrit a été présenté pour enregistrement dans le délai prévu à cet effet ;
2) la date ultime de présentation à l'enregistrement dans les délais, lorsque le document donnant lieu à la perception du droit de vente est présenté après expiration du délai prescrit pour le dépôt ;
b) s'il s'agit d'un terrain à bâtir, dans les cinq ans de la même date.
Si une des conditions mentionnées au premier alinéa n'est pas remplie, l'acte relatif au nouvel achat ou l'écrit relatif au nouvel achat qui donne lieu à la perception du droit de vente est enregistré sans application de l'article 2.9.5.0.1.]1
1° il est satisfait à l'obligation mentionnée à l'article 3.12.3.0.1, § 1er, et les déclarations mentionnées à l'article 3.12.3.0.1, § 4, deuxième au quatrième alinéa, ont été faites ;
2° la personne physique a eu à un moment quelconque dans la période de dix-huit mois précédant l'acquisition ou le partage sa résidence principale dans l'habitation vendue ou partagée ;
3° la personne physique s'engage à établir sa résidence principale dans le nouveau bien acquis :
a) s'il s'agit d'une habitation, dans les deux ans à compter d'une des dates suivantes :
1) la date de l'enregistrement de l'acte ou de l'écrit qui donne lieu à la perception du droit de vente sur l'achat si cet acte ou cet écrit a été présenté pour enregistrement dans le délai prévu à cet effet ;
2) la date ultime de présentation à l'enregistrement dans les délais, lorsque le document donnant lieu à la perception du droit de vente est présenté après expiration du délai prescrit pour le dépôt ;
b) s'il s'agit d'un terrain à bâtir, dans les cinq ans de la même date.
Si une des conditions mentionnées au premier alinéa n'est pas remplie, l'acte relatif au nouvel achat ou l'écrit relatif au nouvel achat qui donne lieu à la perception du droit de vente est enregistré sans application de l'article 2.9.5.0.1.]1
Art. 2.9.5.0.3. [1 In geval van onjuistheid van de vermeldingen, voorgeschreven bij artikel 2.9.5.0.2, eerste lid, 2°, is de natuurlijke persoon gehouden tot betaling van de aanvullende rechten.
In geval van niet-naleving van de verbintenis tot het vestigen van de hoofd-verblijfplaats, voorgeschreven bij artikel 2.9.5.0.2, eerste lid, 3°, is de natuurlijke persoon gehouden tot betaling van de aanvullende rechten.]1
In geval van niet-naleving van de verbintenis tot het vestigen van de hoofd-verblijfplaats, voorgeschreven bij artikel 2.9.5.0.2, eerste lid, 3°, is de natuurlijke persoon gehouden tot betaling van de aanvullende rechten.]1
Art. 2.9.5.0.3. [1 Au cas où les mentions prescrites par l'article 2.9.5.0.2, premier alinéa, 2°, seraient inexactes, la personne physique est tenue au paiement des droits complémentaires.
En cas de non-respect de l'engagement d'établir la résidence principale, prescrit par l'article 2.9.5.0.2, premier alinéa, 3°, la personne physique est tenue au paiement des droits complémentaires.]1
En cas de non-respect de l'engagement d'établir la résidence principale, prescrit par l'article 2.9.5.0.2, premier alinéa, 3°, la personne physique est tenue au paiement des droits complémentaires.]1
Art. 2.9.5.0.4. [1 Voor de toepassing van artikel 2.9.5.0.1 tot en met artikel 2.9.5.0.3 en voor de toepassing van artikel 3.6.0.0.6, § 3, wordt met een verrichting als vermeld in artikel 2.9.5.0.1, eerste lid, of in artikel 3.6.0.0.6, § 3, eerste lid, gelijkgesteld een combinatie van twee van dergelijke verrichtingen waarbij de voorlaatste aankoop van de heffing van het verkooprecht is vrijgesteld met toepassing van artikel 2.9.6.0.1, eerste lid, 4°.
Bij de vermindering of de teruggave wordt, al naargelang het geval, rekening gehouden met het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de registratiebelasting, verschuldigd op de aankoop die voorafgaat aan die welke is gedaan met toepassing van de vrijstelling, vermeld in artikel 2.9.6.0.1, eerste lid, 4°, en artikel 2.10.6.0.1, eerste lid, 1°.
Naast de voorwaarden, vermeld in artikel 2.9.5.0.2, eerste lid, 2° en 3°, of vermeld in artikel 3.6.0.0.6, § 3, zesde lid, 3°, die in het kader van een gelijkgestelde verrichting als vermeld in het eerste lid, de tweede verrichting in de combinatie betreffen, moet de natuurlijke persoon bovendien voor de eerste verrichting in de combinatie vermelden :
1° als de eerste verrichting in de combinatie een verrichting is als vermeld in artikel 2.9.5.0.1, eerste lid :
a) dat hij op een ogenblik in de periode van achttien maanden voorafgaand aan de verkoop of verdeling ervan zijn hoofdverblijfplaats heeft gehad in de eerste woning in de gelijkgestelde verrichting;
b) dat hij zijn hoofdverblijfplaats had gevestigd op de plaats van de woning, aangekocht met toepassing van de vrijstelling van het verkooprecht binnen twee jaar na een van de volgende data :
1) de datum van de registratie van de akte die of het geschrift dat tot de toepassing van de vrijstelling van de heffing van het verkooprecht op de aankoop van die woning aanleiding heeft gegeven, als die akte of dat geschrift binnen de termijn die daarvoor bepaald is, ter registratie wordt aangeboden;
2) de uiterste datum voor tijdige aanbieding ter registratie, als de akte die of het geschrift dat tot de toepassing van de vrijstelling van de heffing van het verkooprecht op de aankoop aanleiding heeft gegeven, is aangeboden na het verstrijken van de termijn die daarvoor bepaald is;
2° als de eerste verrichting in de combinatie een verrichting is als vermeld in artikel 3.6.0.0.6, § 3, eerste lid :
a) dat hij op een ogenblik in de periode van achttien maanden voorafgaand aan de aankoop van de woning met toepassing van de vrijstelling van het verkooprecht zijn hoofdverblijfplaats heeft gehad in de eerste woning in de gelijkgestelde verrichting;
b) dat hij zijn hoofdverblijfplaats had gevestigd op de plaats van de woning, aangekocht met toepassing van de vrijstelling van het verkooprecht binnen twee jaar na een van de volgende data :
1) de datum van de registratie van de akte die of het geschrift dat tot de vrijstelling van de heffing van het verkooprecht op de aankoop ervan aanleiding heeft gegeven, als die akte of dat geschrift binnen de termijn die daarvoor is bepaald, ter registratie is aangeboden;
2) de uiterste datum voor tijdige aanbieding ter registratie, als de akte die of het geschrift dat tot de vrijstelling van de heffing van het verkooprecht op de aankoop ervan aanleiding heeft gegeven, is aangeboden na het verstrijken van de termijn die daarvoor bepaald is.]1
Bij de vermindering of de teruggave wordt, al naargelang het geval, rekening gehouden met het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de registratiebelasting, verschuldigd op de aankoop die voorafgaat aan die welke is gedaan met toepassing van de vrijstelling, vermeld in artikel 2.9.6.0.1, eerste lid, 4°, en artikel 2.10.6.0.1, eerste lid, 1°.
Naast de voorwaarden, vermeld in artikel 2.9.5.0.2, eerste lid, 2° en 3°, of vermeld in artikel 3.6.0.0.6, § 3, zesde lid, 3°, die in het kader van een gelijkgestelde verrichting als vermeld in het eerste lid, de tweede verrichting in de combinatie betreffen, moet de natuurlijke persoon bovendien voor de eerste verrichting in de combinatie vermelden :
1° als de eerste verrichting in de combinatie een verrichting is als vermeld in artikel 2.9.5.0.1, eerste lid :
a) dat hij op een ogenblik in de periode van achttien maanden voorafgaand aan de verkoop of verdeling ervan zijn hoofdverblijfplaats heeft gehad in de eerste woning in de gelijkgestelde verrichting;
b) dat hij zijn hoofdverblijfplaats had gevestigd op de plaats van de woning, aangekocht met toepassing van de vrijstelling van het verkooprecht binnen twee jaar na een van de volgende data :
1) de datum van de registratie van de akte die of het geschrift dat tot de toepassing van de vrijstelling van de heffing van het verkooprecht op de aankoop van die woning aanleiding heeft gegeven, als die akte of dat geschrift binnen de termijn die daarvoor bepaald is, ter registratie wordt aangeboden;
2) de uiterste datum voor tijdige aanbieding ter registratie, als de akte die of het geschrift dat tot de toepassing van de vrijstelling van de heffing van het verkooprecht op de aankoop aanleiding heeft gegeven, is aangeboden na het verstrijken van de termijn die daarvoor bepaald is;
2° als de eerste verrichting in de combinatie een verrichting is als vermeld in artikel 3.6.0.0.6, § 3, eerste lid :
a) dat hij op een ogenblik in de periode van achttien maanden voorafgaand aan de aankoop van de woning met toepassing van de vrijstelling van het verkooprecht zijn hoofdverblijfplaats heeft gehad in de eerste woning in de gelijkgestelde verrichting;
b) dat hij zijn hoofdverblijfplaats had gevestigd op de plaats van de woning, aangekocht met toepassing van de vrijstelling van het verkooprecht binnen twee jaar na een van de volgende data :
1) de datum van de registratie van de akte die of het geschrift dat tot de vrijstelling van de heffing van het verkooprecht op de aankoop ervan aanleiding heeft gegeven, als die akte of dat geschrift binnen de termijn die daarvoor is bepaald, ter registratie is aangeboden;
2) de uiterste datum voor tijdige aanbieding ter registratie, als de akte die of het geschrift dat tot de vrijstelling van de heffing van het verkooprecht op de aankoop ervan aanleiding heeft gegeven, is aangeboden na het verstrijken van de termijn die daarvoor bepaald is.]1
Art. 2.9.5.0.4. [1 Pour l'application des articles 2.9.5.0.1 à 2.9.5.0.3 et pour l'application de l'article 3.6.0.0.6, § 3, est assimilée à une opération au sens de l'article 2.9.5.0.1, alinéa premier, ou de l'article 3.6.0.0.6, § 3, alinéa premier, une combinaison de deux opérations semblables pour laquelle l'avant-dernière acquisition assujettie au droit d'enregistrement proportionnel en a été exonérée en application de l'article 2.9.6.0.1, alinéa premier, 4°.
La réduction ou la restitution, selon le cas, s'effectuent en tenant compte de la part légale de la personne physique dans les droits d'enregistrement dus sur l'acquisition précédant celle qui a été réalisée en application de l'exonération prévue à l'article 2.9.6.0.1, premier alinéa, 4°, et à l'article 2.10.6.0.1, premier alinéa, 1°.
Outre les conditions requises à l'article 2.9.5.0.2, premier alinéa, 2° et 3°, ou à l'article 3.6.0.0.6, § 3, sixième alinéa, 3°, qui dans le cadre d'une opération assimilée, au sens de l'alinéa premier, concernent la deuxième opération, la personne physique est également tenue de déclarer eu égard à la première opération :
1° si la première opération de la combinaison est une opération visée à l'article 2.9.5.0.1, alinéa premier :
a) qu'à un quelconque moment durant la période de dix-huit mois précédant la vente ou le partage de celle-ci, la première habitation de l'opération assimilée était affectée à sa résidence principale ;
b) qu'il a établi sa résidence principale au lieu de l'habitation, acquise en application de l'exonération du droit de vente dans les deux ans qui suivent l'une des dates suivantes :
1) la date de l'enregistrement de l'acte ou de l'écrit qui donne lieu à l'application de l'exonération de la perception du droit de vente sur l'achat de cette habitation si cet acte ou cet écrit a été présenté pour enregistrement dans le délai prévu à cet effet ;
2) la date ultime de présentation à l'enregistrement dans les délais, lorsque le document donnant lieu à l'application de l'exonération de la perception du droit de vente sur l'achat est présenté après expiration du délai prescrit pour le dépôt ;
2° si la première opération de la combinaison est une opération visée à l'article 3.6.0.0.6, § 3, premier alinéa :
a) qu'à un quelconque moment durant la période de dix-huit mois précédant l'acquisition de l'habitation en application de l'exonération du droit de vente, la première habitation de l'opération assimilée était affectée à sa résidence principale ;
b) qu'il a établi sa résidence principale au lieu de l'habitation, acquise en application de l'exonération du droit de vente dans les deux ans qui suivent l'une des dates suivantes :
1) la date de l'enregistrement de l'acte ou de l'écrit qui donne lieu à l'application de l'exonération de la perception du droit de vente sur l'achat de cette habitation si cet acte ou cet écrit a été présenté pour enregistrement dans le délai prévu à cet effet ;
2) la date limite pour la présentation à l'enregistrement, lorsque l'acte ou l'écrit qui a donné lieu à l'application de l'exonération du prélèvement du droit de vente sur ladite acquisition, a été présenté pour enregistrement après l'expiration du délai prévu à cet effet.]1
La réduction ou la restitution, selon le cas, s'effectuent en tenant compte de la part légale de la personne physique dans les droits d'enregistrement dus sur l'acquisition précédant celle qui a été réalisée en application de l'exonération prévue à l'article 2.9.6.0.1, premier alinéa, 4°, et à l'article 2.10.6.0.1, premier alinéa, 1°.
Outre les conditions requises à l'article 2.9.5.0.2, premier alinéa, 2° et 3°, ou à l'article 3.6.0.0.6, § 3, sixième alinéa, 3°, qui dans le cadre d'une opération assimilée, au sens de l'alinéa premier, concernent la deuxième opération, la personne physique est également tenue de déclarer eu égard à la première opération :
1° si la première opération de la combinaison est une opération visée à l'article 2.9.5.0.1, alinéa premier :
a) qu'à un quelconque moment durant la période de dix-huit mois précédant la vente ou le partage de celle-ci, la première habitation de l'opération assimilée était affectée à sa résidence principale ;
b) qu'il a établi sa résidence principale au lieu de l'habitation, acquise en application de l'exonération du droit de vente dans les deux ans qui suivent l'une des dates suivantes :
1) la date de l'enregistrement de l'acte ou de l'écrit qui donne lieu à l'application de l'exonération de la perception du droit de vente sur l'achat de cette habitation si cet acte ou cet écrit a été présenté pour enregistrement dans le délai prévu à cet effet ;
2) la date ultime de présentation à l'enregistrement dans les délais, lorsque le document donnant lieu à l'application de l'exonération de la perception du droit de vente sur l'achat est présenté après expiration du délai prescrit pour le dépôt ;
2° si la première opération de la combinaison est une opération visée à l'article 3.6.0.0.6, § 3, premier alinéa :
a) qu'à un quelconque moment durant la période de dix-huit mois précédant l'acquisition de l'habitation en application de l'exonération du droit de vente, la première habitation de l'opération assimilée était affectée à sa résidence principale ;
b) qu'il a établi sa résidence principale au lieu de l'habitation, acquise en application de l'exonération du droit de vente dans les deux ans qui suivent l'une des dates suivantes :
1) la date de l'enregistrement de l'acte ou de l'écrit qui donne lieu à l'application de l'exonération de la perception du droit de vente sur l'achat de cette habitation si cet acte ou cet écrit a été présenté pour enregistrement dans le délai prévu à cet effet ;
2) la date limite pour la présentation à l'enregistrement, lorsque l'acte ou l'écrit qui a donné lieu à l'application de l'exonération du prélèvement du droit de vente sur ladite acquisition, a été présenté pour enregistrement après l'expiration du délai prévu à cet effet.]1
Art. 2.9.5.0.5. [1 § 1. [2 Als er voor alle verkrijgers toepassing wordt gemaakt van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1, eerste lid, en als de totale belastbare grondslag van het onroerend goed niet hoger is dan 220.000 euro, wordt er een rechtenvermindering toegestaan van 1867 euro op het totaal van de op de aankoop berekende rechten. Als het verschuldigde verkooprecht lager is dan 1867 euro, dan wordt de rechtenvermindering verlaagd tot het bedrag van dit verkooprecht.
Als er slechts voor sommige verkrijgers toepassing wordt gemaakt van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1, eerste lid, en als de totale belastbare grondslag van het onroerend goed niet hoger is dan 220.000 euro, wordt de rechtenvermindering van 1867 euro herleid tot het breukdeel van deze bedragen dat overeenstemt met het aandeel van de betrokken verkrijgers in de totale aankoop. Als het door deze verkrijgers verschuldigde verkooprecht lager is dan het overeenkomstige breukdeel van 1867 euro, dan wordt de rechtenvermindering verlaagd tot het bedrag van het wettelijk aandeel van deze verkrijgers in het totale verschuldigde verkooprecht.
Als er slechts voor een deel van de verkrijging toepassing wordt gemaakt van het verlaagd tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1, eerste lid, en als de totale belastbare grondslag van het onroerend goed niet hoger is dan 220.000 euro, wordt de rechtenvermindering van 1867 euro herleid tot het breukdeel van dat bedrag dat overeenstemt met het aandeel van de verkrijging waarvoor het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1, eerste lid, wordt toegepast.
Voor de onroerende goederen gelegen op het grondgebied van de kernsteden en de gemeenten van de Vlaamse Rand rond Brussel zoals bepaald in artikel 1.1.0.0.2, twaalfde lid, 8° en 9°, wordt de rechtenvermindering, vermeld in het eerste lid, toegestaan als de totale belastbare grondslag van het onroerend goed niet hoger is dan 240.000 euro]2.
§ 2. Als er voor alle verkrijgers toepassing wordt gemaakt van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1, tweede lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, vijfde lid, en als de totale belastbare grondslag van het onroerend goed niet hoger is dan 220.000 euro, wordt er een rechtenvermindering toegestaan van respectievelijk 5600 euro of 4800 euro op het totaal van de op de aankoop berekende rechten. Als het verschuldigde verkooprecht lager is dan, naargelang het geval, hetzij 5600 euro, hetzij 4800 euro, dan wordt de rechtenvermindering verlaagd tot het bedrag van dit verkooprecht.
Als er slechts voor sommige verkrijgers toepassing wordt gemaakt van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1, tweede lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, vijfde lid, en als de totale belastbare grondslag van het onroerend goed niet hoger is dan 220.000 euro, wordt de rechtenvermindering van 5600 euro of 4800 euro herleid tot het breukdeel van deze bedragen dat overeenstemt met het aan- deel van de betrokken verkrijgers in de totale aankoop. Als het door deze verkrijgers verschuldigde verkooprecht lager is dan het overeenkomstig breukdeel van, naargelang het geval, hetzij 5600 euro, hetzij 4800 euro, dan wordt de rechtenvermindering verlaagd tot het bedrag van het wettelijk aandeel van deze verkrijgers in het totale verschuldigde verkooprecht.
Als er slechts voor een deel van de verkrijging toepassing wordt gemaakt van het verlaagd tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1, tweede lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, vijfde lid, en als de totale belastbare grondslag van het onroerend goed niet hoger is dan 220.000 euro, wordt de rechtenvermindering van 5600 euro of 4800 euro herleid tot het breukdeel van deze bedragen dat overeenstemt met het aandeel van de verkrijging waarvoor het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1, tweede lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, vijfde lid, wordt toegepast.
Voor de onroerende goederen gelegen op het grondgebied van de kernsteden en de gemeenten van de Vlaamse Rand rond Brussel zoals bepaald in artikel 1.1.0.0.2, twaalfde lid, 8° en 9°, wordt de rechtenvermindering, vermeld in het eerste lid, toegestaan als de totale belastbare grondslag van het onroerend goed niet hoger is dan 240.000 euro.]1
Als er slechts voor sommige verkrijgers toepassing wordt gemaakt van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1, eerste lid, en als de totale belastbare grondslag van het onroerend goed niet hoger is dan 220.000 euro, wordt de rechtenvermindering van 1867 euro herleid tot het breukdeel van deze bedragen dat overeenstemt met het aandeel van de betrokken verkrijgers in de totale aankoop. Als het door deze verkrijgers verschuldigde verkooprecht lager is dan het overeenkomstige breukdeel van 1867 euro, dan wordt de rechtenvermindering verlaagd tot het bedrag van het wettelijk aandeel van deze verkrijgers in het totale verschuldigde verkooprecht.
Als er slechts voor een deel van de verkrijging toepassing wordt gemaakt van het verlaagd tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1, eerste lid, en als de totale belastbare grondslag van het onroerend goed niet hoger is dan 220.000 euro, wordt de rechtenvermindering van 1867 euro herleid tot het breukdeel van dat bedrag dat overeenstemt met het aandeel van de verkrijging waarvoor het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1, eerste lid, wordt toegepast.
Voor de onroerende goederen gelegen op het grondgebied van de kernsteden en de gemeenten van de Vlaamse Rand rond Brussel zoals bepaald in artikel 1.1.0.0.2, twaalfde lid, 8° en 9°, wordt de rechtenvermindering, vermeld in het eerste lid, toegestaan als de totale belastbare grondslag van het onroerend goed niet hoger is dan 240.000 euro]2.
§ 2. Als er voor alle verkrijgers toepassing wordt gemaakt van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1, tweede lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, vijfde lid, en als de totale belastbare grondslag van het onroerend goed niet hoger is dan 220.000 euro, wordt er een rechtenvermindering toegestaan van respectievelijk 5600 euro of 4800 euro op het totaal van de op de aankoop berekende rechten. Als het verschuldigde verkooprecht lager is dan, naargelang het geval, hetzij 5600 euro, hetzij 4800 euro, dan wordt de rechtenvermindering verlaagd tot het bedrag van dit verkooprecht.
Als er slechts voor sommige verkrijgers toepassing wordt gemaakt van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1, tweede lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, vijfde lid, en als de totale belastbare grondslag van het onroerend goed niet hoger is dan 220.000 euro, wordt de rechtenvermindering van 5600 euro of 4800 euro herleid tot het breukdeel van deze bedragen dat overeenstemt met het aan- deel van de betrokken verkrijgers in de totale aankoop. Als het door deze verkrijgers verschuldigde verkooprecht lager is dan het overeenkomstig breukdeel van, naargelang het geval, hetzij 5600 euro, hetzij 4800 euro, dan wordt de rechtenvermindering verlaagd tot het bedrag van het wettelijk aandeel van deze verkrijgers in het totale verschuldigde verkooprecht.
Als er slechts voor een deel van de verkrijging toepassing wordt gemaakt van het verlaagd tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1, tweede lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, vijfde lid, en als de totale belastbare grondslag van het onroerend goed niet hoger is dan 220.000 euro, wordt de rechtenvermindering van 5600 euro of 4800 euro herleid tot het breukdeel van deze bedragen dat overeenstemt met het aandeel van de verkrijging waarvoor het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1, tweede lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, vijfde lid, wordt toegepast.
Voor de onroerende goederen gelegen op het grondgebied van de kernsteden en de gemeenten van de Vlaamse Rand rond Brussel zoals bepaald in artikel 1.1.0.0.2, twaalfde lid, 8° en 9°, wordt de rechtenvermindering, vermeld in het eerste lid, toegestaan als de totale belastbare grondslag van het onroerend goed niet hoger is dan 240.000 euro.]1
Art. 2.9.5.0.5. [1 § 1. [2 Si le tarif réduit visé à l'article 2.9.4.2.11, § 1er, alinéa 1er, est appliqué à tous les acquéreurs, et que la base imposable totale du bien immobilier n'excède pas 220 000 euros, une réduction de 1 867 euros est accordée sur le total des droits calculés sur l'achat. Si le droit de vente dû est inférieur à 1 867 euros, la réduction des droits est réduite jusqu'au montant de ce droit de vente.
Si le tarif réduit, visé à l'article 2.9.4.2.11, § 1er, alinéa 1er, n'est appliqué qu'à certains acquéreurs et que la base totale imposable du bien immobilier n'excède pas 200 000 euros, la réduction des droits de 1 867 euros est ramenée à la fraction de ces montants qui correspond à la quote-part des acquéreurs con-cernés dans l'achat total. Si le droit de vente payable par ces acquéreurs est infé-rieur à la fraction correspondante de 1 867 euros, la réduction des droits est ré-duite jusqu'au montant de la quote-part légale de ces acquéreurs dans le droit de vente total dû.
Si le tarif réduit, visé à l'article 2.9.4.2.11, § 1er, alinéa 1er, n'est appliqué qu'à une partie de l'acquisition, et que la base totale imposable du bien immobilier n'excède pas 220 000 euros, la réduction des droits de 1 867 euros est ramenée à la fraction de ce montant qui correspond à la quote-part de l'acquisition à laquelle est appliqué le tarif réduit visé à l'article 2.9.4.2.11, § 1er, alinéa 1er.
Pour les biens immobiliers situés sur le territoire des villes noyaux et des communes de la périphérie flamande de Bruxelles, visées à l'article 1.1.0.0.2, ali-néa 12, 8° et 9°, la réduction des droits, visée à l'alinéa 1er, est accordée si la base totale imposable du bien immobilier n'excède pas 240 000 euros]2.
§ 2. Si le tarif réduit visé à l'article 2.9.4.2.11, § 1, alinéa deux, ou à l'article 2.9.4.2.12, § 1, alinéa cinq, est appliqué à tous les acquéreurs, et si la base imposable totale du bien immobilier n'excède pas 220 000 euros, une réduction des droits est accordée de respectivement 5 600 euros ou 4 800 euros sur le total des droits qui ont été calculés sur l'acquisition. Si le droit de vente dû est inférieur, selon le cas, à 5 600 euros ou à 4 800 euros, la réduction des droits est réduite jusqu'au montant de ce droit de vente.
Si le tarif réduit, visé à l'article 2.9.4.2.11, § 1, alinéa deux, ou à l'article 2.9.4.2.12, § 1, alinéa cinq, n'est appliqué qu'à certains acquéreurs et que la base totale imposable du bien immobilier n'excède pas 220 000 euros, la réduction des droits de 5 600 euros ou 4 800 euros est ramenée à la fraction de ces montants qui correspond à la quote-part des acquéreurs concernés dans l'acquisition totale. Si le droit de vente payable par ces acquéreurs est inférieur à la fraction correspondante de, selon le cas, 5 600 euros ou 4 800 euros, la réduction des droits est réduite jusqu'au montant de la quote-part légale de ces acquéreurs dans le droit de vente total dû.
Si le tarif réduit, visé à l'article 2.9.4.2.11, § 1, alinéa deux, ou à l'article 2.9.4.2.12, § 1, alinéa cinq, n'est appliqué qu'à une partie de l'acquisition, et que la base totale imposable du bien immobilier n'excède pas 220 000 euros, la réduction des droits de 5 600 euros ou 4 800 euros est ramenée à la fraction de ces montants qui correspond à la quote-part de l'acquisition à laquelle est appliqué le tarif réduit visé à l'article 2.9.4.2.11, § 1, alinéa deux, ou à l'article 2.9.4.2.12, § 1, alinéa cinq.
Pour les biens immobiliers situés sur le territoire des villes noyaux et des communes de la périphérie flamande de Bruxelles, visées à l'article 1.1.0.0.2, alinéa douze, 8° et 9°, la réduction des droits, visée à l'alinéa premier, est accordée si la base imposable du bien immobilier n'excède pas 240 000 euros.]1
Si le tarif réduit, visé à l'article 2.9.4.2.11, § 1er, alinéa 1er, n'est appliqué qu'à certains acquéreurs et que la base totale imposable du bien immobilier n'excède pas 200 000 euros, la réduction des droits de 1 867 euros est ramenée à la fraction de ces montants qui correspond à la quote-part des acquéreurs con-cernés dans l'achat total. Si le droit de vente payable par ces acquéreurs est infé-rieur à la fraction correspondante de 1 867 euros, la réduction des droits est ré-duite jusqu'au montant de la quote-part légale de ces acquéreurs dans le droit de vente total dû.
Si le tarif réduit, visé à l'article 2.9.4.2.11, § 1er, alinéa 1er, n'est appliqué qu'à une partie de l'acquisition, et que la base totale imposable du bien immobilier n'excède pas 220 000 euros, la réduction des droits de 1 867 euros est ramenée à la fraction de ce montant qui correspond à la quote-part de l'acquisition à laquelle est appliqué le tarif réduit visé à l'article 2.9.4.2.11, § 1er, alinéa 1er.
Pour les biens immobiliers situés sur le territoire des villes noyaux et des communes de la périphérie flamande de Bruxelles, visées à l'article 1.1.0.0.2, ali-néa 12, 8° et 9°, la réduction des droits, visée à l'alinéa 1er, est accordée si la base totale imposable du bien immobilier n'excède pas 240 000 euros]2.
§ 2. Si le tarif réduit visé à l'article 2.9.4.2.11, § 1, alinéa deux, ou à l'article 2.9.4.2.12, § 1, alinéa cinq, est appliqué à tous les acquéreurs, et si la base imposable totale du bien immobilier n'excède pas 220 000 euros, une réduction des droits est accordée de respectivement 5 600 euros ou 4 800 euros sur le total des droits qui ont été calculés sur l'acquisition. Si le droit de vente dû est inférieur, selon le cas, à 5 600 euros ou à 4 800 euros, la réduction des droits est réduite jusqu'au montant de ce droit de vente.
Si le tarif réduit, visé à l'article 2.9.4.2.11, § 1, alinéa deux, ou à l'article 2.9.4.2.12, § 1, alinéa cinq, n'est appliqué qu'à certains acquéreurs et que la base totale imposable du bien immobilier n'excède pas 220 000 euros, la réduction des droits de 5 600 euros ou 4 800 euros est ramenée à la fraction de ces montants qui correspond à la quote-part des acquéreurs concernés dans l'acquisition totale. Si le droit de vente payable par ces acquéreurs est inférieur à la fraction correspondante de, selon le cas, 5 600 euros ou 4 800 euros, la réduction des droits est réduite jusqu'au montant de la quote-part légale de ces acquéreurs dans le droit de vente total dû.
Si le tarif réduit, visé à l'article 2.9.4.2.11, § 1, alinéa deux, ou à l'article 2.9.4.2.12, § 1, alinéa cinq, n'est appliqué qu'à une partie de l'acquisition, et que la base totale imposable du bien immobilier n'excède pas 220 000 euros, la réduction des droits de 5 600 euros ou 4 800 euros est ramenée à la fraction de ces montants qui correspond à la quote-part de l'acquisition à laquelle est appliqué le tarif réduit visé à l'article 2.9.4.2.11, § 1, alinéa deux, ou à l'article 2.9.4.2.12, § 1, alinéa cinq.
Pour les biens immobiliers situés sur le territoire des villes noyaux et des communes de la périphérie flamande de Bruxelles, visées à l'article 1.1.0.0.2, alinéa douze, 8° et 9°, la réduction des droits, visée à l'alinéa premier, est accordée si la base imposable du bien immobilier n'excède pas 240 000 euros.]1
Afdeling 6. - [1 Vrijstellingen]1
Section 6. - [1 Exonérations]1
Art. 2.9.6.0.1. [1 Er wordt een vrijstelling van het verkooprecht verleend voor :
1° de aanwijzing van lastgever, op voorwaarde dat :
a) de mogelijkheid om een lastgever aan te wijzen in de akte van toewijzing of koop voorbehouden is;
b) de aanwijzing bij authentieke akte uiterlijk plaatsvindt op de vijfde werkdag na de dag van de toewijzing of van de overeenkomst;
2° de toewijzingen naar aanleiding van rouwkoop van onroerende goederen, op voorwaarde dat ze geen aanleiding geven tot de heffing van [3 een hogere registratiebelasting dan de registratiebelasting die]3 geheven is op de vorige toewijzing;
3° de overeenkomsten tot overdracht van het vruchtgebruik op de blote eigenaar, als de evenredige registratiebelasting, de erfbelasting of een soortgelijk recht door de blote eigenaar of door een vorige blote eigenaar, zijn rechtsvoorganger, op de waarde van de volle eigendom is voldaan;
4° andere overdrachten onder bezwarende titel dan die welke aan de belasting, overeenkomstig artikel 115bis het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten onderworpen zijn, van gebouwen, gedeelten van gebouwen en het bijbehorende terrein, overeenkomstig artikel 1, § 9, van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, alsook de vestigingen, overdrachten of wederoverdrachten van de zakelijke rechten, overeenkomstig artikel 9, tweede lid, 2°, van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde met betrekking tot gebouwen, gedeelten van gebouwen en het bijhorende terrein, overeenkomstig artikel 1, § 9, van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, op voorwaarde dat de belasting over de toegevoegde waarde opeisbaar is op de levering van die goederen of de vestiging, de overdracht of wederoverdracht van die rechten;
5° de contracten van onroerende financieringshuur, overeenkomstig artikel 44, § 3, 2°, b, van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde;
6° [5 ...]5
7° [5 de teruggave van de onroerende goederen aan de leden van een economisch samenwerkingsverband of van een Europees economisch samenwerkingsverband die de goederen hebben ingebracht door de ontbinding van het samenwerkingsverband of de uittreding van de leden.]5
Als aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 1°, niet is voldaan, wordt de aanwijzing van lastgever voor de toepassing van dit hoofdstuk als een wederverkoop beschouwd.
In afwijking van hetgeen vermeld is in het eerste lid, 1°, a) en b), moet om de vrijstelling van het verkooprecht te genieten :
1° [6 ...]6
2° bij toewijzingen ten gevolge van een hoger bod op de vrijwillige vervreemding van onroerende goederen, de aanwijzing van lastgever gedaan worden vóór de notaris die toewijzing heeft gedaan, of hem betekend worden uiterlijk op de vijfde werkdag na de dag van de toewijzing.
In de gevallen, vermeld in het derde lid, wordt de aanwijzing ingeschreven of vermeld onderaan op het proces-verbaal van toewijzing zonder dat ze aan het bevoegde personeelslid betekend moet worden.
Als de toewijzingen, vermeld in het eerste lid, 2°, wel aanleiding geven tot de heffing van een hoger verkooprecht dan het verkooprecht dat geheven is op de vorige toewijzing, wordt de vrijstelling beperkt tot het verkooprecht dat geheven is op de vorige toewijzing.
Het eerste lid, 2°, is ook van toepassing op de toewijzingen naar aanleiding van prijsverhoging in de gevallen waarin het voorbehoud van prijsverhoging geen opschortende voorwaarde uitmaakt.
Om de vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 4°, te verkrijgen, moet voldaan zijn aan de verplichtingen, vermeld in [6 artikel 3.12.3.0.1, § 1 en § 5, zesde lid]6.
Als onroerende goederen verkregen worden in andere omstandigheden dan de omstandigheden, vermeld in het eerste lid, 7°, is voor de verkrijging, vermeld in het eerste lid, 7°, hoe ze ook gebeurt, het verkooprecht verschuldigd.]1
1° de aanwijzing van lastgever, op voorwaarde dat :
a) de mogelijkheid om een lastgever aan te wijzen in de akte van toewijzing of koop voorbehouden is;
b) de aanwijzing bij authentieke akte uiterlijk plaatsvindt op de vijfde werkdag na de dag van de toewijzing of van de overeenkomst;
2° de toewijzingen naar aanleiding van rouwkoop van onroerende goederen, op voorwaarde dat ze geen aanleiding geven tot de heffing van [3 een hogere registratiebelasting dan de registratiebelasting die]3 geheven is op de vorige toewijzing;
3° de overeenkomsten tot overdracht van het vruchtgebruik op de blote eigenaar, als de evenredige registratiebelasting, de erfbelasting of een soortgelijk recht door de blote eigenaar of door een vorige blote eigenaar, zijn rechtsvoorganger, op de waarde van de volle eigendom is voldaan;
4° andere overdrachten onder bezwarende titel dan die welke aan de belasting, overeenkomstig artikel 115bis het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten onderworpen zijn, van gebouwen, gedeelten van gebouwen en het bijbehorende terrein, overeenkomstig artikel 1, § 9, van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, alsook de vestigingen, overdrachten of wederoverdrachten van de zakelijke rechten, overeenkomstig artikel 9, tweede lid, 2°, van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde met betrekking tot gebouwen, gedeelten van gebouwen en het bijhorende terrein, overeenkomstig artikel 1, § 9, van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, op voorwaarde dat de belasting over de toegevoegde waarde opeisbaar is op de levering van die goederen of de vestiging, de overdracht of wederoverdracht van die rechten;
5° de contracten van onroerende financieringshuur, overeenkomstig artikel 44, § 3, 2°, b, van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde;
6° [5 ...]5
7° [5 de teruggave van de onroerende goederen aan de leden van een economisch samenwerkingsverband of van een Europees economisch samenwerkingsverband die de goederen hebben ingebracht door de ontbinding van het samenwerkingsverband of de uittreding van de leden.]5
Als aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 1°, niet is voldaan, wordt de aanwijzing van lastgever voor de toepassing van dit hoofdstuk als een wederverkoop beschouwd.
In afwijking van hetgeen vermeld is in het eerste lid, 1°, a) en b), moet om de vrijstelling van het verkooprecht te genieten :
1° [6 ...]6
2° bij toewijzingen ten gevolge van een hoger bod op de vrijwillige vervreemding van onroerende goederen, de aanwijzing van lastgever gedaan worden vóór de notaris die toewijzing heeft gedaan, of hem betekend worden uiterlijk op de vijfde werkdag na de dag van de toewijzing.
In de gevallen, vermeld in het derde lid, wordt de aanwijzing ingeschreven of vermeld onderaan op het proces-verbaal van toewijzing zonder dat ze aan het bevoegde personeelslid betekend moet worden.
Als de toewijzingen, vermeld in het eerste lid, 2°, wel aanleiding geven tot de heffing van een hoger verkooprecht dan het verkooprecht dat geheven is op de vorige toewijzing, wordt de vrijstelling beperkt tot het verkooprecht dat geheven is op de vorige toewijzing.
Het eerste lid, 2°, is ook van toepassing op de toewijzingen naar aanleiding van prijsverhoging in de gevallen waarin het voorbehoud van prijsverhoging geen opschortende voorwaarde uitmaakt.
Om de vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 4°, te verkrijgen, moet voldaan zijn aan de verplichtingen, vermeld in [6 artikel 3.12.3.0.1, § 1 en § 5, zesde lid]6.
Als onroerende goederen verkregen worden in andere omstandigheden dan de omstandigheden, vermeld in het eerste lid, 7°, is voor de verkrijging, vermeld in het eerste lid, 7°, hoe ze ook gebeurt, het verkooprecht verschuldigd.]1
Änderungen
Art. 2.9.6.0.1. [1 Sont exemptés du droit de vente :
1° la déclaration de command, à condition :
a) que la faculté de déclarer command ait été réservée dans l'acte d'adjudication ou de vente ;
b) que la déclaration soit faite par acte authentique au plus tard le cinquième jour ouvrable suivant le jour de la déclaration ou du contrat ;
2° les adjudications ensuite de folle enchère de biens immeubles, lorsqu'elles ne donnent pas lieu à [3 une taxe d'enregistrement supérieure à celle qui]3 a été perçu sur la précédente adjudication ;
3° les conventions ayant pour objet la transmission de l'usufruit au nu-propriétaire, lorsque le droit proportionnel d'enregistrement ou l'impôt de succession a été payé par le nu-propriétaire, ou par un précédent nu-propriétaire dont il tient ses droits, sur la valeur de la pleine propriété ;
4° les aliénations translatives ou déclaratives à titre onéreux, autres que celles soumises au droit prévu par l'article 115bis du Code fédéral des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, de bâtiments, de fractions de bâtiments et du sol y attenant, visés à l'article 1er, § 9, du Code de la taxe sur la valeur ajoutée, ainsi que les constitutions, cessions ou rétrocessions de droits réels visés à l'article 9, alinéa, deux, 2°, du Code de la taxe sur la valeur ajoutée portant sur des bâtiments, des fractions de bâtiments et du sol y attenant visés à l'article 1er, § 9, du Code de la taxe sur la valeur ajoutée, à condition que la taxe sur la valeur ajoutée soit éligible pour la livraison de ces biens, ou la constitution, cession ou la rétrocession de ces droits ;
5° les contrats de location-financement d'immeubles visés à l'article 44, § 3, 2°, b, du Code de la taxe sur la valeur ajoutée ;
6° [5 ...]5
7° [5 la restitution des biens immobiliers aux membres d'un groupement d'intérêt économique ou d'un groupement européen d'intérêt économique qui ont apporté ces biens par la dissolution du groupement ou la démission de ses membres.]5
A défaut d'exécution de ces conditions mentionnées au premier alinéa, 1°, la déclaration de command est considérée comme une revente pour l'application du présent chapitre.
Par dérogation à ce qui est mentionné au premier alinéa, 1°, a) et b), pour être exemptée du droit de vente :
1° [6 ...]6
2° la déclaration de command dans les adjudications par suite de surenchère sur aliénation volontaire d'immeubles, doit être faite devant le notaire qui a procédé à l'adjudication ou lui être signifiée au plus tard le cinquième jour ouvrable qui suit celui de l'adjudication.
Dans ces cas, la déclaration est inscrite ou mentionnée au pied du procès-verbal d'adjudication, sans qu'il soit besoin de la notifier au membre du personnel compétent.
Si les adjudications mentionnées au premier alinéa, 2°, donnent bien lieu à un droit de vente supérieur à celui qui a été perçu sur la précédente adjudication, l'exonération est limitée au droit de vente qui a été perçu sur cette précédente adjudication.
Le premier alinéa, 2°, est applicable aux adjudications ensuite de surenchère dans le cas où la réserve de surenchère ne constitue pas une condition suspensive.
Pour obtenir l'exonération mentionnée au premier alinéa, 4°, il faut satisfaire aux obligations mentionnées à [6 l'article 3.12.3.0.1, § 1er et § 5, alinéa 6]6.
Si des immeubles sont acquis dans d'autres conditions que celles prévues au premier alinéa, 7°, cette acquisition donne lieu, de quelque manière qu'elle s'opère, au paiement du droit de vente.]1
1° la déclaration de command, à condition :
a) que la faculté de déclarer command ait été réservée dans l'acte d'adjudication ou de vente ;
b) que la déclaration soit faite par acte authentique au plus tard le cinquième jour ouvrable suivant le jour de la déclaration ou du contrat ;
2° les adjudications ensuite de folle enchère de biens immeubles, lorsqu'elles ne donnent pas lieu à [3 une taxe d'enregistrement supérieure à celle qui]3 a été perçu sur la précédente adjudication ;
3° les conventions ayant pour objet la transmission de l'usufruit au nu-propriétaire, lorsque le droit proportionnel d'enregistrement ou l'impôt de succession a été payé par le nu-propriétaire, ou par un précédent nu-propriétaire dont il tient ses droits, sur la valeur de la pleine propriété ;
4° les aliénations translatives ou déclaratives à titre onéreux, autres que celles soumises au droit prévu par l'article 115bis du Code fédéral des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, de bâtiments, de fractions de bâtiments et du sol y attenant, visés à l'article 1er, § 9, du Code de la taxe sur la valeur ajoutée, ainsi que les constitutions, cessions ou rétrocessions de droits réels visés à l'article 9, alinéa, deux, 2°, du Code de la taxe sur la valeur ajoutée portant sur des bâtiments, des fractions de bâtiments et du sol y attenant visés à l'article 1er, § 9, du Code de la taxe sur la valeur ajoutée, à condition que la taxe sur la valeur ajoutée soit éligible pour la livraison de ces biens, ou la constitution, cession ou la rétrocession de ces droits ;
5° les contrats de location-financement d'immeubles visés à l'article 44, § 3, 2°, b, du Code de la taxe sur la valeur ajoutée ;
6° [5 ...]5
7° [5 la restitution des biens immobiliers aux membres d'un groupement d'intérêt économique ou d'un groupement européen d'intérêt économique qui ont apporté ces biens par la dissolution du groupement ou la démission de ses membres.]5
A défaut d'exécution de ces conditions mentionnées au premier alinéa, 1°, la déclaration de command est considérée comme une revente pour l'application du présent chapitre.
Par dérogation à ce qui est mentionné au premier alinéa, 1°, a) et b), pour être exemptée du droit de vente :
1° [6 ...]6
2° la déclaration de command dans les adjudications par suite de surenchère sur aliénation volontaire d'immeubles, doit être faite devant le notaire qui a procédé à l'adjudication ou lui être signifiée au plus tard le cinquième jour ouvrable qui suit celui de l'adjudication.
Dans ces cas, la déclaration est inscrite ou mentionnée au pied du procès-verbal d'adjudication, sans qu'il soit besoin de la notifier au membre du personnel compétent.
Si les adjudications mentionnées au premier alinéa, 2°, donnent bien lieu à un droit de vente supérieur à celui qui a été perçu sur la précédente adjudication, l'exonération est limitée au droit de vente qui a été perçu sur cette précédente adjudication.
Le premier alinéa, 2°, est applicable aux adjudications ensuite de surenchère dans le cas où la réserve de surenchère ne constitue pas une condition suspensive.
Pour obtenir l'exonération mentionnée au premier alinéa, 4°, il faut satisfaire aux obligations mentionnées à [6 l'article 3.12.3.0.1, § 1er et § 5, alinéa 6]6.
Si des immeubles sont acquis dans d'autres conditions que celles prévues au premier alinéa, 7°, cette acquisition donne lieu, de quelque manière qu'elle s'opère, au paiement du droit de vente.]1
Änderungen
Art. 2.9.6.0.2. [1 Er wordt een vrijstelling van het verkooprecht verleend voor :
1° de akten die in der minne verleden zijn in naam van of ten voordele van de federale staat, de gemeenschappen, de gewesten, de gemeenschapscommissies, de openbare instellingen van de federale staat, de gemeenschappen of de gewesten;
2° de akten in der minne die betrekking hebben op onroerende goederen die uitsluitend bestemd zijn voor onderwijs, verleden op naam van of ten voordele van de inrichtende machten van het gemeenschapsonderwijs of het gesubsidieerd onderwijs, alsook op naam van of ten voordele van verenigingen zonder winstoogmerk voor patrimoniaal beheer die tot uitsluitend doel hebben onroerende goederen ter beschikking te stellen voor onderwijs dat door de voormelde inrichtende machten wordt verstrekt;
3° [4 ...]4
4° [4 ...]4
5° [4 ...]4
6° de akten die verleden zijn in naam van of ten voordele van de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen;
7° de akten die verleden zijn in naam van of ten voordele van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen;
8° [4 de akten houdende oprichting, wijziging, verlenging of ontbinding van:
a) de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening;
b) de verenigingen of intercommunales, vermeld in de wet van 22 december 1986 betreffende de intercommunales en het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking;
c) de Vlaamse Vervoermaatschappij - De Lijn;
d) de Federale Participatie- en Investeringsmaatschappij en de gewestelijke investeringsmaatschappijen;]4
9° de akten die, bij toepassing van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn [5 , het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn of deel 3, titel 4, van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur]5, de overgave vaststellen van goederen aan [2 ...]2 openbare centra voor maatschappelijk welzijn ofwel de overgave van goederen aan [2 ...]2 [5 verenigingen die op grond van de voormelde wet of de voormelde decreten zijn opgericht]5 [2 ...]2.
Het eerste lid, 1° tot en met 7°, is alleen van toepassing op de akten waarvan de kosten wettelijk ten laste van vermelde entiteiten vallen.
Om de vrijstelling, vermeld in het eerste lid, te verkrijgen, moet voldaan zijn aan de verplichtingen, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1, 4°.]1
1° de akten die in der minne verleden zijn in naam van of ten voordele van de federale staat, de gemeenschappen, de gewesten, de gemeenschapscommissies, de openbare instellingen van de federale staat, de gemeenschappen of de gewesten;
2° de akten in der minne die betrekking hebben op onroerende goederen die uitsluitend bestemd zijn voor onderwijs, verleden op naam van of ten voordele van de inrichtende machten van het gemeenschapsonderwijs of het gesubsidieerd onderwijs, alsook op naam van of ten voordele van verenigingen zonder winstoogmerk voor patrimoniaal beheer die tot uitsluitend doel hebben onroerende goederen ter beschikking te stellen voor onderwijs dat door de voormelde inrichtende machten wordt verstrekt;
3° [4 ...]4
4° [4 ...]4
5° [4 ...]4
6° de akten die verleden zijn in naam van of ten voordele van de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen;
7° de akten die verleden zijn in naam van of ten voordele van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen;
8° [4 de akten houdende oprichting, wijziging, verlenging of ontbinding van:
a) de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening;
b) de verenigingen of intercommunales, vermeld in de wet van 22 december 1986 betreffende de intercommunales en het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking;
c) de Vlaamse Vervoermaatschappij - De Lijn;
d) de Federale Participatie- en Investeringsmaatschappij en de gewestelijke investeringsmaatschappijen;]4
9° de akten die, bij toepassing van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn [5 , het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn of deel 3, titel 4, van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur]5, de overgave vaststellen van goederen aan [2 ...]2 openbare centra voor maatschappelijk welzijn ofwel de overgave van goederen aan [2 ...]2 [5 verenigingen die op grond van de voormelde wet of de voormelde decreten zijn opgericht]5 [2 ...]2.
Het eerste lid, 1° tot en met 7°, is alleen van toepassing op de akten waarvan de kosten wettelijk ten laste van vermelde entiteiten vallen.
Om de vrijstelling, vermeld in het eerste lid, te verkrijgen, moet voldaan zijn aan de verplichtingen, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1, 4°.]1
Änderungen
Art. 2.9.6.0.2. [1 Une exonération du droit de vente est octroyée pour :
1° les actes amiables passés au nom ou en faveur de l'Etat, des communautés, des régions, des institutions publiques de l'Etat fédéral, des commissions communautaires ou des régions ;
2° les actes amiables, relatifs aux biens immobiliers exclusivement affectés à l'enseignement, passés au nom ou en faveur des pouvoirs organisateurs de l'enseignement communautaire ou de l'enseignement subventionné, ainsi qu'au nom ou en faveur des associations sans but lucratif de gestion patrimoniale qui ont pour objet exclusif d'affecter des biens immobiliers à l'enseignement dispensé par les pouvoirs organisateurs précités ;
3° [4 ...]4
4° [4 ...]4
5° [4 ...]4
6° les actes amiables passés au nom ou en faveur de la " Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen " ;
7° Les actes amiables passés au nom ou en faveur de la Société nationale des chemins de fer belges ;
8° [4 les actes portant constitution, modification, prorogation ou dissolution de :
a) la " Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening " (Société flamande de Distribution d'Eau) ;
b) les associations ou intercommunales, visées à la loi du 22 décembre 1986 relative aux intercommunales et au décret du 6 juillet 2001 portant réglementation de la coopération intercommunale ;
c) la " Vlaamse Vervoermaatschappij - De Lijn " (Société flamande des Transports - De Lijn) ;
d) la Société fédérale de Participations et d'Investissement et des sociétés régionales d'investissement ; ]4
9° les actes qui, par application de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'aide sociale [5 , du décret du 19 décembre 2008 relatif à l'organisation des centres publics d'aide sociale ou de la partie 3, titre 4, du décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale]5, constatent la remise [2 ...]2 de biens aux centres publics d'action sociale ou aux [5 associations créées sur la base de la loi précitée ou des décrets précités]5 [2 ...]2.
Le premier alinéa, 1° à 7°, ne s'applique qu'aux actes dont les coûts sont légalement à charge des entités susmentionnées.
Pour obtenir l'exonération mentionnée au premier alinéa, il convient de satisfaire aux obligations mentionnées à l'article 3.12.3.0.1, § 1er, 4°.]1
1° les actes amiables passés au nom ou en faveur de l'Etat, des communautés, des régions, des institutions publiques de l'Etat fédéral, des commissions communautaires ou des régions ;
2° les actes amiables, relatifs aux biens immobiliers exclusivement affectés à l'enseignement, passés au nom ou en faveur des pouvoirs organisateurs de l'enseignement communautaire ou de l'enseignement subventionné, ainsi qu'au nom ou en faveur des associations sans but lucratif de gestion patrimoniale qui ont pour objet exclusif d'affecter des biens immobiliers à l'enseignement dispensé par les pouvoirs organisateurs précités ;
3° [4 ...]4
4° [4 ...]4
5° [4 ...]4
6° les actes amiables passés au nom ou en faveur de la " Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen " ;
7° Les actes amiables passés au nom ou en faveur de la Société nationale des chemins de fer belges ;
8° [4 les actes portant constitution, modification, prorogation ou dissolution de :
a) la " Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening " (Société flamande de Distribution d'Eau) ;
b) les associations ou intercommunales, visées à la loi du 22 décembre 1986 relative aux intercommunales et au décret du 6 juillet 2001 portant réglementation de la coopération intercommunale ;
c) la " Vlaamse Vervoermaatschappij - De Lijn " (Société flamande des Transports - De Lijn) ;
d) la Société fédérale de Participations et d'Investissement et des sociétés régionales d'investissement ; ]4
9° les actes qui, par application de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'aide sociale [5 , du décret du 19 décembre 2008 relatif à l'organisation des centres publics d'aide sociale ou de la partie 3, titre 4, du décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale]5, constatent la remise [2 ...]2 de biens aux centres publics d'action sociale ou aux [5 associations créées sur la base de la loi précitée ou des décrets précités]5 [2 ...]2.
Le premier alinéa, 1° à 7°, ne s'applique qu'aux actes dont les coûts sont légalement à charge des entités susmentionnées.
Pour obtenir l'exonération mentionnée au premier alinéa, il convient de satisfaire aux obligations mentionnées à l'article 3.12.3.0.1, § 1er, 4°.]1
Änderungen
Art. 2.9.6.0.3. [1 Er wordt een vrijstelling van het verkooprecht verleend voor:
1° de overdrachten in der minne van onroerende goederen ten algemenen nutte, aan de federale staat, de gemeenschappen, de gewesten, de gemeenschapscommissies, de provincies, de gemeenten, de openbare instellingen en aan alle andere tot onteigening gerechtigde organen of personen;
2° de akten voor de wederafstand na onteigening ten algemenen nutte in de gevallen waarin die bij de wet of het decreet toegelaten is;
3° de akten houdende verkrijging door vreemde staten van onroerende goederen die bestemd zijn tot vestiging van hun diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in België, of voor de woning van het hoofd van de standplaats;
4° de overeenkomsten tot overdracht van onroerende goederen, vermeld in artikel 2.9.3.0.1, als de overdracht plaatsvindt met het oog op de realisatie van een brownfieldproject dat het voorwerp uitmaakt of zal uitmaken van een brownfieldconvenant als vermeld in het decreet van 30 maart 2007 betreffende de Brownfieldconvenanten;
5° de akten, vonnissen en arresten voor de ruil, de ruilverkaveling of de herverkaveling, of voor het vestigen van een erfdienstbaarheid, ter uitvoering van een wet of een decreet.
De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 3°, is ondergeschikt aan de voorwaarde dat wederkerigheid aan de Belgische Staat toegekend wordt.
De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 4°, wordt alleen verleend als bij de aan de formaliteit van de registratie onderworpen akte of verklaring over de overeenkomst een attest is gevoegd waarin wordt bevestigd dat de overdracht plaatsvindt met het oog op de realisatie van een brownfieldproject dat het voorwerp uitmaakt of zal uitmaken van een brownfieldconvenant, en dat de onroerende goederen waarvoor de vrijstelling wordt gevraagd, deel uitmaken van dat brownfieldproject. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de vormgeving van dat attest.
Als de overeenkomst, vermeld in het eerste lid, 4°, ook andere onroerende goederen omvat dan de onroerende goederen, vermeld in het eerste lid, en als de overdracht gedaan wordt voor een gezamenlijke prijs, wordt de verkoopwaarde van elk van de onderscheiden categorieën van onroerende goederen opgegeven in een aanvullende verklaring als vermeld in artikel 3.13.1.2.1.
Het verkooprecht is alsnog verschuldigd door de verkrijger van de onroerende goederen, vermeld in het eerste lid, 4°, als de Vlaamse Regering beslist tot stopzetting van de onderhandelingen als vermeld in artikel 8, § 3, eerste lid, van het decreet van 30 maart 2007 betreffende de Brownfieldconvenanten, of als het brownfieldproject niet tijdig wordt gestart of gerealiseerd conform de voorwaarden, vermeld in het brownfieldconvenant. Het verkooprecht wordt opeisbaar vanaf de kennisgeving aan het bevoegde personeelslid dat de voorwaarden voor het behoud van de vrijstelling niet langer vervuld zijn. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor die kennisgeving.]1
1° de overdrachten in der minne van onroerende goederen ten algemenen nutte, aan de federale staat, de gemeenschappen, de gewesten, de gemeenschapscommissies, de provincies, de gemeenten, de openbare instellingen en aan alle andere tot onteigening gerechtigde organen of personen;
2° de akten voor de wederafstand na onteigening ten algemenen nutte in de gevallen waarin die bij de wet of het decreet toegelaten is;
3° de akten houdende verkrijging door vreemde staten van onroerende goederen die bestemd zijn tot vestiging van hun diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in België, of voor de woning van het hoofd van de standplaats;
4° de overeenkomsten tot overdracht van onroerende goederen, vermeld in artikel 2.9.3.0.1, als de overdracht plaatsvindt met het oog op de realisatie van een brownfieldproject dat het voorwerp uitmaakt of zal uitmaken van een brownfieldconvenant als vermeld in het decreet van 30 maart 2007 betreffende de Brownfieldconvenanten;
5° de akten, vonnissen en arresten voor de ruil, de ruilverkaveling of de herverkaveling, of voor het vestigen van een erfdienstbaarheid, ter uitvoering van een wet of een decreet.
De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 3°, is ondergeschikt aan de voorwaarde dat wederkerigheid aan de Belgische Staat toegekend wordt.
De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 4°, wordt alleen verleend als bij de aan de formaliteit van de registratie onderworpen akte of verklaring over de overeenkomst een attest is gevoegd waarin wordt bevestigd dat de overdracht plaatsvindt met het oog op de realisatie van een brownfieldproject dat het voorwerp uitmaakt of zal uitmaken van een brownfieldconvenant, en dat de onroerende goederen waarvoor de vrijstelling wordt gevraagd, deel uitmaken van dat brownfieldproject. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de vormgeving van dat attest.
Als de overeenkomst, vermeld in het eerste lid, 4°, ook andere onroerende goederen omvat dan de onroerende goederen, vermeld in het eerste lid, en als de overdracht gedaan wordt voor een gezamenlijke prijs, wordt de verkoopwaarde van elk van de onderscheiden categorieën van onroerende goederen opgegeven in een aanvullende verklaring als vermeld in artikel 3.13.1.2.1.
Het verkooprecht is alsnog verschuldigd door de verkrijger van de onroerende goederen, vermeld in het eerste lid, 4°, als de Vlaamse Regering beslist tot stopzetting van de onderhandelingen als vermeld in artikel 8, § 3, eerste lid, van het decreet van 30 maart 2007 betreffende de Brownfieldconvenanten, of als het brownfieldproject niet tijdig wordt gestart of gerealiseerd conform de voorwaarden, vermeld in het brownfieldconvenant. Het verkooprecht wordt opeisbaar vanaf de kennisgeving aan het bevoegde personeelslid dat de voorwaarden voor het behoud van de vrijstelling niet langer vervuld zijn. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor die kennisgeving.]1
Art. 2.9.6.0.3. [1 Une exonération du droit de vente est accordée pour :
1° les cessions amiables d'immeubles pour cause d'utilité publique en faveur de l'Etat fédéral, des communautés, des régions, des commissions communautaires, des provinces, des communes, des institutions publiques et de tous autres organismes ou personnes ayant le droit d'exproprier ;
2° les actes relatifs à la rétrocession après expropriation pour cause d'utilité publique dans les cas où la rétrocession est autorisée en vertu de la loi ou du décret ;
3° les actes portant acquisition par des Etats étrangers d'immeubles destinés à l'installation de leur représentation diplomatique ou consulaire en Belgique ou à l'habitation du chef de poste ;
4° les conventions translatives ou déclaratives de biens immeubles, telles que visées à l'article 2.9.3.0.1, pour autant que la cession ait lieu en vue de la réalisation d'un projet Brownfield qui fait ou qui fera l'objet d'une convention Brownfield mentionnée dans le décret du 30 mars 2007 relatif aux conventions Brownfield ;
5° les actes, jugements et arrêts pour l'échange, le remembrement ou le relotissement, ou pour l'établissement d'une servitude, en exécution d'une loi ou d'un décret.
L'exonération visée à l'alinéa 1er, 3°, est subordonnée à la condition que la réciprocité soit accordée à l'Etat belge.
L'exonération visée à l'alinéa 1er, 4°, ne sera accordée qu'à condition de joindre à l'acte ou à la déclaration concernant la convention, soumis à la formalité d'enregistrement, une attestation confirmant que la cession a lieu en vue de la réalisation d'un projet Brownfield qui fait ou qui fera l'objet d'une convention Brownfield et que les biens immeubles pour lesquels l'exonération est demandée font partie de ce projet Brownfield. Le Gouvernement flamand arrête les modalités relatives à la forme de cette attestation.
Lorsque la convention, visée à l'alinéa 1er, 4°, porte également sur d'autres biens immeubles que ceux visés à l'alinéa 1er, et si la cession a lieu pour un prix global, la valeur vénale de chacune des catégories distinctes de biens immeubles doit être indiquée dans une déclaration complémentaire telle que visée à l'article 3.13.1.2.1.
Le droit de vente devient payable par l'acquéreur des biens immobiliers, visés à l'alinéa premier, 4°, lorsque le Gouvernement flamand décide d'interrompre les négociations visées à l'article 8, § 3, alinéa 1er, du décret du 30 mars 2007 relatif aux conventions Brownfield, ou lorsque le projet Brownfield n'est pas entamé à temps ou réalisé conformément aux conditions reprises dans la convention Brownfield. Le droit de vente devient exigible à compter de la notification au membre du personnel autorisé du fait que les conditions pour le maintien de l'exonération ne sont plus remplies. Le Gouvernement flamand arrête les modalités pour cette notification.]1
1° les cessions amiables d'immeubles pour cause d'utilité publique en faveur de l'Etat fédéral, des communautés, des régions, des commissions communautaires, des provinces, des communes, des institutions publiques et de tous autres organismes ou personnes ayant le droit d'exproprier ;
2° les actes relatifs à la rétrocession après expropriation pour cause d'utilité publique dans les cas où la rétrocession est autorisée en vertu de la loi ou du décret ;
3° les actes portant acquisition par des Etats étrangers d'immeubles destinés à l'installation de leur représentation diplomatique ou consulaire en Belgique ou à l'habitation du chef de poste ;
4° les conventions translatives ou déclaratives de biens immeubles, telles que visées à l'article 2.9.3.0.1, pour autant que la cession ait lieu en vue de la réalisation d'un projet Brownfield qui fait ou qui fera l'objet d'une convention Brownfield mentionnée dans le décret du 30 mars 2007 relatif aux conventions Brownfield ;
5° les actes, jugements et arrêts pour l'échange, le remembrement ou le relotissement, ou pour l'établissement d'une servitude, en exécution d'une loi ou d'un décret.
L'exonération visée à l'alinéa 1er, 3°, est subordonnée à la condition que la réciprocité soit accordée à l'Etat belge.
L'exonération visée à l'alinéa 1er, 4°, ne sera accordée qu'à condition de joindre à l'acte ou à la déclaration concernant la convention, soumis à la formalité d'enregistrement, une attestation confirmant que la cession a lieu en vue de la réalisation d'un projet Brownfield qui fait ou qui fera l'objet d'une convention Brownfield et que les biens immeubles pour lesquels l'exonération est demandée font partie de ce projet Brownfield. Le Gouvernement flamand arrête les modalités relatives à la forme de cette attestation.
Lorsque la convention, visée à l'alinéa 1er, 4°, porte également sur d'autres biens immeubles que ceux visés à l'alinéa 1er, et si la cession a lieu pour un prix global, la valeur vénale de chacune des catégories distinctes de biens immeubles doit être indiquée dans une déclaration complémentaire telle que visée à l'article 3.13.1.2.1.
Le droit de vente devient payable par l'acquéreur des biens immobiliers, visés à l'alinéa premier, 4°, lorsque le Gouvernement flamand décide d'interrompre les négociations visées à l'article 8, § 3, alinéa 1er, du décret du 30 mars 2007 relatif aux conventions Brownfield, ou lorsque le projet Brownfield n'est pas entamé à temps ou réalisé conformément aux conditions reprises dans la convention Brownfield. Le droit de vente devient exigible à compter de la notification au membre du personnel autorisé du fait que les conditions pour le maintien de l'exonération ne sont plus remplies. Le Gouvernement flamand arrête les modalités pour cette notification.]1
Art. 2.9.6.0.4. [1 Er wordt een vrijstelling van het verkooprecht verleend voor de ruilovereenkomsten van onbebouwde landeigendommen [2 waarvan de oppervlakte van elk van de kavels niet meer bedraagt dan vijf hectare]2, op voorwaarde dat er tussen elk van de kavels geen waardeverschil of opleg is.]1
Art. 2.9.6.0.4. [1 Une exonération du droit de vente est accordée dans le cas de conventions d'échange de bien ruraux non bâtis [2 dont la superficie de chacun des lots n'excède pas cinq hectares]2, à condition qu'il n'y ait aucune différence de valeur ou soulte entre chacun des lots.]1
Art. 2.9.6.0.5. [1 In afwijking van artikel 2.9.1.0.3 wordt een vrijstelling van het verkooprecht verleend voor :
1° de omvorming van een vennootschap met rechtspersoonlijkheid in een vennootschap van een verschillende soort en de omzetting van een vereniging zonder winstoogmerk in een [2 coöperatieve vennootschap erkend als sociale onderneming]2. Dit punt is ook van toepassing als de omvorming plaatsvindt via een vereffening, gevolgd door de oprichting van een nieuwe vennootschap, als in die oprichting voorzien wordt in de akte van invereffeningstelling en als ze binnen vijftien dagen na de akte plaatsvindt;
2° de overbrenging van de zetel van de werkelijke leiding of van de [3 ...]3 zetel van een vennootschap, als die overbrenging gebeurt uit het grondgebied van een staat van de Europese Economische Ruimte of als het een overbrenging naar België betreft van de zetel van de werkelijke leiding van een vennootschap waarvan de [3 ...]3 zetel zich al op het grondgebied van de vermelde gemeenschap bevindt. Dit punt is alleen van toepassing als het vaststaat dat de vennootschap behoort tot de soort van vennootschappen die onderworpen zijn aan een belasting op het bijeenbrengen van kapitaal in het land dat in aanmerking komt voor het voordeel van de vrijstelling.
[3 In alle gevallen, vermeld in het eerste lid, is het verkooprecht verschuldigd op de inbrengen van nieuwe goederen conform artikel 2.9.1.0.1 of 2.9.1.0.3.]3]1
1° de omvorming van een vennootschap met rechtspersoonlijkheid in een vennootschap van een verschillende soort en de omzetting van een vereniging zonder winstoogmerk in een [2 coöperatieve vennootschap erkend als sociale onderneming]2. Dit punt is ook van toepassing als de omvorming plaatsvindt via een vereffening, gevolgd door de oprichting van een nieuwe vennootschap, als in die oprichting voorzien wordt in de akte van invereffeningstelling en als ze binnen vijftien dagen na de akte plaatsvindt;
2° de overbrenging van de zetel van de werkelijke leiding of van de [3 ...]3 zetel van een vennootschap, als die overbrenging gebeurt uit het grondgebied van een staat van de Europese Economische Ruimte of als het een overbrenging naar België betreft van de zetel van de werkelijke leiding van een vennootschap waarvan de [3 ...]3 zetel zich al op het grondgebied van de vermelde gemeenschap bevindt. Dit punt is alleen van toepassing als het vaststaat dat de vennootschap behoort tot de soort van vennootschappen die onderworpen zijn aan een belasting op het bijeenbrengen van kapitaal in het land dat in aanmerking komt voor het voordeel van de vrijstelling.
[3 In alle gevallen, vermeld in het eerste lid, is het verkooprecht verschuldigd op de inbrengen van nieuwe goederen conform artikel 2.9.1.0.1 of 2.9.1.0.3.]3]1
Art. 2.9.6.0.5. [1 Par dérogation à l'article 2.9.1.0.3, une exonération du droit de vente est accordée pour :
1° la conversion d'une société possédant la personnalité morale en une société d'un différent type et la conversion d'une association sans but lucratif [2 en une société coopérative reconnue comme société à finalité sociale]2. Ce point s'applique également si la conversion a lieu par le biais d'une liquidation, suivie de la constitution d'une nouvelle société, si cette constitution est prévue dans l'acte de mise en liquidation et si elle a lieu dans les quinze jours suivant l'acte ;
2° le transfert du siège de la direction effective ou du siège [3 ...]3 d'une société si ce transfert a lieu à partir du territoire d'un état de l'Espace économique européen ou s'il s'agit d'un transfert vers la Belgique du siège de la direction effective d'une société dont le siège [3 ...]3 se situe déjà sur le territoire de la communauté mentionnée. Ce point s'applique uniquement s'il est établi que la société appartient au type de sociétés qui sont soumises à un impôt sur le rassemblement de capital dans le pays qui entre en considération pour l'avantage de l'exonération.
[3 Dans tous les cas, visés à l'alinéa 1er, le droit de vente est dû sur les apports de nouveaux biens conformément à l'article 2.9.1.0.1 ou l'article 2.9.1.0.3]3]1
1° la conversion d'une société possédant la personnalité morale en une société d'un différent type et la conversion d'une association sans but lucratif [2 en une société coopérative reconnue comme société à finalité sociale]2. Ce point s'applique également si la conversion a lieu par le biais d'une liquidation, suivie de la constitution d'une nouvelle société, si cette constitution est prévue dans l'acte de mise en liquidation et si elle a lieu dans les quinze jours suivant l'acte ;
2° le transfert du siège de la direction effective ou du siège [3 ...]3 d'une société si ce transfert a lieu à partir du territoire d'un état de l'Espace économique européen ou s'il s'agit d'un transfert vers la Belgique du siège de la direction effective d'une société dont le siège [3 ...]3 se situe déjà sur le territoire de la communauté mentionnée. Ce point s'applique uniquement s'il est établi que la société appartient au type de sociétés qui sont soumises à un impôt sur le rassemblement de capital dans le pays qui entre en considération pour l'avantage de l'exonération.
[3 Dans tous les cas, visés à l'alinéa 1er, le droit de vente est dû sur les apports de nouveaux biens conformément à l'article 2.9.1.0.1 ou l'article 2.9.1.0.3]3]1
Art. 2.9.6.0.6. [1 Er wordt een vrijstelling van het verkooprecht verleend voor vonnissen en arresten houdende vernietiging, ontbinding of herroeping van een overeenkomst als vermeld in artikel 2.9.1.0.1, waarbij eigendom of vruchtgebruik wordt overgedragen van onroerende goederen die in België liggen.
Als de vernietiging, ontbinding of herroeping, vermeld in het eerste lid, uitgesproken is ten voordele van een andere persoon dan een van de partijen bij de overeenkomst, haar erfgenamen of legatarissen worden, al naargelang het geval, de rechten, vermeld in hoofdstuk 8 tot en met 11, geheven die verschuldigd geweest zouden zijn als de vernietiging, de ontbinding of de herroeping het voorwerp van een minnelijke akte had uitgemaakt.]1
Als de vernietiging, ontbinding of herroeping, vermeld in het eerste lid, uitgesproken is ten voordele van een andere persoon dan een van de partijen bij de overeenkomst, haar erfgenamen of legatarissen worden, al naargelang het geval, de rechten, vermeld in hoofdstuk 8 tot en met 11, geheven die verschuldigd geweest zouden zijn als de vernietiging, de ontbinding of de herroeping het voorwerp van een minnelijke akte had uitgemaakt.]1
Art. 2.9.6.0.6. [1 Une exonération du droit de vente est accordée pour des jugements et arrêts portant annulation, résolution ou révocation d'une convention telle que visée à l'article 2.9.1.0.1, en vertu de laquelle la propriété ou l'usufruit d'immeubles situés en Belgique sont cédés.
Si l'annulation, la résolution ou la révocation, visée à l'alinéa premier, est prononcée en faveur d'une personne autre qu'une des parties au contrat, ses héritiers ou légataires, en fonction du cas, les droits, mentionnés aux chapitres 8 à 11 inclus, qui auraient été dus si l'annulation, la résolution ou la révocation avait fait l'objet d'un acte à l'amiable sont levés.]1
Si l'annulation, la résolution ou la révocation, visée à l'alinéa premier, est prononcée en faveur d'une personne autre qu'une des parties au contrat, ses héritiers ou légataires, en fonction du cas, les droits, mentionnés aux chapitres 8 à 11 inclus, qui auraient été dus si l'annulation, la résolution ou la révocation avait fait l'objet d'un acte à l'amiable sont levés.]1
Art. 2.9.6.0.7. [1 § 1. De waarde van de onbebouwde onroerende goederen waarvoor een natuurbeheerplan type vier als vermeld in artikel 16ter, § 1, 4°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, is goedgekeurd conform artikel 16octies van het voormelde decreet, wordt volledig van het verkooprecht vrijgesteld. De vrijstelling geldt zowel voor de grond- als voor de opstandswaarde.
§ 2. De vrijstelling, vermeld in paragraaf 1, is ook van toepassing als nog geen natuurbeheerplan is gesloten, als het onroerend goed wordt gekocht met het oog op het tot stand brengen van een natuurbeheerplan type vier als vermeld in artikel 16ter, § 1, 4°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.
De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, wordt verleend op voorwaarde dat uiterlijk bij de aanbieding ter registratie van de authentieke koopakte een overeenkomst is gesloten met het Agentschap voor Natuur en Bos waaruit de intentie blijkt om een natuurbeheerplan voor het onroerend goed te laten goedkeuren.
§ 3. Voor de toepassing van dit artikel moet voldaan zijn aan de verplichtingen [2 , vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1 en § 5, negende en tiende lid]2.]1
§ 2. De vrijstelling, vermeld in paragraaf 1, is ook van toepassing als nog geen natuurbeheerplan is gesloten, als het onroerend goed wordt gekocht met het oog op het tot stand brengen van een natuurbeheerplan type vier als vermeld in artikel 16ter, § 1, 4°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.
De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, wordt verleend op voorwaarde dat uiterlijk bij de aanbieding ter registratie van de authentieke koopakte een overeenkomst is gesloten met het Agentschap voor Natuur en Bos waaruit de intentie blijkt om een natuurbeheerplan voor het onroerend goed te laten goedkeuren.
§ 3. Voor de toepassing van dit artikel moet voldaan zijn aan de verplichtingen [2 , vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1 en § 5, negende en tiende lid]2.]1
Art. 2.9.6.0.7. [1 § 1er. La valeur des biens immobiliers non bâtis pour lesquels un plan de gestion de la nature type quatre tel que visé à l'article 16ter, § 1er, 4°, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel a été approuvé conformément à l'article 16octies du décret précité, est entièrement exemptée du droit de vente. L'exemption s'applique tant pour la valeur du terrain que pour celle des peuplements.
§ 2. L'exemption visée au paragraphe 1er, s'applique également lorsqu'aucun plan de gestion de la nature n'a été conclu, lorsque le bien immobilier fait l'objet d'une acquisition en vue de la réalisation d'un plan de gestion de la nature tel que visé à l'article 16ter, § 1er, 4° du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel.
L'exemption visée à l'alinéa premier est octroyée à condition qu'au plus tard lors de la présentation à l'enregistrement de l'acte de vente authentique, une convention est conclue avec l' " Agentschap voor Natuur en Bos ", qui démontre l'intention de faire approuver un plan de gestion de la nature pour le bien immobilier.
§ 3. Pour l'application du présent article les obligations [2 , visées à l'article 3.12.3.0.1, § 1er, et § 5, alinéas 9 et 10]2 doivent être remplies.]1
§ 2. L'exemption visée au paragraphe 1er, s'applique également lorsqu'aucun plan de gestion de la nature n'a été conclu, lorsque le bien immobilier fait l'objet d'une acquisition en vue de la réalisation d'un plan de gestion de la nature tel que visé à l'article 16ter, § 1er, 4° du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel.
L'exemption visée à l'alinéa premier est octroyée à condition qu'au plus tard lors de la présentation à l'enregistrement de l'acte de vente authentique, une convention est conclue avec l' " Agentschap voor Natuur en Bos ", qui démontre l'intention de faire approuver un plan de gestion de la nature pour le bien immobilier.
§ 3. Pour l'application du présent article les obligations [2 , visées à l'article 3.12.3.0.1, § 1er, et § 5, alinéas 9 et 10]2 doivent être remplies.]1
Afdeling 7. - [1 Wijze van heffing]1
Section 7. - [1 Mode de perception]1
Art. 2.9.7.0.1. [1 Het verkooprecht wordt geheven in overeenstemming met de bepalingen van artikel 3.3.2.0.1, 9°, en artikel 3.3.3.0.1, § 4/2.]1
Art. 2.9.7.0.1. [1 Le droit de vente est levé conformément aux dispositions des articles 3.3.2.0.1, 9° et 3.3.3.0.1, § 4 /2.]1
Art. 2.9.7.0.2. [1 Voor ruilovereenkomsten wordt het verkooprecht gevestigd op basis van het bedrag van de overeengekomen waarde van het onroerend goed waarop de ruilovereenkomst betrekking heeft, dat aanleiding geeft tot heffing van het hoogste recht.
Bij ruilovereenkomsten van onbebouwde landeigendommen, waarbij er ongelijkheid van kavels is en [2 waarbij de oppervlakte van elk van de kavels niet meer bedraagt dan vijf hectare]2, wordt in afwijking van het eerste lid het verkooprecht geheven op het waardeverschil of de opleg als die opleg groter is dan dat verschil.]1
Bij ruilovereenkomsten van onbebouwde landeigendommen, waarbij er ongelijkheid van kavels is en [2 waarbij de oppervlakte van elk van de kavels niet meer bedraagt dan vijf hectare]2, wordt in afwijking van het eerste lid het verkooprecht geheven op het waardeverschil of de opleg als die opleg groter is dan dat verschil.]1
Art. 2.9.7.0.2. [1 Dans le cas de conventions d'échange, le droit de vente est fixé sur la base du montant de la valeur convenue de l'immeuble auquel le contrat d'échange a trait et qui donne lieu à la perception du droit le plus élevé.
Dans le cas de conventions d'échange de biens ruraux, lorsqu'il est question d'inégalité des lots et que [2 la superficie de chacun des lots n'excède pas cinq hectares]2, par dérogation à l'alinéa premier, le droit de vente est levé sur la différence de valeur ou la soulte dans la mesure où cette soulte est supérieure à cette différence.]1
Dans le cas de conventions d'échange de biens ruraux, lorsqu'il est question d'inégalité des lots et que [2 la superficie de chacun des lots n'excède pas cinq hectares]2, par dérogation à l'alinéa premier, le droit de vente est levé sur la différence de valeur ou la soulte dans la mesure où cette soulte est supérieure à cette différence.]1
Art. 2.9.7.0.3. [1 § 1. De belastingplicht, de belastbare grondslag, het tarief, de vrijstellingen en de verminderingen worden bepaald door het ogenblik waarop de rechtshandeling is gesteld.
In afwijking van het eerste lid worden, als er geen verplichting tot registratie geldt, de belastingplicht, de belastbare grondslag en het tarief bepaald door het ogenblik waarop de akte of het geschrift ter registratie wordt aangeboden.
§ 2. Op een rechtshandeling die onderworpen is aan een opschortende voorwaarde, wordt het verkooprecht alleen geheven als de voorwaarde is vervuld. In voorkomend geval wordt gehandeld als volgt :
1° het toepasbare tarief waarmee voor de heffing rekening moet worden gehouden, is het tarief dat van kracht is op de datum waarop het verkooprecht verworven geweest zou zijn als de handeling onvoorwaardelijk was geweest;
2° de belastbare grondslag waarmee voor de heffing rekening moet worden gehouden, is de belastbare grondslag op de datum van de vervulling van de voorwaarde.
De rechtshandeling die door een rechtspersoon wordt verricht en die aan machtiging, goedkeuring of bekrachtiging van een overheid onderworpen is, wordt voor de toepassing van het eerste lid gelijkgesteld met een rechtshandeling die aan een opschortende voorwaarde onderworpen is.]1
In afwijking van het eerste lid worden, als er geen verplichting tot registratie geldt, de belastingplicht, de belastbare grondslag en het tarief bepaald door het ogenblik waarop de akte of het geschrift ter registratie wordt aangeboden.
§ 2. Op een rechtshandeling die onderworpen is aan een opschortende voorwaarde, wordt het verkooprecht alleen geheven als de voorwaarde is vervuld. In voorkomend geval wordt gehandeld als volgt :
1° het toepasbare tarief waarmee voor de heffing rekening moet worden gehouden, is het tarief dat van kracht is op de datum waarop het verkooprecht verworven geweest zou zijn als de handeling onvoorwaardelijk was geweest;
2° de belastbare grondslag waarmee voor de heffing rekening moet worden gehouden, is de belastbare grondslag op de datum van de vervulling van de voorwaarde.
De rechtshandeling die door een rechtspersoon wordt verricht en die aan machtiging, goedkeuring of bekrachtiging van een overheid onderworpen is, wordt voor de toepassing van het eerste lid gelijkgesteld met een rechtshandeling die aan een opschortende voorwaarde onderworpen is.]1
Art. 2.9.7.0.3. [1 § 1er. L'obligation fiscale, la base imposable, le tarif, les exonérations et les réductions sont fixés par le moment où l'acte juridique a été posé.
Par dérogation à l'alinéa premier, si aucune obligation d'enregistrement ne s'applique, l'obligation fiscale, la base imposable et le tarif sont fixés par le moment où l'acte ou l'écrit sont présentés pour enregistrement.
§ 2. Le droit de vente sur un acte juridique soumis à une condition suspensive n'est levé que si la condition est remplie. Le cas échéant, il est procédé comme suit :
1° le tarif applicable dont il faut tenir compte pour la perception est le tarif qui est en vigueur à la date à laquelle le droit de vente aurait été acquis si l'acte avait été inconditionnel ;
2° la base imposable dont il faut tenir compte pour la perception est la base imposable à la date où la condition est remplie.
L'acte juridique posé par une personne morale et qui est soumis à l'autorisation, à l'approbation ou à la ratification d'une autorité est, pour l'application de l'alinéa premier, assimilé à un acte juridique soumis à une condition suspensive.]1
Par dérogation à l'alinéa premier, si aucune obligation d'enregistrement ne s'applique, l'obligation fiscale, la base imposable et le tarif sont fixés par le moment où l'acte ou l'écrit sont présentés pour enregistrement.
§ 2. Le droit de vente sur un acte juridique soumis à une condition suspensive n'est levé que si la condition est remplie. Le cas échéant, il est procédé comme suit :
1° le tarif applicable dont il faut tenir compte pour la perception est le tarif qui est en vigueur à la date à laquelle le droit de vente aurait été acquis si l'acte avait été inconditionnel ;
2° la base imposable dont il faut tenir compte pour la perception est la base imposable à la date où la condition est remplie.
L'acte juridique posé par une personne morale et qui est soumis à l'autorisation, à l'approbation ou à la ratification d'une autorité est, pour l'application de l'alinéa premier, assimilé à un acte juridique soumis à une condition suspensive.]1
Art. 2.9.7.0.4. [1 In geval van een handelszaak wordt het verkooprecht vastgesteld volgens de aard van elk goed dat er deel van uitmaakt.]1
Art. 2.9.7.0.4. [1 Dans le cas d'un fonds de commerce, le droit de vente est fixé selon la nature de chaque bien qui en fait partie.]1
Art. 2.9.7.0.5. [1 Voor de toepassing van artikel 115bis van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten [2 , en titel 2, hoofdstuk 9 van deze Codex]2 moet de aanwending of de bestemming van een onroerend goed worden nagegaan per kadastraal perceel of per gedeelte van kadastraal perceel als dat gedeelte ofwel een afzonderlijke huisvesting is, ofwel een afdeling van de productie of van de werkzaamheden die, of een onderdeel daarvan dat, afzonderlijk kan werken, ofwel een eenheid die van de andere goederen of delen die het perceel vormen, kan worden afgezonderd.]1
Art. 2.9.7.0.5. [1 Pour l'application de l'article 115bis du Code fédéral des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe [2 , et du titre 2, chapitre 9 du présent Code]2, l'affectation ou la destination d'un immeuble doit s'apprécier par parcelle cadastrale ou par partie de parcelle cadastrale lorsqu'une telle partie forme soit un logement séparé, soit un département ou une division de production ou d'activités susceptibles de fonctionner séparément, soit une unité dissociable des autres biens ou parties formant la parcelle.]1
Hoofdstuk 10. - [1 Verdeelrecht]1
Chapitre 10. [1 Droit de partage]1
Afdeling 1. - [1 Belastbaar voorwerp]1
Section 1re. - [1 Objet imposable ]1
Art. 2.10.1.0.1. [1 Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt het verdeelrecht gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die als titel gelden van een overeenkomst houdende :
1° gedeeltelijke of gehele verdelingen van onroerende goederen;
2° afstanden onder bezwarende titel, onder mede-eigenaars, van onverdeelde delen in onroerende goederen;
3° omzetting als vermeld in [2 artikel 4.61 en 4.62]2 van het Burgerlijk Wetboek, zelfs als er geen onverdeeldheid is.]1
1° gedeeltelijke of gehele verdelingen van onroerende goederen;
2° afstanden onder bezwarende titel, onder mede-eigenaars, van onverdeelde delen in onroerende goederen;
3° omzetting als vermeld in [2 artikel 4.61 en 4.62]2 van het Burgerlijk Wetboek, zelfs als er geen onverdeeldheid is.]1
Art. 2.10.1.0.1. [1 Conformément aux articles 1er, 19 et 31 du Code fédéral des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, le droit de partage est fixé des suites de l'enregistrement ou de l'obligation d'enregistrement d'actes ou d'écrits qui valent comme titre d'un contrat portant sur :
1° des partages partiels ou totaux de biens immeubles ;
2° des cessions à titre onéreux, entre copropriétaires, de parts indivises dans des biens immeubles ;
3° une conversion prévue aux [2 articles 4.31 et 4.62]2 du Code civil même s'il n'y a pas indivision.]1
1° des partages partiels ou totaux de biens immeubles ;
2° des cessions à titre onéreux, entre copropriétaires, de parts indivises dans des biens immeubles ;
3° une conversion prévue aux [2 articles 4.31 et 4.62]2 du Code civil même s'il n'y a pas indivision.]1
Art. 2.10.1.0.2. [1 § 1. Vonnissen en arresten die tot bewijs strekken van een overeenkomst waarop de bepalingen van deze afdeling van toepassing zijn, maar die nog niet aan het verdeelrecht onderworpen is, geven aanleiding tot de heffing van het verdeelrecht.
Dat geldt ook als de rechterlijke beslissing die tot bewijs van de overeenkomst strekt, de ontbinding of herroeping ervan uitspreekt of vaststelt voor om het even welke reden, tenzij uit de beslissing blijkt dat ten hoogste één jaar na de overeenkomst een eis tot ontbinding of herroeping, zelfs bij een onbevoegde rechter, is ingesteld.
§ 2. Exequaturs van scheidsrechterlijke uitspraken en in het buitenland gewezen rechterlijke beslissingen worden, voor de toepassing van dit hoofdstuk, als een geheel met de desbetreffende akte beschouwd. Als de desbetreffende akte tot bewijs strekt van een overeenkomst als vermeld in artikel 2.10.1.0.1, houdende aanwijzing onder bezwarende titel van eigendom of vruchtgebruik van onroerende goederen die in het Vlaamse Gewest te lokaliseren zijn, die niet aan het verdeelrecht onderworpen is, geeft ze aanleiding tot de heffing van het verdeelrecht en eventueel tot de boete waaraan de overeenkomst onderworpen zou zijn als ze in een akte houdende verdeling zou zijn vastgesteld.
Dat geldt ook als de scheidsrechterlijke uitspraak of in het buitenland gewezen rechterlijke beslissing die tot bewijs van de overeenkomst strekt, de ontbinding of herroeping ervan uitspreekt of vaststelt voor om het even welke reden, tenzij uit de beslissing blijkt dat ten hoogste één jaar na de overeenkomst een eis tot ontbinding of herroeping, zelfs bij een onbevoegde rechter, is ingesteld.
Het verdeelrecht is ook van toepassing in geval van aanbieding ter registratie van een in het buitenland gewezen rechterlijke beslissing die van rechtswege in België uitvoerbaar is.]1
Dat geldt ook als de rechterlijke beslissing die tot bewijs van de overeenkomst strekt, de ontbinding of herroeping ervan uitspreekt of vaststelt voor om het even welke reden, tenzij uit de beslissing blijkt dat ten hoogste één jaar na de overeenkomst een eis tot ontbinding of herroeping, zelfs bij een onbevoegde rechter, is ingesteld.
§ 2. Exequaturs van scheidsrechterlijke uitspraken en in het buitenland gewezen rechterlijke beslissingen worden, voor de toepassing van dit hoofdstuk, als een geheel met de desbetreffende akte beschouwd. Als de desbetreffende akte tot bewijs strekt van een overeenkomst als vermeld in artikel 2.10.1.0.1, houdende aanwijzing onder bezwarende titel van eigendom of vruchtgebruik van onroerende goederen die in het Vlaamse Gewest te lokaliseren zijn, die niet aan het verdeelrecht onderworpen is, geeft ze aanleiding tot de heffing van het verdeelrecht en eventueel tot de boete waaraan de overeenkomst onderworpen zou zijn als ze in een akte houdende verdeling zou zijn vastgesteld.
Dat geldt ook als de scheidsrechterlijke uitspraak of in het buitenland gewezen rechterlijke beslissing die tot bewijs van de overeenkomst strekt, de ontbinding of herroeping ervan uitspreekt of vaststelt voor om het even welke reden, tenzij uit de beslissing blijkt dat ten hoogste één jaar na de overeenkomst een eis tot ontbinding of herroeping, zelfs bij een onbevoegde rechter, is ingesteld.
Het verdeelrecht is ook van toepassing in geval van aanbieding ter registratie van een in het buitenland gewezen rechterlijke beslissing die van rechtswege in België uitvoerbaar is.]1
Art. 2.10.1.0.2. [1 § 1er. Les jugements et arrêts faisant titre d'une convention à laquelle les dispositions de la présente section s'appliquent, mais qui n'a pas encore été soumise au droit de partage, donnent lieu à la perception du droit de partage.
Il en est également ainsi, même si la décision judiciaire faisant titre de la convention prononce la résolution ou la révocation de celle-ci pour quelque cause que ce soit, à moins qu'il ne résulte de la décision que la convention n'est pas antérieure de plus d'un an à une demande en résolution ou en révocation, même si elle a été introduite devant un juge incompétent.
§ 2. Les exequatur de sentences arbitrales et ceux de décisions judiciaires rendues en pays étranger sont considérés, pour l'application du présent chapitre, comme formant un tout avec l'acte auquel ils se rapportent. Si l'acte en question fait titre d'une convention telle que visée à l'article 2.10.1.0.1, portant désignation à titre onéreux de la propriété ou de l'usufruit d'immeubles à localiser en Région flamande, qui ne sont pas soumis au droit de partage, il donne lieu à la perception du droit de partage et, éventuellement, à l'amende à laquelle la convention serait soumise si elle avait été établie dans un acte portant partage.
Il en également ainsi si la sentence arbitrale ou la décision judiciaire rendue à l'étranger, faisant titre de la convention, prononce la résolution ou la révocation de celle-ci ou la constate pour quelque cause que ce soit, à moins qu'il ne résulte de la décision que la convention n'est pas antérieure de plus d'un an à une demande en résolution ou en révocation, même si elle a été introduite devant un juge incompétent.
Le droit de partage s'applique également si une décision judiciaire rendue à l'étranger et exécutable de plein droit en Belgique a été présentée pour enregistrement.]1
Il en est également ainsi, même si la décision judiciaire faisant titre de la convention prononce la résolution ou la révocation de celle-ci pour quelque cause que ce soit, à moins qu'il ne résulte de la décision que la convention n'est pas antérieure de plus d'un an à une demande en résolution ou en révocation, même si elle a été introduite devant un juge incompétent.
§ 2. Les exequatur de sentences arbitrales et ceux de décisions judiciaires rendues en pays étranger sont considérés, pour l'application du présent chapitre, comme formant un tout avec l'acte auquel ils se rapportent. Si l'acte en question fait titre d'une convention telle que visée à l'article 2.10.1.0.1, portant désignation à titre onéreux de la propriété ou de l'usufruit d'immeubles à localiser en Région flamande, qui ne sont pas soumis au droit de partage, il donne lieu à la perception du droit de partage et, éventuellement, à l'amende à laquelle la convention serait soumise si elle avait été établie dans un acte portant partage.
Il en également ainsi si la sentence arbitrale ou la décision judiciaire rendue à l'étranger, faisant titre de la convention, prononce la résolution ou la révocation de celle-ci ou la constate pour quelque cause que ce soit, à moins qu'il ne résulte de la décision que la convention n'est pas antérieure de plus d'un an à une demande en résolution ou en révocation, même si elle a été introduite devant un juge incompétent.
Le droit de partage s'applique également si une décision judiciaire rendue à l'étranger et exécutable de plein droit en Belgique a été présentée pour enregistrement.]1
Art. 2.10.1.0.3. [1 Met behoud van de toepassing van artikel 2.10.1.0.1 wordt, behoudens vestiging van de belasting, vermeld in hoofdstukken 9 en 11, het verdeelrecht gevestigd op een inbreng van onroerende goederen als vermeld in artikel 115bis van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten in een Belgische vennootschap naarmate die inbreng anders vergoed wordt dan bij de toekenning van maatschappelijke rechten.
Als een inbreng als vermeld in het eerste lid meteen onroerende goederen als vermeld in artikel 115bis van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, en goederen van een andere aard omvat, worden, niettegenstaande elk strijdig beding, de maatschappelijke rechten en de andere lasten, die de vergoeding van de bedoelde inbreng uitmaken, geacht evenredig verdeeld te zijn tussen de waarde die aan de onroerende goederen is toegekend en die welke aan de andere goederen is toegekend, bij de overeenkomst. De te vervallen huurprijzen van de huurcontracten waarvan de rechten worden ingebracht, worden evenwel geacht alleen op de laatstvermelde rechten betrekking te hebben.
Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op de inbreng van de universaliteit van de goederen of van een bedrijfstak overeenkomstig artikel 117, § 1 en § 2, van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten.
Dit artikel is ook van toepassing op de oprichting van nieuwe vennootschappen, als vermeld in artikel 118 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten.]1
Als een inbreng als vermeld in het eerste lid meteen onroerende goederen als vermeld in artikel 115bis van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, en goederen van een andere aard omvat, worden, niettegenstaande elk strijdig beding, de maatschappelijke rechten en de andere lasten, die de vergoeding van de bedoelde inbreng uitmaken, geacht evenredig verdeeld te zijn tussen de waarde die aan de onroerende goederen is toegekend en die welke aan de andere goederen is toegekend, bij de overeenkomst. De te vervallen huurprijzen van de huurcontracten waarvan de rechten worden ingebracht, worden evenwel geacht alleen op de laatstvermelde rechten betrekking te hebben.
Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op de inbreng van de universaliteit van de goederen of van een bedrijfstak overeenkomstig artikel 117, § 1 en § 2, van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten.
Dit artikel is ook van toepassing op de oprichting van nieuwe vennootschappen, als vermeld in artikel 118 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten.]1
Art. 2.10.1.0.3. [1 Sans préjudice de l'application de l'article 2.10.1.0.1., hormis fixation de l'impôt, visé aux chapitres 9 et 11, le droit de partage est fixé sur un apport de biens immeubles, tels que visés à l'article 115bis du Code fédéral des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, dans une société belge à mesure que cet apport est rémunéré autrement que moyennant octroi de droits sociaux.
Si un apport tel que visé à l'alinéa premier comprend d'emblée des immeubles visés à l'article 115bis du Code fédéral des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe et des biens d'une autre nature, les droits sociaux et les autres charges qui constituent la rémunération de cet apport sont censés, nonobstant toute clause contraire, se répartir proportionnellement entre la valeur attribuée aux immeubles et celle attribuée aux autres biens, par la convention. Les loyers à échoir des baux dont les droits sont apportés sont censés toutefois se rapporter exclusivement à ces droits.
Les alinéas un et deux ne s'appliquent pas en cas d'apport d'universalité de biens ou de branche d'activité conformément à l'article 117, § 1er et § 2, du Code fédéral des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe.
Le présent article s'applique également aux constitutions de nouvelles sociétés, telles que visées à l'article 118 du Code fédéral des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe.]1
Si un apport tel que visé à l'alinéa premier comprend d'emblée des immeubles visés à l'article 115bis du Code fédéral des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe et des biens d'une autre nature, les droits sociaux et les autres charges qui constituent la rémunération de cet apport sont censés, nonobstant toute clause contraire, se répartir proportionnellement entre la valeur attribuée aux immeubles et celle attribuée aux autres biens, par la convention. Les loyers à échoir des baux dont les droits sont apportés sont censés toutefois se rapporter exclusivement à ces droits.
Les alinéas un et deux ne s'appliquent pas en cas d'apport d'universalité de biens ou de branche d'activité conformément à l'article 117, § 1er et § 2, du Code fédéral des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe.
Le présent article s'applique également aux constitutions de nouvelles sociétés, telles que visées à l'article 118 du Code fédéral des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe.]1
Art. 2.10.1.0.4. [1 De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op de uitvoering van een beding van terugval of van aanwas.]1
Art. 2.10.1.0.4. [1 Les dispositions du présent chapitre ne s'appliquent pas à l'exécution d'une clause de régression ou d'accroissement.]1
Afdeling 2. [1 Belastingplichtigen]1
Section 2. - [1 Contribuables]1
Art. 2.10.2.0.1. [1 De belastingplichtige is de verkrijger van het zakelijk recht.]1
Art. 2.10.2.0.1. [1 Le contribuable est l'acquéreur du droit réel.]1
Afdeling 3. [1 Belastbare grondslag]1
Section 3. - [1 Base imposable]1
Art. 2.10.3.0.1. [1 § 1. Het verdeelrecht wordt vastgesteld op basis van de overeengekomen waarde van de goederen, zoals ze blijkt uit de bepalingen van de akte, zonder dat de belastbare grondslag lager dan de verkoopwaarde mag zijn.
In voorkomend geval wordt de verkoopwaarde van het vruchtgebruik of van de blote eigendom overeenkomstig artikel 2.9.3.0.1 tot en met artikel 2.9.3.0.7 vastgesteld.
§ 2. Voor de goederen waarvan de akte de onverdeeldheid doet ophouden onder al de mede-eigenaars, wordt de belasting geheven op de waarde van die goederen.
Voor de goederen waarvan de akte de onverdeeldheid niet doet ophouden onder al de mede-eigenaars, wordt de belasting geheven op de waarde van de afgestane delen.]1
In voorkomend geval wordt de verkoopwaarde van het vruchtgebruik of van de blote eigendom overeenkomstig artikel 2.9.3.0.1 tot en met artikel 2.9.3.0.7 vastgesteld.
§ 2. Voor de goederen waarvan de akte de onverdeeldheid doet ophouden onder al de mede-eigenaars, wordt de belasting geheven op de waarde van die goederen.
Voor de goederen waarvan de akte de onverdeeldheid niet doet ophouden onder al de mede-eigenaars, wordt de belasting geheven op de waarde van de afgestane delen.]1
Art. 2.10.3.0.1. [1 § 1er. Le droit de partage est fixé sur la base de la valeur convenue des biens telle qu'elle ressort des dispositions de l'acte, sans que la base imposable puisse être inférieure à la valeur vénale.
Le cas échéant, la valeur vénale de l'usufruit ou de la nue-propriété est fixée conformément aux articles 2.9.3.0.1 à 2.9.3.0.7 inclus.
§ 2. Pour les biens pour lesquels l'acte fait cesser l'indivision entre tous les copropriétaires, l'impôt est levé sur la valeur de ces biens.
Pour les biens pour lesquels l'acte ne fait pas cesser l'indivision entre tous les copropriétaires, l'impôt est levé sur la valeur des quotités cédées.]1
Le cas échéant, la valeur vénale de l'usufruit ou de la nue-propriété est fixée conformément aux articles 2.9.3.0.1 à 2.9.3.0.7 inclus.
§ 2. Pour les biens pour lesquels l'acte fait cesser l'indivision entre tous les copropriétaires, l'impôt est levé sur la valeur de ces biens.
Pour les biens pour lesquels l'acte ne fait pas cesser l'indivision entre tous les copropriétaires, l'impôt est levé sur la valeur des quotités cédées.]1
Art. 2.10.3.0.3. [1 De rechten die verschuldigd zijn op akten waarbij eigendom of vruchtgebruik van een handelszaak aangewezen wordt, worden geheven op de bij dit hoofdstuk vastgestelde belastbare grondslagen.
De schulden die al dan niet met de handelszaak in verband staan en die door de nieuwe eigenaar of vruchtgebruiker ten laste genomen worden, worden als lasten van de overeenkomst beschouwd.]1
De schulden die al dan niet met de handelszaak in verband staan en die door de nieuwe eigenaar of vruchtgebruiker ten laste genomen worden, worden als lasten van de overeenkomst beschouwd.]1
Art. 2.10.3.0.3. [1 Les droits qui sont dus sur des actes indiquant la propriété ou l'usufruit d'un fonds de commerce sont levés en fonction des bases imposables fixées par le présent chapitre.
Les dettes, en rapport ou non avec le fonds de commerce et qui sont prises en charge par le nouveau propriétaire ou usufruitier, sont considérées comme des charges de la convention.]1
Les dettes, en rapport ou non avec le fonds de commerce et qui sont prises en charge par le nouveau propriétaire ou usufruitier, sont considérées comme des charges de la convention.]1
Afdeling 4. - [1 Tarieven]1
Section 4. - [1 Tarifs]1
Art. 2.10.4.0.1. [1 Het verdeelrecht bedraagt 2,5 %.
[3 Het recht wordt op 1% gebracht als de verdeling of de afstand, vermeld in artikel 2.10.1.0.1, 1° of 2° :
1° tussen ex-echtgenoten plaatsvindt na of uitwerking heeft door de echtscheiding;
2° tussen ex-wettelijke samenwonenden plaatsvindt binnen een termijn van drie jaar die volgt op de beëindiging van de wettelijke samenwoning conform artikel 1476, § 2, van het Burgerlijk Wetboek en op voorwaarde dat de personen op de dag van deze beëindiging ten minste een jaar ononderbroken met elkaar wettelijk samenwoonden.]3
Het verlaagde tarief, vermeld in het tweede lid, is ook van toepassing als de verdeling of de afstand wordt gedaan volgens de wetgeving van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte als de verdeling of de afstand plaatsvindt onder omstandigheden en voorwaarden die vergelijkbaar zijn met de omstandigheden en voorwaarden, vermeld in het tweede lid.
[2 ...]2 ]1
[3 Het recht wordt op 1% gebracht als de verdeling of de afstand, vermeld in artikel 2.10.1.0.1, 1° of 2° :
1° tussen ex-echtgenoten plaatsvindt na of uitwerking heeft door de echtscheiding;
2° tussen ex-wettelijke samenwonenden plaatsvindt binnen een termijn van drie jaar die volgt op de beëindiging van de wettelijke samenwoning conform artikel 1476, § 2, van het Burgerlijk Wetboek en op voorwaarde dat de personen op de dag van deze beëindiging ten minste een jaar ononderbroken met elkaar wettelijk samenwoonden.]3
Het verlaagde tarief, vermeld in het tweede lid, is ook van toepassing als de verdeling of de afstand wordt gedaan volgens de wetgeving van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte als de verdeling of de afstand plaatsvindt onder omstandigheden en voorwaarden die vergelijkbaar zijn met de omstandigheden en voorwaarden, vermeld in het tweede lid.
[2 ...]2 ]1
Art. 2.10.4.0.1. [1 Le droit de partage s'élève à 2,5 %.
[3 Le droit est ramené à 1 % si le partage ou la cession, visés à l'article 2.10.1.0.1, 1° ou 2°, :
1° a lieu entre ex-époux après le divorce ou prend effet suite au divorce ;
2° a lieu entre ex-cohabitants légaux dans un délai de trois ans, qui suit la cessation de la cohabitation légale conformément à l'article 1476, § 2, du Code civil, et à condition que les personnes aient cohabité légalement de manière ininterrompue pendant au moins un an le jour de cette cessation.]3
Le tarif réduit, visé à l'alinéa deux, s'applique également si le partage ou la cession sont exécutés selon la législation d'un autre état membre de l'Espace économique européen dans la mesure où le partage ou la cession ont lieu dans des circonstances et à des conditions qui sont comparables à celles visées à l'alinéa deux.
[2 ...]2 ]1
[3 Le droit est ramené à 1 % si le partage ou la cession, visés à l'article 2.10.1.0.1, 1° ou 2°, :
1° a lieu entre ex-époux après le divorce ou prend effet suite au divorce ;
2° a lieu entre ex-cohabitants légaux dans un délai de trois ans, qui suit la cessation de la cohabitation légale conformément à l'article 1476, § 2, du Code civil, et à condition que les personnes aient cohabité légalement de manière ininterrompue pendant au moins un an le jour de cette cessation.]3
Le tarif réduit, visé à l'alinéa deux, s'applique également si le partage ou la cession sont exécutés selon la législation d'un autre état membre de l'Espace économique européen dans la mesure où le partage ou la cession ont lieu dans des circonstances et à des conditions qui sont comparables à celles visées à l'alinéa deux.
[2 ...]2 ]1
Art. 2.10.4.0.2. [1 Als een akte of geschrift, overeengekomen tussen dezelfde partijen, verschillende van elkaar afhankelijke of noodzakelijk uit elkaar voortvloeiende regelingen bevat waaronder een rechtshandeling als vermeld in artikel 2.10.1.0.1, die onderworpen is aan het verdeelrecht, wordt de belasting geheven die van toepassing is op de regeling die aanleiding geeft tot de heffing van de hoogste belasting, vastgesteld met toepassing van hoofdstuk 8 tot en met hoofdstuk 11.
Als een akte of geschrift, overeengekomen tussen dezelfde partijen, verschillende van elkaar onafhankelijke of niet noodzakelijk uit elkaar voortvloeiende regelingen bevat waaronder een rechtshandeling als vermeld in artikel 2.10.1.0.1, die onderworpen is aan het verdeelrecht, wordt op elke regeling al naargelang het geval de belasting, vermeld in hoofdstuk 8 tot en met hoofdstuk 11, geheven.]1
Als een akte of geschrift, overeengekomen tussen dezelfde partijen, verschillende van elkaar onafhankelijke of niet noodzakelijk uit elkaar voortvloeiende regelingen bevat waaronder een rechtshandeling als vermeld in artikel 2.10.1.0.1, die onderworpen is aan het verdeelrecht, wordt op elke regeling al naargelang het geval de belasting, vermeld in hoofdstuk 8 tot en met hoofdstuk 11, geheven.]1
Art. 2.10.4.0.2. [1 Si un acte ou un écrit, convenu entre les mêmes parties, contient différents règlements dépendant les uns des autres ou découlant nécessairement les uns des autres dont un acte juridique tel que visé à l'article 2.10.1.0.1, qui est soumis au droit de partage, l'impôt est levé tel qu'il s'applique au règlement qui donne lieu à la perception de l'impôt le plus élevé, fixé en application des chapitres 8 à 11 inclus.
Si un acte ou un écrit, convenu entre les mêmes parties, contient différents règlements indépendants les uns des autres ou qui ne découlent pas nécessairement les uns des autres, dont un acte juridique tel que visé à l'article 2.10.1.0.1, qui est soumis au droit de partage, l'impôt mentionné aux chapitres 8 à 11 inclus est levé sur tout règlement selon le cas.]1
Si un acte ou un écrit, convenu entre les mêmes parties, contient différents règlements indépendants les uns des autres ou qui ne découlent pas nécessairement les uns des autres, dont un acte juridique tel que visé à l'article 2.10.1.0.1, qui est soumis au droit de partage, l'impôt mentionné aux chapitres 8 à 11 inclus est levé sur tout règlement selon le cas.]1
Afdeling 5. - [1 Verminderingen]1
Section 5. - [1 Réductions]1
Art. 2.10.5.0.1. [1 Voorbehouden voor toekomstig gebruik]1
Art. 2.10.5.0.1. [1 Réservé pour utilisation future]1
Afdeling 6. - [1 Vrijstellingen]1
Section 6. - [1 Exonérations]1
Art. 2.10.6.0.1. [1 Er wordt een vrijstelling van het verdeelrecht verleend voor :
1° de overeenkomsten tot overdracht van het vruchtgebruik op de blote eigenaar, als de evenredige registratiebelasting, de erfbelasting of een soortgelijk recht door de blote eigenaar of door een vorige blote eigenaar, zijn rechtsvoorganger, op de waarde van de volle eigendom is voldaan;
2° de overeenkomsten, vermeld in artikel 2.10.1.0.1, andere dan die welke aan de belasting, overeenkomstig artikel 115bis van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten onderworpen zijn, van gebouwen, gedeelten van gebouwen en het bijhorende terrein, vermeld in artikel 1, § 9, van het federale Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, alsook de vestigingen, overdrachten of wederoverdrachten van de zakelijke rechten, vermeld in artikel 9, tweede lid, 2°, van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde met betrekking tot gebouwen, gedeelten van gebouwen en het bijhorende terrein, vermeld in artikel 1, § 9, van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, op voorwaarde dat de belasting over de toegevoegde waarde opeisbaar is op de levering van die goederen of de vestiging, de overdracht of wederoverdracht van die rechten.
[2 3° de akten die met toepassing van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn [3 , het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn of deel 3, titel 4, van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur]3, verrichtingen vaststellen als vermeld in artikel 2.10.1.0.1, hetzij ten bate van openbare centra voor maatschappelijk welzijn hetzij ten bate van [3 verenigingen die op grond van de voormelde wet of de voormelde decreten zijn opgericht]3, alsook akten houdende verrichtingen als vermeld in artikel 2.10.1.0.1, na ontbinding of splitsing van een voormelde vereniging.]2
Om de vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 2°, te verkrijgen, moet voldaan zijn aan de verplichtingen, vermeld in [3 artikel 3.12.3.0.1, § 1 en § 5, zesde lid]3.]1
1° de overeenkomsten tot overdracht van het vruchtgebruik op de blote eigenaar, als de evenredige registratiebelasting, de erfbelasting of een soortgelijk recht door de blote eigenaar of door een vorige blote eigenaar, zijn rechtsvoorganger, op de waarde van de volle eigendom is voldaan;
2° de overeenkomsten, vermeld in artikel 2.10.1.0.1, andere dan die welke aan de belasting, overeenkomstig artikel 115bis van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten onderworpen zijn, van gebouwen, gedeelten van gebouwen en het bijhorende terrein, vermeld in artikel 1, § 9, van het federale Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, alsook de vestigingen, overdrachten of wederoverdrachten van de zakelijke rechten, vermeld in artikel 9, tweede lid, 2°, van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde met betrekking tot gebouwen, gedeelten van gebouwen en het bijhorende terrein, vermeld in artikel 1, § 9, van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, op voorwaarde dat de belasting over de toegevoegde waarde opeisbaar is op de levering van die goederen of de vestiging, de overdracht of wederoverdracht van die rechten.
[2 3° de akten die met toepassing van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn [3 , het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn of deel 3, titel 4, van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur]3, verrichtingen vaststellen als vermeld in artikel 2.10.1.0.1, hetzij ten bate van openbare centra voor maatschappelijk welzijn hetzij ten bate van [3 verenigingen die op grond van de voormelde wet of de voormelde decreten zijn opgericht]3, alsook akten houdende verrichtingen als vermeld in artikel 2.10.1.0.1, na ontbinding of splitsing van een voormelde vereniging.]2
Om de vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 2°, te verkrijgen, moet voldaan zijn aan de verplichtingen, vermeld in [3 artikel 3.12.3.0.1, § 1 en § 5, zesde lid]3.]1
Art. 2.10.6.0.1. [1 Une exonération du droit de partage est accordée pour :
1° les conventions translatives de l'usufruit au nu-propriétaire, lorsque les droits d'enregistrement proportionnels, les droits de succession ou un droit similaire ont été acquittés par le nu-propriétaire ou par un nu-propriétaire précédent, son prédécesseur en droit, sur la valeur de la pleine propriété ;
2° les conventions, visées à l'article 2.10.1.0.1, autres que celles qui sont soumises à l'impôt, conformément à l'article 115bis du Code fédéral des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, de bâtiments, parties de bâtiments et du sol y attenant, visés à l'article 1er, § 9, du Code fédéral de la Taxe sur la Valeur ajoutée, de même que les constitutions, cessions ou rétrocessions des droits réels, visés à l'article 9, alinéa deux, du Code de la Taxe sur la Valeur ajoutée concernant des bâtiments, parties de bâtiments et le sol y attenant, visés à l'article 1er, § 9, du Code de la Taxe sur la Valeur ajoutée, à condition que la taxe sur la valeur ajoutée soit exigible sur la livraison de ces biens ou sur la constitution, la cession ou la rétrocession de ces droits.
[2 3° les actes qui, en application de la loi organique du 8 juillet 1976 relative aux centres publics d'aide sociale [3 , du décret du 19 décembre 2008 relatif à l'organisation des centres publics d'aide sociale ou de la partie 3, titre 4, du décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale]3, constatent des opérations telles que visées à l'article 2.10.1.0.1, soit au profit de centres publics d'aide sociale, soit au profit d'[3 associations créées sur la base de la loi précitée ou des décrets précités]3, de même que les actes portant des opérations telles que visées à l'article 2.10.1.0.1, après dissolution ou division d'une association précitée.]2
Pour obtenir l'exonération visée à l'alinéa premier, 2°, les obligations telles que visées à [3 l'article 3.12.3.0.1, § 1er et § 5, alinéa 6]3, doivent être remplies.]1
1° les conventions translatives de l'usufruit au nu-propriétaire, lorsque les droits d'enregistrement proportionnels, les droits de succession ou un droit similaire ont été acquittés par le nu-propriétaire ou par un nu-propriétaire précédent, son prédécesseur en droit, sur la valeur de la pleine propriété ;
2° les conventions, visées à l'article 2.10.1.0.1, autres que celles qui sont soumises à l'impôt, conformément à l'article 115bis du Code fédéral des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, de bâtiments, parties de bâtiments et du sol y attenant, visés à l'article 1er, § 9, du Code fédéral de la Taxe sur la Valeur ajoutée, de même que les constitutions, cessions ou rétrocessions des droits réels, visés à l'article 9, alinéa deux, du Code de la Taxe sur la Valeur ajoutée concernant des bâtiments, parties de bâtiments et le sol y attenant, visés à l'article 1er, § 9, du Code de la Taxe sur la Valeur ajoutée, à condition que la taxe sur la valeur ajoutée soit exigible sur la livraison de ces biens ou sur la constitution, la cession ou la rétrocession de ces droits.
[2 3° les actes qui, en application de la loi organique du 8 juillet 1976 relative aux centres publics d'aide sociale [3 , du décret du 19 décembre 2008 relatif à l'organisation des centres publics d'aide sociale ou de la partie 3, titre 4, du décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale]3, constatent des opérations telles que visées à l'article 2.10.1.0.1, soit au profit de centres publics d'aide sociale, soit au profit d'[3 associations créées sur la base de la loi précitée ou des décrets précités]3, de même que les actes portant des opérations telles que visées à l'article 2.10.1.0.1, après dissolution ou division d'une association précitée.]2
Pour obtenir l'exonération visée à l'alinéa premier, 2°, les obligations telles que visées à [3 l'article 3.12.3.0.1, § 1er et § 5, alinéa 6]3, doivent être remplies.]1
Art. 2.10.6.0.3. [1 Er wordt een vrijstelling van het verdeelrecht verleend voor de overeenkomsten tot overdracht van onroerende goederen als vermeld in artikel 2.10.1.0.1, voor zover de overdracht plaatsvindt met het oog op de realisatie van een brownfieldproject dat het voorwerp uitmaakt of zal uitmaken van een brownfieldconvenant als vermeld in het decreet van 30 maart 2007 betreffende de Brownfieldconvenanten.
De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, wordt alleen verleend als bij de aan de formaliteit van de registratie onderworpen akte of verklaring betreffende de overeenkomst een attest is gevoegd waarin wordt bevestigd dat de overdracht plaatsvindt met het oog op de realisatie van een brownfieldproject dat het voorwerp uitmaakt of zal uitmaken van een brownfieldconvenant, en dat de onroerende goederen waarvoor de vrijstelling wordt gevraagd, deel uitmaken van dat brownfieldproject. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de vormgeving van dat attest.
Als de overeenkomst, vermeld in het eerste lid, ook andere onroerende goederen omvat dan de onroerende goederen, vermeld in het eerste lid, en de overdracht gebeurt voor een gezamenlijke prijs, moet de verkoopwaarde van elk van de onderscheiden categorieën van onroerende goederen worden opgegeven in een aanvullende verklaring als vermeld in artikel 3.13.1.2.1.
[2 Het verdeelrecht is alsnog verschuldigd door de verkrijger van de onroerende goederen, vermeld in het eerste lid, als de Vlaamse Regering beslist tot stopzetting van de onderhandelingen als vermeld in artikel 8, § 3, vierde lid, van het decreet van 30 maart 2007 betreffende de Brownfieldconvenanten, of als het brownfieldproject niet tijdig wordt gestart of gerealiseerd conform de voorwaarden, vermeld in het brownfieldconvenant.]2 Het verdeelrecht wordt opeisbaar vanaf de kennisgeving aan het bevoegde personeelslid van het niet langer vervuld zijn van de voorwaarden voor het behoud van de vrijstelling. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor die kennisgeving.]1
De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, wordt alleen verleend als bij de aan de formaliteit van de registratie onderworpen akte of verklaring betreffende de overeenkomst een attest is gevoegd waarin wordt bevestigd dat de overdracht plaatsvindt met het oog op de realisatie van een brownfieldproject dat het voorwerp uitmaakt of zal uitmaken van een brownfieldconvenant, en dat de onroerende goederen waarvoor de vrijstelling wordt gevraagd, deel uitmaken van dat brownfieldproject. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de vormgeving van dat attest.
Als de overeenkomst, vermeld in het eerste lid, ook andere onroerende goederen omvat dan de onroerende goederen, vermeld in het eerste lid, en de overdracht gebeurt voor een gezamenlijke prijs, moet de verkoopwaarde van elk van de onderscheiden categorieën van onroerende goederen worden opgegeven in een aanvullende verklaring als vermeld in artikel 3.13.1.2.1.
[2 Het verdeelrecht is alsnog verschuldigd door de verkrijger van de onroerende goederen, vermeld in het eerste lid, als de Vlaamse Regering beslist tot stopzetting van de onderhandelingen als vermeld in artikel 8, § 3, vierde lid, van het decreet van 30 maart 2007 betreffende de Brownfieldconvenanten, of als het brownfieldproject niet tijdig wordt gestart of gerealiseerd conform de voorwaarden, vermeld in het brownfieldconvenant.]2 Het verdeelrecht wordt opeisbaar vanaf de kennisgeving aan het bevoegde personeelslid van het niet langer vervuld zijn van de voorwaarden voor het behoud van de vrijstelling. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor die kennisgeving.]1
Art. 2.10.6.0.3. [1 Une exemption du droit de partage est accordée pour les conventions de cession de biens immeubles, telles que visées à l'article 2.10.1.0.1, dans la mesure où la cession intervient en vue de la réalisation d'un projet Brownfield qui fait l'objet d'une convention Brownfield, telle que visée dans le décret du 30 mars 2007 relatif aux conventions Brownfield.
L'exemption, visée à l'alinéa premier, est accordée uniquement lorsqu'il est joint à l'acte ou à la déclaration concernant la convention, soumis à la formalité de l'enregistrement, une attestation confirmant que la cession intervient en vue de la réalisation d'un projet Brownfield qui fait ou fera l'objet d'une convention Brownfield et que les biens immeubles pour lesquels l'exemption est demandée font partie de ce projet Brownfield. Le Gouvernement flamand fixe les modalités pour la présentation de cette attestation.
Si la convention, visée à l'alinéa premier, comprend également d'autres biens immeubles que les biens immeubles visés à l'alinéa premier et que la cession intervient pour un prix global, la valeur vénale de chacune des catégories distinctes de biens immeubles doit être indiquée dans une déclaration complémentaire prescrite à l'article 3.13.1.2.1.
[2 Le droit de partage est dû par l'acquéreur des biens immobiliers, visés à l'alinéa premier, lorsque le Gouvernement flamand décide d'interrompre les négociations visées à l'article 8, § 3, alinéa quatre, du décret du 30 mars 2007 relatif aux conventions Brownfield, ou lorsque le projet Brownfield n'est pas entamé à temps ou réalisé conformément aux conditions reprises dans la convention Brownfield.]2 Le droit de partage est exigible à partir de la notification au membre du personnel compétent lorsque les conditions pour le maintien de l'exemption ne sont plus remplies. Le Gouvernement flamand arrête les modalités pour cette notification.]1
L'exemption, visée à l'alinéa premier, est accordée uniquement lorsqu'il est joint à l'acte ou à la déclaration concernant la convention, soumis à la formalité de l'enregistrement, une attestation confirmant que la cession intervient en vue de la réalisation d'un projet Brownfield qui fait ou fera l'objet d'une convention Brownfield et que les biens immeubles pour lesquels l'exemption est demandée font partie de ce projet Brownfield. Le Gouvernement flamand fixe les modalités pour la présentation de cette attestation.
Si la convention, visée à l'alinéa premier, comprend également d'autres biens immeubles que les biens immeubles visés à l'alinéa premier et que la cession intervient pour un prix global, la valeur vénale de chacune des catégories distinctes de biens immeubles doit être indiquée dans une déclaration complémentaire prescrite à l'article 3.13.1.2.1.
[2 Le droit de partage est dû par l'acquéreur des biens immobiliers, visés à l'alinéa premier, lorsque le Gouvernement flamand décide d'interrompre les négociations visées à l'article 8, § 3, alinéa quatre, du décret du 30 mars 2007 relatif aux conventions Brownfield, ou lorsque le projet Brownfield n'est pas entamé à temps ou réalisé conformément aux conditions reprises dans la convention Brownfield.]2 Le droit de partage est exigible à partir de la notification au membre du personnel compétent lorsque les conditions pour le maintien de l'exemption ne sont plus remplies. Le Gouvernement flamand arrête les modalités pour cette notification.]1
Art. 2.10.6.0.4. [1 Er wordt een vrijstelling van het verdeelrecht verleend voor vonnissen en arresten houdende vernietiging, ontbinding of herroeping van een overeenkomst als vermeld in artikel 2.10.1.0.1, waarbij eigendom of vruchtgebruik van in België gelegen onroerende goederen wordt overgedragen.
Als de vernietiging, ontbinding of herroeping, vermeld in het eerste lid, uitgesproken is ten voordele van een andere persoon dan een van de partijen bij de overeenkomst, haar erfgenamen of legatarissen, worden al naargelang het geval de belastingen, vermeld in hoofdstukken 8 tot en met 11, geheven die verschuldigd geweest zouden zijn als de vernietiging, de ontbinding of de herroeping het voorwerp van een minnelijke akte had uitgemaakt.]1
Als de vernietiging, ontbinding of herroeping, vermeld in het eerste lid, uitgesproken is ten voordele van een andere persoon dan een van de partijen bij de overeenkomst, haar erfgenamen of legatarissen, worden al naargelang het geval de belastingen, vermeld in hoofdstukken 8 tot en met 11, geheven die verschuldigd geweest zouden zijn als de vernietiging, de ontbinding of de herroeping het voorwerp van een minnelijke akte had uitgemaakt.]1
Art. 2.10.6.0.4. [1 Il est accordé une exemption du droit de partage pour les jugements ou arrêts portant annulation, résolution ou révocation d'une convention telle que visée à l'article 2.10.1.0.1, cédant la propriété ou l'usufruit de biens immeubles situés en Belgique.
Si l'annulation, la résolution ou la révocation, visée à l'alinéa premier, est prononcée en faveur d'une autre personne que l'une des parties à la convention, ses héritiers ou ses légataires, les droits, visés dans les chapitres 8 à 11 inclus qui auraient été dus si l'annulation, la résolution ou la révocation avait fait l'objet d'un acte à l'amiable sont levés selon le cas.]1
Si l'annulation, la résolution ou la révocation, visée à l'alinéa premier, est prononcée en faveur d'une autre personne que l'une des parties à la convention, ses héritiers ou ses légataires, les droits, visés dans les chapitres 8 à 11 inclus qui auraient été dus si l'annulation, la résolution ou la révocation avait fait l'objet d'un acte à l'amiable sont levés selon le cas.]1
Afdeling 7. - [1 Wijze van heffing]1
Section 7. - [1 Modalité de perception]1
Art. 2.10.7.0.1. [1 Het verdeelrecht wordt geheven in overeenstemming met de bepalingen van artikel 3.3.2.0.1, 9°, en artikel 3.3.3.0.1, § 4/2.]1
Art. 2.10.7.0.1. [1 Le droit de partage est levé conformément aux dispositions de l'article 3.3.2.0.1, 9°, et de l'article 3.3.3.0.1, § 4/2.]1
Art. 2.10.7.0.2. [1 § 1. De belastingplicht, de belastbare grondslag, het tarief, de vrijstellingen en de verminderingen worden bepaald door het ogenblik waarop de rechtshandeling is gesteld.
In afwijking van het eerste lid worden, als er geen verplichting tot registratie geldt, de belastingplicht, de belastbare grondslag en het tarief bepaald door het ogenblik waarop de akte of het geschrift ter registratie wordt aangeboden.
§ 2. Op een rechtshandeling die onderworpen is aan een opschortende voorwaarde, wordt het verdeelrecht alleen geheven als de voorwaarde is vervuld. In voorkomend geval wordt gehandeld als volgt :
1° het toepasbare tarief waarmee voor de heffing rekening moet worden gehouden, is het tarief dat van kracht is op de datum waarop het verdeelrecht verworven geweest zou zijn als de handeling onvoorwaardelijk was geweest;
2° de belastbare grondslag waarmee voor de heffing rekening moet worden gehouden, is de belastbare grondslag op de datum van de vervulling van de voorwaarde.
De rechtshandeling die door een rechtspersoon verricht wordt en die aan machtiging, goedkeuring of bekrachtiging van een overheid onderworpen is, wordt voor de toepassing van het eerste lid gelijkgesteld met een aan een opschortende voorwaarde onderworpen rechtshandeling.]1
In afwijking van het eerste lid worden, als er geen verplichting tot registratie geldt, de belastingplicht, de belastbare grondslag en het tarief bepaald door het ogenblik waarop de akte of het geschrift ter registratie wordt aangeboden.
§ 2. Op een rechtshandeling die onderworpen is aan een opschortende voorwaarde, wordt het verdeelrecht alleen geheven als de voorwaarde is vervuld. In voorkomend geval wordt gehandeld als volgt :
1° het toepasbare tarief waarmee voor de heffing rekening moet worden gehouden, is het tarief dat van kracht is op de datum waarop het verdeelrecht verworven geweest zou zijn als de handeling onvoorwaardelijk was geweest;
2° de belastbare grondslag waarmee voor de heffing rekening moet worden gehouden, is de belastbare grondslag op de datum van de vervulling van de voorwaarde.
De rechtshandeling die door een rechtspersoon verricht wordt en die aan machtiging, goedkeuring of bekrachtiging van een overheid onderworpen is, wordt voor de toepassing van het eerste lid gelijkgesteld met een aan een opschortende voorwaarde onderworpen rechtshandeling.]1
Art. 2.10.7.0.2. [1 § 1er. La redevabilité, la base imposable, le tarif, les exemptions et les réductions sont déterminés par le moment où l'acte juridique est posé.
Par dérogation à l'alinéa premier, la redevabilité, la base imposable et le tarif sont déterminés, s'il n'y a pas d'obligation d'enregistrement, par le moment où l'acte ou l'écrit est présenté à l'enregistrement.
§ 2. Le droit de partage n'est perçu sur un acte juridique soumis à une condition suspensive que si la condition est remplie. Le cas échéant, la procédure à suivre est la suivante :
1° le tarif applicable dont il faut tenir compte pour la perception est le tarif en vigueur à la date à laquelle le droit de partage aurait été acquis si l'acte avait été inconditionnel ;
2° la base imposable dont il faut tenir compte pour la perception est la base imposable à la date de l'exécution de la condition.
L'acte juridique qui est accompli par une personne morale et est soumis à l'autorisation, l'approbation ou la ratification d'une autorité est assimilé pour l'application de l'alinéa premier à un acte juridique soumis à une condition suspensive.]1
Par dérogation à l'alinéa premier, la redevabilité, la base imposable et le tarif sont déterminés, s'il n'y a pas d'obligation d'enregistrement, par le moment où l'acte ou l'écrit est présenté à l'enregistrement.
§ 2. Le droit de partage n'est perçu sur un acte juridique soumis à une condition suspensive que si la condition est remplie. Le cas échéant, la procédure à suivre est la suivante :
1° le tarif applicable dont il faut tenir compte pour la perception est le tarif en vigueur à la date à laquelle le droit de partage aurait été acquis si l'acte avait été inconditionnel ;
2° la base imposable dont il faut tenir compte pour la perception est la base imposable à la date de l'exécution de la condition.
L'acte juridique qui est accompli par une personne morale et est soumis à l'autorisation, l'approbation ou la ratification d'une autorité est assimilé pour l'application de l'alinéa premier à un acte juridique soumis à une condition suspensive.]1
Art. 2.10.7.0.3. [1 In geval van een handelszaak wordt het verdeelrecht vastgesteld volgens de aard van elk goed dat er deel van uitmaakt.]1
Art. 2.10.7.0.3. [1 En cas de fonds de commerce, le droit de partage est fixé selon la nature de chaque bien qui en fait partie.]1
Hoofdstuk 11. - [1 Recht op hypotheekvestiging]1
Chapitre 11. - [1 Droit sur les constitutions d'hypothèque]1
Afdeling 1. [1 Belastbaar voorwerp]1
Section 1re. - [1 Objet imposable]1
Afdeling 1. [1 Art. 2.11.1.0.1. Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt het recht op hypotheekvestiging gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften houdende vestiging van een hypotheek op een onroerend goed.]1
Art. 2.11.1.0.1. [1 Conformément à l'article 1er, à l'article 19 et à l'article 31 du Code fédéral des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, le droit sur les constitutions d'hypothèque est établi à l'occasion de l'enregistrement ou de l'obligation d'enregistrement d'actes ou d'écrits portant établissement d'une hypothèque sur un bien immeuble.]1
Art. 2.11.1.0.2. [1 Met behoud van de toepassing van artikel 2.11.1.0.1 wordt, behoudens vestiging van de belasting, vermeld in hoofdstukken 9 en 10, het recht op hypotheekvestiging gevestigd op een inbreng van onroerende goederen als vermeld in artikel 115bis van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten in een Belgische vennootschap als die inbreng anders vergoed wordt dan bij de toekenning van maatschappelijke rechten en als die inbreng aanleiding geeft tot de nieuwe inschrijving.
Als een inbreng als vermeld in het eerste lid meteen onroerende goederen als vermeld in artikel 115bis van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, en goederen van een andere aard omvat, worden, niettegenstaande elk strijdig beding, de maatschappelijke rechten en de andere lasten die de vergoeding van de vermelde inbreng uitmaken, geacht evenredig verdeeld te zijn tussen de waarde die aan de onroerende goederen is toegekend, en die welke aan de andere goederen is toegekend, bij de overeenkomst. De te vervallen huurprijzen van de huurcontracten waarvan de rechten worden ingebracht, worden evenwel geacht alleen op de laatstvermelde rechten betrekking te hebben.
Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op de inbreng van de universaliteit van de goederen of van een bedrijfstak overeenkomstig artikel 117, § 1 en § 2, van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten.
Dit artikel is ook van toepassing op de oprichting van nieuwe vennootschappen, als vermeld in artikel 118 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten.]1
Als een inbreng als vermeld in het eerste lid meteen onroerende goederen als vermeld in artikel 115bis van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, en goederen van een andere aard omvat, worden, niettegenstaande elk strijdig beding, de maatschappelijke rechten en de andere lasten die de vergoeding van de vermelde inbreng uitmaken, geacht evenredig verdeeld te zijn tussen de waarde die aan de onroerende goederen is toegekend, en die welke aan de andere goederen is toegekend, bij de overeenkomst. De te vervallen huurprijzen van de huurcontracten waarvan de rechten worden ingebracht, worden evenwel geacht alleen op de laatstvermelde rechten betrekking te hebben.
Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op de inbreng van de universaliteit van de goederen of van een bedrijfstak overeenkomstig artikel 117, § 1 en § 2, van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten.
Dit artikel is ook van toepassing op de oprichting van nieuwe vennootschappen, als vermeld in artikel 118 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten.]1
Art. 2.11.1.0.2. [1 Sans préjudice de l'application de l'article 2.11.1.0.1, le droit sur les constitutions d'hypothèque est établi, hormis l'établissement des droits visés aux chapitres 9 et 10, sur un apport de biens immeubles, tel que visé à l'article 115bis du Code fédéral des droits d'enregistrement d'hypothèque et de greffe, dans une société belge si cet apport est rémunéré autrement que par l'attribution de droits sociaux et si l'apport donne lieu à la nouvelle inscription.
Si un apport tel que visé à l'alinéa premier comprend à la fois des immeubles visés à l'article 115bis du Code fédéral des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe et des biens d'une autre nature, les droits sociaux et les autres charges qui constituent la rémunération de l'apport visé sont censés, nonobstant toute clause contraire, se répartir proportionnellement entre la valeur attribuée aux immeubles et celle attribuée aux autres biens, par la convention. Les loyers à échoir des baux dont les droits sont apportés sont censés toutefois se rapporter exclusivement à ces droits.
Les premier et deuxième alinéas ne sont pas applicables en cas d'apport d'universalité des biens ou de branche d'activité conformément à l'article 117, § 1er et § 2, du Code fédéral des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe.
Cet article est d'application également à la constitution de nouvelles sociétés, comme indiqué à l'article 118 du Code fédéral des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe.]1
Si un apport tel que visé à l'alinéa premier comprend à la fois des immeubles visés à l'article 115bis du Code fédéral des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe et des biens d'une autre nature, les droits sociaux et les autres charges qui constituent la rémunération de l'apport visé sont censés, nonobstant toute clause contraire, se répartir proportionnellement entre la valeur attribuée aux immeubles et celle attribuée aux autres biens, par la convention. Les loyers à échoir des baux dont les droits sont apportés sont censés toutefois se rapporter exclusivement à ces droits.
Les premier et deuxième alinéas ne sont pas applicables en cas d'apport d'universalité des biens ou de branche d'activité conformément à l'article 117, § 1er et § 2, du Code fédéral des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe.
Cet article est d'application également à la constitution de nouvelles sociétés, comme indiqué à l'article 118 du Code fédéral des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe.]1
Afdeling 2. - [1 Belastingplichtigen]1
Section 2. - [1 Redevables]1
Art. 2.11.2.0.1. [1 De belastingplichtige is de hypotheeksteller.]1
Art. 2.11.2.0.1. [1 Le redevable est l'affectant hypothécaire.]1
Afdeling 3. - [1 Belastbare grondslag]1
Section 3. - [1 Base imposable ]1
Art. 2.11.3.0.1. [1 Het recht op hypotheekvestiging wordt vastgesteld op basis van het bedrag van de sommen die door de hypotheek gewaarborgd zijn, met uitsluiting van de interesten of rentetermijnen van drie jaar, die gewaarborgd zijn door artikel 87 van de Hypotheekwet van 16 december 1851.]1
Art. 2.11.3.0.1. [1 Le droit sur la constitution d'hypothèques est fixé sur la base du montant des sommes qui sont garanties par l'hypothèque à l'exclusion des intérêts ou arrérages de trois ans, qui sont garantis par l'article 87 de la loi hypothécaire du 16 décembre 1851.]1
Afdeling 4. - [1 Tarieven]1
Section 4. - [1 Tarifs ]1
Art. 2.11.4.0.1. [1 Het recht op hypotheekvestiging bedraagt 1 %.]1
Art. 2.11.4.0.1. [1 Le droit sur la constitution d'hypothèques s'élève à 1 %.]1
Art. 2.11.4.0.2. [1 De belasting, vermeld in artikel 2.11.4.0.1, is van toepassing, zelfs als de hypotheek gevestigd is tot zekerheid van een toekomstige schuld, van een voorwaardelijke of eventuele schuld of van een verbintenis om iets te doen.]1
Art. 2.11.4.0.2. [1 Les droits, visés à l'article 2.11.4.0.1, sont d'application même si l'hypothèque a été constituée en sûreté d'une dette future, d'une dette conditionnelle ou éventuelle ou d'un engagement à faire quelque chose.]1
Art. 2.11.4.0.3. [1 De vestiging van een hypotheek op een onroerend goed tot zekerheid van een schuld die gewaarborgd is door een hypotheek op een schip dat niet naar zijn aard voor het zeevervoer bestemd is, door de verpanding van een handelszaak of door een landbouwvoorrecht [2 , die aan het recht, vermeld in artikel 88 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, zijn onderworpen,]2, wordt onderworpen aan een verlaagd tarief van 0,50 %.]1
Art. 2.11.4.0.3. [1 La constitution d'une hypothèque sur un immeuble pour sûreté d'une dette garantie par une hypothèque sur un navire qui n'est pas destiné par nature au transport maritime, par un gage sur fonds de commerce ou par un privilège agricole [2 qui sont soumis au droit, visé à l'article 88 du Code fédéral des droits d'Enregistrement, d'Hypothèque et de Greffe,]2 est assujettie au droit réduit de 0,50 %.]1
Art. 2.11.4.0.4. [1 Als een akte, overeengekomen tussen dezelfde partijen, verschillende van elkaar afhankelijke of noodzakelijk uit elkaar voortvloeiende regelingen bevat waaronder een vestiging van een hypotheek op een onroerend goed dat onderworpen is aan het recht op hypotheekvestiging, wordt de belasting geheven die van toepassing is op de regeling die aanleiding geeft tot de heffing van de hoogste belasting, vastgesteld met toepassing van hoofdstuk 8 tot en met hoofdstuk 11.
Als een akte, overeengekomen tussen dezelfde partijen, verschillende van elkaar onafhankelijke of niet noodzakelijk uit elkaar voortvloeiende regelingen bevat waaronder een vestiging van een hypotheek op een onroerend goed dat onderworpen is aan het recht op hypotheekvestiging, wordt op elke regeling al naargelang het geval de belasting, vermeld in hoofdstuk 8 tot en met 11, geheven.]1
Als een akte, overeengekomen tussen dezelfde partijen, verschillende van elkaar onafhankelijke of niet noodzakelijk uit elkaar voortvloeiende regelingen bevat waaronder een vestiging van een hypotheek op een onroerend goed dat onderworpen is aan het recht op hypotheekvestiging, wordt op elke regeling al naargelang het geval de belasting, vermeld in hoofdstuk 8 tot en met 11, geheven.]1
Art. 2.11.4.0.4. [1 Si un acte, convenu entre les mêmes parties, contient différents régimes interdépendants ou découlant nécessairement l'un de l'autre, dont une constitution d'une hypothèque sur un bien immeuble qui est soumise au droit sur les constitutions d'hypothèque, sont perçus les droits applicables au régime qui donne lieu à la perception des droits les plus élevés, déterminés en application des chapitres 8 à 11 inclus.
Si un acte, convenu entre les mêmes parties, contient différents régimes non interdépendants ou ne découlant pas nécessairement l'un de l'autre, dont une constitution d'une hypothèque sur un bien immeuble qui est soumise au droit sur les constitutions d'hypothèque, il est perçu sur chaque régime, selon le cas, les droits visés aux chapitres 8 à 11 inclus.]1
Si un acte, convenu entre les mêmes parties, contient différents régimes non interdépendants ou ne découlant pas nécessairement l'un de l'autre, dont une constitution d'une hypothèque sur un bien immeuble qui est soumise au droit sur les constitutions d'hypothèque, il est perçu sur chaque régime, selon le cas, les droits visés aux chapitres 8 à 11 inclus.]1
Afdeling 5. - [1 Verminderingen]1
Section 5. - [1 Réductions]1
Art. 2.11.5.0.1. [1 Voorbehouden voor toekomstig gebruik.]1
Art. 2.11.5.0.1. - [1 Réservé pour une utilisation ultérieure]1
Afdeling 6. - [1 Vrijstellingen]1
Section 6. - [1 Exemptions]1
Art. 2.11.6.0.1. [1 Er wordt een vrijstelling van het recht op hypotheekvestiging verleend voor elke vestiging van een hypotheek die na de heffing van de belasting, vermeld in artikel 2.11.3.0.1 [2 of in artikel 87 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten]2, wordt toegestaan tot zekerheid van dezelfde schuldvordering voor hetzelfde gewaarborgde bedrag.]1
Art. 2.11.6.0.1. [1 Une exemption du droit sur les constitutions d'hypothèque est accordée pour toute constitution d'une hypothèque qui est autorisée, après la perception des droits visés à l'article 2.11.3.0.1 [2 ou à l'article 87 du Code fédéral des Droits d'Enregistrement, d'Hypothèque et de Greffe " est inséré entre le membre de phrase]2, en sûreté de la même créance pour le même montant garanti.]1
Art. 2.11.6.0.2. [1 Er wordt een vrijstelling van het recht op hypotheekvestiging verleend voor de gewaarborgde verbintenis die voortvloeit uit een overeenkomst waarop een registratiebelasting van minstens 1% is geheven.]1
Art. 2.11.6.0.2. [1 Une exemption du droit à la constitution d'une hypothèque est accordée pour l'engagement garanti qui découle d'une convention sur laquelle est perçu un droit d'enregistrement d'au moins 1 %.]1
Art. 2.11.6.0.3. [1 Er wordt een vrijstelling van het recht op hypotheekvestiging verleend voor de akten in der minne die betrekking hebben op onroerende goederen die uitsluitend bestemd zijn voor onderwijs, en die verleden zijn op naam van of ten voordele van de inrichtende machten van het gemeenschapsonderwijs of het gesubsidieerd onderwijs, of op naam van of ten voordele van verenigingen zonder winstoogmerk voor patrimoniaal beheer die uitsluitend tot doel hebben onroerende goederen ter beschikking te stellen voor onderwijs dat door de voormelde inrichtende machten wordt verstrekt.]1
Art. 2.11.6.0.3. [1 Une exonération de droit sur la constitution d'hypothèque est accordée pour les actes à l'amiable portant sur des biens immobiliers exclusivement destinés à l'enseignement, et qui sont passés au nom ou en faveur des pouvoirs organisateurs de l'enseignement communautaire ou subventionné, ou au nom ou en faveur d'associations sans but lucratif de gestion patrimoniale dont le seul but est de mettre des biens immobiliers à la disposition de l'enseignement dispensé par les pouvoirs organisateurs précités.]1
Afdeling 7. - [1 Wijze van heffing]1
Section 7. - [1 Modalité de perception]1
Art. 2.11.7.0.1. [1 Het recht op hypotheekvestiging wordt geheven in overeenstemming met de bepalingen van artikel 3.3.2.0.1, 9°, en artikel 3.3.3.0.1, § 4/2.]1
Art. 2.11.7.0.1. [1 Le droit sur les constitutions d'hypothèque est perçu conformément aux dispositions de l'article 3.3.2.0.1, 9°, et de l'article 3.3.3.0.1, § 4/2.]1
Art. 2.11.7.0.2. [1 § 1. De belastingplicht, de belastbare grondslag, het tarief, de vrijstellingen en de verminderingen worden bepaald door het ogenblik waarop de rechtshandeling is gesteld.
In afwijking van het eerste lid worden, als er geen verplichting tot registratie geldt, de belastingplicht, de belastbare grondslag en het tarief bepaald door het ogenblik waarop de akte of het geschrift ter registratie wordt aangeboden.
§ 2. Op een rechtshandeling, onderworpen aan een opschortende voorwaarde, wordt het recht op hypotheekvestiging alleen geheven als de voorwaarde is vervuld. In voorkomend geval wordt gehandeld als volgt :
1° het toepasbare tarief waarmee voor de heffing rekening moet worden gehouden, is het tarief dat van kracht is op de datum waarop het recht op hypotheekvestiging verworven geweest zou zijn als de handeling onvoorwaardelijk was geweest;
2° de belastbare grondslag waarmee voor de heffing rekening moet worden gehouden, is de belastbare grondslag op de datum van de vervulling van de voorwaarde.
De rechtshandeling die door een rechtspersoon verricht is en die aan machtiging, goedkeuring of bekrachtiging van een overheid onderworpen is, wordt voor de toepassing van het eerste lid gelijkgesteld met een aan een opschortende voorwaarde onderworpen rechtshandeling]1
In afwijking van het eerste lid worden, als er geen verplichting tot registratie geldt, de belastingplicht, de belastbare grondslag en het tarief bepaald door het ogenblik waarop de akte of het geschrift ter registratie wordt aangeboden.
§ 2. Op een rechtshandeling, onderworpen aan een opschortende voorwaarde, wordt het recht op hypotheekvestiging alleen geheven als de voorwaarde is vervuld. In voorkomend geval wordt gehandeld als volgt :
1° het toepasbare tarief waarmee voor de heffing rekening moet worden gehouden, is het tarief dat van kracht is op de datum waarop het recht op hypotheekvestiging verworven geweest zou zijn als de handeling onvoorwaardelijk was geweest;
2° de belastbare grondslag waarmee voor de heffing rekening moet worden gehouden, is de belastbare grondslag op de datum van de vervulling van de voorwaarde.
De rechtshandeling die door een rechtspersoon verricht is en die aan machtiging, goedkeuring of bekrachtiging van een overheid onderworpen is, wordt voor de toepassing van het eerste lid gelijkgesteld met een aan een opschortende voorwaarde onderworpen rechtshandeling]1
Art. 2.11.7.0.2. [1 § 1er. La redevabilité, la base imposable, le tarif, les exemptions et les réductions sont déterminés par le moment où l'acte juridique est posé.
Par dérogation à l'alinéa premier, la redevabilité, la base imposable et le tarif sont déterminés, s'il n'y a pas d'obligation d'enregistrement, par le moment où l'acte ou l'écrit est présenté à l'enregistrement.
§ 2. Le droit sur les constitutions d'hypothèque n'est perçu sur un acte juridique soumis à une condition suspensive que si la condition est remplie. Le cas échéant, la procédure à suivre est la suivante :
1° le tarif applicable dont il faut tenir compte pour la perception est le tarif en vigueur à la date à laquelle le droit sur les constitutions d'hypothèque aurait été acquis si l'acte avait été inconditionnel ;
2° la base imposable dont il faut tenir compte pour la perception est la base imposable à la date de l'exécution de la condition.
L'acte juridique qui est accompli par une personne morale et est soumis à l'autorisation, l'approbation ou la ratification d'une autorité est assimilé pour l'application de l'alinéa premier à un acte juridique soumis à une condition suspensive.]1
Par dérogation à l'alinéa premier, la redevabilité, la base imposable et le tarif sont déterminés, s'il n'y a pas d'obligation d'enregistrement, par le moment où l'acte ou l'écrit est présenté à l'enregistrement.
§ 2. Le droit sur les constitutions d'hypothèque n'est perçu sur un acte juridique soumis à une condition suspensive que si la condition est remplie. Le cas échéant, la procédure à suivre est la suivante :
1° le tarif applicable dont il faut tenir compte pour la perception est le tarif en vigueur à la date à laquelle le droit sur les constitutions d'hypothèque aurait été acquis si l'acte avait été inconditionnel ;
2° la base imposable dont il faut tenir compte pour la perception est la base imposable à la date de l'exécution de la condition.
L'acte juridique qui est accompli par une personne morale et est soumis à l'autorisation, l'approbation ou la ratification d'une autorité est assimilé pour l'application de l'alinéa premier à un acte juridique soumis à une condition suspensive.]1
Art. 2.11.7.0.3. [1 In geval van een handelszaak wordt het recht van hypotheekvestiging vastgesteld volgens de aard van elk goed dat er deel van uitmaakt.]1
Art. 2.11.7.0.3. [1 En cas de fonds de commerce, le droit sur les constitutions d'hypothèque est fixé selon la nature de chaque bien qui en fait partie]1
Hoofdstuk 12. [1 - Belasting op de spelen en weddenschappen]1
Chapitre 12. [1 - Taxe sur les jeux et paris]1
Afdeling 1. [1 - Belastbaar voorwerp]1
Section 1re. [1 - Objet imposable]1
Art. 2.12.1.0.1. [1 Overeenkomstig artikel 3, eerste lid, 1°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten wordt er een belasting geheven op de spelen en weddenschappen.]1
Art. 2.12.1.0.1. [1 Conformément à l'article 3, alinéa premier, 1°, de loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions, une taxe est levée sur les jeux et paris.]1
Afdeling 2. [1 - Belastingplichtigen]1
Section 2. [1 - Contribuables ]1
Art. 2.12.2.0.1. [1 De belastingplichtige is degene die, zelfs toevallig, enige inzet of enig inleggeld aanneemt in het kader van spelen en weddenschappen, hetzij voor eigen rekening, hetzij als tussenpersoon.
In afwijking van het eerste lid zijn de belastingplichtigen diegenen die het lokaal of het materieel ter beschikking stellen van personen die aan spelen of weddenschappen doen als er, in private kringen of in andere lokalen of via informatiemaatschappij-instrumenten als vermeld in artikel 2, 10°, van de Kansspelwet van 7 mei 1999, aan spelen of aan weddenschappen wordt gedaan op een wijze dat niemand in het bijzonder belast is om inzetten of inleggelden aan te nemen, hetzij voor eigen rekening, hetzij als tussenpersoon.]1
In afwijking van het eerste lid zijn de belastingplichtigen diegenen die het lokaal of het materieel ter beschikking stellen van personen die aan spelen of weddenschappen doen als er, in private kringen of in andere lokalen of via informatiemaatschappij-instrumenten als vermeld in artikel 2, 10°, van de Kansspelwet van 7 mei 1999, aan spelen of aan weddenschappen wordt gedaan op een wijze dat niemand in het bijzonder belast is om inzetten of inleggelden aan te nemen, hetzij voor eigen rekening, hetzij als tussenpersoon.]1
Art. 2.12.2.0.1. [1 Le contribuable est celui qui accepte, même de manière occasionnelle, toute forme d'enjeu ou toute forme de mise dans le cadre de jeux et de paris, soit pour son propre compte, soit en tant qu'intermédiaire.
Par dérogation à l'alinéa premier, les contribuables sont ceux qui mettent la salle ou le matériel à la disposition de personnes engagées dans des jeux ou des paris lorsque, dans des cercles privés ou dans d'autres salles ou via des instruments de la société de l'information, tels que visés à l'article 2, 10° de la Loi sur les jeux de hasard du 7 mai 1999, on s'engage dans des jeux ou des paris de façon à ce que personne en particulier n'est chargé de l'acceptation d'enjeux ou de mises, soit pour son propre compte, soit en tant qu'intermédiaire.]1
Par dérogation à l'alinéa premier, les contribuables sont ceux qui mettent la salle ou le matériel à la disposition de personnes engagées dans des jeux ou des paris lorsque, dans des cercles privés ou dans d'autres salles ou via des instruments de la société de l'information, tels que visés à l'article 2, 10° de la Loi sur les jeux de hasard du 7 mai 1999, on s'engage dans des jeux ou des paris de façon à ce que personne en particulier n'est chargé de l'acceptation d'enjeux ou de mises, soit pour son propre compte, soit en tant qu'intermédiaire.]1
Afdeling 3. [1 - Belastbare grondslag]1
Section 3. [1 - Base imposable]1
Art. 2.12.3.0.1. [1 § 1. De belasting op de spelen en weddenschappen wordt geheven op de opbrengst van de spelen en de weddenschappen, met inbegrip van deze die ingezet worden via informatiemaatschappij-instrumenten als vermeld in artikel 2, 10°, van de Kansspelwet van 7 mei 1999.
In het eerste lid wordt verstaan onder opbrengst: het bedrag van de sommen of inleggelden die worden ingezet bij de spelen en weddenschappen in kwestie, verminderd met de winsten die voor die spelen en weddenschappen werkelijk verdeeld zijn. Dat geldt ook voor sommen of inleggelden die worden ingezet in private kringen.
In afwijking van het tweede lid wordt voor de casinospelen de opbrengst gevormd per kansspelinrichting door het verschil tussen het bedrag van de incasso's die vastgesteld worden op het einde van de partijen en het samengevoegde bedrag van de aanvangsvoorschotten en de bijkomende voorschotten, verminderd met de afnemingen tijdens de partijen. Voor de met casinospelen gelijkgestelde automatische ontspanningstoestellen wordt de opbrengst gevormd per kansspelinrichting door het verschil van de sommen die per toestel worden ingezet, verminderd met de winsten die voor dat toestel werkelijk verdeeld zijn.
De opbrengst, vermeld in het derde lid, wordt dagelijks vastgesteld. Het eventuele verlies dat voor een dag wordt vastgesteld, wordt in mindering gebracht van de opbrengst van de volgende dagen.
Voor de toepassing van het eerste lid worden de sommen of inleggelden geacht ingezet te zijn in het Vlaamse Gewest als de spelen of weddenschappen worden ontvangen via een server die in het Vlaamse Gewest gevestigd is of uitgebaat wordt.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, wordt de belasting geheven op:
1° het bedrag van de sommen of inleggelden die ingezet worden bij spelen of weddenschappen in geval van mediaspelen als vermeld in artikel 2, 9°, van de Kansspelwet van 7 mei 1999, met uitzondering van mediaspelen via informatiemaatschappij-instrumenten als vermeld in artikel 2, 10°, van voormelde wet;
2° het vermoedelijke bedrag van de sommen of inleggelden die ingezet worden bij spelen of weddenschappen in het geval van een ambtshalve aanslag als vermeld in artikel 2.12.7.0.1.]1
In het eerste lid wordt verstaan onder opbrengst: het bedrag van de sommen of inleggelden die worden ingezet bij de spelen en weddenschappen in kwestie, verminderd met de winsten die voor die spelen en weddenschappen werkelijk verdeeld zijn. Dat geldt ook voor sommen of inleggelden die worden ingezet in private kringen.
In afwijking van het tweede lid wordt voor de casinospelen de opbrengst gevormd per kansspelinrichting door het verschil tussen het bedrag van de incasso's die vastgesteld worden op het einde van de partijen en het samengevoegde bedrag van de aanvangsvoorschotten en de bijkomende voorschotten, verminderd met de afnemingen tijdens de partijen. Voor de met casinospelen gelijkgestelde automatische ontspanningstoestellen wordt de opbrengst gevormd per kansspelinrichting door het verschil van de sommen die per toestel worden ingezet, verminderd met de winsten die voor dat toestel werkelijk verdeeld zijn.
De opbrengst, vermeld in het derde lid, wordt dagelijks vastgesteld. Het eventuele verlies dat voor een dag wordt vastgesteld, wordt in mindering gebracht van de opbrengst van de volgende dagen.
Voor de toepassing van het eerste lid worden de sommen of inleggelden geacht ingezet te zijn in het Vlaamse Gewest als de spelen of weddenschappen worden ontvangen via een server die in het Vlaamse Gewest gevestigd is of uitgebaat wordt.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, wordt de belasting geheven op:
1° het bedrag van de sommen of inleggelden die ingezet worden bij spelen of weddenschappen in geval van mediaspelen als vermeld in artikel 2, 9°, van de Kansspelwet van 7 mei 1999, met uitzondering van mediaspelen via informatiemaatschappij-instrumenten als vermeld in artikel 2, 10°, van voormelde wet;
2° het vermoedelijke bedrag van de sommen of inleggelden die ingezet worden bij spelen of weddenschappen in het geval van een ambtshalve aanslag als vermeld in artikel 2.12.7.0.1.]1
Art. 2.12.3.0.1. [1 § 1er. La taxe sur les jeux et les paris est levée sur les gains des jeux et des paris, en ce inclus ceux qui sont engagés via des instruments de la société de l'information, tels que visés à l'article 2, 10° de la Loi sur les jeux de hasard du 7 mai 1999.
Dans l'alinéa premier il faut entendre par gain : le montant des sommes ou mises engagées à l'occasion des jeux et paris concernés, diminué des bénéfices effectivement distribués pour ces jeux et paris. Cette disposition s'applique également aux sommes ou mises engagées dans des cercles privés.
Par dérogation à l'alinéa deux, dans le cas des jeux de casino, le gain par établissement de jeux de hasard est le résultat de la différence entre le montant des encaisses constatées à la fin des parties et le montant cumulé des avances initiales et des avances complémentaires, diminuée des retraits opérés en cours de parties. Pour les appareils automatiques de divertissement assimilés aux jeux de casino, le gain par établissement de jeux de hasard est le résultat de la différence des sommes engagées par appareil, diminuée des bénéfices effectivement distribués pour cet appareil.
Le gain, visé à l'alinéa trois, est constaté quotidiennement. L'éventuelle perte constatée pour un jour est diminuée du gain des jours suivants.
Pour l'application de l'alinéa premier, les sommes ou mises sont censées être engagées en Région flamande si les jeux ou paris sont accédés via un serveur établi ou exploité en Région flamande.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, alinéa premier, la taxe est levée sur :
1° le montant des sommes ou mises engagées pour des jeux ou paris qualifiés de jeux média, tels que visés à l'article 2, 9° de la Loi sur les jeux de hasard du 7 mai 1999, à l'exception de jeux média via les instruments de la société de l'information, tels que visés à l'article 2, 10° de la loi précitée ;
2° le montant présumé des sommes ou mises engagées lors de jeux ou de paris dans le cas d'une taxation d'office, telle que visée à l'article 2.12.7.0.1.]1
Dans l'alinéa premier il faut entendre par gain : le montant des sommes ou mises engagées à l'occasion des jeux et paris concernés, diminué des bénéfices effectivement distribués pour ces jeux et paris. Cette disposition s'applique également aux sommes ou mises engagées dans des cercles privés.
Par dérogation à l'alinéa deux, dans le cas des jeux de casino, le gain par établissement de jeux de hasard est le résultat de la différence entre le montant des encaisses constatées à la fin des parties et le montant cumulé des avances initiales et des avances complémentaires, diminuée des retraits opérés en cours de parties. Pour les appareils automatiques de divertissement assimilés aux jeux de casino, le gain par établissement de jeux de hasard est le résultat de la différence des sommes engagées par appareil, diminuée des bénéfices effectivement distribués pour cet appareil.
Le gain, visé à l'alinéa trois, est constaté quotidiennement. L'éventuelle perte constatée pour un jour est diminuée du gain des jours suivants.
Pour l'application de l'alinéa premier, les sommes ou mises sont censées être engagées en Région flamande si les jeux ou paris sont accédés via un serveur établi ou exploité en Région flamande.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, alinéa premier, la taxe est levée sur :
1° le montant des sommes ou mises engagées pour des jeux ou paris qualifiés de jeux média, tels que visés à l'article 2, 9° de la Loi sur les jeux de hasard du 7 mai 1999, à l'exception de jeux média via les instruments de la société de l'information, tels que visés à l'article 2, 10° de la loi précitée ;
2° le montant présumé des sommes ou mises engagées lors de jeux ou de paris dans le cas d'une taxation d'office, telle que visée à l'article 2.12.7.0.1.]1
Afdeling 4. [1 Tarieven]1
Section 4. [1 Tarifs]1
Art. 2.12.4.0.1. [1 § 1. Het tarief van de belasting bedraagt 15%.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 bedraagt het tarief:
1° 11% als de sommen of inleggelden worden ingezet via informatiemaatschappij-instrumenten als vermeld in artikel 2, 10°, van de Kansspelwet van 7 mei 1999;
2° het percentage in de volgende tabel dat overeenstemt met de schijf van de opbrengst als het gaat om casinospelen:
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 bedraagt het tarief:
1° 11% als de sommen of inleggelden worden ingezet via informatiemaatschappij-instrumenten als vermeld in artikel 2, 10°, van de Kansspelwet van 7 mei 1999;
2° het percentage in de volgende tabel dat overeenstemt met de schijf van de opbrengst als het gaat om casinospelen:
Art. 2.12.4.0.1. [1 § 1er. Le taux la taxe est de 15%.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, le tarif :
1° est de 11% si les sommes ou mises sont engagées via des instruments de la société de l'information, tels que visés à l'article 2, 10° de la Loi sur les jeux du hasard du 7 mai 1999 ;
2° est égal au pourcentage dans le tableau suivant, qui correspond à la tranche du gain dans le cas de jeux de casino :
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, le tarif :
1° est de 11% si les sommes ou mises sont engagées via des instruments de la société de l'information, tels que visés à l'article 2, 10° de la Loi sur les jeux du hasard du 7 mai 1999 ;
2° est égal au pourcentage dans le tableau suivant, qui correspond à la tranche du gain dans le cas de jeux de casino :
| A. schijf in euro | tarief toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in % | totaalbedrag van de belasting op het voorgaande gedeelte, in euro | |
| vanaf | tot en met | ||
| 0,01 | 865.000 | 33 | |
| 865.000,01 | 44 | 285.450 | |
3° het percentage in de volgende tabel dat overeenstemt met de schijf van de opbrengst voor de met casinospelen gelijkgestelde automatische ontspanningstoestellen, vermeld in artikel 2.13.6.0.1, 2° :
| A. tranche en euros | tarif applicable à la partie correspondante dans la colonne A, en % | montant total de la taxe sur la partie précédente, en euros | |
| à partir de | jusqu'à et y compris | ||
| 0,01 | 865.000 | 33 | |
| 865.000,01 | 44 | 285.450 | |
3° est égal au pourcentage dans le tableau suivant qui correspond à la tranche du gain pour les appareils automatiques de divertissement assimilés aux jeux de casino, visés à l'article 2.13.6.0.1, 2° :
| A. schijf in euro | tarief toepasselijk op het overeenstemmende gedeelte in kolom A, in % | totaalbedrag van de belasting op de voorgaande gedeelten, in euro | |
| vanaf | tot en met | ||
| 0,01 | 1.200.000 | 20 | |
| 1.200.000,01 | 2.450.000 | 25 | 240.000 |
| 2.450.000,01 | 3.700.000 | 30 | 552.500 |
| 3.700.000,01 | 6.150.000 | 35 | 927.500 |
| 6.150.000,01 | 8.650.000 | 40 | 1.785.000 |
| 8.650.000,01 | 12.350.000 | 45 | 2.785.000 |
| 12.350.001,01 | 50 | 4.450.000 | |
De schijven, vermeld in het eerste lid, 2° en 3°, worden toegepast op de opbrengst voor het kalenderjaar.]1
| A. tranche en euros | tarif applicable à la partie correspondante dans la colonne A, en % | montant total de la taxe sur les parties précédentes, en euros | |
| à partir de | jusqu'à et y compris | ||
| 0,01 | 1.200.000 | 20 | |
| 1.200.000,01 | 2.450.000 | 25 | 240.000 |
| 2.450.000,01 | 3.700.000 | 30 | 552.500 |
| 3.700.000,01 | 6.150.000 | 35 | 927.500 |
| 6.150.000,01 | 8.650.000 | 40 | 1.785.000 |
| 8.650.000,01 | 12.350.000 | 45 | 2.785.000 |
| 12.350.001,01 | 50 | 4.450.000 | |
Les tranches visées dans l'alinéa premier, 2° et 3° sont appliquées sur le gain pour l'année calendaire.]1
Art. 2.12.4.0.2. [1 De provincies en de gemeenten zijn niet gemachtigd tot het heffen van opcentiemen op de belasting op de spelen en de weddenschappen, vermeld in artikel 2.12.1.0.1, of van welke belasting dan ook op de spelen en weddenschappen die onderhevig zijn aan de belasting, vermeld in dit hoofdstuk.
In afwijking van het eerste lid kunnen de provincies en de gemeenten een belasting heffen op de agentschappen voor weddenschappen op paardenwedrennen. De provinciale en gemeentelijke belasting mag per agentschap niet hoger zijn dan respectievelijk 37,5 en 62 euro per maand bedrijvigheid of per gedeelte daarvan.]1
In afwijking van het eerste lid kunnen de provincies en de gemeenten een belasting heffen op de agentschappen voor weddenschappen op paardenwedrennen. De provinciale en gemeentelijke belasting mag per agentschap niet hoger zijn dan respectievelijk 37,5 en 62 euro per maand bedrijvigheid of per gedeelte daarvan.]1
Art. 2.12.4.0.2. [1 Les provinces et les communes ne sont pas habilitées à lever des centimes additionnels sur la taxs sur les jeux et paris visée dans l'article 2.12.1.0.1, ou sur quelle taxe que ce soit sur les jeux et paris assujettis à la taxe visée dans le présent chapitre.
Par dérogation à l'alinéa premier, les provinces et communes peuvent lever une taxe sur les agences de paris aux courses hippiques. Les taxes provinciale et communale ne peuvent pas être supérieures à respectivement 37,5 et 62 euros par mois d'activité ou par partie de celui-ci.]1
Par dérogation à l'alinéa premier, les provinces et communes peuvent lever une taxe sur les agences de paris aux courses hippiques. Les taxes provinciale et communale ne peuvent pas être supérieures à respectivement 37,5 et 62 euros par mois d'activité ou par partie de celui-ci.]1
Afdeling 5. [1 - Verminderingen]1
Section 5. [1 - Réductions]1
Art. 2.12.5.0.1. [1 Voorbehouden voor toekomstig gebruik.]1
Art. 2.12.5.0.1. [1 Réservées à un usage futur.]1
Afdeling 6. [1 - Vrijstellingen]1
Section 6. [1 - Exonérations]1
Art. 2.12.6.0.1. [1 Er wordt een vrijstelling van de belasting verleend voor:
1° de toegelaten loterijen;
2° de volksvermakelijkheden, waarbij alleen inschrijvings- of deelnemingsrechten worden geheven, die verdeeld worden in de vorm van prijzen waarvan de waarde niet meer bedraagt dan het tienvoudige van de inzet per deelnemer of die besteed worden aan de normale organisatiekosten, als het totale bedrag van die rechten per dag en per persoon niet meer bedraagt dan 50 euro;
3° de duivenprijskampen waarbij uitsluitend ingezet wordt door de eigenaars van de ingeschreven duiven;
4° de vogelzangwedstrijden;
5° de wedstrijden die uitsluitend worden georganiseerd voor musea of voor de instellingen, vermeld in artikel 14533, § 1, 1° en 2°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992;
6° de sportbeoefening.
De vrijstellingen, vermeld in het eerste lid, 2° tot en met 6°, zijn niet van toepassing op sommen of inleggelden ingezet voor de betrokken spelen of weddenschappen via informatiemaatschappij-instrumenten als vermeld in artikel 2, 10°, van de Kansspelwet van 7 mei 1999.]1
1° de toegelaten loterijen;
2° de volksvermakelijkheden, waarbij alleen inschrijvings- of deelnemingsrechten worden geheven, die verdeeld worden in de vorm van prijzen waarvan de waarde niet meer bedraagt dan het tienvoudige van de inzet per deelnemer of die besteed worden aan de normale organisatiekosten, als het totale bedrag van die rechten per dag en per persoon niet meer bedraagt dan 50 euro;
3° de duivenprijskampen waarbij uitsluitend ingezet wordt door de eigenaars van de ingeschreven duiven;
4° de vogelzangwedstrijden;
5° de wedstrijden die uitsluitend worden georganiseerd voor musea of voor de instellingen, vermeld in artikel 14533, § 1, 1° en 2°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992;
6° de sportbeoefening.
De vrijstellingen, vermeld in het eerste lid, 2° tot en met 6°, zijn niet van toepassing op sommen of inleggelden ingezet voor de betrokken spelen of weddenschappen via informatiemaatschappij-instrumenten als vermeld in artikel 2, 10°, van de Kansspelwet van 7 mei 1999.]1
Art. 2.12.6.0.1. [1 Une exonération de la taxe est accordée pour :
1° les loteries autorisées ;
2° les divertissements populaires, à l'occasion desquels seuls des droits d'inscription ou de participation sont levés, qui sont répartis sous forme de prix dont la valeur ne dépasse pas le décuple de la mise par participant ou qui sont affectés aux frais normaux d'organisation, pour autant que le montant total de ces droits ne dépasse pas, par jour et par personne, 50 euros ;
3° les concours colombophiles lorsque les enjeux sont risqués exclusivement par les propriétaires des pigeons engagés ;
4° les concours de chant pour oiseaux ;
5° les concours qui sont exclusivement organisés pour les musées ou pour les institutions visés à l'article 14533, § 1er, 1° en 2°, du Code des Impôts sur les Revenus 1992 ;
6° la pratique des sports.
Les exonérations visées à l'alinéa premier, 2° à 6° inclus, ne s'appliquent pas aux sommes ou mises engagées pour les jeux ou paris concernés via des instruments de la société de l'information, tels que visés à l'article 2, 10° de la Loi sur les jeux du hasard du 7 mai 1999.]1
1° les loteries autorisées ;
2° les divertissements populaires, à l'occasion desquels seuls des droits d'inscription ou de participation sont levés, qui sont répartis sous forme de prix dont la valeur ne dépasse pas le décuple de la mise par participant ou qui sont affectés aux frais normaux d'organisation, pour autant que le montant total de ces droits ne dépasse pas, par jour et par personne, 50 euros ;
3° les concours colombophiles lorsque les enjeux sont risqués exclusivement par les propriétaires des pigeons engagés ;
4° les concours de chant pour oiseaux ;
5° les concours qui sont exclusivement organisés pour les musées ou pour les institutions visés à l'article 14533, § 1er, 1° en 2°, du Code des Impôts sur les Revenus 1992 ;
6° la pratique des sports.
Les exonérations visées à l'alinéa premier, 2° à 6° inclus, ne s'appliquent pas aux sommes ou mises engagées pour les jeux ou paris concernés via des instruments de la société de l'information, tels que visés à l'article 2, 10° de la Loi sur les jeux du hasard du 7 mai 1999.]1
Afdeling 7. [1 - Wijze van heffing]1
Section 7. [1 - Modalités de perception]1
Art. 2.12.7.0.1. [1 De belasting op de spelen en weddenschappen wordt gevestigd op zicht van de aangifte, vermeld in artikel 3.3.1.0.15, of ambtshalve als de aangifte niet is ingediend binnen de termijn, vermeld in artikel 3.3.1.0.15, of bij onjuistheid of onvolledigheid van de aangifte, en conform artikel 3.3.2.0.1, eerste lid, 11°, en tweede lid, 7°, en artikel 3.3.3.0.1, § 2.]1
Art. 2.12.7.0.1. [1 La taxe sur les jeux et paris est établie sur la vue de la déclaration visée à l'article 3.3.1.0.15 ou d'office si la déclaration n'a pas été introduite endéans le délai visé à l'article 3.3.1.0.15, ou en cas d'inexactitude ou de incomplétude de la déclaration et conformément à l'article 3.3.2.0.1, alinéa premier, 11°, et alinéa deux, 7°, et à l'article 3.3.3.0.1, § 2.]1
Hoofdstuk 13. [1 - Belasting op de automatische ontspanningstoestellen]1
Chapitre 13. [1 - Taxe sur les appareils automatiques de divertissement]1
Afdeling 1. [1 - Belastbaar voorwerp]1
Section 1ère. [1 - Objet imposable]1
Art. 2.13.1.0.1. [1 Overeenkomstig artikel 3, eerste lid, 2°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en artikel 76 van het federale Wetboek van 23 november 1965 van de met Inkomstenbelastingen Gelijkgestelde Belastingen wordt een belasting geheven op de automatische ontspanningstoestellen, die opgesteld worden op de openbare weg, in de voor het publiek toegankelijke plaatsen of in private kringen, ongeacht of de toegang tot die kringen al dan niet onderworpen is aan bepaalde formaliteiten.]1
Art. 2.13.1.0.1. [1 Conformément à l'article 3, alinéa premier, 2°, de loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions et à l'article 76 du Code fédéral du 23 novembre 1965 des taxes assimilées aux impôts sur les revenus, une taxe est levée sur les appareils automatiques de divertissement, qui sont installés sur la voie publique, dans les endroits accessibles au public ou dans des cercles privés, que l'accès à ces cercles soit soumis ou non à des formalités spécifiques.]1
Afdeling 2. [1 ]1
Section 2. [1 - Contribuables]1
Art. 2.13.2.0.1. [1 De belastingplichtige is de eigenaar van het automatische ontspanningstoestel.]1
Art. 2.13.2.0.1. [1 Le contribuable est le propriétaire de l'appareil automatique de divertissement. ]1
Afdeling 3. [1 - Belastbare grondslag]1
Section 3. [1 - Base imposable]1
Art. 2.13.3.0.1. [1 § 1. De automatische ontspanningstoestellen zijn volgens hun type [2 ingedeeld in vier categorieën, respectievelijk aangeduid door de cijfers 1, 2, 3 en 4]2.
§ 2. [2 De volgende automatische ontspanningstoestellen behoren respectievelijk tot de volgende categorieën:
1° categorie 1: de automatische ontspanningstoestellen die kansspelen zijn als vermeld in artikel 2, eerste lid, 1°, van de Kansspelwet van 7 mei 1999, met uitzondering van de toestellen die behoren tot de categorie 2, vermeld in punt 2° ;
2° categorie 2: de automatische kansspelen met verminderde inzet, vermeld in artikel 2, eerste lid, 11°, van de Kansspelwet van 7 mei 1999;
3° categorie 3: de automatische ontspanningstoestellen, met uitzondering van de toestellen die behoren tot de categorie 1 of 2, vermeld in punt 1° en 2°, die het toelaten, zelfs toevallig of bijkomstig, een prijs te winnen in geld, in natura, in de vorm van penningen of premiebons;
4° categorie 4: de automatische ontspanningstoestellen die niet behoren tot de categorieën 1 tot en met 3, vermeld in punt 1° tot en met 3°.]2
Wanneer technische, economische of sociale omstandigheden het vereisen, kan de categorie waarin een type toestel moet worden gerangschikt, vastgesteld of gewijzigd worden door de Vlaamse Regering, na raadpleging van de betrokken beroepsverenigingen. Voor de rangschikking van een toestel wordt rekening gehouden met zijn rendabiliteit, de aard van het aangeboden spel en de menigvuldigheid van de inzet.]1
§ 2. [2 De volgende automatische ontspanningstoestellen behoren respectievelijk tot de volgende categorieën:
1° categorie 1: de automatische ontspanningstoestellen die kansspelen zijn als vermeld in artikel 2, eerste lid, 1°, van de Kansspelwet van 7 mei 1999, met uitzondering van de toestellen die behoren tot de categorie 2, vermeld in punt 2° ;
2° categorie 2: de automatische kansspelen met verminderde inzet, vermeld in artikel 2, eerste lid, 11°, van de Kansspelwet van 7 mei 1999;
3° categorie 3: de automatische ontspanningstoestellen, met uitzondering van de toestellen die behoren tot de categorie 1 of 2, vermeld in punt 1° en 2°, die het toelaten, zelfs toevallig of bijkomstig, een prijs te winnen in geld, in natura, in de vorm van penningen of premiebons;
4° categorie 4: de automatische ontspanningstoestellen die niet behoren tot de categorieën 1 tot en met 3, vermeld in punt 1° tot en met 3°.]2
Wanneer technische, economische of sociale omstandigheden het vereisen, kan de categorie waarin een type toestel moet worden gerangschikt, vastgesteld of gewijzigd worden door de Vlaamse Regering, na raadpleging van de betrokken beroepsverenigingen. Voor de rangschikking van een toestel wordt rekening gehouden met zijn rendabiliteit, de aard van het aangeboden spel en de menigvuldigheid van de inzet.]1
Art. 2.13.3.0.1. [1 § 1er. Les appareils automatiques de divertissement [2 sont classifiés selon leur type en quatre catégories, désignées respectivement par les chiffres 1, 2, 3 et 4]2.
§ 2. [2 Les appareils automatiques de divertissement suivants appartiennent aux catégories respectives suivantes :
1° catégorie 1 : les appareils automatiques de divertissement qui sont des jeux de hasard tels que visés à l'article 2, alinéa 1er, 1°, de la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard, à l'exception des appareils appartenant à la catégorie 2, visés au point 2° ;
2° catégorie 2 : les jeux de hasard automatiques à mise atténuée, visés à l'article 2, alinéa 1er, 11°, de la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard ;
3° catégorie 3 : les appareils automatiques de divertissement, à l'exception des appareils appartenant aux catégories 1 ou 2, visés aux points 1° et 2°, permettant, même de manière occasionnelle ou secondaire, de gagner un prix en argent, en nature, sous la forme de jetons ou de bons-primes ;
4° catégorie 4 : les appareils automatiques de divertissement n'appartenant pas aux catégories 1 à 3, visés aux points 1° à 3°.]2
Lorsque les contingences techniques, économiques ou sociales rendent ces mesures nécessaires, la catégorie dans laquelle un type d'appareil doit être classé peut être fixée ou modifiée par le Gouvernement flamand, après consultation des unions professionnelles intéressées. Pour la classification d'un appareil, il est tenu compte de sa rentabilité, de la nature du jeu proposé et de la multiplicité de la mise.]1
§ 2. [2 Les appareils automatiques de divertissement suivants appartiennent aux catégories respectives suivantes :
1° catégorie 1 : les appareils automatiques de divertissement qui sont des jeux de hasard tels que visés à l'article 2, alinéa 1er, 1°, de la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard, à l'exception des appareils appartenant à la catégorie 2, visés au point 2° ;
2° catégorie 2 : les jeux de hasard automatiques à mise atténuée, visés à l'article 2, alinéa 1er, 11°, de la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard ;
3° catégorie 3 : les appareils automatiques de divertissement, à l'exception des appareils appartenant aux catégories 1 ou 2, visés aux points 1° et 2°, permettant, même de manière occasionnelle ou secondaire, de gagner un prix en argent, en nature, sous la forme de jetons ou de bons-primes ;
4° catégorie 4 : les appareils automatiques de divertissement n'appartenant pas aux catégories 1 à 3, visés aux points 1° à 3°.]2
Lorsque les contingences techniques, économiques ou sociales rendent ces mesures nécessaires, la catégorie dans laquelle un type d'appareil doit être classé peut être fixée ou modifiée par le Gouvernement flamand, après consultation des unions professionnelles intéressées. Pour la classification d'un appareil, il est tenu compte de sa rentabilité, de la nature du jeu proposé et de la multiplicité de la mise.]1
Art. 2.13.3.0.2. [1 Elke combinatie van toestellen waarop gelijktijdig verschillende inzetten kunnen worden gedaan, die ieder recht geven op een afzonderlijk spel, bevat zoveel belastbare toestellen als er afzonderlijke spelen mogelijk zijn die gelijktijdig kunnen plaatsvinden.
Als de combinatie, vermeld in het eerste lid, de aard vertoont van een competitiespel, wordt het aantal belastbare toestellen evenwel beperkt tot het aantal tekens, nummers, figuren of andere voorwerpen die in het spel kunnen worden betrokken.]1
Als de combinatie, vermeld in het eerste lid, de aard vertoont van een competitiespel, wordt het aantal belastbare toestellen evenwel beperkt tot het aantal tekens, nummers, figuren of andere voorwerpen die in het spel kunnen worden betrokken.]1
Art. 2.13.3.0.2. [1 Toute combinaison d'appareils sur lesquels plusieurs mises peuvent simultanément être engagées, chaque mise donnant droit à un jeu distinct, comprend autant d'appareils taxables qu'il y a de potentiels jeux distincts qui peuvent être joués simultanément.
Si la combinaison, visée à l'alinéa premier, a les caractéristiques d'un jeu de compétition, le nombre d'appareils taxables est toutefois limité au nombre de points, de signes ou de figurines ou d'autres objets qui peuvent être associés au jeu.]1
Si la combinaison, visée à l'alinéa premier, a les caractéristiques d'un jeu de compétition, le nombre d'appareils taxables est toutefois limité au nombre de points, de signes ou de figurines ou d'autres objets qui peuvent être associés au jeu.]1
Afdeling 4. [1 Tarieven]1
Section 4. [1 - Tarifs]1
Art. 2.13.4.0.1. [1 De belasting wordt berekend volgens het tarief per kalenderjaar, vermeld in de volgende tabel:
[3
[3
Art. 2.13.4.0.1. [1 La taxe est calculée sur la base du tarif par année calendaire, visé dans le tableau suivant :
[3
[3
| categorie van het toestel | tarief in euro |
| 1 | [1 4600]1 |
| 2 | 500 |
| 3 | 55 |
| 4 | 0 |
| (1)<DVR 2024-12-20/24, art. 49, 068; Inwerkingtreding : 01-01-2025> | |
]3
[2 Een vierde van de belasting, vermeld in het eerste lid, is verschuldigd voor elk kwartaal waarin een automatisch ontspanningstoestel is opgesteld.]2
De tarieven, vermeld in het eerste lid, worden met ingang van 1 januari 2020 jaarlijks geïndexeerd met behulp van de coëfficiënt die wordt verkregen door het algemene indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk, voor de maand [2 oktober]2 van het vorige jaar te delen door het algemene indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk voor de maand [2 oktober]2 van het jaar 2018. Daarbij worden de volgende afrondingen toegepast:
1° de coëfficiënt wordt afgerond op het hogere of lagere tienduizendste naargelang het cijfer van de honderdduizendsten al of niet vijf bereikt;
2° na de toepassing van de coëfficiënt wordt het verkregen bedrag afgerond [2 op het dichtstbijzijnde veelvoud van 40 cent]2.]1
| catégorie de l'appareil | tarif en euro |
| 1 | [1 4 600]1 |
| 2 | 500 |
| 3 | 55 |
| 4 | 0 |
| (1)<DCFL 2024-12-20/24, art. 49, 068; En vigueur : 01-01-2025> | |
]3
[2 Un quart de la taxe, visée à l'alinéa 1er, est dû pour chaque trimestre pendant lequel un appareil automatique de divertissement est installé.]2
Les tarifs visés à l'alinéa premier sont indexés annuellement à partir du 1er janvier 2020 au moyen du coefficient obtenu par la division de l'indice général des prix à la consommation du Royaume pour le mois de [2 octobre]2 de l'année précédente par l'indice général des prix à la consommation du Royaume pour le mois de [2 octobre]2 de l'année 2018. Dans ce contexte, les arrondissements suivants sont appliqués :
1° le coefficient est arrondi au dix millième supérieur ou inférieur selon que le chiffre des cent millièmes atteint ou non cinq ;
2° après l'application du coefficient, le montant obtenu est arrondi [2 au plus proche multiple de 40 centimes]2.]1
Art. 2.13.4.0.2. [1 De provincies en de gemeenten zijn niet gemachtigd tot het heffen van opcentiemen op belasting op de automatische ontspanningstoestellen of van welke belasting dan ook op de automatische ontspanningstoestellen die onderhevig zijn aan de belasting, vermeld in dit hoofdstuk.]1
Art. 2.13.4.0.2. [1 Les provinces et les communes ne sont pas autorisées à lever des centimes additionnels sur la taxe sur les appareils automatiques de divertissement ou sur quelle taxe que ce soit sur les appareils automatiques de divertissement qui sont soumis à la taxe visée dans le présent chapitre.]1
Afdeling 5. [1 - Verminderingen]1
Section 5. [1 - Réductions]1
Afdeling 6. [1 - Vrijstellingen]1
Section 6. [1 - Exonérations]1
Art. 2.13.6.0.1. [1 Er wordt een vrijstelling van de belasting verleend voor de automatische ontspanningstoestellen:
1° die in de lokalen die daarvoor bestemd zijn, uitsluitend ter beschikking staan van de jeugdbewegingen, van bewoners van rust- en verzorgingsinstellingen of van in ziekenhuizen opgenomen personen;
2° die zich bevinden in een kansspelinrichting van klasse I als vermeld in artikel 6 van de Kansspelwet van 7 mei 1999, en onderworpen worden aan de belasting, vermeld in artikel 2.12.4.0.1, § 2, 3°.]1
1° die in de lokalen die daarvoor bestemd zijn, uitsluitend ter beschikking staan van de jeugdbewegingen, van bewoners van rust- en verzorgingsinstellingen of van in ziekenhuizen opgenomen personen;
2° die zich bevinden in een kansspelinrichting van klasse I als vermeld in artikel 6 van de Kansspelwet van 7 mei 1999, en onderworpen worden aan de belasting, vermeld in artikel 2.12.4.0.1, § 2, 3°.]1
Art. 2.13.6.0.1. [1 Une exonération de la taxe est octroyée pour les appareils automatiques de divertissement :
1° qui dans les salles destinées à cette fin, sont mis à la disposition exclusive des mouvements de jeunesse, de résidents d'établissements de repos et de soins ou de personnes hospitalisées ;
2° qui sont considérés comme un établissement de jeux de hasard de classe I, tel que visé à l'article 6 de la Loi sur les jeux du hasard du 7 mai 1999 et soumis à la taxe, visée à l'article 2.12.4.0.1, § 2, 3°.]1
1° qui dans les salles destinées à cette fin, sont mis à la disposition exclusive des mouvements de jeunesse, de résidents d'établissements de repos et de soins ou de personnes hospitalisées ;
2° qui sont considérés comme un établissement de jeux de hasard de classe I, tel que visé à l'article 6 de la Loi sur les jeux du hasard du 7 mai 1999 et soumis à la taxe, visée à l'article 2.12.4.0.1, § 2, 3°.]1
Afdeling 7. [1 Wijze van heffing]1
Section 7. [1 - Modalités de perception]1
Art. 2.13.7.0.1. [1 De belasting wordt gevestigd op zicht van de aangifte, vermeld in artikel 3.3.1.0.16, of ambtshalve als de aangifte niet is ingediend binnen de termijn, vermeld in artikel 3.3.1.0.16, of bij onjuistheid of onvolledigheid van de aangifte, en conform de bepalingen van artikel 3.3.2.0.1, eerste lid, 12°, en tweede lid, 8°, en artikel 3.3.3.0.1, § 2.]1
Art. 2.13.7.0.1. [1 La taxe est établie sur vue de la déclaration, visée à l'article 3.3.1.0.16 ou d'office si la déclaration n'a pas été introduite endéans le délai, visé dans l'article 3.3.1.0.16, ou en cas d'inexactitude ou d'incomplétude de la déclaration, et conformément aux dispositions de l'article 3.3.2.0.1, alinéa premier, 12° et alinéa deux, 8°, et à l'article 3.3.3.0.1, § 2.]1
Art. 2.13.7.0.2. [1 [2 Afdeling 5 en 6 van dit hoofdstuk zijn]2 niet van toepassing op de automatische ontspanningstoestellen waarvan de exploitatie is verboden krachtens artikel 4, 7 en 8 van de Kansspelwet van 7 mei 1999.]1
Art. 2.13.7.0.2. [1 [2 Les sections 5 et 6 du présent chapitre ne s'appliquent pas]2 aux appareils automatiques de divertissement dont l'exploitation est interdite en vertu des articles 4, 7 et 8 de la Loi sur les jeux du hasard du 7 mai 1999.]1
TITEL 3. - Inning en invordering
TITRE 3. - Perception et recouvrement
Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen, opcentiemen, opdeciem en administratieve onkostenvergoedingen
Chapitre 1er. - Dispositions préliminaires, centimes additionnels, décime additionnel et indemnisations administratives
Art. 3.1.0.0.1. [1 De bepalingen van titel 3 zijn, behalve bij afwijkende bijzondere bepalingen, van toepassing op alle belastingen, vermeld in titel 2, alsook op het eurovignet.]1
[2 In afwijking van het eerste lid, zijn de volgende bepalingen van deze titel niet van toepassing op de kilometerheffing:
- hoofdstuk 2;
- hoofdstuk 3, met uitzondering van artikel 3.3.1.0.11, 3.3.1.0.13, 3.3.2.0.1, eerste lid, 10°, en tweede lid, 6°, en 3.3.3.0.1, § 2, tweede lid;
- hoofdstuk 4;
- hoofdstuk 5 met uitzondering van artikel 3.5.3.0.2;
- hoofdstuk 6;
- hoofdstuk 7;
- hoofdstuk 10, met uitzondering van artikel 3.10.3.1.1, § 2, tweede lid, en artikel 3.10.4.5.1, tweede en derde lid;
- hoofdstuk 12.
[3 ...]3.]2
De Vlaamse Regering kan :
1° de wijze regelen waarop men moet handelen voor de aangiften, de opmaak en de kennisgeving van de kohieren, de betalingen, de bewijzen van betaling en de inning en invordering van de verschuldigde bedragen;
2° het tarief van de vervolgingskosten regelen.
Als een vordering voor het gerecht, zelfs gedeeltelijk, maatregelen tot voorwerp heeft die ertoe strekken de invordering te verwezenlijken of te waarborgen van de belastingen en toebehoren, hebben de cassatietermijn alsook de voorziening in cassatie schorsende kracht.
[2 In afwijking van het eerste lid, zijn de volgende bepalingen van deze titel niet van toepassing op de kilometerheffing:
- hoofdstuk 2;
- hoofdstuk 3, met uitzondering van artikel 3.3.1.0.11, 3.3.1.0.13, 3.3.2.0.1, eerste lid, 10°, en tweede lid, 6°, en 3.3.3.0.1, § 2, tweede lid;
- hoofdstuk 4;
- hoofdstuk 5 met uitzondering van artikel 3.5.3.0.2;
- hoofdstuk 6;
- hoofdstuk 7;
- hoofdstuk 10, met uitzondering van artikel 3.10.3.1.1, § 2, tweede lid, en artikel 3.10.4.5.1, tweede en derde lid;
- hoofdstuk 12.
[3 ...]3.]2
De Vlaamse Regering kan :
1° de wijze regelen waarop men moet handelen voor de aangiften, de opmaak en de kennisgeving van de kohieren, de betalingen, de bewijzen van betaling en de inning en invordering van de verschuldigde bedragen;
2° het tarief van de vervolgingskosten regelen.
Als een vordering voor het gerecht, zelfs gedeeltelijk, maatregelen tot voorwerp heeft die ertoe strekken de invordering te verwezenlijken of te waarborgen van de belastingen en toebehoren, hebben de cassatietermijn alsook de voorziening in cassatie schorsende kracht.
Art. 3.1.0.0.1. [1 Les dispositions du titre 3 s'appliquent, sauf en cas de dispositions dérogatoires, à tous les impôts, visés au titre 2, ainsi qu'à l'eurovignette.]1
[2 Par dérogation à l'alinéa 1er, les dispositions suivantes du présent titre ne s'appliquent pas au prélèvement kilométrique :
- le chapitre 2 ;
- le chapitre 3, à l'exception des articles 3.3.1.0.11, 3.3.1.0.13, 3.3.2.0.1, alinéa 1er, 10°, et alinéa 2, 6°, et 3.3.3.0.1, § 2, alinéa 2 ;
- le chapitre 4 ;
- le chapitre 5, à l'exception de l'article 3.5.3.0.2 ;
- le chapitre 6 ;
- le chapitre 7 ;
- le chapitre 10, à l'exception de l'article 3.10.3.1.1, § 2, alinéa 2, et l'article 3.10.4.5.1, alinéas 2 et 3 ;
- le chapitre 12.
[3 ...]3.]2
Le Gouvernement flamand peut :
1° régler les modalités obligatoires des déclarations, de l'établissement et de la notification des rôles, des paiements, des preuves de paiement et de la perception et du recouvrement des montants dus;
2° fixer le tarif des frais de poursuite;
Si une action en justice, même partielle, a pour objet des mesures qui tendent à réaliser ou à garantir le recouvrement des impôts et accessoires, le délai de cassation ainsi que le pourvoi en cassation ont un effet suspensif.
[2 Par dérogation à l'alinéa 1er, les dispositions suivantes du présent titre ne s'appliquent pas au prélèvement kilométrique :
- le chapitre 2 ;
- le chapitre 3, à l'exception des articles 3.3.1.0.11, 3.3.1.0.13, 3.3.2.0.1, alinéa 1er, 10°, et alinéa 2, 6°, et 3.3.3.0.1, § 2, alinéa 2 ;
- le chapitre 4 ;
- le chapitre 5, à l'exception de l'article 3.5.3.0.2 ;
- le chapitre 6 ;
- le chapitre 7 ;
- le chapitre 10, à l'exception de l'article 3.10.3.1.1, § 2, alinéa 2, et l'article 3.10.4.5.1, alinéas 2 et 3 ;
- le chapitre 12.
[3 ...]3.]2
Le Gouvernement flamand peut :
1° régler les modalités obligatoires des déclarations, de l'établissement et de la notification des rôles, des paiements, des preuves de paiement et de la perception et du recouvrement des montants dus;
2° fixer le tarif des frais de poursuite;
Si une action en justice, même partielle, a pour objet des mesures qui tendent à réaliser ou à garantir le recouvrement des impôts et accessoires, le délai de cassation ainsi que le pourvoi en cassation ont un effet suspensif.
Art. 3.1.0.0.2. § 1. Aan de belastingschuldigen wordt door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie een fiscaal identificatienummer toegekend, namelijk een van de volgende nummers :
1° het identificatienummer uit het Rijksregister van de natuurlijke personen;
2° het ondernemingsnummer dat bekend is bij de Kruispuntbank van Ondernemingen;
3° een automatisch gegenereerd nummer voor alle overige belastingschuldigen voor wie geen bekend nummer als vermeld in 1° of 2°, bestaat.
§ 2. Het fiscale identificatienummer mag worden gebruikt in de bestanden en repertoria van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie. Het gebruik ervan is alleen geoorloofd met het doel om te identificeren.
§ 3. Naast de toepassing, vermeld in paragraaf 2, mag het fiscale identificatienummer van de natuurlijke personen alleen gebruikt worden als identificatiemiddel in de volgende externe betrekkingen die nodig zijn voor de uitvoering van deze codex en van andere regelgeving ter uitvoering ervan waarmee de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie is belast :
1° betrekkingen met de houder van het nummer of met zijn wettelijke vertegenwoordigers;
2° betrekkingen met de erfgenamen, algemene legatarissen of begiftigden als de houder van het nummer overleden is;
3° betrekkingen met de lasthebbers aan wie de houder van het nummer een algemene lastgeving inzake belastingen heeft verleend, op voorwaarde dat de houder van het nummer zijn schriftelijke toestemming geeft aan de lasthebber;
4° betrekkingen met de openbare overheden of de instellingen, gemachtigd krachtens artikel 8 van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen;
5° betrekkingen met de natuurlijke personen of rechtspersonen en de feitelijke verenigingen die ertoe gehouden zijn informatie te verstrekken over de houder van het identificatienummer, in het kader van de verplichtingen die hun zijn opgelegd door deze codex of ingevolge de uitvoering ervan;
6° betrekkingen met de bestuursdiensten van de staat, de besturen van de gemeenschappen, de gewesten, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten en de gemeenten, alsook met de vennootschappen, verenigingen, instellingen of inrichtingen naar publiek recht die met het oog op het verstrekken van bepaalde voordelen inkomstengetuigschriften aanvragen over de fiscale toestand van de houder van het nummer.
De personen, instellingen en verenigingen, vermeld in het eerste lid, mogen alleen over het nummer beschikken voor de uitvoering van de vermelde verplichtingen.
De schriftelijke toestemming, vermeld in het eerste lid, 3°, kan op ieder ogenblik worden ingetrokken. De intrekking ervan heeft alleen uitwerking voor de toekomst.
§ 4. Als de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie aan een derde de uitvoering toevertrouwt van werken die nodig zijn om taken te vervullen waarmee ze is belast, is die entiteit gemachtigd, uitsluitend voor de uitvoering van die werken :
1° aan die derde de informatiegegevens, vermeld in artikel 3, eerste en tweede lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, mee te delen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van die werken;
2° het fiscale identificatienummer alleen als identificatiemiddel te gebruiken.
De derden, vermeld in het eerste lid, mogen alleen over de beoogde informatiegegevens en over het fiscale identificatienummer beschikken gedurende de tijd die nodig is voor de uitvoering van die werken, en ze mogen het fiscale identificatienummer uitsluitend voor dat doel gebruiken.
§ 5. De volgende personen, instanties en verenigingen onderworpen aan de verplichting om het fiscale identificatienummer van de natuurlijke personen te vermelden :
1° de openbare overheden en instellingen, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, 4°, in hun betrekkingen met de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie telkens als ze ertoe gehouden zijn inlichtingen te verstrekken over de houder van dat identificatienummer;
2° de natuurlijke personen of rechtspersonen en de feitelijke verenigingen die zich bevinden in de toestand, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, 5°, en die verplicht zijn gebruik te maken van het identificatienummer van de natuurlijke personen met toepassing van de koninklijke besluiten van 5 december 1986 tot regeling in de sociale sector van het gebruik van het identificatienummer van het Rijksregister van de natuurlijke personen.
1° het identificatienummer uit het Rijksregister van de natuurlijke personen;
2° het ondernemingsnummer dat bekend is bij de Kruispuntbank van Ondernemingen;
3° een automatisch gegenereerd nummer voor alle overige belastingschuldigen voor wie geen bekend nummer als vermeld in 1° of 2°, bestaat.
§ 2. Het fiscale identificatienummer mag worden gebruikt in de bestanden en repertoria van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie. Het gebruik ervan is alleen geoorloofd met het doel om te identificeren.
§ 3. Naast de toepassing, vermeld in paragraaf 2, mag het fiscale identificatienummer van de natuurlijke personen alleen gebruikt worden als identificatiemiddel in de volgende externe betrekkingen die nodig zijn voor de uitvoering van deze codex en van andere regelgeving ter uitvoering ervan waarmee de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie is belast :
1° betrekkingen met de houder van het nummer of met zijn wettelijke vertegenwoordigers;
2° betrekkingen met de erfgenamen, algemene legatarissen of begiftigden als de houder van het nummer overleden is;
3° betrekkingen met de lasthebbers aan wie de houder van het nummer een algemene lastgeving inzake belastingen heeft verleend, op voorwaarde dat de houder van het nummer zijn schriftelijke toestemming geeft aan de lasthebber;
4° betrekkingen met de openbare overheden of de instellingen, gemachtigd krachtens artikel 8 van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen;
5° betrekkingen met de natuurlijke personen of rechtspersonen en de feitelijke verenigingen die ertoe gehouden zijn informatie te verstrekken over de houder van het identificatienummer, in het kader van de verplichtingen die hun zijn opgelegd door deze codex of ingevolge de uitvoering ervan;
6° betrekkingen met de bestuursdiensten van de staat, de besturen van de gemeenschappen, de gewesten, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten en de gemeenten, alsook met de vennootschappen, verenigingen, instellingen of inrichtingen naar publiek recht die met het oog op het verstrekken van bepaalde voordelen inkomstengetuigschriften aanvragen over de fiscale toestand van de houder van het nummer.
De personen, instellingen en verenigingen, vermeld in het eerste lid, mogen alleen over het nummer beschikken voor de uitvoering van de vermelde verplichtingen.
De schriftelijke toestemming, vermeld in het eerste lid, 3°, kan op ieder ogenblik worden ingetrokken. De intrekking ervan heeft alleen uitwerking voor de toekomst.
§ 4. Als de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie aan een derde de uitvoering toevertrouwt van werken die nodig zijn om taken te vervullen waarmee ze is belast, is die entiteit gemachtigd, uitsluitend voor de uitvoering van die werken :
1° aan die derde de informatiegegevens, vermeld in artikel 3, eerste en tweede lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, mee te delen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van die werken;
2° het fiscale identificatienummer alleen als identificatiemiddel te gebruiken.
De derden, vermeld in het eerste lid, mogen alleen over de beoogde informatiegegevens en over het fiscale identificatienummer beschikken gedurende de tijd die nodig is voor de uitvoering van die werken, en ze mogen het fiscale identificatienummer uitsluitend voor dat doel gebruiken.
§ 5. De volgende personen, instanties en verenigingen onderworpen aan de verplichting om het fiscale identificatienummer van de natuurlijke personen te vermelden :
1° de openbare overheden en instellingen, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, 4°, in hun betrekkingen met de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie telkens als ze ertoe gehouden zijn inlichtingen te verstrekken over de houder van dat identificatienummer;
2° de natuurlijke personen of rechtspersonen en de feitelijke verenigingen die zich bevinden in de toestand, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, 5°, en die verplicht zijn gebruik te maken van het identificatienummer van de natuurlijke personen met toepassing van de koninklijke besluiten van 5 december 1986 tot regeling in de sociale sector van het gebruik van het identificatienummer van het Rijksregister van de natuurlijke personen.
Art. 3.1.0.0.2. § 1er. Un numéro d'identification fiscale est attribué aux redevables par l'entité compétente de l'administration flamande, notamment un des numéros suivants :
1° le numéro d'identification du Registre national des personnes physiques;
2° le numéro d'entreprise tel que connu à la Banque-Carrefour des Entreprises;
3° un numéro généré automatiquement pour tous les autres redevables pour lesquels aucun numéro, tel que cité dans 1° et 2°, n'est connu.
§ 2. Le numéro d'identification fiscale peut être utilisé dans les fichiers et répertoires de l'entité compétente de l'administration flamande . Son utilisation n'est autorisée qu'à des fins d'identification.
§ 3. Outre l'application, citée dans le paragraphe 2, le numéro d'identification fiscale des personnes physiques peut uniquement être utilisé comme moyen d'identification dans les relations externes suivantes qui sont nécessaires à l'exécution du présent code et d'autres règlements en vue de son exécution dont l'entité compétente de l'administration flamande est chargée.
1° relations avec le titulaire du numéro ou avec ses représentants légaux;
2° relations avec les héritiers, légataires ou bénéficiaires généraux si le titulaire du numéro est décédé;
3° relations avec le mandataire auquel le titulaire du numéro a conféré un mandat général en matière d'impôts, à condition que le titulaire du numéro donne son consentement écrit au mandataire;
4° relations avec les pouvoirs ou organismes publics, mandatés en vertu de l'article 8 de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques;
5° relations avec des personnes physiques ou morales et les associations de fait qui sont tenues à fournir des informations sur le titulaire du numéro d'identification, dans le cadre des obligations qui leur sont imposées par le présent code ou suite à son exécution;
6° relations avec les services administratifs de l'état, les administrations des communautés, des régions, des provinces, des agglomérations, des fédérations de communes et des communes, ainsi qu'avec les sociétés, associations, organismes ou établissements de droit public qui, en vue de l'octroi de certains avantages, demandent des attestations de revenu sur la situation fiscale du titulaire du numéro.
Les personnes, organismes et établissements, cités dans l'alinéa premier, peuvent uniquement disposer du numéro en vue l'exécution des obligations citées.
Le consentement écrit, cité dans l'alinéa premier, 3°, peut à tout moment être retiré. Le retrait ne produit d'effet que pour l'avenir.
§ 4. Si l'entité compétente de l'administration flamande confie l'exécution de travaux nécessaires à remplir les tâches dont elle est chargée, à un tiers, cette entité est autorisée, exclusivement pour l'exécution de ces travaux :
1° de communiquer à ce tiers les donnés d'information, citées dans l'article 3, alinéas premier et deux, de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques, qui sont nécessaires à l'exécution de ces travaux;
2° de n'utiliser le numéro d'identification que comme moyen d'identification;
Les tiers, cités dans l'alinéa premier, peuvent uniquement disposer des données d'information envisagées et du numéro d'identification fiscale pendant la période nécessaire à l'exécution des travaux et ils peuvent exclusivement utiliser le numéro d'identification fiscale à cette fin.
§ 5. Les personnes, instances et associations suivantes qui sont soumises à l'obligation de mentionner le numéro d'identification fiscale de personnes physiques :
1° les pouvoirs et organismes publics, cités dans le paragraphe 3, alinéa premier, 4°, dans leurs relations avec l'entité compétente de l'administration flamande, chaque fois qu'ils sont tenus à fournir des informations sur le titulaire de ce numéro d'identification;
2° les personnes physiques ou personnes morales et les associations de fait qui se trouvent dans la situation, citée dans le paragraphe 3, alinéa premier, 5°, et qui sont obligées d'utiliser le numéro d'identification des personnes physiques en application des arrêtés royaux du 5 décembre 1986 réglant l'utilisation dans le secteur social du numéro d'identification du Registre national des personnes physiques.
1° le numéro d'identification du Registre national des personnes physiques;
2° le numéro d'entreprise tel que connu à la Banque-Carrefour des Entreprises;
3° un numéro généré automatiquement pour tous les autres redevables pour lesquels aucun numéro, tel que cité dans 1° et 2°, n'est connu.
§ 2. Le numéro d'identification fiscale peut être utilisé dans les fichiers et répertoires de l'entité compétente de l'administration flamande . Son utilisation n'est autorisée qu'à des fins d'identification.
§ 3. Outre l'application, citée dans le paragraphe 2, le numéro d'identification fiscale des personnes physiques peut uniquement être utilisé comme moyen d'identification dans les relations externes suivantes qui sont nécessaires à l'exécution du présent code et d'autres règlements en vue de son exécution dont l'entité compétente de l'administration flamande est chargée.
1° relations avec le titulaire du numéro ou avec ses représentants légaux;
2° relations avec les héritiers, légataires ou bénéficiaires généraux si le titulaire du numéro est décédé;
3° relations avec le mandataire auquel le titulaire du numéro a conféré un mandat général en matière d'impôts, à condition que le titulaire du numéro donne son consentement écrit au mandataire;
4° relations avec les pouvoirs ou organismes publics, mandatés en vertu de l'article 8 de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques;
5° relations avec des personnes physiques ou morales et les associations de fait qui sont tenues à fournir des informations sur le titulaire du numéro d'identification, dans le cadre des obligations qui leur sont imposées par le présent code ou suite à son exécution;
6° relations avec les services administratifs de l'état, les administrations des communautés, des régions, des provinces, des agglomérations, des fédérations de communes et des communes, ainsi qu'avec les sociétés, associations, organismes ou établissements de droit public qui, en vue de l'octroi de certains avantages, demandent des attestations de revenu sur la situation fiscale du titulaire du numéro.
Les personnes, organismes et établissements, cités dans l'alinéa premier, peuvent uniquement disposer du numéro en vue l'exécution des obligations citées.
Le consentement écrit, cité dans l'alinéa premier, 3°, peut à tout moment être retiré. Le retrait ne produit d'effet que pour l'avenir.
§ 4. Si l'entité compétente de l'administration flamande confie l'exécution de travaux nécessaires à remplir les tâches dont elle est chargée, à un tiers, cette entité est autorisée, exclusivement pour l'exécution de ces travaux :
1° de communiquer à ce tiers les donnés d'information, citées dans l'article 3, alinéas premier et deux, de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques, qui sont nécessaires à l'exécution de ces travaux;
2° de n'utiliser le numéro d'identification que comme moyen d'identification;
Les tiers, cités dans l'alinéa premier, peuvent uniquement disposer des données d'information envisagées et du numéro d'identification fiscale pendant la période nécessaire à l'exécution des travaux et ils peuvent exclusivement utiliser le numéro d'identification fiscale à cette fin.
§ 5. Les personnes, instances et associations suivantes qui sont soumises à l'obligation de mentionner le numéro d'identification fiscale de personnes physiques :
1° les pouvoirs et organismes publics, cités dans le paragraphe 3, alinéa premier, 4°, dans leurs relations avec l'entité compétente de l'administration flamande, chaque fois qu'ils sont tenus à fournir des informations sur le titulaire de ce numéro d'identification;
2° les personnes physiques ou personnes morales et les associations de fait qui se trouvent dans la situation, citée dans le paragraphe 3, alinéa premier, 5°, et qui sont obligées d'utiliser le numéro d'identification des personnes physiques en application des arrêtés royaux du 5 décembre 1986 réglant l'utilisation dans le secteur social du numéro d'identification du Registre national des personnes physiques.
Art. 3.1.0.0.3. [1 § 1.]1 De gegevens en de documenten die de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie heeft ontvangen, opgesteld of verzonden in het kader van de toepassing van de bepalingen van deze codex, met inbegrip van de door de belastingplichtigen ingediende aangiften, alsook de daarbij gevoegde documenten en bewijsstukken, en die fotografisch, optisch, elektronisch of volgens elke andere informatica- of telegeleidingstechniek worden geregistreerd, bewaard of weergegeven, alsook de weergave ervan op een leesbare drager, hebben bewijskracht voor de toepassing van de bepalingen van deze codex.
[1 § 2. [2 ...]2.]1
[1 § 2. [2 ...]2.]1
Art. 3.1.0.0.3. [1 § 1.]1 Les informations et les documents que l'entité compétente de l'administration flamande a reçus, établis ou envoyés dans le cadre de l'application du présent code, y compris les déclarations introduites par les contribuables ainsi que les documents ou pièces justificatives joints à ces dernières, et qui sont enregistrés, conservés ou reproduits par des moyens photographiques, optiques ou électroniques ou par toute autre technique d'informatique ou de télécommunication, ainsi que leur reproduction sur un support lisible, ont force probante pour l'application des dispositions du présent code.
[1 § 2. [2 ...]2]1
[1 § 2. [2 ...]2]1
Art. 3.1.0.0.4. § 1. Als er met toepassing van de bepalingen van deze codex opcentiemen of een opdeciem worden geheven, worden die, samen met de belasting zelf, geïnd door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.
§ 2. Als de provincies, de agglomeraties en de gemeenten ertoe besluiten opcentiemen te heffen met toepassing van de bepalingen van deze codex, stellen de provincieraad, respectievelijk de agglomeratieraad of de gemeenteraad daarvan uiterlijk op 31 januari van het aanslagjaar de opcentiemen voor het aanslagjaar in kwestie vast en delen ze die opcentiemen uiterlijk op 1 maart van hetzelfde jaar [3 met een elektronische zending mee aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie]3. [3 De overeenstemmende belasting waarop de opcentiemen geheven worden, wordt aangeduid op het ter beschikking gestelde digitale loket.]3
[3 In het eerste lid wordt verstaan onder elektronische zending: een beveiligde zending via het digitale loket, vermeld in artikel 1, 2°, a), van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2018 tot vaststelling van de wijze van communicatie tussen het lokaal bestuur, de indiener van de klacht en de toezichthoudende overheid in het kader van het bestuurlijk toezicht op het lokaal bestuur en artikel 1, 2°, a), van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 2018 tot vaststelling van de wijze van communicatie tussen de provincieoverheid, de indiener van de klacht en de toezichthoudende overheid in het kader van het bestuurlijk toezicht op de provincieoverheid.]3
[1 Als de provincie-, agglomeratie- of gemeenteraad de opcentiemen op de onroerende voorheffing niet heeft vastgesteld of als een van de data of beide data, vermeld in het eerste lid, werden overschreden, zal de onroerende voorheffing worden gevestigd met toepassing van de opcentiemen die voor de provincie, gemeente of agglomeratie in kwestie van toepassing waren voor het voorafgaande aanslagjaar.]1
[2 Voor de toepassing van het [3 derde lid]3 wordt uitgegaan van de naleving van de verplichtingen, vermeld in artikel 2.1.4.0.2, § 2 en § 3.]2
§ 3. De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie stort aan de provincies, de agglomeraties en de gemeenten de ontvangsten die ze voor hun rekening verwezenlijkt hebben, door in de maand die volgt op de maand van de ontvangsten, verminderd met de ontheffingen van betaalde vorderingen die doorgevoerd zijn tijdens de maand van de inning van die ontvangsten.
Als de ontheffingen van betaalde vorderingen die in de loop van een maand zijn doorgevoerd ten laste van respectievelijk een provincie, een agglomeratie of een gemeente, meer bedragen dan de ontvangsten die door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie gedurende diezelfde maand voor rekening van die overheid zijn geïnd, vormt dat excedent voor de genoemde entiteit van de Vlaamse administratie een schuldvordering die terugvorderbaar is bij respectievelijk de provincie, de agglomeratie of de gemeente.
De schuldvordering, vermeld in het tweede lid, wordt ingevorderd door ambtshalve inhouding op de toekenning van de ontvangsten van de maand die volgt op die van de verrekening van de ontheffingen. Als het bedrag van de ontvangsten dat toegekend wordt gedurende de maand die volgt op die van de verrekening van de ontheffing ontoereikend is om het bedrag van de schuldvordering dat overblijft te vrijwaren, wordt dat saldo van de schuldvordering ingevorderd door ambtshalve inhouding op de toekenning van de ontvangsten van de daaropvolgende maand. Die verrekening wordt herhaald tot de schuldvordering is aangezuiverd.
§ 4. De ontvangsten, vermeld in paragraaf 3, kunnen naast de opcentiemen en de opdeciem ook de bedragen, vermeld in artikel 3.1.0.0.5, bevatten. Ontvangsten die voortkomen uit interesten, boetes of bij de belastingschuldige gerecupereerde invorderingskosten, worden evenwel nooit doorgestort en komen het Vlaamse Gewest toe.
§ 5. In afwijking van paragraaf 3 geldt voor de onroerende voorheffing de volgende regeling :
1° de Vlaamse Regering wordt ertoe gemachtigd voorschotten toe te staan aan de gemeenten, de agglomeraties en de provincies in het kader van de inning van de opcentiemen op de onroerende voorheffing;
2° de voorschotten, vermeld in punt 1°, worden berekend op 95 % van het bedrag van de jaarontvangsten inzake opcentiemen op de onroerende voorheffing die geraamd zijn in hun respectieve goedgekeurde begrotingen, dat de gemeente respectievelijk de agglomeratie of de provincie uiterlijk op 15 mei van het aanslagjaar in kwestie aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie heeft opgegeven. Bij ontstentenis van een mededeling op de vervaldag wordt de berekening van de voorschotten gebaseerd op de jaarontvangsten inzake opcentiemen op de onroerende voorheffing die de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie per gemeente, agglomeratie en provincie voor het aanslagjaar in kwestie geraamd heeft;
3° als de conform paragraaf 2 meegedeelde opcentiemen wijzigen ten opzichte van het voorgaande aanslagjaar, zal de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie de geraamde jaarontvangsten aanpassen en meedelen op het ogenblik dat het saldo, vermeld in punt 5°, aan de gemeenten, agglomeraties of provincies wordt meegedeeld;
4° de voorschotten, vermeld in punt 1°, worden vanaf het tweede semester van het begrotingsjaar in zes maandelijkse gelijke schijven uitbetaald met valuta op de vijfde bankwerkdag van iedere maand;
5° het saldo van alle verworven opcentiemen op de laatste dag van de maand mei van het jaar dat volgt op het aanslagjaar in kwestie, verminderd met de voorschotten die al uitbetaald zijn voor het aanslagjaar in kwestie en verminderd met de bedragen van betaalde vorderingen die voor het aanslagjaar in kwestie en eventueel voor voorgaande aanslagjaren in ontheffing gezet zijn, wordt uiterlijk gestort op de laatste bankwerkdag van de maand juli van het jaar dat volgt op het aanslagjaar in kwestie;
6° opcentiemen die worden verworven na de laatste dag van de maand mei van het jaar dat volgt op het aanslagjaar in kwestie, worden na vermindering met de nog niet verrekende bedragen van betaalde vorderingen die in ontheffing gezet zijn, doorgestort uiterlijk op de laatste bankwerkdag van de maand die volgt op de maand van de verwerving;
7° als wordt vastgesteld dat het saldo, vermeld in 5° negatief is, wordt het voorschot van het eerstvolgende aanslagjaar, vermeld in 2° en 4°, verminderd met dat negatieve saldo. In voorkomend geval worden de verworven opcentiemen van het eerstvolgende aanslagjaar ook verminderd met hetzelfde negatieve saldo;
8° zowel de orderekeningen als de financiële rekening waarop de opcentiemen op de onroerende voorheffing voor rekening van de gemeenten, de agglomeraties en de provincies vooraf worden betaald, mogen een negatief saldo vertonen voor het bedrag van de gecumuleerde voorschotten.
§ 6. Na afloop van elk kalenderjaar stuurt de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie naar elke provincie, agglomeratie en gemeente die opcentiemen heft, een lijst met vermelding van de totale opbrengst van de opcentiemen die, op basis van de inningen, aan respectievelijk de provincie, de agglomeratie of de gemeente toekomen.
§ 2. Als de provincies, de agglomeraties en de gemeenten ertoe besluiten opcentiemen te heffen met toepassing van de bepalingen van deze codex, stellen de provincieraad, respectievelijk de agglomeratieraad of de gemeenteraad daarvan uiterlijk op 31 januari van het aanslagjaar de opcentiemen voor het aanslagjaar in kwestie vast en delen ze die opcentiemen uiterlijk op 1 maart van hetzelfde jaar [3 met een elektronische zending mee aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie]3. [3 De overeenstemmende belasting waarop de opcentiemen geheven worden, wordt aangeduid op het ter beschikking gestelde digitale loket.]3
[3 In het eerste lid wordt verstaan onder elektronische zending: een beveiligde zending via het digitale loket, vermeld in artikel 1, 2°, a), van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2018 tot vaststelling van de wijze van communicatie tussen het lokaal bestuur, de indiener van de klacht en de toezichthoudende overheid in het kader van het bestuurlijk toezicht op het lokaal bestuur en artikel 1, 2°, a), van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 2018 tot vaststelling van de wijze van communicatie tussen de provincieoverheid, de indiener van de klacht en de toezichthoudende overheid in het kader van het bestuurlijk toezicht op de provincieoverheid.]3
[1 Als de provincie-, agglomeratie- of gemeenteraad de opcentiemen op de onroerende voorheffing niet heeft vastgesteld of als een van de data of beide data, vermeld in het eerste lid, werden overschreden, zal de onroerende voorheffing worden gevestigd met toepassing van de opcentiemen die voor de provincie, gemeente of agglomeratie in kwestie van toepassing waren voor het voorafgaande aanslagjaar.]1
[2 Voor de toepassing van het [3 derde lid]3 wordt uitgegaan van de naleving van de verplichtingen, vermeld in artikel 2.1.4.0.2, § 2 en § 3.]2
§ 3. De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie stort aan de provincies, de agglomeraties en de gemeenten de ontvangsten die ze voor hun rekening verwezenlijkt hebben, door in de maand die volgt op de maand van de ontvangsten, verminderd met de ontheffingen van betaalde vorderingen die doorgevoerd zijn tijdens de maand van de inning van die ontvangsten.
Als de ontheffingen van betaalde vorderingen die in de loop van een maand zijn doorgevoerd ten laste van respectievelijk een provincie, een agglomeratie of een gemeente, meer bedragen dan de ontvangsten die door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie gedurende diezelfde maand voor rekening van die overheid zijn geïnd, vormt dat excedent voor de genoemde entiteit van de Vlaamse administratie een schuldvordering die terugvorderbaar is bij respectievelijk de provincie, de agglomeratie of de gemeente.
De schuldvordering, vermeld in het tweede lid, wordt ingevorderd door ambtshalve inhouding op de toekenning van de ontvangsten van de maand die volgt op die van de verrekening van de ontheffingen. Als het bedrag van de ontvangsten dat toegekend wordt gedurende de maand die volgt op die van de verrekening van de ontheffing ontoereikend is om het bedrag van de schuldvordering dat overblijft te vrijwaren, wordt dat saldo van de schuldvordering ingevorderd door ambtshalve inhouding op de toekenning van de ontvangsten van de daaropvolgende maand. Die verrekening wordt herhaald tot de schuldvordering is aangezuiverd.
§ 4. De ontvangsten, vermeld in paragraaf 3, kunnen naast de opcentiemen en de opdeciem ook de bedragen, vermeld in artikel 3.1.0.0.5, bevatten. Ontvangsten die voortkomen uit interesten, boetes of bij de belastingschuldige gerecupereerde invorderingskosten, worden evenwel nooit doorgestort en komen het Vlaamse Gewest toe.
§ 5. In afwijking van paragraaf 3 geldt voor de onroerende voorheffing de volgende regeling :
1° de Vlaamse Regering wordt ertoe gemachtigd voorschotten toe te staan aan de gemeenten, de agglomeraties en de provincies in het kader van de inning van de opcentiemen op de onroerende voorheffing;
2° de voorschotten, vermeld in punt 1°, worden berekend op 95 % van het bedrag van de jaarontvangsten inzake opcentiemen op de onroerende voorheffing die geraamd zijn in hun respectieve goedgekeurde begrotingen, dat de gemeente respectievelijk de agglomeratie of de provincie uiterlijk op 15 mei van het aanslagjaar in kwestie aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie heeft opgegeven. Bij ontstentenis van een mededeling op de vervaldag wordt de berekening van de voorschotten gebaseerd op de jaarontvangsten inzake opcentiemen op de onroerende voorheffing die de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie per gemeente, agglomeratie en provincie voor het aanslagjaar in kwestie geraamd heeft;
3° als de conform paragraaf 2 meegedeelde opcentiemen wijzigen ten opzichte van het voorgaande aanslagjaar, zal de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie de geraamde jaarontvangsten aanpassen en meedelen op het ogenblik dat het saldo, vermeld in punt 5°, aan de gemeenten, agglomeraties of provincies wordt meegedeeld;
4° de voorschotten, vermeld in punt 1°, worden vanaf het tweede semester van het begrotingsjaar in zes maandelijkse gelijke schijven uitbetaald met valuta op de vijfde bankwerkdag van iedere maand;
5° het saldo van alle verworven opcentiemen op de laatste dag van de maand mei van het jaar dat volgt op het aanslagjaar in kwestie, verminderd met de voorschotten die al uitbetaald zijn voor het aanslagjaar in kwestie en verminderd met de bedragen van betaalde vorderingen die voor het aanslagjaar in kwestie en eventueel voor voorgaande aanslagjaren in ontheffing gezet zijn, wordt uiterlijk gestort op de laatste bankwerkdag van de maand juli van het jaar dat volgt op het aanslagjaar in kwestie;
6° opcentiemen die worden verworven na de laatste dag van de maand mei van het jaar dat volgt op het aanslagjaar in kwestie, worden na vermindering met de nog niet verrekende bedragen van betaalde vorderingen die in ontheffing gezet zijn, doorgestort uiterlijk op de laatste bankwerkdag van de maand die volgt op de maand van de verwerving;
7° als wordt vastgesteld dat het saldo, vermeld in 5° negatief is, wordt het voorschot van het eerstvolgende aanslagjaar, vermeld in 2° en 4°, verminderd met dat negatieve saldo. In voorkomend geval worden de verworven opcentiemen van het eerstvolgende aanslagjaar ook verminderd met hetzelfde negatieve saldo;
8° zowel de orderekeningen als de financiële rekening waarop de opcentiemen op de onroerende voorheffing voor rekening van de gemeenten, de agglomeraties en de provincies vooraf worden betaald, mogen een negatief saldo vertonen voor het bedrag van de gecumuleerde voorschotten.
§ 6. Na afloop van elk kalenderjaar stuurt de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie naar elke provincie, agglomeratie en gemeente die opcentiemen heft, een lijst met vermelding van de totale opbrengst van de opcentiemen die, op basis van de inningen, aan respectievelijk de provincie, de agglomeratie of de gemeente toekomen.
Art. 3.1.0.0.4. § 1er. Si en application des dispositions du présent code des centimes additionnels ou un décime additionnel sont perçus, ils sont perçus, conjointement avec l'impôt-même, par l'entité compétente de l'administration flamande.
§ 2. Si les provinces, les agglomérations et les communes décident de lever des centimes additionnels en application du présent code, le conseil provincial, respectivement le conseil d'agglomération ou le conseil communal, établissent, au plus tard le 31 janvier de l'exercice d'imposition, les centimes additionnels de l'exercice d'imposition en question et communiquent ces centimes additionnels au plus tard le 1er mars de la même année [3 par envoi électronique à l'entité compétente de l'administration flamande]3. [3 L'impôt correspondant sur lequel les centimes additionnels sont levés, est indiqué au guichet numérique mis à disposition.]3
[3 Dans l'alinéa 1er, on entend par envoi électronique : un envoi sécurisé via le guichet numérique visé à l'article 1er, 2°, a) de l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 avril 2018 fixant le mode de communication entre l'administration locale, l'auteur de la plainte et l'autorité de tutelle dans le cadre du contrôle administratif sur l'administration locale et à l'article 1er, 2°, a) de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 septembre 2018 fixant le mode de communication entre l'administration provinciale, l'auteur de la plainte et l'autorité de tutelle dans le cadre du contrôle administratif sur l'administration provinciale.]3
[1 Si le conseil provincial, le conseil d'agglomération ou le conseil communal n'a pas fixé les centimes additionnels sur le précompte immobilier, ou si une des dates ou les deux dates visées à l'alinéa 1er ont été dépassées, le précompte immobilier sera établi en application des centimes additionnels qui étaient d'application pour la province, la commune ou l'agglomération en question pour l'année d'imposition précédente.]1
[2 Pour l'application de [3 l'alinéa 3]3, on part du respect des obligations, visées à l'article 2.1.4.0.2, § 2 et § 3. ]2
§ 3. L'entité compétente de l'administration flamande verse aux provinces, agglomérations et communes, les recettes qu'elles ont réalisées pour leur compte dans le mois qui suit le mois des recettes, diminuées des exonérations de certaines créances réalisées pendant le mois de la perception de ces recettes.
Si les exonérations de certaines créances qui ont été réalisées au cours d'un mois à charge respectivement d'une province, d'une agglomération ou d'une commune, sont supérieures aux recettes qui ont été perçues par l'entité compétente de l'administration flamande pendant ce même mois pour le compte de ce pouvoir public, cet excédent constitue pour l'entité citée de l'administration flamande une créance recouvrable respectivement auprès de la province, de l'agglomération ou de la commune.
La créance, citée dans l'alinéa deux, est recouvrée par une retenue d'office sur l'octroi des recettes du mois qui suit le mois de la comptabilisation des exonérations. Si le montant des recettes octroyées au cours du moins qui suit le mois de la comptabilisation de l'exonération est insuffisant pour sauvegarder le montant restant de la créance, ce solde de la créance est perçu par une retenue d'office sur l'octroi des recettes du mois suivant. Cette comptabilisation est répétée jusqu'à ce que la créance soit réglée.
§ 4. Les recettes, citées dans le paragraphe 3, peuvent également comprendre, outre les centimes additionnels et le décime additionnel, les montants, cités dans l'article 3.1.0.0.5. Les recettes provenant d'intérêts, amendes ou frais de recouvrement récupérés du redevable, ne sont cependant jamais reversées et appartiennent à la Région flamande.
§ 5. En dérogation au paragraphe 3, le règlement suivant s'applique au précompte immobilier :
1° le Gouvernement flamand est autorisé à accorder des avances aux communes, agglomérations et provinces dans le cadre de la perception des centimes additionnels sur le précompte immobilier;
2° les avances, citées au point 1°, sont calculées à 95 % du montant des recettes annuelles en matière des centimes additionnels sur le précompte immobilier qui sont estimés dans leurs budgets respectifs approuvés, que la commune, respectivement l'agglomération ou la province a communiqués au plus tard le 15 mai de l'année d'imposition en question à l'entité compétente de l'administration flamande. A défaut d'une communication au jour de l'échéance, le calcul des avances est basé sur les recettes annuelles en matière de centimes additionnels sur le précompte immobilier que l'entité compétente de l'administration flamande a estimé par commune, agglomération ou province pour l'année d'imposition en question;
3° si les centimes additionnels communiqués conformément au paragraphe 2 sont modifiés par rapport à l'année d'imposition précédente, l'entité compétente de l'administration flamande adaptera les recettes annuels estimées et les communiquera au moment que le solde, cité dans le point 5°, sera communiqué aux communes, agglomérations ou provinces;
4° les avances, citées dans le point 1°, sont payées à partir du deuxième semestre de l'année budgétaire en six tranches mensuelles égales en devises au cinquième jour ouvrable bancaire de chaque mois;
5° le solde de tous les centimes additionnels acquis au dernier jour du mois de mai de l'année qui suit l'année d'imposition en question, diminué des avances qui ont déjà été payées pour l'année d'imposition en question et diminué des montants de certaines créances qui ont été mises en exonération pour l'année d'imposition en question et éventuellement pour les années d'imposition précédentes, est versé au plus tard au dernier jour bancaire ouvrable du mois de juillet de l'année qui suit l'année d'imposition en question;
6° les centimes additionnels acquis après le dernier jour du mois de mai suivant l'année d'imposition concernée sont versés, après déduction des montants qui n'ont pas encore été imputés des créances payées mises en exonération, au plus tard le dernier jour bancaire ouvrable du mois suivant le mois de l'acquisition;
7° s'il est constaté que le solde, cité dans le 5°, est négatif, l'avance de la première année d'imposition suivante, citée dans le 2° et le 4°, est diminuée'de ce solde négatif. Le cas échéant, les centimes additionnels acquis de la première année d'imposition suivante sont diminués du même solde négatif;
8° tant les comptes d'ordre que le compte financier sur lequel les centimes additionnels sur le précompte immobilier pour le compte des communes, agglomérations et provinces sont payés en avance, peuvent avoir un solde négatif pour le montant des avances cumulées.
§ 6. Après écoulement de chaque année calendaire, l'entité compétente de l'administration flamande envoie à chaque commune, agglomération et province qui perçoit des centimes additionnels, une liste mentionnant la recette totale des centimes additionnels qui, sur la base des perceptions, reviennent respectivement à la province, à l'agglomération ou à la commune.
§ 2. Si les provinces, les agglomérations et les communes décident de lever des centimes additionnels en application du présent code, le conseil provincial, respectivement le conseil d'agglomération ou le conseil communal, établissent, au plus tard le 31 janvier de l'exercice d'imposition, les centimes additionnels de l'exercice d'imposition en question et communiquent ces centimes additionnels au plus tard le 1er mars de la même année [3 par envoi électronique à l'entité compétente de l'administration flamande]3. [3 L'impôt correspondant sur lequel les centimes additionnels sont levés, est indiqué au guichet numérique mis à disposition.]3
[3 Dans l'alinéa 1er, on entend par envoi électronique : un envoi sécurisé via le guichet numérique visé à l'article 1er, 2°, a) de l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 avril 2018 fixant le mode de communication entre l'administration locale, l'auteur de la plainte et l'autorité de tutelle dans le cadre du contrôle administratif sur l'administration locale et à l'article 1er, 2°, a) de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 septembre 2018 fixant le mode de communication entre l'administration provinciale, l'auteur de la plainte et l'autorité de tutelle dans le cadre du contrôle administratif sur l'administration provinciale.]3
[1 Si le conseil provincial, le conseil d'agglomération ou le conseil communal n'a pas fixé les centimes additionnels sur le précompte immobilier, ou si une des dates ou les deux dates visées à l'alinéa 1er ont été dépassées, le précompte immobilier sera établi en application des centimes additionnels qui étaient d'application pour la province, la commune ou l'agglomération en question pour l'année d'imposition précédente.]1
[2 Pour l'application de [3 l'alinéa 3]3, on part du respect des obligations, visées à l'article 2.1.4.0.2, § 2 et § 3. ]2
§ 3. L'entité compétente de l'administration flamande verse aux provinces, agglomérations et communes, les recettes qu'elles ont réalisées pour leur compte dans le mois qui suit le mois des recettes, diminuées des exonérations de certaines créances réalisées pendant le mois de la perception de ces recettes.
Si les exonérations de certaines créances qui ont été réalisées au cours d'un mois à charge respectivement d'une province, d'une agglomération ou d'une commune, sont supérieures aux recettes qui ont été perçues par l'entité compétente de l'administration flamande pendant ce même mois pour le compte de ce pouvoir public, cet excédent constitue pour l'entité citée de l'administration flamande une créance recouvrable respectivement auprès de la province, de l'agglomération ou de la commune.
La créance, citée dans l'alinéa deux, est recouvrée par une retenue d'office sur l'octroi des recettes du mois qui suit le mois de la comptabilisation des exonérations. Si le montant des recettes octroyées au cours du moins qui suit le mois de la comptabilisation de l'exonération est insuffisant pour sauvegarder le montant restant de la créance, ce solde de la créance est perçu par une retenue d'office sur l'octroi des recettes du mois suivant. Cette comptabilisation est répétée jusqu'à ce que la créance soit réglée.
§ 4. Les recettes, citées dans le paragraphe 3, peuvent également comprendre, outre les centimes additionnels et le décime additionnel, les montants, cités dans l'article 3.1.0.0.5. Les recettes provenant d'intérêts, amendes ou frais de recouvrement récupérés du redevable, ne sont cependant jamais reversées et appartiennent à la Région flamande.
§ 5. En dérogation au paragraphe 3, le règlement suivant s'applique au précompte immobilier :
1° le Gouvernement flamand est autorisé à accorder des avances aux communes, agglomérations et provinces dans le cadre de la perception des centimes additionnels sur le précompte immobilier;
2° les avances, citées au point 1°, sont calculées à 95 % du montant des recettes annuelles en matière des centimes additionnels sur le précompte immobilier qui sont estimés dans leurs budgets respectifs approuvés, que la commune, respectivement l'agglomération ou la province a communiqués au plus tard le 15 mai de l'année d'imposition en question à l'entité compétente de l'administration flamande. A défaut d'une communication au jour de l'échéance, le calcul des avances est basé sur les recettes annuelles en matière de centimes additionnels sur le précompte immobilier que l'entité compétente de l'administration flamande a estimé par commune, agglomération ou province pour l'année d'imposition en question;
3° si les centimes additionnels communiqués conformément au paragraphe 2 sont modifiés par rapport à l'année d'imposition précédente, l'entité compétente de l'administration flamande adaptera les recettes annuels estimées et les communiquera au moment que le solde, cité dans le point 5°, sera communiqué aux communes, agglomérations ou provinces;
4° les avances, citées dans le point 1°, sont payées à partir du deuxième semestre de l'année budgétaire en six tranches mensuelles égales en devises au cinquième jour ouvrable bancaire de chaque mois;
5° le solde de tous les centimes additionnels acquis au dernier jour du mois de mai de l'année qui suit l'année d'imposition en question, diminué des avances qui ont déjà été payées pour l'année d'imposition en question et diminué des montants de certaines créances qui ont été mises en exonération pour l'année d'imposition en question et éventuellement pour les années d'imposition précédentes, est versé au plus tard au dernier jour bancaire ouvrable du mois de juillet de l'année qui suit l'année d'imposition en question;
6° les centimes additionnels acquis après le dernier jour du mois de mai suivant l'année d'imposition concernée sont versés, après déduction des montants qui n'ont pas encore été imputés des créances payées mises en exonération, au plus tard le dernier jour bancaire ouvrable du mois suivant le mois de l'acquisition;
7° s'il est constaté que le solde, cité dans le 5°, est négatif, l'avance de la première année d'imposition suivante, citée dans le 2° et le 4°, est diminuée'de ce solde négatif. Le cas échéant, les centimes additionnels acquis de la première année d'imposition suivante sont diminués du même solde négatif;
8° tant les comptes d'ordre que le compte financier sur lequel les centimes additionnels sur le précompte immobilier pour le compte des communes, agglomérations et provinces sont payés en avance, peuvent avoir un solde négatif pour le montant des avances cumulées.
§ 6. Après écoulement de chaque année calendaire, l'entité compétente de l'administration flamande envoie à chaque commune, agglomération et province qui perçoit des centimes additionnels, une liste mentionnant la recette totale des centimes additionnels qui, sur la base des perceptions, reviennent respectivement à la province, à l'agglomération ou à la commune.
Art. 3.1.0.0.5. De Vlaamse Regering bepaalt welk percentage van de leegstandsheffing bedrijfsruimten die elk jaar geïnd wordt, en van de [1 heffing ongeschikte en onbewoonbare woningen]1 die elk jaar geïnd wordt, met uitzondering van de gemeentelijke opcentiemen, de interesten en de administratieve geldboetes, aan de gemeenten wordt doorgestort als vergoeding voor de administratiekosten die ze in het kader van die belastingen moeten maken.
Art. 3.1.0.0.5. Le Gouvernement flamand fixe quel pourcentage de la redevance sur les sites d'activité économique désaffectés et de la [1 taxe sur les habitations inadaptées et insalubres]1 qui sont annuellement perçues, à l'exception des centimes additionnels communaux, des intérêts et des amendes administratives, est versé aux communes comme indemnisation des frais administratifs qu'elles doivent faire dans le cadre de ces impôts.
Art. 3.1.0.0.6. [1 De provincies en de gemeenten die met toepassing van artikel 2.1.4.0.2 opcentiemen op de onroerende voorheffing heffen, en die met toepassing van artikel 2.1.4.0.1, § 2, eerste lid, 5° en 7°, en § 2/1, artikel 2.1.5.0.1, § 2, artikel 2.1.6.0.2 en artikel 2.2.6.0.1, § 2, 2°, die opbrengsten derven, worden daarvoor volledig vergoed door het Vlaamse Gewest. De compensatie voor artikel 2.2.6.0.1, § 2, 2°, geldt enkel voor voertuigen die voor het eerst worden vrijgesteld vanaf aanslagjaar 2019.]1
Art. 3.1.0.0.6. [1 Les provinces et les communes levant des centimes additionnels sur le précompte immobilier en application de l'article 2.1.4.0.2, et perdant ces revenus en application de l'article 2.1.4.0.1, § 2, alinéa 1er, 5° et 7°, et § 2/1, de l'article 2.1.5.0.1, § 2, de l'article 2.1.6.0.2 et de l'article 2.2.6.0.1, § 2, 2°, sont entièrement indemnisées pour ces pertes par la Région flamande. La compensation pour l'article 2.2.6.0.1, § 2, 2°, ne vaut que pour les véhicules qui sont exonérés pour la première fois à partir de l'année d'imposition 2019.]1
Art. 3.1.0.0.6 TOEKOMSTIG RECHT. [1 De provincies en de gemeenten die met toepassing van artikel 2.1.4.0.2 opcentiemen op de onroerende voorheffing heffen, en die met toepassing van artikel 2.1.4.0.1, § 2, [2 eerste lid, 3°, voor zover het eigendommen betreft die verhuurd worden conform de voorwaarden ter uitvoering van artikel 4.40, 4°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021,]2 en 7°, en § 2/1, artikel 2.1.5.0.1, § 2, artikel 2.1.6.0.2 en artikel 2.2.6.0.1, § 2, 2°, die opbrengsten derven, worden daarvoor volledig vergoed door het Vlaamse Gewest. De compensatie voor artikel 2.2.6.0.1, § 2, 2°, geldt enkel voor voertuigen die voor het eerst worden vrijgesteld vanaf aanslagjaar 2019.]1
Art. 3.. 0.0.6 DROIT FUTUR.
[1 Les provinces et les communes levant des centimes additionnels sur le précompte immobilier en application de l'article 2.1.4.0.2, et perdant ces revenus en application de l'article 2.1.4.0.1, § 2, [2 alinéa 1, 3°, pour autant que cela concerne des propriétés louées conformément aux conditions en exécution de l'article 4.40, 4°, du Code flamand du Logement de 2021,]2 et 7°, et § 2/1, de l'article 2.1.5.0.1, § 2, de l'article 2.1.6.0.2 et de l'article 2.2.6.0.1, § 2, 2°, sont entièrement indemnisées pour ces pertes par la Région flamande. La compensation pour l'article 2.2.6.0.1, § 2, 2°, ne vaut que pour les véhicules qui sont exonérés pour la première fois à partir de l'année d'imposition 2019.]1
[1 Les provinces et les communes levant des centimes additionnels sur le précompte immobilier en application de l'article 2.1.4.0.2, et perdant ces revenus en application de l'article 2.1.4.0.1, § 2, [2 alinéa 1, 3°, pour autant que cela concerne des propriétés louées conformément aux conditions en exécution de l'article 4.40, 4°, du Code flamand du Logement de 2021,]2 et 7°, et § 2/1, de l'article 2.1.5.0.1, § 2, de l'article 2.1.6.0.2 et de l'article 2.2.6.0.1, § 2, 2°, sont entièrement indemnisées pour ces pertes par la Région flamande. La compensation pour l'article 2.2.6.0.1, § 2, 2°, ne vaut que pour les véhicules qui sont exonérés pour la première fois à partir de l'année d'imposition 2019.]1
Art. 3.1.0.0.7. [1 Het aanvaarden onder voorrecht van boedelbeschrijving van een nalatenschap ontheft de erfgenamen niet van de in deze codex voorgeschreven verplichtingen inzake de erfbelasting.
De beheerder die voor de vereffening van de nalatenschap aangesteld is overeenkomstig [2 artikel 4.54, § 1 en § 2, en artikel 4.57]2 van het Burgerlijk Wetboek, is ook tot die verplichtingen gehouden.]1
De beheerder die voor de vereffening van de nalatenschap aangesteld is overeenkomstig [2 artikel 4.54, § 1 en § 2, en artikel 4.57]2 van het Burgerlijk Wetboek, is ook tot die verplichtingen gehouden.]1
Art. 3.1.0.0.7. [1 L'acceptation sous bénéfice d'inventaire d'une succession ne dégage pas les héritiers des obligations prescrites dans le présent code en matière de droits de succession.
L'administrateur chargé de la liquidation de la succession conformément [2 à l'article 4.54, § 1er et § 2, et à l'article 4.57]2 du Code civil est également tenu à ces obligations.]1
L'administrateur chargé de la liquidation de la succession conformément [2 à l'article 4.54, § 1er et § 2, et à l'article 4.57]2 du Code civil est également tenu à ces obligations.]1
Art. 3.1.0.0.8. [1 Wat de invordering en de vervolging inzake de erfbelasting betreft, kunnen elke kennisgeving en betekening aan het adres van de woonplaats, vermeld in artikel 3.3.1.0.8, § 1, eerste lid, 7°, gedaan worden.]1
Art. 3.1.0.0.8. [1 En ce qui concerne le recouvrement et les poursuites en matière de droits de succession, chaque notification et signification peut être faite à l'adresse du domicile visé à l'article 3.3.1.0.8, § 1er, alinéa premier, 7°.]1
Hoofdstuk 2. - Inkohiering
Chapitre 2. . - Enrôlement
Afdeling 1. - Algemeen
Section 1re. - Généralités
Art. 3.2.1.0.1. § 1. De belastingen worden opgenomen in kohieren.
De kohieren bevatten ten minste de volgende elementen :
1° de identiteit van de belastingplichtige;
2° de aanduiding van de belasting;
3° het bedrag van de belasting, alsook het aanslagjaar waarop de belasting betrekking heeft;
4° het nummer van het kohierartikel ;
5° de datum van uitvoerbaarverklaring.
§ 2. De opschorting van de belasting belet de inkohiering van de belasting niet.
§ 3. De geautomatiseerde bestanden van de kohieren hebben dezelfde bewijskracht als de originelen als die bestanden door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of onder haar controle zijn aangemaakt.
De kohieren bevatten ten minste de volgende elementen :
1° de identiteit van de belastingplichtige;
2° de aanduiding van de belasting;
3° het bedrag van de belasting, alsook het aanslagjaar waarop de belasting betrekking heeft;
4° het nummer van het kohierartikel ;
5° de datum van uitvoerbaarverklaring.
§ 2. De opschorting van de belasting belet de inkohiering van de belasting niet.
§ 3. De geautomatiseerde bestanden van de kohieren hebben dezelfde bewijskracht als de originelen als die bestanden door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of onder haar controle zijn aangemaakt.
Art. 3.2.1.0.1. § 1er. Les impôts sont enrôlés.
Les rôles contiennent au moins les éléments suivants :
1° l'identité du contribuable;
2° la désignation de l'impôt;
3° le montant de l'impôt, ainsi que l'année d'imposition auquel l'impôt se rapporte;
4° le numéro du rôle;
5° la date de l'exequatur.
§ 2. La suspension de l'impôt n'empêche pas l'enrôlement de l'impôt.
§ 3. Les fichiers automatisés des rôles ont la même force probante que les originaux si ces fichiers ont été créés par l'entité compétente de l'administration flamande ou sous son contrôle.
Les rôles contiennent au moins les éléments suivants :
1° l'identité du contribuable;
2° la désignation de l'impôt;
3° le montant de l'impôt, ainsi que l'année d'imposition auquel l'impôt se rapporte;
4° le numéro du rôle;
5° la date de l'exequatur.
§ 2. La suspension de l'impôt n'empêche pas l'enrôlement de l'impôt.
§ 3. Les fichiers automatisés des rôles ont la même force probante que les originaux si ces fichiers ont été créés par l'entité compétente de l'administration flamande ou sous son contrôle.
Art. 3.2.1.0.2. [1 Aanslagen inzake de onroerende voorheffing die betrekking hebben op onroerende goederen die samen een kadastraal inkomen hebben van minder dan 15 euro, worden niet in een kohier opgenomen.
Een aanslag heeft betrekking op de onroerende goederen die gelegen zijn in eenzelfde gemeente en waarvan de zakelijke rechten van een belastingplichtige of groep van belastingplichtigen voor elk van die onroerende goederen identiek zijn. ]1
Een aanslag heeft betrekking op de onroerende goederen die gelegen zijn in eenzelfde gemeente en waarvan de zakelijke rechten van een belastingplichtige of groep van belastingplichtigen voor elk van die onroerende goederen identiek zijn. ]1
Art. 3.2.1.0.2. [1 Les impositions en matière de précompte immobilier portant sur les biens immobiliers ayant ensemble un revenu cadastral de moins de 15 euros, ne sont pas enrôlées.
Une imposition porte sur les biens immobiliers situés dans une même commune dont les droits réels d'un contribuable ou d'un groupe de contribuables sont identiques pour chacun de ces droits réel.]1
Une imposition porte sur les biens immobiliers situés dans une même commune dont les droits réels d'un contribuable ou d'un groupe de contribuables sont identiques pour chacun de ces droits réel.]1
Afdeling 2. - Uitvoerbaarverklaring
Section 2. - Exequatur
Art. 3.2.2.0.1. Van de belastingschuldigen mag alleen een som worden gevorderd krachtens een uitvoerbaar verklaard kohier dat de inningstitel vormt. Dat geldt zowel voor de belastingen zelf, als voor de eventuele administratieve geldboeten en belastingverhogingen, als voor de eventuele opcentiemen of de opdeciem voor de provincies, de agglomeraties en de gemeenten.
De kohieren worden opgemaakt en uitvoerbaar verklaard door het bevoegde personeelslid.
[2 ...]2
[1 De boetes die worden opgelegd ingevolge overtredingen van de regelgeving inzake de kilometerheffing kunnen door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie worden geïnd zonder toepassing van het eerste lid.]1
De kohieren worden opgemaakt en uitvoerbaar verklaard door het bevoegde personeelslid.
[2 ...]2
[1 De boetes die worden opgelegd ingevolge overtredingen van de regelgeving inzake de kilometerheffing kunnen door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie worden geïnd zonder toepassing van het eerste lid.]1
Art. 3.2.2.0.1. Une somme ne peut être demandée aux redevables qu'en vertu d'un rôle déclaré exécutoire qui constitue le titre de perception. Ceci s'applique tant aux impôts-mêmes qu'aux éventuelles amendes administratives et majorations d'impôts et centimes additionnels éventuels ou le décime additionnel pour les provinces, agglomérations et communes.
Les rôles sont établis et déclarés exécutoires par le membre du personnel compétent.
[2 ...]2
[1 Les amendes imposées à la suite d'infractions de la réglementation relative au prélèvement kilométrique peuvent être perçues par l'entité compétente de l'administration flamande sans application de l'alinéa premier.]1{
Les rôles sont établis et déclarés exécutoires par le membre du personnel compétent.
[2 ...]2
[1 Les amendes imposées à la suite d'infractions de la réglementation relative au prélèvement kilométrique peuvent être perçues par l'entité compétente de l'administration flamande sans application de l'alinéa premier.]1{
Afdeling 3. - Overledenen en onverdeeldheden
Section 3. - Personnes décédées et indivisions
Art. 3.2.3.0.1. De Vlaamse Regering kan de regels bepalen voor de inkohiering ten laste van overledenen en onverdeeldheden.
Art. 3.2.3.0.1. Le Gouvernement flamand peut arrêter les règles d'enrôlement à charge de personnes décédées et d'indivisions.
Afdeling 4. - Aanslag voor overnemende of verkrijgende vennootschap
Section 4. - Imposition pour une société repreneuse ou attributaire
Art. 3.2.4.0.1. Als een vennootschap wordt overgenomen of gesplitst in het kader van een fusie, een aan een fusie gelijkgestelde verrichting of een splitsing als vermeld in [1 artikel 12:2 tot en met 12:8 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen]1, of een soortgelijke vennootschapsrechtelijke verrichting onder buitenlands recht, kan de aanslag die betrekking heeft op belastbare feiten die dateren van vóór de vermelde verrichting, binnen de termijnen, bepaald in dit hoofdstuk, gevestigd worden op naam van de overnemende vennootschap of de verkrijgende vennootschappen, zelfs op een tijdstip waarop de overgenomen of gesplitste vennootschap als rechtspersoon niet langer bestaat.
Art. 3.2.4.0.1. Si une société est reprise ou scindée dans le cadre d'une fusion, d'une opération assimilée à une fusion ou à une scission telle que citée dans les [1 articles 12:2 à 12:8 du Code des sociétés et des associations]1 ou d'une opération dans le cadre des droits de société soumise à un droit étranger, l'imposition qui a trait à des faites imposables qui datent d'avant l'opération précitée, dans les délais fixés dans le présent chapitre, peut être établie au nom de la société repreneuse ou des sociétés attributaires, même à un moment où la société reprise ou scindée n'existe plus en tant que personne morale.
Afdeling 5. - Berekening en afrondingswijze
Section 5. - Calcul et mode d'arrondissement
Art. 3.2.5.0.1. De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de berekening van de belastingen en de wijze waarop ze afgerond worden.
Art. 3.2.5.0.1. Le Gouvernement flamand fixe les règles du calcul des impôts et du mode dont ils sont arrondis.
Hoofdstuk 3. - Aanslagprocedure
Chapitre 3. - Procédure d'imposition
Afdeling 1. - [1 Aangifte]1
Section 1re. - [1 Déclaration]1
Art. 3.3.1.0.1. De belastingplichtige moet vóór de ingebruikname van het voertuig, vermeld in artikel 2.2.2.0.1, § 2, tweede lid, een aangifte onderschrijven die alle gegevens bevat die nodig zijn om de belasting te berekenen en voor het toezicht erop.
Bij gebrek aan andersluidende kennisgeving is de aangifte die ingediend is voor een jaar, geldig voor de volgende jaren.
Zolang er geen aangifte is gedaan van de verandering betreffende het houden van het voertuig, is de vroegere houder aansprakelijk voor de belasting, behalve in geval van verhaal op de verkrijger.
[1 De aangifteplicht voorzien in dit artikel geldt niet voor de voertuigen vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 6, eerste lid.]1
Bij gebrek aan andersluidende kennisgeving is de aangifte die ingediend is voor een jaar, geldig voor de volgende jaren.
Zolang er geen aangifte is gedaan van de verandering betreffende het houden van het voertuig, is de vroegere houder aansprakelijk voor de belasting, behalve in geval van verhaal op de verkrijger.
[1 De aangifteplicht voorzien in dit artikel geldt niet voor de voertuigen vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 6, eerste lid.]1
Art. 3.3.1.0.1. Le contribuable doit, avant la mise en service du véhicule, citée dans l'article 2.2.2.0.1, § 2, alinéa deux, signer une déclaration qui contient toutes les données nécessaires au calcul de la taxe et à son contrôle.
A défaut d'une notification contraire, la déclaration introduite pour un an, est valable pour les années suivantes.
Tant qu'aucune déclaration n'a été faite concernant le maintien du véhicule, le détenteur antécédent est responsable de la taxe, sauf en cas de recours vis-à-vis de l'attributaire.
[1 L'obligation de déclaration prévue par le présent article ne s'applique pas aux véhicules visés à l'article 2.2.4.0.1, § 6, alinéa 1er.]1
A défaut d'une notification contraire, la déclaration introduite pour un an, est valable pour les années suivantes.
Tant qu'aucune déclaration n'a été faite concernant le maintien du véhicule, le détenteur antécédent est responsable de la taxe, sauf en cas de recours vis-à-vis de l'attributaire.
[1 L'obligation de déclaration prévue par le présent article ne s'applique pas aux véhicules visés à l'article 2.2.4.0.1, § 6, alinéa 1er.]1
Art. 3.3.1.0.2. Voor de toepassing van titel 2, hoofdstuk 2 en 3, kan behalve in geval van wettige redenen de belastingplichtige die zijn voertuig niet inschrijft bij het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid, die niet tijdig inlichtingen verstrekt conform artikel 3.13.1.2.3, die geen aangifte doet of die op de aangifte onjuiste gegevens over het voertuig vermeldt, door het bevoegde personeelslid van ambtswege aangeslagen worden, behoudens zijn recht om bezwaar in te dienen.
Als de belastingplichtige de gevraagde belastbare elementen niet verstrekt, wordt de ambtshalve aanslag forfaitair vastgesteld op 1.250 euro per aanslagjaar.
In afwijking van artikel 2.2.2.0.1, § 2, eerste lid, artikel 2.2.7.0.2, § 3 en § 4, en artikel 3.4.7.0.3 kan bij een ambtshalve gevestigde aanslag voor het desbetreffende aanslagjaar geen terugbetaling meer gedaan worden op basis van een afwijkende aangifte, een inschrijving bij het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid of een kennisgeving van belastbare elementen door de belastingplichtige met betrekking tot hetzelfde voertuig. De afwijkende aangifte, de inschrijving bij het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid of de kennisgeving van belastbare elementen door de belastingplichtige heeft pas uitwerking vanaf het volgende aanslagjaar.
Bij gebrek aan andersluidende kennisgeving is de aangifte die voor een jaar is ingediend, of de gevestigde ambtshalve aanslag geldig voor de volgende jaren.
Als de belastingplichtige de gevraagde belastbare elementen niet verstrekt, wordt de ambtshalve aanslag forfaitair vastgesteld op 1.250 euro per aanslagjaar.
In afwijking van artikel 2.2.2.0.1, § 2, eerste lid, artikel 2.2.7.0.2, § 3 en § 4, en artikel 3.4.7.0.3 kan bij een ambtshalve gevestigde aanslag voor het desbetreffende aanslagjaar geen terugbetaling meer gedaan worden op basis van een afwijkende aangifte, een inschrijving bij het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid of een kennisgeving van belastbare elementen door de belastingplichtige met betrekking tot hetzelfde voertuig. De afwijkende aangifte, de inschrijving bij het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid of de kennisgeving van belastbare elementen door de belastingplichtige heeft pas uitwerking vanaf het volgende aanslagjaar.
Bij gebrek aan andersluidende kennisgeving is de aangifte die voor een jaar is ingediend, of de gevestigde ambtshalve aanslag geldig voor de volgende jaren.
Art. 3.3.1.0.2. Pour l'application du titre 2, chapitres 2 et 3, le contribuable qui n'inscrit pas son véhicule auprès le Directorat-général de la Mobilité et de la Sécurité routière, qui ne fournit pas en temps voulu les informations conformément à l'article 3.13.1.2.3, qui n'introduit pas de déclaration ou qui mentionne des données incorrectes sur le véhicule dans la déclaration, peut, sauf en cas de raisons légales, être confisqué par le membre du personnel compétent, sans préjudice de son droit de recours.
Si le contribuable ne communique par les éléments imposables demandés, l'imposition forfaitaire d'office est fixée à 1250 euros par année d'imposition.
Par dérogation à l'article 2.2.2.0.1, § 2, alinéa premier, l'article 2.2.7.0.2, § § 3 et 4, et l'article 3.4.7.0.3, aucun remboursement ne peut plus être fait en cas d'une imposition établie d'office sur la base d'une déclaration, d'une inscription auprès du Directorat-général de la Mobilité et de la Sécurité routière ou d'une notification d'éléments imposables dérogeantes par le contribuable relatif au même véhicule. La déclaration, l'inscription auprès du Directorat-général de la Mobilité et de la Sécurité routière ou la notification d'éléments imposables dérogeantes par le contribuable ne produisent leurs effets qu'à partir de l'année d'imposition suivante.
A défaut d'une notification contraire, la déclaration introduite pour un an ou l'imposition établie d'office est valable pour les années suivantes.
Si le contribuable ne communique par les éléments imposables demandés, l'imposition forfaitaire d'office est fixée à 1250 euros par année d'imposition.
Par dérogation à l'article 2.2.2.0.1, § 2, alinéa premier, l'article 2.2.7.0.2, § § 3 et 4, et l'article 3.4.7.0.3, aucun remboursement ne peut plus être fait en cas d'une imposition établie d'office sur la base d'une déclaration, d'une inscription auprès du Directorat-général de la Mobilité et de la Sécurité routière ou d'une notification d'éléments imposables dérogeantes par le contribuable relatif au même véhicule. La déclaration, l'inscription auprès du Directorat-général de la Mobilité et de la Sécurité routière ou la notification d'éléments imposables dérogeantes par le contribuable ne produisent leurs effets qu'à partir de l'année d'imposition suivante.
A défaut d'une notification contraire, la déclaration introduite pour un an ou l'imposition établie d'office est valable pour les années suivantes.
Art. 3.3.1.0.4. Met toepassing van titel 2, hoofdstuk 2 en 4, wordt bij schrapping of wissing uit het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid van een trekkend voertuig of van een alleen rijdend voertuig als vermeld in artikel 2.2.2.0.1, § 2, tweede lid, 1°, en artikel 2.4.1.0.1, door het bevoegde personeelslid ambtshalve overgegaan tot de stopzetting van de aangifte, vermeld in artikel 3.3.1.0.2 en 3.3.1.0.3.
Art. 3.3.1.0.4. En application du titre 2, chapitres 2 et 4, le membre du personnel compétent procèdera d'office à l'arrêt de la déclaration, citée dans les articles 3.3.1.0.2 et 3.3.1.0.3 en cas de radiation ou d'effacement du répertoire du Directorat-général de la Mobilité et de la Sécurité routière d'un véhicule tracteur ou d'un véhicule autonome, tel que cité dans l'article 2.2.2.0.1, § 2, alinéa deux, 1°, et l'article 2.4.1.0.1.
Art. 3.3.1.0.5. [1 § 1. De aangifte van nalatenschap moet bij elke verkrijging overeenkomstig titel 2, hoofdstuk 7, door de volgende personen ingediend worden bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie :
1° bij overlijden of bij afwezigheid van een rijksinwoner : door de erfgenamen, de algemene legatarissen en begiftigden;
2° in geval van overlijden of bij afwezigheid van een persoon die geen rijksinwoner is : door de erfgenamen, legatarissen of begiftigden van onroerende goederen die overeenkomstig artikel 5, § 2, 4°, tweede streepje, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten in het Vlaamse Gewest te lokaliseren zijn.
In afwijking van het eerste lid, 1°, zijn, in geval van stilzitten van de erfgenamen, algemene legatarissen en begiftigden, de legatarissen en begiftigden onder algemene titel of de bijzondere legatarissen en begiftigden ertoe gehouden, op verzoek van het bevoegde personeelslid, de aangifte in te dienen voor datgene wat hen betreft, binnen een termijn van een maand vanaf de derde werkdag die volgt op de verzendingsdatum van het verzoek.
[2 ...]2
§ 2. De termijn voor de indiening van de aangifte, vermeld in paragraaf 1, eerste [4 ...]4 lid, is vier maanden vanaf de datum van het overlijden, als zich dat in het rijk heeft voorgedaan. De termijn bedraagt vijf maanden als het overlijden in een ander land binnen de Europese Economische Ruimte plaatsvond, en zes maanden als de persoon overleden is buiten de Europese Economische Ruimte.
In geval van gerechtelijke verklaring van overlijden beginnen de termijnen, vermeld in het eerste lid, pas te lopen zodra het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.]1
[2 In afwijking van het eerste lid is de termijn voor de indiening van de aangifte, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, ingeval van verval van de nalatenschap aan de Staat overeenkomstig [4 artikel 4.32]4 van het Burgerlijk Wetboek, vier maanden vanaf de inbezitstelling, vermeld in [4 artikel 4.33, tweede lid,]4 van hetzelfde wetboek.]2
[3 In afwijking van het eerste lid is de termijn voor de indiening van de aangifte, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, in geval van een onbeheerde nalatenschap als vermeld in [4 artikel 4.58, § 1]4 van het Burgerlijk Wetboek, vier maanden vanaf de aanstelling van de curator, vermeld in [4 artikel 4.58, § 2,]4 van het Burgerlijk Wetboek.]3
1° bij overlijden of bij afwezigheid van een rijksinwoner : door de erfgenamen, de algemene legatarissen en begiftigden;
2° in geval van overlijden of bij afwezigheid van een persoon die geen rijksinwoner is : door de erfgenamen, legatarissen of begiftigden van onroerende goederen die overeenkomstig artikel 5, § 2, 4°, tweede streepje, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten in het Vlaamse Gewest te lokaliseren zijn.
In afwijking van het eerste lid, 1°, zijn, in geval van stilzitten van de erfgenamen, algemene legatarissen en begiftigden, de legatarissen en begiftigden onder algemene titel of de bijzondere legatarissen en begiftigden ertoe gehouden, op verzoek van het bevoegde personeelslid, de aangifte in te dienen voor datgene wat hen betreft, binnen een termijn van een maand vanaf de derde werkdag die volgt op de verzendingsdatum van het verzoek.
[2 ...]2
§ 2. De termijn voor de indiening van de aangifte, vermeld in paragraaf 1, eerste [4 ...]4 lid, is vier maanden vanaf de datum van het overlijden, als zich dat in het rijk heeft voorgedaan. De termijn bedraagt vijf maanden als het overlijden in een ander land binnen de Europese Economische Ruimte plaatsvond, en zes maanden als de persoon overleden is buiten de Europese Economische Ruimte.
In geval van gerechtelijke verklaring van overlijden beginnen de termijnen, vermeld in het eerste lid, pas te lopen zodra het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.]1
[2 In afwijking van het eerste lid is de termijn voor de indiening van de aangifte, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, ingeval van verval van de nalatenschap aan de Staat overeenkomstig [4 artikel 4.32]4 van het Burgerlijk Wetboek, vier maanden vanaf de inbezitstelling, vermeld in [4 artikel 4.33, tweede lid,]4 van hetzelfde wetboek.]2
[3 In afwijking van het eerste lid is de termijn voor de indiening van de aangifte, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, in geval van een onbeheerde nalatenschap als vermeld in [4 artikel 4.58, § 1]4 van het Burgerlijk Wetboek, vier maanden vanaf de aanstelling van de curator, vermeld in [4 artikel 4.58, § 2,]4 van het Burgerlijk Wetboek.]3
Art. 3.3.1.0.5. [1 § 1er. La déclaration de succession doit être déposée par les personnes suivantes auprès de l'entité compétente de l'administration flamande pour toute acquisition conformément au titre 2, chapitre 7 :
1° en cas de décès ou en cas d'absence d'un habitant du Royaume : par les héritiers, les légataires universels et les donataires ;
2° en cas de décès ou en cas d'absence d'une personne qui n'est pas d'un habitant du Royaume : par les héritiers, légataires ou donataires de biens immeubles qui, conformément à l'article 5, § 2, 4°, deuxième tiret de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions, doivent être localisés en Région flamande.
Par dérogation à l'alinéa premier, 1°, en cas d'inaction des héritiers, légataires et donataires universels, les légataires et donataires à titre universel ou particulier sont tenus, sur la demande du membre du personnel compétent, de déposer la déclaration pour ce qui les concerne, et ce au plus tard dans le mois à compter du troisième jour ouvrable qui suit la date d'expédition de la demande.
[2 ...]2
§ 2. Le délai de dépôt de la déclaration visée au paragraphe 1er, [4 alinéa 1er ]4, est de quatre mois à compter de la date du décès s'il s'est produit dans le Royaume. Le délai est porté à cinq mois si le décès a eu lieu dans un autre pays au sein de l'Espace économique européen et à six mois si la personne est décédée en dehors de l'Espace économique européen.
En cas de déclaration judiciaire de décès, les délais visés à l'alinéa premier ne commencent à courir qu'à compter du moment où le jugement a été coulé en force de chose jugée.]1
[2 Par dérogation au premier alinéa, le délai de dépôt de la déclaration, visé au paragraphe 1er, premier alinéa, dans le cas où la succession est acquise à l'Etat conformément à l'[4 article 4.32]4 du Code civil, est de quatre mois à partir de l'envoi en possession, visé à l'[4 article 4.33, alinéa 2]4 du même Code.]2
[3 Par dérogation à l'alinéa premier, le délai d'introduction de la déclaration visée au paragraphe premier, alinéa premier, en cas de succession vacante telle que visée à l'[4 article 4.58, § 1er, ]4 du Code civil, est de quatre mois à compter de la désignation du curateur, visé à l'[4 article 4.58, § 2,]4 du Code civil.]3
1° en cas de décès ou en cas d'absence d'un habitant du Royaume : par les héritiers, les légataires universels et les donataires ;
2° en cas de décès ou en cas d'absence d'une personne qui n'est pas d'un habitant du Royaume : par les héritiers, légataires ou donataires de biens immeubles qui, conformément à l'article 5, § 2, 4°, deuxième tiret de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions, doivent être localisés en Région flamande.
Par dérogation à l'alinéa premier, 1°, en cas d'inaction des héritiers, légataires et donataires universels, les légataires et donataires à titre universel ou particulier sont tenus, sur la demande du membre du personnel compétent, de déposer la déclaration pour ce qui les concerne, et ce au plus tard dans le mois à compter du troisième jour ouvrable qui suit la date d'expédition de la demande.
[2 ...]2
§ 2. Le délai de dépôt de la déclaration visée au paragraphe 1er, [4 alinéa 1er ]4, est de quatre mois à compter de la date du décès s'il s'est produit dans le Royaume. Le délai est porté à cinq mois si le décès a eu lieu dans un autre pays au sein de l'Espace économique européen et à six mois si la personne est décédée en dehors de l'Espace économique européen.
En cas de déclaration judiciaire de décès, les délais visés à l'alinéa premier ne commencent à courir qu'à compter du moment où le jugement a été coulé en force de chose jugée.]1
[2 Par dérogation au premier alinéa, le délai de dépôt de la déclaration, visé au paragraphe 1er, premier alinéa, dans le cas où la succession est acquise à l'Etat conformément à l'[4 article 4.32]4 du Code civil, est de quatre mois à partir de l'envoi en possession, visé à l'[4 article 4.33, alinéa 2]4 du même Code.]2
[3 Par dérogation à l'alinéa premier, le délai d'introduction de la déclaration visée au paragraphe premier, alinéa premier, en cas de succession vacante telle que visée à l'[4 article 4.58, § 1er, ]4 du Code civil, est de quatre mois à compter de la désignation du curateur, visé à l'[4 article 4.58, § 2,]4 du Code civil.]3
Art. 3.3.1.0.6. [1 In de volgende gevallen moet binnen dezelfde termijnen als vermeld in artikel 3.3.1.0.5, § 2, een nieuwe aangifte ingediend worden bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie :
1° in geval van een legaat, gemaakt aan een rechtspersoon, dat aan een machtiging of goedkeuring onderworpen is, op het moment dat die machtiging of goedkeuring voorkomt, als op dat moment de belasting nog niet betaald is;
2° als, na het openvallen van de nalatenschap, de actieve samenstelling ervan vermeerderd wordt op een van de volgende wijzen;
a) door het intreden van een voorwaarde of van elk ander voorval;
b) door de erkenning van het eigendomsrecht van de erflater op goederen, in bezit van een derde;
c) door de oplossing van een geschil, tenzij de vermeerdering van het belastbare actief het gevolg is van een ontbinding die haar oorzaak vindt in de niet-uitvoering van de voorwaarden van een contract door de erfgenamen, legatarissen of begiftigden;
3° als er een verandering in de devolutie van de nalatenschap ontstaat;
4° in geval van aanwas of van terugval van eigendom, vruchtgebruik of van ieder ander tijdelijk of levenslang recht dat voortkomt van een beschikking, genomen door de overledene met betrekking tot zijn overlijden;
5° in geval van fideï-commis, als de met de last van teruggave bezwaarde goederen naar de verwachter overgaan;
[3 6° in het geval van artikel 2.7.1.0.6, § 1, derde lid, als, naar gelang van het geval, het levensverzekeringscontract wordt afgekocht of er op grond van het contract een uitkering gebeurt.]3
In de gevallen, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 4°, moet de aangifte ingediend worden door de personen, vermeld in artikel 3.3.1.0.5, tenzij slechts bepaalde erfgenamen, legatarissen of begiftigden uit de gebeurtenis voordeel trekken, in welk geval alleen die tot aangifte zijn verplicht.
In het geval, vermeld in het eerste lid, 1°, begint de aangiftetermijn vanaf de datum van de machtiging of de goedkeuring.
In de gevallen, vermeld in het eerste lid, 2° tot en met 4°, begint de aangiftetermijn op een van de volgende data :
1° vanaf de datum van het vonnis, niettegenstaande verzet of beroep, of van de dading als het gaat om een betwist recht;
2° vanaf de gebeurtenis in alle andere gevallen.
In het geval, vermeld in het eerste lid, 5°, moet de aangifte ingediend worden door :
1° de verwachter alleen als de overdracht plaatsvindt ten gevolge van het overlijden van de bezwaarde erfgenaam;
2° door de verwachter en de bezwaarde als de goederen op de verwachter overgaan tijdens het leven van de bezwaarde.
In het geval, [2 vermeld in het eerste lid, 5°]2, begint de aangiftetermijn vanaf de datum van de devolutie, teweeggebracht door het overlijden van de bezwaarde of op een andere wijze. Als de devolutie krachtens een contract bij vervroeging plaatsvindt, worden datum en plaats van het contract met datum en plaats van het overlijden gelijkgesteld.]1
[3 In het geval vermeld in het eerste lid, 6°, moet de aangifte worden ingediend, naar gelang van het geval, door de persoon die het levensverzekeringscontract afkoopt of door de persoon die de uitkering op grond van het contract verkrijgt.]3
1° in geval van een legaat, gemaakt aan een rechtspersoon, dat aan een machtiging of goedkeuring onderworpen is, op het moment dat die machtiging of goedkeuring voorkomt, als op dat moment de belasting nog niet betaald is;
2° als, na het openvallen van de nalatenschap, de actieve samenstelling ervan vermeerderd wordt op een van de volgende wijzen;
a) door het intreden van een voorwaarde of van elk ander voorval;
b) door de erkenning van het eigendomsrecht van de erflater op goederen, in bezit van een derde;
c) door de oplossing van een geschil, tenzij de vermeerdering van het belastbare actief het gevolg is van een ontbinding die haar oorzaak vindt in de niet-uitvoering van de voorwaarden van een contract door de erfgenamen, legatarissen of begiftigden;
3° als er een verandering in de devolutie van de nalatenschap ontstaat;
4° in geval van aanwas of van terugval van eigendom, vruchtgebruik of van ieder ander tijdelijk of levenslang recht dat voortkomt van een beschikking, genomen door de overledene met betrekking tot zijn overlijden;
5° in geval van fideï-commis, als de met de last van teruggave bezwaarde goederen naar de verwachter overgaan;
[3 6° in het geval van artikel 2.7.1.0.6, § 1, derde lid, als, naar gelang van het geval, het levensverzekeringscontract wordt afgekocht of er op grond van het contract een uitkering gebeurt.]3
In de gevallen, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 4°, moet de aangifte ingediend worden door de personen, vermeld in artikel 3.3.1.0.5, tenzij slechts bepaalde erfgenamen, legatarissen of begiftigden uit de gebeurtenis voordeel trekken, in welk geval alleen die tot aangifte zijn verplicht.
In het geval, vermeld in het eerste lid, 1°, begint de aangiftetermijn vanaf de datum van de machtiging of de goedkeuring.
In de gevallen, vermeld in het eerste lid, 2° tot en met 4°, begint de aangiftetermijn op een van de volgende data :
1° vanaf de datum van het vonnis, niettegenstaande verzet of beroep, of van de dading als het gaat om een betwist recht;
2° vanaf de gebeurtenis in alle andere gevallen.
In het geval, vermeld in het eerste lid, 5°, moet de aangifte ingediend worden door :
1° de verwachter alleen als de overdracht plaatsvindt ten gevolge van het overlijden van de bezwaarde erfgenaam;
2° door de verwachter en de bezwaarde als de goederen op de verwachter overgaan tijdens het leven van de bezwaarde.
In het geval, [2 vermeld in het eerste lid, 5°]2, begint de aangiftetermijn vanaf de datum van de devolutie, teweeggebracht door het overlijden van de bezwaarde of op een andere wijze. Als de devolutie krachtens een contract bij vervroeging plaatsvindt, worden datum en plaats van het contract met datum en plaats van het overlijden gelijkgesteld.]1
[3 In het geval vermeld in het eerste lid, 6°, moet de aangifte worden ingediend, naar gelang van het geval, door de persoon die het levensverzekeringscontract afkoopt of door de persoon die de uitkering op grond van het contract verkrijgt.]3
Art. 3.3.1.0.6. [1 Dans les cas suivants, il y a lieu de déposer dans les mêmes délais que visés à l'article 3.3.1.0.5, § 2 une nouvelle déclaration auprès de l'entité compétente de l'administration flamande :
1° dans le cas d'un legs soumis à autorisation ou approbation, fait à une personne morale, lorsqu'intervient l'autorisation ou l'approbation, si à ce moment les droits n'ont pas encore été payés ;
2° quand, postérieurement à l'ouverture de la succession, la consistance active de celle-ci est augmentée de l'une des manières suivantes :
a) par suite de l'arrivée d'une condition ou de tout autre événement ;
b) par suite de la reconnaissance du droit de propriété du testateur sur des biens possédés par un tiers ;
c) par suite de la solution d'un litige, à moins que l'augmentation d'actif ne soit la conséquence d'une résolution provenant de l'inexécution par les héritiers, légataires ou donataires, des conditions d'un contrat ;
3° quand survient un changement dans la dévolution de l'hérédité ;
4° en cas d'accroissement ou de réversion de propriété, d'usufruit ou de tout autre droit temporaire ou viager provenant d'une disposition à cause de mort, prise par le défunt ;
5° en cas de fidéicommis, lorsque les biens grevés de la charge de restitution passent à l'appelé.
[3 6° dans le cas de l'article 2.7.1.0.6, § 1er, alinéa trois, lorsque, selon le cas, le contrat d'assurance est racheté ou qu'une indemnité est versée en vertu du contrat.]3
Dans les cas visés à l'alinéa premier, 1° à 4° inclus, la déclaration doit être déposée par les personnes visées à l'article 3.3.1.0.5, à moins que seuls certains héritiers, légataires ou donataires ne tirent un avantage de la circonstance, auquel cas seuls ceux-ci sont tenus à déclaration.
Dans le cas visé à l'alinéa premier, 1°, le délai de déclaration commence à compter de la date de l'autorisation ou de l'approbation.
Dans les cas visés à l'alinéa premier, 2° à 4° inclus, le délai de déclaration commence à courir à l'une des dates suivantes :
1° à compter de la date du jugement, nonobstant opposition ou recours, ou de la transaction s'il s'agit d'un droit contesté ;
2° à compter de l'événement dans tous les autres cas.
Dans le cas, visé à l'alinéa premier, 5°, la déclaration doit être déposée par :
1° l'appelé seul si la cession intervient en raison du décès de l'héritier grevé ;
2° par l'appelé et l'héritier grevé si les biens sont cédés à l'appelé du vivant de l'héritier grevé.
Dans le cas [2 visé à l'alinéa premier, 5°]2, le délai de déclaration prend cours à la date de la dévolution, induite par le décès de l'héritier grevé ou d'une autre manière. Si la dévolution contractuelle intervient anticipativement, la date et le lieu du contrat sont assimilés à la date et au lieu du décès.]1
[3 Dans le cas visé à l'alinéa premier, 6°, la déclaration doit être introduite, selon le cas, par la personne qui rachète le contrat d'assurance ou par la personne qui reçoit l'indemnité en vertu du contrat.]3
1° dans le cas d'un legs soumis à autorisation ou approbation, fait à une personne morale, lorsqu'intervient l'autorisation ou l'approbation, si à ce moment les droits n'ont pas encore été payés ;
2° quand, postérieurement à l'ouverture de la succession, la consistance active de celle-ci est augmentée de l'une des manières suivantes :
a) par suite de l'arrivée d'une condition ou de tout autre événement ;
b) par suite de la reconnaissance du droit de propriété du testateur sur des biens possédés par un tiers ;
c) par suite de la solution d'un litige, à moins que l'augmentation d'actif ne soit la conséquence d'une résolution provenant de l'inexécution par les héritiers, légataires ou donataires, des conditions d'un contrat ;
3° quand survient un changement dans la dévolution de l'hérédité ;
4° en cas d'accroissement ou de réversion de propriété, d'usufruit ou de tout autre droit temporaire ou viager provenant d'une disposition à cause de mort, prise par le défunt ;
5° en cas de fidéicommis, lorsque les biens grevés de la charge de restitution passent à l'appelé.
[3 6° dans le cas de l'article 2.7.1.0.6, § 1er, alinéa trois, lorsque, selon le cas, le contrat d'assurance est racheté ou qu'une indemnité est versée en vertu du contrat.]3
Dans les cas visés à l'alinéa premier, 1° à 4° inclus, la déclaration doit être déposée par les personnes visées à l'article 3.3.1.0.5, à moins que seuls certains héritiers, légataires ou donataires ne tirent un avantage de la circonstance, auquel cas seuls ceux-ci sont tenus à déclaration.
Dans le cas visé à l'alinéa premier, 1°, le délai de déclaration commence à compter de la date de l'autorisation ou de l'approbation.
Dans les cas visés à l'alinéa premier, 2° à 4° inclus, le délai de déclaration commence à courir à l'une des dates suivantes :
1° à compter de la date du jugement, nonobstant opposition ou recours, ou de la transaction s'il s'agit d'un droit contesté ;
2° à compter de l'événement dans tous les autres cas.
Dans le cas, visé à l'alinéa premier, 5°, la déclaration doit être déposée par :
1° l'appelé seul si la cession intervient en raison du décès de l'héritier grevé ;
2° par l'appelé et l'héritier grevé si les biens sont cédés à l'appelé du vivant de l'héritier grevé.
Dans le cas [2 visé à l'alinéa premier, 5°]2, le délai de déclaration prend cours à la date de la dévolution, induite par le décès de l'héritier grevé ou d'une autre manière. Si la dévolution contractuelle intervient anticipativement, la date et le lieu du contrat sont assimilés à la date et au lieu du décès.]1
[3 Dans le cas visé à l'alinéa premier, 6°, la déclaration doit être introduite, selon le cas, par la personne qui rachète le contrat d'assurance ou par la personne qui reçoit l'indemnité en vertu du contrat.]3
Art. 3.3.1.0.7. [1 Met behoud van de toepassing van artikel 3.18.0.0.6, § 2, kan de aangiftetermijn, vermeld in artikel 3.3.1.0.5, § 2, en 3.3.1.0.6, door het bevoegde personeelslid worden verlengd.
De aangifte, ingediend binnen de termijn, vermeld in artikel 3.3.1.0.5, § 2, en 3.3.1.0.6, of binnen de met toepassing van het eerste lid verlengde termijn, kan worden gewijzigd zolang die termijn niet verstreken is, tenzij de belanghebbenden in de aangifte uitdrukkelijk afstand hebben gedaan van dat recht.]1
De aangifte, ingediend binnen de termijn, vermeld in artikel 3.3.1.0.5, § 2, en 3.3.1.0.6, of binnen de met toepassing van het eerste lid verlengde termijn, kan worden gewijzigd zolang die termijn niet verstreken is, tenzij de belanghebbenden in de aangifte uitdrukkelijk afstand hebben gedaan van dat recht.]1
Art. 3.3.1.0.7. [1 Sans préjudice de l'application de l'article 3.18.0.0.6, § 2, le délai de déclaration visé dans les articles 3.3.1.0.5, § 2 et 3.3.1.0.6 peut être prolongé par le membre du personnel compétent.
La déclaration, déposée dans le délai visé aux articles 3.3.1.0.5, § 2, et 3.3.1.0.6, ou dans le délai prolongé en application de l'alinéa premier, peut être modifiée tant que ce délai n'a pas expiré à moins que les intéressés n'aient expressément renoncé à ce droit dans la déclaration]1
La déclaration, déposée dans le délai visé aux articles 3.3.1.0.5, § 2, et 3.3.1.0.6, ou dans le délai prolongé en application de l'alinéa premier, peut être modifiée tant que ce délai n'a pas expiré à moins que les intéressés n'aient expressément renoncé à ce droit dans la déclaration]1
Art. 3.3.1.0.8. [1 § 1. De aangifte van nalatenschap vermeldt :
1° de identificatie van de erflater : de voornamen, de achternaam, het rijksregisternummer of het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, het beroep, het domicilie, de plaats en de datum van geboorte van de erflater en, in voorkomend geval, van de echtgenoot of de wettelijk samenwonende; de plaats en de datum van het overlijden van de erflater;
2° de identificatie van de aangevers : de voornamen, de achternaam, het rijksregisternummer of het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, het domicilie, de plaats en datum van geboorte van de aangevers;
3° de voornamen, de achternaam, het rijksregisternummer of het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, het domicilie, de plaats en de datum van geboorte van de personen die de hoedanigheid hebben van erfgenamen, legatarissen en begiftigden;
4° de graad van verwantschap tussen de erflater en zijn erfgenamen, legatarissen en begiftigden, wat door ieder van hen wordt verkregen, en de titel op basis waarvan ze tot de nalatenschap komen;
5° de voornamen, de achternaam, het domicilie, de geboorteplaats en -datum van de kinderen, beoogd in artikel 2.7.5.0.2, § 1;
6° in voorkomend geval, de aanduiding van de erfgenamen die uitgesloten zijn krachtens uiterste wilsbeschikkingen of contractuele beschikkingen;
7° de keuze van een woonplaats in België;
8° de nauwkeurige aanduiding en raming van elk goed afzonderlijk dat deel uitmaakt van het belastbare actief, alsook de vermelding van de kadastrale afdeling, het kadastraal perceel en de ligging als het een onroerend goed betreft. [3 Als de erfgenamen, algemene legatarissen en begiftigden en iedereen die ertoe gehouden is een aangifte van nalatenschap in te dienen met toepassing van artikel 3.3.1.0.9/1, een schatter-expert aanstellen om een schatting te maken van het geheel of een deel van de onroerende goederen die zich in België bevinden en die voor hun verkoopwaarde moeten of kunnen worden aangegeven, wordt het deskundige schattingsverslag bij de aangifte van nalatenschap gevoegd]3. [10 Als de erfgenamen, algemene legatarissen en begiftigden en iedereen die ertoe gehouden is een aangifte van nalatenschap in te dienen met toepassing van artikel 3.4.3.0.2 van deze codex, een verzoek tot inbetalinggeving indienen, wordt de raming vervangen door een verwijzing naar artikel 3.4.3.0.2 van deze codex als het cultuurgoed in zijn geheel deel uitmaakt van de nalatenschap of op de dag van het overlijden in zijn geheel toebehoort aan de overledene en zijn overlevende echtgenoot of zijn wettelijk samenwonende partner of op de dag van het overlijden in zijn geheel toebehoort aan de overledene en een van zijn erfgenamen, legatarissen en begiftigden]10;
9° voor alle polissen die op de dag van het overlijden van kracht waren met betrekking tot lichamelijke roerende goederen : de naam of de firma en het domicilie van de verzekeraar, de datum van de polis en het nummer ervan, alsook de verzekerde goederen en de verzekerde waarde als de door de erflater nagelaten lichamelijk roerende goederen verzekerd waren tegen brand, diefstal of een ander risico. Er moet ook uitdrukkelijk bevestigd worden dat, voor zover de aangevers weten, de goederen niet het voorwerp van andere polissen uitmaakten. Als de goederen in kwestie niet verzekerd waren op de dag van het overlijden, moet dat uitdrukkelijk in de aangifte bevestigd worden;
10° behoudens als toepassing wordt gemaakt van artikel 2.7.3.4.2, eerste lid, de aanduiding van iedere schuld die in mindering van het belastbare actief toegelaten kan worden, met opgave van de voornamen, de achternaam en het domicilie van de schuldeiser, van de oorzaak van de schuld en van de datum van de akte, als er een bestaat. Als de afwijking, vermeld in artikel 2.7.4.1.1, § 2, derde lid, van toepassing is, moet bij de schulden die specifiek zijn aangegaan om de gezinswoning te verwerven of te behouden, uitdrukkelijk worden vermeld dat ze met dat doel zijn aangegaan;
11° [8 ...]8
12° de begunstigde persoon, alsook de datum van de akten of aangiften, en de grondslag waarop het registratierecht is of moet worden geheven als de erflater ten bate van zijn erfgenamen, legatarissen of begiftigden schenkingen heeft gedaan die vastgesteld zijn door akten, die dagtekenen van minder dan drie jaar vóór de datum van het overlijden en die vóór dezelfde datum tot de formaliteit van de registratie aangeboden zijn of verplicht registreerbaar geworden zijn. Ongeacht de datum van de akte geldt deze regel ook als de schenking gedaan is onder een opschortende voorwaarde die vervuld is ingevolge het overlijden van de schenker of minder dan drie jaar vóór dat overlijden;
13° als de erflater het vruchtgebruik van goederen gehad heeft of met fideï-commis bezwaarde goederen verkregen heeft : welke die goederen zijn, met aanduiding van de personen die tot het genot van de volle eigendom zijn gekomen of voordeel getrokken hebben uit het fideï-commis ten gevolge van het overlijden van de erflater;
14° met aanduiding van de betrokken persoon of de betrokken goederen, de vraag tot toepassing van :
a) het abattement, vermeld in artikel 2.7.3.2.12;
b) het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.7.4.2.2. In voorkomend geval moet bij de aangifte de volgende informatie gevoegd worden :
1) de [8 naam]8 en het ondernemingsnummer van de familiale onderneming of familiale vennootschap waarvoor het voordeel gevraagd wordt;
2) de voornaam en de achternaam van de medeaandeelhouders van de erflater en hun graad van verwantschap met de erflater;
3) hetzij de activa van de familiale onderneming met een duidelijke omschrijving en verwijzing naar de boekhouding en, als het onroerende goederen betreft, de vermelding of ze al dan niet hoofdzakelijk voor bewoning worden aangewend of zijn bestemd, hetzij het aantal aandelen en de precieze aard van alle aandelen van een familiale vennootschap met enerzijds de vermelding van het aantal aandelen dat in het bezit was van de erflater en van andere bij naam te noemen medeaandeelhouders, [7 alsook met het percentage van de stemrechten dat zij vertegenwoordigen,]7 en anderzijds de aard van het zakelijk recht dat de erflater en andere bij naam te noemen personen bezitten;
4) kopieën van de goedgekeurde jaarrekeningen van de drie boekjaren die voorafgaan aan het overlijden van de erflater, opgemaakt overeenkomstig de vigerende boekhoudwetgeving van de plaats waar de [8 ...]8 zetel gevestigd is als de [8 ...]8 zetel van de onderneming of vennootschap niet in België ligt;
5) kopieën van het rechtsgeldige aandelenregister of, bij gebrek daaraan, de door alle aandeelhouders ondertekende notulen van de laatste algemene vergadering die voorafgaat aan het overlijden van de erflater, waaruit op ondubbelzinnige wijze de participaties blijken, vermeld in artikel 2.7.4.2.2, § 1, eerste lid, 2°, of tweede lid;
6) een kopie van de laatste voor het overlijden door de erflater ingediende fiscale aangifte voor de personenbelasting wat familiale ondernemingen betreft;
7) een kopie van de gecoördineerde statuten, zoals van toepassing op de dag van het overlijden;
[12 8) een verslag dat een bedrijfsrevisor, die niet de commissaris is, of een gecertificeerd accountant heeft uitgereikt. Het verslag is gedateerd en ondertekend voorafgaand aan de datum van de indiening van de aangifte van nalatenschap voor elke familiale vennootschap. Het verslag bevat al de volgende elementen:
i) de voor- en achternaam van de bedrijfsrevisor of de accountant, het registratienummer in het openbaar register, vermeld in artikel 10, § 1, van de wet van 7 december 2016 tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren, of het inschrijvingsnummer in het openbaar register, vermeld in artikel 29 van de wet van 17 maart 2019 betreffende de beroepen van accountant en belastingadviseur;
ii) de voor- en achternaam, het rijksregisternummer en het adres van de aanvrager of, als er verschillende zijn, de aanvragers;
iii) de naam en het ondernemingsnummer van de familiale vennootschap waarvoor het verlaagde tarief wordt gevraagd;
iv) de verkoopwaarde van de volle eigendom van de vererfde aandelen van de familiale vennootschap, zoals die is geraamd door de bedrijfsrevisor of de accountant;
v) de verkoopwaarde en de opsomming van de onroerende goederen die tot bewoning worden aangewend of bestemd, met inbegrip van bouwgronden als vermeld in artikel 1.1.0.0.2, zesde lid, 1° /1, van deze codex, waarop de familiale vennootschap of haar dochtervennootschappen zakelijke rechten hebben, en de aard van die zakelijke rechten. De vermelding bevat de kadastrale gegevens, namelijk de kadastrale afdeling, de sectie, het perceelnummer en het partitienummer, de kadastrale oppervlakte, het kadastraal inkomen en, in voorkomend geval, de kadastrale detailidentificatie van een privatieve eigendom;
vi) het gedeelte van de waarde, zoals die is geraamd door de bedrijfsrevisor of de accountant, vermeld in punt iv), dat wordt bepaald door de verkoopwaarde van de onroerende goederen, vermeld in punt v), in de familiale vennootschap, of in participaties van minstens 10% van de familiale vennootschap in haar dochtervennootschappen;
vii) het verschil tussen de verkoopwaarde, vermeld in punt iv), en de verkoopwaarde, vermeld in punt vi);
viii) de motivering van de wijze waarop de bedrijfsrevisor of de accountant de verkoopwaarden, vermeld in punt iv), vi) en vii), heeft bepaald, met vermelding van de gebruikte waarderingsmethode;
ix) de referentiedatum voor de waardebepaling, vermeld in punt iv) en v), namelijk de datum van het overlijden van de erflater;]12
c) de vermindering, vermeld in artikel 2.7.5.0.3;
d) de vermindering, vermeld in artikel 2.7.5.0.4;
e) de aftrek, vermeld in artikel 2.7.5.0.5;
f) de vrijstelling, vermeld in artikel 2.7.6.0.1, waarbij tevens de maatschappelijke rechten moeten worden vermeld in de aangifte van de nalatenschap die deel uitmaken van de nalatenschap van de inschrijver, of belastbaar zijn overeenkomstig artikel 2.7.1.0.4. In voorkomend geval moet bij de aangifte ook het attest, vermeld in artikel 2.7.6.0.1, § 4, worden gevoegd;
g) [4 ...]4
h) [4 ...]4
i) de vrijstelling, vermeld in artikel 2.7.6.0.4;
[2 j) de vrijstelling, vermeld in artikel 2.7.4.1.1, § 2, derde lid.]2
[4 k) de vrijstelling, vermeld in artikel 2.7.6.0.5. In voorkomend geval moeten de verzoekers in de aangifte verklaren dat ze kennis hebben van het bepaalde in artikel 16septiesdecies, eerste lid, 1°, en het tweede tot en met het vierde lid van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. In voorkomend geval wordt hetzij een afschrift van de beslissing tot goedkeuring van het natuurbeheerplan, vermeld in artikel 16octies, § 1, eerste lid, 5°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, hetzij een afschrift van de overeenkomst, vermeld in artikel 2.7.6.0.5, § 2, tweede lid, gevoegd bij de aangift;]4
[9 l) de vermindering, vermeld in artikel 2.7.5.0.6 van deze codex;]9
[8 m) de vrijstelling, vermeld in artikel 2.7.6.0.6, § 1;]8
[10 n) het verzoek tot inbetalinggeving, vermeld in artikel 3.4.3.0.2 van deze codex, als het cultuurgoed in zijn geheel deel uitmaakt van de nalatenschap of op de dag van het overlijden in zijn geheel toebehoort aan de overledene en zijn overlevende echtgenoot of zijn wettelijk samenwonende partner of op de dag van het overlijden in zijn geheel toebehoort aan de overledene en een van zijn erfgenamen, legatarissen en begiftigden;]10
[13 o) het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.7.4.2.5, § 1, eerste lid;]13
[5 15° in voorkomend geval de erfovereenkomst[11 die is opgesteld conform artikel 4.254 tot en met 4.259]11 van het Burgerlijk Wetboek. In dat geval wordt een kopie van die notariële erfovereenkomst bij de aangifte gevoegd;
16° [6 in voorkomend geval de verkrijgingen van vruchtgebruik met toepassing van [11 artikel 4.18]11 van het Burgerlijk Wetboek. In dat geval wordt een kopie van de akte van schenking bij de aangifte gevoegd. In geval van verzaking aan het vruchtgebruik op een ander tijdstip wordt het stuk gevoegd waaruit die verzaking blijkt.]6
17° in voorkomend geval welke schenkingen, levensverzekeringen en legaten aan inbreng of inkorting zijn onderworpen en in bevestigend geval op welke wijze de inbreng of inkorting gebeurt.]5
Als het successierecht verschuldigd is, bevat de aangifte bovendien de uitdrukkelijke vermelding van het adres en de datum en duur van de vestiging van de verschillende fiscale woonplaatsen die de erflater of de afwezige gehad heeft in de periode van vijf jaar voorafgaand aan zijn overlijden of aan het tijdstip waarop het laatste bericht van de afwezige werd ontvangen.
De aangifte van de nalatenschap wordt door de aangevers ondertekend.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, 8°, mogen elk van volgende groepen van goederen het voorwerp uitmaken van een globale aangifte en globale raming :
1° andere onroerende goederen dan de onroerende goederen door bestemming, vermeld in punt 2° tot en met punt 8° hieronder, die een enig bedrijf of een enkel domeingeheel uitmaken;
2° wat betreft de voorwerpen die tot een landbouwbedrijf dienen :
a) elke soort van dieren;
b) het landbouwgereedschap;
c) de bezaaiingen en andere vruchten te velde;
d) de zaden, de waren, het stro en de meststoffen;
3° wat betreft de voorwerpen die tot een nijverheidsbedrijf dienen :
a) de werktuigen;
b) de vervaardigde of bereide koopwaren en de grondstoffen;
4° wat betreft de voorwerpen die tot een handelsbedrijf of ambachtsbedrijf dienen :
a) het materieel en de bedrijfstoestellen;
b) de koopwaren;
5° de materiële roerende goederen, dienstig voor of aangewend in het kader van een vrij beroep;
6° de kledingstukken, de juwelen, de boeken en alle andere voorwerpen tot persoonlijk gebruik van de erflater;
7° de stoffering, het vaatwerk, het keukengereedschap en andere voorwerpen van gelijke aard;
8° de verzamelingen van schilderijen, porselein, wapens en andere voorwerpen;
9° de wijn en andere waren.
[10 Het eerste lid geldt niet voor cultuurgoederen die worden aangeboden om de erfbelasting en toebehoren te betalen met toepassing van artikel 3.4.3.0.2.]10]1
1° de identificatie van de erflater : de voornamen, de achternaam, het rijksregisternummer of het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, het beroep, het domicilie, de plaats en de datum van geboorte van de erflater en, in voorkomend geval, van de echtgenoot of de wettelijk samenwonende; de plaats en de datum van het overlijden van de erflater;
2° de identificatie van de aangevers : de voornamen, de achternaam, het rijksregisternummer of het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, het domicilie, de plaats en datum van geboorte van de aangevers;
3° de voornamen, de achternaam, het rijksregisternummer of het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, het domicilie, de plaats en de datum van geboorte van de personen die de hoedanigheid hebben van erfgenamen, legatarissen en begiftigden;
4° de graad van verwantschap tussen de erflater en zijn erfgenamen, legatarissen en begiftigden, wat door ieder van hen wordt verkregen, en de titel op basis waarvan ze tot de nalatenschap komen;
5° de voornamen, de achternaam, het domicilie, de geboorteplaats en -datum van de kinderen, beoogd in artikel 2.7.5.0.2, § 1;
6° in voorkomend geval, de aanduiding van de erfgenamen die uitgesloten zijn krachtens uiterste wilsbeschikkingen of contractuele beschikkingen;
7° de keuze van een woonplaats in België;
8° de nauwkeurige aanduiding en raming van elk goed afzonderlijk dat deel uitmaakt van het belastbare actief, alsook de vermelding van de kadastrale afdeling, het kadastraal perceel en de ligging als het een onroerend goed betreft. [3 Als de erfgenamen, algemene legatarissen en begiftigden en iedereen die ertoe gehouden is een aangifte van nalatenschap in te dienen met toepassing van artikel 3.3.1.0.9/1, een schatter-expert aanstellen om een schatting te maken van het geheel of een deel van de onroerende goederen die zich in België bevinden en die voor hun verkoopwaarde moeten of kunnen worden aangegeven, wordt het deskundige schattingsverslag bij de aangifte van nalatenschap gevoegd]3. [10 Als de erfgenamen, algemene legatarissen en begiftigden en iedereen die ertoe gehouden is een aangifte van nalatenschap in te dienen met toepassing van artikel 3.4.3.0.2 van deze codex, een verzoek tot inbetalinggeving indienen, wordt de raming vervangen door een verwijzing naar artikel 3.4.3.0.2 van deze codex als het cultuurgoed in zijn geheel deel uitmaakt van de nalatenschap of op de dag van het overlijden in zijn geheel toebehoort aan de overledene en zijn overlevende echtgenoot of zijn wettelijk samenwonende partner of op de dag van het overlijden in zijn geheel toebehoort aan de overledene en een van zijn erfgenamen, legatarissen en begiftigden]10;
9° voor alle polissen die op de dag van het overlijden van kracht waren met betrekking tot lichamelijke roerende goederen : de naam of de firma en het domicilie van de verzekeraar, de datum van de polis en het nummer ervan, alsook de verzekerde goederen en de verzekerde waarde als de door de erflater nagelaten lichamelijk roerende goederen verzekerd waren tegen brand, diefstal of een ander risico. Er moet ook uitdrukkelijk bevestigd worden dat, voor zover de aangevers weten, de goederen niet het voorwerp van andere polissen uitmaakten. Als de goederen in kwestie niet verzekerd waren op de dag van het overlijden, moet dat uitdrukkelijk in de aangifte bevestigd worden;
10° behoudens als toepassing wordt gemaakt van artikel 2.7.3.4.2, eerste lid, de aanduiding van iedere schuld die in mindering van het belastbare actief toegelaten kan worden, met opgave van de voornamen, de achternaam en het domicilie van de schuldeiser, van de oorzaak van de schuld en van de datum van de akte, als er een bestaat. Als de afwijking, vermeld in artikel 2.7.4.1.1, § 2, derde lid, van toepassing is, moet bij de schulden die specifiek zijn aangegaan om de gezinswoning te verwerven of te behouden, uitdrukkelijk worden vermeld dat ze met dat doel zijn aangegaan;
11° [8 ...]8
12° de begunstigde persoon, alsook de datum van de akten of aangiften, en de grondslag waarop het registratierecht is of moet worden geheven als de erflater ten bate van zijn erfgenamen, legatarissen of begiftigden schenkingen heeft gedaan die vastgesteld zijn door akten, die dagtekenen van minder dan drie jaar vóór de datum van het overlijden en die vóór dezelfde datum tot de formaliteit van de registratie aangeboden zijn of verplicht registreerbaar geworden zijn. Ongeacht de datum van de akte geldt deze regel ook als de schenking gedaan is onder een opschortende voorwaarde die vervuld is ingevolge het overlijden van de schenker of minder dan drie jaar vóór dat overlijden;
13° als de erflater het vruchtgebruik van goederen gehad heeft of met fideï-commis bezwaarde goederen verkregen heeft : welke die goederen zijn, met aanduiding van de personen die tot het genot van de volle eigendom zijn gekomen of voordeel getrokken hebben uit het fideï-commis ten gevolge van het overlijden van de erflater;
14° met aanduiding van de betrokken persoon of de betrokken goederen, de vraag tot toepassing van :
a) het abattement, vermeld in artikel 2.7.3.2.12;
b) het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.7.4.2.2. In voorkomend geval moet bij de aangifte de volgende informatie gevoegd worden :
1) de [8 naam]8 en het ondernemingsnummer van de familiale onderneming of familiale vennootschap waarvoor het voordeel gevraagd wordt;
2) de voornaam en de achternaam van de medeaandeelhouders van de erflater en hun graad van verwantschap met de erflater;
3) hetzij de activa van de familiale onderneming met een duidelijke omschrijving en verwijzing naar de boekhouding en, als het onroerende goederen betreft, de vermelding of ze al dan niet hoofdzakelijk voor bewoning worden aangewend of zijn bestemd, hetzij het aantal aandelen en de precieze aard van alle aandelen van een familiale vennootschap met enerzijds de vermelding van het aantal aandelen dat in het bezit was van de erflater en van andere bij naam te noemen medeaandeelhouders, [7 alsook met het percentage van de stemrechten dat zij vertegenwoordigen,]7 en anderzijds de aard van het zakelijk recht dat de erflater en andere bij naam te noemen personen bezitten;
4) kopieën van de goedgekeurde jaarrekeningen van de drie boekjaren die voorafgaan aan het overlijden van de erflater, opgemaakt overeenkomstig de vigerende boekhoudwetgeving van de plaats waar de [8 ...]8 zetel gevestigd is als de [8 ...]8 zetel van de onderneming of vennootschap niet in België ligt;
5) kopieën van het rechtsgeldige aandelenregister of, bij gebrek daaraan, de door alle aandeelhouders ondertekende notulen van de laatste algemene vergadering die voorafgaat aan het overlijden van de erflater, waaruit op ondubbelzinnige wijze de participaties blijken, vermeld in artikel 2.7.4.2.2, § 1, eerste lid, 2°, of tweede lid;
6) een kopie van de laatste voor het overlijden door de erflater ingediende fiscale aangifte voor de personenbelasting wat familiale ondernemingen betreft;
7) een kopie van de gecoördineerde statuten, zoals van toepassing op de dag van het overlijden;
[12 8) een verslag dat een bedrijfsrevisor, die niet de commissaris is, of een gecertificeerd accountant heeft uitgereikt. Het verslag is gedateerd en ondertekend voorafgaand aan de datum van de indiening van de aangifte van nalatenschap voor elke familiale vennootschap. Het verslag bevat al de volgende elementen:
i) de voor- en achternaam van de bedrijfsrevisor of de accountant, het registratienummer in het openbaar register, vermeld in artikel 10, § 1, van de wet van 7 december 2016 tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren, of het inschrijvingsnummer in het openbaar register, vermeld in artikel 29 van de wet van 17 maart 2019 betreffende de beroepen van accountant en belastingadviseur;
ii) de voor- en achternaam, het rijksregisternummer en het adres van de aanvrager of, als er verschillende zijn, de aanvragers;
iii) de naam en het ondernemingsnummer van de familiale vennootschap waarvoor het verlaagde tarief wordt gevraagd;
iv) de verkoopwaarde van de volle eigendom van de vererfde aandelen van de familiale vennootschap, zoals die is geraamd door de bedrijfsrevisor of de accountant;
v) de verkoopwaarde en de opsomming van de onroerende goederen die tot bewoning worden aangewend of bestemd, met inbegrip van bouwgronden als vermeld in artikel 1.1.0.0.2, zesde lid, 1° /1, van deze codex, waarop de familiale vennootschap of haar dochtervennootschappen zakelijke rechten hebben, en de aard van die zakelijke rechten. De vermelding bevat de kadastrale gegevens, namelijk de kadastrale afdeling, de sectie, het perceelnummer en het partitienummer, de kadastrale oppervlakte, het kadastraal inkomen en, in voorkomend geval, de kadastrale detailidentificatie van een privatieve eigendom;
vi) het gedeelte van de waarde, zoals die is geraamd door de bedrijfsrevisor of de accountant, vermeld in punt iv), dat wordt bepaald door de verkoopwaarde van de onroerende goederen, vermeld in punt v), in de familiale vennootschap, of in participaties van minstens 10% van de familiale vennootschap in haar dochtervennootschappen;
vii) het verschil tussen de verkoopwaarde, vermeld in punt iv), en de verkoopwaarde, vermeld in punt vi);
viii) de motivering van de wijze waarop de bedrijfsrevisor of de accountant de verkoopwaarden, vermeld in punt iv), vi) en vii), heeft bepaald, met vermelding van de gebruikte waarderingsmethode;
ix) de referentiedatum voor de waardebepaling, vermeld in punt iv) en v), namelijk de datum van het overlijden van de erflater;]12
c) de vermindering, vermeld in artikel 2.7.5.0.3;
d) de vermindering, vermeld in artikel 2.7.5.0.4;
e) de aftrek, vermeld in artikel 2.7.5.0.5;
f) de vrijstelling, vermeld in artikel 2.7.6.0.1, waarbij tevens de maatschappelijke rechten moeten worden vermeld in de aangifte van de nalatenschap die deel uitmaken van de nalatenschap van de inschrijver, of belastbaar zijn overeenkomstig artikel 2.7.1.0.4. In voorkomend geval moet bij de aangifte ook het attest, vermeld in artikel 2.7.6.0.1, § 4, worden gevoegd;
g) [4 ...]4
h) [4 ...]4
i) de vrijstelling, vermeld in artikel 2.7.6.0.4;
[2 j) de vrijstelling, vermeld in artikel 2.7.4.1.1, § 2, derde lid.]2
[4 k) de vrijstelling, vermeld in artikel 2.7.6.0.5. In voorkomend geval moeten de verzoekers in de aangifte verklaren dat ze kennis hebben van het bepaalde in artikel 16septiesdecies, eerste lid, 1°, en het tweede tot en met het vierde lid van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. In voorkomend geval wordt hetzij een afschrift van de beslissing tot goedkeuring van het natuurbeheerplan, vermeld in artikel 16octies, § 1, eerste lid, 5°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, hetzij een afschrift van de overeenkomst, vermeld in artikel 2.7.6.0.5, § 2, tweede lid, gevoegd bij de aangift;]4
[9 l) de vermindering, vermeld in artikel 2.7.5.0.6 van deze codex;]9
[8 m) de vrijstelling, vermeld in artikel 2.7.6.0.6, § 1;]8
[10 n) het verzoek tot inbetalinggeving, vermeld in artikel 3.4.3.0.2 van deze codex, als het cultuurgoed in zijn geheel deel uitmaakt van de nalatenschap of op de dag van het overlijden in zijn geheel toebehoort aan de overledene en zijn overlevende echtgenoot of zijn wettelijk samenwonende partner of op de dag van het overlijden in zijn geheel toebehoort aan de overledene en een van zijn erfgenamen, legatarissen en begiftigden;]10
[13 o) het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.7.4.2.5, § 1, eerste lid;]13
[5 15° in voorkomend geval de erfovereenkomst[11 die is opgesteld conform artikel 4.254 tot en met 4.259]11 van het Burgerlijk Wetboek. In dat geval wordt een kopie van die notariële erfovereenkomst bij de aangifte gevoegd;
16° [6 in voorkomend geval de verkrijgingen van vruchtgebruik met toepassing van [11 artikel 4.18]11 van het Burgerlijk Wetboek. In dat geval wordt een kopie van de akte van schenking bij de aangifte gevoegd. In geval van verzaking aan het vruchtgebruik op een ander tijdstip wordt het stuk gevoegd waaruit die verzaking blijkt.]6
17° in voorkomend geval welke schenkingen, levensverzekeringen en legaten aan inbreng of inkorting zijn onderworpen en in bevestigend geval op welke wijze de inbreng of inkorting gebeurt.]5
Als het successierecht verschuldigd is, bevat de aangifte bovendien de uitdrukkelijke vermelding van het adres en de datum en duur van de vestiging van de verschillende fiscale woonplaatsen die de erflater of de afwezige gehad heeft in de periode van vijf jaar voorafgaand aan zijn overlijden of aan het tijdstip waarop het laatste bericht van de afwezige werd ontvangen.
De aangifte van de nalatenschap wordt door de aangevers ondertekend.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, 8°, mogen elk van volgende groepen van goederen het voorwerp uitmaken van een globale aangifte en globale raming :
1° andere onroerende goederen dan de onroerende goederen door bestemming, vermeld in punt 2° tot en met punt 8° hieronder, die een enig bedrijf of een enkel domeingeheel uitmaken;
2° wat betreft de voorwerpen die tot een landbouwbedrijf dienen :
a) elke soort van dieren;
b) het landbouwgereedschap;
c) de bezaaiingen en andere vruchten te velde;
d) de zaden, de waren, het stro en de meststoffen;
3° wat betreft de voorwerpen die tot een nijverheidsbedrijf dienen :
a) de werktuigen;
b) de vervaardigde of bereide koopwaren en de grondstoffen;
4° wat betreft de voorwerpen die tot een handelsbedrijf of ambachtsbedrijf dienen :
a) het materieel en de bedrijfstoestellen;
b) de koopwaren;
5° de materiële roerende goederen, dienstig voor of aangewend in het kader van een vrij beroep;
6° de kledingstukken, de juwelen, de boeken en alle andere voorwerpen tot persoonlijk gebruik van de erflater;
7° de stoffering, het vaatwerk, het keukengereedschap en andere voorwerpen van gelijke aard;
8° de verzamelingen van schilderijen, porselein, wapens en andere voorwerpen;
9° de wijn en andere waren.
[10 Het eerste lid geldt niet voor cultuurgoederen die worden aangeboden om de erfbelasting en toebehoren te betalen met toepassing van artikel 3.4.3.0.2.]10]1
Änderungen
Art. 3.3.1.0.8. [1 § 1er. La déclaration de succession mentionne :
1° l'identification du testateur ; les prénoms, le nom, le numéro de registre national ou le numéro d'identification, visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale, la profession, le domicile, le lieu et la date de naissance du testateur et, le cas échéant, du conjoint ou du cohabitant légal ; le lieu et la date du décès du testateur ;
2° l'identification des déclarants ; les prénoms, le nom, le numéro de registre national ou le numéro d'identification, visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale, le domicile, le lieu et la date de naissance des déclarants ;
3° les prénoms, le nom, le numéro de registre national ou le numéro d'identification, visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale, le domicile, le lieu et la date de naissance des personnes qui ont la qualité d'héritiers, de légataires et de donataires ;
4° le degré de parenté entre le testateur et ses héritiers, légataires et donataires, la part que reçoit chacun d'entre eux et le titre sur la base duquel ils entrent dans la succession ;
5° les prénoms, le nom, le domicile, le lieu et la date de naissance des enfants, visés à l'article 2.7.5.0.2, § 1er ;
6° le cas échéant, la désignation des héritiers qui sont exclus en vertu de dispositions testamentaires ou contractuelles ;
7° le choix d'un domicile en Belgique ;
8° la désignation précise et l'estimation de chaque bien, considéré individuellement, qui fait partie de l'actif imposable ainsi que la mention de la section cadastrale, de la parcelle cadastrale et de la situation s'il s'agit d'un bien immeuble. [3 Si les héritiers, légataires et bénéficiaires généraux et quiconque est tenu d'introduire une déclaration de succession en application de l'article 3.3.1.0.9/1 désignent un taxateur-expert pour faire une estimation de l'ensemble ou d'une partie des biens immobiliers qui se trouvent en Belgique et qui doivent ou peuvent être déclarés à concurrence de leur valeur vénale, le rapport d'expertise est joint à la déclaration de succession]3. [10 Si les héritiers, les légataires universels, les donateurs et toute personne tenue de déposer une déclaration de succession en application de l'article 3.4.3.0.2 du présent code déposent une demande de dation en paiement, l'estimation est remplacée par une référence à l'article 3.4.3.0.2 du présent code si le bien culturel fait partie de la succession dans son intégralité ou, au jour du décès, appartient dans son intégralité au défunt et à son conjoint survivant ou à son cohabitant légal ou, au jour du décès, appartient dans son intégralité au défunt et à l'un de ses héritiers, légataires et donataires]10 ;
9° pour toutes les polices en rapport avec des biens mobiliers corporels qui étaient en vigueur au jour du décès : le nom ou la compagnie et le domicile de l'assureur, la date de la police et son numéro ainsi que les biens assurés et la valeur assurée si les biens mobiliers corporels légués par le testateur étaient assurés contre l'incendie, le vol ou un autre risque. Il faut aussi confirmer expressément qu'à la connaissance des déclarants, les biens n'ont pas fait l'objet d'autres polices. Si les biens en question n'étaient pas assurés au jour du décès, il faut le confirmer expressément dans la déclaration ;
10° sauf application de l'article 2.7.3.4.2, premier alinéa, l'indication de toute dette qui peut être admise en déduction de l'actif imposable, en indiquant les prénoms, le nom et le domicile du créancier, la cause de la dette, et de la date de l'acte, le cas échéant. Si la dérogation, visée à l'article 2.7.4.1.1, § 2, alinéa trois est d'application, il y a lieu de mentionner explicitement pour les dettes spécifiquement contractées pour acquérir ou conserver le logement familial qu'elles l'ont été à cette fin ;
11° [8 ...]8
12° la personne bénéficiaire ainsi que la date des actes ou déclarations et la base sur laquelle les droits d'enregistrement ont été ou doivent être prélevés si le testateur a consenti, au profit de ses héritiers, légataires ou donataires, des donations entre vifs constatées par des actes remontant à moins de trois ans avant la date du décès, qui ont été présentés à la formalité de l'enregistrement ou sont devenus obligatoirement enregistrables avant cette même date. Quelle que soit la date de l'acte, cette règle s'applique également si la donation est faite sous condition suspensive remplie à la suite du décès du donateur ou moins de trois ans avant ce décès ;
13° si le testateur a eu l'usufruit de quelque bien ou a recueilli des biens grevés de fidéicommis : quels sont les biens, en indiquant les personnes qui sont parvenues à la jouissance de la pleine propriété ou qui ont bénéficié du fidéicommis en suite du décès du testateur ;
14° en indiquant la personne concernée ou les biens concernés, la demande d'application :
a) de l'abattement, visé à l'article 2.7.3.2.12 ;
b) du tarif réduit, visé à l'article 2.7.4.2.2. Le cas échéant, il faut joindre à la déclaration les informations suivantes :
1) [8 le nom]8 et le numéro d'entreprise de l'entreprise familiale ou de la société familiale pour laquelle l'avantage est demandé ;
2) le prénom et le nom des coactionnaires du testateur et leur degré de parenté avec le testateur ;
3) soit l'actif de l'entreprise familiale avec une description claire et un renvoi à la comptabilité et, s'il s'agit de biens immeubles, l'indication s'ils sont affectés ou ont été destinés principalement à l'habitation ou non, soit le nombre d'actions et la nature précise de toutes les actions d'une société familiale avec, d'une part, l'indication du nombre de parts que détenaient le testateur et d'autres coactionnaires à désigner nommément [7 et avec le pourcentage des droits de vote qu'ils représentent]7 et, d'autre part, la nature du droit réel que possèdent le testateur et d'autres personnes à désigner nommément ;
4) des copies des comptes annuels approuvés des trois exercices précédant le décès du testateur, établis conformément à la législation comptable en vigueur du lieu où est établi le siège [8 ...]8 si le siège [8 ...]8 de l'entreprise ou de la société n'est pas situé en Belgique ;
5) des copies du registre des actionnaires, valable en droit, ou, à défaut, des procès-verbaux, signés par tous les actionnaires, de la dernière assemblée générale précédant le décès du testateur dont ressort sans équivoque les participations visées à l'article 2.7.4.2.2, § 1er, alinéa premier, 2°, ou alinéa deux ;
6) une copie de la dernière déclaration fiscale à l'impôt des personnes physiques déposée par le testateur avant son décès, en ce qui concerne des entreprises familiales ;
7) une copie des statuts coordonnés, tels qu'ils sont d'application le jour du décès ;
c) de la réduction visée à l'article 2.7.5.0.3 ;
d) de la réduction visée à l'article 2.7.5.0.4 ;
e) de la déduction, visée à l'article 2.7.5.0.5 ;
f) de l'exemption, visée à l'article 2.7.6.0.1, auquel cas il faut également indiquer dans la déclaration de la succession les droits sociaux qui font partie de la succession du souscripteur ou sont imposables conformément à l'article 2.7.1.0.4. Le cas échéant, il faut également joindre à la déclaration l'attestation visée à l'article 2.7.6.0.1, § 4 ;
g) [4 ...]4
h) [4 ...]4
i) de l'exemption, visée à l'article 2.7.6.0.4.
[2 j) la dérogation, visée à l'article 2.7.4.1.1, § 2, troisième alinéa.]2
[4 k) l'exemption visée à l'article 2.7.6.0.5. Le cas échéant, les demandeurs doivent déclarer dans la déclaration qu'ils connaissent les dispositions de l'article 16septiesdecies, alinéa premier, 1°, et alinéas deux à quatre du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel. Le cas échéant, soit une copie de la décision d'approbation du plan de gestion de la nature visée à l'article 16octies, § 1er, alinéa premier, 5°, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, soit une copie de la convention visée à l'article 2.7.6.0.5, § 2, alinéa deux, est jointe à la déclaration;]4
[9 l) la réduction visée à l'article 2.7.5.0.6 du présent code ;]9
[8 m) l'exonération, visée à l'article 2.7.6.0.6, § 1er ;]8
[10 n) la demande de dation en paiement visée à l'article 3.4.3.0.2 du présent code, si le bien culturel fait partie de la succession dans son intégralité ou, au jour du décès, appartient dans son intégralité au défunt et à son conjoint survivant ou à son cohabitant légal ou, au jour du décès, appartient dans son intégralité au défunt et à l'un de ses héritiers, légataires et donataires ;]10
[13 o) le taux réduit visé à l'article 2.7.4.2.5, § 1er, alinéa 1er ;]13
[12 8) un rapport émis par un réviseur d'entreprises, qui n'est pas le commissaire, ou un comptable certifié. Le rapport est daté et signé avant la date de dépôt de la déclaration de succession pour chaque société familiale. Le rapport comprend tous les éléments suivants :
i) le nom et le prénom du réviseur d'entreprises ou du comptable, le numéro d'inscription au registre public visé à l'article 10, § 1er, de la loi du 7 décembre 2016 portant organisation de la profession et de la supervision publique des réviseurs d'entreprises, ou le numéro d'inscription au registre public visé à l'article 29 de la loi du 17 mars 2019 relative aux professions d'expert-comptable et de conseiller fiscal ;
ii) le nom et le prénom, le numéro de registre national et l'adresse du demandeur ou, s'il y en a plusieurs, des demandeurs ;
iii) le nom et le numéro d'entreprise de la société familiale pour laquelle le taux réduit est demandé ;
iv) la valeur de vente de la pleine propriété des actions héritées de la société familiale, telle qu'estimée par le réviseur d'entreprises ou le comptable ;
v) la valeur de vente et l'énumération des biens immobiliers utilisés ou destinés à l'habitation, y compris les terrains à bâtir tels que visés à l'article 1.1.0.0.2, alinéa 6, 1° /1, du présent code, sur lesquels la société familiale ou ses filiales détiennent des droits réels, ainsi que la nature de ces droits réels. La mention contient les données cadastrales, à savoir la division cadastrale, la section, le numéro de parcelle et le numéro de partition, la superficie cadastrale, le revenu cadastral et, le cas échéant, l'identifiant cadastral détaillé d'une propriété privée ;
vi) la partie de la valeur, telle qu'estimée par le réviseur d'entreprises ou le comptable, visée au point iv), déterminée par la valeur de vente des biens immobiliers, visée au point v), dans la société familiale, ou dans des participations d'au moins 10 % de la société familiale dans ses filiales ;
vii) la différence entre la valeur de vente visée au point iv), et la valeur de vente visée au point vi) ;
viii) la justification de la manière dont le réviseur d'entreprises ou le comptable a déterminé les valeurs de vente visées aux points iv), vi) et vii), en indiquant la méthode d'évaluation utilisée ;
ix) la date de référence pour l'évaluation de la valeur visée aux points iv) et v), à savoir la date du décès du testateur;]12
[5 15° le cas échéant, le pacte successoral [11 établi conformément aux articles 4.254 à 4.259 ]11 du Code civil. Dans ce cas, une copie de ce pacte successoral notarié est jointe à la déclaration ;
16° [6 le cas échéant, les acquisitions d'usufruit en application de l'[11 article 4.18 ]11 du Code civil. Dans ce cas, une copie de l'acte de donation est jointe à la déclaration. En cas de renonciation à l'usufruit à tout autre moment, le document prouvant cette renonciation doit être joint.]6
17° le cas échéant, quels donations, assurances-vie et legs sont soumis à un apport ou raccourcissement et, dans le cas affirmatif, de quelle manière l'apport ou le raccourcissement est effectué.]5
Si le droit de succession est dû, la déclaration contient en outre l'indication expresse des adresses, de la date d'établissement et de la durée d'occupation des différents domiciles fiscaux qu'a eus le testateur ou l'absent durant la période de cinq ans précédant son décès ou précédant le moment où l'on a reçu les dernières nouvelles de l'absent.
La déclaration de la succession est signée par les déclarants.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1, alinéa premier, 8°, chacun des groupes suivants de biens peut faire l'objet d'une déclaration et d'une estimation globales :
1° les immeubles autres que les immeubles par destination visés aux points 2° à 8° ci-dessous - qui forment une exploitation unique ou un seul corps de domaine ;
2° parmi les objets servant à une exploitation agricole :
a) chaque espèce d'animaux ;
b) les ustensiles aratoires ;
c) les emblaves et autres récoltes sur pied ;
d) les semences, denrées, pailles et engrais ;
3° quant aux objets servant à une exploitation industrielle :
a) l'outillage ;
b) les marchandises fabriquées ou préparées et les matières premières ;
4° quant aux objets servant à une exploitation commerciale :
a) le matériel et les ustensiles d'exploitation ;
b) les marchandises ;
5° les biens mobiliers corporels utiles ou affectés dans le cadre d'une profession libérale ;
6° les effets d'habillement, les bijoux, les livres et tous autres objets à l'usage personnel du défunt ;
7° les meubles meublants, la vaisselle, la batterie de cuisine et autres objets de même nature ;
8° les collections de tableaux, de porcelaines, d'armes et d'autres objets ;
9° les vins et autres denrées.
[10 L'alinéa 1er ne s'applique pas aux biens culturels qui sont présentés en paiement des droits de succession et accessoires en application de l'article 3.4.3.0.2.]10]1
1° l'identification du testateur ; les prénoms, le nom, le numéro de registre national ou le numéro d'identification, visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale, la profession, le domicile, le lieu et la date de naissance du testateur et, le cas échéant, du conjoint ou du cohabitant légal ; le lieu et la date du décès du testateur ;
2° l'identification des déclarants ; les prénoms, le nom, le numéro de registre national ou le numéro d'identification, visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale, le domicile, le lieu et la date de naissance des déclarants ;
3° les prénoms, le nom, le numéro de registre national ou le numéro d'identification, visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale, le domicile, le lieu et la date de naissance des personnes qui ont la qualité d'héritiers, de légataires et de donataires ;
4° le degré de parenté entre le testateur et ses héritiers, légataires et donataires, la part que reçoit chacun d'entre eux et le titre sur la base duquel ils entrent dans la succession ;
5° les prénoms, le nom, le domicile, le lieu et la date de naissance des enfants, visés à l'article 2.7.5.0.2, § 1er ;
6° le cas échéant, la désignation des héritiers qui sont exclus en vertu de dispositions testamentaires ou contractuelles ;
7° le choix d'un domicile en Belgique ;
8° la désignation précise et l'estimation de chaque bien, considéré individuellement, qui fait partie de l'actif imposable ainsi que la mention de la section cadastrale, de la parcelle cadastrale et de la situation s'il s'agit d'un bien immeuble. [3 Si les héritiers, légataires et bénéficiaires généraux et quiconque est tenu d'introduire une déclaration de succession en application de l'article 3.3.1.0.9/1 désignent un taxateur-expert pour faire une estimation de l'ensemble ou d'une partie des biens immobiliers qui se trouvent en Belgique et qui doivent ou peuvent être déclarés à concurrence de leur valeur vénale, le rapport d'expertise est joint à la déclaration de succession]3. [10 Si les héritiers, les légataires universels, les donateurs et toute personne tenue de déposer une déclaration de succession en application de l'article 3.4.3.0.2 du présent code déposent une demande de dation en paiement, l'estimation est remplacée par une référence à l'article 3.4.3.0.2 du présent code si le bien culturel fait partie de la succession dans son intégralité ou, au jour du décès, appartient dans son intégralité au défunt et à son conjoint survivant ou à son cohabitant légal ou, au jour du décès, appartient dans son intégralité au défunt et à l'un de ses héritiers, légataires et donataires]10 ;
9° pour toutes les polices en rapport avec des biens mobiliers corporels qui étaient en vigueur au jour du décès : le nom ou la compagnie et le domicile de l'assureur, la date de la police et son numéro ainsi que les biens assurés et la valeur assurée si les biens mobiliers corporels légués par le testateur étaient assurés contre l'incendie, le vol ou un autre risque. Il faut aussi confirmer expressément qu'à la connaissance des déclarants, les biens n'ont pas fait l'objet d'autres polices. Si les biens en question n'étaient pas assurés au jour du décès, il faut le confirmer expressément dans la déclaration ;
10° sauf application de l'article 2.7.3.4.2, premier alinéa, l'indication de toute dette qui peut être admise en déduction de l'actif imposable, en indiquant les prénoms, le nom et le domicile du créancier, la cause de la dette, et de la date de l'acte, le cas échéant. Si la dérogation, visée à l'article 2.7.4.1.1, § 2, alinéa trois est d'application, il y a lieu de mentionner explicitement pour les dettes spécifiquement contractées pour acquérir ou conserver le logement familial qu'elles l'ont été à cette fin ;
11° [8 ...]8
12° la personne bénéficiaire ainsi que la date des actes ou déclarations et la base sur laquelle les droits d'enregistrement ont été ou doivent être prélevés si le testateur a consenti, au profit de ses héritiers, légataires ou donataires, des donations entre vifs constatées par des actes remontant à moins de trois ans avant la date du décès, qui ont été présentés à la formalité de l'enregistrement ou sont devenus obligatoirement enregistrables avant cette même date. Quelle que soit la date de l'acte, cette règle s'applique également si la donation est faite sous condition suspensive remplie à la suite du décès du donateur ou moins de trois ans avant ce décès ;
13° si le testateur a eu l'usufruit de quelque bien ou a recueilli des biens grevés de fidéicommis : quels sont les biens, en indiquant les personnes qui sont parvenues à la jouissance de la pleine propriété ou qui ont bénéficié du fidéicommis en suite du décès du testateur ;
14° en indiquant la personne concernée ou les biens concernés, la demande d'application :
a) de l'abattement, visé à l'article 2.7.3.2.12 ;
b) du tarif réduit, visé à l'article 2.7.4.2.2. Le cas échéant, il faut joindre à la déclaration les informations suivantes :
1) [8 le nom]8 et le numéro d'entreprise de l'entreprise familiale ou de la société familiale pour laquelle l'avantage est demandé ;
2) le prénom et le nom des coactionnaires du testateur et leur degré de parenté avec le testateur ;
3) soit l'actif de l'entreprise familiale avec une description claire et un renvoi à la comptabilité et, s'il s'agit de biens immeubles, l'indication s'ils sont affectés ou ont été destinés principalement à l'habitation ou non, soit le nombre d'actions et la nature précise de toutes les actions d'une société familiale avec, d'une part, l'indication du nombre de parts que détenaient le testateur et d'autres coactionnaires à désigner nommément [7 et avec le pourcentage des droits de vote qu'ils représentent]7 et, d'autre part, la nature du droit réel que possèdent le testateur et d'autres personnes à désigner nommément ;
4) des copies des comptes annuels approuvés des trois exercices précédant le décès du testateur, établis conformément à la législation comptable en vigueur du lieu où est établi le siège [8 ...]8 si le siège [8 ...]8 de l'entreprise ou de la société n'est pas situé en Belgique ;
5) des copies du registre des actionnaires, valable en droit, ou, à défaut, des procès-verbaux, signés par tous les actionnaires, de la dernière assemblée générale précédant le décès du testateur dont ressort sans équivoque les participations visées à l'article 2.7.4.2.2, § 1er, alinéa premier, 2°, ou alinéa deux ;
6) une copie de la dernière déclaration fiscale à l'impôt des personnes physiques déposée par le testateur avant son décès, en ce qui concerne des entreprises familiales ;
7) une copie des statuts coordonnés, tels qu'ils sont d'application le jour du décès ;
c) de la réduction visée à l'article 2.7.5.0.3 ;
d) de la réduction visée à l'article 2.7.5.0.4 ;
e) de la déduction, visée à l'article 2.7.5.0.5 ;
f) de l'exemption, visée à l'article 2.7.6.0.1, auquel cas il faut également indiquer dans la déclaration de la succession les droits sociaux qui font partie de la succession du souscripteur ou sont imposables conformément à l'article 2.7.1.0.4. Le cas échéant, il faut également joindre à la déclaration l'attestation visée à l'article 2.7.6.0.1, § 4 ;
g) [4 ...]4
h) [4 ...]4
i) de l'exemption, visée à l'article 2.7.6.0.4.
[2 j) la dérogation, visée à l'article 2.7.4.1.1, § 2, troisième alinéa.]2
[4 k) l'exemption visée à l'article 2.7.6.0.5. Le cas échéant, les demandeurs doivent déclarer dans la déclaration qu'ils connaissent les dispositions de l'article 16septiesdecies, alinéa premier, 1°, et alinéas deux à quatre du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel. Le cas échéant, soit une copie de la décision d'approbation du plan de gestion de la nature visée à l'article 16octies, § 1er, alinéa premier, 5°, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, soit une copie de la convention visée à l'article 2.7.6.0.5, § 2, alinéa deux, est jointe à la déclaration;]4
[9 l) la réduction visée à l'article 2.7.5.0.6 du présent code ;]9
[8 m) l'exonération, visée à l'article 2.7.6.0.6, § 1er ;]8
[10 n) la demande de dation en paiement visée à l'article 3.4.3.0.2 du présent code, si le bien culturel fait partie de la succession dans son intégralité ou, au jour du décès, appartient dans son intégralité au défunt et à son conjoint survivant ou à son cohabitant légal ou, au jour du décès, appartient dans son intégralité au défunt et à l'un de ses héritiers, légataires et donataires ;]10
[13 o) le taux réduit visé à l'article 2.7.4.2.5, § 1er, alinéa 1er ;]13
[12 8) un rapport émis par un réviseur d'entreprises, qui n'est pas le commissaire, ou un comptable certifié. Le rapport est daté et signé avant la date de dépôt de la déclaration de succession pour chaque société familiale. Le rapport comprend tous les éléments suivants :
i) le nom et le prénom du réviseur d'entreprises ou du comptable, le numéro d'inscription au registre public visé à l'article 10, § 1er, de la loi du 7 décembre 2016 portant organisation de la profession et de la supervision publique des réviseurs d'entreprises, ou le numéro d'inscription au registre public visé à l'article 29 de la loi du 17 mars 2019 relative aux professions d'expert-comptable et de conseiller fiscal ;
ii) le nom et le prénom, le numéro de registre national et l'adresse du demandeur ou, s'il y en a plusieurs, des demandeurs ;
iii) le nom et le numéro d'entreprise de la société familiale pour laquelle le taux réduit est demandé ;
iv) la valeur de vente de la pleine propriété des actions héritées de la société familiale, telle qu'estimée par le réviseur d'entreprises ou le comptable ;
v) la valeur de vente et l'énumération des biens immobiliers utilisés ou destinés à l'habitation, y compris les terrains à bâtir tels que visés à l'article 1.1.0.0.2, alinéa 6, 1° /1, du présent code, sur lesquels la société familiale ou ses filiales détiennent des droits réels, ainsi que la nature de ces droits réels. La mention contient les données cadastrales, à savoir la division cadastrale, la section, le numéro de parcelle et le numéro de partition, la superficie cadastrale, le revenu cadastral et, le cas échéant, l'identifiant cadastral détaillé d'une propriété privée ;
vi) la partie de la valeur, telle qu'estimée par le réviseur d'entreprises ou le comptable, visée au point iv), déterminée par la valeur de vente des biens immobiliers, visée au point v), dans la société familiale, ou dans des participations d'au moins 10 % de la société familiale dans ses filiales ;
vii) la différence entre la valeur de vente visée au point iv), et la valeur de vente visée au point vi) ;
viii) la justification de la manière dont le réviseur d'entreprises ou le comptable a déterminé les valeurs de vente visées aux points iv), vi) et vii), en indiquant la méthode d'évaluation utilisée ;
ix) la date de référence pour l'évaluation de la valeur visée aux points iv) et v), à savoir la date du décès du testateur;]12
[5 15° le cas échéant, le pacte successoral [11 établi conformément aux articles 4.254 à 4.259 ]11 du Code civil. Dans ce cas, une copie de ce pacte successoral notarié est jointe à la déclaration ;
16° [6 le cas échéant, les acquisitions d'usufruit en application de l'[11 article 4.18 ]11 du Code civil. Dans ce cas, une copie de l'acte de donation est jointe à la déclaration. En cas de renonciation à l'usufruit à tout autre moment, le document prouvant cette renonciation doit être joint.]6
17° le cas échéant, quels donations, assurances-vie et legs sont soumis à un apport ou raccourcissement et, dans le cas affirmatif, de quelle manière l'apport ou le raccourcissement est effectué.]5
Si le droit de succession est dû, la déclaration contient en outre l'indication expresse des adresses, de la date d'établissement et de la durée d'occupation des différents domiciles fiscaux qu'a eus le testateur ou l'absent durant la période de cinq ans précédant son décès ou précédant le moment où l'on a reçu les dernières nouvelles de l'absent.
La déclaration de la succession est signée par les déclarants.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1, alinéa premier, 8°, chacun des groupes suivants de biens peut faire l'objet d'une déclaration et d'une estimation globales :
1° les immeubles autres que les immeubles par destination visés aux points 2° à 8° ci-dessous - qui forment une exploitation unique ou un seul corps de domaine ;
2° parmi les objets servant à une exploitation agricole :
a) chaque espèce d'animaux ;
b) les ustensiles aratoires ;
c) les emblaves et autres récoltes sur pied ;
d) les semences, denrées, pailles et engrais ;
3° quant aux objets servant à une exploitation industrielle :
a) l'outillage ;
b) les marchandises fabriquées ou préparées et les matières premières ;
4° quant aux objets servant à une exploitation commerciale :
a) le matériel et les ustensiles d'exploitation ;
b) les marchandises ;
5° les biens mobiliers corporels utiles ou affectés dans le cadre d'une profession libérale ;
6° les effets d'habillement, les bijoux, les livres et tous autres objets à l'usage personnel du défunt ;
7° les meubles meublants, la vaisselle, la batterie de cuisine et autres objets de même nature ;
8° les collections de tableaux, de porcelaines, d'armes et d'autres objets ;
9° les vins et autres denrées.
[10 L'alinéa 1er ne s'applique pas aux biens culturels qui sont présentés en paiement des droits de succession et accessoires en application de l'article 3.4.3.0.2.]10]1
Änderungen
Art. 3.3.1.0.9 [1 De erfgenamen, algemene legatarissen en begiftigden en al wie gehouden is tot het indienen van een aangifte van nalatenschap, kunnen vóór de aangifte en uiterlijk vóór het verstrijken van de aangiftetermijn, vermeld in artikel 3.3.1.0.5, § 2, en 3.3.1.0.6, aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie een schatting vragen van het geheel of een deel van de onroerende goederen die zich in België bevinden en die voor hun verkoopwaarde moeten of kunnen worden aangegeven. De aanvragers kunnen bij hun aanvraag en bij het eventuele plaatsbezoek, vermeld in het derde lid, elementen aandragen die nuttig zijn voor die schatting.
De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie bevestigt de ontvangst van de aanvraag binnen vijftien kalenderdagen.
Als de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie een plaatsbezoek noodzakelijk acht, worden de aanvragers ingelicht over de datum en het uur waarop dat plaatsbezoek zal plaatsvinden.
Het gemotiveerde resultaat van de schatting wordt schriftelijk ter kennis gebracht van de aanvragers. De schatting is bindend voor de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie en zal bijgevolg gebruikt worden voor de berekening van de erfbelasting.]1
[2 De aanvraag tot schatting, vermeld in dit artikel, heeft voor de aanvrager tot gevolg dat het bindende karakter van de schatting, vermeld in artikel 3.3.1.0.9/1, vervalt voor hetzelfde onroerend goed.]2
De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie bevestigt de ontvangst van de aanvraag binnen vijftien kalenderdagen.
Als de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie een plaatsbezoek noodzakelijk acht, worden de aanvragers ingelicht over de datum en het uur waarop dat plaatsbezoek zal plaatsvinden.
Het gemotiveerde resultaat van de schatting wordt schriftelijk ter kennis gebracht van de aanvragers. De schatting is bindend voor de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie en zal bijgevolg gebruikt worden voor de berekening van de erfbelasting.]1
[2 De aanvraag tot schatting, vermeld in dit artikel, heeft voor de aanvrager tot gevolg dat het bindende karakter van de schatting, vermeld in artikel 3.3.1.0.9/1, vervalt voor hetzelfde onroerend goed.]2
Art. 3.3.1.0.9. [1 Les héritiers, légataires universels et donataires et toute personne tenue de déposer une déclaration de succession peuvent demander à l'entité compétente de l'administration flamande une évaluation de l'ensemble ou d'une partie des immeubles qui se trouvent en Belgique et doivent ou peuvent être déclarés pour leur valeur vénale avant la déclaration et, au plus tard, avant l'expiration du délai de déclaration visé aux articles 3.3.1.0.5, § 2, et 3.3.1.0.6. Les demandeurs peuvent produire des éléments utiles pour cette évaluation dans leur demande et lors de la visite éventuelle sur les lieux, visée au troisième alinéa.
L'entité compétente de l'administration flamande confirme la réception de la demande dans les quinze jours calendrier.
Si l'entité compétente de l'administration flamande juge utile une visite sur les lieux, les demandeurs seront informés de la date et de l'heure auxquelles ils procéderont à cette visite sur les lieux.
Le résultat motivé de l'évaluation est notifié par écrit aux demandeurs. L'évaluation est impérative pour l'entité compétente de l'administration flamande et sera par conséquent utilisée pour le calcul des droits de succession.]1
[2 La demande d'évaluation, visée au présent article, a pour conséquence pour le demandeur que le caractère contraignant de l'évaluation, mentionné dans l'article 3.3.1.0.9/1, est annulé pour le même bien immobilier.]2
L'entité compétente de l'administration flamande confirme la réception de la demande dans les quinze jours calendrier.
Si l'entité compétente de l'administration flamande juge utile une visite sur les lieux, les demandeurs seront informés de la date et de l'heure auxquelles ils procéderont à cette visite sur les lieux.
Le résultat motivé de l'évaluation est notifié par écrit aux demandeurs. L'évaluation est impérative pour l'entité compétente de l'administration flamande et sera par conséquent utilisée pour le calcul des droits de succession.]1
[2 La demande d'évaluation, visée au présent article, a pour conséquence pour le demandeur que le caractère contraignant de l'évaluation, mentionné dans l'article 3.3.1.0.9/1, est annulé pour le même bien immobilier.]2
Art. 3.3.1.0.9 /1.[1 § 1. De erfgenamen, algemene legatarissen en begiftigden en iedereen die ertoe gehouden is een aangifte van nalatenschap in te dienen, kunnen een schatter-expert aanstellen om een schatting te maken van het geheel of een deel van de onroerende goederen die zich in België bevinden en die voor hun verkoopwaarde moeten of kunnen worden aangegeven.
De schatting is alleen bindend voor de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie als:
1° de schatter-expert op het moment van de schatting is opgenomen op de lijst van aan te stellen erkende schatters-experten, vermeld in paragraaf 2, na naleving van de voorwaarden daarvoor;
2° de schatting deugdelijk wordt gemotiveerd in een deskundig schattingsverslag dat voldoet aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 3;
3° het deskundige schattingsverslag wordt gevoegd bij de aangifte van nalatenschap, vermeld in artikel 3.3.1.0.5, binnen de termijnen, bepaald in dat artikel.
Na de ontvangst van de schriftelijke aanvraag bevestigt de schatter-expert schriftelijk dat hij de aanvraag heeft ontvangen en meldt hij of hij de opdracht al dan niet aanvaardt. Hij werkt zijn opdracht af binnen een termijn die wordt bepaald in onderling overleg met de opdrachtgever, zonder dat daaraan rechten ontleend kunnen worden voor de verlenging van de aangiftetermijn, vermeld in artikel 3.3.1.0.5.
§ 2. De schatter-expert die opgenomen wil worden op een lijst van aan te stellen schatters-experten als vermeld in paragraaf 1, dient daarvoor een aanvraag in door een modelovereenkomst te ondertekenen die de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie ter beschikking stelt, waarbij de nodige bewijsstukken zijn gevoegd die aantonen dat:
1° de aanvrager beroepsmatig schattingen en waarderingen van onroerende goederen uitvoert;
2° de aanvrager over de beroepskwalificatie daarvoor beschikt door de opleiding die hij gevolgd heeft, en door permanente bijscholing.
Om te voldoen aan het eerste lid, 2°, bezorgt hij een afschrift van relevante diploma's, getuigschriften of attesten.
Het bevoegde personeelslid beoordeelt binnen een termijn van dertig werkdagen of aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, is voldaan. Als dat het geval is, kent het bevoegde personeelslid aan de schatter-expert een uniek identificatienummer toe en voegt hij de schatter-expert toe aan de lijst.
Als aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, niet is voldaan, deelt het bevoegde personeelslid de beslissing van weigering tot opname op de lijst en de redenen daarvoor mee aan de aanvrager. Tegen die beslissing kan de aanvrager, op straffe van verval, binnen een maand na de weigering tot opname een gemotiveerd schriftelijk beroep instellen bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie. Het beroep wordt onderzocht door een besluitvormingsorgaan dat is samengesteld uit [2 de bevoegde personeelsleden met minstens de graad van afdelingshoofd]2. Ze beslissen over het beroep bij consensus en brengen de aanvrager schriftelijk op de hoogte van de gemotiveerde beslissing over het beroep.
Als er geen beslissing wordt genomen over de aanvraag binnen de dertig werkdagen na de ontvangst van de aanvraag en de bijbehorende bewijsstukken, vermeld in het tweede lid, of van het beroep tegen de weigering tot opname, wordt de aanvrager voor een periode van maximaal zes maanden opgenomen op de lijst. Als binnen die periode een beslissing wordt genomen over de aanvraag, geldt die beslissing vanaf het ogenblik van de kennisgeving ervan. Als dan nog geen beslissing is genomen, vervalt de tijdelijke opname en moet een nieuwe aanvraag worden ingediend.
Personeelsleden van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kunnen niet optreden als schatter-expert.
De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie publiceert de lijst, vermeld in het eerste lid, minstens maandelijks op haar publiek toegankelijke website als er schatters-experten toegevoegd of geschrapt worden. Op de lijst worden de voor- en achternaam van de schatter-expert opgenomen, het KBO-nummer waaronder zijn beroepsactiviteit is geregistreerd, het adres van de plaats van vestiging en, in voorkomend geval, de commerciële benaming waaronder de activiteiten worden uitgevoerd, de datum van opname op de lijst en de eventuele periodes van tijdelijke schorsing.
§ 3. Het schattingsverslag wordt opgebouwd als een uitgebreid deskundig rapport en bestaat uit:
1° een inleidend gedeelte, dat de volgende elementen omvat:
a) de datum waarop het schattingsverslag is opgemaakt of het laatst is gewijzigd;
b) de identificatie van de schatter-expert, namelijk voor- en achternaam, beroepstitel en het door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie toegekende identificatienummer voor schatters-experten;
c) de identificatie van de opdrachtgever, namelijk voor- en achternaam of benaming, rijksregister- of ondernemingsnummer, adres en, in voorkomend geval, de wettelijke vertegenwoordiger van de opdrachtgevende overheidsinstantie;
d) het doel van de schatting, namelijk de volgende vermelding: "Dit schattingsverslag is opgemaakt met naleving van het kwaliteitscharter van de Vlaamse Belastingdienst voor schatters-experten en dient als waardering bij de aangifte van nalatenschap.";
e) de referentiedatum van de schatting, namelijk de datum van overlijden van de erflater;
f) de datum van het plaatsbezoek;
g) de identificatie van het te schatten goed, namelijk:
1) het postnummer en de gemeente, het dorp of gehucht, de straat en eventueel het huisnummer, en eventueel de CRAB-gegevens van het onroerend goed;
2) de kadastrale gegevens, namelijk de kadastrale afdeling, de sectie, het perceelnummer en het partitienummer, de kadastrale oppervlakte, het kadastraal inkomen en, in voorkomend geval, de kadastrale detailidentificatie van een privatieve eigendom;
3) de eigendomstoestand van het onroerend goed, met een beschrijving van de rechten van elke houder van een zakelijk recht, alsook van zijn aandeel in de volledige eigendomssituatie. Voor onroerende goederen in mede-eigendom worden de aandelen in het hele onroerend goed meegedeeld;
2° de beschrijving van het te schatten goed, die de volgende elementen omvat, in voorkomend geval toegevoegd als bijlage:
a) een algemene beschrijving, namelijk:
1) de ligging in de straat en de ruimere omgeving, de toestand en uitrusting van de straat, de openbare nutsvoorzieningen;
2) de voorzieningen in een ruimere omgeving, zoals scholen, zorgvoorzieningen, administratieve gebouwen en ontspanningsmogelijkheden;
3) de bereikbaarheid met openbaar of privévervoer;
4) zowel voor het terrein als de gebouwen: de bestemming en de aanwending;
5) alleen voor het terrein: de volledige grondoppervlakte, de vorm, de breedte aan de straat, de rooilijnbreedte, de relatieve hoogteligging ten opzichte van de straat of omgeving, de oriëntatie en de bodemoccupatie;
6) alleen voor de gebouwen: de bouwwijze, het aantal verdiepingen en bijgebouwen, de gevelbreedte, de plaatsing op het terrein, de bebouwde oppervlakte, de nuttige oppervlakte en de algemene toestand op het vlak van onderhoud, afwerking en comfort;
b) een bijzondere beschrijving van de gebouwen, namelijk:
1) het bouwjaar, de constructiewijze, de kwaliteit van de constructie en de gebruikte materialen voor gevels, vloeren, muren, plafonds, daken en schrijnwerk, en de algemene staat van onderhoud;
2) de indeling en, volgens de indeling van de gebouwen, de afwerking, de uitrusting en voorzieningen op het vlak van comfort;
c) de stedenbouwkundige ligging en voorschriften, de toestand op het vlak van onroerend erfgoed, van voorkooprecht en van de watertoets;
d) de gegevens over de zakelijke rechten en de overeenkomstige datum en wijze van verwerving. Als het onroerend goed verhuurd is, wordt het type contract, de duurtijd ervan en de overeengekomen huurprijs weergegeven;
e) de liggingsplannen en per verdieping schetsen van de indeling, waarbij een foto van de voorgevel is gevoegd, en, in voorkomend geval, bijkomende foto's als die noodzakelijk zijn om de waarde van het onroerend goed te bepalen en om de situatie op de datum van het plaatsbezoek vast te leggen;
3° de beschrijving van de gebruikte vergelijkingspunten, vermeld in punt 4°, die telkens de volgende elementen omvat:
a) algemene gegevens over de ligging en de kadastrale gegevens van het vergelijkingspunt, namelijk:
1) het postnummer en de gemeente, het dorp of gehucht, de straat en, in voorkomend geval, het huisnummer;
2) de kadastrale gegevens van het vergelijkingspunt, namelijk de kadastrale afdeling, de sectie, het perceelnummer, het partitienummer, de kadastrale oppervlakte, het kadastraal inkomen en, in voorkomend geval, de kadastrale detailidentificatie van een privé-eigendom;
3) in voorkomend geval het bouwjaar van het vergelijkingspunt;
b) de gegevens van de overdracht die aan de basis liggen van de opname als vergelijkingspunt: de aard en datum van de overdracht, en de belastbare grondslag ervan;
c) bijzondere gegevens over de ligging, bestemming en eventuele bebouwing;
4° de analyse die leidt tot de geschatte waarde. De analyse wordt in principe uitgevoerd aan de hand van een afweging ten opzichte van vergelijkingspunten. Uitzonderlijk en voor specifieke eigendommen waarvoor geen vergelijkingspunten beschikbaar zijn, geeft de schatter-expert weer hoe de waarde dan wel wordt bepaald. De schatter-expert motiveert die afwijking in zijn verslag;
5° het besluit, dat de hoofdkenmerken van de analyse herneemt, de referentiedatum voor de waardebepaling en als finale conclusie de geschatte waarde;
6° de eedformule "Ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten getrouw heb vervuld", de dagtekening en de ondertekening.
§ 4. De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie organiseert het toezicht en de controle op de naleving van de bepalingen, vermeld in paragraaf 1 tot en met 3. Daarbij kan informatie uitgewisseld worden met beroepsverenigingen waarbij de schatter-expert is aangesloten.
Bij vastgestelde inbreuken kan het bevoegde personeelslid beslissen tot schrapping van de schatter-expert van de lijst van schatters-experten. Die beslissing tot schrapping en de redenen daarvoor worden aan de schatter-expert meegedeeld. Tegen die beslissing kan de aanvrager, op straffe van verval, binnen een maand na de beslissing gemotiveerd schriftelijk beroep instellen bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.
Het beroep wordt onderzocht door een besluitvormingsorgaan dat is samengesteld uit [2 de bevoegde personeelsleden met minstens de graad van afdelingshoofd]2. Ze beslissen binnen de dertig werkdagen over het beroep bij consensus en brengen de aanvrager schriftelijk op de hoogte van de gemotiveerde beslissing over het beroep. Een gebrek aan consensus staat gelijk aan het uitblijven van een beslissing.
Als er geen beslissing wordt genomen over het beroep binnen de dertig werkdagen na de ontvangst van het beroep, vermeld in het tweede lid, wordt de aanvrager voor een periode van maximaal zes maanden terug opgenomen op de lijst. Als binnen die periode een beslissing wordt genomen over het beroep, geldt die beslissing vanaf het ogenblik van de kennisgeving ervan. Als dan nog geen beslissing is genomen, blijft de aanvrager opgenomen op de lijst.]1
De schatting is alleen bindend voor de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie als:
1° de schatter-expert op het moment van de schatting is opgenomen op de lijst van aan te stellen erkende schatters-experten, vermeld in paragraaf 2, na naleving van de voorwaarden daarvoor;
2° de schatting deugdelijk wordt gemotiveerd in een deskundig schattingsverslag dat voldoet aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 3;
3° het deskundige schattingsverslag wordt gevoegd bij de aangifte van nalatenschap, vermeld in artikel 3.3.1.0.5, binnen de termijnen, bepaald in dat artikel.
Na de ontvangst van de schriftelijke aanvraag bevestigt de schatter-expert schriftelijk dat hij de aanvraag heeft ontvangen en meldt hij of hij de opdracht al dan niet aanvaardt. Hij werkt zijn opdracht af binnen een termijn die wordt bepaald in onderling overleg met de opdrachtgever, zonder dat daaraan rechten ontleend kunnen worden voor de verlenging van de aangiftetermijn, vermeld in artikel 3.3.1.0.5.
§ 2. De schatter-expert die opgenomen wil worden op een lijst van aan te stellen schatters-experten als vermeld in paragraaf 1, dient daarvoor een aanvraag in door een modelovereenkomst te ondertekenen die de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie ter beschikking stelt, waarbij de nodige bewijsstukken zijn gevoegd die aantonen dat:
1° de aanvrager beroepsmatig schattingen en waarderingen van onroerende goederen uitvoert;
2° de aanvrager over de beroepskwalificatie daarvoor beschikt door de opleiding die hij gevolgd heeft, en door permanente bijscholing.
Om te voldoen aan het eerste lid, 2°, bezorgt hij een afschrift van relevante diploma's, getuigschriften of attesten.
Het bevoegde personeelslid beoordeelt binnen een termijn van dertig werkdagen of aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, is voldaan. Als dat het geval is, kent het bevoegde personeelslid aan de schatter-expert een uniek identificatienummer toe en voegt hij de schatter-expert toe aan de lijst.
Als aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, niet is voldaan, deelt het bevoegde personeelslid de beslissing van weigering tot opname op de lijst en de redenen daarvoor mee aan de aanvrager. Tegen die beslissing kan de aanvrager, op straffe van verval, binnen een maand na de weigering tot opname een gemotiveerd schriftelijk beroep instellen bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie. Het beroep wordt onderzocht door een besluitvormingsorgaan dat is samengesteld uit [2 de bevoegde personeelsleden met minstens de graad van afdelingshoofd]2. Ze beslissen over het beroep bij consensus en brengen de aanvrager schriftelijk op de hoogte van de gemotiveerde beslissing over het beroep.
Als er geen beslissing wordt genomen over de aanvraag binnen de dertig werkdagen na de ontvangst van de aanvraag en de bijbehorende bewijsstukken, vermeld in het tweede lid, of van het beroep tegen de weigering tot opname, wordt de aanvrager voor een periode van maximaal zes maanden opgenomen op de lijst. Als binnen die periode een beslissing wordt genomen over de aanvraag, geldt die beslissing vanaf het ogenblik van de kennisgeving ervan. Als dan nog geen beslissing is genomen, vervalt de tijdelijke opname en moet een nieuwe aanvraag worden ingediend.
Personeelsleden van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kunnen niet optreden als schatter-expert.
De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie publiceert de lijst, vermeld in het eerste lid, minstens maandelijks op haar publiek toegankelijke website als er schatters-experten toegevoegd of geschrapt worden. Op de lijst worden de voor- en achternaam van de schatter-expert opgenomen, het KBO-nummer waaronder zijn beroepsactiviteit is geregistreerd, het adres van de plaats van vestiging en, in voorkomend geval, de commerciële benaming waaronder de activiteiten worden uitgevoerd, de datum van opname op de lijst en de eventuele periodes van tijdelijke schorsing.
§ 3. Het schattingsverslag wordt opgebouwd als een uitgebreid deskundig rapport en bestaat uit:
1° een inleidend gedeelte, dat de volgende elementen omvat:
a) de datum waarop het schattingsverslag is opgemaakt of het laatst is gewijzigd;
b) de identificatie van de schatter-expert, namelijk voor- en achternaam, beroepstitel en het door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie toegekende identificatienummer voor schatters-experten;
c) de identificatie van de opdrachtgever, namelijk voor- en achternaam of benaming, rijksregister- of ondernemingsnummer, adres en, in voorkomend geval, de wettelijke vertegenwoordiger van de opdrachtgevende overheidsinstantie;
d) het doel van de schatting, namelijk de volgende vermelding: "Dit schattingsverslag is opgemaakt met naleving van het kwaliteitscharter van de Vlaamse Belastingdienst voor schatters-experten en dient als waardering bij de aangifte van nalatenschap.";
e) de referentiedatum van de schatting, namelijk de datum van overlijden van de erflater;
f) de datum van het plaatsbezoek;
g) de identificatie van het te schatten goed, namelijk:
1) het postnummer en de gemeente, het dorp of gehucht, de straat en eventueel het huisnummer, en eventueel de CRAB-gegevens van het onroerend goed;
2) de kadastrale gegevens, namelijk de kadastrale afdeling, de sectie, het perceelnummer en het partitienummer, de kadastrale oppervlakte, het kadastraal inkomen en, in voorkomend geval, de kadastrale detailidentificatie van een privatieve eigendom;
3) de eigendomstoestand van het onroerend goed, met een beschrijving van de rechten van elke houder van een zakelijk recht, alsook van zijn aandeel in de volledige eigendomssituatie. Voor onroerende goederen in mede-eigendom worden de aandelen in het hele onroerend goed meegedeeld;
2° de beschrijving van het te schatten goed, die de volgende elementen omvat, in voorkomend geval toegevoegd als bijlage:
a) een algemene beschrijving, namelijk:
1) de ligging in de straat en de ruimere omgeving, de toestand en uitrusting van de straat, de openbare nutsvoorzieningen;
2) de voorzieningen in een ruimere omgeving, zoals scholen, zorgvoorzieningen, administratieve gebouwen en ontspanningsmogelijkheden;
3) de bereikbaarheid met openbaar of privévervoer;
4) zowel voor het terrein als de gebouwen: de bestemming en de aanwending;
5) alleen voor het terrein: de volledige grondoppervlakte, de vorm, de breedte aan de straat, de rooilijnbreedte, de relatieve hoogteligging ten opzichte van de straat of omgeving, de oriëntatie en de bodemoccupatie;
6) alleen voor de gebouwen: de bouwwijze, het aantal verdiepingen en bijgebouwen, de gevelbreedte, de plaatsing op het terrein, de bebouwde oppervlakte, de nuttige oppervlakte en de algemene toestand op het vlak van onderhoud, afwerking en comfort;
b) een bijzondere beschrijving van de gebouwen, namelijk:
1) het bouwjaar, de constructiewijze, de kwaliteit van de constructie en de gebruikte materialen voor gevels, vloeren, muren, plafonds, daken en schrijnwerk, en de algemene staat van onderhoud;
2) de indeling en, volgens de indeling van de gebouwen, de afwerking, de uitrusting en voorzieningen op het vlak van comfort;
c) de stedenbouwkundige ligging en voorschriften, de toestand op het vlak van onroerend erfgoed, van voorkooprecht en van de watertoets;
d) de gegevens over de zakelijke rechten en de overeenkomstige datum en wijze van verwerving. Als het onroerend goed verhuurd is, wordt het type contract, de duurtijd ervan en de overeengekomen huurprijs weergegeven;
e) de liggingsplannen en per verdieping schetsen van de indeling, waarbij een foto van de voorgevel is gevoegd, en, in voorkomend geval, bijkomende foto's als die noodzakelijk zijn om de waarde van het onroerend goed te bepalen en om de situatie op de datum van het plaatsbezoek vast te leggen;
3° de beschrijving van de gebruikte vergelijkingspunten, vermeld in punt 4°, die telkens de volgende elementen omvat:
a) algemene gegevens over de ligging en de kadastrale gegevens van het vergelijkingspunt, namelijk:
1) het postnummer en de gemeente, het dorp of gehucht, de straat en, in voorkomend geval, het huisnummer;
2) de kadastrale gegevens van het vergelijkingspunt, namelijk de kadastrale afdeling, de sectie, het perceelnummer, het partitienummer, de kadastrale oppervlakte, het kadastraal inkomen en, in voorkomend geval, de kadastrale detailidentificatie van een privé-eigendom;
3) in voorkomend geval het bouwjaar van het vergelijkingspunt;
b) de gegevens van de overdracht die aan de basis liggen van de opname als vergelijkingspunt: de aard en datum van de overdracht, en de belastbare grondslag ervan;
c) bijzondere gegevens over de ligging, bestemming en eventuele bebouwing;
4° de analyse die leidt tot de geschatte waarde. De analyse wordt in principe uitgevoerd aan de hand van een afweging ten opzichte van vergelijkingspunten. Uitzonderlijk en voor specifieke eigendommen waarvoor geen vergelijkingspunten beschikbaar zijn, geeft de schatter-expert weer hoe de waarde dan wel wordt bepaald. De schatter-expert motiveert die afwijking in zijn verslag;
5° het besluit, dat de hoofdkenmerken van de analyse herneemt, de referentiedatum voor de waardebepaling en als finale conclusie de geschatte waarde;
6° de eedformule "Ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten getrouw heb vervuld", de dagtekening en de ondertekening.
§ 4. De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie organiseert het toezicht en de controle op de naleving van de bepalingen, vermeld in paragraaf 1 tot en met 3. Daarbij kan informatie uitgewisseld worden met beroepsverenigingen waarbij de schatter-expert is aangesloten.
Bij vastgestelde inbreuken kan het bevoegde personeelslid beslissen tot schrapping van de schatter-expert van de lijst van schatters-experten. Die beslissing tot schrapping en de redenen daarvoor worden aan de schatter-expert meegedeeld. Tegen die beslissing kan de aanvrager, op straffe van verval, binnen een maand na de beslissing gemotiveerd schriftelijk beroep instellen bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.
Het beroep wordt onderzocht door een besluitvormingsorgaan dat is samengesteld uit [2 de bevoegde personeelsleden met minstens de graad van afdelingshoofd]2. Ze beslissen binnen de dertig werkdagen over het beroep bij consensus en brengen de aanvrager schriftelijk op de hoogte van de gemotiveerde beslissing over het beroep. Een gebrek aan consensus staat gelijk aan het uitblijven van een beslissing.
Als er geen beslissing wordt genomen over het beroep binnen de dertig werkdagen na de ontvangst van het beroep, vermeld in het tweede lid, wordt de aanvrager voor een periode van maximaal zes maanden terug opgenomen op de lijst. Als binnen die periode een beslissing wordt genomen over het beroep, geldt die beslissing vanaf het ogenblik van de kennisgeving ervan. Als dan nog geen beslissing is genomen, blijft de aanvrager opgenomen op de lijst.]1
Art. 3.3.1.0.9 /1.[1 § 1er. Les héritiers, légataires et bénéficiaires généraux et quiconque est tenu d'introduire une déclaration de succession peuvent désigner un taxateur-expert pour faire une estimation de l'ensemble ou d'une partie des biens immobiliers qui se trouvent en Belgique et qui doivent ou peuvent être déclarés à concurrence de leur valeur vénale.
L'estimation est uniquement contraignante pour l'entité compétente de l'administration flamande si :
1° au moment de l'estimation, le taxateur-expert figure sur la liste des taxateurs-experts agréés à désigner, visés au paragraphe 2, après observation des conditions d'agrément ;
2° l'estimation est dûment motivée dans un rapport d'expertise professionnel qui satisfait aux conditions visées au paragraphe 3 ;
3° le rapport d'expertise professionnel est joint à la déclaration de succession, visée à l'article 3.3.1.0.5, dans les délais fixés dans cet article.
Après réception de la demande écrite, le taxateur-expert confirme par écrit avoir reçu la demande et déclare accepter ou refuser la mission. Il achève sa mission endéans un délai convenu en concertation mutuelle avec le donneur d'ordre, sans que des droits puissent en découler pour la prolongation du délai de déclaration, visé à l'article 3.3.1.0.5.
§ 2. Le taxateur-expert désireux d'être inscrit sur une liste de taxateurs-experts à désigner, telle que visée au paragraphe 1er, introduit une demande à cette fin en signant un contrat type mis à disposition par l'entité compétente de l'administration flamande et assorti des pièces justificatives nécessaires démontrant que :
1° le demandeur effectue des estimations et expertises de biens immobiliers à titre professionnel ;
2° le demandeur dispose de la qualification professionnelle y afférente via la formation qu'il a suivie et via un recyclage permanent.
Afin de satisfaire aux dispositions de l'alinéa premier, 2°, il rentre une copie des diplômes, certificats ou attestations pertinents.
Le membre du personnel compétent évalue dans un délai de trente jours ouvrables s'il a été satisfait aux conditions, visées à l'alinéa premier. Si tel est le cas, le membre du personnel compétent accorde un numéro d'identification unique au taxateur-expert qu'il ajoute à la liste.
S'il n'a pas été satisfait aux conditions, visées à l'alinéa premier, le membre du personnel compétent informe le demandeur de la décision de refus de son inscription sur la liste et les raisons de la non-inscription. Le demandeur peut, sous peine de déchéance, introduire un recours motivé et écrit contre cette décision auprès de l'entité compétente de l'administration flamande endéans le mois suivant le refus de l'inscription. Le recours est examiné par un organe de décision constitué [2 des membres du personnel compétents ayant au moins le grade de chef de division]2. Ils décident du recours par consensus et informent le demandeur de la décision motivée relative au recours par écrit.
Si aucune décision n'est prise au sujet de la demande dans les trente jours ouvrables après réception de la demande et des pièces justificatives y afférentes, visées à l'alinéa deux, ou après réception du recours contre le refus d'inscription, le demandeur est inscrit sur la liste pour une période d'au maximum six mois. Si une décision au sujet de la demande est prise endéans cette période, cette décision est valable à partir du moment de sa notification. A défaut d'une prise de décision à l'échéance de cette période, l'inscription temporaire échoit et une nouvelle demande doit être introduite.
Les membres du personnel de l'entité compétente de l'administration flamande ne peuvent pas agir comme taxateurs-experts.
L'entité compétente de l'administration flamande publie la liste, visée à l'alinéa premier, sur son site web accessible au public au moins mensuellement, lorsque des taxateurs-experts sont ajoutés ou supprimés. La liste reprend le prénom et nom du taxateur-expert, le numéro BCE sous lequel son activité professionnelle a été enregistré, l'adresse du lieu d'établissement et, le cas échéant, le nom commercial sous lequel les activités sont réalisées, la date d'inscription sur la liste et les éventuelles périodes de suspension temporaire.
§ 3. Le rapport d'expertise a la structure d'un rapport professionnel exhaustif et est constitué de :
1° une partie introductive, comprenant les éléments suivants :
a) la date de l'établissement ou de la dernière modification du rapport d'expertise ;
b) l'identification du taxateur-expert, à savoir le prénom et nom, le titre professionnel et le numéro d'identification pour taxateur-experts qui lui a été accordé par l'entité compétente de l'administration flamande ;
c) l'identification du donneur d'ordre, à savoir le prénom et nom ou nom commercial, le numéro de registre national ou le numéro d'entreprise, l'adresse et, le cas échéant, le représentant légal de l'instance publique qui a donné l'ordre ;
d) l'objectif de l'estimation, à savoir la mention suivante : Le présent rapport d'expertise a été établi conformément à la charte de qualité du 'Vlaamse Belastingdienst' et fait office d'estimation lors de la déclaration de succession ;
e) la date de référence de l'estimation, à savoir la date du décès du testateur ;
f) la date de la visite sur les lieux ;
g) l'identification du bien à estimer, à savoir :
1) le code postal et la commune, le village ou le hameau, la rue et éventuellement le numéro de maison, éventuellement assortis des données CRAB (du Fichier central d'Adresses de Référence) du bien immobilier ;
2) les données cadastrales, à savoir la division cadastrale, la section, le numéro de parcelle et le numéro de partition, la superficie cadastrale, le revenu cadastral et, le cas échéant, l'identification cadastrale détaillée d'une propriété privée ;
3) la propriété du bien immobilier, avec une description des droits de chaque détenteur d'un droit réel, ainsi que de sa part dans l'ensemble de la propriété. Pour les biens immobiliers en copropriété, les parts dans l'ensemble du bien immobilier sont communiquées ;
2° la description du bien qui fait l'objet d'une estimation, qui comprend les éléments suivants, le cas échéant joints comme annexe :
a) une description générale, à savoir :
1) la situation dans la rue et dans les environs plus larges, l'état et l'équipement de la rue, les équipements d'utilité publique ;
2) les équipements dans le contexte plus large, tels écoles, infrastructures de soins, bâtiments administratifs et opportunités de divertissement ;
3) l'accessibilité avec les transports publics ou privés ;
4) tant pour le terrain que pour les bâtiments : la destination et l'affectation ;
5) uniquement pour le terrain : la superficie totale au sol, la forme, la largeur côté rue, l'alignement, la hauteur relative par rapport à la rue ou les abords, l'orientation et l'occupation du sol ;
6) uniquement pour les bâtiments : le mode de construction, le nombre d'étages et de dépendances, la largeur de la façade, l'implantation sur le terrain, la superficie bâtie, la superficie utile et l'état général au niveau de l'entretien, de l'achèvement et du confort ;
b) une description spécifique des bâtiments, à savoir :
1) l'année de construction, le mode de construction, la qualité de la construction et les matériaux qui ont été utilisés pour les façades, sols, murs, plafonds, toitures et la menuiserie et l'état général d'entretien ;
2) l'aménagement, et en fonction de l'aménagement des bâtiments, la finition, les équipements et les interventions dans le domaine du confort ;
c) la situation et les prescriptions urbanistiques, la situation en ce qui concerne le patrimoine immobilier, le droit de préemption et l'évaluation aquatique ;
d) les données relatives aux droits réels et la date et le mode d'acquisition y afférents. Si le bien immobilier est mis en location, le type de contrat, sa durée et le loyer convenu sont mentionnés ;
e) les plans de situation et par étage, des esquisses de l'aménagement, assortis d'une photo de la façade avant et, le cas échéant, de photos supplémentaires si celles-ci sont nécessaires pour déterminer la valeur du bien immobilier et pour enregistrer la situation à la date de la visite sur les lieux ;
3° la description des points de comparaison utilisés, tels que visés au point 4°, qui comprend chaque fois les éléments suivants :
a) des données générales sur la situation et les données cadastrales du point de comparaison, à savoir :
1) le code postal et la commune, le village ou le hameau, la rue et, le cas échéant, le numéro de maison ;
2) Les données cadastrales du point de comparaison, à savoir la division cadastrale, la section, le numéro de parcelle, le numéro de partition, la superficie cadastrale, le revenu cadastral et, le cas échéant, l'identification cadastrale détaillée d'une propriété privée ;
3) le cas échéant, l'année de construction du point de comparaison ;
b) les données de la transmission sur lesquelles l'inscription comme point de comparaison est basée : la nature et la date de la transmission et la base imposable de celle-ci ;
c) des données spécifiques relatives à la situation, à la destination et à la construction éventuelle ;
4° l'analyse sur laquelle la valeur estimée est basée. L'analyse est en principe réalisée sur la base d'une pondération par rapport à des points de comparaison. A titre exceptionnel et pour des propriétés pour lesquelles des points de comparaison ne sont pas disponibles, le taxateur-expert indique la façon dont la valeur est déterminée. Le taxateur-expert motive cette dérogation dans son rapport ;
5° la conclusion, qui reprend les principales caractéristiques de l'analyse, la date de référence pour la détermination de la valeur et en tant que conclusion finale, la valeur estimée ;
6° la formule du serment je jure d'avoir rempli fidèlement, en âme et en conscience, ma mission, la date et la signature.
§ 4. L'entité compétente de l'administration flamande organise la surveillance et le contrôle du respect des dispositions, visées aux paragraphes 1er à 3 inclus. De l'information peut dans ce contexte être échangée avec des associations professionnelles auxquelles le taxateur-expert est affilié.
Si des infractions sont constatées, le membre du personnel compétent peut décider de radier le taxateur-expert de la liste des taxateurs-experts. La décision de procéder à une radiation et les raisons de celle-ci sont communiquées au taxateur-expert. Le demandeur peut, sous peine de déchéance, introduire un recours motivé et écrit contre cette décision auprès de l'entité compétente de l'administration flamande endéans le mois suivant la décision.
Le recours est examiné par un organe de décision constitué [2 des membres du personnel compétents ayant au moins le grade de chef de division]2. Ils décident du recours par consensus et informent le demandeur de la décision motivée relative au recours par écrit dans les trente jours ouvrables. Un manque de consensus est assimilé à l'absence d'une décision.
Si aucune décision n'est prise au sujet du recours dans les trente jours ouvrables après réception du recours, visé à l'alinéa deux, le demandeur est réinscrit sur la liste pour une période d'au maximum six mois. Si une décision au sujet du recours est prise endéans cette période, cette décision est valable à partir du moment de sa notification. Si aucune décision n'a été prise à l'échéance de cette période, le demandeur reste inscrit sur la liste.]1
L'estimation est uniquement contraignante pour l'entité compétente de l'administration flamande si :
1° au moment de l'estimation, le taxateur-expert figure sur la liste des taxateurs-experts agréés à désigner, visés au paragraphe 2, après observation des conditions d'agrément ;
2° l'estimation est dûment motivée dans un rapport d'expertise professionnel qui satisfait aux conditions visées au paragraphe 3 ;
3° le rapport d'expertise professionnel est joint à la déclaration de succession, visée à l'article 3.3.1.0.5, dans les délais fixés dans cet article.
Après réception de la demande écrite, le taxateur-expert confirme par écrit avoir reçu la demande et déclare accepter ou refuser la mission. Il achève sa mission endéans un délai convenu en concertation mutuelle avec le donneur d'ordre, sans que des droits puissent en découler pour la prolongation du délai de déclaration, visé à l'article 3.3.1.0.5.
§ 2. Le taxateur-expert désireux d'être inscrit sur une liste de taxateurs-experts à désigner, telle que visée au paragraphe 1er, introduit une demande à cette fin en signant un contrat type mis à disposition par l'entité compétente de l'administration flamande et assorti des pièces justificatives nécessaires démontrant que :
1° le demandeur effectue des estimations et expertises de biens immobiliers à titre professionnel ;
2° le demandeur dispose de la qualification professionnelle y afférente via la formation qu'il a suivie et via un recyclage permanent.
Afin de satisfaire aux dispositions de l'alinéa premier, 2°, il rentre une copie des diplômes, certificats ou attestations pertinents.
Le membre du personnel compétent évalue dans un délai de trente jours ouvrables s'il a été satisfait aux conditions, visées à l'alinéa premier. Si tel est le cas, le membre du personnel compétent accorde un numéro d'identification unique au taxateur-expert qu'il ajoute à la liste.
S'il n'a pas été satisfait aux conditions, visées à l'alinéa premier, le membre du personnel compétent informe le demandeur de la décision de refus de son inscription sur la liste et les raisons de la non-inscription. Le demandeur peut, sous peine de déchéance, introduire un recours motivé et écrit contre cette décision auprès de l'entité compétente de l'administration flamande endéans le mois suivant le refus de l'inscription. Le recours est examiné par un organe de décision constitué [2 des membres du personnel compétents ayant au moins le grade de chef de division]2. Ils décident du recours par consensus et informent le demandeur de la décision motivée relative au recours par écrit.
Si aucune décision n'est prise au sujet de la demande dans les trente jours ouvrables après réception de la demande et des pièces justificatives y afférentes, visées à l'alinéa deux, ou après réception du recours contre le refus d'inscription, le demandeur est inscrit sur la liste pour une période d'au maximum six mois. Si une décision au sujet de la demande est prise endéans cette période, cette décision est valable à partir du moment de sa notification. A défaut d'une prise de décision à l'échéance de cette période, l'inscription temporaire échoit et une nouvelle demande doit être introduite.
Les membres du personnel de l'entité compétente de l'administration flamande ne peuvent pas agir comme taxateurs-experts.
L'entité compétente de l'administration flamande publie la liste, visée à l'alinéa premier, sur son site web accessible au public au moins mensuellement, lorsque des taxateurs-experts sont ajoutés ou supprimés. La liste reprend le prénom et nom du taxateur-expert, le numéro BCE sous lequel son activité professionnelle a été enregistré, l'adresse du lieu d'établissement et, le cas échéant, le nom commercial sous lequel les activités sont réalisées, la date d'inscription sur la liste et les éventuelles périodes de suspension temporaire.
§ 3. Le rapport d'expertise a la structure d'un rapport professionnel exhaustif et est constitué de :
1° une partie introductive, comprenant les éléments suivants :
a) la date de l'établissement ou de la dernière modification du rapport d'expertise ;
b) l'identification du taxateur-expert, à savoir le prénom et nom, le titre professionnel et le numéro d'identification pour taxateur-experts qui lui a été accordé par l'entité compétente de l'administration flamande ;
c) l'identification du donneur d'ordre, à savoir le prénom et nom ou nom commercial, le numéro de registre national ou le numéro d'entreprise, l'adresse et, le cas échéant, le représentant légal de l'instance publique qui a donné l'ordre ;
d) l'objectif de l'estimation, à savoir la mention suivante : Le présent rapport d'expertise a été établi conformément à la charte de qualité du 'Vlaamse Belastingdienst' et fait office d'estimation lors de la déclaration de succession ;
e) la date de référence de l'estimation, à savoir la date du décès du testateur ;
f) la date de la visite sur les lieux ;
g) l'identification du bien à estimer, à savoir :
1) le code postal et la commune, le village ou le hameau, la rue et éventuellement le numéro de maison, éventuellement assortis des données CRAB (du Fichier central d'Adresses de Référence) du bien immobilier ;
2) les données cadastrales, à savoir la division cadastrale, la section, le numéro de parcelle et le numéro de partition, la superficie cadastrale, le revenu cadastral et, le cas échéant, l'identification cadastrale détaillée d'une propriété privée ;
3) la propriété du bien immobilier, avec une description des droits de chaque détenteur d'un droit réel, ainsi que de sa part dans l'ensemble de la propriété. Pour les biens immobiliers en copropriété, les parts dans l'ensemble du bien immobilier sont communiquées ;
2° la description du bien qui fait l'objet d'une estimation, qui comprend les éléments suivants, le cas échéant joints comme annexe :
a) une description générale, à savoir :
1) la situation dans la rue et dans les environs plus larges, l'état et l'équipement de la rue, les équipements d'utilité publique ;
2) les équipements dans le contexte plus large, tels écoles, infrastructures de soins, bâtiments administratifs et opportunités de divertissement ;
3) l'accessibilité avec les transports publics ou privés ;
4) tant pour le terrain que pour les bâtiments : la destination et l'affectation ;
5) uniquement pour le terrain : la superficie totale au sol, la forme, la largeur côté rue, l'alignement, la hauteur relative par rapport à la rue ou les abords, l'orientation et l'occupation du sol ;
6) uniquement pour les bâtiments : le mode de construction, le nombre d'étages et de dépendances, la largeur de la façade, l'implantation sur le terrain, la superficie bâtie, la superficie utile et l'état général au niveau de l'entretien, de l'achèvement et du confort ;
b) une description spécifique des bâtiments, à savoir :
1) l'année de construction, le mode de construction, la qualité de la construction et les matériaux qui ont été utilisés pour les façades, sols, murs, plafonds, toitures et la menuiserie et l'état général d'entretien ;
2) l'aménagement, et en fonction de l'aménagement des bâtiments, la finition, les équipements et les interventions dans le domaine du confort ;
c) la situation et les prescriptions urbanistiques, la situation en ce qui concerne le patrimoine immobilier, le droit de préemption et l'évaluation aquatique ;
d) les données relatives aux droits réels et la date et le mode d'acquisition y afférents. Si le bien immobilier est mis en location, le type de contrat, sa durée et le loyer convenu sont mentionnés ;
e) les plans de situation et par étage, des esquisses de l'aménagement, assortis d'une photo de la façade avant et, le cas échéant, de photos supplémentaires si celles-ci sont nécessaires pour déterminer la valeur du bien immobilier et pour enregistrer la situation à la date de la visite sur les lieux ;
3° la description des points de comparaison utilisés, tels que visés au point 4°, qui comprend chaque fois les éléments suivants :
a) des données générales sur la situation et les données cadastrales du point de comparaison, à savoir :
1) le code postal et la commune, le village ou le hameau, la rue et, le cas échéant, le numéro de maison ;
2) Les données cadastrales du point de comparaison, à savoir la division cadastrale, la section, le numéro de parcelle, le numéro de partition, la superficie cadastrale, le revenu cadastral et, le cas échéant, l'identification cadastrale détaillée d'une propriété privée ;
3) le cas échéant, l'année de construction du point de comparaison ;
b) les données de la transmission sur lesquelles l'inscription comme point de comparaison est basée : la nature et la date de la transmission et la base imposable de celle-ci ;
c) des données spécifiques relatives à la situation, à la destination et à la construction éventuelle ;
4° l'analyse sur laquelle la valeur estimée est basée. L'analyse est en principe réalisée sur la base d'une pondération par rapport à des points de comparaison. A titre exceptionnel et pour des propriétés pour lesquelles des points de comparaison ne sont pas disponibles, le taxateur-expert indique la façon dont la valeur est déterminée. Le taxateur-expert motive cette dérogation dans son rapport ;
5° la conclusion, qui reprend les principales caractéristiques de l'analyse, la date de référence pour la détermination de la valeur et en tant que conclusion finale, la valeur estimée ;
6° la formule du serment je jure d'avoir rempli fidèlement, en âme et en conscience, ma mission, la date et la signature.
§ 4. L'entité compétente de l'administration flamande organise la surveillance et le contrôle du respect des dispositions, visées aux paragraphes 1er à 3 inclus. De l'information peut dans ce contexte être échangée avec des associations professionnelles auxquelles le taxateur-expert est affilié.
Si des infractions sont constatées, le membre du personnel compétent peut décider de radier le taxateur-expert de la liste des taxateurs-experts. La décision de procéder à une radiation et les raisons de celle-ci sont communiquées au taxateur-expert. Le demandeur peut, sous peine de déchéance, introduire un recours motivé et écrit contre cette décision auprès de l'entité compétente de l'administration flamande endéans le mois suivant la décision.
Le recours est examiné par un organe de décision constitué [2 des membres du personnel compétents ayant au moins le grade de chef de division]2. Ils décident du recours par consensus et informent le demandeur de la décision motivée relative au recours par écrit dans les trente jours ouvrables. Un manque de consensus est assimilé à l'absence d'une décision.
Si aucune décision n'est prise au sujet du recours dans les trente jours ouvrables après réception du recours, visé à l'alinéa deux, le demandeur est réinscrit sur la liste pour une période d'au maximum six mois. Si une décision au sujet du recours est prise endéans cette période, cette décision est valable à partir du moment de sa notification. Si aucune décision n'a été prise à l'échéance de cette période, le demandeur reste inscrit sur la liste.]1
Art. 3.3.1.0.10. [1 Als de laatste dag van een termijn als vermeld in deze afdeling, op een zaterdag, zondag of op een wettelijke of decretale feestdag valt, wordt de termijn verlengd tot de eerstvolgende werkdag die volgt op het verstrijken van de termijn.]1
Art. 3.3.1.0.10. [1 Si le dernier jour d'un délai, visé dans la présente section, tombe un samedi, un dimanche ou un jour férié légal ou décrétal, le délai est prolongé jusqu'au premier jour ouvrable suivant l'expiration du délai.]1
Art. 3.3.1.0.11. [1 § 1. Tenzij het voertuig is vrijgesteld van de kilometerheffing, moet de houder van een voertuig als vermeld in artikel 1.1.0.0.2, vijfde lid, 6°, voorafgaand aan het gebruik van elke weg, voor dat voertuig met een [2 dienstaanbieder of de hoofddienstaanbieder]2 naar keuze een dienstverleningsovereenkomst sluiten.
De houder van een voertuig die de [2 dienstaanbieder of de hoofddienstaanbieder]2 verzoekt om een dienstverleningsovereenkomst te sluiten, moet aan de [2 dienstaanbieder of de hoofddienstaanbieder]2 alle voertuigdocumenten voorleggen die nodig zijn om [2 de voertuigclassificatieparameters, vermeld in artikel 3, 35°, van het decreet van 3 juni 2022 over elektronische tolheffingssystemen voor het wegverkeer, waaronder" ingevoegd]2 het kenteken van het voertuig in kwestie, het maximaal toegestane totaalgewicht en de EURO-emissieklasse vast te stellen.
Bij gebreke aan afdoend bewijs van het maximaal toegestane totaalgewicht van het voertuig, wordt het voertuig geacht een maximaal toegestaan totaalgewicht van hoger dan 32 ton te hebben.
Bij gebreke aan afdoend bewijs van de EURO-emissieklasse van het voertuig, wordt het voertuig geacht te behoren tot de categorie `overige EURO-emissieklassen', vermeld in de tabellen, opgenomen in artikel 2.4.4.0.2, eerste lid, 5° en 7°.
De vermoedens, vermeld in het derde en vierde lid, worden toegepast tot die met afdoend bewijs worden weerlegd. Dat bewijs heeft evenwel geen invloed op de heffingen die verschuldigd zijn voor kilometers die zijn afgelegd vóór de verificatie van de gegevens uit het voorgelegde bewijsstuk door de [2 dienstaanbieder of de hoofddienstaanbieder]2.
[2 De houder van het voertuig heeft het recht heeft om, voorafgaand aan het gebruik van een weg, de emissieklasse van het voertuig elektronisch mee te delen.]2
[2 § 1/1. De dienstaanbieder of de hoofddienstaanbieder is ertoe gehouden om de juistheid van de door de houder van het voertuig voorgelegde voertuigdocumenten, alsook de elektronisch meegedeelde emissieklasse, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, te controleren.]2
§ 2. De [2 dienstaanbieder of de hoofddienstaanbieder]2 kan de uitvoering van de dienstverleningsovereenkomst alleen schorsen in die gevallen waarin [2 de gebruiker]2 of, in voorkomend geval, de bestuurder :
1° niet voldoet aan zijn betalingsverplichtingen jegens de [2 dienstaanbieder of de hoofddienstaanbieder]2, zoals die in de dienstverleningsovereenkomst zijn bepaald;
2° in voorkomend geval, geen of een ontoereikend gegarandeerd betaalmiddel ter beschikking heeft gesteld;
3° gebruikmaakt van de [2 boordapparatuur]2 op een wijze die strijdig is met de gebruiksaanwijzing die door de [2 dienstaanbieder of de hoofddienstaanbieder]2 ter beschikking is gesteld;
4° nalaat een defect aan de [2 boordapparatuur]2 te melden;
5° de instructies van de [2 dienstaanbieder of de hoofddienstaanbieder]2 niet opvolgt met het oog op de vervanging of de herstelling van de defecte [2 boordapparatuur]2.
[2 De dienstaanbieder of de hoofddienstaanbieder vermeldt de schorsing van de uitvoering van de dienstverleningsovereenkomst op de lijst van ongeldig verklaarde boordapparatuur en brengt de gebruiker en de Vlaamse administratie onmiddellijk op de hoogte van de schorsing van de uitvoering van de dienstverleningsovereenkomst.]2]1
[2 § 3. De dienstaanbieder en de hoofddienstaanbieder stellen een lijst op van ongeldig verklaarde boordapparatuur die verband houdt met hun dienstverleningsovereenkomsten met de gebruikers, waaronder minstens de gebeurtenissen, vermeld in paragraaf 2, 1° tot en met 5°, en de schorsing van de dienstverleningsovereenkomst.
Ze werken die lijst bij en delen de bijgewerkte lijst minstens dagelijks mee aan de tolheffer.
De lijst van ongeldig verklaarde boordapparatuur wordt bijgehouden in overeenstemming met de geldende regels over de bescherming van persoonsgegevens.]2
De houder van een voertuig die de [2 dienstaanbieder of de hoofddienstaanbieder]2 verzoekt om een dienstverleningsovereenkomst te sluiten, moet aan de [2 dienstaanbieder of de hoofddienstaanbieder]2 alle voertuigdocumenten voorleggen die nodig zijn om [2 de voertuigclassificatieparameters, vermeld in artikel 3, 35°, van het decreet van 3 juni 2022 over elektronische tolheffingssystemen voor het wegverkeer, waaronder" ingevoegd]2 het kenteken van het voertuig in kwestie, het maximaal toegestane totaalgewicht en de EURO-emissieklasse vast te stellen.
Bij gebreke aan afdoend bewijs van het maximaal toegestane totaalgewicht van het voertuig, wordt het voertuig geacht een maximaal toegestaan totaalgewicht van hoger dan 32 ton te hebben.
Bij gebreke aan afdoend bewijs van de EURO-emissieklasse van het voertuig, wordt het voertuig geacht te behoren tot de categorie `overige EURO-emissieklassen', vermeld in de tabellen, opgenomen in artikel 2.4.4.0.2, eerste lid, 5° en 7°.
De vermoedens, vermeld in het derde en vierde lid, worden toegepast tot die met afdoend bewijs worden weerlegd. Dat bewijs heeft evenwel geen invloed op de heffingen die verschuldigd zijn voor kilometers die zijn afgelegd vóór de verificatie van de gegevens uit het voorgelegde bewijsstuk door de [2 dienstaanbieder of de hoofddienstaanbieder]2.
[2 De houder van het voertuig heeft het recht heeft om, voorafgaand aan het gebruik van een weg, de emissieklasse van het voertuig elektronisch mee te delen.]2
[2 § 1/1. De dienstaanbieder of de hoofddienstaanbieder is ertoe gehouden om de juistheid van de door de houder van het voertuig voorgelegde voertuigdocumenten, alsook de elektronisch meegedeelde emissieklasse, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, te controleren.]2
§ 2. De [2 dienstaanbieder of de hoofddienstaanbieder]2 kan de uitvoering van de dienstverleningsovereenkomst alleen schorsen in die gevallen waarin [2 de gebruiker]2 of, in voorkomend geval, de bestuurder :
1° niet voldoet aan zijn betalingsverplichtingen jegens de [2 dienstaanbieder of de hoofddienstaanbieder]2, zoals die in de dienstverleningsovereenkomst zijn bepaald;
2° in voorkomend geval, geen of een ontoereikend gegarandeerd betaalmiddel ter beschikking heeft gesteld;
3° gebruikmaakt van de [2 boordapparatuur]2 op een wijze die strijdig is met de gebruiksaanwijzing die door de [2 dienstaanbieder of de hoofddienstaanbieder]2 ter beschikking is gesteld;
4° nalaat een defect aan de [2 boordapparatuur]2 te melden;
5° de instructies van de [2 dienstaanbieder of de hoofddienstaanbieder]2 niet opvolgt met het oog op de vervanging of de herstelling van de defecte [2 boordapparatuur]2.
[2 De dienstaanbieder of de hoofddienstaanbieder vermeldt de schorsing van de uitvoering van de dienstverleningsovereenkomst op de lijst van ongeldig verklaarde boordapparatuur en brengt de gebruiker en de Vlaamse administratie onmiddellijk op de hoogte van de schorsing van de uitvoering van de dienstverleningsovereenkomst.]2]1
[2 § 3. De dienstaanbieder en de hoofddienstaanbieder stellen een lijst op van ongeldig verklaarde boordapparatuur die verband houdt met hun dienstverleningsovereenkomsten met de gebruikers, waaronder minstens de gebeurtenissen, vermeld in paragraaf 2, 1° tot en met 5°, en de schorsing van de dienstverleningsovereenkomst.
Ze werken die lijst bij en delen de bijgewerkte lijst minstens dagelijks mee aan de tolheffer.
De lijst van ongeldig verklaarde boordapparatuur wordt bijgehouden in overeenstemming met de geldende regels over de bescherming van persoonsgegevens.]2
Art. 3.3.1.0.11. [1 § 1er. A moins que le véhicule ne soit exonéré du prélèvement kilométrique, le détenteur d'un véhicule, tel que visé à l'article 1.1.0.0.2, alinéa cinq, 6°, est tenu de conclure un contrat de prestation de services avec un [2 prestataire de services ou prestataire de services principal]2 de son choix pour ce véhicule, préalablement à l'utilisation de toute route.
Le détenteur d'un véhicule sollicitant le [2 prestataire de services ou prestataire de services principal]2 de conclure un contrat de prestation de services, doit soumettre au [2 prestataire de services ou prestataire de services principal]2 tous les documents du véhicule nécessaires à constater [2 les paramètres de classification du véhicule, visés à l'article 3, 35°, du décret du 3 juin 2022 relatif aux systèmes de télépéage routier, dont]2 l'immatriculation du véhicule concerné, la masse maximale autorisée et la classe d'émission EURO.
A défaut d'une preuve probante de la masse maximale autorisée du véhicule, le véhicule est censé avoir une masse maximale autorisée supérieure à 32 tonnes.
A défaut d'une preuve probante de la classe d'émission EURO du véhicule, le véhicule est censé ressortir à la catégorie "autres classes d'émission EURO", visées aux tableaux repris à l'article 2.4.4.0.2, alinéa premier, 5° et 7°.
Les présomptions, visées aux alinéas trois et quatre, sont appliquées jusqu'à ce qu'elles peuvent être réfutées au moyen d'une preuve probante. Cette preuve n'influe toutefois pas sur les prélèvements dus pour des kilomètres parcourus avant la vérification des données du document justificatif produit par le [2 prestataire de services ou prestataire de services principal]2.
[2 Le détenteur du véhicule a le droit de communiquer par voie électronique la classe d'émission du véhicule avant d'emprunter une route.]2
[2 § 1er/1. Le prestataire de services ou prestataire de services principal est tenu de vérifier l'exactitude des documents relatifs au véhicule présentés par le détenteur du véhicule, ainsi que la classe d'émission communiquée par voie électronique, visée au paragraphe 1er, alinéa 2.]2
§ 2. Le [2 prestataire de services ou prestataire de services principal]2 ne peut suspendre l'exécution du contrat de prestation de services que dans ces cas où [2 l'usager]2 ou, le cas échéant, le conducteur :
1° ne satisfait pas à ses obligations de paiement à l'égard du [2 prestataire de services ou prestataire de services principal]2, telles que déterminées par le contrat de prestation de services :
2° le cas échéant, n'a pas mis à disposition de moyen de paiement garanti ou de moyen de paiement garanti suffisant ;
3° fait un usage [2 de l'équipement embarqué]2, qui est contraire au mode d'emploi mis à disposition par le [2 prestataire de services ou prestataire de services principal]2 ;
4° néglige de signaler un défaut [2 à l'équipement embarqué]2 ;
5° ne suit pas les instructions du [2 prestataire de services ou prestataire de services principal]2, en vue du remplacement ou de la réparation [2 de l'équipement embarqué]2 défectueux.
[2 Le prestataire de services ou prestataire de services principal indique la suspension de l'exécution du contrat de prestation de services sur la liste des équipements embarqués déclarés invalides et informe immédiatement l'utilisateur et l'administration flamande de la suspension de l'exécution du contrat de prestation de services.]2]1
[2 § 3. Le prestataire de services et le prestataire de services principal établissent une liste des équipements embarqués déclarés invalides dans le cadre de leurs contrats de prestation de services avec les usagers, dont au moins les événements, visés au paragraphe 2, 1° à 5°, et la suspension de contrat de prestation de services.
Ils mettent à jour cette liste et la communiquent ensuite au percepteur de péage au moins une fois par jour.
La liste des équipements embarqués déclarés invalides est tenue à jour conformément aux règles applicables en matière de protection des données à caractère personnel.]2
Le détenteur d'un véhicule sollicitant le [2 prestataire de services ou prestataire de services principal]2 de conclure un contrat de prestation de services, doit soumettre au [2 prestataire de services ou prestataire de services principal]2 tous les documents du véhicule nécessaires à constater [2 les paramètres de classification du véhicule, visés à l'article 3, 35°, du décret du 3 juin 2022 relatif aux systèmes de télépéage routier, dont]2 l'immatriculation du véhicule concerné, la masse maximale autorisée et la classe d'émission EURO.
A défaut d'une preuve probante de la masse maximale autorisée du véhicule, le véhicule est censé avoir une masse maximale autorisée supérieure à 32 tonnes.
A défaut d'une preuve probante de la classe d'émission EURO du véhicule, le véhicule est censé ressortir à la catégorie "autres classes d'émission EURO", visées aux tableaux repris à l'article 2.4.4.0.2, alinéa premier, 5° et 7°.
Les présomptions, visées aux alinéas trois et quatre, sont appliquées jusqu'à ce qu'elles peuvent être réfutées au moyen d'une preuve probante. Cette preuve n'influe toutefois pas sur les prélèvements dus pour des kilomètres parcourus avant la vérification des données du document justificatif produit par le [2 prestataire de services ou prestataire de services principal]2.
[2 Le détenteur du véhicule a le droit de communiquer par voie électronique la classe d'émission du véhicule avant d'emprunter une route.]2
[2 § 1er/1. Le prestataire de services ou prestataire de services principal est tenu de vérifier l'exactitude des documents relatifs au véhicule présentés par le détenteur du véhicule, ainsi que la classe d'émission communiquée par voie électronique, visée au paragraphe 1er, alinéa 2.]2
§ 2. Le [2 prestataire de services ou prestataire de services principal]2 ne peut suspendre l'exécution du contrat de prestation de services que dans ces cas où [2 l'usager]2 ou, le cas échéant, le conducteur :
1° ne satisfait pas à ses obligations de paiement à l'égard du [2 prestataire de services ou prestataire de services principal]2, telles que déterminées par le contrat de prestation de services :
2° le cas échéant, n'a pas mis à disposition de moyen de paiement garanti ou de moyen de paiement garanti suffisant ;
3° fait un usage [2 de l'équipement embarqué]2, qui est contraire au mode d'emploi mis à disposition par le [2 prestataire de services ou prestataire de services principal]2 ;
4° néglige de signaler un défaut [2 à l'équipement embarqué]2 ;
5° ne suit pas les instructions du [2 prestataire de services ou prestataire de services principal]2, en vue du remplacement ou de la réparation [2 de l'équipement embarqué]2 défectueux.
[2 Le prestataire de services ou prestataire de services principal indique la suspension de l'exécution du contrat de prestation de services sur la liste des équipements embarqués déclarés invalides et informe immédiatement l'utilisateur et l'administration flamande de la suspension de l'exécution du contrat de prestation de services.]2]1
[2 § 3. Le prestataire de services et le prestataire de services principal établissent une liste des équipements embarqués déclarés invalides dans le cadre de leurs contrats de prestation de services avec les usagers, dont au moins les événements, visés au paragraphe 2, 1° à 5°, et la suspension de contrat de prestation de services.
Ils mettent à jour cette liste et la communiquent ensuite au percepteur de péage au moins une fois par jour.
La liste des équipements embarqués déclarés invalides est tenue à jour conformément aux règles applicables en matière de protection des données à caractère personnel.]2
Art. 3.3.1.0.13. [1 § 1. De registratie van afgelegde kilometers, die nodig is voor de berekening van de kilometerheffing, wordt gedaan met behulp van een [2 boordapparatuur]2.
§ 2. Tenzij het voertuig is vrijgesteld van de kilometerheffing, moet de houder van het voertuig voorafgaand aan het gebruik van elke weg ervoor zorgen dat het voertuig is uitgerust met de [2 boordapparatuur]2 die aan hem ter beschikking gesteld is.
Als de bestuurder niet de houder van het voertuig is, rust op hem dezelfde verplichting als vermeld in het eerste lid.
§ 3. De bestuurder ziet er tijdens elk gebruik van een weg op toe dat [2 enkel één boordapparatuur die geschikt is voor gebruik in het tolgebied geactiveerd is en]2 volgens de gegevens die de mens-machine-interface aangeeft, de afstand die het voertuig aflegt registreert.
In het eerste lid wordt verstaan onder mens-machine-interface : ieder onderdeel van de [2 boordapparatuur]2 waarmee de [2 boordapparatuur]2 [2 en degene die deze gebruikt]2 met elkaar communiceren, met inbegrip van, in voorkomend geval, de toetsen en het beeldscherm.
§ 4. De houder van het voertuig stelt zich onmiddellijk in verbinding met de [2 dienstaanbieder en de hoofddienstaanbieder]2 in de volgende gevallen :
1° als de [2 boordapparatuur]2 signaleert dat het voertuig niet meer voldoet aan de bij deze codex of de uitvoeringsbesluiten ervan bepaalde vereisten;
2° als elk signaal door de [2 boordapparatuur]2 ontbreekt;
3° als hij het signaal ontvangt dat het ter beschikking gestelde gegarandeerde betaalmiddel ontoereikend is geworden.
Als de bestuurder niet de houder van het voertuig is, rust op hem dezelfde verplichting als vermeld in het eerste lid.
De [2 dienstaanbieder en de hoofddienstaanbieder]2 geeft, waar nodig, instructies aan de bestuurder van het voertuig, waarbij die laatste ertoe gehouden is die instructies na te leven.
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder [2 boordapparatuur]2 : de elektronische boordapparatuur bestemd voor de plaatsbepaling van het voertuig waarin de boordapparatuur is geplaatst, die, al dan niet met behulp van elektronische apparatuur op afstand, data uitwisselt om te komen tot de registratie van afgelegde kilometers, alsook tot de berekening van de kilometerheffing op die geregistreerde afstand.
De Vlaamse Regering bepaalt de instructies, vermeld in het derde lid.]1{
§ 2. Tenzij het voertuig is vrijgesteld van de kilometerheffing, moet de houder van het voertuig voorafgaand aan het gebruik van elke weg ervoor zorgen dat het voertuig is uitgerust met de [2 boordapparatuur]2 die aan hem ter beschikking gesteld is.
Als de bestuurder niet de houder van het voertuig is, rust op hem dezelfde verplichting als vermeld in het eerste lid.
§ 3. De bestuurder ziet er tijdens elk gebruik van een weg op toe dat [2 enkel één boordapparatuur die geschikt is voor gebruik in het tolgebied geactiveerd is en]2 volgens de gegevens die de mens-machine-interface aangeeft, de afstand die het voertuig aflegt registreert.
In het eerste lid wordt verstaan onder mens-machine-interface : ieder onderdeel van de [2 boordapparatuur]2 waarmee de [2 boordapparatuur]2 [2 en degene die deze gebruikt]2 met elkaar communiceren, met inbegrip van, in voorkomend geval, de toetsen en het beeldscherm.
§ 4. De houder van het voertuig stelt zich onmiddellijk in verbinding met de [2 dienstaanbieder en de hoofddienstaanbieder]2 in de volgende gevallen :
1° als de [2 boordapparatuur]2 signaleert dat het voertuig niet meer voldoet aan de bij deze codex of de uitvoeringsbesluiten ervan bepaalde vereisten;
2° als elk signaal door de [2 boordapparatuur]2 ontbreekt;
3° als hij het signaal ontvangt dat het ter beschikking gestelde gegarandeerde betaalmiddel ontoereikend is geworden.
Als de bestuurder niet de houder van het voertuig is, rust op hem dezelfde verplichting als vermeld in het eerste lid.
De [2 dienstaanbieder en de hoofddienstaanbieder]2 geeft, waar nodig, instructies aan de bestuurder van het voertuig, waarbij die laatste ertoe gehouden is die instructies na te leven.
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder [2 boordapparatuur]2 : de elektronische boordapparatuur bestemd voor de plaatsbepaling van het voertuig waarin de boordapparatuur is geplaatst, die, al dan niet met behulp van elektronische apparatuur op afstand, data uitwisselt om te komen tot de registratie van afgelegde kilometers, alsook tot de berekening van de kilometerheffing op die geregistreerde afstand.
De Vlaamse Regering bepaalt de instructies, vermeld in het derde lid.]1{
Art. 3.3.1.0.13. [1 § 1er. L'enregistrement des kilomètres parcourus, nécessaire au calcul du prélèvement kilométrique, est réalisé à l'aide d'un [2 équipement embarqué]2.
§ 2. A moins que le véhicule ne soit exonéré du prélèvement kilométrique, le détenteur du véhicule doit s'assurer que le véhicule est équipé du [2 équipement embarqué]2, mis à sa disposition, préalablement à l'utilisation de toute route.
Si le conducteur n'est pas le détenteur du véhicule, il est assujetti à la même obligation, telle que visée à l'alinéa premier.
§ 3. A chaque utilisation d'une route le conducteur s'assure que [2 seul un équipement embarqué qui convient à une utilisation dans le secteur à péage est activé et]2 enregistre la distance que le véhicule parcourt sur la base des données indiquée par l'interface homme-machine.
Dans le premier alinéa, il faut entendre par interface homme-machine : chaque composante du [2 équipement embarqué]2 avec laquelle le [2 équipement embarqué]2 [2 et celui qui l'utilise]2 peuvent communiquer l'un avec l'autre, y compris, le cas échéant, les touches et l'écran.
§ 4. Le détenteur du véhicule contacte le [2 prestataire de services et le prestataire de services principal]2s sans délai dans les cas suivants :
1° lorsque le [2 équipement embarqué]2 signale que le véhicule ne satisfait plus aux exigences définies par le présent code ou ses arrêtés d'exécution ;
2° à défaut de tout signal par le [2 équipement embarqué]2 ;
3° lorsqu'il reçoit le signal que le moyen de paiement mis à disposition n'est plus suffisant.
Si le conducteur n'est pas le détenteur du véhicule, il est assujetti à la même obligation, telle que visée à l'alinéa premier.
Le [2 prestataire de services et le prestataire de services principal]2s donne, si nécessaire, des instructions au conducteur du véhicule, qui est tenu d'observer ces instructions.
Pour l'application du présent article, on entend par [2 équipement embarqué]2 : l'équipement électronique embarqué destiné à localiser le véhicule dans lequel il se trouve et qui, avec ou sans l'aide d'un appareil électronique à distance, traite des données pour permettre l'enregistrement des kilomètres parcourus, ainsi que le calcul du prélèvement kilométrique sur la base de ces distances enregistrées.
Le Gouvernement flamand définit les instructions, visées à l'alinéa trois.]1
§ 2. A moins que le véhicule ne soit exonéré du prélèvement kilométrique, le détenteur du véhicule doit s'assurer que le véhicule est équipé du [2 équipement embarqué]2, mis à sa disposition, préalablement à l'utilisation de toute route.
Si le conducteur n'est pas le détenteur du véhicule, il est assujetti à la même obligation, telle que visée à l'alinéa premier.
§ 3. A chaque utilisation d'une route le conducteur s'assure que [2 seul un équipement embarqué qui convient à une utilisation dans le secteur à péage est activé et]2 enregistre la distance que le véhicule parcourt sur la base des données indiquée par l'interface homme-machine.
Dans le premier alinéa, il faut entendre par interface homme-machine : chaque composante du [2 équipement embarqué]2 avec laquelle le [2 équipement embarqué]2 [2 et celui qui l'utilise]2 peuvent communiquer l'un avec l'autre, y compris, le cas échéant, les touches et l'écran.
§ 4. Le détenteur du véhicule contacte le [2 prestataire de services et le prestataire de services principal]2s sans délai dans les cas suivants :
1° lorsque le [2 équipement embarqué]2 signale que le véhicule ne satisfait plus aux exigences définies par le présent code ou ses arrêtés d'exécution ;
2° à défaut de tout signal par le [2 équipement embarqué]2 ;
3° lorsqu'il reçoit le signal que le moyen de paiement mis à disposition n'est plus suffisant.
Si le conducteur n'est pas le détenteur du véhicule, il est assujetti à la même obligation, telle que visée à l'alinéa premier.
Le [2 prestataire de services et le prestataire de services principal]2s donne, si nécessaire, des instructions au conducteur du véhicule, qui est tenu d'observer ces instructions.
Pour l'application du présent article, on entend par [2 équipement embarqué]2 : l'équipement électronique embarqué destiné à localiser le véhicule dans lequel il se trouve et qui, avec ou sans l'aide d'un appareil électronique à distance, traite des données pour permettre l'enregistrement des kilomètres parcourus, ainsi que le calcul du prélèvement kilométrique sur la base de ces distances enregistrées.
Le Gouvernement flamand définit les instructions, visées à l'alinéa trois.]1
Art. 3.3.1.0.14. [1 De belastingplichtige dient uiterlijk de voorlaatste werkdag voor het begin van de verrichtingen voor spelen en weddenschappen bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie een voorafgaande aangifte in. Als de spelen of de weddenschappen een voortdurend karakter hebben, geldt de aangifte tot de intrekking ervan.
De voorafgaande aangifte, vermeld in het eerste lid, vermeldt:
1° hetzij het identificatienummer uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, hetzij het ondernemingsnummer dat bekend is bij de Kruispuntbank van Ondernemingen, hetzij het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van de belastingplichtige;
2° de klasse van de kansspelinrichting, vermeld in artikel 6 van de Kansspelwet van 7 mei 1999, en het type en het nummer van de vergunning, toegekend door de Kansspelcommissie;
3° de naam van de plaats en het adres waar de spelen of de weddenschappen worden georganiseerd;
4° de aard van de spelen of de weddenschappen;
5° de periode waarin de spelen of de weddenschappen worden georganiseerd.
De aangifteplicht die is bepaald in dit artikel geldt niet voor de van belasting vrijgestelde spelen en weddenschappen, vermeld in artikel 2.12.6.0.1.]1
De voorafgaande aangifte, vermeld in het eerste lid, vermeldt:
1° hetzij het identificatienummer uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, hetzij het ondernemingsnummer dat bekend is bij de Kruispuntbank van Ondernemingen, hetzij het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van de belastingplichtige;
2° de klasse van de kansspelinrichting, vermeld in artikel 6 van de Kansspelwet van 7 mei 1999, en het type en het nummer van de vergunning, toegekend door de Kansspelcommissie;
3° de naam van de plaats en het adres waar de spelen of de weddenschappen worden georganiseerd;
4° de aard van de spelen of de weddenschappen;
5° de periode waarin de spelen of de weddenschappen worden georganiseerd.
De aangifteplicht die is bepaald in dit artikel geldt niet voor de van belasting vrijgestelde spelen en weddenschappen, vermeld in artikel 2.12.6.0.1.]1
Art. 3.3.1.0.14. [1 Le contribuable introduit une déclaration préalable auprès de l'entité compétente de l'administration flamande au plus tard l'avant-dernier jour ouvrable avant le début des opérations pour jeux et paris. Si les jeux ou paris ont un caractère permanent, la déclaration est valable jusqu'à son retrait.
La déclaration préalable, visée à l'alinéa premier, mentionne :
1° soit le numéro d'identification du Registre national des personnes physiques, soit le numéro d'entreprise connu auprès de la Banque-Carrefour des Entreprises, soit le numéro d'identification, visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale, du contribuable ;
2° la classe de l'établissement de jeux de hasard, visée à l'article 6 de la Loi du 7 mai 1999 sur les jeux du hasard, et le type et le numéro de l'autorisation, accordée par la Commission des Jeux de Hasard ;
3° le nom de la localité et l'adresse où les jeux ou les paris sont organisés ;
4° la nature des jeux ou des paris ;
5° la période pendant laquelle les jeux ou les paris sont organisés.
L'obligation de déclaration, définie dans le présent article, ne s'applique pas aux jeux et paris exonérés de taxes, tels que visés à l'article 2.12.6.0.1.]1
La déclaration préalable, visée à l'alinéa premier, mentionne :
1° soit le numéro d'identification du Registre national des personnes physiques, soit le numéro d'entreprise connu auprès de la Banque-Carrefour des Entreprises, soit le numéro d'identification, visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale, du contribuable ;
2° la classe de l'établissement de jeux de hasard, visée à l'article 6 de la Loi du 7 mai 1999 sur les jeux du hasard, et le type et le numéro de l'autorisation, accordée par la Commission des Jeux de Hasard ;
3° le nom de la localité et l'adresse où les jeux ou les paris sont organisés ;
4° la nature des jeux ou des paris ;
5° la période pendant laquelle les jeux ou les paris sont organisés.
L'obligation de déclaration, définie dans le présent article, ne s'applique pas aux jeux et paris exonérés de taxes, tels que visés à l'article 2.12.6.0.1.]1
Art. 3.3.1.0.15. [1 Voor de toepassing van titel 2, hoofdstuk 12, dient de belastingplichtige [2 uiterlijk de vijfde]2 werkdag van de maand bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie een aangifte in voor de verrichtingen die gerealiseerd zijn in de vorige maand.
De aangifte, vermeld in het eerste lid, vermeldt:
1° hetzij het identificatienummer uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, hetzij het ondernemingsnummer dat bekend is bij de Kruispuntbank van Ondernemingen, hetzij het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van de belastingplichtige;
2° de klasse van de kansspelinrichting, vermeld in artikel 6 van de Kansspelwet van 7 mei 1999, en het type en het nummer van de vergunning, toegekend door de Kansspelcommissie;
3° het belastbare bedrag van de verrichtingen volgens de aard van de verrichting, vermeld in artikel 2.12.3.0.1;
4° de datum of periode van de verrichtingen;
5° een samenvattende maandelijkse staat van de inzetten ter verificatie van het belastbare bedrag.
De aangifteplicht die is bepaald in dit artikel geldt niet voor de van belasting vrijgestelde spelen en weddenschappen, vermeld in artikel 2.12.6.0.1.]1
De aangifte, vermeld in het eerste lid, vermeldt:
1° hetzij het identificatienummer uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, hetzij het ondernemingsnummer dat bekend is bij de Kruispuntbank van Ondernemingen, hetzij het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van de belastingplichtige;
2° de klasse van de kansspelinrichting, vermeld in artikel 6 van de Kansspelwet van 7 mei 1999, en het type en het nummer van de vergunning, toegekend door de Kansspelcommissie;
3° het belastbare bedrag van de verrichtingen volgens de aard van de verrichting, vermeld in artikel 2.12.3.0.1;
4° de datum of periode van de verrichtingen;
5° een samenvattende maandelijkse staat van de inzetten ter verificatie van het belastbare bedrag.
De aangifteplicht die is bepaald in dit artikel geldt niet voor de van belasting vrijgestelde spelen en weddenschappen, vermeld in artikel 2.12.6.0.1.]1
Art. 3.3.1.0.15. [1 Pour l'application du titre 2, chapitre 12, le contribuable introduit [2 au plus tard le cinquième]2 jour ouvrable du mois auprès de l'entité compétente une déclaration pour les opérations réalisées dans le mois précédent.
La déclaration visée dans l'alinéa premier, mentionne :
1° soit le numéro d'identification du Registre national des personnes physiques, soit le numéro d'entreprise connu auprès de la Banque-Carrefour des Entreprises, soit le numéro d'identification, visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale, du contribuable ;
2° la classe de l'établissement de jeux de hasard, visée à l'article 6 de la Loi du 7 mai 1999 sur les jeux du hasard, et le type et le numéro de l'autorisation, accordée par la Commission des Jeux de Hasard ;
3° le montant taxable des opérations selon la nature de l'opération, telle que visée à l'article 2.12.3.0.1 ;
4° la date ou la période des opérations ;
5° un état récapitulatif mensuel des mises en vue de la vérification du montant taxable.
L'obligation de déclaration, définie dans le présent article, ne s'applique pas aux jeux et paris exonérés de taxes, tels que visés à l'article 2.12.6.0.1.]1
La déclaration visée dans l'alinéa premier, mentionne :
1° soit le numéro d'identification du Registre national des personnes physiques, soit le numéro d'entreprise connu auprès de la Banque-Carrefour des Entreprises, soit le numéro d'identification, visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale, du contribuable ;
2° la classe de l'établissement de jeux de hasard, visée à l'article 6 de la Loi du 7 mai 1999 sur les jeux du hasard, et le type et le numéro de l'autorisation, accordée par la Commission des Jeux de Hasard ;
3° le montant taxable des opérations selon la nature de l'opération, telle que visée à l'article 2.12.3.0.1 ;
4° la date ou la période des opérations ;
5° un état récapitulatif mensuel des mises en vue de la vérification du montant taxable.
L'obligation de déclaration, définie dans le présent article, ne s'applique pas aux jeux et paris exonérés de taxes, tels que visés à l'article 2.12.6.0.1.]1
Art. 3.3.1.0.16. [1 De belastingplichtige dient uiterlijk de voorlaatste werkdag voor de opstelling van het automatische ontspanningstoestel, vermeld in artikel 2.13.1.0.1, een aangifte in bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.
De aangifte, vermeld in het eerste lid, vermeldt:
1° hetzij het identificatienummer uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, hetzij het ondernemingsnummer dat bekend is bij de Kruispuntbank van Ondernemingen, hetzij het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van de belastingplichtige;
2° voor elke plaats van opstelling:
a) de naam en het adres;
b) de voornamen en de achternaam van de natuurlijke persoon of de naam van de rechtspersoon van de uitbater, vermeld in artikel 3.10.4.4.6;
c) de klasse van de kansspelinrichting, vermeld in artikel 6 van de Kansspelwet van 7 mei 1999, en het type en het nummer van de vergunning, toegekend door de Kansspelcommissie;
d) het aantal toestellen per categorie als vermeld in artikel 2.13.3.0.1, dat wordt opgesteld;
e) de periode van de opstelling per categorie als vermeld in artikel 2.13.3.0.1.
De belastingplichtige geeft elke wijziging van de elementen van de aangifte, vermeld in het tweede lid, 2°, aan uiterlijk de voorlaatste werkdag voor hij de wijzigingen in de opstelling doorvoert. In afwijking daarvan wordt een wijziging van punt 2°, d) en e), alleen doorgegeven als daardoor het bedrag van de belasting [2 , vermeld in artikel 2.13.4.0.1, eerste en tweede lid,]2 toeneemt.
Bij gebrek aan andersluidende kennisgeving is de aangifte die ingediend is voor een [2 kwartaal]2, geldig voor de volgende [2 kwartalen]2.
De aangifteplicht die is bepaald in dit artikel geldt niet voor de opstelling van automatische ontspanningstoestellen, [3 vermeld in artikel 2.13.3.0.1, § 2, eerste lid, 4°]3.]1
De aangifte, vermeld in het eerste lid, vermeldt:
1° hetzij het identificatienummer uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, hetzij het ondernemingsnummer dat bekend is bij de Kruispuntbank van Ondernemingen, hetzij het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van de belastingplichtige;
2° voor elke plaats van opstelling:
a) de naam en het adres;
b) de voornamen en de achternaam van de natuurlijke persoon of de naam van de rechtspersoon van de uitbater, vermeld in artikel 3.10.4.4.6;
c) de klasse van de kansspelinrichting, vermeld in artikel 6 van de Kansspelwet van 7 mei 1999, en het type en het nummer van de vergunning, toegekend door de Kansspelcommissie;
d) het aantal toestellen per categorie als vermeld in artikel 2.13.3.0.1, dat wordt opgesteld;
e) de periode van de opstelling per categorie als vermeld in artikel 2.13.3.0.1.
De belastingplichtige geeft elke wijziging van de elementen van de aangifte, vermeld in het tweede lid, 2°, aan uiterlijk de voorlaatste werkdag voor hij de wijzigingen in de opstelling doorvoert. In afwijking daarvan wordt een wijziging van punt 2°, d) en e), alleen doorgegeven als daardoor het bedrag van de belasting [2 , vermeld in artikel 2.13.4.0.1, eerste en tweede lid,]2 toeneemt.
Bij gebrek aan andersluidende kennisgeving is de aangifte die ingediend is voor een [2 kwartaal]2, geldig voor de volgende [2 kwartalen]2.
De aangifteplicht die is bepaald in dit artikel geldt niet voor de opstelling van automatische ontspanningstoestellen, [3 vermeld in artikel 2.13.3.0.1, § 2, eerste lid, 4°]3.]1
Art. 3.3.1.0.16. [1 Le contribuable introduit au plus tard l'avant-dernier jour ouvrable avant l'installation de l'appareil automatique de divertissement, tel que visé à l'article 2.13.1.0.1, une déclaration auprès de l'entité compétente de l'administration flamande.
La déclaration visée dans l'alinéa premier, mentionne :
1° soit le numéro d'identification du Registre national des personnes physiques, soit le numéro d'entreprise connu auprès de la Banque-Carrefour des Entreprises, soit le numéro d'identification, visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale, du contribuable ;
2° pour chaque endroit d'installation :
a) le nom et l'adresse ;
b) les prénoms et le nom de la personne physique ou le nom de la personne morale de l'exploitant, tel que visé à l'article 3.10.4.4.6 ;
c) la classe de l'établissement de jeux de hasard, visée à l'article 6 de la Loi du 7 mai 1999 sur les jeux du hasard, et le type et le numéro de l'autorisation, accordée par la Commission des Jeux de Hasard ;
d) le nombre d'appareils par catégorie, telle que visée à l'article 2.13.3.0.1, qui est installé ;
e) la période de l'installation par catégorie, telle que visée à l'article 2.13.3.0.1.
Le contribuable déclare toute modification des éléments de la déclaration, tels que visés à l'alinéa deux, 2°, au plus tard l'avant-dernier jour ouvrable avant qu'il n'apporte les modifications dans l'installation. Par dérogation à cette disposition, une modification du point 2°, d) et e) n'est communiquée que si celle-ci fait augmenter le montant de la taxe, [2 visée à l'article 2.13.4.0.1, alinéas 1er et 2]2.
A défaut de notification contraire, la déclaration qui a été introduite pour [2 un trimestre]2, est valable pour [2 les trimestres suivants]2.
L'obligation de déclaration qui a été définie dans le présent article n'est pas valable pour l'installation d'appareils automatiques de divertissement, [3 tels que visés à l'article 2.13.3.0.1, § 2, alinéa 1er, 4°]3.]1
La déclaration visée dans l'alinéa premier, mentionne :
1° soit le numéro d'identification du Registre national des personnes physiques, soit le numéro d'entreprise connu auprès de la Banque-Carrefour des Entreprises, soit le numéro d'identification, visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale, du contribuable ;
2° pour chaque endroit d'installation :
a) le nom et l'adresse ;
b) les prénoms et le nom de la personne physique ou le nom de la personne morale de l'exploitant, tel que visé à l'article 3.10.4.4.6 ;
c) la classe de l'établissement de jeux de hasard, visée à l'article 6 de la Loi du 7 mai 1999 sur les jeux du hasard, et le type et le numéro de l'autorisation, accordée par la Commission des Jeux de Hasard ;
d) le nombre d'appareils par catégorie, telle que visée à l'article 2.13.3.0.1, qui est installé ;
e) la période de l'installation par catégorie, telle que visée à l'article 2.13.3.0.1.
Le contribuable déclare toute modification des éléments de la déclaration, tels que visés à l'alinéa deux, 2°, au plus tard l'avant-dernier jour ouvrable avant qu'il n'apporte les modifications dans l'installation. Par dérogation à cette disposition, une modification du point 2°, d) et e) n'est communiquée que si celle-ci fait augmenter le montant de la taxe, [2 visée à l'article 2.13.4.0.1, alinéas 1er et 2]2.
A défaut de notification contraire, la déclaration qui a été introduite pour [2 un trimestre]2, est valable pour [2 les trimestres suivants]2.
L'obligation de déclaration qui a été définie dans le présent article n'est pas valable pour l'installation d'appareils automatiques de divertissement, [3 tels que visés à l'article 2.13.3.0.1, § 2, alinéa 1er, 4°]3.]1
Afdeling 2. - Aanslagjaar en belastbaar tijdperk
Section 2. - Année d'imposition et période imposable
Art. 3.3.2.0.1. [3 Het aanslagjaar is voor :
1° de onroerende voorheffing het kalenderjaar waarvan de inkomsten de grondslag voor de belasting vormen;
2° de verkeersbelasting voor de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.2.0.1, § 2, eerste lid, elk tijdperk van twaalf achtereenvolgende maanden. Het aanslagjaar is het jaar waarin dat tijdperk een aanvang neemt;
3° de verkeersbelasting voor de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.2.0.1, § 2, tweede lid, de eerste keer het tijdperk dat gelijk is aan het aantal maanden dat begrepen is tussen de eerste dag van de maand waarin het voertuig in de loop van een burgerlijk jaar in gebruik is genomen op de openbare weg, en 31 december van hetzelfde jaar. Vervolgens wordt het aanslagjaar gevormd door een tijdperk van twaalf maanden dat aanvangt op 1 januari van elk volgend kalenderjaar, en het is het jaar waarin de voormelde tijdperken een aanvang nemen;
4° de belasting op de inverkeerstelling het jaar waarin de belasting verschuldigd is. Het begint op de eerste dag van de maand waarin de belasting verschuldigd is;
5° [7 ...]7
6° de [5 heffing ongeschikte en onbewoonbare woningen]5 het jaar waarin de belasting verschuldigd is met toepassing van [1 artikel 2.5.7.0.1]1;
7° de leegstandsheffing bedrijfsruimten het kalenderjaar dat volgt op elke derde opeenvolgende registratie in de inventaris, waarin de belasting kan worden ingevoerd;
[2 8° de erfbelasting : het jaar waarin het overlijden plaatsvindt of, in geval van een gebeurtenis als vermeld in artikel 3.3.1.0.6, het jaar waarin de nieuwe aangiftetermijn start;
9° de registratiebelasting :
a) als er een registratieverplichting bestaat overeenkomstig het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten :
1) het jaar waarin de akte die of het geschrift dat aanleiding geeft tot de heffing van de registratiebelasting, binnen de ervoor bepaalde termijn, overeenkomstig het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, ter registratie wordt aangeboden;
2) het jaar waarin de termijn, vermeld in punt 1), verstrijkt bij gebrek aan aanbieding ter registratie binnen die termijn;
b) als er geen registratieverplichting bestaat overeenkomstig het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten : het jaar waarin de akte of het geschrift ter registratie wordt aangeboden;]2
[3 10° de kilometerheffing het kalenderjaar waarin de belasting verschuldigd is. Het begint op de kalenderdag waarop de kilometers worden afgelegd op de niet-geconcedeerde weg.]3
[6 11° de belasting op de spelen en weddenschappen: het jaar waarin de spelen en de weddenschappen die aanleiding geven tot de belasting plaatsvinden;
12° de belasting op de automatische ontspanningstoestellen: het jaar waarin een automatisch ontspanningstoestel is opgesteld.]6
Het belastbare tijdperk is voor :
1° de toepassing van de onroerende voorheffing gelijk aan het aanslagjaar;
2° de verkeersbelasting voor de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.2.0.1, § 2, eerste lid, gelijk aan elke periode van twaalf achtereenvolgende maanden, waarvan de eerste ingaat de eerste dag van de maand waarin het voertuig in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid is ingeschreven of moet worden ingeschreven;
3° de verkeersbelasting voor de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.2.0.1, § 2, tweede lid, voor de eerste keer gelijk aan het aantal maanden dat begrepen is tussen de eerste dag van de maand waarin het voertuig in de loop van een burgerlijk jaar in gebruik is genomen op de openbare weg, en 31 december van hetzelfde jaar. Vervolgens is het gelijk aan elke periode van twaalf maanden die aanvangt op 1 januari van elk volgend kalenderjaar;
4° [7 ...]7
5° de [5 heffing ongeschikte en onbewoonbare woningen]5 gelijk aan de opeenvolgende periodes van twaalf maanden die volgen op [9 de datum van de inventarisatie, vermeld in [10 artikel 3.20 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021]10]9;
[3 6° de kilometerheffing gelijk aan de kalenderdag waarop de kilometers worden afgelegd op de niet-geconcedeerde weg.]3
[6 7° de belasting op de spelen en weddenschappen gelijk aan het aanslagjaar;
8° de belasting op de automatische ontspanningstoestellen gelijk aan het [8 kwartaal waarin een automatisch ontspanningstoestel is opgesteld]8.]6
1° de onroerende voorheffing het kalenderjaar waarvan de inkomsten de grondslag voor de belasting vormen;
2° de verkeersbelasting voor de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.2.0.1, § 2, eerste lid, elk tijdperk van twaalf achtereenvolgende maanden. Het aanslagjaar is het jaar waarin dat tijdperk een aanvang neemt;
3° de verkeersbelasting voor de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.2.0.1, § 2, tweede lid, de eerste keer het tijdperk dat gelijk is aan het aantal maanden dat begrepen is tussen de eerste dag van de maand waarin het voertuig in de loop van een burgerlijk jaar in gebruik is genomen op de openbare weg, en 31 december van hetzelfde jaar. Vervolgens wordt het aanslagjaar gevormd door een tijdperk van twaalf maanden dat aanvangt op 1 januari van elk volgend kalenderjaar, en het is het jaar waarin de voormelde tijdperken een aanvang nemen;
4° de belasting op de inverkeerstelling het jaar waarin de belasting verschuldigd is. Het begint op de eerste dag van de maand waarin de belasting verschuldigd is;
5° [7 ...]7
6° de [5 heffing ongeschikte en onbewoonbare woningen]5 het jaar waarin de belasting verschuldigd is met toepassing van [1 artikel 2.5.7.0.1]1;
7° de leegstandsheffing bedrijfsruimten het kalenderjaar dat volgt op elke derde opeenvolgende registratie in de inventaris, waarin de belasting kan worden ingevoerd;
[2 8° de erfbelasting : het jaar waarin het overlijden plaatsvindt of, in geval van een gebeurtenis als vermeld in artikel 3.3.1.0.6, het jaar waarin de nieuwe aangiftetermijn start;
9° de registratiebelasting :
a) als er een registratieverplichting bestaat overeenkomstig het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten :
1) het jaar waarin de akte die of het geschrift dat aanleiding geeft tot de heffing van de registratiebelasting, binnen de ervoor bepaalde termijn, overeenkomstig het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, ter registratie wordt aangeboden;
2) het jaar waarin de termijn, vermeld in punt 1), verstrijkt bij gebrek aan aanbieding ter registratie binnen die termijn;
b) als er geen registratieverplichting bestaat overeenkomstig het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten : het jaar waarin de akte of het geschrift ter registratie wordt aangeboden;]2
[3 10° de kilometerheffing het kalenderjaar waarin de belasting verschuldigd is. Het begint op de kalenderdag waarop de kilometers worden afgelegd op de niet-geconcedeerde weg.]3
[6 11° de belasting op de spelen en weddenschappen: het jaar waarin de spelen en de weddenschappen die aanleiding geven tot de belasting plaatsvinden;
12° de belasting op de automatische ontspanningstoestellen: het jaar waarin een automatisch ontspanningstoestel is opgesteld.]6
Het belastbare tijdperk is voor :
1° de toepassing van de onroerende voorheffing gelijk aan het aanslagjaar;
2° de verkeersbelasting voor de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.2.0.1, § 2, eerste lid, gelijk aan elke periode van twaalf achtereenvolgende maanden, waarvan de eerste ingaat de eerste dag van de maand waarin het voertuig in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid is ingeschreven of moet worden ingeschreven;
3° de verkeersbelasting voor de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.2.0.1, § 2, tweede lid, voor de eerste keer gelijk aan het aantal maanden dat begrepen is tussen de eerste dag van de maand waarin het voertuig in de loop van een burgerlijk jaar in gebruik is genomen op de openbare weg, en 31 december van hetzelfde jaar. Vervolgens is het gelijk aan elke periode van twaalf maanden die aanvangt op 1 januari van elk volgend kalenderjaar;
4° [7 ...]7
5° de [5 heffing ongeschikte en onbewoonbare woningen]5 gelijk aan de opeenvolgende periodes van twaalf maanden die volgen op [9 de datum van de inventarisatie, vermeld in [10 artikel 3.20 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021]10]9;
[3 6° de kilometerheffing gelijk aan de kalenderdag waarop de kilometers worden afgelegd op de niet-geconcedeerde weg.]3
[6 7° de belasting op de spelen en weddenschappen gelijk aan het aanslagjaar;
8° de belasting op de automatische ontspanningstoestellen gelijk aan het [8 kwartaal waarin een automatisch ontspanningstoestel is opgesteld]8.]6
Art. 3.3.2.0.1. L'année d'imposition a trait :
1° au précompte immobilier de l'année calendaire dont les revenus constituent la base de l'impôt;
2° à la taxe de circulation pour les véhicules, cités dans l'article 2.2.2.0.1, § 2, alinéa premier, toute période de douze mois consécutifs. L'année d'imposition est l'année pendant laquelle cette période prend cours;
3° à la taxe de circulation pour les véhicules, cités dans l'article 2.2.2.0.1, § 2, alinéa deux, la première fois pendant la période qui est égale aux nombre de mois compris entre le premier jour du moins pendant lequel le véhicule a été mis en service au cours d'une année civile sur la voie publique, et le 31 décembre de la même année. En suite, l'année d'imposition est constituée par une période de douze mois qui commence le 1er janvier de chaque année calendaire suivante et c'est l'année pendant laquelle les périodes précitées prennent cours;
4° à la taxe de mise en circulation pendant l'année que la taxe est due. Elle commence au premier jour que la taxe est due;
5° [7 ...]7
6° à la [5 taxe sur les habitations inadaptées et insalubres]5 pendant l'année que la taxe est due en application de [1 l'article 2.5.7.0.1]1;
7° à la taxe sur les sites d'activité économique désaffectés pendant l'année qui suit chaque troisième enregistrement consécutif dans l'inventaire pendant laquelle la taxe peut être instaurée;
[2 8° aux droits de succession : l'année du décès ou, en cas d'événement visé à l'article 3.3.1.0.6, l'année du début du nouveau délai de déclaration ;
9° aux droits d'enregistrement :
a) en cas d'obligation d'enregistrement conformément au Code fédéral des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe :
1) l'année durant laquelle l'acte ou l'écrit qui donne lieu à la perception de droits d'enregistrement est présenté à l'enregistrement dans le délai déterminé préalablement, conformément au Code fédéral des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe ;
2) l'année durant laquelle le délai, visé au point 1), expire à défaut de présentation à l'enregistrement dans ce délai ;
b) s'il n'existe pas d'obligation d'enregistrement conformément au Code fédéral des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe : l'année durant laquelle l'acte ou l'écrit est présenté à l'enregistrement.]2
[3 10° en ce qui concerne le prélèvement kilométrique, à l'année calendaire dans laquelle la taxe est due. Elle débute au jour calendaire auquel les kilomètres sont parcourus sur la route non concédée.]3
[6 11° à la taxe sur les jeux et les paris : l'année dans laquelle les jeux et paris donnant lieu à la taxe, ont cours ;
12° la taxe sur les appareils automatiques de divertissement : l'année dans laquelle un appareil automatique de divertissement a été installé.]6
La période imposable est :
1° égale à l'année d'imposition pour l'application du précompte immobilier;
2° égale, en ce qui concerne la taxe de circulation pour véhicules, cités dans l'article 2.2.2.0.1, § 2, alinéa premier, à chaque période de douze mois consécutifs dont le premier commence le premier jour du mois pendant lequel le véhicule est inscrit ou doit être inscrit dans le répertoire du Directorat-général de la Mobilité et de la Sécurité routière;
3° pour la première fois égale, en ce qui concerne la taxe de circulation pour les véhicules, cités dans l'article 2.2.2.0.1, § 2, alinéa deux, aux nombre de mois compris entre le premier jour du moins pendant lequel le véhicule a été mis en service au cours d'une année civile sur la voie publique, et le 31 décembre de la même année. En suite, elle est égale à chaque période de douze mois qui commence le 1er janvier de chaque année calendaire suivante;
4° [7 ...]7
5° égale, en ce qui concerne la [5 taxe sur les habitations inadaptées et insalubres]5, aux périodes consécutives de douze mois qui suivent [9 la date de l'enregistrement dans l'inventaire, visée à [10 l'article 3.20 du Code flamand du Logement de 2021]10]9;
[3 6° égale, en ce qui concerne le prélèvement kilométrique au jour calendaire auquel les kilomètres sont parcourus sur la route non concédée.]3
[6 7° égale à l'année d'imposition pour la taxe sur les jeux et les paris ;
8° égale [8 au trimestre pendant lequel un appareil automatique de divertissement est installé]8 pour la taxe sur les appareils automatiques de divertissement.]6
1° au précompte immobilier de l'année calendaire dont les revenus constituent la base de l'impôt;
2° à la taxe de circulation pour les véhicules, cités dans l'article 2.2.2.0.1, § 2, alinéa premier, toute période de douze mois consécutifs. L'année d'imposition est l'année pendant laquelle cette période prend cours;
3° à la taxe de circulation pour les véhicules, cités dans l'article 2.2.2.0.1, § 2, alinéa deux, la première fois pendant la période qui est égale aux nombre de mois compris entre le premier jour du moins pendant lequel le véhicule a été mis en service au cours d'une année civile sur la voie publique, et le 31 décembre de la même année. En suite, l'année d'imposition est constituée par une période de douze mois qui commence le 1er janvier de chaque année calendaire suivante et c'est l'année pendant laquelle les périodes précitées prennent cours;
4° à la taxe de mise en circulation pendant l'année que la taxe est due. Elle commence au premier jour que la taxe est due;
5° [7 ...]7
6° à la [5 taxe sur les habitations inadaptées et insalubres]5 pendant l'année que la taxe est due en application de [1 l'article 2.5.7.0.1]1;
7° à la taxe sur les sites d'activité économique désaffectés pendant l'année qui suit chaque troisième enregistrement consécutif dans l'inventaire pendant laquelle la taxe peut être instaurée;
[2 8° aux droits de succession : l'année du décès ou, en cas d'événement visé à l'article 3.3.1.0.6, l'année du début du nouveau délai de déclaration ;
9° aux droits d'enregistrement :
a) en cas d'obligation d'enregistrement conformément au Code fédéral des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe :
1) l'année durant laquelle l'acte ou l'écrit qui donne lieu à la perception de droits d'enregistrement est présenté à l'enregistrement dans le délai déterminé préalablement, conformément au Code fédéral des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe ;
2) l'année durant laquelle le délai, visé au point 1), expire à défaut de présentation à l'enregistrement dans ce délai ;
b) s'il n'existe pas d'obligation d'enregistrement conformément au Code fédéral des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe : l'année durant laquelle l'acte ou l'écrit est présenté à l'enregistrement.]2
[3 10° en ce qui concerne le prélèvement kilométrique, à l'année calendaire dans laquelle la taxe est due. Elle débute au jour calendaire auquel les kilomètres sont parcourus sur la route non concédée.]3
[6 11° à la taxe sur les jeux et les paris : l'année dans laquelle les jeux et paris donnant lieu à la taxe, ont cours ;
12° la taxe sur les appareils automatiques de divertissement : l'année dans laquelle un appareil automatique de divertissement a été installé.]6
La période imposable est :
1° égale à l'année d'imposition pour l'application du précompte immobilier;
2° égale, en ce qui concerne la taxe de circulation pour véhicules, cités dans l'article 2.2.2.0.1, § 2, alinéa premier, à chaque période de douze mois consécutifs dont le premier commence le premier jour du mois pendant lequel le véhicule est inscrit ou doit être inscrit dans le répertoire du Directorat-général de la Mobilité et de la Sécurité routière;
3° pour la première fois égale, en ce qui concerne la taxe de circulation pour les véhicules, cités dans l'article 2.2.2.0.1, § 2, alinéa deux, aux nombre de mois compris entre le premier jour du moins pendant lequel le véhicule a été mis en service au cours d'une année civile sur la voie publique, et le 31 décembre de la même année. En suite, elle est égale à chaque période de douze mois qui commence le 1er janvier de chaque année calendaire suivante;
4° [7 ...]7
5° égale, en ce qui concerne la [5 taxe sur les habitations inadaptées et insalubres]5, aux périodes consécutives de douze mois qui suivent [9 la date de l'enregistrement dans l'inventaire, visée à [10 l'article 3.20 du Code flamand du Logement de 2021]10]9;
[3 6° égale, en ce qui concerne le prélèvement kilométrique au jour calendaire auquel les kilomètres sont parcourus sur la route non concédée.]3
[6 7° égale à l'année d'imposition pour la taxe sur les jeux et les paris ;
8° égale [8 au trimestre pendant lequel un appareil automatique de divertissement est installé]8 pour la taxe sur les appareils automatiques de divertissement.]6
Afdeling 3. - Aanslagtermijn
Section 3. - Délai d'imposition
Art. 3.3.3.0.1. § 1. Voor de onroerende voorheffing mag de belasting of de aanvullende belasting worden geheven gedurende vijf jaar vanaf 1 januari van het aanslagjaar waarvoor de belasting is verschuldigd.
Die termijn wordt met vier jaar verlengd in geval van inbreuk op de bepalingen van deze codex of van ter uitvoering ervan genomen besluiten, gedaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden.
§ 2. Voor de verkeersbelasting, de belasting op de inverkeerstelling [5 , de belasting op de spelen en weddenschappen en de belasting op de automatische ontspanningstoestellen]5 kan de belasting of de aanvullende belasting worden geheven gedurende vijf jaar vanaf de eerste dag van het aanslagjaar waarvoor ze verschuldigd is.
[3 Voor de kilometerheffing kan de belasting worden geheven gedurende vijf jaar vanaf de kalenderdag waarop de kilometers worden afgelegd op de niet-geconcedeerde weg.]3
§ 3. Voor de leegstandsheffing bedrijfsruimten moet de belasting geheven worden vóór 31 december van het aanslagjaar.
§ 4. Voor de [4 heffing ongeschikte en onbewoonbare woningen]4 kan de belasting worden geheven vanaf het ogenblik waarop de periode van twaalf maanden, vermeld in artikel 2.5.7.0.1, eerste lid, verstreken is, tot uiterlijk de laatste dag van het kwartaal dat daarop volgt.
In het geval, vermeld in artikel 2.5.7.0.1, tweede lid, kan de belasting worden geheven tot uiterlijk de laatste dag van het kwartaal dat volgt op het verstrijken van de nieuwe periode van twaalf maanden.
[4 ...]4.
[1 § 4/1. De erfbelasting mag worden geheven gedurende vijf jaar vanaf de dag waarop de aangiftetermijn, vermeld in artikel 3.3.1.0.5, § 2, of artikel 3.3.1.0.6, start.
In afwijking van het eerste lid kunnen de aanvullende rechten die verschuldigd zijn wegens het niet-naleven van voorwaarden die gelden tot behoud van vrijstellingen of verminderingen van grondslagen of tarieven, worden geheven gedurende vijf jaar vanaf de dag waarop de vordering voor het Vlaamse Gewest is ontstaan.
De termijnen uit het eerste en het tweede lid worden met vier jaar verlengd in geval van inbreuk op de bepalingen van deze codex of van ter uitvoering ervan genomen besluiten, gedaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden.
§ 4/2. De registratiebelasting mag worden geheven gedurende vijf jaar vanaf de dag van de registratie van de akte die of het geschrift dat aanleiding geeft tot de heffing van de registratiebelasting.
Bij gebrek aan registratie mag de registratiebelasting worden geheven gedurende vijf jaar vanaf de dag waarop de termijn voor de aanbieding ter registratie, overeenkomstig het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, verstrijkt.
In afwijking van het eerste lid kunnen de aanvullende rechten die verschuldigd zijn wegens het niet-naleven van voorwaarden die gelden tot behoud van vrijstellingen of verminderingen van grondslagen of tarieven, worden geheven gedurende vijf jaar vanaf de dag waarop de vordering voor het Vlaamse Gewest is ontstaan.
De termijnen uit het eerste, tweede en derde lid worden met vier jaar verlengd in geval van inbreuk op de bepalingen van deze codex of van ter uitvoering ervan genomen besluiten, gedaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden.]1
§ 5. Als de belastingschuldige binnen de termijn of datum, [2 vermeld in paragraaf 1 tot en met 4/2]2, conform artikel 3.5.2.0.1, 3.5.2.0.2, 3.5.2.0.4 en 3.5.3.0.1 tot en met 3.5.3.0.3, een bezwaarschrift heeft ingediend, wordt die termijn of datum verlengd met een tijdperk dat gelijk is aan de tijd die is verlopen tussen de datum waarop het bezwaarschrift is ingediend en de datum van de beslissing van het bevoegde personeelslid, zonder dat die verlenging meer dan zes maanden mag bedragen.
§ 6. Met behoud van de toepassing van de bepalingen, vermeld in artikel 3.18.0.0.3, zijn de aanslagtermijnen, vermeld in dit artikel , ook van toepassing op de belastingverhogingen en de administratieve geldboetes.
Die termijn wordt met vier jaar verlengd in geval van inbreuk op de bepalingen van deze codex of van ter uitvoering ervan genomen besluiten, gedaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden.
§ 2. Voor de verkeersbelasting, de belasting op de inverkeerstelling [5 , de belasting op de spelen en weddenschappen en de belasting op de automatische ontspanningstoestellen]5 kan de belasting of de aanvullende belasting worden geheven gedurende vijf jaar vanaf de eerste dag van het aanslagjaar waarvoor ze verschuldigd is.
[3 Voor de kilometerheffing kan de belasting worden geheven gedurende vijf jaar vanaf de kalenderdag waarop de kilometers worden afgelegd op de niet-geconcedeerde weg.]3
§ 3. Voor de leegstandsheffing bedrijfsruimten moet de belasting geheven worden vóór 31 december van het aanslagjaar.
§ 4. Voor de [4 heffing ongeschikte en onbewoonbare woningen]4 kan de belasting worden geheven vanaf het ogenblik waarop de periode van twaalf maanden, vermeld in artikel 2.5.7.0.1, eerste lid, verstreken is, tot uiterlijk de laatste dag van het kwartaal dat daarop volgt.
In het geval, vermeld in artikel 2.5.7.0.1, tweede lid, kan de belasting worden geheven tot uiterlijk de laatste dag van het kwartaal dat volgt op het verstrijken van de nieuwe periode van twaalf maanden.
[4 ...]4.
[1 § 4/1. De erfbelasting mag worden geheven gedurende vijf jaar vanaf de dag waarop de aangiftetermijn, vermeld in artikel 3.3.1.0.5, § 2, of artikel 3.3.1.0.6, start.
In afwijking van het eerste lid kunnen de aanvullende rechten die verschuldigd zijn wegens het niet-naleven van voorwaarden die gelden tot behoud van vrijstellingen of verminderingen van grondslagen of tarieven, worden geheven gedurende vijf jaar vanaf de dag waarop de vordering voor het Vlaamse Gewest is ontstaan.
De termijnen uit het eerste en het tweede lid worden met vier jaar verlengd in geval van inbreuk op de bepalingen van deze codex of van ter uitvoering ervan genomen besluiten, gedaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden.
§ 4/2. De registratiebelasting mag worden geheven gedurende vijf jaar vanaf de dag van de registratie van de akte die of het geschrift dat aanleiding geeft tot de heffing van de registratiebelasting.
Bij gebrek aan registratie mag de registratiebelasting worden geheven gedurende vijf jaar vanaf de dag waarop de termijn voor de aanbieding ter registratie, overeenkomstig het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, verstrijkt.
In afwijking van het eerste lid kunnen de aanvullende rechten die verschuldigd zijn wegens het niet-naleven van voorwaarden die gelden tot behoud van vrijstellingen of verminderingen van grondslagen of tarieven, worden geheven gedurende vijf jaar vanaf de dag waarop de vordering voor het Vlaamse Gewest is ontstaan.
De termijnen uit het eerste, tweede en derde lid worden met vier jaar verlengd in geval van inbreuk op de bepalingen van deze codex of van ter uitvoering ervan genomen besluiten, gedaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden.]1
§ 5. Als de belastingschuldige binnen de termijn of datum, [2 vermeld in paragraaf 1 tot en met 4/2]2, conform artikel 3.5.2.0.1, 3.5.2.0.2, 3.5.2.0.4 en 3.5.3.0.1 tot en met 3.5.3.0.3, een bezwaarschrift heeft ingediend, wordt die termijn of datum verlengd met een tijdperk dat gelijk is aan de tijd die is verlopen tussen de datum waarop het bezwaarschrift is ingediend en de datum van de beslissing van het bevoegde personeelslid, zonder dat die verlenging meer dan zes maanden mag bedragen.
§ 6. Met behoud van de toepassing van de bepalingen, vermeld in artikel 3.18.0.0.3, zijn de aanslagtermijnen, vermeld in dit artikel , ook van toepassing op de belastingverhogingen en de administratieve geldboetes.
Art. 3.3.3.0.1. § 1er. En ce qui concerne le précompte immobilier, la taxe ou la taxe complémentaire peut être levée pendant cinq ans à partir du 1er janvier de l'année d'imposition pour laquelle la taxe est due.
Ce délai est prolongé dans le cas d'infraction aux dispositions du présent Code ou aux arrêtés pris en exécution de ce dernier, faite avec intention frauduleuse ou dans le but de porter préjudice.
§ 2. En ce qui concerne la taxe de circulation, la taxe de mise en circulation [5 , la taxe sur les jeux et paris et la taxe sur les appareils automatiques de divertissement]5, la taxe ou la taxe complémentaire peut être levée pendant cinq ans à partir du 1er janvier de l'année d'imposition pour laquelle la taxe est due.
[3 En ce qui concerne le prélèvement kilométrique, la taxe peut être perçue pendant cinq années à compter du jour calendaire auquel les kilomètres sont parcourus sur la route non concédée.]3
§ 3. En ce qui concerne la taxe sur les sites d'activité économique désaffectés, la taxe doit être levée avant le 31 décembre de l'année d'imposition.
§ 4. En ce qui concerne la [4 taxe sur les habitations inadaptées et insalubres]4, la taxe peut être levée à partir du moment où la période de douze mois, citée dans l'article 2.5.7.0.1, alinéa premier, est écoulée, jusqu'au plus tard le dernier jour du trimestre qui la suit.
Dans le cas, cité dans l'article 2.5.7.0.1, alinéa deux, la taxe peut être levée au plus tard jusqu'au dernier jour du trimestre qui suit la fin de la nouvelle période de douze mois.
[4 ...]4.
[1 § 4/1. Les droits de succession peuvent être levés pendant cinq ans à partir du jour du début du délai de déclaration visé à l'article 3.3.1.0.5, § 2, ou à l'article 3.3.1.0.6.
Par dérogation au premier alinéa, les droits complémentaires qui sont dus en raison du non-respect des conditions en vigueur pour le maintien des exemptions ou réductions des bases ou tarifs sont levés pendant cinq ans à compter du jour de la naissance de la créance pour la Région flamande.
Les délais des premier et deuxième alinéas sont prolongés de quatre ans en cas d'infraction aux dispositions du présent code ou des arrêtés pris en exécution de celui-ci, commise dans une intention frauduleuse ou à dessein de nuire.
§ 4/2. Les droits d'enregistrement peuvent être levés pendant cinq ans à compter du jour de l'enregistrement de l'acte ou de l'écrit qui donne lieu à la perception de droits d'enregistrement.
A défaut d'enregistrement, les droits d'enregistrement peuvent être levés pendant cinq ans à compter du jour de l'expiration du délai de présentation à l'enregistrement, conformément au Code fédéral des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe.
Par dérogation au premier alinéa, les droits complémentaires dus en raison du non-respect de conditions en vigueur pour le maintien des exemptions ou réductions des bases ou tarifs sont levés pendant cinq ans à compter du jour de la naissance de la créance pour la Région flamande.
Les délais des premier, deuxième et troisième alinéas sont prolongés de quatre ans en cas d'infraction aux dispositions du présent code ou des arrêtés pris en exécution de celui-ci, commise dans une intention frauduleuse ou à dessein de nuire.]1
§ 5. Si le redevable a introduit une réclamation dans le délai ou date, [2 cité dans les paragraphes 1er à 4/2 inclus]2, conformément aux articles 3.5.2.0.1, 3.5.2.0.2, 3.5.2.0.4 et 3.5.3.0.1 à 3.5.3.0.3 inclus, ce délai ou date est prolongé par une période qui est égale au temps écoulé entre la date à laquelle la réclamation a été introduite et la date de la décision du membre du personnel compétent, sans que cette prolongation ne peut excéder six mois.
§ 6. Avec maintien de l'application des dispositions, citées dan l'article 3.18.0.0.3, les délais d'imposition, cités dans le présent article, s'appliquent également aux majorations des taxes et des amendes administratives.
Ce délai est prolongé dans le cas d'infraction aux dispositions du présent Code ou aux arrêtés pris en exécution de ce dernier, faite avec intention frauduleuse ou dans le but de porter préjudice.
§ 2. En ce qui concerne la taxe de circulation, la taxe de mise en circulation [5 , la taxe sur les jeux et paris et la taxe sur les appareils automatiques de divertissement]5, la taxe ou la taxe complémentaire peut être levée pendant cinq ans à partir du 1er janvier de l'année d'imposition pour laquelle la taxe est due.
[3 En ce qui concerne le prélèvement kilométrique, la taxe peut être perçue pendant cinq années à compter du jour calendaire auquel les kilomètres sont parcourus sur la route non concédée.]3
§ 3. En ce qui concerne la taxe sur les sites d'activité économique désaffectés, la taxe doit être levée avant le 31 décembre de l'année d'imposition.
§ 4. En ce qui concerne la [4 taxe sur les habitations inadaptées et insalubres]4, la taxe peut être levée à partir du moment où la période de douze mois, citée dans l'article 2.5.7.0.1, alinéa premier, est écoulée, jusqu'au plus tard le dernier jour du trimestre qui la suit.
Dans le cas, cité dans l'article 2.5.7.0.1, alinéa deux, la taxe peut être levée au plus tard jusqu'au dernier jour du trimestre qui suit la fin de la nouvelle période de douze mois.
[4 ...]4.
[1 § 4/1. Les droits de succession peuvent être levés pendant cinq ans à partir du jour du début du délai de déclaration visé à l'article 3.3.1.0.5, § 2, ou à l'article 3.3.1.0.6.
Par dérogation au premier alinéa, les droits complémentaires qui sont dus en raison du non-respect des conditions en vigueur pour le maintien des exemptions ou réductions des bases ou tarifs sont levés pendant cinq ans à compter du jour de la naissance de la créance pour la Région flamande.
Les délais des premier et deuxième alinéas sont prolongés de quatre ans en cas d'infraction aux dispositions du présent code ou des arrêtés pris en exécution de celui-ci, commise dans une intention frauduleuse ou à dessein de nuire.
§ 4/2. Les droits d'enregistrement peuvent être levés pendant cinq ans à compter du jour de l'enregistrement de l'acte ou de l'écrit qui donne lieu à la perception de droits d'enregistrement.
A défaut d'enregistrement, les droits d'enregistrement peuvent être levés pendant cinq ans à compter du jour de l'expiration du délai de présentation à l'enregistrement, conformément au Code fédéral des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe.
Par dérogation au premier alinéa, les droits complémentaires dus en raison du non-respect de conditions en vigueur pour le maintien des exemptions ou réductions des bases ou tarifs sont levés pendant cinq ans à compter du jour de la naissance de la créance pour la Région flamande.
Les délais des premier, deuxième et troisième alinéas sont prolongés de quatre ans en cas d'infraction aux dispositions du présent code ou des arrêtés pris en exécution de celui-ci, commise dans une intention frauduleuse ou à dessein de nuire.]1
§ 5. Si le redevable a introduit une réclamation dans le délai ou date, [2 cité dans les paragraphes 1er à 4/2 inclus]2, conformément aux articles 3.5.2.0.1, 3.5.2.0.2, 3.5.2.0.4 et 3.5.3.0.1 à 3.5.3.0.3 inclus, ce délai ou date est prolongé par une période qui est égale au temps écoulé entre la date à laquelle la réclamation a été introduite et la date de la décision du membre du personnel compétent, sans que cette prolongation ne peut excéder six mois.
§ 6. Avec maintien de l'application des dispositions, citées dan l'article 3.18.0.0.3, les délais d'imposition, cités dans le présent article, s'appliquent également aux majorations des taxes et des amendes administratives.
Art. 3.3.3.0.2. De belasting en de opcentiemen mogen worden geheven, zelfs nadat de termijn, vermeld in artikel 3.3.3.0.1, § 1, is verstreken, als bewijskrachtige gegevens uitwijzen dat de belastingplichtige nagelaten heeft aangifte te doen met toepassing van artikel 473 van het federale WIB 92.
In het geval, vermeld in het eerste lid, moeten de belasting en de opcentiemen worden geheven binnen twaalf maanden vanaf de datum waarop de inbreuk, vermeld in het eerste lid, is vastgesteld.
In het geval, vermeld in het eerste lid, moeten de belasting en de opcentiemen worden geheven binnen twaalf maanden vanaf de datum waarop de inbreuk, vermeld in het eerste lid, is vastgesteld.
Art. 3.3.3.0.2. La taxe et les centimes additionnels peuvent être levés, même après que le délai, cité dans l'article 3.3.3.0.1, § 1er, s'est écoulé, si des données à force probante démontrent que le redevable a négligé de faire une déclaration en application de l'article 473 du CIR 92 fédéral.
Dans le cas, cité dans l'alinéa premier, la taxe et les centimes additionnels doivent être levés dans les douze mois à laquelle l'infraction, citée dans l'alinéa premier, a été constatée.
Dans le cas, cité dans l'alinéa premier, la taxe et les centimes additionnels doivent être levés dans les douze mois à laquelle l'infraction, citée dans l'alinéa premier, a été constatée.
Art. 3.3.3.0.3. [1 § 1. Als wordt vastgesteld dat de aangegeven waarde van de aangegeven goederen voor de berekening van de erfbelasting te laag is, wordt de belastingplichtige schriftelijk in kennis gesteld van de intentie van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie om aanvullende rechten en de belastingverhoging, vermeld in artikel 3.18.0.0.8, eerste lid, te vestigen. Die kennisgeving gebeurt binnen de 2 jaar na het indienen van de aangifte, vermeld in artikel 3.3.1.0.5 en 3.3.1.0.6.
[2 Als het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.7.4.2.2, is toegepast om de erfbelasting te berekenen, gebeurt de kennisgeving, vermeld in het eerste lid, binnen twee jaar nadat de termijn, vermeld in artikel 2.7.4.2.4, § 1, eerste lid, is verstreken.]2
Als wordt vastgesteld dat de waarde die aangegeven is of de prijs die opgegeven is voor de berekening van de registratiebelasting te laag is, wordt de belastingplichtige schriftelijk in kennis gesteld van de intentie van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie om aanvullende rechten en de belastingverhoging, vermeld in artikel 3.18.0.0.13, te vestigen. Die kennisgeving gebeurt binnen de 2 jaar vanaf de dag van de registratie van de akte die of het geschrift dat aanleiding geeft tot de heffing van de registratiebelasting.
[2 Als de vrijstelling, vermeld in artikel 2.8.6.0.3, is toegepast op de akte, gebeurt de kennisgeving, vermeld in het derde lid, binnen twee jaar nadat de termijn, vermeld in artikel 2.8.6.0.7, § 1, eerste lid, is verstreken.]2
§ 2. De kennisgevingen, vermeld in paragraaf 1, vermelden de redenen die de intentie van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie rechtvaardigen.
§ 3. De toepassing van paragraaf 1 heeft geen invloed op de aanslagtermijnen, vermeld in artikel 3.3.3.0.1, § 4/1 en § 4/2.]1
[2 Als het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.7.4.2.2, is toegepast om de erfbelasting te berekenen, gebeurt de kennisgeving, vermeld in het eerste lid, binnen twee jaar nadat de termijn, vermeld in artikel 2.7.4.2.4, § 1, eerste lid, is verstreken.]2
Als wordt vastgesteld dat de waarde die aangegeven is of de prijs die opgegeven is voor de berekening van de registratiebelasting te laag is, wordt de belastingplichtige schriftelijk in kennis gesteld van de intentie van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie om aanvullende rechten en de belastingverhoging, vermeld in artikel 3.18.0.0.13, te vestigen. Die kennisgeving gebeurt binnen de 2 jaar vanaf de dag van de registratie van de akte die of het geschrift dat aanleiding geeft tot de heffing van de registratiebelasting.
[2 Als de vrijstelling, vermeld in artikel 2.8.6.0.3, is toegepast op de akte, gebeurt de kennisgeving, vermeld in het derde lid, binnen twee jaar nadat de termijn, vermeld in artikel 2.8.6.0.7, § 1, eerste lid, is verstreken.]2
§ 2. De kennisgevingen, vermeld in paragraaf 1, vermelden de redenen die de intentie van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie rechtvaardigen.
§ 3. De toepassing van paragraaf 1 heeft geen invloed op de aanslagtermijnen, vermeld in artikel 3.3.3.0.1, § 4/1 en § 4/2.]1
Art. 3.3.3.0.3. [1 § 1er. S'il est constaté que la valeur déclarée des biens déclarés est trop faible pour le calcul de l'impôt de succession, le contribuable doit être informé par écrit de l'intention de l'entité compétente de l'administration flamande d'établir des droits supplémentaires et la majoration des impôts visés à l'article 3.18.0.0.0.8, premier alinéa. Cette notification se fait dans les 2 ans suivant l'introduction de la déclaration visée aux articles 3.3.1.0.5 et 3.3.1.1.0.6.
[2 Si le tarif réduit, visé à l'article 2.7.4.2.2, est appliqué pour calculer l'impôt de succession, la notification visée à l'alinéa 1er se fait dans les deux ans après l'expiration du délai visé à l'article 2.7.4.2.4, § 1er, alinéa 1er.]2
S'il est constaté que la valeur qui est indiquée ou le prix qui est indiqué pour le calcul de l'impôt d'enregistrement est trop faible, le contribuable sera informé par écrit de l'intention de l'entité compétente de l'administration flamande d'établir des droits supplémentaires et une majoration des impôts visés à l'article 3.18.0.0.13. Cette notification se fait dans un délai de 2 ans à compter de la date d'enregistrement de l'acte ou de l'écrit qui donne lieu à la perception de l'impôt d'enregistrement.
[2 Si l'exonération visée à l'article 2.8.6.0.3, est appliqué à l'acte, la notification visée à l'alinéa 3 se fait dans les deux ans après l'expiration du délai visé à l'article 2.8.6.0.7, § 1er, alinéa 1er.]2
§ 2. Les notifications visées au paragraphe 1er indiquent les raisons justifiant l'intention de l'entité compétente de l'administration flamande.
§ 3. L'application du paragraphe 1er n'a aucune influence sur les délais de demande visées à l'article 3.3.3.0.1, § 4/1 en § 4/2.]1
[2 Si le tarif réduit, visé à l'article 2.7.4.2.2, est appliqué pour calculer l'impôt de succession, la notification visée à l'alinéa 1er se fait dans les deux ans après l'expiration du délai visé à l'article 2.7.4.2.4, § 1er, alinéa 1er.]2
S'il est constaté que la valeur qui est indiquée ou le prix qui est indiqué pour le calcul de l'impôt d'enregistrement est trop faible, le contribuable sera informé par écrit de l'intention de l'entité compétente de l'administration flamande d'établir des droits supplémentaires et une majoration des impôts visés à l'article 3.18.0.0.13. Cette notification se fait dans un délai de 2 ans à compter de la date d'enregistrement de l'acte ou de l'écrit qui donne lieu à la perception de l'impôt d'enregistrement.
[2 Si l'exonération visée à l'article 2.8.6.0.3, est appliqué à l'acte, la notification visée à l'alinéa 3 se fait dans les deux ans après l'expiration du délai visé à l'article 2.8.6.0.7, § 1er, alinéa 1er.]2
§ 2. Les notifications visées au paragraphe 1er indiquent les raisons justifiant l'intention de l'entité compétente de l'administration flamande.
§ 3. L'application du paragraphe 1er n'a aucune influence sur les délais de demande visées à l'article 3.3.3.0.1, § 4/1 en § 4/2.]1
Afdeling 4. - Aanslagbiljet
Section 4. - Feuille d'imposition
Art. 3.3.4.0.1. Het aanslagbiljet vermeldt :
1° de verzendingsdatum;
2° de datum van uitvoerbaarverklaring van het kohier;
3° het kohierartikel ;
4° het aanslagjaar;
5° de grondslag van de belasting;
6° het te betalen bedrag;
7° de uiterste betaaldatum;
8° de termijn waarin de belastingschuldige bezwaar kan indienen, de benaming en het adres van de entiteit van de Vlaamse administratie die bevoegd is om het bezwaar te ontvangen, en de formaliteiten die daarbij moeten worden nageleefd.
1° de verzendingsdatum;
2° de datum van uitvoerbaarverklaring van het kohier;
3° het kohierartikel ;
4° het aanslagjaar;
5° de grondslag van de belasting;
6° het te betalen bedrag;
7° de uiterste betaaldatum;
8° de termijn waarin de belastingschuldige bezwaar kan indienen, de benaming en het adres van de entiteit van de Vlaamse administratie die bevoegd is om het bezwaar te ontvangen, en de formaliteiten die daarbij moeten worden nageleefd.
Art. 3.3.4.0.1. La feuille d'imposition mentionne :
1° la date d'envoi;
2° la date de l'exequatur du rôle;
3° l'article du rôle;
4° l'année d'imposition;
5° la base de l'impôt;
6° le montant à payer;
7° la date limite de paiement;
8° le délai pendant lequel le redevable peut introduire une réclamation, le nom et l'adresse de l'entité de l'administration flamande compétente pour recevoir la réclamation et les formalités qui doivent être respectées en cette matière.
1° la date d'envoi;
2° la date de l'exequatur du rôle;
3° l'article du rôle;
4° l'année d'imposition;
5° la base de l'impôt;
6° le montant à payer;
7° la date limite de paiement;
8° le délai pendant lequel le redevable peut introduire une réclamation, le nom et l'adresse de l'entité de l'administration flamande compétente pour recevoir la réclamation et les formalités qui doivent être respectées en cette matière.
Afdeling 5. - Verzending
Section 5. - Envoi
Art. 3.3.5.0.1. De aanslagbiljetten worden in gesloten omslag aan de belastingschuldigen toegezonden.
[2 De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan voor een bepaalde belasting en voor een bepaald documenttype het elektronische platform dat daarvoor vereist is, ter beschikking stellen om de aanslagbiljetten en de andere documenten over die belasting uit te wisselen via een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt. Als de belastingschuldige een natuurlijke persoon is, niet in zijn hoedanigheid van ondernemer, of zijn vertegenwoordiger, geeft deze zijn instemming. De instemming geldt voor alle belastingen waarvoor de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het elektronische platform gebruikt. De aanbieding via die procedure geldt als rechtsgeldige kennisgeving van het aanslagbiljet of van het document in kwestie. De natuurlijke personen die niet in hun hoedanigheid van ondernemer zijn, kunnen de instemming op elk moment intrekken.]2
[1 De Vlaamse Regering bepaalt de toepassingsmodaliteiten van de procedure, vermeld in het tweede lid.]1
[2 De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan voor een bepaalde belasting en voor een bepaald documenttype het elektronische platform dat daarvoor vereist is, ter beschikking stellen om de aanslagbiljetten en de andere documenten over die belasting uit te wisselen via een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt. Als de belastingschuldige een natuurlijke persoon is, niet in zijn hoedanigheid van ondernemer, of zijn vertegenwoordiger, geeft deze zijn instemming. De instemming geldt voor alle belastingen waarvoor de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het elektronische platform gebruikt. De aanbieding via die procedure geldt als rechtsgeldige kennisgeving van het aanslagbiljet of van het document in kwestie. De natuurlijke personen die niet in hun hoedanigheid van ondernemer zijn, kunnen de instemming op elk moment intrekken.]2
[1 De Vlaamse Regering bepaalt de toepassingsmodaliteiten van de procedure, vermeld in het tweede lid.]1
Art. 3.3.5.0.1. Les feuilles d'imposition sont transmises aux contribuables sous pli fermé.
[2 Pour un impôt déterminé et pour un type de document déterminé, l'entité compétente de l'administration flamande peut mettre à disposition la plate-forme électronique requise à cet effet afin d'échanger les feuilles d'imposition et les autres documents relatifs à cet impôt au moyen d'une procédure utilisant des techniques informatiques. Si le contribuable est une personne physique, non en sa qualité d'entrepreneur, ou son représentant, il donne son consentement. Le consentement vaut pour tous les impôts pour lesquels l'entité compétente de l'administration flamande utilise la plate-forme électronique. La présentation au moyen de cette procédure vaut comme notification valide de la feuille d'imposition ou du document concerné. Les personnes physiques n'agissant pas en qualité d'entrepreneur peuvent à tout moment retirer le consentement.]2
[1 Le Gouvernement flamand arrête les modalités d'application de la procédure, visée à l'alinéa 2.]1
[2 Pour un impôt déterminé et pour un type de document déterminé, l'entité compétente de l'administration flamande peut mettre à disposition la plate-forme électronique requise à cet effet afin d'échanger les feuilles d'imposition et les autres documents relatifs à cet impôt au moyen d'une procédure utilisant des techniques informatiques. Si le contribuable est une personne physique, non en sa qualité d'entrepreneur, ou son représentant, il donne son consentement. Le consentement vaut pour tous les impôts pour lesquels l'entité compétente de l'administration flamande utilise la plate-forme électronique. La présentation au moyen de cette procédure vaut comme notification valide de la feuille d'imposition ou du document concerné. Les personnes physiques n'agissant pas en qualité d'entrepreneur peuvent à tout moment retirer le consentement.]2
[1 Le Gouvernement flamand arrête les modalités d'application de la procédure, visée à l'alinéa 2.]1
Art. 3.3.5.0.2. Als artikel 2.5.7.0.2 of 2.5.7.0.3 van toepassing is, moet het aanslagbiljet om geldig te zijn, verstuurd worden tegen het einde van het kwartaal dat volgt op de einddatum van de periode van opschorting.
Het eerste lid geldt voor de aanslagbiljetten die vanaf 5 augustus 2004 verstuurd worden.
Het eerste lid geldt voor de aanslagbiljetten die vanaf 5 augustus 2004 verstuurd worden.
Art. 3.3.5.0.2. Si l'article 2.5.7.0.2 ou 2.5.7.0.3 s'applique, la feuille d'imposition doit être envoyée, pour être valable, vers la fin du trimestre qui suit la date finale de la période de suspension.
L'alinéa premier s'applique aux feuilles d'imposition envoyées à partir du 5 août 2004.
L'alinéa premier s'applique aux feuilles d'imposition envoyées à partir du 5 août 2004.
Hoofdstuk 4. - Betalingen
Chapitre 4. - Paiements
Afdeling 1. - Algemeen
Section 1re. - Généralités
Art. 3.4.1.0.1. De Vlaamse Regering kan bepalen aan wie de belastingen betaald moeten worden.
Art. 3.4.1.0.1. Le Gouvernement flamand peut arrêter le destinataire des paiements des impôts.
Afdeling 2. - Betaaltermijn
Section 2. - Délai de paiement
Art. 3.4.2.0.1. De belasting [2 of de administratieve geldboete, vermeld in artikel 3.18.0.0.1,]2 moet uiterlijk binnen een termijn van twee maanden vanaf de verzendingsdatum, vermeld op het aanslagbiljet [1 ...]1, betaald worden op de rekening van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.
In het geval, vermeld in artikel 3.3.5.0.1, tweede lid, waarbij het aanslagbiljet door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, aan de [1 belastingschuldige]1 is bezorgd, moet de belasting worden betaald binnen twee maanden na de verzendingsdatum, vermeld op het aanslagbiljet.
In het geval, vermeld in artikel 3.3.5.0.1, tweede lid, waarbij het aanslagbiljet door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, aan de [1 belastingschuldige]1 is bezorgd, moet de belasting worden betaald binnen twee maanden na de verzendingsdatum, vermeld op het aanslagbiljet.
Art. 3.4.2.0.1. L'impôt [2 ou l'amende administrative, visée à l'article 3.18.0.0.1,]2 doit être payé au plus tard dans un délai de deux mois à partir de la date d'envoi, citée sur la feuille d'imposition adressée [1 ...]1, sur le compte de l'entité compétente de l'administration flamande.
Dans le cas, cité dans l'article 3.3.5.0.1, alinéa deux, dans lequel la feuille d'imposition a été transmise [1 au redevable]1 à l'aide d'une procédure utilisant des techniques informatiques, l'impôt doit être payé dans les deux mois suivant la date d'envoi citée sur la feuille d'imposition.
Dans le cas, cité dans l'article 3.3.5.0.1, alinéa deux, dans lequel la feuille d'imposition a été transmise [1 au redevable]1 à l'aide d'une procédure utilisant des techniques informatiques, l'impôt doit être payé dans les deux mois suivant la date d'envoi citée sur la feuille d'imposition.
Art. 3.4.2.0.3. Het indienen van een bezwaar, een aanvraag tot ambtshalve ontheffing, een vordering in rechte of een verzoek om spreiding van betaling schort de verplichting tot betaling van de belastingen en toebehoren niet op.
Art. 3.4.2.0.3. L'introduction d'une réclamation, d'une demande d'exonération d'office, d'une demande en droit ou d'une demande d'étalement de paiement ne suspend pas l'obligation de paiement des impôts et accessoires.
Art. 3.4.2.0.4. In afwijking van artikel 3.4.2.0.1 moeten alle belastingen en toebehoren onverwijld worden betaald als de rechten van het Vlaamse Gewest in het gedrang komen. Als de belastingschuldige betwist dat de rechten van het Vlaamse Gewest in gevaar verkeren, wordt er over de betwisting uitspraak gedaan, zoals in kort geding, door de beslagrechter van de plaats waar de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie die de belasting moet innen, is gevestigd.
Art. 3.4.2.0.4. En dérogation à l'article 3.4.2.0.1, tous les impôts et accessoires doivent immédiatement être payés si les droits de la Région flamande sont compromis. Lorsque le redevable conteste que les droits de la Région flamande sont en péril, il est statué sur la contestation comme en référé par le juge des saisies de l'endroit où l'entité compétente de l'administration flamande qui doit percevoir la taxe, est établie.
Art. 3.4.2.0.5. [1 In afwijking van artikel 3.4.2.0.1 moet de belastingschuldige de registratiebelasting onmiddellijk na de bezorging van het aanslagbiljet betalen.]1
[2 Het eerste lid is niet van toepassing op de aanvullende rechten op het verkooprecht, [3 [4 vermeld in artikel 2.9.4.2.3, tweede lid, artikel 2.9.4.2.11, § 2, tweede lid, of § 3, tweede lid, artikel 2.9.4.2.12, § 1, tweede lid, [5 vierde lid,]5 of § 2, tweede lid, artikel 2.9.4.2.13, § 1, tweede lid, artikel 2.9.4.2.14, § 5, tweede lid, of § 7,]4]3 en artikel 2.9.5.0.3, tweede lid, en de daaraan verbonden belastingverhogingen, vermeld in artikel 3.18.0.0.11 en artikel 3.18.0.0.12.]2
[2 Het eerste lid is niet van toepassing op de aanvullende rechten op het verkooprecht, [3 [4 vermeld in artikel 2.9.4.2.3, tweede lid, artikel 2.9.4.2.11, § 2, tweede lid, of § 3, tweede lid, artikel 2.9.4.2.12, § 1, tweede lid, [5 vierde lid,]5 of § 2, tweede lid, artikel 2.9.4.2.13, § 1, tweede lid, artikel 2.9.4.2.14, § 5, tweede lid, of § 7,]4]3 en artikel 2.9.5.0.3, tweede lid, en de daaraan verbonden belastingverhogingen, vermeld in artikel 3.18.0.0.11 en artikel 3.18.0.0.12.]2
Änderungen
Art. 3.4.2.0.5. [1 En dérogation de l'article 3.4.2.0.1, le redevable doit payer les droits d'enregistrement immédiatement après la réception de l'avertissement-extrait de rôle.]1
[2 L'alinéa premier ne s'applique pas aux droits complémentaires sur le droit de vente, [3 [4 visé à l'article 2.9.4.2.3, alinéa deux, l'article 2.9.4.2.11, § 2, alinéa deux, ou § 3, alinéa deux, l'article 2.9.4.2.12, § 1er, alinéa deux, [5 alinéa quatre,]5 ou § 2, alinéa deux, l'article 2.9.4.2.13, § 1er, alinéa deux, l'article 2.9.4.2.14, § 5, alinéa deux, ou § 7,]4]3 et à l'article 2.9.5.0.3, alinéa deux, et aux majorations d'impôt y afférentes, telles que visées aux articles 3.18.0.0.11 et 3.18.0.0.12.]2
[2 L'alinéa premier ne s'applique pas aux droits complémentaires sur le droit de vente, [3 [4 visé à l'article 2.9.4.2.3, alinéa deux, l'article 2.9.4.2.11, § 2, alinéa deux, ou § 3, alinéa deux, l'article 2.9.4.2.12, § 1er, alinéa deux, [5 alinéa quatre,]5 ou § 2, alinéa deux, l'article 2.9.4.2.13, § 1er, alinéa deux, l'article 2.9.4.2.14, § 5, alinéa deux, ou § 7,]4]3 et à l'article 2.9.5.0.3, alinéa deux, et aux majorations d'impôt y afférentes, telles que visées aux articles 3.18.0.0.11 et 3.18.0.0.12.]2
Änderungen
Afdeling 3. - Wijze van betaling
Section 3. - Mode de paiement
Art. 3.4.3.0.1. De Vlaamse Regering kan de regels bepalen voor de wijze van betaling van de belastingen.
Art. 3.4.3.0.1. Le Gouvernement flamand peut arrêter le mode de paiement des impôts.
Art. 3.4.3.0.2. [1 § 1. Iedere erfgenaam, legataris of begiftigde kan verzoeken de erfbelasting en toebehoren die invorderbaar zijn op grond van een nalatenschap, geheel of gedeeltelijk te betalen door de afgifte van de geheelheid volle eigendom van de volgende cultuurgoederen :
1° de topstukken, vermeld in artikel 2bis van het decreet van 24 januari 2003 houdende bescherming van het roerend cultureel erfgoed van uitzonderlijk belang, die al dan niet zijn opgenomen in de lijst van het roerend cultureel erfgoed van de Vlaamse Gemeenschap, vermeld in artikel 3, § 1, van het voormelde decreet;
2° de cultuurgoederen, vermeld in artikel 2, 9°, van het decreet van 24 januari 2003 houdende bescherming van het roerend cultureel erfgoed van uitzonderlijk belang, die een bijzondere verrijking kunnen betekenen voor de collectie van collectiebeherende cultureelerfgoedorganisaties die aangewezen zijn als cultureelerfgoedinstellingen met toepassing van artikel 17 van het Cultureelerfgoeddecreet van 23 december 2021, en die daarom als sleutelwerken voor die collecties beschouwd moeten worden;
3° de cultuurgoederen, vermeld in artikel 2, 9°, van het decreet van 24 januari 2003 houdende bescherming van het roerend cultureel erfgoed van uitzonderlijk belang, die een bijzondere verrijking kunnen betekenen voor de collectie van collectiebeherende cultureelerfgoedorganisaties die met een kwaliteitslabel ingedeeld zijn bij het landelijke niveau met toepassing van artikel 24 van het Cultureelerfgoeddecreet van 23 december 2021, en die daarom als sleutelwerken voor die collecties beschouwd moeten worden;
4° de cultuurgoederen, vermeld in artikel 2, 9°, van het decreet van 24 januari 2003 houdende bescherming van het roerend cultureel erfgoed van uitzonderlijk belang, die een bijzondere verrijking kunnen betekenen voor de collectie van universiteitsarchieven en universiteitsbibliotheken die een kwaliteitslabel hebben met toepassing van artikel 7 van het Cultureelerfgoeddecreet van 23 december 2021, en die daarom als sleutelwerken voor die collecties beschouwd moeten worden.
Alleen de cultuurgoederen, vermeld in het eerste lid, die op de dag van het overlijden in hun geheel in volle eigendom toebehoren aan de overledene en/of aan zijn langstlevende echtgenoot of zijn wettelijk samenwonende partner en/of aan zijn erfgenamen, legatarissen of begiftigden, kunnen als betaling als vermeld in het eerste lid worden aangeboden. Het bewijs dat de voormelde voorwaarde is vervuld, kan worden geleverd door alle bewijsmiddelen, met uitsluiting van de eed.
§ 2. De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie onderzoekt de ontvankelijkheid van het verzoek tot inbetalinggeving en brengt de aanvrager op de hoogte van haar beslissing. Als het verzoek tot inbetalinggeving, vermeld in paragraaf 1, onontvankelijk is verklaard en het cultuurgoed deel uitmaakt van de nalatenschap, dient de erfgenaam, legataris of begiftigde, vermeld in paragraaf 1, in voorkomend geval, binnen twee maanden vanaf de kennisgeving van de onontvankelijkheid een aanvullende aangifte in bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.
§ 3. Als het verzoek tot inbetalinggeving, vermeld in paragraaf 1, ontvankelijk is verklaard, bezorgt de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het verzoek aan de Raad, vermeld in artikel 2, 4°, van het decreet van 24 januari 2003 houdende bescherming van het roerend cultureel erfgoed van uitzonderlijk belang, met het oog op een beslissing van de Vlaamse Regering conform artikel 18ter van het voormelde decreet.
§ 4. Als de Vlaamse Regering conform artikel 18ter van het decreet van 24 januari 2003 houdende bescherming van het roerend cultureel erfgoed van uitzonderlijk belang beslist dat de cultuurgoederen die het voorwerp uitmaken van het verzoek, in betaling mogen worden gegeven, worden de cultuurgoederen geacht voor 120 procent van de waarde die is vastgesteld in de beslissing van de Vlaamse Regering, in betaling te zijn gegeven om de verschuldigde erfbelasting en toebehoren te voldoen.
De aanvrager wordt op de hoogte gebracht van de beslissing van de Vlaamse Regering over het verzoek.
De waarde die conform artikel 18ter, derde of vijfde lid, van het voormelde decreet is vastgesteld bij een beslissing van de Vlaamse Regering, neemt de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie in aanmerking om de erfbelasting en toebehoren te berekenen als het cultuurgoed deel uitmaakt van de nalatenschap.
In het geval, vermeld in het derde lid, behoudt de aanvrager de mogelijkheid om conform artikel 3.5.3.0.1 een bezwaar in te dienen tegen de gevestigde aanslag, behalve voor de waardering van het cultuurgoed, zoals die is vastgesteld bij een beslissing van de Vlaamse Regering.
§ 5. De aanvragers kunnen aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie meedelen dat ze hun verzoek tot inbetalinggeving volledig of gedeeltelijk intrekken. Bij intrekking van het verzoek tot inbetalinggeving dient de erfgenaam, legataris of begiftigde, vermeld in paragraaf 1, binnen twee maanden vanaf de kennisgeving van de intrekking een aanvullende aangifte in bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie als het cultuurgoed deel uitmaakt van de nalatenschap, behalve als de waarde is bepaald bij een beslissing van de Vlaamse Regering conform artikel 18ter, derde of vijfde lid, van het decreet van 24 januari 2003 houdende bescherming van het roerend cultureel erfgoed van uitzonderlijk belang.
§ 6. Als de Vlaamse Regering binnen vijf maanden na de kennisgeving van het verzoek door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie aan de Raad geen beslissing heeft genomen, wordt het verzoek tot inbetalinggeving geacht te zijn afgewezen. Als het cultuurgoed deel uitmaakt van de nalatenschap, dient de erfgenaam, legataris of begiftigde, vermeld in paragraaf 1, binnen twee maanden na de kennisgeving van het verstrijken van voormelde termijn van vijf maanden, een aanvullende aangifte in bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.
Als de Vlaamse Regering het verzoek tot inbetalinggeving weigert, wordt de aanvullende aangifte, vermeld in het eerste lid, ingediend binnen twee maanden vanaf de kennisgeving van de beslissing van de Vlaamse Regering.
§ 7. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen over de wijze en het tijdstip waarop het verzoek moet worden ingediend, en kan bepalen welke gegevens en documenten de aanvraag moet bevatten. De Vlaamse Regering kan de procedure voor de afhandeling of intrekking van het verzoek nader bepalen.]1
1° de topstukken, vermeld in artikel 2bis van het decreet van 24 januari 2003 houdende bescherming van het roerend cultureel erfgoed van uitzonderlijk belang, die al dan niet zijn opgenomen in de lijst van het roerend cultureel erfgoed van de Vlaamse Gemeenschap, vermeld in artikel 3, § 1, van het voormelde decreet;
2° de cultuurgoederen, vermeld in artikel 2, 9°, van het decreet van 24 januari 2003 houdende bescherming van het roerend cultureel erfgoed van uitzonderlijk belang, die een bijzondere verrijking kunnen betekenen voor de collectie van collectiebeherende cultureelerfgoedorganisaties die aangewezen zijn als cultureelerfgoedinstellingen met toepassing van artikel 17 van het Cultureelerfgoeddecreet van 23 december 2021, en die daarom als sleutelwerken voor die collecties beschouwd moeten worden;
3° de cultuurgoederen, vermeld in artikel 2, 9°, van het decreet van 24 januari 2003 houdende bescherming van het roerend cultureel erfgoed van uitzonderlijk belang, die een bijzondere verrijking kunnen betekenen voor de collectie van collectiebeherende cultureelerfgoedorganisaties die met een kwaliteitslabel ingedeeld zijn bij het landelijke niveau met toepassing van artikel 24 van het Cultureelerfgoeddecreet van 23 december 2021, en die daarom als sleutelwerken voor die collecties beschouwd moeten worden;
4° de cultuurgoederen, vermeld in artikel 2, 9°, van het decreet van 24 januari 2003 houdende bescherming van het roerend cultureel erfgoed van uitzonderlijk belang, die een bijzondere verrijking kunnen betekenen voor de collectie van universiteitsarchieven en universiteitsbibliotheken die een kwaliteitslabel hebben met toepassing van artikel 7 van het Cultureelerfgoeddecreet van 23 december 2021, en die daarom als sleutelwerken voor die collecties beschouwd moeten worden.
Alleen de cultuurgoederen, vermeld in het eerste lid, die op de dag van het overlijden in hun geheel in volle eigendom toebehoren aan de overledene en/of aan zijn langstlevende echtgenoot of zijn wettelijk samenwonende partner en/of aan zijn erfgenamen, legatarissen of begiftigden, kunnen als betaling als vermeld in het eerste lid worden aangeboden. Het bewijs dat de voormelde voorwaarde is vervuld, kan worden geleverd door alle bewijsmiddelen, met uitsluiting van de eed.
§ 2. De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie onderzoekt de ontvankelijkheid van het verzoek tot inbetalinggeving en brengt de aanvrager op de hoogte van haar beslissing. Als het verzoek tot inbetalinggeving, vermeld in paragraaf 1, onontvankelijk is verklaard en het cultuurgoed deel uitmaakt van de nalatenschap, dient de erfgenaam, legataris of begiftigde, vermeld in paragraaf 1, in voorkomend geval, binnen twee maanden vanaf de kennisgeving van de onontvankelijkheid een aanvullende aangifte in bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.
§ 3. Als het verzoek tot inbetalinggeving, vermeld in paragraaf 1, ontvankelijk is verklaard, bezorgt de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het verzoek aan de Raad, vermeld in artikel 2, 4°, van het decreet van 24 januari 2003 houdende bescherming van het roerend cultureel erfgoed van uitzonderlijk belang, met het oog op een beslissing van de Vlaamse Regering conform artikel 18ter van het voormelde decreet.
§ 4. Als de Vlaamse Regering conform artikel 18ter van het decreet van 24 januari 2003 houdende bescherming van het roerend cultureel erfgoed van uitzonderlijk belang beslist dat de cultuurgoederen die het voorwerp uitmaken van het verzoek, in betaling mogen worden gegeven, worden de cultuurgoederen geacht voor 120 procent van de waarde die is vastgesteld in de beslissing van de Vlaamse Regering, in betaling te zijn gegeven om de verschuldigde erfbelasting en toebehoren te voldoen.
De aanvrager wordt op de hoogte gebracht van de beslissing van de Vlaamse Regering over het verzoek.
De waarde die conform artikel 18ter, derde of vijfde lid, van het voormelde decreet is vastgesteld bij een beslissing van de Vlaamse Regering, neemt de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie in aanmerking om de erfbelasting en toebehoren te berekenen als het cultuurgoed deel uitmaakt van de nalatenschap.
In het geval, vermeld in het derde lid, behoudt de aanvrager de mogelijkheid om conform artikel 3.5.3.0.1 een bezwaar in te dienen tegen de gevestigde aanslag, behalve voor de waardering van het cultuurgoed, zoals die is vastgesteld bij een beslissing van de Vlaamse Regering.
§ 5. De aanvragers kunnen aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie meedelen dat ze hun verzoek tot inbetalinggeving volledig of gedeeltelijk intrekken. Bij intrekking van het verzoek tot inbetalinggeving dient de erfgenaam, legataris of begiftigde, vermeld in paragraaf 1, binnen twee maanden vanaf de kennisgeving van de intrekking een aanvullende aangifte in bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie als het cultuurgoed deel uitmaakt van de nalatenschap, behalve als de waarde is bepaald bij een beslissing van de Vlaamse Regering conform artikel 18ter, derde of vijfde lid, van het decreet van 24 januari 2003 houdende bescherming van het roerend cultureel erfgoed van uitzonderlijk belang.
§ 6. Als de Vlaamse Regering binnen vijf maanden na de kennisgeving van het verzoek door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie aan de Raad geen beslissing heeft genomen, wordt het verzoek tot inbetalinggeving geacht te zijn afgewezen. Als het cultuurgoed deel uitmaakt van de nalatenschap, dient de erfgenaam, legataris of begiftigde, vermeld in paragraaf 1, binnen twee maanden na de kennisgeving van het verstrijken van voormelde termijn van vijf maanden, een aanvullende aangifte in bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.
Als de Vlaamse Regering het verzoek tot inbetalinggeving weigert, wordt de aanvullende aangifte, vermeld in het eerste lid, ingediend binnen twee maanden vanaf de kennisgeving van de beslissing van de Vlaamse Regering.
§ 7. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen over de wijze en het tijdstip waarop het verzoek moet worden ingediend, en kan bepalen welke gegevens en documenten de aanvraag moet bevatten. De Vlaamse Regering kan de procedure voor de afhandeling of intrekking van het verzoek nader bepalen.]1
Art. 3.4.3.0.2. [1 § 1er. Tout héritier, légataire ou donataire peut demander le paiement de tout ou partie des droits de succession et accessoires récupérables en vertu d'une succession en abandonnant la pleine et entière propriété des biens culturels suivants :
1° les pièces maîtresses mentionnées à l'article 2bis du décret du 24 janvier 2003 portant protection du patrimoine culturel mobilier présentant un intérêt exceptionnel, qui sont reprises ou non dans la liste du patrimoine culturel mobilier de la Communauté flamande mentionnée à l'article 3, § 1er, du décret précité ;
2° les biens culturels visés à l'article 2, 9°, du décret du 24 janvier 2003 portant protection du patrimoine culturel mobilier présentant un intérêt exceptionnel, qui peuvent représenter un enrichissement particulier pour la collection des organisations gestionnaires de collection du patrimoine culturel désignés comme organismes du patrimoine culturel en application de l'article 17 du décret du 23 décembre 2021 portant le soutien de l'exploitation du patrimoine culturel, et qui doivent donc être considérés comme des oeuvres clés pour ces collections ;
3° les biens culturels visés à l'article 2, 9°, du décret du 24 janvier 2003 portant protection du patrimoine culturel mobilier présentant un intérêt exceptionnel, qui peuvent représenter un enrichissement particulier pour la collection des organisations gestionnaires de collection du patrimoine culturel classés avec un label de qualité au niveau national en application de l'article 24 du décret du 23 décembre 2021 portant le soutien de l'exploitation du patrimoine culturel, et qui doivent donc être considérés comme des oeuvres clés pour ces collections ;
4° les biens culturels visés à l'article 2, 9°, du décret du 24 janvier 2003 portant protection du patrimoine culturel mobilier présentant un intérêt exceptionnel, qui peuvent particulièrement enrichir les collections des archives universitaires et des bibliothèques universitaires bénéficiant d'un label de qualité en application de l'article 7 du décret du 23 décembre 2021 portant le soutien de l'exploitation du patrimoine culturel et qui doivent donc être considérés comme des oeuvres clés pour ces collections.
Seuls les biens culturels visés à l'alinéa 1er, qui sont en pleine propriété du défunt et/ou de son conjoint survivant ou de son cohabitant légal et/ou de ses héritiers, légataires ou donataires au jour du décès, peuvent être présentés comme paiement tel que mentionné à l'alinéa 1er. La preuve que la condition précitée est remplie peut être apportée par tous moyens de preuve, à l'exclusion du serment.
§ 2. L'entité compétente de l'administration flamande examine la recevabilité de la demande de dation en paiement et informe le demandeur de sa décision. Si la demande de dation en paiement visée à l'alinéa 1er est déclarée irrecevable et que le bien culturel fait partie de la succession, l'héritier, le légataire ou le donataire visé à l'alinéa 1er soumet, le cas échéant, une déclaration complémentaire à l'entité compétente de l'administration flamande dans un délai de deux mois à compter de la notification de l'irrecevabilité.
§ 3. Si la demande de dation en paiement visée à l'alinéa 1er est déclarée recevable, l'entité compétente de l'administration flamande remet la demande au Conseil visé à l'article 2, 4°, du décret du 24 janvier 2003 portant protection du patrimoine culturel mobilier présentant un intérêt exceptionnel, en vue d'une décision du Gouvernement flamand conformément à l'article 18ter du décret précité.
§ 4. Si le Gouvernement flamand décide, conformément à l'article 18ter du décret du 24 janvier 2003 portant protection du patrimoine culturel mobilier présentant un intérêt exceptionnel, que les biens culturels faisant l'objet de la demande peuvent être donnés en paiement, les biens culturels sont réputés avoir été donnés en paiement pour 120 % de la valeur déterminée dans la décision du Gouvernement flamand pour le paiement des droits de succession et des accessoires dus.
Le demandeur est informé de la décision du Gouvernement flamand concernant la demande.
La valeur déterminée conformément à l'article 18ter, alinéa 3 ou 5, du décret précité par une décision du Gouvernement flamand est prise en compte par l'entité compétente de l'administration flamande pour le calcul des droits de succession et des accessoires si le bien culturel fait partie de la succession.
Dans le cas, visé à l'alinéa 3, le demandeur conserve la possibilité d'introduire une réclamation contre l'imposition établie, conformément à l'article 3.5.3.0.1, sauf pour la valorisation du bien culturel, telle que fixée par une décision du Gouvernement flamand.
§ 5. Les demandeurs peuvent notifier à l'entité compétente de l'administration flamande qu'ils renoncent à tout ou partie de leur demande de dation en paiement. En cas de retrait de la demande de dation en paiement, l'héritier, le légataire ou le donataire visé au paragraphe 1 introduit une déclaration complémentaire à l'entité compétente de l'Administration flamande dans un délai de deux mois à compter de la notification du retrait si le bien culturel fait partie de la succession, sauf si la valeur a été déterminée par une décision du Gouvernement flamand conformément à l'article 18ter, alinéa 3 ou 5, du décret du 24 janvier 2003 portant protection du patrimoine culturel mobilier présentant un intérêt exceptionnel.
§ 6. Si le Gouvernement flamand n'a pas pris de décision dans un délai de cinq mois à compter de la notification de la demande par l'entité compétente de l'administration flamande au Conseil, la demande de dation en paiement est réputée rejetée. Si le bien culturel fait partie de la succession, l'héritier, le légataire ou le donataire visé au paragraphe 1 introduit une déclaration complémentaire à l'entité compétente de l'administration flamande dans un délai précité de deux mois à compter de la notification de l'expiration du délai de cinq mois.
Si le Gouvernement flamand refuse la demande de dation en paiement, la déclaration complémentaire visée à l'alinéa 1er doit être présentée dans un délai de deux mois à compter de la notification de la décision du Gouvernement flamand.
§ 7. Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres règles sur la manière et l'heure dont la demande doit être introduite, et déterminer les informations et les documents que la demande doit contenir. Le Gouvernement flamand peut préciser la procédure de traitement ou de retrait de la demande.]1
1° les pièces maîtresses mentionnées à l'article 2bis du décret du 24 janvier 2003 portant protection du patrimoine culturel mobilier présentant un intérêt exceptionnel, qui sont reprises ou non dans la liste du patrimoine culturel mobilier de la Communauté flamande mentionnée à l'article 3, § 1er, du décret précité ;
2° les biens culturels visés à l'article 2, 9°, du décret du 24 janvier 2003 portant protection du patrimoine culturel mobilier présentant un intérêt exceptionnel, qui peuvent représenter un enrichissement particulier pour la collection des organisations gestionnaires de collection du patrimoine culturel désignés comme organismes du patrimoine culturel en application de l'article 17 du décret du 23 décembre 2021 portant le soutien de l'exploitation du patrimoine culturel, et qui doivent donc être considérés comme des oeuvres clés pour ces collections ;
3° les biens culturels visés à l'article 2, 9°, du décret du 24 janvier 2003 portant protection du patrimoine culturel mobilier présentant un intérêt exceptionnel, qui peuvent représenter un enrichissement particulier pour la collection des organisations gestionnaires de collection du patrimoine culturel classés avec un label de qualité au niveau national en application de l'article 24 du décret du 23 décembre 2021 portant le soutien de l'exploitation du patrimoine culturel, et qui doivent donc être considérés comme des oeuvres clés pour ces collections ;
4° les biens culturels visés à l'article 2, 9°, du décret du 24 janvier 2003 portant protection du patrimoine culturel mobilier présentant un intérêt exceptionnel, qui peuvent particulièrement enrichir les collections des archives universitaires et des bibliothèques universitaires bénéficiant d'un label de qualité en application de l'article 7 du décret du 23 décembre 2021 portant le soutien de l'exploitation du patrimoine culturel et qui doivent donc être considérés comme des oeuvres clés pour ces collections.
Seuls les biens culturels visés à l'alinéa 1er, qui sont en pleine propriété du défunt et/ou de son conjoint survivant ou de son cohabitant légal et/ou de ses héritiers, légataires ou donataires au jour du décès, peuvent être présentés comme paiement tel que mentionné à l'alinéa 1er. La preuve que la condition précitée est remplie peut être apportée par tous moyens de preuve, à l'exclusion du serment.
§ 2. L'entité compétente de l'administration flamande examine la recevabilité de la demande de dation en paiement et informe le demandeur de sa décision. Si la demande de dation en paiement visée à l'alinéa 1er est déclarée irrecevable et que le bien culturel fait partie de la succession, l'héritier, le légataire ou le donataire visé à l'alinéa 1er soumet, le cas échéant, une déclaration complémentaire à l'entité compétente de l'administration flamande dans un délai de deux mois à compter de la notification de l'irrecevabilité.
§ 3. Si la demande de dation en paiement visée à l'alinéa 1er est déclarée recevable, l'entité compétente de l'administration flamande remet la demande au Conseil visé à l'article 2, 4°, du décret du 24 janvier 2003 portant protection du patrimoine culturel mobilier présentant un intérêt exceptionnel, en vue d'une décision du Gouvernement flamand conformément à l'article 18ter du décret précité.
§ 4. Si le Gouvernement flamand décide, conformément à l'article 18ter du décret du 24 janvier 2003 portant protection du patrimoine culturel mobilier présentant un intérêt exceptionnel, que les biens culturels faisant l'objet de la demande peuvent être donnés en paiement, les biens culturels sont réputés avoir été donnés en paiement pour 120 % de la valeur déterminée dans la décision du Gouvernement flamand pour le paiement des droits de succession et des accessoires dus.
Le demandeur est informé de la décision du Gouvernement flamand concernant la demande.
La valeur déterminée conformément à l'article 18ter, alinéa 3 ou 5, du décret précité par une décision du Gouvernement flamand est prise en compte par l'entité compétente de l'administration flamande pour le calcul des droits de succession et des accessoires si le bien culturel fait partie de la succession.
Dans le cas, visé à l'alinéa 3, le demandeur conserve la possibilité d'introduire une réclamation contre l'imposition établie, conformément à l'article 3.5.3.0.1, sauf pour la valorisation du bien culturel, telle que fixée par une décision du Gouvernement flamand.
§ 5. Les demandeurs peuvent notifier à l'entité compétente de l'administration flamande qu'ils renoncent à tout ou partie de leur demande de dation en paiement. En cas de retrait de la demande de dation en paiement, l'héritier, le légataire ou le donataire visé au paragraphe 1 introduit une déclaration complémentaire à l'entité compétente de l'Administration flamande dans un délai de deux mois à compter de la notification du retrait si le bien culturel fait partie de la succession, sauf si la valeur a été déterminée par une décision du Gouvernement flamand conformément à l'article 18ter, alinéa 3 ou 5, du décret du 24 janvier 2003 portant protection du patrimoine culturel mobilier présentant un intérêt exceptionnel.
§ 6. Si le Gouvernement flamand n'a pas pris de décision dans un délai de cinq mois à compter de la notification de la demande par l'entité compétente de l'administration flamande au Conseil, la demande de dation en paiement est réputée rejetée. Si le bien culturel fait partie de la succession, l'héritier, le légataire ou le donataire visé au paragraphe 1 introduit une déclaration complémentaire à l'entité compétente de l'administration flamande dans un délai précité de deux mois à compter de la notification de l'expiration du délai de cinq mois.
Si le Gouvernement flamand refuse la demande de dation en paiement, la déclaration complémentaire visée à l'alinéa 1er doit être présentée dans un délai de deux mois à compter de la notification de la décision du Gouvernement flamand.
§ 7. Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres règles sur la manière et l'heure dont la demande doit être introduite, et déterminer les informations et les documents que la demande doit contenir. Le Gouvernement flamand peut préciser la procédure de traitement ou de retrait de la demande.]1
Afdeling 4. - Vermeldingen op het betaalformulier
Section 4. - Mentions sur le formulaire de paiement
Art. 3.4.4.0.1. De Vlaamse Regering kan de regels bepalen voor de vermeldingen op het betaalformulier.
Art. 3.4.4.0.1. Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités des mentions sur le formulaire de paiement.
Afdeling 5. - Bewijs van betaling
Section 5. - Preuve de paiement
Art. 3.4.5.0.1. De Vlaamse Regering kan de regels bepalen voor het bewijs van betaling.
Art. 3.4.5.0.1. Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités de la preuve de paiement.
Afdeling 6. - Datum van uitwerking van betaling
Section 6. - Date des effets du paiement
Art. 3.4.6.0.1. De Vlaamse Regering kan de regels bepalen voor de datum waarop de betaling uitwerking heeft.
Art. 3.4.6.0.1. Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités de la date à laquelle le paiement produit ses effets.
Afdeling 7. - Wijze van aanrekening van betaling, aanwending en aanzuivering
Section 7. - Mode d'imputation de paiement, d'utilisation et d'apurement
Art. 3.4.7.0.1. § 1. De belastingschuldige die een of meer belastingen en toebehoren te betalen heeft, moet bij elke betaling vermelden wat hij wil vereffenen.
Als een dergelijke vermelding ontbreekt, worden de betalingen aangerekend naar keuze van het bevoegde personeelslid, met behoud van de toepassing van paragraaf 2. Dat geldt ook als een som wordt aangewend met toepassing van artikel 3.4.7.0.2.
§ 2. Betalingen, teruggaven en moratoriuminteresten worden per afzonderlijke aanslag in de volgende volgorde aangerekend :
1° op de kosten van alle aard, ook als ze op verschillende aanslagen betrekking hebben;
2° op de nalatigheidsinteresten;
3° op de administratieve geldboetes en belastingverhogingen;
4° op de verschuldigde belasting en de opcentiemen of de opdeciem.
Als een dergelijke vermelding ontbreekt, worden de betalingen aangerekend naar keuze van het bevoegde personeelslid, met behoud van de toepassing van paragraaf 2. Dat geldt ook als een som wordt aangewend met toepassing van artikel 3.4.7.0.2.
§ 2. Betalingen, teruggaven en moratoriuminteresten worden per afzonderlijke aanslag in de volgende volgorde aangerekend :
1° op de kosten van alle aard, ook als ze op verschillende aanslagen betrekking hebben;
2° op de nalatigheidsinteresten;
3° op de administratieve geldboetes en belastingverhogingen;
4° op de verschuldigde belasting en de opcentiemen of de opdeciem.
Art. 3.4.7.0.1. § 1er. Le redevable qui doit payer un ou plusieurs impôts et accessoires, doit mentionner à chaque paiement l'objet de ce dernier.
A défaut d'une telle mention, les paiements sont imputés au choix du membre du personnel compétent, avec maintien de l'application du paragraphe 2. Le même principe vaut si une somme est utilisée en application de l'article 3.4.7.0.2.
§ 2. Les paiements, remboursements et intérêts moratoires sont imputés par imposition séparée dans l'ordre suivant :
1° aux frais de toute nature, même s'ils ont trait à différentes impositions;
2° aux intérêts de retard;
3° aux amendes administratives et majorations des impôts;
4° à l'impôt et aux centimes ou décime additionnels dus.
A défaut d'une telle mention, les paiements sont imputés au choix du membre du personnel compétent, avec maintien de l'application du paragraphe 2. Le même principe vaut si une somme est utilisée en application de l'article 3.4.7.0.2.
§ 2. Les paiements, remboursements et intérêts moratoires sont imputés par imposition séparée dans l'ordre suivant :
1° aux frais de toute nature, même s'ils ont trait à différentes impositions;
2° aux intérêts de retard;
3° aux amendes administratives et majorations des impôts;
4° à l'impôt et aux centimes ou décime additionnels dus.
Art. 3.4.7.0.2. § 1. De bepalingen van [2 artikel 5.182 en boek 5, titel 3, ondertitel 8, hoofdstuk 4,]2 van het Burgerlijk Wetboek zijn inzake de belastingen, vermeld in deze codex, niet van toepassing.
§ 2. Elke som die aan een persoon moet worden teruggegeven of betaald, hetzij in het kader van de toepassing van deze codex, hetzij krachtens de bepalingen van het burgerlijk recht met betrekking tot de onverschuldigde betaling, kan naar keuze en zonder formaliteit door het bevoegde personeelslid worden aangewend ter betaling van de door hem verschuldigde bedragen bij de toepassing van deze codex of ter voldoening van de niet-fiscale schuldvorderingen waarvan de inning en invordering, door of krachtens een bepaling met kracht van wet door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie worden verzekerd.
Het eerste lid blijft van toepassing in geval van beslag, overdracht, samenloop of een insolvabiliteitsprocedure.
§ 3. De aanwending met toepassing van paragraaf 2 kan voor betwiste aanslagen verricht worden als bewarende maatregel als vermeld in artikel 3.10.4.6.1.
[1 § 4. Met behoud van de toepassing van paragraaf 2, eerste lid, kan het bevoegde personeelslid elke som die aan een persoon moet worden teruggegeven inzake de erfbelasting, ook zonder formaliteit aanwenden ter betaling van openstaande bedragen die op grond van een andere oorzaak verschuldigd zijn met betrekking tot dezelfde nalatenschap.]1
§ 2. Elke som die aan een persoon moet worden teruggegeven of betaald, hetzij in het kader van de toepassing van deze codex, hetzij krachtens de bepalingen van het burgerlijk recht met betrekking tot de onverschuldigde betaling, kan naar keuze en zonder formaliteit door het bevoegde personeelslid worden aangewend ter betaling van de door hem verschuldigde bedragen bij de toepassing van deze codex of ter voldoening van de niet-fiscale schuldvorderingen waarvan de inning en invordering, door of krachtens een bepaling met kracht van wet door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie worden verzekerd.
Het eerste lid blijft van toepassing in geval van beslag, overdracht, samenloop of een insolvabiliteitsprocedure.
§ 3. De aanwending met toepassing van paragraaf 2 kan voor betwiste aanslagen verricht worden als bewarende maatregel als vermeld in artikel 3.10.4.6.1.
[1 § 4. Met behoud van de toepassing van paragraaf 2, eerste lid, kan het bevoegde personeelslid elke som die aan een persoon moet worden teruggegeven inzake de erfbelasting, ook zonder formaliteit aanwenden ter betaling van openstaande bedragen die op grond van een andere oorzaak verschuldigd zijn met betrekking tot dezelfde nalatenschap.]1
Art. 3.4.7.0.2. § 1er. Les dispositions [2 de l'article 5.182 et du livre 5, titre 3, sous-titre 8, chapitre 4, ]2, du Code civil, ne s'appliquent pas en matière des impôts cités dans le présent code.
§ 2. Toute somme devant être remboursée ou payée à une personne, soit dans le cadre de l'application du présent code, soit en vertu des dispositions du droit civil relatif au paiement indu, peut être affectée au choix et sans formalité par le membre du personnel compétent au paiement des montants dus par cette personne en application du présent code, ou au règlement des créances non fiscales dont la perception et le recouvrement sont assurés par l'entité compétente de l'administration flamande, par ou en vertu d'une disposition ayant force de loi.
L'alinéa premier reste d'application en cas de saisie-arrêt, transfert, coïncidence ou d'une procédure d'insolvabilité.
§ 3. L'affectation en application du paragraphe 2 peut être réalisée pour des impositions contestées comme mesure conservatrice telle que citée dans l'article 3.10.4.6.1.
[1 § 4. Sans préjudice de l'application du paragraphe 2, alinéa premier, le membre du personnel compétent peut également, même sans formalité, affecter toute somme qui doit être restituée à une personne en matière de droits de succession au paiement des sommes échues qui sont dues, pour une autre cause, dans le cadre de la même succession.]1
§ 2. Toute somme devant être remboursée ou payée à une personne, soit dans le cadre de l'application du présent code, soit en vertu des dispositions du droit civil relatif au paiement indu, peut être affectée au choix et sans formalité par le membre du personnel compétent au paiement des montants dus par cette personne en application du présent code, ou au règlement des créances non fiscales dont la perception et le recouvrement sont assurés par l'entité compétente de l'administration flamande, par ou en vertu d'une disposition ayant force de loi.
L'alinéa premier reste d'application en cas de saisie-arrêt, transfert, coïncidence ou d'une procédure d'insolvabilité.
§ 3. L'affectation en application du paragraphe 2 peut être réalisée pour des impositions contestées comme mesure conservatrice telle que citée dans l'article 3.10.4.6.1.
[1 § 4. Sans préjudice de l'application du paragraphe 2, alinéa premier, le membre du personnel compétent peut également, même sans formalité, affecter toute somme qui doit être restituée à une personne en matière de droits de succession au paiement des sommes échues qui sont dues, pour une autre cause, dans le cadre de la même succession.]1
Art. 3.4.7.0.3. Als een voertuig in de loop van een aanslagjaar wordt afgevoerd van het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid of een vrijstelling geniet, wordt de betaalde verkeersbelasting teruggegeven in verhouding tot de niet-verstreken maanden of, in dezelfde mate, aangerekend op de belasting die door de belastingschuldige voor een ander voertuig is verschuldigd.
Art. 3.4.7.0.3. Si un véhicule est radié du répertoire du Directorat-général de la Mobilité et de la Sécurité routière pendant l'année d'imposition ou bénéficie d'une exonération, la taxe de circulation payée est remboursée proportionnellement aux mois non écoulés ou, dans la même mesure, imputée sur la base de la taxe due par le redevable pour un autre véhicule.
Art. 3.4.7.0.6. [1 Inzake de registratiebelasting worden de aanvullende rechten die ingevolge een tekortschatting of om een andere reden betaald zijn, aangerekend op de aanvullende rechten die ingevolge prijsbewimpeling verschuldigd zijn]1
Art. 3.4.7.0.6. [1 En ce qui concerne les droits d'enregistrement, les droits complémentaires payés en raison d'une sous-évaluation ou pour tout autre motif sont imputés sur les droits complémentaires dus en raison d'une dissimulation de prix.]1
Afdeling 8. - Betalingsfaciliteiten
Section 8. - Facilités de paiement
Art. 3.4.8.0.1. § 1. De belastingschuldige kan verzoeken om spreiding van betaling van de belastingen en toebehoren.
Het verzoek tot spreiding van betaling, vermeld in het eerste lid, moet worden gemotiveerd en moet bewijskrachtige elementen bevatten met betrekking tot de financiële toestand van de verzoeker.
Het bevoegde personeelslid kan het verzoek inwilligen.
§ 2. [1 ...]1
Het verzoek tot spreiding van betaling, vermeld in het eerste lid, moet worden gemotiveerd en moet bewijskrachtige elementen bevatten met betrekking tot de financiële toestand van de verzoeker.
Het bevoegde personeelslid kan het verzoek inwilligen.
§ 2. [1 ...]1
Art. 3.4.8.0.1. § 1er. Le redevable peut demander d'étaler le paiement des impôts et accessoires.
La demande d'étalement de paiement, visé à l'alinéa premier, doit être motivée et doit contenir des éléments avec force probante relatifs à la situation financière du demandeur.
Le membre du personnel compétent peut satisfaire à la demande.
§ 2. [1 ...]1
La demande d'étalement de paiement, visé à l'alinéa premier, doit être motivée et doit contenir des éléments avec force probante relatifs à la situation financière du demandeur.
Le membre du personnel compétent peut satisfaire à la demande.
§ 2. [1 ...]1
Hoofdstuk 5. - Bezwaar
Chapitre 5. - Réclamation
Afdeling 1. - Ontvangstmelding
Section 1re. - Notification de réception
Art. 3.5.1.0.1. Aan de indieners van de bezwaarschriften en de aanvragen tot ambtshalve ontheffing wordt een ontvangstmelding bezorgd die de datum van ontvangst van het administratief beroep vermeldt.
Art. 3.5.1.0.1. Une notification de réception mentionnant la date de réception du recours administratif est transmise aux auteurs des réclamations et des demandes d'exonération d'office.
Afdeling 2. - Bezwaartermijn
Section 2. - Délai de réclamation
Art. 3.5.2.0.1. De bezwaarschriften moeten worden gemotiveerd en op straffe van verval worden ingediend binnen een termijn van drie maanden na de derde werkdag die volgt op de verzendingsdatum, vermeld op het aanslagbiljet.
In het geval, vermeld in artikel 3.3.5.0.1, tweede lid, waarbij het aanslagbiljet door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, aan de [1 belastingschuldige]1 is bezorgd, vangt de termijn aan vanaf de verzendingsdatum, vermeld op het aanslagbiljet.
[1 Als het bezwaarschrift wordt ingediend met een aangetekende brief, geldt de datum van de poststempel op het verzendingsbewijs als datum van de indiening.]1
In het geval, vermeld in artikel 3.3.5.0.1, tweede lid, waarbij het aanslagbiljet door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, aan de [1 belastingschuldige]1 is bezorgd, vangt de termijn aan vanaf de verzendingsdatum, vermeld op het aanslagbiljet.
[1 Als het bezwaarschrift wordt ingediend met een aangetekende brief, geldt de datum van de poststempel op het verzendingsbewijs als datum van de indiening.]1
Art. 3.5.2.0.1. Les réclamations doivent être motivées et introduites, sous peine de d'échéance, dans un délai de trois mois à compter du troisième jour ouvrable suivant la date d'envoi citée sur la feuille d'imposition.
Dans le cas, cité dans l'article 3.3.5.0.1, alinéa deux, dans lequel la feuille d'imposition a été transmise [1 au redevable]1 à l'aide d'une procédure utilisant des techniques informatiques, le délai commence à partir de la date d'envoi citée sur la feuille d'imposition.
[1 Lorsque la réclamation est présentée par lettre recommandée, le cachet de la poste de l'envoi est considéré comme date de l'introduction.]1
Dans le cas, cité dans l'article 3.3.5.0.1, alinéa deux, dans lequel la feuille d'imposition a été transmise [1 au redevable]1 à l'aide d'une procédure utilisant des techniques informatiques, le délai commence à partir de la date d'envoi citée sur la feuille d'imposition.
[1 Lorsque la réclamation est présentée par lettre recommandée, le cachet de la poste de l'envoi est considéré comme date de l'introduction.]1
Art. 3.5.2.0.2. Zolang er geen beslissing is gevallen, mag de belastingschuldige zijn oorspronkelijke bezwaarschrift aanvullen met nieuwe, schriftelijk geformuleerde bezwaren, zelfs als die buiten de termijn, vermeld in artikel 3.5.2.0.1, worden ingediend.
Art. 3.5.2.0.2. Tant qu'aucune décision n'a été prise, le redevable peut compléter sa réclamation originale par des nouvelles réclamations écrites, même si elles sont introduites en dehors du délai, cité dans l'article 3.5.2.0.1
Art. 3.5.2.0.3. Als een aanvullende aanslag voor een bepaald aanslagjaar gevestigd wordt met toepassing van artikel 3.3.3.0.1 en de nieuwe aanslag op naam van dezelfde belastingplichtige voor een of meer aanslagjaren een door de aanvullende belasting veroorzaakte overmatige belasting doet ontstaan, kan de belastingschuldige binnen een termijn van drie maanden vanaf de derde werkdag die volgt op de verzendingsdatum, vermeld op het aanslagbiljet dat de aanvullende aanslag omvat, een bezwaarschrift indienen tegen de voormelde overmatige belasting.
In het geval, vermeld in artikel 3.3.5.0.1, tweede lid, waarbij het aanslagbiljet door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, aan de belastingplichtige is bezorgd, vangt de termijn aan vanaf de verzendingsdatum, vermeld op het aanslagbiljet dat de aanvullende aanslag omvat.
In het geval, vermeld in artikel 3.3.5.0.1, tweede lid, waarbij het aanslagbiljet door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, aan de belastingplichtige is bezorgd, vangt de termijn aan vanaf de verzendingsdatum, vermeld op het aanslagbiljet dat de aanvullende aanslag omvat.
Art. 3.5.2.0.3. Si un impôt complémentaire pour une certaine année d'imposition est établi en application de l'article 3.3.3.0.1 et si le nouvel impôt au nom du même contribuable donne naissance à une taxe excessive pour une ou plusieurs années d'imposition à cause de la taxe complémentaire, le redevable peut introduire une réclamation contre la taxe excessive précitée dans un délai de trois mois à partir du troisième jour ouvrable qui suit la date d'envoi citée sur la feuille d'imposition contenant l'impôt complémentaire.
Dans le cas, cité dans l'article 3.3.5.0.1, alinéa deux, dans lequel la feuille d'imposition a été transmise au contribuable à l'aide d'une procédure utilisant des techniques informatiques, le délai commence à partir de la date d'envoi citée sur la feuille d'imposition contenant l'impôt complémentaire.
Dans le cas, cité dans l'article 3.3.5.0.1, alinéa deux, dans lequel la feuille d'imposition a été transmise au contribuable à l'aide d'une procédure utilisant des techniques informatiques, le délai commence à partir de la date d'envoi citée sur la feuille d'imposition contenant l'impôt complémentaire.
Art. 3.5.2.0.4. Vanaf het aanslagjaar 2008 kan de termijn, vermeld in artikel 3.5.2.0.1, niet verstrijken voor 31 maart van het jaar dat volgt op het aanslagjaar, als met het bezwaarschrift de vermindering met toepassing van artikel 2.1.5.0.2, § 1, 3°, wordt ingeroepen.
Art. 3.5.2.0.4. A partir de l'année d'imposition 2008, le délai, visé à l'article 3.5.2.0.1, ne peut pas expirer avant le 31 mars de l'année qui suit l'année d'imposition, lorsque la réclamation invoque la réduction au titre de l'article 2.1.5.0.2, § 1er, 3°.
Art. 3.5.2.0.5. De termijn, vermeld in artikel 3.5.2.0.1, is voor de leegstandsheffing bedrijfsruimten ook van toepassing in geval van opschorting van de belasting als vermeld in artikel 2.6.7.1.1, 2.6.7.2.1, 2.6.7.3.1, 2.6.7.4.1, 2.6.7.5.1 en 2.6.7.6.1. De persoon op naam van wie de belasting in het kohier is ingeschreven, kan echter alsnog om ontheffing verzoeken op basis van middelen die geen betrekking hebben op de vestiging van de belasting zelf en op basis van feiten die zich hebben afgespeeld gedurende de opschorting van de belasting en waarvan die persoon in het kader van de procedure, vermeld in artikel 3.5.2.0.1, geen kennis kon hebben.
Het verzoek, vermeld in het eerste lid, moet op straffe van verval bij het bevoegde personeelslid schriftelijk ingediend worden binnen een termijn van drie maanden vanaf de derde werkdag die volgt op de datum waarop de opschorting vervalt.
Het verzoek, vermeld in het eerste lid, moet op straffe van verval bij het bevoegde personeelslid schriftelijk ingediend worden binnen een termijn van drie maanden vanaf de derde werkdag die volgt op de datum waarop de opschorting vervalt.
Art. 3.5.2.0.5. En ce qui concerne la taxe sur les sites d'activité économique désaffectés, le délai, visé à l'article 3.5.2.0.1, s'applique également en cas de suspension d'impôt telle que visée aux articles 2.6.7.1.1, 2.6.7.2.1, 2.6.7.3.1, 2.6.7.4.1, 2.6.7.5.1 et 2.6.7.6.1. La personne au nom de laquelle l'impôt est enrôlé peut toutefois encore demander une exonération sur la base de moyens qui ne concernent pas l'établissement de la taxe elle-même et sur la base de faits qui ont eu lieu pendant la suspension de la taxe et dont cette personne ne pouvait pas avoir connaissance dans le cadre de la procédure visée à l'article 3.5.2.0.1.
La demande, visée à l'alinéa premier, doit être introduite, sous peine d'échéance, auprès du membre du personnel compétent dans un délai de trois mois à partir du troisième jour ouvrable suivant la date de l'échéance de la suspension.
La demande, visée à l'alinéa premier, doit être introduite, sous peine d'échéance, auprès du membre du personnel compétent dans un délai de trois mois à partir du troisième jour ouvrable suivant la date de l'échéance de la suspension.
Afdeling 3. - Natuurlijke personen en rechtspersonen die bezwaar kunnen indienen en de wijze waarop ze bezwaar kunnen indienen
Section 3. - Personnes physiques et personnes morales pouvant introduire une réclamation et mode d'introduction de la réclamation
Art. 3.5.3.0.1. De belastingschuldige kan tegen het bedrag van de gevestigde aanslag, opcentiemen en de opdeciem, verhogingen en boeten inbegrepen, schriftelijk bezwaar indienen bij de bevoegde personeelsleden.
De bezwaarindiener voegt bij het bezwaarschrift de nodige bewijskrachtige stukken om zijn bezwaar te staven.
De bezwaarindiener voegt bij het bezwaarschrift de nodige bewijskrachtige stukken om zijn bezwaar te staven.
Art. 3.5.3.0.1. Le redevable peut introduire une réclamation auprès des membres compétents du personnel contre le montant de l'impôt établi, des centimes et décime additionnels, majorations et amendes comprises.
L'auteur de la réclamation joint à la réclamation toutes les pièces justificatives à l'appui de ses objections.
L'auteur de la réclamation joint à la réclamation toutes les pièces justificatives à l'appui de ses objections.
Art. 3.5.3.0.2. De belastingschuldige die om om het even welke vrijstelling of vermindering verzoekt, kan er alleen het voordeel van verkrijgen of behouden als hij zijn recht op die vrijstelling of vermindering bewijst.
[1 De belastingschuldige moet het bevoegde personeelslid onmiddellijk op de hoogte brengen als niet langer aan de voorwaarden van de vrijstelling is voldaan.]1
[1 De belastingschuldige moet het bevoegde personeelslid onmiddellijk op de hoogte brengen als niet langer aan de voorwaarden van de vrijstelling is voldaan.]1
Art. 3.5.3.0.2. Le redevable qui demande quelconque exonération ou réduction, ne peut en obtenir ou garder l'avantage que s'il prouve son droit à cette exonération ou réduction.
[1 Le contribuable doit informer le membre du personnel compétent sans délai lorsqu'il n'est plus satisfait aux conditions de l'exonération.]1
[1 Le contribuable doit informer le membre du personnel compétent sans délai lorsqu'il n'est plus satisfait aux conditions de l'exonération.]1
Art. 3.5.3.0.3. De bepalingen van artikel 3.5.2.0.1, 3.5.2.0.2 en 3.5.3.0.1 zijn ook van toepassing op aanvragen tot kwijtschelding of vermindering van de onroerende voorheffing in de gevallen, vermeld in artikel 2.1.5.0.1 en 2.1.5.0.2.
Art. 3.5.3.0.3. Les dispositions des articles 3.5.2.0.1, 3.5.2.0.2 et 3.5.3.0.1 s'appliquent également aux demandes de remise ou de réduction du précompte immobilier dans les cas, cités dans les articles 2.1.5.0.1 en 2.1.5.0.2.
Art. 3.5.3.0.4. Als de belastingschuldige [1 beroep kon aantekenen met toepassing van [2 artikel 3.21 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021]2]1, of beroep kon aantekenen met toepassing van artikel 7 van het decreet van 19 april 1995, kan hij bij zijn bezwaar tegen de belasting de opname in de inventaris niet meer betwisten.
Art. 3.5.3.0.4. Si le redevable [1 pouvait introduire un recours en application de [2 l'article 3.21 du Code flamand du Logement de 2021]2]1, ou former un recours en application de l'article 7 du décret du 19 avril 1995, il ne peut plus contester l'inscription dans l'inventaire dans sa réclamation contre la taxe.
Afdeling 4. - Onderzoeksbevoegdheden
Section 4. - Compétences d'enquête
Art. 3.5.4.0.1. Om de behandeling van het bezwaarschrift te verzekeren beschikt elk bevoegde personeelslid over de bewijsmiddelen en de bevoegdheden die aan de administratie verleend zijn met toepassing van artikel 3.13.1.1.1, 3.13.1.1.2, 3.13.1.1.3, 3.13.1.2.1 tot en met 3.13.1.2.5, 3.13.1.3.1 tot en met 3.13.1.3.6, 3.13.1.4.1, 3.13.1.4.2, 3.17.0.0.1 en 3.19.0.0.1.
Bovendien kan hij, in het kader van dat bezwaarschrift, van de kredietinstellingen die onderworpen zijn aan de [1 wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen]1, alle inlichtingen vorderen waarvan ze kennis hebben en die nuttig kunnen zijn.
Bovendien kan hij, in het kader van dat bezwaarschrift, van de kredietinstellingen die onderworpen zijn aan de [1 wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen]1, alle inlichtingen vorderen waarvan ze kennis hebben en die nuttig kunnen zijn.
Art. 3.5.4.0.1. Afin d'assurer le traitement de la réclamation, chaque membre du personnel compétent dispose des moyens justificatifs et des compétences accordés à l'administration en application des articles 3.13.1.1.1, 3.13.1.1.2, 3.13.1.1.3, 3.13.1.2.1 à 3.13.1.2.5 inclus, et 3.13.1.3.1 à 3.13.1.3.6, 3.13.1.4.1, 3.13.1.4.2, 3.17.0.0.1 et 3.19.0.0.1 inclus.
Il peut en outre, dans le cadre de cette réclamation, demander toutes les informations aux établissements de crédits soumis à la [1 loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse]1 dont ils ont connaissance et qui pourraient être utiles.
Il peut en outre, dans le cadre de cette réclamation, demander toutes les informations aux établissements de crédits soumis à la [1 loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse]1 dont ils ont connaissance et qui pourraient être utiles.
Art. 3.5.4.0.2. Op verzoek van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie zal er een protocol over de advisering bij de behandeling van ingediende bezwaren worden gesloten met de andere entiteiten van de Vlaamse administratie die bevoegd zijn voor een van de gegevens die noodzakelijk zijn om de belastingen, vermeld in deze codex, te bepalen.
Art. 3.5.4.0.2. Sur demande de l'entité compétente de l'administration flamande, un protocole sur l'émission d'avis lors du traitement des réclamations introduites sera conclu avec les autres entités de l'administration flamande qui sont compétentes pour une des données nécessaires pour fixer les taxes, citées dans le présent code.
Afdeling 5. - Behandeltijd
Section 5. - Temps imparti au traitement
Art. 3.5.5.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.
Art. 3.5.5.0.1. Réservé pour un usage futur
Afdeling 6. - Beslissingswijze voor bezwaar
Section 6. - Mode de décision en cas de réclamation
Art. 3.5.6.0.1. Het bevoegde personeelslid doet, als administratieve overheid, uitspraak bij een met redenen omklede beslissing over de bezwaren die aangevoerd worden door de belastingschuldige.
Het is het personeelslid, vermeld in het eerste lid, niet toegelaten bij zijn beslissing een aanvullende aanslag te vestigen, noch de compensatie te verwezenlijken tussen een rechtmatig bevonden ontheffing en een ontoereikendheid van aanslag die zou zijn vastgesteld.
Het is het personeelslid, vermeld in het eerste lid, niet toegelaten bij zijn beslissing een aanvullende aanslag te vestigen, noch de compensatie te verwezenlijken tussen een rechtmatig bevonden ontheffing en een ontoereikendheid van aanslag die zou zijn vastgesteld.
Art. 3.5.6.0.1. Le membre du personnel compétent s'énonce, comme l'autorité administrative, au moyen d'une décision motivée sur les réclamations introduites par le redevable.
Le membre du personnel, visé à l'alinéa premier, n'est pas autorisé à établir un impôt complémentaire lors de sa décision, ni à réaliser une compensation entre une exonération justifiée et une insuffisance d'impôt qui aurait été constatée.
Le membre du personnel, visé à l'alinéa premier, n'est pas autorisé à établir un impôt complémentaire lors de sa décision, ni à réaliser une compensation entre une exonération justifiée et une insuffisance d'impôt qui aurait été constatée.
Afdeling 7. - Collectieve beslissing
Section 7. - Décision collective
Art. 3.5.7.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.
Art. 3.5.7.0.1. Réservé pour un usage futur
Afdeling 8. - Hoorzitting
Section 8. - Audition
Art. 3.5.8.0.1. Als de bezwaarindiener dat in zijn bezwaarschrift heeft gevraagd, zal hij worden uitgenodigd om gehoord te worden voor de bezwaarbeslissing wordt genomen.
Art. 3.5.8.0.1. Si l'auteur de la réclamation l'a demandé dans sa réclamation, il sera invité à être entendu avant la décision relative à la réclamation.
Afdeling 9. - Kennisgeving
Section 9. - Notification
Art. 3.5.9.0.1. De beslissing wordt schriftelijk meegedeeld en ze vermeldt de wijze waarop ertegen in rechte kan worden getreden. De beslissing is onherroepelijk als geen vordering is ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg binnen de termijn, vermeld in artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek.
Art. 3.5.9.0.1. La décision est communiquée par écrit et elle mentionne la façon dont il peut être agi en justice contre cette décision. La décision est irrévocable si aucune demande n'a été introduite au tribunal de première instance dans le délai, visé à l'article 1385undecies du Code judiciaire.
Hoofdstuk 6. - Ambtshalve ontheffing
Chapitre 6. - Exonération d'office
Art. 3.6.0.0.1. Het bevoegde personeelslid verleent [1 in afwijking van artikel 3.5.9.0.1]1 ambtshalve ontheffing van de overmatige belastingen die voortvloeien uit materiële vergissingen, uit dubbele belasting, alsook van die welke blijken uit afdoende bevonden nieuwe bescheiden of feiten waarvan het laattijdig overleggen of inroepen door de belastingschuldige wordt verantwoord door gewettigde redenen en op voorwaarde dat :
1° die overmatige belastingen door de administratie zijn vastgesteld of door de belastingschuldige aan de administratie zijn bekendgemaakt binnen vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin de belasting is gevestigd;
2° [1 ...]1
Een nieuw rechtsmiddel of een wijziging van jurisprudentie wordt niet beschouwd als nieuw gegeven.
Het bevoegde personeelslid verleent ook ambtshalve ontheffing van de verminderingen en vrijstellingen met toepassing van artikel 2.1.6.0.2, eerste lid, 1° en 2°, en artikel 2.1.5.0.1, § 1, 1° tot en met 3°, en § 2, eerste lid, 1° tot en met 3°, en artikel 2.1.5.0.2, § 1, 1°, 2° en 4°, als het feit dat aanleiding geeft tot die verminderingen of vrijstellingen, door de administratie is vastgesteld of door de belastingschuldige aan de administratie is bekendgemaakt binnen vijf jaar vanaf 1 januari van het aanslagjaar waartoe de belasting behoort waarop die verminderingen moeten worden verleend.
1° die overmatige belastingen door de administratie zijn vastgesteld of door de belastingschuldige aan de administratie zijn bekendgemaakt binnen vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin de belasting is gevestigd;
2° [1 ...]1
Een nieuw rechtsmiddel of een wijziging van jurisprudentie wordt niet beschouwd als nieuw gegeven.
Het bevoegde personeelslid verleent ook ambtshalve ontheffing van de verminderingen en vrijstellingen met toepassing van artikel 2.1.6.0.2, eerste lid, 1° en 2°, en artikel 2.1.5.0.1, § 1, 1° tot en met 3°, en § 2, eerste lid, 1° tot en met 3°, en artikel 2.1.5.0.2, § 1, 1°, 2° en 4°, als het feit dat aanleiding geeft tot die verminderingen of vrijstellingen, door de administratie is vastgesteld of door de belastingschuldige aan de administratie is bekendgemaakt binnen vijf jaar vanaf 1 januari van het aanslagjaar waartoe de belasting behoort waarop die verminderingen moeten worden verleend.
Art. 3.6.0.0.1. Le membre du personnel compétent accorde d'office [1 , par dérogation à l'article 3.5.9.0.1,]1 l'exonération des taxes excessives résultant d'erreurs matérielles, de doubles impôts, ainsi que de celles qui apparaîtraient à la lumière de documents ou faits nouveaux probants, dont la production ou l'allégation tardive par le redevable est justifiée par de justes motifs, à condition que :
1° ces taxes excessives aient été constatées par l'administration ou signalées à celle-ci par le redevable dans les cinq ans à partir du 1er janvier de l'année au cours de laquelle l'impôt a été établi;
2° [1 ...]1
Un nouveau moyen judiciaire ou une modification de la jurisprudence ne sont pas considérés comme donnée nouvelle.
Le membre du personnel compétent accorde également exonération d'office des réductions et exemptions en application de l'article 2.1.6.0.2, alinéa premier, 1° et 2°, l'article 2.1.5.0.1, § 1er, 1° à 3° inclus, et § 2, alinéa premier, 1° à 3° inclus, et l'article 2.1.5.0.2, § 1er, 1°, 2° et 4°, si le fait qui a mené à ces réductions ou exonérations a été constaté par l'administration ou notifié par le redevable à l'administration dans les cinq ans à partir du 1er janvier de l'année d'imposition à laquelle appartient la taxe sur laquelle ces réductions doivent être accordées.
1° ces taxes excessives aient été constatées par l'administration ou signalées à celle-ci par le redevable dans les cinq ans à partir du 1er janvier de l'année au cours de laquelle l'impôt a été établi;
2° [1 ...]1
Un nouveau moyen judiciaire ou une modification de la jurisprudence ne sont pas considérés comme donnée nouvelle.
Le membre du personnel compétent accorde également exonération d'office des réductions et exemptions en application de l'article 2.1.6.0.2, alinéa premier, 1° et 2°, l'article 2.1.5.0.1, § 1er, 1° à 3° inclus, et § 2, alinéa premier, 1° à 3° inclus, et l'article 2.1.5.0.2, § 1er, 1°, 2° et 4°, si le fait qui a mené à ces réductions ou exonérations a été constaté par l'administration ou notifié par le redevable à l'administration dans les cinq ans à partir du 1er janvier de l'année d'imposition à laquelle appartient la taxe sur laquelle ces réductions doivent être accordées.
Art. 3.6.0.0.2. Het bevoegde personeelslid doet bij met redenen omklede beslissing uitspraak over het verzoek dat ingediend is door de belastingschuldige.
Art. 3.6.0.0.2. Le membre du personnel s'énonce au moyen d'une décision motivée sur la demande introduite par le redevable.
Art. 3.6.0.0.3. De beslissing wordt schriftelijk meegedeeld en ze vermeldt de wijze waarop ertegen in rechte kan worden getreden. De beslissing is onherroepelijk als geen vordering is ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg binnen de termijn, vermeld in artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek.
Art. 3.6.0.0.3.. La décision est communiquée par écrit et elle mentionne la façon dont il peut être agi en justice contre cette décision. La décision est irrévocable si aucune demande n'a été introduite au tribunal de première instance dans le délai, visé à l'article 1385undecies du Code judiciaire.
Art. 3.6.0.0.4. [1 Wat de erfbelasting betreft, verleent het bevoegde personeelslid ook ontheffing van de erfbelasting in de volgende gevallen op voorwaarde dat een aangifte is ingediend binnen een termijn van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin het recht tot teruggave is ontstaan, die het hierna vermelde feit aanduidt :
1° wanneer, na het openvallen van de nalatenschap, de actieve samenstelling ervan verminderd wordt, hetzij door :
a) het intreden van een voorwaarde of van elk ander voorval;
b) de oplossing van een geschil ingevolge een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of een transactie.
De ontheffing is niet mogelijk als de vermindering van het actief het gevolg is van een ontbinding ingevolge het niet-uitvoeren door de erfgenamen, legatarissen of begiftigden van de voorwaarden van een contract;
2° wanneer een verandering in de devolutie van de nalatenschap ontstaat waardoor het aanvankelijk berekende bedrag kan worden verminderd;
3° wanneer in de gevallen, vermeld in artikel 2.7.4.1.2, de belanghebbende de werkelijke toestand aantoont, waardoor het aanvankelijk berekende bedrag kan worden verminderd.
[2 4° wanneer aan de voorwaarde van artikel 2.7.6.0.5, § 2, tweede lid, wordt voldaan.]2
De bepalingen van artikel 3.6.0.0.2 en 3.6.0.0.3 zijn onverminderd van toepassing op dit artikel.]1
1° wanneer, na het openvallen van de nalatenschap, de actieve samenstelling ervan verminderd wordt, hetzij door :
a) het intreden van een voorwaarde of van elk ander voorval;
b) de oplossing van een geschil ingevolge een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of een transactie.
De ontheffing is niet mogelijk als de vermindering van het actief het gevolg is van een ontbinding ingevolge het niet-uitvoeren door de erfgenamen, legatarissen of begiftigden van de voorwaarden van een contract;
2° wanneer een verandering in de devolutie van de nalatenschap ontstaat waardoor het aanvankelijk berekende bedrag kan worden verminderd;
3° wanneer in de gevallen, vermeld in artikel 2.7.4.1.2, de belanghebbende de werkelijke toestand aantoont, waardoor het aanvankelijk berekende bedrag kan worden verminderd.
[2 4° wanneer aan de voorwaarde van artikel 2.7.6.0.5, § 2, tweede lid, wordt voldaan.]2
De bepalingen van artikel 3.6.0.0.2 en 3.6.0.0.3 zijn onverminderd van toepassing op dit artikel.]1
Art. 3.6.0.0.4. [1 En ce qui concerne les droits de succession, le membre du personnel compétent accorde également le dégrèvement des droits de succession dans les cas suivants, à condition qu'une déclaration ait été déposée dans un délai de cinq ans à compter du 1er janvier de l'année de la naissance du droit de restitution, qui désigne le fait spécifié ci-après :
1° lorsqu'après l'ouverture de la succession, sa composition active est réduite, soit par :
a) la réalisation d'une condition ou tout autre incident ;
b) le règlement d'un litige par suite d'un jugement coulé en force de chose jugée ou d'une transaction.
Le dégrèvement n'est pas possible si la réduction de l'actif est la conséquence d'une résolution en raison de l'inexécution par les héritiers, légataires ou donataires des conditions d'un contrat ;
2° lorsqu'il se produit un changement dans la dévolution de la succession de telle sorte que le montant initialement calculé peut être réduit ;
3° lorsque, dans les cas visés à l'article 2.7.4.1.2, l'intéressé démontre la situation effective de sorte que le montant initialement calculé peut être réduit.
[2 4° lorsque la condition de l'article 2.7.6.0.5, § 2, alinéa deux, est remplie.]2
Les dispositions des articles 3.6.0.0.2 et 3.6.0.0.3 restent pleinement d'application au présent article.]1
1° lorsqu'après l'ouverture de la succession, sa composition active est réduite, soit par :
a) la réalisation d'une condition ou tout autre incident ;
b) le règlement d'un litige par suite d'un jugement coulé en force de chose jugée ou d'une transaction.
Le dégrèvement n'est pas possible si la réduction de l'actif est la conséquence d'une résolution en raison de l'inexécution par les héritiers, légataires ou donataires des conditions d'un contrat ;
2° lorsqu'il se produit un changement dans la dévolution de la succession de telle sorte que le montant initialement calculé peut être réduit ;
3° lorsque, dans les cas visés à l'article 2.7.4.1.2, l'intéressé démontre la situation effective de sorte que le montant initialement calculé peut être réduit.
[2 4° lorsque la condition de l'article 2.7.6.0.5, § 2, alinéa deux, est remplie.]2
Les dispositions des articles 3.6.0.0.2 et 3.6.0.0.3 restent pleinement d'application au présent article.]1
Art. 3.6.0.0.5. [1 [2 Als de erfbelasting en toebehoren zijn betaald met cultuurgoederen]2 ingevolge de toepassing van artikel 3.4.3.0.2, kan de terugbetaling die voortvloeit uit de toepassing van artikel 3.6.0.0.1 of 3.6.0.0.4, alleen in geld gedaan worden.]1
Art. 3.6.0.0.5. [1 [2 Si les droits de succession et les accessoires sont payés par des biens culturels]2 en application de l'article 3.4.3.0.2, le remboursement qui découle de l'application des articles 3.6.0.0.1 ou 3.6.0.0.4 peut seulement être effectué en argent.]1
Art. 3.6.0.0.6. [1 § 1. Wat de registratiebelasting betreft, verleent het bevoegde personeelslid ook ontheffing van de registratiebelasting in de volgende gevallen op voorwaarde dat een verzoek is ingediend binnen een termijn van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin het recht tot teruggave is ontstaan, dat het hierna vermelde feit aanduidt :
1° wanneer een akte vals is verklaard of de nietigheid van een overeenkomst is uitgesproken of vastgesteld door een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest;
2° wanneer alle partijen die betrokken zijn bij een overeenkomst waarop het verkooprecht van toepassing is, verklaren deze overeenkomst in der minne te hebben ontbonden of te hebben vernietigd, of verklaren dat een voorwaarde die uitdrukkelijk bedongen is in de overeenkomst, al is vervuld. Die verklaring moet blijken uit een geregistreerde overeenkomst, gedateerd minder dan een jaar na de dagtekening van de eerste overeenkomst.
De teruggave is niet mogelijk voor het verkooprecht, geheven op een overeenkomst die bij authentieke akte is vastgesteld, noch op een inbreng door een natuurlijke persoon van een woning in een Belgische vennootschap, noch op een overeenkomst die onderworpen is aan het tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.4, § 1;
3° wanneer een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest de ontbinding of de herroeping uitspreekt of vaststelt van een overeenkomst, op voorwaarde dat uit de beslissing blijkt dat ten hoogste één jaar na de overeenkomst het geding, zelfs bij een onbevoegde rechter, is ingeleid;
4° wanneer de belasting over de toegevoegde waarde opeisbaar wordt overeenkomstig artikel 1, § 10, van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde op de verrichting van vervreemding onder bezwarende titel van een onroerend goed of van de vestiging, overdracht en wederoverdracht van een zakelijk recht op een onroerend goed;
5° wanneer een vonnis of een arrest geheel of gedeeltelijk wordt vernietigd door een andere in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing.
[4 De ontheffing, vermeld in het eerste lid, 2°, wordt toegestaan met voorbehoud van 10 euro op de ontbonden overeenkomst.
Wat de registratiebelasting betreft, verleent het bevoegde personeelslid ook ontheffing van het bedrag aan registratiebelasting dat te veel is geheven overeenkomstig artikel 2.8.5.0.1, § 1, derde lid, op voorwaarde dat een verzoek is ingediend binnen een termijn van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin het kind geboren is.]4
[2 § 1/1. Wat de registratiebelasting betreft, verleent het bevoegde personeelslid ook ontheffing van het geheven bedrag dat hoger is dan de schenkbelasting, vermeld in artikel 2.8.4.3.1, hetzij § 1, hetzij § 3, op voorwaarde dat de bewijsstukken, vermeld in artikel 2.8.4.3.1, § 1, worden ingediend uiterlijk zes maanden na het verstrijken van het vijfde jaar na de datum van de akte van schenking.]2
[3 § 1/2. Wat de registratiebelasting betreft, verleent het bevoegde personeelslid ook ontheffing van het geheven bedrag dat hoger is dan de schenkbelasting, vermeld in artikel 2.8.4.3.1, hetzij § 2, hetzij § 3, op voorwaarde dat de bewijsstukken vermeld in artikel 2.8.4.3.1, § 2, worden ingediend uiterlijk zes maanden na het verstrijken van het derde jaar na de datum van de akte van schenking.]3
[5 § 1/3. Wat de registratiebelasting betreft, verleent het bevoegde personeelslid ook ontheffing van het geheven bedrag dat hoger is dan de schenkbelasting, vermeld in artikel 2.8.4.4.1, hetzij § 1, hetzij § 3, op voorwaarde dat de begiftigden een verzoek tot teruggave indienen uiterlijk zes maanden na het verstrijken van het vijfde jaar na de datum van de schenkingsakte en een attest verkrijgen waaruit blijkt dat aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2.8.4.4.1, hetzij § 1, hetzij § 3, is voldaan. Het voormelde attest wordt door de bevoegde entiteit van de Vlaamse overheid verkregen van het agentschap, vermeld in artikel 2.1, 2°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.
Het recht op ontheffing vervalt bij elke vervreemding onder de levenden van het beschermde monument binnen vijf jaar na de datum van de schenkingsakte en voordat de beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten die noodzakelijk zijn voor het behoud of de herwaardering van erfgoedkenmerken en -elementen van het beschermde monument, zijn beëindigd.]5
§ 2. Wat de registratiebelasting betreft, verleent het bevoegde personeelslid ook ontheffing van de registratiebelasting op voorwaarde dat een verzoek is ingediend binnen een termijn van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin het recht tot teruggave is ontstaan, waarin wordt aangetoond dat een onroerend goed dat door de verkoper of zijn rechtsvoorgangers is verkregen bij een akte waarop het verkooprecht met toepassing van artikel 2.9.4.1.1 is voldaan, wordt wederverkocht. De ontheffing ten voordele van de wederverkoper beperkt zich in dat geval tot drie vijfde van het verkooprecht dat geheven is.
[8 "In afwijking van het eerste lid is de ontheffing beperkt tot drie vijfde van het wettelijk aandeel van de wederverkoper in het verkooprecht dat is betaald bij de verkrijging van het onroerend goed met toepassing van artikel 2.9.4.1.1, als de wederverkoper een onroerend goed wederverkoopt dat hij gedeeltelijk heeft verkregen bij een verdeling of een afstand die gelijkstaat met verdeling. De persoon door wie een deel van het onroerend goed aan de wederverkoper is afgestaan bij een verdeling of een afstand die gelijkstaat met verdeling, kan ook ontheffing vragen van drie vijfde van zijn wettelijk aandeel in het verkooprecht dat is betaald bij de verkrijging van het onroerend goed met toepassing van artikel 2.9.4.1.1.]8
De wederverkoop, vermeld in het eerste lid, moet bij authentieke akte vastgesteld zijn binnen twee jaar na de datum van de authentieke akte van verkrijging.
Als de verkrijging of de wederverkoop heeft plaatsgevonden onder een opschortende voorwaarde, wordt de termijn van wederverkoop berekend op basis van de datum waarop die voorwaarde is vervuld.
De registratiebelasting die betrekking heeft op het gedeelte van de prijs en de lasten van de verkrijging, dat hoger is dan de conform artikel 2.9.3.0.1 bepaalde heffingsgrondslag van de akte van wederverkoop, wordt niet teruggegeven.
In geval van gedeeltelijke wederverkoop wordt in het verzoek tot teruggave het deel van de aanschaffingsprijs dat betrekking heeft op het wederverkochte gedeelte, nader aangegeven onder controle van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.
[4 § 2/1. [6 Wat de registratiebelasting betreft, verleent het bevoegde personeelslid ook ontheffing van het bedrag aan registratiebelasting dat meer bedraagt dan het verkooprecht, vermeld in [7 artikel 2.9.4.2.11, § 1, artikel 2.9.4.2.12 en artikel 2.9.4.2.14,]7 op voorwaarde dat een verzoek is ingediend binnen een termijn van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin het recht tot teruggave is ontstaan. In het verzoek tot teruggave moet worden aangetoond dat de woning [7 of bouwgrond]7 die de toepassing van het verlaagde tarief van [7 artikel 2.9.4.2.11, § 1, artikel 2.9.4.2.12 en artikel 2.9.4.2.14,]7 heeft verhinderd, [9 uiterlijk twee jaar]9 [10 of uiterlijk drie jaar, in geval van toepassing van het verlaagd tarief van artikel 2.9.4.2.12 en 2.9.4.2.14,]10 na de datum van de authentieke akte van verkrijging van de andere woning volledig en ten bezwarende titel is vervreemd, en dat er een causaal verband bestaat tussen die vervreemding en de verkrijging. Bovendien moet in het verzoek tot teruggave worden voldaan aan de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1 en § 3.]6]4
§ 3. Wat de registratiebelasting betreft, verleent het bevoegde personeelslid ook ontheffing van de registratiebelasting op voorwaarde dat een verzoek is ingediend binnen een termijn van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin het recht tot teruggave is ontstaan, waarin wordt aangetoond dat een zuivere verkoop heeft plaatsgevonden door een natuurlijke persoon van een woning in het Vlaamse Gewest, [9 waarvan de authentieke aankoopakte voor 1 januari 2022 werd verleden, en]9 waarin hij op een ogenblik zijn hoofdverblijfplaats heeft gehad in de periode van achttien maanden voorafgaand aan de zuivere aankoop van het onroerend goed dat hij als zijn nieuwe hoofdverblijfplaats aanwendt of bestemt [9 waarvan de akte uiterlijk op 31 december 2023 werd verleden]9, en, in geval van verdeling van een dergelijke woning, waarbij de natuurlijke persoon al zijn rechten erin heeft afgestaan. De ontheffing wordt verleend voor het wettelijk aandeel in de registratiebelasting die geheven is op de aankoop van het onroerend goed dat de natuurlijke persoon als zijn nieuwe hoofdverblijfplaats aanwendt of bestemt, [4 op voorwaarde dat de authentieke akte van de verkoop of de verdeling is verleden binnen twee jaar, of vijf jaar in geval van de aankoop van een bouwgrond, na de datum van het verlijden van de authentieke akte van de nieuwe aankoop]4.
De registratiebelasting, betaald voor de verkrijging van een onroerend goed dat niet in het Vlaamse Gewest ligt, alsook de aanvullende rechten die om om het even welke reden op een aankoop zijn geheven, zijn uitgesloten van de teruggave, overeenkomstig de bepalingen van deze paragraaf.
De teruggave, overeenkomstig de bepalingen van deze paragraaf, kan in geen geval meer bedragen dan het bedrag van het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de registratiebelasting die [6 conform artikel 2.9.4.1.1, artikel 2.9.4.2.11, artikel 2.9.4.2.12, artikel 2.9.4.2.13 of artikel 2.9.4.2.14]6 verschuldigd was op de aankoop van de verkochte of verdeelde woning of van de bouwgrond waarop die woning is opgericht.
Als een verrichting als vermeld in het eerste lid, is voorafgegaan door een of meer van zulke verrichtingen of door een of meer verrichtingen als vermeld in artikel 2.9.5.0.1, eerste lid, wordt, in voorkomend geval, de bij die voorgaande verrichtingen ingevolge de toepassing van het derde of het vijfde lid van deze paragraaf nog niet teruggegeven registratiebelasting of de ingevolge de toepassing van artikel 2.9.5.0.1, derde of vijfde lid, nog niet verrekende registratiebelasting, gevoegd bij het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de [6 conform artikel 2.9.4.1.1, artikel 2.9.4.2.11, artikel 2.9.4.2.12, artikel 2.9.4.2.13 of artikel 2.9.4.2.14]6 verschuldigde registratiebelasting op de voorlaatste aankoop, om het teruggeefbare bedrag bij de wederverkoop ervan te bepalen.
[6 Het terug te geven bedrag, dat verkregen is met toepassing van het eerste of het vierde lid, kan nooit meer bedragen dan 12.500 euro. Dit bedrag is gekoppeld aan de schommelingen van het algemene indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk. De bedragen worden jaarlijks op 1 januari aangepast op basis van een coëfficiënt die verkregen wordt door het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers van het jaar dat voorafgaat aan het jaar, te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 2017. Het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers wordt afgerond op het hogere of lagere honderdste naargelang het cijfer van de duizendsten al of niet vijf bereikt, en de coëfficiënt wordt afgerond op het hogere of lagere tienduizendste naargelang het cijfer van de honderdduizendsten al of niet vijf bereikt. Na de toepassing van die coëfficiënt worden de bedragen afgerond op de lagere vijfhonderd euro. Het toepasbare geïndexeerde maximumbedrag is het bedrag voor het jaar waarin het recht op teruggave ontstaat. Het maximale terug te geven bedrag wordt bepaald in verhouding tot de fractie die de natuurlijke persoon verkrijgt in het nieuw aangekochte goed.]6
Aan de teruggave zijn de volgende voorwaarden verbonden :
1° het verzoek tot teruggave, ondertekend door de natuurlijke persoon, wordt gedaan in of onderaan op de akte die of het geschrift dat aanleiding geeft tot de heffing van de registratiebelasting op de verkoop of de verdeling [4 of in een afzonderlijk verzoek tot teruggave]4;
2° de akte of het geschrift, vermeld in punt 1°, bevat :
a) het bedrag en de datum van betaling van de registratiebelasting, geheven op de aankoop van de verkochte of verdeelde woning of van de bouwgrond waarop die woning is opgericht, en vermeldt het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de registratiebelasting, geheven op die aankoop;
b) het bedrag en de datum van betaling van de registratiebelasting, geheven op de aankoop van de nieuwe hoofdverblijfplaats, en vermeldt het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de registratiebelasting, geheven op die aankoop.
Als de teruggave wordt gevraagd met toepassing van het vierde lid van deze paragraaf, moet de akte of het geschrift, vermeld in punt 1°, bovendien het bedrag en de datum van betaling van de registratiebelasting vermelden, aangebracht op de akten of geschriften die betreffende de in aanmerking te nemen voorafgaande verrichtingen aanleiding hebben gegeven tot het heffen van de registratiebelasting, en bij iedere vermelding het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de verrekende of teruggegeven registratiebelasting vermelden;
3° in de akte of het geschrift, vermeld in punt 1°, of in een ondertekende en voor waar en oprecht verklaarde vermelding onderaan op die akte of dat geschrift, verklaart de natuurlijke persoon uitdrukkelijk :
a) dat hij op een ogenblik in de periode van achttien maanden voorafgaand aan de aankoop van de woning die hij tot zijn nieuwe hoofdverblijfplaats aanwendt of bestemt, zijn hoofdverblijfplaats heeft gehad in de wederverkochte of verdeelde woning;
b) dat hij zijn hoofdverblijfplaats op de plaats van het nieuw aangekochte goed heeft gevestigd of zal vestigen :
1) als het een woning betreft, binnen twee jaar na, ofwel de datum van de registratie van de akte die of het geschrift dat tot de heffing van de registratiebelasting op de aankoop aanleiding geeft, als die akte of dat geschrift binnen de ervoor bepaalde termijn ter registratie wordt aangeboden, ofwel de uiterste datum voor tijdige aanbieding ter registratie, als de akte die of het geschrift dat tot de heffing van de registratiebelasting op de aankoop aanleiding geeft, wordt aangeboden na het verstrijken van de daarvoor bepaalde termijn;
2) als het een bouwgrond betreft, binnen vijf jaar na dezelfde datum.
[4 ...]4
In geval van onjuistheid of niet-nakoming van de vermeldingen, voorgeschreven bij het zesde lid, is de natuurlijke persoon gehouden tot betaling van de onrechtmatig teruggegeven registratiebelasting.
§ 4. Wat betreft de registratiebelasting verleent het bevoegde personeelslid ook ontheffing van de registratiebelasting van zes procent, geheven overeenkomstig artikel 2.9.4.2.7, als een aangekocht goed wordt wederverkocht bij authentieke akte, verleden binnen tien jaar na de datum van de akte van verkrijging, op voorwaarde dat een aangifte wordt ingediend binnen een termijn van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin het recht tot teruggave is ontstaan, die het hierboven vermelde feit aanduidt.
De bepalingen van paragraaf 2, derde en vierde lid, zijn van toepassing op deze paragraaf.
§ 5. [4 [6 Wat de registratiebelasting betreft, verleent het bevoegde personeelslid ook ontheffing van het geheven bedrag dat hoger is dan het verkooprecht, vermeld in hetzij artikel 2.9.4.2.11, hetzij artikel 2.9.4.2.12, hetzij artikel 2.9.4.2.13, hetzij artikel 2.9.4.2.14, op voorwaarde dat een verklaring, ondertekend door de verkrijger, waarin de bepalingen, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, die vereist zijn om het verlaagde tarief te verkrijgen, vermeld in hetzij artikel 2.9.4.2.11, hetzij artikel 2.9.4.2.12, hetzij artikel 2.9.4.2.13, hetzij artikel 2.9.2.14, zijn opgenomen, is ingediend binnen een termijn van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin de belasting opeisbaar is geworden.]6]4
§ 6. [6 ...]6
§ 7. De bepalingen van artikel 3.6.0.0.2 en 3.6.0.0.3 zijn onverminderd van toepassing op dit artikel.]1
1° wanneer een akte vals is verklaard of de nietigheid van een overeenkomst is uitgesproken of vastgesteld door een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest;
2° wanneer alle partijen die betrokken zijn bij een overeenkomst waarop het verkooprecht van toepassing is, verklaren deze overeenkomst in der minne te hebben ontbonden of te hebben vernietigd, of verklaren dat een voorwaarde die uitdrukkelijk bedongen is in de overeenkomst, al is vervuld. Die verklaring moet blijken uit een geregistreerde overeenkomst, gedateerd minder dan een jaar na de dagtekening van de eerste overeenkomst.
De teruggave is niet mogelijk voor het verkooprecht, geheven op een overeenkomst die bij authentieke akte is vastgesteld, noch op een inbreng door een natuurlijke persoon van een woning in een Belgische vennootschap, noch op een overeenkomst die onderworpen is aan het tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.4, § 1;
3° wanneer een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest de ontbinding of de herroeping uitspreekt of vaststelt van een overeenkomst, op voorwaarde dat uit de beslissing blijkt dat ten hoogste één jaar na de overeenkomst het geding, zelfs bij een onbevoegde rechter, is ingeleid;
4° wanneer de belasting over de toegevoegde waarde opeisbaar wordt overeenkomstig artikel 1, § 10, van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde op de verrichting van vervreemding onder bezwarende titel van een onroerend goed of van de vestiging, overdracht en wederoverdracht van een zakelijk recht op een onroerend goed;
5° wanneer een vonnis of een arrest geheel of gedeeltelijk wordt vernietigd door een andere in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing.
[4 De ontheffing, vermeld in het eerste lid, 2°, wordt toegestaan met voorbehoud van 10 euro op de ontbonden overeenkomst.
Wat de registratiebelasting betreft, verleent het bevoegde personeelslid ook ontheffing van het bedrag aan registratiebelasting dat te veel is geheven overeenkomstig artikel 2.8.5.0.1, § 1, derde lid, op voorwaarde dat een verzoek is ingediend binnen een termijn van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin het kind geboren is.]4
[2 § 1/1. Wat de registratiebelasting betreft, verleent het bevoegde personeelslid ook ontheffing van het geheven bedrag dat hoger is dan de schenkbelasting, vermeld in artikel 2.8.4.3.1, hetzij § 1, hetzij § 3, op voorwaarde dat de bewijsstukken, vermeld in artikel 2.8.4.3.1, § 1, worden ingediend uiterlijk zes maanden na het verstrijken van het vijfde jaar na de datum van de akte van schenking.]2
[3 § 1/2. Wat de registratiebelasting betreft, verleent het bevoegde personeelslid ook ontheffing van het geheven bedrag dat hoger is dan de schenkbelasting, vermeld in artikel 2.8.4.3.1, hetzij § 2, hetzij § 3, op voorwaarde dat de bewijsstukken vermeld in artikel 2.8.4.3.1, § 2, worden ingediend uiterlijk zes maanden na het verstrijken van het derde jaar na de datum van de akte van schenking.]3
[5 § 1/3. Wat de registratiebelasting betreft, verleent het bevoegde personeelslid ook ontheffing van het geheven bedrag dat hoger is dan de schenkbelasting, vermeld in artikel 2.8.4.4.1, hetzij § 1, hetzij § 3, op voorwaarde dat de begiftigden een verzoek tot teruggave indienen uiterlijk zes maanden na het verstrijken van het vijfde jaar na de datum van de schenkingsakte en een attest verkrijgen waaruit blijkt dat aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2.8.4.4.1, hetzij § 1, hetzij § 3, is voldaan. Het voormelde attest wordt door de bevoegde entiteit van de Vlaamse overheid verkregen van het agentschap, vermeld in artikel 2.1, 2°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.
Het recht op ontheffing vervalt bij elke vervreemding onder de levenden van het beschermde monument binnen vijf jaar na de datum van de schenkingsakte en voordat de beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten die noodzakelijk zijn voor het behoud of de herwaardering van erfgoedkenmerken en -elementen van het beschermde monument, zijn beëindigd.]5
§ 2. Wat de registratiebelasting betreft, verleent het bevoegde personeelslid ook ontheffing van de registratiebelasting op voorwaarde dat een verzoek is ingediend binnen een termijn van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin het recht tot teruggave is ontstaan, waarin wordt aangetoond dat een onroerend goed dat door de verkoper of zijn rechtsvoorgangers is verkregen bij een akte waarop het verkooprecht met toepassing van artikel 2.9.4.1.1 is voldaan, wordt wederverkocht. De ontheffing ten voordele van de wederverkoper beperkt zich in dat geval tot drie vijfde van het verkooprecht dat geheven is.
[8 "In afwijking van het eerste lid is de ontheffing beperkt tot drie vijfde van het wettelijk aandeel van de wederverkoper in het verkooprecht dat is betaald bij de verkrijging van het onroerend goed met toepassing van artikel 2.9.4.1.1, als de wederverkoper een onroerend goed wederverkoopt dat hij gedeeltelijk heeft verkregen bij een verdeling of een afstand die gelijkstaat met verdeling. De persoon door wie een deel van het onroerend goed aan de wederverkoper is afgestaan bij een verdeling of een afstand die gelijkstaat met verdeling, kan ook ontheffing vragen van drie vijfde van zijn wettelijk aandeel in het verkooprecht dat is betaald bij de verkrijging van het onroerend goed met toepassing van artikel 2.9.4.1.1.]8
De wederverkoop, vermeld in het eerste lid, moet bij authentieke akte vastgesteld zijn binnen twee jaar na de datum van de authentieke akte van verkrijging.
Als de verkrijging of de wederverkoop heeft plaatsgevonden onder een opschortende voorwaarde, wordt de termijn van wederverkoop berekend op basis van de datum waarop die voorwaarde is vervuld.
De registratiebelasting die betrekking heeft op het gedeelte van de prijs en de lasten van de verkrijging, dat hoger is dan de conform artikel 2.9.3.0.1 bepaalde heffingsgrondslag van de akte van wederverkoop, wordt niet teruggegeven.
In geval van gedeeltelijke wederverkoop wordt in het verzoek tot teruggave het deel van de aanschaffingsprijs dat betrekking heeft op het wederverkochte gedeelte, nader aangegeven onder controle van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.
[4 § 2/1. [6 Wat de registratiebelasting betreft, verleent het bevoegde personeelslid ook ontheffing van het bedrag aan registratiebelasting dat meer bedraagt dan het verkooprecht, vermeld in [7 artikel 2.9.4.2.11, § 1, artikel 2.9.4.2.12 en artikel 2.9.4.2.14,]7 op voorwaarde dat een verzoek is ingediend binnen een termijn van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin het recht tot teruggave is ontstaan. In het verzoek tot teruggave moet worden aangetoond dat de woning [7 of bouwgrond]7 die de toepassing van het verlaagde tarief van [7 artikel 2.9.4.2.11, § 1, artikel 2.9.4.2.12 en artikel 2.9.4.2.14,]7 heeft verhinderd, [9 uiterlijk twee jaar]9 [10 of uiterlijk drie jaar, in geval van toepassing van het verlaagd tarief van artikel 2.9.4.2.12 en 2.9.4.2.14,]10 na de datum van de authentieke akte van verkrijging van de andere woning volledig en ten bezwarende titel is vervreemd, en dat er een causaal verband bestaat tussen die vervreemding en de verkrijging. Bovendien moet in het verzoek tot teruggave worden voldaan aan de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1 en § 3.]6]4
§ 3. Wat de registratiebelasting betreft, verleent het bevoegde personeelslid ook ontheffing van de registratiebelasting op voorwaarde dat een verzoek is ingediend binnen een termijn van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin het recht tot teruggave is ontstaan, waarin wordt aangetoond dat een zuivere verkoop heeft plaatsgevonden door een natuurlijke persoon van een woning in het Vlaamse Gewest, [9 waarvan de authentieke aankoopakte voor 1 januari 2022 werd verleden, en]9 waarin hij op een ogenblik zijn hoofdverblijfplaats heeft gehad in de periode van achttien maanden voorafgaand aan de zuivere aankoop van het onroerend goed dat hij als zijn nieuwe hoofdverblijfplaats aanwendt of bestemt [9 waarvan de akte uiterlijk op 31 december 2023 werd verleden]9, en, in geval van verdeling van een dergelijke woning, waarbij de natuurlijke persoon al zijn rechten erin heeft afgestaan. De ontheffing wordt verleend voor het wettelijk aandeel in de registratiebelasting die geheven is op de aankoop van het onroerend goed dat de natuurlijke persoon als zijn nieuwe hoofdverblijfplaats aanwendt of bestemt, [4 op voorwaarde dat de authentieke akte van de verkoop of de verdeling is verleden binnen twee jaar, of vijf jaar in geval van de aankoop van een bouwgrond, na de datum van het verlijden van de authentieke akte van de nieuwe aankoop]4.
De registratiebelasting, betaald voor de verkrijging van een onroerend goed dat niet in het Vlaamse Gewest ligt, alsook de aanvullende rechten die om om het even welke reden op een aankoop zijn geheven, zijn uitgesloten van de teruggave, overeenkomstig de bepalingen van deze paragraaf.
De teruggave, overeenkomstig de bepalingen van deze paragraaf, kan in geen geval meer bedragen dan het bedrag van het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de registratiebelasting die [6 conform artikel 2.9.4.1.1, artikel 2.9.4.2.11, artikel 2.9.4.2.12, artikel 2.9.4.2.13 of artikel 2.9.4.2.14]6 verschuldigd was op de aankoop van de verkochte of verdeelde woning of van de bouwgrond waarop die woning is opgericht.
Als een verrichting als vermeld in het eerste lid, is voorafgegaan door een of meer van zulke verrichtingen of door een of meer verrichtingen als vermeld in artikel 2.9.5.0.1, eerste lid, wordt, in voorkomend geval, de bij die voorgaande verrichtingen ingevolge de toepassing van het derde of het vijfde lid van deze paragraaf nog niet teruggegeven registratiebelasting of de ingevolge de toepassing van artikel 2.9.5.0.1, derde of vijfde lid, nog niet verrekende registratiebelasting, gevoegd bij het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de [6 conform artikel 2.9.4.1.1, artikel 2.9.4.2.11, artikel 2.9.4.2.12, artikel 2.9.4.2.13 of artikel 2.9.4.2.14]6 verschuldigde registratiebelasting op de voorlaatste aankoop, om het teruggeefbare bedrag bij de wederverkoop ervan te bepalen.
[6 Het terug te geven bedrag, dat verkregen is met toepassing van het eerste of het vierde lid, kan nooit meer bedragen dan 12.500 euro. Dit bedrag is gekoppeld aan de schommelingen van het algemene indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk. De bedragen worden jaarlijks op 1 januari aangepast op basis van een coëfficiënt die verkregen wordt door het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers van het jaar dat voorafgaat aan het jaar, te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 2017. Het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers wordt afgerond op het hogere of lagere honderdste naargelang het cijfer van de duizendsten al of niet vijf bereikt, en de coëfficiënt wordt afgerond op het hogere of lagere tienduizendste naargelang het cijfer van de honderdduizendsten al of niet vijf bereikt. Na de toepassing van die coëfficiënt worden de bedragen afgerond op de lagere vijfhonderd euro. Het toepasbare geïndexeerde maximumbedrag is het bedrag voor het jaar waarin het recht op teruggave ontstaat. Het maximale terug te geven bedrag wordt bepaald in verhouding tot de fractie die de natuurlijke persoon verkrijgt in het nieuw aangekochte goed.]6
Aan de teruggave zijn de volgende voorwaarden verbonden :
1° het verzoek tot teruggave, ondertekend door de natuurlijke persoon, wordt gedaan in of onderaan op de akte die of het geschrift dat aanleiding geeft tot de heffing van de registratiebelasting op de verkoop of de verdeling [4 of in een afzonderlijk verzoek tot teruggave]4;
2° de akte of het geschrift, vermeld in punt 1°, bevat :
a) het bedrag en de datum van betaling van de registratiebelasting, geheven op de aankoop van de verkochte of verdeelde woning of van de bouwgrond waarop die woning is opgericht, en vermeldt het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de registratiebelasting, geheven op die aankoop;
b) het bedrag en de datum van betaling van de registratiebelasting, geheven op de aankoop van de nieuwe hoofdverblijfplaats, en vermeldt het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de registratiebelasting, geheven op die aankoop.
Als de teruggave wordt gevraagd met toepassing van het vierde lid van deze paragraaf, moet de akte of het geschrift, vermeld in punt 1°, bovendien het bedrag en de datum van betaling van de registratiebelasting vermelden, aangebracht op de akten of geschriften die betreffende de in aanmerking te nemen voorafgaande verrichtingen aanleiding hebben gegeven tot het heffen van de registratiebelasting, en bij iedere vermelding het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de verrekende of teruggegeven registratiebelasting vermelden;
3° in de akte of het geschrift, vermeld in punt 1°, of in een ondertekende en voor waar en oprecht verklaarde vermelding onderaan op die akte of dat geschrift, verklaart de natuurlijke persoon uitdrukkelijk :
a) dat hij op een ogenblik in de periode van achttien maanden voorafgaand aan de aankoop van de woning die hij tot zijn nieuwe hoofdverblijfplaats aanwendt of bestemt, zijn hoofdverblijfplaats heeft gehad in de wederverkochte of verdeelde woning;
b) dat hij zijn hoofdverblijfplaats op de plaats van het nieuw aangekochte goed heeft gevestigd of zal vestigen :
1) als het een woning betreft, binnen twee jaar na, ofwel de datum van de registratie van de akte die of het geschrift dat tot de heffing van de registratiebelasting op de aankoop aanleiding geeft, als die akte of dat geschrift binnen de ervoor bepaalde termijn ter registratie wordt aangeboden, ofwel de uiterste datum voor tijdige aanbieding ter registratie, als de akte die of het geschrift dat tot de heffing van de registratiebelasting op de aankoop aanleiding geeft, wordt aangeboden na het verstrijken van de daarvoor bepaalde termijn;
2) als het een bouwgrond betreft, binnen vijf jaar na dezelfde datum.
[4 ...]4
In geval van onjuistheid of niet-nakoming van de vermeldingen, voorgeschreven bij het zesde lid, is de natuurlijke persoon gehouden tot betaling van de onrechtmatig teruggegeven registratiebelasting.
§ 4. Wat betreft de registratiebelasting verleent het bevoegde personeelslid ook ontheffing van de registratiebelasting van zes procent, geheven overeenkomstig artikel 2.9.4.2.7, als een aangekocht goed wordt wederverkocht bij authentieke akte, verleden binnen tien jaar na de datum van de akte van verkrijging, op voorwaarde dat een aangifte wordt ingediend binnen een termijn van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin het recht tot teruggave is ontstaan, die het hierboven vermelde feit aanduidt.
De bepalingen van paragraaf 2, derde en vierde lid, zijn van toepassing op deze paragraaf.
§ 5. [4 [6 Wat de registratiebelasting betreft, verleent het bevoegde personeelslid ook ontheffing van het geheven bedrag dat hoger is dan het verkooprecht, vermeld in hetzij artikel 2.9.4.2.11, hetzij artikel 2.9.4.2.12, hetzij artikel 2.9.4.2.13, hetzij artikel 2.9.4.2.14, op voorwaarde dat een verklaring, ondertekend door de verkrijger, waarin de bepalingen, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, die vereist zijn om het verlaagde tarief te verkrijgen, vermeld in hetzij artikel 2.9.4.2.11, hetzij artikel 2.9.4.2.12, hetzij artikel 2.9.4.2.13, hetzij artikel 2.9.2.14, zijn opgenomen, is ingediend binnen een termijn van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin de belasting opeisbaar is geworden.]6]4
§ 6. [6 ...]6
§ 7. De bepalingen van artikel 3.6.0.0.2 en 3.6.0.0.3 zijn onverminderd van toepassing op dit artikel.]1
Änderungen
Art. 3.6.0.0.6. [1 § 1er. En ce qui concerne les droits d'enregistrement, le membre du personnel compétent accorde également un dégrèvement des droits d'enregistrement dans les cas suivants à condition qu'une demande soit déposée dans un délai de cinq ans à compter du 1er janvier de l'année de la naissance du droit de restitution, qui désigne le fait mentionné ci-dessus :
1° lorsqu'un acte est déclaré faux ou que la nullité d'une convention est prononcée ou constatée par un jugement coulé en force de chose jugée ou un arrêt ;
2° lorsque toutes les parties impliquées dans une convention soumise au droit de vente déclarent avoir résilié ou annulé cette convention à l'amiable ou déclarent qu'une condition expressément stipulée dans la convention est déjà satisfaite. Cette déclaration doit être attestée par une convention enregistrée, datant de moins d'un an après la date de la première convention.
La restitution n'est pas possible pour le droit de vente levé sur une convention qui est constatée par acte authentique, ni sur un apport par une personne physique d'une habitation dans une société belge, ni sur une convention soumise au tarif visé à l'article 2.9.4.2.4, § 1er ;
3° lorsqu'un arrêt ou jugement coulé en force de chose jugée prononce ou constate la résolution ou la révocation d'une convention à condition qu'il ressorte de la décision que l'instance, même devant un juge incompétent, a été introduite un an maximum après la convention ;
4° lorsque la taxe sur la valeur ajoutée est exigible conformément à l'article 1er, § 10, du Code de la taxe sur la valeur ajoutée sur l'opération d'aliénation à titre onéreux d'un bien immeuble ou d'établissement, de cession et de rétrocession d'un droit réel sur un bien immeuble ;
5° lorsqu'un jugement ou un arrêt est annulé en tout ou en partie par une autre décision judiciaire coulée en force de chose jugée.
[4 Le dégrèvement, visé au premier alinéa, 2° est accordé sous réserve de 10 euros sur la convention résiliée.
Pour ce qui concerne l'impôt d'enregistrement, le membre du personnel compétent accorde également le dégrèvement du montant de l'impôt d'enregistrement perçu en trop conformément à l'article 2.8.5.0.1, § 1er, troisième alinéa, à condition qu'une demande soit déposée dans un délai de cinq ans à compter du 1er janvier de l'année dans laquelle l'enfant est né.]4
[2 § 1/1. En ce qui concerne l'impôt d'enregistrement, le membre du personnel compétent accorde également l'exonération du montant perçu qui est supérieur à l'impôt de donation, visé à l'article 2.8.4.3.1, soit § 1er, soit § 3, à condition que les pièces justificatives, visées à l'article 2.8.4.3.1, § 1er, sont introduites au plus tard six mois après l'expiration de la cinquième année après la date de l'acte de donation.]2
[3 § 1/2. En ce qui concerne l'impôt d'enregistrement, le membre du personnel compétent accorde également l'exonération du montant perçu qui est supérieur à l'impôt de donation, visé à l'article 2.8.4.3.1, soit § 2, soit § 3, à condition que les pièces justificatives, visées à l'article 2.8.4.3.1, § 2, sont introduites au plus tard six mois après l'expiration de la cinquième année après la date de l'acte de donation.]3
[5 § 1/3. En ce qui concerne l'impôt d'enregistrement, le membre du personnel compétent accorde également l'exonération du montant perçu qui est supérieur à l'impôt de donation, visé à l'article 2.8.4.4.1, soit § 1er, soit § 3, à condition que les bénéficiaires introduisent une demande de restitution au plus tard six mois après l'expiration de la cinquième année après la date de l'acte de donation et obtiennent une attestation qui démontre que les conditions, visées à l'article 2.8.4.4.1, soit § 1er, soit § 3, sont remplies. L'entité compétente de l'Autorité flamande obtient l'attestation précitée de l'agence, visée à l'article 2.1, 2°, du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013.
Le droit d'exonération échoit lors de toute aliénation entre vifs du monument protégé dans les cinq années après la date de l'acte de donation et avant la fin des mesures de gestion, travaux ou services nécessaires au maintien ou à la revalorisation des caractéristiques et éléments patrimoniaux du monument protégé.]5
§ 2. En ce qui concerne les droits d'enregistrement, le membre du personnel compétent accorde également un dégrèvement des droits d'enregistrement à condition qu'une demande soit déposée dans un délai de cinq ans à compter du 1er janvier de l'année de la naissance du droit de restitution démontrant qu'un bien immeuble qui a été acquis par le vendeur ou ses prédécesseurs en droit, est revendu par un acte auquel s'applique le droit de vente en application de l'article 2.9.4.1.1. Le dégrèvement au profit du revendeur se limite dans ce cas à trois cinquièmes du droit de vente perçu.
[8 Par dérogation à l'alinéa premier, l'exonération est limitée aux trois cinquièmes de la quote-part légale du revendeur dans le droit de vente payé lors de l'acquisition du bien immobilier en application de l'article 2.9.4.1.1, si le revendeur revend un bien immobilier qu'il a acquis en partie [lors d'un partage ou d'une cession équipollente à partage]. La personne par laquelle une partie du bien immobilier a été cédée au revendeur en cas de partage ou de distance équivalente à un partage peut également demander l'exonération des trois cinquièmes de sa part légale du droit de vente payé à l'acquisition du bien immobilier conformément à l'article 2.9.4.4.1.1.]8
La revente, visée à l'alinéa premier, doit être constatée par acte authentique dans les deux ans qui suivent la date de l'acte authentique d'acquisition.
Si l'acquisition ou la revente a eu lieu sous condition suspensive, le délai de revente est calculé sur la base de la date à laquelle cette condition a été remplie.
Les droits d'enregistrement se rapportant à la part du prix et des charges de l'acquisition qui excède la base d'imposition de l'acte de revente, déterminée conformément à l'article 2.9.3.0.1, ne sont pas restitués.
En cas de revente partielle, la part du prix d'acquisition qui se rapporte à la partie revendue est spécifiée dans la demande de restitution sous le contrôle de l'entité compétente de l'administration flamande.
[4 § 2/1. [6 Pour ce qui concerne l'impôt d'enregistrement, le membre du personnel compétent accorde également le dégrèvement du montant de l'impôt d'enregistrement qui est supérieur au droit de vente visé à [7 l'article 2.9.4.2.11, § 1er, l'article 2.9.4.2.12 et l'article 2.9.4.2.14,]7 à condition qu'une demande ait été déposée dans un délai de cinq ans à compter du 1er janvier de l'année dans laquelle le droit de restitution est né. La demande de restitution doit prouver que l'habitation [7 ou le terrain à bâtir]7 ayant empêché l'application du tarif réduit de l'article 2.9.4.2.11, § 1er a été aliénée totalement et à titre onéreux [9 au plus tard deux ans]9 [10 ou au plus tard trois ans en cas d'application du tarif réduit des articles 2.9.4.2.12 et 2.9.4.2.14,]10 après la date de l'acte authentique d'acquisition de l'autre habitation et qu'il existe un rapport causal entre cette aliénation et l'acquisition. En outre, il doit être satisfait dans la demande de restitution à l'obligation visée à l'article 3.12.3.0.1, § 1er et § 3.]6]4
§ 3. En ce qui concerne les droits d'enregistrement, le membre du personnel compétent accorde également le dégrèvement des droits d'enregistrement à condition qu'une demande ait été déposée dans un délai de cinq ans à compter du 1er janvier de l'année de la naissance du droit de restitution, démontrant qu'une vente pure a été effectuée par une personne physique d'une habitation en Région flamande [9 dont l'acte d'achat a été passé avant le 1er janvier 2022, et]9 dans laquelle elle a eu à un moment sa résidence principale pendant la période de dix-huit mois précédant l'achat pur du bien immeuble qu'elle affecte ou destine à sa nouvelle résidence principale [9 dont l'acte d'achat a été passé avant le 31 décembre 2023]9 et attestant, en cas de partage d'une telle habitation, que la personne physique a cédé tous ses droits dans celle-ci. Le dégrèvement est accordé pour la part légale dans les droits d'enregistrement levés sur l'achat du bien immeuble que la personne physique affecte ou destine à sa nouvelle résidence principale, [4 à condition que l'acte authentique de la vente ou du partage est passé au plus tard deux ans, ou cinq ans dans le cas de l'achat d'un terrain à bâtir, après la date de passation de l'acte authentique du nouvel achat.]4
Les droits d'enregistrement, payés pour l'acquisition d'un bien immeuble qui ne se trouve pas en Région flamande, ainsi que les droits complémentaires qui, pour quelque raison que ce soit, sont levés sur un achat sont exclus de la restitution, conformément aux dispositions du présent paragraphe.
La restitution, conformément aux dispositions du présent paragraphe, ne peut en aucun cas excéder le montant de la part légale de la personne physique dans les droits d'enregistrement dus, conformément aux articles 2.9.4.1.1, 2.9.4.2.1, § 2, 2°, ou au paragraphe 6, alinéa premier, 2°, de cet article, sur l'achat de l'habitation vendue ou partagée ou du terrain à bâtir sur lequel cette habitation a été construite.
Si une opération, telle que visée à l'alinéa premier, est précédée par une ou plusieurs de ces opérations ou par une ou plusieurs opérations telles que visées à l'article 2.9.5.0.1, alinéa premier, les droits d'enregistrement non encore restitués sur ces opérations antérieures en vertu de l'application des alinéas trois ou cinq du présent paragraphe ou les droits d'enregistrement non encore imputés en vertu de l'application de l'article 2.9.5.0.1, alinéa trois ou cinq, sont, le cas échéant, ajoutés à la part légale de la personne physique dans les droits d'enregistrement dus [6 conformément à l'article 2.9.4.1.1, à l'article 2.9.4.2.11, à l'article 2.9.4.2.12, à l'article 2.9.4.2.13 ou à l'article 2.9.4.2.14]6 sur l'avant-dernier achat pour déterminer le montant susceptible de restitution lors de la revente de celui-ci.
[6 Le montant à restituer, obtenu en application de l'alinéa premier ou quatre, ne peut jamais excéder 12.500 euros. Ce montant suit l'évolution de l'indice général des prix à la consommation du Royaume. Les montants sont adaptés chaque année au 1er janvier sur la base d'un coefficient obtenu en divisant la moyenne des indices mensuels de l'année qui précède l'année par la moyenne des indices mensuels de l'année 2017. La moyenne des indices mensuels est arrondie au centième supérieur ou inférieur selon que le chiffre des millièmes s'élève à cinq ou non et le coefficient est arrondi au dix millième supérieur ou inférieur, selon que le chiffre des cent millièmes s'élève à cinq ou non. Après l'application de ce coefficient, les montants sont arrondis aux cinq cent euros inférieurs. Le montant maximal indexé applicable est le montant pour l'année dans laquelle le droit à la restitution est né. Le montant maximal à restituer est fixé par rapport à la fraction que la personne physique obtient dans le bien nouvellement acquis.]6
La restitution est soumise aux conditions suivantes :
1° la demande de restitution, signée par la personne physique, est faite dans ou au pied de l'acte ou de l'écrit qui donne lieu à la levée des droits d'enregistrement sur la vente ou le partage [4 ou dans une demande de restitution séparée]4 ;
2° l'acte ou l'écrit, visé au point 1°, contient :
a) le montant et la date du paiement des droits d'enregistrement, perçus sur l'achat de l'habitation vendue ou partagée ou du terrain à bâtir sur lequel cette habitation est construite et mentionne la part légale de la personne physique dans les droits d'enregistrement, levés sur cet achat ;
b) le montant et la date du paiement des droits d'enregistrement, levés sur l'achat de la nouvelle résidence principale et indique la part légale de la personne physique dans les droits d'enregistrement, levés sur cet achat.
Si la restitution est demandée en application de l'alinéa quatre de ce paragraphe, l'acte ou l'écrit, visé au point 1°, doit par ailleurs mentionner le montant et la date du paiement des droits d'enregistrement apposés sur les actes ou écrits qui ont donné lieu, en ce qui concerne les opérations préalables à prendre en considération, à la levée des droits d'enregistrement et indiquer, pour chaque mention, la part légale de la personne physique dans les droits d'enregistrement imputés ou restitués ;
3° dans l'acte ou l'écrit, visé au point 1°, ou dans une mention signée et certifiée sincère et véritable au pied de cet acte ou de cet écrit, la personne physique déclare expressément :
a) qu'elle a eu sa résidence principale dans l'habitation revendue ou partagée à un moment dans la période de dix-huit mois précédant l'achat de l'habitation qu'elle affecte ou destine à sa nouvelle résidence principale ;
b) qu'elle a établi ou établira sa résidence principale à l'endroit du nouveau bien acheté :
1) s'il s'agit d'une habitation, dans les deux ans qui suivent soit la date de l'enregistrement de l'acte ou de l'écrit qui donne lieu à la levée des droits d'enregistrement sur l'achat lorsque cet acte ou cet écrit est présenté à l'enregistrement dans le délai stipulé précédemment, soit la date limite pour la présentation à l'enregistrement dans les délais si l'acte ou l'écrit qui donne lieu à la levée des droits d'enregistrement sur l'achat est présenté après l'expiration du délai stipulé à cet effet ;
2) s'il s'agit d'un terrain à bâtir, dans les cinq ans suivant la même date.
[4 ...]4
En cas d'inexactitude ou de non-respect des mentions prescrites dans le sixième alinéa, la personne physique est tenue au paiement des droits d'enregistrement irrégulièrement restitués.
§ 4. En ce qui concerne les droits d'enregistrement, le membre du personnel compétent accorde également un dégrèvement des droits d'enregistrement de six pour cent, perçus conformément à l'article 2.9.4.2.7, lorsqu'un bien acheté est revendu par acte authentique, passé dans les dix ans qui suivent la date de l'acte d'acquisition, à condition qu'une déclaration ait été déposée dans un délai de cinq ans à compter du 1er janvier de l'année de la naissance du droit de restitution, qui désigne le fait susmentionné.
Les dispositions du paragraphe 2, alinéas trois et quatre, sont d'application également à ce paragraphe.
§ 5. [4 [6 Pour ce qui est de l'impôt d'enregistrement, le membre du personnel compétent accorde également le dégrèvement du montant perçu supérieur au droit de vente visé soit à l'article 2.9.4.2.11, soit à l'article 2.9.4.2.12, soit à l'article 2.9.4.2.13, soit à l'article 2.9.4.2.14, à condition qu'une déclaration signée par l'acquéreur dans laquelle figurent les dispositions, mentionnées à l'article 3.12.3.0.1, requises pour l'obtention du tarif réduit, visé soit à l'article 2.9.4.2.11, soit à l'article 2.9.4.2.12, soit à l'article 2.9.4.2.13, soit à l'article 2.9.4.2.14, soit déposée dans un délai de cinq ans à compter du 1er janvier de l'année dans laquelle l'impôt est devenu exigible.]6]4
§ 6. [6 ...]6
§ 7. Les dispositions des articles 3.6.0.0.2 et 3.6.0.0.3 restent pleinement d'application à cet article.]1
1° lorsqu'un acte est déclaré faux ou que la nullité d'une convention est prononcée ou constatée par un jugement coulé en force de chose jugée ou un arrêt ;
2° lorsque toutes les parties impliquées dans une convention soumise au droit de vente déclarent avoir résilié ou annulé cette convention à l'amiable ou déclarent qu'une condition expressément stipulée dans la convention est déjà satisfaite. Cette déclaration doit être attestée par une convention enregistrée, datant de moins d'un an après la date de la première convention.
La restitution n'est pas possible pour le droit de vente levé sur une convention qui est constatée par acte authentique, ni sur un apport par une personne physique d'une habitation dans une société belge, ni sur une convention soumise au tarif visé à l'article 2.9.4.2.4, § 1er ;
3° lorsqu'un arrêt ou jugement coulé en force de chose jugée prononce ou constate la résolution ou la révocation d'une convention à condition qu'il ressorte de la décision que l'instance, même devant un juge incompétent, a été introduite un an maximum après la convention ;
4° lorsque la taxe sur la valeur ajoutée est exigible conformément à l'article 1er, § 10, du Code de la taxe sur la valeur ajoutée sur l'opération d'aliénation à titre onéreux d'un bien immeuble ou d'établissement, de cession et de rétrocession d'un droit réel sur un bien immeuble ;
5° lorsqu'un jugement ou un arrêt est annulé en tout ou en partie par une autre décision judiciaire coulée en force de chose jugée.
[4 Le dégrèvement, visé au premier alinéa, 2° est accordé sous réserve de 10 euros sur la convention résiliée.
Pour ce qui concerne l'impôt d'enregistrement, le membre du personnel compétent accorde également le dégrèvement du montant de l'impôt d'enregistrement perçu en trop conformément à l'article 2.8.5.0.1, § 1er, troisième alinéa, à condition qu'une demande soit déposée dans un délai de cinq ans à compter du 1er janvier de l'année dans laquelle l'enfant est né.]4
[2 § 1/1. En ce qui concerne l'impôt d'enregistrement, le membre du personnel compétent accorde également l'exonération du montant perçu qui est supérieur à l'impôt de donation, visé à l'article 2.8.4.3.1, soit § 1er, soit § 3, à condition que les pièces justificatives, visées à l'article 2.8.4.3.1, § 1er, sont introduites au plus tard six mois après l'expiration de la cinquième année après la date de l'acte de donation.]2
[3 § 1/2. En ce qui concerne l'impôt d'enregistrement, le membre du personnel compétent accorde également l'exonération du montant perçu qui est supérieur à l'impôt de donation, visé à l'article 2.8.4.3.1, soit § 2, soit § 3, à condition que les pièces justificatives, visées à l'article 2.8.4.3.1, § 2, sont introduites au plus tard six mois après l'expiration de la cinquième année après la date de l'acte de donation.]3
[5 § 1/3. En ce qui concerne l'impôt d'enregistrement, le membre du personnel compétent accorde également l'exonération du montant perçu qui est supérieur à l'impôt de donation, visé à l'article 2.8.4.4.1, soit § 1er, soit § 3, à condition que les bénéficiaires introduisent une demande de restitution au plus tard six mois après l'expiration de la cinquième année après la date de l'acte de donation et obtiennent une attestation qui démontre que les conditions, visées à l'article 2.8.4.4.1, soit § 1er, soit § 3, sont remplies. L'entité compétente de l'Autorité flamande obtient l'attestation précitée de l'agence, visée à l'article 2.1, 2°, du Décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013.
Le droit d'exonération échoit lors de toute aliénation entre vifs du monument protégé dans les cinq années après la date de l'acte de donation et avant la fin des mesures de gestion, travaux ou services nécessaires au maintien ou à la revalorisation des caractéristiques et éléments patrimoniaux du monument protégé.]5
§ 2. En ce qui concerne les droits d'enregistrement, le membre du personnel compétent accorde également un dégrèvement des droits d'enregistrement à condition qu'une demande soit déposée dans un délai de cinq ans à compter du 1er janvier de l'année de la naissance du droit de restitution démontrant qu'un bien immeuble qui a été acquis par le vendeur ou ses prédécesseurs en droit, est revendu par un acte auquel s'applique le droit de vente en application de l'article 2.9.4.1.1. Le dégrèvement au profit du revendeur se limite dans ce cas à trois cinquièmes du droit de vente perçu.
[8 Par dérogation à l'alinéa premier, l'exonération est limitée aux trois cinquièmes de la quote-part légale du revendeur dans le droit de vente payé lors de l'acquisition du bien immobilier en application de l'article 2.9.4.1.1, si le revendeur revend un bien immobilier qu'il a acquis en partie [lors d'un partage ou d'une cession équipollente à partage]. La personne par laquelle une partie du bien immobilier a été cédée au revendeur en cas de partage ou de distance équivalente à un partage peut également demander l'exonération des trois cinquièmes de sa part légale du droit de vente payé à l'acquisition du bien immobilier conformément à l'article 2.9.4.4.1.1.]8
La revente, visée à l'alinéa premier, doit être constatée par acte authentique dans les deux ans qui suivent la date de l'acte authentique d'acquisition.
Si l'acquisition ou la revente a eu lieu sous condition suspensive, le délai de revente est calculé sur la base de la date à laquelle cette condition a été remplie.
Les droits d'enregistrement se rapportant à la part du prix et des charges de l'acquisition qui excède la base d'imposition de l'acte de revente, déterminée conformément à l'article 2.9.3.0.1, ne sont pas restitués.
En cas de revente partielle, la part du prix d'acquisition qui se rapporte à la partie revendue est spécifiée dans la demande de restitution sous le contrôle de l'entité compétente de l'administration flamande.
[4 § 2/1. [6 Pour ce qui concerne l'impôt d'enregistrement, le membre du personnel compétent accorde également le dégrèvement du montant de l'impôt d'enregistrement qui est supérieur au droit de vente visé à [7 l'article 2.9.4.2.11, § 1er, l'article 2.9.4.2.12 et l'article 2.9.4.2.14,]7 à condition qu'une demande ait été déposée dans un délai de cinq ans à compter du 1er janvier de l'année dans laquelle le droit de restitution est né. La demande de restitution doit prouver que l'habitation [7 ou le terrain à bâtir]7 ayant empêché l'application du tarif réduit de l'article 2.9.4.2.11, § 1er a été aliénée totalement et à titre onéreux [9 au plus tard deux ans]9 [10 ou au plus tard trois ans en cas d'application du tarif réduit des articles 2.9.4.2.12 et 2.9.4.2.14,]10 après la date de l'acte authentique d'acquisition de l'autre habitation et qu'il existe un rapport causal entre cette aliénation et l'acquisition. En outre, il doit être satisfait dans la demande de restitution à l'obligation visée à l'article 3.12.3.0.1, § 1er et § 3.]6]4
§ 3. En ce qui concerne les droits d'enregistrement, le membre du personnel compétent accorde également le dégrèvement des droits d'enregistrement à condition qu'une demande ait été déposée dans un délai de cinq ans à compter du 1er janvier de l'année de la naissance du droit de restitution, démontrant qu'une vente pure a été effectuée par une personne physique d'une habitation en Région flamande [9 dont l'acte d'achat a été passé avant le 1er janvier 2022, et]9 dans laquelle elle a eu à un moment sa résidence principale pendant la période de dix-huit mois précédant l'achat pur du bien immeuble qu'elle affecte ou destine à sa nouvelle résidence principale [9 dont l'acte d'achat a été passé avant le 31 décembre 2023]9 et attestant, en cas de partage d'une telle habitation, que la personne physique a cédé tous ses droits dans celle-ci. Le dégrèvement est accordé pour la part légale dans les droits d'enregistrement levés sur l'achat du bien immeuble que la personne physique affecte ou destine à sa nouvelle résidence principale, [4 à condition que l'acte authentique de la vente ou du partage est passé au plus tard deux ans, ou cinq ans dans le cas de l'achat d'un terrain à bâtir, après la date de passation de l'acte authentique du nouvel achat.]4
Les droits d'enregistrement, payés pour l'acquisition d'un bien immeuble qui ne se trouve pas en Région flamande, ainsi que les droits complémentaires qui, pour quelque raison que ce soit, sont levés sur un achat sont exclus de la restitution, conformément aux dispositions du présent paragraphe.
La restitution, conformément aux dispositions du présent paragraphe, ne peut en aucun cas excéder le montant de la part légale de la personne physique dans les droits d'enregistrement dus, conformément aux articles 2.9.4.1.1, 2.9.4.2.1, § 2, 2°, ou au paragraphe 6, alinéa premier, 2°, de cet article, sur l'achat de l'habitation vendue ou partagée ou du terrain à bâtir sur lequel cette habitation a été construite.
Si une opération, telle que visée à l'alinéa premier, est précédée par une ou plusieurs de ces opérations ou par une ou plusieurs opérations telles que visées à l'article 2.9.5.0.1, alinéa premier, les droits d'enregistrement non encore restitués sur ces opérations antérieures en vertu de l'application des alinéas trois ou cinq du présent paragraphe ou les droits d'enregistrement non encore imputés en vertu de l'application de l'article 2.9.5.0.1, alinéa trois ou cinq, sont, le cas échéant, ajoutés à la part légale de la personne physique dans les droits d'enregistrement dus [6 conformément à l'article 2.9.4.1.1, à l'article 2.9.4.2.11, à l'article 2.9.4.2.12, à l'article 2.9.4.2.13 ou à l'article 2.9.4.2.14]6 sur l'avant-dernier achat pour déterminer le montant susceptible de restitution lors de la revente de celui-ci.
[6 Le montant à restituer, obtenu en application de l'alinéa premier ou quatre, ne peut jamais excéder 12.500 euros. Ce montant suit l'évolution de l'indice général des prix à la consommation du Royaume. Les montants sont adaptés chaque année au 1er janvier sur la base d'un coefficient obtenu en divisant la moyenne des indices mensuels de l'année qui précède l'année par la moyenne des indices mensuels de l'année 2017. La moyenne des indices mensuels est arrondie au centième supérieur ou inférieur selon que le chiffre des millièmes s'élève à cinq ou non et le coefficient est arrondi au dix millième supérieur ou inférieur, selon que le chiffre des cent millièmes s'élève à cinq ou non. Après l'application de ce coefficient, les montants sont arrondis aux cinq cent euros inférieurs. Le montant maximal indexé applicable est le montant pour l'année dans laquelle le droit à la restitution est né. Le montant maximal à restituer est fixé par rapport à la fraction que la personne physique obtient dans le bien nouvellement acquis.]6
La restitution est soumise aux conditions suivantes :
1° la demande de restitution, signée par la personne physique, est faite dans ou au pied de l'acte ou de l'écrit qui donne lieu à la levée des droits d'enregistrement sur la vente ou le partage [4 ou dans une demande de restitution séparée]4 ;
2° l'acte ou l'écrit, visé au point 1°, contient :
a) le montant et la date du paiement des droits d'enregistrement, perçus sur l'achat de l'habitation vendue ou partagée ou du terrain à bâtir sur lequel cette habitation est construite et mentionne la part légale de la personne physique dans les droits d'enregistrement, levés sur cet achat ;
b) le montant et la date du paiement des droits d'enregistrement, levés sur l'achat de la nouvelle résidence principale et indique la part légale de la personne physique dans les droits d'enregistrement, levés sur cet achat.
Si la restitution est demandée en application de l'alinéa quatre de ce paragraphe, l'acte ou l'écrit, visé au point 1°, doit par ailleurs mentionner le montant et la date du paiement des droits d'enregistrement apposés sur les actes ou écrits qui ont donné lieu, en ce qui concerne les opérations préalables à prendre en considération, à la levée des droits d'enregistrement et indiquer, pour chaque mention, la part légale de la personne physique dans les droits d'enregistrement imputés ou restitués ;
3° dans l'acte ou l'écrit, visé au point 1°, ou dans une mention signée et certifiée sincère et véritable au pied de cet acte ou de cet écrit, la personne physique déclare expressément :
a) qu'elle a eu sa résidence principale dans l'habitation revendue ou partagée à un moment dans la période de dix-huit mois précédant l'achat de l'habitation qu'elle affecte ou destine à sa nouvelle résidence principale ;
b) qu'elle a établi ou établira sa résidence principale à l'endroit du nouveau bien acheté :
1) s'il s'agit d'une habitation, dans les deux ans qui suivent soit la date de l'enregistrement de l'acte ou de l'écrit qui donne lieu à la levée des droits d'enregistrement sur l'achat lorsque cet acte ou cet écrit est présenté à l'enregistrement dans le délai stipulé précédemment, soit la date limite pour la présentation à l'enregistrement dans les délais si l'acte ou l'écrit qui donne lieu à la levée des droits d'enregistrement sur l'achat est présenté après l'expiration du délai stipulé à cet effet ;
2) s'il s'agit d'un terrain à bâtir, dans les cinq ans suivant la même date.
[4 ...]4
En cas d'inexactitude ou de non-respect des mentions prescrites dans le sixième alinéa, la personne physique est tenue au paiement des droits d'enregistrement irrégulièrement restitués.
§ 4. En ce qui concerne les droits d'enregistrement, le membre du personnel compétent accorde également un dégrèvement des droits d'enregistrement de six pour cent, perçus conformément à l'article 2.9.4.2.7, lorsqu'un bien acheté est revendu par acte authentique, passé dans les dix ans qui suivent la date de l'acte d'acquisition, à condition qu'une déclaration ait été déposée dans un délai de cinq ans à compter du 1er janvier de l'année de la naissance du droit de restitution, qui désigne le fait susmentionné.
Les dispositions du paragraphe 2, alinéas trois et quatre, sont d'application également à ce paragraphe.
§ 5. [4 [6 Pour ce qui est de l'impôt d'enregistrement, le membre du personnel compétent accorde également le dégrèvement du montant perçu supérieur au droit de vente visé soit à l'article 2.9.4.2.11, soit à l'article 2.9.4.2.12, soit à l'article 2.9.4.2.13, soit à l'article 2.9.4.2.14, à condition qu'une déclaration signée par l'acquéreur dans laquelle figurent les dispositions, mentionnées à l'article 3.12.3.0.1, requises pour l'obtention du tarif réduit, visé soit à l'article 2.9.4.2.11, soit à l'article 2.9.4.2.12, soit à l'article 2.9.4.2.13, soit à l'article 2.9.4.2.14, soit déposée dans un délai de cinq ans à compter du 1er janvier de l'année dans laquelle l'impôt est devenu exigible.]6]4
§ 6. [6 ...]6
§ 7. Les dispositions des articles 3.6.0.0.2 et 3.6.0.0.3 restent pleinement d'application à cet article.]1
Änderungen
Hoofdstuk 7. - Nietigverklaring
Chapitre 7. - Annulation
Art. 3.7.0.0.1. Een aanslag kan door het bevoegde personeelslid nietig verklaard worden omdat hij niet is gevestigd overeenkomstig een wettelijke regel, binnen een termijn van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin de belasting is gevestigd. Die termijn is niet van toepassing als de aanslag nietig is verklaard vanwege een regel over de verjaring.
Art. 3.7.0.0.2. § 1er. Si un impôt est annulé parce qu'il n'a pas été établi conformément à une règle légale, à l'exception d'une règle sur la prescription, l'entité compétente de l'administration flamande peut, même si le délai de l'établissement de l'impôt est déjà échu, établir un nouvel impôt au nom du même redevable, sur la base des mêmes données d'imposition ou sur une partie de ces dernières, dans les trois mois à partir de la date à laquelle la décision du membre du personnel compétent ne plus être portée devant un juge.
§ 2. Si contre la décision du membre du personnel compétent une demande en droit est instaurée et si le juge annule entièrement ou partiellement l'impôt, pour une raison autre que la prescription, l'affaire reste enrôlée pendant un délai de six mois à partir de la décision judiciaire. Pendant ce délai de six mois qui suspend les délais d'interjection d'opposition ou de recours ou de pourvoi en cassation, l'entité compétente de l'administration flamande peut soumettre un impôt subsidiaire à l'aide de conclusions au jugement du juge au nom du même redevable et sur la base des mêmes éléments d'imposition que dans l'impôt initial ou sur la base d'une partie de ces éléments d'imposition.
Si l'entité compétente de l'administration flamande présente un impôt subsidiaire au juge dans un délai de six mois, les délais d'interjeter opposition ou le pourvoi en cassation prennent cours, en dérogation à l'alinéa premier, à partir de la notification de la décision judiciaire sur l'impôt subsidiaire.
L'impôt subsidiaire n'est recouvrable ou remboursable qu'en exécution d'une décision judiciaire.
Si l'impôt subsidiaire est établi pour un contribuable assimilé en application du paragraphe 3, cet impôt est soumis au juge par une demande avec assignation notifiée au contribuable assimilé.
§ 3. Les personnes suivantes sont assimilées au même contribuable :
1° les héritiers du contribuable;
2° son époux ou cohabitant légal et la communauté matrimonial;
3° les sociétés repreneuses ou attributaires, suivant les cas;
[1 4° le liquidateur de la personne morale dont la liquidation est clôturée, en cette qualité ou, en son absence, les personnes considérées comme liquidateur en vertu de la partie 1, livre 2, titre 8, du Code des sociétés et des associations, pendant la période visée à l'article 2:143 du code précité.]1
§ 2. Si contre la décision du membre du personnel compétent une demande en droit est instaurée et si le juge annule entièrement ou partiellement l'impôt, pour une raison autre que la prescription, l'affaire reste enrôlée pendant un délai de six mois à partir de la décision judiciaire. Pendant ce délai de six mois qui suspend les délais d'interjection d'opposition ou de recours ou de pourvoi en cassation, l'entité compétente de l'administration flamande peut soumettre un impôt subsidiaire à l'aide de conclusions au jugement du juge au nom du même redevable et sur la base des mêmes éléments d'imposition que dans l'impôt initial ou sur la base d'une partie de ces éléments d'imposition.
Si l'entité compétente de l'administration flamande présente un impôt subsidiaire au juge dans un délai de six mois, les délais d'interjeter opposition ou le pourvoi en cassation prennent cours, en dérogation à l'alinéa premier, à partir de la notification de la décision judiciaire sur l'impôt subsidiaire.
L'impôt subsidiaire n'est recouvrable ou remboursable qu'en exécution d'une décision judiciaire.
Si l'impôt subsidiaire est établi pour un contribuable assimilé en application du paragraphe 3, cet impôt est soumis au juge par une demande avec assignation notifiée au contribuable assimilé.
§ 3. Les personnes suivantes sont assimilées au même contribuable :
1° les héritiers du contribuable;
2° son époux ou cohabitant légal et la communauté matrimonial;
3° les sociétés repreneuses ou attributaires, suivant les cas;
[1 4° le liquidateur de la personne morale dont la liquidation est clôturée, en cette qualité ou, en son absence, les personnes considérées comme liquidateur en vertu de la partie 1, livre 2, titre 8, du Code des sociétés et des associations, pendant la période visée à l'article 2:143 du code précité.]1
Art. 3.7.0.0.2.§ 1. Als een aanslag nietig verklaard is omdat hij niet is gevestigd overeenkomstig een wettelijke regel, met uitzondering van een regel over de verjaring, kan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, zelfs als de termijn om de aanslag te vestigen al verlopen is, op naam van dezelfde belastingplichtige, op grond van dezelfde belastingelementen of op een gedeelte ervan, een nieuwe aanslag vestigen binnen drie maanden vanaf de datum waarop de beslissing van het bevoegde personeelslid niet meer voor de rechter kan worden gebracht.
Chapitre 8. - Recours judiciaire
Hoofdstuk 8. - Gerechtelijk beroep
Art. 3.8.0.0.1. Les délais d'opposition, recours et cassation, ainsi que l'opposition, le recours et le pourvoi en cassation suspendent l'exequatur de la décision judiciaire.
Art. 3.8.0.0.1. De termijnen van verzet, hoger beroep en cassatie, alsook het verzet, het hoger beroep en de voorziening in cassatie schorsen de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke beslissing.
Art. 3.8.0.0.2. La demande portant pourvoi en cassation et la réponse au pourvoi peut être signée et déposée par un avocat.
Art. 3.8.0.0.2. Het verzoekschrift houdende voorziening in cassatie en het antwoord op de voorziening mag door een advocaat worden ondertekend en neergelegd.
Art. 3.8.0.0.3. Le membre du personnel compétent peut paraître au nom de la Région flamande en matière des litiges relatifs à l'application du présent code.
Art. 3.8.0.0.3. Inzake de geschillen over de toepassing van deze codex kan het bevoegde personeelslid in naam van het Vlaamse Gewest verschijnen.
Art. 3.8.0.0.4. [1 Les fonctionnaires et officiers publics ou ministériels qui, en vertu des dispositions de ce titre, peuvent, pour les parties qui ont avancé les droits d'enregistrement et, le cas échéant, les amendes administratives, demander une ordonnance exécutoire au juge de paix de leur canton pour en obtenir le remboursement.
L'article 3.8.0.0.1 est d'application à l'opposition signifiée contre cette ordonnance.]1
L'article 3.8.0.0.1 est d'application à l'opposition signifiée contre cette ordonnance.]1
Art. 3.8.0.0.4. [1 De openbare of ministeriële ambtenaren en officieren die, krachtens de bepalingen van deze titel, voor de partijen de registratiebelasting en, in voorkomend geval, de administratieve geldboeten voorgeschoten hebben, kunnen met het oog op de terugbetaling ervan, uitvoerbaar bevel vragen aan de vrederechter van hun kanton.
Chapitre 9. - Intérêts
Hoofdstuk 9. - Interesten
Section 1re. - Intérêts de retard
Afdeling 1. - Nalatigheidsinteresten
Art. 3.9.1.0.1.§ 1er. A défaut de paiement dans les délais, visés au chapitre 4, section 2, les sommes dues au profit de la Région flamande, rapportent, pour la durée du retard, un intérêt de [1 4]1 % sur base annuel, calculé par mois calendaire.
Art. 3.9.1.0.1. § 1. Bij wanbetaling binnen de termijnen, vermeld in hoofdstuk 4, afdeling 2, brengen de verschuldigde sommen ten bate van het Vlaamse Gewest, voor de duur van het verwijl, een interest van [1 4]1 % op jaarbasis op, berekend per kalendermaand.
Die interest wordt voor elke aanslag per kalendermaand berekend op de nog verschuldigde som, afgerond op het lagere veelvoud van tien euro, hetzij vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de vervaldag, hetzij vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de vorige betaling als een som is aangerekend op de hoofdsom van de schuld, tot op de laatste dag van de maand waarin de betaling plaatsvindt.
De nalatigheidsinterest is niet verschuldigd als hij geen vijf euro per maand bedraagt.
§ 2. Als de kennisgeving van de beslissing, vermeld in artikel 3.5.6.0.1, eerste lid, niet plaatsvindt binnen zes maanden na de datum van de ontvangst van het bezwaarschrift, is de nalatigheidsinterest, vermeld in paragraaf 1, niet verschuldigd voor het betwiste gedeelte van de aanslag gedurende het tijdperk dat begint op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de termijn van zes maanden verstrijkt en dat afloopt op het einde van de maand waarin een vordering conform artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek wordt ingesteld en, bij ontstentenis van een dergelijke vordering, op het einde van de maand waarin de voormelde beslissing is meegedeeld.
Die interest wordt voor elke aanslag per kalendermaand berekend op de nog verschuldigde som, afgerond op het lagere veelvoud van tien euro, hetzij vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de vervaldag, hetzij vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de vorige betaling als een som is aangerekend op de hoofdsom van de schuld, tot op de laatste dag van de maand waarin de betaling plaatsvindt.
De nalatigheidsinterest is niet verschuldigd als hij geen vijf euro per maand bedraagt.
§ 2. Als de kennisgeving van de beslissing, vermeld in artikel 3.5.6.0.1, eerste lid, niet plaatsvindt binnen zes maanden na de datum van de ontvangst van het bezwaarschrift, is de nalatigheidsinterest, vermeld in paragraaf 1, niet verschuldigd voor het betwiste gedeelte van de aanslag gedurende het tijdperk dat begint op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de termijn van zes maanden verstrijkt en dat afloopt op het einde van de maand waarin een vordering conform artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek wordt ingesteld en, bij ontstentenis van een dergelijke vordering, op het einde van de maand waarin de voormelde beslissing is meegedeeld.
Art. 3.9.1.0.2. Dans des cas exceptionnels, le membre du personnel compétent peut, aux conditions que ce dernier a fixées, accorder une exonération de tous les intérêts de retard ou d'une partie de ces derniers.
Art. 3.9.1.0.2. In bijzondere gevallen mag het bevoegde personeelslid, onder door hem bepaalde voorwaarden, vrijstelling verlenen voor al de nalatigheidsinteresten of voor een deel ervan.
Art. 3.9.1.0.3. [1 La personne morale qui obtient, en matière de droits de succession, la suspension visée à l'article 3.10.3.1.3, doit payer les intérêts de retard comme si elle n'avait pas obtenu cette suspension.
En matière de droits de succession dont le recouvrement a été suspendu en application de l'article 3.10.3.1.4, les intérêts de retard ne sont dus que si les droits de succession ne sont pas acquittés par la dation en paiement.]1
En matière de droits de succession dont le recouvrement a été suspendu en application de l'article 3.10.3.1.4, les intérêts de retard ne sont dus que si les droits de succession ne sont pas acquittés par la dation en paiement.]1
Art. 3.9.1.0.3. [1 De rechtspersoon die inzake de erfbelasting de schorsing, vermeld in artikel 3.10.3.1.3, verkrijgt, moet nalatigheidsinteresten betalen alsof hij die schorsing niet verkregen had.
Section 2. - Intérêts moratoires
Afdeling 2. - Moratoriuminteresten
Art. 3.9.2.0.1.En cas de remboursement d'impôts, d'intérêts de retard, d'majorations d'impôts ou d'amendes administratives, un intérêt moratoire est accordé à un taux d'intérêt de [3 4]3 % sur base annuelle, calculé par mois calendaire.
Art. 3.9.2.0.1.Bij terugbetaling van belastingen, nalatigheidsinteresten, belastingverhogingen of administratieve geldboeten wordt moratoriuminterest toegekend tegen een rentevoet van [3 4]3 % op jaarbasis, berekend per kalendermaand.
Chapitre 10. - Recouvrement
Hoofdstuk 10. - Invordering
Section 1re. - Rappel
Afdeling 1. - Herinnering
Art. 3.10.1.0.1. Réservé pour un usage futur
Art. 3.10.1.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.
Section 2. - Dernier rappel
Afdeling 2. - Laatste herinnering
Art. 3.10.2.0.1. Le membre du personnel compétent doit envoyer une lettre de rappel au moins un mois avant que le huissier de justice ne donne un ordre de paiement, sauf si les droits de la Région flamande sont en péril.
Art. 3.10.2.0.1. Het bevoegde personeelslid moet een herinneringsbrief sturen ten minste één maand voor de gerechtsdeurwaarder een bevel tot betaling opstelt, behalve als de rechten van het Vlaamse Gewest in gevaar zijn.
Section 3. - Poursuite
Afdeling 3. - Vervolging
Sous-section 1re. - Généralités
Onderafdeling 1. - Algemeen
Art. 3.10.3.1.1.§ 1er. L'impôt enrôlé au nom d'une personne physique ou morale peut être recouvré au nom de cette personne.
Art. 3.10.3.1.1. § 1. De belasting die wordt ingekohierd op naam van één natuurlijke persoon of rechtspersoon, kan ten laste van die persoon worden ingevorderd.
§ 2. De onroerende voorheffing die wordt ingekohierd op naam van verschillende natuurlijke personen of rechtspersonen kan, behalve in geval van andersluidende wetsbepalingen, slechts ten laste van elk van hen worden ingevorderd voor het gedeelte dat verband houdt met hun aandeel in het onroerend goed. Het kohier is uitvoerbaar tegen elk van hen in de mate dat de aanslag ten laste van die natuurlijke personen of rechtspersonen kan worden ingevorderd op grond van het gemeen recht of op grond van de bepalingen van deze codex.
De verkeersbelasting, de belasting op de inverkeerstelling [5 ...]5, [2 de administratieve geldboetes die worden opgelegd ingevolge overtredingen van de regelgeving inzake de kilometerheffing]2 de leegstandsheffing bedrijfsruimten, de [3 heffing ongeschikte en onbewoonbare woningen]3 [4 , de heffing, vermeld in titel II, hoofdstuk VI, afdeling 2, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, de belasting op de spelen en weddenschappen of de belasting op de automatische ontspanningstoestellen,]4 die ingekohierd is op naam van verschillende natuurlijke personen of rechtspersonen, kan, behalve in geval van andersluidende bepalingen in deze codex, ten laste van elk van hen worden ingevorderd. De belastingschuldigen zijn hoofdelijk gehouden tot betaling van de belasting.
[1 De registratiebelasting, die wordt ingekohierd op naam van verschillende natuurlijke personen of rechtspersonen, kan, behalve in geval van andersluidende wetsbepalingen, alleen ten laste van elk van hen worden ingevorderd voor het gedeelte dat verband houdt met hun aandeel in het goed dat het voorwerp uitmaakt van de overeenkomst. Het kohier is uitvoerbaar tegen elk van hen in de mate dat de aanslag ten laste van die natuurlijke of rechtspersonen kan worden ingevorderd op grond van het gemeen recht of op grond van de bepalingen van deze codex.]1
§ 3. Het kohier is uitvoerbaar tegen de personen die er niet in zijn opgenomen als ze gehouden zijn tot de betaling van de belastingschuld op grond van het gemeen recht of op grond van de bepalingen van deze codex.
§ 2. De onroerende voorheffing die wordt ingekohierd op naam van verschillende natuurlijke personen of rechtspersonen kan, behalve in geval van andersluidende wetsbepalingen, slechts ten laste van elk van hen worden ingevorderd voor het gedeelte dat verband houdt met hun aandeel in het onroerend goed. Het kohier is uitvoerbaar tegen elk van hen in de mate dat de aanslag ten laste van die natuurlijke personen of rechtspersonen kan worden ingevorderd op grond van het gemeen recht of op grond van de bepalingen van deze codex.
De verkeersbelasting, de belasting op de inverkeerstelling [5 ...]5, [2 de administratieve geldboetes die worden opgelegd ingevolge overtredingen van de regelgeving inzake de kilometerheffing]2 de leegstandsheffing bedrijfsruimten, de [3 heffing ongeschikte en onbewoonbare woningen]3 [4 , de heffing, vermeld in titel II, hoofdstuk VI, afdeling 2, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, de belasting op de spelen en weddenschappen of de belasting op de automatische ontspanningstoestellen,]4 die ingekohierd is op naam van verschillende natuurlijke personen of rechtspersonen, kan, behalve in geval van andersluidende bepalingen in deze codex, ten laste van elk van hen worden ingevorderd. De belastingschuldigen zijn hoofdelijk gehouden tot betaling van de belasting.
[1 De registratiebelasting, die wordt ingekohierd op naam van verschillende natuurlijke personen of rechtspersonen, kan, behalve in geval van andersluidende wetsbepalingen, alleen ten laste van elk van hen worden ingevorderd voor het gedeelte dat verband houdt met hun aandeel in het goed dat het voorwerp uitmaakt van de overeenkomst. Het kohier is uitvoerbaar tegen elk van hen in de mate dat de aanslag ten laste van die natuurlijke of rechtspersonen kan worden ingevorderd op grond van het gemeen recht of op grond van de bepalingen van deze codex.]1
§ 3. Het kohier is uitvoerbaar tegen de personen die er niet in zijn opgenomen als ze gehouden zijn tot de betaling van de belastingschuld op grond van het gemeen recht of op grond van de bepalingen van deze codex.
Änderungen
Art. 3.10.3.1.2. [1 [2 L'héritier, grevé de substitution en défaut de déposer la déclaration prescrite à l'article 3.3.1.0.6, alinéa premier, 5°, est solidairement tenu]2 avec le redevable, en matière de droits de succession, au paiement des droits et accessoires qui ont été éludés par le fait de l'infraction et, le cas échéant, des intérêts de retard et des amendes administratives et accroissements.]1
Art. 3.10.3.1.2. [1 [2 De met erfstelling bezwaarde erfgenaam die de aangifte in het geval, vermeld in artikel 3.3.1.0.6, eerste lid, 5°, niet indient, is]2 inzake de erfbelasting met de belastingschuldige hoofdelijk gehouden tot de betaling van de belastingen en toebehoren, die door de inbreuk ontdoken werden, en, in voorkomend geval, van de nalatigheidsinteresten en van de administratieve geldboetes en de belastingverhogingen.]1
Art. 3.10.3.1.3. [1 Si un legs au profit d'une personne morale dont le siège [2 ...]2, l'administration centrale ou le principal établissement est situé sur le territoire d'un Etat de l'Espace économique européen est soumis à une autorisation ou une approbation de l'autorité, le recouvrement, en matière de droits de succession, des droits et accessoires dus par cette personne morale est suspendu pendant deux mois à la demande écrite de la personne morale.]1
Art. 3.10.3.1.3. [1 Als een legaat ten behoeve van een rechtspersoon met [2 ...]2 zetel, hoofdbestuur of hoofdvestiging op het grondgebied van een staat van de Europese Economische Ruimte aan een machtiging of aan een goedkeuring van de overheid onderworpen is, wordt inzake de erfbelasting, op schriftelijk verzoek van de rechtspersoon, de invordering van de belastingen en toebehoren, verschuldigd door die rechtspersoon, geschorst gedurende twee maanden.]1
Art. 3.10.3.1.5. [1 En cas d'application de l'article 2.8.4.2.3, alinéa deux, le donateur et les donataires sont solidairement tenus au paiement des droits complémentaires.
En cas d'application de l'article 2.8.4.2.3, alinéa trois, les donataires qui ont contracté l'engagement et ne l'ont pas respecté sont par ailleurs solidairement tenus au paiement de tous les droits complémentaires sur les parts de leurs codonataires qui n'ont pas pris d'engagements sauf s'il reste un codonataire qui a respecté ses engagements.]1
En cas d'application de l'article 2.8.4.2.3, alinéa trois, les donataires qui ont contracté l'engagement et ne l'ont pas respecté sont par ailleurs solidairement tenus au paiement de tous les droits complémentaires sur les parts de leurs codonataires qui n'ont pas pris d'engagements sauf s'il reste un codonataire qui a respecté ses engagements.]1
Art. 3.10.3.1.5. [1 In geval van toepassing van artikel 2.8.4.2.3, tweede lid, zijn de schenker en de begiftigden hoofdelijk gehouden tot de betaling van de aanvullende rechten.
In geval van toepassing van artikel 2.8.4.2.3, derde lid, zijn de begiftigden die de verbintenis zijn aangegaan en niet zijn nagekomen, bovendien hoofdelijk gehouden tot de betaling van alle aanvullende rechten over de aandelen van hun medebegiftigden die de verbintenissen niet zijn aangegaan, tenzij er een medebegiftigde rest die wel de verbintenis die door hem is aangegaan, is nagekomen.]1
In geval van toepassing van artikel 2.8.4.2.3, derde lid, zijn de begiftigden die de verbintenis zijn aangegaan en niet zijn nagekomen, bovendien hoofdelijk gehouden tot de betaling van alle aanvullende rechten over de aandelen van hun medebegiftigden die de verbintenissen niet zijn aangegaan, tenzij er een medebegiftigde rest die wel de verbintenis die door hem is aangegaan, is nagekomen.]1
Art. 3.10.3.1.7bis. [1 Si la déclaration à propos de l'exploitation des biens immeubles échangés, prescrite à l'[2 article 3.12.3.0.1, § 3, alinéa 3,]2 est estimée inexacte, les parties sont solidairement tenues au paiement des droits complémentaires.]1
Art. 3.10.3.1.8.[1 Als de verklaring over de uitbating van de geruilde onroerende goederen, vermeld in [2 artikel 3.12.3.0.1, § 3, derde lid,]2 onjuist wordt bevonden, zijn de partijen hoofdelijk gehouden tot de betaling van de aanvullende rechten.]1
Sous-section 2. - Poursuite directe.
Onderafdeling 2. - Rechtstreekse vervolging
Art. 3.10.3.2.1. Si les impôts et les accessoires ne sont pas réglés, les membres du personnel compétents peuvent émettre une lettre de contrainte.
Art. 3.10.3.2.1. Als de belastingen en toebehoren niet voldaan worden, kunnen de bevoegde personeelsleden een dwangschrift uitvaardigen.
Sous-section 3. - Poursuite indirecte.
Onderafdeling 3. - Onrechtstreekse vervolging
Art. 3.10.3.3.1. Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités de la poursuite indirecte.
Art. 3.10.3.3.1. De Vlaamse Regering kan de regels bepalen voor de onrechtstreekse vervolging.
Sous-section 4. - Frais de poursuite
Onderafdeling 4. - Vervolgingskosten
Art. 3.10.3.4.1. Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités des frais de la poursuite.
Art. 3.10.3.4.1. De Vlaamse Regering kan de regels bepalen voor de vervolgingskosten.
Sous-section 5. - Personnes chargées de la poursuite
Onderafdeling 5. - Met vervolging belaste personen
Art. 3.10.3.5.1. Le Gouvernement flamand peut fixer quelles sont les personnes chargées de la poursuite et quelles sont les règles qu'elles doivent respecter.
Art. 3.10.3.5.1. De Vlaamse Regering kan bepalen welke personen belast zijn met vervolging en welke regels ze moeten naleven.
Section 4. - Cas particuliers
Afdeling 4. - Bijzondere gevallen
Sous-section 1re. - Recouvrement auprès d'époux ou ex-époux et auprès des cohabitants légaux ou les ex-cohabitants légaux
Onderafdeling 1. - Invordering bij echtgenoten of ex-echtgenoten en bij wettelijk samenwonenden of ex-wettelijksamenwonenden
Art. 3.10.4.1.1. Avec maintien de l'application de l'article 3.10.4.1.2, le recouvrement d'un impôt qui est enrôlé au nom d'un époux ou cohabitant légal peut être poursuivi à charge de l'autre époux ou cohabitant légal à condition qu'un exemplaire de la feuille d'imposition a été envoyée à l'autre époux ou cohabitant légal.
Art. 3.10.4.1.1. Met behoud van de toepassing van artikel 3.10.4.1.2, mag de invordering van een belasting die is ingekohierd op naam van de ene echtgenoot of wettelijk samenwonende, worden vervolgd ten laste van de andere echtgenoot of wettelijk samenwonende op voorwaarde dat aan de andere echtgenoot of wettelijk samenwonende een exemplaar van het aanslagbiljet is toegezonden.
Door de verzending van het aanslagbiljet begint voor de geadresseerde de termijn voor bezwaar, vermeld in hoofdstuk 5, afdeling 2, te lopen.
Door de verzending van het aanslagbiljet begint voor de geadresseerde de termijn voor bezwaar, vermeld in hoofdstuk 5, afdeling 2, te lopen.
Art. 3.10.4.1.2. § 1er. L'impôt peut, quel que soit le régime de patrimoine conjugal adopté ou quel que soit l'acte notarial réglant la cohabitation légale, être récupéré à charge de tous les biens propres et communs des deux époux ou de tous les biens indivisés des deux cohabitants légaux.
L'impôt qui est dû par un époux ou cohabitant légal, ne peut cependant pas être récupéré à charge des propres biens de l'autre époux ou cohabitant légal si ce dernier démontre un des faits suivants :
1° il possédait ces biens avant le mariage ou avant la déclaration de cohabitation légale;
2° les biens résultent d'un héritage ou d'une donation par une personne autre que l'époux ou cohabitant légal;
3° il a obtenu ces biens à l'aide de fonds provenant de la réalisation de tels biens;
4° il s'agit de revenus qui lui sont propres en vertu du droit civil ou de biens qu'il a acquis avec ces revenus.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, les impôts qui sont établis plus de deux ans après la date de la séparation de fait, ne peuvent, en cas de séparation des époux ou des cohabitants légaux, plus être recouvrés du revenu de l'autre époux ou cohabitant légal ou des biens que l'autre époux ou cohabitant légal a acquis avec ce revenu.
§ 3. A près dissolution du mariage ou à la fin de la cohabitation légale, visée à l'article 1476 du Code civil, les impôts qui sont établis avant cette dissolution ou cette fin, peuvent être recouvrés des biens des deux époux ou cohabitants légaux, de la façon, citée dans les paragraphes 1er et 2.
§ 4. Le paragraphe 1er ne s'applique pas aux impôts qui sont établis avant le mariage et avant la déclaration de cohabitation légale.
§ 5. Seul le paragraphe 1er, alinéa premier, s'applique au précompte immobilier, à la taxe sur les sites d'activité économique désaffectés et la [1 taxe sur les habitations inadaptées et insalubres]1 ou la redevance citée dans le titre II, chapitre VI, section 2, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire, qui ont trait à un bien commun.
§ 6. Vu la solidarité conformément à l'article 3.10.3.1.1, § 2, alinéa deux, le présent article ne s'applique pas à la taxe sur les sites d'activité économique désaffectés et la [1 taxe sur les habitations inadaptées et insalubres]1 ou la redevance citée dans le titre II, chapitre VI, section 2, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire, si cet impôt est enrôlé au nom des deux époux ou cohabitants légaux et si le bien imposé ne fait pas partie de la communauté.
L'impôt qui est dû par un époux ou cohabitant légal, ne peut cependant pas être récupéré à charge des propres biens de l'autre époux ou cohabitant légal si ce dernier démontre un des faits suivants :
1° il possédait ces biens avant le mariage ou avant la déclaration de cohabitation légale;
2° les biens résultent d'un héritage ou d'une donation par une personne autre que l'époux ou cohabitant légal;
3° il a obtenu ces biens à l'aide de fonds provenant de la réalisation de tels biens;
4° il s'agit de revenus qui lui sont propres en vertu du droit civil ou de biens qu'il a acquis avec ces revenus.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, les impôts qui sont établis plus de deux ans après la date de la séparation de fait, ne peuvent, en cas de séparation des époux ou des cohabitants légaux, plus être recouvrés du revenu de l'autre époux ou cohabitant légal ou des biens que l'autre époux ou cohabitant légal a acquis avec ce revenu.
§ 3. A près dissolution du mariage ou à la fin de la cohabitation légale, visée à l'article 1476 du Code civil, les impôts qui sont établis avant cette dissolution ou cette fin, peuvent être recouvrés des biens des deux époux ou cohabitants légaux, de la façon, citée dans les paragraphes 1er et 2.
§ 4. Le paragraphe 1er ne s'applique pas aux impôts qui sont établis avant le mariage et avant la déclaration de cohabitation légale.
§ 5. Seul le paragraphe 1er, alinéa premier, s'applique au précompte immobilier, à la taxe sur les sites d'activité économique désaffectés et la [1 taxe sur les habitations inadaptées et insalubres]1 ou la redevance citée dans le titre II, chapitre VI, section 2, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire, qui ont trait à un bien commun.
§ 6. Vu la solidarité conformément à l'article 3.10.3.1.1, § 2, alinéa deux, le présent article ne s'applique pas à la taxe sur les sites d'activité économique désaffectés et la [1 taxe sur les habitations inadaptées et insalubres]1 ou la redevance citée dans le titre II, chapitre VI, section 2, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire, si cet impôt est enrôlé au nom des deux époux ou cohabitants légaux et si le bien imposé ne fait pas partie de la communauté.
Art. 3.10.4.1.2.§ 1. De belasting mag, ongeacht het aangenomen huwelijksvermogensstelsel of ongeacht de notariële overeenkomst waarin de wettelijke samenwoning is geregeld, op al de eigen en de gemeenschappelijke goederen van beide echtgenoten of op al de eigen en de onverdeelde goederen van beide wettelijk samenwonenden worden verhaald.
Sous-section 2. - Recouvrement auprès de sociétés.
Onderafdeling 2. - Invordering bij vennootschappen
Art. 3.10.4.2.1.[1 Le recouvrement de l'impôt établi au nom des associés de sociétés sans personnalité juridique ou des membres d'associations sans personnalité juridique, peut être directement poursuivie à charge de la société ou de l'association si cet impôt correspond proportionnellement à la quote-part des associés ou des membres dans les bénéfices ou profits non payés des ces sociétés ou associations.]1
Art. 3.10.4.2.1. [1 De invordering van de belasting die gevestigd is op naam van de vennoten van vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid of van de leden van verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid, kan rechtstreeks ten laste van de vennootschap of de vereniging worden vervolgd als die belasting proportioneel overeenstemt met het aandeel van de vennoten of leden in de niet-uitgekeerde winst of baten van die vennootschappen of verenigingen.]1
Art. 3.10.4.2.2. Le recouvrement de l'impôt d'une société dissociée en application des [1 articles 12:4 à 12:6 du Code des sociétés et des associations]1 ou d'un acte similaire dans le cadre des droits de société soumise à un droit étranger, qui est établie au nom des sociétés attributaires, peut, sauf dans le cas de mentions dérogatoires dans l'acte réglant l'opération, être effectué au nom de chaque société attributaire. Chaque société attributaire est solidairement tenue au paiement de l'impôt.
Art. 3.10.4.2.2.De invordering van de belasting van een met toepassing van [1 artikel 12:4 tot en met 12:6 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen]1 of van een gelijkaardige vennootschapsrechtelijke verrichting onder buitenlands recht gesplitste vennootschap die gevestigd is op naam van de verkrijgende vennootschappen, kan, behalve in geval van afwijkende vermeldingen in de akte die de verrichting vaststelt, worden verricht op naam van iedere verkrijgende vennootschap. Elke verkrijgende vennootschap is hoofdelijk gehouden tot betaling van de belasting.
Sous-section 3. - Recouvrement auprès des héritiers.
Onderafdeling 3. - Invordering bij erfgenamen
Art. 3.10.4.3.1.[1 Les héritiers, légataires universels et donataires dans la succession d'un habitant du Royaume sont, chacun en proportion de leur part, tenus solidairement au paiement de l'ensemble des droits de succession, des intérêts de retard et des frais de poursuite et d'exécution, dus par les légataires et donataires à titre universel ou à titre particulier, hormis leur recours sur ces légataires et donataires à titre universel ou particulier.
Art. 3.10.4.3.1.[1 De erfgenamen, algemene legatarissen en begiftigden in de nalatenschap van een rijksinwoner zijn, ieder in verhouding tot zijn erfdeel, samen gehouden tot de betaling van het gezamenlijke successierecht, de nalatigheidsinteresten en de kosten van vervolging en tenuitvoerlegging, verschuldigd door de legatarissen en begiftigden onder algemene titel of onder bijzondere titel, behoudens hun verhaal op die legatarissen en begiftigden onder algemene titel of bijzondere titel.
Sous-section 4. - Recouvrement auprès d'autres personnes tenues de payer les dettes
Onderafdeling 4. - Invordering bij andere personen die gehouden zijn tot betaling van de schuld
Art. 3.10.4.4.1. L'administration ou la structure qui est chargée de la gestion d'un bien de l'état, d'une communauté ou d'une région, est responsable du paiement des impôts ayant trait à ce bien.
Art. 3.10.4.4.1. De administratie of de instelling die belast is met het beheer van een goed van de staat, van een gemeenschap of van een gewest, is verantwoordelijk voor de betaling van de belastingen die op dat goed betrekking hebben.
Art. 3.10.4.4.2. Tant qu'une propriété n'a pas été transcrite dans les documents [1 de l'Administration générale de la Documentation patrimoniale]1, l'ancien propriétaire ou ses héritiers sont, sauf s'ils prouvent que les bien imposables sont passés à un autre propriétaire et qu'ils font connaître l'identité et l'adresse complète du nouveau propriétaire, responsables du paiement du précompte immobilier, sauf leur récupération du nouveau propriétaire.
En cas de présentation de la pièce justificative, citée dans l'alinéa premier, le recouvrement du précompte immobilier, enrôlé au nom de l'ancien propriétaire d'un bien immobilier qui a changé de titulaire, peut être continué en vertu du même rôle à charge du débiteur réel de l'impôt. Le redevable reçoit un nouvel exemplaire de la feuille d'imposition avec la mention qu'elle a été émise en vertu de la présente disposition.
En cas de présentation de la pièce justificative, citée dans l'alinéa premier, le recouvrement du précompte immobilier, enrôlé au nom de l'ancien propriétaire d'un bien immobilier qui a changé de titulaire, peut être continué en vertu du même rôle à charge du débiteur réel de l'impôt. Le redevable reçoit un nouvel exemplaire de la feuille d'imposition avec la mention qu'elle a été émise en vertu de la présente disposition.
Art. 3.10.4.4.2. Zolang een eigendom niet is overgeschreven in de stukken van [1 de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie]1, zijn de vroegere eigenaar of zijn erfgenamen, tenzij ze bewijzen dat de belastbare goederen op een andere eigenaar zijn overgegaan en dat ze de identiteit en het volledige adres van de nieuwe eigenaar laten kennen, aansprakelijk voor de betaling van de onroerende voorheffing, behoudens hun verhaal op de nieuwe eigenaar.
In geval van overlegging van het bewijsstuk, vermeld in het eerste lid, mag de invordering van de onroerende voorheffing, ingekohierd op naam van de vroegere eigenaar van een onroerend goed dat van titularis is veranderd, krachtens hetzelfde kohier worden voortgezet ten laste van de werkelijke schuldenaar van de belasting. De belastingschuldige ontvangt een nieuw exemplaar van het aanslagbiljet met de vermelding dat het krachtens deze bepaling is uitgereikt.
In geval van overlegging van het bewijsstuk, vermeld in het eerste lid, mag de invordering van de onroerende voorheffing, ingekohierd op naam van de vroegere eigenaar van een onroerend goed dat van titularis is veranderd, krachtens hetzelfde kohier worden voortgezet ten laste van de werkelijke schuldenaar van de belasting. De belastingschuldige ontvangt een nieuw exemplaar van het aanslagbiljet met de vermelding dat het krachtens deze bepaling is uitgereikt.
Art. 3.10.4.4.3. [1 Les représentants des héritiers, légataires et donataires, les curateurs de successions vacantes, les séquestres, les exécuteurs testamentaires et tous les autres qui ont pour mission ou assument la charge de déposer la déclaration sont tenus, envers la Région flamande, au paiement des droits de succession, des intérêts de retard et des frais de poursuite et d'exécution s'ils sont en défaut de satisfaire aux obligations relatives à la déclaration de la succession.]1
Art. 3.10.4.4.3. [1 De vertegenwoordigers van de erfgenamen, legatarissen en begiftigden, de curatoren van onbeheerde nalatenschappen, de sekwesters, de testamentuitvoerders en alle anderen die tot opdracht hebben of de last op zich genomen hebben de aangifte in te dienen, zijn tegenover het Vlaamse Gewest gehouden tot de betaling van de erfbelasting, van de nalatigheidsinteresten en de kosten van vervolging en tenuitvoerlegging als ze in gebreke zijn gebleven om aan de verplichtingen inzake de aangifte van de nalatenschap te voldoen.]1
Art. 3.10.4.4.4. [1 En ce qui concerne les droits d'enregistrement, les droits et les accessoires peuvent également être recouvrés à charge :
1° des personnes qui sont tenues de présenter à l'enregistrement conformément à l'article 35, alinéa premier, 1°, 4° et 5°, du Code fédéral des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe si l'imposabilité est attestée par les actes ou écrits qu'elles ont présentés à l'enregistrement ;
2° chacune des parties contractantes en cas :
a) d'acte sous seing privé ou d'acte passé à l'étranger tels que visés à l'article 19, alinéa premier, 2°, du Code fédéral des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe ;
b) de convention en vertu de l'application de l'article 31, alinéa premier, 1° et 2°, du Code fédéral des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe ;
c) de convention qui fait l'objet d'un jugement ou arrêt tel que visé à l'article 35, quatrième alinéa, du Code fédéral des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe.]1
[2 Les droits complémentaires en matière d'impôt d'enregistrement sont dans les cas suivants dus par chacune des parties contractantes qui ont participé à l'infraction :
1° en cas de dissimulation du prix et des charges ou de la valeur convenue ;
2° si le contrat, établi dans un acte, n'est pas celui conclu par les parties, ou si l'acte relatif à un accord, mentionné à l'article 19, premier alinéa, 2° ou 5°, du Code fédéral des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, est incomplet ou incorrect, étant entendu qu'il n'illustre pas tous les composants de l'accord.
Pour les cas mentionnés à l'alinéa deux, les parties qui ont participé à l'infraction, sont principalement tenues au paiement des droits complémentaires.]2
1° des personnes qui sont tenues de présenter à l'enregistrement conformément à l'article 35, alinéa premier, 1°, 4° et 5°, du Code fédéral des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe si l'imposabilité est attestée par les actes ou écrits qu'elles ont présentés à l'enregistrement ;
2° chacune des parties contractantes en cas :
a) d'acte sous seing privé ou d'acte passé à l'étranger tels que visés à l'article 19, alinéa premier, 2°, du Code fédéral des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe ;
b) de convention en vertu de l'application de l'article 31, alinéa premier, 1° et 2°, du Code fédéral des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe ;
c) de convention qui fait l'objet d'un jugement ou arrêt tel que visé à l'article 35, quatrième alinéa, du Code fédéral des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe.]1
[2 Les droits complémentaires en matière d'impôt d'enregistrement sont dans les cas suivants dus par chacune des parties contractantes qui ont participé à l'infraction :
1° en cas de dissimulation du prix et des charges ou de la valeur convenue ;
2° si le contrat, établi dans un acte, n'est pas celui conclu par les parties, ou si l'acte relatif à un accord, mentionné à l'article 19, premier alinéa, 2° ou 5°, du Code fédéral des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, est incomplet ou incorrect, étant entendu qu'il n'illustre pas tous les composants de l'accord.
Pour les cas mentionnés à l'alinéa deux, les parties qui ont participé à l'infraction, sont principalement tenues au paiement des droits complémentaires.]2
Art. 3.10.4.4.4. [1 Voor wat betreft de registratiebelasting kunnen de belasting en de toebehoren eveneens ingevorderd worden ten laste van :
1° de personen die verplicht zijn tot aanbieding ter registratie overeenkomstig artikel 35, eerste lid, 1°, 4° en 5°, van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, als de belastbaarheid blijkt uit de akten of geschriften, die door hen ter registratie aangeboden zijn;
2° elk van de contracterende partijen in geval van :
a) een onderhandse of in het buitenland verleden akte als vermeld in artikel 19, eerste lid, 2°, van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten;
b) een overeenkomst in geval van toepassing van artikel 31, eerste lid, 1° en 2°, van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten;
c) een overeenkomst die het voorwerp uitmaakt van een vonnis of arrest als vermeld in artikel 35, vierde lid, van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten.]1
[2 De aanvullende rechten inzake de registratiebelasting zijn in de volgende gevallen verschuldigd door elk van de contracterende partijen die aan de overtreding hebben deelgenomen:
1° in geval van bewimpeling over de prijs en de lasten of de overeengekomen waarde;
2° als de overeenkomst, vastgesteld in een akte, niet de overeenkomst is die door de partijen is gesloten, of als de akte betreffende een overeenkomst, vermeld in artikel 19, eerste lid, 2° of 5°, van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, onvolledig of onjuist is, met dien verstande dat ze al de bestanddelen van de overeenkomst niet weergeeft.
In de gevallen, vermeld in het tweede lid, zijn de partijen die aan de overtreding hebben deelgenomen, hoofdelijk gehouden tot de betaling van de aanvullende rechten.]2
1° de personen die verplicht zijn tot aanbieding ter registratie overeenkomstig artikel 35, eerste lid, 1°, 4° en 5°, van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, als de belastbaarheid blijkt uit de akten of geschriften, die door hen ter registratie aangeboden zijn;
2° elk van de contracterende partijen in geval van :
a) een onderhandse of in het buitenland verleden akte als vermeld in artikel 19, eerste lid, 2°, van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten;
b) een overeenkomst in geval van toepassing van artikel 31, eerste lid, 1° en 2°, van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten;
c) een overeenkomst die het voorwerp uitmaakt van een vonnis of arrest als vermeld in artikel 35, vierde lid, van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten.]1
[2 De aanvullende rechten inzake de registratiebelasting zijn in de volgende gevallen verschuldigd door elk van de contracterende partijen die aan de overtreding hebben deelgenomen:
1° in geval van bewimpeling over de prijs en de lasten of de overeengekomen waarde;
2° als de overeenkomst, vastgesteld in een akte, niet de overeenkomst is die door de partijen is gesloten, of als de akte betreffende een overeenkomst, vermeld in artikel 19, eerste lid, 2° of 5°, van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, onvolledig of onjuist is, met dien verstande dat ze al de bestanddelen van de overeenkomst niet weergeeft.
In de gevallen, vermeld in het tweede lid, zijn de partijen die aan de overtreding hebben deelgenomen, hoofdelijk gehouden tot de betaling van de aanvullende rechten.]2
Art. 3.10.4.4.5. [1 Le représentant, visé à l'article 2.9.4.2.4, § 2, 3°, est solidairement tenu aux obligations fiscales de l'acquéreur visé au même point 3°.]1
Art. 3.10.4.4.5. [1 De vertegenwoordiger, vermeld in artikel 2.9.4.2.4, § 2, 3°, is hoofdelijk gehouden tot de fiscale verplichtingen van de verkrijger, vermeld in hetzelfde punt 3°.]1
Art. 3.10.4.4.6. [1 Si le contribuable n'a pas déclaré l'appareil automatique de divertissement, la personne autorisant en tant qu'exploitant de salles ou d'autres endroits, tels que visés à l'article 2.13.1.0.1, que l'appareil automatique de divertissement soit installé dans ces salles ou à d'autres endroits, est considéré comme redevable des taxes et accessoires.]1
Art. 3.10.4.4.6. [1 Als de belastingplichtige het automatische ontspanningstoestel niet heeft aangegeven, wordt de persoon die als uitbater van lokalen of andere plaatsen als vermeld in artikel 2.13.1.0.1, toelaat om in die lokalen of andere plaatsen het automatisch ontspanningstoestel op te stellen, als belastingschuldige beschouwd voor de belasting en toebehoren.]1
Sous-section 5. - Recouvrement de l'Eurovignette auprès de débiteurs d'impôts autres que le propriétaire
Onderafdeling 5. - Invordering van het eurovignet bij andere belastingschuldigen dan de eigenaar
Art. 3.10.4.5.1. En cas de non paiement par le propriétaire, l'entrepreneur, le détenteur ou le chauffeur du véhicule sont solidairement tenus de payer l'Eurovignette, sous réserve de leur recours vis-à-vis du propriétaire.
Art. 3.10.4.5.1. In geval van niet-betaling door de eigenaar zijn de ondernemer, de houder of de bestuurder van het voertuig hoofdelijk gehouden tot betaling van het eurovignet, onder voorbehoud van hun verhaal tegen de eigenaar.
Sous-section 6. - Recouvrement d'impôts contestés
Onderafdeling 6. - Invordering van betwiste belastingen
Art. 3.10.4.6.1.Dans le cas de réclamation, d'une demande d'exonération, telle que visée à [1 l'article 3.6.0.0.1, l'article 3.6.0.0.4 et l'article 3.6.0.0.6]1 ou en cas d'une demande en droit, le recouvrement forcé des impôts et accessoires contestés peut être suspendu jusqu'à ce que le délai de recours contre la décision administrative soit échu ou si la décision juridique a la force de chose jugée.
Art. 3.10.4.6.1.In geval van bezwaar, van een aanvraag tot ontheffing als vermeld in artikel [1 artikel 3.6.0.0.1, artikel 3.6.0.0.4 en artikel 3.6.0.0.6]1 of in geval van een vordering in rechte, kan de gedwongen invordering van de betwiste belastingen en toebehoren opgeschort worden totdat de beroepstermijn tegen de administratieve beslissing verstreken is of de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.
Section 5. - Sûretés
Afdeling 5. - Zekerheden
Sous-section 1re. - Garantie
Onderafdeling 1. - Waarborg
Art. 3.10.5.1.1. § 1er. Le membre du personnel compétent peut exiger un sûreté réelle ou un cautionnement personnel de toute personne physique ou morale qui est soumise à un des impôts, visés au titre 2, si la valeur vénale de ses biens en Belgique qui constitue le gage de la Région flamande, après déduction des dettes et charges qui la grèvent, est insuffisante pour couvrir le montant qui est probablement dû pour un an en vertu du présent code.
Art. 3.10.5.1.1. § 1. Het bevoegde personeelslid kan een zakelijke zekerheid of een persoonlijke borgstelling eisen van elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die onderworpen is aan een van de belastingen, vermeld in titel 2, als de venale waarde van zijn goederen in België die het pand van het Vlaamse Gewest vormen, na aftrek van de schulden en lasten die ze bezwaren, ontoereikend is om het bedrag te dekken dat vermoedelijk voor één jaar verschuldigd zal zijn krachtens deze codex.
De Vlaamse Regering bepaalt de gegevens die als grondslag dienen voor de bepaling van de bedragen van de zakelijke zekerheid en van de verbintenis van de persoonlijke borg, alsook de voorwaarden en de procedure van vaststelling.
§ 2. Binnen een maand na de kennisgeving van de beslissing, vermeld in paragraaf 1, kan de belastingschuldige een verhaal inleiden voor de beslagrechter van de plaats waar de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie die de belasting moet innen, is gevestigd.
De rechtspleging verloopt zoals in kort geding.
De Vlaamse Regering bepaalt de gegevens die als grondslag dienen voor de bepaling van de bedragen van de zakelijke zekerheid en van de verbintenis van de persoonlijke borg, alsook de voorwaarden en de procedure van vaststelling.
§ 2. Binnen een maand na de kennisgeving van de beslissing, vermeld in paragraaf 1, kan de belastingschuldige een verhaal inleiden voor de beslagrechter van de plaats waar de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie die de belasting moet innen, is gevestigd.
De rechtspleging verloopt zoals in kort geding.
Art. 3.10.5.1.2. L'établissement d'une sûreté réelle ou d'une caution personnelle telle que visée à l'article 3.10.5.1.1, § 1er, doit se faire dans les deux mois après la notification de la décision du membre du personnel compétent ou après la date où la décision juridique a la force de chose jugée.
Art. 3.10.5.1.2. Het stellen van een zakelijke zekerheid of van een persoonlijke borg als vermeld in artikel 3.10.5.1.1, § 1, moet gebeuren binnen twee maanden na de kennisgeving van de beslissing van het bevoegde personeelslid of na de datum waarop de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.
Art. 3.10.5.1.3.
Sous-section 2. - Privilège
Onderafdeling 2. - Voorrecht
Art. 3.10.5.2.1.[1 § 1er.]1 En vue du recouvrement des impôts et accessoires, la Région flamande jouit d'un privilège général sur les revenus et sur les biens meubles de toute nature du redevable, à l'exception des bateaux et embarcations .
Art. 3.10.5.2.1. [1 § 1.]1 Voor de invordering van de belastingen en toebehoren heeft het Vlaamse Gewest een algemeen voorrecht op de inkomsten en op de roerende goederen van alle aard van de belastingschuldige, met uitzondering van schepen en vaartuigen.
Het voorrecht bezwaart ook de inkomsten en de roerende goederen van de echtgenoot of de wettelijk samenwonende in de mate dat de invordering van de aanslagen kan worden vervolgd op de bewuste inkomsten en goederen.
[1 § 2. Om de invordering van de belastingen en toebehoren te waarborgen, wordt inzake het successierecht bovendien op al de nagelaten roerende goederen een algemeen voorrecht ten bate van het Vlaamse Gewest gesteld. Dat voorrecht vervalt na achttien maanden vanaf de dag van het overlijden als het bevoegde personeelslid geen gerechtelijke vervolging voor het einde van die periode aangevangen heeft.]1
Het voorrecht bezwaart ook de inkomsten en de roerende goederen van de echtgenoot of de wettelijk samenwonende in de mate dat de invordering van de aanslagen kan worden vervolgd op de bewuste inkomsten en goederen.
[1 § 2. Om de invordering van de belastingen en toebehoren te waarborgen, wordt inzake het successierecht bovendien op al de nagelaten roerende goederen een algemeen voorrecht ten bate van het Vlaamse Gewest gesteld. Dat voorrecht vervalt na achttien maanden vanaf de dag van het overlijden als het bevoegde personeelslid geen gerechtelijke vervolging voor het einde van die periode aangevangen heeft.]1
Art. 3.10.5.2.2. [1 Les privilèges visés à l'article 3.10.5.2.1, prennent rang immédiatement après le privilège visé à l'article 19, 5°, de la loi hypothécaire du 16 décembre 1851.]1
l'utilisation par priorité, visée à l'article 19 in fine de la Loi hypothécaire du 16 décembre 1851, s'applique aux impôts, visés au présent code.
l'utilisation par priorité, visée à l'article 19 in fine de la Loi hypothécaire du 16 décembre 1851, s'applique aux impôts, visés au présent code.
Art. 3.10.5.2.2. [1 De voorrechten, vermeld in artikel 3.10.5.2.1, nemen de rang in onmiddellijk na het voorrecht, vermeld in artikel 19, 5°, van de Hypotheekwet van 16 december 1851]1
De aanwending bij voorrang, vermeld in artikel 19 in fine van de Hypotheekwet van 16 december 1851, is van toepassing op de belastingen, vermeld in deze codex.
De aanwending bij voorrang, vermeld in artikel 19 in fine van de Hypotheekwet van 16 december 1851, is van toepassing op de belastingen, vermeld in deze codex.
Art. 3.10.5.2.3.
Sous-section 3. - Hypothèque légale
Onderafdeling 3. - Wettelijke hypotheek
Art. 3.10.5.3.1.[1 § 1er.]1 Les impôts et accessoires sont garantis par une hypothèque légale sur tous les biens en Belgique qui appartiennent au redevable et qui y sont susceptibles.
Art. 3.10.5.3.1. [1 § 1.]1 De belastingen en toebehoren zijn gewaarborgd door een wettelijke hypotheek op al de goederen in België die toebehoren aan de belastingschuldige en die vatbaar zijn daarvoor.
De hypotheek bezwaart ook de goederen van de echtgenoot of de wettelijk samenwonende in de mate dat de invordering van de aanslagen op de vermelde goederen vervolgd mag worden.
[1 § 2. Bovendien wordt inzake de erfbelasting de invordering van de belastingen en toebehoren, gewaarborgd door een wettelijke hypotheek op al de goederen die vatbaar zijn voor hypotheek, door de erflater in België nagelaten.]1
De hypotheek bezwaart ook de goederen van de echtgenoot of de wettelijk samenwonende in de mate dat de invordering van de aanslagen op de vermelde goederen vervolgd mag worden.
[1 § 2. Bovendien wordt inzake de erfbelasting de invordering van de belastingen en toebehoren, gewaarborgd door een wettelijke hypotheek op al de goederen die vatbaar zijn voor hypotheek, door de erflater in België nagelaten.]1
Art. 3.10.5.3.2. [1 § 1. L'hypothèque légale, visée à l'article 3.10.5.3.1, § 1er, ne prend rang qu'à partir de son inscription.
§ 2. L'hypothèque légale, visée à l'article 3.10.5.3.1, § 2, peut être opposée sans inscription à des tiers pendant un délai de dix-huit mois à compter de la date du décès.
Elle produit ses effets à compter de la même date lorsque l'inscription est demandée avant l'expiration du délai susmentionné. Dans ce cas, l'inscription est prise sous le nom du testateur sans que les héritiers, légataires ou donataires ne doivent être précisés dans le bordereau.
Après l'expiration de ce délai, elle ne prend rang qu'à compter du jour de l'inscription.
§ 3. L'hypothèque légale n'affecte nullement les privilèges et hypothèques antérieurs.]1
§ 2. L'hypothèque légale, visée à l'article 3.10.5.3.1, § 2, peut être opposée sans inscription à des tiers pendant un délai de dix-huit mois à compter de la date du décès.
Elle produit ses effets à compter de la même date lorsque l'inscription est demandée avant l'expiration du délai susmentionné. Dans ce cas, l'inscription est prise sous le nom du testateur sans que les héritiers, légataires ou donataires ne doivent être précisés dans le bordereau.
Après l'expiration de ce délai, elle ne prend rang qu'à compter du jour de l'inscription.
§ 3. L'hypothèque légale n'affecte nullement les privilèges et hypothèques antérieurs.]1
Art. 3.10.5.3.2. [1 De wettelijke hypotheek, vermeld in artikel 3.10.5.3.1, § 1, neemt pas rang in vanaf haar inschrijving.
§ 2. De wettelijke hypotheek, vermeld in artikel 3.10.5.3.1, § 2, kan zonder inschrijving aan derden worden tegengeworpen gedurende een termijn van achttien maanden vanaf de datum van het overlijden.
Ze behoudt haar uitwerking met ingang van dezelfde datum als de inschrijving vóór het verstrijken van de voormelde termijn gevorderd wordt. In dat geval wordt de inschrijving genomen onder de naam van de erflater, zonder dat de erfgenamen, legatarissen of begiftigden in het borderel nader bepaald moeten worden.
Na het verstrijken van die termijn neemt ze pas rang vanaf de dag van de inschrijving.
§ 3. De wettelijke hypotheek schaadt geenszins de vorige voorrechten en hypotheken.]1
§ 2. De wettelijke hypotheek, vermeld in artikel 3.10.5.3.1, § 2, kan zonder inschrijving aan derden worden tegengeworpen gedurende een termijn van achttien maanden vanaf de datum van het overlijden.
Ze behoudt haar uitwerking met ingang van dezelfde datum als de inschrijving vóór het verstrijken van de voormelde termijn gevorderd wordt. In dat geval wordt de inschrijving genomen onder de naam van de erflater, zonder dat de erfgenamen, legatarissen of begiftigden in het borderel nader bepaald moeten worden.
Na het verstrijken van die termijn neemt ze pas rang vanaf de dag van de inschrijving.
§ 3. De wettelijke hypotheek schaadt geenszins de vorige voorrechten en hypotheken.]1
Art. 3.10.5.3.3. L'hypothèque est inscrite sur la demande du membre du personnel compétent.
[1 Sauf si les droits de la Région flamande sont mis en péril et sous réserve de l'application des articles 3.12.1.0.1 à 3.12.1.0.10 inclus, l'inscription de l'hypothèque, visée à l'article 3.10.5.3.1, § 1er, ne peut être demandée qu'à partir de l'échéance des droits garantis. L'inscription de l'hypothèque légale, visée à l'article 3.10.5.3.1, § 2, peut être demandée à partir de la date du décès.]1
L'article [2 XX.113 du Code de droit économique]2 ne s'applique pas à l'hypothèque légale pour les impôts qui sont enrôlés dans les rôles déclarés exécutoires avant le jugement de la déclaration de faillite.
[1 Sauf si les droits de la Région flamande sont mis en péril et sous réserve de l'application des articles 3.12.1.0.1 à 3.12.1.0.10 inclus, l'inscription de l'hypothèque, visée à l'article 3.10.5.3.1, § 1er, ne peut être demandée qu'à partir de l'échéance des droits garantis. L'inscription de l'hypothèque légale, visée à l'article 3.10.5.3.1, § 2, peut être demandée à partir de la date du décès.]1
L'article [2 XX.113 du Code de droit économique]2 ne s'applique pas à l'hypothèque légale pour les impôts qui sont enrôlés dans les rôles déclarés exécutoires avant le jugement de la déclaration de faillite.
Art. 3.10.5.3.3. De hypotheek wordt ingeschreven op verzoek van het bevoegde personeelslid.
[1 Behalve als de rechten van het Vlaamse Gewest in gevaar verkeren en met behoud van de toepassing van artikel 3.12.1.0.1 tot en met 3.12.1.0.10, mag de inschrijving van de hypotheek, vermeld in artikel 3.10.5.3.1, § 1, pas gevorderd worden vanaf de vervaldag van de gewaarborgde belastingen. De inschrijving van de wettelijke hypotheek, vermeld in artikel 3.10.5.3.1, § 2, kan gevorderd worden vanaf de datum van het overlijden.]1
Artikel [2 XX.113 van het Wetboek van Economisch Recht]2 is niet van toepassing op de wettelijke hypotheek voor de belastingen die opgenomen zijn in kohieren die vóór het vonnis van faillietverklaring uitvoerbaar zijn verklaard.
[1 Behalve als de rechten van het Vlaamse Gewest in gevaar verkeren en met behoud van de toepassing van artikel 3.12.1.0.1 tot en met 3.12.1.0.10, mag de inschrijving van de hypotheek, vermeld in artikel 3.10.5.3.1, § 1, pas gevorderd worden vanaf de vervaldag van de gewaarborgde belastingen. De inschrijving van de wettelijke hypotheek, vermeld in artikel 3.10.5.3.1, § 2, kan gevorderd worden vanaf de datum van het overlijden.]1
Artikel [2 XX.113 van het Wetboek van Economisch Recht]2 is niet van toepassing op de wettelijke hypotheek voor de belastingen die opgenomen zijn in kohieren die vóór het vonnis van faillietverklaring uitvoerbaar zijn verklaard.
Art. 3.10.5.3.4. [1 L'inscription de l'hypothèque, visée à l'article 3.10.5.3.1, est effectuée, nonobstant opposition, contestation ou recours, sur production de copies certifiées conformes par le membre du personnel compétent de l'avertissement-extrait de rôle indiquant la date d'exécutoire du rôle.
A défaut d'un avertissement-extrait de rôle, l'inscription de l'hypothèque, prescrite à l'article 3.10.5.3.1, § 2, en matière de droits de succession, peut être effectuée pour un montant à évaluer par le membre du personnel compétent, contenant les droits et accessoires, à mentionner dans le bordereau.]1
A défaut d'un avertissement-extrait de rôle, l'inscription de l'hypothèque, prescrite à l'article 3.10.5.3.1, § 2, en matière de droits de succession, peut être effectuée pour un montant à évaluer par le membre du personnel compétent, contenant les droits et accessoires, à mentionner dans le bordereau.]1
Art. 3.10.5.3.4. [1 De inschrijving van de hypotheek, vermeld in artikel 3.10.5.3.1, vindt plaats, niettegenstaande verzet, betwisting of beroep, op voorlegging van een door het bevoegde personeelslid voor echt verklaard afschrift van het aanslagbiljet houdende vermelding van de datum van de uitvoerbaarverklaring van het kohier.
Bij gebrek aan een aanslagbiljet kan de inschrijving van de hypotheek, vermeld in artikel 3.10.5.3.1, § 2, inzake de erfbelasting plaatsvinden voor een door het bevoegde personeelslid te ramen bedrag, houdende de belastingen en toebehoren, te vermelden in het borderel.]1
Bij gebrek aan een aanslagbiljet kan de inschrijving van de hypotheek, vermeld in artikel 3.10.5.3.1, § 2, inzake de erfbelasting plaatsvinden voor een door het bevoegde personeelslid te ramen bedrag, houdende de belastingen en toebehoren, te vermelden in het borderel.]1
Art. 3.10.5.3.5. Avec maintien de l'application de l'article 87, de la Loi hypothécaire du 16 décembre 1851, l'inscription peut être demandée pour un montant à fixer par le membre du personnel compétent dans le bordereau qui représente tous les intérêts de retard et frais qui pourraient être dus pour la liquidation de l'impôt.
Art. 3.10.5.3.5. Met behoud van de toepassing van artikel 87 van de Hypotheekwet van 16 december 1851 kan de inschrijving worden gevorderd voor een door het bevoegde personeelslid in het borderel te bepalen bedrag dat al de nalatigheidsinteresten en kosten vertegenwoordigt die voor de vereffening van de belasting verschuldigd zouden kunnen zijn.
Art. 3.10.5.3.6. Le membre du personnel compétent accorde la mainlevée sous forme administrative sans qu'il soit tenu, [1 ...]1 de justifier le paiement des sommes dues.
Art. 3.10.5.3.6. Het bevoegde personeelslid verleent handlichting in de administratieve vorm zonder dat hij [1 ...]1 ertoe gehouden is verantwoording van de betaling van de verschuldigde sommen te verstrekken.
Art. 3.10.5.3.7. Si les concernés veulent libérer, avant qu'ils ont payé les montants qui sont garantis par l'hypothèque, tous les biens grevés ou une parties de ces derniers de l'hypothèque, il doivent introduire une demande à cet effet auprès du membre du personnel compétent. Cette demande est satisfaite si la Région flamande dispose déjà de suffisamment de sûreté, ou si cette dernière y est donnée, pour le montant dû à la Région flamande.
Art. 3.10.5.3.7. Als de betrokkenen, voor ze de bedragen betaald hebben die door de wettelijke hypotheek gewaarborgd zijn, alle bezwaarde goederen of een deel ervan willen vrijmaken van de hypotheek, dienen ze daarvoor een verzoek in bij het bevoegde personeelslid. Dat verzoek wordt ingewilligd als het Vlaamse Gewest al voldoende zekerheid bezit, of als die eraan wordt gegeven, voor het bedrag dat verschuldigd is aan het Vlaamse Gewest.
Art. 3.10.5.3.8. [1 Les frais des formalités pour l'hypothèque légale, visée à l'article 3.10.5.3.1, § 1er, sont à charge du redevable.
Les frais des formalités pour l'hypothèque légale, visée à l'article 3.10.5.3.1, § 2, sont à charge de la Région flamande, sauf en cas d'éviction des biens immeubles grevés de cette hypothèque. Dans ce dernier cas, les frais sont à charge du redevable.]1
Les frais des formalités pour l'hypothèque légale, visée à l'article 3.10.5.3.1, § 2, sont à charge de la Région flamande, sauf en cas d'éviction des biens immeubles grevés de cette hypothèque. Dans ce dernier cas, les frais sont à charge du redevable.]1
Art. 3.10.5.3.8.[1 De kosten van de formaliteiten voor de wettelijke hypotheek, vermeld in artikel 3.10.5.3.1, § 1, zijn ten laste van de belastingschuldige.
Sous-section 4. - [1 Droits de tiers de bonne foi]1
Onderafdeling 4. - [1 Rechten van derden te goeder trouw]1
Art. 3.10.5.4.1. [1 Lorsque, dans les dix-huit mois de l'ouverture de la succession, un tiers de bonne foi a acquis à titre onéreux un bien de l'hérédité, un droit réel, une hypothèque, un gage ou un nantissement sur pareil bien après que la déclaration déposée est devenue définitive, soit par l'expiration du délai de dépôt, soit par la renonciation des déclarants au droit de rectification ou après que les droits de succession ont été établis d'office en application de l'article 2.7.7.0.1, le privilège et l'hypothèque légale, visés à l'article 3.1.5.3.1, § 2 ne sont pas opposables à ce tiers pour le recouvrement des droits et accessoires qui se rapportent aux droits complémentaires.
Art. 3.10.5.4.1. [1 Als binnen achttien maanden na het openvallen van de nalatenschap een derde te goeder trouw een goed van de nalatenschap, een zakelijk recht, een hypotheek, een pand of een inpandgeving op een dergelijk goed onder bezwarende titel verkregen heeft nadat de ingeleverde aangifte definitief geworden is, hetzij door het verstrijken van de termijn van inlevering, hetzij ingevolge het afstand doen van de aangevers van het recht van verbetering, of nadat de erfbelasting ambtshalve is gevestigd met toepassing van artikel 2.7.7.0.1, kunnen het voorrecht en de wettelijke hypotheek, vermeld in artikel 3.10.5.3.1, § 2, niet aan de derde tegengeworpen worden voor de invordering van de belastingen en toebehoren die betrekking hebben op de aanvullende rechten.
Sous-section 5. - [1 Héritier habitant en dehors de l'Espace économique européen ]1
Onderafdeling 5. - [1 Buiten de Europese Economische Ruimte wonende erfgenaam]1
Art. 3.10.5.5.1. [1 Sans préjudice des sûretés mentionnées aux articles 3.10.5.2.1 et 3.10.5.3.1, toute personne habitant en dehors de l'Espace économique européen, héritière, légataire ou donataire dans la succession mobilière d'un habitant du Royaume est obligée de fournir caution pour le paiement des droits et accessoires dont elle est tenue envers la Région flamande.
Art. 3.10.5.5.1. [1 Onverminderd de zekerheden, vermeld in artikel 3.10.5.2.1 en 3.10.5.3.1, is iedere persoon die buiten de Europese Economische Ruimte woont en die erfgenaam, legataris of begiftigde is in de nalatenschap van roerende goederen van een rijksinwoner, ertoe verplicht inzake het successierecht een borg te stellen voor de betaling van de belastingen en toebehoren waartoe hij tegenover het Vlaamse Gewest gehouden is.
Het bedrag van de borgstelling wordt bepaald door het bevoegde personeelslid. Het bevoegde personeelslid mag de erfgenaam, legataris of begiftigde die buiten de Europese Economische Ruimte woont, ervan ontslaan de borgstelling te verstrekken.
De zegels die overeenkomstig artikel 1148 tot en met 1151 van het Gerechtelijk Wetboek gelegd zijn, mogen niet gelicht worden en geen openbare of ministeriële ambtenaar of officier mag de goederen van de nalatenschap verkopen, noch er de akte van verdeling van opmaken, vóór de aflevering van een getuigschrift van het bevoegde personeelslid, waaruit blijkt dat de erfgenaam die buiten de Europese Economische Ruimte woont, zich naar de bepalingen van dit artikel gedragen heeft, op straffe van alle kosten en schadevergoedingen. Dat getuigschrift wordt gevoegd bij het proces-verbaal van de verkoop van de goederen van de nalatenschap of bij de akte van verdeling.]1
Het bedrag van de borgstelling wordt bepaald door het bevoegde personeelslid. Het bevoegde personeelslid mag de erfgenaam, legataris of begiftigde die buiten de Europese Economische Ruimte woont, ervan ontslaan de borgstelling te verstrekken.
De zegels die overeenkomstig artikel 1148 tot en met 1151 van het Gerechtelijk Wetboek gelegd zijn, mogen niet gelicht worden en geen openbare of ministeriële ambtenaar of officier mag de goederen van de nalatenschap verkopen, noch er de akte van verdeling van opmaken, vóór de aflevering van een getuigschrift van het bevoegde personeelslid, waaruit blijkt dat de erfgenaam die buiten de Europese Economische Ruimte woont, zich naar de bepalingen van dit artikel gedragen heeft, op straffe van alle kosten en schadevergoedingen. Dat getuigschrift wordt gevoegd bij het proces-verbaal van de verkoop van de goederen van de nalatenschap of bij de akte van verdeling.]1
Art. 3.10.5.5.2. [1 Les inscriptions, titres nominatifs ou au porteur, sommes, valeurs, coffres fermés, plis et colis, dont il est question aux articles 96 à 99 inclus du Code fédéral des droits de succession ne peuvent faire l'objet d'un transfert, d'une conversion, d'une restitution ou d'un paiement s'ils reviennent en tout ou en partie à un héritier, légataire, donataire ou autre ayant droit habitant en dehors de l'Espace économique européen avant qu'ait été fournie la garantie prescrite par l'article 3.10.5.5.1.
Lorsque, dans les cas prévus à l'article 101 du Code fédéral des droits de succession, les ayants droit comptent une ou plusieurs personnes habitant en dehors de l'Espace économique européen, le loueur du coffre-fort ou le notaire qui a dressé la liste ou l'inventaire prescrit par ledit article ne peut autoriser la prise de possession par les ayants droit des choses contenues dans le coffre avant que la garantie imposée par l'article 3.10.5.5.1 n'ait été constituée.
Par dérogation à l'alinéa premier et avant que la garantie imposée par l'article 3.10.5.5.1 n'ait été constituée, le débiteur de dépôts sur un compte à vue ou un compte d'épargne commun ou indivis, dont le testateur ou le conjoint survivant est titulaire ou cotitulaire ou dont le cohabitant légal survivant est cotitulaire peut mettre à disposition, selon les modalités prévues à l'[2 article 4.65]2 du Code civil, un montant n'excédant pas la moitié des soldes créditeurs disponibles, ni 5.000 euros.
Le montant visé à l'alinéa trois, est payé sans préjudice du paiement des frais privilégiés mentionnés aux articles 19 et 20 de la loi hypothécaire du 16 décembre 1851.]1
Lorsque, dans les cas prévus à l'article 101 du Code fédéral des droits de succession, les ayants droit comptent une ou plusieurs personnes habitant en dehors de l'Espace économique européen, le loueur du coffre-fort ou le notaire qui a dressé la liste ou l'inventaire prescrit par ledit article ne peut autoriser la prise de possession par les ayants droit des choses contenues dans le coffre avant que la garantie imposée par l'article 3.10.5.5.1 n'ait été constituée.
Par dérogation à l'alinéa premier et avant que la garantie imposée par l'article 3.10.5.5.1 n'ait été constituée, le débiteur de dépôts sur un compte à vue ou un compte d'épargne commun ou indivis, dont le testateur ou le conjoint survivant est titulaire ou cotitulaire ou dont le cohabitant légal survivant est cotitulaire peut mettre à disposition, selon les modalités prévues à l'[2 article 4.65]2 du Code civil, un montant n'excédant pas la moitié des soldes créditeurs disponibles, ni 5.000 euros.
Le montant visé à l'alinéa trois, est payé sans préjudice du paiement des frais privilégiés mentionnés aux articles 19 et 20 de la loi hypothécaire du 16 décembre 1851.]1
Art. 3.10.5.5.2.[1 De inschrijvingen, effecten op naam of aan toonder, sommen, waarden, gesloten koffers, omslagen en colli's, vermeld in artikel 96 tot en met 99 van het federale Wetboek van Successierechten, mogen niet het voorwerp uitmaken van een conversie, een overdracht, een teruggave of een betaling, als ze geheel of gedeeltelijk toekomen aan een erfgenaam, legataris, begiftigde of andere rechthebbende die buiten de Europese Economische Ruimte woont, voordat de bij artikel 3.10.5.5.1 opgelegde waarborg is gesteld.
Chapitre 11. - Assistance internationale mutuelle
Hoofdstuk 11. - Wederzijdse internationale bijstand
Art. 3.11.0.0.1. Réservé pour un usage futur
Art. 3.11.0.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.
Chapitre 12. - Obligations de tiers
Hoofdstuk 12. - Verplichtingen van derden
Section 1re. - Obligations de notification de tiers
Afdeling 1. - Notificatieverplichtingen van derden
Art. 3.12.1.0.1.Les notaires requis de dresser un acte ayant pour objet l'aliénation ou l'affectation hypothécaire d'un immeuble, d'un bateau ou d'une embarcation, sont personnellement responsables du paiement des impôts et accessoires pouvant donner lieu à inscription hypothécaire, s'ils n'en avisent pas la personne ou l'instance suivante :
Art. 3.12.1.0.1. De notarissen die een akte moeten opmaken die de vervreemding of de hypothecaire aanwending van een onroerend goed, van een schip of een vaartuig tot voorwerp heeft, zijn persoonlijk aansprakelijk voor de betaling van de belastingen en toebehoren die aanleiding kunnen geven tot een hypothecaire inschrijving, als ze de volgende persoon of instantie niet op de hoogte brengen :
1° de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken gebruikt worden;
2° het bevoegde personeelslid in het ambtsgebied van wie de eigenaar of de vruchtgebruiker van het goed zijn woonplaats of zijn hoofdinrichting heeft en daarenboven, als het om een onroerend goed gaat, het bevoegde personeelslid in het ambtsgebied van wie dat goed ligt, als het bericht niet meegedeeld kan worden op de wijze, vermeld in 1°. In dat geval moet het bericht met een aangetekende brief [1 met ontvangstmelding]1 worden verzonden.
Als die akte niet verleden wordt binnen drie maanden na de verzending van het bericht, wordt ze als niet bestaand beschouwd. Als het bericht meegedeeld is op de wijze, vermeld in het eerste lid, 1°, wordt onder de datum van verzending van het bericht verstaan de datum van ontvangstmelding, meegedeeld door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.
Als hetzelfde bericht achtereenvolgens wordt verstuurd op de wijze, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, zal het bericht, opgesteld conform het eerste lid, 2°, alleen primeren als de datum van toezending vroeger is dan de verzendingsdatum van het bericht, opgesteld conform het eerste lid, 1°.
1° de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken gebruikt worden;
2° het bevoegde personeelslid in het ambtsgebied van wie de eigenaar of de vruchtgebruiker van het goed zijn woonplaats of zijn hoofdinrichting heeft en daarenboven, als het om een onroerend goed gaat, het bevoegde personeelslid in het ambtsgebied van wie dat goed ligt, als het bericht niet meegedeeld kan worden op de wijze, vermeld in 1°. In dat geval moet het bericht met een aangetekende brief [1 met ontvangstmelding]1 worden verzonden.
Als die akte niet verleden wordt binnen drie maanden na de verzending van het bericht, wordt ze als niet bestaand beschouwd. Als het bericht meegedeeld is op de wijze, vermeld in het eerste lid, 1°, wordt onder de datum van verzending van het bericht verstaan de datum van ontvangstmelding, meegedeeld door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.
Als hetzelfde bericht achtereenvolgens wordt verstuurd op de wijze, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, zal het bericht, opgesteld conform het eerste lid, 2°, alleen primeren als de datum van toezending vroeger is dan de verzendingsdatum van het bericht, opgesteld conform het eerste lid, 1°.
Art. 3.12.1.0.2. Avant l'échéance du [3 dixième]3 jour ouvrable qui suit l'expédition de l'avis, cité dans l'article 3.12.1.0.1, le membre du personnel compétent notifie au notaire le montant des impôts et accessoires qui pourraient mener à l'inscription de l'hypothèque légale de la Région flamande sur les biens qui font l'objet de l'acte, d'une des manières suivantes :
1° en utilisant des techniques informatiques;
2° par lettre recommandée [2 avec accusé de réception]2.
Si la notification a eu lieu de la manière, citée dans l'alinéa premier, 1°, [1 on entend par la date d'envoi de cette notification, la date de l'accusé de réception communiquée par la Fédération du Notariat belge]1.
Si la même notification est envoyée successivement de la manière citée respectivement dans l'alinéa premier, 1° et 2°, la notification établie conformément à l'alinéa premier, 2°, ne prévaudra que si la date d'envoi précède celle de l'avis établi conformément à l'alinéa premier, 1°.
1° en utilisant des techniques informatiques;
2° par lettre recommandée [2 avec accusé de réception]2.
Si la notification a eu lieu de la manière, citée dans l'alinéa premier, 1°, [1 on entend par la date d'envoi de cette notification, la date de l'accusé de réception communiquée par la Fédération du Notariat belge]1.
Si la même notification est envoyée successivement de la manière citée respectivement dans l'alinéa premier, 1° et 2°, la notification établie conformément à l'alinéa premier, 2°, ne prévaudra que si la date d'envoi précède celle de l'avis établi conformément à l'alinéa premier, 1°.
Art. 3.12.1.0.2. Vóór het verstrijken van de [3 tiende]3 werkdag die volgt op de verzending van het bericht, vermeld in artikel 3.12.1.0.1, wordt door het bevoegde personeelslid aan de notaris kennisgegeven van het bedrag van de belastingen en toebehoren die aanleiding kunnen geven tot inschrijving van de wettelijke hypotheek van het Vlaamse Gewest op de goederen die het voorwerp van de akte zijn, op een van de volgende wijzen :
1° door gebruikmaking van informaticatechnieken;
2° met een aangetekende brief [2 met ontvangstmelding]2.
Als de kennisgeving heeft plaatsgevonden op de wijze, vermeld in het eerste lid, 1°, [1 wordt onder de datum van verzending van die kennisgeving verstaan, de datum van ontvangstmelding die de Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat heeft meegedeeld]1.
Als dezelfde kennisgeving achtereenvolgens wordt verstuurd op de wijzen, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, zal de kennisgeving, opgesteld conform het eerste lid, 2°, alleen primeren als de datum van toezending vroeger is dan de verzendingsdatum van de kennisgeving, opgesteld conform het eerste lid, 1°.
1° door gebruikmaking van informaticatechnieken;
2° met een aangetekende brief [2 met ontvangstmelding]2.
Als de kennisgeving heeft plaatsgevonden op de wijze, vermeld in het eerste lid, 1°, [1 wordt onder de datum van verzending van die kennisgeving verstaan, de datum van ontvangstmelding die de Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat heeft meegedeeld]1.
Als dezelfde kennisgeving achtereenvolgens wordt verstuurd op de wijzen, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, zal de kennisgeving, opgesteld conform het eerste lid, 2°, alleen primeren als de datum van toezending vroeger is dan de verzendingsdatum van de kennisgeving, opgesteld conform het eerste lid, 1°.
Art. 3.12.1.0.3. § 1er. Si l'acte visé à l'article 3.12.1.0.1, est passé, la notification citée dans l'article 3.12.1.0.2, emporte saisie-arrêt entre tiers entre les mains du notaire sur les sommes et valeurs qu'il détient en vertu de l'acte pour le compte ou au profit du redevable, et emporte opposition sur le prix au sens de l'article 1642 du Code judiciaire dans les cas où le notaire est tenu de distribuer les sommes et valeurs conformément aux articles 1639 à 1654 inclus du Code judiciaire.
Sans préjudice des droits des tiers, le notaire est tenu, lorsque l'acte cité dans l'article 3.12.1.0.1 est passé, sous réserve de l'application des articles 1639 à 1654 inclus du Code judiciaire, de verser les sommes et valeurs qu'il détient en vertu de l'acte pour le compte ou au profit du redevable, au plus tard le [2 septième]2 jour ouvrable suivant la passation de l'acte, à l'entité compétente de l'administration flamande à concurrence des impôts et accessoires qui lui sont notifiés en exécution de l'article 3.12.1.0.2 et pour autant que ces impôts et accessoires ne sont pas contestés.
En outre, si les sommes et valeurs ainsi saisies sont inférieures à l'ensemble des sommes dues aux créanciers inscrits et aux créanciers opposants, le notaire doit, sous peine d'être personnellement responsable de l'excédent, en informer au plus tard le premier jour ouvrable qui suit la passation de l'acte :
1° l'entité compétente de l'administration flamande à l'aide d'une procédure utilisant des techniques informatiques;
2° le membre du personnel compétent par lettre recommandée [1 avec accusé de réception ]1, si les informations ne peuvent pas être fournies de la manière citée dans 1°, ou si le notaire a préalablement envoyé l'avis, cité dans l'article 3.12.1.0.1, par lettre recommandée [1 avec accusé de réception]1.
La date de l'information est, selon le cas, la date de la notification de réception, communiquée par l'entité compétente de l'administration flamande, [1 ou la date de l'accusé de réception de la lettre recommandée]1.
§ 2. Lorsqu'une même information est envoyée successivement selon les procédures prévues respectivement au paragraphe 1er, alinéa trois, 1° et 2°, l'information établie conformément au paragraphe 1er, alinéa trois, 2°, ne prévaudra que si la date d'envoi précède celle de l'information établie conformément au paragraphe1er, alinéa trois, 1°.
§ 3. Sans préjudice des droits des tiers, la transcription ou l'inscription de l'acte ne peuvent pas être invoquées contre la Région flamande si l'inscription de l'hypothèque légale est effectuée dans les [2 sept]2 jours ouvrables de la date de l'information visée au paragraphe 1er, alinéa quatre.
Toutes créances non inscrites pour lesquelles il n'a été procédé à une saisie-arrêt ou la formation d'opposition qu'après l'échéance du délai, cité dans le paragraphe 1er, alinéa trois, sont sans effets par rapport au créances en matière d'impôts et accessoires qui ont été notifiés en exécution de l'article 3.12.1.0.2 .
Sans préjudice des droits des tiers, le notaire est tenu, lorsque l'acte cité dans l'article 3.12.1.0.1 est passé, sous réserve de l'application des articles 1639 à 1654 inclus du Code judiciaire, de verser les sommes et valeurs qu'il détient en vertu de l'acte pour le compte ou au profit du redevable, au plus tard le [2 septième]2 jour ouvrable suivant la passation de l'acte, à l'entité compétente de l'administration flamande à concurrence des impôts et accessoires qui lui sont notifiés en exécution de l'article 3.12.1.0.2 et pour autant que ces impôts et accessoires ne sont pas contestés.
En outre, si les sommes et valeurs ainsi saisies sont inférieures à l'ensemble des sommes dues aux créanciers inscrits et aux créanciers opposants, le notaire doit, sous peine d'être personnellement responsable de l'excédent, en informer au plus tard le premier jour ouvrable qui suit la passation de l'acte :
1° l'entité compétente de l'administration flamande à l'aide d'une procédure utilisant des techniques informatiques;
2° le membre du personnel compétent par lettre recommandée [1 avec accusé de réception ]1, si les informations ne peuvent pas être fournies de la manière citée dans 1°, ou si le notaire a préalablement envoyé l'avis, cité dans l'article 3.12.1.0.1, par lettre recommandée [1 avec accusé de réception]1.
La date de l'information est, selon le cas, la date de la notification de réception, communiquée par l'entité compétente de l'administration flamande, [1 ou la date de l'accusé de réception de la lettre recommandée]1.
§ 2. Lorsqu'une même information est envoyée successivement selon les procédures prévues respectivement au paragraphe 1er, alinéa trois, 1° et 2°, l'information établie conformément au paragraphe 1er, alinéa trois, 2°, ne prévaudra que si la date d'envoi précède celle de l'information établie conformément au paragraphe1er, alinéa trois, 1°.
§ 3. Sans préjudice des droits des tiers, la transcription ou l'inscription de l'acte ne peuvent pas être invoquées contre la Région flamande si l'inscription de l'hypothèque légale est effectuée dans les [2 sept]2 jours ouvrables de la date de l'information visée au paragraphe 1er, alinéa quatre.
Toutes créances non inscrites pour lesquelles il n'a été procédé à une saisie-arrêt ou la formation d'opposition qu'après l'échéance du délai, cité dans le paragraphe 1er, alinéa trois, sont sans effets par rapport au créances en matière d'impôts et accessoires qui ont été notifiés en exécution de l'article 3.12.1.0.2 .
Art. 3.12.1.0.3. § 1. Als de akte, vermeld in artikel 3.12.1.0.1, verleden is, geldt de kennisgeving, vermeld in artikel 3.12.1.0.2, als beslag onder derden in handen van de notaris op de bedragen en waarden die hij krachtens de akte onder zich houdt voor rekening of ten bate van de belastingschuldige, en als verzet tegen de prijs als vermeld in artikel 1642 van het Gerechtelijk Wetboek, in de gevallen waarin de notaris gehouden is de bedragen en waarden conform artikel 1639 tot en met 1654 van het Gerechtelijk Wetboek te verdelen.
Met behoud van de rechten van derden is de notaris ertoe gehouden, als de akte, vermeld in artikel 3.12.1.0.1, verleden is, behalve in geval van de toepassing van artikel 1639 tot en met 1654 van het Gerechtelijk Wetboek, de bedragen en waarden die hij krachtens de akte onder zich houdt voor rekening of ten bate van de belastingschuldige, uiterlijk de [2 zevende]2 werkdag die volgt op het verlijden van de akte, aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie te betalen voor het bedrag van de belastingen en toebehoren die hem ter uitvoering van artikel 3.12.1.0.2 ter kennis zijn gebracht en in zoverre deze belastingen en toebehoren niet betwist worden.
Als de aldus door beslag onder derden getroffen sommen en waarden minder bedragen dan het totaal van de sommen, verschuldigd aan de ingeschreven schuldeisers en aan de verzetdoende schuldeisers, moet de notaris daarenboven, op straffe van persoonlijke aansprakelijkheid voor het overschot, uiterlijk de eerste werkdag die volgt op het verlijden van de akte, inlichtingen daarover verstrekken aan :
1° de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken gebruikt worden;
2° het bevoegde personeelslid met een aangetekende brief [1 met ontvangstmelding]1, als de inlichtingen niet kunnen worden verstrekt op de wijze, vermeld in 1°, of als de notaris voorafgaandelijk het bericht, vermeld in artikel 3.12.1.0.1, met een aangetekende brief [1 met ontvangstmelding]1 heeft verstuurd.
De datum van de inlichting is, naargelang het geval, de datum van ontvangstmelding, meegedeeld door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, [1 of de datum van ontvangstmelding van de aangetekende brief]1.
§ 2. Als dezelfde inlichting achtereenvolgens wordt verstuurd op de wijzen, vermeld in paragraaf 1, derde lid, 1° en 2°, zal de inlichting, opgesteld conform paragraaf 1, derde lid, 2°, alleen primeren als de datum van toezending vroeger is dan de verzendingsdatum van de inlichting, opgesteld conform paragraaf 1, derde lid, 1°.
§ 3. Met behoud van de rechten van derden kan de overschrijving of de inschrijving van de akte niet tegen het Vlaamse Gewest ingeroepen worden als de inschrijving van de wettelijke hypotheek plaatsvindt binnen [2 zeven]2 werkdagen na de datum van de inlichting, vermeld in paragraaf 1, vierde lid.
Alle niet-ingeschreven schuldvorderingen waarvoor pas na het verstrijken van de termijn, vermeld in paragraaf 1, derde lid, beslag wordt gelegd of verzet wordt aangetekend, zijn zonder uitwerking ten opzichte van de schuldvorderingen inzake belastingen en toebehoren, die ter uitvoering van artikel 3.12.1.0.2 ter kennis zijn gegeven.
Met behoud van de rechten van derden is de notaris ertoe gehouden, als de akte, vermeld in artikel 3.12.1.0.1, verleden is, behalve in geval van de toepassing van artikel 1639 tot en met 1654 van het Gerechtelijk Wetboek, de bedragen en waarden die hij krachtens de akte onder zich houdt voor rekening of ten bate van de belastingschuldige, uiterlijk de [2 zevende]2 werkdag die volgt op het verlijden van de akte, aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie te betalen voor het bedrag van de belastingen en toebehoren die hem ter uitvoering van artikel 3.12.1.0.2 ter kennis zijn gebracht en in zoverre deze belastingen en toebehoren niet betwist worden.
Als de aldus door beslag onder derden getroffen sommen en waarden minder bedragen dan het totaal van de sommen, verschuldigd aan de ingeschreven schuldeisers en aan de verzetdoende schuldeisers, moet de notaris daarenboven, op straffe van persoonlijke aansprakelijkheid voor het overschot, uiterlijk de eerste werkdag die volgt op het verlijden van de akte, inlichtingen daarover verstrekken aan :
1° de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken gebruikt worden;
2° het bevoegde personeelslid met een aangetekende brief [1 met ontvangstmelding]1, als de inlichtingen niet kunnen worden verstrekt op de wijze, vermeld in 1°, of als de notaris voorafgaandelijk het bericht, vermeld in artikel 3.12.1.0.1, met een aangetekende brief [1 met ontvangstmelding]1 heeft verstuurd.
De datum van de inlichting is, naargelang het geval, de datum van ontvangstmelding, meegedeeld door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, [1 of de datum van ontvangstmelding van de aangetekende brief]1.
§ 2. Als dezelfde inlichting achtereenvolgens wordt verstuurd op de wijzen, vermeld in paragraaf 1, derde lid, 1° en 2°, zal de inlichting, opgesteld conform paragraaf 1, derde lid, 2°, alleen primeren als de datum van toezending vroeger is dan de verzendingsdatum van de inlichting, opgesteld conform paragraaf 1, derde lid, 1°.
§ 3. Met behoud van de rechten van derden kan de overschrijving of de inschrijving van de akte niet tegen het Vlaamse Gewest ingeroepen worden als de inschrijving van de wettelijke hypotheek plaatsvindt binnen [2 zeven]2 werkdagen na de datum van de inlichting, vermeld in paragraaf 1, vierde lid.
Alle niet-ingeschreven schuldvorderingen waarvoor pas na het verstrijken van de termijn, vermeld in paragraaf 1, derde lid, beslag wordt gelegd of verzet wordt aangetekend, zijn zonder uitwerking ten opzichte van de schuldvorderingen inzake belastingen en toebehoren, die ter uitvoering van artikel 3.12.1.0.2 ter kennis zijn gegeven.
Art. 3.12.1.0.4. Les inscriptions, faites après le délai, cité dans l'article 3.12.1.0.3, § 3, alinéa premier, ou prise en sureté des impôts qui n'ont pas été notifiés conformément à l'article 3.12.1.0.2, ne peuvent pas être invoquées contre les créanciers hypothécaires, ni contre l'attributaire qui pourra en demander la mainlevée.
Art. 3.12.1.0.4. De inschrijvingen, genomen na de termijn, vermeld in artikel 3.12.1.0.3, § 3, eerste lid, of tot zekerheid van belastingen die niet overeenkomstig artikel 3.12.1.0.2 ter kennis zijn gegeven, kunnen niet worden ingeroepen tegen de hypothecaire schuldeisers, noch tegen de verkrijger die handlichting ervan zal kunnen vorderen.
Art. 3.12.1.0.5. La responsabilité encourue par le notaire en application des articles 3.12.1.0.1 et 3.12.1.0.3, n'excède pas, selon le cas, la valeur du bien aliéné ou le montant de l'inscription de l'hypothèque, après déduction des sommes et valeurs, sur lesquelles il a été procédé à une saisie-arrêt entre ses mains.
Art. 3.12.1.0.5. De aansprakelijkheid door de notaris, opgelopen met toepassing van artikel 3.12.1.0.1 en 3.12.1.0.3, gaat, naargelang het geval, de waarde van het vervreemde goed of het bedrag van de hypothecaire inschrijving, na aftrek van de sommen en waarden waarop in zijn handen beslag onder derden werd gelegd, niet te boven.
Art. 3.12.1.0.6. § 1er. Le Gouvernement flamand peut fixer les modèles des avis et informations, cités dans les articles 3.12.1.0.1 et 3.12.1.0.3.
§ 2. L'information dans les avis, notifications et informations, citées dans les articles 3.12.1.0.1 à 3.12.1.0.3 inclus, est la même, qu'ils soient communiqués moyennant une procédure utilisant des techniques d'informatique ou par lettre recommandée à la poste [1 avec accusé de réception]1.
Lors de l'envoi des avis, informations et notifications, cités dans l'alinéa premier, adressés au ou provenant du membre du personnel compétent ou de l'entité compétente du Gouvernement flamand, les personnes concernées sont identifiées à l'aide du numéro d'identification, cité [2 dans l'article III.17 du Code de droit économique]2 s'il s'agit d'une personne morale, et du numéro de registre national s'il s'agit d'une personne physique et du numéro d'identification visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale.
§ 3. L'origine et l'intégrité du contenu des avis, informations et notifications, cités dans les articles 3.12.1.0.1 à 3.12.1.0.3 inclus, doivent, en cas d'envoi à l'aide d'une procédure utilisant des moyens informatiques, être sécurisés par des techniques de sécurité adaptés.
§ 4. Pour que les notifications, citées dans l'article 3.12.1.0.2, emportent saisie-arrêt de manière valable lorsqu'elles sont envoyées moyennant une procédure utilisant des techniques d'informatique, elles doivent porter une signature électronique incorporée par une des techniques suivantes :
1° création d'une signature électronique à l'aide d'une carte d'identité électronique belge;
2° création d'une signature numérique à l'aide d'une clé privée accordée à un membre du personnel compétent et accompagnée d'un certificat délivré à ce membre du personnel, la clé privée et le certificat étant enregistrés de manière sécurisée dans la mémoire d'un ordinateur;
3° création d'une signature numérique à l'aide d'une clé privée accordée à l'entité compétente de l'administration flamande, cité dans l'article 3.12.1.0, et accompagnée d'un certificat délivré à cette entité, la clé privée et le certificat étant enregistrés de manière sécurisée dans la mémoire d'un ordinateur;
4° création d'une signature électronique avancée au sens de l'article 2, 2°, de la loi du 9 juillet 2001 fixant certaines règles relatives au cadre juridique pour les signatures électroniques et les services de certification.
Quelle que soit la technique appliquée, il est garanti que seules les personnes autorisées ont accès aux moyens de création de signatures.
Les procédures suivies doivent en outre permettre d'identifier correctement la personne physique responsable pour l'envoi et en déterminer correctement la date et l'heure d'envoi. Ces données doivent être conservées pendant une période de dix ans par l'expéditeur et produites dans un délai raisonnable en cas de dispute.
§ 2. L'information dans les avis, notifications et informations, citées dans les articles 3.12.1.0.1 à 3.12.1.0.3 inclus, est la même, qu'ils soient communiqués moyennant une procédure utilisant des techniques d'informatique ou par lettre recommandée à la poste [1 avec accusé de réception]1.
Lors de l'envoi des avis, informations et notifications, cités dans l'alinéa premier, adressés au ou provenant du membre du personnel compétent ou de l'entité compétente du Gouvernement flamand, les personnes concernées sont identifiées à l'aide du numéro d'identification, cité [2 dans l'article III.17 du Code de droit économique]2 s'il s'agit d'une personne morale, et du numéro de registre national s'il s'agit d'une personne physique et du numéro d'identification visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale.
§ 3. L'origine et l'intégrité du contenu des avis, informations et notifications, cités dans les articles 3.12.1.0.1 à 3.12.1.0.3 inclus, doivent, en cas d'envoi à l'aide d'une procédure utilisant des moyens informatiques, être sécurisés par des techniques de sécurité adaptés.
§ 4. Pour que les notifications, citées dans l'article 3.12.1.0.2, emportent saisie-arrêt de manière valable lorsqu'elles sont envoyées moyennant une procédure utilisant des techniques d'informatique, elles doivent porter une signature électronique incorporée par une des techniques suivantes :
1° création d'une signature électronique à l'aide d'une carte d'identité électronique belge;
2° création d'une signature numérique à l'aide d'une clé privée accordée à un membre du personnel compétent et accompagnée d'un certificat délivré à ce membre du personnel, la clé privée et le certificat étant enregistrés de manière sécurisée dans la mémoire d'un ordinateur;
3° création d'une signature numérique à l'aide d'une clé privée accordée à l'entité compétente de l'administration flamande, cité dans l'article 3.12.1.0, et accompagnée d'un certificat délivré à cette entité, la clé privée et le certificat étant enregistrés de manière sécurisée dans la mémoire d'un ordinateur;
4° création d'une signature électronique avancée au sens de l'article 2, 2°, de la loi du 9 juillet 2001 fixant certaines règles relatives au cadre juridique pour les signatures électroniques et les services de certification.
Quelle que soit la technique appliquée, il est garanti que seules les personnes autorisées ont accès aux moyens de création de signatures.
Les procédures suivies doivent en outre permettre d'identifier correctement la personne physique responsable pour l'envoi et en déterminer correctement la date et l'heure d'envoi. Ces données doivent être conservées pendant une période de dix ans par l'expéditeur et produites dans un délai raisonnable en cas de dispute.
Art. 3.12.1.0.6. § 1. De Vlaamse Regering kan voor de berichten en inlichtingen, vermeld in artikel 3.12.1.0.1 en 3.12.1.0.3, de modellen vaststellen.
§ 2. De informatie in de berichten, kennisgevingen en inlichtingen, vermeld in artikel 3.12.1.0.1 tot en met 3.12.1.0.3, is dezelfde, ongeacht of ze worden meegedeeld door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, of met een aangetekende brief [1 met ontvangstmelding]1.
Bij de verzending van de berichten, inlichtingen en kennisgevingen, vermeld in het eerste lid, gericht tot of afkomstig van het bevoegde personeelslid of de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, worden de betrokken personen geïdentificeerd aan de hand van het identificatienummer, vermeld in [2 artikel III.17 van het Wetboek van Economisch Recht]2, als het gaat om een rechtspersoon, en het rijksregisternummer als het gaat om een natuurlijke persoon en van het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid.
§ 3. De oorsprong en de integriteit van de inhoud van de berichten, inlichtingen en kennisgevingen, vermeld in artikel 3.12.1.0.1 tot en met 3.12.1.0.3, moeten, in geval van verzending door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, worden verzekerd met aangepaste beveiligingstechnieken.
§ 4. Opdat de kennisgevingen, vermeld in artikel 3.12.1.0.2, op geldige wijze als beslag onder derden zouden gelden als ze worden verzonden door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, moeten ze een elektronische handtekening dragen, die met een van de volgende technieken wordt aangebracht :
1° creatie van een elektronische handtekening met behulp van een Belgische elektronische identiteitskaart;
2° creatie van een digitale handtekening met behulp van een private sleutel, toegekend aan een bevoegde personeelslid, waarbij een certificaat gevoegd is dat uitgereikt is aan dat personeelslid, waarbij zowel de private sleutel als het certificaat op een beveiligde wijze in het geheugen van een computer is opgeslagen;
3° creatie van een digitale handtekening met behulp van een private sleutel, toegekend aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, vermeld in artikel 3.12.1.0.2, waarbij een certificaat gevoegd is dat uitgereikt is aan die entiteit, waarbij zowel de private sleutel als het certificaat op een beveiligde wijze in het geheugen van een computer is opgeslagen;
4° creatie van een geavanceerde elektronische handtekening als vermeld in artikel 2, 2°, van de wet van 9 juli 2001 houdende vaststelling van bepaalde regels in verband met het juridisch kader voor elektronische handtekeningen en certificatiediensten.
Ongeacht de toegepaste techniek wordt er gegarandeerd dat alleen de gerechtigde personen toegang hebben tot de middelen waarmee de handtekening wordt gecreëerd.
De gevolgde procedures moeten bovendien toelaten dat de natuurlijke persoon die verantwoordelijk is voor de verzending, correct kan worden geïdentificeerd en dat het tijdstip van de verzending correct kan worden vastgesteld. Die gegevens moeten gedurende een periode van tien jaar door de afzender worden bewaard en in geval van betwisting binnen een redelijke termijn worden voorgelegd.
§ 2. De informatie in de berichten, kennisgevingen en inlichtingen, vermeld in artikel 3.12.1.0.1 tot en met 3.12.1.0.3, is dezelfde, ongeacht of ze worden meegedeeld door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, of met een aangetekende brief [1 met ontvangstmelding]1.
Bij de verzending van de berichten, inlichtingen en kennisgevingen, vermeld in het eerste lid, gericht tot of afkomstig van het bevoegde personeelslid of de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, worden de betrokken personen geïdentificeerd aan de hand van het identificatienummer, vermeld in [2 artikel III.17 van het Wetboek van Economisch Recht]2, als het gaat om een rechtspersoon, en het rijksregisternummer als het gaat om een natuurlijke persoon en van het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid.
§ 3. De oorsprong en de integriteit van de inhoud van de berichten, inlichtingen en kennisgevingen, vermeld in artikel 3.12.1.0.1 tot en met 3.12.1.0.3, moeten, in geval van verzending door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, worden verzekerd met aangepaste beveiligingstechnieken.
§ 4. Opdat de kennisgevingen, vermeld in artikel 3.12.1.0.2, op geldige wijze als beslag onder derden zouden gelden als ze worden verzonden door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, moeten ze een elektronische handtekening dragen, die met een van de volgende technieken wordt aangebracht :
1° creatie van een elektronische handtekening met behulp van een Belgische elektronische identiteitskaart;
2° creatie van een digitale handtekening met behulp van een private sleutel, toegekend aan een bevoegde personeelslid, waarbij een certificaat gevoegd is dat uitgereikt is aan dat personeelslid, waarbij zowel de private sleutel als het certificaat op een beveiligde wijze in het geheugen van een computer is opgeslagen;
3° creatie van een digitale handtekening met behulp van een private sleutel, toegekend aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, vermeld in artikel 3.12.1.0.2, waarbij een certificaat gevoegd is dat uitgereikt is aan die entiteit, waarbij zowel de private sleutel als het certificaat op een beveiligde wijze in het geheugen van een computer is opgeslagen;
4° creatie van een geavanceerde elektronische handtekening als vermeld in artikel 2, 2°, van de wet van 9 juli 2001 houdende vaststelling van bepaalde regels in verband met het juridisch kader voor elektronische handtekeningen en certificatiediensten.
Ongeacht de toegepaste techniek wordt er gegarandeerd dat alleen de gerechtigde personen toegang hebben tot de middelen waarmee de handtekening wordt gecreëerd.
De gevolgde procedures moeten bovendien toelaten dat de natuurlijke persoon die verantwoordelijk is voor de verzending, correct kan worden geïdentificeerd en dat het tijdstip van de verzending correct kan worden vastgesteld. Die gegevens moeten gedurende een periode van tien jaar door de afzender worden bewaard en in geval van betwisting binnen een redelijke termijn worden voorgelegd.
Art. 3.12.1.0.7. Les articles 3.12.1.0.1 à 3.12.1.0.6 inclus s'appliquent à toute personne qui est compétente pour accorder l'authenticité aux actes, cités dans l'article 3.12.1.0.1.
Art. 3.12.1.0.7. Artikel 3.12.1.0.1 tot en met 3.12.1.0.6 zijn van toepassing op elke persoon die bevoegd is om de authenticiteit te verlenen aan de akten, vermeld in artikel 3.12.1.0.1.
Art. 3.12.1.0.8. Moyennant l'accord du redevable, [1 les banques qui sont soumises à la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse, ainsi que les prêteurs et intermédiaires en crédit hypothécaire qui sont soumis au livre VII, titre 4, chapitre 4, du Code de droit économique,]1 sont autorisées d'envoyer l'avis, cité dans l'article 3.12.1.0.1, et en mesure de recevoir la notification, citée dans l'article 3.12.1.0.2, .
La délivrance d'une attestation par ces établissements à un notaire relative à l'envoi et à la suite qui y est donnée par les membres du personnel compétents, substitue la responsabilité de ces établissements à celle du notaire.
La délivrance d'une attestation par ces établissements à un notaire relative à l'envoi et à la suite qui y est donnée par les membres du personnel compétents, substitue la responsabilité de ces établissements à celle du notaire.
Art. 3.12.1.0.8. Met het akkoord van de belastingschuldige zijn [1 de banken die onderworpen zijn aan de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen, en ook de kredietgevers en bemiddelaars inzake hypothecair krediet die onderworpen zijn aan boek VII, titel 4, hoofdstuk 4, van het Wetboek van economisch recht,]1 gemachtigd het bericht, vermeld in artikel 3.12.1.0.1, toe te sturen en in staat om de kennisgeving, vermeld in artikel 3.12.1.0.2, te ontvangen.
De afgifte door die instellingen van een attest aan de notaris betreffende de verzending van het bericht en het gevolg dat daaraan gegeven wordt door de bevoegde personeelsleden, stelt de aansprakelijkheid van die instellingen in de plaats van die van de notaris.
De afgifte door die instellingen van een attest aan de notaris betreffende de verzending van het bericht en het gevolg dat daaraan gegeven wordt door de bevoegde personeelsleden, stelt de aansprakelijkheid van die instellingen in de plaats van die van de notaris.
Art. 3.12.1.0.9. Aucun acte passé à l'étranger et qui a pour objet l'aliénation ou l'utilisation hypothécaire d'un bien immobilier, d'un bateau ou d'une embarcation, n'est autorisé en Belgique à la transcription ou à l'inscription [1 dans les registres de la publicité hypothécaire ou dans le Registre naval belge]1, s'il n'y a pas d'attestation jointe du membre du personnel compétent dans le ressort administratif duquel le bien immobilier se situe, et, le cas échéant, du membre du personnel compétent du ressort administratif duquel le concerné a son domicile ou son établissement principal.
L'attestation, citée dans l'alinéa premier, démontre que le propriétaire ou l'usufruitier ne doit aucun impôt ou que l'hypothèque légale qui garantit les impôts dus, est inscrite.
L'attestation, citée dans l'alinéa premier, démontre que le propriétaire ou l'usufruitier ne doit aucun impôt ou que l'hypothèque légale qui garantit les impôts dus, est inscrite.
Art. 3.12.1.0.9. Geen akte die in het buitenland verleden is en de vervreemding of de hypothecaire aanwending van een onroerend goed, een schip of een vaartuig tot voorwerp heeft, wordt in België tot overschrijving of inschrijving [1 in de registers van de hypothecaire openbaarmaking of in de registers van het Belgisch Scheepsregister]1 toegelaten, als er niet een attest bij gevoegd is van het bevoegde personeelslid in het ambtsgebied van wie het onroerend goed ligt en, in voorkomend geval, van het bevoegde personeelslid in het ambtsgebied van wie de betrokkene zijn woonplaats of zijn hoofdinrichting heeft.
Het attest, vermeld in het eerste lid, geeft er blijk van dat de eigenaar of de vruchtgebruiker geen belastingen schuldig is of dat de wettelijke hypotheek die de verschuldigde belastingen waarborgt, ingeschreven is.
Het attest, vermeld in het eerste lid, geeft er blijk van dat de eigenaar of de vruchtgebruiker geen belastingen schuldig is of dat de wettelijke hypotheek die de verschuldigde belastingen waarborgt, ingeschreven is.
Art. 3.12.1.0.10. Les fonctionnaires publics ou les officiers ministériels chargés de vendre publiquement des biens meubles, dont la valeur atteint au moins [2 2500 euros]2, sont personnellement responsables du paiement des impôts et accessoires dus par le propriétaire au moment de la vente, s'ils n'en avisent pas au moins[2 sept]2 jours ouvrables à l'avance les instances ou personnes suivantes de la manière suivante:
1° l'entité compétente de l'administration flamande à l'aide d'une procédure utilisant des techniques informatiques;
2° le membre du personnel compétent du domicile ou de l'établissement principal du propriétaire par lettre recommandée[1 avec accusé de réception]1 si l'avis ne peut pas être communiqué de la manière, citée dans 1°.
Si l'avis a été communiqué conformément à l'alinéa premier, 1°, il faut entendre par date d'expédition de l'avis, la date de la notification de réception, communiquée par l'entité compétente de l'administration flamande.
Lorsqu'un même avis est envoyé successivement de la manière citée respectivement dans l'alinéa premier, 1° et 2°, l'avis établi conformément à l'alinéa premier, 2°, ne prévaudra que si la date d'envoi précède celle de l'avis établi conformément à l'alinéa premier, 1°.
1° l'entité compétente de l'administration flamande à l'aide d'une procédure utilisant des techniques informatiques;
2° le membre du personnel compétent du domicile ou de l'établissement principal du propriétaire par lettre recommandée[1 avec accusé de réception]1 si l'avis ne peut pas être communiqué de la manière, citée dans 1°.
Si l'avis a été communiqué conformément à l'alinéa premier, 1°, il faut entendre par date d'expédition de l'avis, la date de la notification de réception, communiquée par l'entité compétente de l'administration flamande.
Lorsqu'un même avis est envoyé successivement de la manière citée respectivement dans l'alinéa premier, 1° et 2°, l'avis établi conformément à l'alinéa premier, 2°, ne prévaudra que si la date d'envoi précède celle de l'avis établi conformément à l'alinéa premier, 1°.
Art. 3.12.1.0.10. Openbare ambtenaren of ministeriële officieren, belast met de openbare verkoping van roerende goederen waarvan de waarde ten minste [2 2500 euro]2 bedraagt, zijn persoonlijk aansprakelijk voor de betaling van de belastingen en toebehoren die de eigenaar op het ogenblik van de verkoping schuldig is, als ze niet ten minste [2 zeven]2 werkdagen vooraf de volgende instanties of personen verwittigen op de volgende wijze :
1° de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken gebruikt worden;
2° het bevoegde personeelslid van de woonplaats of van de hoofdinrichting van de eigenaar met een aangetekende brief [1 met ontvangstmelding]1 als het bericht niet meegedeeld kan worden op de wijze, vermeld in 1°.
Als het bericht meegedeeld is conform het eerste lid, 1°, wordt onder de datum van verzending van het bericht verstaan de datum van ontvangstmelding, meegedeeld door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.
Als hetzelfde bericht achtereenvolgens wordt verstuurd op de wijzen, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, zal het bericht, opgesteld conform het eerste lid, 2°, alleen primeren als de datum van toezending vroeger is dan de verzendingsdatum van het bericht, opgesteld conform het eerste lid, 1°.
1° de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken gebruikt worden;
2° het bevoegde personeelslid van de woonplaats of van de hoofdinrichting van de eigenaar met een aangetekende brief [1 met ontvangstmelding]1 als het bericht niet meegedeeld kan worden op de wijze, vermeld in 1°.
Als het bericht meegedeeld is conform het eerste lid, 1°, wordt onder de datum van verzending van het bericht verstaan de datum van ontvangstmelding, meegedeeld door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.
Als hetzelfde bericht achtereenvolgens wordt verstuurd op de wijzen, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, zal het bericht, opgesteld conform het eerste lid, 2°, alleen primeren als de datum van toezending vroeger is dan de verzendingsdatum van het bericht, opgesteld conform het eerste lid, 1°.
Art. 3.12.1.0.11. Lorsque la vente a eu lieu, la notification du montant des sommes dues, effectuée au plus tard la veille du jour de la vente par l'entité visée à l'article 3.12.1.0.10, alinéa premier, 1°, ou par le membre du personnel compétent, visé à l'article 3.12.1.0.10, alinéa premier, 2°, emporte saisie-arrêt entre les mains des fonctionnaires publics ou des officiers ministériels visés à l'article 3.12.1.0.10, alinéa premier. La notification se fait :
1° moyennant une procédure utilisant des techniques d'informatique;
2° par lettre recommandée [2 avec accusé de réception]2, si la notification ne peut pas être envoyée de la manière, citée dans 1°.
Si la notification a eu lieu conformément à l'alinéa premier, 1°, [1 on entend par la date d'envoi de cette notification, la date de l'accusé de réception communiquée par la Fédération du Notariat belge]1.
Si la même notification est envoyée successivement de la manière citée respectivement dans l'alinéa premier, 1° et 2°, la notification établie conformément à l'alinéa premier, 2°, ne prévaudra que si la date d'envoi précède celle de l'avis établi conformément à l'alinéa premier, 1°.
Sans préjudice des droits de tiers et sauf ans le cas de l'application des articles 1627 à 1638 inclus du Code judiciaire, les fonctionnaires publics ou les officiers ministériels sont tenus de payer les montants et valeurs qu'ils détiennent au plus tard au [3 septième]3jour ouvrable qui suit la vente, à l'entité compétente de l'administration flamande à concurrence des impôts en accessoires qui ont été notifiés au fonctionnaire public ou à l'officier ministériel en application de l'alinéa premier et pour autant que ces impôts et accessoires ne soient pas contestés.
1° moyennant une procédure utilisant des techniques d'informatique;
2° par lettre recommandée [2 avec accusé de réception]2, si la notification ne peut pas être envoyée de la manière, citée dans 1°.
Si la notification a eu lieu conformément à l'alinéa premier, 1°, [1 on entend par la date d'envoi de cette notification, la date de l'accusé de réception communiquée par la Fédération du Notariat belge]1.
Si la même notification est envoyée successivement de la manière citée respectivement dans l'alinéa premier, 1° et 2°, la notification établie conformément à l'alinéa premier, 2°, ne prévaudra que si la date d'envoi précède celle de l'avis établi conformément à l'alinéa premier, 1°.
Sans préjudice des droits de tiers et sauf ans le cas de l'application des articles 1627 à 1638 inclus du Code judiciaire, les fonctionnaires publics ou les officiers ministériels sont tenus de payer les montants et valeurs qu'ils détiennent au plus tard au [3 septième]3jour ouvrable qui suit la vente, à l'entité compétente de l'administration flamande à concurrence des impôts en accessoires qui ont été notifiés au fonctionnaire public ou à l'officier ministériel en application de l'alinéa premier et pour autant que ces impôts et accessoires ne soient pas contestés.
Art. 3.12.1.0.11. Als de verkoping heeft plaatsgevonden, geldt de kennisgeving van het bedrag van de verschuldigde bedragen, die uiterlijk daags vóór de verkoping uitgevoerd wordt door de entiteit, vermeld in artikel 3.12.1.0.10, eerste lid, 1°, of door het bevoegde personeelslid, vermeld in artikel 3.12.1.0.10, eerste lid, 2°, als beslag onder derden in handen van de openbare ambtenaren of ministeriële officieren als vermeld in artikel 3.12.1.0.10, eerste lid. De kennisgeving gebeurt :
1° door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt;
2° met een aangetekende brief [2 met ontvangstmelding]2, als de kennisgeving niet op de wijze, vermeld in 1°, kan worden verzonden.
Als de kennisgeving heeft plaatsgevonden conform het eerste lid, 1°, [1 wordt onder de datum van verzending van die kennisgeving verstaan, de datum van ontvangstmelding die de Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat heeft meegedeeld]1.
Als dezelfde kennisgeving achtereenvolgens wordt verstuurd op de wijzen, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, zal de kennisgeving conform het eerste lid, 2°, alleen primeren als de datum van toezending vroeger is dan de verzendingsdatum van de kennisgeving, opgesteld conform het eerste lid, 1°.
Met behoud van de rechten van derden en behalve in geval van de toepassing van artikel 1627 tot en met 1638 van het Gerechtelijk Wetboek, zijn de openbare ambtenaren of ministeriële officieren gehouden de bedragen en waarden die ze onder zich houden, uiterlijk de [3 zevende]3 werkdag die volgt op de verkoping, te betalen aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie ten bedrage van de belastingen en toebehoren die de openbare ambtenaar of de ministeriële officier ter uitvoering van het eerste lid ter kennis zijn gebracht en in zoverre deze belastingen en toebehoren niet betwist worden.
1° door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt;
2° met een aangetekende brief [2 met ontvangstmelding]2, als de kennisgeving niet op de wijze, vermeld in 1°, kan worden verzonden.
Als de kennisgeving heeft plaatsgevonden conform het eerste lid, 1°, [1 wordt onder de datum van verzending van die kennisgeving verstaan, de datum van ontvangstmelding die de Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat heeft meegedeeld]1.
Als dezelfde kennisgeving achtereenvolgens wordt verstuurd op de wijzen, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, zal de kennisgeving conform het eerste lid, 2°, alleen primeren als de datum van toezending vroeger is dan de verzendingsdatum van de kennisgeving, opgesteld conform het eerste lid, 1°.
Met behoud van de rechten van derden en behalve in geval van de toepassing van artikel 1627 tot en met 1638 van het Gerechtelijk Wetboek, zijn de openbare ambtenaren of ministeriële officieren gehouden de bedragen en waarden die ze onder zich houden, uiterlijk de [3 zevende]3 werkdag die volgt op de verkoping, te betalen aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie ten bedrage van de belastingen en toebehoren die de openbare ambtenaar of de ministeriële officier ter uitvoering van het eerste lid ter kennis zijn gebracht en in zoverre deze belastingen en toebehoren niet betwist worden.
Art. 3.12.1.0.12. La responsabilité encourue par les fonctionnaires publics ou les officiers ministériels en application des articles 3.12.1.0.10 et 3.12.1.0.11, n'excède pas, selon le cas, la valeur des biens vendus, après déduction des sommes et valeurs, sur lesquelles il a été procédé à une saisie-arrêt entre leurs mains.de tiers.
Art. 3.12.1.0.12. De aansprakelijkheid door de openbare ambtenaren en ministeriële officieren, opgelopen met toepassing van artikel 3.12.1.0.10 en 3.12.1.0.11, gaat, naargelang het geval, de waarde van de verkochte goederen, na aftrek van de sommen en waarden waarop in hun handen beslag onder derden werd gelegd, niet te boven.
Art. 3.12.1.0.13. § 1er. Le Gouvernement flamand peut fixer les modèles des avis et informations, cités dans l'article 3.12.1.0.10 .
§ 2. L'information dans les avis, notifications et informations, citées dans les articles 3.12.1.0.10 et 3.12.1.0.11 inclus, est la même, qu'ils soient communiqués moyennant une procédure utilisant des techniques d'informatique ou par lettre recommandée à la poste[1 avec accusé de réception]1.
Lors de l'envoi des avis, informations et notifications, cités dans l'alinéa premier, adressés au ou provenant du membre du personnel compétent ou de l'entité compétente du Gouvernement flamand, les personnes concernées sont identifiées à l'aide du numéro d'identification, cité [2 dans l'article III.17 du Code de droit économique]2 s'il s'agit d'une personne morale, et du numéro de registre national s'il s'agit d'une personne physique et du numéro d'identification cité dans l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale.
§ 3. L'origine et l'intégrité du contenu des avis, informations et notifications, cités dans les articles 3.12.1.0.10 en 3.12.1.0.11, doivent, en cas d'envoi à l'aide d'une procédure utilisant des moyens informatiques, être sécurisés par des techniques de sécurité adaptés.
§ 4. Pour que les notifications, citées dans l'article 3.12.1.0.11, emportent saisie-arrêt de manière valable lorsqu'elles sont envoyées moyennant une procédure utilisant des techniques d'informatique, elles doivent porter une signature électronique incorporée par une des techniques suivantes :
1° création d'une signature électronique à l'aide d'une carte d'identité électronique belge;
2° création d'une signature numérique à l'aide d'une clé privée accordée à un membre du personnel compétent et accompagnée d'un certificat délivré à ce membre du personnel, la clé privée et le certificat étant enregistrés de manière sécurisée dans la mémoire d'un ordinateur;
3° création d'une signature numérique à l'aide d'une clé privée accordée à l'entité compétente de l'administration flamande, cité dans l'article 3.12.1.0.11, et accompagnée d'un certificat délivré à cette entité, la clé privée et le certificat étant enregistrés de manière sécurisée dans la mémoire d'un ordinateur;
4° création d'une signature électronique avancée au sens de l'article 2, 2°, de la loi du 9 juillet 2001 fixant certaines règles relatives au cadre juridique pour les signatures électroniques et les services de certification.
Quelle que soit la technique appliquée, il est garanti que seules les personnes autorisées ont accès aux moyens de création de signatures.
Les procédures suivies doivent en outre permettre d'identifier correctement la personne physique responsable pour l'envoi et en déterminer correctement la date et l'heure d'envoi.
Ces données doivent être conservées pendant une période de dix ans par l'expéditeur et produites dans un délai raisonnable en cas de dispute.
§ 2. L'information dans les avis, notifications et informations, citées dans les articles 3.12.1.0.10 et 3.12.1.0.11 inclus, est la même, qu'ils soient communiqués moyennant une procédure utilisant des techniques d'informatique ou par lettre recommandée à la poste[1 avec accusé de réception]1.
Lors de l'envoi des avis, informations et notifications, cités dans l'alinéa premier, adressés au ou provenant du membre du personnel compétent ou de l'entité compétente du Gouvernement flamand, les personnes concernées sont identifiées à l'aide du numéro d'identification, cité [2 dans l'article III.17 du Code de droit économique]2 s'il s'agit d'une personne morale, et du numéro de registre national s'il s'agit d'une personne physique et du numéro d'identification cité dans l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale.
§ 3. L'origine et l'intégrité du contenu des avis, informations et notifications, cités dans les articles 3.12.1.0.10 en 3.12.1.0.11, doivent, en cas d'envoi à l'aide d'une procédure utilisant des moyens informatiques, être sécurisés par des techniques de sécurité adaptés.
§ 4. Pour que les notifications, citées dans l'article 3.12.1.0.11, emportent saisie-arrêt de manière valable lorsqu'elles sont envoyées moyennant une procédure utilisant des techniques d'informatique, elles doivent porter une signature électronique incorporée par une des techniques suivantes :
1° création d'une signature électronique à l'aide d'une carte d'identité électronique belge;
2° création d'une signature numérique à l'aide d'une clé privée accordée à un membre du personnel compétent et accompagnée d'un certificat délivré à ce membre du personnel, la clé privée et le certificat étant enregistrés de manière sécurisée dans la mémoire d'un ordinateur;
3° création d'une signature numérique à l'aide d'une clé privée accordée à l'entité compétente de l'administration flamande, cité dans l'article 3.12.1.0.11, et accompagnée d'un certificat délivré à cette entité, la clé privée et le certificat étant enregistrés de manière sécurisée dans la mémoire d'un ordinateur;
4° création d'une signature électronique avancée au sens de l'article 2, 2°, de la loi du 9 juillet 2001 fixant certaines règles relatives au cadre juridique pour les signatures électroniques et les services de certification.
Quelle que soit la technique appliquée, il est garanti que seules les personnes autorisées ont accès aux moyens de création de signatures.
Les procédures suivies doivent en outre permettre d'identifier correctement la personne physique responsable pour l'envoi et en déterminer correctement la date et l'heure d'envoi.
Ces données doivent être conservées pendant une période de dix ans par l'expéditeur et produites dans un délai raisonnable en cas de dispute.
Art. 3.12.1.0.13. § 1. De Vlaamse Regering kan voor de berichten en inlichtingen, vermeld in het artikel 3.12.1.0.10, de modellen vaststellen.
§ 2. De informatie in de berichten, kennisgevingen en inlichtingen, vermeld in artikel 3.12.1.0.10 en 3.12.1.0.11, is dezelfde, ongeacht of ze worden meegedeeld door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, of met een aangetekende brief [1 met ontvangstmelding]1.
Bij de verzending van de berichten, inlichtingen en kennisgevingen, vermeld in het eerste lid, gericht tot of afkomstig van het bevoegde personeelslid of de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, worden de betrokken personen geïdentificeerd aan de hand van het identificatienummer, vermeld in [2 artikel III.17 van het Wetboek van Economisch Recht]2, als het gaat om een rechtspersoon, en aan de hand van het rijksregisternummer als het gaat om een natuurlijke persoon, en aan de hand van het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid.
§ 3. De oorsprong en de integriteit van de inhoud van de berichten, inlichtingen en kennisgevingen, vermeld in artikel 3.12.1.0.10 en 3.12.1.0.11, moeten, in geval van verzending door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, worden verzekerd met aangepaste beveiligingstechnieken.
§ 4. Opdat de kennisgevingen, vermeld in artikel 3.12.1.0.11, op geldige wijze als beslag onder derden zouden gelden als ze worden verzonden door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, moeten ze een elektronische handtekening dragen, die met een van de volgende technieken wordt aangebracht :
1° creatie van een elektronische handtekening met behulp van een Belgische elektronische identiteitskaart;
2° creatie van een digitale handtekening met behulp van een private sleutel, toegekend aan een bevoegde personeelslid, waarbij een certificaat is gevoegd dat uitgereikt is aan dat personeelslid, waarbij zowel de private sleutel als het certificaat op een beveiligde wijze in het geheugen van een computer is opgeslagen;
3° creatie van een digitale handtekening met behulp van een private sleutel, toegekend aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, vermeld in artikel 3.12.1.0.11, waarbij een certificaat gevoegd is dat uitgereikt is aan die entiteit, waarbij zowel de private sleutel als het certificaat op een beveiligde wijze in het geheugen van een computer is opgeslagen;
4° creatie van een geavanceerde elektronische handtekening als vermeld in artikel 2, 2°, van de wet van 9 juli 2001 houdende vaststelling van bepaalde regels in verband met het juridisch kader voor elektronische handtekeningen en certificatiediensten.
Ongeacht de toegepaste techniek wordt er gegarandeerd dat alleen de gerechtigde personen toegang hebben tot de middelen waarmee de handtekening wordt gecreëerd.
De gevolgde procedures moeten bovendien toelaten dat de natuurlijke persoon die verantwoordelijk is voor de verzending, correct kan worden geïdentificeerd en dat het tijdstip van de verzending correct kan worden vastgesteld.
Die gegevens moeten gedurende een periode van tien jaar door de afzender worden bewaard en in geval van betwisting binnen een redelijke termijn worden voorgelegd.
§ 2. De informatie in de berichten, kennisgevingen en inlichtingen, vermeld in artikel 3.12.1.0.10 en 3.12.1.0.11, is dezelfde, ongeacht of ze worden meegedeeld door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, of met een aangetekende brief [1 met ontvangstmelding]1.
Bij de verzending van de berichten, inlichtingen en kennisgevingen, vermeld in het eerste lid, gericht tot of afkomstig van het bevoegde personeelslid of de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, worden de betrokken personen geïdentificeerd aan de hand van het identificatienummer, vermeld in [2 artikel III.17 van het Wetboek van Economisch Recht]2, als het gaat om een rechtspersoon, en aan de hand van het rijksregisternummer als het gaat om een natuurlijke persoon, en aan de hand van het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid.
§ 3. De oorsprong en de integriteit van de inhoud van de berichten, inlichtingen en kennisgevingen, vermeld in artikel 3.12.1.0.10 en 3.12.1.0.11, moeten, in geval van verzending door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, worden verzekerd met aangepaste beveiligingstechnieken.
§ 4. Opdat de kennisgevingen, vermeld in artikel 3.12.1.0.11, op geldige wijze als beslag onder derden zouden gelden als ze worden verzonden door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, moeten ze een elektronische handtekening dragen, die met een van de volgende technieken wordt aangebracht :
1° creatie van een elektronische handtekening met behulp van een Belgische elektronische identiteitskaart;
2° creatie van een digitale handtekening met behulp van een private sleutel, toegekend aan een bevoegde personeelslid, waarbij een certificaat is gevoegd dat uitgereikt is aan dat personeelslid, waarbij zowel de private sleutel als het certificaat op een beveiligde wijze in het geheugen van een computer is opgeslagen;
3° creatie van een digitale handtekening met behulp van een private sleutel, toegekend aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, vermeld in artikel 3.12.1.0.11, waarbij een certificaat gevoegd is dat uitgereikt is aan die entiteit, waarbij zowel de private sleutel als het certificaat op een beveiligde wijze in het geheugen van een computer is opgeslagen;
4° creatie van een geavanceerde elektronische handtekening als vermeld in artikel 2, 2°, van de wet van 9 juli 2001 houdende vaststelling van bepaalde regels in verband met het juridisch kader voor elektronische handtekeningen en certificatiediensten.
Ongeacht de toegepaste techniek wordt er gegarandeerd dat alleen de gerechtigde personen toegang hebben tot de middelen waarmee de handtekening wordt gecreëerd.
De gevolgde procedures moeten bovendien toelaten dat de natuurlijke persoon die verantwoordelijk is voor de verzending, correct kan worden geïdentificeerd en dat het tijdstip van de verzending correct kan worden vastgesteld.
Die gegevens moeten gedurende een periode van tien jaar door de afzender worden bewaard en in geval van betwisting binnen een redelijke termijn worden voorgelegd.
Art. 3.12.1.0.14. § 1er. Sans préjudice de l'application des articles 3.12.1.0.1 à 3.12.1.0.8 inclus le transfert en propriété ou en usufruit d'un ensemble de biens, composé d'entre autres d'éléments permettant le maintien de la clientèle, qui sont utilisés pour l'exercice d'une profession libre, d'une fonction ou d'un poste ou d'une entreprise industrielle, commerciale ou agricole, ainsi que l'établissement d'un usufruit des mêmes biens, n'est opposable aux membres du personnel compétents qu'après écoulement du mois qui suit le mois pendant lequel une copie déclarée conforme de l'acte de transfert ou d'établissement a été notifiée au membre du personnel compétent du domicile ou du siège [2 ...]2 du cédant.
§ 2. Le repreneur est solidairement responsable du paiement de toutes les dettes fiscales, dues par le cédant à près écoulement du délai, cité dans le paragraphe 1er, pour le montant qu'il a déjà payé ou donné, ou pour un montant qui correspond à la valeur nominale des parts qui ont été accordées en échange du transfert avant la fin de ce délai.
§ 3. Les paragraphes 1er et 2 s'appliquent si le cédant joint à l'acte de transfert un certificat qui a été rédigé exclusivement à cet effet par le membre du personnel, cité dans le paragraphe 1er, dans les trente jours qui précèdent à la notification du contrat.
La délivrance de ce certificat dépend d'une demande que le cédant a introduite en deux exemplaires auprès du membre du personnel compétent des impôts du domicile ou du siège [2 ...]2 du cédant.
Le certificat est refusé par le membre du personnel compétent si des montants restent dus par le cédant comme impôts et accessoires au jour de la demande ou si la demande a été introduite après l'annonce d'un ou pendant une enquête fiscale ou après l'envoi d'une demande d'informations.
Le certificat est soit délivré, soit refusé, dans un délai de trente jour suivant l'introduction de la demande par le cédant.
§ 4. Les transferts qui sont exécutés par un curateur, un mandataire judiciaire, chargé de l'organisation et de la réalisation d'un transfert sous autorité judiciaire en application de l'article [1 XX.85 du Code de Droit Economique]1, ou en cas de fusion, de scission, d'apport de l'universalité de biens ou d'une branche des activités, exécutés conformément aux dispositions du [2 Code des sociétés et des associations]2, ne sont pas soumis aux dispositions du présent article.
§ 5. Le Gouvernement flamand peut fixer les modèles de la demande et du certificat, cités dans le présent article.
§ 2. Le repreneur est solidairement responsable du paiement de toutes les dettes fiscales, dues par le cédant à près écoulement du délai, cité dans le paragraphe 1er, pour le montant qu'il a déjà payé ou donné, ou pour un montant qui correspond à la valeur nominale des parts qui ont été accordées en échange du transfert avant la fin de ce délai.
§ 3. Les paragraphes 1er et 2 s'appliquent si le cédant joint à l'acte de transfert un certificat qui a été rédigé exclusivement à cet effet par le membre du personnel, cité dans le paragraphe 1er, dans les trente jours qui précèdent à la notification du contrat.
La délivrance de ce certificat dépend d'une demande que le cédant a introduite en deux exemplaires auprès du membre du personnel compétent des impôts du domicile ou du siège [2 ...]2 du cédant.
Le certificat est refusé par le membre du personnel compétent si des montants restent dus par le cédant comme impôts et accessoires au jour de la demande ou si la demande a été introduite après l'annonce d'un ou pendant une enquête fiscale ou après l'envoi d'une demande d'informations.
Le certificat est soit délivré, soit refusé, dans un délai de trente jour suivant l'introduction de la demande par le cédant.
§ 4. Les transferts qui sont exécutés par un curateur, un mandataire judiciaire, chargé de l'organisation et de la réalisation d'un transfert sous autorité judiciaire en application de l'article [1 XX.85 du Code de Droit Economique]1, ou en cas de fusion, de scission, d'apport de l'universalité de biens ou d'une branche des activités, exécutés conformément aux dispositions du [2 Code des sociétés et des associations]2, ne sont pas soumis aux dispositions du présent article.
§ 5. Le Gouvernement flamand peut fixer les modèles de la demande et du certificat, cités dans le présent article.
Art. 3.12.1.0.14. § 1. Met behoud van de toepassing van artikel 3.12.1.0.1 tot en met 3.12.1.0.8 is de overdracht in eigendom of in vruchtgebruik van een geheel van goederen, samengesteld uit onder meer elementen die het behoud van de clientèle mogelijk maken, die voor de uitoefening van een vrij beroep, ambt of post of een industrieel, handels- of landbouwbedrijf worden aangewend, alsook de vestiging van een vruchtgebruik op dezelfde goederen, pas tegenstelbaar aan de bevoegde personeelsleden na verloop van de maand die volgt op de maand waarin een eensluidend verklaard afschrift van de akte tot overdracht of vestiging ter kennis is gebracht van het bevoegde personeelslid van de woonplaats of van de [2 ...]2 zetel van de overdrager.
§ 2. De overnemer is hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de belastingschulden, verschuldigd door de overdrager na verloop van de termijn, vermeld in paragraaf 1, voor het bedrag dat al door hem is betaald of verstrekt, of voor een bedrag dat overeenstemt met de nominale waarde van de aandelen die in ruil voor de overdracht zijn toegekend vóór de afloop van de voormelde termijn.
§ 3. Paragraaf 1 en 2 zijn niet van toepassing als de overdrager bij de akte van overdracht een certificaat voegt dat uitsluitend met dat doel is opgemaakt door het personeelslid, vermeld in paragraaf 1, binnen dertig dagen die voorafgaan aan de kennisgeving van de overeenkomst.
De uitreiking van dat certificaat is afhankelijk van een aanvraag die de overdrager in tweevoud heeft ingediend bij het bevoegde personeelslid van de belastingen van de woonplaats of de [2 ...]2 zetel van de overdrager.
Het certificaat wordt geweigerd door het bevoegde personeelslid als de overdrager bedragen verschuldigd blijft als belastingen en toebehoren op de dag van de aanvraag of als de aanvraag is ingediend na de aankondiging van of tijdens een belastingonderzoek of na het verzenden van een verzoek om inlichtingen.
Het certificaat wordt ofwel uitgereikt ofwel geweigerd binnen een termijn van dertig dagen na de indiening van de vraag van de overdrager.
§ 4. De overdrachten die worden uitgevoerd door een curator, een gerechtsmandataris, belast met het organiseren en realiseren van een overdracht onder gerechtelijk gezag met toepassing van artikel [1 XX.85 van het Wetboek van Economisch Recht]1 of in geval van fusie, splitsing, inbreng van de algemeenheid van goederen of van een tak van werkzaamheid, verricht overeenkomstig de bepalingen van [2 het Wetboek van vennootschappen en verenigingen]2, zijn niet onderworpen aan de bepalingen van dit artikel .
§ 5. De Vlaamse Regering kan modellen vaststellen voor de aanvraag en het certificaat, vermeld in dit artikel .
§ 2. De overnemer is hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de belastingschulden, verschuldigd door de overdrager na verloop van de termijn, vermeld in paragraaf 1, voor het bedrag dat al door hem is betaald of verstrekt, of voor een bedrag dat overeenstemt met de nominale waarde van de aandelen die in ruil voor de overdracht zijn toegekend vóór de afloop van de voormelde termijn.
§ 3. Paragraaf 1 en 2 zijn niet van toepassing als de overdrager bij de akte van overdracht een certificaat voegt dat uitsluitend met dat doel is opgemaakt door het personeelslid, vermeld in paragraaf 1, binnen dertig dagen die voorafgaan aan de kennisgeving van de overeenkomst.
De uitreiking van dat certificaat is afhankelijk van een aanvraag die de overdrager in tweevoud heeft ingediend bij het bevoegde personeelslid van de belastingen van de woonplaats of de [2 ...]2 zetel van de overdrager.
Het certificaat wordt geweigerd door het bevoegde personeelslid als de overdrager bedragen verschuldigd blijft als belastingen en toebehoren op de dag van de aanvraag of als de aanvraag is ingediend na de aankondiging van of tijdens een belastingonderzoek of na het verzenden van een verzoek om inlichtingen.
Het certificaat wordt ofwel uitgereikt ofwel geweigerd binnen een termijn van dertig dagen na de indiening van de vraag van de overdrager.
§ 4. De overdrachten die worden uitgevoerd door een curator, een gerechtsmandataris, belast met het organiseren en realiseren van een overdracht onder gerechtelijk gezag met toepassing van artikel [1 XX.85 van het Wetboek van Economisch Recht]1 of in geval van fusie, splitsing, inbreng van de algemeenheid van goederen of van een tak van werkzaamheid, verricht overeenkomstig de bepalingen van [2 het Wetboek van vennootschappen en verenigingen]2, zijn niet onderworpen aan de bepalingen van dit artikel .
§ 5. De Vlaamse Regering kan modellen vaststellen voor de aanvraag en het certificaat, vermeld in dit artikel .
Art. 3.12.1.0.15. Chaque personne morale ou personne physique qui possède, que ce soit ou non conjointement avec son époux ou cohabitants légaux ou ses descendants, ascendants et apparentés jusqu'au deuxième degré inclus, au moins 33 % des parts dans une société intérieure et qui transfère ces parts, ou une partie de ces dernières, pour au moins 75 % au plus tard dans une période d'un an, est solidairement responsable de droit pour le paiement des dettes fiscales et accessoires si l'actif de la société est constitué, au plus tard au jour du paiement du prix des parts, pour au moins 75 % de créances, d'actifs financiers fixes,de placements de fonds ou de moyens liquides.
La responsabilité solidaire, citée dans l'alinéa premier, ne s'applique qu'aux dettes fiscales et accessoires qui ont trait :
1° à l'année d'imposition pendant laquelle le transfert des parts a lieu;
2° aux trois années d'imposition précédant les années d'imposition pendant lesquelles le transfert des part a lieu;
L'alinéa premier ne s'applique pas aux parts transférées d'une société notée ou d'une entreprise qui est sous contrôle de l'Autorité des Services et Marchés financiers.
La responsabilité solidaire, citée dans l'alinéa premier, ne s'applique qu'aux dettes fiscales et accessoires qui ont trait :
1° à l'année d'imposition pendant laquelle le transfert des parts a lieu;
2° aux trois années d'imposition précédant les années d'imposition pendant lesquelles le transfert des part a lieu;
L'alinéa premier ne s'applique pas aux parts transférées d'une société notée ou d'une entreprise qui est sous contrôle de l'Autorité des Services et Marchés financiers.
Art. 3.12.1.0.15. Iedere rechtspersoon of natuurlijke persoon die, al dan niet samen met zijn echtgenoot of zijn wettelijk samenwonende of zijn descendenten, ascendenten en zijverwanten tot en met de tweede graad, onrechtstreeks of onmiddellijk minstens 33 % bezit van de aandelen in een binnenlandse vennootschap en die aandelen, of een gedeelte daarvan, voor minstens 75 % overdraagt uiterlijk in een tijdspanne van één jaar, is van rechtswege hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de belastingschulden en toebehoren als het actief van de vennootschap uiterlijk op de dag van de betaling van de prijs van de aandelen voor ten minste 75 % bestaat uit vorderingen, financiële vaste activa, geldbeleggingen of liquide middelen.
De hoofdelijke aansprakelijkheid, vermeld in het eerste lid, geldt alleen voor de belastingschulden en toebehoren die betrekking hebben op :
1° het aanslagjaar waarin de overdracht van de aandelen plaatsvindt;
2° de drie aanslagjaren voorafgaand aan de aanslagjaren waarin de overdracht van de aandelen plaatsvindt.
Het eerste lid is niet van toepassing op de overgedragen aandelen van een genoteerde vennootschap of van een onderneming die onder het toezicht staat van de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten.
De hoofdelijke aansprakelijkheid, vermeld in het eerste lid, geldt alleen voor de belastingschulden en toebehoren die betrekking hebben op :
1° het aanslagjaar waarin de overdracht van de aandelen plaatsvindt;
2° de drie aanslagjaren voorafgaand aan de aanslagjaren waarin de overdracht van de aandelen plaatsvindt.
Het eerste lid is niet van toepassing op de overgedragen aandelen van een genoteerde vennootschap of van een onderneming die onder het toezicht staat van de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten.
Art. 3.12.1.0.16. [1 § 1er. Les notaires qui doivent établir un acte ou une attestation d'hérédité conformément à l'[3 article 4.59]3 du Code civil doivent répondre personnellement du paiement des dettes du défunt, de ses héritiers et légataires dont l'identité est indiquée dans l'acte ou l'attestation ou des bénéficiaires d'une institution contractuelle établie par lui, à condition que ces dettes puissent faire l'objet d'une notification visée à l'article 3.12.1.0.17 s'ils n'en avisent pas :
1° l'entité compétente de l'administration flamande à l'aide d'une procédure utilisant des techniques informatiques ;
2° le membre du personnel compétent dans le ressort du domicile du défunt et du domicile ou du siège [2 ...]2 des héritiers, des légataires ou des bénéficiaires d'une institution contractuelle conformément aux conditions fixées si, en raison d'un cas de force majeure ou d'une défaillance technique, l'avis ne peut pas être communiqué de la manière, citée dans 1°. Dans ce cas, l'avis doit être transmis par lettre recommandée avec accusé de réception.
S'il s'agit de dettes à charge du défunt, la responsabilité, visée à l'alinéa premier, est limitée à la valeur de la succession. S'il s'agit de dettes à charge des ayants cause, la responsabilité, visée à l'alinéa premier, est limitée à la valeur des avoirs qui reviennent aux ayants cause dont l'identité est indiquée dans l'acte ou l'attestation et pour les montants dont le notaire peut être amené à répondre.
Si cet acte ou cette attestation ne sont pas établis dans les trois mois qui suivent l'envoi de l'avis, ils sont considérés comme inexistants.
Si le même avis est successivement donné de la manière, visée à l'alinéa premier, 1° et 2°, l'avis qui a été établi conformément à l'alinéa premier, 2°, primera seulement si la date de l'expédition est antérieure à la date d'expédition de l'avis donné conformément à l'alinéa premier, 1°.
Si l'avis est donné de la manière visée à l'alinéa premier, 1°, il faut entendre par la date de l'expédition de l'avis la date de l'accusé de réception communiquée par l'entité compétente de l'administration flamande.
§ 2. L'avis indique l'identité du défunt, des héritiers ou légataires ainsi que du bénéficiaire éventuel d'une institution contractuelle.
Pour l'application du premier alinéa, l'identité comprend :
1° pour les personnes physiques : le prénom, le nom et, le cas échéant, le numéro de registre national ou le numéro d'identification, visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale ou, à défaut de ce numéro, la date de naissance ;
2° pour une personne morale, un trust, une fiduciaire ou une forme juridique similaire : [2 le nom]2 et le siège et, le cas échéant, le numéro d'entreprise.]1
1° l'entité compétente de l'administration flamande à l'aide d'une procédure utilisant des techniques informatiques ;
2° le membre du personnel compétent dans le ressort du domicile du défunt et du domicile ou du siège [2 ...]2 des héritiers, des légataires ou des bénéficiaires d'une institution contractuelle conformément aux conditions fixées si, en raison d'un cas de force majeure ou d'une défaillance technique, l'avis ne peut pas être communiqué de la manière, citée dans 1°. Dans ce cas, l'avis doit être transmis par lettre recommandée avec accusé de réception.
S'il s'agit de dettes à charge du défunt, la responsabilité, visée à l'alinéa premier, est limitée à la valeur de la succession. S'il s'agit de dettes à charge des ayants cause, la responsabilité, visée à l'alinéa premier, est limitée à la valeur des avoirs qui reviennent aux ayants cause dont l'identité est indiquée dans l'acte ou l'attestation et pour les montants dont le notaire peut être amené à répondre.
Si cet acte ou cette attestation ne sont pas établis dans les trois mois qui suivent l'envoi de l'avis, ils sont considérés comme inexistants.
Si le même avis est successivement donné de la manière, visée à l'alinéa premier, 1° et 2°, l'avis qui a été établi conformément à l'alinéa premier, 2°, primera seulement si la date de l'expédition est antérieure à la date d'expédition de l'avis donné conformément à l'alinéa premier, 1°.
Si l'avis est donné de la manière visée à l'alinéa premier, 1°, il faut entendre par la date de l'expédition de l'avis la date de l'accusé de réception communiquée par l'entité compétente de l'administration flamande.
§ 2. L'avis indique l'identité du défunt, des héritiers ou légataires ainsi que du bénéficiaire éventuel d'une institution contractuelle.
Pour l'application du premier alinéa, l'identité comprend :
1° pour les personnes physiques : le prénom, le nom et, le cas échéant, le numéro de registre national ou le numéro d'identification, visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale ou, à défaut de ce numéro, la date de naissance ;
2° pour une personne morale, un trust, une fiduciaire ou une forme juridique similaire : [2 le nom]2 et le siège et, le cas échéant, le numéro d'entreprise.]1
Art. 3.12.1.0.16. [1 § 1. De notarissen die een akte of attest van erfopvolging moeten opmaken overeenkomstig [3 artikel 4.59]3 van het Burgerlijk Wetboek, zijn persoonlijk aansprakelijk voor de betaling van de schulden van de overledene, zijn erfgenamen en legatarissen, van wie de identiteit vermeld is in de akte of het attest, of de begunstigden van een door hem gemaakte contractuele erfstelling, op voorwaarde dat die schulden het onderwerp kunnen uitmaken van een kennisgeving als vermeld in artikel 3.12.1.0.17 als ze daarvan geen bericht geven aan :
1° de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken gebruikt worden;
2° het bevoegde personeelslid in het ambtsgebied van de woonplaats van de overledene en van de woonplaats of van de [2 ...]2e zetel van de erfgenamen, de legatarissen of de begunstigden van een contractuele erfstelling conform de gestelde voorwaarden, als het bericht wegens overmacht of een technische storing niet kan worden meegedeeld op de wijze, vermeld in punt 1°. In dat geval moet het bericht met een aangetekende brief met ontvangstmelding worden verzonden.
Als het gaat om schulden ten laste van de overledene, is de aansprakelijkheid, vermeld in het eerste lid, beperkt tot de waarde van de nalatenschap. Als het gaat om schulden ten laste van de rechtverkrijgenden, is de aansprakelijkheid, vermeld in het eerste lid, beperkt tot de waarde van de tegoeden die toekomen aan de rechtverkrijgenden, van wie de identiteit vermeld is in de akte of het attest, en voor welke bedragen de notaris aansprakelijk kan worden gesteld.
Als die akte of dat attest niet wordt opgesteld binnen drie maanden na de verzending van het bericht, wordt ze als niet bestaand beschouwd.
Als hetzelfde bericht achtereenvolgens gegeven wordt op de wijze, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, zal het bericht dat opgesteld is conform het eerste lid, 2°, alleen primeren als de datum van toezending vroeger is dan de verzendingsdatum van het bericht dat wordt gegeven conform het eerste lid, 1°.
Als het bericht gegeven wordt op de wijze, vermeld in het eerste lid, 1°, wordt onder de datum van verzending van het bericht verstaan de datum van de ontvangstmelding, meegedeeld door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.
§ 2. Het bericht vermeldt de identiteit van de overledene, van de erfgenamen of legatarissen, alsook de eventuele begunstigde van een contractuele erfstelling.
Voor de toepassing van het eerste lid omvat de identiteit :
1° voor natuurlijke personen : de voornaam, de achternaam en, in voorkomend geval, het rijksregisternummer of het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid of, bij gebrek aan dat nummer, de geboortedatum;
2° voor een rechtspersoon, een trust, een fiduciaire of een soortgelijke rechtsvorm : de [2 naam]2 en zetel en, in voorkomend geval, het ondernemingsnummer.]1
1° de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken gebruikt worden;
2° het bevoegde personeelslid in het ambtsgebied van de woonplaats van de overledene en van de woonplaats of van de [2 ...]2e zetel van de erfgenamen, de legatarissen of de begunstigden van een contractuele erfstelling conform de gestelde voorwaarden, als het bericht wegens overmacht of een technische storing niet kan worden meegedeeld op de wijze, vermeld in punt 1°. In dat geval moet het bericht met een aangetekende brief met ontvangstmelding worden verzonden.
Als het gaat om schulden ten laste van de overledene, is de aansprakelijkheid, vermeld in het eerste lid, beperkt tot de waarde van de nalatenschap. Als het gaat om schulden ten laste van de rechtverkrijgenden, is de aansprakelijkheid, vermeld in het eerste lid, beperkt tot de waarde van de tegoeden die toekomen aan de rechtverkrijgenden, van wie de identiteit vermeld is in de akte of het attest, en voor welke bedragen de notaris aansprakelijk kan worden gesteld.
Als die akte of dat attest niet wordt opgesteld binnen drie maanden na de verzending van het bericht, wordt ze als niet bestaand beschouwd.
Als hetzelfde bericht achtereenvolgens gegeven wordt op de wijze, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, zal het bericht dat opgesteld is conform het eerste lid, 2°, alleen primeren als de datum van toezending vroeger is dan de verzendingsdatum van het bericht dat wordt gegeven conform het eerste lid, 1°.
Als het bericht gegeven wordt op de wijze, vermeld in het eerste lid, 1°, wordt onder de datum van verzending van het bericht verstaan de datum van de ontvangstmelding, meegedeeld door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.
§ 2. Het bericht vermeldt de identiteit van de overledene, van de erfgenamen of legatarissen, alsook de eventuele begunstigde van een contractuele erfstelling.
Voor de toepassing van het eerste lid omvat de identiteit :
1° voor natuurlijke personen : de voornaam, de achternaam en, in voorkomend geval, het rijksregisternummer of het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid of, bij gebrek aan dat nummer, de geboortedatum;
2° voor een rechtspersoon, een trust, een fiduciaire of een soortgelijke rechtsvorm : de [2 naam]2 en zetel en, in voorkomend geval, het ondernemingsnummer.]1
Art. 3.12.1.0.17. [1 § 1er. Avant l'expiration du [2 dixième ]2 jour ouvrable qui suit la date de l'expédition de l'avis, visé à l'article 3.12.1.0.16, le membre du personnel compétent peut notifier au notaire l'existence, à charge du défunt ou d'une autre personne, visée dans l'avis, d'une dette fiscale qui relève du champ d'application du présent code et se compose de droits et accessoires en indiquant, pour chacun des débiteurs, le montant de cette dette de l'une des manières suivantes :
1° par l'utilisation de techniques informatiques ;
2° par une lettre recommandée avec accusé de réception.
Si la notification a été faite de la manière visée à l'alinéa premier, 1°, il faut entendre par la date de l'expédition de cette notification la date de l'accusé de réception communiqué par la Fédération royale du Notariat belge.
Si la même notification est successivement expédiée des manières visées à l'alinéa premier, 1° et 2°, la notification, établie conformément à l'alinéa premier, 2°, primera seulement si la date de l'expédition est antérieure à la date d'expédition de la notification établie conformément à l'alinéa premier, 1°.
§ 2. La notification indique l'identité du défunt, des héritiers ou légataires ainsi que du bénéficiaire éventuel d'une institution contractuelle de la manière visée à l'article 3.12.1.0.16.
§ 3. Sauf si les droits de la Région flamande sont mis en péril, les dettes, visées au paragraphe 1er, ne peuvent être communiquées qu'à partir de leur échéance.]1
1° par l'utilisation de techniques informatiques ;
2° par une lettre recommandée avec accusé de réception.
Si la notification a été faite de la manière visée à l'alinéa premier, 1°, il faut entendre par la date de l'expédition de cette notification la date de l'accusé de réception communiqué par la Fédération royale du Notariat belge.
Si la même notification est successivement expédiée des manières visées à l'alinéa premier, 1° et 2°, la notification, établie conformément à l'alinéa premier, 2°, primera seulement si la date de l'expédition est antérieure à la date d'expédition de la notification établie conformément à l'alinéa premier, 1°.
§ 2. La notification indique l'identité du défunt, des héritiers ou légataires ainsi que du bénéficiaire éventuel d'une institution contractuelle de la manière visée à l'article 3.12.1.0.16.
§ 3. Sauf si les droits de la Région flamande sont mis en péril, les dettes, visées au paragraphe 1er, ne peuvent être communiquées qu'à partir de leur échéance.]1
Art. 3.12.1.0.17 [1 § 1. Vóór het verstrijken van de [2 tiende]2 werkdag die volgt op de datum van de verzending van het bericht, vermeld in artikel 3.12.1.0.16, kan door het bevoegde personeelslid aan de notaris, kennisgegeven worden van het bestaan ten laste van de overledene of een andere persoon, vermeld in het bericht, van een fiscale schuld die onder het toepassingsgebied van deze codex valt en die bestaat uit belastingen en toebehoren, met opgave voor elk van de schuldenaars van het bedrag van die schuld op een van de volgende wijzen :
1° door gebruikmaking van informaticatechnieken;
2° met een aangetekende brief met ontvangstmelding.
Als de kennisgeving heeft plaatsgevonden op de wijze, vermeld in het eerste lid, 1°, wordt onder de datum van verzending van die kennisgeving verstaan de datum van de ontvangstmelding, meegedeeld door de Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat.
Als dezelfde kennisgeving achtereenvolgens wordt verstuurd op de wijzen, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, zal de kennisgeving, opgesteld conform het eerste lid, 2°, alleen primeren als de datum van toezending vroeger is dan de verzendingsdatum van de kennisgeving, opgesteld conform het eerste lid, 1°.
§ 2. De kennisgeving vermeldt de identiteit van de overledene, van de erfgenamen of legatarissen, alsook van de eventuele begunstigde van een contractuele erfstelling op de wijze, vermeld in artikel 3.12.1.0.16.
§ 3. Behalve als de rechten van het Vlaamse Gewest in gevaar verkeren, mogen de schulden, vermeld in paragraaf 1, pas meegedeeld worden vanaf de vervaldag ervan.]1
1° door gebruikmaking van informaticatechnieken;
2° met een aangetekende brief met ontvangstmelding.
Als de kennisgeving heeft plaatsgevonden op de wijze, vermeld in het eerste lid, 1°, wordt onder de datum van verzending van die kennisgeving verstaan de datum van de ontvangstmelding, meegedeeld door de Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat.
Als dezelfde kennisgeving achtereenvolgens wordt verstuurd op de wijzen, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, zal de kennisgeving, opgesteld conform het eerste lid, 2°, alleen primeren als de datum van toezending vroeger is dan de verzendingsdatum van de kennisgeving, opgesteld conform het eerste lid, 1°.
§ 2. De kennisgeving vermeldt de identiteit van de overledene, van de erfgenamen of legatarissen, alsook van de eventuele begunstigde van een contractuele erfstelling op de wijze, vermeld in artikel 3.12.1.0.16.
§ 3. Behalve als de rechten van het Vlaamse Gewest in gevaar verkeren, mogen de schulden, vermeld in paragraaf 1, pas meegedeeld worden vanaf de vervaldag ervan.]1
Art. 3.12.1.0.18. [1 Dans le certificat d'hérédité ou au pied de l'expédition de l'acte d'hérédité délivrée, il est fait mention soit de l'absence de notification de dettes en application de l'article 3.12.1.0.17, tant dans le chef du défunt que dans le chef d'une ou plusieurs personnes mentionnées dans l'avis et destinataires du certificat ou de l'expédition, soit du paiement des dettes notifiées en application de l'article 3.12.1.0.17, le cas échéant à intervenir au moyen des fonds détenus auprès du débiteur.
La mention du paiement intervenu ou à intervenir est ajoutée ou complétée par le notaire au pied du certificat.
Le notaire qui délivre un certificat d'hérédité ou l'expédition d'un acte d'hérédité portant des mentions inexactes relatives à l'absence de notification ou au paiement des dettes dont l'existence a été notifiée conformément à l'article 3.12.1.0.17, encourt la même responsabilité que le notaire qui contrevient à l'obligation visée à l'article 3.12.1.0.16, § 1er. Cette responsabilité est toutefois limitée au montant non recouvré du fait de ces inexactitudes.]1
La mention du paiement intervenu ou à intervenir est ajoutée ou complétée par le notaire au pied du certificat.
Le notaire qui délivre un certificat d'hérédité ou l'expédition d'un acte d'hérédité portant des mentions inexactes relatives à l'absence de notification ou au paiement des dettes dont l'existence a été notifiée conformément à l'article 3.12.1.0.17, encourt la même responsabilité que le notaire qui contrevient à l'obligation visée à l'article 3.12.1.0.16, § 1er. Cette responsabilité est toutefois limitée au montant non recouvré du fait de ces inexactitudes.]1
Art. 3.12.1.0.18 [1 In het attest van erfopvolging of onderaan op de uitgifte van de akte van erfopvolging wordt vermeld hetzij dat er geen kennisgeving van schulden met toepassing van artikel 3.12.1.0.17 is gedaan, zowel wat de overledene betreft als wat een of meer personen betreft die vermeld zijn in het bericht en die bestemmeling zijn van het attest of de uitgifte, hetzij dat de schulden waarvan met toepassing van artikel 3.12.1.0.17 is kennisgegeven, zijn betaald of, in voorkomend geval, zullen worden betaald met de tegoeden, gehouden door de schuldenaar.
De vermelding van de gedane of van de nog te verrichten betaling wordt door de notaris onderaan op het attest toegevoegd of vervolledigd.
De notaris die een attest van erfopvolging of een uitgifte van een akte van erfopvolging aflevert waarin onjuiste vermeldingen staan over het ontbreken van de kennisgeving of over de betaling van schulden waarvan van het bestaan ervan is kennisgegeven overeenkomstig artikel 3.12.1.0.17, loopt dezelfde aansprakelijkheid op als de notaris die de verplichting, vermeld in artikel 3.12.1.0.16, § 1, niet naleeft. Die aansprakelijkheid is evenwel beperkt tot het bedrag dat als gevolg van die onjuistheden niet kon worden ingevorderd.]1
De vermelding van de gedane of van de nog te verrichten betaling wordt door de notaris onderaan op het attest toegevoegd of vervolledigd.
De notaris die een attest van erfopvolging of een uitgifte van een akte van erfopvolging aflevert waarin onjuiste vermeldingen staan over het ontbreken van de kennisgeving of over de betaling van schulden waarvan van het bestaan ervan is kennisgegeven overeenkomstig artikel 3.12.1.0.17, loopt dezelfde aansprakelijkheid op als de notaris die de verplichting, vermeld in artikel 3.12.1.0.16, § 1, niet naleeft. Die aansprakelijkheid is evenwel beperkt tot het bedrag dat als gevolg van die onjuistheden niet kon worden ingevorderd.]1
Art. 3.12.1.0.19. [1 § 1er. Sous peine d'être personnellement responsable du paiement des impôts et accessoires, notifiés en application de l'article 3.12.1.0.17, celui qui libère des avoirs d'un défunt conformément à l'[2 article 4.59]2 du Code civil ne peut le faire de manière libératoire qu'à condition qu'il résulte clairement du certificat d'hérédité ou de l'expédition de l'acte qu'aucune notification visée à l'article 3.12.1.0.17 n'a été faite.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, la libération des avoirs du défunt conformément à l'article 1240bis du Code civil peut toutefois se faire de manière libératoire à un héritier, légataire ou bénéficiaire d'une institution contractuelle si celui-ci présente un certificat d'hérédité ou une expédition de l'acte d'hérédité mentionnant l'une des dispositions suivantes :
1° qu'au moins toutes les dettes existantes non contestées éventuellement notifiées en application de l'article 3.12.1.0.17, au nom du défunt et au nom de cet héritier, légataire ou bénéficiaire d'une institution contractuelle ont été payées ;
2° que la libération des avoirs peut avoir lieu au profit de l'héritier, du légataire ou du bénéficiaire d'une institution contractuelle, après paiement de ses dettes notifiées et de sa part notifiée dans les dettes du défunt, au moyen des fonds détenus auprès du débiteur, si ces dettes ne sont pas contestées.
§ 3. La responsabilité visée au paragraphe 1er est limitée à la valeur des avoirs libérés au profit des débiteurs mentionnés dans la notification visée à l'article 3.12.1.0.17.]1
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, la libération des avoirs du défunt conformément à l'article 1240bis du Code civil peut toutefois se faire de manière libératoire à un héritier, légataire ou bénéficiaire d'une institution contractuelle si celui-ci présente un certificat d'hérédité ou une expédition de l'acte d'hérédité mentionnant l'une des dispositions suivantes :
1° qu'au moins toutes les dettes existantes non contestées éventuellement notifiées en application de l'article 3.12.1.0.17, au nom du défunt et au nom de cet héritier, légataire ou bénéficiaire d'une institution contractuelle ont été payées ;
2° que la libération des avoirs peut avoir lieu au profit de l'héritier, du légataire ou du bénéficiaire d'une institution contractuelle, après paiement de ses dettes notifiées et de sa part notifiée dans les dettes du défunt, au moyen des fonds détenus auprès du débiteur, si ces dettes ne sont pas contestées.
§ 3. La responsabilité visée au paragraphe 1er est limitée à la valeur des avoirs libérés au profit des débiteurs mentionnés dans la notification visée à l'article 3.12.1.0.17.]1
Art. 3.12.1.0.19 [1 § 1. Op straffe van persoonlijk aansprakelijk te zijn voor de betaling van de belastingen en hun toebehoren, waarvan is kennisgegeven met toepassing van artikel 3.12.1.0.17, kan iemand die tegoeden van een overledene vrijgeeft overeenkomstig [2 artikel 4.59]2 van het Burgerlijk Wetboek, dat maar op een bevrijdende wijze doen als duidelijk uit het attest van erfopvolging of uit de uitgifte van de akte van erfopvolging blijkt dat geen enkele kennisgeving als vermeld in artikel 3.12.1.0.17, is gedaan.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 kan het vrijgeven van de tegoeden van de overledene overeenkomstig artikel 1240bis van het Burgerlijk Wetboek toch op een bevrijdende wijze gedaan worden aan een erfgenaam, een legataris of een begunstigde van een contractuele erfstelling als die een attest van erfopvolging of een uitgifte van de akte van erfopvolging voorlegt waarin een van de volgende bepalingen worden vermeld :
1° dat minstens alle op naam van de overledene en alle op naam van de erfgenaam, de legataris of de begunstigde van een contractuele erfstelling onbetwiste bestaande schulden, waarvan met toepassing van artikel 3.12.1.0.17 in voorkomend geval is kennisgegeven, zijn betaald;
2° dat de tegoeden kunnen worden vrijgegeven aan de erfgenaam, de legataris of de begunstigde van een contractuele erfstelling na betaling, door middel van de door de schuldenaar gehouden fondsen, van zijn schulden en van zijn deel in de schulden van de overledene waarvan is kennisgegeven, als die schulden niet betwist worden.
§ 3. De aansprakelijkheid, vermeld in paragraaf 1, is beperkt tot de waarde van de tegoeden die zijn vrijgegeven aan de schuldenaars die zijn vermeld in de kennisgeving, vermeld in artikel 3.12.1.0.17.]1
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 kan het vrijgeven van de tegoeden van de overledene overeenkomstig artikel 1240bis van het Burgerlijk Wetboek toch op een bevrijdende wijze gedaan worden aan een erfgenaam, een legataris of een begunstigde van een contractuele erfstelling als die een attest van erfopvolging of een uitgifte van de akte van erfopvolging voorlegt waarin een van de volgende bepalingen worden vermeld :
1° dat minstens alle op naam van de overledene en alle op naam van de erfgenaam, de legataris of de begunstigde van een contractuele erfstelling onbetwiste bestaande schulden, waarvan met toepassing van artikel 3.12.1.0.17 in voorkomend geval is kennisgegeven, zijn betaald;
2° dat de tegoeden kunnen worden vrijgegeven aan de erfgenaam, de legataris of de begunstigde van een contractuele erfstelling na betaling, door middel van de door de schuldenaar gehouden fondsen, van zijn schulden en van zijn deel in de schulden van de overledene waarvan is kennisgegeven, als die schulden niet betwist worden.
§ 3. De aansprakelijkheid, vermeld in paragraaf 1, is beperkt tot de waarde van de tegoeden die zijn vrijgegeven aan de schuldenaars die zijn vermeld in de kennisgeving, vermeld in artikel 3.12.1.0.17.]1
Art. 3.12.1.0.20. [1 § 1er. Le Gouvernement flamand peut déterminer les modèles des avis et notifications visés aux articles 3.12.1.0.16 et 3.12.1.0.17.
§ 2. Les renseignements que contiennent les avis et notifications, visés aux articles 3.12.1.0.16 et 3.12.1.0.17, sont identiques qu'ils soient transmis au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique ou par lettre recommandée avec accusé de réception.
§ 3. En cas d'envoi au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique, l'origine et l'intégrité du contenu des avis et notifications, visés aux articles 3.12.1.0.16 et 3.12.1.0.17, doivent être assurées au moyen des techniques de protection adaptées.
§ 4. Afin que les notifications, visées à l'article 3.12.1.0.17, soient valables lorsqu'elles sont envoyées au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique, elles doivent être revêtues d'une signature électronique, implémentée selon l'une des techniques suivantes :
1° création d'une signature électronique à l'aide d'une carte d'identité électronique belge ;
2° création d'une signature digitale à l'aide d'une clé privée accordée à un membre du personnel compétent et accompagnée d'un certificat délivré à ce membre du personnel, où tant la clé privée que le certificat sont stockés de manière sécurisée dans la mémoire d'un ordinateur ;
3° création d'une signature digitale à l'aide d'une clé privée accordée à une entité compétente de l'Administration flamande et accompagnée d'un certificat délivré à cette entité, où tant la clé privée que le certificat sont stockés de manière sécurisée dans la mémoire d'un ordinateur ;
4° création d'une signature électronique avancée au sens de l'article 2, 2°, de la loi du 9 juillet 2001 fixant certaines règles relatives au cadre juridique pour les signatures électroniques et les services de certification.
Quelle que soit la technique appliquée, il est garanti que seules les personnes habilitées ont accès aux moyens avec lesquels la signature est créée.
Les procédures suivies doivent par ailleurs permettre à la personne physique responsable de l'envoi d'être identifiée correctement, ainsi que d'identifier correctement le moment de l'envoi. Ces données d'identification doivent être conservées par l'expéditeur pendant une période de dix ans et, en cas de litige, elles doivent être produites dans un délai raisonnable.]1
§ 2. Les renseignements que contiennent les avis et notifications, visés aux articles 3.12.1.0.16 et 3.12.1.0.17, sont identiques qu'ils soient transmis au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique ou par lettre recommandée avec accusé de réception.
§ 3. En cas d'envoi au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique, l'origine et l'intégrité du contenu des avis et notifications, visés aux articles 3.12.1.0.16 et 3.12.1.0.17, doivent être assurées au moyen des techniques de protection adaptées.
§ 4. Afin que les notifications, visées à l'article 3.12.1.0.17, soient valables lorsqu'elles sont envoyées au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique, elles doivent être revêtues d'une signature électronique, implémentée selon l'une des techniques suivantes :
1° création d'une signature électronique à l'aide d'une carte d'identité électronique belge ;
2° création d'une signature digitale à l'aide d'une clé privée accordée à un membre du personnel compétent et accompagnée d'un certificat délivré à ce membre du personnel, où tant la clé privée que le certificat sont stockés de manière sécurisée dans la mémoire d'un ordinateur ;
3° création d'une signature digitale à l'aide d'une clé privée accordée à une entité compétente de l'Administration flamande et accompagnée d'un certificat délivré à cette entité, où tant la clé privée que le certificat sont stockés de manière sécurisée dans la mémoire d'un ordinateur ;
4° création d'une signature électronique avancée au sens de l'article 2, 2°, de la loi du 9 juillet 2001 fixant certaines règles relatives au cadre juridique pour les signatures électroniques et les services de certification.
Quelle que soit la technique appliquée, il est garanti que seules les personnes habilitées ont accès aux moyens avec lesquels la signature est créée.
Les procédures suivies doivent par ailleurs permettre à la personne physique responsable de l'envoi d'être identifiée correctement, ainsi que d'identifier correctement le moment de l'envoi. Ces données d'identification doivent être conservées par l'expéditeur pendant une période de dix ans et, en cas de litige, elles doivent être produites dans un délai raisonnable.]1
Art. 3.12.1.0.20 [1 § 1. De Vlaamse Regering kan voor de berichten en kennisgevingen, vermeld in artikel 3.12.1.0.16 en 3.12.1.0.17, modellen vaststellen.
§ 2. De informatie in de berichten en kennisgevingen, vermeld in artikel 3.12.1.0.16 en 3.12.1.0.17, is dezelfde, ongeacht of ze worden meegedeeld door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, of met een aangetekende brief met ontvangstmelding.
§ 3. De oorsprong en de integriteit van de inhoud van de berichten en kennisgevingen, vermeld in artikel 3.12.1.0.16 en 3.12.1.0.17, moeten, in geval van verzending door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, worden verzekerd met aangepaste beveiligingstechnieken.
§ 4. Opdat de kennisgevingen, vermeld in artikel 3.12.1.0.17, geldig zouden zijn als ze worden verzonden door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, moeten ze een elektronische handtekening dragen, die met een van de volgende technieken wordt aangebracht :
1° creatie van een elektronische handtekening met behulp van een Belgische elektronische identiteitskaart;
2° creatie van een digitale handtekening met behulp van een private sleutel, toegekend aan een bevoegd personeelslid, waarbij een certificaat gevoegd is dat uitgereikt is aan dat personeelslid, waarbij zowel de private sleutel als het certificaat op een beveiligde wijze in het geheugen van een computer is opgeslagen;
3° creatie van een digitale handtekening met behulp van een private sleutel, toegekend aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, waarbij een certificaat gevoegd is dat uitgereikt is aan die entiteit, waarbij zowel de private sleutel als het certificaat op een beveiligde wijze in het geheugen van een computer is opgeslagen;
4° creatie van een geavanceerde elektronische handtekening als vermeld in artikel 2, 2°, van de wet van 9 juli 2001 houdende vaststelling van bepaalde regels in verband met het juridisch kader voor elektronische handtekeningen en certificatiediensten.
Ongeacht de toegepaste techniek wordt er gegarandeerd dat alleen de gerechtigde personen toegang hebben tot de middelen waarmee de handtekening wordt gecreëerd.
De gevolgde procedures moeten bovendien toelaten dat de natuurlijke persoon die verantwoordelijk is voor de verzending, correct kan worden geïdentificeerd en dat het tijdstip van de verzending correct kan worden vastgesteld. Die identificatiegegevens moeten gedurende een periode van tien jaar door de afzender worden bewaard en in geval van betwisting binnen een redelijke termijn worden voorgelegd.]1
§ 2. De informatie in de berichten en kennisgevingen, vermeld in artikel 3.12.1.0.16 en 3.12.1.0.17, is dezelfde, ongeacht of ze worden meegedeeld door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, of met een aangetekende brief met ontvangstmelding.
§ 3. De oorsprong en de integriteit van de inhoud van de berichten en kennisgevingen, vermeld in artikel 3.12.1.0.16 en 3.12.1.0.17, moeten, in geval van verzending door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, worden verzekerd met aangepaste beveiligingstechnieken.
§ 4. Opdat de kennisgevingen, vermeld in artikel 3.12.1.0.17, geldig zouden zijn als ze worden verzonden door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, moeten ze een elektronische handtekening dragen, die met een van de volgende technieken wordt aangebracht :
1° creatie van een elektronische handtekening met behulp van een Belgische elektronische identiteitskaart;
2° creatie van een digitale handtekening met behulp van een private sleutel, toegekend aan een bevoegd personeelslid, waarbij een certificaat gevoegd is dat uitgereikt is aan dat personeelslid, waarbij zowel de private sleutel als het certificaat op een beveiligde wijze in het geheugen van een computer is opgeslagen;
3° creatie van een digitale handtekening met behulp van een private sleutel, toegekend aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, waarbij een certificaat gevoegd is dat uitgereikt is aan die entiteit, waarbij zowel de private sleutel als het certificaat op een beveiligde wijze in het geheugen van een computer is opgeslagen;
4° creatie van een geavanceerde elektronische handtekening als vermeld in artikel 2, 2°, van de wet van 9 juli 2001 houdende vaststelling van bepaalde regels in verband met het juridisch kader voor elektronische handtekeningen en certificatiediensten.
Ongeacht de toegepaste techniek wordt er gegarandeerd dat alleen de gerechtigde personen toegang hebben tot de middelen waarmee de handtekening wordt gecreëerd.
De gevolgde procedures moeten bovendien toelaten dat de natuurlijke persoon die verantwoordelijk is voor de verzending, correct kan worden geïdentificeerd en dat het tijdstip van de verzending correct kan worden vastgesteld. Die identificatiegegevens moeten gedurende een periode van tien jaar door de afzender worden bewaard en in geval van betwisting binnen een redelijke termijn worden voorgelegd.]1
Art. 3.12.1.0.21. [1 Les articles 3.12.1.0.16 à 3.12.1.0.20 s'appliquent par analogie à toute personne compétente ou à tout service compétent pour dresser un certificat d'hérédité conformément à l'[2 article 4.59 ]2 du Code civil.]1
Art. 3.12.1.0.21[1 Artikel 3.12.1.0.16 tot en met artikel 3.12.1.0.20 zijn van overeenkomstige toepassing op elke persoon of dienst die bevoegd is om een attest van erfopvolging op te maken overeenkomstig [2 artikel 4.59]2 van het Burgerlijk Wetboek]1
Section 2. - Obligations des établissements ou structures de crédit
Afdeling 2. - Verplichtingen van kredietinstellingen of -inrichtingen
Art. 3.12.2.0.1. Si les établissements ou structures de crédit publics ou privés accordent des crédits, des prêts ou des avances pour lesquels un avantage a été accordé dans le cadre d'un règlement en matière d'expansion économique ou pour lesquels un tel avantage a été demandé à l'autorité compétente, ils ne peuvent pas libérer les fonds, ni en partie, ni en tout, sauf après présentation par le bénéficiaire ou demandeur d'une attestation délivrée par le membre du personnel compétent dont il ressort un des faits suivants :
Art. 3.12.2.0.1. Als openbare of private kredietinstellingen of -inrichtingen kredieten, leningen of voorschotten toekennen waarvoor een voordeel is verleend in het kader van de regelgeving inzake economische expansie of waarvoor een dergelijk voordeel is aangevraagd aan de bevoegde overheid, mogen ze de fondsen noch geheel noch gedeeltelijk vrijgeven, tenzij nadat de genieter of aanvrager hun een attest heeft overgelegd dat is uitgereikt door het bevoegde personeelslid en waaruit een van de volgende feiten blijkt :
Section 3. -[1 Autres obligations dans le cadre de l'impôt d'enregistrement]1
Afdeling 3. - [1 Andere verplichtingen in het kader van de registratiebelasting]1
Art. 3.12.3.0.1.[1 § 1er. Selon le cas, les parties déclarent dans l'acte ou l'écrit, ou dans une mention au pied de l'acte ou de l'écrit que :
Art. 3.12.3.0.1. [1 § 1. Al naargelang de situatie verklaren de partijen in de akte of het geschrift, of in een vermelding onderaan op de akte of het geschrift, dat :
1° [5 de voorwaarden van het abattement, vermeld in artikel 2.8.3.0.4, vervuld zijn;]5
2° de voorwaarden van het verlaagde tarief dat ze willen verkrijgen, vervuld zijn;
3° de voorwaarden van hetzij de vermindering, hetzij de vrijstelling die ze willen verkrijgen, vervuld zijn of vervuld zullen worden;
4° [5 ze de toepassing vragen van artikel 2.8.6.0.3, [9 artikel 2.8.6.0.8,]9 [7 artikel 2.8.6.0.9,]7 artikel 2.9.4.2.10, [11 artikel 2.9.4.2.11, § 1, eerste lid, artikel 2.9.4.2.11, § 1, tweede lid, artikel 2.9.4.2.12, § 1, eerste lid, artikel 2.9.4.2.12, § 1, vijfde lid, artikel 2.9.4.2.13, artikel 2.9.4.2.14, artikel 2.9.4.2.15]11 artikel 2.9.5.0.1, [6 , artikel 2.8.6.0.8,]6 artikel 2.9.6.0.1, eerste lid, 4°, artikel 2.9.6.0.2, [9 artikel 2.9.6.0.7,]9 artikel 2.10.4.0.1, tweede lid, artikel 2.10.6.0.1, eerste lid, 2°, of artikel 2.10.6.0.2;]5
[4 5° het geschonken onroerend goed een beschermd monument is en dat het voornemen bestaat toepassing te vragen van artikel 2.8.4.4.1.]4
§ 2. Als partijen de toepassing vragen van het abattement, vermeld in artikel 2.10.3.0.2, maken ze ook melding van het aantal kinderen die recht geven op een verhoging van het bedrag, vermeld in dat artikel, met vermelding van hun naam, geboortedatum en afstammingsband.
§ 3. [5 ...]5
[1 ] [9 Als de partijen de toepassing van het tarief, vermeld in artikel 2.8.4.4.1, § 1, van deze codex, inroepen, is vereist dat de volgende elementen in de verklaring, vermeld in paragraaf 1, worden vermeld:
1° het goedgekeurde beheersplan, vermeld in artikel 2.8.4.4.1, § 1, eerste lid, 2°, van deze codex, met opgave van de referentie en ook de datum van de goedkeuring van het beheersplan door het agentschap, vermeld in artikel 2.1, 2°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013. Als het beheersplan nog niet is opgemaakt en goedgekeurd op het moment waarop de authentieke akte van schenking wordt verleden, wordt in de verklaring vermeld dat er een beheersplan opgemaakt zal worden als vermeld in artikel 8.1.1 tot en met 8.1.3 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;
2° het feit dat ze op de hoogte zijn van de bepalingen, vermeld in artikel 10.5.2 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.]9
[2] Voor de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.4, moet de verklaring, vermeld in paragraaf 1, vóór de registratie door de verkrijger of, in zijn naam, door de notaris zijn ondertekend.
[3] Als partijen de toepassing vragen van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.8, is vereist dat :
1° de verkoopwaarde van elke kavel door de partijen wordt aangegeven, hetzij in de akte, hetzij onderaan op de akte, vóór de registratie;
2° de partijen vóór de registratie in een verklaring, opgenomen in de akte of onderaan op de akte, aanduiden of de geruilde onroerende goederen door henzelf of door derden worden geëxploiteerd en dat, in dat laatste geval, de akte of een document dat erbij gevoegd is vóór de registratie, de instemming inhoudt van alle exploitanten van de in de ruiling begrepen goederen.
[4 ] [4 Als de partijen de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.10, § 1, van dit decreet, inroepen, is ook vereist dat in de verklaring, vermeld in paragraaf 1:
1° melding wordt gemaakt van het goedgekeurde beheersplan, vermeld in artikel 2.9.4.2.10, § 2, 2°, van dit decreet, met opgave van de referentie, alsook de datum van de goedkeuring van het beheersplan door het agentschap, vermeld in artikel 2.1, 2°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013. Als het beheersplan nog niet is opgemaakt en goedgekeurd op het moment van het verlijden van de authentieke akte van verkrijging, bestaat de verklaring in de melding dat er een beheersplan opgemaakt zal worden als vermeld in artikel 8.1.1 tot en met 8.1.3 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;
2° de partijen melding maken van hun kennis van artikel 10.5.2 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.]4
[5] [5 Als partijen voor de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in [11 artikel 2.9.4.2.11, § 1, eerste lid, of artikel 2.9.4.2.11, § 1, tweede lid]11, de toepassing van artikel 2.9.4.2.11, § 3, 1°, inroepen, is ook vereist dat in de verklaring, vermeld in paragraaf 1:
1° melding wordt gemaakt van de onroerende goederen die de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in [11 artikel 2.9.4.2.11, § 1, eerste lid, of artikel 2.9.4.2.11, § 1, tweede lid]11, verhinderen;
2° wordt gesteld dat de verkrijger de onroerende goederen, vermeld in punt 1°, binnen [11 twee jaar]11 na de datum van de authentieke akte van verkrijging volledig en onder bezwarende titel zal vervreemden;
3° wordt aangetoond door de verkrijger dat er een causaal verband bestaat tussen de vervreemding, vermeld in punt 2°, en de verkrijging tegen het verlaagde tarief, vermeld in [11 artikel 2.9.4.2.11, § 1, eerste lid, of artikel 2.9.4.2.11, § 1, tweede lid]11.
[6 ] Als partijen voor de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in [11 artikel 2.9.4.2.11, § 1, eerste lid, of artikel 2.9.4.2.11, § 1, tweede lid]11, de toepassing van artikel 2.9.4.2.11, § 3, 2°, inroepen, is ook vereist dat in de verklaring, vermeld in paragraaf 1:
1° melding wordt gemaakt van de onroerende goederen die de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in [11 artikel 2.9.4.2.11, § 1, eerste lid, of artikel 2.9.4.2.11, § 1, tweede lid]11, verhinderen;
2° wordt gesteld dat de onroerende goederen, vermeld in punt 1°, binnen een jaar na de datum van de akte van verkrijging, al dan niet gedwongen, worden onteigend.
[7] [10 Als partijen voor de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in [11 artikel 2.9.4.2.12, § 1, eerste lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, vijfde lid, de toepassing van artikel 2.9.4.2.12, § 1, derde lid,]11, de toepassing van artikel [11 artikel 2.9.4.2.12, § 1, eerste lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, vijfde lid, de toepassing van artikel 2.9.4.2.12, § 1, derde lid,"]11, derde lid, inroepen, is ook vereist dat in de verklaring, vermeld in paragraaf 1, wordt gesteld dat er in een periode van 5 jaar voorafgaand aan de datum van de authentieke aankoopakte een inschrijving in het bevolkingsregister of het vreemdelingenregister op het adres van het aangekochte goed is geweest.]10
[8 ] Als partijen voor de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in [11 artikel 2.9.4.2.12, § 1, eerste lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, vijfde lid]11, de toepassing van artikel 2.9.4.2.12, § 2, 1°, inroepen, is ook vereist dat in de verklaring, vermeld in paragraaf 1:
1° melding wordt gemaakt van de onroerende goederen die de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in [11 artikel 2.9.4.2.12, § 1, eerste lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, vijfde lid]11, verhinderen;
2° wordt gesteld dat de verkrijger de onroerende goederen, vermeld in punt 1°, binnen [12 drie jaar]12 na de datum van de authentieke akte van verkrijging volledig en onder bezwarende titel zal vervreemden;
3° wordt aangetoond door de verkrijger dat er een causaal verband bestaat tussen de vervreemding, vermeld in punt 2°, en de verkrijging tegen het verlaagde tarief, vermeld in [11 artikel 2.9.4.2.12, § 1, eerste lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, vijfde lid]11.
[9 ] Als partijen voor de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in [11 artikel 2.9.4.2.12, § 1, eerste lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, vijfde lid]11, de toepassing van artikel 2.9.4.2.12, § 2, 2°, inroepen, is ook vereist dat in de verklaring, vermeld in paragraaf 1:
1° melding wordt gemaakt van de onroerende goederen die de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in [11 artikel 2.9.4.2.12, § 1, eerste lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, vijfde lid]11, verhinderen;
2° wordt gesteld dat de onroerende goederen, vermeld in punt 1°, binnen een jaar na de datum van de akte van verkrijging, al dan niet gedwongen, worden onteigend.
[1 0] Als partijen voor de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.14, § 1, de toepassing van artikel 2.9.4.2.14, § 5, 1°, inroepen, is ook vereist dat in de verklaring, vermeld in paragraaf 1:
1° melding wordt gemaakt van de onroerende goederen die de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.14, § 1, verhinderen;
2° wordt gesteld dat de verkrijger de onroerende goederen, vermeld in punt 1°, binnen [12 drie jaar]12 na de datum van de authentieke akte van verkrijging volledig en onder bezwarende titel zal vervreemden;
3° wordt aangetoond door de verkrijger dat er een causaal verband bestaat tussen de vervreemding, vermeld in punt 2°, en de verkrijging tegen het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.14, § 1.
[11 ] Als partijen voor de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.14, § 1, de toepassing van artikel 2.9.4.2.14, § 5, 2°, inroepen, is ook vereist dat in de verklaring, vermeld in paragraaf 1:
1° melding wordt gemaakt van de onroerende goederen die de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.14, § 1, verhinderen;
2° wordt gesteld dat de onroerende goederen, vermeld in punt 1°, binnen een jaar na de datum van de akte van verkrijging, al dan niet gedwongen, worden onteigend.]5
[12] [11 Als de partijen de toepassing van het verlaagd tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.15, § 1, van dit decreet, inroepen voor de aankoop van een onbebouwd onroerend goed, wordt bij de akte, vermeld in paragraaf 1, een afschrift van de beslissing tot goedkeuring van het natuurbeheerplan als vermeld in artikel 16octies, § 1, eerste lid, 5°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu toegevoegd.]11
§ 4. Voor de toepassing van de vermindering, vermeld in artikel 2.8.5.0.1, moeten in de akte van schenking de voornamen, de achternaam, de woonplaats, de geboorteplaats en de geboortedatum van de kinderen van de belastingplichtige vermeld worden.
Als partijen de toepassing vragen van de vermindering, vermeld in artikel 2.9.5.0.1, bevat de akte of het geschrift, vermeld in paragraaf 1, ook het bedrag en de datum van betaling van de registratiebelasting, geheven op de aankoop van de verkochte of verdeelde woning of van de bouwgrond waarop die woning is opgericht, en vermeldt die akte of dat geschrift het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de belastingen, geheven op die vorige aankoop.
Bij een gelijkgestelde verrichting als vermeld in artikel 2.9.5.0.4, eerste lid, moeten het bedrag en de datum van betaling van de registratiebelasting en de vermelding van het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de rechten, vermeld in het vorige lid en in artikel 3.6.0.0.6, § 3, zesde lid, 2°, in de akte die of het geschrift dat de vraag tot toepassing van artikel 2.9.5.0.1 bevat of in de akte die of het geschrift dat het verzoek tot teruggave, vermeld in artikel 3.6.0.0.6, § 3, eerste lid, bevat, betrekking hebben op de aankoop voorafgaand aan de aankoop die is gedaan met toepassing van de vrijstelling, vermeld in artikel 2.9.6.0.1, eerste lid, 4°.
Als de vermindering wordt gevraagd met toepassing van artikel 2.9.5.0.1, vierde lid, moet de akte of het geschrift, vermeld in paragraaf 1, 4°, bovendien het bedrag en de datum van betaling van de registratiebelasting bevatten inzake de akten of geschriften die betreffende de in aanmerking te nemen voorafgaande verrichtingen aanleiding hebben gegeven tot het heffen van het verkooprecht, en bij elk bedrag het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de in mindering gebrachte of teruggegeven belastingen vermelden.
Aan de toepassing van paragraaf 1, 3°, juncto artikel 2.9.5.0.2 kan ook voldaan zijn als het verzoek en de vermeldingen het voorwerp uitmaken van een verzoek, ondertekend door de natuurlijke persoon, dat gevoegd is bij de akte die of het geschrift dat ter registratie aangeboden is en dat aanleiding geeft tot de heffing van het verkooprecht.
§ 5. Als partijen de toepassing vragen van de vrijstelling, vermeld in artikel 2.8.6.0.3, en als de schenking ook andere goederen omvat dan de goederen, vermeld in artikel 2.8.6.0.3, § 1, geven ze nauwkeurig aan voor welke van de geschonken goederen die deel uitmaken van de familiale onderneming of van het aandelenpakket van de familiale vennootschap, de toepassing van de vrijstelling gevraagd wordt, en voor welke van de geschonken goederen geen toepassing van de vrijstelling gevraagd wordt. Daarnaast moet melding gemaakt worden van :
1° de [9 naam]9 en het ondernemingsnummer van de familiale onderneming of familiale vennootschap waarvoor de vrijstelling gevraagd wordt;
2° [3 in voorkomend geval, de voornaam en achternaam van de medeaandeelhouders van de schenker en hun graad van verwantschap met de schenker;]3
3° hetzij de activa van de familiale onderneming met een duidelijke omschrijving en verwijzing naar de boekhouding en, als het onroerende goederen betreft, de vermelding of ze al dan niet hoofdzakelijk voor bewoning worden aangewend of zijn bestemd, hetzij het aantal aandelen en de precieze aard van alle aandelen van een familiale vennootschap met enerzijds de vermelding van het aantal aandelen dat in het bezit was van de schenker en van andere bij naam te noemen mede-aandeelhouders, [8 alsook met het percentage van de stemrechten dat zij vertegenwoordigen,]8 en anderzijds de aard van het zakelijk recht dat de schenker en andere bij naam te noemen personen bezitten.
Als toepassing gemaakt wordt van het eerste lid, en om de vrijstelling, vermeld in artikel 2.8.6.0.3, te kunnen verkrijgen, moeten de volgende bescheiden binnen zeven dagen vanaf de werkdag die volgt op de datum van registratie van de authentieke akte van de schenking bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie ingediend zijn :
1° kopieën van de goedgekeurde jaarrekeningen van de drie boekjaren die voorafgaan aan de authentieke akte van de schenking, opgemaakt overeenkomstig de vigerende boekhoudwetgeving van de plaats waar de [9 ...]9 zetel gevestigd is als de [9 ...]9 zetel van de onderneming of vennootschap niet in België ligt;
2° kopieën van het rechtsgeldige aandelenregister of, bij gebrek daaraan, de door alle aandeelhouders ondertekende notulen van de laatste algemene vergadering die voorafgaat aan de authentieke akte van schenking, waaruit op ondubbelzinnige wijze de participaties blijken, vermeld in artikel 2.8.6.0.3, § 1;
3° een kopie van de laatste door de schenker ingediende fiscale aangifte voor de personenbelasting wat familiale ondernemingen betreft;
4° een kopie van de gecoördineerde statuten, zoals die van toepassing zijn op de datum van de authentieke akte van de schenking;
[13 5° een verslag dat een bedrijfsrevisor, die niet de commissaris is, of een gecertificeerd accountant heeft uitgereikt. Het verslag is ondertekend en gedateerd voorafgaand aan de datum van de authentieke akte van de schenking voor elke familiale vennootschap. Het verslag vermeldt al de volgende gegevens:
a) de voor- en achternaam van de bedrijfsrevisor of de gecertificeerde accountant, het registratienummer in het openbaar register, vermeld in artikel 10, § 1, van de wet van 7 december 2016 tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren, en het inschrijvingsnummer in het openbaar register, vermeld in artikel 29 van de wet van 17 maart 2019 betreffende de beroepen van accountant en belastingadviseur;
b) de voor- en achternaam, het rijksregisternummer en het adres van de aanvrager of, als er verschillende zijn, de aanvragers;
c) de naam en het ondernemingsnummer van de familiale vennootschap waarvoor de vrijstelling wordt gevraagd;
d) de verkoopwaarde van de volle eigendom van de geschonken aandelen van de familiale vennootschap, zoals die is geraamd door de bedrijfsrevisor of de accountant;
e) de verkoopwaarde en de opsomming van de onroerende goederen die tot bewoning worden aangewend of bestemd, met inbegrip van bouwgronden als vermeld in artikel 1.1.0.0.2, zesde lid, 1° /1, van deze codex, waarop de familiale vennootschap of haar dochtervennootschappen zakelijke rechten hebben en de aard van die zakelijke rechten. De vermelding bevat de kadastrale gegevens, namelijk de kadastrale afdeling, de sectie, het perceelnummer en het partitienummer, de kadastrale oppervlakte, het kadastraal inkomen en, in voorkomend geval, de kadastrale detailidentificatie van een privatieve eigendom;
f) het gedeelte van de waarde, zoals die is geraamd door de bedrijfsrevisor of de accountant, vermeld in punt d), dat wordt bepaald door de verkoopwaarde van de onroerende goederen, vermeld in punt e), in de familiale vennootschap, of in participaties van minstens 10% van de familiale ven-nootschap in haar dochtervennootschappen;
g) het verschil tussen de verkoopwaarde, vermeld in punt d), en de verkoopwaarde, vermeld in punt f);
h) een motivering van de wijze waarop de bedrijfsrevisor of de accountant de verkoopwaarden, vermeld in punt d), f) en g), heeft bepaald, met vermelding van de gebruikte waarderingsmethode;
i) de referentiedatum voor de waardebepaling, vermeld in punt d) en f), namelijk de datum waarop de waarde van de aandelen wordt bepaald]13.
Als de bescheiden, vermeld in het tweede lid, worden bezorgd met een aangetekende brief, geldt de datum van de poststempel op het verzendingsbewijs als datum van de indiening.
[6 Als partijen de toepassing vragen van de vrijstelling, vermeld in artikel 2.8.6.0.8, § 1, wordt bij de akte, vermeld in paragraaf 1, een afschrift van de beslissing tot goedkeuring van het natuurbeheerplan als vermeld in artikel 16octies, § 1, eerste lid, 5°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu toegevoegd.
Als partijen de toepassing vragen van de vrijstelling, vermeld in artikel 2.8.6.0.8, § 2, wordt bij de akte, vermeld in paragraaf 1, een afschrift van de overeenkomst, vermeld in artikel 2.8.6.0.8, § 2, tweede lid, toegevoegd.]6
De vrijstelling, vermeld in artikel 2.9.6.0.1, eerste lid, 4°, en artikel 2.10.6.0.1, eerste lid, 2°, is alleen van toepassing als in de akte of in een vóór de registratie bij de akte te voegen geschrift de volgende gegevens worden vermeld :
1° de datum van de eerste ingebruikneming of inbezitneming van het gebouw waarop de overeenkomst betrekking heeft;
2° het kantoor waar de belastingplichtige van de belasting over de toegevoegde waarde de aangifte moet indienen voor de heffing van de belasting over de toegevoegde waarde;
3° als de overeenkomst het werk is van een andere belastingplichtige dan de belastingplichtige, vermeld in artikel 12, § 2, van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, de datum waarop hij heeft kennisgegeven van zijn bedoeling de verrichting te doen met betaling van de belasting over de toegevoegde waarde;
4° als de vervreemding of de vestiging, overdracht of wederoverdracht van zakelijke rechten ook goederen betreft waarop de vrijstelling van het verkooprecht of verdeelrecht niet van toepassing is, de nauwkeurige aanduiding van die goederen op basis van hun kadastrale beschrijving.
Voor de toepassing van de vrijstelling, vermeld in artikel 2.9.6.0.4, is vereist dat :
1° de verkoopwaarde van elke kavel door de partijen wordt aangegeven, hetzij in de akte, hetzij onderaan op de akte, vóór de registratie;
2° de partijen vóór de registratie in een verklaring, opgenomen in de akte of onderaan op de akte, aanduiden of de geruilde onroerende goederen door henzelf of door derden worden geëxploiteerd en dat, in dat laatste geval, de akte of een document dat erbij gevoegd is vóór de registratie, de instemming inhoudt van alle exploitanten van de goederen die begrepen zijn in de ruiling.]1
[5 Als de partijen de toepassing vragen van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.14, is ook vereist dat in de verklaring, vermeld in paragraaf 1:
1° melding wordt gemaakt van het goedgekeurde beheersplan, vermeld in artikel 2.9.4.2.10, § 2, 2°, met opgave van de referentie, alsook de datum van de goedkeuring van het beheersplan door het agentschap, vermeld in artikel 2.1, 2°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013. Als het beheersplan nog niet is opgemaakt en goedgekeurd op het moment van het verlijden van de authentieke akte van verkrijging, bestaat de verklaring in de melding dat er een beheersplan opgemaakt zal worden als vermeld in artikel 8.1.1 tot en met 8.1.3 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;
2° de partijen melding maken van hun kennis van artikel 10.5.2 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.]5
[6 Als partijen de toepassing vragen van de vrijstelling, vermeld in artikel 2.9.6.0.7, § 1, wordt bij de akte, vermeld in paragraaf 1, een afschrift van de beslissing tot goedkeuring van het natuurbeheerplan als vermeld in artikel 16octies, § 1, eerste lid, 5°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu toegevoegd.
Als partijen de toepassing vragen van de vrijstelling, vermeld in artikel 2.9.6.0.7, § 2, wordt bij de akte, vermeld in paragraaf 1, een afschrift van de overeenkomst, vermeld in artikel 2.9.6.0.7, § 2, tweede lid, toegevoegd.]6
1° [5 de voorwaarden van het abattement, vermeld in artikel 2.8.3.0.4, vervuld zijn;]5
2° de voorwaarden van het verlaagde tarief dat ze willen verkrijgen, vervuld zijn;
3° de voorwaarden van hetzij de vermindering, hetzij de vrijstelling die ze willen verkrijgen, vervuld zijn of vervuld zullen worden;
4° [5 ze de toepassing vragen van artikel 2.8.6.0.3, [9 artikel 2.8.6.0.8,]9 [7 artikel 2.8.6.0.9,]7 artikel 2.9.4.2.10, [11 artikel 2.9.4.2.11, § 1, eerste lid, artikel 2.9.4.2.11, § 1, tweede lid, artikel 2.9.4.2.12, § 1, eerste lid, artikel 2.9.4.2.12, § 1, vijfde lid, artikel 2.9.4.2.13, artikel 2.9.4.2.14, artikel 2.9.4.2.15]11 artikel 2.9.5.0.1, [6 , artikel 2.8.6.0.8,]6 artikel 2.9.6.0.1, eerste lid, 4°, artikel 2.9.6.0.2, [9 artikel 2.9.6.0.7,]9 artikel 2.10.4.0.1, tweede lid, artikel 2.10.6.0.1, eerste lid, 2°, of artikel 2.10.6.0.2;]5
[4 5° het geschonken onroerend goed een beschermd monument is en dat het voornemen bestaat toepassing te vragen van artikel 2.8.4.4.1.]4
§ 2. Als partijen de toepassing vragen van het abattement, vermeld in artikel 2.10.3.0.2, maken ze ook melding van het aantal kinderen die recht geven op een verhoging van het bedrag, vermeld in dat artikel, met vermelding van hun naam, geboortedatum en afstammingsband.
§ 3. [5 ...]5
[1 ] [9 Als de partijen de toepassing van het tarief, vermeld in artikel 2.8.4.4.1, § 1, van deze codex, inroepen, is vereist dat de volgende elementen in de verklaring, vermeld in paragraaf 1, worden vermeld:
1° het goedgekeurde beheersplan, vermeld in artikel 2.8.4.4.1, § 1, eerste lid, 2°, van deze codex, met opgave van de referentie en ook de datum van de goedkeuring van het beheersplan door het agentschap, vermeld in artikel 2.1, 2°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013. Als het beheersplan nog niet is opgemaakt en goedgekeurd op het moment waarop de authentieke akte van schenking wordt verleden, wordt in de verklaring vermeld dat er een beheersplan opgemaakt zal worden als vermeld in artikel 8.1.1 tot en met 8.1.3 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;
2° het feit dat ze op de hoogte zijn van de bepalingen, vermeld in artikel 10.5.2 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.]9
[2] Voor de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.4, moet de verklaring, vermeld in paragraaf 1, vóór de registratie door de verkrijger of, in zijn naam, door de notaris zijn ondertekend.
[3] Als partijen de toepassing vragen van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.8, is vereist dat :
1° de verkoopwaarde van elke kavel door de partijen wordt aangegeven, hetzij in de akte, hetzij onderaan op de akte, vóór de registratie;
2° de partijen vóór de registratie in een verklaring, opgenomen in de akte of onderaan op de akte, aanduiden of de geruilde onroerende goederen door henzelf of door derden worden geëxploiteerd en dat, in dat laatste geval, de akte of een document dat erbij gevoegd is vóór de registratie, de instemming inhoudt van alle exploitanten van de in de ruiling begrepen goederen.
[4 ] [4 Als de partijen de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.10, § 1, van dit decreet, inroepen, is ook vereist dat in de verklaring, vermeld in paragraaf 1:
1° melding wordt gemaakt van het goedgekeurde beheersplan, vermeld in artikel 2.9.4.2.10, § 2, 2°, van dit decreet, met opgave van de referentie, alsook de datum van de goedkeuring van het beheersplan door het agentschap, vermeld in artikel 2.1, 2°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013. Als het beheersplan nog niet is opgemaakt en goedgekeurd op het moment van het verlijden van de authentieke akte van verkrijging, bestaat de verklaring in de melding dat er een beheersplan opgemaakt zal worden als vermeld in artikel 8.1.1 tot en met 8.1.3 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;
2° de partijen melding maken van hun kennis van artikel 10.5.2 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.]4
[5] [5 Als partijen voor de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in [11 artikel 2.9.4.2.11, § 1, eerste lid, of artikel 2.9.4.2.11, § 1, tweede lid]11, de toepassing van artikel 2.9.4.2.11, § 3, 1°, inroepen, is ook vereist dat in de verklaring, vermeld in paragraaf 1:
1° melding wordt gemaakt van de onroerende goederen die de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in [11 artikel 2.9.4.2.11, § 1, eerste lid, of artikel 2.9.4.2.11, § 1, tweede lid]11, verhinderen;
2° wordt gesteld dat de verkrijger de onroerende goederen, vermeld in punt 1°, binnen [11 twee jaar]11 na de datum van de authentieke akte van verkrijging volledig en onder bezwarende titel zal vervreemden;
3° wordt aangetoond door de verkrijger dat er een causaal verband bestaat tussen de vervreemding, vermeld in punt 2°, en de verkrijging tegen het verlaagde tarief, vermeld in [11 artikel 2.9.4.2.11, § 1, eerste lid, of artikel 2.9.4.2.11, § 1, tweede lid]11.
[6 ] Als partijen voor de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in [11 artikel 2.9.4.2.11, § 1, eerste lid, of artikel 2.9.4.2.11, § 1, tweede lid]11, de toepassing van artikel 2.9.4.2.11, § 3, 2°, inroepen, is ook vereist dat in de verklaring, vermeld in paragraaf 1:
1° melding wordt gemaakt van de onroerende goederen die de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in [11 artikel 2.9.4.2.11, § 1, eerste lid, of artikel 2.9.4.2.11, § 1, tweede lid]11, verhinderen;
2° wordt gesteld dat de onroerende goederen, vermeld in punt 1°, binnen een jaar na de datum van de akte van verkrijging, al dan niet gedwongen, worden onteigend.
[7] [10 Als partijen voor de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in [11 artikel 2.9.4.2.12, § 1, eerste lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, vijfde lid, de toepassing van artikel 2.9.4.2.12, § 1, derde lid,]11, de toepassing van artikel [11 artikel 2.9.4.2.12, § 1, eerste lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, vijfde lid, de toepassing van artikel 2.9.4.2.12, § 1, derde lid,"]11, derde lid, inroepen, is ook vereist dat in de verklaring, vermeld in paragraaf 1, wordt gesteld dat er in een periode van 5 jaar voorafgaand aan de datum van de authentieke aankoopakte een inschrijving in het bevolkingsregister of het vreemdelingenregister op het adres van het aangekochte goed is geweest.]10
[8 ] Als partijen voor de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in [11 artikel 2.9.4.2.12, § 1, eerste lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, vijfde lid]11, de toepassing van artikel 2.9.4.2.12, § 2, 1°, inroepen, is ook vereist dat in de verklaring, vermeld in paragraaf 1:
1° melding wordt gemaakt van de onroerende goederen die de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in [11 artikel 2.9.4.2.12, § 1, eerste lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, vijfde lid]11, verhinderen;
2° wordt gesteld dat de verkrijger de onroerende goederen, vermeld in punt 1°, binnen [12 drie jaar]12 na de datum van de authentieke akte van verkrijging volledig en onder bezwarende titel zal vervreemden;
3° wordt aangetoond door de verkrijger dat er een causaal verband bestaat tussen de vervreemding, vermeld in punt 2°, en de verkrijging tegen het verlaagde tarief, vermeld in [11 artikel 2.9.4.2.12, § 1, eerste lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, vijfde lid]11.
[9 ] Als partijen voor de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in [11 artikel 2.9.4.2.12, § 1, eerste lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, vijfde lid]11, de toepassing van artikel 2.9.4.2.12, § 2, 2°, inroepen, is ook vereist dat in de verklaring, vermeld in paragraaf 1:
1° melding wordt gemaakt van de onroerende goederen die de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in [11 artikel 2.9.4.2.12, § 1, eerste lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, vijfde lid]11, verhinderen;
2° wordt gesteld dat de onroerende goederen, vermeld in punt 1°, binnen een jaar na de datum van de akte van verkrijging, al dan niet gedwongen, worden onteigend.
[1 0] Als partijen voor de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.14, § 1, de toepassing van artikel 2.9.4.2.14, § 5, 1°, inroepen, is ook vereist dat in de verklaring, vermeld in paragraaf 1:
1° melding wordt gemaakt van de onroerende goederen die de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.14, § 1, verhinderen;
2° wordt gesteld dat de verkrijger de onroerende goederen, vermeld in punt 1°, binnen [12 drie jaar]12 na de datum van de authentieke akte van verkrijging volledig en onder bezwarende titel zal vervreemden;
3° wordt aangetoond door de verkrijger dat er een causaal verband bestaat tussen de vervreemding, vermeld in punt 2°, en de verkrijging tegen het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.14, § 1.
[11 ] Als partijen voor de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.14, § 1, de toepassing van artikel 2.9.4.2.14, § 5, 2°, inroepen, is ook vereist dat in de verklaring, vermeld in paragraaf 1:
1° melding wordt gemaakt van de onroerende goederen die de toepassing van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.14, § 1, verhinderen;
2° wordt gesteld dat de onroerende goederen, vermeld in punt 1°, binnen een jaar na de datum van de akte van verkrijging, al dan niet gedwongen, worden onteigend.]5
[12] [11 Als de partijen de toepassing van het verlaagd tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.15, § 1, van dit decreet, inroepen voor de aankoop van een onbebouwd onroerend goed, wordt bij de akte, vermeld in paragraaf 1, een afschrift van de beslissing tot goedkeuring van het natuurbeheerplan als vermeld in artikel 16octies, § 1, eerste lid, 5°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu toegevoegd.]11
§ 4. Voor de toepassing van de vermindering, vermeld in artikel 2.8.5.0.1, moeten in de akte van schenking de voornamen, de achternaam, de woonplaats, de geboorteplaats en de geboortedatum van de kinderen van de belastingplichtige vermeld worden.
Als partijen de toepassing vragen van de vermindering, vermeld in artikel 2.9.5.0.1, bevat de akte of het geschrift, vermeld in paragraaf 1, ook het bedrag en de datum van betaling van de registratiebelasting, geheven op de aankoop van de verkochte of verdeelde woning of van de bouwgrond waarop die woning is opgericht, en vermeldt die akte of dat geschrift het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de belastingen, geheven op die vorige aankoop.
Bij een gelijkgestelde verrichting als vermeld in artikel 2.9.5.0.4, eerste lid, moeten het bedrag en de datum van betaling van de registratiebelasting en de vermelding van het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de rechten, vermeld in het vorige lid en in artikel 3.6.0.0.6, § 3, zesde lid, 2°, in de akte die of het geschrift dat de vraag tot toepassing van artikel 2.9.5.0.1 bevat of in de akte die of het geschrift dat het verzoek tot teruggave, vermeld in artikel 3.6.0.0.6, § 3, eerste lid, bevat, betrekking hebben op de aankoop voorafgaand aan de aankoop die is gedaan met toepassing van de vrijstelling, vermeld in artikel 2.9.6.0.1, eerste lid, 4°.
Als de vermindering wordt gevraagd met toepassing van artikel 2.9.5.0.1, vierde lid, moet de akte of het geschrift, vermeld in paragraaf 1, 4°, bovendien het bedrag en de datum van betaling van de registratiebelasting bevatten inzake de akten of geschriften die betreffende de in aanmerking te nemen voorafgaande verrichtingen aanleiding hebben gegeven tot het heffen van het verkooprecht, en bij elk bedrag het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de in mindering gebrachte of teruggegeven belastingen vermelden.
Aan de toepassing van paragraaf 1, 3°, juncto artikel 2.9.5.0.2 kan ook voldaan zijn als het verzoek en de vermeldingen het voorwerp uitmaken van een verzoek, ondertekend door de natuurlijke persoon, dat gevoegd is bij de akte die of het geschrift dat ter registratie aangeboden is en dat aanleiding geeft tot de heffing van het verkooprecht.
§ 5. Als partijen de toepassing vragen van de vrijstelling, vermeld in artikel 2.8.6.0.3, en als de schenking ook andere goederen omvat dan de goederen, vermeld in artikel 2.8.6.0.3, § 1, geven ze nauwkeurig aan voor welke van de geschonken goederen die deel uitmaken van de familiale onderneming of van het aandelenpakket van de familiale vennootschap, de toepassing van de vrijstelling gevraagd wordt, en voor welke van de geschonken goederen geen toepassing van de vrijstelling gevraagd wordt. Daarnaast moet melding gemaakt worden van :
1° de [9 naam]9 en het ondernemingsnummer van de familiale onderneming of familiale vennootschap waarvoor de vrijstelling gevraagd wordt;
2° [3 in voorkomend geval, de voornaam en achternaam van de medeaandeelhouders van de schenker en hun graad van verwantschap met de schenker;]3
3° hetzij de activa van de familiale onderneming met een duidelijke omschrijving en verwijzing naar de boekhouding en, als het onroerende goederen betreft, de vermelding of ze al dan niet hoofdzakelijk voor bewoning worden aangewend of zijn bestemd, hetzij het aantal aandelen en de precieze aard van alle aandelen van een familiale vennootschap met enerzijds de vermelding van het aantal aandelen dat in het bezit was van de schenker en van andere bij naam te noemen mede-aandeelhouders, [8 alsook met het percentage van de stemrechten dat zij vertegenwoordigen,]8 en anderzijds de aard van het zakelijk recht dat de schenker en andere bij naam te noemen personen bezitten.
Als toepassing gemaakt wordt van het eerste lid, en om de vrijstelling, vermeld in artikel 2.8.6.0.3, te kunnen verkrijgen, moeten de volgende bescheiden binnen zeven dagen vanaf de werkdag die volgt op de datum van registratie van de authentieke akte van de schenking bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie ingediend zijn :
1° kopieën van de goedgekeurde jaarrekeningen van de drie boekjaren die voorafgaan aan de authentieke akte van de schenking, opgemaakt overeenkomstig de vigerende boekhoudwetgeving van de plaats waar de [9 ...]9 zetel gevestigd is als de [9 ...]9 zetel van de onderneming of vennootschap niet in België ligt;
2° kopieën van het rechtsgeldige aandelenregister of, bij gebrek daaraan, de door alle aandeelhouders ondertekende notulen van de laatste algemene vergadering die voorafgaat aan de authentieke akte van schenking, waaruit op ondubbelzinnige wijze de participaties blijken, vermeld in artikel 2.8.6.0.3, § 1;
3° een kopie van de laatste door de schenker ingediende fiscale aangifte voor de personenbelasting wat familiale ondernemingen betreft;
4° een kopie van de gecoördineerde statuten, zoals die van toepassing zijn op de datum van de authentieke akte van de schenking;
[13 5° een verslag dat een bedrijfsrevisor, die niet de commissaris is, of een gecertificeerd accountant heeft uitgereikt. Het verslag is ondertekend en gedateerd voorafgaand aan de datum van de authentieke akte van de schenking voor elke familiale vennootschap. Het verslag vermeldt al de volgende gegevens:
a) de voor- en achternaam van de bedrijfsrevisor of de gecertificeerde accountant, het registratienummer in het openbaar register, vermeld in artikel 10, § 1, van de wet van 7 december 2016 tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren, en het inschrijvingsnummer in het openbaar register, vermeld in artikel 29 van de wet van 17 maart 2019 betreffende de beroepen van accountant en belastingadviseur;
b) de voor- en achternaam, het rijksregisternummer en het adres van de aanvrager of, als er verschillende zijn, de aanvragers;
c) de naam en het ondernemingsnummer van de familiale vennootschap waarvoor de vrijstelling wordt gevraagd;
d) de verkoopwaarde van de volle eigendom van de geschonken aandelen van de familiale vennootschap, zoals die is geraamd door de bedrijfsrevisor of de accountant;
e) de verkoopwaarde en de opsomming van de onroerende goederen die tot bewoning worden aangewend of bestemd, met inbegrip van bouwgronden als vermeld in artikel 1.1.0.0.2, zesde lid, 1° /1, van deze codex, waarop de familiale vennootschap of haar dochtervennootschappen zakelijke rechten hebben en de aard van die zakelijke rechten. De vermelding bevat de kadastrale gegevens, namelijk de kadastrale afdeling, de sectie, het perceelnummer en het partitienummer, de kadastrale oppervlakte, het kadastraal inkomen en, in voorkomend geval, de kadastrale detailidentificatie van een privatieve eigendom;
f) het gedeelte van de waarde, zoals die is geraamd door de bedrijfsrevisor of de accountant, vermeld in punt d), dat wordt bepaald door de verkoopwaarde van de onroerende goederen, vermeld in punt e), in de familiale vennootschap, of in participaties van minstens 10% van de familiale ven-nootschap in haar dochtervennootschappen;
g) het verschil tussen de verkoopwaarde, vermeld in punt d), en de verkoopwaarde, vermeld in punt f);
h) een motivering van de wijze waarop de bedrijfsrevisor of de accountant de verkoopwaarden, vermeld in punt d), f) en g), heeft bepaald, met vermelding van de gebruikte waarderingsmethode;
i) de referentiedatum voor de waardebepaling, vermeld in punt d) en f), namelijk de datum waarop de waarde van de aandelen wordt bepaald]13.
Als de bescheiden, vermeld in het tweede lid, worden bezorgd met een aangetekende brief, geldt de datum van de poststempel op het verzendingsbewijs als datum van de indiening.
[6 Als partijen de toepassing vragen van de vrijstelling, vermeld in artikel 2.8.6.0.8, § 1, wordt bij de akte, vermeld in paragraaf 1, een afschrift van de beslissing tot goedkeuring van het natuurbeheerplan als vermeld in artikel 16octies, § 1, eerste lid, 5°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu toegevoegd.
Als partijen de toepassing vragen van de vrijstelling, vermeld in artikel 2.8.6.0.8, § 2, wordt bij de akte, vermeld in paragraaf 1, een afschrift van de overeenkomst, vermeld in artikel 2.8.6.0.8, § 2, tweede lid, toegevoegd.]6
De vrijstelling, vermeld in artikel 2.9.6.0.1, eerste lid, 4°, en artikel 2.10.6.0.1, eerste lid, 2°, is alleen van toepassing als in de akte of in een vóór de registratie bij de akte te voegen geschrift de volgende gegevens worden vermeld :
1° de datum van de eerste ingebruikneming of inbezitneming van het gebouw waarop de overeenkomst betrekking heeft;
2° het kantoor waar de belastingplichtige van de belasting over de toegevoegde waarde de aangifte moet indienen voor de heffing van de belasting over de toegevoegde waarde;
3° als de overeenkomst het werk is van een andere belastingplichtige dan de belastingplichtige, vermeld in artikel 12, § 2, van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, de datum waarop hij heeft kennisgegeven van zijn bedoeling de verrichting te doen met betaling van de belasting over de toegevoegde waarde;
4° als de vervreemding of de vestiging, overdracht of wederoverdracht van zakelijke rechten ook goederen betreft waarop de vrijstelling van het verkooprecht of verdeelrecht niet van toepassing is, de nauwkeurige aanduiding van die goederen op basis van hun kadastrale beschrijving.
Voor de toepassing van de vrijstelling, vermeld in artikel 2.9.6.0.4, is vereist dat :
1° de verkoopwaarde van elke kavel door de partijen wordt aangegeven, hetzij in de akte, hetzij onderaan op de akte, vóór de registratie;
2° de partijen vóór de registratie in een verklaring, opgenomen in de akte of onderaan op de akte, aanduiden of de geruilde onroerende goederen door henzelf of door derden worden geëxploiteerd en dat, in dat laatste geval, de akte of een document dat erbij gevoegd is vóór de registratie, de instemming inhoudt van alle exploitanten van de goederen die begrepen zijn in de ruiling.]1
[5 Als de partijen de toepassing vragen van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.14, is ook vereist dat in de verklaring, vermeld in paragraaf 1:
1° melding wordt gemaakt van het goedgekeurde beheersplan, vermeld in artikel 2.9.4.2.10, § 2, 2°, met opgave van de referentie, alsook de datum van de goedkeuring van het beheersplan door het agentschap, vermeld in artikel 2.1, 2°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013. Als het beheersplan nog niet is opgemaakt en goedgekeurd op het moment van het verlijden van de authentieke akte van verkrijging, bestaat de verklaring in de melding dat er een beheersplan opgemaakt zal worden als vermeld in artikel 8.1.1 tot en met 8.1.3 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;
2° de partijen melding maken van hun kennis van artikel 10.5.2 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.]5
[6 Als partijen de toepassing vragen van de vrijstelling, vermeld in artikel 2.9.6.0.7, § 1, wordt bij de akte, vermeld in paragraaf 1, een afschrift van de beslissing tot goedkeuring van het natuurbeheerplan als vermeld in artikel 16octies, § 1, eerste lid, 5°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu toegevoegd.
Als partijen de toepassing vragen van de vrijstelling, vermeld in artikel 2.9.6.0.7, § 2, wordt bij de akte, vermeld in paragraaf 1, een afschrift van de overeenkomst, vermeld in artikel 2.9.6.0.7, § 2, tweede lid, toegevoegd.]6
Änderungen
Art. 3.12.3.0.2. [1 Si, dans un acte authentique qui est soumis à la formalité d'enregistrement et qui n'est ni un jugement ni un arrêt, il est fait mention d'un acte sous seing privé ou d'un acte passé à l'étranger tel que visé à l'article 19, premier alinéa, 2°, du Code fédéral des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, cet acte authentique doit mentionner le montant et la date du paiement de l'impôt d'enregistrement prélevé sur l'acte en question.
Si l'acte sous seing privé ou passé à l'étranger, visé au premier alinéa, n'a pas été enregistré, il en est fait mention dans l'acte authentique. ]1
Si l'acte sous seing privé ou passé à l'étranger, visé au premier alinéa, n'a pas été enregistré, il en est fait mention dans l'acte authentique. ]1
Art. 3.12.3.0.2. [1 Als in een authentieke akte die aan de formaliteit van de registratie is onderworpen en die geen vonnis of arrest is, melding wordt gemaakt van een onderhandse akte of van een in het buitenland verleden akte als vermeld in artikel 19, eerste lid, 2°, van het federale Wetboek der Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, moet die authentieke akte het bedrag en de datum van betaling van de registratiebelasting, geheven op vermelde akte, vermelden.
Indien de onderhandse akte of in het buitenland verleden akte, vermeld in het eerste lid, niet werd geregistreerd, wordt daarvan in de authentieke akte melding gemaakt.]1
Indien de onderhandse akte of in het buitenland verleden akte, vermeld in het eerste lid, niet werd geregistreerd, wordt daarvan in de authentieke akte melding gemaakt.]1
Art. 3.12.3.0.3. [1 En cas de donation, le notaire doit reprendre dans l'acte une déclaration du donateur contenant la mention des adresse, date d'établissement et durée d'occupation des différents domiciles fiscaux que le donateur a eus durant la période de cinq ans précédant la donation.]1
Art. 3.12.3.0.3. [1 Art. 3.12.3.0.3. In geval van een schenking moet de notaris in de akte een verklaring van de schenker opnemen die de vermelding inhoudt van het adres en de datum en de duur van de vestiging van de verschillende fiscale woonplaatsen die de schenker gehad heeft in de periode van vijf jaar voorafgaand aan de datum van de schenking.]1
Art. 3.12.3.0.4. [1 § 1er. Les actes de donation de biens immobiliers doivent mentionner s'il est déjà intervenu entre les mêmes parties une ou des donations de biens immobiliers constatées par actes remontant à moins de trois ans avant la date de la nouvelle donation et qui, avant la même date, ont été enregistrés ou sont devenus obligatoirement enregistrables.
Le cas échéant, les actes, visés au premier alinéa, doivent mentionner la date des actes des donations déjà intervenues, visées au premier alinéa, ainsi que la base imposable.
Les dispositions fixées, visées dans le présent article, peuvent être mentionnées dans une déclaration au pied de l'acte avant l'enregistrement, laquelle est signée et certifiée véritable par le donataire, ou, en son nom, par le fonctionnaire ou l'officier public ou ministériel instrumentant.
§ 2. En cas de donation soumise à une condition suspensive, la date de l'acte est, aux fins du présent article, remplacée par la date à laquelle la condition est remplie.]1
Le cas échéant, les actes, visés au premier alinéa, doivent mentionner la date des actes des donations déjà intervenues, visées au premier alinéa, ainsi que la base imposable.
Les dispositions fixées, visées dans le présent article, peuvent être mentionnées dans une déclaration au pied de l'acte avant l'enregistrement, laquelle est signée et certifiée véritable par le donataire, ou, en son nom, par le fonctionnaire ou l'officier public ou ministériel instrumentant.
§ 2. En cas de donation soumise à une condition suspensive, la date de l'acte est, aux fins du présent article, remplacée par la date à laquelle la condition est remplie.]1
Art. 3.12.3.0.4. [1 § 1. De akten van schenking van onroerende goederen moeten vermelden of er tussen dezelfde partijen al een of meer schenkingen van onroerende goederen zijn voorgekomen die vastgesteld zijn door akten die dateren van minder dan drie jaar vóór de datum van de nieuwe schenking en die vóór dezelfde datum geregistreerd zijn of verplicht registreerbaar geworden zijn.
In voorkomend geval moeten de akten, vermeld in het eerste lid, de datum van de akten van de reeds voorgekomen schenkingen, vermeld in het eerste lid, vermelden, alsook de belastbare grondslag.
De vastgelegde bepalingen, vermeld in dit artikel, mogen gedaan worden onderaan op de akte in een verklaring vóór de registratie, ondertekend en voor echt bevestigd door de begiftigde, of, in zijn naam, door de instrumenterende openbare of ministeriële ambtenaar of officier.
§ 2. In geval van een schenking die onderworpen is aan een opschortende voorwaarde, wordt voor de toepassing van dit artikel de datum van de akte vervangen door de datum van de vervulling van de voorwaarde.]1
In voorkomend geval moeten de akten, vermeld in het eerste lid, de datum van de akten van de reeds voorgekomen schenkingen, vermeld in het eerste lid, vermelden, alsook de belastbare grondslag.
De vastgelegde bepalingen, vermeld in dit artikel, mogen gedaan worden onderaan op de akte in een verklaring vóór de registratie, ondertekend en voor echt bevestigd door de begiftigde, of, in zijn naam, door de instrumenterende openbare of ministeriële ambtenaar of officier.
§ 2. In geval van een schenking die onderworpen is aan een opschortende voorwaarde, wordt voor de toepassing van dit artikel de datum van de akte vervangen door de datum van de vervulling van de voorwaarde.]1
Art. 3.12.3.0.5. [1 § 1er. Toutes les expéditions, toutes les copies et tous les extraits d'un acte civil authentique soumis à l'enregistrement doivent mentionner le montant et la date de paiement de l'impôt d'enregistrement.
§ 2. L'obligation, visée au paragraphe 1er, ne s'applique pas :
1° aux expéditions d'actes, passés devant notaires ou autorités administratives, qui donnent lieu à l'accomplissement d'une formalité hypothécaire ;
2° aux expéditions et aux extraits d'actes, passés devant notaires, qui donnent lieu au dépôt au greffe du tribunal de commerce conformément à [2 l'article 2:12 du Code des sociétés et des associations]2 ;
3° aux expéditions et extraits d'actes, passés devant notaires, qui sont délivrés exclusivement en vue de l'inscription d'une entreprise auprès d'un guichet d'entreprise, à condition que ceci soit mentionné expressément sur l'expédition ou l'extrait ;
4° aux copies qui sont requises pour la signification d'exploits et d'autres actes similaires ;
5° aux copies dont la délivrance pour motif d'urgence est ordonnée par le président du tribunal de première instance ;
6° aux copies dématérialisées des actes notariés déposées à la Banque des actes notariés conformément à l'article 18 de la loi du 25 ventôse an XI contenant organisation du notariat ;
7° aux expéditions d'actes dressées en vue de leur présentation à la formalité de l'enregistrement ;
8° aux expéditions d'actes, passés par des notaires, visés à l'article 1394/1 du Code judiciaire, qui, en vertu de l'article 1394/18 du Code judiciaire, doivent être délivrées au fichier central des jugements, arrêts et actes allouant une pension alimentaire.]1
§ 2. L'obligation, visée au paragraphe 1er, ne s'applique pas :
1° aux expéditions d'actes, passés devant notaires ou autorités administratives, qui donnent lieu à l'accomplissement d'une formalité hypothécaire ;
2° aux expéditions et aux extraits d'actes, passés devant notaires, qui donnent lieu au dépôt au greffe du tribunal de commerce conformément à [2 l'article 2:12 du Code des sociétés et des associations]2 ;
3° aux expéditions et extraits d'actes, passés devant notaires, qui sont délivrés exclusivement en vue de l'inscription d'une entreprise auprès d'un guichet d'entreprise, à condition que ceci soit mentionné expressément sur l'expédition ou l'extrait ;
4° aux copies qui sont requises pour la signification d'exploits et d'autres actes similaires ;
5° aux copies dont la délivrance pour motif d'urgence est ordonnée par le président du tribunal de première instance ;
6° aux copies dématérialisées des actes notariés déposées à la Banque des actes notariés conformément à l'article 18 de la loi du 25 ventôse an XI contenant organisation du notariat ;
7° aux expéditions d'actes dressées en vue de leur présentation à la formalité de l'enregistrement ;
8° aux expéditions d'actes, passés par des notaires, visés à l'article 1394/1 du Code judiciaire, qui, en vertu de l'article 1394/18 du Code judiciaire, doivent être délivrées au fichier central des jugements, arrêts et actes allouant une pension alimentaire.]1
Art. 3.12.3.0.5. [1 § 1. Alle uitgiften, afschriften of uittreksels van een burgerlijke authentieke akte die aan de registratie onderworpen is, moeten het bedrag en de datum van betaling van de registratiebelasting vermelden.
§ 2. De verplichting, vermeld in paragraaf 1, geldt niet voor :
1° de uitgiften van akten, verleden voor notarissen of bestuurlijke overheden, die aanleiding geven tot het vervullen van een hypothecaire formaliteit;
2° de uitgiften en uittreksels van akten, verleden voor notarissen, die aanleiding geven tot neerlegging op de griffie van de Rechtbank van Koophandel overeenkomstig [2 artikel 2:12 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen]2;
3° de uitgiften en uittreksels van akten, verleden voor notarissen, die worden uitgereikt met als enig doel de inschrijving van een onderneming bij een ondernemingsloket, op voorwaarde dat het uitdrukkelijk vermeld wordt op de uitgifte of het uittreksel;
4° afschriften die vereist zijn voor de betekening van exploten en van andere soortgelijke akten;
5° afschriften waarvan de aflevering wegens hoogdringendheid is bevolen door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg;
6° de gedematerialiseerde afschriften van notariële akten die worden neergelegd in de Notariële Aktebank overeenkomstig artikel 18 van de wet van 25 ventôse jaar XI op het notarisambt;
7° de uitgiften van akten, gemaakt met het oog op de aanbieding ervan ter formaliteit van de registratie;
8° de uitgiften van akten, verleden door notarissen, vermeld in artikel 1394/1 van het Gerechtelijk Wetboek, die ingevolge artikel 1394/18 van het Gerechtelijk Wetboek aan het centraal bestand van vonnissen, arresten en akten houdende toekenning van een onderhoudsuitkering moeten bezorgd worden.]1
§ 2. De verplichting, vermeld in paragraaf 1, geldt niet voor :
1° de uitgiften van akten, verleden voor notarissen of bestuurlijke overheden, die aanleiding geven tot het vervullen van een hypothecaire formaliteit;
2° de uitgiften en uittreksels van akten, verleden voor notarissen, die aanleiding geven tot neerlegging op de griffie van de Rechtbank van Koophandel overeenkomstig [2 artikel 2:12 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen]2;
3° de uitgiften en uittreksels van akten, verleden voor notarissen, die worden uitgereikt met als enig doel de inschrijving van een onderneming bij een ondernemingsloket, op voorwaarde dat het uitdrukkelijk vermeld wordt op de uitgifte of het uittreksel;
4° afschriften die vereist zijn voor de betekening van exploten en van andere soortgelijke akten;
5° afschriften waarvan de aflevering wegens hoogdringendheid is bevolen door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg;
6° de gedematerialiseerde afschriften van notariële akten die worden neergelegd in de Notariële Aktebank overeenkomstig artikel 18 van de wet van 25 ventôse jaar XI op het notarisambt;
7° de uitgiften van akten, gemaakt met het oog op de aanbieding ervan ter formaliteit van de registratie;
8° de uitgiften van akten, verleden door notarissen, vermeld in artikel 1394/1 van het Gerechtelijk Wetboek, die ingevolge artikel 1394/18 van het Gerechtelijk Wetboek aan het centraal bestand van vonnissen, arresten en akten houdende toekenning van een onderhoudsuitkering moeten bezorgd worden.]1
Art. 3.12.3.0.6. [1 Aucun acte ou écrit ne peut être annexé à un acte de notaire ou à un exploit ou un procès-verbal d'huissier de justice, ou déposé au rang des minutes d'un notaire, sans que l'impôt d'enregistrement y afférent ait été payé.
[2 Cette taxe d'enregistrement est supposée avoir été payée lorsque les actes ou les écrits visés à l'alinéa premier sont présentés à l'enregistrement préalablement à ou au plus tard en même temps que l'acte du notaire ou l'exploit de procès-verbal de l'huissier de justice.]2
Cet article n'est pas d'application en cas d'annexe ou de dépôt d'actes judiciaires ou d'actes de l'Etat civil, passés en Belgique, en minute, expédition, copie ou extrait.]1
[2 Cette taxe d'enregistrement est supposée avoir été payée lorsque les actes ou les écrits visés à l'alinéa premier sont présentés à l'enregistrement préalablement à ou au plus tard en même temps que l'acte du notaire ou l'exploit de procès-verbal de l'huissier de justice.]2
Cet article n'est pas d'application en cas d'annexe ou de dépôt d'actes judiciaires ou d'actes de l'Etat civil, passés en Belgique, en minute, expédition, copie ou extrait.]1
Art. 3.12.3.0.6.[1 Geen akte of geschrift mag bij een akte van een notaris of bij een exploot of proces-verbaal van een gerechtsdeurwaarder worden gevoegd, of onder de minuten van een notaris worden neergelegd zonder dat de registratiebelasting die erop verschuldigd is, betaald is.
Section 4. [1 Obligations de tiers dans le cadre de la taxe sur les appareils automatiques de divertissement]1
Afdeling 4. [1 Verplichtingen van derden in het kader van de belasting op de automatische ontspanningstoestellen]1
Art. 3.12.4.0.1.[1 Un appareil automatique de divertissement qui est un jeu de hasard tel que visé à l'article 2, alinéa 1er, 1°, de la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard, et qui ne dispose pas de l'attestation d'agrément visée à l'article 52 de ladite loi, est considéré d'office comme un appareil de catégorie 1, visé à l'article 2.13.3.0.1, § 2, alinéa 1er, 1°.]1
Art. 3.12.4.0.1.[1 Een automatisch ontspanningstoestel dat een kansspel is als vermeld in artikel 2, eerste lid, 1°, van de Kansspelwet van 7 mei 1999, en niet beschikt over het goedkeuringsattest, vermeld in artikel 52 van voormelde wet, wordt ambtshalve beschouwd als een toestel van de categorie 1, vermeld in artikel 2.13.3.0.1, § 2, eerste lid, 1°.]1
Section 5. [1 Obligations dans le cadre de l'action civile]1
Afdeling 5. [1 Verplichtingen in het kader van de burgerlijke vordering]1
Art. 3.12.5.0.1. [1 Les dispositions du présent code ne portent pas préjudice au droit de la Région flamande de réclamer des dommages-intérêts en cas de non-paiement des taxes et accessoires, par une action civile ou par une action en responsabilité.]1
Art. 3.12.5.0.1. [1 De bepalingen van deze codex doen geen afbreuk aan het recht van het Vlaamse Gewest om het herstel van de schade te vorderen die kan bestaan uit de niet-betaling van de belastingen en toebehoren, door een burgerlijkepartijstelling of door een aansprakelijkheidsvordering.]1
Chapitre 13. - Enquête et contrôle
Hoofdstuk 13. - Onderzoek en controle
Section 1re. - Contrôle administratif
Afdeling 1. - Administratieve controle
Sous-section 1re. - Généralités
Onderafdeling 1. - Algemeen
Art. 3.13.1.1.1. Chaque membre du personnel compétent, chargé régulièrement d'un contrôle ou d'une enquête relative à l'application d'un impôt, cité dans le présent code, auprès d'une personne morale ou physique, est autorisé de droit de rechercher ou d'obtenir toutes les informations pouvant assurer la levée exacte de tous les impôts, cités dans le présent code, dus par cette personne.
Art. 3.13.1.1.1. Elk bevoegde personeelslid, regelmatig belast met een controle of een onderzoek in verband met de toepassing van een belasting, vermeld in deze codex, bij een natuurlijke persoon of een rechtspersoon, is van rechtswege gemachtigd alle inlichtingen op te zoeken of in te winnen die de juiste heffing van alle belastingen, vermeld in deze codex, die door deze persoon verschuldigd zijn, kunnen verzekeren.
Art. 3.13.1.1.2. Toute information, tout document, tout procès-verbal ou tout acte, découvert ou obtenu par un membre du personnel compétent lors de l'exercice de sa fonction, soit directement, soit par intervention d'un des services, administrations ou établissements, cités dans l'article 3.13.1.4.1, peut être invoqué par la Région flamande afin de tracer toute somme due en application des dispositions du présent code.
Art. 3.13.1.1.2. Elke inlichting, elk stuk, elk proces-verbaal of elke akte, door een bevoegde personeelslid ontdekt of verkregen bij de uitoefening van zijn functie, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van een van de diensten, besturen of inrichtingen, vermeld in artikel 3.13.1.4.1, kan door het Vlaamse Gewest worden ingeroepen om elke som op te sporen die met toepassing van de bepalingen van deze codex verschuldigd is.
Art. 3.13.1.1.3. Sans préjudice de l'application des compétences, citées dan l'article 3.3.3.0.1, l'entité compétente de l'administration flamande peut procéder aux recherches, citées dans le présent chapitre, même si les impôts concernés ont déjà été payés.
Les recherches, citées dans l'alinéa premier, peuvent être exécutées, sans notification préalable, jusqu'au plus tard l'échéance du délai, cité dans l'article 3.3.3.0.1.
Les recherches, citées dans l'alinéa premier, peuvent en outre être exécutées pour le précompte immobilier pendant le délai complémentaire de quatre ans, cité dans l'article 3.3.3.0.1, § 1er, à condition que l'entité compétente de l'administration flamande a préalablement notifié le contribuable par écrit et de manière précise des indices en matière de fraude fiscale qui lui concernent pour la période concernée.
Cette notification préalable, citée dans l'alinéa trois, est prescrite sous peine de nullité de l'imposition.
Les recherches, citées dans l'alinéa premier, peuvent être exécutées, sans notification préalable, jusqu'au plus tard l'échéance du délai, cité dans l'article 3.3.3.0.1.
Les recherches, citées dans l'alinéa premier, peuvent en outre être exécutées pour le précompte immobilier pendant le délai complémentaire de quatre ans, cité dans l'article 3.3.3.0.1, § 1er, à condition que l'entité compétente de l'administration flamande a préalablement notifié le contribuable par écrit et de manière précise des indices en matière de fraude fiscale qui lui concernent pour la période concernée.
Cette notification préalable, citée dans l'alinéa trois, est prescrite sous peine de nullité de l'imposition.
Art. 3.13.1.1.3. Met behoud van de toepassing van de bevoegdheden, vermeld in artikel 3.3.3.0.1, kan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie de onderzoekingen, vermeld in dit hoofdstuk, verrichten, zelfs als de desbetreffende belastingen al betaald zijn.
De onderzoekingen, vermeld in het eerste lid, mogen zonder voorafgaande kennisgeving worden verricht tot uiterlijk het verstrijken van de termijn, vermeld in artikel 3.3.3.0.1.
De onderzoekingen, vermeld in het eerste lid, mogen bovendien voor de onroerende voorheffing worden verricht gedurende de aanvullende termijn van vier jaar, vermeld in artikel 3.3.3.0.1, § 1, op voorwaarde dat de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie de belastingplichtige vooraf schriftelijk en op nauwkeurige wijze heeft kennisgegeven van de aanwijzingen inzake belastingontduiking die voor hem bestaan voor het bedoelde tijdperk.
Die voorafgaande kennisgeving, vermeld in het derde lid, is voorgeschreven op straffe van nietigheid van de aanslag.
De onderzoekingen, vermeld in het eerste lid, mogen zonder voorafgaande kennisgeving worden verricht tot uiterlijk het verstrijken van de termijn, vermeld in artikel 3.3.3.0.1.
De onderzoekingen, vermeld in het eerste lid, mogen bovendien voor de onroerende voorheffing worden verricht gedurende de aanvullende termijn van vier jaar, vermeld in artikel 3.3.3.0.1, § 1, op voorwaarde dat de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie de belastingplichtige vooraf schriftelijk en op nauwkeurige wijze heeft kennisgegeven van de aanwijzingen inzake belastingontduiking die voor hem bestaan voor het bedoelde tijdperk.
Die voorafgaande kennisgeving, vermeld in het derde lid, is voorgeschreven op straffe van nietigheid van de aanslag.
Art. 3.13.1.1.4. § 1er. Dans les cas, cités dans les articles 3.13.1.3.1, § 2, et 3.13.1.4.1, § 3, alinéa deux, l'entité compétente de l'administration flamande peut informer le redevable de l'indice ou des indices de fraude fiscale qui justifient une demande d'informations à un établissement financier. Cette notification se fait pas lettre recommandée, en même temps que l'envoi de la demande d'informations précitée.
L'alinéa premier ne s'applique pas lorsque les droits de la Région flamande sont en péril. Le cas échéant, la notification se fait post factum par lettre recommandée, au plus tard trente jours après l'envoi de la demande d'informations citée dans l'alinéa premier.
§ 2. Un fois par an, l'entité compétente de l'administration flamande transmet au Ministre flamand des Finances un rapport qui comprend entre autres les informations suivantes :
1° le nombre de fois que, conformément à l'article 3.13.1.2.5, alinéa deux, une enquête a été effectuée auprès d'établissements financiers et que des données ont été utilisées en vue d'imposer leurs clients;
2° le nombre de fois que, conformément aux articles 3.13.1.3.1, § 2, et 3.13.1.4.1, § 3, alinéa deux, une enquête a été effectuée et des données ont été demandées auprès d'établissements financiers.
Ce rapport est rendu public par le Ministre flamand des Finances et transmis au Parlement flamand.
L'alinéa premier ne s'applique pas lorsque les droits de la Région flamande sont en péril. Le cas échéant, la notification se fait post factum par lettre recommandée, au plus tard trente jours après l'envoi de la demande d'informations citée dans l'alinéa premier.
§ 2. Un fois par an, l'entité compétente de l'administration flamande transmet au Ministre flamand des Finances un rapport qui comprend entre autres les informations suivantes :
1° le nombre de fois que, conformément à l'article 3.13.1.2.5, alinéa deux, une enquête a été effectuée auprès d'établissements financiers et que des données ont été utilisées en vue d'imposer leurs clients;
2° le nombre de fois que, conformément aux articles 3.13.1.3.1, § 2, et 3.13.1.4.1, § 3, alinéa deux, une enquête a été effectuée et des données ont été demandées auprès d'établissements financiers.
Ce rapport est rendu public par le Ministre flamand des Finances et transmis au Parlement flamand.
Art. 3.13.1.1.4. § 1. In de gevallen, vermeld in artikel 3.13.1.3.1, § 2, en 3.13.1.4.1, § 3, tweede lid, stelt de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie de belastingschuldige in kennis van de aanwijzing of de aanwijzingen van belastingontduiking die een vraag om inlichtingen bij een financiële instelling rechtvaardigen. Deze kennisgeving gebeurt bij aangetekende brief, gelijktijdig met het verzenden van de voormelde vraag om inlichtingen.
Het eerste lid is niet van toepassing als de rechten van het Vlaamse Gewest in gevaar zijn. De kennisgeving gebeurt desgevallend post factum bij aangetekende brief, uiterlijk 30 dagen na het verzenden van de in het eerste lid vermelde vraag om inlichtingen.
§ 2. De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie bezorgt de Vlaamse minister van Financiën eenmaal per jaar een verslag dat onder meer volgende informatie bevat :
1° het aantal keren dat in overeenstemming met artikel 3.13.1.2.5, tweede lid, een onderzoek is gevoerd bij financiële instellingen en gegevens zijn gebruikt met het oog op het belasten van hun cliënten;
2° het aantal keren dat in overeenstemming met artikel 3.13.1.3.1, § 2, en 3.13.1.4.1, § 3, tweede lid, een onderzoek is gevoerd en gegevens zijn opgevraagd bij financiële instellingen.
Dit verslag wordt openbaar gemaakt door de Vlaamse minister van Financiën en overgezonden aan het Vlaamse Parlement.
Het eerste lid is niet van toepassing als de rechten van het Vlaamse Gewest in gevaar zijn. De kennisgeving gebeurt desgevallend post factum bij aangetekende brief, uiterlijk 30 dagen na het verzenden van de in het eerste lid vermelde vraag om inlichtingen.
§ 2. De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie bezorgt de Vlaamse minister van Financiën eenmaal per jaar een verslag dat onder meer volgende informatie bevat :
1° het aantal keren dat in overeenstemming met artikel 3.13.1.2.5, tweede lid, een onderzoek is gevoerd bij financiële instellingen en gegevens zijn gebruikt met het oog op het belasten van hun cliënten;
2° het aantal keren dat in overeenstemming met artikel 3.13.1.3.1, § 2, en 3.13.1.4.1, § 3, tweede lid, een onderzoek is gevoerd en gegevens zijn opgevraagd bij financiële instellingen.
Dit verslag wordt openbaar gemaakt door de Vlaamse minister van Financiën en overgezonden aan het Vlaamse Parlement.
Art. 3.13.1.1.5. [1 [2 En application de l'article 23, paragraphe 1, e) et h) du règlement (UE) n° 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données), l'entité compétente de l'administration flamande peut décider de limiter la portée des obligations et des droits visés aux articles 12 à 22 du règlement précité, lors du traitement des données à caractère personnel dans le cadre d'une enquête concernant une personne physique déterminée, si les conditions énoncées aux alinéas 2 à 9 sont remplies.]2.
La possibilité de dérogation visée à l'alinéa premier ne s'applique que pendant la période au cours de laquelle l'intéressé fait l'objet d'un contrôle, d'une enquête ou des activités préparatoires y afférentes, dans le cadre des missions décrétales et réglementaires de l'entité compétente de l'administration flamande, à condition qu'il soit ou puisse être nécessaire pour le bon déroulement de l'enquête que les obligations et droits visés aux articles 12 à 22 dudit règlement ne soient pas appliqués. La durée des activités préparatoires ne peut, le cas échéant, dépasser un an à compter de la date de réception d'une demande d'exercice d'un des droits visés aux articles 12 à 22 dudit règlement.
[2 ...]2
La possibilité de dérogation visée à l'alinéa premier ne s'applique pas aux données qui ne sont pas liées à l'objet de l'enquête ou du contrôle justifiant le refus ou la restriction des droits, visés à l'alinéa premier.
Si, dans le cas visé à l'alinéa premier, l'intéressé soumet une demande sur la base des articles 12 à 22 dudit règlement au cours de la période visée au deuxième alinéa, le fonctionnaire à la protection des données compétent en accuse réception.
Le fonctionnaire à la protection des données compétent informe l'intéressé par écrit de tout refus ou restriction des droits, visés à l'alinéa premier, dans les meilleurs délais et en tout état de cause dans un délai d'un mois à compter du jour suivant celui de la réception de la demande. Il n'est pas nécessaire de fournir des informations complémentaires sur les motifs détaillés d'un tel refus ou d'une telle restriction lorsque cela porterait atteinte aux missions décrétales et réglementaires de l'entité compétente de l'administration flamande, sans préjudice de l'application de l'[2 alinéa 7]2. Si nécessaire, le délai précité peut être prolongé de deux mois, compte tenu du nombre de demandes et de leur complexité. Le responsable du traitement informe l'intéressé de cette prolongation et des raisons du report dans un délai d'un mois à compter du jour suivant celui où il a reçu la demande.
Le fonctionnaire à la protection des données compétent informe également l'intéressé sur la possibilité d'introduire une demande auprès [2 de l'autorité de contrôle visée à l'article 4, 21), du règlement précité, ]2 conformément à l'article 10/5 du décret du 18 juillet 2008 relatif à l'échange électronique de données administratives, et de former un recours en justice.
Le fonctionnaire à la protection des données compétent consigne les motifs factuels ou juridiques sur lesquels la décision est fondée. Il tient ces informations à la disposition [2 de l'autorité de contrôle visée à l'article 4, 21), du règlement précité]2.
Une fois l'enquête terminée, les droits énoncés aux articles 13 à 22 du règlement précité sont, le cas échéant, appliqués à nouveau conformément à l'article 12 du règlement précité.
Si un dossier contenant des données à caractère personnel visées à l'alinéa premier a été transmis au Ministère public et peut conduire à des activités sous la direction du Ministère public ou d'un juge d'instruction, et qu'il existe une incertitude quant au secret de l'enquête sous la direction du Ministère public ou d'un juge d'instruction, le fonctionnaire à la protection des données compétent ne peut répondre à la demande de l'intéressé conformément aux articles 12 à 22 du règlement précité qu'après que le Ministère public ou, le cas échéant, le juge d'instruction, a confirmé qu'une réponse ne compromet pas ou n'est pas susceptible de compromettre l'enquête.]1
La possibilité de dérogation visée à l'alinéa premier ne s'applique que pendant la période au cours de laquelle l'intéressé fait l'objet d'un contrôle, d'une enquête ou des activités préparatoires y afférentes, dans le cadre des missions décrétales et réglementaires de l'entité compétente de l'administration flamande, à condition qu'il soit ou puisse être nécessaire pour le bon déroulement de l'enquête que les obligations et droits visés aux articles 12 à 22 dudit règlement ne soient pas appliqués. La durée des activités préparatoires ne peut, le cas échéant, dépasser un an à compter de la date de réception d'une demande d'exercice d'un des droits visés aux articles 12 à 22 dudit règlement.
[2 ...]2
La possibilité de dérogation visée à l'alinéa premier ne s'applique pas aux données qui ne sont pas liées à l'objet de l'enquête ou du contrôle justifiant le refus ou la restriction des droits, visés à l'alinéa premier.
Si, dans le cas visé à l'alinéa premier, l'intéressé soumet une demande sur la base des articles 12 à 22 dudit règlement au cours de la période visée au deuxième alinéa, le fonctionnaire à la protection des données compétent en accuse réception.
Le fonctionnaire à la protection des données compétent informe l'intéressé par écrit de tout refus ou restriction des droits, visés à l'alinéa premier, dans les meilleurs délais et en tout état de cause dans un délai d'un mois à compter du jour suivant celui de la réception de la demande. Il n'est pas nécessaire de fournir des informations complémentaires sur les motifs détaillés d'un tel refus ou d'une telle restriction lorsque cela porterait atteinte aux missions décrétales et réglementaires de l'entité compétente de l'administration flamande, sans préjudice de l'application de l'[2 alinéa 7]2. Si nécessaire, le délai précité peut être prolongé de deux mois, compte tenu du nombre de demandes et de leur complexité. Le responsable du traitement informe l'intéressé de cette prolongation et des raisons du report dans un délai d'un mois à compter du jour suivant celui où il a reçu la demande.
Le fonctionnaire à la protection des données compétent informe également l'intéressé sur la possibilité d'introduire une demande auprès [2 de l'autorité de contrôle visée à l'article 4, 21), du règlement précité, ]2 conformément à l'article 10/5 du décret du 18 juillet 2008 relatif à l'échange électronique de données administratives, et de former un recours en justice.
Le fonctionnaire à la protection des données compétent consigne les motifs factuels ou juridiques sur lesquels la décision est fondée. Il tient ces informations à la disposition [2 de l'autorité de contrôle visée à l'article 4, 21), du règlement précité]2.
Une fois l'enquête terminée, les droits énoncés aux articles 13 à 22 du règlement précité sont, le cas échéant, appliqués à nouveau conformément à l'article 12 du règlement précité.
Si un dossier contenant des données à caractère personnel visées à l'alinéa premier a été transmis au Ministère public et peut conduire à des activités sous la direction du Ministère public ou d'un juge d'instruction, et qu'il existe une incertitude quant au secret de l'enquête sous la direction du Ministère public ou d'un juge d'instruction, le fonctionnaire à la protection des données compétent ne peut répondre à la demande de l'intéressé conformément aux articles 12 à 22 du règlement précité qu'après que le Ministère public ou, le cas échéant, le juge d'instruction, a confirmé qu'une réponse ne compromet pas ou n'est pas susceptible de compromettre l'enquête.]1
Art. 3.13.1.1.5.[1 [2 Met toepassing van artikel 23, lid 1, e) en h), van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) kan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie beslissen om de reikwijdte van de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, te beperken bij de verwerkingen van persoonsgegevens in het kader van een onderzoek dat betrekking heeft op een welbepaalde natuurlijke persoon, als voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in het tweede tot en met het negende lid.]2.
Sous-section 2. - Obligations du contribuable
Onderafdeling 2. - Plichten van de belastingplichtige
Art. 3.13.1.2.1.Chacun qui est soumis aux impôts, cités dans le présent code, est obligé de présenter tous les documents [1 et les déclarations complémentaires]1 qui sont nécessaires pour fixer le montant des impôts dus, à l'entité compétente de l'administration flamande, sur demande de cette dernière et sans que le redevable doit se rendre aux bureaux de l'administration, en vue de leur contrôle.
Art. 3.13.1.2.1. Eenieder die onderhevig is aan de belastingen, vermeld in deze codex, is verplicht de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, op haar verzoek, en zonder dat de belastingschuldige zich moet verplaatsen naar de kantoren van de administratie, met het oog op de controle ervan, alle documenten [1 voor te leggen]1 voor te leggen die noodzakelijk zijn om het bedrag van zijn verschuldigde belastingen te bepalen.
Behalve als ze door het gerecht in beslag genomen zijn, of behalve bij een afwijking, toegestaan door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, moeten de documenten aan de hand waarvan het bedrag van de verschuldigde belastingen kan worden vastgesteld, vermeld in het eerste lid, ter beschikking van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie worden bewaard in het kantoor, agentschap, bijhuis of elk ander beroeps- of privélokaal van de belastingplichtige waar die documenten zijn gehouden, opgesteld of toegezonden, tot het verstrijken van de termijn, vermeld in artikel 3.3.3.0.1.
[2 Als de nalatenschap van een rijksinwoner de gehele of een deel van de eigendom van een handelszaak bevat, mag het bevoegde personeelslid het voorleggen van de handelsboeken, inventarissen en balansen eisen en daaruit alle nuttige inlichtingen putten.
In geval van een rechtsgeding tussen het Vlaamse Gewest en de erfgenamen mag de mededeling in rechte van de stukken, vermeld in het derde lid, niet geweigerd worden.]2
Behalve als ze door het gerecht in beslag genomen zijn, of behalve bij een afwijking, toegestaan door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, moeten de documenten aan de hand waarvan het bedrag van de verschuldigde belastingen kan worden vastgesteld, vermeld in het eerste lid, ter beschikking van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie worden bewaard in het kantoor, agentschap, bijhuis of elk ander beroeps- of privélokaal van de belastingplichtige waar die documenten zijn gehouden, opgesteld of toegezonden, tot het verstrijken van de termijn, vermeld in artikel 3.3.3.0.1.
[2 Als de nalatenschap van een rijksinwoner de gehele of een deel van de eigendom van een handelszaak bevat, mag het bevoegde personeelslid het voorleggen van de handelsboeken, inventarissen en balansen eisen en daaruit alle nuttige inlichtingen putten.
In geval van een rechtsgeding tussen het Vlaamse Gewest en de erfgenamen mag de mededeling in rechte van de stukken, vermeld in het derde lid, niet geweigerd worden.]2
Art. 3.13.1.2.2. Les personnes physiques et morales qui font appel à [1 un système informatique ou tout autre appareil électronique]1 pour tenir, rédiger, envoyer ou conserver, en tout ou en entier, les documents dont la présentation est prescrite en application de l'article 3.13.1.2.1, sont également obligées, sur demande de l'entité compétente de l'administration flamande, de présenter pour consultation, sur place, les dossiers sur les analyses, les programmes et la gestion du système utilisé, ainsi que tous les supports d'information et toutes les données qu'ils contiennent.
Les données qui sont placées sur les supports d'information doivent être présentées en une forme lisible et compréhensible.
Si l'entité compétente de l'administration flamande le leur demande, les personnes, citées dans l'alinéa premier, sont obligées de faire des copies, avec leur matériel et en présence de l'entité compétente de l'administration flamande, de l'ensemble ou d'une partie des données précitées dans la forme demandée par les membres du personnel de l'entité compétente de l'administration flamande, ainsi que d'exécuter les opérations informatiques nécessaires à fixer le montant des impôts.
Les dispositions de l'article 3.13.1.2.1, alinéa deux, s'appliquent à la conservation des dossiers ayant trait aux analyses, programmes et à la gestion des systèmes utilisés, ainsi que les données qu'ils contiennent.
[1 Les obligations visées aux alinéas 1er et 3 s'appliquent également si les données demandées par l'entité compétente de l'administration se situent en Belgique ou à l'étranger sous forme numérique.]1
Les données qui sont placées sur les supports d'information doivent être présentées en une forme lisible et compréhensible.
Si l'entité compétente de l'administration flamande le leur demande, les personnes, citées dans l'alinéa premier, sont obligées de faire des copies, avec leur matériel et en présence de l'entité compétente de l'administration flamande, de l'ensemble ou d'une partie des données précitées dans la forme demandée par les membres du personnel de l'entité compétente de l'administration flamande, ainsi que d'exécuter les opérations informatiques nécessaires à fixer le montant des impôts.
Les dispositions de l'article 3.13.1.2.1, alinéa deux, s'appliquent à la conservation des dossiers ayant trait aux analyses, programmes et à la gestion des systèmes utilisés, ainsi que les données qu'ils contiennent.
[1 Les obligations visées aux alinéas 1er et 3 s'appliquent également si les données demandées par l'entité compétente de l'administration se situent en Belgique ou à l'étranger sous forme numérique.]1
Art. 3.13.1.2.2. De natuurlijke personen en rechtspersonen die een beroep doen op [1 een informaticasysteem of elk ander elektronisch apparaat]1 om de documenten waarvan de voorlegging is voorgeschreven met toepassing van artikel 3.13.1.2.1, geheel of ten dele, te houden, op te stellen, toe te zenden of te bewaren, zijn ook verplicht, op verzoek van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, ter plaatse, de dossiers over de analyses, de programma's en het beheer van het gebruikte systeem, alsook de informatiedragers en alle gegevens die ze bevatten, ter inzage voor te leggen.
De gegevens die geplaatst zijn op de informatiedragers, moeten in een leesbare en verstaanbare vorm ter inzage worden voorgelegd.
Als de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie hen erom verzoekt, zijn de personen, vermeld in het eerste lid, verplicht met hun materiaal en in het bijzijn van de personeelsleden van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kopieën te maken van het geheel of een deel van de voormelde gegevens in de vorm die de personeelsleden van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie vragen, alsook om de informaticabewerkingen te verrichten die nodig zijn om het bedrag van de belastingen te bepalen.
De bepalingen van artikel 3.13.1.2.1, tweede lid, zijn van toepassing op de bewaring van de dossiers met betrekking tot de analyses, de programma's en het beheer van het gebruikte systeem, alsook van de gegevens die ze bevatten.
[1 De verplichtingen, vermeld in het eerste en derde lid, gelden ook als de gegevens waar de bevoegde entiteit van de administratie om verzoekt, zich digitaal in België of in het buitenland bevinden.]1
De gegevens die geplaatst zijn op de informatiedragers, moeten in een leesbare en verstaanbare vorm ter inzage worden voorgelegd.
Als de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie hen erom verzoekt, zijn de personen, vermeld in het eerste lid, verplicht met hun materiaal en in het bijzijn van de personeelsleden van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kopieën te maken van het geheel of een deel van de voormelde gegevens in de vorm die de personeelsleden van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie vragen, alsook om de informaticabewerkingen te verrichten die nodig zijn om het bedrag van de belastingen te bepalen.
De bepalingen van artikel 3.13.1.2.1, tweede lid, zijn van toepassing op de bewaring van de dossiers met betrekking tot de analyses, de programma's en het beheer van het gebruikte systeem, alsook van de gegevens die ze bevatten.
[1 De verplichtingen, vermeld in het eerste en derde lid, gelden ook als de gegevens waar de bevoegde entiteit van de administratie om verzoekt, zich digitaal in België of in het buitenland bevinden.]1
Art. 3.13.1.2.2 /1. [1 Les membres du personnel de l'entité compétente de l'administration flamande peuvent conserver les documents à présenter en application de l'article 3.13.1.2.1, pour la durée de l'enquête, chaque fois qu'ils estiment que ces documents sont nécessaires pour déterminer le montant des impôts du contribuable ou de tiers.
La rétention visée à l'alinéa 1er fait l'objet d'un procès-verbal de rétention qui fournit une preuve jusqu'à preuve du contraire. Une copie de ce procès-verbal est envoyée au contribuable visé à l'alinéa 1er, dans les cinq jours ouvrables suivant le jour de la rétention.]1
La rétention visée à l'alinéa 1er fait l'objet d'un procès-verbal de rétention qui fournit une preuve jusqu'à preuve du contraire. Une copie de ce procès-verbal est envoyée au contribuable visé à l'alinéa 1er, dans les cinq jours ouvrables suivant le jour de la rétention.]1
Art. 3.13.1.2.2 /1. [1 De personeelsleden van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kunnen de documenten die voorgelegd moeten worden met toepassing van artikel 3.13.1.2.1, voor de duur van het onderzoek behouden telkens als ze menen dat die documenten nodig zijn om het bedrag van de belastingen van de belastingplichtige of van derden te bepalen.
De retentie, vermeld in het eerste lid, maakt het voorwerp uit van een proces-verbaal van retentie dat bewijs oplevert zolang het tegendeel niet is bewezen. Een afschrift van dat proces-verbaal wordt binnen vijf werkdagen na de dag waarop de retentie is gebeurd, aan de belastingplichtige, vermeld in het eerste lid, verzonden.]1
De retentie, vermeld in het eerste lid, maakt het voorwerp uit van een proces-verbaal van retentie dat bewijs oplevert zolang het tegendeel niet is bewezen. Een afschrift van dat proces-verbaal wordt binnen vijf werkdagen na de dag waarop de retentie is gebeurd, aan de belastingplichtige, vermeld in het eerste lid, verzonden.]1
Art. 3.13.1.2.3. Sans préjudice du droit de l'entité compétente de l'administration flamande de demander des informations orales à chacun qui est soumis aux impôts, cités dans le présent code, est obligé de fournir par écrit les données qui sont exigées de sa part en vue de l'enquête de sa situation fiscale, à l'entité compétente de l'administration flamande, sur sa demande, dans le mois à partir du troisième jour ouvrable suivant l'envoi de la demande. Le délai peut être prolongé pour des raisons légales.
Art. 3.13.1.2.3. Met behoud van het recht van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie tot het vragen van mondelinge inlichtingen is eenieder die onderhevig is aan de belastingen, vermeld in deze codex, verplicht de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, op haar verzoek, binnen een maand vanaf de derde werkdag die volgt op de verzending van de aanvraag, schriftelijk alle inlichtingen te verstrekken die van hem worden gevorderd met het oog op het onderzoek van zijn fiscale toestand. De termijn kan om wettige redenen worden verlengd.
Art. 3.13.1.2.4. Les vérifications et les demandes d'information, citées dans l'article 3.13.1.2.1, alinéa premier, l'article 3.13.1.2.2, alinéa premier à trois inclus, [1 l'article 3.13.1.2.2/1, alinéa 1er,]1 et dans l'article 3.13.1.2.3, peuvent avoir trait à toutes les opérations auxquelles le contribuable a participé. Les informations ainsi obtenues peuvent également être invoquées en vue d'imposer des tiers.
Art. 3.13.1.2.4. De verificaties en vragen om inlichtingen, vermeld in artikel 3.13.1.2.1, eerste lid, artikel 3.13.1.2.2, eerste tot en met derde lid, [1 artikel 3.13.1.2.2/1, eerste lid,]1 en artikel 3.13.1.2.3, mogen slaan op alle verrichtingen waaraan de belastingplichtige heeft deelgenomen. De aldus ingewonnen inlichtingen kunnen ook worden ingeroepen met het oog op het belasten van derden.
Art. 3.13.1.2.5. En dérogation à l'article 3.13.1.2.4, et sans préjudice de l'application des articles 3.13.1.2.1 à 3.13.1.2.3 inclus, l'entité compétente de l'administration flamande n'est pas autorisée de demander des informations provenant des comptes, livres et documents des établissements de banque, d'échange, de crédite et d'épargne en vue d'imposer leurs clients.
Si toutefois l'enquête effectué en application des articles 3.13.1.2.1 à 3.13.1.2.1.3 compris expose des éléments concrets qui peuvent faire supposer l'existence ou la préparation d'un mécanisme de fraude fiscale, un membre du personnel ayant au moins le grade de chef de division peut charger un membre du personnel ayant au moins le grade de directeur de récupérer des informations provenant des comptes, livres et documents, qui permettent de compléter l'étude e de fixer les impôts dus par le client.
[1 Le présent article ne s'applique pas à l'impôt sur la succession et à l'impôt d'enregistrement. ]1
Si toutefois l'enquête effectué en application des articles 3.13.1.2.1 à 3.13.1.2.1.3 compris expose des éléments concrets qui peuvent faire supposer l'existence ou la préparation d'un mécanisme de fraude fiscale, un membre du personnel ayant au moins le grade de chef de division peut charger un membre du personnel ayant au moins le grade de directeur de récupérer des informations provenant des comptes, livres et documents, qui permettent de compléter l'étude e de fixer les impôts dus par le client.
[1 Le présent article ne s'applique pas à l'impôt sur la succession et à l'impôt d'enregistrement. ]1
Art. 3.13.1.2.5. In afwijking van artikel 3.13.1.2.4, en met behoud van de toepassing van artikel 3.13.1.2.1 tot en met 3.13.1.2.3, is de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie niet gemachtigd om in de rekeningen, boeken en documenten van de bank-, wissel-, krediet- en spaarinstellingen inlichtingen in te zamelen met het oog op het belasten van hun cliënten.
Als het onderzoek dat uitgevoerd is met toepassing van artikel 3.13.1.2.1 tot en met 3.13.1.2.3, evenwel concrete elementen aan het licht brengt die het bestaan of de voorbereiding van een mechanisme van belastingontduiking kunnen doen vermoeden, kan een personeelslid met minstens de graad van afdelingshoofd, een personeelslid met minstens de graad van directeur ermee belasten uit de rekeningen, boeken en documenten van de instelling inlichtingen putten die het mogelijk maken het onderzoek te voltooien en de belastingen te bepalen die door de cliënt verschuldigd zijn.
[1 Dit artikel is niet van toepassing op de erfbelasting en de registratiebelasting.]1
Als het onderzoek dat uitgevoerd is met toepassing van artikel 3.13.1.2.1 tot en met 3.13.1.2.3, evenwel concrete elementen aan het licht brengt die het bestaan of de voorbereiding van een mechanisme van belastingontduiking kunnen doen vermoeden, kan een personeelslid met minstens de graad van afdelingshoofd, een personeelslid met minstens de graad van directeur ermee belasten uit de rekeningen, boeken en documenten van de instelling inlichtingen putten die het mogelijk maken het onderzoek te voltooien en de belastingen te bepalen die door de cliënt verschuldigd zijn.
[1 Dit artikel is niet van toepassing op de erfbelasting en de registratiebelasting.]1
Art. 3.13.1.2.6. Les personnes physiques et les personnes morales sont tenues de donner accès libre aux membres du personnel compétents, munis de leur légitimation et chargés d'effectuer un contrôle ou enquête sur l'application des impôts, cités dans le présent code, pendant des heures d'activités, aux locaux professionnels ou aux locaux les personnes morales exercent leurs activités tels que bureaux, usines, lieux de travail, ateliers, entrepôts, remises, garages ou aux terrains qui sont utilisés comme lieu de travail, atelier ou entrepôt des provisions afin de permettre à ces membres du personnel de fixer le montant des impôts dus.
Les membres du personnel compétents, munis de leur légitimation, peuvent, s'ils sont chargés de la même tâche, exiger l'entrée libre à tous les autres locaux, bâtiments, lieux de travail ou terrain tels que visés à l'alinéa premier, mais où des activités sont effectuées ou probablement effectuées. Ces membres du personnel ne peuvent toutefois pénétrer dans habitations particulières ou les locaux habités que de cinq heures du matin à neuf heures du soir et uniquement avec l'autorisation du juge du tribunal de police.
Les membres du personnel cités, cités dans les alinéas premier et deux, peuvent vérifier, à l'aide de l'équipement utilisé et avec l'aide des personnes, visées à l'article 3.13.1.2.2, la fiabilité des informations, données et opérations, informatisées, notamment en demandant la présentation en vue de la consultation des pièces qui sont notamment établies pour convertir les données placées sur les supports d'information en une forme lisible et compréhensible.
Les membres du personnel compétents, munis de leur légitimation, peuvent, s'ils sont chargés de la même tâche, exiger l'entrée libre à tous les autres locaux, bâtiments, lieux de travail ou terrain tels que visés à l'alinéa premier, mais où des activités sont effectuées ou probablement effectuées. Ces membres du personnel ne peuvent toutefois pénétrer dans habitations particulières ou les locaux habités que de cinq heures du matin à neuf heures du soir et uniquement avec l'autorisation du juge du tribunal de police.
Les membres du personnel cités, cités dans les alinéas premier et deux, peuvent vérifier, à l'aide de l'équipement utilisé et avec l'aide des personnes, visées à l'article 3.13.1.2.2, la fiabilité des informations, données et opérations, informatisées, notamment en demandant la présentation en vue de la consultation des pièces qui sont notamment établies pour convertir les données placées sur les supports d'information en une forme lisible et compréhensible.
Art. 3.13.1.2.6. Natuurlijke personen of rechtspersonen zijn gehouden aan de bevoegde personeelsleden, voorzien van hun legitimatiebewijs en belast met het verrichten van een controle of een onderzoek over de toepassing van de belastingen, vermeld in deze codex, tijdens de uren dat er een werkzaamheid wordt uitgeoefend, vrije toegang te verlenen tot de beroepslokalen of de lokalen waar rechtspersonen hun werkzaamheden uitoefenen, zoals kantoren, fabrieken, werkplaatsen, werkhuizen, magazijnen, bergplaatsen, garages of tot hun terreinen die als werkplaats, werkhuis of opslagplaats van voorraden dienst doen, om aan die personeelsleden de mogelijkheid te verschaffen het bedrag van de verschuldigde belastingen vast te stellen.
De bevoegde personeelsleden, voorzien van hun legitimatiebewijs, mogen, als ze met dezelfde taak belast zijn, vrije toegang eisen tot alle andere lokalen, gebouwen, werkplaatsen of terreinen die niet bedoeld zijn in het eerste lid, maar waar werkzaamheden verricht of vermoedelijk verricht worden. Tot particuliere woningen of bewoonde lokalen hebben ze evenwel alleen toegang tussen vijf uur 's morgens en negen uur 's avonds en met machtiging van de rechter in de politierechtbank.
De personeelsleden, vermeld in het eerste en het tweede lid, mogen door middel van de gebruikte uitrusting en met de bijstand van de personen, vermeld in artikel 3.13.1.2.2, eerste lid, de betrouwbaarheid nagaan van de geïnformatiseerde inlichtingen, gegevens en bewerkingen, door inzonderheid de voorlegging ter inzage te vorderen van stukken die in het bijzonder zijn opgesteld om de gegevens die op informatiedragers geplaatst zijn, om te zetten in een leesbare en verstaanbare vorm.
De bevoegde personeelsleden, voorzien van hun legitimatiebewijs, mogen, als ze met dezelfde taak belast zijn, vrije toegang eisen tot alle andere lokalen, gebouwen, werkplaatsen of terreinen die niet bedoeld zijn in het eerste lid, maar waar werkzaamheden verricht of vermoedelijk verricht worden. Tot particuliere woningen of bewoonde lokalen hebben ze evenwel alleen toegang tussen vijf uur 's morgens en negen uur 's avonds en met machtiging van de rechter in de politierechtbank.
De personeelsleden, vermeld in het eerste en het tweede lid, mogen door middel van de gebruikte uitrusting en met de bijstand van de personen, vermeld in artikel 3.13.1.2.2, eerste lid, de betrouwbaarheid nagaan van de geïnformatiseerde inlichtingen, gegevens en bewerkingen, door inzonderheid de voorlegging ter inzage te vorderen van stukken die in het bijzonder zijn opgesteld om de gegevens die op informatiedragers geplaatst zijn, om te zetten in een leesbare en verstaanbare vorm.
Art. 3.13.1.2.7. Les membres du personnel chargés du recouvrement, disposent de toutes les compétences d'enquête, citées dan le présent code, pour déterminer le patrimoine du débiteur en vue du recouvrement des impôts et accessoires.
Les compétences des membres du personnel, chargés du recouvrement, cités dans l'alinéa premier, sont également exercées sans limitations par rapport aux structures, visées aux articles 3.13.1.2.5, 3.13.1.3.1, § 2 à § 5 inclus, et l'article 3.13.1.4.1.
Les compétences des membres du personnel, chargés du recouvrement, cités dans l'alinéa premier, sont également exercées sans limitations par rapport aux structures, visées aux articles 3.13.1.2.5, 3.13.1.3.1, § 2 à § 5 inclus, et l'article 3.13.1.4.1.
Art. 3.13.1.2.7. De personeelsleden die belast zijn met de invordering, beschikken over alle onderzoeksbevoegdheden, vermeld in deze codex, om de vermogenssituatie van de schuldenaar te bepalen met het oog op de invordering van de belastingen en toebehoren.
De bevoegdheden van de personeelsleden, belast met de invordering, vermeld in het eerste lid, worden ook uitgeoefend zonder de beperkingen ten aanzien van de instellingen, vermeld in artikel 3.13.1.2.5, 3.13.1.3.1, § 2 tot en met § 5, en artikel 3.13.1.4.1.
De bevoegdheden van de personeelsleden, belast met de invordering, vermeld in het eerste lid, worden ook uitgeoefend zonder de beperkingen ten aanzien van de instellingen, vermeld in artikel 3.13.1.2.5, 3.13.1.3.1, § 2 tot en met § 5, en artikel 3.13.1.4.1.
Art. 3.13.1.2.8. [1 Concernant l'impôt sur la succession, le membre du personnel compétent a à tout moment la faculté d'exiger des déclarants la production d'une attestation du créancier certifiant qu'une dette portée au passif existait à la charge du défunt au jour de son décès. L'attestation doit être signée par le créancier, par son représentant légal ou par un mandataire constitué à cet effet.
L'attestation, visée au premier alinéa, ne peut être refusée par le créancier, sous peine de dommages-intérêts, lorsqu'elle est légitimement réclamée.
L'attestation reste annexée à la déclaration de succession.]1
L'attestation, visée au premier alinéa, ne peut être refusée par le créancier, sous peine de dommages-intérêts, lorsqu'elle est légitimement réclamée.
L'attestation reste annexée à la déclaration de succession.]1
Art. 3.13.1.2.8. [1 Het bevoegde personeelslid kan voor de erfbelasting op elk moment van de aangevers eisen dat ze een verklaring van de schuldeiser bezorgen, waarin wordt bevestigd dat een schuld die in het passief opgenomen is, ten laste van de overledene al bestond op de dag van zijn overlijden. De verklaring moet ondertekend worden door de schuldeiser, door zijn wettelijke vertegenwoordiger of door een daarvoor aangestelde gevolmachtigde.
De verklaring, vermeld in het eerste lid, mag op straffe van schadevergoeding door de schuldeiser niet worden geweigerd als ze wettig wordt aangevraagd.
De verklaring blijft bij de aangifte van nalatenschap gevoegd.]1
De verklaring, vermeld in het eerste lid, mag op straffe van schadevergoeding door de schuldeiser niet worden geweigerd als ze wettig wordt aangevraagd.
De verklaring blijft bij de aangifte van nalatenschap gevoegd.]1
Art. 3.13.1.2.9. [1 Le contribuable sauvegarde le montant des mises, des enjeux, des bénéfices payés, des paris et toutes les autres données nécessaires pour déterminer la taxe sur les jeux et paris, sur un support d'information électronique.]1
Art. 3.13.1.2.9. [1 De belastingplichtige houdt het bedrag van de inzetten, de inleggelden, de uitgekeerde winsten, de weddenschappen en alle andere gegevens die noodzakelijk zijn om de belasting op de spelen en weddenschappen te bepalen, bij op een elektronische informatiedrager.]1
Sous-section 3. - Obligations de tiers
Onderafdeling 3. - Plichten van derden
Art. 3.13.1.3.1.§ 1er. [1 L'entité compétente de l'Administration flamande peut rassembler des attestations écrites]1, entendre des tiers, instaurer un enquête, et, dans un délai fixé par elle-même qui peut être prolongé pour des raisons légales, demander toutes les information des personnes physiques et des personnes morales ainsi que toutes les associations sans personnalité juridique [1 et les fonctionnaires ou les officiers publics ou ministériels ]1 qu'elle juge utilises pour assurer l'établissement correcte et de la perception d'un impôt.
Art. 3.13.1.3.1. § 1. [1 De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie mag geschreven attesten inzamelen]1, derden horen, een onderzoek instellen, en binnen de door haar bepaalde termijn, die om wettige redenen kan worden verlengd, van natuurlijke personen of rechtspersonen, alsook van verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid [1 en openbare of ministeriële ambtenaren en officieren]1 alle inlichtingen vorderen die ze nodig acht om de juiste vestiging en inning van de belasting te verzekeren.
§ 2. Als de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie bij het onderzoek over een of meer aanwijzingen van belastingontduiking beschikt, wordt een bank-, wissel-, krediet- of spaarinstelling als een derde beschouwd waarop de bepalingen van paragraaf 1 van toepassing zijn.
In voorkomend geval kan een personeelslid met minstens de graad van afdelingshoofd, een personeelslid met minstens de graad van directeur ermee belasten om bij een bank-, wissel-, krediet- en spaarinstelling elke inlichting op te vragen die nuttig kan zijn om het bedrag van de belastbare inkomsten van de belastingplichtige te bepalen.
Het personeelslid met minstens de graad van afdelingshoofd mag de machtiging pas verlenen :
1° nadat het personeelslid dat het onderzoek voert, de inlichtingen en gegevens over de rekeningen tijdens het onderzoek met een verzoek om inlichtingen als vermeld in artikel 3.13.1.2.3, heeft gevraagd en bij die vraag duidelijk heeft aangegeven dat hij de toepassing van paragraaf 2 van dit artikel kan vragen als de belastingplichtige de gevraagde gegevens verborgen houdt of weigert te verschaffen. De opdracht, vermeld in het tweede lid, kan pas aanvangen als de termijn, vermeld in artikel 3.13.1.2.3, is verlopen;
2° nadat hij heeft vastgesteld dat het gevoerde onderzoek een of meer aanwijzingen van belastingontduiking heeft opgeleverd en dat er vermoedens zijn dat de belastingplichtige gegevens daarover bij een instelling als vermeld in het tweede lid, verborgen houdt of dat de belastingplichtige weigert om die gegevens zelf te verschaffen.
§ 3. Als [3 het personeelslid met minstens de graad van directeur]3 heeft vastgesteld dat het gevoerde onderzoek, vermeld in paragraaf 2, een of meer aanwijzingen van belastingontduiking heeft opgeleverd, kan hij de beschikbare gegevens over die belastingplichtige opvragen bij het centrale aanspreekpunt, vermeld in [3 de wet van 8 juli 2018 houdende organisatie van een centraal aanspreekpunt van rekeningen en financiële contracten en tot uitbreiding van de toegang tot het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest]3.
§ 4. Paragraaf 2 en 3 zijn ook van toepassing als een inlichting wordt gevraagd door een buitenlandse staat in een van de volgende gevallen :
1° in het geval, vermeld in artikel 9 van het decreet van 21 juni 2013 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen;
2° overeenkomstig de bepalingen met betrekking tot de uitwisseling van inlichtingen in een overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting die van toepassing is, of in een andere internationale overeenkomst in het kader waarvan de wederkerigheid is gewaarborgd.
De vraag van de buitenlandse staat wordt gelijkgesteld met een aanwijzing van belastingontduiking als vermeld in paragraaf 2. In dat geval verleent het personeelslid met minstens de graad van afdelingshoofd, in afwijking van paragraaf 2, de machtiging op basis van de vraag, gesteld door de buitenlandse staat.
§ 5. De inlichtingen waarover de administratie uit hoofde van dit artikel beschikt, vallen onder de geheimhoudingsplicht en genieten de bescherming met betrekking tot soortgelijke inlichtingen, vermeld in artikel 3.19.0.0.2.
[2 § 6. De bepalingen van paragraaf 2 en 3 zijn inzake de registratiebelasting en de erfbelasting niet van toepassing, behalve wat de toepassing van paragraaf 4 betreft.
Een bank-, wissel-, krediet-, en spaarinstelling wordt beschouwd als een derde waarop de bepalingen van paragraaf 1 van toepassing zijn.
Aan de instellingen, vermeld in het tweede lid, kunnen alleen inlichtingen gevraagd worden door een personeelslid met minstens de graad van directeur, als die daartoe gemachtigd is door een personeelslid met minstens de graad van afdelingshoofd.
Met betrekking tot de registratiebelasting moet de machtiging een nauwkeurige aanduiding bevatten van het rechtsfeit waarvoor het onderzoek noodzakelijk wordt geacht.
Met betrekking tot de erfbelasting moet de machtiging de aanduiding van de overleden persoon bevatten en, als het onderzoek betrekking heeft op feiten die meer dan [4 vijf]4 jaar voor het openvallen van de nalatenschap hebben plaatsgevonden, of op verrichtingen die gedaan zijn door een andere persoon dan de overledene of zijn echtgenoot of wettelijk samenwonende, de nauwkeurige aanduiding van de feiten die het voorwerp van de opzoeking uitmaken.
[3 Als voor de registratiebelasting of de erfbelasting blijkt dat er een of meer aanwijzingen zijn van belastingontduiking, kan het bevoegde personeelslid met minstens de graad van directeur de beschikbare gegevens over die belastingplichtige of de erflater, in geval van erfbelasting, opvragen bij het centrale aanspreekpunt, vermeld in de wet van 8 juli 2018 houdende organisatie van een centraal aanspreekpunt van rekeningen en financiële contracten en tot uitbreiding van de toegang tot het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest.]3
§ 7. De inlichtingen, vermeld in dit artikel, moeten worden verschaft binnen drie maanden na de datum waarop ze zijn gevraagd. Die termijn kan worden verlengd door het bevoegde personeelslid met minstens de graad van afdelingshoofd.]2
§ 2. Als de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie bij het onderzoek over een of meer aanwijzingen van belastingontduiking beschikt, wordt een bank-, wissel-, krediet- of spaarinstelling als een derde beschouwd waarop de bepalingen van paragraaf 1 van toepassing zijn.
In voorkomend geval kan een personeelslid met minstens de graad van afdelingshoofd, een personeelslid met minstens de graad van directeur ermee belasten om bij een bank-, wissel-, krediet- en spaarinstelling elke inlichting op te vragen die nuttig kan zijn om het bedrag van de belastbare inkomsten van de belastingplichtige te bepalen.
Het personeelslid met minstens de graad van afdelingshoofd mag de machtiging pas verlenen :
1° nadat het personeelslid dat het onderzoek voert, de inlichtingen en gegevens over de rekeningen tijdens het onderzoek met een verzoek om inlichtingen als vermeld in artikel 3.13.1.2.3, heeft gevraagd en bij die vraag duidelijk heeft aangegeven dat hij de toepassing van paragraaf 2 van dit artikel kan vragen als de belastingplichtige de gevraagde gegevens verborgen houdt of weigert te verschaffen. De opdracht, vermeld in het tweede lid, kan pas aanvangen als de termijn, vermeld in artikel 3.13.1.2.3, is verlopen;
2° nadat hij heeft vastgesteld dat het gevoerde onderzoek een of meer aanwijzingen van belastingontduiking heeft opgeleverd en dat er vermoedens zijn dat de belastingplichtige gegevens daarover bij een instelling als vermeld in het tweede lid, verborgen houdt of dat de belastingplichtige weigert om die gegevens zelf te verschaffen.
§ 3. Als [3 het personeelslid met minstens de graad van directeur]3 heeft vastgesteld dat het gevoerde onderzoek, vermeld in paragraaf 2, een of meer aanwijzingen van belastingontduiking heeft opgeleverd, kan hij de beschikbare gegevens over die belastingplichtige opvragen bij het centrale aanspreekpunt, vermeld in [3 de wet van 8 juli 2018 houdende organisatie van een centraal aanspreekpunt van rekeningen en financiële contracten en tot uitbreiding van de toegang tot het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest]3.
§ 4. Paragraaf 2 en 3 zijn ook van toepassing als een inlichting wordt gevraagd door een buitenlandse staat in een van de volgende gevallen :
1° in het geval, vermeld in artikel 9 van het decreet van 21 juni 2013 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen;
2° overeenkomstig de bepalingen met betrekking tot de uitwisseling van inlichtingen in een overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting die van toepassing is, of in een andere internationale overeenkomst in het kader waarvan de wederkerigheid is gewaarborgd.
De vraag van de buitenlandse staat wordt gelijkgesteld met een aanwijzing van belastingontduiking als vermeld in paragraaf 2. In dat geval verleent het personeelslid met minstens de graad van afdelingshoofd, in afwijking van paragraaf 2, de machtiging op basis van de vraag, gesteld door de buitenlandse staat.
§ 5. De inlichtingen waarover de administratie uit hoofde van dit artikel beschikt, vallen onder de geheimhoudingsplicht en genieten de bescherming met betrekking tot soortgelijke inlichtingen, vermeld in artikel 3.19.0.0.2.
[2 § 6. De bepalingen van paragraaf 2 en 3 zijn inzake de registratiebelasting en de erfbelasting niet van toepassing, behalve wat de toepassing van paragraaf 4 betreft.
Een bank-, wissel-, krediet-, en spaarinstelling wordt beschouwd als een derde waarop de bepalingen van paragraaf 1 van toepassing zijn.
Aan de instellingen, vermeld in het tweede lid, kunnen alleen inlichtingen gevraagd worden door een personeelslid met minstens de graad van directeur, als die daartoe gemachtigd is door een personeelslid met minstens de graad van afdelingshoofd.
Met betrekking tot de registratiebelasting moet de machtiging een nauwkeurige aanduiding bevatten van het rechtsfeit waarvoor het onderzoek noodzakelijk wordt geacht.
Met betrekking tot de erfbelasting moet de machtiging de aanduiding van de overleden persoon bevatten en, als het onderzoek betrekking heeft op feiten die meer dan [4 vijf]4 jaar voor het openvallen van de nalatenschap hebben plaatsgevonden, of op verrichtingen die gedaan zijn door een andere persoon dan de overledene of zijn echtgenoot of wettelijk samenwonende, de nauwkeurige aanduiding van de feiten die het voorwerp van de opzoeking uitmaken.
[3 Als voor de registratiebelasting of de erfbelasting blijkt dat er een of meer aanwijzingen zijn van belastingontduiking, kan het bevoegde personeelslid met minstens de graad van directeur de beschikbare gegevens over die belastingplichtige of de erflater, in geval van erfbelasting, opvragen bij het centrale aanspreekpunt, vermeld in de wet van 8 juli 2018 houdende organisatie van een centraal aanspreekpunt van rekeningen en financiële contracten en tot uitbreiding van de toegang tot het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest.]3
§ 7. De inlichtingen, vermeld in dit artikel, moeten worden verschaft binnen drie maanden na de datum waarop ze zijn gevraagd. Die termijn kan worden verlengd door het bevoegde personeelslid met minstens de graad van afdelingshoofd.]2
Art. 3.13.1.3.2. L'entité compétente de l'administration flamande peut demander à toutes les personnes morales ou personnes physiques ainsi qu'à toutes les associations sans personnalité juridique [1 et les fonctionnaires ou les officiers publics ou ministériels]1, dans le délai fixée par elle-même, pour toutes ou pour une partie de leurs opérations ou activités, la présentation des informations sur chaque personnes ou groupe de personnes, même si elles ne sont pas désignées par leur nom avec lesquelles qu'elle sont eu un contact direct ou indirect du chef de ces opérations ou activités. Le délai peut être prolongé pour des raisons légales.
Art. 3.13.1.3.2. De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie mag van natuurlijke personen of rechtspersonen alsook van verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid [1 en openbare of ministeriële ambtenaren en officieren]1, binnen de door haar bepaalde termijn, voor alle of voor een deel van hun verrichtingen of activiteiten de overlegging vorderen van inlichtingen over elke persoon of groep van personen, zelfs als ze niet met naam zijn aangeduid, met wie ze rechtstreeks of onrechtstreeks contact hebben gehad uit hoofde van die verrichtingen of activiteiten. De termijn kan wegens wettige redenen worden verlengd.
Art. 3.13.1.3.3. Les dispositions de l'article 3.13.1.2.2 s'appliquent aux associations sans personnalité juridique ainsi qu'aux tiers auxquels il est fait appel pour tenir, établir, envoyer ou conserver entièrement ou partiellement les documents à l'aide de systèmes informatisés dont la présentation est prescrite par l'article 3.13.1.2.1.
Art. 3.13.1.3.3. De bepalingen van artikel 3.13.1.2.2 zijn van toepassing op verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid alsook op derden op wie een beroep wordt gedaan om de documenten, waarvan de voorlegging is voorgeschreven door artikel 3.13.1.2.1, geheel of gedeeltelijk te houden, op te stellen, toe te zenden of te bewaren door middel van computersystemen.
Art. 3.13.1.3.4. L'entité compétente de l'administration flamande peut vérifier l'exactitude des informations, citées dans les articles 3.13.1.3.1, 3.13.1.3.2 en 3.13.1.3.3.
Art. 3.13.1.3.4. De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie mag de juistheid nagaan van de inlichtingen, vermeld in artikel 3.13.1.3.1, 3.13.1.3.2 en 3.13.1.3.3.
Art. 3.13.1.3.5. Le redevable est convoqué par lettre recommandée pour assister à l'interrogation des témoins.
Les témoins sont obliger à déposer témoignage sur tous les actes et faits dont ils ont connaissance et dont la constatation peut être utile pour l'application des lois fiscales aux faits pour lesquels un litige existe.
Avant de témoigner, ils prennent le serment prévu à l'article 934 du Code judiciaire.
La preuve du contraire est autorisée de droit.
Les témoins sont obliger à déposer témoignage sur tous les actes et faits dont ils ont connaissance et dont la constatation peut être utile pour l'application des lois fiscales aux faits pour lesquels un litige existe.
Avant de témoigner, ils prennent le serment prévu à l'article 934 du Code judiciaire.
La preuve du contraire est autorisée de droit.
Art. 3.13.1.3.5. De belastingschuldige wordt met een aangetekende brief opgeroepen om het getuigenverhoor bij te wonen.
De getuigen zijn verplicht getuigenis af te leggen over alle daden en feiten waarvan ze kennis hebben en waarvan de vaststelling nuttig kan zijn voor de toepassing van de belastingwetten op de feiten waarover een geschil bestaat.
Voor ze getuigen, leggen ze de eed af, vermeld in artikel 934 van het Gerechtelijk Wetboek.
Het tegenbewijs is rechtens toegelaten.
De getuigen zijn verplicht getuigenis af te leggen over alle daden en feiten waarvan ze kennis hebben en waarvan de vaststelling nuttig kan zijn voor de toepassing van de belastingwetten op de feiten waarover een geschil bestaat.
Voor ze getuigen, leggen ze de eed af, vermeld in artikel 934 van het Gerechtelijk Wetboek.
Het tegenbewijs is rechtens toegelaten.
Art. 3.13.1.3.6. Un procès-verbal des déclarations des témoins est dressé et, si le redevable le souhaite, de ces propres déclarations.
Après lecture, le procès-verbal est signé par les témoins et par les redevables.
Ils font précéder leur signature par les mots manuscrits " Lu et approuvé ". Si un des concernés refuse de signer, tel sera cité dans le procès-verbal avec description du motif du refus.
Une copie déclarée conforme du procès-verbal est notifiée au redevable dans les huit jours de sa notification.
Après lecture, le procès-verbal est signé par les témoins et par les redevables.
Ils font précéder leur signature par les mots manuscrits " Lu et approuvé ". Si un des concernés refuse de signer, tel sera cité dans le procès-verbal avec description du motif du refus.
Une copie déclarée conforme du procès-verbal est notifiée au redevable dans les huit jours de sa notification.
Art. 3.13.1.3.6. Van de verklaringen van de getuigen en, als de belastingschuldige dat verlangt, van zijn eigen verklaringen wordt een proces-verbaal opgemaakt.
Na voorlezing wordt het proces-verbaal door de getuigen en de belastingschuldigen ondertekend.
Ze laten hun handtekening voorafgaan door de met de hand geschreven woorden "Gelezen en goedgekeurd". Als een van de betrokkenen weigert te ondertekenen, wordt daarvan melding gemaakt in het proces-verbaal, dat de reden van de weigering nader omschrijft.
Een eensluidend verklaard afschrift van het proces-verbaal wordt aan de belastingschuldige betekend binnen acht dagen na zijn dagtekening.
Na voorlezing wordt het proces-verbaal door de getuigen en de belastingschuldigen ondertekend.
Ze laten hun handtekening voorafgaan door de met de hand geschreven woorden "Gelezen en goedgekeurd". Als een van de betrokkenen weigert te ondertekenen, wordt daarvan melding gemaakt in het proces-verbaal, dat de reden van de weigering nader omschrijft.
Een eensluidend verklaard afschrift van het proces-verbaal wordt aan de belastingschuldige betekend binnen acht dagen na zijn dagtekening.
Art. 3.13.1.3.7. [1 Les articles 96 à 99 et les [2 articles 101 à 103²]2 du Code des droits de succession et ses arrêtés d'exécution restent invariablement d'application en vue d'assurer l'exacte perception et le recouvrement des droits de succession. Les services de l'administration fiscale fédérale qui y sont mentionnés et les fonctionnaires fiscaux fédéraux conservent les missions et les compétences qui découlent de ces dispositions.
Les services administratifs de l'Etat transmettent les informations ainsi obtenues conformément à l'article 3.13.1.4.2 à l'entité compétente de l'Administration flamande.
Le fonctionnaire désigné du service administratif de l'Etat doit informer le membre du personnel compétent de l'établissement de la liste ou de l'inventaire, visés à l'article 98, dernier alinéa, et à l'article 101, premier alinéa, du Code fédéral des droits de succession. Le membre du personnel compétent peut, le cas échéant, assister à l'établissement de la liste ou de l'inventaire, visés dans ces articles.]1
Les services administratifs de l'Etat transmettent les informations ainsi obtenues conformément à l'article 3.13.1.4.2 à l'entité compétente de l'Administration flamande.
Le fonctionnaire désigné du service administratif de l'Etat doit informer le membre du personnel compétent de l'établissement de la liste ou de l'inventaire, visés à l'article 98, dernier alinéa, et à l'article 101, premier alinéa, du Code fédéral des droits de succession. Le membre du personnel compétent peut, le cas échéant, assister à l'établissement de la liste ou de l'inventaire, visés dans ces articles.]1
Art. 3.13.1.3.7.[1 Artikel 96 tot en met artikel 99 en artikel 101 tot en met [2 artikel 103²]2 van het federale Wetboek van Successierechten, en de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, blijven onverminderd van toepassing met het oog op de juiste heffing en de invordering van het successierecht. De erin vermelde federale belastingdiensten en federale belastingambtenaren behouden de bevoegdheden en taken die uit die bepalingen voortvloeien.
Sous-section 4. - Obligations des organismes publics
Onderafdeling 4. - Plichten van openbare instellingen
Art. 3.13.1.4.1.§ 1er. Les services administratifs de l'état, y compris les parquets et greffes des tribunaux et des collèges juridictionnels, les administrations des communautés, des régions, des provinces, des agglomérations, les fédérations de communes et les communes, ainsi que les organismes et structures publics, sont tenus, si un membre du personnel chargé de l'établissement ou du recouvrement des impôts le leur demande, de lui fournir toutes les données dont ils sont en possession, d'autoriser la consultation par ce même membre, sans déplacement de ce dernier, de tous les actes, pièces, registres et de toute autre document dont ils sont en possession, et de le laisser prendre toutes les informations et copies et tous les extraits que ce membre du personnel juge utiles pour l'établissement ou le recouvrement des impôts cités dans le présent code.
Art. 3.13.1.4.1. § 1. De bestuursdiensten van de staat, met inbegrip van de parketten en de griffies van de hoven en van alle rechtscolleges, de besturen van de gemeenschappen, de gewesten, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten en de gemeenten, alsook de openbare instellingen en inrichtingen, zijn gehouden, als ze daarvoor worden aangezocht door een personeelslid, belast met de vestiging of de invordering van de belastingen, hem alle inlichtingen die ze in hun bezit hebben, te verstrekken, hem, zonder verplaatsing, in alle akten, stukken, registers en om het even welke bescheiden die ze in hun bezit hebben, inzage te verlenen, en hem alle inlichtingen, afschriften of uittreksels te laten nemen die het bedoelde personeelslid nodig acht voor de vestiging of de invordering van de belastingen, vermeld in deze codex.
In de akten, stukken, registers, bescheiden of inlichtingen over de rechtspleging mag evenwel geen inzage worden verleend zonder uitdrukkelijk verlof van [1 het openbaar ministerie]1.
De originelen van de ontvangstbewijzen-getuigschriften voor verstrekte hulp, uitgereikt door de geneesheren, de tandheelkundigen en de paramedische medewerkers, mogen echter niet worden meegedeeld zonder dat de nationale raad van de Orde van Geneesheren of de provinciale geneeskundige commissies de gelegenheid hebben gehad zich ervan te vergewissen dat de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie daardoor geen inlichtingen krijgt over de identiteit van de zieken en van de verzekerden.
§ 2. Paragraaf 1 is niet van toepassing op de Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie (ADSEI) wat de individueel verkregen inlichtingen betreft.
§ 3. Paragraaf 1 is niet van toepassing op de naamloze vennootschap van publiek recht bpost.
Paragraaf 1 blijft evenwel van toepassing in de gevallen en onder de voorwaarden, vermeld in artikel 3.13.1.2.5, tweede lid, en artikel 3.13.1.3.1, § 2 tot en met § 5.
§ 4. De Kansspelcommissie, vermeld in artikel 9 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, moet de Vlaamse Regering er onverwijld van op de hoogte brengen dat ze bij een orgaan dat ze controleert, concrete elementen heeft vastgesteld die vermoedelijk wijzen op het bestaan of op de voorbereiding van een mechanisme, gericht op fiscale fraude.
§ 5. Onder openbare instellingen of inrichtingen als vermeld in paragraaf 1 wordt verstaan : de instellingen, maatschappijen, verenigingen, inrichtingen en diensten die de staat, een gemeenschap of een gewest mee beheert, waaraan de staat, een gemeenschap of een gewest een waarborg verstrekt, op de werkzaamheden waarvan de staat, een gemeenschap of een gewest toezicht uitoefent of waarvan het bestuurspersoneel wordt aangewezen door de Federale Regering of een gemeenschaps- of gewestregering, op haar voordracht of met haar goedkeuring.
In de akten, stukken, registers, bescheiden of inlichtingen over de rechtspleging mag evenwel geen inzage worden verleend zonder uitdrukkelijk verlof van [1 het openbaar ministerie]1.
De originelen van de ontvangstbewijzen-getuigschriften voor verstrekte hulp, uitgereikt door de geneesheren, de tandheelkundigen en de paramedische medewerkers, mogen echter niet worden meegedeeld zonder dat de nationale raad van de Orde van Geneesheren of de provinciale geneeskundige commissies de gelegenheid hebben gehad zich ervan te vergewissen dat de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie daardoor geen inlichtingen krijgt over de identiteit van de zieken en van de verzekerden.
§ 2. Paragraaf 1 is niet van toepassing op de Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie (ADSEI) wat de individueel verkregen inlichtingen betreft.
§ 3. Paragraaf 1 is niet van toepassing op de naamloze vennootschap van publiek recht bpost.
Paragraaf 1 blijft evenwel van toepassing in de gevallen en onder de voorwaarden, vermeld in artikel 3.13.1.2.5, tweede lid, en artikel 3.13.1.3.1, § 2 tot en met § 5.
§ 4. De Kansspelcommissie, vermeld in artikel 9 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, moet de Vlaamse Regering er onverwijld van op de hoogte brengen dat ze bij een orgaan dat ze controleert, concrete elementen heeft vastgesteld die vermoedelijk wijzen op het bestaan of op de voorbereiding van een mechanisme, gericht op fiscale fraude.
§ 5. Onder openbare instellingen of inrichtingen als vermeld in paragraaf 1 wordt verstaan : de instellingen, maatschappijen, verenigingen, inrichtingen en diensten die de staat, een gemeenschap of een gewest mee beheert, waaraan de staat, een gemeenschap of een gewest een waarborg verstrekt, op de werkzaamheden waarvan de staat, een gemeenschap of een gewest toezicht uitoefent of waarvan het bestuurspersoneel wordt aangewezen door de Federale Regering of een gemeenschaps- of gewestregering, op haar voordracht of met haar goedkeuring.
Art. 3.13.1.4.2. Les services, administrations, sociétés, associations, organismes ou structures, cités dans l'article 3.13.1.4.1, sont tenus de fixer les données nécessaires pour établir les impôts, cités dans le présent code, et de les mettre à la disposition de manière informatisée de l'entité compétente de l'administration flamande. Le fonctionnaire dirigeant de l'entité compétente de l'administration flamande adresse à cet effet une demande unique aux services, administrations, sociétés, associations, organismes ou structures, cités dans l'article 3.13.1.4.1, avec mention de la fréquence et de la façon dont ces données doivent être rendues disponibles;
[1 La possibilité de réaliser un échange électronique de données sur simple demande, visée à l'alinéa premier, ne porte pas atteinte à la validité des échanges de données existants ou des échanges de données qui seraient réalisés sans une telle demande.]1
[1 La possibilité de réaliser un échange électronique de données sur simple demande, visée à l'alinéa premier, ne porte pas atteinte à la validité des échanges de données existants ou des échanges de données qui seraient réalisés sans une telle demande.]1
Art. 3.13.1.4.2.De diensten, besturen, vennootschappen, verenigingen, instellingen of inrichtingen, vermeld in artikel 3.13.1.4.1, zijn gehouden de gegevens die noodzakelijk zijn om de belastingen, vermeld in deze codex, te bepalen, op elektronische wijze ter beschikking te stellen van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie. De leidend ambtenaar van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie richt daarvoor een eenmalig verzoek aan de diensten, besturen, vennootschappen, verenigingen, instellingen of inrichtingen, vermeld in artikel 3.13.1.4.1, met vermelding van de frequentie en de wijze waarop de gegevens ter beschikking gesteld moeten worden.
Section 2. - Contrôle sur place
Afdeling 2. - Controle ter plaatse
Art. 3.13.2.0.1.Pour la taxe de circulation, la taxe de mise en circulation, l'Eurovignette et le prélèvement kilométrique les membres du personnel compétents surveillent le respect des dispositions du présent code et de ses arrêtés d'exécution afférentes aux véhicules se trouvant sur la voie publique. Ils sont autorisés à demander que tous les documents jugés utiles à l'identification du véhicule ou du bateau, du conducteur ou du détenteur soient produits, aussi bien qu'un autre document, attestant du paiement de la taxe. Ils sont autorisés à enquêter sans aucune assistance dans les garages, hangars et les dépôts et les lieux d'accostage.]1
Art. 3.13.2.0.1. [1 Voor de verkeersbelasting, de belasting op de inverkeerstelling, het eurovignet en de kilometerheffing houden de bevoegde personeelsleden toezicht op de naleving van de bepalingen van deze codex en de uitvoeringsbesluiten ervan met betrekking tot de voertuigen die zich op de openbare weg bevinden. Ze kunnen alle documenten die nuttig zijn voor de identificatie van het voertuig of vaartuig, van de bestuurder of houder doen voorleggen, alsook een ander document dat de betaling van de belasting bewijst. Ze zijn gemachtigd zonder enige bijstand de garages, de hangars en de berg- of aanmeerplaatsen te onderzoeken.]1
[2 Voor de belasting op de spelen en weddenschappen en de belasting op de automatische ontspanningstoestellen houden de bevoegde personeelsleden toezicht op de naleving van de bepalingen van deze codex en de uitvoeringsbesluiten ervan op de plaatsen waar die spelen en weddenschappen plaatsvinden of de automatische ontspanningstoestellen opgesteld zijn.]2
[3 De bevoegde personeelsleden die toezicht houden op de naleving van de bepalingen van deze codex en de uitvoeringsbesluiten ervan kunnen zich bij een controle ter plaatse alle documenten laten voorleggen die nuttig zijn voor de identificatie van de personen die aan de controle onderworpen zijn.]3
[2 Voor de belasting op de spelen en weddenschappen en de belasting op de automatische ontspanningstoestellen houden de bevoegde personeelsleden toezicht op de naleving van de bepalingen van deze codex en de uitvoeringsbesluiten ervan op de plaatsen waar die spelen en weddenschappen plaatsvinden of de automatische ontspanningstoestellen opgesteld zijn.]2
[3 De bevoegde personeelsleden die toezicht houden op de naleving van de bepalingen van deze codex en de uitvoeringsbesluiten ervan kunnen zich bij een controle ter plaatse alle documenten laten voorleggen die nuttig zijn voor de identificatie van de personen die aan de controle onderworpen zijn.]3
Art. 3.13.2.0.2. Dans le cadre de l'exercice de leur mission les fonctionnaires compétents peuvent :
1° donner des injonctions à des conducteurs et régler la circulation, conformément à l'article 11 de la loi du 16 mars 1968 relative à la police de la circulation routière;
2° recueillir des informations et exercer du contrôle en interrogeant des personnes et en consultant des documents et d'autres supports d'information;
3° demander l'assistance de la police locale et fédérale lors de l'exécution de contrôles et s'identifient lors de l'exercice de leur fonction en montrant leur carte de légitimation.
[1 4° procéder à des constatations à l'aide de caméras fixes et mobiles avec reconnaissance automatique des plaques d'immatriculation. ]1
1° donner des injonctions à des conducteurs et régler la circulation, conformément à l'article 11 de la loi du 16 mars 1968 relative à la police de la circulation routière;
2° recueillir des informations et exercer du contrôle en interrogeant des personnes et en consultant des documents et d'autres supports d'information;
3° demander l'assistance de la police locale et fédérale lors de l'exécution de contrôles et s'identifient lors de l'exercice de leur fonction en montrant leur carte de légitimation.
[1 4° procéder à des constatations à l'aide de caméras fixes et mobiles avec reconnaissance automatique des plaques d'immatriculation. ]1
Art. 3.13.2.0.2. In het kader van de uitoefening van hun opdracht kunnen de bevoegde personeelsleden :
1° bevelen geven aan bestuurders en het verkeer regelen als vermeld in artikel 11 van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer;
2° inlichtingen inwinnen en controle uitoefenen door personen te ondervragen en documenten en andere informatiedragers in te kijken;
3° de bijstand vorderen van de lokale en federale politie bij de uitoefening van controles waarbij ze zich tijdens de uitoefening van hun ambt desgevraagd kenbaar maken door hun legitimatiebewijs voor te leggen.
[1 4° vaststellingen doen aan de hand van vaste en mobiele camera's met automatische nummerplaatherkenning.]1
1° bevelen geven aan bestuurders en het verkeer regelen als vermeld in artikel 11 van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer;
2° inlichtingen inwinnen en controle uitoefenen door personen te ondervragen en documenten en andere informatiedragers in te kijken;
3° de bijstand vorderen van de lokale en federale politie bij de uitoefening van controles waarbij ze zich tijdens de uitoefening van hun ambt desgevraagd kenbaar maken door hun legitimatiebewijs voor te leggen.
[1 4° vaststellingen doen aan de hand van vaste en mobiele camera's met automatische nummerplaatherkenning.]1
Art. 3.13.2.0.3. Sans préjudice des compétences confiées aux autres officiers ou agents de la police judiciaire et aux membres du cadre opérationnel de la police locale et fédérale, les membres du personnel compétents exerçant le contrôle sur l'exécution des dispositions du présent code et de sis arrêtés d'exécution ont la qualité d'agent ou d'officier de la police judiciaire.
Art. 3.13.2.0.3. Met behoud van de bevoegdheden die toevertrouwd worden aan de andere officieren of agenten van gerechtelijke politie en aan de leden van het operationele kader van de lokale en de federale politie, hebben de bevoegde personeelsleden die toezicht houden op de uitvoering van de bepalingen van deze codex en de uitvoeringsbesluiten ervan, de hoedanigheid van agent of officier van de gerechtelijke politie.
Art. 3.13.2.0.4. § 1er. [1 Si le non-paiement de la taxe de circulation, de la taxe de mise en circulation, de l'Eurovignette ou [3 des amendes administratives qui sont imposées suite aux contraventions de la réglementation en matière]3 du prélèvement kilométrique [4 , y compris les amendes administratives relatives au prélèvement kilométrique qui sont imposées pour les infractions commises antérieurement, mais qui n'ont pas pu être notifiées plus tôt au contrevenant suite au non-respect de ses obligations,]4 est constaté sur la voie publique, le conducteur du véhicule soumis à une de ces taxes, acquitte [3 immédiatement]3 [3 la taxe non payée et les accessoires dues pour le véhicule inspecté]3, entre les mains du membre du personnel compétent, visé à l'article 3.13.2.0.3, au moment de la constatation de l'infraction.]1
[3 [4 Si le véhicule inspecté ou la plaque d'immatriculation inspectée est immatriculé(e) au nom du conducteur ou au nom de son conjoint, de son cohabitant légal, de l'un de ses parents ou de son enfant,]4 le conducteur paie immédiatement au membre du personnel compétent visé à l'article 3.13.2.0.3 toutes les taxes et accessoires dus au titre de la taxe de circulation, de la taxe de circulation, de l'Eurovignette ou de l'amende administrative et du prélèvement kilométrique payables par le titulaire de la plaque au moment de l'infraction.]3
§ 2. A défaut de paiement des sommes, visées au paragraphe 1er, au moment de la constatation de cette infraction, le véhicule est retenu par le membre du personnel compétent, visé à l'article 3.13.2.0.3, jusqu'au paiement des sommes dues.
Dans ce cas, le membre du personnel compétent, visé à l'article 3.13.2.0.3, alinéa premier, établit un [2 rapport de constatation]2 de retenue.
La retenue, citée dans l'alinéa premier, peut notamment comprendre la retenue des documents de bord, la retenue de la lettre de voiture, le placement d'un sabot, l'enlèvement du véhicule, visé au paragraphe 1er, vers un lieu d'entreposage et le garage du véhicule.
Le véhicule retenu ne peut être ni aliéné, ni déplacé sans l'autorisation du membre du personnel compétent.
§ 3. Si les sommes, visées au paragraphe 1er, ne sont pas payées dans une semaine à partir du jour de la constatation de l'infraction, visée au paragraphe 1er, [5 l'entité compétente de l'administration flamande peut saisir le véhicule retenu et le faire vendre, en établissant un avis de saisie. Un délai d'au moins 30 jours doit s'écouler entre la réception de l'avis de saisie, conformément à l'article 3.13.2.0.6, § 2, alinéa 1er, par le redevable et la vente du véhicule.]5.
Lorsque le redevable conteste [5 l'avis de saisie, il peut, dans un délai de trente jours à compter de la réception de l'avis de saisie, visée à l'article 3.13.2.0.6, § 2, alinéa 1er, former opposition portant assignation de la Région flamande, auprès du]5 juge des saisies de l'endroit où l'entité compétente de l'administration flamande qui doit percevoir la taxe, est établie.[5 Il est statué sur la contestation comme en référé.]5
[5 Le véhicule saisi ne peut être ni aliéné, ni déplacé sans l'autorisation de l'entité compétente de l'administration flamande. ]5.
[5 L'avis de saisie peut]5 reprendre, outre les sommes visées au paragraphe 1er, d'autres dettes non réglées qui concernent les taxes, centimes additionnels, décimes additionnels, intérêts et frais [5 à la charge du redevable]5 qui sont perçus par l'entité compétente de l'administration flamande.
[4 Si le contribuable n'est pas le propriétaire du véhicule faisant l'objet de la saisie[5 ...]5, et qu'un différend survient quant à la propriété, il peut être statué sur la contestation comme en référé par le juge des saisies de l'endroit où l'entité compétente de l'administration flamande chargée de percevoir l'impôt, est établie.]4
§ 4. Le risque et les frais éventuels résultant de la retenue et de la saisie, sont à charge du redevable.
La saisie est abrogée après paiement[5 de toutes les sommes pour lesquelles une saisie a été effectuée et les frais ]5[5 de retenue, de saisie et de vente ]5.
§ 5. [5 Le produit de la vente du véhicule, visé à l'article 1.1.0.0.2, alinéa 3, 1° et 2°, et à l'article 2.2.1.0.1, est imputé selon les règles visées à l'article 3.4.7.0.1. L'excédent éventuel est remboursé au redevable. Le redevable est informé de la destination du produit de la vente du véhicule et, le cas échéant, du solde dû. ]5.
[3 [4 Si le véhicule inspecté ou la plaque d'immatriculation inspectée est immatriculé(e) au nom du conducteur ou au nom de son conjoint, de son cohabitant légal, de l'un de ses parents ou de son enfant,]4 le conducteur paie immédiatement au membre du personnel compétent visé à l'article 3.13.2.0.3 toutes les taxes et accessoires dus au titre de la taxe de circulation, de la taxe de circulation, de l'Eurovignette ou de l'amende administrative et du prélèvement kilométrique payables par le titulaire de la plaque au moment de l'infraction.]3
§ 2. A défaut de paiement des sommes, visées au paragraphe 1er, au moment de la constatation de cette infraction, le véhicule est retenu par le membre du personnel compétent, visé à l'article 3.13.2.0.3, jusqu'au paiement des sommes dues.
Dans ce cas, le membre du personnel compétent, visé à l'article 3.13.2.0.3, alinéa premier, établit un [2 rapport de constatation]2 de retenue.
La retenue, citée dans l'alinéa premier, peut notamment comprendre la retenue des documents de bord, la retenue de la lettre de voiture, le placement d'un sabot, l'enlèvement du véhicule, visé au paragraphe 1er, vers un lieu d'entreposage et le garage du véhicule.
Le véhicule retenu ne peut être ni aliéné, ni déplacé sans l'autorisation du membre du personnel compétent.
§ 3. Si les sommes, visées au paragraphe 1er, ne sont pas payées dans une semaine à partir du jour de la constatation de l'infraction, visée au paragraphe 1er, [5 l'entité compétente de l'administration flamande peut saisir le véhicule retenu et le faire vendre, en établissant un avis de saisie. Un délai d'au moins 30 jours doit s'écouler entre la réception de l'avis de saisie, conformément à l'article 3.13.2.0.6, § 2, alinéa 1er, par le redevable et la vente du véhicule.]5.
Lorsque le redevable conteste [5 l'avis de saisie, il peut, dans un délai de trente jours à compter de la réception de l'avis de saisie, visée à l'article 3.13.2.0.6, § 2, alinéa 1er, former opposition portant assignation de la Région flamande, auprès du]5 juge des saisies de l'endroit où l'entité compétente de l'administration flamande qui doit percevoir la taxe, est établie.[5 Il est statué sur la contestation comme en référé.]5
[5 Le véhicule saisi ne peut être ni aliéné, ni déplacé sans l'autorisation de l'entité compétente de l'administration flamande. ]5.
[5 L'avis de saisie peut]5 reprendre, outre les sommes visées au paragraphe 1er, d'autres dettes non réglées qui concernent les taxes, centimes additionnels, décimes additionnels, intérêts et frais [5 à la charge du redevable]5 qui sont perçus par l'entité compétente de l'administration flamande.
[4 Si le contribuable n'est pas le propriétaire du véhicule faisant l'objet de la saisie[5 ...]5, et qu'un différend survient quant à la propriété, il peut être statué sur la contestation comme en référé par le juge des saisies de l'endroit où l'entité compétente de l'administration flamande chargée de percevoir l'impôt, est établie.]4
§ 4. Le risque et les frais éventuels résultant de la retenue et de la saisie, sont à charge du redevable.
La saisie est abrogée après paiement[5 de toutes les sommes pour lesquelles une saisie a été effectuée et les frais ]5[5 de retenue, de saisie et de vente ]5.
§ 5. [5 Le produit de la vente du véhicule, visé à l'article 1.1.0.0.2, alinéa 3, 1° et 2°, et à l'article 2.2.1.0.1, est imputé selon les règles visées à l'article 3.4.7.0.1. L'excédent éventuel est remboursé au redevable. Le redevable est informé de la destination du produit de la vente du véhicule et, le cas échéant, du solde dû. ]5.
Art. 3.13.2.0.4. § 1. [1 Als de niet-betaling van de verkeersbelasting, de belasting op de inverkeerstelling, het eurovignet of de [3 administratieve geldboetes die worden opgelegd ingevolge overtredingen van de regelgeving inzake de]3 kilometerheffing [4 , met inbegrip van de administratieve geldboetes inzake kilometerheffing die worden opgelegd voor overtredingen die eerder zijn begaan, maar die niet vroeger ter kennis konden worden gebracht aan de overtreder ingevolge de niet-naleving van zijn verplichtingen,]4 wordt vastgesteld op de openbare weg, moet de bestuurder van het voertuig dat aan een van die belastingen onderhevig is, de [3 niet-betaalde belastingen en toebehoren die voor het gecontroleerde voertuig verschuldigd zijn]3 op het ogenblik van de vaststelling van de overtreding [3 dadelijk]3 betalen aan het bevoegde personeelslid, vermeld in artikel 3.13.2.0.3.]1
[3 [4 Als het gecontroleerde voertuig of de gecontroleerde nummerplaat ingeschreven staat op naam van de bestuurder of op naam van zijn echtgenoot, wettelijk samenwonende partner, een van zijn ouders of kind,]4 betaalt de bestuurder alle openstaande belastingen en toebehoren inzake de verkeersbelasting, de belasting op de inverkeerstelling, het eurovignet of de administratieve geldboetes kilometerheffing, die de houder van de nummerplaat verschuldigd is op het ogenblik dat de overtreding wordt vastgesteld, dadelijk aan het bevoegde personeelslid, vermeld in artikel 3.13.2.0.3.]3
§ 2. In geval van niet-betaling van de sommen, vermeld in paragraaf 1, op het ogenblik van de vaststelling van de overtreding, wordt het voertuig door het bevoegde personeelslid, vermeld in artikel 3.13.2.0.3, aangehaald tot de verschuldigde sommen betaald zijn.
Het bevoegde personeelslid, vermeld in artikel 3.13.2.0.3, stelt in het geval, vermeld in het eerste lid, een [2 verslag van vaststelling]2 van aanhaling op.
De aanhaling, vermeld in het eerste lid, kan onder meer bestaan uit het inhouden van de boorddocumenten, het inhouden van de vrachtbrief, het plaatsen van een wielklem, het wegtakelen van het voertuig, vermeld in paragraaf 1, naar een stallingplaats en het stallen van het voertuig.
Het aangehaalde voertuig mag niet worden vervreemd noch worden verplaatst zonder toestemming van het bevoegde personeelslid.
§ 3. Als de sommen, vermeld in paragraaf 1, niet betaald zijn binnen een week na de dag van de vaststelling van de overtreding, vermeld in paragraaf 1, [5 kan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het aangehaalde voertuig in beslag nemen en tot de verkoop ervan laten overgaan, waarbij ze een bericht van inbeslagneming opstelt. Er verstrijken minstens dertig dagen tussen de ontvangst van het bericht van inbeslagneming, conform artikel 3.13.2.0.6, § 2, eerste lid, door de belastingschuldige en de verkoop van het voertuig.]5.
Als de belastingschuldige [5 het bericht van inbeslagneming]5 betwist [5 kan hij binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van het bericht van inbeslagneming, vermeld in artikel 3.13.2.0.6, § 2, eerste lid, verzet aantekenen, houdende dagvaarding van het Vlaamse Gewest, bij]5 de beslagrechter van de plaats waar de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie die de belasting moet innen, is gevestigd.[5 Over deze betwisting wordt uitspraak gedaan zoals in kortgeding.]5
[5 Het inbeslaggenomen voertuig mag niet worden vervreemd en mag evenmin worden verplaatst zonder toestemming van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie]5.
In het [5 bericht van inbeslagneming]5 kunnen naast de sommen, vermeld in paragraaf 1, andere openstaande schulden worden opgenomen die betrekking hebben op de belastingen, opcentiemen, opdeciem, interesten en kosten [5 ten laste van de belastingschuldige]5 die door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie worden geïnd.
[4 Als de belastingschuldige niet de eigenaar is van het voertuig dat het voorwerp uitmaakt van het [5 ...]5 beslag, en over de eigendom een geschil ontstaat, kan er over de betwisting uitspraak gedaan worden, zoals in kortgeding door de beslagrechter van de plaats waar de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie die de belasting moet innen is gevestigd.]4
§ 4. Het risico en de eventuele kosten die voortvloeien uit de aanhaling en het beslag, zijn ten laste van de belastingschuldige.
Het beslag wordt na betaling van alle sommen [5 waarvoor beslag werd gelegd en de]5 kosten [5 van aanhaling, inbeslagneming en verkoop]5, opgeheven.
§ 5. [5 De opbrengst van de verkoop van het voertuig, vermeld in artikel 1.1.0.0.2, derde lid, 1° en 2°, en artikel 2.2.1.0.1 wordt aangerekend volgens de regels, vermeld in artikel 3.4.7.0.1. Het eventuele overschot wordt aan de belastingschuldige terugbetaald. De belastingschuldige wordt op de hoogte gebracht van de bestemming van de opbrengst van de verkoop van het voertuig en in voorkomend geval van het saldo dat hij nog verschuldigd is.]5
[3 [4 Als het gecontroleerde voertuig of de gecontroleerde nummerplaat ingeschreven staat op naam van de bestuurder of op naam van zijn echtgenoot, wettelijk samenwonende partner, een van zijn ouders of kind,]4 betaalt de bestuurder alle openstaande belastingen en toebehoren inzake de verkeersbelasting, de belasting op de inverkeerstelling, het eurovignet of de administratieve geldboetes kilometerheffing, die de houder van de nummerplaat verschuldigd is op het ogenblik dat de overtreding wordt vastgesteld, dadelijk aan het bevoegde personeelslid, vermeld in artikel 3.13.2.0.3.]3
§ 2. In geval van niet-betaling van de sommen, vermeld in paragraaf 1, op het ogenblik van de vaststelling van de overtreding, wordt het voertuig door het bevoegde personeelslid, vermeld in artikel 3.13.2.0.3, aangehaald tot de verschuldigde sommen betaald zijn.
Het bevoegde personeelslid, vermeld in artikel 3.13.2.0.3, stelt in het geval, vermeld in het eerste lid, een [2 verslag van vaststelling]2 van aanhaling op.
De aanhaling, vermeld in het eerste lid, kan onder meer bestaan uit het inhouden van de boorddocumenten, het inhouden van de vrachtbrief, het plaatsen van een wielklem, het wegtakelen van het voertuig, vermeld in paragraaf 1, naar een stallingplaats en het stallen van het voertuig.
Het aangehaalde voertuig mag niet worden vervreemd noch worden verplaatst zonder toestemming van het bevoegde personeelslid.
§ 3. Als de sommen, vermeld in paragraaf 1, niet betaald zijn binnen een week na de dag van de vaststelling van de overtreding, vermeld in paragraaf 1, [5 kan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het aangehaalde voertuig in beslag nemen en tot de verkoop ervan laten overgaan, waarbij ze een bericht van inbeslagneming opstelt. Er verstrijken minstens dertig dagen tussen de ontvangst van het bericht van inbeslagneming, conform artikel 3.13.2.0.6, § 2, eerste lid, door de belastingschuldige en de verkoop van het voertuig.]5.
Als de belastingschuldige [5 het bericht van inbeslagneming]5 betwist [5 kan hij binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van het bericht van inbeslagneming, vermeld in artikel 3.13.2.0.6, § 2, eerste lid, verzet aantekenen, houdende dagvaarding van het Vlaamse Gewest, bij]5 de beslagrechter van de plaats waar de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie die de belasting moet innen, is gevestigd.[5 Over deze betwisting wordt uitspraak gedaan zoals in kortgeding.]5
[5 Het inbeslaggenomen voertuig mag niet worden vervreemd en mag evenmin worden verplaatst zonder toestemming van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie]5.
In het [5 bericht van inbeslagneming]5 kunnen naast de sommen, vermeld in paragraaf 1, andere openstaande schulden worden opgenomen die betrekking hebben op de belastingen, opcentiemen, opdeciem, interesten en kosten [5 ten laste van de belastingschuldige]5 die door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie worden geïnd.
[4 Als de belastingschuldige niet de eigenaar is van het voertuig dat het voorwerp uitmaakt van het [5 ...]5 beslag, en over de eigendom een geschil ontstaat, kan er over de betwisting uitspraak gedaan worden, zoals in kortgeding door de beslagrechter van de plaats waar de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie die de belasting moet innen is gevestigd.]4
§ 4. Het risico en de eventuele kosten die voortvloeien uit de aanhaling en het beslag, zijn ten laste van de belastingschuldige.
Het beslag wordt na betaling van alle sommen [5 waarvoor beslag werd gelegd en de]5 kosten [5 van aanhaling, inbeslagneming en verkoop]5, opgeheven.
§ 5. [5 De opbrengst van de verkoop van het voertuig, vermeld in artikel 1.1.0.0.2, derde lid, 1° en 2°, en artikel 2.2.1.0.1 wordt aangerekend volgens de regels, vermeld in artikel 3.4.7.0.1. Het eventuele overschot wordt aan de belastingschuldige terugbetaald. De belastingschuldige wordt op de hoogte gebracht van de bestemming van de opbrengst van de verkoop van het voertuig en in voorkomend geval van het saldo dat hij nog verschuldigd is.]5
Art. 3.13.2.0.5. [1 Si une infraction aux dispositions du présent code relatives à la taxe de circulation, à la taxe de mise en circulation, à l'Eurovignette ou au prélèvement kilométrique est constatée, un procès-verbal sera dressé par le membre du personnel compétent, cité dans l'article 3.13.2.0.3. Le [2 rapport de constatation]2 mentionne au moins l'infraction, ainsi que les éléments qui doivent permettre l'identification du contrevenant.[3 Le rapport de constatation d'une infraction aux dispositions relatives au prélèvement kilométrique mentionne au moins le montant de l'amende administrative, la nature, la date et l'heure de l'infraction commise, la référence aux articles qui n'ont pas été respectés, le nom et l'adresse de l'entité compétente de l'administration flamande auprès de laquelle des informations sur l'infraction et l'amende peuvent être obtenues et le recours administratif qui peut être introduit ainsi que le délai, de même que les éléments qui doivent permettre d'identifier le détenteur ou le conducteur du véhicule.]3]1
Après l'établissement des [2 rapports de constatation]2, visés à l'alinéa premier, une copie est transmise au contrevenant dans les quinze jours suivant la constatation de l'infraction, sous peine d'échéance de la force probante particulière du [2 rapport de constatation]2.[3 Après l'établissement d'un rapport de constatation, visé à l'alinéa 1er, concernant le prélèvement kilométrique, une copie de ce rapport est remise au détenteur du véhicule ou au conducteur du véhicule concerné dans la langue du certificat d'immatriculation, si elle est disponible, et en tout cas dans une langue officielle de l'Etat membre d'immatriculation du véhicule, dans les 15 jours suivant la constatation de l'infraction, sous peine de déchéance de la force probante particulière du rapport de constatation.]3
Les [2 rapports de constatation]2, visés à l'alinéa premier, établis par le membre du personnel compétent, visé à l'article 3.13.2.0.3, fait foie en justice jusqu'à ce que la fausseté en soit prouvée.
[1 Si le contrevenant ne peut pas être identifié au jour du constat de l'infraction, le délai de quinze jours, visé à l'alinéa deux, prend cours le jour après le jour auquel le membre du personnel compétent, visé à l'article 3.13.2.0.3, a pu identifier le contrevenant avec certitude.]1
[2 Si concomitamment avec les infractions, telles que visées à l'article premier, une infraction pénale est constatée en même temps, la constatation de cette infraction est enregistrée dans un procès-verbal.]2
Après l'établissement des [2 rapports de constatation]2, visés à l'alinéa premier, une copie est transmise au contrevenant dans les quinze jours suivant la constatation de l'infraction, sous peine d'échéance de la force probante particulière du [2 rapport de constatation]2.[3 Après l'établissement d'un rapport de constatation, visé à l'alinéa 1er, concernant le prélèvement kilométrique, une copie de ce rapport est remise au détenteur du véhicule ou au conducteur du véhicule concerné dans la langue du certificat d'immatriculation, si elle est disponible, et en tout cas dans une langue officielle de l'Etat membre d'immatriculation du véhicule, dans les 15 jours suivant la constatation de l'infraction, sous peine de déchéance de la force probante particulière du rapport de constatation.]3
Les [2 rapports de constatation]2, visés à l'alinéa premier, établis par le membre du personnel compétent, visé à l'article 3.13.2.0.3, fait foie en justice jusqu'à ce que la fausseté en soit prouvée.
[1 Si le contrevenant ne peut pas être identifié au jour du constat de l'infraction, le délai de quinze jours, visé à l'alinéa deux, prend cours le jour après le jour auquel le membre du personnel compétent, visé à l'article 3.13.2.0.3, a pu identifier le contrevenant avec certitude.]1
[2 Si concomitamment avec les infractions, telles que visées à l'article premier, une infraction pénale est constatée en même temps, la constatation de cette infraction est enregistrée dans un procès-verbal.]2
Art. 3.13.2.0.5. [1 Als een overtreding van de bepalingen van deze codex [2 ...]2 wordt geconstateerd, zal een proces-verbaal worden opgemaakt door het bevoegde personeelslid, vermeld in artikel 3.13.2.0.3. Het [2 verslag van vaststelling]2 vermeldt minstens de overtreding alsook de elementen die moeten toelaten de overtreder te identificeren.]1 [3 Het verslag van vaststelling voor een overtreding van de bepalingen met betrekking tot de kilometerheffing vermeldt minstens het bedrag van de administratieve boete, de aard, de datum en het uur van de gepleegde overtreding, de verwijzing naar de artikelen die werden miskend, de naam en het adres van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie bij wie informatie over de inbreuk en de boete kan worden verkregen en het administratief beroep dat kan worden ingesteld samen met de termijn, alsook de elementen die moeten toelaten de houder of de bestuurder van het voertuig te identificeren.]3
Na het opstellen van de [2 verslagen van vaststelling]2, vermeld in het eerste lid, wordt een afschrift ervan aan de overtreder afgeleverd binnen vijftien dagen na de vaststelling van de overtreding, op straffe van verval van de bijzondere bewijswaarde van het [2 verslag van vaststelling]2.[3 Na het opstellen van een verslag van vaststelling als vermeld in het eerste lid, met betrekking tot de kilometerheffing, wordt een afschrift ervan aan de houder van het voertuig of aan de bestuurder van het betrokken voertuig afgeleverd in de taal van het kentekenbewijs, als dat beschikbaar is, en in ieder geval in een officiële taal van de lidstaat van inschrijving van het voertuig, binnen vijftien dagen na de vaststelling van de overtreding, op straffe van verval van de bijzondere bewijswaarde van het verslag van vaststelling.]3
De [2 verslagen van vaststelling]2, vermeld in het eerste lid, opgemaakt door het bevoegde personeelslid, vermeld in artikel 3.13.2.0.3, verdienen het volle geloof in rechten totdat de valsheid ervan bewezen is.
[1 Als de overtreder niet kan worden geïdentificeerd op de dag van de vaststelling van de overtreding begint de termijn van vijftien dagen, vermeld in het tweede lid, te lopen na de dag waarop het bevoegde personeelslid, vermeld in artikel 3.13.2.0.3, de overtreder met zekerheid kon identificeren.]1
[2 Als in samenhang met de overtredingen, vermeld in het eerste lid, tegelijkertijd een strafrechtelijk misdrijf wordt vastgesteld, wordt de vaststelling van dat misdrijf, opgenomen in een proces-verbaal.]2
Na het opstellen van de [2 verslagen van vaststelling]2, vermeld in het eerste lid, wordt een afschrift ervan aan de overtreder afgeleverd binnen vijftien dagen na de vaststelling van de overtreding, op straffe van verval van de bijzondere bewijswaarde van het [2 verslag van vaststelling]2.[3 Na het opstellen van een verslag van vaststelling als vermeld in het eerste lid, met betrekking tot de kilometerheffing, wordt een afschrift ervan aan de houder van het voertuig of aan de bestuurder van het betrokken voertuig afgeleverd in de taal van het kentekenbewijs, als dat beschikbaar is, en in ieder geval in een officiële taal van de lidstaat van inschrijving van het voertuig, binnen vijftien dagen na de vaststelling van de overtreding, op straffe van verval van de bijzondere bewijswaarde van het verslag van vaststelling.]3
De [2 verslagen van vaststelling]2, vermeld in het eerste lid, opgemaakt door het bevoegde personeelslid, vermeld in artikel 3.13.2.0.3, verdienen het volle geloof in rechten totdat de valsheid ervan bewezen is.
[1 Als de overtreder niet kan worden geïdentificeerd op de dag van de vaststelling van de overtreding begint de termijn van vijftien dagen, vermeld in het tweede lid, te lopen na de dag waarop het bevoegde personeelslid, vermeld in artikel 3.13.2.0.3, de overtreder met zekerheid kon identificeren.]1
[2 Als in samenhang met de overtredingen, vermeld in het eerste lid, tegelijkertijd een strafrechtelijk misdrijf wordt vastgesteld, wordt de vaststelling van dat misdrijf, opgenomen in een proces-verbaal.]2
Art. 3.13.2.0.6. [1 § 1er. L'avis de saisie, établi conformément à l'article 3.13.2.0.4, § 3, alinéa 1er, comprend au moins :
1° une référence au rapport de constatation de retenue, visé à l'article 3.13.2.0.4, § 2, alinéa 2 ;
2° les causes de l'avis de saisie ;
3° les éléments permettant d'identifier le véhicule et de localiser son lieu d'entreposage.
§ 2. L'avis de saisie est envoyé à l'adresse du redevable et est réputé avoir été reçu par lui le troisième jour ouvrable suivant son envoi.
Le redevable transmet immédiatement l'avis de saisie au propriétaire du véhicule.
§ 3. L'avis de saisie, visé au paragraphe 1, établi par l'entité compétente de l'administration flamande, fait foi en justice jusqu'à ce que la fausseté en soit prouvée.]1
1° une référence au rapport de constatation de retenue, visé à l'article 3.13.2.0.4, § 2, alinéa 2 ;
2° les causes de l'avis de saisie ;
3° les éléments permettant d'identifier le véhicule et de localiser son lieu d'entreposage.
§ 2. L'avis de saisie est envoyé à l'adresse du redevable et est réputé avoir été reçu par lui le troisième jour ouvrable suivant son envoi.
Le redevable transmet immédiatement l'avis de saisie au propriétaire du véhicule.
§ 3. L'avis de saisie, visé au paragraphe 1, établi par l'entité compétente de l'administration flamande, fait foi en justice jusqu'à ce que la fausseté en soit prouvée.]1
Art. 3.13.2.0.6. [1§ 1. Het bericht van inbeslagneming, opgemaakt ingevolge artikel 3.13.2.0.4, § 3, eerste lid, bevat minstens:
Chapitre 14. - Prescription
Hoofdstuk 14. - Verjaring
Section 1re. - Délai
Afdeling 1. - Termijn
Art. 3.14.1.0.1.Les impôts, cités dans le présent code, se prescrivent après écoulement de cinq ans à partir de la date à laquelle ils doivent être payés [1 ...]1.
Art. 3.14.1.0.1. De belastingen, vermeld in deze codex, verjaren na verloop van vijf jaar vanaf de datum waarop ze betaald moeten zijn [1 ...]1.
Art. 3.14.1.0.2.
Section 2. - Interruption
Afdeling 2. - Stuiting
Art. 3.14.2.0.1.Le délai, cité dans l'article 3.14.1.0.1, peut être interrompu de la façon, citée dans les articles 2244 à 2250 inclus du code civil,[1 par l'envoi par lettre recommandée de toute sommation de paiement dans laquelle les données de la créance sont inclues de manière complète et non équivoque, ]1 ou en abandonnant le délai écoulé de la prescription. En cas d'interruption de la prescription, une nouvelle prescription commence, qui peut être interrompue de la même façon après cinq ans après le dernier acte ou procédure ayant interrompu la prescription précédente, si aucune action en justice n'est en instance.
Art. 3.14.2.0.1.De termijn, vermeld in artikel 3.14.1.0.1, kan worden gestuit op de wijze, vermeld in artikel 2244 tot en met artikel 2250 van het Burgerlijk Wetboek, [1 door de verzending met een aangetekende brief van elke aanmaning tot betaling waarin de gegevens van de schuldvordering volledig en ondubbelzinnig zijn opgenomen,]1 of door afstand te doen van de termijn die verlopen is op de verjaring. In geval van stuiting van de verjaring treedt een nieuwe verjaring in, die op dezelfde wijze kan worden gestuit na verloop van vijf jaar na de laatste akte of handeling waardoor de vorige verjaring is gestuit, als geen geding voor het gerecht aanhangig is.
Section 3. . - Suspension
Afdeling 3. - Schorsing
Art. 3.14.3.0.1.Toute action en justice relative à [2 l'établissement, la perception ou au recouvrement]2 des impôts, cités dans le présent code, instaurée par la Région flamande, par le débiteur des impôts ou par toute autre personne qui est tenue de payer la dette en application du présent code, des arrêtés pris en son exécution ou d'un droit commun, suspend la prescription.
Art. 3.14.3.0.1. Elk rechtsgeding met betrekking tot [2 de vestiging, de inning of de invordering]2 van de belastingen, vermeld in deze codex, dat wordt ingesteld door het Vlaamse Gewest, door de schuldenaar van de belastingen of door iedere andere persoon die gehouden is tot de betaling van de schuld met toepassing van deze codex, van de besluiten die genomen zijn ter uitvoering ervan, of van het gemeen recht, schorst de verjaring.
Het bezwaar en de aanvraag tot ontheffing, vermeld in artikel 3.6.0.0.1, [1 artikel 3.6.0.0.4 en artikel 3.6.0.0.6,]1 schorsen de verjaring ook.
Het bezwaar en de aanvraag tot ontheffing, vermeld in artikel 3.6.0.0.1, [1 artikel 3.6.0.0.4 en artikel 3.6.0.0.6,]1 schorsen de verjaring ook.
Art. 3.14.3.0.2. Dans le cas, cité dans l'article 3.14.3.0.1, alinéa premier, la suspension commence par l'introduction de la requête et prend fin quand la décision juridique est coulée en force de chose jugée.
Dans le cas, cité dans l'article 3.14.3.0.1, alinéa deux, la suspension commence par la demande de l'interjection de l'appel administratif. Elle prend fin :
1° si le contribuable a instauré une demande en justice, au jour où la décision juridique est coulée en force de chose jugée;
2° dans les autres cas, après écoulement du délai dont le contribuable dispose pour former un recours contre la décision administrative.
Dans le cas, cité dans l'article 3.14.3.0.1, alinéa deux, la suspension commence par la demande de l'interjection de l'appel administratif. Elle prend fin :
1° si le contribuable a instauré une demande en justice, au jour où la décision juridique est coulée en force de chose jugée;
2° dans les autres cas, après écoulement du délai dont le contribuable dispose pour former un recours contre la décision administrative.
Art. 3.14.3.0.2. In het geval, vermeld in artikel 3.14.3.0.1, eerste lid, vangt de schorsing aan met de inleidende vordering en eindigt als de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.
In het geval, vermeld in artikel 3.14.3.0.1, tweede lid, vangt de schorsing aan met het verzoek waarbij het administratief beroep wordt ingeleid. Ze eindigt :
1° als de belastingplichtige een rechtsvordering heeft ingesteld, op de dag dat de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan;
2° in de andere gevallen, na verloop van de termijn die voor de belastingplichtige openstaat om een beroep in te stellen tegen de administratieve beslissing.
In het geval, vermeld in artikel 3.14.3.0.1, tweede lid, vangt de schorsing aan met het verzoek waarbij het administratief beroep wordt ingeleid. Ze eindigt :
1° als de belastingplichtige een rechtsvordering heeft ingesteld, op de dag dat de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan;
2° in de andere gevallen, na verloop van de termijn die voor de belastingplichtige openstaat om een beroep in te stellen tegen de administratieve beslissing.
Art. 3.14.3.0.3. [1 Tout acte d'instruction ou de poursuite visé à l'article 22 du Titre antérieur du Code d'Instruction Criminelle, concernant les infractions visées aux articles 3.15.3.0.1 à 3.15.3.3.0.4 du présent code, suspend la prescription des impôts y afférents.
La suspension commence au début de l'action pénale et se termine à l'un des moments suivants :
1° lorsque la poursuite pénale est suspendue ;
2° en cas d'abandon de l'action pénale ;
3° lorsque le jugement ou l'arrêt est passé en force de chose jugée pour les infractions visées à l'alinéa premier.]1
La suspension commence au début de l'action pénale et se termine à l'un des moments suivants :
1° lorsque la poursuite pénale est suspendue ;
2° en cas d'abandon de l'action pénale ;
3° lorsque le jugement ou l'arrêt est passé en force de chose jugée pour les infractions visées à l'alinéa premier.]1
Art. 3.14.3.0.3. [1 Elke daad van onderzoek of van vervolging als vermeld in artikel 22 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, betreffende de misdrijven, vermeld in artikel 3.15.3.0.1 tot en met 3.15.3.0.4 van deze codex, schorst de verjaring van de belastingen die erop betrekking hebben.
Chapitre 15. - Poursuite pénale
Hoofdstuk 15. - Strafrechtelijke vervolging
Section 1re. . - Dispositions générales
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Art. 3.15.1.0.1.Conformément à l'article 460 du CIR 92 fédéral [1 et à l'article 94, § 1er, du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales]1, l'action pénale est exercée par le Ministère public.
Art. 3.15.1.0.1. Overeenkomstig artikel 460 van het federale WIB 92 [1 en artikel 94, § 1, van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen]1 wordt de strafvordering uitgeoefend door het Openbaar Ministerie.
Het Openbaar Ministerie kan echter geen vervolgingen instellen, indien het kennis heeft gekregen van de feiten ten gevolge van een klacht of een aangifte van het bevoegd personeelslid dat niet de machtiging had waarvan sprake is in artikel 29, [1 § 2]1, van het Wetboek van Strafvordering.
Het Openbaar Ministerie kan de strafrechtelijk strafbare feiten vervolgen waarvan het tijdens het in artikel 29, [1 § 3]1, van het Wetboek van Strafvordering bedoelde overleg kennis heeft genomen.
Het Openbaar Ministerie kan echter geen vervolgingen instellen, indien het kennis heeft gekregen van de feiten ten gevolge van een klacht of een aangifte van het bevoegd personeelslid dat niet de machtiging had waarvan sprake is in artikel 29, [1 § 2]1, van het Wetboek van Strafvordering.
Het Openbaar Ministerie kan de strafrechtelijk strafbare feiten vervolgen waarvan het tijdens het in artikel 29, [1 § 3]1, van het Wetboek van Strafvordering bedoelde overleg kennis heeft genomen.
Art. 3.15.1.0.2. § 1er. Conformément à l'article 461du CIR 92 fédéral, et sans préjudice de la concertation visée à l'article 29, [1 § 3]1, du Code de Procédure pénale, le procureur du Roi peut, s'il instaure une poursuite pour des faits punissables par droit pénal suite aux dispositions du présent code ou des arrêtés pris en son exécution, demander l'avis du membre du personnel compétent. Le procureur du Roi joint les faits dont il dispose à sa demande d'avis. Le membre du personnel compétent répond à cette demande dans les quatre mois après sa réception.
En aucun cas, la demande d'avis ne suspend l'action pénale.
§ 2. Conformément à l'article 462 du CIR 92 fédéral et dans le cadre de la de la concertation visée à l'article 29, [1 §§ 2 et 3]1, du Code de Procédure pénale, le membre du personnel compétent communique les données du dossier fiscal relatives aux faits punissables par droit pénal suite aux dispositions du présent code ou des arrêtés pris en son exécution, au Ministère public.
En aucun cas, la demande d'avis ne suspend l'action pénale.
§ 2. Conformément à l'article 462 du CIR 92 fédéral et dans le cadre de la de la concertation visée à l'article 29, [1 §§ 2 et 3]1, du Code de Procédure pénale, le membre du personnel compétent communique les données du dossier fiscal relatives aux faits punissables par droit pénal suite aux dispositions du présent code ou des arrêtés pris en son exécution, au Ministère public.
Art. 3.15.1.0.2.§ 1. Overeenkomstig artikel 461 van het federale WIB 92 en onverminderd het in artikel 29, [1 § 3]1, van het Wetboek van Strafvordering bedoelde overleg kan de procureur des Konings, indien hij een vervolging instelt wegens feiten die strafrechtelijk strafbaar zijn ingevolge de bepalingen van deze codex of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten, het advies vragen van het bevoegde personeelslid. De procureur des Konings voegt het feitenmateriaal waarover hij beschikt bij zijn verzoek om advies. Het bevoegde personeelslid antwoordt op dit verzoek binnen vier maanden na de ontvangst ervan.
Section 2. . - Détection d'infractions
Afdeling 2. - Opsporing van inbreuken
Art. 3.15.2.0.1. Réservé pour un usage futur
Art. 3.15.2.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.
Section 3. - Sanctions pénales
Afdeling 3. - Strafrechtelijke sancties
Art. 3.15.3.0.1.Une personne qui, directement ou indirectement, contrevient à l'interdiction ou à la fermeture, décidée en application de l'article 3.15.3.0.6, est punie d'un emprisonnement du huit jours à deux ans et d'une amende de 250 euros à [1 500.000]1 euros ou par une de ces punitions.
Art. 3.15.3.0.1. Een persoon die met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden de bepalingen van deze codex of van de besluiten die genomen zijn ter uitvoering ervan, overtreedt, wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar en met een geldboete van 250 euro tot [1 500.000]1 euro of met een van die straffen alleen.
Art. 3.15.3.0.2. Une personne est punie d'un emprisonnement du huit jours à deux ans et d'une amende de 250 euros à [1 500.000]1 euros ou par une de ces punitions si elle, dans le but de commettre un des délits, cités dans l'article 3.15.3.0.1, falsifie des écritures publiques, des écritures commerciales ou des écritures privées, ou si elle utilise une attestation falsifiée d'une telle manière.
Une personne qui, volontairement ou sciemment, falsifie une attestation pouvant mettre en péril les intérêts de la Région flamande ou qui utilise une telle attestation falsifiée, est punie d'un emprisonnement du huit jours à deux ans et d'une amende de 250 euros à [1 500.000]1 euros ou par une de ces punitions.
Une personne qui, volontairement ou sciemment, falsifie une attestation pouvant mettre en péril les intérêts de la Région flamande ou qui utilise une telle attestation falsifiée, est punie d'un emprisonnement du huit jours à deux ans et d'une amende de 250 euros à [1 500.000]1 euros ou par une de ces punitions.
Art. 3.15.3.0.2. Een persoon wordt gestraft met een gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en met een geldboete van 250 euro tot [1 500.000]1 of met een van die straffen alleen als hij, met het oogmerk om een van de misdrijven, vermeld in artikel 3.15.3.0.1, te plegen, in openbare geschriften, in handelsgeschriften of in private geschriften valsheid pleegt, of als hij gebruikmaakt van een geschrift dat op die manier vervalst is.
Een persoon die willens en wetens een vals getuigschrift opstelt dat de belangen van het Vlaamse Gewest kan schaden of die van een dergelijk getuigschrift gebruikmaakt, wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar en met een geldboete van 250 euro tot [1 500.000]1 euro of met een van die straffen alleen.
Een persoon die willens en wetens een vals getuigschrift opstelt dat de belangen van het Vlaamse Gewest kan schaden of die van een dergelijk getuigschrift gebruikmaakt, wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar en met een geldboete van 250 euro tot [1 500.000]1 euro of met een van die straffen alleen.
Art. 3.15.3.0.3. Une personne qui délivre un faux témoignage, qui en tant qu'interprète ou expert dépose une fausse déclaration, ou qui tente un ou plusieurs témoins, experts ou interprètes dans un des cas d'information autorisé en application des articles 3.5.4.0.1, 3.5.8.0.1, 3.13.1.3.1 et 3.13.1.3.5, est punie conformément aux dispositions des articles 220 à 224 inclus du Code pénal.
Art. 3.15.3.0.3. Een persoon die een valse getuigenis aflegt, die als tolk of als deskundige een valse verklaring aflegt, of die een of meer getuigen, deskundigen of tolken in een van de informatiegevallen die toegelaten zijn met toepassing van artikel 3.5.4.0.1, 3.5.8.0.1, 3.13.1.3.1 en 3.13.1.3.5, verleidt, wordt gestraft overeenkomstig de bepalingen van artikel 220 tot en met 224 van het Strafwetboek.
Art. 3.15.3.0.4. La non apparition ou le refus de témoigner lors des enquêtes, autorisé en application des articles 3.5.4.0.1, 3.5.8.0.1, 3.13.1.3.1 et 3.13.1.3.5 sont punis d'un emprisonnement du huit jours à deux ans et d'une amende de 125 euros à [1 500.000]1 ou par une de ces punitions.
Art. 3.15.3.0.4. De niet-verschijning of de weigering om te getuigen in de onderzoeken die toegelaten zijn met toepassing van artikel 3.5.4.0.1, 3.5.8.0.1, 3.13.1.3.1 en 3.13.1.3.5, wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met een geldboete van 125 euro tot [1 500.000]1 euro of met een van die straffen alleen.
Art. 3.15.3.0.5. La violation du secret professionnel, citée dans l'article 3.19.0.0.2, est punie conformément à l'article 458 du code pénal.
Art. 3.15.3.0.5. De schending van het beroepsgeheim, vermeld in artikel 3.19.0.0.2, wordt gestraft conform artikel 458 van het Strafwetboek.
Art. 3.15.3.0.6. § 1er. Si le professionnel dans une des professions suivantes ou dans une autre profession ayant pour but de tenir ou d'aider à tenir la comptabilité d'un ou plusieurs contribuables, soit pour leur propre compte, soit en tant que chef, membre ou employé d'une société, d'une association, d'un groupement ou d'une entreprise ou, plus en général, dans une profession qui consiste à conseiller un ou plusieurs contribuables ou de les aider à respecter les obligations imposées par le présent code ou par les arrêtés pris en exécution de ce dernier, est condamné pour un des délits, cités dans les articles 3.15.3.0.1 à 3.15.3.0.5 inclus, le jugement peut lui imposer l'interdiction d'exercer, pendant trois mois jusqu'à cinq ans, directement ou indirectement, les mêmes professions de quelque manière que cela soit :
1° conseiller comptable;
2° représentant;
3° expert en affaires comptables ou en comptabilité.
Le juge peut en outre, s'il motive sa décision en cette matière, ordonner la fermeture, pour une période de trois mois jusqu'à cinq ans, des établissements de la société, association, groupement ou entreprise dont le condamné est chef, membre ou employé.
§ 2. L'interdiction et la fermeture, citées dans le paragraphe 1er, entre en vigueur à partir du jour auquel la condamnation est coulée en chose de force jugée.
1° conseiller comptable;
2° représentant;
3° expert en affaires comptables ou en comptabilité.
Le juge peut en outre, s'il motive sa décision en cette matière, ordonner la fermeture, pour une période de trois mois jusqu'à cinq ans, des établissements de la société, association, groupement ou entreprise dont le condamné est chef, membre ou employé.
§ 2. L'interdiction et la fermeture, citées dans le paragraphe 1er, entre en vigueur à partir du jour auquel la condamnation est coulée en chose de force jugée.
Art. 3.15.3.0.6. § 1. Als de beoefenaar van een van de volgende beroepen of van een ander beroep dat tot doel heeft voor een of meer belastingplichtigen boek te houden of te helpen houden, ofwel voor eigen rekening ofwel als hoofd, lid of bediende van een vennootschap, vereniging, groepering of onderneming of, meer in het algemeen, het beroep dat erin bestaat een of meer belastingplichtigen raad te geven of bij te staan bij het vervullen van de verplichtingen, opgelegd bij deze codex of bij de besluiten die vastgesteld zijn ter uitvoering ervan, wordt veroordeeld wegens een van de misdrijven, vermeld in artikel 3.15.3.0.1 tot en met 3.15.3.0.5, kan het vonnis hem het verbod opleggen om gedurende drie maanden tot vijf jaar, rechtstreeks of onrechtstreeks, dezelfde beroepen op welke wijze ook uit te oefenen :
1° belastingadviseur;
2° zaakbezorger;
3° deskundige in belastingzaken of in boekhouden.
De rechter kan bovendien, als hij zijn beslissing op dat stuk motiveert, voor een duur van drie maanden tot vijf jaar de sluiting bevelen van de inrichtingen van de vennootschap, vereniging, groepering of onderneming waarvan de veroordeelde hoofd, lid of bediende is.
§ 2. Het verbod en de sluiting, vermeld in paragraaf 1, treden in werking vanaf de dag waarop de veroordeling in kracht van gewijsde is gegaan.
1° belastingadviseur;
2° zaakbezorger;
3° deskundige in belastingzaken of in boekhouden.
De rechter kan bovendien, als hij zijn beslissing op dat stuk motiveert, voor een duur van drie maanden tot vijf jaar de sluiting bevelen van de inrichtingen van de vennootschap, vereniging, groepering of onderneming waarvan de veroordeelde hoofd, lid of bediende is.
§ 2. Het verbod en de sluiting, vermeld in paragraaf 1, treden in werking vanaf de dag waarop de veroordeling in kracht van gewijsde is gegaan.
Art. 3.15.3.0.7. Une personne qui, directement ou indirectement, contrevient à l'interdiction ou à la fermeture, décidée en application de l'article 3.15.3.0.6 [1 ou de l'article 3.16.0.0.5]1, est punie d'un emprisonnement du huit jours à deux ans et d'une amende de 250 euros à [2 500.000]2 euros ou par une de ces punitions.
Art. 3.15.3.0.7. Een persoon die rechtstreeks of onrechtstreeks het verbod of de sluiting, uitgesproken met toepassing van artikel 3.15.3.0.6 [1 of 3.16.0.0.5]1, overtreedt, wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar en met een geldboete van 250 euro tot [2 500.000]2 euro of met een van die straffen alleen.
Art. 3.15.3.0.8. La loi du 5 mars 1952 relative aux décimes additionnels sur les amendes pénales [1 s'applique]1 aux délits cités dans les articles 3.15.3.0.1, 3.15.3.0.2, 3.15.3.0.4 en 3.15.3.0.7.
Art. 3.15.3.0.8. De wet van 5 maart 1952 betreffende de opdecimes op de strafrechterlijke geldboeten, is [1 ...]1 van toepassing op de misdrijven, vermeld in artikel 3.15.3.0.1, 3.15.3.0.2, 3.15.3.0.4 en 3.15.3.0.7.
Art. 3.15.3.0.9. Les personnes qui ont été condamnés en tant qu'auteurs ou complices des délits tels que cités dans les articles 3.15.3.0.1 à 3.15.3.0.4 inclus, sont solidairement tenus de payer les impôts éludés [1 et des intérêts de retard dus par le contribuable]1.
[1 Les personnes accusées comme auteurs ou complices d'infractions visées aux articles 3.15.3.0.1 à 3.15.3.3.0.4 sont également solidairement tenus de payer l'impôt éludé et des intérêts de retard visés au premier alinéa, si les éléments constitutifs des infractions ont été déclarés établis et si elles bénéficient :
1° d'une suspension du jugement de la condamnation ou d'une remise de l'exécution des peines visées aux chapitres III et IV de la loi du 29 juin 1964 concernant la suspension, le sursis et la probation ;
2° d'une condamnation en cas de simple déclaration de culpabilité telle que visée à l'article 21ter du titre Préliminaire du Code de Procédure pénale ;
3° de la procédure de reconnaissance préalable de culpabilité visée à l'article 216 du Code d'instruction criminelle ;
4° la prescription de l'action disciplinaire.]1
Les personnes physiques ou les personnes morales sont civilement et solidairement responsables des amendes et des frais qui résultent des condamnations énoncées en application des articles 3.15.3.0.1 à 3.15.3.0.7 contre [1 leurs préposés ou leurs administrateurs, gérants ou liquidateurs, dans le cadre de l'exécution de leur fonction, de droit ou de fait]1.
[1 Les personnes accusées comme auteurs ou complices d'infractions visées aux articles 3.15.3.0.1 à 3.15.3.3.0.4 sont également solidairement tenus de payer l'impôt éludé et des intérêts de retard visés au premier alinéa, si les éléments constitutifs des infractions ont été déclarés établis et si elles bénéficient :
1° d'une suspension du jugement de la condamnation ou d'une remise de l'exécution des peines visées aux chapitres III et IV de la loi du 29 juin 1964 concernant la suspension, le sursis et la probation ;
2° d'une condamnation en cas de simple déclaration de culpabilité telle que visée à l'article 21ter du titre Préliminaire du Code de Procédure pénale ;
3° de la procédure de reconnaissance préalable de culpabilité visée à l'article 216 du Code d'instruction criminelle ;
4° la prescription de l'action disciplinaire.]1
Les personnes physiques ou les personnes morales sont civilement et solidairement responsables des amendes et des frais qui résultent des condamnations énoncées en application des articles 3.15.3.0.1 à 3.15.3.0.7 contre [1 leurs préposés ou leurs administrateurs, gérants ou liquidateurs, dans le cadre de l'exécution de leur fonction, de droit ou de fait]1.
Art. 3.15.3.0.9. Personen die als daders of als medeplichtigen van misdrijven als vermeld in artikel 3.15.3.0.1 tot en met 3.15.3.0.4, zijn veroordeeld, zijn hoofdelijk gehouden tot betaling van de ontdoken belasting [1 en de nalatigheidsintresten verschuldigd door de belastingplichtige]1.
[1 De personen die beschuldigd zijn als daders of als medeplichtigen van misdrijven als vermeld in artikel 3.15.3.0.1 tot en met 3.15.3.0.4, zijn ook hoofdelijk gehouden tot betaling van de ontdoken belasting en de nalatigheidsinteresten, vermeld in het eerste lid, als de bestanddelen van de misdrijven bewezen verklaard zijn, en als ze genieten van:
1° een opschorting van de uitspraak van de veroordeling of een uitstel van de tenuitvoerlegging van de straffen als vermeld in hoofdstuk III en hoofdstuk IV van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie;
2° een veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring als vermeld in artikel 21ter van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering;
3° de procedure van voorafgaande erkenning van schuld, vermeld in artikel 216 van het Wetboek van Strafvordering;
4° de verjaring van de strafvordering.]1
De natuurlijke personen of de rechtspersonen zijn burgerlijk en hoofdelijk aansprakelijk voor de geldboeten en kosten die het gevolg zijn van de veroordelingen die met toepassing van artikel 3.15.3.0.1 tot en met 3.15.3.0.7 tegen [1 aangestelden of hun bestuurders, zaakvoerders of vereffenaars, in het kader van de uitoefening van hun functie, in rechte of in feite,]1 zijn uitgesproken.
[1 De personen die beschuldigd zijn als daders of als medeplichtigen van misdrijven als vermeld in artikel 3.15.3.0.1 tot en met 3.15.3.0.4, zijn ook hoofdelijk gehouden tot betaling van de ontdoken belasting en de nalatigheidsinteresten, vermeld in het eerste lid, als de bestanddelen van de misdrijven bewezen verklaard zijn, en als ze genieten van:
1° een opschorting van de uitspraak van de veroordeling of een uitstel van de tenuitvoerlegging van de straffen als vermeld in hoofdstuk III en hoofdstuk IV van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie;
2° een veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring als vermeld in artikel 21ter van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering;
3° de procedure van voorafgaande erkenning van schuld, vermeld in artikel 216 van het Wetboek van Strafvordering;
4° de verjaring van de strafvordering.]1
De natuurlijke personen of de rechtspersonen zijn burgerlijk en hoofdelijk aansprakelijk voor de geldboeten en kosten die het gevolg zijn van de veroordelingen die met toepassing van artikel 3.15.3.0.1 tot en met 3.15.3.0.7 tegen [1 aangestelden of hun bestuurders, zaakvoerders of vereffenaars, in het kader van de uitoefening van hun functie, in rechte of in feite,]1 zijn uitgesproken.
Art. 3.15.3.0.10. Le juge peut ordonner que chaque jugement ou arrêt portant condamnation à un emprisonnement, énoncé en application des articles 3.15.3.0.1 à 3.15.3.0.4 et de l'article 3.15.3.0.7, soit affiché aux endroits qu'il détermine et publié, éventuellement par extrait, de la manière de son choix, aux frais du condamné.
La possibilité, citée dan l'alinéa premier, vaut également pour chaque décision énoncée en application de l'article 3.15.3.0.6 d'interdiction de l'exercice d'une activité professionnelle en Belgique ou de la fermeture des établissements exploités dans le pays.
La possibilité, citée dan l'alinéa premier, vaut également pour chaque décision énoncée en application de l'article 3.15.3.0.6 d'interdiction de l'exercice d'une activité professionnelle en Belgique ou de la fermeture des établissements exploités dans le pays.
Art. 3.15.3.0.10. De rechter kan bevelen dat ieder vonnis of arrest houdende veroordeling tot een gevangenisstraf, uitgesproken met toepassing van artikel 3.15.3.0.1 tot en met 3.15.3.0.4 en artikel 3.15.3.0.7, wordt aangeplakt in de plaatsen die hij bepaalt en, eventueel bij uittreksel, wordt bekendgemaakt op de wijze die hij bepaalt, op kosten van de veroordeelde.
De mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, geldt ook voor iedere met toepassing van artikel 3.15.3.0.6 uitgesproken beslissing tot verbod van het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid in België of tot sluiting van de in het land geëxploiteerde inrichtingen.
De mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, geldt ook voor iedere met toepassing van artikel 3.15.3.0.6 uitgesproken beslissing tot verbod van het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid in België of tot sluiting van de in het land geëxploiteerde inrichtingen.
Art. 3.15.3.0.11. [1 Si la taxe de circulation, la taxe de mise en circulation ou le prélèvement kilométrique ne sont pas payés, le tribunal peut confisquer la plaque d'immatriculation du véhicule et en ordonner la remise à l'autorité chargée de l'immatriculation des véhicules.]1
Art. 3.15.3.0.11. [1 Als de verkeersbelasting, de belasting op de inverkeerstelling of de kilometerheffing niet is betaald, kan de rechtbank de nummerplaat van het voertuig verbeurd verklaren en de teruggave ervan bevelen aan de overheid die belast is met de inschrijving van de voertuigen.]1
Art. 3.15.3.0.12. [1 Sans préjudice de l'application du chapitre VII du livre 1er du Code pénal, celui qui, à quel endroit ou sous quelle forme que ce soit, organise ou exploite des jeux ou paris dans l'espace public ou selon d'autres modalités, participe à cette organisation ou à cette exploitation en offrant des jeux ou paris ou en participant à des jeux ou paris, soit directement soit avec l'aide d'un intermédiaire ou qui se présente pour accepter des fonds destinés au service de jeux ou de paris, collecte ou verse ces fonds, est considéré comme auteur d'un crime, complice d'un crime ou complice des infractions aux dispositions du présent code en matière de la taxe sur les jeux et paris, ou de ses arrêtés d'exécution.]1
Art. 3.15.3.0.12. [1 Met behoud van de toepassing van hoofdstuk VII van boek 1 van het Strafwetboek wordt de persoon die, op welke plaats en onder welke vorm ook, in het openbaar of op een andere wijze, spelen of weddenschappen organiseert of exploiteert, aan die organisatie of aan die exploitatie deelneemt door spelen of weddenschappen aan te bieden of door rechtstreeks of met hulp van een tussenpersoon te spelen of te wedden, of zich aanbiedt om gelden die bestemd zijn tot de dienst van spelen of van weddenschappen in ontvangst te nemen, ze inzamelt of ze stort, beschouwd als dader, mededader of medeplichtige van de overtredingen van de bepalingen van deze codex inzake de belasting op de spelen en weddenschappen, of van de uitvoeringsbesluiten ervan.]1
Art. 3.15.3.0.13. [1 Sans préjudice de l'application des autres dispositions du présent chapitre, une infraction aux dispositions du présent code en matière de la taxe sur les jeux ou paris ou à ses arrêtés d'exécution peut donner lieu à la confiscation des fonds ou effets misés lors de jeux ou de paris ou destinés au service des jeux et paris et trouvés sur la personne des contrevenants au moment où le crime est constaté. ]1
Art. 3.15.3.0.13. [1 Met behoud van de toepassing van de andere bepalingen van dit hoofdstuk, kan een overtreding op de bepalingen van deze codex over de belasting op de spelen en weddenschappen, of van de uitvoeringsbesluiten ervan, aanleiding geven tot de verbeurdverklaring van de gelden of effecten die bij spelen of weddenschappen zijn ingezet of die bestemd zijn voor de dienst van de spelen of de weddenschappen en in het bezit worden gevonden van de overtreders op het ogenblik dat het misdrijf wordt vastgesteld.]1
Chapitre 16. - [1 Sanctions administratives. ]1
Hoofdstuk 16. - [1 Administratieve sancties]1
Art. 3.16.0.0.1. Le Gouvernement flamand peut, pour une période qui n'excède pas cinq ans, interdire à chaque personne le droit de représenter les contribuables dans la qualité de mandataire, sauf si cette personne est soumise à une discipline professionnelle légalement imposée ou remplit son mandat en vertu d'une loi ou d'une décision judiciaire.
Art. 3.16.0.0.1. De Vlaamse Regering kan voor een tijdperk dat vijf jaar niet overtreft, elke persoon het recht ontzeggen belastingplichtigen te vertegenwoordigen in de hoedanigheid van lasthebber, behalve als die persoon onderworpen is aan een wettelijk ingestelde beroepstucht of zijn last vervult krachtens de wet of een rechterlijke beslissing.
Art. 3.16.0.0.2. La décision, citée dans l'article 3.16.0.0.01, ne peut être énoncée qu'après que le mandataire concerné est inviter à paraître dans les vingt jours pour être entendu par le membre du personnel compétent. Le mandataire peut se faire assister par une conseiller.
Il est dressé un procès-verbal de l'interrogation, citée dans l'alinéa premier. Après lecture, le procès-verbal est signé par le membre du personnel compétent et par le mandataire concerné. Ils font précéder leur signature par les mots manuscrits " Lu et approuvé ". Si le concerné refuse de signer, tel sera cité dans le procès-verbal avec description du motif du refus.
Une copie déclarée conforme du procès-verbal est notifiée au mandataire dans les huit jours après apposition de la date et de la signature.
Il est dressé un procès-verbal de l'interrogation, citée dans l'alinéa premier. Après lecture, le procès-verbal est signé par le membre du personnel compétent et par le mandataire concerné. Ils font précéder leur signature par les mots manuscrits " Lu et approuvé ". Si le concerné refuse de signer, tel sera cité dans le procès-verbal avec description du motif du refus.
Une copie déclarée conforme du procès-verbal est notifiée au mandataire dans les huit jours après apposition de la date et de la signature.
Art. 3.16.0.0.2. Het besluit, vermeld in artikel 3.16.0.0.1, mag pas worden uitgevaardigd nadat de betrokken lasthebber is uitgenodigd om binnen twintig dagen te verschijnen, om te worden gehoord door het bevoegde personeelslid. De lasthebber mag zich door een raadsman laten bijstaan.
Er wordt een proces-verbaal opgemaakt van het verhoor, vermeld in het eerste lid. Na voorlezing wordt het proces-verbaal door het bevoegde personeelslid en de betrokken lasthebber ondertekend. Ze laten hun handtekening voorafgaan door de met de hand geschreven woorden "Gelezen en goedgekeurd". Als de betrokkene weigert te ondertekenen, wordt daarvan melding gemaakt in het proces-verbaal, dat de reden van de weigering nader omschrijft.
Een eensluidend verklaard afschrift van het proces-verbaal wordt binnen acht dagen na zijn dagtekening aan de lasthebber ter kennis gegeven.
Er wordt een proces-verbaal opgemaakt van het verhoor, vermeld in het eerste lid. Na voorlezing wordt het proces-verbaal door het bevoegde personeelslid en de betrokken lasthebber ondertekend. Ze laten hun handtekening voorafgaan door de met de hand geschreven woorden "Gelezen en goedgekeurd". Als de betrokkene weigert te ondertekenen, wordt daarvan melding gemaakt in het proces-verbaal, dat de reden van de weigering nader omschrijft.
Een eensluidend verklaard afschrift van het proces-verbaal wordt binnen acht dagen na zijn dagtekening aan de lasthebber ter kennis gegeven.
Art. 3.16.0.0.3. La décision, citée dans l'article 3.16.0.0.01, dont une copie déclarée conforme du procès-verbal est envoyée au mandataire, est publiée par extrait au Moniteur belge, sauf si le concerné a interjeté appel auprès du Conseil d'Etat. Dans ce cas, la publication au Moniteur belge n'aura lieu que si la décision n'a pas été rompue par le Conseil d'Etat.
Art. 3.16.0.0.3. Het besluit, vermeld in artikel 3.16.0.0.1, waarvan een eensluidend verklaard afschrift met een aangetekende brief naar de betrokken lasthebber wordt gestuurd, wordt in uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt, tenzij de betrokkene zijn beroep heeft ingesteld bij de Raad van State. In dat geval zal de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad alleen plaatsvinden als het besluit niet door de Raad van State verbroken is.
Art. 3.16.0.0.4. [1 Les tiers qui, en ce qui concerne l'impôt sur la succession, sont redevables d'amendes administratives, sont eux-mêmes tenus de payer les impôts et accessoires qui n'ont pas pu être recouvrés en raison de l'infraction.]1
Art. 3.16.0.0.4. [1 Derden die betreffende de erfbelasting administratieve geldboeten verschuldigd zijn, zijn zelf gehouden tot betaling van de belastingen en toebehoren die ten gevolge van de overtreding niet konden worden geïnd.]1
Art. 3.16.0.0.5. [1 Sans préjudice de l'application du chapitre 15, une infraction aux dispositions du présent code en matière de la taxe sur les jeux ou paris ou à ses arrêtés d'exécution peut donner lieu à la fermeture de l'établissement de jeux de hasard ou à l'interdiction d'accepter des mises ou paris pendant une période de dix à trente jours.
Dans le cas d'un refus de respecter les mesures de contrôle réglementaires, telles que visées au titre 3, chapitre 13 ou de payer la taxe ou dans le cas d'une opposition contre l'intervention des membres du personnel compétents, la fermeture ou l'interdiction sont maintenues tant que ce refus ou cette opposition persistent.
La fermeture de l'établissement de jeux de hasard ou l'interdiction d'accepter des mises ou paris est prononcée par le membre du personnel compétent et est notifiée au procureur du Roi compétent qui en assure l'exécution.
Dans les dix jours après la notification, la décision de fermeture de l'établissement ou d'interdiction d'accepter des mises ou paris peut être opposée auprès du président du tribunal de première instance siégeant comme en référé, de la compétence duquel relève la commune où l'établissement de jeux de hasard est établi ou les paris ont été acceptés.
La structure ne suspend pas la mise en oeuvre de la décision si celle-ci a été prise pour cause du refus du respect des mesures de contrôle réglementaires, telles que visées au titre 3, chapitre 13 ou pour cause du refus de paiement de la taxe ou pour cause de l'opposition contre l'intervention des membres du personnel compétents.]1
Dans le cas d'un refus de respecter les mesures de contrôle réglementaires, telles que visées au titre 3, chapitre 13 ou de payer la taxe ou dans le cas d'une opposition contre l'intervention des membres du personnel compétents, la fermeture ou l'interdiction sont maintenues tant que ce refus ou cette opposition persistent.
La fermeture de l'établissement de jeux de hasard ou l'interdiction d'accepter des mises ou paris est prononcée par le membre du personnel compétent et est notifiée au procureur du Roi compétent qui en assure l'exécution.
Dans les dix jours après la notification, la décision de fermeture de l'établissement ou d'interdiction d'accepter des mises ou paris peut être opposée auprès du président du tribunal de première instance siégeant comme en référé, de la compétence duquel relève la commune où l'établissement de jeux de hasard est établi ou les paris ont été acceptés.
La structure ne suspend pas la mise en oeuvre de la décision si celle-ci a été prise pour cause du refus du respect des mesures de contrôle réglementaires, telles que visées au titre 3, chapitre 13 ou pour cause du refus de paiement de la taxe ou pour cause de l'opposition contre l'intervention des membres du personnel compétents.]1
Art. 3.16.0.0.5. [1 Met behoud van de toepassing van hoofdstuk 15, kan een overtreding op de bepalingen van deze codex over de belasting op de spelen en weddenschappen, of van de uitvoeringsbesluiten ervan, aanleiding geven tot de sluiting van de kansspelinrichting of tot het verbod om inzetten of weddenschappen aan te nemen voor een duur van tien dagen tot dertig dagen.
Chapitre 17. - [1 Moyens de preuve]1
Hoofdstuk 17. - [1 Bewijsmiddelen]1
Art. 3.17.0.0.1. Afin de déterminer l'existence et le montant de la dette fiscale, ainsi qu'en vue de constater une infraction aux dispositions du présent code ou des arrêtés pris en exécution de ce dernier, l'entité compétente de l'administration flamande peut invoquer toutes les preuves autorisées par le droit commun, y compris les procès-verbaux, dressés par le membre du personnel compétent, mais à l'exception du serment.
Art. 3.17.0.0.1. Om het bestaan en het bedrag van de belastingschuld te bepalen, alsook ter vaststelling van een overtreding van de bepalingen van deze codex of van de besluiten die genomen zijn ter uitvoering ervan, kan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie alle bewijsmiddelen aanvoeren die door het gemeen recht toegelaten zijn, met inbegrip van de processen-verbaal, opgesteld door het bevoegde personeelslid, maar met uitzondering van de eed.
De processen-verbaal hebben bewijskracht tot bewijs van het tegendeel.
De processen-verbaal hebben bewijskracht tot bewijs van het tegendeel.
Art. 3.17.0.0.2. [1 N'est pas opposable à l'entité compétente de l'Administration flamande l'acte juridique ni l'ensemble d'actes juridiques réalisant une même opération lorsque cette entité démontre par présomptions ou par d'autres moyens de preuves, visés à l'article 3.17.0.0.1, et à la lumière de circonstances objectives qu'il y a abus fiscal.
Il y a abus fiscal lorsque le contribuable réalise, par l'acte juridique ou l'ensemble d'actes juridiques qu'il a posé, l'une des opérations suivantes :
1° soit une opération par laquelle il se place en violation des objectifs d'une disposition du présent code ou des arrêtés pris en exécution de celui-ci, en dehors du champ d'application de cette disposition ;
2° soit une opération par laquelle il prétend à un avantage fiscal prévu par une disposition du présent code ou des arrêtés pris en exécution de celui-ci, dont l'octroi serait contraire aux objectifs de cette disposition et dont le but essentiel est l'obtention de cet avantage.
Il appartient au contribuable de prouver que le choix de cet acte juridique ou de cet ensemble d'actes juridiques se justifie par d'autres motifs que la volonté d'éluder l'impôt. Lorsque le contribuable ne fournit pas la preuve contraire, l'opération est soumise à un prélèvement d'impôt conforme à l'objectif de ce code, comme si l'abus n'avait pas eu lieu]1
Il y a abus fiscal lorsque le contribuable réalise, par l'acte juridique ou l'ensemble d'actes juridiques qu'il a posé, l'une des opérations suivantes :
1° soit une opération par laquelle il se place en violation des objectifs d'une disposition du présent code ou des arrêtés pris en exécution de celui-ci, en dehors du champ d'application de cette disposition ;
2° soit une opération par laquelle il prétend à un avantage fiscal prévu par une disposition du présent code ou des arrêtés pris en exécution de celui-ci, dont l'octroi serait contraire aux objectifs de cette disposition et dont le but essentiel est l'obtention de cet avantage.
Il appartient au contribuable de prouver que le choix de cet acte juridique ou de cet ensemble d'actes juridiques se justifie par d'autres motifs que la volonté d'éluder l'impôt. Lorsque le contribuable ne fournit pas la preuve contraire, l'opération est soumise à un prélèvement d'impôt conforme à l'objectif de ce code, comme si l'abus n'avait pas eu lieu]1
Art. 3.17.0.0.2. [1 Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.
Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt :
1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;
2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.
Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.]1
Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt :
1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;
2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.
Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.]1
Art. 3.17.0.0.3. [1 En ce qui concerne l'impôt sur la succession, toute dette dont l'existence est justifiée par la production d'un document revêtu d'une quittance non datée est réputée, jusqu'à preuve contraire, avoir été acquittée antérieurement au décès.]1
Art. 3.17.0.0.3. [1 Wat de erfbelasting betreft, wordt elke schuld, waarvan het bestaan bewezen wordt door een stuk voor te leggen waarop een niet-gedagtekend betalingsbewijs is gesteld, geacht vóór het overlijden voldaan te zijn, tenzij het tegendeel bewezen wordt.]1
Art. 3.17.0.0.4. [1 En ce qui concerne l'impôt d'enregistrement, le changement dans la propriété ou l'usufruit d'un bien immobilier situé en Belgique, par suite d'une convention translative ou déclarative, est suffisamment établi, pour le recouvrement des impôts et accessoires auprès du nouveau propriétaire ou usufruitier, par des actes de disposition ou d'administration ou autres actes constatant ou impliquant, dans son chef, la propriété ou l'usufruit.]1
Art. 3.17.0.0.4. [1 Wat de registratiebelasting betreft, wordt de verandering in eigen-dom of vruchtgebruik van een onroerend goed dat in België ligt, ten gevolge van een overdragende of aanwijzende overeenkomst, voor de invordering van de belastingen en toebehoren bij de nieuwe eigenaar of vruchtgebruiker, in voldoende mate bewezen door daden van beschikking of van bestuur of door andere handelingen of akten waarbij de eigendom of het vruchtgebruik in hoofde van deze nieuwe eigenaar of vruchtgebruiker vastgesteld of ondersteld wordt]1
Art. 3.17.0.0.5. [1 En ce qui concerne l'impôt d'enregistrement, tout intermédiaire qui effectue la vente d'un bien immobilier est, pour le recouvrement des impôts et des accessoires, considéré comme un acheteur à son propre compte. Il ne peut invoquer la qualité de mandataire ou de commissionnaire du vendeur lorsqu'il est établi que, dès avant la réalisation de la vente, il a payé ou s'est engagé à payer au vendeur le prix ou toute somme à provenir de la vente.
L'intermédiaire, visé au premier alinéa, est réputé avoir acquis le bien immobilier à la date du paiement ou de l'engagement de payer.]1
L'intermédiaire, visé au premier alinéa, est réputé avoir acquis le bien immobilier à la date du paiement ou de l'engagement de payer.]1
Art. 3.17.0.0.5. [1 Wat de registratiebelasting betreft, wordt iedere tussenpersoon die de verkoop van een onroerend goed bewerkstelligt, voor de invordering van de belastingen en toebehoren als koper voor eigen rekening beschouwd. Hij mag zich op de hoedanigheid van lasthebber of van commissionair van de verkoper niet beroepen als vaststaat dat hij al voor de totstandbrenging van de verkoop aan de verkoper de prijs of elke som die voortkomt uit de verkoop, betaald heeft of er zich toe verbonden heeft die prijs of som te betalen.
De tussenpersoon, vermeld in het eerste lid, wordt geacht het onroerend goed te hebben verkregen op de dag van de betaling of van de verbintenis tot betaling.]1
De tussenpersoon, vermeld in het eerste lid, wordt geacht het onroerend goed te hebben verkregen op de dag van de betaling of van de verbintenis tot betaling.]1
Art. 3.17.0.0.6. [1 Si un acte ou un écrit dont il n'existe pas de minute contient des informations pouvant servir à détecter les montants dus, le membre du personnel compétent a le droit d'en faire une copie et de la faire déclarer conforme à l'original par le fonctionnaire ou l'officier public ou ministériel instrumentant ou, s'il s'agit d'un acte sous seing privé ou passé à l'étranger, par la personne qui a demandé l'enregistrement. En cas de refus, le membre du personnel compétent légalise lui-même la certification conforme de la copie, avec mention du refus. La copie est réputée conforme, sauf preuve contraire.]1
Art. 3.17.0.0.6. [1 Als een akte of geschrift waarvan geen minuut bestaat, inlichtingen bevat die kunnen dienen om verschuldigde bedragen te ontdekken, heeft het bevoegde personeelslid het recht er een afschrift van te maken en dat eensluidend te laten verklaren met het origineel door de instrumenterende openbare of ministeriële ambtenaar of officier of, als het gaat om een onderhandse of in het buitenland verleden akte, door de betrokken persoon die de registratie heeft gevorderd. Bij weigering waarmerkt het bevoegde personeelslid zelf de eensluidendheid van het afschrift, met vermelding van de weigering. Het afschrift wordt, behoudens bewijs van het tegendeel, als eensluidend beschouwd]1
Art. 3.17.0.0.7. [1 La date des actes sous seing privé ou des conventions qui, du simple fait de leur existence, sont obligatoirement soumis à l'enregistrement, n'est opposable qu'à l'entité compétente de l'Administration flamande si elle peut être opposée à des tiers. L'enregistrement n'inclut pas la reconnaissance de la date de l'acte ou de la convention par l'entité compétente de l'Administration flamande.]1
Art. 3.17.0.0.7. [1 De datum van de onderhandse akten of van de overeenkomsten die door het feit alleen van hun bestaan verplicht aan de registratie onderworpen zijn, kan alleen tegen de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie worden ingeroepen als hij tegen derden kan worden ingeroepen. Registratie sluit geen erkenning in van de datum van de akte of van de overeenkomst door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.]1
Art. 3.17.0.0.8. [1 En ce qui concerne la preuve du passif de la succession relativement à l'impôt sur la succession, la seule production du titre constitutif ne suffit pas pour établir l'existence :
1° des dettes hypothécaires dont l'inscription était, au jour de l'ouverture de la succession, périmée depuis un an ou radiée ;
2° des intérêts des dettes hypothécaires et non hypothécaires, des loyers et fermages, au-delà de l'année échue et de l'année courante ;
3° des termes, échus depuis plus d'un an avant le décès, des obligations remboursables par annuités.]1
1° des dettes hypothécaires dont l'inscription était, au jour de l'ouverture de la succession, périmée depuis un an ou radiée ;
2° des intérêts des dettes hypothécaires et non hypothécaires, des loyers et fermages, au-delà de l'année échue et de l'année courante ;
3° des termes, échus depuis plus d'un an avant le décès, des obligations remboursables par annuités.]1
Art. 3.17.0.0.8. [1 Voor het bewijs van het passief van de nalatenschap betreffende de erfbelasting volstaat het voorleggen van de rechtstitel niet om het bestaan vast te stellen van :
1° de hypotheekschulden waarvan de inschrijving op de dag waarop de nalatenschap openviel, doorgehaald was of sinds één jaar vervallen was;
2° de interesten van de al dan niet hypothecaire schulden, van de huur- en pachtsommen, boven het vervallen en het lopende jaar;
3° de sinds meer dan een jaar vóór het overlijden verschenen termijnen van schuldbekentenissen waarvan het bedrag bij annuïteiten wordt afgelost.]1
1° de hypotheekschulden waarvan de inschrijving op de dag waarop de nalatenschap openviel, doorgehaald was of sinds één jaar vervallen was;
2° de interesten van de al dan niet hypothecaire schulden, van de huur- en pachtsommen, boven het vervallen en het lopende jaar;
3° de sinds meer dan een jaar vóór het overlijden verschenen termijnen van schuldbekentenissen waarvan het bedrag bij annuïteiten wordt afgelost.]1
Art. 3.17.0.0.9. [1 Les contre-lettres ne sont pas opposables à la Région flamande, en tant qu'elles auraient pour effet de diminuer l'actif ou d'augmenter le passif de la succession.]1
Art. 3.17.0.0.9. [1 Tegenbrieven zijn niet tegenstelbaar aan het Vlaamse Gewest als ze een vermindering van het actief of een vermeerdering van het passief van de nalatenschap tot gevolg hebben.]1
Art. 3.17.0.0.10. [1 La preuve contraire à ces présomptions de propriété, visée à l'article 2.7.3.2.6, peut être administrée par toutes voies de droit, témoins et présomptions compris, à l'exception du serment.]1
Art. 3.17.0.0.10. [1 Het tegenbewijs van de vermoedens van eigendom, vermeld in artikel 2.7.3.2.6, kan geleverd worden door alle rechtsmiddelen, met inbegrip van getuigen en vermoedens, maar met uitzondering van de eed.]1
Art. 3.17.0.0.11. [1 La preuve à fournir en vertu de l'article 2.7.1.0.6, § 2, deuxième alinéa, de l'article 2.7.1.0.7, deuxième alinéa, 1°, de l'article 2.7.1.0.8, deuxième alinéa, 1°, de l'article 2.7.1.0.9, deuxième alinéa, 1°, de l'article 2.7.3.2.8, deuxième alinéa et de l'article 2.7.3.2.11, peut être apportée par toutes voies de droit, témoins et présomptions compris.]1
Art. 3.17.0.0.11. [1 Het bewijs dat te leveren is krachtens artikel 2.7.1.0.6, § 2, tweede lid, artikel 2.7.1.0.7, tweede lid, 1°, artikel 2.7.1.0.8, tweede lid, 1°, artikel 2.7.1.0.9, tweede lid, 1°, artikel 2.7.3.2.8, tweede lid, en artikel 2.7.3.2.11, kan door alle gewone rechtsmiddelen, ook door getuigen en vermoedens, bijgebracht worden.]1
Art. 3.17.0.0.12. [1 Dans le cas, visé à [2 l'article 2.7.3.4.2, alinéa 7]2, l'existence des dettes doit être prouvée par des moyens de preuve admissibles en justice dans un débat entre créancier et débiteur.
Les dettes relatives à la profession du défunt et celles relatives aux dépenses domestiques de l'année échue et de l'année courante peuvent toutefois être établies par témoins et présomptions.]1
Les dettes relatives à la profession du défunt et celles relatives aux dépenses domestiques de l'année échue et de l'année courante peuvent toutefois être établies par témoins et présomptions.]1
Art. 3.17.0.0.12.[1 In het geval, vermeld in [2 artikel 2.7.3.4.2, zevende lid]2, moet het bestaan van de schulden bewezen worden door de bewijsmiddelen die in rechte toelaatbaar zijn in de verhouding tussen schuldeiser en schuldenaar.
Chapitre 18. - Majoration d'impôts et amendes administratives
Hoofdstuk 18. - Belastingverhogingen en administratieve geldboetes
Art. 3.18.0.0.1.[1 § 1er. Le membre du personnel compétent peut appliquer pour toute infraction aux dispositions du présent code, ainsi que des arrêtés pris pour leur exécution, une amende administrative allant de 50 à 1250 euros, à l'exception des infractions à l'article 3.1.0.0.2, §§ 2 à 4[11 et aux dispositions énoncées au chapitre 23 ]11.
Art. 3.18.0.0.1. [1 § 1. Het bevoegde personeelslid kan een administratieve geldboete van 50 euro tot 1250 euro opleggen voor iedere overtreding van de bepalingen van deze codex, alsook van de besluiten die genomen zijn ter uitvoering ervan, met uitzondering van overtredingen van artikel 3.1.0.0.2, §§ 2 tot en met 4[11 en van de bepalingen, vermeld in hoofdstuk 23]11.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1, kan het bevoegde personeelslid voor een overtreding van de volgende bepalingen van deze codex inzake de erf- of registratiebelasting, alsook van de besluiten die genomen zijn ter uitvoering ervan, volgende administratieve geldboeten opleggen :
1° voor iedere overtreding van artikel 3.12.3.0.2 en artikel 3.12.3.0.5 : een administratieve geldboete van 50 euro ten laste van de instrumenterende openbare of ministeriële ambtenaar of officier;
2° voor iedere overtreding van artikel 3.12.3.0.3 : een administratieve geldboete van 50 euro ten laste van de notaris die nagelaten heeft de schenker te vragen de verklaring te doen;
3° voor iedere overtreding van artikel 3.12.3.0.6 : een administratieve geldboete van 50 euro ten laste van de notaris of gerechtsdeurwaarder;
4° voor iedere overtreding van artikel 3.3.1.0.8, § 1, 9° : een administratieve geldboete van 50 euro tot 250 euro ten laste van iedere overtreder afzonderlijk;
5° voor iedere overtreding van artikel 3.10.5.5.2 en artikel 3.13.1.2.8 : een administratieve geldboete van 250 euro tot 500 euro ten laste van iedere overtreder afzonderlijk;
6° voor iedere overtreding van artikel 3.13.1.3.7, die volgt uit een overtreding van artikel 96, 97, 99 of [10 103-1]10 van het federale Wetboek van Successierechten : een administratieve geldboete van 250 euro tot 500 euro ten laste van iedere overtreder afzonderlijk;
7° voor iedere overtreding van artikel 3.13.1.2.1, derde en vierde lid, en artikel 3.13.1.3.1, § 1 en § 6 : een administratieve geldboete van 250 euro tot 2500 euro ten laste van iedere overtreder afzonderlijk;
8° voor iedere overtreding van artikel 3.13.1.3.7, die volgt uit een overtreding van artikel 98, 101 of 1021 van het federale Wetboek van Successierechten : een administratieve geldboete van 250 euro tot 2500 euro ten laste van iedere overtreder afzonderlijk;
9° voor iedere weigering van inzageverlening, waardoor inbreuk wordt gepleegd op artikel 3.13.1.1.1, artikel 3.13.1.2.1 of artikel 3.13.1.3.1 : een administratieve geldboete van 250 euro tot 2500 euro ten laste van de persoon, vermeld in artikel 2.9.4.2.4, § 1, die de beroepsverklaring, vermeld in artikel 2.9.4.2.4, § 2, 1°, heeft ondertekend;
10° voor iedere weigering van inzageverlening, waardoor inbreuk wordt gepleegd op artikel 3.13.1.2.5, artikel 3.13.1.3.1 of artikel 3.13.1.3.2 : een administratieve geldboete van 250 euro tot 2500 euro ten laste van iedere overtreder afzonderlijk;
11° voor iedere weigering van inzageverlening, waardoor inbreuk wordt gepleegd op artikel 3.13.1.1.1, artikel 3.13.1.2.1 of artikel 3.13.1.3.1 : een administratieve geldboete van 1250 euro voor de personen die de toepassing vragen van artikel 2.7.4.2.2 of artikel 2.8.6.0.3;
12° voor iedere overtreding van artikel 3.13.1.3.7, die volgt uit het feit dat de kennisgeving, vermeld in artikel 1023 van het federale Wetboek van Successierechten, niet verricht werd binnen de aldaar gestelde termijn : een administratieve geldboete van 500 euro tot 10.000 euro, waartoe de rechtspersoon en degenen die in zijn naam de brandkast ter beschikking van de derde hebben gesteld, hoofdelijk gehouden zijn.
[4 § 2/1. In afwijking van paragraaf 1, kan het bevoegde personeelslid een administratieve geldboete van 5.000 euro opleggen voor een overtreding van artikel 2.2.4.0.9 als de overtreding is gepleegd met de bedoeling de belasting te ontduiken of om dat mogelijk te maken.]4
[5 § 2/2. In afwijking van paragraaf 1, kan het bevoegde personeelslid een administratieve geldboete van 5.000 euro opleggen voor een overtreding van artikel 2.3.4.1.10 als de overtreding is gepleegd met de bedoeling de belasting te ontduiken of dat mogelijk te maken.]5
§ 3. De administratieve geldboete, vermeld in paragraaf 1, kan ook worden opgelegd voor iedere overtreding van artikel 473, 474 en 475 van het federale WIB 92 die de vestiging van de belastingen, opgenomen in deze codex, verhindert.
§ 4. Als de overtredingen, vermeld in paragraaf 1 en paragraaf 2, blijven bestaan nadat een administratieve geldboete wordt opgelegd, kan daarvoor een nieuwe administratieve geldboete worden opgelegd telkens als de overtreding opnieuw wordt vastgesteld. In dat geval worden de bedragen, vermeld in paragraaf 1 of paragraaf 2, vermenigvuldigd met een factor die overeenkomt met het aantal keer dat de overtreding is vastgesteld. Dezelfde overtreding kan maximaal tien keer per kalenderjaar worden beboet.
[2 [8 ...]8 ]2
[8 § 4/1. Paragraaf 4 is niet van toepassing op de kilometerheffing.
Voor de kilometerheffing kan slechts één administratieve geldboete worden opgelegd voor het totaal van de overtredingen, vermeld in het vierde lid, die gepleegd zijn met hetzelfde voertuig en vastgesteld zijn op dezelfde kalenderdag. Het toepasselijke tarief voor de administratieve geldboete is dat van de overtreding waarvoor het hoogste tarief geldt, overeenkomstig het vierde lid.
Onverminderd de toepassing van het tweede lid, wordt er geen administratieve geldboete opgelegd voor iedere overtreding die werd begaan binnen een ononderbroken tijdvak van drie uren vanaf de vaststelling van een eerdere overtreding op de bepalingen van deze codex en de uitvoeringsbesluiten ervan of van de wetgeving van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of het Waalse Gewest met betrekking tot de kilometerheffing, in zoverre de betrokken overtredingen werden begaan met hetzelfde voertuig en in zoverre een administratieve geldboete werd opgelegd voor de eerst begane overtreding.
De administratieve geldboete, vermeld in het tweede lid, wordt berekend volgens de volgende tabel:
§ 2. In afwijking van paragraaf 1, kan het bevoegde personeelslid voor een overtreding van de volgende bepalingen van deze codex inzake de erf- of registratiebelasting, alsook van de besluiten die genomen zijn ter uitvoering ervan, volgende administratieve geldboeten opleggen :
1° voor iedere overtreding van artikel 3.12.3.0.2 en artikel 3.12.3.0.5 : een administratieve geldboete van 50 euro ten laste van de instrumenterende openbare of ministeriële ambtenaar of officier;
2° voor iedere overtreding van artikel 3.12.3.0.3 : een administratieve geldboete van 50 euro ten laste van de notaris die nagelaten heeft de schenker te vragen de verklaring te doen;
3° voor iedere overtreding van artikel 3.12.3.0.6 : een administratieve geldboete van 50 euro ten laste van de notaris of gerechtsdeurwaarder;
4° voor iedere overtreding van artikel 3.3.1.0.8, § 1, 9° : een administratieve geldboete van 50 euro tot 250 euro ten laste van iedere overtreder afzonderlijk;
5° voor iedere overtreding van artikel 3.10.5.5.2 en artikel 3.13.1.2.8 : een administratieve geldboete van 250 euro tot 500 euro ten laste van iedere overtreder afzonderlijk;
6° voor iedere overtreding van artikel 3.13.1.3.7, die volgt uit een overtreding van artikel 96, 97, 99 of [10 103-1]10 van het federale Wetboek van Successierechten : een administratieve geldboete van 250 euro tot 500 euro ten laste van iedere overtreder afzonderlijk;
7° voor iedere overtreding van artikel 3.13.1.2.1, derde en vierde lid, en artikel 3.13.1.3.1, § 1 en § 6 : een administratieve geldboete van 250 euro tot 2500 euro ten laste van iedere overtreder afzonderlijk;
8° voor iedere overtreding van artikel 3.13.1.3.7, die volgt uit een overtreding van artikel 98, 101 of 1021 van het federale Wetboek van Successierechten : een administratieve geldboete van 250 euro tot 2500 euro ten laste van iedere overtreder afzonderlijk;
9° voor iedere weigering van inzageverlening, waardoor inbreuk wordt gepleegd op artikel 3.13.1.1.1, artikel 3.13.1.2.1 of artikel 3.13.1.3.1 : een administratieve geldboete van 250 euro tot 2500 euro ten laste van de persoon, vermeld in artikel 2.9.4.2.4, § 1, die de beroepsverklaring, vermeld in artikel 2.9.4.2.4, § 2, 1°, heeft ondertekend;
10° voor iedere weigering van inzageverlening, waardoor inbreuk wordt gepleegd op artikel 3.13.1.2.5, artikel 3.13.1.3.1 of artikel 3.13.1.3.2 : een administratieve geldboete van 250 euro tot 2500 euro ten laste van iedere overtreder afzonderlijk;
11° voor iedere weigering van inzageverlening, waardoor inbreuk wordt gepleegd op artikel 3.13.1.1.1, artikel 3.13.1.2.1 of artikel 3.13.1.3.1 : een administratieve geldboete van 1250 euro voor de personen die de toepassing vragen van artikel 2.7.4.2.2 of artikel 2.8.6.0.3;
12° voor iedere overtreding van artikel 3.13.1.3.7, die volgt uit het feit dat de kennisgeving, vermeld in artikel 1023 van het federale Wetboek van Successierechten, niet verricht werd binnen de aldaar gestelde termijn : een administratieve geldboete van 500 euro tot 10.000 euro, waartoe de rechtspersoon en degenen die in zijn naam de brandkast ter beschikking van de derde hebben gesteld, hoofdelijk gehouden zijn.
[4 § 2/1. In afwijking van paragraaf 1, kan het bevoegde personeelslid een administratieve geldboete van 5.000 euro opleggen voor een overtreding van artikel 2.2.4.0.9 als de overtreding is gepleegd met de bedoeling de belasting te ontduiken of om dat mogelijk te maken.]4
[5 § 2/2. In afwijking van paragraaf 1, kan het bevoegde personeelslid een administratieve geldboete van 5.000 euro opleggen voor een overtreding van artikel 2.3.4.1.10 als de overtreding is gepleegd met de bedoeling de belasting te ontduiken of dat mogelijk te maken.]5
§ 3. De administratieve geldboete, vermeld in paragraaf 1, kan ook worden opgelegd voor iedere overtreding van artikel 473, 474 en 475 van het federale WIB 92 die de vestiging van de belastingen, opgenomen in deze codex, verhindert.
§ 4. Als de overtredingen, vermeld in paragraaf 1 en paragraaf 2, blijven bestaan nadat een administratieve geldboete wordt opgelegd, kan daarvoor een nieuwe administratieve geldboete worden opgelegd telkens als de overtreding opnieuw wordt vastgesteld. In dat geval worden de bedragen, vermeld in paragraaf 1 of paragraaf 2, vermenigvuldigd met een factor die overeenkomt met het aantal keer dat de overtreding is vastgesteld. Dezelfde overtreding kan maximaal tien keer per kalenderjaar worden beboet.
[2 [8 ...]8 ]2
[8 § 4/1. Paragraaf 4 is niet van toepassing op de kilometerheffing.
Voor de kilometerheffing kan slechts één administratieve geldboete worden opgelegd voor het totaal van de overtredingen, vermeld in het vierde lid, die gepleegd zijn met hetzelfde voertuig en vastgesteld zijn op dezelfde kalenderdag. Het toepasselijke tarief voor de administratieve geldboete is dat van de overtreding waarvoor het hoogste tarief geldt, overeenkomstig het vierde lid.
Onverminderd de toepassing van het tweede lid, wordt er geen administratieve geldboete opgelegd voor iedere overtreding die werd begaan binnen een ononderbroken tijdvak van drie uren vanaf de vaststelling van een eerdere overtreding op de bepalingen van deze codex en de uitvoeringsbesluiten ervan of van de wetgeving van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of het Waalse Gewest met betrekking tot de kilometerheffing, in zoverre de betrokken overtredingen werden begaan met hetzelfde voertuig en in zoverre een administratieve geldboete werd opgelegd voor de eerst begane overtreding.
De administratieve geldboete, vermeld in het tweede lid, wordt berekend volgens de volgende tabel:
| Categorie van de overtreding | Soort overtreding | Boetebedrag (in euro) |
| A | -manipulatie van de [1 boordapparatuur]1; -vervalsing van de [1 voertuigdocumenten]1 die nodig zijn om het maximaal toegestane totaalgewicht en de euro-emissieklasse van het voertuig te bepalen; | 1.000 |
| B | -er is geen [1 boordapparatuur]1 voor België aan boord van het voertuig; -er is geen dienstverleningsovereenkomst afgesloten voor het betrokken voertuig; | 800 |
| C | -de [1 boordapparatuur]1 is niet geactiveerd; -de [1 boordapparatuur]1 aan boord van het voertuig is diegene van een ander voertuig; -gebruik van het belastbaar wegennet terwijl de dienst-verleningsovereenkomst geschorst is; -gebruik van het belastbaar wegennet nadat de [1 boordapparatuur]1 het signaal heeft ontvangen dat het ter beschikking gestelde gegarandeerde betaalmiddel ontoereikend is geworden; - gebruik van het belastbaar wegennet terwijl de [1 boordapparatuur]1 een probleem signaleert, of elk signaal door de [1 boordapparatuur]1 ontbreekt, zonder dat de houder van het voertuig zich onmiddellijk in verbinding stelt met de [1 dienstaanbieder of de hoofddienstaanbieder]1; gebruik van het belastbaar wegennet terwijl de [1 boordapparatuur]1 een probleem signaleert, of elk signaal door de [1 boordapparatuur]1 ontbreekt, nadat de houder van het voertuig zich onmiddellijk in verbinding stelt met de [1 dienstaanbieder of de hoofddienstaanbieder]1, maar zonder dat hij de gegeven instructies naleeft; | 500 |
| D | elke andere overtreding van de regelgeving inzake de kilometer-heffing in deze codex en zijn uitvoeringsbesluiten die hierboven niet expliciet vermeld is | 100 |
| (1)<DVR 2024-05-03/09, art. 8, 067; Inwerkingtreding : 01-07-2025> | ||
(in euro)A-manipulatie van de [1 boordapparatuur]1;
-vervalsing van de [1 voertuigdocumenten]1 die nodig zijn om het maximaal toegestane totaalgewicht en de euro-emissieklasse van het voertuig te bepalen;1.000B-er is geen [1 boordapparatuur]1 voor België aan boord van het voertuig;
-er is geen dienstverleningsovereenkomst afgesloten voor het betrokken voertuig;800C-de [1 boordapparatuur]1 is niet geactiveerd;
-de [1 boordapparatuur]1 aan boord van het voertuig is diegene van een ander voertuig; -gebruik van het belastbaar wegennet terwijl de dienst-verleningsovereenkomst geschorst is;
-gebruik van het belastbaar wegennet nadat de [1 boordapparatuur]1 het signaal heeft ontvangen dat het ter beschikking gestelde gegarandeerde betaalmiddel ontoereikend is geworden;
- gebruik van het belastbaar wegennet terwijl de [1 boordapparatuur]1 een probleem signaleert, of elk signaal door de [1 boordapparatuur]1 ontbreekt, zonder dat de houder van het voertuig zich onmiddellijk in verbinding stelt met de [1 dienstaanbieder of de hoofddienstaanbieder]1;
gebruik van het belastbaar wegennet terwijl de [1 boordapparatuur]1 een probleem signaleert, of elk signaal door de [1 boordapparatuur]1 ontbreekt, nadat de houder van het voertuig zich onmiddellijk in verbinding stelt met de [1 dienstaanbieder of de hoofddienstaanbieder]1, maar zonder dat hij de gegeven instructies naleeft;500Delke andere overtreding van de regelgeving inzake de kilometer-heffing in deze codex en zijn uitvoeringsbesluiten die hierboven niet expliciet vermeld is100(1)
Het bevoegde personeelslid kan de administratieve geldboete, vermeld in het vierde lid, categorie C, verminderen tot 250 euro als de boete betrekking heeft op de eerste overtreding van categorie C in het betreffende kalenderjaar.
Het bevoegde personeelslid kan de administratieve geldboetes, vermeld in het vierde lid, voor hetzelfde type van overtreding begaan binnen een beperkte tijdspanne verminderen als de belastingplichtige te goeder trouw handelde.]8
§ 5. De administratieve geldboeten, vermeld in paragraaf 1 tot en met paragraaf 4, [6 [9 ...]9]6 worden ingevorderd volgens de regels die van toepassing zijn op de overeenstemmende belasting.
[9 De administratieve geldboeten, vermeld in paragraaf 4/1, worden ingevorderd conform de bepalingen van titel 3, met uitzondering van artikel 3.1.0.0.1, eerste en tweede lid, en de bepalingen die louter betrekking hebben op een andere belasting als vermeld in titel 2 dan de kilometerheffing.]9 ]1
-
Art. 3.18.0.0.3. Par dérogation à l'article 3.2.2.0.1, les membres du personnel compétents peuvent, pendant l'exercice de la surveillance, citée dans l'article 3.13.2.0.1, imposer les amendes administratives, citées dan l'article 3.18.0.0.1, ou les majorations d'impôt, citées dans l'article 3.18.0.0.2, [1 l'article 3.18.0.0.15/1 et l'article 3.18.0.0.15/2,]1 sans qu'elles doivent être enrôlées. Si à cet effet aucun paiement en espèces ne peut être obtenu, ces amendes administratives ou majorations de l'impôt seront quand-même enrôlées à un moment ultérieur.
Art. 3.18.0.0.3. In afwijking van artikel 3.2.2.0.1 kunnen de bevoegde personeelsleden tijdens de uitvoering van het toezicht, vermeld in artikel 3.13.2.0.1, de administratieve geldboetes, vermeld in artikel 3.18.0.0.1, of de belastingverhogingen, vermeld in artikel 3.18.0.0.2, [1 3.18.0.0.15/1 en 3.18.0.0.15/2,]1 opleggen zonder dat ze moeten worden ingekohierd. Als daarbij geen contante betaling verkregen kan worden, worden die administratieve geldboetes of belastingverhogingen op een later tijdstip alsnog ingekohierd.
Art. 3.18.0.0.4. La taxe de circulation éludée est triplée si elle dépasse un dixième de la taxe originale.
Art. 3.18.0.0.4. De ontdoken verkeersbelasting wordt op het drievoudige gebracht als ze een tiende van de oorspronkelijke belasting overschrijdt.
Art. 3.18.0.0.5. [1 Toute personne qui enfreint les dispositions de ce code relatif aux droits de succession, ainsi que les décisions prises pour sa mise en oeuvre, est tenu au paiement de la majoration d'impôt redevable du fait de cette infraction.
Si plusieurs personnes commettent une infraction qui donne lieu à une augmentation d'impôt sur les droits de succession, chaque contrevenant est tenu au paiement de cette majoration d'impôt s'il peut être contraint au paiement des droits de succession correspondants.
Si une personne a commis plusieurs infractions comme indiqué au premier alinéa, elle est redevable d'une majoration d'impôt pour toutes ces infractions.]1
Si plusieurs personnes commettent une infraction qui donne lieu à une augmentation d'impôt sur les droits de succession, chaque contrevenant est tenu au paiement de cette majoration d'impôt s'il peut être contraint au paiement des droits de succession correspondants.
Si une personne a commis plusieurs infractions comme indiqué au premier alinéa, elle est redevable d'une majoration d'impôt pour toutes ces infractions.]1
Art. 3.18.0.0.5. [1 Iedere persoon die een overtreding van de bepalingen van deze codex betreffende de erfbelasting, alsook van de ter uitvoering ervan genomen besluiten, heeft gepleegd, is gehouden tot de betaling van de wegens deze overtreding verschuldigde belastingverhoging.
Als verschillende personen een overtreding plegen die aanleiding geeft tot een belastingverhoging inzake de erfbelasting, is iedere overtreder voor die belastingverhoging gehouden tot de betaling ervan als hij tot de betaling van de desbetreffende erfbelasting kan worden gedwongen.
Als iemand verschillende overtredingen als vermeld in het eerste lid gepleegd heeft, is hij voor al die overtredingen een belastingverhoging verschuldigd.]1
Als verschillende personen een overtreding plegen die aanleiding geeft tot een belastingverhoging inzake de erfbelasting, is iedere overtreder voor die belastingverhoging gehouden tot de betaling ervan als hij tot de betaling van de desbetreffende erfbelasting kan worden gedwongen.
Als iemand verschillende overtredingen als vermeld in het eerste lid gepleegd heeft, is hij voor al die overtredingen een belastingverhoging verschuldigd.]1
Art. 3.18.0.0.6. [1 § 1er. Si la déclaration n'est pas introduite dans le délai de déclaration visé à l'article 3.3.1.0.5, § 2 ou 3.3.1.0.6, toute personne qui est tenue d'introduire une déclaration est redevable d'une majoration d'impôt, conformément au tableau suivant :
-
| moment de l'introduction après l'échéance du délai de la déclaration | majoration de l'impôt en % des droits de succession à payer | |
| à partir de | jusqu'au dernier jour de | |
| jour 1 | mois 5 | 5 |
| mois 6 | mois 11 | 10 |
| mois 12 | mois 17 | 15 |
| mois 18 | 20 | |
jour 1 mois 5 5mois 6 mois 11 10mois 12 mois 17 15mois 18 20
§ 2. Si, en application de l'article 3.3.1.0.7, le délai de déclaration est prolongé, toute personne qui est tenue d'introduire une déclaration, en dérogation au paragraphe 1er, est redevable d'une majoration d'impôt, conformément au tableau ci-dessous :
-
| moment de l'introduction après l'échéance du délai de la déclaration | majoration de l'impôt en % des droits de succession à payer | |
| à partir de | jusqu'au dernier jour de | |
| jour 1 | mois 5 | 1 |
| mois 6 | mois 11 | 5 |
| mois 12 | mois 17 | 7,5 |
| mois 18 | 10 | |
jour 1 mois 5 1mois 6 mois 11 5mois 12 mois 17 7,5mois 18 10
Si, en application de l'article 3.3.1.0.7, le délai de déclaration est prolongé, et que la déclaration n'est pas introduite dans le nouveau délai accordé, le paragraphe 1er est à nouveau d'application.]1
Art. 3.18.0.0.6. [1 § 1. Als de aangifte niet binnen de aangiftetermijn, vermeld in artikel 3.3.1.0.5, § 2, of 3.3.1.0.6, is ingediend, is elke persoon die tot de aangifte gehouden is, een belastingverhoging verschuldigd, conform de onderstaande tabel :
Art. 3.18.0.0.7. [1 L'héritier, le légataire ou le donataire qui n'a pas indiqué tous les biens conformément aux dispositions de l'article 3.3.1.0.8, paie une majoration d'impôt équivalente à 20 % des droits complémentaires dus.]1
[2 [3 La majoration d'impôt, visée à l'alinéa 1er, est remplacée par une majoration d'impôt conformément au tableau ci-dessous, si un héritier, un légataire ou un donataire de propre initiative déclare un bien qui, par dérogation à l'article 3.3.1.0.8, n'était pas mentionné dans la déclaration :
[2 [3 La majoration d'impôt, visée à l'alinéa 1er, est remplacée par une majoration d'impôt conformément au tableau ci-dessous, si un héritier, un légataire ou un donataire de propre initiative déclare un bien qui, par dérogation à l'article 3.3.1.0.8, n'était pas mentionné dans la déclaration :
| ogenblik van indiening na het verstrijken van de aangiftetermijn | belastingverhoging in % van de te betalen erfbelasting | |
| vanaf | tot en met de laatste dag van | |
| dag 1 | maand 5 | 5 |
| maand 6 | maand 11 | 10 |
| maand 12 | maand 17 | 15 |
| maand 18 | 20 | |
dag 1 maand 55maand 6 maand 11 10maand 12 maand 17 15maand 18 20
§ 2. Als met toepassing van artikel 3.3.1.0.7 de aangiftetermijn is verlengd, is elke persoon die tot de aangifte gehouden is, in afwijking van paragraaf 1 een belastingverhoging verschuldigd, conform de onderstaande tabel :
| moment d'introduction après l'expiration du délai de déclaration visé à l'article 3.3.1.0.5, § 2, du CFF, ou à l'article 3.3.1.0.6 du CFF | accroissement d'impôt en % des droits de succession à payer | |
| à partir du premier jour du | jusqu'au dernier jour du | |
| mois 1 | mois 1 | 1 |
| mois 2 | mois 2 | 2 |
| mois 3 | mois 3 | 3 |
| mois 4 | mois 4 | 4 |
| mois 5 | mois 5 | 5 |
| mois 6 | mois 6 | 6 |
| mois 7 | mois 10 | 10 |
mois 1 mois 1 1 mois 2 mois 2 2 mois 3 mois 3 3 mois 4 mois 4 4 mois 5 mois 5 5 mois 6 mois 6 6 mois 7 mois 10 10
]3]2
| ogenblik van indiening na het verstrijken van de aangiftetermijn | belastingverhoging in % van de te betalen erfbelasting | |
| vanaf | tot en met de laatste dag van | |
| dag 1 | maand 5 | 1 |
| maand 6 | maand 11 | 5 |
| maand 12 | maand 17 | 7,5 |
| maand 18 | 10 | |
dag 1 maand 51maand 6 maand 115maand 12 maand 17 7,5maand 18 10
Als met toepassing van artikel 3.3.1.0.7 de aangiftetermijn is verlengd, en de aangifte niet binnen de toegestane verlengingstermijn wordt ingediend, wordt paragraaf 1 opnieuw van toepassing.]1
-
Art. 3.18.0.0.7. [1 De erfgenaam, legataris of begiftigde die niet alle goederen heeft aangegeven overeenkomstig de bepalingen van artikel 3.3.1.0.8, betaalt een belastingverhoging die gelijk is aan 20 % van de daardoor verschuldigde aanvullende rechten.]1
[2 [3 De belastingverhoging, vermeld in het eerste lid, wordt vervangen door een belastingverhoging conform de onderstaande tabel als een erfgenaam, legataris of begiftigde uit eigen beweging, een goed dat in afwijking van artikel 3.3.1.0.8 niet was opgenomen in de aangifte, alsnog aangeeft:
[2 [3 De belastingverhoging, vermeld in het eerste lid, wordt vervangen door een belastingverhoging conform de onderstaande tabel als een erfgenaam, legataris of begiftigde uit eigen beweging, een goed dat in afwijking van artikel 3.3.1.0.8 niet was opgenomen in de aangifte, alsnog aangeeft:
Art. 3.18.0.0.8. [1 S'il est constaté que la valeur déclarée des biens déclarés est trop faible, une majoration d'impôt est due conformément au tableau ci-dessous :
| ogenblik van indiening na het verstrijken van de aangiftetermijn, vermeld in artikel 3.3.1.0.5, § 2, VCF of artikel 3.3.1.0.6 VCF | belastingverhoging in % van de te betalen erfbelasting | |
| vanaf de eerste dag van | tot en met de laatste dag van | |
| maand 1 | maand 1 | 1 |
| maand 2 | maand 2 | 2 |
| maand 3 | maand 3 | 3 |
| maand 4 | maand 4 | 4 |
| maand 5 | maand 5 | 5 |
| maand 6 | maand 6 | 6 |
| maand 7 | maand 10 | 10 |
maand 1 maand 1 1 maand 2 maand 2 2 maand 3 maand 3 3 maand 4 maand 4 4 maand 5 maand 5 5 maand 6 maand 6 6 maand 7 maand 10 10
]3]2
| rapport du manque en % par rapport à la valeur déclarée du bien | majoration d'impôt en % des droits complémentaires | |
| De | à | |
| 10 | 25 | 5 |
| 25 | 50 | 10 |
| 50 | 100 | 15 |
| 100 | 20 | |
des droits complémentairesDe à
10 25 525 50 1050 100 15100 20
[2 Par dérogation à l'alinéa 1er, l'accroissement d'impôt est réduit à la moitié du pourcentage des droits complémentaires dus, visés à l'alinéa 1er, si un héritier, un légataire ou un donataire de propre initiative et dans les dix mois soit après le décès soit après le début du délai de déclaration tel que calculé conformément à l'article 3.3.1.0.6, alinéa 3 ou 4, déclare une valeur plus élevée pour un bien pour lequel il avait indiqué, par dérogation à l'article 3.3.1.0.8, une valeur trop basse dans la déclaration.]2]1
Art. 3.18.0.0.8. [1 Als wordt vastgesteld dat de aangegeven waarde van de aangegeven goederen te laag is, is een belastingverhoging verschuldigd, conform de onderstaande tabel :
Art. 3.18.0.0.9. [1 L'héritier, le légataire ou le donataire qui n'introduit pas de déclaration comme visé à l'article 3.3.1.0.5 ou 3.3.1.0.6 paie une majoration d'impôt équivalente à 20 % des droits e succession dus.]1
| verhouding van het tekort in % ten opzichte van de aangegeven waarde van het goed | belastingverhoging in % van de aanvullende rechten | |
| Vanaf | tot | |
| 10 | 25 | 5 |
| 25 | 50 | 10 |
| 50 | 100 | 15 |
| 100 | 20 | |
ten opzichte van de aangegeven waarde van het goed belastingverhoging in % van de aanvullende rechtenVanaf tot
10 25 525 50 1050 100 15100 20
[2 In afwijking van het eerste lid, wordt de belastingverhoging verminderd tot de helft van het percentage van de verschuldigde aanvullende rechten, vermeld in het eerste lid, als een erfgenaam, legataris of begiftigde uit eigen beweging, en binnen tien maanden na hetzij het overlijden, hetzij de start van de aangiftetermijn zoals berekend overeenkomstig artikel 3.3.1.0.6, derde of vierde lid, voor een goed dat in afwijking van artikel 3.3.1.0.8 voor een te lage waarde was opgenomen in de aangifte, alsnog een hogere waarde aangeeft.]2.]1
-
Art. 3.18.0.0.9. [1 De erfgenaam, legataris of begiftigde die geen aangifte als vermeld in artikel 3.3.1.0.5 of 3.3.1.0.6 indient, betaalt een belastingverhoging die gelijk is aan 20 % van de verschuldigde erfbelasting]1
Art. 3.18.0.0.10. [1 Une majoration d'impôt de 20 % des droits complémentaires concernant la succession est due par l'héritier, le légataire ou le donataire si les mentions obligatoires visées à l'article 3.3.1.0.8 sont incorrectes ou incomplètes, sauf si cette erreur donne déjà lieu à une majoration d'impôt conformément à l'application des articles 3.18.0.0.6, 3.18.0.0.7, 3.18.0.0.8 ou 3.18.0.0.9.]1
Art. 3.18.0.0.10. [1 Een belastingverhoging van 20 % van de aanvullende rechten inzake de erfbelasting is verschuldigd door de erfgenaam, legataris of begiftigde als de verplichte vermeldingen, vermeld in artikel 3.3.1.0.8, foutief of onvolledig zijn, tenzij die fout of onvolledigheid al aanleiding geeft tot een belastingverhoging ingevolge de toepassing van artikel 3.18.0.0.6, 3.18.0.0.7, 3.18.0.0.8 of 3.18.0.0.9.]1
Art. 3.18.0.0.11. [1 Une majoration d'impôt de 20 % de la taxe d'immatriculation des droits complémentaires est redevable dans les cas suivants par :
1° la personne qui n'a pas fait enregistrer dans les délais prescrits les actes ou attestations qui sont soumis à une formalité d'immatriculation ;
2° le donateur et le donataire en cas d'indication incorrecte de leur lien de parenté ou du lien de cohabitation entre eux ;
3° chacun des donataires qui s'est engagé, comme visé à l'article 2.8.4.2.3, premier alinéa, 2°, et qui n'a pas respecté son engagement ;
4° le donateur et les donataires en cas de déclaration incorrecte, visée à l'article 2.8.4.2.3, deuxième alinéa ;
[2 4° /1 chacun des bénéficiaires qui n'a pas respecté l'engagement, visé à l'article 2.8.4.3.1, § 2, alinéa trois ;]2
5° le contribuable qui, pour l'application de l'article 2.8.5.0.1 concernant le nombre de descendants, a déposé une déclaration incorrecte ;
6° [5 le cessionnaire, en cas de mentions incorrectes concernant les conditions visées à l'article 2.9.4.2.11, § 2, alinéa premier, 1°, à l'article 2.9.4.2.12, § 1er, alinéa premier, 1°, 2° et 3°, [9 à l'article 2.9.4.2.12, § 1er, alinéa trois,]9 à l'article 2.9.4.2.13, § 1er, alinéa premier, 1° et 2°, ou à l'article 2.9.4.2.14, § 1er ;]5
7° [5 le cessionnaire, si le tarif réduit visé à l'article 2.9.4.2.11 ou à l'article 2.9.4.2.12, échoit à défaut d'inscription dans le registre national ou dans le registre des étrangers à l'adresse du bien acquis dans les délais visés à l'article 2.9.4.2.11, § 2, alinéa premier, 2°, ou à l'article 2.9.4.2.12, § 1er, alinéa premier, 4° ;]5
[3 7°/1 [5 le cessionnaire, si le tarif réduit visé à l'article 2.9.4.2.11, § 1er, échoit à défaut d'aliénation de l'habitation ou du terrain à bâtir et duquel pour l'application de l'article 2.9.4.2.11, § 2, alinéa premier, 1°, il n'est pas tenu compte dans le délai mentionné à l'article 2.9.4.2.11, § 3, 1° ;]5]3
[5 7° /2 le cessionnaire, si le tarif réduit, visé à l'article 2.9.4.2.12, § 1er, échoit à défaut d'une réalisation, dans les délais impartis, de la rénovation, [10 de la reconstruction partielle ou de la reconstruction]10 telle que visée à l'article 2.9.4.2.12, § 1er, alinéa premier, 1°, ou à défaut du respect de la condition, visée à l'article 2.9.4.2.12, § 1er, alinéa premier, 2° ;]5
[5 ° /3 le cessionnaire, si le tarif réduit visé à l'article 2.9.4.2.12, § 1er, échoit à défaut d'aliénation de l'habitation ou du terrain à bâtir et duquel pour l'application de l'article 2.9.4.2.12, § 2, 1°, il n'est pas tenu compte dans le délai mentionné à l'article 2.9.4.2.12, § 2, 1° ;]5
[5 7° /4 [6 l'acquéreur, si le tarif réduit, visé à l'article 2.9.4.2.13, § 1er, échoit à défaut d'une location dans les délais, telle que visée à l'article 2.9.4.2.13, § 1er, alinéa premier, 1° ou à défaut d'une introduction dans les délais des documents justificatifs, visés à l'article 2.9.4.2.13, § 1er, alinéa premier, ou en cas d'une cessation prématurée du bail ou à défaut d'une notification à temps visée à l'article 2.9.4.2.13, § 4 ;]6]5
[5 7° /5 le cessionnaire, si le tarif réduit, visé à l'article 2.9.4.2.14, § 1er, échoit à défaut d'une inscription dans les délais [7 visé à l'article 2.9.4.2.14, § 2, alinéa deux, 1°,]7 ;]5
[5 7° /6 le cessionnaire, si le tarif réduit visé à l'article 2.9.4.2.14, § 1er, échoit à défaut d'aliénation de l'habitation ou du terrain à bâtir et duquel pour l'application de l'article 2.9.4.2.11, § 2, alinéa premier, 1°, il n'est pas tenu compte dans le délai mentionné à l'article 2.9.4.2.14, § 5, 1° ;]5
8° la personne qui a signé une déclaration d'appel si, au terme d'un délai de cinq ans suivant cette déclaration, elle n'est pas en mesure de démontrer par une série de reventes qu'elle exerce effectivement la profession indiquée comme prescrit par l'article 2.9.4.2.4, § 4 ;
9° le cessionnaire, en application de l'article 2.9.4.2.5 ;
10° les parties d'un échange comme visé à l'article 2.9.4.2.8 pour chaque palier trouvé trop bas ou chaque différence de valeur trop faible, et pour chaque surestimation des lots qui ont pour conséquence une diminution de la taxe d'immatriculation ;
11° la personne physique qui a bénéficié de l'avantage de l'article 2.9.5.0.1, en cas d'inexactitude ou de non-respect des mentions prescrites à l'article 2.9.5.0.2 ;
12° le cédant, en cas de mentions incorrectes concernant les conditions visées à l'article 2.9.6.0.1, premier alinéa, 4° ;
13° la personne physique qui a reçu un remboursement de la taxe d'immatriculation en application de l'article 3.6.0.0.6, en cas d'inexactitude ou de non-respect des mentions visées à l'article 3.6.0.0.6, § 3, sixième alinéa ;
14° les parties, en cas d'inexactitude de la déclaration concernant l'exploitation des biens immobiliers échangés, visée à [8 l'article 3.12.3.0.1, § 3, alinéa 3]8;
15° les parties si, en application de l'article 3.12.3.0.4, les mentions visées manquent, sont incorrectes ou incomplètes ;
16° les personnes qui ont déposé une déclaration sur toute autre inexactitude se trouvant dans les éléments d'une déclaration dans ou au bas de l'acte, devant procéder au paiement de la taxe d'immatriculation, et l'inexactitude sanctionnée par la majoration d'impôt visée à l'article 3.18.0.0.15.
Pour les cas visés au premier alinéa, 1°, 2°, 4°, 10°, 14° et 15°, les personnes ou parties mentionnées sont principalement responsables du paiement de la majoration d'impôt.]1
[4 Par dérogation à l'alinéa 1er, 1°, l'augmentation d'impôt s'élève à 1% de l'impôt d'enregistrement si la personne a dépassé les délais imposés de trente jours calendaires au maximum, sans que cette augmentation d'impôt puisse être inférieure à 100 euros. ]4
1° la personne qui n'a pas fait enregistrer dans les délais prescrits les actes ou attestations qui sont soumis à une formalité d'immatriculation ;
2° le donateur et le donataire en cas d'indication incorrecte de leur lien de parenté ou du lien de cohabitation entre eux ;
3° chacun des donataires qui s'est engagé, comme visé à l'article 2.8.4.2.3, premier alinéa, 2°, et qui n'a pas respecté son engagement ;
4° le donateur et les donataires en cas de déclaration incorrecte, visée à l'article 2.8.4.2.3, deuxième alinéa ;
[2 4° /1 chacun des bénéficiaires qui n'a pas respecté l'engagement, visé à l'article 2.8.4.3.1, § 2, alinéa trois ;]2
5° le contribuable qui, pour l'application de l'article 2.8.5.0.1 concernant le nombre de descendants, a déposé une déclaration incorrecte ;
6° [5 le cessionnaire, en cas de mentions incorrectes concernant les conditions visées à l'article 2.9.4.2.11, § 2, alinéa premier, 1°, à l'article 2.9.4.2.12, § 1er, alinéa premier, 1°, 2° et 3°, [9 à l'article 2.9.4.2.12, § 1er, alinéa trois,]9 à l'article 2.9.4.2.13, § 1er, alinéa premier, 1° et 2°, ou à l'article 2.9.4.2.14, § 1er ;]5
7° [5 le cessionnaire, si le tarif réduit visé à l'article 2.9.4.2.11 ou à l'article 2.9.4.2.12, échoit à défaut d'inscription dans le registre national ou dans le registre des étrangers à l'adresse du bien acquis dans les délais visés à l'article 2.9.4.2.11, § 2, alinéa premier, 2°, ou à l'article 2.9.4.2.12, § 1er, alinéa premier, 4° ;]5
[3 7°/1 [5 le cessionnaire, si le tarif réduit visé à l'article 2.9.4.2.11, § 1er, échoit à défaut d'aliénation de l'habitation ou du terrain à bâtir et duquel pour l'application de l'article 2.9.4.2.11, § 2, alinéa premier, 1°, il n'est pas tenu compte dans le délai mentionné à l'article 2.9.4.2.11, § 3, 1° ;]5]3
[5 7° /2 le cessionnaire, si le tarif réduit, visé à l'article 2.9.4.2.12, § 1er, échoit à défaut d'une réalisation, dans les délais impartis, de la rénovation, [10 de la reconstruction partielle ou de la reconstruction]10 telle que visée à l'article 2.9.4.2.12, § 1er, alinéa premier, 1°, ou à défaut du respect de la condition, visée à l'article 2.9.4.2.12, § 1er, alinéa premier, 2° ;]5
[5 ° /3 le cessionnaire, si le tarif réduit visé à l'article 2.9.4.2.12, § 1er, échoit à défaut d'aliénation de l'habitation ou du terrain à bâtir et duquel pour l'application de l'article 2.9.4.2.12, § 2, 1°, il n'est pas tenu compte dans le délai mentionné à l'article 2.9.4.2.12, § 2, 1° ;]5
[5 7° /4 [6 l'acquéreur, si le tarif réduit, visé à l'article 2.9.4.2.13, § 1er, échoit à défaut d'une location dans les délais, telle que visée à l'article 2.9.4.2.13, § 1er, alinéa premier, 1° ou à défaut d'une introduction dans les délais des documents justificatifs, visés à l'article 2.9.4.2.13, § 1er, alinéa premier, ou en cas d'une cessation prématurée du bail ou à défaut d'une notification à temps visée à l'article 2.9.4.2.13, § 4 ;]6]5
[5 7° /5 le cessionnaire, si le tarif réduit, visé à l'article 2.9.4.2.14, § 1er, échoit à défaut d'une inscription dans les délais [7 visé à l'article 2.9.4.2.14, § 2, alinéa deux, 1°,]7 ;]5
[5 7° /6 le cessionnaire, si le tarif réduit visé à l'article 2.9.4.2.14, § 1er, échoit à défaut d'aliénation de l'habitation ou du terrain à bâtir et duquel pour l'application de l'article 2.9.4.2.11, § 2, alinéa premier, 1°, il n'est pas tenu compte dans le délai mentionné à l'article 2.9.4.2.14, § 5, 1° ;]5
8° la personne qui a signé une déclaration d'appel si, au terme d'un délai de cinq ans suivant cette déclaration, elle n'est pas en mesure de démontrer par une série de reventes qu'elle exerce effectivement la profession indiquée comme prescrit par l'article 2.9.4.2.4, § 4 ;
9° le cessionnaire, en application de l'article 2.9.4.2.5 ;
10° les parties d'un échange comme visé à l'article 2.9.4.2.8 pour chaque palier trouvé trop bas ou chaque différence de valeur trop faible, et pour chaque surestimation des lots qui ont pour conséquence une diminution de la taxe d'immatriculation ;
11° la personne physique qui a bénéficié de l'avantage de l'article 2.9.5.0.1, en cas d'inexactitude ou de non-respect des mentions prescrites à l'article 2.9.5.0.2 ;
12° le cédant, en cas de mentions incorrectes concernant les conditions visées à l'article 2.9.6.0.1, premier alinéa, 4° ;
13° la personne physique qui a reçu un remboursement de la taxe d'immatriculation en application de l'article 3.6.0.0.6, en cas d'inexactitude ou de non-respect des mentions visées à l'article 3.6.0.0.6, § 3, sixième alinéa ;
14° les parties, en cas d'inexactitude de la déclaration concernant l'exploitation des biens immobiliers échangés, visée à [8 l'article 3.12.3.0.1, § 3, alinéa 3]8;
15° les parties si, en application de l'article 3.12.3.0.4, les mentions visées manquent, sont incorrectes ou incomplètes ;
16° les personnes qui ont déposé une déclaration sur toute autre inexactitude se trouvant dans les éléments d'une déclaration dans ou au bas de l'acte, devant procéder au paiement de la taxe d'immatriculation, et l'inexactitude sanctionnée par la majoration d'impôt visée à l'article 3.18.0.0.15.
Pour les cas visés au premier alinéa, 1°, 2°, 4°, 10°, 14° et 15°, les personnes ou parties mentionnées sont principalement responsables du paiement de la majoration d'impôt.]1
[4 Par dérogation à l'alinéa 1er, 1°, l'augmentation d'impôt s'élève à 1% de l'impôt d'enregistrement si la personne a dépassé les délais imposés de trente jours calendaires au maximum, sans que cette augmentation d'impôt puisse être inférieure à 100 euros. ]4
Änderungen
Art. 3.18.0.0.11. [1 Een belastingverhoging van 20 % van de registratiebelasting, respectievelijk van de aanvullende rechten, is in de volgende gevallen verschuldigd door :
1° de persoon die binnen de voorgeschreven termijnen de akten of geschriften die aan de registratieformaliteit zijn onderworpen, niet heeft laten registreren;
2° de schenker en begiftigde bij een onjuiste opgave van hun graad van verwantschap of van de samenwoningsrelatie die tussen hen bestaat;
3° elk van de begiftigden die de verbintenis, vermeld in artikel 2.8.4.2.3, eerste lid, 2°, is aangegaan en niet is nagekomen;
4° de schenker en de begiftigden in geval van de onjuiste verklaring, vermeld in artikel 2.8.4.2.3, tweede lid;
[2 4° /1 elk van de begiftigden die de verbintenis, vermeld in artikel 2.8.4.3.1, § 2, derde lid, niet is nagekomen;]2
5° de belastingplichtige die voor de toepassing van artikel 2.8.5.0.1 over het aantal afstammelingen een onjuiste verklaring heeft afgelegd;
6° [5 de verkrijger in geval van onjuiste vermeldingen van de voorwaarden, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 2, eerste lid, 1°, artikel 2.9.4.2.12, § 1, eerste lid, 1°, 2° en 3°, [9 artikel 2.9.4.2.12, § 1, derde lid,]9 artikel 2.9.4.2.13, § 1, eerste lid, 1° en 2°, of artikel 2.9.4.2.14, § 1;]5
7° [5 de verkrijger, als het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11 of artikel 2.9.4.2.12, vervalt bij gebrek aan inschrijving in het bevolkingsregister of het vreemdelingenregister op het adres van het aangekochte goed binnen de termijn, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 2, eerste lid, 2°, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, eerste lid, 4° ;]5
[3 7° /1 [5 de verkrijger, als het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1, vervalt bij gebrek aan vervreemding van de woning of de bouwgrond en waarmee voor de toepassing van artikel 2.9.4.2.11, § 2, eerste lid, 1°, geen rekening is gehouden binnen de termijn, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 3, 1° ;]5]3
[5 7° /2 de verkrijger, als het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.12, § 1, vervalt bij gebrek aan tijdige uitvoering van de renovatie, [10 gedeeltelijke herbouw of herbouw,]10 vermeld in artikel 2.9.4.2.12, § 1, eerste lid, 1°, of bij gebrek aan naleving van de voorwaarde, vermeld in artikel 2.9.4.2.12, § 1, eerste lid, 2° ;]5
[5 7° /3 de verkrijger, als het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.12, § 1, vervalt bij gebrek aan vervreemding van de woning of de bouwgrond en waarmee voor de toepassing van artikel 2.9.4.2.12, § 2, 1°, geen rekening is gehouden binnen de termijn, vermeld in artikel 2.9.4.2.12, § 2, 1° ;]5
[5 7° /4 [6 de verkrijger, als het verlaagd tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.13, § 1, vervalt bij gebrek aan tijdige verhuring als vermeld in artikel 2.9.4.2.13, § 1, eerste lid, 1°, of bij gebrek aan tijdige indiening van de bewijsstukken, vermeld in artikel 2.9.4.2.13, § 1, eerste lid, 2°, of bij vroegtijdige beëindiging van de huurovereenkomst of bij gebrek aan tijdige kennisgeving hiervan als vermeld in artikel 2.9.4.2.13, § 4;]6]5
[5 7° /5 de verkrijger, als het verlaagd tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.14, § 1, vervalt bij gebrek aan inschrijving binnen de termijn, [7 vermeld in artikel 2.9.4.2.14, § 2, tweede lid, 1°]7 ;]5
[5 7° /6 de verkrijger, als het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.14, § 1, vervalt bij gebrek aan vervreemding van de woning of de bouwgrond en waarmee voor de toepassing van artikel 2.9.4.2.11, § 2, eerste lid, 1°, geen rekening is gehouden binnen de termijn, vermeld in artikel 2.9.4.2.14, § 5, 1° ;]5
8° de persoon die een beroepsverklaring heeft ondertekend, als hij bij het verstrijken van een termijn van vijf jaar na die verklaring niet bij machte is om door een reeks wederverkopen te laten blijken dat hij het aangegeven beroep werkelijk uitoefent, zoals voorgeschreven door artikel 2.9.4.2.4, § 4;
9° de verkrijger, als toepassing gemaakt wordt van artikel 2.9.4.2.5;
10° de partijen bij een ruiling als vermeld in artikel 2.9.4.2.8 voor elke te laag bevonden opleg of elk te laag bevonden waardeverschil, en voor elke overschatting van de kavels die een vermindering van de registratiebelasting tot gevolg heeft;
11° de natuurlijke persoon die het voordeel heeft genoten van artikel 2.9.5.0.1, in geval van onjuistheid of niet-nakoming van de vermeldingen, voorgeschreven bij artikel 2.9.5.0.2;
12° de cedent in geval van onjuiste vermeldingen omtrent de voorwaarden, vermeld in artikel 2.9.6.0.1, eerste lid, 4° ;
13° de natuurlijke persoon die een teruggave van de registratiebelasting heeft ontvangen met toepassing van artikel 3.6.0.0.6, in geval van onjuistheid of niet-nakoming van de vermeldingen, voorgeschreven bij artikel 3.6.0.0.6, § 3, zesde lid;
14° de partijen in geval van onjuistheid van de verklaring over de uitbating van de geruilde onroerende goederen, vermeld in [8 artikel 3.12.3.0.1, § 3, derde lid]8;
15° de partijen, als voor de toepassing van artikel 3.12.3.0.4 bewuste vermeldingen ontbreken of als ze onjuist of onvolledig zijn;
16° de personen die een verklaring afgelegd hebben over elke andere onjuistheid, bevonden in de elementen van een verklaring in of onderaan op de akte, gesteld tot vereffening van de registratiebelasting, dan de onjuistheid die beboet wordt met de belastingverhoging, vermeld in artikel 3.18.0.0.15.
Voor de gevallen, vermeld in het eerste lid, 1°, 2°, 4°, 10°, 14° en 15°, zijn de vermelde personen of partijen hoofdelijk gehouden tot de betaling van de belastingverhoging.]1
[4 In afwijking van het eerste lid, 1°, bedraagt de belastingverhoging 1% van de registratiebelasting als de persoon de voorgeschreven termijnen met hoogstens dertig kalenderdagen heeft overschreden, zonder dat deze belastingverhoging lager mag zijn dan 100 euro.]4
1° de persoon die binnen de voorgeschreven termijnen de akten of geschriften die aan de registratieformaliteit zijn onderworpen, niet heeft laten registreren;
2° de schenker en begiftigde bij een onjuiste opgave van hun graad van verwantschap of van de samenwoningsrelatie die tussen hen bestaat;
3° elk van de begiftigden die de verbintenis, vermeld in artikel 2.8.4.2.3, eerste lid, 2°, is aangegaan en niet is nagekomen;
4° de schenker en de begiftigden in geval van de onjuiste verklaring, vermeld in artikel 2.8.4.2.3, tweede lid;
[2 4° /1 elk van de begiftigden die de verbintenis, vermeld in artikel 2.8.4.3.1, § 2, derde lid, niet is nagekomen;]2
5° de belastingplichtige die voor de toepassing van artikel 2.8.5.0.1 over het aantal afstammelingen een onjuiste verklaring heeft afgelegd;
6° [5 de verkrijger in geval van onjuiste vermeldingen van de voorwaarden, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 2, eerste lid, 1°, artikel 2.9.4.2.12, § 1, eerste lid, 1°, 2° en 3°, [9 artikel 2.9.4.2.12, § 1, derde lid,]9 artikel 2.9.4.2.13, § 1, eerste lid, 1° en 2°, of artikel 2.9.4.2.14, § 1;]5
7° [5 de verkrijger, als het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11 of artikel 2.9.4.2.12, vervalt bij gebrek aan inschrijving in het bevolkingsregister of het vreemdelingenregister op het adres van het aangekochte goed binnen de termijn, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 2, eerste lid, 2°, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, eerste lid, 4° ;]5
[3 7° /1 [5 de verkrijger, als het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1, vervalt bij gebrek aan vervreemding van de woning of de bouwgrond en waarmee voor de toepassing van artikel 2.9.4.2.11, § 2, eerste lid, 1°, geen rekening is gehouden binnen de termijn, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 3, 1° ;]5]3
[5 7° /2 de verkrijger, als het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.12, § 1, vervalt bij gebrek aan tijdige uitvoering van de renovatie, [10 gedeeltelijke herbouw of herbouw,]10 vermeld in artikel 2.9.4.2.12, § 1, eerste lid, 1°, of bij gebrek aan naleving van de voorwaarde, vermeld in artikel 2.9.4.2.12, § 1, eerste lid, 2° ;]5
[5 7° /3 de verkrijger, als het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.12, § 1, vervalt bij gebrek aan vervreemding van de woning of de bouwgrond en waarmee voor de toepassing van artikel 2.9.4.2.12, § 2, 1°, geen rekening is gehouden binnen de termijn, vermeld in artikel 2.9.4.2.12, § 2, 1° ;]5
[5 7° /4 [6 de verkrijger, als het verlaagd tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.13, § 1, vervalt bij gebrek aan tijdige verhuring als vermeld in artikel 2.9.4.2.13, § 1, eerste lid, 1°, of bij gebrek aan tijdige indiening van de bewijsstukken, vermeld in artikel 2.9.4.2.13, § 1, eerste lid, 2°, of bij vroegtijdige beëindiging van de huurovereenkomst of bij gebrek aan tijdige kennisgeving hiervan als vermeld in artikel 2.9.4.2.13, § 4;]6]5
[5 7° /5 de verkrijger, als het verlaagd tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.14, § 1, vervalt bij gebrek aan inschrijving binnen de termijn, [7 vermeld in artikel 2.9.4.2.14, § 2, tweede lid, 1°]7 ;]5
[5 7° /6 de verkrijger, als het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.14, § 1, vervalt bij gebrek aan vervreemding van de woning of de bouwgrond en waarmee voor de toepassing van artikel 2.9.4.2.11, § 2, eerste lid, 1°, geen rekening is gehouden binnen de termijn, vermeld in artikel 2.9.4.2.14, § 5, 1° ;]5
8° de persoon die een beroepsverklaring heeft ondertekend, als hij bij het verstrijken van een termijn van vijf jaar na die verklaring niet bij machte is om door een reeks wederverkopen te laten blijken dat hij het aangegeven beroep werkelijk uitoefent, zoals voorgeschreven door artikel 2.9.4.2.4, § 4;
9° de verkrijger, als toepassing gemaakt wordt van artikel 2.9.4.2.5;
10° de partijen bij een ruiling als vermeld in artikel 2.9.4.2.8 voor elke te laag bevonden opleg of elk te laag bevonden waardeverschil, en voor elke overschatting van de kavels die een vermindering van de registratiebelasting tot gevolg heeft;
11° de natuurlijke persoon die het voordeel heeft genoten van artikel 2.9.5.0.1, in geval van onjuistheid of niet-nakoming van de vermeldingen, voorgeschreven bij artikel 2.9.5.0.2;
12° de cedent in geval van onjuiste vermeldingen omtrent de voorwaarden, vermeld in artikel 2.9.6.0.1, eerste lid, 4° ;
13° de natuurlijke persoon die een teruggave van de registratiebelasting heeft ontvangen met toepassing van artikel 3.6.0.0.6, in geval van onjuistheid of niet-nakoming van de vermeldingen, voorgeschreven bij artikel 3.6.0.0.6, § 3, zesde lid;
14° de partijen in geval van onjuistheid van de verklaring over de uitbating van de geruilde onroerende goederen, vermeld in [8 artikel 3.12.3.0.1, § 3, derde lid]8;
15° de partijen, als voor de toepassing van artikel 3.12.3.0.4 bewuste vermeldingen ontbreken of als ze onjuist of onvolledig zijn;
16° de personen die een verklaring afgelegd hebben over elke andere onjuistheid, bevonden in de elementen van een verklaring in of onderaan op de akte, gesteld tot vereffening van de registratiebelasting, dan de onjuistheid die beboet wordt met de belastingverhoging, vermeld in artikel 3.18.0.0.15.
Voor de gevallen, vermeld in het eerste lid, 1°, 2°, 4°, 10°, 14° en 15°, zijn de vermelde personen of partijen hoofdelijk gehouden tot de betaling van de belastingverhoging.]1
[4 In afwijking van het eerste lid, 1°, bedraagt de belastingverhoging 1% van de registratiebelasting als de persoon de voorgeschreven termijnen met hoogstens dertig kalenderdagen heeft overschreden, zonder dat deze belastingverhoging lager mag zijn dan 100 euro.]4
Änderungen
Art. 3.18.0.0.12. [1 [2 Une augmentation de l'impôt de 50 % des droits complémentaires en matière de l'impôt d'enregistrement est payable par les cessionnaires si la déclaration, visée à l'article 3.12.3.0.1, § 1er, 1°, a été jugée incorrecte.]2
[2 ...]2
Une majoration d'impôt de 50 % des droits complémentaires concernant la taxe d'immatriculation est due par le donateur s'il refuse d'effectuer la déclaration visée à l'article 3.12.3.0.3, ou si cette déclaration est inexacte ou incomplète.]1
[2 ...]2
Une majoration d'impôt de 50 % des droits complémentaires concernant la taxe d'immatriculation est due par le donateur s'il refuse d'effectuer la déclaration visée à l'article 3.12.3.0.3, ou si cette déclaration est inexacte ou incomplète.]1
Art. 3.18.0.0.12. [1 [2 Een belastingverhoging van 50 % van de aanvullende rechten inzake de registratiebelasting is verschuldigd door de verkrijgers als de verklaring, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1, 1°, onjuist wordt bevonden.]2
[2 ...]2
Een belastingverhoging van 50 % van de aanvullende rechten inzake de registratiebelasting is verschuldigd door de schenker, als hij weigert de verklaring, vermeld in artikel 3.12.3.0.3, te doen, of als deze verklaring onjuist of onvolledig is.]1
[2 ...]2
Een belastingverhoging van 50 % van de aanvullende rechten inzake de registratiebelasting is verschuldigd door de schenker, als hij weigert de verklaring, vermeld in artikel 3.12.3.0.3, te doen, of als deze verklaring onjuist of onvolledig is.]1
Art. 3.18.0.0.13. [1 S'il est constaté que la valeur qui est indiquée ou le prix qui est indiqué pour le calcul de la taxe d'immatriculation est trop faible, une majoration d'impôt est due conformément au tableau ci-dessous :
-
| rapport du manque en % par rapport à la valeur indiquée du bien | majoration d'impôt en % des droits complémentaires | |
| De | à | |
| 10 | 25 | 5 |
| 25 | 50 | 10 |
| 50 | 100 | 15 |
| 100 | 20 | |
10 25 525 50 1050 100 15100 20
.]1
Art. 3.18.0.0.13. [1 Als wordt vastgesteld dat de waarde die aangegeven is of de prijs die opgegeven is voor de berekening van de registratiebelasting, te laag is, is een belastingverhoging verschuldigd, conform de onderstaande tabel :
Art. 3.18.0.0.14. [1 Une majoration d'impôt de 100 % des droits complémentaires concernant la taxe d'immatriculation est due dans les cas suivants par chacune des parties contractantes [2 qui ont participé à l'infraction]2 :
1° en cas de dissimulation du prix et des charges ou de la valeur convenue ;
2° si le contrat, établi dans un acte, n'est pas celui conclu par les parties, ou si l'acte relatif à un accord, mentionné à l'article 19, premier alinéa, 2° ou 5°, du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, est incomplet ou incorrect, étant entendu qu'il n'illustre pas tous les composants de l'accord.
[2 Pour les cas mentionnés à l'alinéa premier, les parties qui ont participé à l'infraction, sont principalement tenues au paiement de la majoration d'impôts.]2]1
1° en cas de dissimulation du prix et des charges ou de la valeur convenue ;
2° si le contrat, établi dans un acte, n'est pas celui conclu par les parties, ou si l'acte relatif à un accord, mentionné à l'article 19, premier alinéa, 2° ou 5°, du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, est incomplet ou incorrect, étant entendu qu'il n'illustre pas tous les composants de l'accord.
[2 Pour les cas mentionnés à l'alinéa premier, les parties qui ont participé à l'infraction, sont principalement tenues au paiement de la majoration d'impôts.]2]1
| verhouding van het tekort in % ten opzichte van de aangegeven waarde van het goed | belastingverhoging in % van de aanvullende rechten | |
| Vanaf | tot | |
| 10 | 25 | 5 |
| 25 | 50 | 10 |
| 50 | 100 | 15 |
| 100 | 20 | |
van de aanvullende rechtenVanaf tot10 25525 50 1050 100 15100 20
.]1
-
Art. 3.18.0.0.14. [1 Een belastingverhoging van 100 % van de aanvullende rechten inzake de registratiebelasting is in de volgende gevallen verschuldigd door elk van de contracterende partijen [2 die aan de overtreding hebben deelgenomen]2 :
1° in geval van bewimpeling over de prijs en de lasten of de overeengekomen waarde;
2° als de overeenkomst, vastgesteld in een akte, niet diegene is die door de partijen is gesloten, of als de akte betreffende een overeenkomst, vermeld in artikel 19, eerste lid, 2° of 5°, van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, onvolledig of onjuist is, met dien verstande dat ze al de bestanddelen van de overeenkomst niet weergeeft.
[2 In de gevallen, vermeld in het eerste lid, zijn de partijen die aan de overtreding hebben deelgenomen, hoofdelijk gehouden tot de betaling van de belastingverhoging.]2]1
1° in geval van bewimpeling over de prijs en de lasten of de overeengekomen waarde;
2° als de overeenkomst, vastgesteld in een akte, niet diegene is die door de partijen is gesloten, of als de akte betreffende een overeenkomst, vermeld in artikel 19, eerste lid, 2° of 5°, van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, onvolledig of onjuist is, met dien verstande dat ze al de bestanddelen van de overeenkomst niet weergeeft.
[2 In de gevallen, vermeld in het eerste lid, zijn de partijen die aan de overtreding hebben deelgenomen, hoofdelijk gehouden tot de betaling van de belastingverhoging.]2]1
Art. 3.18.0.0.15. [1 Les majorations d'impôt mentionnées aux articles 3.18.0.0.6 à 3.18.0.0.13 sont augmentées jusqu'à 100 % si les infractions sont commises dans le but d'éluder l'impôt ou de permettre de l'éluder.]1
Art. 3.18.0.0.15. [1 De belastingverhogingen, vermeld in artikel 3.18.0.0.6 tot en met artikel 3.18.0.0.13, worden verhoogd tot 100 % als de overtredingen zijn gepleegd met de bedoeling de belasting te ontduiken of dat mogelijk te maken.]1
Art. 3.18.0.0.15 /1. [1 Dans le cas d'une taxation d'office, telle que visée dans l'article 2.12.7.0.1, ou dans le cas de données incorrectes sur le support d'information électronique, visé à l'article 3.13.1.2.9, une augmentation de la taxe de 20% de la taxe sur les jeux et paris, visée à l'article 2.12.4.0.1 est due.
Par dérogation à l'alinéa premier, l'augmentation de la taxe est de 100% lorsque les infractions ont été commises dans le but d'éviter les taxes ou d'en entraver l'établissement ou dans le cas d'un jeu ou d'un pari interdits en vertu des articles 4, 7 et 8 de la Loi sur les Jeux de hasard du 7 mai 1999.]1
Par dérogation à l'alinéa premier, l'augmentation de la taxe est de 100% lorsque les infractions ont été commises dans le but d'éviter les taxes ou d'en entraver l'établissement ou dans le cas d'un jeu ou d'un pari interdits en vertu des articles 4, 7 et 8 de la Loi sur les Jeux de hasard du 7 mai 1999.]1
Art. 3.18.0.0.15 /1. [1 In geval van een ambtshalve aanslag als vermeld in artikel 2.12.7.0.1, of in geval van onjuiste gegevens op de elektronische informatiedrager, vermeld in artikel 3.13.1.2.9, is een belastingverhoging verschuldigd van 20% van de belasting op de spelen en weddenschappen, vermeld in artikel 2.12.4.0.1.
In afwijking van het eerste lid bedraagt de belastingverhoging 100% als de overtredingen zijn gepleegd met de bedoeling de belasting te ontduiken of de vestiging ervan onmogelijk te maken, of indien het gaat om een spel of weddenschap dat is verboden krachtens artikel 4, 7 en 8 van de Kansspelwet van 7 mei 1999.]1
In afwijking van het eerste lid bedraagt de belastingverhoging 100% als de overtredingen zijn gepleegd met de bedoeling de belasting te ontduiken of de vestiging ervan onmogelijk te maken, of indien het gaat om een spel of weddenschap dat is verboden krachtens artikel 4, 7 en 8 van de Kansspelwet van 7 mei 1999.]1
Art. 3.18.0.0.15 /2.[1 Dans le cas d'une taxation d'office, telle que visée à l'article 2.13.7.0.1, une augmentation de la taxe par appareil automatique de divertissement est due à concurrence de 20% de la [2 taxe due, avec un minimum de 50 euros par imposition]2.
Par dérogation à l'alinéa premier, l'augmentation de la taxe est de 100% [2 , avec un minimum de 100 euros par imposition,]2 si les infractions ont été commises dans le but d'éviter des taxes ou d'en entraver l'établissement ou dans le cas d'un appareil automatique de divertissement, tel que visé à l'article 2.13.7.0.2.]1
Par dérogation à l'alinéa premier, l'augmentation de la taxe est de 100% [2 , avec un minimum de 100 euros par imposition,]2 si les infractions ont été commises dans le but d'éviter des taxes ou d'en entraver l'établissement ou dans le cas d'un appareil automatique de divertissement, tel que visé à l'article 2.13.7.0.2.]1
Art. 3.18.0.0.15 /2.[1 In geval van een ambtshalve aanslag als vermeld in artikel 2.13.7.0.1, is een belastingverhoging per automatisch ontspanningstoestel verschuldigd van 20% van de [2 verschuldigde belasting, met een minimum van 50 euro per aanslag]2.
In afwijking van het eerste lid bedraagt de belastingverhoging 100% [2 , met een minimum van 100 euro per aanslag,]2 als de overtredingen zijn gepleegd met de bedoeling de belasting te ontduiken of de vestiging ervan onmogelijk te maken, of indien het gaat om een verboden automatisch ontspanningstoestel als bedoeld in artikel 2.13.7.0.2.]1
In afwijking van het eerste lid bedraagt de belastingverhoging 100% [2 , met een minimum van 100 euro per aanslag,]2 als de overtredingen zijn gepleegd met de bedoeling de belasting te ontduiken of de vestiging ervan onmogelijk te maken, of indien het gaat om een verboden automatisch ontspanningstoestel als bedoeld in artikel 2.13.7.0.2.]1
Art. 3.18.0.0.16. [1 Le fonctionnaire dirigeant de l'entité compétente de l'Administration flamande peut accorder la remise ou une diminution des amendes administratives ou des majorations d'impôt visées dans ce chapitre si la partie concernée prouve qu'elle n'était pas en faute.]1
Art. 3.18.0.0.16. [1 De leidend ambtenaar van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan kwijtschelding of vermindering van de administratieve geldboetes of van de belastingverhogingen, vermeld in dit hoofdstuk, verlenen als de betrokken partij bewijst niet in fout te zijn.]1
Art. 3.18.0.0.17. [1 Sans préjudice de la validité des opérations administratives ou judiciaires accomplies en vue de l'établissement ou du recouvrement de la dette fiscale, la possibilité d'infliger ou de recouvrer une amende administrative ou une majoration d'impôt visée au présent chapitre et le cours de la prescription de l'action en recouvrement sont suspendus si le Ministère public exerce l'action publique conformément à l'article 3.15.1.0.1. La saisine du tribunal correctionnel rend l'imposition ou le recouvrement d'une amende administrative ou une majoration d'impôt définitivement impossible. Par contre, l'ordonnance de non-lieu met fin à la suspension.
Dès qu'une amende administrative ou une majoration d'impôt infligée par application des dispositions du présent chapitre est devenu définitive, l'action publique échoit.]1
Dès qu'une amende administrative ou une majoration d'impôt infligée par application des dispositions du présent chapitre est devenu définitive, l'action publique échoit.]1
Art. 3.18.0.0.17. [1 Zonder afbreuk te doen aan de geldigheid van de bestuurs- of gerechtelijke handelingen, verricht met het oog op de vestiging of de invordering van de belastingschuld, wordt de mogelijkheid om een administratieve geldboete of een belastingverhoging als vermeld in dit hoofdstuk, op te leggen of in te vorderen en het verloop van de verjaring van de vordering tot voldoening ervan geschorst als het Openbaar Ministerie de strafvordering overeenkomstig artikel 3.15.1.0.1 uitoefent. De aanhangigmaking bij de correctionele rechtbank maakt het opleggen van of het invorderen van een administratieve geldboete of een belastingverhoging definitief onmogelijk. Daarentegen maakt de beschikking van buitenvervolgingstelling een einde aan de schorsing.
Chapitre 19. - Secret professionnel
Hoofdstuk 19. - Beroepsgeheim
Art. 3.19.0.0.1. Si une personne requise fait valoir le secret professionnel en application de l'article 3.13.1.2.1, alinéa premier, de l'article 3.13.1.2.2, alinéas premier à trois inclus, de l'article 3.13.1.2.3 et des articles 3.13.1.3.1 à 3.13.1.3.4 inclus, l'entité compétente de l'administration flamande demande l'intervention d'une autorité disciplinaire territorialement compétente afin de juger si, et éventuellement en quelle mesure, la demande d'informations ou la transmission de documents est compatible avec le respect du secret professionnel.
Art. 3.19.0.0.1. Als een met toepassing van artikel 3.13.1.2.1, eerste lid, artikel 3.13.1.2.2, eerste tot en met derde lid, artikel 3.13.1.2.3 en artikel 3.13.1.3.1 tot en met 3.13.1.3.4 aangezochte persoon het beroepsgeheim doet gelden, verzoekt de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie om tussenkomst van de territoriaal bevoegde tuchtoverheid om te oordelen of, en eventueel in welke mate, de vraag om inlichtingen of de overlegging van documenten verzoenbaar is met het eerbiedigen van het beroepsgeheim.
Art. 3.19.0.0.2. Une personne qui, sur quelconque base, agit lors de l'application des dispositions du présent code ou qui a accès aux locaux administratifs de l'entité compétente de l'autorité flamande, est obligée, hors de l'exercice de sa fonction, au secret professionnel le plus stricte concernant toutes les affaires dont il a connaissance du chef de l'exécution de sa tâche.
Les membres du personnel de l'entité compétente de l'administration flamande exercent leur fonction lorsqu'ils fournissent à d'autres services administratifs de l'état, y compris les parquets et greffes des tribunaux et de toutes les juridictions, et des communautés et régions et aux organismes et structures publics, cités dans l'article 3.13.1.4.1 des informations qui sont nécessaires pour ces services, organismes ou structures en vue de l'exécution des dispositions légales et réglementaires qui leurs sont imposées.
[1 Les membres du personnel de l'entité compétente de l'administration flamande exercent leur fonction lorsqu'ils fournissent aux services administratifs des communes et provinces des informations concernant la situation fiscale de personnes morales, nécessaires pour l'exécution des dispositions légales ou réglementaires qui leur sont imposées.]1
Les membres du personnel de l'entité compétente de l'administration flamande exercent également leur fonction lorsque dans le cadre de la situation fiscale d'un contribuable ils répondent à une question de consultation, d'explication ou de communication de l'époux ou du cohabitant légal sur les biens duquel l'imposition est recouvrée.
Les personnes qui font partie des services auxquels l'entité compétente de l'administration flamande a transmis des renseignements de nature fiscale [1 suite aux alinéas deux et trois]1, sont tenus de respecter le même secret professionnel et ne peuvent pas utiliser les renseignements obtenus en dehors du cadre des dispositions légales pour l'exécution desquelles ces renseignements ont été fournis.
Les dispositions de l'alinéa [1 cinq]1 s'appliquent également aux personnes appartenant aux services auxquelles des informations de nature fiscale peuvent être fournies suite à un contrôle tel que cité dans le titre 3, chapitre 13.
Les membres du personnel de l'entité compétente de l'administration flamande exercent leur fonction lorsqu'ils fournissent à d'autres services administratifs de l'état, y compris les parquets et greffes des tribunaux et de toutes les juridictions, et des communautés et régions et aux organismes et structures publics, cités dans l'article 3.13.1.4.1 des informations qui sont nécessaires pour ces services, organismes ou structures en vue de l'exécution des dispositions légales et réglementaires qui leurs sont imposées.
[1 Les membres du personnel de l'entité compétente de l'administration flamande exercent leur fonction lorsqu'ils fournissent aux services administratifs des communes et provinces des informations concernant la situation fiscale de personnes morales, nécessaires pour l'exécution des dispositions légales ou réglementaires qui leur sont imposées.]1
Les membres du personnel de l'entité compétente de l'administration flamande exercent également leur fonction lorsque dans le cadre de la situation fiscale d'un contribuable ils répondent à une question de consultation, d'explication ou de communication de l'époux ou du cohabitant légal sur les biens duquel l'imposition est recouvrée.
Les personnes qui font partie des services auxquels l'entité compétente de l'administration flamande a transmis des renseignements de nature fiscale [1 suite aux alinéas deux et trois]1, sont tenus de respecter le même secret professionnel et ne peuvent pas utiliser les renseignements obtenus en dehors du cadre des dispositions légales pour l'exécution desquelles ces renseignements ont été fournis.
Les dispositions de l'alinéa [1 cinq]1 s'appliquent également aux personnes appartenant aux services auxquelles des informations de nature fiscale peuvent être fournies suite à un contrôle tel que cité dans le titre 3, chapitre 13.
Art. 3.19.0.0.2.Een persoon die, op welke grond ook, optreedt bij de toepassing van de bepalingen van deze codex of die toegang heeft tot de ambtsvertrekken van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, is, buiten de uitoefening van zijn ambt verplicht tot volstrekte geheimhouding over alle zaken waarvan hij wegens de uitvoering van zijn opdracht kennis heeft.
Chapitre 20. - [1 Renseignements à fournir]1
Hoofdstuk 20. - [1 Te verstrekken inlichtingen]1
Art. 3.20.0.0.1. [1 Le membre du personnel compétent délivre, à la demande des intéressés en nom direct, au nom de leurs héritiers ou de leurs ayants droit ou à la demande de tiers pouvant démontrer un intérêt suffisant, une copie ou un extrait des déclarations de succession.]1
Art. 3.20.0.0.1. [1 Het bevoegde personeelslid reikt op verzoek van de betrokkenen in rechtstreekse naam, van hun erfgenamen of rechthebbenden of op verzoek van derden die voldoende belang aantonen, een afschrift of een uittreksel van de successieaangiften uit.]1
Chapitre 21. - [1 Attestations antérieures]1
Hoofdstuk 21. - [1 Voorafgaande attesten]1
Art. 3.21.0.0.1. [1 § 1er. Avant la déclaration et au plus tard avant l'expiration du délai de déclaration visé à l'article 3.3.1.0.5, § 2, et à l'article 3.3.1.0.6, les héritiers, légataires universels, donataires et toute personne tenue de déposer une déclaration de succession peuvent introduire une demande auprès de l'entité compétente de l'administration flamande afin d'obtenir une attestation confirmant, sur la base des données fournies par le demandeur, la valorisation visée à l'article 3.3.1.0.8, § 1er, alinéa 1er, 14°, b), 8), iv), vi) et vii).
Art. 3.21.0.0.1. [1 § 1. Voor de aangifte en uiterlijk voor het verstrijken van de aangiftetermijn, vermeld in artikel 3.3.1.0.5, § 2, en artikel 3.3.1.0.6, kunnen de erfgenamen, algemene legatarissen, begiftigden en al wie gehouden is tot het indienen van een aangifte van nalatenschap een verzoek richten tot de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie tot het bekomen van een attest dat op basis van de gegevens, aangereikt door de verzoeker, de waardering, bedoeld in artikel 3.3.1.0.8, § 1, eerste lid, 14°, b), 8), iv), vi) en vii) bevestigt.
Het verzoek bevat de gegevens en de bescheiden, vermeld in artikel 3.3.1.0.8, § 1, eerste lid, 14°, b).
Een attest over de waardering kan alleen worden verkregen als het verzoek wordt ingediend binnen dertig dagen na de datum van het verslag, vermeld in artikel 3.3.1.0.8, § 1, eerste lid, 14°, b), 8).
§ 2. De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie verleent het attest, vermeld in paragraaf 1, binnen zestig dagen nadat ze het verzoek, vermeld in paragraaf 1, heeft ontvangen.
Als het verzoek, vermeld in paragraaf 1, niet alle gegevens of de bescheiden, vermeld in artikel 3.3.1.0.8, § 1, eerste lid, 14°, b), bevat, meldt de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie dat vóór de termijn, vermeld in het eerste lid, is verstreken, met opgave van de gegevens of de bescheiden die ontbreken. In dat geval wordt de termijn, vermeld in het eerste lid, geschorst vanaf de datum van verzending van die melding tot de datum waarop de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie de ontbrekende gegevens of bescheiden heeft ontvangen.
Het attest, vermeld in paragraaf 1, is bindend voor de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie en wordt gebruikt om de erfbelasting te berekenen.]1
Het verzoek bevat de gegevens en de bescheiden, vermeld in artikel 3.3.1.0.8, § 1, eerste lid, 14°, b).
Een attest over de waardering kan alleen worden verkregen als het verzoek wordt ingediend binnen dertig dagen na de datum van het verslag, vermeld in artikel 3.3.1.0.8, § 1, eerste lid, 14°, b), 8).
§ 2. De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie verleent het attest, vermeld in paragraaf 1, binnen zestig dagen nadat ze het verzoek, vermeld in paragraaf 1, heeft ontvangen.
Als het verzoek, vermeld in paragraaf 1, niet alle gegevens of de bescheiden, vermeld in artikel 3.3.1.0.8, § 1, eerste lid, 14°, b), bevat, meldt de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie dat vóór de termijn, vermeld in het eerste lid, is verstreken, met opgave van de gegevens of de bescheiden die ontbreken. In dat geval wordt de termijn, vermeld in het eerste lid, geschorst vanaf de datum van verzending van die melding tot de datum waarop de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie de ontbrekende gegevens of bescheiden heeft ontvangen.
Het attest, vermeld in paragraaf 1, is bindend voor de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie en wordt gebruikt om de erfbelasting te berekenen.]1
Art. 3.21.0.0.1 /1.[1 § 1er. Préalablement à l'acte authentique de donation, la partie intéressée peut adresser une demande à l'entité compétente de l'Administration flamande pour obtenir une attestation témoignant qu'au moment de la demande et sur la base des données fournies par le demandeur, les conditions visées à l'article 2.8.6.0.3 étaient ou non satisfaites [3 et que, le cas échéant, la valorisation visée à l'article 3.12.3.0.1, § 5, alinéa 2, 5°, d), f) et g), confirme à la date de référence visée à l'article 3.12.3.0.1, § 5, alinéa 2, 5°, i), sur la base des données fournies par le demandeur.]3.
Dans la demande, il est fait mention des données visées à l'article 3.12.3.0.1, § 5, premier alinéa et les pièces justificatives visées à l'article 3.12.3.0.1, § 5, deuxième alinéa, sont ajoutées.
[3 Une attestation de valorisation préalable ne peut être obtenue que si la demande est introduite dans les trente jours suivant la date de référence visée à l'article 3.12.3.0.1, § 5, alinéa 2, 5°, i).]3
§ 2. L'entité compétente de l'Administration flamande délivre l'attestation visée au paragraphe 1er dans les [3 soixante jours]3 suivant la réception de la demande.
Si la demande ne contient pas toutes les données visées à l'article 3.12.3.0.1, § 5, premier alinéa ou les pièces justificatives visées à l'article 3.12.3.0.1, § 5, deuxième alinéa, l'entité compétente de l'Administration flamande signale que les données ou les pièces justificatives manquantes doivent être présentées avant la fin du délai visé au premier alinéa. Dans ce cas, le délai mentionné au premier alinéa sera suspendu à partir de la date de l'envoi de cet avis jusqu'à la date de réception des données ou des pièces justificatives manquantes par l'entité compétente de l'Administration flamande.]1
[3 L'attestation visée au paragraphe 1er, est valable 60 jours à partir de la date de la décision finale et est contraignante pour l'entité compétente de l'administration flamande.]3
Dans la demande, il est fait mention des données visées à l'article 3.12.3.0.1, § 5, premier alinéa et les pièces justificatives visées à l'article 3.12.3.0.1, § 5, deuxième alinéa, sont ajoutées.
[3 Une attestation de valorisation préalable ne peut être obtenue que si la demande est introduite dans les trente jours suivant la date de référence visée à l'article 3.12.3.0.1, § 5, alinéa 2, 5°, i).]3
§ 2. L'entité compétente de l'Administration flamande délivre l'attestation visée au paragraphe 1er dans les [3 soixante jours]3 suivant la réception de la demande.
Si la demande ne contient pas toutes les données visées à l'article 3.12.3.0.1, § 5, premier alinéa ou les pièces justificatives visées à l'article 3.12.3.0.1, § 5, deuxième alinéa, l'entité compétente de l'Administration flamande signale que les données ou les pièces justificatives manquantes doivent être présentées avant la fin du délai visé au premier alinéa. Dans ce cas, le délai mentionné au premier alinéa sera suspendu à partir de la date de l'envoi de cet avis jusqu'à la date de réception des données ou des pièces justificatives manquantes par l'entité compétente de l'Administration flamande.]1
[3 L'attestation visée au paragraphe 1er, est valable 60 jours à partir de la date de la décision finale et est contraignante pour l'entité compétente de l'administration flamande.]3
Art. 3.21.0.0.1/1.[1 § 1. Voorafgaand aan de authentieke akte van schenking kan de belanghebbende een verzoek richten tot de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie tot het bekomen van een attest waaruit blijkt dat op het moment van het verzoek en op basis van de gegevens, aangereikt door de verzoeker, al dan niet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2.8.6.0.3, is voldaan [3 en dat, in voorkomend geval, de waardering, bedoeld in artikel 3.12.3.0.1, § 5, tweede lid, 5°, d), f) en g), bevestigt op de referentiedatum, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 5, tweede lid, 5°, i), op basis van de gegevens, aangereikt door de verzoeker]3.
Chapitre 22. [1 - Décisions anticipées sur les matières et dispositions énoncées dans le présent code]1
Hoofdstuk 22. [1 - Voorafgaande beslissingen over de materies en bepalingen vervat in deze codex]1
Art. 3.22.0.0.1. [1 § 1er. L'entité compétente de l'Administration flamande se prononce par décision anticipée sur toutes les demandes qui concernent exclusivement l'application des dispositions du présent code.
Art. 3.22.0.0.1. [1 § 1. De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie spreekt zich bij voorafgaande beslissing uit over alle aanvragen die uitsluitend de toepassing van de bepalingen van deze codex betreffen.
Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van deze codex wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad.
De voorafgaande beslissing mag geen vrijstelling of vermindering van de belasting tot gevolg hebben.
§ 2. De aanvraag van een voorafgaande beslissing als vermeld in paragraaf 1, eerste lid, wordt schriftelijk gericht aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie. Ze moet gemotiveerd zijn en volgende gegevens bevatten :
1° de identiteit van de aanvrager en, in voorkomend geval, die van de betrokken partijen en derden;
2° de volledige beschrijving van de bijzondere situatie of verrichting;
3° de verwijzing naar de wettelijke of reglementaire bepalingen waarop de beslissing moet slaan.
De aanvraag bevat, in voorkomend geval, een volledige kopie van de aanvragen die voor hetzelfde onderwerp zijn ingediend bij de fiscale overheden van de lidstaten van de Europese Unie of van derde staten waarmee België een overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting heeft gesloten, en van de beslissingen over die aanvragen.
Zolang er geen beslissing is genomen, moet de aanvraag worden aangevuld met elk nieuw element dat betrekking heeft op de voorgenomen situatie of verrichting.
De aanvraag wordt onderzocht door een besluitvormingsorgaan dat als volgt is samengesteld :
1° de leidend ambtenaar van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, die optreedt als voorzitter;
2° het afdelingshoofd van de afdeling van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, bevoegd voor de taxatie van de erf- en registratiebelastingen;
3° het afdelingshoofd van de afdeling van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, bevoegd voor de regelgeving inzake de erf- en registratiebelastingen;
4° maximaal vier personeelsleden van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie met minstens de graad van adviseur of directeur;
5° een personeelslid van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, dat optreedt als secretaris.
Dit besluitvormingsorgaan kan alleen geldig beslissen als minstens vijf leden aanwezig zijn. Er wordt beslist bij meerderheid van stemmen van de aanwezige leden. Als de leidend ambtenaar verhinderd is op te treden als voorzitter van een vergadering, kan het afdelingshoofd van de afdeling van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, bevoegd voor de regelgeving inzake de erf- en registratiebelastingen, hem vervangen als voorzitter van de vergadering.
De voorafgaande beslissing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, wordt meegedeeld aan de aanvrager binnen een termijn van drie maanden vanaf de datum van de indiening van de aanvraag. De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie en de aanvrager kunnen in onderlinge overeenstemming deze termijn wijzigen.
Uiterlijk binnen vijftien werkdagen vanaf het ogenblik dat de aanvraag, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, volledig is, licht de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie de aanvrager in over de vastgestelde antwoordtermijn.
§ 3. Een voorafgaande beslissing kan niet worden genomen als :
1° de aanvraag betrekking heeft op situaties of verrichtingen die op fiscaal vlak al het voorwerp uitmaken van een administratieve bezwaarprocedure of van een gerechtelijke handeling tussen de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie en de aanvrager;
2° het nemen van een voorafgaande beslissing niet aangewezen is of zonder uitwerking is op grond van de wettelijke of reglementaire bepalingen, die in de aanvraag aangevoerd zijn;
Meer bepaald kan er geen voorafgaande beslissing worden genomen over :
a) de belastingtarieven en de berekening van de belastingen;
b) de bedragen en de percentages;
c) de aangifte, het onderzoek en de controle, het gebruik van bewijsmiddelen, de aanslagprocedure, de rechtsmiddelen, de rechten en voorrechten van de Vlaamse schatkist, de termijnen, de verjaring, het beroepsgeheim, de inwerkingtreding, de aansprakelijkheid en de plichten van sommige openbare ambtenaren, andere personen of bepaalde instellingen;
d) de bepalingen waarvoor een specifieke procedure inzake erkenning of beslissing is ingesteld;
e) de bepalingen of gebruiken die overleg met of raadpleging van andere autoriteiten instellen en waarvoor de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie niet bevoegd is om zelf of unilateraal een standpunt in te nemen;
f) de bepalingen die sancties, boetes, belastingverhogingen en -vermeerderingen instellen;
g) de forfaitaire grondslagen van aanslag;
3° de aanvraag betrekking heeft op de toepassing van de codex betreffende invordering en vervolgingen.
§ 4. Behoudens in de gevallen waarin het voorwerp van de aanvraag dat rechtvaardigt, wordt de beslissing getroffen voor een termijn die niet langer mag zijn dan vijf jaar.
De voorafgaande beslissing bindt de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie voor de toekomst, behalve :
1° als de voorwaarden waaraan de voorafgaande beslissing is onderworpen, niet vervuld zijn;
2° als blijkt dat de situatie of de verrichtingen door de aanvrager onvolledig of onjuist omschreven zijn, of als essentiële elementen van de verrichtingen niet zijn verwezenlijkt op de wijze die de aanvrager omschreven heeft;
3° ingeval van wijziging van bepalingen van de verdragen, van het unierecht of van het interne recht die van toepassing zijn op de door de voorafgaande beslissing beoogde situatie of verrichting;
4° als blijkt dat de voorafgaande beslissing niet in overeenstemming is met de bepalingen van de verdragen, van het unierecht of van het interne recht;
5° als de voornaamste gevolgen van de situatie of de verrichtingen gewijzigd zijn door toedoen van de aanvrager. In dat geval heeft de intrekking van de voorafgaande beslissing uitwerking vanaf de dag van de aan de aanvrager ten laste gelegde feiten.
Elke aanvraag die ingediend is bij de fiscale overheden van een lidstaat van de Europese Unie of een derde staat als vermeld in paragraaf 2, tweede lid, tijdens de periode waarin de voorafgaande beslissing wordt toegepast, alsook elke beslissing die daarmee verband houdt, moeten onverwijld worden meegedeeld aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie met het oog op de toepassing van dit artikel.
§ 5. De voorafgaande beslissingen worden op anonieme wijze gepubliceerd op de website van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.]1
Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van deze codex wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad.
De voorafgaande beslissing mag geen vrijstelling of vermindering van de belasting tot gevolg hebben.
§ 2. De aanvraag van een voorafgaande beslissing als vermeld in paragraaf 1, eerste lid, wordt schriftelijk gericht aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie. Ze moet gemotiveerd zijn en volgende gegevens bevatten :
1° de identiteit van de aanvrager en, in voorkomend geval, die van de betrokken partijen en derden;
2° de volledige beschrijving van de bijzondere situatie of verrichting;
3° de verwijzing naar de wettelijke of reglementaire bepalingen waarop de beslissing moet slaan.
De aanvraag bevat, in voorkomend geval, een volledige kopie van de aanvragen die voor hetzelfde onderwerp zijn ingediend bij de fiscale overheden van de lidstaten van de Europese Unie of van derde staten waarmee België een overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting heeft gesloten, en van de beslissingen over die aanvragen.
Zolang er geen beslissing is genomen, moet de aanvraag worden aangevuld met elk nieuw element dat betrekking heeft op de voorgenomen situatie of verrichting.
De aanvraag wordt onderzocht door een besluitvormingsorgaan dat als volgt is samengesteld :
1° de leidend ambtenaar van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, die optreedt als voorzitter;
2° het afdelingshoofd van de afdeling van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, bevoegd voor de taxatie van de erf- en registratiebelastingen;
3° het afdelingshoofd van de afdeling van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, bevoegd voor de regelgeving inzake de erf- en registratiebelastingen;
4° maximaal vier personeelsleden van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie met minstens de graad van adviseur of directeur;
5° een personeelslid van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, dat optreedt als secretaris.
Dit besluitvormingsorgaan kan alleen geldig beslissen als minstens vijf leden aanwezig zijn. Er wordt beslist bij meerderheid van stemmen van de aanwezige leden. Als de leidend ambtenaar verhinderd is op te treden als voorzitter van een vergadering, kan het afdelingshoofd van de afdeling van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, bevoegd voor de regelgeving inzake de erf- en registratiebelastingen, hem vervangen als voorzitter van de vergadering.
De voorafgaande beslissing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, wordt meegedeeld aan de aanvrager binnen een termijn van drie maanden vanaf de datum van de indiening van de aanvraag. De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie en de aanvrager kunnen in onderlinge overeenstemming deze termijn wijzigen.
Uiterlijk binnen vijftien werkdagen vanaf het ogenblik dat de aanvraag, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, volledig is, licht de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie de aanvrager in over de vastgestelde antwoordtermijn.
§ 3. Een voorafgaande beslissing kan niet worden genomen als :
1° de aanvraag betrekking heeft op situaties of verrichtingen die op fiscaal vlak al het voorwerp uitmaken van een administratieve bezwaarprocedure of van een gerechtelijke handeling tussen de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie en de aanvrager;
2° het nemen van een voorafgaande beslissing niet aangewezen is of zonder uitwerking is op grond van de wettelijke of reglementaire bepalingen, die in de aanvraag aangevoerd zijn;
Meer bepaald kan er geen voorafgaande beslissing worden genomen over :
a) de belastingtarieven en de berekening van de belastingen;
b) de bedragen en de percentages;
c) de aangifte, het onderzoek en de controle, het gebruik van bewijsmiddelen, de aanslagprocedure, de rechtsmiddelen, de rechten en voorrechten van de Vlaamse schatkist, de termijnen, de verjaring, het beroepsgeheim, de inwerkingtreding, de aansprakelijkheid en de plichten van sommige openbare ambtenaren, andere personen of bepaalde instellingen;
d) de bepalingen waarvoor een specifieke procedure inzake erkenning of beslissing is ingesteld;
e) de bepalingen of gebruiken die overleg met of raadpleging van andere autoriteiten instellen en waarvoor de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie niet bevoegd is om zelf of unilateraal een standpunt in te nemen;
f) de bepalingen die sancties, boetes, belastingverhogingen en -vermeerderingen instellen;
g) de forfaitaire grondslagen van aanslag;
3° de aanvraag betrekking heeft op de toepassing van de codex betreffende invordering en vervolgingen.
§ 4. Behoudens in de gevallen waarin het voorwerp van de aanvraag dat rechtvaardigt, wordt de beslissing getroffen voor een termijn die niet langer mag zijn dan vijf jaar.
De voorafgaande beslissing bindt de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie voor de toekomst, behalve :
1° als de voorwaarden waaraan de voorafgaande beslissing is onderworpen, niet vervuld zijn;
2° als blijkt dat de situatie of de verrichtingen door de aanvrager onvolledig of onjuist omschreven zijn, of als essentiële elementen van de verrichtingen niet zijn verwezenlijkt op de wijze die de aanvrager omschreven heeft;
3° ingeval van wijziging van bepalingen van de verdragen, van het unierecht of van het interne recht die van toepassing zijn op de door de voorafgaande beslissing beoogde situatie of verrichting;
4° als blijkt dat de voorafgaande beslissing niet in overeenstemming is met de bepalingen van de verdragen, van het unierecht of van het interne recht;
5° als de voornaamste gevolgen van de situatie of de verrichtingen gewijzigd zijn door toedoen van de aanvrager. In dat geval heeft de intrekking van de voorafgaande beslissing uitwerking vanaf de dag van de aan de aanvrager ten laste gelegde feiten.
Elke aanvraag die ingediend is bij de fiscale overheden van een lidstaat van de Europese Unie of een derde staat als vermeld in paragraaf 2, tweede lid, tijdens de periode waarin de voorafgaande beslissing wordt toegepast, alsook elke beslissing die daarmee verband houdt, moeten onverwijld worden meegedeeld aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie met het oog op de toepassing van dit artikel.
§ 5. De voorafgaande beslissingen worden op anonieme wijze gepubliceerd op de website van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.]1
Art. 3.22.0.0.2 [1 § 1er. Par rapport à l'application des dispositions du présent code, l'entité compétente de l'Administration flamande émet un avis contraignant sur la décision anticipée telle que visée à l'article 3.22.0.0.1, § 1er, deuxième alinéa, au Service fédéral des Décisions Anticipées en matière fiscale sur toutes les demandes en matière de situations ou opérations qui relèvent en partie de sa compétence et en partie de la compétence du Service fédéral des Décisions Anticipées en matière fiscale.
L'avis contraignant sur la décision anticipée, délivrée en application du premier alinéa, a la même valeur vis-à-vis du demandeur que la décision anticipée, visée à l'article 3.22.0.0.1, § 1er, deuxième alinéa.
L'avis contraignant sur la décision anticipée ne peut pas entraîner une exemption ou réduction de l'impôt.
§ 2. La demande de décision anticipée visée au paragraphe 1er doit être adressée par écrit soit à l'entité compétente de l'Administration flamande, soit au Service Public Fédéral Finances conformément à l'article 21 de la loi du 24 décembre 2002 modifiant le régime des sociétés en matière d'impôts sur les revenus et instituant un système de décision anticipée en matière fiscale.
L'avis contraignant visé au paragraphe 1er, premier alinéa est émis par l'organe de décision visé à l'article 3.22.0.0.1, § 2, quatrième alinéa, et de la façon mentionnée dans cet alinéa.
§ 3. Les dispositions de l'article 3.22.0.0.1, § 3 à § 5 s'appliquent par analogie au présent article.]1
L'avis contraignant sur la décision anticipée, délivrée en application du premier alinéa, a la même valeur vis-à-vis du demandeur que la décision anticipée, visée à l'article 3.22.0.0.1, § 1er, deuxième alinéa.
L'avis contraignant sur la décision anticipée ne peut pas entraîner une exemption ou réduction de l'impôt.
§ 2. La demande de décision anticipée visée au paragraphe 1er doit être adressée par écrit soit à l'entité compétente de l'Administration flamande, soit au Service Public Fédéral Finances conformément à l'article 21 de la loi du 24 décembre 2002 modifiant le régime des sociétés en matière d'impôts sur les revenus et instituant un système de décision anticipée en matière fiscale.
L'avis contraignant visé au paragraphe 1er, premier alinéa est émis par l'organe de décision visé à l'article 3.22.0.0.1, § 2, quatrième alinéa, et de la façon mentionnée dans cet alinéa.
§ 3. Les dispositions de l'article 3.22.0.0.1, § 3 à § 5 s'appliquent par analogie au présent article.]1
Art. 3.22.0.0.2.[1 § 1. Met betrekking tot de toepassing van de bepalingen van deze codex, verstrekt de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie een bindend advies tot voorafgaande beslissing als vermeld in artikel 3.22.0.0.1, § 1, tweede lid, aan de federale Dienst Voorafgaande Beslissingen in fiscale zaken over alle aanvragen inzake situaties of verrichtingen, die deels onder haar bevoegdheid en deels onder de bevoegdheid van de federale Dienst Voorafgaande Beslissingen in fiscale zaken vallen.
Chapitre 23. [1 Traitement des données à caractère personnel]1
Hoofdstuk 23. [1 Verwerking van persoonsgegevens]1
Section 1re. [1 Dispositions communes à l'ensemble des traitements de données]1
Afdeling 1. [1 Bepalingen die aan alle gegevensverwerkingen gemeenschappelijk zijn]1
Art. 3.23.1.0.1. [1 L'entité compétente de l'administration flamande peut traiter les données à caractère personnel si cela est nécessaire à l'accomplissement d'une tâche d'intérêt général, à savoir le prélèvement et la perception corrects de toutes les taxes visées dans le présent code.
Art. 3.23.1.0.1. [1 De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan persoonsgegevens verwerken als dat noodzakelijk is voor de vervulling van een taak van algemeen belang, namelijk om de juiste heffing en inning van alle belastingen, vermeld in deze codex, te kunnen verzekeren.
De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie is verwerkingsverantwoordelijke als vermeld in artikel 4, 7), van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), voor de verwerking van de persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid.]1
De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie is verwerkingsverantwoordelijke als vermeld in artikel 4, 7), van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), voor de verwerking van de persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid.]1
Art. 3.23.1.0.2. [1 Les catégories suivantes de données à caractère personnel sont traitées aux fins de l'article 3.23.1.0.1, alinéa 1er du présent code :
1° le numéro du registre national ou le numéro d'identification, figurant à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale ;
2° le numéro d'entreprise enregistré auprès de la Banque-Carrefour des Entreprises ;
3° le numéro d'identification fiscale ;
4° les données d'identification personnelle, à savoir nom, adresse, numéro de téléphone et adresse électronique ;
5° les caractéristiques personnelles, à savoir âge, date de naissance, lieu de naissance, état civil et nationalité ;
6° les particularités financières.]1
1° le numéro du registre national ou le numéro d'identification, figurant à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale ;
2° le numéro d'entreprise enregistré auprès de la Banque-Carrefour des Entreprises ;
3° le numéro d'identification fiscale ;
4° les données d'identification personnelle, à savoir nom, adresse, numéro de téléphone et adresse électronique ;
5° les caractéristiques personnelles, à savoir âge, date de naissance, lieu de naissance, état civil et nationalité ;
6° les particularités financières.]1
Art. 3.23.1.0.2. [1 De volgende categorieën van persoonsgegevens worden in het kader van de toepassing van artikel 3.23.1.0.1, eerste lid, van deze codex, verwerkt:
1° het rijksregisternummer of het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid;
2° het ondernemingsnummer dat bekend is bij de Kruispuntbank van Ondernemingen;
3° het fiscaal identificatienummer;
4° de persoonlijke identificatiegegevens, namelijk de naam, het adres, het telefoonnummer en het e-mailadres;
5° de persoonlijke kenmerken, namelijk de leeftijd, de geboortedatum, de geboorteplaats, de burgerlijke staat en de nationaliteit;
6° de financiële bijzonderheden.]1
1° het rijksregisternummer of het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid;
2° het ondernemingsnummer dat bekend is bij de Kruispuntbank van Ondernemingen;
3° het fiscaal identificatienummer;
4° de persoonlijke identificatiegegevens, namelijk de naam, het adres, het telefoonnummer en het e-mailadres;
5° de persoonlijke kenmerken, namelijk de leeftijd, de geboortedatum, de geboorteplaats, de burgerlijke staat en de nationaliteit;
6° de financiële bijzonderheden.]1
Art. 3.23.1.0.3. [1 Les données à caractère personnel des catégories suivantes de personnes concernées peuvent être traitées aux fins de l'article 3.23.1.0.1, alinéa 1er :
1° le contribuable ;
2° le redevable ;
3° les représentants des personnes visées aux points 1° et 2° ;
4° les personnes physiques, visées aux articles 3.13.1.3.1 à 3.13.1.3.6, auxquelles l'entité compétente de l'administration flamande peut s'adresser dans le cadre de l'exercice de ses compétences d'enquête.
Les données à caractère personnel des catégories de personnes concernées visées à l'alinéa 1er ne sont traitées que si cela est nécessaire à la finalité concrète du traitement des données.]1
1° le contribuable ;
2° le redevable ;
3° les représentants des personnes visées aux points 1° et 2° ;
4° les personnes physiques, visées aux articles 3.13.1.3.1 à 3.13.1.3.6, auxquelles l'entité compétente de l'administration flamande peut s'adresser dans le cadre de l'exercice de ses compétences d'enquête.
Les données à caractère personnel des catégories de personnes concernées visées à l'alinéa 1er ne sont traitées que si cela est nécessaire à la finalité concrète du traitement des données.]1
Art. 3.23.1.0.3. [1 De persoonsgegevens van de volgende categorieën van betrokkenen kunnen in het kader van de toepassing van artikel 3.23.1.0.1, eerste lid, worden verwerkt:
1° de belastingplichtige;
2° de belastingschuldige;
3° de vertegenwoordigers van de personen, vermeld in punt 1° en 2° ;
4° de natuurlijke personen, vermeld in artikel 3.13.1.3.1 tot en met 3.13.1.3.6, waartoe de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie zich kan richten in het kader van de uitoefening van haar onderzoeksbevoegdheden.
De persoonsgegevens van de categorieën van betrokkenen, vermeld in het eerste lid, worden alleen verwerkt als dat noodzakelijk is voor het concrete doel van de gegevensverwerking.]1
1° de belastingplichtige;
2° de belastingschuldige;
3° de vertegenwoordigers van de personen, vermeld in punt 1° en 2° ;
4° de natuurlijke personen, vermeld in artikel 3.13.1.3.1 tot en met 3.13.1.3.6, waartoe de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie zich kan richten in het kader van de uitoefening van haar onderzoeksbevoegdheden.
De persoonsgegevens van de categorieën van betrokkenen, vermeld in het eerste lid, worden alleen verwerkt als dat noodzakelijk is voor het concrete doel van de gegevensverwerking.]1
Art. 3.23.1.0.4. [1 § 1er. Sous réserve de l'application du paragraphe 2, aux fins de l'article 3.23.1.0.1, alinéa 1er, les données à caractère personnel visées à l'article 3.23.1.0.2 peuvent être échangées avec les catégories de destinataires suivantes :
1° les avocats qui, pour le compte de l'entité compétente de l'administration flamande, représentent la Région flamande dans les litiges relatifs à l'application du présent code ;
2° les huissiers de justice qui, pour le compte de l'entité compétente de l'administration flamande, perçoivent les taxes prévues par le présent code ;
3° les sociétés de logement agréées, visées à l'article 4.36 du Code flamand du Logement de 2021, qui demandent la réduction visée à l'article 2.1.5.0.1, § 1er, 2° et 3°, § 1/1, et à l'article 2.1.5.0.2, § 1er, 2°, au nom des locataires ;
4° les tiers, visés au titre 3, chapitre 12, qui sont tenus de fournir des informations à l'entité compétente de l'administration flamande ;
5° les tiers, visés aux articles 3.13.1.3.1 à 3.13.1.3.7, ainsi que les organismes et structures publics, visés aux articles 3.13.1.4.1 et 3.13.1.4.2, auxquels l'entité compétente de l'administration flamande peut s'adresser dans le cadre de ses compétences d'enquête et de contrôle ;
6° les services administratifs et les organismes et structures publics, visés au 3.19.0.0.2 ;
7° les tiers ayant un intérêt suffisant, visés à l'article 3.20.0.0.1, qui demandent une copie ou un extrait d'une déclaration de succession.
§ 2. Lorsque l'entité compétente de l'administration flamande confie à un tiers l'exécution des actes nécessaires à l'accomplissement des tâches dont elle est chargée, cette entité est autorisée, uniquement aux fins de l'exécution de ces actes, à communiquer à ce tiers les données à caractère personnel, visées à l'article 3.23.1.0.2, nécessaires à l'exécution de ces actes.
Les tiers, visés à l'alinéa 1er, ne peuvent disposer des données à caractère personnel concernées que pour le temps nécessaire à l'exécution des actes, visés à l'alinéa 1er et ne peuvent utiliser ces données à caractère personnel qu'à cette fin.]1
1° les avocats qui, pour le compte de l'entité compétente de l'administration flamande, représentent la Région flamande dans les litiges relatifs à l'application du présent code ;
2° les huissiers de justice qui, pour le compte de l'entité compétente de l'administration flamande, perçoivent les taxes prévues par le présent code ;
3° les sociétés de logement agréées, visées à l'article 4.36 du Code flamand du Logement de 2021, qui demandent la réduction visée à l'article 2.1.5.0.1, § 1er, 2° et 3°, § 1/1, et à l'article 2.1.5.0.2, § 1er, 2°, au nom des locataires ;
4° les tiers, visés au titre 3, chapitre 12, qui sont tenus de fournir des informations à l'entité compétente de l'administration flamande ;
5° les tiers, visés aux articles 3.13.1.3.1 à 3.13.1.3.7, ainsi que les organismes et structures publics, visés aux articles 3.13.1.4.1 et 3.13.1.4.2, auxquels l'entité compétente de l'administration flamande peut s'adresser dans le cadre de ses compétences d'enquête et de contrôle ;
6° les services administratifs et les organismes et structures publics, visés au 3.19.0.0.2 ;
7° les tiers ayant un intérêt suffisant, visés à l'article 3.20.0.0.1, qui demandent une copie ou un extrait d'une déclaration de succession.
§ 2. Lorsque l'entité compétente de l'administration flamande confie à un tiers l'exécution des actes nécessaires à l'accomplissement des tâches dont elle est chargée, cette entité est autorisée, uniquement aux fins de l'exécution de ces actes, à communiquer à ce tiers les données à caractère personnel, visées à l'article 3.23.1.0.2, nécessaires à l'exécution de ces actes.
Les tiers, visés à l'alinéa 1er, ne peuvent disposer des données à caractère personnel concernées que pour le temps nécessaire à l'exécution des actes, visés à l'alinéa 1er et ne peuvent utiliser ces données à caractère personnel qu'à cette fin.]1
Art. 3.23.1.0.4. [1 § 1. Met behoud van de toepassing van paragraaf 2 kunnen in het kader van de toepassing van artikel 3.23.1.0.1, eerste lid, de persoonsgegevens, vermeld in artikel 3.23.1.0.2, uitgewisseld worden met de volgende categorieën van ontvangers:
Section 2. [1 Traitement de données aux fins du précompte immobilier, de la redevance sur les logements inadéquats et inhabitables et de la redevance sur les sites d'activité économique inoccupés]1
Afdeling 2. [1 Gegevensverwerking voor de onroerende voorheffing, heffing ongeschikte en onbewoonbare woningen en leegstandsheffing bedrijfsruimten]1
Art. 3.23.2.0.1. [1 Sans préjudice de l'application de la section 1re, les dispositions de la présente section régissent le traitement des données nécessaires au prélèvement et à la perception corrects des taxes visées au titre 2, chapitres 1er, 5 et 6. ]1
3.23.2.0.1. [1 Met behoud van de toepassing van afdeling 1 zijn de bepalingen van deze afdeling van toepassing op de gegevensverwerking die noodzakelijk is voor de juiste heffing en inning van de belastingen, vermeld in titel 2, hoofdstuk 1, 5 en 6. ]1
Art. 3.23.2.0.2. [1 Dans le cadre du traitement des données visé à l'article 3.23.2.0.1, outre les catégories de données à caractère personnel visées à l'article 3.23.1.0.2, les catégories spécifiques suivantes de données à caractère personnel peuvent être traitées :
3.23.2.0.2. [1 In het kader van de gegevensverwerking, vermeld in artikel 3.23.2.0.1, kunnen naast de categorieën van persoonsgegevens, vermeld in artikel 3.23.1.0.2, de volgende specifieke categorieën van persoonsgegevens worden verwerkt:
Art. 3.23.2.0.3. [1 Dans le cadre du traitement des données visé à l'article 3.23.2.0.1, outre les données à caractère personnel des catégories de personnes concernées, visées à l'article 3.23.1.0.3, les données à caractère personnel des catégories suivantes de personnes concernées peuvent être traitées :
3.23.2.0.3. [1 In het kader van de gegevenswerking, vermeld in artikel 3.23.2.0.1, kunnen naast de persoonsgegevens van de categorieën van betrokkenen, vermeld in artikel 3.23.1.0.3, de persoonsgegevens van de volgende categorieën van betrokkenen worden verwerkt:
Art. 3.23.2.0.4. [1 Sans préjudice de l'application de la conservation nécessaire des données personnelles en vue du traitement ultérieur, à des fins archivistiques dans l'intérêt public, à des fins de recherche scientifique ou historique ou à des fins statistiques, visées à l'article 89 du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données), les données à caractère personnel visées à l'article 3.23.2.0.2, sont conservées pendant dix ans après le paiement ou la prescription des taxes, visées à l'article 3.23.2.0.1, ou, le cas échéant, pendant dix ans après la fin définitive de la procédure administrative et le paiement intégral de tous les montants y afférents.]1
Art. 3.23.2.0.4. [1 Met behoud van de toepassing van de noodzakelijke bewaring ervan voor de latere verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden, vermeld in artikel 89 van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), worden de persoonsgegevens, vermeld in artikel 3.23.2.0.2, bewaard gedurende tien jaar na de betaling of de verjaring van de belastingen, vermeld in artikel 3.23.2.0.1, of, in voorkomend geval, tien jaar na de definitieve beëindiging van de administratieve procedure en de integrale betaling van alle bedragen die daaraan verbonden zijn.]1
Section 3. [1 Traitement de données aux fins de la taxe de circulation, de la taxe de mise en circulation, du prélèvement kilométrique et de l'eurovignette]1
Afdeling 3. [1Gegevensverwerking voor de verkeersbelasting, de belasting op inverkeerstelling, de kilometerheffing en het eurovignet]1
Art. 3.23.3.0.1. [1 Sans préjudice de l'application de la section 1re, les dispositions de la présente section régissent le traitement des données nécessaires au prélèvement et à la perception corrects des taxes visées au titre 2, chapitres 2, 3 et 4, et de l'eurovignette.]1
Art. 3.23.3.0.1. [1 Met behoud van de toepassing van afdeling 1 zijn de bepalingen van deze afdeling van toepassing op de gegevensverwerking die noodzakelijk is voor de juiste inning en heffing van de belastingen, vermeld in titel 2, hoofdstuk 2, 3 en 4, en het eurovignet.]1
Art. 3.23.3.0.2. [1 Dans le cadre du traitement des données visé à l'article 3.23.3.0.1, outre les catégories de données à caractère personnel visées à l'article 3.23.1.0.2, les catégories spécifiques suivantes de données à caractère personnel peuvent être traitées :
1° les caractéristiques du véhicule, du navire ou de l'aéronef ;
2° les données relatives à la composition du ménage ;
3° les données de santé nécessaires à l'octroi de l'exemption, visée à l'article 2.2.6.0.1, § 1er, alinéa 1er, 4°, et à l'article 2.3.6.0.1, § 1er, alinéa 1er, 3°.
Sans préjudice de l'application de l'alinéa 1er, les données à caractère personnel suivantes sont traitées à l'aide des caméras visées à l'article 3.13.2.0.2, 4°, aux fins des taxes visées au titre 2, chapitres 2, 3 et 4 :
1° l'enregistrement visuel de la plaque d'immatriculation à l'avant du véhicule et, le cas échéant, à l'arrière du véhicule ;
2° l'enregistrement visuel du véhicule ;
3° la date, l'heure et le lieu de l'enregistrement visuel ;
4° les caractéristiques du véhicule.]1
1° les caractéristiques du véhicule, du navire ou de l'aéronef ;
2° les données relatives à la composition du ménage ;
3° les données de santé nécessaires à l'octroi de l'exemption, visée à l'article 2.2.6.0.1, § 1er, alinéa 1er, 4°, et à l'article 2.3.6.0.1, § 1er, alinéa 1er, 3°.
Sans préjudice de l'application de l'alinéa 1er, les données à caractère personnel suivantes sont traitées à l'aide des caméras visées à l'article 3.13.2.0.2, 4°, aux fins des taxes visées au titre 2, chapitres 2, 3 et 4 :
1° l'enregistrement visuel de la plaque d'immatriculation à l'avant du véhicule et, le cas échéant, à l'arrière du véhicule ;
2° l'enregistrement visuel du véhicule ;
3° la date, l'heure et le lieu de l'enregistrement visuel ;
4° les caractéristiques du véhicule.]1
Art. 3.23.3.0.2. [1 In het kader van de gegevensverwerking, vermeld in artikel 3.23.3.0.1, kunnen naast de categorieën van persoonsgegevens, vermeld in artikel 3.23.1.0.2, de volgende specifieke categorieën van persoonsgegevens worden verwerkt:
1° de voertuig-, boot- of luchtvaartuigkenmerken;
2° de gegevens over de samenstelling van het gezin;
3° de gegevens over de gezondheid die noodzakelijk zijn voor de toekenning van de vrijstelling, vermeld in artikel 2.2.6.0.1, § 1, eerste lid, 4°, en artikel 2.3.6.0.1, § 1, eerste lid, 3°.
Met behoud van de toepassing van het eerste lid worden met behulp van de camera's, vermeld in artikel 3.13.2.0.2, 4°, voor de belastingen, vermeld in titel 2, hoofdstuk 2, 3 en 4, de volgende persoonsgegevens verwerkt:
1° een beeldopname van de nummerplaat aan de voorkant van het voertuig en, in voorkomend geval, aan de achterkant van het voertuig;
2° een beeldopname van het voertuig;
3° de datum, het tijdstip en de plaats van de beeldopname;
4° de voertuigkenmerken. ]1
1° de voertuig-, boot- of luchtvaartuigkenmerken;
2° de gegevens over de samenstelling van het gezin;
3° de gegevens over de gezondheid die noodzakelijk zijn voor de toekenning van de vrijstelling, vermeld in artikel 2.2.6.0.1, § 1, eerste lid, 4°, en artikel 2.3.6.0.1, § 1, eerste lid, 3°.
Met behoud van de toepassing van het eerste lid worden met behulp van de camera's, vermeld in artikel 3.13.2.0.2, 4°, voor de belastingen, vermeld in titel 2, hoofdstuk 2, 3 en 4, de volgende persoonsgegevens verwerkt:
1° een beeldopname van de nummerplaat aan de voorkant van het voertuig en, in voorkomend geval, aan de achterkant van het voertuig;
2° een beeldopname van het voertuig;
3° de datum, het tijdstip en de plaats van de beeldopname;
4° de voertuigkenmerken. ]1
Art. 3.23.3.0.3. [1 Dans le cadre du traitement des données visé à l'article 3.23.3.0.1, outre les données à caractère personnel des catégories de personnes concernées, visées à l'article 3.23.1.0.3, les données à caractère personnel de la personne handicapée et du grand invalide de guerre, visés aux articles 2.2.6.0.1 et 2.3.6.0.1, peuvent être traitées.
Les données à caractère personnel des personnes concernées visées à l'alinéa 1er ne sont traitées que si cela est nécessaire à la finalité concrète du traitement des données.]1
Les données à caractère personnel des personnes concernées visées à l'alinéa 1er ne sont traitées que si cela est nécessaire à la finalité concrète du traitement des données.]1
Art. 3.23.3.0.3. [1 In het kader van de gegevensverwerking, vermeld in artikel 3.23.3.0.1, kunnen naast de persoonsgegevens van de categorieën van betrokkenen, vermeld in artikel 3.23.1.0.3, de persoonsgegevens van de persoon met een handicap en de grootoorlogsinvalide, vermeld in artikel 2.2.6.0.1 en 2.3.6.0.1, worden verwerkt.
De persoonsgegevens van de betrokkenen, vermeld in het eerste lid, worden alleen verwerkt als dat noodzakelijk is voor het concrete doel van de gegevensverwerking.]1
De persoonsgegevens van de betrokkenen, vermeld in het eerste lid, worden alleen verwerkt als dat noodzakelijk is voor het concrete doel van de gegevensverwerking.]1
Art. 3.23.3.0.4. [1 Sans préjudice de l'application de la conservation nécessaire des données personnelles en vue du traitement ultérieur, à des fins archivistiques dans l'intérêt public, à des fins de recherche scientifique ou historique ou à des fins statistiques, visées à l'article 89 du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données), les données à caractère personnel visées à l'article 3.23.3.0.2, sont conservées pendant dix ans après le paiement ou la prescription des taxes, visées à l'article 3.23.3.0.1, ou, le cas échéant, pendant dix ans après la fin définitive de la procédure administrative et le paiement intégral de tous les montants y afférents.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les données à caractère personnel, visées à l'article 3.23.3.0.2, alinéa 2, qui donnent lieu à une constatation sur la voie publique, visée à l'article 3.13.2.0.4, § 1er, sont conservées pendant nonante jours après cette constatation. ]1
Par dérogation à l'alinéa 1er, les données à caractère personnel, visées à l'article 3.23.3.0.2, alinéa 2, qui donnent lieu à une constatation sur la voie publique, visée à l'article 3.13.2.0.4, § 1er, sont conservées pendant nonante jours après cette constatation. ]1
Art. 3.23.3.0.4. [1 Met behoud van de toepassing van de noodzakelijke bewaring ervan voor de latere verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden, vermeld in artikel 89 van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), worden de persoonsgegevens, vermeld in artikel 3.23.3.0.2, bewaard gedurende tien jaar na de betaling of de verjaring van de belastingen, vermeld in artikel 3.23.3.0.1, of, in voorkomend geval, tien jaar na de definitieve beëindiging van de administratieve procedure en de integrale betaling van alle bedragen die daaraan verbonden zijn.
Section 4. [1 Traitement de données aux fins des droits de succession]1
Afdeling 4. [1 Gegevensverwerking voor de erfbelasting ]1
Art. 3.23.4.0.1. [1 Sans préjudice de l'application de la section 1re, les dispositions de la présente section régissent le traitement des données nécessaires au prélèvement et à la perception corrects des taxes visées au titre 2, chapitre 7. ]1
Art. 3.23.4.0.1. [1 Met behoud van de toepassing van afdeling 1 zijn de bepalingen van deze afdeling van toepassing op de gegevensverwerking die noodzakelijk is voor de juiste heffing en inning van de belastingen, vermeld in titel 2, hoofdstuk 7.]1
Art. 3.23.4.0.2. [1 Dans le cadre du traitement des données visé à l'article 3.23.4.0.1, outre les catégories de données à caractère personnel visées à l'article 3.23.1.0.2, les catégories spécifiques suivantes de données à caractère personnel peuvent être traitées :
1° les enregistrements visuels, à savoir plans, cartes et photographies de biens immobiliers ;
2° les caractéristiques du bâtiment ou du logement ;
3° les données relatives à la composition du ménage ;
4° les données de santé nécessaires à l'octroi de l'abattement visé à l'article 2.7.3.2.12 ;
5° les données judiciaires relatives à l'indignité de venir à la succession, visée à l'article 4.6 du Code civil.]1
1° les enregistrements visuels, à savoir plans, cartes et photographies de biens immobiliers ;
2° les caractéristiques du bâtiment ou du logement ;
3° les données relatives à la composition du ménage ;
4° les données de santé nécessaires à l'octroi de l'abattement visé à l'article 2.7.3.2.12 ;
5° les données judiciaires relatives à l'indignité de venir à la succession, visée à l'article 4.6 du Code civil.]1
Art. 3.23.4.0.2. [1 In het kader van de gegevensverwerking, vermeld in artikel 3.23.4.0.1, kunnen naast de categorieën van persoonsgegevens, vermeld in artikel 3.23.1.0.2, de volgende specifieke categorieën van persoonsgegevens worden verwerkt:
1° beeldopnamen, namelijk plannen, plattegronden en foto's van onroerende goederen;
2° de gebouw- of woningkenmerken;
3° de gegevens over de samenstelling van het gezin;
4° de gegevens over de gezondheid die noodzakelijk zijn voor de toekenning van het abattement, vermeld in artikel 2.7.3.2.12;
5° gerechtelijke gegevens met betrekking tot de onwaardigheid om tot een nalatenschap te komen, vermeld in artikel 4.6 van het Burgerlijk Wetboek.]1
1° beeldopnamen, namelijk plannen, plattegronden en foto's van onroerende goederen;
2° de gebouw- of woningkenmerken;
3° de gegevens over de samenstelling van het gezin;
4° de gegevens over de gezondheid die noodzakelijk zijn voor de toekenning van het abattement, vermeld in artikel 2.7.3.2.12;
5° gerechtelijke gegevens met betrekking tot de onwaardigheid om tot een nalatenschap te komen, vermeld in artikel 4.6 van het Burgerlijk Wetboek.]1
Art. 3.23.4.0.3. [1 Dans le cadre du traitement des données visé à l'article 3.23.4.0.1, outre les données à caractère personnel des catégories de personnes concernées, visées à l'article 3.23.1.0.3, les données à caractère personnel des catégories suivantes de personnes concernées peuvent être traitées :
1° le partenaire du testateur ;
2° la personne qui renonce à la succession ;
3° le créancier du testateur ;
4° le bénéficiaire d'une donation ;
5° le bénéficiaire d'un usufruit ;
6° le bénéficiaire d'un fidéicommis de residuo.
Les données à caractère personnel des catégories de personnes concernées visées à l'alinéa 1er ne sont traitées que si cela est nécessaire à la finalité concrète du traitement des données. ]1
1° le partenaire du testateur ;
2° la personne qui renonce à la succession ;
3° le créancier du testateur ;
4° le bénéficiaire d'une donation ;
5° le bénéficiaire d'un usufruit ;
6° le bénéficiaire d'un fidéicommis de residuo.
Les données à caractère personnel des catégories de personnes concernées visées à l'alinéa 1er ne sont traitées que si cela est nécessaire à la finalité concrète du traitement des données. ]1
Art. 3.23.4.0.3. [1 In het kader van de gegevenswerking, vermeld in artikel 3.23.4.0.1, kunnen naast de persoonsgegevens van de categorieën van betrokkenen, vermeld in artikel 3.23.1.0.3, de persoonsgegevens van de volgende categorieën van betrokkenen worden verwerkt:
1° de partner van de erflater;
2° de persoon die de nalatenschap verwerpt;
3° de schuldeiser van de erflater;
4° de begunstigde van een schenking;
5° de begunstigde van een vruchtgebruik;
6° de begunstigde van een fideï-commis de residuo.
De persoonsgegevens van de categorieën van betrokkenen, vermeld in het eerste lid, worden alleen verwerkt als dat noodzakelijk is voor het concrete doel van de gegevensverwerking.]1
1° de partner van de erflater;
2° de persoon die de nalatenschap verwerpt;
3° de schuldeiser van de erflater;
4° de begunstigde van een schenking;
5° de begunstigde van een vruchtgebruik;
6° de begunstigde van een fideï-commis de residuo.
De persoonsgegevens van de categorieën van betrokkenen, vermeld in het eerste lid, worden alleen verwerkt als dat noodzakelijk is voor het concrete doel van de gegevensverwerking.]1
Art. 3.23.4.0.4. [1 Sans préjudice de l'application de la conservation nécessaire des données personnelles en vue du traitement ultérieur, à des fins archivistiques dans l'intérêt public, à des fins de recherche scientifique ou historique ou à des fins statistiques, visées à l'article 89 du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données), les données à caractère personnel visées à l'article 3.23.4.0.2, sont conservées pendant trente ans après le paiement ou la prescription des taxes, visées à l'article 3.23.4.0.1, ou, le cas échéant, pendant trente ans après la fin définitive de la procédure administrative et le paiement intégral de tous les montants y afférents.]1
Art. 3.23.4.0.4. [1 Met behoud van de toepassing van de noodzakelijke bewaring ervan voor de latere verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden, vermeld in artikel 89 van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), worden de persoonsgegevens, vermeld in artikel 3.23.4.0.2, bewaard gedurende dertig jaar na de betaling of de verjaring van de belastingen, vermeld in artikel 3.23.4.0.1, of, in voorkomend geval, dertig jaar na de definitieve beëindiging van de administratieve procedure en de integrale betaling van alle bedragen die daaraan verbonden zijn.]1
Section 5. [1Traitement de données aux fins de la taxe d'enregistrement ]1
Afdeling 5. [1 Gegevensverwerking voor de registratiebelasting]1
Art. 3.23.5.0.1. [1 Sans préjudice de l'application de la section 1re, les dispositions de la présente section régissent le traitement des données nécessaires au prélèvement et à la perception corrects des taxes visées au titre 2, chapitres 8, 9, 10 et 11.]1
Art. 3.23.5.0.1. [1 Met behoud van de toepassing van afdeling 1 zijn de bepalingen van deze afdeling van toepassing op de gegevensverwerking die noodzakelijk is voor de juiste heffing en inning van de belastingen, vermeld in titel 2, hoofdstuk 8, 9, 10 en 11.]1
Art. 3.23.5.0.2. [1 Dans le cadre du traitement des données visé à l'article 3.23.5.0.1, outre les catégories de données à caractère personnel visées à l'article 3.23.1.0.2, les catégories spécifiques suivantes de données à caractère personnel peuvent être traitées :
1° les enregistrements visuels, à savoir plans, cartes et photographies de biens immobiliers ;
2° les caractéristiques du bâtiment et du logement ;
3° les données relatives à la composition du ménage ;
4° les données de santé nécessaires à l'octroi de l'abattement visé à l'article 2.8.3.0.4.]1
1° les enregistrements visuels, à savoir plans, cartes et photographies de biens immobiliers ;
2° les caractéristiques du bâtiment et du logement ;
3° les données relatives à la composition du ménage ;
4° les données de santé nécessaires à l'octroi de l'abattement visé à l'article 2.8.3.0.4.]1
Art. 3.23.5.0.2. [1 In het kader van de gegevensverwerking, vermeld in artikel 3.23.5.0.1, kunnen naast de categorieën van persoonsgegevens, vermeld in artikel 3.23.1.0.2, de volgende specifieke categorieën van persoonsgegevens worden verwerkt:
1° beeldopnamen, namelijk plannen, plattegronden en foto's van onroerende goederen;
2° de gebouw- en woningkenmerken;
3° de gegevens over de samenstelling van het gezin;
4° de gegevens over de gezondheid die noodzakelijk zijn voor de toekenning van het abattement, vermeld in artikel 2.8.3.0.4.]1
1° beeldopnamen, namelijk plannen, plattegronden en foto's van onroerende goederen;
2° de gebouw- en woningkenmerken;
3° de gegevens over de samenstelling van het gezin;
4° de gegevens over de gezondheid die noodzakelijk zijn voor de toekenning van het abattement, vermeld in artikel 2.8.3.0.4.]1
Art. 3.23.5.0.3. [1 Sans préjudice de l'application de la conservation nécessaire des données personnelles en vue du traitement ultérieur, à des fins archivistiques dans l'intérêt public, à des fins de recherche scientifique ou historique ou à des fins statistiques, visées à l'article 89 du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données), les données à caractère personnel visées à l'article 3.23.5.0.2, sont conservées pendant trente ans après le paiement ou la prescription des taxes, visées à l'article 3.23.5.0.1, ou, le cas échéant, pendant trente ans après la fin définitive de la procédure administrative et le paiement intégral de tous les montants y afférents.]1
Art. 3.23.5.0.3. [1 Met behoud van de toepassing van de noodzakelijke bewaring ervan voor de latere verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden, vermeld in artikel 89 van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), worden de persoonsgegevens, vermeld in artikel 3.23.5.0.2, bewaard gedurende dertig jaar na de betaling of de verjaring van de belastingen, vermeld in artikel 3.23.5.0.1, of, in voorkomend geval, dertig jaar na de definitieve beëindiging van de administratieve procedure en de integrale betaling van alle bedragen die daaraan verbonden zijn.]1
Section 6. [1 Traitement de données aux fins de la taxe sur les jeux et paris et de la taxe sur les appareils automatiques de divertissement]1
Afdeling 6. [1 Gegevensverwerking voor de belasting op de spelen en weddenschappen en de belasting op de automatische ontspanningstoestellen ]1
Art. 3.23.6.0.1. [1 Sans préjudice de l'application de la section 1re, les dispositions de la présente section régissent le traitement des données nécessaires au prélèvement et à la perception corrects des taxes visées au titre 2, chapitres 12 et 13.]1
Art. 3.23.6.0.1. [1 Behoudens de toepassing van afdeling 1 zijn de bepalingen van deze afdeling van toepassing op de gegevensverwerking die noodzakelijk is voor de juiste heffing en inning van de belastingen, vermeld in titel 2, hoofdstuk 12 en 13.]1
Art. 3.23.6.0.2. [1 Dans le cadre du traitement des données visé à l'article 3.23.6.0.1, outre les catégories de données à caractère personnel visées à l'article 3.23.1.0.2, les enregistrements visuels des appareils automatiques de divertissement, des appareils d'engagement de paris, des jeux de hasard et des permis accordés par la Commission des jeux de hasard peuvent être traités. ]1
Art. 3.23.6.0.2. [1 In het kader van de gegevensverwerking, vermeld in artikel 3.23.6.0.1, kunnen naast de categorieën van persoonsgegevens, vermeld in artikel 3.23.1.0.2, beeldopnamen van de automatische ontspanningstoestellen, de toestellen voor de aanneming van weddenschappen, de kansspelen en de vergunningen, toegekend door de Kansspelcommissie, worden verwerkt.]1
Art. 3.23.6.0.3. [1 Sans préjudice de l'application de la conservation nécessaire des données personnelles en vue du traitement ultérieur, à des fins archivistiques dans l'intérêt public, à des fins de recherche scientifique ou historique ou à des fins statistiques, visées à l'article 89 du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données), les données à caractère personnel visées à l'article 3.23.6.0.2, sont conservées pendant dix ans après le paiement ou la prescription des taxes, visées à l'article 3.23.6.0.1, ou, le cas échéant, pendant dix ans après la fin définitive de la procédure administrative et le paiement intégral de tous les montants y afférents. ]1
Art. 3.23.6.0.3. [1 Met behoud van de toepassing van de noodzakelijke bewaring ervan voor de latere verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden, vermeld in artikel 89 van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), worden de persoonsgegevens, vermeld in artikel 3.23.6.0.2, bewaard gedurende tien jaar na de betaling of de verjaring van de belastingen, vermeld in artikel 3.23.6.0.1, of, in voorkomend geval, tien jaar na de definitieve beëindiging van de administratieve procedure en de integrale betaling van alle bedragen die daaraan verbonden zijn.]1
TITRE 4. . - Dispositions modificatives
TITEL 4. - Wijzigingsbepalingen
Chapitre 1er. - Modifications du code du 23 novembre 1965 des taxes assimilées aux impôts sur les revenus
Hoofdstuk 1. - Wijzigingen van het wetboek van 23 november 1965 van de met inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen
Art. 4.1.0.0.1. L'article 95 du code du 23 novembre 1965 des taxes assimilées aux impôts sur les revenus, inséré par la loi du 1er juin 1992 et modifié en dernier lieu par le décret du 23 décembre 2010, est remplacé par les dispositions suivantes :
Art. 4.1.0.0.1. Artikel 95 van het wetboek van 23 november 1965 van de met inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, ingevoegd bij de wet van 1 juni 1992 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 23 december 2010, wordt vervangen door wat volgt :
Chapitre 2. - Modifications au décret du 22 décembre 1995 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 1996
Hoofdstuk 2. - Wijzigingen van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996
Art. 4.2.0.0.1. L'article 24 du décret du 22 décembre 1995 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 1996, modifié par les décrets des 8 juillet 1997, 7 juillet 1998, 24 mars 2006 et 29 avril 2011, est complété par 9° et 10°, rédigés comme suit :
Art. 4.2.0.0.1. Aan artikel 24 van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996, gewijzigd bij de decreten van 8 juli 1997, 7 juli 1998, 24 maart 2006 en 29 april 2011, worden 9° en 10° toegevoegd, die luiden als volgt :
"9° inventaris : de inventaris, vermeld in artikel 28;
10° houder van een zakelijk recht : de persoon, vermeld in artikel 2.5.2.0.1 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013.".
"9° inventaris : de inventaris, vermeld in artikel 28;
10° houder van een zakelijk recht : de persoon, vermeld in artikel 2.5.2.0.1 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013.".
Art. 4.2.0.0.2. Dans le chapitre VIII, section 2, du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 9 novembre 2012, la sous-section 1re, comprenant les articles 25 et 26, est abrogée.
Art. 4.2.0.0.2. In hoofdstuk VIII, afdeling 2, van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 9 november 2012, wordt onderafdeling 1, die bestaat uit artikel 25 en 26, opgeheven.
Art. 4.2.0.0.3. A l'article 27 du même décret, modifié par les décrets des 7 mai 2004, 24 décembre 2004, 23 décembre 2005, 24 mars 2006, 16 juin 2006 et 27 mars 2009, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 2, les phrases " Si un de ces droits réels appartient à plus d'une personne en indivision, l'indivision vaut comme contribuable. Les membres de l'indivision sont solidairement tenus de payer la redevance due. " sont abrogées.
2° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Le fonctionnaire instrumentant, chargé du transfert du droit réel, cité dans l'article 2.5.2.0.1, § 1er, du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013, doit informer l'attributaire du droit réel, au plus tard au moment du transfert du droit réel, de la notification de la constatation d'inaptitude ou de négligence ou de la reprise du bâtiment et/ou de l'habitation dans l'inventaire, cité dans les articles 28 à 35 inclus. Un formulaire rempli et signé par les deux parties est envoyé par le notaire ou par une partie, au plus tard sept jours après le transfert du droit réel, au gestionnaire de l'inventaire et aux membres du personnel compétents, cités dans l'article 1.1.0.0.2, alinéa premier, 4° du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013. A défaut de cette notification au gestionnaire de l'inventaire et aux fonctionnaires visés à l'article 38, alinéa premier, le cédant du droit réel est considéré, par dérogation au § 1er, comme étant le redevable pour la première redevance naissant après le transfert du droit réel. ".
1° au paragraphe 2, les phrases " Si un de ces droits réels appartient à plus d'une personne en indivision, l'indivision vaut comme contribuable. Les membres de l'indivision sont solidairement tenus de payer la redevance due. " sont abrogées.
2° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Le fonctionnaire instrumentant, chargé du transfert du droit réel, cité dans l'article 2.5.2.0.1, § 1er, du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013, doit informer l'attributaire du droit réel, au plus tard au moment du transfert du droit réel, de la notification de la constatation d'inaptitude ou de négligence ou de la reprise du bâtiment et/ou de l'habitation dans l'inventaire, cité dans les articles 28 à 35 inclus. Un formulaire rempli et signé par les deux parties est envoyé par le notaire ou par une partie, au plus tard sept jours après le transfert du droit réel, au gestionnaire de l'inventaire et aux membres du personnel compétents, cités dans l'article 1.1.0.0.2, alinéa premier, 4° du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013. A défaut de cette notification au gestionnaire de l'inventaire et aux fonctionnaires visés à l'article 38, alinéa premier, le cédant du droit réel est considéré, par dérogation au § 1er, comme étant le redevable pour la première redevance naissant après le transfert du droit réel. ".
Art. 4.2.0.0.3. In artikel 27 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 7 mei 2004, 24 december 2004, 23 december 2005, 24 maart 2006, 16 juni 2006 en 27 maart 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 2 worden de zinnen "Behoort één van die zakelijke rechten in onverdeeldheid toe aan meer dan één persoon dan geldt de onverdeeldheid als belastingplichtige. De leden van de onverdeeldheid zijn hoofdelijk gehouden tot betaling van de verschuldigde heffing." opgeheven;
2° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt :
" § 3. De instrumenterende ambtenaar, belast met de overdracht van het zakelijk recht, vermeld in artikel 2.5.2.0.1, § 1, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, moet de verkrijger van het zakelijk recht uiterlijk op het ogenblik van de overdracht van het zakelijk recht op de hoogte brengen van de kennisgeving van de vaststelling tot ongeschiktheid of verwaarlozing ervan of van de opname van het gebouw en/of de woning in de inventaris, vermeld in artikel 28 tot en met 35. Een door beide partijen ingevuld en ondertekend formulier wordt door de notaris of een partij uiterlijk zeven dagen na de overdracht van het zakelijk recht aan de inventarisbeheerder en aan de bevoegde personeelsleden, vermeld in artikel 1.1.0.0.2, eerste lid, 4°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, gezonden. Bij ontstentenis van die kennisgeving aan de inventarisbeheerder en aan de ambtenaren, vermeld in artikel 38, eerste lid, wordt de overdrager van het zakelijk recht, in afwijking van paragraaf 1, als belastingplichtige beschouwd voor de eerstvolgende heffing die na de overdracht van het zakelijk recht ontstaat.".
1° in paragraaf 2 worden de zinnen "Behoort één van die zakelijke rechten in onverdeeldheid toe aan meer dan één persoon dan geldt de onverdeeldheid als belastingplichtige. De leden van de onverdeeldheid zijn hoofdelijk gehouden tot betaling van de verschuldigde heffing." opgeheven;
2° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt :
" § 3. De instrumenterende ambtenaar, belast met de overdracht van het zakelijk recht, vermeld in artikel 2.5.2.0.1, § 1, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, moet de verkrijger van het zakelijk recht uiterlijk op het ogenblik van de overdracht van het zakelijk recht op de hoogte brengen van de kennisgeving van de vaststelling tot ongeschiktheid of verwaarlozing ervan of van de opname van het gebouw en/of de woning in de inventaris, vermeld in artikel 28 tot en met 35. Een door beide partijen ingevuld en ondertekend formulier wordt door de notaris of een partij uiterlijk zeven dagen na de overdracht van het zakelijk recht aan de inventarisbeheerder en aan de bevoegde personeelsleden, vermeld in artikel 1.1.0.0.2, eerste lid, 4°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, gezonden. Bij ontstentenis van die kennisgeving aan de inventarisbeheerder en aan de ambtenaren, vermeld in artikel 38, eerste lid, wordt de overdrager van het zakelijk recht, in afwijking van paragraaf 1, als belastingplichtige beschouwd voor de eerstvolgende heffing die na de overdracht van het zakelijk recht ontstaat.".
Art. 4.2.0.0.4. Dans l'article 35 du même décret, modifié par les décrets des 8 juillet 1997, 7 mai 2004, 24 décembre 2004, 24 mars 2006, 27 mars 2009 et 29 avril 2011, la partie de phrase " l'article 39, § 2, " est chaque fois remplacée par la partie de phrase " titre 3, chapitre 5, du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013. ".
Art. 4.2.0.0.4. In artikel 35 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 8 juli 1997, 7 mei 2004, 24 december 2004, 24 maart 2006, 27 maart 2009 en 29 april 2011, wordt de zinsnede "artikel 39, § 2," telkens vervangen door de zinsnede "titel 3, hoofdstuk 5, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013,".
Art. 4.2.0.0.5. Dans le chapitre VIII, section 2, du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 9 novembre 2012, la sous-section 4, comprenant les articles 36 et 37, est abrogée.
Art. 4.2.0.0.5. In hoofdstuk VIII, afdeling 2, van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 9 november 2012, wordt onderafdeling 4, die bestaat uit artikel 36 en 37, opgeheven.
Art. 4.2.0.0.6. L'article 38 du même décret, modifié par les décrets des 24 décembre 2004 et 24 mars 2006, est abrogé.
Art. 4.2.0.0.6. Artikel 38 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 24 december 2004 en 24 maart 2006, wordt opgeheven.
Art. 4.2.0.0.7. L'article 39 du même décret, modifié par les décrets des 8 juillet 1996, 7 juillet 1998, 30 juin 2000, 7 mai 2004, 24 décembre 2004, 24 juin 2005, 21 novembre 2008, 18 décembre 2009, 29 avril 2011 et 8 juillet 2011, est abrogé.
Art. 4.2.0.0.7. Artikel 39 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 8 juli 1996, 7 juli 1998, 30 juni 2000, 7 mei 2004, 24 december 2004, 24 juni 2005, 21 november 2008, 18 december 2009, 29 april 2011 en 8 juli 2011, wordt opgeheven.
Art. 4.2.0.0.8. A l'article 40 du même décret les paragraphes 1er à 3 inclus et les paragraphes 5 et 6 sont abrogés.
Art. 4.2.0.0.8. In artikel 40 van hetzelfde decreet worden paragraaf 1 tot en met 3 en paragraaf 5 en 6 opgeheven.
Art. 4.2.0.0.9. L'article 48bis du même décret, inséré par le décret du 21 novembre 2008, est abrogé.
Art. 4.2.0.0.9. Artikel 40bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 21 november 2008, wordt opgeheven.
Art. 4.2.0.0.10. Dans le chapitre VIII, section 2, du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 9 novembre 2012, la sous-section 6, comprenant les articles 41 à 42bis inclus, la sous-section 7, comprenant les articles 43 à 44 inclus et la sous-section, comprenant l'article 44, est abrogée.
Art. 4.2.0.0.10. In hoofdstuk VIII, afdeling 2, van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 9 november 2012, worden onderafdeling 6, die bestaat uit artikel 41 tot en met 42bis, onderafdeling 7, die bestaat uit artikel 43 tot en met 44, en onderafdeling 8, die bestaat uit artikel 44, opgeheven.
Chapitre 3. - Modifications du décret du 19 avril 1995 contenant des mesures visant à lutter contre l'abandon et le délabrement de sites industriels
Hoofdstuk 3. - Wijzigingen van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten
Art. 4.3.0.0.1. A l'article 2 du décret du 19 avril 1995 contenant des mesures visant à lutter contre l'abandon et le délabrement de sites industriels, modifié par les décrets des 19 décembre 2003, 10 mars 2006, 23 juin 2006 et 11 mai 2012, les points 13°, 14° et 16° sont appréciés.
Art. 4.3.0.0.1. In artikel 2 van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten, gewijzigd bij de decreten van 19 december 2003, 10 maart 2006, 23 juni 2006 en 11 mei 2012, worden 13°, 14° en 16° opgeheven.
Art. 4.3.0.0.2. L'article 15 du même décret, remplacé par le décret du 23 juin 2006, est abrogé.
Art. 4.3.0.0.2. Artikel 15 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 23 juni 2006, wordt opgeheven.
Art. 4.3.0.0.3. L'article 16 du même décret, modifié par les décrets des 6 juillet 2001 et 23 juin 2006, est abrogé.
Art. 4.3.0.0.3. Artikel 16 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 6 juli 2001 en 23 juni 2006, wordt opgeheven.
Art. 4.3.0.0.4. A l'article 17 du même décret, modifié par les décrets des 20 décembre 1996, 8 juillet 1997, 5 juillet 2002, 27 juin 2003, 10 mars 2006, 21 novembre 2008 et 27 mars 2009, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1er, la partie de phrase " l'article 45 des lois coordonnées sur la Comptabilité de l'Etat " est remplacée par la partie de phrase " l'article 12, § 1er, du décret du 8 juillet 2011 réglant le budget, la comptabilité, l'attribution de subventions et le contrôle de leur utilisation, et le contrôle par la Cour des Comptes ";
2° au paragraphe 2°, alinéa deux, la partie de phrase " Chapitre VIII, Section 2, du décret du 22 décembre 1995 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 1996, tel que modifié ultérieurement " est remplacé par la phrase " titre 2, chapitre 5, du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013 ";
3° au paragraphe 3, 2°, la partie de phrase " tel qu'inséré par le présent décret " est remplacée par la partie de phrase " titre 2, chapitre 6, du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013 ";
4° au paragraphe 3°, 4° , la partie de phrase " Chapitre VIII, Section 2, du décret du 22 décembre 1995 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 1996, tel que modifié ultérieurement " est remplacé par la phrase " titre 2, chapitre 5, du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013 ".
1° au paragraphe 1er, la partie de phrase " l'article 45 des lois coordonnées sur la Comptabilité de l'Etat " est remplacée par la partie de phrase " l'article 12, § 1er, du décret du 8 juillet 2011 réglant le budget, la comptabilité, l'attribution de subventions et le contrôle de leur utilisation, et le contrôle par la Cour des Comptes ";
2° au paragraphe 2°, alinéa deux, la partie de phrase " Chapitre VIII, Section 2, du décret du 22 décembre 1995 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 1996, tel que modifié ultérieurement " est remplacé par la phrase " titre 2, chapitre 5, du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013 ";
3° au paragraphe 3, 2°, la partie de phrase " tel qu'inséré par le présent décret " est remplacée par la partie de phrase " titre 2, chapitre 6, du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013 ";
4° au paragraphe 3°, 4° , la partie de phrase " Chapitre VIII, Section 2, du décret du 22 décembre 1995 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 1996, tel que modifié ultérieurement " est remplacé par la phrase " titre 2, chapitre 5, du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013 ".
Art. 4.3.0.0.4. In artikel 17 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 20 december 1996, 8 juli 1997, 5 juli 2002, 27 juni 2003, 10 maart 2006, 21 november 2008 en 27 maart 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "artikel 45 van de gecoördineerde wetten op de rijkscomptabiliteit" vervangen door de zinsnede "artikel 12 van het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof";
2° in paragraaf 2, tweede lid, wordt de zinsnede "Hoofdstuk VIII, Afdeling 2, van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996, zoals later gewijzigd" vervangen door de zinsnede "titel 2, hoofdstuk 5, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013";
3° in paragraaf 3, 2°, wordt de zinsnede "zoals ingevoerd bij dit decreet" vervangen door de zinsnede "vermeld in titel 2, hoofdstuk 6, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013";
4° in paragraaf 3, 4°, wordt de zinsnede "Hoofdstuk VIII, Afdeling 2, van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996, zoals later gewijzigd" vervangen door de zinsnede "titel 2, hoofdstuk 5, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 décembre 2013".
1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "artikel 45 van de gecoördineerde wetten op de rijkscomptabiliteit" vervangen door de zinsnede "artikel 12 van het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof";
2° in paragraaf 2, tweede lid, wordt de zinsnede "Hoofdstuk VIII, Afdeling 2, van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996, zoals later gewijzigd" vervangen door de zinsnede "titel 2, hoofdstuk 5, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013";
3° in paragraaf 3, 2°, wordt de zinsnede "zoals ingevoerd bij dit decreet" vervangen door de zinsnede "vermeld in titel 2, hoofdstuk 6, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013";
4° in paragraaf 3, 4°, wordt de zinsnede "Hoofdstuk VIII, Afdeling 2, van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996, zoals later gewijzigd" vervangen door de zinsnede "titel 2, hoofdstuk 5, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 décembre 2013".
Art. 4.3.0.0.5. L'article 19 du même décret est abrogé.
Art. 4.3.0.0.5. Artikel 19 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Art. 4.3.0.0.6. Les articles 20 à 23 inclus du même décret, modifiés par le décret du 10 mars 2006, sont abrogés.
Art. 4.3.0.0.6. Artikel 20 tot en met 23 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 10 maart 2006, worden opgeheven.
Art. 4.3.0.0.7. Dans le chapitre VIII, section 2, du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 22 juin 2012, la section 2, comprenant les articles 24 à 33 inclus et la section 3, comprenant les article 34 à 41 inclus, sont abrogées.
Art. 4.3.0.0.7. In hoofdstuk III van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 22 juni 2012, worden afdeling 2, die bestaat uit artikel 24 tot en met 33, en afdeling 3, die bestaat uit artikel 34 tot en met 41, opgeheven.
Chapitre 4. - Modifications du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009
Hoofdstuk 4. - Wijzigingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009
Art. 4.4.0.0.1. Dans l'article 2.6.17, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009, au paragraphe 1er, la partie de phrase " l'article 45 des lois coordonnées sur la Comptabilité de l'Etat " est remplacée par la partie de phrase " l'article 12 du décret du 8 juillet 2011 réglant le budget, la comptabilité, l'attribution de subventions et le contrôle de leur utilisation, et le contrôle par la Cour des Comptes ".
Art. 4.4.0.0.1. In artikel 2.6.17 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, wordt in paragraaf 1 de zinsnede "artikel 45 van de wetten op de rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 17 juli 1991" vervangen door de zinsnede "artikel 12 van het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof".
Art. 4.4.0.0.2. Au titre II, chapitre VI, sous-section 7, du même code, la section 1re, comprenant l'article 2.6.18, est remplacé par la disposition suivante :
" Section 1re. Application supplétive du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013.
" Section 1re. Application supplétive du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013.
Art. 4.4.0.0.2. In titel II, hoofdstuk VI, afdeling 2, onderafdeling 7 van dezelfde codex wordt sectie 1, dat bestaat uit artikel 2.6.18, vervangen door wat volgt :
"Sectie 1 Suppletieve toepassing van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013
"Sectie 1 Suppletieve toepassing van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013
Art. 2.6.18. Sans préjudice des disposition de ou en vertu de la présente section, les dispositions du titre 3 du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013 s'appliquent à la taxe sur les bénéfices résultant de la planification spatiale. ".
Art. 2.6.18. Onverminderd de bepalingen van of krachtens deze afdeling, zijn de bepalingen van titel 3 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 van toepassing op de planbatenheffing.".
Chapitre 5. - Modifications d'autres décrets
Hoofdstuk 5. - Wijzigingen van andere decreten
Art. 4.5.0.0.1. Dans l'article 31 du décret du 5 juillet 2013 modifiant diverses dispositions du décret du 19 avril 1995 contenant des mesures visant à lutter contre l'abandon et le délabrement de sites industriels, la partie de phrase " l'article 36, § 1er, du décret précité " est remplacée par la partie de phrase " l'article 2.6.7.4.1, alinéa premier, du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013 ".
Art. 4.5.0.0.1. In artikel 31 van het decreet van 5 juli 2013 tot wijziging van diverse bepalingen van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten wordt de zinsnede "artikel 36, § 1, van het voormelde decreet" vervangen door de zinsnede "artikel 2.6.7.4.1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013.".
Chapitre 6. - Références mutuelles
Hoofdstuk 6. - Kruisverwijzingen
Art. 4.6.0.0.1. Les références mutuelles aux dispositions abrogées suite à la présente codification, doivent être lues conformément au tableau de concordance 1er, de l'annexe 1re, qui intégralement partie du présent code.
Art. 4.6.0.0.1. Kruisverwijzingen naar bepalingen, opgeheven naar aanleiding van deze codificatie, moeten worden gelezen overeenkomstig de concordantietabel 1 uit bijlage 1, die integraal deel uitmaakt van deze codex.
Art. 4.6.0.0.2. Le Gouvernement flamand est autorisé d'adapter là où nécessaire des références dans d'autres décrets aux dispositions reprises dans le présent code.
Art. 4.6.0.0.2. De Vlaamse Regering wordt ertoe gemachtigd om verwijzingen in andere decreten naar bepalingen die in deze codex zijn onder gebracht waar nodig aan te passen.
TITRE 5. - Dispositions abrogatoires et mesures transitoires
TITEL 5. - Opheffingsbepalingen en overgangsmaatregelen
Art. 5.0.0.0.1.[1 ...]1 Les règlements suivants sont abrogés :
Art. 5.0.0.0.1. [1 ...]1 De volgende regelingen worden opgeheven :
1° het WIB 92, zoals van toepassing op de onroerende voorheffing wat betreft het Vlaamse Gewest, het laatst gewijzigd bij het decreet van 21 juni 2013, met uitzondering van artikel 249, [1 artikel 464/1]1 en titel IX, met behoud van de toepassing van artikel 5.0.0.0.6;
2° het wetboek van 23 november 1965 van de met inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, zoals van toepassing op de verkeersbelasting op de autovoertuigen en de belasting op de inverkeerstelling wat betreft het Vlaamse Gewest, het laatst gewijzigd bij het decreet van 9 november 2012, met uitzondering van artikel 3, 35, 42, 94, 95 en 107;
[5 2° /1 het wetboek van 23 november 1965 van de met Inkomstenbelastingen Gelijkgestelde Belastingen, zoals van toepassing op de belasting op de spelen en weddenschappen en de belasting op de automatische ontspanningstoestellen wat betreft het Vlaamse Gewest, het laatst gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2015, met uitzondering van artikel 66 en 76;]5
3° de wet van 27 december 1994 tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend in Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet overeenkomstig richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993 wat betreft het Vlaamse Gewest, het laatst gewijzigd bij het decreet van 9 november 2012, met uitzondering van artikel 1, 2, eerste lid, 2bis en 3, eerste lid;
[2 4° het Wetboek van Successierechten, zoals van toepassing voor wat betreft het Vlaamse Gewest, voor de belastingen, vermeld in artikel 3, 4°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, het laatst gewijzigd bij de wet van 21 december 2013, met uitzondering van artikel 1, artikel 60bis, § 1 tot en met § 9, § 10, 1° en 3°, § 11, tweede tot en met vijfde lid (als het betrekking heeft op overlijdens van voor 1 januari 2012), artikel 76, artikel 96 tot en met 99 van het federale Wetboek van Successierechten, artikel 101 tot en met [6 103²]6 van het federale Wetboek van Successierechten, artikel 144, artikel 145, artikel 163 en boek II, IIbis en III;
5° het Wetboek der Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, zoals van toepassing voor wat betreft het Vlaamse Gewest voor de belastingen, vermeld in artikel 3, 6°, 7° en 8°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, het laatst gewijzigd bij het decreet van 28 maart 2014, met uitzondering van artikel 1, artikel 2 (met uitzondering van het derde lid, de woorden "alsook de voorschriften die voor de juiste heffing van de verschuldigde rechten nodig zijn"), artikel 2bis tot en met artikel 8bis, artikel 9, eerste en tweede lid, artikel 10, tweede lid, artikel 11, tweede en derde lid, artikel 13, artikel 19, artikel 211, artikel 212, 1°, artikel 23 tot en met artikel 34, [3 artikel 35, eerste en vijfde lid (als die leden geen betrekking hebben op de registratiebelasting), artikel 35, tweede en derde lid]3, artikel 36 tot en met artikel 39, artikel 41, 2° en 3°, artikel 41bis, artikel 43 (als het geen betrekking heeft op schenkbelasting, verkooprecht of verdeelrecht), artikel 75, tweede lid, tweede zin, artikel 77 tot en met artikel 84, artikel 88, [4 artikel 921 (als het geen betrekking heeft op het recht van hypotheekvestiging), artikel 922,]4 artikel 94, artikel 103, artikel 115 tot en met artikel 119, artikel 121 (als het geen betrekking heeft op verkooprecht), artikel 122, artikel 123, artikel 124, artikel 128, artikel 142 tot en met artikel 145, artikel 158, artikel 159, 9° en 14°, [4 artikel 160, artikel 161, 1° (als het geen betrekking heeft op verkooprecht of verdeelrecht), 1° bis, 3° (als het geen betrekking heeft op verkooprecht), 4° (als het geen betrekking heeft op registratiebelasting), 5°, 10°, 12° en 13°,]4 artikel 162 tot en met artikel 165, artikel 166 (als het geen betrekking heeft op de openbare verkoping van onroerende goederen), artikel 170, tweede lid, artikel 173, 3°, 4°, 5° en 6°, artikel 176 tot en met artikel 180, artikel 184, artikel 184bis (als het geen betrekking heeft op schenkbelasting, verkooprecht of verdeelrecht), artikel 206, tweede lid, artikel 206bis, derde lid, artikel 207bis, tweede lid, artikel 209, eerste lid, 5°, artikel 210, tweede lid, artikel 226 tot en met artikel 236, artikel 237 tot en met artikel 287, artikel 290, artikel 301, artikel 302 tot en met artikel 304;
[6 5° /1 artikel 161, 1°, van het Wetboek der Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, zoals van toepassing voor het Vlaamse Gewest voor de belastingen, vermeld in artikel 3, eerste lid, 6°, 7° en 8°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, als het betrekking heeft op schenkbelasting en op het recht op hypotheekvestiging;]6
6° artikel 9 van het organiek besluit van 18 maart 1831 van het bestuur van `s lands middelen voor wat betreft de administratieve geldboetes of de belastingverhogingen opgelegd in toepassing van titel 3, hoofdstuk 18;
7° artikel 4, 5, de bijlage en de tweede bijlage van het koninklijk besluit van 11 januari 1940 betreffende de uitvoering van het Wetboek der Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten;
8° artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 maart 2012 tot uitvoering van de artikelen 140quinquies en 140sexies van het Wetboek der Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten en de artikelen 60/4 en 60/5 van het Wetboek der Successierechten;
9° artikel 11, 12, 13 en 14 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 1995 tot regeling van de vrijstelling inzake successierechten verbonden aan de maatschappelijke rechten in vennootschappen opgericht in het kader van de realisatie en/of financiering van investeringsprogramma's van serviceflats.]2
1° het WIB 92, zoals van toepassing op de onroerende voorheffing wat betreft het Vlaamse Gewest, het laatst gewijzigd bij het decreet van 21 juni 2013, met uitzondering van artikel 249, [1 artikel 464/1]1 en titel IX, met behoud van de toepassing van artikel 5.0.0.0.6;
2° het wetboek van 23 november 1965 van de met inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, zoals van toepassing op de verkeersbelasting op de autovoertuigen en de belasting op de inverkeerstelling wat betreft het Vlaamse Gewest, het laatst gewijzigd bij het decreet van 9 november 2012, met uitzondering van artikel 3, 35, 42, 94, 95 en 107;
[5 2° /1 het wetboek van 23 november 1965 van de met Inkomstenbelastingen Gelijkgestelde Belastingen, zoals van toepassing op de belasting op de spelen en weddenschappen en de belasting op de automatische ontspanningstoestellen wat betreft het Vlaamse Gewest, het laatst gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2015, met uitzondering van artikel 66 en 76;]5
3° de wet van 27 december 1994 tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend in Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet overeenkomstig richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993 wat betreft het Vlaamse Gewest, het laatst gewijzigd bij het decreet van 9 november 2012, met uitzondering van artikel 1, 2, eerste lid, 2bis en 3, eerste lid;
[2 4° het Wetboek van Successierechten, zoals van toepassing voor wat betreft het Vlaamse Gewest, voor de belastingen, vermeld in artikel 3, 4°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, het laatst gewijzigd bij de wet van 21 december 2013, met uitzondering van artikel 1, artikel 60bis, § 1 tot en met § 9, § 10, 1° en 3°, § 11, tweede tot en met vijfde lid (als het betrekking heeft op overlijdens van voor 1 januari 2012), artikel 76, artikel 96 tot en met 99 van het federale Wetboek van Successierechten, artikel 101 tot en met [6 103²]6 van het federale Wetboek van Successierechten, artikel 144, artikel 145, artikel 163 en boek II, IIbis en III;
5° het Wetboek der Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, zoals van toepassing voor wat betreft het Vlaamse Gewest voor de belastingen, vermeld in artikel 3, 6°, 7° en 8°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, het laatst gewijzigd bij het decreet van 28 maart 2014, met uitzondering van artikel 1, artikel 2 (met uitzondering van het derde lid, de woorden "alsook de voorschriften die voor de juiste heffing van de verschuldigde rechten nodig zijn"), artikel 2bis tot en met artikel 8bis, artikel 9, eerste en tweede lid, artikel 10, tweede lid, artikel 11, tweede en derde lid, artikel 13, artikel 19, artikel 211, artikel 212, 1°, artikel 23 tot en met artikel 34, [3 artikel 35, eerste en vijfde lid (als die leden geen betrekking hebben op de registratiebelasting), artikel 35, tweede en derde lid]3, artikel 36 tot en met artikel 39, artikel 41, 2° en 3°, artikel 41bis, artikel 43 (als het geen betrekking heeft op schenkbelasting, verkooprecht of verdeelrecht), artikel 75, tweede lid, tweede zin, artikel 77 tot en met artikel 84, artikel 88, [4 artikel 921 (als het geen betrekking heeft op het recht van hypotheekvestiging), artikel 922,]4 artikel 94, artikel 103, artikel 115 tot en met artikel 119, artikel 121 (als het geen betrekking heeft op verkooprecht), artikel 122, artikel 123, artikel 124, artikel 128, artikel 142 tot en met artikel 145, artikel 158, artikel 159, 9° en 14°, [4 artikel 160, artikel 161, 1° (als het geen betrekking heeft op verkooprecht of verdeelrecht), 1° bis, 3° (als het geen betrekking heeft op verkooprecht), 4° (als het geen betrekking heeft op registratiebelasting), 5°, 10°, 12° en 13°,]4 artikel 162 tot en met artikel 165, artikel 166 (als het geen betrekking heeft op de openbare verkoping van onroerende goederen), artikel 170, tweede lid, artikel 173, 3°, 4°, 5° en 6°, artikel 176 tot en met artikel 180, artikel 184, artikel 184bis (als het geen betrekking heeft op schenkbelasting, verkooprecht of verdeelrecht), artikel 206, tweede lid, artikel 206bis, derde lid, artikel 207bis, tweede lid, artikel 209, eerste lid, 5°, artikel 210, tweede lid, artikel 226 tot en met artikel 236, artikel 237 tot en met artikel 287, artikel 290, artikel 301, artikel 302 tot en met artikel 304;
[6 5° /1 artikel 161, 1°, van het Wetboek der Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, zoals van toepassing voor het Vlaamse Gewest voor de belastingen, vermeld in artikel 3, eerste lid, 6°, 7° en 8°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, als het betrekking heeft op schenkbelasting en op het recht op hypotheekvestiging;]6
6° artikel 9 van het organiek besluit van 18 maart 1831 van het bestuur van `s lands middelen voor wat betreft de administratieve geldboetes of de belastingverhogingen opgelegd in toepassing van titel 3, hoofdstuk 18;
7° artikel 4, 5, de bijlage en de tweede bijlage van het koninklijk besluit van 11 januari 1940 betreffende de uitvoering van het Wetboek der Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten;
8° artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 maart 2012 tot uitvoering van de artikelen 140quinquies en 140sexies van het Wetboek der Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten en de artikelen 60/4 en 60/5 van het Wetboek der Successierechten;
9° artikel 11, 12, 13 en 14 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 1995 tot regeling van de vrijstelling inzake successierechten verbonden aan de maatschappelijke rechten in vennootschappen opgericht in het kader van de realisatie en/of financiering van investeringsprogramma's van serviceflats.]2
Änderungen
Art. 5.0.0.0.2. L'article 29 du décret du 6 juillet 2001 contenant diverses mesures d'accompagnement de l'ajustement du budget 2001, modifié par le décret du 9 novembre 2012, est abrogé.
Art. 5.0.0.0.2. Artikel 29 van het decreet van 6 juli 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2001, gewijzigd bij het decreet van 9 november 2012, wordt opgeheven.
Art. 5.0.0.0.3. L'article 52 du décret du 23 décembre 2010 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2011 est abrogé.
Art. 5.0.0.0.3. Artikel 52 van het decreet van 23 december 2010 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2011 wordt opgeheven.
Art. 5.0.0.0.4. A l'article 7 du décret du 23 mai 2008 contenant diverses mesures d'accompagnement de l'ajustement du budget 2008, modifié par le décret du 21 décembre 2012, le paragraphe 1er est abrogé.
Art. 5.0.0.0.4. In artikel 7 van het decreet van 23 mei 2008 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2008, gewijzigd bij het decreet van 21 december 2012, wordt paragraaf 1 opgeheven.
Art. 5.0.0.0.5. L'article 6 du décret du 21 décembre 2012 modifiant les articles 257, 258 et 376 du code des impôts sur les revenus 1992 et l'article 7 du décret du 23 mai 2008 contenant diverses mesures d'accompagnement de l'ajustement du budget 2008, en ce qui concerne la diminution du précompte immobilier pour des bâtiments peu énergivores, est abrogé.
Art. 5.0.0.0.5. Artikel 6 van het decreet van 21 december 2012 tot wijziging van artikel 257, 258 en 376 van het wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en artikel 7 van het decreet van 23 mei 2008 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2008, wat de vermindering van de onroerende voorheffing voor energiezuinige gebouwen betreft, worden opgeheven.
Art. 5.0.0.0.6. Les articles 433 à 440 inclus du CIR 92, tel qu'ils s'appliquaient au précompte immobilier en ce qui concerne la Région flamande, avant l'entrée en vigueur du présent code, restent d'application aux avis qui ont été envoyés avant l'entrée en vigueur des articles 3.12.1.0.1 à 3.12.1.0.8, en application de l'article 433 du CIR 92, tel qu'il était d'application au précompte immobilier en ce qui concerne la Région flamande avant l'entrée en vigueur du présent code.
Art. 5.0.0.0.6. Artikel 433 tot en met 440 van het WIB 92, zoals ze van toepassing waren op de onroerende voorheffing wat betreft het Vlaamse Gewest, vóór de inwerkingtreding van deze codex, blijven van toepassing voor berichten die met toepassing van artikel 433 van het WIB 92, zoals het van toepassing was op de onroerende voorheffing wat betreft het Vlaamse Gewest vóór de inwerkingtreding van deze codex, zijn verzonden vóór de datum van inwerkingtreding van artikel 3.12.1.0.1 tot en met 3.12.1.0.8.
Art. 5.0.0.0.7. L'article 3.3.1.0.4 ne s'applique qu'à toutes radiations ou effacement d'un véhicule qui a lieu après l'entrée en vigueur du présent code.
Art. 5.0.0.0.7. Artikel 3.3.1.0.4 is alleen van toepassing op elke schrapping of wissing van een voertuig die plaatsvindt na de inwerkingtreding van deze codex.
Art. 5.0.0.0.8. L'entité compétente de l'administration flamande est compétente pour percevoir et continuer à recouvrer les dossiers transférés et pas encore entièrement traités, conformément à l'application de l'article 5, § 3, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des communautés et des régions, [1 qu'une contrainte ait oui ou non été établie par le receveur fédéral]1.
Art. 5.0.0.0.8. De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie is bevoegd om de overeenkomstig de toepassing van artikel 5, § 3, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten overgedragen en nog niet afgehandelde dossiers [1 , ongeacht of daarvoor al]1 een dwangschrift door de federale ontvanger is uitgevaardigd, te innen en verder in te vorderen.
Art. 5.0.0.0.9. En ce qui concerne les impositions que le juge a annulées, entièrement ou en partie, avant l'entrée en vigueur de l'article 3.7.0.0.2 pour une raison autre que la prescription, les impositions subsidiaires qui sont présentées après la fermeture des débats par une requête notifiée au redevable en application de l'article 356 du CIR 92, tel qu'il était d'application au précompte immobilier en ce qui concerne la Région flamande avant l'entrée en vigueur de l'article 3.7.0.0.2, sont valablement soumises au jugement du juge à condition que les procédures ont été introduite dans les six mois suivant la décision judiciaire coulée en force de chose jugée.
Art. 5.0.0.0.9. Voor de aanslagen die de rechter vóór de inwerkingtreding van artikel 3.7.0.0.2 geheel of ten dele nietig heeft verklaard om een andere reden dan verjaring, worden de subsidiaire aanslagen die voorgelegd worden na de sluiting van de debatten door een aan de belastingschuldige betekend verzoekschrift met toepassing van artikel 356 van het WIB 92, zoals het van toepassing was op de onroerende voorheffing wat betreft het Vlaamse Gewest vóór de inwerkingtreding van artikel 3.7.0.0.2, geldig aan het oordeel van de rechter onderworpen op voorwaarde dat de procedures zijn ingeleid binnen zes maanden na de rechterlijke uitspraak die in kracht van gewijsde is gegaan.
Art. 5.0.0.0.10. Les prescriptions déjà commencées sont réglées conformément au titre 3, chapitre 14, du présent code.
Art. 5.0.0.0.10. De reeds begonnen verjaringen worden geregeld overeenkomstig titel 3, hoofdstuk 14, van deze codex.
Art. 5.0.0.0.11. [1 Les impôts visés à l'article 3, premier alinéa, 4° et 6° à 8°, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des communautés et des régions, ainsi que les intérêts de retard et les amendes fiscales forfaitaires et proportionnelles sur ces impôts, qui ne sont pas encore satisfaites au 31 décembre 2014, et pour lesquelles les délais d'encaissement d'application à cette date ne sont pas encore échus, peuvent, en dérogation au délai visé à l'article 3.3.3.0.1, § 4/1 et § 4/2, être perçus jusqu'au 31 décembre 2019.
La date mentionnée au premier alinéa est prolongée jusqu'au 31 décembre 2023 en cas d'infraction aux dispositions du Code des droits de succession ou du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, comme cela est d'application en ce qui concerne la Région flamande pour les impôts, visés aux articles 3, 6°, 7° et 8° de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des communautés et des régions, ou de ses arrêtés d'exécution, commise avant le 1er janvier 2015, ou en cas d'infraction aux dispositions de ce code ou de ses arrêtés d'exécution, commise après le 31 décembre 2014, dans une intention frauduleuse ou avec l'intention de nuire.
Pour les impôts visés à l'article 3, premier alinéa, 6° à 8°, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des communautés et des régions, ainsi que les intérêts de retard et les amendes fiscales forfaitaires et proportionnelles sur ces impôts, qui sont susceptibles de remboursement au 31 décembre 2014 et pour lesquels, selon le délai qui est d'application à ce moment-là, la demande de remboursement n'est pas encore prescrite, les délais de cinq ans visés aux articles 3.6.0.0.1 et 3.6.0.0.6 sont remplacés par un délai qui se termine le 31 décembre 2016.
Pour les impôts visés à l'article 3, premier alinéa, 4°, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des communautés et des régions, ainsi que les intérêts de retard et les amendes fiscales forfaitaires et proportionnelles sur ces impôts, qui sont susceptibles de remboursement au 31 décembre 2014 et pour lesquels, selon le délai qui est d'application à ce moment-là, la demande de remboursement n'est pas encore prescrite, les délais de cinq ans visés aux articles 3.6.0.0.1 et 3.6.0.0.4 sont remplacés par un délai qui se termine le 31 décembre 2019.
En dérogation de l'article 5.0.0.0.1, 4°, pour les impôts visés à l'article 3, premier alinéa, 4°, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des communautés et des régions, les procédures lancées avant le 1er janvier 2015 sont appliquées en application de l'article 20 du Code des droits de succession, selon les règles visées dans cet article.]1
La date mentionnée au premier alinéa est prolongée jusqu'au 31 décembre 2023 en cas d'infraction aux dispositions du Code des droits de succession ou du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, comme cela est d'application en ce qui concerne la Région flamande pour les impôts, visés aux articles 3, 6°, 7° et 8° de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des communautés et des régions, ou de ses arrêtés d'exécution, commise avant le 1er janvier 2015, ou en cas d'infraction aux dispositions de ce code ou de ses arrêtés d'exécution, commise après le 31 décembre 2014, dans une intention frauduleuse ou avec l'intention de nuire.
Pour les impôts visés à l'article 3, premier alinéa, 6° à 8°, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des communautés et des régions, ainsi que les intérêts de retard et les amendes fiscales forfaitaires et proportionnelles sur ces impôts, qui sont susceptibles de remboursement au 31 décembre 2014 et pour lesquels, selon le délai qui est d'application à ce moment-là, la demande de remboursement n'est pas encore prescrite, les délais de cinq ans visés aux articles 3.6.0.0.1 et 3.6.0.0.6 sont remplacés par un délai qui se termine le 31 décembre 2016.
Pour les impôts visés à l'article 3, premier alinéa, 4°, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des communautés et des régions, ainsi que les intérêts de retard et les amendes fiscales forfaitaires et proportionnelles sur ces impôts, qui sont susceptibles de remboursement au 31 décembre 2014 et pour lesquels, selon le délai qui est d'application à ce moment-là, la demande de remboursement n'est pas encore prescrite, les délais de cinq ans visés aux articles 3.6.0.0.1 et 3.6.0.0.4 sont remplacés par un délai qui se termine le 31 décembre 2019.
En dérogation de l'article 5.0.0.0.1, 4°, pour les impôts visés à l'article 3, premier alinéa, 4°, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des communautés et des régions, les procédures lancées avant le 1er janvier 2015 sont appliquées en application de l'article 20 du Code des droits de succession, selon les règles visées dans cet article.]1
Art. 5.0.0.0.11. [1 De belastingen, vermeld in artikel 3, eerste lid, 4° en 6° tot en met 8°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, alsook de nalatigheidsinteresten en de forfaitaire en proportionele fiscale boeten op die belastingen, die nog niet zijn voldaan op 31 december 2014, en waarvoor de termijnen voor invordering die op die datum van toepassing zijn, nog niet verstreken zijn, kunnen in afwijking van de termijn, vermeld in artikel 3.3.3.0.1, § 4/1 en § 4/2, worden geheven tot en met 31 december 2019.
De datum, vermeld in het eerste lid, wordt verlengd tot en met 31 december 2023 in geval van inbreuk op de bepalingen van het Wetboek van Successierechten of het Wetboek der Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, zoals dat van toepassing is wat betreft het Vlaamse Gewest voor de belastingen, vermeld in artikel 3, 6°, 7° en 8°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, of van ter uitvoering ervan genomen besluiten, begaan voor 1 januari 2015, of in geval van inbreuk op de bepalingen van deze codex of van ter uitvoering ervan genomen besluiten, begaan na 31 december 2014, en gedaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden.
Voor de belastingen, vermeld in artikel 3, eerste lid, 6° tot en met 8°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, alsook de nalatigheidsinteresten en de forfaitaire en proportionele fiscale boeten op die belastingen, die op 31 december 2014 vatbaar zijn voor teruggave en waarvoor volgens de termijn die op dat ogenblik van toepassing is, de eis tot teruggave nog niet is verjaard, worden de termijnen van vijf jaar, vermeld in artikel 3.6.0.0.1 en 3.6.0.0.6, vervangen door een termijn die eindigt op 31 december 2016.
Voor de belastingen, vermeld in artikel 3, eerste lid, 4°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, alsook de nalatigheidsinteresten en de forfaitaire en proportionele fiscale boeten op die belastingen, die op 31 december 2014 vatbaar zijn voor teruggave en waarvoor volgens de termijn die op dat ogenblik van toepassing is, de eis tot teruggave nog niet is verjaard, worden de termijnen van vijf jaar, vermeld in artikel 3.6.0.0.1 en 3.6.0.0.4, vervangen door een termijn die eindigt op 31 december 2019.
In afwijking van artikel 5.0.0.0.1, 4°, worden voor de belastingen, vermeld in artikel 3, eerste lid, 4°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, de procedures die vóór 1 januari 2015 zijn opgestart in toepassing van artikel 20 Wb. Succ., afgewerkt volgens de regels vermeld in dat artikel.]1
De datum, vermeld in het eerste lid, wordt verlengd tot en met 31 december 2023 in geval van inbreuk op de bepalingen van het Wetboek van Successierechten of het Wetboek der Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, zoals dat van toepassing is wat betreft het Vlaamse Gewest voor de belastingen, vermeld in artikel 3, 6°, 7° en 8°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, of van ter uitvoering ervan genomen besluiten, begaan voor 1 januari 2015, of in geval van inbreuk op de bepalingen van deze codex of van ter uitvoering ervan genomen besluiten, begaan na 31 december 2014, en gedaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden.
Voor de belastingen, vermeld in artikel 3, eerste lid, 6° tot en met 8°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, alsook de nalatigheidsinteresten en de forfaitaire en proportionele fiscale boeten op die belastingen, die op 31 december 2014 vatbaar zijn voor teruggave en waarvoor volgens de termijn die op dat ogenblik van toepassing is, de eis tot teruggave nog niet is verjaard, worden de termijnen van vijf jaar, vermeld in artikel 3.6.0.0.1 en 3.6.0.0.6, vervangen door een termijn die eindigt op 31 december 2016.
Voor de belastingen, vermeld in artikel 3, eerste lid, 4°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, alsook de nalatigheidsinteresten en de forfaitaire en proportionele fiscale boeten op die belastingen, die op 31 december 2014 vatbaar zijn voor teruggave en waarvoor volgens de termijn die op dat ogenblik van toepassing is, de eis tot teruggave nog niet is verjaard, worden de termijnen van vijf jaar, vermeld in artikel 3.6.0.0.1 en 3.6.0.0.4, vervangen door een termijn die eindigt op 31 december 2019.
In afwijking van artikel 5.0.0.0.1, 4°, worden voor de belastingen, vermeld in artikel 3, eerste lid, 4°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, de procedures die vóór 1 januari 2015 zijn opgestart in toepassing van artikel 20 Wb. Succ., afgewerkt volgens de regels vermeld in dat artikel.]1
Art. 5.0.0.0.14. [1 Le délai de trois ans, visé à l'article 2.9.4.2.11, § 2, alinéa 1er, 2°, et le délai de cinq ans, visé à l'article 2.9.4.2.14, § 2, alinéa 2, 1°, s'applique de plein droit également aux contrats de vente conclus à partir du 1er juin 2018 et avant le 1er juin 2020 en application du tarif, visés respectivement aux articles 2.9.4.2.11 et 2.9.4.2.14.]1
Art. 5.0.0.0.14. [1 De termijn van drie jaar, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 2, eerste lid, 2°, en de termijn van vijf jaar, vermeld in artikel 2.9.4.2.14, § 2, tweede lid, 1°, geldt van rechtswege ook voor de verkoopovereenkomsten die zijn gesloten vanaf 1 juni 2018 en voor 1 juni 2020 met toepassing van het tarief, vermeld in respectievelijk artikel 2.9.4.2.11 en 2.9.4.2.14.]1
Art. 5.0.0.0.15. [1 Les sûretés constituées en exécution de l'article 3.10.5.1.3, tel qu'il était d'application avant l'abrogation de cet article, sont libérées. Les frais liés à cette libération sont à la charge du donneur de caution.]1
Art. 5.0.0.0.16. [1 Par dérogation à l'article 3.3.1.0.16, alinéa 1er, le contribuable peut introduire, au plus tard le 15 janvier 2023, une déclaration auprès de l'entité compétente de l'administration flamande pour un appareil automatique de divertissement qui sera installé pendant la première moitié de janvier 2023.
Par dérogation à l'article 3.3.1.0.16, alinéa 4, une déclaration qui est introduite ou renouvelée automatiquement pour l'installation d'appareils automatiques de divertissement au cours du quatrième trimestre de 2022, n'est pas renouvelée automatiquement.]1
Par dérogation à l'article 3.3.1.0.16, alinéa 4, une déclaration qui est introduite ou renouvelée automatiquement pour l'installation d'appareils automatiques de divertissement au cours du quatrième trimestre de 2022, n'est pas renouvelée automatiquement.]1
Art. 5.0.0.0.16. [1 In afwijking van artikel 3.3.1.0.16, eerste lid, kan de belastingplichtige voor een automatisch ontspanningstoestel dat in de eerste helft van januari 2023 wordt opgesteld, een aangifte indienen bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie uiterlijk op 15 januari 2023.
In afwijking van artikel 3.3.1.0.16, vierde lid, wordt een aangifte die is ingediend, of automatisch verlengd, voor de opstelling van automatische ontspanningstoestellen in het vierde kwartaal van 2022 niet automatisch verlengd.]1
In afwijking van artikel 3.3.1.0.16, vierde lid, wordt een aangifte die is ingediend, of automatisch verlengd, voor de opstelling van automatische ontspanningstoestellen in het vierde kwartaal van 2022 niet automatisch verlengd.]1
Art. 5.0.0.0.17. [1 L'article 3.6.0.0.1, tel que modifié par le décret du 9 décembre 2022, s'applique aux impositions dont le délai visé à l'article 3.6.0.0.1, alinéa 1er, 1°, n'a pas encore expiré.]1
Art. 5.0.0.0.17. [1 Artikel 3.6.0.0.1, zoals gewijzigd bij het decreet van 9 december 2022, is van toepassing op de aanslagen, waarvoor de termijn, vermeld in artikel 3.6.0.0.1, eerste lid, 1°, nog niet is verstreken.]1
Art. 5.0.0.0.18. [1 Le délai de trois ans, visé à l'article 2.9.4.2.12, § 2, alinéa 1er, 1°, et à l'article 2.9.4.2.14, § 5, alinéa 1er, 1°, s'applique de plein droit également aux contrats d'achat pur, conclus à partir du 1er janvier 2022 ou, par dérogation, aux actes authentiques passés à partir du 1er janvier 2022, lorsque les contrats d'achat pur auxquels ces actes se rapportent ont été conclus avant le 1er janvier 2022 et pour lesquels le tarif visé à l'article 2.9.4.2.12, respectivement 2.9.4.2.14, a été appliqué.]1
Art. 5.0.0.0.18. [1 De termijn van drie jaar, vermeld in artikel 2.9.4.2.12, § 2, eerste lid, 1°, en artikel 2.9.4.2.14, § 5, eerste lid, 1°, geldt van rechtswege ook voor overeenkomsten houdende zuivere aankoop die gesloten zijn vanaf 1 januari 2022, of, in afwijking daarvan, op authentieke akten verleden vanaf 1 januari 2022, wanneer de overeenkomsten houdende zuivere aankoop waarop de akten betrekking hebben, gesloten zijn voor 1 januari 2022 en waarvoor het tarief, vermeld in respectievelijk artikel 2.9.4.2.12 en 2.9.4.2.14, werd toegepast.]1
Art. 5.0.0.0.19. [1 La définition de camionnette, visée à l'article 1.1.0.0.2, alinéa 3, 2°, a) et b), est appliquée aux véhicules qui sont inscrits après le 31 décembre 2022 au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière ou auprès d'une institution comparable au sein de l'Espace économique européen ou d'un autre Etat et par la suite au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière telle que la définition précitée était d'application avant le 1er janvier 2023, si les conditions suivantes sont remplies :
1° le véhicule a été commandé avant le 1er janvier 2023 ;
2° une copie du bon de commande est transmise avant le 15 février 2023 à l'entité compétente de l'administration flamande, accompagnée d'un formulaire mis à disposition par l'entité précitée, et signé par le contribuable concerné, qui comprend au moins toutes les données suivantes :
a) le numéro d'identification du Registre national des personnes physiques ou le numéro d'identification, visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale, de la personne au nom de laquelle le véhicule est ou sera inscrit au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière ;
b) les prénom, nom et adresse du domicile de la personne physique au nom de laquelle le véhicule est ou sera inscrit au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière.]1
1° le véhicule a été commandé avant le 1er janvier 2023 ;
2° une copie du bon de commande est transmise avant le 15 février 2023 à l'entité compétente de l'administration flamande, accompagnée d'un formulaire mis à disposition par l'entité précitée, et signé par le contribuable concerné, qui comprend au moins toutes les données suivantes :
a) le numéro d'identification du Registre national des personnes physiques ou le numéro d'identification, visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale, de la personne au nom de laquelle le véhicule est ou sera inscrit au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière ;
b) les prénom, nom et adresse du domicile de la personne physique au nom de laquelle le véhicule est ou sera inscrit au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière.]1
Art. 5.0.0.0.19. [1 De definitie van lichte vrachtauto, vermeld in artikel 1.1.0.0.2, derde lid, 2°, a) en b), wordt op de voertuigen die na 31 december 2022 voor de eerste keer ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid of bij een vergelijkbare instelling binnen de Europese Economische Ruimte of een andere staat en nadien in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid toegepast zoals de voormelde definitie van toepassing was vóór 1 januari 2023, als voldaan is aan de volgende voorwaarden:
1° het voertuig is voor 1 januari 2023 besteld;
2° een kopie van de bestelbon is aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie bezorgd voor 15 februari 2023, samen met een formulier, dat de voormelde entiteit te beschikking stelt, dat wordt ondertekend door de betrokken belastingplichtige en dat minstens al de volgende gegevens bevat:
a) het identificatienummer uit het Rijksregister van de natuurlijke personen of het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van de persoon op de naam van wie het voertuig ingeschreven is of zal worden in het repertorium van het Directoraat- generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid;
b) de voornamen, de achternaam en het domicilieadres van de natuurlijke persoon op de naam van wie het voertuig ingeschreven is of zal worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid.]1
1° het voertuig is voor 1 januari 2023 besteld;
2° een kopie van de bestelbon is aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie bezorgd voor 15 februari 2023, samen met een formulier, dat de voormelde entiteit te beschikking stelt, dat wordt ondertekend door de betrokken belastingplichtige en dat minstens al de volgende gegevens bevat:
a) het identificatienummer uit het Rijksregister van de natuurlijke personen of het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van de persoon op de naam van wie het voertuig ingeschreven is of zal worden in het repertorium van het Directoraat- generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid;
b) de voornamen, de achternaam en het domicilieadres van de natuurlijke persoon op de naam van wie het voertuig ingeschreven is of zal worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid.]1
Art. 5.0.0.0.20. [1 Les articles 2.9.4.2.11, § 1er, alinéa 1er, et 2.9.5.0.5, § 1er s'appliquent aux contrats d'acquisition pure conclus à partir du 1er janvier 2025 ou, par dérogation, aux actes authentiques passés à partir du 1er janvier 2025, lorsque les contrats d'acquisition pure auxquels ces actes se rapportent ont été conclus avant le 1er janvier 2025.]1
Art. 5.0.0.0.20. [1 Artikel 2.9.4.2.11, § 1, eerste lid, en artikel 2.9.5.0.5, § 1, zijn van toepassing op overeenkomsten houdende zuivere aankoop gesloten vanaf 1 januari 2025, of, in afwijking daarvan, op authentieke akten verleden vanaf 1 januari 2025, wanneer de overeenkomsten houdende zuivere aankoop waarop de akten betrekking hebben, gesloten zijn voor 1 januari 2025.]1
TITEL 6. - Citeertitel
TITRE 6. - Titre de citation
Art. 6.0.0.0.1. Deze codex wordt aangehaald als : Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013.
Art. 6.0.0.0.1. Le présent code est cité comme : Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013.
TITEL 7. - Inwerkingtredingsbepalingen
TITRE 7. - Dispositions d'entrée en vigueur
Art. 7.0.0.0.1. Titel 1, 3, 4, 5, 6 en 7 van dit decreet treden in werking op 1 januari 2014, met uitzondering van artikel 5.0.0.0.1, 2° en 3°, dat in werking treedt vanaf aanslagjaar 2014 voor wat betreft de bepalingen van de verkeersbelasting op de autovoertuigen, de belasting op de inverkeerstelling en het eurovignet die overeenkomstig de concordantietabel 1 uit bijlage 1 een corresponderende bepaling hebben in titel 2 van deze codex.
Titel 2 treedt in werking vanaf aanslagjaar 2014.
Titel 2 treedt in werking vanaf aanslagjaar 2014.
Art. 7.0.0.0.1. Les Titres 1er, 3, 4, 5, 6 et 7, du présent décret entrent en vigueur le 1er janvier 2014, à l'exception de l'article 5.0.0.0.1, 2° en 3°, qui entre en vigueur à partir de l'année d'imposition en ce qui concerne les dispositions de la taxe de circulation des véhicules, de la taxe de mise en circulation et de l'Eurovignette qui, conformément au tableau de concordance 1, de l'annexe 1re, ont une disposition correspondante dans le titre 2 du présent code.
Le Titre 2 entre en vigueur à partir de l'année d'imposition 2014.
Le Titre 2 entre en vigueur à partir de l'année d'imposition 2014.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N1. [2 Bijlage 1. - Concordantietabellen]2
(Tabellen niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 29-01-2015, p. 7803-7860).]
(Tabellen niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 29-01-2015, p. 7803-7860).
Art. N1. [2 Annexe 1re. - Tableaux de concordance]2
(Annexe non repris pour des raisons techniques, voir M.B. du 29-01-2015, p. 7920-7980).]
(Annexe non repris pour des raisons techniques, voir M.B. du 29-01-2015, p. 7920-7980).
Art. N2. [1 Bijlage 2 - [4 De wegen die onder een wegtype als vermeld in artikel 2.4.4.0.2, 3°, vallen zijn de volgende, voor zover ze zich situeren op het grondgebied van het Vlaamse Gewest:]4:
1) Autosnelwegen, incl. bretelwegen, autosnelwegenringen en op- en afritten :
Autosnelwegen :
[2
1) Autosnelwegen, incl. bretelwegen, autosnelwegenringen en op- en afritten :
Autosnelwegen :
[2
Art. N2. [1 Annexe 2. -[4 (01/01/2024- ...)Les routes appartenant à un type de route, tel que visé à l'article 2.4.4.0.2, 3°, sont les suivantes, à condition qu'elles se situent sur le territoire de la Région flamande :]4 :
1) Autoroutes, y comprises les bretelles d'autoroutes, les rings autoroutiers et les entrées et sorties d'autoroutes :
[2 Autoroutes :
1) Autoroutes, y comprises les bretelles d'autoroutes, les rings autoroutiers et les entrées et sorties d'autoroutes :
[2 Autoroutes :
| [1 A1 | E19 | Brussel-Mechelen-Antwerpen-grens NL (Breda) |
| A2 | E314 | Leuven-Lummen-grens NL (Heerlen) |
| A3 | E40 | Brussel-Leuven-grens Wallonië (Luik) |
| A4 | E411 | Brussel-grens Wallonië (Namen) |
| A7 | E19 | Brussel (R0)-grens Wallonië (Bergen) |
| A8 | E429 | Halle (Ring om Halle inclusief N203a)-grens Wallonië (Doornik) |
| A10 | E40 | Brussel-Gent-Brugge-Oostende |
| A11 | Brugge (N31)-Knokke-Heist (N49) - Zelzate-Antwerpen | |
| A12 | Brussel-Boom-Antwerpen-grens NL (Bergen-op-Zoom) | |
| A13 | E313 | Antwerpen-Hasselt-grens Wallonië (Luik) |
| A14 | E17 | Antwerpen-Gent-Grens FR (Lille) |
| A17 | E403 | Brugge-Kortrijk-grens Wallonië (Doornik) |
| A18 | E40 | Jabbeke-Veurne-grens FR (Duinkerken) |
| A19 | Kortrijk-Ieper | |
| A21 | E34 | Antwerpen (Ranst)-grens NL (Eindhoven) |
| A25 | E25 | Luik (Wallonië)-Maastricht (NL) thv Voeren (op- en afrittencomplex N602) |
| A112 | (N186) | Antwerpen/Jan de Voslei |
| A201 | Brussel-Zaventem]1 | |
| (1)<DVR 2023-12-22/12, art. 2, 062; Inwerkingtreding : 01-01-2024> | ||
]2 Autosnelwegringen
| [1 A1 | E19 | Bruxelles - Malines - Anvers - frontière NL (Breda) |
| A2 | E314 | Louvain - Lummen - frontière NL (Heerlen) |
| A3 | E40 | Bruxelles - Louvain - frontière Wallonie (Liège) |
| A4 | E411 | Bruxelles - frontière Wallonie (Namur) |
| A7 | E19 | Bruxelles (R0) - frontière Wallonie (Mons) |
| A8 | E429 | Hal (ring de Hal, y compris N203a) - frontière Wallonie (Tournai) |
| A10 | E40 | Bruxelles - Gand - Bruges - Ostende |
| A11 | Bruges (N31) - Knokke-Heist (N49) - Zelzate - Anvers | |
| A12 | Bruxelles - Boom - Anvers - frontière NL (Bergen-op-Zoom) | |
| A13 | E313 | Anvers - Hasselt - frontière Wallonie (Liège) |
| A14 | E17 | Anvers - Gand - frontière FR (Lille) |
| A17 | E403 | Bruges - Courtrai - frontière Wallonie (Tournai) |
| A18 | E40 | Jabbeke - Furnes - frontière FR (Dunkerque) |
| A19 | Courtrai - Ypres | |
| A21 | E34 | Anvers (Ranst) - frontière NL (Eindhoven) |
| A25 | E25 | Liège (Wallonie) - Maastricht (NL) à hauteur de Fourons (échangeur N602) |
| A112 | (N186) | Anvers/Jan de Voslei |
| A201 | Bruxelles - Zaventem]1 | |
| (1)<DCFL 2023-12-22/12, art. 21, 062; En vigueur : 01-01-2024> | ||
]2 Rings autoroutiers
| [1 R0 | Ring om Brussel | |
| R1 | Ring om Antwerpen | |
| R2 | Ring om Antwerpen, excl. Liefkenshoektunnel (van op/afrit 11 Waaslandhaven-Noord tot N101) | |
| R4 | Ring om Gent | |
| R8 | Ring om Kortrijk]1 | |
| (1)<DVR 2023-12-22/12, art. 4, 062; Inwerkingtreding : 01-01-2024> | ||
2) Overige gewestwegen met een tarief hoger dan nul eurocent :
[3
| [1 R0 | Ring de Bruxelles | |
| R1 | Ring d'Anvers | |
| R2 | Ring d'Anvers, à l'exclusion du tunnel Liefkenshoek (entre l'entrée/la sortie 11 Waaslandhaven-Noord et la N101) | |
| R4 | Ring de Gand | |
| R8 | Ring de Courtrai]1 | |
| (1)<DCFL 2023-12-22/12, art. 21, 062; En vigueur : 01-01-2024> | ||
2) Autres routes régionales à taux d'imposition supérieur à zéro centime d'euro :
[3
| [1 N1 | Brussel-Antwerpen-grens NL (Breda) | |
| N2 | Brussel-Hasselt-grens NL (Maastricht) | |
| N3 | Brussel-grens Wallonië (Luik) | |
| N4 | Brussel-grens Wallonië (Namen) | |
| N5 | Brussel-grens Wallonië (Charleroi) | |
| N6 | Brussel-grens Wallonië (Bergen) | |
| N7 | Halle-grens Wallonië (Doornik) | |
| N8 | Brussel-Ninove-Oudenaarde-Kortrijk-Ieper-Koksijde | |
| N9 | Brussel-Gent-Brugge-Oostende | |
| N10 | Mortsel-Diest | |
| N12 | Antwerpen - (kruising met) R13 Turnhout | |
| N13 | Lier - (kruising met) E313 Herentals-West | |
| N14 | Mechelen (kruising met R6) - grens NL (met uitzondering van zone binnen R16 Lier) | |
| N15 | Mechelen - N19 | |
| N16 | Vanaf A14 (E17)-Mechelen | |
| N19 | Tussen A13 (E313) en A21 (E34) | |
| N19g | N19 (Kasterlee)-R14 (Geel) | |
| N20 | Hasselt-grens Wallonië (Luik) | |
| N28 | N6 (Halle) - N8 (Ninove) | |
| N31 | (E403) | Brugge-Zeebrugge |
| N32 | Brugge - grens FR | |
| N34 | Hendrik van Minderhoutstraat (Zeebrugge) - N31 | |
| N34a | Kustlaan (Zeebrugge) tussen Hendrik van Minderhoutstraat en Zeegeulstraat | |
| N34f | Slijkensesteenweg (Oostende) | |
| N34i | Zeesluisstraat (Zeebrugge) | |
| N35 | Deinze-N37 (Tielt) | |
| N35 | Pittem (de kruising met N50)-(de kruising met) N330 | |
| N36 | Van R32 (Roeselare) tot N35 (Zarren) en van A14 (E17) tot N8 (Avelgem) | |
| N37 | Aalter (E40) - Roeselare (R32) | |
| N38 | A19 - grens FR | |
| N42 | Vanaf (de kruising met) N8-grens met Wallonië | |
| N43 | Vanaf (de kruising met) R8-(de kruising met) R4 | |
| N44 | Aalter-Maldegem | |
| N47 | N9-A14 (E17) | |
| N49 | (E34) | Antwerpen-Zelzate-Maldegem-Knokke (Knokke-Heist) |
| N50 | Brugge-Ingelmunster-Kortrijk-grens Wallonië (Bergen) | |
| N58 | Van grens Wallonië tot A14 (E17) en van A19 tot grens Wallonië | |
| N60 | Gent-Oudenaarde-Ronse-grens Wallonië (Leuze) | |
| N70 | Gent-Antwerpen | |
| N71 | R14 - N74 | |
| N73 | Heppen N78 (Kinrooi) | |
| N74 | N715 - grens NL | |
| N75 | A2 (E314) - N78 (Dilsen-Stokkem) | |
| N76 | N20 (Kortessem) - N71 (Hamont-Achel) | |
| N80 | Hasselt-grens Wallonië (Namen) | |
| N101 | A12 - R2 - N180 (Noorderlaan) | |
| N101a | Oudendijkweg (incl. Oudendijkbrug en Frederik-Hendrikbrug) | |
| N101b | Kruisschansweg | |
| N111 | N180 (Noorderlaan) - A12 | |
| N180 | N101 (Scheldelaan) - N111 | |
| N186 | Antwerpen (Jan de Voslei) | |
| N223 | N2 (Tielt-Winge) - N3 (Tienen) | |
| N320 | N358 - N9 | |
| N320a | N320 - N9 | |
| N350 | N34 - A11 | |
| N358 | N320 - N9 | |
| N376 | N49 (Knokke-Heist) - grens NL | |
| N382 | N36 (Anzegem) - A14 (E17) | |
| N424 | N456 - R4 Oost | |
| N450 | A11 (E34)-Melseledijk nr 68 | |
| N456 | N424 - R4 West | |
| N458 | N456 - Langerbrugge-Eiland | |
| N474 | Van Langerbrugge-Eiland tot Vasco da Gamalaan en van Terdonkkaai tot A11 (E34) | |
| N713 | N71 - N712b | |
| N715 | A2 (E314) - N74 (Lommel) | |
| N722 | Vanaf N80 (Hasselt) tot N718 (St-Truiden) | |
| R14 | Ring om Geel | |
| R31 | Ring om Oostende (deel tussen A10 en N9) | |
| R32 | Ring om Roeselare (deel tussen A17 (E403) en de N37) | |
| R33 | Ring om Poperinge tussen beide delen van N38]1 | |
| (1)<DVR 2023-12-22/12, art. 6, 062; Inwerkingtreding : 01-01-2024> | ||
]3 ]1
Änderungen
| N1 | Bruxelles - Anvers - frontière PB (Breda) | |
| N2 | Bruxelles - Hasselt - frontière PB (Maastricht) | |
| N3 | Bruxelles - frontière Wallonie (Liège) | |
| N4 | Bruxelles - frontière Wallonie (Namur) | |
| N5 | Bruxelles - frontière Wallonie (Charleroi) | |
| N6 | Bruxelles - frontière Wallonie (Mons) | |
| N7 | Hal - frontière Wallonie (Tournai) | |
| N8 | Bruxelles - Ninove - Audenarde - Courtrai - Ypres - Coxyde | |
| N9 | Bruxelles - Gand- Bruges - Ostende | |
| N10 | Mortsel - Diest | |
| N14 | Depuis (l'intersection avec) le R16 - (l'intersection avec) la E34 | |
| N20 | Hasselt - frontière Wallonie (Liège) | |
| N31 | (E403) | Bruges - Zeebruges, excl. N31 Zeebruges jusqu'à l'intersection avec la N348 |
| N35 | Deinze - N37 (Tielt) | |
| N35 | Pittem (l'intersection avec la N50) - (l'intersection avec) la N330 | |
| N36 | R32 (Roulers) jusqu'à la N35 (Zarren) | |
| N42 | Depuis (l'intersection avec) la N8 - frontière Wallonie | |
| N43 | Depuis (l'intersection avec) le R8 - (l'intersection avec) le R4 | |
| N49 | (E34) | Anvers - Zelzate - Maldegem - Knokke (Knokke-Heist), excl. N49 de Westkapelle jusqu'à l'intersection avec le R4-Ouest |
| N50 | Bruges - Ingelmunster - Courtrai - frontière Wallonie (Mons) | |
| N60 | Gand - Audenarde - Renaix - frontière Wallonie (Leuze) | |
| N70 | Gand - Anvers | |
| N73 | Heppen - Kinrooi (l'intersection avec la N762) | |
| N80 | Hasselt - frontière Wallonie (Namur) | |
| N186 | Anvers (Jan de Voslei) | |
| N722 | Depuis la N80 (Hasselt) jusqu'à la N718 (Saint-Trond) |
]3 ]1