Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
17 JULI 2013. - Wet houdende invoeging van Boek III " Vrijheid van vestiging, dienstverlening en algemene verplichtingen van de ondernemingen ", in het Wetboek van economisch recht en houdende invoeging van de definities eigen aan boek III en van de rechtshandhavingsbepalingen eigen aan boek III, in boeken I en XV van het Wetboek van economisch recht
Titre
17 JUILLET 2013. - Loi portant insertion du Livre III " Liberté d'établissement, de prestation de service et obligations générales des entreprises ", dans le Code de droit économique et portant insertion des définitions propres au livre III et des dispositions d'application de la loi propres au livre III, dans les livres I et XV du Code de droit économique
Dokumentinformationen
Info du document
Inhoud
Tekst (20)
Texte (20)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling.
CHAPITRE 1er. - Disposition générale.
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 78 de la Constitution.
HOOFDSTUK 2. - Het Wetboek van economisch recht.
CHAPITRE 2. - Le Code de droit économique.
Art. 2. In boek I, titel 2, van het Wetboek van economisch recht, wordt een hoofdstuk 1 ingevoegd, luidende :
" Hoofdstuk 1. Definities eigen aan boek III.
Art. I.2. Voor de toepassing van boek III gelden de volgende definities :
1° Kruispuntbank van Ondernemingen : register, opgericht binnen de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, die belast is met de opdrachten bedoeld in artikel III.15;
2° bevoegde autoriteit : elke autoriteit of instantie die een toezichthoudende of regelgevende rol vervult ten aanzien van dienstenactiviteiten; met name de administratieve autoriteiten, met inbegrip van de rechtbanken die in die hoedanigheid optreden, de beroepsorden of andere professionele organen die in het kader van hun juridische autonomie de toegang tot de dienstenactiviteiten of de uitoefening ervan collectief regelen;
3° dienstverrichter : iedere natuurlijke persoon onderdaan van een lidstaat of rechtspersoon in de zin van artikel 54 van het VWEU, gevestigd in een lidstaat die een dienst aanbiedt of verricht;
4° vergunningstelsel : elke procedure die voor een dienstverrichter of voor een afnemer de verplichting inhoudt bij een bevoegde autoriteit stappen te ondernemen ter verkrijging van een formele of stilzwijgende beslissing over de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit;
5° dienst : elke economische activiteit, anders dan in loondienst, die gewoonlijk tegen vergoeding geschiedt, bedoeld in artikel 57 van het VWEU;
6° vestiging : de daadwerkelijke uitoefening van een economische activiteit, zoals bedoeld in artikel 49 van het VWEU, door de dienstverrichter voor onbepaalde tijd en vanuit een duurzame infrastructuur van waaruit daadwerkelijk diensten worden verricht;
7° afnemer : iedere natuurlijke persoon die onderdaan is van een lidstaat of die rechten heeft die hem door communautaire besluiten zijn verleend, of iedere rechtspersoon in de zin van artikel 54 van het VWEU die in een lidstaat is gevestigd en, al dan niet voor beroepsdoeleinden, van een dienst gebruik maakt of wil maken;
8° gereglementeerd beroep : een beroepswerkzaamheid of een geheel van beroepswerkzaamheden waartoe de toegang of waarvan de uitoefening of één van de wijzen van uitoefening krachtens wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen direct of indirect afhankelijk wordt gesteld van het bezit van bepaalde beroepskwalificaties; met name het voeren van een beroepstitel die door wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen beperkt is tot personen die een specifieke beroepskwalificatie bezitten, geldt als een wijze van uitoefening;
9° ambachtsonderneming : de onderneming opgericht door een private persoon die over een vestigingseenheid beschikt in België en er gewoonlijk, krachtens een overeenkomst tot verstrekking van diensten, hoofdzakelijk materiële prestaties levert, voor zover daarmee geen leveringen van waren dan wel slechts toevallige leveringen van waren gepaard gaan en aldus vermoed wordt de hoedanigheid van " ambachtsman " te hebben;
10° handelsonderneming : elke persoon, die over een vestigingseenheid beschikt in België en er daden van koophandel uitoefent, zoals beschreven in het Wetboek van Koophandel en die aldus wordt vermoed de hoedanigheid van " handelaar " te hebben;
11° niet-handelsonderneming naar privaat recht : elke onderneming van privaat recht, bedoeld in artikel III.16, § 1, 1°, 3°, 4° of 5°, die een vestigingseenheid in België heeft maar die niet de hoedanigheid van handels- of ambachtsonderneming heeft.
12° vereiste : elke verplichting, verbodsbepaling, voorwaarde of beperking uit hoofde van de wet, het reglement of administratieve bepalingen of voortvloeiend uit de rechtspraak, de administratieve praktijk, de regels van beroepsorden of de collectieve regels van beroepsverenigingen of andere beroepsorganisaties, die deze in het kader van de hun toegekende juridische bevoegdheden hebben vastgesteld;
13° ondernemingsloket : de instelling die erkend is in uitvoering van boek III, titel 2, hoofdstuk 3 en belast is met taken van openbare dienst of van algemeen belang bedoeld in deze titel 2;
14° handelsregister : deelverzameling van de Kruispuntbank van Ondernemingen die de gegevens omvat van de in de Kruispuntbank van Ondernemingen geregistreerde handels- en ambachtsondernemingen;
15° rechtspersonenregister : deelverzameling van de Kruispuntbank van Ondernemingen omvattende de gegevens van de in de Kruispuntbank van Ondernemingen geregistreerde rechtspersonen;
16° vestigingseenheid : een plaats die men geografisch gezien kan identificeren door een adres, waar ten minste een activiteit van de onderneming wordt uitgeoefend of van waaruit de activiteit wordt uitgeoefend;
Art. I.3. Voor de toepassing van boek III, titel 1, gelden de volgende definities :
1° dwingende redenen van algemeen belang : redenen zoals in het bijzonder de openbare orde, de openbare veiligheid, de staatsveiligheid, de volksgezondheid, de handhaving van het financiële evenwicht van het sociale zekerheidsstelsel, de bescherming van consumenten, afnemers van diensten en werknemers, de eerlijkheid van handelstransacties, de fraudebestrijding, de bescherming van het milieu en het stedelijke milieu, dierenwelzijn, de intellectuele eigendom, het behoud van het nationaal historisch en artistiek erfgoed en doelstellingen van het sociaal beleid en het cultuurbeleid;
2° beroepsaansprakelijkheidsverzekering : een door de dienstverrichter afgesloten verzekering ter dekking, jegens afnemers en, in voorkomend geval, derden, van zijn eventuele aansprakelijkheid in het geval van schade voortvloeiend uit de verrichting van de dienst;
3° arbeidsrecht : alle wettelijke, reglementaire of conventionele bepalingen betreffende de arbeids- en tewerkstellingsvoorwaarden met inbegrip van het welzijn van werknemers bij de uitvoering van hun werk en de daarmee gepaard gaande organisatorische structuren, alsook de controles en de sancties die daarop betrekking hebben en ook de relaties tussen de sociale partners, zoals het recht om collectieve arbeidsovereenkomsten te onderhandelen en deze te sluiten en toe te passen en het recht om te staken en vakbondsacties te voeren;
4° lidstaat van vestiging : de lidstaat op wiens grondgebied de betrokken dienstverrichter is gevestigd;
5° recht van sociale zekerheid : alle wets-, verordenings- en sectorale bepalingen betreffende de inning van de bijdragen en de organisatie en toekenning van de sociale uitkeringen waarop de sociaal verzekerden recht hebben en die tot doel hebben een al dan niet beroepsgebonden inkomen toe te kennen, te vervangen of aan te vullen, om ze te vrijwaren tegen de gevolgen van de sociale risico's die gedekt worden in de reglementeringen betreffende de verzekeringsplicht voor werknemers en zelfstandigen, geneeskundige verzorging en uitkeringen, arbeidsongevallen en beroepsziekten, pensioenen, gezinsbijslag, werkloosheid, jaarlijkse vakantie, tegemoetkomingen voor personen met een handicap;
6° federale coördinator : de natuurlijke persoon benoemd binnen de FOD Economie, om in het kader van de administratieve samenwerking, bepaald in de artikelen XV.35 tot XV.48, het aanspreekpunt te zijn tussen de Europese Commissie en de bevoegde autoriteiten bedoeld in artikel I.2, 2°.
Art. I.4. Voor de toepassing van boek III, titel 2 gelden de volgende definities :
1° onderneming : elke entiteit die zich dient in te schrijven in de Kruispuntbank van Ondernemingen krachtens artikel III.16;
2° dienst : openbare dienst, instelling, natuurlijke persoon of rechtspersoon, aan wie taken van openbare dienst of van algemeen belang zijn toevertrouwd in uitvoering van boek III, titel 2;
3° beheersdienst : de dienst binnen de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie belast met het beheer van de Kruispuntbank van Ondernemingen;
4° de minister : de minister bevoegd voor Middenstand.
Art. I.5. Voor de toepassing van boek III, titel 3, hoofdstuk 2, gelden de volgende definities :
1° onderneming :
a) de natuurlijke personen die koopman zijn;
b) de handelsvennootschappen, de vennootschappen die de rechtsvorm van een handelsvennootschap hebben aangenomen, met uitzondering van de administratieve openbare instellingen bedoeld in artikel 2 van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de Federale Staat, en de Europese economische samenwerkingsverbanden;
c) de openbare instellingen die een statutaire opdracht vervullen van commerciële, financiële of industriële aard;
d) de instellingen, niet bedoeld in het b) en het c), al dan niet met eigen rechtspersoonlijkheid die, met of zonder winstoogmerk, een commercieel, financieel of industrieel bedrijf uitoefenen en waarop dit hoofdstuk, per soort van instellingen, van toepassing wordt verklaard door een koninklijk besluit.
Voor natuurlijke personen zonder woonplaats in België, voor ondernemingen naar buitenlands recht zoals bedoeld in het b), het c) en het d) van het eerste lid, en voor de Europese economische samenwerkingsverbanden waarvan de zetel in een andere Staat is gevestigd, zijn de bepalingen van dit hoofdstuk alleen van toepassing op hun in België gevestigde bijkantoren en centra van werkzaamheden met dien verstande dat hun gezamenlijke bijkantoren en centra van werkzaamheden in België als één onderneming worden beschouwd. De boeken, rekeningen en verantwoordingsstukken betreffende die bijkantoren en centra worden in België bewaard.
In de besluiten waarbij de bepalingen van dit hoofdstuk van toepassing worden verklaard op ondernemingen bedoeld in het d) van het eerste lid, worden de verplichtingen die voor de betrokken ondernemingen voortvloeien uit de besluiten ter uitvoering van boek III, titel 3, aangepast aan wat vereist wordt door de bijzondere aard van de werkzaamheid of door het wettelijk statuut van de betrokken ondernemingen. "
" Hoofdstuk 1. Definities eigen aan boek III.
Art. I.2. Voor de toepassing van boek III gelden de volgende definities :
1° Kruispuntbank van Ondernemingen : register, opgericht binnen de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, die belast is met de opdrachten bedoeld in artikel III.15;
2° bevoegde autoriteit : elke autoriteit of instantie die een toezichthoudende of regelgevende rol vervult ten aanzien van dienstenactiviteiten; met name de administratieve autoriteiten, met inbegrip van de rechtbanken die in die hoedanigheid optreden, de beroepsorden of andere professionele organen die in het kader van hun juridische autonomie de toegang tot de dienstenactiviteiten of de uitoefening ervan collectief regelen;
3° dienstverrichter : iedere natuurlijke persoon onderdaan van een lidstaat of rechtspersoon in de zin van artikel 54 van het VWEU, gevestigd in een lidstaat die een dienst aanbiedt of verricht;
4° vergunningstelsel : elke procedure die voor een dienstverrichter of voor een afnemer de verplichting inhoudt bij een bevoegde autoriteit stappen te ondernemen ter verkrijging van een formele of stilzwijgende beslissing over de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit;
5° dienst : elke economische activiteit, anders dan in loondienst, die gewoonlijk tegen vergoeding geschiedt, bedoeld in artikel 57 van het VWEU;
6° vestiging : de daadwerkelijke uitoefening van een economische activiteit, zoals bedoeld in artikel 49 van het VWEU, door de dienstverrichter voor onbepaalde tijd en vanuit een duurzame infrastructuur van waaruit daadwerkelijk diensten worden verricht;
7° afnemer : iedere natuurlijke persoon die onderdaan is van een lidstaat of die rechten heeft die hem door communautaire besluiten zijn verleend, of iedere rechtspersoon in de zin van artikel 54 van het VWEU die in een lidstaat is gevestigd en, al dan niet voor beroepsdoeleinden, van een dienst gebruik maakt of wil maken;
8° gereglementeerd beroep : een beroepswerkzaamheid of een geheel van beroepswerkzaamheden waartoe de toegang of waarvan de uitoefening of één van de wijzen van uitoefening krachtens wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen direct of indirect afhankelijk wordt gesteld van het bezit van bepaalde beroepskwalificaties; met name het voeren van een beroepstitel die door wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen beperkt is tot personen die een specifieke beroepskwalificatie bezitten, geldt als een wijze van uitoefening;
9° ambachtsonderneming : de onderneming opgericht door een private persoon die over een vestigingseenheid beschikt in België en er gewoonlijk, krachtens een overeenkomst tot verstrekking van diensten, hoofdzakelijk materiële prestaties levert, voor zover daarmee geen leveringen van waren dan wel slechts toevallige leveringen van waren gepaard gaan en aldus vermoed wordt de hoedanigheid van " ambachtsman " te hebben;
10° handelsonderneming : elke persoon, die over een vestigingseenheid beschikt in België en er daden van koophandel uitoefent, zoals beschreven in het Wetboek van Koophandel en die aldus wordt vermoed de hoedanigheid van " handelaar " te hebben;
11° niet-handelsonderneming naar privaat recht : elke onderneming van privaat recht, bedoeld in artikel III.16, § 1, 1°, 3°, 4° of 5°, die een vestigingseenheid in België heeft maar die niet de hoedanigheid van handels- of ambachtsonderneming heeft.
12° vereiste : elke verplichting, verbodsbepaling, voorwaarde of beperking uit hoofde van de wet, het reglement of administratieve bepalingen of voortvloeiend uit de rechtspraak, de administratieve praktijk, de regels van beroepsorden of de collectieve regels van beroepsverenigingen of andere beroepsorganisaties, die deze in het kader van de hun toegekende juridische bevoegdheden hebben vastgesteld;
13° ondernemingsloket : de instelling die erkend is in uitvoering van boek III, titel 2, hoofdstuk 3 en belast is met taken van openbare dienst of van algemeen belang bedoeld in deze titel 2;
14° handelsregister : deelverzameling van de Kruispuntbank van Ondernemingen die de gegevens omvat van de in de Kruispuntbank van Ondernemingen geregistreerde handels- en ambachtsondernemingen;
15° rechtspersonenregister : deelverzameling van de Kruispuntbank van Ondernemingen omvattende de gegevens van de in de Kruispuntbank van Ondernemingen geregistreerde rechtspersonen;
16° vestigingseenheid : een plaats die men geografisch gezien kan identificeren door een adres, waar ten minste een activiteit van de onderneming wordt uitgeoefend of van waaruit de activiteit wordt uitgeoefend;
Art. I.3. Voor de toepassing van boek III, titel 1, gelden de volgende definities :
1° dwingende redenen van algemeen belang : redenen zoals in het bijzonder de openbare orde, de openbare veiligheid, de staatsveiligheid, de volksgezondheid, de handhaving van het financiële evenwicht van het sociale zekerheidsstelsel, de bescherming van consumenten, afnemers van diensten en werknemers, de eerlijkheid van handelstransacties, de fraudebestrijding, de bescherming van het milieu en het stedelijke milieu, dierenwelzijn, de intellectuele eigendom, het behoud van het nationaal historisch en artistiek erfgoed en doelstellingen van het sociaal beleid en het cultuurbeleid;
2° beroepsaansprakelijkheidsverzekering : een door de dienstverrichter afgesloten verzekering ter dekking, jegens afnemers en, in voorkomend geval, derden, van zijn eventuele aansprakelijkheid in het geval van schade voortvloeiend uit de verrichting van de dienst;
3° arbeidsrecht : alle wettelijke, reglementaire of conventionele bepalingen betreffende de arbeids- en tewerkstellingsvoorwaarden met inbegrip van het welzijn van werknemers bij de uitvoering van hun werk en de daarmee gepaard gaande organisatorische structuren, alsook de controles en de sancties die daarop betrekking hebben en ook de relaties tussen de sociale partners, zoals het recht om collectieve arbeidsovereenkomsten te onderhandelen en deze te sluiten en toe te passen en het recht om te staken en vakbondsacties te voeren;
4° lidstaat van vestiging : de lidstaat op wiens grondgebied de betrokken dienstverrichter is gevestigd;
5° recht van sociale zekerheid : alle wets-, verordenings- en sectorale bepalingen betreffende de inning van de bijdragen en de organisatie en toekenning van de sociale uitkeringen waarop de sociaal verzekerden recht hebben en die tot doel hebben een al dan niet beroepsgebonden inkomen toe te kennen, te vervangen of aan te vullen, om ze te vrijwaren tegen de gevolgen van de sociale risico's die gedekt worden in de reglementeringen betreffende de verzekeringsplicht voor werknemers en zelfstandigen, geneeskundige verzorging en uitkeringen, arbeidsongevallen en beroepsziekten, pensioenen, gezinsbijslag, werkloosheid, jaarlijkse vakantie, tegemoetkomingen voor personen met een handicap;
6° federale coördinator : de natuurlijke persoon benoemd binnen de FOD Economie, om in het kader van de administratieve samenwerking, bepaald in de artikelen XV.35 tot XV.48, het aanspreekpunt te zijn tussen de Europese Commissie en de bevoegde autoriteiten bedoeld in artikel I.2, 2°.
Art. I.4. Voor de toepassing van boek III, titel 2 gelden de volgende definities :
1° onderneming : elke entiteit die zich dient in te schrijven in de Kruispuntbank van Ondernemingen krachtens artikel III.16;
2° dienst : openbare dienst, instelling, natuurlijke persoon of rechtspersoon, aan wie taken van openbare dienst of van algemeen belang zijn toevertrouwd in uitvoering van boek III, titel 2;
3° beheersdienst : de dienst binnen de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie belast met het beheer van de Kruispuntbank van Ondernemingen;
4° de minister : de minister bevoegd voor Middenstand.
Art. I.5. Voor de toepassing van boek III, titel 3, hoofdstuk 2, gelden de volgende definities :
1° onderneming :
a) de natuurlijke personen die koopman zijn;
b) de handelsvennootschappen, de vennootschappen die de rechtsvorm van een handelsvennootschap hebben aangenomen, met uitzondering van de administratieve openbare instellingen bedoeld in artikel 2 van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de Federale Staat, en de Europese economische samenwerkingsverbanden;
c) de openbare instellingen die een statutaire opdracht vervullen van commerciële, financiële of industriële aard;
d) de instellingen, niet bedoeld in het b) en het c), al dan niet met eigen rechtspersoonlijkheid die, met of zonder winstoogmerk, een commercieel, financieel of industrieel bedrijf uitoefenen en waarop dit hoofdstuk, per soort van instellingen, van toepassing wordt verklaard door een koninklijk besluit.
Voor natuurlijke personen zonder woonplaats in België, voor ondernemingen naar buitenlands recht zoals bedoeld in het b), het c) en het d) van het eerste lid, en voor de Europese economische samenwerkingsverbanden waarvan de zetel in een andere Staat is gevestigd, zijn de bepalingen van dit hoofdstuk alleen van toepassing op hun in België gevestigde bijkantoren en centra van werkzaamheden met dien verstande dat hun gezamenlijke bijkantoren en centra van werkzaamheden in België als één onderneming worden beschouwd. De boeken, rekeningen en verantwoordingsstukken betreffende die bijkantoren en centra worden in België bewaard.
In de besluiten waarbij de bepalingen van dit hoofdstuk van toepassing worden verklaard op ondernemingen bedoeld in het d) van het eerste lid, worden de verplichtingen die voor de betrokken ondernemingen voortvloeien uit de besluiten ter uitvoering van boek III, titel 3, aangepast aan wat vereist wordt door de bijzondere aard van de werkzaamheid of door het wettelijk statuut van de betrokken ondernemingen. "
Art. 2. Dans le livre Ier, titre 2, du Code de droit économique, il est inséré un chapitre 1er, rédigé comme suit :
" Chapitre 1er. Définitions particulières au livre III.
Art. I.2. Les définitions suivantes sont applicables au livre III :
1° Banque-Carrefour des Entreprises : registre, créé au sein du Service public fédéral Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie, chargé des missions visées à l'article III.15;
2° autorité compétente : toute autorité ou instance ayant un rôle de contrôle ou de réglementation des activités de services, notamment les autorités administratives, y compris les tribunaux agissant à ce titre, les ordres professionnels ou les autres organes professionnels qui, dans le cadre de leur autonomie juridique, réglementent de façon collective l'accès aux activités de services ou leur exercice;
3° prestataire : toute personne physique ressortissante d'un Etat membre ou personne morale visée à l'article 54 du TFUE et établie dans un Etat membre qui offre ou fournit un service;
4° régime d'autorisation : toute procédure qui a pour effet d'obliger un prestataire ou un client à faire une démarche auprès d'une autorité compétente en vue d'obtenir un acte formel ou une décision implicite relative à l'accès à une activité de service ou à son exercice;
5° service : toute activité économique non salariée exercée normalement contre rémunération, visée à l'article 57 du TFUE;
6° établissement : l'exercice effectif d'une activité économique, visée à l'article 49 du TFUE par le prestataire pour une durée indéterminée et au moyen d'une infrastructure stable à partir de laquelle la fourniture de service est réellement assurée;
7° client : toute personne physique ressortissante d'un Etat membre ou qui bénéficie de droits qui lui sont conférés par des actes communautaires ou personne morale visée à l'article 54 du TFUE établie dans un Etat membre qui, à des fins professionnelles ou non, utilise ou souhaite utiliser un service;
8° profession réglementée : une activité ou un ensemble d'activités professionnelles dont l'accès, l'exercice ou une des modalités d'exercice est subordonné directement ou indirectement, en vertu de dispositions législatives, réglementaires ou administratives, à la possession de qualifications professionnelles déterminées; l'utilisation d'un titre professionnel limitée par des dispositions législatives, réglementaires ou administratives aux détenteurs d'une qualification professionnelle donnée constitue une modalité d'exercice;
9° entreprise artisanale : l'entreprise créée par une personne privée, qui a une unité d'établissement en Belgique et y exerce habituellement, en vertu d'un contrat de prestation de services, principalement des actes matériels, ne s'accompagnant d'aucune livraison de biens ou seulement à titre occasionnel et qui est ainsi présumée avoir la qualité d' artisan ";
10° entreprise commerciale : toute personne qui dispose d'une unité d'établissement sur le territoire belge et y exerce des actes qualifiés commerciaux tels que décrits au Code de commerce, et qui est ainsi présumée avoir la qualité de " commerçant ";
11° entreprise non commerciale de droit privé : toute entreprise de droit privé, visée à l'article III.16, § 1er, 1°, 3°, 4° ou 5°, qui a une unité d'établissement en Belgique mais qui n'a pas la qualité d'entreprise commerciale ou artisanale.
12° exigence : toute obligation, interdiction, condition ou limite prévue par la loi, le règlement ou dans des dispositions administratives ou découlant de la jurisprudence, des pratiques administratives, des règles des ordres professionnels ou des règles collectives d'associations professionnelles ou autres organisations professionnelles adoptées dans l'exercice de leur autonomie juridique;
13° guichet d'entreprises : organisme qui est agréé en exécution du livre III, titre 2, chapitre 3 et qui est chargé des missions de service public ou d'intérêt général visées dans ce titre 2;
14° registre de commerce : répertoire compris dans la Banque-Carrefour des Entreprises contenant les données concernant les entreprises commerciales et artisanales enregistrées dans la Banque-Carrefour des Entreprises;
15° registre des personnes morales : répertoire compris dans la Banque-Carrefour des Entreprises contenant les données concernant les personnes morales enregistrées dans la Banque-Carrefour des Entreprises;
16° unité d'établissement : lieu d'activité, géographiquement identifiable par une adresse, où s'exerce au moins une activité de l'entreprise ou à partir duquel elle est exercée;
Art. I.3. Les définitions suivantes sont applicables au livre III, titre 1er :
1° raisons impérieuses d'intérêt général : des raisons telles que notamment l'ordre public, la sécurité publique, la sûreté de l'Etat, la santé publique, la préservation de l'équilibre financier du système de sécurité sociale, la protection des consommateurs, des clients de services et des travailleurs, la loyauté des transactions commerciales, la lutte contre la fraude, la protection de l'environnement et de l'environnement urbain, la santé des animaux, la propriété intellectuelle, la conservation du patrimoine national historique et artistique, des objectifs de politique sociale et des objectifs de politique culturelle;
2° assurance responsabilité professionnelle : une assurance souscrite par un prestataire pour couvrir, à l'égard des clients et, le cas échéant, des tiers, sa responsabilité éventuelle en cas de dommage résultant de la prestation de service;
3° droit du travail : toutes les dispositions légales, réglementaires ou conventionnelles concernant les conditions de travail et d'emploi, y compris le bien-être des travailleurs dans l'exécution de leur travail et les structures organisationnelles qui y sont liées, ainsi que les activités de contrôle et les sanctions qui s'y rapportent et également les relations entre les partenaires sociaux, telles que le droit de négocier et de conclure des conventions collectives de travail et de les appliquer, le droit de grève et le droit de mener des actions syndicales;
4° Etat membre d'établissement : l'Etat membre sur le territoire duquel le prestataire concerné a son établissement;
5° droit de la sécurité sociale : toutes les dispositions légales, réglementaires et sectorielles relatives à la perception des cotisations et à l'organisation et l'octroi de prestations sociales auxquelles ont droit les assurés sociaux et qui ont pour but d'octroyer, de remplacer ou de compléter un revenu professionnel ou non, afin de les préserver des conséquences des risques sociaux couverts par les réglementations relatives à l'assujettissement des travailleurs salariés et indépendants, aux soins de santé et indemnités, aux accidents du travail et maladies professionnelles, aux pensions, aux prestations familiales, au chômage, aux vacances annuelles, aux allocations pour personnes handicapées;
6° coordinateur fédéral : la personne physique désignée au sein du SPF Economie, pour être, dans le cadre de la coopération administrative, prévue aux articles XV.35 à XV.48, le point de contact entre la Commission européenne et les autorités compétentes visées à l'article I.2.2°.
Art. I.4. Les définitions suivantes sont applicables au livre III, titre 2 :
1° entreprise : toute entité tenue de se faire inscrire dans la Banque-Carrefour des Entreprises en vertu de l'article III.16;
2° service : service public, institution, personne physique ou morale, à qui sont confiées des missions publiques ou d'intérêt général en exécution du livre III, titre 2;
3° service de gestion : le service, au sein du Service public fédéral Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie, chargé de la gestion de la Banque-Carrefour des Entreprises;
4° le ministre : le ministre ayant les Classes moyennes dans ses attributions.
Art. I.5. Les définitions suivantes sont applicables au livre III, titre 3, chapitre 2 :
1° entreprise :
a) les personnes physiques ayant la qualité de commerçant;
b) les sociétés commerciales ou à forme commerciale, à l'exception des organismes administratifs publics visés à l'article 2 de la loi du 22 mai 2003 portant organisation du budget et de la comptabilité de l'Etat fédéral, et les groupements européens d'intérêt économique;
c) les organismes publics qui exercent une mission statutaire à caractère commercial, financier ou industriel;
d) les organismes, non visés aux b) et c), dotés ou non d'une personnalité juridique propre qui exercent avec ou sans but de lucre une activité à caractère commercial, financier ou industriel, auxquels les dispositions du présent chapitre sont, par catégories d'organismes, rendues applicables par arrêté royal.
Les personnes physiques qui n'ont pas leur domicile en Belgique, les entreprises de droit étranger visées aux b), c) et d) de l'alinéa 1er ainsi que les groupements européens d'intérêt économique ayant leur siège à l'étranger, ne sont soumis aux dispositions du présent chapitre qu'en ce qui concerne les succursales et sièges d'opération qu'ils ont établis en Belgique. L'ensemble de leurs succursales et sièges d'opérations dans le pays est considéré comme une entreprise. Les livres, comptes et pièces justificatives relatifs à ces sièges et succursales sont conservés en Belgique.
Les arrêtés qui rendent les dispositions du présent chapitre applicables à des entreprises visées au d) du premier alinéa, adaptent les obligations résultant, pour les entreprises concernées, des dispositions des arrêtés pris en exécution du livre III, titre 3, à ce que requièrent la nature particulière des activités et le statut légal des entreprises en cause. "
" Chapitre 1er. Définitions particulières au livre III.
Art. I.2. Les définitions suivantes sont applicables au livre III :
1° Banque-Carrefour des Entreprises : registre, créé au sein du Service public fédéral Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie, chargé des missions visées à l'article III.15;
2° autorité compétente : toute autorité ou instance ayant un rôle de contrôle ou de réglementation des activités de services, notamment les autorités administratives, y compris les tribunaux agissant à ce titre, les ordres professionnels ou les autres organes professionnels qui, dans le cadre de leur autonomie juridique, réglementent de façon collective l'accès aux activités de services ou leur exercice;
3° prestataire : toute personne physique ressortissante d'un Etat membre ou personne morale visée à l'article 54 du TFUE et établie dans un Etat membre qui offre ou fournit un service;
4° régime d'autorisation : toute procédure qui a pour effet d'obliger un prestataire ou un client à faire une démarche auprès d'une autorité compétente en vue d'obtenir un acte formel ou une décision implicite relative à l'accès à une activité de service ou à son exercice;
5° service : toute activité économique non salariée exercée normalement contre rémunération, visée à l'article 57 du TFUE;
6° établissement : l'exercice effectif d'une activité économique, visée à l'article 49 du TFUE par le prestataire pour une durée indéterminée et au moyen d'une infrastructure stable à partir de laquelle la fourniture de service est réellement assurée;
7° client : toute personne physique ressortissante d'un Etat membre ou qui bénéficie de droits qui lui sont conférés par des actes communautaires ou personne morale visée à l'article 54 du TFUE établie dans un Etat membre qui, à des fins professionnelles ou non, utilise ou souhaite utiliser un service;
8° profession réglementée : une activité ou un ensemble d'activités professionnelles dont l'accès, l'exercice ou une des modalités d'exercice est subordonné directement ou indirectement, en vertu de dispositions législatives, réglementaires ou administratives, à la possession de qualifications professionnelles déterminées; l'utilisation d'un titre professionnel limitée par des dispositions législatives, réglementaires ou administratives aux détenteurs d'une qualification professionnelle donnée constitue une modalité d'exercice;
9° entreprise artisanale : l'entreprise créée par une personne privée, qui a une unité d'établissement en Belgique et y exerce habituellement, en vertu d'un contrat de prestation de services, principalement des actes matériels, ne s'accompagnant d'aucune livraison de biens ou seulement à titre occasionnel et qui est ainsi présumée avoir la qualité d' artisan ";
10° entreprise commerciale : toute personne qui dispose d'une unité d'établissement sur le territoire belge et y exerce des actes qualifiés commerciaux tels que décrits au Code de commerce, et qui est ainsi présumée avoir la qualité de " commerçant ";
11° entreprise non commerciale de droit privé : toute entreprise de droit privé, visée à l'article III.16, § 1er, 1°, 3°, 4° ou 5°, qui a une unité d'établissement en Belgique mais qui n'a pas la qualité d'entreprise commerciale ou artisanale.
12° exigence : toute obligation, interdiction, condition ou limite prévue par la loi, le règlement ou dans des dispositions administratives ou découlant de la jurisprudence, des pratiques administratives, des règles des ordres professionnels ou des règles collectives d'associations professionnelles ou autres organisations professionnelles adoptées dans l'exercice de leur autonomie juridique;
13° guichet d'entreprises : organisme qui est agréé en exécution du livre III, titre 2, chapitre 3 et qui est chargé des missions de service public ou d'intérêt général visées dans ce titre 2;
14° registre de commerce : répertoire compris dans la Banque-Carrefour des Entreprises contenant les données concernant les entreprises commerciales et artisanales enregistrées dans la Banque-Carrefour des Entreprises;
15° registre des personnes morales : répertoire compris dans la Banque-Carrefour des Entreprises contenant les données concernant les personnes morales enregistrées dans la Banque-Carrefour des Entreprises;
16° unité d'établissement : lieu d'activité, géographiquement identifiable par une adresse, où s'exerce au moins une activité de l'entreprise ou à partir duquel elle est exercée;
Art. I.3. Les définitions suivantes sont applicables au livre III, titre 1er :
1° raisons impérieuses d'intérêt général : des raisons telles que notamment l'ordre public, la sécurité publique, la sûreté de l'Etat, la santé publique, la préservation de l'équilibre financier du système de sécurité sociale, la protection des consommateurs, des clients de services et des travailleurs, la loyauté des transactions commerciales, la lutte contre la fraude, la protection de l'environnement et de l'environnement urbain, la santé des animaux, la propriété intellectuelle, la conservation du patrimoine national historique et artistique, des objectifs de politique sociale et des objectifs de politique culturelle;
2° assurance responsabilité professionnelle : une assurance souscrite par un prestataire pour couvrir, à l'égard des clients et, le cas échéant, des tiers, sa responsabilité éventuelle en cas de dommage résultant de la prestation de service;
3° droit du travail : toutes les dispositions légales, réglementaires ou conventionnelles concernant les conditions de travail et d'emploi, y compris le bien-être des travailleurs dans l'exécution de leur travail et les structures organisationnelles qui y sont liées, ainsi que les activités de contrôle et les sanctions qui s'y rapportent et également les relations entre les partenaires sociaux, telles que le droit de négocier et de conclure des conventions collectives de travail et de les appliquer, le droit de grève et le droit de mener des actions syndicales;
4° Etat membre d'établissement : l'Etat membre sur le territoire duquel le prestataire concerné a son établissement;
5° droit de la sécurité sociale : toutes les dispositions légales, réglementaires et sectorielles relatives à la perception des cotisations et à l'organisation et l'octroi de prestations sociales auxquelles ont droit les assurés sociaux et qui ont pour but d'octroyer, de remplacer ou de compléter un revenu professionnel ou non, afin de les préserver des conséquences des risques sociaux couverts par les réglementations relatives à l'assujettissement des travailleurs salariés et indépendants, aux soins de santé et indemnités, aux accidents du travail et maladies professionnelles, aux pensions, aux prestations familiales, au chômage, aux vacances annuelles, aux allocations pour personnes handicapées;
6° coordinateur fédéral : la personne physique désignée au sein du SPF Economie, pour être, dans le cadre de la coopération administrative, prévue aux articles XV.35 à XV.48, le point de contact entre la Commission européenne et les autorités compétentes visées à l'article I.2.2°.
Art. I.4. Les définitions suivantes sont applicables au livre III, titre 2 :
1° entreprise : toute entité tenue de se faire inscrire dans la Banque-Carrefour des Entreprises en vertu de l'article III.16;
2° service : service public, institution, personne physique ou morale, à qui sont confiées des missions publiques ou d'intérêt général en exécution du livre III, titre 2;
3° service de gestion : le service, au sein du Service public fédéral Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie, chargé de la gestion de la Banque-Carrefour des Entreprises;
4° le ministre : le ministre ayant les Classes moyennes dans ses attributions.
Art. I.5. Les définitions suivantes sont applicables au livre III, titre 3, chapitre 2 :
1° entreprise :
a) les personnes physiques ayant la qualité de commerçant;
b) les sociétés commerciales ou à forme commerciale, à l'exception des organismes administratifs publics visés à l'article 2 de la loi du 22 mai 2003 portant organisation du budget et de la comptabilité de l'Etat fédéral, et les groupements européens d'intérêt économique;
c) les organismes publics qui exercent une mission statutaire à caractère commercial, financier ou industriel;
d) les organismes, non visés aux b) et c), dotés ou non d'une personnalité juridique propre qui exercent avec ou sans but de lucre une activité à caractère commercial, financier ou industriel, auxquels les dispositions du présent chapitre sont, par catégories d'organismes, rendues applicables par arrêté royal.
Les personnes physiques qui n'ont pas leur domicile en Belgique, les entreprises de droit étranger visées aux b), c) et d) de l'alinéa 1er ainsi que les groupements européens d'intérêt économique ayant leur siège à l'étranger, ne sont soumis aux dispositions du présent chapitre qu'en ce qui concerne les succursales et sièges d'opération qu'ils ont établis en Belgique. L'ensemble de leurs succursales et sièges d'opérations dans le pays est considéré comme une entreprise. Les livres, comptes et pièces justificatives relatifs à ces sièges et succursales sont conservés en Belgique.
Les arrêtés qui rendent les dispositions du présent chapitre applicables à des entreprises visées au d) du premier alinéa, adaptent les obligations résultant, pour les entreprises concernées, des dispositions des arrêtés pris en exécution du livre III, titre 3, à ce que requièrent la nature particulière des activités et le statut légal des entreprises en cause. "
Art. 3. In boek I, titel 2, van het Wetboek van economisch recht, wordt een hoofdstuk 12 ingevoegd, luidende :
" Hoofdstuk 12. Definities eigen aan boek XV :
Art. I.20. Voor de toepassing van boek XV gelden de volgende definities :
1° persoonsgegevens : informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon in overeenstemming met de definitie van artikel 1, § 1, van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens;
2° verantwoordelijke voor de verwerking : de natuurlijke persoon of de rechtspersoon, de feitelijke vereniging of het openbaar bestuur die alleen of samen met anderen het doel en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens bepaalt;
3° verwerking : elke bewerking of elk geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd met behulp van geautomatiseerde procedés, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op enigerlei andere wijze ter beschikking stellen, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van persoonsgegevens;
4° federale coördinator : de natuurlijke persoon benoemd binnen de Federale Overheidsdienst Economie, om in het kader van de administratieve samenwerking, bepaald in de artikelen XV.35 tot XV.48, het aanspreekpunt te zijn tussen de Europese Commissie en de bevoegde Belgische autoriteiten;
5° waarschuwingscoördinator : de natuurlijke persoon of personen die op federaal niveau is of zijn aangewezen om de andere lidstaten en de Europese Commissie in kennis te stellen van ernstige specifieke handelingen of omstandigheden met betrekking tot een dienstenactiviteit, die ernstige schade aan de gezondheid of veiligheid van personen of aan het milieu kunnen veroorzaken. "
" Hoofdstuk 12. Definities eigen aan boek XV :
Art. I.20. Voor de toepassing van boek XV gelden de volgende definities :
1° persoonsgegevens : informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon in overeenstemming met de definitie van artikel 1, § 1, van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens;
2° verantwoordelijke voor de verwerking : de natuurlijke persoon of de rechtspersoon, de feitelijke vereniging of het openbaar bestuur die alleen of samen met anderen het doel en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens bepaalt;
3° verwerking : elke bewerking of elk geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd met behulp van geautomatiseerde procedés, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op enigerlei andere wijze ter beschikking stellen, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van persoonsgegevens;
4° federale coördinator : de natuurlijke persoon benoemd binnen de Federale Overheidsdienst Economie, om in het kader van de administratieve samenwerking, bepaald in de artikelen XV.35 tot XV.48, het aanspreekpunt te zijn tussen de Europese Commissie en de bevoegde Belgische autoriteiten;
5° waarschuwingscoördinator : de natuurlijke persoon of personen die op federaal niveau is of zijn aangewezen om de andere lidstaten en de Europese Commissie in kennis te stellen van ernstige specifieke handelingen of omstandigheden met betrekking tot een dienstenactiviteit, die ernstige schade aan de gezondheid of veiligheid van personen of aan het milieu kunnen veroorzaken. "
Art. 3. Dans le livre Ier, titre 2, du Code de droit économique, il est inséré un chapitre 12, rédigé comme suit :
" Chapitre 12. Définitions particulières au livre XV :
Art. I.20. Les définitions suivantes sont applicables au livre XV :
1° données à caractère personnel : informations concernant une personne physique identifiée ou identifiable, conformément à la définition prévue à l'article 1er, § 1er, de la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel;
2° responsable du traitement : personne physique ou morale, association de fait ou administration publique qui, seule ou conjointement avec d'autres, détermine les finalités et les moyens du traitement de données à caractère personnel;
3° traitement : toute opération ou ensemble d'opérations effectuées ou non à l'aide de procédés automatisés et appliquées à des données à caractère personnel, telles que la collecte, l'enregistrement, l'organisation, la conservation, l'adaptation ou la modification, l'extraction, la consultation, l'utilisation, la communication par transmission, diffusion ou toute autre forme de mise à disposition, le rapprochement ou l'interconnexion, ainsi que le verrouillage, l'effacement ou la destruction de données à caractère personnel;
4° coordinateur fédéral : la personne physique désignée au sein du Service public fédéral Economie, pour être, dans le cadre de la coopération administrative prévue aux articles XV.35 à XV.48, le point de contact entre la Commission européenne et les autorités belges compétentes;
5° coordinateur d'alerte : la personne ou les personnes physiques désignées au niveau fédéral qui sont chargées d'assurer l'information des Etats membres et de la Commission européenne de circonstances ou de faits graves et précis en rapport avec une activité de service susceptibles de causer un préjudice grave à la santé ou à la sécurité des personnes ou à l'environnement. "
" Chapitre 12. Définitions particulières au livre XV :
Art. I.20. Les définitions suivantes sont applicables au livre XV :
1° données à caractère personnel : informations concernant une personne physique identifiée ou identifiable, conformément à la définition prévue à l'article 1er, § 1er, de la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel;
2° responsable du traitement : personne physique ou morale, association de fait ou administration publique qui, seule ou conjointement avec d'autres, détermine les finalités et les moyens du traitement de données à caractère personnel;
3° traitement : toute opération ou ensemble d'opérations effectuées ou non à l'aide de procédés automatisés et appliquées à des données à caractère personnel, telles que la collecte, l'enregistrement, l'organisation, la conservation, l'adaptation ou la modification, l'extraction, la consultation, l'utilisation, la communication par transmission, diffusion ou toute autre forme de mise à disposition, le rapprochement ou l'interconnexion, ainsi que le verrouillage, l'effacement ou la destruction de données à caractère personnel;
4° coordinateur fédéral : la personne physique désignée au sein du Service public fédéral Economie, pour être, dans le cadre de la coopération administrative prévue aux articles XV.35 à XV.48, le point de contact entre la Commission européenne et les autorités belges compétentes;
5° coordinateur d'alerte : la personne ou les personnes physiques désignées au niveau fédéral qui sont chargées d'assurer l'information des Etats membres et de la Commission européenne de circonstances ou de faits graves et précis en rapport avec une activité de service susceptibles de causer un préjudice grave à la santé ou à la sécurité des personnes ou à l'environnement. "
Art. 4. In hetzelfde Wetboek wordt een boek III ingevoegd, luidende :
" Boek III. Vrijheid van vestiging, dienstverlening en algemene verplichtingen van de ondernemingen.
Titel 1. Vrijheid van vestiging en van dienstverlening.
Hoofdstuk 1. Toepassingsgebied.
Art. III.1. § 1. Deze titel voert gedeeltelijk de bepalingen uit van de Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt.
§ 2. Deze titel is van toepassing op diensten, onverminderd de bevoegdheden van de gemeenschappen en de gewesten, met uitzondering van :
1° de diensten van algemeen belang van niet-economische aard, met inbegrip van de sociale diensten die niet onder 11° vallen;
2° de financiële diensten;
3° de elektronische communicatiediensten en netwerken, evenals de middelen en diensten, met betrekking tot aangelegenheden die door de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie beheerd worden;
4° de diensten op het gebied van vervoer met inbegrip van de havendiensten die onder de werkingssfeer van titel VI van het VWEU vallen;
5° de diensten van notarissen die bij een officieel overheidsbesluit zijn benoemd;
6° de diensten van gerechtsdeurwaarders die bij een officieel overheidsbesluit zijn benoemd;
7° de diensten van uitzendkantoren;
8° de diensten van de gezondheidszorg, al dan niet verleend door gezondheidszorgfaciliteiten en ongeacht de wijze waarop zij zijn georganiseerd en worden gefinancierd en ongeacht of zij openbaar of particulier van aard zijn;
9° de gokactiviteiten die erin bestaan dat een financiële waarde wordt ingezet bij kansspelen, met inbegrip van loterijen, gokken in casino's en weddenschappen;
10° de werkzaamheden ter uitoefening van het openbaar gezag zoals bepaald in artikel 51 van het VWEU;
11° zonder afbreuk te doen aan hun kwalificatie als diensten van algemeen belang van niet-economische aard bedoeld in 1° of de kwalificatie als diensten van algemeen belang van economische aard, sociale diensten betreffende sociale huisvesting, kinderzorg en bijstand aan gezinnen en personen die permanent of tijdelijk in nood verkeren, die worden rechtstreeks of onrechtstreeks verleend door de Federale Staat;
12° de diensten van private veiligheid.
§ 2. Deze titel is niet van toepassing op :
1° het domein van de fiscaliteit;
2° het arbeidsrecht;
3° het sociaal zekerheidsrecht.
§ 3. Indien de bepalingen van deze titel strijdig zijn met wetgevende of reglementaire bepalingen ter omzetting van Gemeenschapsrecht die betrekking hebben op de specifieke aspecten van de toegang tot of de uitoefening van een dienstactiviteit in specifieke sectoren of voor specifieke beroepen, dan hebben deze laatste bepalingen voorrang.
Dit betreft met name :
1° de wet van 5 maart 2002 tot omzetting van de Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten, en tot invoering van een vereenvoudigd stelsel betreffende het bijhouden van sociale documenten door ondernemingen die in België werknemers ter beschikking stellen;
2° de wet van 30 maart 1995 betreffende de elektronische communicatienetwerken en -diensten en de uitoefening van omroepactiviteiten in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, voor zover zij de Richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisieomroepactiviteiten omzet;
3° de wet van 12 februari 2008 tot instelling van een nieuw algemeen kader voor de erkenning van EG-beroepskwalificaties.
§ 4. Deze titel heeft geen betrekking op de regels van het internationaal privaatrecht, in het bijzonder de regels betreffende de bepaling van het op contractuele en niet-contractuele verbintenissen toepasselijke recht, met inbegrip van de regels die waarborgen dat voor de consumenten de bescherming geldt die hen wordt geboden door de regels inzake consumentenbescherming die zijn neergelegd in de consumentenwetgeving die in hun lidstaat van kracht is.
§ 5. Deze titel, en meer bepaald de bepalingen met betrekking tot de controle op de regels inzake de bescherming van persoonsgegevens, worden uitgevoerd en zijn van toepassing onverminderd de regels zoals bepaald in Richtlijn 95/46/EG, in Richtlijn 2002/58/EG, in de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, en onverminderd de voorziene regels inzake bescherming van persoonsgegevens, in de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie en in de wet van 24 augustus 2005 tot omzetting van verschillende bepalingen van de Richtlijn financiële diensten op afstand en van de Richtlijn privacy en elektronische communicatie.
Hoofdstuk 2. Vrijheid van vestiging.
Afdeling 1. Vergunningsstelsels.
Art. III.2. Indien voor de toegang tot en de uitoefening van een dienstenactiviteit een vergunning vereist is, moet deze vergunning aan de volgende voorwaarden voldoen :
1° het vergunningstelsel heeft geen discriminerende werking jegens de betrokken dienstverrichter;
2° de behoefte aan een vergunningstelsel is gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang;
3° het nagestreefde doel kan niet door een minder beperkende maatregel worden bereikt, met name omdat een controle achteraf te laat zou komen om werkelijk doeltreffend te zijn.
Het eerste lid is niet van toepassing op vergunningstelsels die rechtstreeks of onrechtstreeks door het gemeenschapsrecht zijn geregeld, onder anderen, de vergunningstelsels die de toegang tot of de uitoefening van een gereglementeerd beroep afhankelijk stellen van het bezit van bepaalde professionele kwalificaties en specifieke bepalingen die vereisen dat een bepaalde activiteit wordt voorbehouden aan een bepaald beroep.
Art. III.3. Vergunningstelsels die in overeenstemming met artikel III.2 worden ingericht moeten gebaseerd zijn op criteria die beletten dat de bevoegde autoriteiten hun beoordelingsbevoegdheid op willekeurige wijze uitoefenen.
Deze criteria zijn :
1° niet discriminerend;
2° gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang;
3° evenredig met die reden van algemeen belang;
4° duidelijk en ondubbelzinnig;
5° objectief;
6° vooraf openbaar bekendgemaakt;
7° transparant en toegankelijk.
Art. III.4. De vergunningsprocedures en formaliteiten moeten gemakkelijk toegankelijk zijn en de lasten die zij voor de aanvragers kunnen voortbrengen moeten redelijk zijn en evenredig met de kosten van de vergunningsprocedures.
Art. III.5. De vergunningsvoorwaarden voor een nieuwe vestiging mogen gelijkwaardige, of gezien hun doel in wezen vergelijkbare, eisen en controles waaraan de dienstverrichter al in België of een andere lidstaat onderworpen is, niet overlappen. De federale coördinator en de dienstverrichter staan de bevoegde autoriteit bij door over deze eisen de nodige informatie te verstrekken.
Art. III.6. Wanneer een dienstverrichter zich in België vestigt, mag geen beroepsaansprakelijkheidsverzekering of waarborg geëist worden indien de dienstverrichter in een andere lidstaat waar hij een vestiging heeft, al gedekt is door een waarborg die gelijkwaardig is of die, met betrekking tot het doel en de dekking die hij biedt wat het verzekerde risico, de verzekerde som, de maximale waarborg en de mogelijke uitzonderingen van de dekking betreft, in wezen vergelijkbaar is.
Indien de waarborg slechts ten dele gelijkwaardig is, zal voor de nog niet gedekte elementen een aanvullende waarborg geëist worden.
Wanneer een beroepsaansprakelijkheids-verzekering of een andere vorm van waarborg opgelegd wordt aan een dienstverrichter gevestigd in België, worden attesten betreffende de dekking, afgegeven door een in een andere lidstaat gevestigde kredietinstelling of verzekeraar, als bewijsmiddel toegelaten.
Art. III.7. Een vergunning bedoeld in artikel III.2 biedt de dienstverrichter op het gehele Belgische grondgebied het recht op toegang tot of uitoefening van de dienstenactiviteit, mede door de oprichting van agentschappen, dochterondernemingen, kantoren of bijkantoren.
Het eerste lid is niet van toepassing :
1° wanneer een vergunning eigen aan elke vestiging of een beperking van de vergunning tot een specifiek deel van het nationale grondgebied is gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang;
2° op vergunningen die zijn afgeleverd door de overheden van de gewesten, de gemeenschappen, de provincies en de gemeenten.
Art. III.8. De ontvangst van elke vergunningsaanvraag wordt binnen tien werkdagen bevestigd.
De ontvangstbevestiging bevat :
1° de datum waarop de aanvraag is ontvangen;
2° de termijn waarbinnen de beslissing moet genomen worden;
3° de beschikbare rechtsmiddelen, de bevoegde instanties die er kennis van nemen alsook de te respecteren termijnen en formaliteiten;
4° indien van toepassing, de vermelding dat bij het uitblijven van een beslissing binnen de voorziene termijn, de vergunning geacht wordt te zijn verleend.
Wanneer een aanvraag onvolledig is, wordt de aanvrager binnen een termijn van tien werkdagen geïnformeerd over de noodzaak tot het verstrekken van aanvullende stukken, de termijn waarover hij beschikt om dit te doen alsook de gevolgen hiervan voor de in het tweede lid bedoelde termijn.
Wanneer een aanvraag wordt geweigerd omdat deze niet aan de vereiste procedures of formaliteiten voldoet, wordt de betrokkene hiervan zo snel mogelijk in kennis gesteld.
Art. III.9. De bevoegde autoriteit verleent de vergunning nadat een passend onderzoek heeft vastgesteld dat aan de vergunningsvoorwaarden is voldaan.
Indien door de reglementering geen termijn wordt voorgeschreven binnen welke een beslissing over de vergunningsaanvraag moet worden genomen, zal deze worden genomen ten laatste dertig werkdagen te rekenen vanaf de datum van de ontvangstbevestiging of, als het dossier onvolledig is, vanaf het tijdstip waarop de aanvrager de bijkomende documenten heeft ingediend.
Indien gerechtvaardigd door de complexiteit van het dossier, mag de termijn eenmaal voor een beperkte duur worden verlengd. De verlenging en de duur ervan worden vóór het verstrijken van de oorspronkelijke termijn ter kennis van de aanvrager gebracht.
Onverminderd de bijzondere wettelijke of reglementaire regimes gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang, wordt de vergunning geacht te zijn verleend bij het uitblijven van een antwoord binnen de door de wet of de verordening bepaalde termijn.
Art. III.10. § 1. De aan een dienstverrichter verleende vergunning heeft een onbeperkte geldigheidsduur, uitgezonderd in de volgende gevallen :
1° de vergunning maakt het voorwerp uit van een systeem van automatische verlenging;
2° de vergunning is alleen afhankelijk van de voortdurende vervulling van de voorwaarden;
3° het aantal beschikbare vergunningen is beperkt omwille van een dwingende reden van algemeen belang;
4° een beperkte duur is gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang.
§ 2. Paragraaf 1 geldt onverminderd de mogelijkheid om een vergunning in te trekken wanneer niet meer aan de vergunningsvoorwaarden wordt voldaan.
§ 3. Paragraaf 1 is niet van toepassing op de maximale termijn waarbinnen de dienstverrichter na ontvangst van de vergunning daadwerkelijk met zijn activiteit moet beginnen.
Art. III.11. Wanneer het aantal beschikbare vergunningen voor een activiteit beperkt is door schaarste van de beschikbare natuurlijke hulpbronnen of de bruikbare technische mogelijkheden, wordt een selectie gemaakt uit de gegadigden volgens een selectieprocedure die alle waarborgen voor onpartijdigheid en transparantie biedt, met name een toereikende bekendmaking van de opening, uitvoering en afsluiting van de procedure.
In de in het eerste lid bedoelde gevallen wordt de vergunning voor een passende beperkte duur verleend en wordt zij niet automatisch verlengd; evenmin wordt enig ander voordeel toegekend aan de dienstverrichter wiens vergunning zojuist is verlopen of aan personen die een bijzondere band met die dienstverrichter hebben.
De regels voor de selectieprocedure kunnen rekening houden met overwegingen die betrekking hebben op de volksgezondheid, met doelstellingen van sociaal beleid, de gezondheid en de veiligheid van werknemers of zelfstandigen, de bescherming van het milieu, het behoud van het cultureel erfgoed en andere dwingende redenen van algemeen belang.
Afdeling 2. Andere vereisten.
Art. III.12. § 1. De toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit in België mag niet afhankelijk gemaakt worden van de volgende vereisten :
1° discriminerende vereisten die rechtstreeks of onrechtstreeks verband houden met de nationaliteit of, voor vennootschappen, met de plaats van de statutaire zetel, waaronder met name :
a) nationaliteitsvereisten voor de dienstverrichter, zijn personeel, de aandeelhouders of de leden van het toezichthoudend of het bestuursorgaan van de dienstverrichter;
b) de vereiste dat de dienstverrichter, zijn personeel, de aandeelhouders of de leden van het toezichthoudend of het bestuursorgaan hun verblijfplaats hebben op Belgisch grondgebied;
2° een verbod op het hebben van een vestiging in meer dan een lidstaat of op inschrijving in registers of bij beroepsorden of -verenigingen in meer dan een lidstaat;
3° beperkingen van de vrijheid van de dienstverrichter om tussen een hoofd- of een nevenvestiging te kiezen, met name de verplichting dat de hoofdvestiging van de dienstverrichter zich op hun grondgebied moet bevinden, of beperkingen van de vrijheid om voor vestiging als agentschap, bijkantoor of dochteronderneming te kiezen;
4° wederkerigheidsvoorwaarden ten aanzien van de lidstaat waar de dienstverrichter al een vestiging heeft, behalve in het geval dat dergelijke voorwaarden in een communautair instrument op energiegebied zijn vastgelegd;
5° de toepassing per geval van economische criteria, waarbij de verlening van de vergunning afhankelijk wordt gesteld van het bewijs dat er een economische behoefte of marktvraag bestaat, van een beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van de activiteit of van een beoordeling van de geschiktheid van de activiteit in relatie tot de door de bevoegde autoriteit vastgestelde doelen van economische planning;
6° de rechtstreekse of onrechtstreekse betrokkenheid van concurrerende marktdeelnemers, ook binnen raadgevende organen, bij de verlening van vergunningen of bij andere besluiten van de bevoegde autoriteiten, met uitzondering van beroepsorden en van beroepsverenigingen of andere organisaties die in de hoedanigheid van bevoegde autoriteit optreden; dit verbod heeft geen betrekking op de raadpleging van organisaties zoals kamers van koophandel of sociale partners over andere aangelegenheden dan individuele vergunningsaanvragen, noch op een raadpleging van het grote publiek;
7° een verplichting tot het stellen van of deelnemen in een financiële waarborg of het afsluiten van een verzekering bij een op Belgisch grondgebied gevestigde dienstverrichter of instelling. Dit belet niet dat een verzekering of financiële garanties als zodanig kunnen verlangd worden noch dat eisen inzake de deelname in een collectief waarborgfonds worden gesteld, bijvoorbeeld voor leden van een beroepsorde of -organisatie.
8° een verplichting al gedurende een bepaalde periode ingeschreven te staan in de registers die in België worden bijgehouden of de activiteit vooraf al gedurende bepaalde tijd in België hebben uitgeoefend.
§ 2. Het in paragraaf 1, 5° vervatte verbod heeft geen betrekking op planningsvereisten waarmee geen economische doelen worden nagestreefd, maar die voortkomen uit dwingende redenen van algemeen belang.
Hoofdstuk 3. Vrijheid van dienstverlening.
Art. III.13. § 1. De toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit mag niet afhankelijk worden gemaakt van de naleving van eisen die :
1° discriminerend zijn en die rechtstreeks of onrechtstreeks verband houden met de nationaliteit of, voor vennootschappen, met de plaats van de statutaire zetel;
2° niet gerechtvaardigd zijn om redenen van openbare orde, openbare veiligheid, de volksgezondheid of de bescherming van het milieu;
3° die niet van aard zijn om het nagestreefde doel te verwezenlijken en die verder gaan dan wat nodig is om dit doel te bereiken.
§ 2. Het vrij verrichten van diensten door een in een andere lidstaat gevestigde dienstverrichter mag niet beperkt worden door één van de volgende vereisten :
a) een verplichting voor de dienstverrichter een vestiging in België te hebben;
b) een verplichting voor de dienstverrichter bij de Belgische bevoegde autoriteit een vergunning te verkrijgen of zich in te schrijven in een register of bij een beroepsorde of -vereniging in België, behalve in de in deze titel of door het gemeenschapsrecht geregelde gevallen;
c) een verbod voor de dienstverrichter in België een bepaalde vorm of soort infrastructuur, met inbegrip van een kantoor of kabinet, op te zetten om de betrokken diensten te verrichten;
d) de toepassing van een specifieke contractuele regeling tussen de dienstverrichter en de afnemer die het verrichten van diensten door zelfstandigen verhindert of beperkt;
e) een verplichting voor de dienstverrichter om specifiek voor de uitoefening van een dienstenactiviteit een door de Belgische bevoegde autoriteit afgegeven identiteitsdocument te bezitten;
f) vereisten, andere dan die welke noodzakelijk zijn voor de gezondheid en veiligheid op het werk, die betrekking hebben op het gebruik van uitrusting en materiaal die een integrerend deel van de dienstverrichting vormen;
g) beperkingen van het vrij verrichten van diensten bedoeld in artikel III.80.
Art. III.14. Artikel III.13 is niet van toepassing :
1° op diensten van algemeen economisch belang;
2° op de aangelegenheden die vallen onder de wet van 5 maart 2002 tot omzetting van de Richtlijn 96/71 EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten, en tot invoering van een vereenvoudigd stelsel betreffende het bijhouden van sociale documenten door ondernemingen die in België werknemers ter beschikking stellen, en volgens de regels die de wet van 5 maart 2002 bepaalt;
3° op de aangelegenheden die vallen onder deel II, Boek III, Titel Ibis, hoofdstuk I van het Gerechtelijk Wetboek;
4° op activiteiten van gerechtelijke invordering van schulden;
5° op de aangelegenheden die vallen onder de wet van 12 februari 2008 tot instelling van een nieuw algemeen kader voor de erkenning van EG-beroepskwalificaties en specifieke bepalingen die vereisen dat een activiteit voorbehouden wordt aan een bepaald beroep;
6° op de aangelegenheden die vallen onder de Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen;
7° op de aangelegenheden die vallen onder de artikelen 40 tot 47 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en de artikelen 43 tot 57 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
8° voor wat betreft onderdanen van derde landen die zich in het kader van een dienstverrichting naar België begeven, op de mogelijkheid voor de bevoegde autoriteiten om onderdanen van derde landen op wie de regeling inzake wederzijdse erkenning van artikel 21 van de Overeenkomst ter uitvoering van het op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen niet van toepassing is, te verplichten in het bezit te zijn van een visum of een verblijfsvergunning, of de mogelijkheid voor de bevoegde autoriteiten om onderdanen van derde landen te verplichten zich bij of na hun binnenkomst bij hen te melden;
9° met betrekking tot de overbrenging van afvalstoffen op de aangelegenheden die vallen onder de Verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap;
10° inzake het auteursrecht en de naburige rechten, de rechten op topografieën van halfgeleiderproducten, de sui generis rechten op databanken, de rechten van industriële eigendom;
11° op handelingen waarvoor de wet de tussenkomst van een notaris voorschrijft;
12° op de aangelegenheden die vallen onder het koninklijk besluit van 21 april 2007 tot omzetting van de bepalingen van de Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen, tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad, en houdende intrekking van Richtlijn 84/253/EEG van de Raad;
13° op de aangelegenheden die vallen onder de artikelen 132, 133 en 134 van het Wetboek van Vennootschappen;
14° op de inschrijving van voertuigen die in een andere lidstaat zijn geleased.
Titel 2. Kruispuntbank van Ondernemingen en erkende ondernemingsloketten.
Hoofdstuk 1. Kruispuntbank van Ondernemingen.
Afdeling 1. Oprichting van de Kruispuntbank van Ondernemingen.
Art. III.15. Er wordt een register opgericht, genaamd " Kruispuntbank van Ondernemingen ".
Dit register en de daarmee gepaard gaande invoering van een uniek ondernemingsnummer heeft tot doel door de realisatie van het principe van de unieke gegevensinzameling de administratieve verplichtingen opgelegd aan ondernemingen te vereenvoudigen en de werking van de overheidsdiensten efficiënter te organiseren.
De Kruispuntbank van Ondernemingen is belast met het opnemen, het bewaren, het beheren en het ter beschikking stellen van de gegevens die betrekking hebben op de identificatie van de ondernemingen en hun gemandateerden overeenkomstig de bepalingen van deze titel en de wettelijke of reglementaire bepalingen die de oorspronkelijke verzameling van de in artikel III.18 vermelde gegevens toelaten door de overheden, administraties en diensten aangewezen krachtens artikel III.19.
De Kruispuntbank van Ondernemingen beoogt ook de optimalisering van het overdragen en het verspreiden van de gegevens betreffende de ondernemingen.
Te dien einde kan ze met name :
1° linken creëren naar sites en databases van de overheden, administraties en diensten;
2° linken tot stand brengen naar internetsites die informatie bevatten betreffende de identificatie van ondernemingen en hun mandatarissen, met inbegrip van linken naar internetsites van ondernemingen, die in de Kruispuntbank van Ondernemingen ingeschreven zijn.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad, de modaliteiten waarbinnen de Kruispuntbank van Ondernemingen ter beschikking wordt gesteld in het kader van de versterking van de strijd tegen fraude, overeenkomstig de bepalingen van deze titel en de wettelijke of reglementaire bepalingen die de oorspronkelijke verzameling van de in artikel III.18 bedoelde gegevens toelaten door de overheden, administraties en diensten aangewezen krachtens artikel III.19.
Art. III.16. § 1. In de Kruispuntbank van Ondernemingen worden gegevens opgenomen betreffende :
1° de rechtspersonen naar Belgisch recht;
2° de vestigingen, instanties en diensten naar Belgisch recht die opdrachten van algemeen nut of verbonden met de openbare orde uitvoeren en over een financiële en boekhoudkundige autonomie beschikken, onderscheiden van deze van de rechtspersoon naar Belgisch publiek recht waarvan ze afhankelijk zijn;
3° de rechtspersonen naar buitenlands of internationaal recht die in België beschikken over een zetel of die zich dienen te registreren in uitvoering van een door de Belgische wetgeving opgelegde verplichting;
4° iedere natuurlijke persoon, die in België als onafhankelijke entiteit :
a) een economische en beroepsmatige activiteit gewoonlijk, hoofdzakelijk of aanvullend uitoefent;
b) of die zich dient te registreren in uitvoering van een door de Belgische wetgeving opgelegde verplichting anders dan deze beoogd door deze titel;
5° de verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid die zich dienen te registreren in uitvoering van een door de Belgische wetgeving opgelegde verplichting anders dan deze beoogd door deze titel;
6° de vestigingseenheden van de bovenvermelde ondernemingen.
§ 2. Voor de toepassing van paragraaf 1, oefent onder andere gewoonlijk een economische en beroepsmatige activiteit uit, iedere onderneming die in België :
1° hetzij als werkgever aan de sociale zekerheid is onderworpen;
2° hetzij aan de belasting over de toegevoegde waarde is onderworpen.
§ 3. Voor de inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen van de personen en verenigingen bedoeld in paragraaf 1, 1°, 3°, 4° en 5°, worden de nadere regels door de Koning bepaald.
Afdeling 2. Inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen.
Art. III.17. Iedere onderneming of vestigingseenheid bedoeld in artikel III.16, wordt in de Kruispuntbank van Ondernemingen ingeschreven en verkrijgt op het ogenblik van de inschrijving een ondernemings- of vestigingseenheidsnummer. Dit nummer vormt hun uniek identificatienummer.
Art. III.18. § 1. De inschrijving die gebeurt krachtens artikel III.17 omvat de volgende gegevens :
1° de naam, de benaming of de firmanaam;
2° de nauwkeurige aanduiding van de onderscheiden adressen, in voorkomend geval, van de maatschappelijke zetel van de onderneming en van de verschillende vestigingseenheden in België;
3° de rechtsvorm;
4° de rechtstoestand;
5° de oprichtings- en stopzettingsdatum van de onderneming of de vestigingseenheid;
6° de identificatiegegevens van de oprichters, mandatarissen en lasthebbers van de onderneming;
7° de door de onderneming uitgeoefende economische activiteiten;
8° de overige basisidentificatiegegevens, die moeten verstrekt worden op het ogenblik van de oprichting van de rechtspersoon of in toepassing van Hoofdstuk 2;
9° de aanduiding van de toelatingen, vergunningen en erkenningen waarover de onderneming beschikt of de hoedanigheden waaronder deze gekend is bij de verschillende overheden, administraties en diensten en, in voorkomend geval, de opvolging van de aanvragen in dit verband;
10° in voorkomend geval, de verwijzing naar de website van de onderneming, haar telefoonnummer, haar faxnummer en haar e-mailadres;
11° de gegevens betreffende de bankrekening(en) van de onderneming.
§ 2. De Koning kan, na advies van het in artikel III.44 bedoelde Toezichtcomité en bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad, de in paragraaf 1 opgesomde gegevens aanvullen met andere gegevens vereist voor de identificatie van ondernemingen of van gemeenschappelijk belang voor meerdere overheidsdiensten.
§ 3. Iedere wijziging die wordt aangebracht aan de in paragrafen 1 en 2 bedoelde gegevens, moet onverwijld in de Kruispuntbank van Ondernemingen worden opgenomen met aanduiding van de datum waarop zij in werking treedt en van de er voor verantwoordelijke dienst.
§ 4. Deze gegevens worden bewaard gedurende dertig jaar te rekenen van de dag van het verlies van de rechtspersoonlijkheid voor de rechtspersonen, of van de definitieve stopzetting van de activiteit voor de andere bij artikel III.16 bedoelde houders van een inschrijving.
Art. III.19. De Koning wijst, bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad, de overheden, administraties en diensten aan die, betreffende de categorieën van ondernemingen die Hij aanduidt en volgens de functionele verdeling die Hij vastlegt, belast zijn met de eenmalige inzameling en het actualiseren van de gegevens bedoeld in artikel III.18.
Bij het uitoefenen van deze taak zijn de overheden, administraties en diensten onderworpen aan de wettelijke en reglementaire bepalingen die de oorspronkelijke verzameling van de in artikel III.18 bedoelde gegevens toelaten.
Art. III.20. Voor de uitvoering van hun opdrachten zoals omschreven in deze titel en zijn uitvoeringsbesluiten, hebben de Kruispuntbank van Ondernemingen en de overheden, administraties en diensten bedoeld bij artikel III.19, eerste lid :
1° toegang tot de informatie bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1° tot 9°, en tweede lid van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van natuurlijke personen;
2° het recht om het identificatienummer van het Rijksregister te gebruiken.
Art. III.21. De Koning stelt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad, de modaliteiten en de aard van de inschrijvingen en de wijzigingen vast, die rechtstreeks op een elektronisch beveiligde wijze door de ondernemingen, bedoeld in artikel III.16, mogen worden meegedeeld aan de Kruispuntbank van Ondernemingen.
Afdeling 3. Toekenning en gebruik van het ondernemings- en vestigingseenheidsnummer.
Art. III.22. Het ondernemingsnummer en het vestigingseenheidsnummer toegekend op het ogenblik van de inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen worden onmiddellijk na de toekenning medegedeeld aan de onderneming door de krachtens artikel III.19, eerste lid, aangewezen overheden, administraties en diensten.
De Koning bepaalt de toekenningregels, de wijze van afleveren en de samenstelling van het ondernemings- en vestigingseenheidsnummer.
Art. III.23. Het gebruik van het ondernemingsnummer is verplicht in de betrekkingen die de ondernemingen hebben met de administratieve en rechterlijke overheden, evenals in de betrekkingen die deze laatste onderling hebben.
De krachtens artikel III.19, eerste lid, aangewezen overheden, administraties en diensten nemen, teneinde de unieke gegevensinzameling mogelijk te maken, de nodige maatregelen opdat het ondernemings- en vestigingseenheidsnummer een sleutel vormt die toegang geeft tot zowel de gegevens die opgenomen zijn in de Kruispuntbank van Ondernemingen, als tot de gegevens die zijn opgenomen in de door hen beheerde repertoria en geautomatiseerde bestanden, onverminderd de wettelijke en reglementaire bepalingen die de toegang tot deze gegevens regelen.
Art. III.24. Wat de handels- en ambachtsondernemingen betreft, doet het toegekende ondernemingsnummer respectievelijk dienst als handelsregisternummer of als inschrijvingsnummer als ambachtsman.
Art. III.25. Alle akten, facturen, aankondigingen, bekendmakingen, brieven, orders en andere stukken uitgaande van handels- en ambachtsondernemingen dienen steeds het ondernemingsnummer te vermelden.
Deze documenten moeten eveneens de domiciliëring en het nummer vermelden van ten minste één rekening waarvan de onderneming houdster is bij een in België gevestigde kredietinstelling die geen gemeentelijke spaarkas is en waarop de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen van toepassing is.
De voor de uitoefening van een handels- of ambachtswerkzaamheid gebruikte gebouwen en marktkramen, evenals de vervoermiddelen, die hoofdzakelijk worden gebruikt in het kader van de uitoefening van een ambulante handel, of, in het geval van werkgevers, in het kader van een activiteit van burgerlijke of utiliteitsbouw of een activiteit van reinigen van het interieur van gebouwen, dragen op zichtbare wijze het ondernemingsnummer.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad, de in het kader van het derde lid vermelde activiteiten waarvoor de gebruikte vervoermiddelen op zichtbare wijze het ondernemingsnummer dragen, wijzigen.
Art. III.26. § 1. Elk op verzoek van een handels- of ambachtsonderneming betekend deurwaardersexploot vermeldt steeds het ondernemingsnummer.
Bij gebreke aan vermelding van het ondernemingsnummer op het deurwaardersexploot, verleent de rechtbank uitstel aan de handels- of ambachtsonderneming om haar inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen op de datum van het inleiden van de vordering te bewijzen.
Indien de handels- of ambachtsonderneming haar inschrijving in deze hoedanigheid in de Kruispuntbank van Ondernemingen op de datum van het inleiden van haar vordering niet bewijst binnen de door de rechtbank gestelde termijn of indien blijkt dat de onderneming niet ingeschreven is in de Kruispuntbank van Ondernemingen, verklaart de rechtbank van ambtswege de vordering van de handels- of ambachtsonderneming onontvankelijk.
§ 2. Indien de handels- of ambachtsonderneming wel in deze hoedanigheid is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, maar haar hoofdvordering, tegenvordering of vordering tot tussenkomst, ingediend bij verzoekschrift, bij conclusie of deurwaardersexploot, gebaseerd is op een activiteit waarvoor de onderneming op de datum van de inleiding van die vordering niet is ingeschreven of die niet valt onder het maatschappelijk doel waarvoor de onderneming op deze datum is ingeschreven, is de vordering van die onderneming onontvankelijk. De onontvankelijkheid is evenwel gedekt, indien ze niet voor elke andere exceptie of verweermiddel wordt ingeroepen.
Art. III.27. De akten van rechtspleging, die krachtens artikel III.26 onontvankelijk worden verklaard, stuiten de verjaring, alsmede de op straffe van nietigheid bepaalde rechtsplegingtermijnen.
Art. III.28. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad, de verplichtingen bedoeld in de artikelen III.25 en III.26, uitbreiden tot andere categorieën van ondernemingen die in de Kruispuntbank van Ondernemingen zijn opgenomen.
Afdeling 4. Toegang en gebruik van de gegevens opgenomen in de Kruispuntbank van Ondernemingen.
Art. III.29. § 1. De toegang tot de volgende gegevens, vermeld in de Kruispuntbank van Ondernemingen, kan, zonder voorafgaande machtiging van het Toezichtcomité, worden verleend aan de overheden, besturen, diensten of andere instanties, voor zover die gegevens noodzakelijk zijn voor de uitvoering van hun wettelijke of reglementaire opdrachten :
1° de ondernemingsnummers en nummers van vestigingseenheidsnummers, toegekend door de Kruispuntbank van Ondernemingen;
2° de naam van de onderneming en van haar vestigingseenheden;
3° de juridische vorm van de onderneming;
4° de rechtstoestand van de onderneming;
5° het adres van de onderneming en van haar vestigingseenheden;
6° de economische activiteiten van de onderneming en van haar vestigingseenheden;
7° de hoedanigheden volgens welke een onderneming ingeschreven is in de Kruispuntbank van Ondernemingen en, in voorkomend geval, de opvolging van de aanvragen in dit verband;
8° de naam en voornaam van de oprichters en van de personen die binnen de onderneming een functie uitoefenen onderworpen aan bekendmaking;
9° de erkenningen, toelatingen of vergunningen waarover de onderneming beschikt, voor zover ze onderworpen zijn aan de bepalingen van verplichte bekendmaking of belang hebben voor derden en, in voorkomend geval, de opvolging van de aanvragen in dit verband;
10° de verwijzing naar de website van de onderneming, haar telefoonnummers, faxnummers alsook haar e-mailadres;
11° alle gegevens onderworpen aan bepalingen inzake bekendmaking met toepassing van :
a) het Wetboek van Vennootschappen;
b) de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen;
c) de wet van 12 juli 1989 houdende verscheidene maatregelen tot toepassing van de Verordening (EEG) nr. 2137/85 van de Raad van 25 juli 1985 tot instelling van Europese economische samenwerkingsverbanden;
d) de wet van 17 juli 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord;
e) de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen;
f) de faillissementswet van 8 augustus 1997;
g) de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorzieningen;
12° de gegevens die moeten worden meegedeeld door de handels- en ambachtsondernemingen in uitvoering van het artikel III.53, met uitzondering van het Rijksregisternummer of het identificatienummer bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid;
13° de gegevens betreffende de bankrekening(en).
§ 2. De Koning bepaalt de modaliteiten voor deze toegang bij een besluit vastgelegd na overleg in de ministerraad en na advies van het Toezichtcomité bedoeld in de artikelen III.44.
Art. III.30. § 1. De toegang tot de andere gegevens dan die opgesomd in het artikel III.29 vermeld in de Kruispuntbank van Ondernemingen, kan worden verleend, middels een voorafgaande machtiging van het Toezichtcomité aan de overheden, besturen, diensten of andere instanties, voor zover die gegevens noodzakelijk zijn voor de uitvoering van hun wettelijke of reglementaire opdrachten.
§ 2. Vooraleer zijn machtiging te verlenen, controleert het Toezichtcomité of de gevraagde toegang overeenstemt met deze titel en zijn uitvoeringsbesluiten.
§ 3. De Koning bepaalt de voorwaarden voor die toegang bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad en na advies van het Toezichtcomité bedoeld in artikel III.44.
§ 4. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad en na advies van het Toezichtcomité, de gevallen waarin, bij afwijking van het eerste lid, geen machtiging van het Toezichtcomité vereist is.
§ 5. De uitwisselingen tussen overheidsdiensten, op basis van het ondernemings- of vestigingseenheidsnummer, van andere gegevens dan deze opgenomen in de Kruispuntbank van Ondernemingen moeten vooraf gemeld worden aan het Toezichtcomité, dat deze registreert in een kadaster, dat door iedereen geraadpleegd kan worden.
De Koning bepaalt, na advies van het Toezichtcomité, de modaliteiten met betrekking tot de oprichting en raadpleging van het kadaster, alsook de modaliteiten voor de communicatie aan het Toezichtcomité.
Art. III.31. Alle natuurlijke personen, rechtspersonen of entiteiten hebben toegang, via het internet, tot gegevens bedoeld in het artikel III.29, § 1, ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen.
Er wordt minstens voorzien in een vrij toegankelijke website waarop deze gegevens in een leesbaar formaat terug te vinden zijn.
De Koning bepaalt de gegevens die aldus toegankelijk zijn evenals de voorwaarden voor het raadplegen ervan.
Art. III.32. Iedere onderneming heeft recht op mededeling van de hem betreffende gegevens die opgenomen zijn in de Kruispuntbank van Ondernemingen. Indien blijkt dat de medegedeelde gegevens overeenkomstig de ter zake geldende wetgeving onnauwkeurig, onvolledig of onjuist zijn, kan de houder van een inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen de verbetering van deze gegevens vragen op de wijze en binnen de termijnen vastgesteld door de Koning.
Art. III.33. Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van de artikelen III.29 en III.30, stelt de Koning, na advies van het Toezichtcomité, de gegevens van de Kruispuntbank van Ondernemingen vast die het voorwerp kunnen uitmaken van een commercieel of niet-commercieel hergebruik alsook de modaliteiten inzake hun terbeschikkingstelling.
Enkel de beheersdienst mag deze basisgegevens aan ondernemingen verstrekken.
Art. III.34. § 1. Onverminderd artikel III.33 kan eenieder bij een ondernemingsloket inzage nemen van de gegevens van het handelsregister betreffende een bepaalde handels- of ambachtsonderneming en zich volledige of gedeeltelijke afschriften dan wel uittreksels van het register doen afgeven op de wijze bepaald door de Koning.
§ 2. De afschriften of uittreksels van het handelsregister worden op uitdrukkelijk verzoek eensluidend verklaard.
§ 3. De afschriften of uittreksels vermelden niet de inhoud van rechterlijke beslissingen die betrekking hebben op :
1° een faillissement en één van de veroordelingen bepaald in de artikelen 486, 489bis en 489ter van het Strafwetboek, in geval van rehabilitatie;
2° een gerechtelijk akkoord na uitvoering of een procedure van gerechtelijke reorganisatie na uitvoering;
3° onbekwaam verklaring of benoeming van een gerechtelijk raadsman, wanneer een vonnis van opheffing is gewezen;
4° de veroordelingen bedoeld in de artikelen XV.76, XV.77, 1° tot 6°, XV.78 en XV.79.
Art. III.35. De gegevens vermeld op de uittreksels van de Kruispuntbank van Ondernemingen hebben bewijskracht tot bewijs van het tegendeel.
Afdeling 5. Realisatie van het principe van de unieke gegevensinzameling.
Art. III.36. Overheden, administraties en diensten die gemachtigd zijn de gegevens van de Kruispuntbank van Ondernemingen te raadplegen mogen deze gegevens niet meer opnieuw rechtstreeks opvragen bij de ondernemingen bedoeld in artikel III.16 of bij de lasthebbers van deze laatste.
Art. III.37. Eens een gegeven is medegedeeld aan en opgenomen in de Kruispuntbank van Ondernemingen kunnen de diensten die gemachtigd zijn deze gegevens te raadplegen, het niet rechtstreeks meedelen ervan niet langer ten laste leggen aan betrokkene.
Afdeling 6. Inschrijving, wijziging of doorhaling van de onjuiste of ontbrekende gegevens.
Art. III.38. § 1. Elke belanghebbende kan bij de beheersdienst de rechtzetting van een onjuist gegeven of de inschrijving van een ontbrekend gegeven in de Kruispuntbank van Ondernemingen aanvragen. Hij deelt ter ondersteuning van dit verzoek alle rechtvaardigende stukken mee.
De onderneming die de formaliteiten niet heeft vervuld waartoe ze gehouden is door of krachtens een wet, een decreet of een ordonnantie, kan zich niet rechtstreeks tot de beheersdienst wenden voor de rechtzetting of de inschrijving bedoeld in het eerste lid.
§ 2. Alle diensten die beschikken over een toegang tot de gegevens van de Kruispuntbank van Ondernemingen zijn ertoe gehouden, zodra ze een onjuist of ontbrekend gegeven vaststellen in de Kruispuntbank van Ondernemingen, de beheersdienst hiervan op de hoogte te brengen.
Ze delen ter ondersteuning van die informatie alle rechtvaardigende stukken mee.
§ 3. De politieambtenaren van de lokale of federale politie en de ambtenaren gemandateerd door een dienst, een overheid of een bestuur zijn ertoe gehouden, bij de opstelling van een onderzoeksverslag of een proces-verbaal, dat een onjuist of ontbrekend gegeven in de Kruispuntbank van Ondernemingen vaststelt; hiervan een afschrift mee te delen aan de beheersdienst van de Kruispuntbank van Ondernemingen.
Art. III.39. Wanneer de beheersdienst vaststelt dat het onjuiste of ontbrekende gegeven het gevolg is van een vergissing of een weglating van de dienst die dit gegeven invoert, deelt hij aan deze laatste de aanvraag tot aanpassing mee. De dienst voert, na verificatie, de eventuele aanpassing uit binnen een termijn van dertig dagen, te rekenen vanaf de ontvangst van de aanvraag.
Art. III.40. § 1. Wanneer het onjuiste of ontbrekende gegeven het gevolg is van het niet vervullen door een onderneming van de formaliteiten waartoe ze gehouden is door of krachtens een wet, een decreet of een ordonnantie, verzoekt de beheersdienst de onderneming, door middel van een schrijven, om over te gaan tot de inschrijving, de wijziging of de doorhaling van haar gegevens bij de dienst die door de beheersdienst werd aangewezen in de brief.
De onderneming beschikt over een periode van dertig dagen na het versturen van het schrijven om bij de erin aangewezen dienst over te gaan tot de gevraagde inschrijving, de wijziging of doorhaling.
§ 2. Indien de onderneming de formaliteiten niet vervult tijdens de toegekende termijn, gaat de beheersdienst over tot de doorhaling van ambtswege van de onjuiste gegevens. Die doorhaling gebeurt op basis van een vonnis of arrest, een onderzoeksverslag of een proces-verbaal opgemaakt door een politieambtenaar van de lokale of federale politie, of door een ambtenaar gemandateerd door een dienst, een overheid of een bestuur, die de onjuistheid van het gegeven vaststelt.
§ 3. Wanneer de beheersdienst in de Kruispuntbank van Ondernemingen een gegeven doorhaalt dat in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad moet worden bekendgemaakt, wordt de doorhaling op verzoek van de beheersdienst gratis in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
§ 4. De procedure van ambtshalve doorhaling van gegevens stelt de onderneming geenszins vrij van het vervullen van de wettelijke formaliteiten waartoe zij gehouden is.
De beheersdienst kan geen verantwoordelijkheid dragen voor schade veroorzaakt aan derden wegens het niet vervullen door de onderneming van de wettelijke formaliteiten waartoe deze laatste gehouden is.
§ 5. Teneinde de kwaliteit van de gegevens van de Kruispuntbank van Ondernemingen te waarborgen en te verbeteren, kan de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad, de voorwaarden en modaliteiten van ambtshalve inschrijving en wijziging bepalen.
Art. III.41. § 1. Wanneer het onjuiste gegeven het gevolg is van het feit dat de onderneming van adres veranderd is zonder de wettelijke voorschriften te eerbiedigen, verstuurt de beheersdienst de brief, bedoeld in artikel III.40, § 1, eerste lid, naar het adres van één van de vestigingseenheden, wanneer dit verschillend is van de zetel. Bij gebrek hieraan, wordt de brief verstuurd naar het adres van de woonplaats van een mandataris.
De procedure beschreven in artikel III.40 wordt toegepast.
§ 2. Indien het onmogelijk blijkt om de onderneming te contacteren zoals voorzien in paragraaf 1, gaat de beheersdienst over tot de ambtshalve doorhaling van het onjuiste adres ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, tenzij het hier gaat over het adres van een onderneming natuurlijke persoon. Die doorhaling gebeurt op basis van een vonnis of arrest, een onderzoeksverslag of een proces-verbaal opgemaakt door een politieambtenaar van de lokale of federale politie of door een ambtenaar gemandateerd door een dienst, een overheid of een bestuur, die het onjuiste karakter van het gegeven vaststelt.
Wanneer het door de beheersdienst in de Kruispuntbank van Ondernemingen doorgehaalde gegeven in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad moet worden bekendgemaakt, wordt de doorhaling op verzoek van de beheersdienst gratis in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
§ 3. De procedure van ambtshalve doorhaling van gegevens stelt de onderneming geenszins vrij van het vervullen van de wettelijke formaliteiten waartoe zij gehouden is.
De beheersdienst kan geen verantwoordelijkheid dragen voor schade veroorzaakt aan derden wegens het niet vervullen door de onderneming van de wettelijke formaliteiten waartoe deze laatste gehouden is.
Art. III.42. § 1. In afwijking van de procedure voorzien in artikel III.39 kan de beheersdienst van de Kruispuntbank van Ondernemingen zonder aanrekening van de kosten overgaan tot :
1° de ambtshalve doorhaling van de activiteiten, hoedanigheden, toelatingen en vestigingseenheden van ondernemingen natuurlijke personen waarvan de oprichter reeds minstens zes maanden overleden is volgens de gegevens afkomstig van het rijksregister van de natuurlijke personen;
2° de ambtshalve doorhaling van de activiteiten, hoedanigheden, toelatingen en vestigingseenheden van ondernemingen rechtspersonen waarvan de afsluiting van de vereffening minstens drie maanden geleden werd uitgesproken;
3° de ambtshalve doorhaling van de activiteiten, hoedanigheden, toelatingen en vestigingseenheden van ondernemingen rechtspersonen ten minste drie maanden na de beslissing tot sluiting van de verrichtingen van het faillissement in toepassing van de faillissementswet van 8 augustus 1997;
4° de ambtshalve doorhaling van de vennootschappen zoals bedoeld in artikel 2 van het Wetboek van vennootschappen die, volgens de gegevens van de Nationale Bank van België, voor ten minste drie opeenvolgende boekjaren, niet hebben voldaan aan de verplichting tot neerlegging van hun jaarrekeningen overeenkomstig de artikelen 98 en 100 van het Wetboek van vennootschappen. Deze doorhaling is niet van toepassing op de vennootschappen bedoeld in artikel 97 van het Wetboek van vennootschappen. De beheersdienst van de Kruispuntbank van Ondernemingen gaat over tot de intrekking van de doorhaling na de neerlegging bij de Nationale Bank van België van de niet neergelegde jaarrekeningen;
5° de ambtshalve doorhaling van de vennootschappen zoals bedoeld in artikel 2 van het Wetboek van vennootschappen die niet vallen onder het 4°, en die aan de volgende cumulatieve criteria beantwoorden :
a) sedert minimum drie jaar, niet beschikken over actieve hoedanigheden, activiteiten of vestigingseenheden, ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen;
b) ingeschreven zijn in de Kruispuntbank van Ondernemingen met een actieve status;
c) niet beschikken over lopende toelatings- of hoedanigheidsaanvragen, ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen;
d) sinds 7 jaar, geen enkele wijziging aangaande de ingeschreven gegevens in de Kruispuntbank van Ondernemingen hebben uitgevoerd;
e) sinds 7 jaar, geen enkele andere publicatie dan die van de jaarrekeningen, in de Bijlagen van het Belgisch Staatsblad of in het Belgisch Staatsblad hebben uitgevoerd.
Voor de toepassing van het eerste lid, 5°, vormen de actieve commerciële hoedanigheden, activiteiten of vestigingseenheden waarvan de begindata voor 1 juli 2003 vallen, geen nuttig criterium.
De beheersdienst van de Kruispuntbank van Ondernemingen gaat over tot de intrekking van de doorhaling wanneer aan één van de criteria bedoeld in het eerste lid, 5°, a) tot e), niet meer voldaan is.
De beheersdienst van de Kruispuntbank van Ondernemingen gaat ook over tot de intrekking van de doorhaling in het geval er een manifeste vergissing wordt vastgesteld door een overheid of dienst.
§ 2. De doorhalingen, alsook de intrekkingen bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 4° en 5°, en derde en vierde lid, worden gratis gepubliceerd in de Bijlagen van het Belgisch Staatsblad en dit op initiatief van de beheersdienst van de Kruispuntbank van Ondernemingen.
§ 3. Om de gegevenskwaliteit in de Kruispuntbank van Ondernemingen te garanderen en te verbeteren, kan de Koning, bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de gevallen beoogd in paragraaf 1 uitbreiden of wijzigen.
Afdeling 7. Bijzondere bepalingen omtrent de werking van de Kruispuntbank van Ondernemingen.
Art. III.43. Er wordt bij de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie een strategisch comité van de Kruispuntbank van Ondernemingen opgericht.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad, zijn opdrachten, zijn samenstelling en zijn werkingsmodaliteiten.
Art. III.44. Binnen de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer wordt een sectoraal comité voor de Kruispuntbank van Ondernemingen, " Toezichtcomité " genaamd opgericht, dat belast is met de afgifte van de machtiging bedoeld in artikel III.30, tweede lid.
Het Toezichtcomité verstrekt tevens de adviezen bedoeld in de artikelen III.18, § 2, III.30, derde lid, en III.33, binnen dertig dagen na de aanhangigmaking door de beheersdienst. Bij ontstentenis van advies binnen de voorgeschreven termijn, wordt het advies geacht het voorstel te volgen dat de beheersdienst in de adviesaanvraag had geformuleerd.
Het Toezichtcomité is samengesteld uit drie leden van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, van wie de voorzitter of een ander, door de Commissie in die hoedanigheid aangewezen lid, dat het Toezichtcomité voorzit, alsmede uit drie externe leden aangewezen door de Kamer van volksvertegenwoordigers overeenkomstig de door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad, bepaalde voorwaarden en nadere regels. Bij staking van stemmen beslist de stem van de voorzitter.
De werkingsregels van het Toezichtcomité worden, zonder afbreuk te doen aan deze titel, bepaald in of krachtens de wet. Die regels bekrachtigen het recht van de voorzitter van het Toezichtcomité om een aan dat comité voorgelegd dossier voor de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zelf te brengen en de beslissing van het comité zo nodig te herzien.
Art. III.45. De personen die bij het uitoefenen van hun functies tussenkomen in het opnemen, het bewaren, het beheren en het ter inzage stellen van de gegevens bedoeld in artikel III.18, zijn gehouden aan het beroepsgeheim.
Zij nemen alle nodige voorzorgsmaatregelen om de veiligheid van de opgenomen gegevens te verzekeren en met name te beletten dat deze gegevens vervormd of beschadigd worden, of meegedeeld worden aan personen die geen machtiging hebben om er kennis van te nemen.
Zij waken over de rechtmatigheid van de mededeling van de gegevens.
Art. III.46. De Koning wijst, bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad, de personen aan die in oorlogstijd, in omstandigheden daarmee gelijkgesteld krachtens artikel 7 van de wet van 12 mei 1927 op de militaire opeisingen of tijdens de bezetting van het grondgebied door de vijand, belast worden met de vernietiging van de gegevensbanken van de Kruispuntbank van Ondernemingen.
De Koning stelt de voorwaarden en de modaliteiten van deze vernietiging vast.
Art. III.47. De kosten voor de werking en het gebruik van de Kruispuntbank van Ondernemingen worden gedragen door een krediet ingeschreven op de begroting van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie.
De Koning kan een vergoeding vaststellen voor het gebruik van de Kruispuntbank van Ondernemingen door diensten die geen opdrachten uitvoeren voor de federale overheid. In voorkomend geval bepaalt Hij per categorie van gebruikers en voorwerp van de aanvraag, het bedrag van de vergoeding
Behalve in het geval bedoeld in het eerste lid, kan de bijzondere verwerking van gegevens uit de Kruispuntbank van Ondernemingen aanleiding geven tot het innen van een vergoeding. Het bedrag van die vergoeding wordt bepaald in onderling overleg tussen de beheersdienst en de overheid, administratie of de dienst aan wie deze gegevens worden meegedeeld en in een overeenkomst vastgelegd.
Art. III.48. § 1. Onverminderd artikel III.47, wordt bij de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie een " Begrotingsfonds Kruispuntbank van Ondernemingen " opgericht, hierna " het Fonds " genoemd.
Dit Fonds vormt een organiek begrotingsfonds in de zin van artikel 45 van de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit.
§ 2. Het Fonds dient voor ontwikkeling van de Kruispuntbank van Ondernemingen, alsook voor de verbetering en optimalisatie van haar werking en haar gebruik.
§ 3. De inkomsten die aan het Fonds worden toegewezen, alsook de uitgaven die ten laste ervan kunnen gebeuren, worden voor genoemd Fonds opgenomen in de tabel die bij de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen is gevoegd.
§ 4. Het Fonds wordt beheerd volgens de modaliteiten vastgelegd door de minister bevoegd voor Economie.
Hoofdstuk 2. Inschrijving van handels-, ambachtsondernemingen en niet-handelsondernemingen naar privaat recht.
Afdeling 1. Verplichting tot inschrijving.
Art. III.49. § 1. Alle handels-, ambachtsondernemingen en niet-handelsondernemingen naar privaat recht zijn verplicht om zich respectievelijk met de handels-, ambachtshoedanigheid of hoedanigheid van niet-handelsonderneming naar privaat recht te laten inschrijven in de Kruispuntbank van Ondernemingen bij een ondernemingsloket van hun keuze en dit vóór de aanvang van hun activiteiten.
Deze verplichting is zowel van toepassing op het ogenblik van de oprichting van de onderneming als bij de opening van een nieuwe vestigingseenheid.
§ 2. De inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen met de handels- of ambachtshoedanigheid vormt, behoudens tegenbewijs, een vermoeden van de hoedanigheid van koopman of ambachtsman, naargelang de aard van de inschrijving.
§ 3. In afwijking van paragraaf 1, behoeven de vennoten onder firma en de werkende vennoten, ofschoon zij handelaars zijn, niet afzonderlijk in de Kruispuntbank van Ondernemingen te worden ingeschreven.
§ 4. In afwijking van paragraaf 1 zijn niet gehouden zich in te schrijven in de hoedanigheid van niet-handelsonderneming naar privaat recht :
a) de natuurlijke personen die enkel in de Kruispuntbank van Ondernemingen ingeschreven zijn met als enige hoedanigheid deze van werkgever van huispersoneel;
b) de beroepsverenigingen;
c) de verenigingen van mede-eigenaars;
d) de representatieve werknemersorganisaties;
e) de ondernemingen naar buitenlands of internationaal recht, die geen activiteit uitoefenen in België, maar die zich dienen te laten inschrijven in uitvoering van een verplichting opgelegd door de Belgische wetgeving;
f) de btw-eenheden;
g) de verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid;
h) de verenigingen zonder winstoogmerk;
i) de inrichtende machten van het gesubsidieerde onderwijs.
Art. III.50. § 1. De Koning stelt het bedrag vast van het inschrijvingsrecht voor de Kruispuntbank van Ondernemingen als handels-, ambachtsonderneming of niet-handelsonderneming naar privaat recht.
Hij kan hierbij een onderscheid maken op basis van de juridische aard van de onderneming.
De aldus vastgestelde bedragen kunnen op 1 januari worden aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen indien het geïndexeerde bedrag minstens 0,5 euro hoger is dan het van toepassing zijnde bedrag. Het bedrag van de verhoging wordt naar beneden toe afgerond op een veelvoud van 0,5 euro.
Afdeling 2. Verplichting tot wijziging.
Art. III.51. § 1. Niettegenstaande de bepalingen van paragraaf 2, moeten de handels-, ambachtsondernemingen en niet-handelsondernemingen naar privaat recht die voornemens zijn een andere activiteit uit te oefenen dan deze waarvoor zij werden ingeschreven, vooraf om een wijziging van hun inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen verzoeken. Deze verplichting geldt op dezelfde wijze voor de handels-, ambachtsondernemingen en niet-handelsondernemingen naar privaat recht die voornemens zijn in België een nieuwe vestigingseenheid op te richten.
Wanneer de uitoefening van een nieuwe activiteit voortvloeit uit een overdracht van de bedrijvigheid van een onderneming, om niet of onder bezwarende titel, onder levenden of ingevolge overlijden, dan moeten deze ondernemingen, in afwijking van paragraaf 1, binnen een termijn van één maand na de overdracht of de aanvaarding van de nalatenschap tot wijziging overgaan.
§ 2. Binnen een termijn van één maand vanaf de verandering in hun toestand moeten de handels-, ambachtsondernemingen en niet-handelsondernemingen naar privaat recht verzoeken om een wijziging van hun inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen indien één van de vermeldingen van de inschrijving, door de Koning bepaald overeenkomstig artikel III.53, niet meer overeenstemt met de werkelijke toestand.
Afdeling 3. Verplichting tot doorhaling.
Art. III.52. In geval van beëindiging van de activiteiten of sluiting van één van de vestigingseenheden, moet de handels-, ambachtsonderneming of niet-handelsonderneming naar privaat recht of haar rechtsopvolgers, binnen één maand na de beëindiging van de activiteiten, om de doorhaling van de inschrijving verzoeken.
Wanneer de in het eerste lid vermelde beëindiging voortvloeit uit een overdracht van de bedrijvigheid van een onderneming, om niet of onder bezwarende titel, onder levenden of ingevolge overlijden, dan moet de doorhaling gebeuren binnen een termijn van één maand na de overdracht of de aanvaarding van de nalatenschap.
Afdeling 4. Gemeenschappelijke bepalingen aan de inschrijving, wijziging of doorhaling.
Art. III.53. Het verzoek tot inschrijving, wijziging of doorhaling moet gebeuren door de handelsambachtsonderneming of niet-handelsonderneming naar privaat recht, dit wil zeggen door de inschrijvingsplichtige natuurlijke personen respectievelijk de daartoe bevoegde vertegenwoordigers van de inschrijvingsplichtige onderneming.
Het verzoek geschiedt op de door de Koning vastgestelde wijze.
De Koning bepaalt de vermeldingen die het verzoek tot inschrijving, wijziging of doorhaling moet bevatten.
Art. III.54. De ondernemingsloketten moeten onverwijld de inschrijving, wijziging of doorhaling doen, die hun worden gevraagd.
Art. III.55. De ondernemingsloketten dienen elk verzoek tot inschrijving, wijziging of doorhaling te weigeren en de redenen voor die weigering te rechtvaardigen :
1° indien zij vaststellen dat het verzoek afkomstig is van iemand die daartoe niet verplicht of bevoegd is;
2° bij verzuim van één van de stukken of vermeldingen die het verzoek dient te bevatten overeenkomstig artikel III.53 en de uitvoeringsbesluiten ervan;
3° indien niet voldaan is aan de door deze titel en zijn uitvoeringsbesluiten, of krachtens andere wetten, opgelegde voorafgaandelijke inschrijvingsvoorwaarden, waarvan de controle is toevertrouwd aan deze loketten.
Art. III.56. De weigering van de inschrijving, wijziging of doorhaling in de Kruispuntbank van Ondernemingen wordt geacht definitief te zijn, tenzij de aanvrager een nieuwe aanvraag indient die wel voldoet aan de gestelde voorwaarden, of een beroep indient tegen de beslissing van het ondernemingsloket bij de Vestigingsraad binnen de 30 werkdagen volgend op de datum van weigering van inschrijving.
Art. III.57. Een ondernemingsloket verstrekt de onderneming, op de wijze door de Koning bepaald, op haar verzoek een volledig uittreksel van de inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen met vermelding van de datum van afgifte van het uittreksel.
Het eerste uittreksel betreffende een inschrijving, een wijziging of een doorhaling wordt aan de onderneming gratis verstrekt.
Hoofdstuk 3. Inrichting van de ondernemingsloketten.
Afdeling 1. Instelling en taken van de ondernemingsloketten.
Art. III.58. Niemand mag zonder de voorafgaandelijke en schriftelijke erkenning van de minister de activiteit van ondernemingsloket uitoefenen.
Art. III.59. § 1. Onverminderd de taken die hen opgedragen worden door of in uitvoering van dit boek of andere wetten, hebben de ondernemingsloketten als taak :
1° via hun infrastructuur, de dienstverrichters toe te laten :
a) alle procedures en formaliteiten te laten afwikkelen die nodig zijn voor de toegang tot hun dienstenactiviteiten zoals bedoeld in artikelen 1 en 2 van de Dienstenrichtlijn, in het bijzonder alle voor vergunningen nodige verklaringen, kennisgevingen en aanvragen bij de bevoegde instanties, met inbegrip van de aanvragen tot inschrijving in een register, op een rol, in een databank, of bij een beroepsorde of beroepsvereniging;
b) alle vergunningsaanvragen te laten afwikkelen die nodig zijn voor de uitoefening van hun dienstenactiviteiten, zoals bedoeld in de Dienstenrichtlijn;
2° de handels- en ambachtsondernemingen en de niet-handelsondernemingen naar privaat recht in die hoedanigheden inschrijven in de Kruispuntbank van Ondernemingen;
3° in de door de Koning bepaalde gevallen nagaan of de handels- en ambachtsondernemingen en de niet-handelsondernemingen naar privaat recht voldoen aan de krachtens bijzondere wetten en reglementen opgelegde voorwaarden om ingeschreven te worden;
4° de toegang tot de in 2° bedoelde inschrijvingen waarborgen, volgens de door de Koning bepaalde nadere regels en voorwaarden;
5° het bewaren van de archieven met betrekking tot de in 2° en 3° bedoelde voorwaarden en inschrijvingen, volgens de door de Koning bepaalde nadere regels;
6° het verrichten van administratieve formaliteiten, in uitvoering van dit boek of andere wetten, of krachtens deze wetten, volgens de door de Koning vastgestelde nadere regels;
7° er voor zorgen dat de dienstverrichters en de afnemers, voor wat betreft de dienstenactiviteiten bedoeld in paragraaf 1, 1°, a) en b), informatie krijgen over :
a) de eisen die gelden voor de dienstverrichters, in het bijzonder de eisen inzake de procedures en formaliteiten die afgewikkeld moeten worden om toegang te krijgen tot dienstenactiviteiten en deze uit te oefenen;
b) de adresgegevens van de bevoegde instanties, waaronder die welke bevoegd zijn op het gebied van de uitoefening van dienstenactiviteiten, zodat rechtstreeks contact met hen kan worden opgenomen;
c) de middelen en voorwaarden om toegang te krijgen tot openbare registers en databanken met gegevens over dienstverrichters en diensten;
d) de rechtsmiddelen die normaal voorhanden zijn bij geschillen tussen de bevoegde instanties en de dienstverrichter of de afnemer, tussen een dienstverrichter en een afnemer of tussen dienstverrichters onderling;
e) de adresgegevens van de verenigingen of organisaties, anders dan de bevoegde instanties, waarvan dienstverrichters of de afnemers praktische bijstand kunnen krijgen;
8° het ontvangen voor rekening van de Schatkist van de inschrijvings- en registratierechten, retributies en kosten voor publicatie, met betrekking tot de in dit artikel bedoelde taken, volgens de door de Koning vastgestelde nadere regels en voorwaarden;
9° de rechtspersonen en natuurlijke personen die een inschrijving vragen in de Kruispuntbank van ondernemingen de volgende informatie meegeven :
a) elke natuurlijke persoon die in België een zelfstandige beroepsactiviteit uitoefent uit hoofde waarvan hij dient te zijn aangesloten bij een sociale verzekeringskas voor zelfstandigen, dient zich aan te sluiten uiterlijk op de dag van de aanvang van de zelfstandige activiteit;
b) in geval van niet-naleving van deze verplichting, wordt een administratieve geldboete opgelegd krachtens artikel 17bis van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen;
c) hierbij zijn de rechtspersonen hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de administratieve geldboete opgelegd aan hun vennoten of mandatarissen;
d) de zelfstandige die een zelfstandige activiteit uitoefent waarvoor hij niet ingeschreven is in de Kruispuntbank van ondernemingen, overeenkomstig de artikelen III.17, III.49 of III.51, kan hiervoor bestraft worden krachtens de artikelen III.40, XV.77, 1°, 2°, 3° en 6° of XV.78, alsook krachtens artikel 17bis van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen.
Het ondernemingsloket reageert binnen de vijf werkdagen, te rekenen vanaf het moment waarop de informatie beschikbaar is, op elk verzoek om de in het eerste lid bedoelde informatie. Wanneer het verzoek onjuist, onvolledig of ongegrond is, stelt het de aanvrager daarvan onverwijld in kennis.
§ 2. Bijkomend kan het ondernemingsloket aan ondernemingen adviserende en begeleidende diensten verlenen met uitzondering van de diensten die bij wet exclusief voorbehouden zijn voor bepaalde vrije, dienstverlenende en intellectuele beroepen uit de economische sector.
§ 3. Het ondernemingsloket is eenvoudig, van op afstand en met elektronische middelen bereikbaar, om alle procedures en formaliteiten betreffende de toegang tot en de uitoefening van een dienstenactiviteit bedoeld in paragraaf 1, 1° a) en b) te kunnen afwikkelen, met uitzondering van de inspectie van de plaats waar de dienst wordt verricht, van de door de dienstverrichter gebruikte uitrusting, en van de fysieke controle van de geschiktheid of de persoonlijke integriteit van de dienstverrichter of van zijn verantwoordelijke personeelsleden, wanneer die integraal deel uitmaken van een procedure of formaliteit.
Art. III.60. § 1. De ondernemingsloketten dienen de inschrijvingsdossiers van handels- en ambachtsondernemingen, waarvoor ze in uitvoering van artikel III.59, 2°, niet gemachtigd zijn zelf te beslissen omtrent de inschrijving, voorafgaandelijk voor te leggen aan de hiertoe aangewezen dienst van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie.
§ 2. Deze dienst onderzoekt of, enerzijds voor inschrijving in het handelsregister en anderzijds voor de toegang tot de gewenste beroepsactiviteit, de vereiste voorwaarden zijn vervuld. Zodra alle documenten die toelaten het dossier van de handels- of ambachtsonderneming te onderzoeken, aangekomen zijn, brengt hij de onderneming en het ondernemingsloket op de hoogte van de volledigheid van het dossier. Hij verleent een schriftelijk en gemotiveerd advies binnen een termijn van vijftien dagen volgend op de betekening van de volledigheid van het dossier.
§ 3. Bij gebreke aan een schriftelijk en gemotiveerd advies binnen een termijn van vijftien dagen volgend op de betekening van de volledige verklaring van het dossier wordt het advies geacht positief te zijn.
Afdeling 2. Erkenningsvoorwaarden voor de ondernemingsloketten.
Art. III.61. § 1. Een organisatie mag onder de volgende voorwaarden als ondernemingsloket erkend worden :
1° zij neemt de vorm aan van een vereniging zonder winstoogmerk, overeenkomstig de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen;
2° haar leden behoren ten minste tot één van de volgende organisaties :
a) representatieve werkgevers- of zelfstandigenorganisaties, die vertegenwoordigd zijn in of erkend zijn door de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen, de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, de " Conseil économique et social de la Région wallonne ", de Economische en Sociale Raad voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of een paritair comité opgericht in toepassing van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités;
b) sociaal verzekeringsfondsen voor zelfstandigen, erkend in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen;
c) sociale secretariaten voor werkgevers, erkend in uitvoering van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
d) kamers erkend door de Federatie der Kamers voor handel en nijverheid van België;
e) samenwerkingsverbanden tussen verschillende van de hierboven vermelde organisaties;
3° haar statuten vermelden als doel de uitvoering van de taken van ondernemingsloket in de zin van dit boek;
4° zij beschikt volgens de door de Koning vastgestelde nadere regels en het door de minister opgestelde lastenboek, over :
a) bekwame medewerkers;
b) interne beheersprocedures;
c) ontvangstvoorzieningen, kantoren en materieel en archiefruimte;
d) een eigen boekhouding;
e) informatica-uitrusting, met inbegrip van beveiligings- en controlemechanismen;
5° zij verkeert niet in staat van vereffening, noch is ze onderwerp van een procedure tot vereffening of tot staking van haar werkzaamheden;
6° zij is in orde met de verplichtingen inzake de betaling van sociale zekerheidsbijdragen en met haar verplichtingen inzake de betaling van belastingen en taksen in overeenstemming met de Belgische wet;
7° zij beschikt over een voldoende eigen private financiële en economische draagkracht om haar taken, omschreven in dit boek en haar uitvoeringsbesluiten, uit te voeren;
8° zij heeft haar beroepsaansprakelijkheid laten verzekeren.
§ 2. De Koning kan, bij besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad, nadere regels bepalen voor het vaststellen van het minimum aantal vestigingseenheden en de vestigingsplaats van de ondernemingsloketten, rekening houdende met een voldoende spreiding en de behoeften.
§ 3. In afwijking van de bepalingen van paragraaf 1, blijven de erkenningen van de ondernemingsloketten verleend op 9 september 2008, behouden tot 31 december 2014, onder de voorwaarden zoals die van toepassing waren op de dag van de erkenning.
Art. III.62. § 1. De aanvraag tot erkenning wordt ingediend bij de minister door middel van een aangetekende brief of tegen ontvangstbewijs.
§ 2. De aanvraag moet vergezeld zijn van een bedrijfsplan en van alle documenten vereist door de erkenningsvoorwaarden.
In het bedrijfsplan dient duidelijk te worden aangegeven op welke manier de activiteit als ondernemingsloket zal gefinancierd worden, hoe zal voorzien worden in de vereiste beroepsbekwaamheid en welke geografische zone het ondernemingsloket wil bestrijken. Deze voorwaarden zijn eveneens vereist voor elke vestigingseenheid van het loket.
§ 3. De openbare instellingen kunnen als gemachtigde optreden in naam van hun cliënten bij een ondernemingsloket.
§ 4. De minister kan overgaan tot de erkenning van een ondernemingsloket georganiseerd door een vereniging zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of uitsluitend gefinancierd met openbare middelen en die informatie-, begeleidings- of adviesactiviteiten uitoefent voor ondernemingsoprichters als blijkt dat in een zone die door de Europese of regionale overheid geografisch bepaald wordt als een zone die in aanmerking moet komen voor positieve discriminatie, geen actief ondernemingsloket bestaat.
Bij de toepassing van het voorafgaande lid zijn de erkenningsvoorwaarden voorzien in artikel III.61, § 1, 2° en § 2, niet van toepassing.
Art. III.63. De Koning richt een adviescomité op. Dit comité heeft de volgende taken :
1° de minister adviseren inzake de erkenning als ondernemingsloket en de intrekking en schorsing van die erkenning, het bepalen van het aantal vestigingseenheden en de vestigingsplaatsen;
2° op vraag van de minister, een gemeenschap of een gewest, advies uitbrengen over alle aangelegenheden met betrekking tot de werking en de controle van de ondernemingsloketten.
De Koning bepaalt bij een besluit, vastgesteld na overleg in de ministerraad, de nadere regels inzake samenstelling en werking van het comité en de erkenningsprocedure van de ondernemingsloketten.
Art. III.64. De erkenning wordt toegekend of geweigerd door de minister binnen een termijn van drie maanden na de betekening van de volledigheid van de erkenningsaanvraag. Deze beslissing wordt de aanvrager betekend per aangetekende zending.
Art. III.65. De aanvrager heeft de mogelijkheid om een nieuwe aanvraag in te dienen indien de redenen voor de weigering niet langer bestaan.
Art. III.66. De erkenning geldt voor een periode van vijf jaar en is hernieuwbaar.
De minister maakt de lijst van de erkende ondernemingsloketten en van hun vestigingseenheden bekend op de website van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie en ook jaarlijks vóór 31 maart in het Belgisch Staatsblad.
Art. III.67. De aanvraag om de erkenning van het ondernemingsloket te vernieuwen wordt zes maanden voor het verstrijken van de periode waarvoor de vorige erkenning verleend werd, gericht aan de minister.
Het ondernemingsloket blijft erkend tot de minister zich uitgesproken heeft over de aanvraag tot vernieuwing.
Art. III.68. Elke wijziging van de gegevens verstrekt op het ogenblik van de erkenningsaanvraag moet binnen de maand worden meegedeeld aan de minister. Deze mededeling omschrijft en motiveert de wijziging.
Art. III.69. De minister kan, overeenkomstig de nadere regels vastgesteld door de Koning, ambtshalve beslissen de erkenning te schorsen of in te trekken wanneer de bepalingen van deze titel, zijn uitvoeringsbesluiten of de erkenningsvoorwaarden niet gerespecteerd worden.
Afdeling 3. Verplichtingen van de ondernemingsloketten.
Art. III.70. De ondernemingsloketten moeten de continuïteit van de uitvoering van de taken voorzien in artikel III.59 in de tijd verzekeren.
De Koning kan de nadere regels vastleggen voor de door de ondernemingsloketten te leveren waarborgen om de continuïteit van de dienstverlening in de tijd te verzekeren.
Art. III.71. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad, de kwaliteitsnormen waaraan de dienstverlening van de ondernemingsloketten moeten beantwoorden, de minimale openingstijden en de bijzondere regels betreffende het beheer, de boekhouding en de jaarrekeningen van de ondernemingsloketten.
Art. III.72. De ondernemingsloketten moeten aan de overheden, de administraties en de diensten, met inbegrip van de parketten, de griffies van de hoven en van alle rechtscolleges, de leden van de rechterlijke machten de daartoe gemachtigde ambtenaren van de ministeries, alsook de besturen van de gemeenschappen, de gewesten, de provincies, de agglomeraties en de federaties van gemeenten en de gemeenten, en andere instellingen of organisaties aangeduid door de Koning, wanneer zij daartoe door hen wordt aangezocht, onverwijld en kosteloos, op de wijze door de Koning bepaald, alle in hun bezit zijnde inlichtingen verstrekken, inzage verlenen van alle in hun bezit zijnde documenten en stukken en deze instanties bovendien de afschriften of uittreksels te verstrekken, welke zij nodig achten.
Afdeling 4. Vergoeding van de ondernemingsloketten.
Art. III.73. § 1. De Koning kan bij een besluit, vastgesteld na overleg in de ministerraad :
1° het percentage vaststellen dat de ondernemingsloketten inhouden van de ontvangen inschrijvings-, registratie- en publicatierechten, en retributies, als vergoeding voor hun opdracht met toepassing van de artikelen III.50 en III.59, 8° ;
2° de in 1° bedoelde vergoeding aanpassen, volgens door Hem vastgestelde nadere regels, om de kwaliteit van de dienstverlening te stimuleren;
3° de bedragen vastleggen die de ondernemingsloketten ontvangen voor formaliteiten waarvoor zij de beslissingsbevoegdheid hebben toegewezen gekregen van een federale administratie, zoals bedoeld in artikel III.59, 6°.
§ 2. De ondernemingsloketten kunnen voor de bijkomende diensten aan ondernemingen, bedoeld in artikel III.59, § 2, een prijs vaststellen per verrichting of forfaitair op jaarbasis.
Titel 3. Algemene verplichtingen van de ondernemingen.
Hoofdstuk 1. Informatie, transparantie en niet-discriminatie.
Afdeling 1. Informatie- en transparantieverplichtingen.
Art. III.74. § 1. Onverminderd bijzondere wettelijke en reglementaire voorschriften, stelt elke onderneming op een der wijzen vermeld in artikel III.75, de volgende gegevens ter beschikking :
1° haar naam of haar maatschappelijke benaming;
2° haar rechtsvorm;
3° het geografisch adres waar de onderneming is gevestigd;
4° haar adresgegevens, met inbegrip van haar eventueel e-mailadres, die een snel contact en een rechtstreekse en effectieve communicatie met haar mogelijk maken;
5° het ondernemingsnummer;
6° haar maatschappelijke zetel;
7° wanneer voor de activiteit een vergunningstelsel geldt, een vergunnings- of aangifteplicht, in overeenstemming met artikel 17 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, de adresgegevens van de bevoegde autoriteit of het ondernemingsloket;
8° wat betreft de gereglementeerde beroepen :
a) de handelsvereniging of beroepsorganisatie waarbij de onderneming is ingeschreven;
b) de beroepstitel en de lidstaat waar die is verleend;
9° de algemene voorwaarden en de bepalingen die de onderneming in voorkomend geval hanteert alsmede de talen waarin deze algemene voorwaarden en bepalingen kunnen worden geraadpleegd;
10° het eventuele bestaan van door de onderneming gehanteerde contractbepalingen betreffende het op de overeenkomst toepasselijke recht of betreffende de bevoegde rechter;
11° het eventuele bestaan van een niet bij wet voorgeschreven garantie na verkoop;
12° de prijs van de dienst wanneer de onderneming de prijs van een bepaalde soort dienst vooraf heeft vastgesteld;
13° de belangrijkste kenmerken van de ondernemingsactiviteit;
14° de in artikel III.6 bedoelde verzekering of waarborgen, met name de adresgegevens van de verzekeraar of de borg en de geografische dekking.
§ 2. Wanneer de ondernemingen in een informatiedocument hun ondernemingsactiviteiten in detail beschrijven, nemen zij hierin informatie op over hun multidisciplinaire activiteiten en partnerschappen die rechtstreeks verband houden met de betrokken ondernemingsactiviteiten en over de maatregelen genomen ter voorkoming van belangenconflicten.
Art. III.75. Op initiatief van de onderneming worden de gegevens bedoeld in artikel III.74 :
1° verstrekt aan de afnemer; of
2° voor de afnemer gemakkelijk toegankelijk gemaakt op de plaats waar de ondernemingsactiviteit wordt verricht of de overeenkomst wordt gesloten; of
3° voor de afnemer gemakkelijk toegankelijk gemaakt op een door de onderneming meegedeeld elektronisch adres; of
4° opgenomen in elk door de onderneming verstrekt informatiedocument waarin haar activiteiten in detail worden beschreven.
Art. III.76. Op verzoek van de afnemer, verstrekt de onderneming de volgende aanvullende informatie :
1° wanneer de onderneming de prijs van een bepaald soort goed of dienst niet vooraf heeft vastgesteld, de prijs van het goed of de dienst of, indien de precieze prijs niet kan worden gegeven, de manier waarop de prijs wordt berekend, zodat de afnemer de prijs kan controleren, of een voldoende gedetailleerde kostenraming;
2° voor gereglementeerde beroepen, een verwijzing naar de geldende beroepsregels en de wijze waarop hierin inzage kan worden verkregen;
3° informatie over haar multidisciplinaire activiteiten en partnerschappen die rechtstreeks verband houden met het betrokken goed of de betrokken dienst, en over de maatregelen genomen ter voorkoming van belangenconflicten;
4° de gedragscodes die op de onderneming van toepassing zijn alsmede het adres waar zij elektronisch kunnen worden geraadpleegd en de beschikbare talen waarin deze codes kunnen worden geraadpleegd;
5° de vorige versies, die van toepassing waren op het ogenblik van de ondertekening van de overeenkomst, met de van toepassing zijnde begin- en einddatum, van de gegevens bedoeld in artikel III.74, 9°.
Art. III.77. De informatie bedoeld in de artikelen III.74 en III.76 worden helder, ondubbelzinnig en tijdig voor de sluiting van enige overeenkomst of, indien er geen schriftelijke overeenkomst is, voor de levering van de goederen of verrichting van de dienst, meegedeeld of beschikbaar gesteld.
Art. III.78. Elke onderneming heeft de plicht aan te tonen dat aan de eisen voorzien in de artikelen III.74 tot III.77 is voldaan en dat de verstrekte informatie juist is.
Art. III.79. De bepalingen van deze afdeling doen geen afbreuk aan de bijkomende informatieverplichtingen die van toepassing zijn op ondernemingen die in België hun vestiging hebben.
Afdeling 2. Niet-discriminatie van de afnemers.
Art. III.80. Afnemers worden niet onderworpen aan vereisten die het gebruik van een dienst van een in een andere lidstaat gevestigde onderneming beperken. De volgende vereisten worden met name bedoeld :
1° een verplichting bij hun bevoegde autoriteiten een vergunning te verkrijgen of een verklaring af te leggen;
2° discriminerende beperkingen op het verkrijgen van financiële bijstand vanwege het feit dat de onderneming in een andere lidstaat is gevestigd of vanwege de plaats waar de dienst wordt verricht.
Het eerste lid is niet van toepassing op de vergunningstelsels die ook van toepassing zijn op het gebruik van een dienst die door een in België gevestigde onderneming wordt verricht.
Art. III.81. De afnemers worden niet onderworpen aan discriminerende vereisten op grond van nationaliteit of woonplaats.
De algemene voorwaarden voor toegang tot een dienst, die door de onderneming voor het publiek toegankelijk worden gemaakt, bevatten geen discriminerende bepalingen in verband met de nationaliteit of verblijfplaats van de afnemer, zonder evenwel de mogelijkheid uit te sluiten om verschillende voorwaarden voor toegang te stellen wanneer die verschillen rechtstreeks door objectieve criteria worden gerechtvaardigd.
Hoofdstuk 2. Boekhouding van de ondernemingen.
Art. III.82. Elke onderneming voert een voor de aard en de omvang van haar bedrijf passende boekhouding en neemt de bijzondere wetsvoorschriften betreffende dat bedrijf in acht.
Art. III.83. De boekhouding van rechtspersonen omvat al hun verrichtingen, bezittingen, en rechten van welke aard ook, en hun vorderingen, schulden en verplichtingen van welke aard ook. De boekhouding van de natuurlijke personen die koopman zijn, omvat dezelfde gegevens betreffende hun ondernemingsactiviteit; de eigen middelen aan deze ondernemingsactiviteit verstrekt, worden afzonderlijk vermeld.
Indien een onderneming onderscheiden ondernemingsactiviteiten uitoefent, wordt voor elk van die activiteiten een afzonderlijk systeem van rekeningen aangelegd.
Wanneer het bedrijf van een onderneming ook werkzaamheden omvat die zij als zaakvoerder of deelgenoot in een tijdelijke handelsvereniging of in een handelsvereniging bij wijze van deelneming verricht, wordt haar boekhouding derwijze aangepast dat ze naar het voorschrift van het eerste lid volledig is, zowel wat betreft de betrekkingen met derden als wat betreft de rekening en verantwoording die door de deelgenoten onderling of door zaakvoerder en deelgenoten aan elkaar moet worden gedaan.
Art. III.84. Elke boekhouding wordt door middel van een stelsel van boeken en rekeningen gevoerd met inachtneming van de gebruikelijke regels van het dubbel boekhouden.
Alle verrichtingen worden zonder uitstel, getrouw, volledig en naar tijdsorde ingeschreven in een ongesplitst dagboek of in een hulpdagboek, al dan niet gesplitst in bijzondere hulpdagboeken. Ze worden methodisch ingeschreven in of overgebracht naar de rekeningen waarop ze betrekking hebben.
Voor gezamenlijke mutaties die in de loop van de periode in het ongesplitste hulpdagboek of in de bijzondere hulpdagboeken zijn geregistreerd, wordt ten minste eens in de maand een samenvattende boeking verricht in een centraal boek. Die recapitulatie geschiedt ten minste eens in de drie maanden voor de in artikel III.85 bedoelde ondernemingen die hun boekhouding voeren overeenkomstig de voorschriften van de artikelen III.83 en III.84.
De in het vorige lid bedoelde samenvattende boeking omvat, hetzij het totaal van de boekingen in de gezamenlijke hulpdagboeken, uitgesplitst volgens de betrokken hoofdrekeningen die in het rekeningenstelsel van de onderneming voorkomen, hetzij het totaal van de boekingen in elk van de hulpdagboeken, wanneer de onderneming een boekhouding voert waarbij de aantekening tegelijk in de hulpdagboeken en op de betrokken rekeningen geschiedt.
De rekeningen worden ondergebracht in een voor het bedrijf van de onderneming passend rekeningenstelsel ingericht naar de eisen van de bedrijfsuitoefening van de onderneming. Dit rekeningenstelsel wordt zowel in de zetel als in de belangrijke boekhoudingafdelingen voortdurend ter beschikking gehouden van belanghebbenden.
De Koning bepaalt de minimumindeling van een algemeen rekeningenstelsel. Hij stelt vast wat de rekeningen van dat stelsel moeten bevatten en hoe ze moeten worden gebruikt.
Art. III.85. De natuurlijke personen die koopman zijn, de vennootschappen onder firma en de gewone commanditaire vennootschappen waarvan de omzet over het laatste boekjaar, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde, een door de Koning bepaald bedrag niet overschrijdt, behoeven geen boekhouding te voeren volgens de voorschriften van de artikelen III.83 en III.84, indien zij alle verrichtingen zonder uitstel, getrouw, volledig en naar tijdsorde inschrijven in ten minste drie dagboeken zodanig ingericht dat in bijzonderheden kunnen worden gevolgd :
1° in het eerste, de mutaties in de liquide middelen in contanten of op rekening, met omschrijving van de verrichtingen en afzonderlijke vermelding van onttrekkingen van gelden anders dan ten behoeve van hun bedrijf, alsmede de dagelijkse saldi in contanten;
2° in het tweede, de inkoop- en invoerverrichtingen en de ontvangen diensten met vermelding van het bedrag en van de wijze en de dag van betaling;
3° in het derde, de verkoop- en uitvoerverrichtingen en de geleverde diensten met vermelding van het bedrag en van de wijze en de dag van inning alsmede de onttrekkingen in natura anders dan ten behoeve van hun bedrijf.
Van de onttrekkingen bedoeld in het eerste lid, 1° en 3°, kunnen dagelijks de totale bedragen worden ingeschreven.
Het bedrag, de wijze en de dag van betaling of van inning behoeven niet te worden vermeld in de dagboeken bedoeld in het eerste lid, 2° en 3°, indien deze gegevens voorkomen op de inkoopfacturen of op het dubbel van de verkoopfacturen dan wel op de volledige staten die in de vorm van een rekening leveranciers of rekening klanten worden bijgehouden.
Art. III.86. Elke boeking geschiedt aan de hand van een gedagtekend verantwoordingsstuk, waarnaar zij moet verwijzen.
Voor verrichtingen van verkoop en dienstverlening in het klein waarvoor geen factuur vereist is, kan de boeking geschieden door middel van een dagelijkse, gezamenlijke inschrijving.
De Koning stelt nadere regels betreffende de stukken ter verantwoording van de dagelijkse, gezamenlijke inschrijvingen, bedoeld in het tweede lid.
De verantwoordingsstukken worden methodisch opgeborgen en zeven jaar bewaard, in origineel of in afschrift. Stukken die niet strekken tot bewijs jegens derden, worden drie jaar bewaard.
Art. III.87. § 1. De boeken worden per blad genummerd; ze vormen elk in hun soort een doorlopende reeks; ze dragen de vermelding van hun soort, hun plaats in de reeks en de naam, de firmanaam of de bijzondere naam van de onderneming.
§ 2. De boeken worden op zodanige wijze gehouden dat de materiële continuïteit ervan, evenals de regelmatigheid en de onveranderlijkheid van de boekingen zijn verzekerd.
De Koning stelt nadere regels voor het houden en bewaren van de boeken. Hij kan de werkwijze voorgeschreven in artikel III.84, derde en vierde lid, vervangen of toestaan dat ze, onder de voorwaarden die Hij bepaalt, wordt vervangen door een andere die de materiële continuïteit van de boeken evenals de regelmatigheid en de onveranderlijkheid van de boekingen waarborgt.
Art. III.88. De boeken worden naar tijdsorde bijgehouden, zonder enig wit vak of enige weglating. In geval van correctie moet het oorspronkelijk geschrevene leesbaar blijven.
De ondernemingen moeten hun boeken bewaren gedurende zeven jaar, te rekenen van de eerste januari van het jaar dat op de afsluiting volgt.
Art. III.89. § 1. Elke onderneming verricht, omzichtig en te goeder trouw, ten minste eens per jaar de nodige opnemingen, verificaties, onderzoekingen en waarderingen om op een door haar gekozen datum de inventaris op te maken van al haar bezittingen, en rechten van welke aard ook, en van haar vorderingen, schulden en verplichtingen van welke aard ook, die betrekking hebben op haar bedrijf, en van de eigen middelen daaraan verstrekt. De inventarisstukken worden ingeschreven in een boek. De stukken die wegens hun omvang bezwaarlijk kunnen worden overgeschreven, worden in dat boek samengevat en erbij gevoegd.
§ 2. De inventaris wordt ingericht overeenkomstig het rekeningenstelsel van de onderneming.
De Koning kan maatstaven voor de waardering van de inventaris bepalen.
Deze paragraaf geldt niet voor de in artikel III.85 bedoelde ondernemingen.
Art. III.90. § 1. Nadat de rekeningen in overeenstemming zijn gebracht met de gegevens van de inventaris, worden ze samengevat en beschreven in een staat, zijnde de jaarrekening.
§ 2. De ondernemingen die niet zijn onderworpen aan het Wetboek van Vennootschappen en de uitvoeringsbesluiten ervan moeten zich gedragen naar de bepalingen daarvan wat de vorm, de inhoud, de controle en de neerlegging van de jaarrekening en het jaarverslag betreft.
De inhoud en de omvang van hun verplichtingen worden bepaald op basis van dezelfde criteria inzake personeelsbestand, jaaromzet en balanstotaal als degene die gelden voor de ondernemingen onderworpen aan het Wetboek van Vennootschappen.
De jaarrekening van de openbare instellingen bedoeld in artikel I.5, 1°, c, moet worden neergelegd binnen zeven maanden na de afsluitingsdatum van het boekjaar, ook al werd de procedure van toezicht en goedkeuring waaraan zij in voorkomend geval is onderworpen nog niet beëindigd. In dergelijk geval maakt de neergelegde jaarrekening van dit feit uitdrukkelijk melding.
Deze paragraaf is niet van toepassing op :
1° de natuurlijke personen die koopman zijn en die bedoeld worden in artikel III.85;
2° de ondernemingen bedoeld in artikel I.5, 1°, d), waarop dit hoofdstuk 2 niet van toepassing is verklaard;
3° de ondernemingen bedoeld in artikel III.95, § 1;
4° de verzekerings- en herverzekerings-ondernemingen;
5° de door buitenlandse ondernemingen die niet zijn onderworpen aan het Wetboek van Vennootschappen in België gevestigde bijkantoren en centra van werkzaamheden, wanneer die bijkantoren en centra van werkzaamheden geen eigen opbrengsten hebben door verkoop van goederen of dienstverlening aan derden of door geleverde goederen of verleende diensten aan de buitenlandse onderneming waarvan zij afhangen en waarvan de werkingskosten volledig door de laatstgenoemde worden gedragen;
6° de natuurlijke personen die koopman zijn, wat de neerlegging van de jaarrekening en het jaarverslag betreft.
Art. III.91. § 1. De openbare instellingen naar Belgisch recht die een statutaire opdracht vervullen van commerciële, financiële of industriële aard, met uitzondering van de ondernemingen die bedoeld zijn in artikel III.95, § 1, moeten zich gedragen naar de bepalingen van het Wetboek van Vennootschappen en de uitvoeringsbesluiten ervan voor wat de vorm, de inhoud, de controle en de neerlegging van een geconsolideerde jaarrekening en geconsolideerd jaarverslag betreft.
De inhoud en de omvang van hun verplichtingen wordt bepaald op basis van dezelfde criteria inzake personeelsbestand, jaaromzet en balanstotaal als degene die gelden voor de ondernemingen onderworpen aan het Wetboek van Vennootschappen.
De Koning kan het toepassingsgebied van de in het tweede lid bedoelde bepalingen uitbreiden tot andere in artikel I.5,1°, bedoelde ondernemingen.
§ 2. De Koning kan de door Hem op grond van artikelen III.84, zesde lid, III.89, § 2, III.90 en III.91, § 1, gestelde regels aanpassen, aanvullen of er geheel of gedeeltelijk vrijstelling van verlenen naargelang van de omvang van de onderneming alsmede de bedrijfstakken en de economische sectoren waarin zij werkzaam is.
Art. III.92. De koninklijke besluiten ter uitvoering van dit hoofdstuk worden genomen na overleg in de ministerraad.
De besluiten ter uitvoering van artikel III.84, zesde lid, artikel III.89, § 2 en artikelen III.90 en III.91 worden genomen na advies van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven.
De besluiten ter uitvoering van artikel I.5, 1°, en de wijzigingsbesluiten worden genomen na advies van de organisaties die de betrokken ondernemingen vertegenwoordigen.
Art. III.93. De Koning stelt een Commissie voor Boekhoudkundige Normen in; deze heeft tot taak :
1° de Regering en het Parlement op hun verzoek of uit eigen beweging van advies te dienen;
2° door middel van adviezen en aanbevelingen bij te dragen tot de ontwikkeling van de leer van het boekhouden en de beginselen te bepalen van een regelmatige boekhouding.
De werkingskosten van de Commissie voor boekhoudkundige normen worden gedragen door de in artikel I.5, 1°, bedoelde ondernemingen die hun jaarrekening of hun geconsolideerde jaarrekening openbaar moeten maken door neerlegging bij de Nationale Bank van België. De Koning bepaalt het bedrag van deze bijdrage, die echter niet hoger mag zijn dan 3,72 euro geïndexeerd volgens dezelfde regels als deze die werden vastgesteld voor de indexering van de wedden en lonen in de overheidsdiensten. De Nationale Bank van België int deze bijdrage samen met de kosten voor de openbaarmaking van de jaarrekening of geconsolideerde jaarrekening en maakt haar over aan de Commissie.
Art. III.94. De minister of zijn afgevaardigde kan in bijzondere gevallen, na een met redenen omkleed advies van de in artikel III.93 vermelde Commissie voor Boekhoudkundige Normen, toestaan dat wordt afgeweken van de regels vastgesteld op grond van artikel III.84, zesde lid, artikel III.89, § 2, artikel III.90 en artikel III.91. Deze bevoegdheid wordt op dezelfde wijze door de minister bevoegd voor Middenstand of zijn afgevaardigde uitgeoefend ten aanzien van de vennootschappen en andere ondernemingen die als klein kunnen worden beschouwd in de zin van het Wetboek van Vennootschappen. De Commissie voor Boekhoudkundige Normen wordt in kennis gesteld van het besluit van de minister of zijn afgevaardigde.
Art. III.95. § 1. Artikel III.85 en de artikelen III.90 tot III.94, alsook de besluiten genomen ter uitvoering van artikel III.84, zesde lid, en artikel III.89, § 2, zijn niet van toepassing op de Nationale Bank van België, de Deposito- en Consignatiekas, de kredietinstellingen die vallen onder de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen en de beleggingsondernemingen die vallen onder de wet van 6 april 1995 inzake de secundaire markten, het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en beleggingsadviseurs.
§ 2. Artikel III.85 en artikel III.90, § 2, tweede lid, zijn niet van toepassing op de verzekeringsondernemingen en ondernemingen van hypothecair krediet en kapitalisatie.
De artikelen III.84, zesde lid, III.89, § 2, III.90, § 2, eerste lid, III.91, § 2, en III.94 zijn niet van toepassing op de verzekeringsondernemingen die door de Koning zijn toegelaten op grond van de wetgeving betreffende de controle op de verzekeringsondernemingen. "
" Boek III. Vrijheid van vestiging, dienstverlening en algemene verplichtingen van de ondernemingen.
Titel 1. Vrijheid van vestiging en van dienstverlening.
Hoofdstuk 1. Toepassingsgebied.
Art. III.1. § 1. Deze titel voert gedeeltelijk de bepalingen uit van de Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt.
§ 2. Deze titel is van toepassing op diensten, onverminderd de bevoegdheden van de gemeenschappen en de gewesten, met uitzondering van :
1° de diensten van algemeen belang van niet-economische aard, met inbegrip van de sociale diensten die niet onder 11° vallen;
2° de financiële diensten;
3° de elektronische communicatiediensten en netwerken, evenals de middelen en diensten, met betrekking tot aangelegenheden die door de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie beheerd worden;
4° de diensten op het gebied van vervoer met inbegrip van de havendiensten die onder de werkingssfeer van titel VI van het VWEU vallen;
5° de diensten van notarissen die bij een officieel overheidsbesluit zijn benoemd;
6° de diensten van gerechtsdeurwaarders die bij een officieel overheidsbesluit zijn benoemd;
7° de diensten van uitzendkantoren;
8° de diensten van de gezondheidszorg, al dan niet verleend door gezondheidszorgfaciliteiten en ongeacht de wijze waarop zij zijn georganiseerd en worden gefinancierd en ongeacht of zij openbaar of particulier van aard zijn;
9° de gokactiviteiten die erin bestaan dat een financiële waarde wordt ingezet bij kansspelen, met inbegrip van loterijen, gokken in casino's en weddenschappen;
10° de werkzaamheden ter uitoefening van het openbaar gezag zoals bepaald in artikel 51 van het VWEU;
11° zonder afbreuk te doen aan hun kwalificatie als diensten van algemeen belang van niet-economische aard bedoeld in 1° of de kwalificatie als diensten van algemeen belang van economische aard, sociale diensten betreffende sociale huisvesting, kinderzorg en bijstand aan gezinnen en personen die permanent of tijdelijk in nood verkeren, die worden rechtstreeks of onrechtstreeks verleend door de Federale Staat;
12° de diensten van private veiligheid.
§ 2. Deze titel is niet van toepassing op :
1° het domein van de fiscaliteit;
2° het arbeidsrecht;
3° het sociaal zekerheidsrecht.
§ 3. Indien de bepalingen van deze titel strijdig zijn met wetgevende of reglementaire bepalingen ter omzetting van Gemeenschapsrecht die betrekking hebben op de specifieke aspecten van de toegang tot of de uitoefening van een dienstactiviteit in specifieke sectoren of voor specifieke beroepen, dan hebben deze laatste bepalingen voorrang.
Dit betreft met name :
1° de wet van 5 maart 2002 tot omzetting van de Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten, en tot invoering van een vereenvoudigd stelsel betreffende het bijhouden van sociale documenten door ondernemingen die in België werknemers ter beschikking stellen;
2° de wet van 30 maart 1995 betreffende de elektronische communicatienetwerken en -diensten en de uitoefening van omroepactiviteiten in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, voor zover zij de Richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisieomroepactiviteiten omzet;
3° de wet van 12 februari 2008 tot instelling van een nieuw algemeen kader voor de erkenning van EG-beroepskwalificaties.
§ 4. Deze titel heeft geen betrekking op de regels van het internationaal privaatrecht, in het bijzonder de regels betreffende de bepaling van het op contractuele en niet-contractuele verbintenissen toepasselijke recht, met inbegrip van de regels die waarborgen dat voor de consumenten de bescherming geldt die hen wordt geboden door de regels inzake consumentenbescherming die zijn neergelegd in de consumentenwetgeving die in hun lidstaat van kracht is.
§ 5. Deze titel, en meer bepaald de bepalingen met betrekking tot de controle op de regels inzake de bescherming van persoonsgegevens, worden uitgevoerd en zijn van toepassing onverminderd de regels zoals bepaald in Richtlijn 95/46/EG, in Richtlijn 2002/58/EG, in de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, en onverminderd de voorziene regels inzake bescherming van persoonsgegevens, in de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie en in de wet van 24 augustus 2005 tot omzetting van verschillende bepalingen van de Richtlijn financiële diensten op afstand en van de Richtlijn privacy en elektronische communicatie.
Hoofdstuk 2. Vrijheid van vestiging.
Afdeling 1. Vergunningsstelsels.
Art. III.2. Indien voor de toegang tot en de uitoefening van een dienstenactiviteit een vergunning vereist is, moet deze vergunning aan de volgende voorwaarden voldoen :
1° het vergunningstelsel heeft geen discriminerende werking jegens de betrokken dienstverrichter;
2° de behoefte aan een vergunningstelsel is gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang;
3° het nagestreefde doel kan niet door een minder beperkende maatregel worden bereikt, met name omdat een controle achteraf te laat zou komen om werkelijk doeltreffend te zijn.
Het eerste lid is niet van toepassing op vergunningstelsels die rechtstreeks of onrechtstreeks door het gemeenschapsrecht zijn geregeld, onder anderen, de vergunningstelsels die de toegang tot of de uitoefening van een gereglementeerd beroep afhankelijk stellen van het bezit van bepaalde professionele kwalificaties en specifieke bepalingen die vereisen dat een bepaalde activiteit wordt voorbehouden aan een bepaald beroep.
Art. III.3. Vergunningstelsels die in overeenstemming met artikel III.2 worden ingericht moeten gebaseerd zijn op criteria die beletten dat de bevoegde autoriteiten hun beoordelingsbevoegdheid op willekeurige wijze uitoefenen.
Deze criteria zijn :
1° niet discriminerend;
2° gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang;
3° evenredig met die reden van algemeen belang;
4° duidelijk en ondubbelzinnig;
5° objectief;
6° vooraf openbaar bekendgemaakt;
7° transparant en toegankelijk.
Art. III.4. De vergunningsprocedures en formaliteiten moeten gemakkelijk toegankelijk zijn en de lasten die zij voor de aanvragers kunnen voortbrengen moeten redelijk zijn en evenredig met de kosten van de vergunningsprocedures.
Art. III.5. De vergunningsvoorwaarden voor een nieuwe vestiging mogen gelijkwaardige, of gezien hun doel in wezen vergelijkbare, eisen en controles waaraan de dienstverrichter al in België of een andere lidstaat onderworpen is, niet overlappen. De federale coördinator en de dienstverrichter staan de bevoegde autoriteit bij door over deze eisen de nodige informatie te verstrekken.
Art. III.6. Wanneer een dienstverrichter zich in België vestigt, mag geen beroepsaansprakelijkheidsverzekering of waarborg geëist worden indien de dienstverrichter in een andere lidstaat waar hij een vestiging heeft, al gedekt is door een waarborg die gelijkwaardig is of die, met betrekking tot het doel en de dekking die hij biedt wat het verzekerde risico, de verzekerde som, de maximale waarborg en de mogelijke uitzonderingen van de dekking betreft, in wezen vergelijkbaar is.
Indien de waarborg slechts ten dele gelijkwaardig is, zal voor de nog niet gedekte elementen een aanvullende waarborg geëist worden.
Wanneer een beroepsaansprakelijkheids-verzekering of een andere vorm van waarborg opgelegd wordt aan een dienstverrichter gevestigd in België, worden attesten betreffende de dekking, afgegeven door een in een andere lidstaat gevestigde kredietinstelling of verzekeraar, als bewijsmiddel toegelaten.
Art. III.7. Een vergunning bedoeld in artikel III.2 biedt de dienstverrichter op het gehele Belgische grondgebied het recht op toegang tot of uitoefening van de dienstenactiviteit, mede door de oprichting van agentschappen, dochterondernemingen, kantoren of bijkantoren.
Het eerste lid is niet van toepassing :
1° wanneer een vergunning eigen aan elke vestiging of een beperking van de vergunning tot een specifiek deel van het nationale grondgebied is gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang;
2° op vergunningen die zijn afgeleverd door de overheden van de gewesten, de gemeenschappen, de provincies en de gemeenten.
Art. III.8. De ontvangst van elke vergunningsaanvraag wordt binnen tien werkdagen bevestigd.
De ontvangstbevestiging bevat :
1° de datum waarop de aanvraag is ontvangen;
2° de termijn waarbinnen de beslissing moet genomen worden;
3° de beschikbare rechtsmiddelen, de bevoegde instanties die er kennis van nemen alsook de te respecteren termijnen en formaliteiten;
4° indien van toepassing, de vermelding dat bij het uitblijven van een beslissing binnen de voorziene termijn, de vergunning geacht wordt te zijn verleend.
Wanneer een aanvraag onvolledig is, wordt de aanvrager binnen een termijn van tien werkdagen geïnformeerd over de noodzaak tot het verstrekken van aanvullende stukken, de termijn waarover hij beschikt om dit te doen alsook de gevolgen hiervan voor de in het tweede lid bedoelde termijn.
Wanneer een aanvraag wordt geweigerd omdat deze niet aan de vereiste procedures of formaliteiten voldoet, wordt de betrokkene hiervan zo snel mogelijk in kennis gesteld.
Art. III.9. De bevoegde autoriteit verleent de vergunning nadat een passend onderzoek heeft vastgesteld dat aan de vergunningsvoorwaarden is voldaan.
Indien door de reglementering geen termijn wordt voorgeschreven binnen welke een beslissing over de vergunningsaanvraag moet worden genomen, zal deze worden genomen ten laatste dertig werkdagen te rekenen vanaf de datum van de ontvangstbevestiging of, als het dossier onvolledig is, vanaf het tijdstip waarop de aanvrager de bijkomende documenten heeft ingediend.
Indien gerechtvaardigd door de complexiteit van het dossier, mag de termijn eenmaal voor een beperkte duur worden verlengd. De verlenging en de duur ervan worden vóór het verstrijken van de oorspronkelijke termijn ter kennis van de aanvrager gebracht.
Onverminderd de bijzondere wettelijke of reglementaire regimes gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang, wordt de vergunning geacht te zijn verleend bij het uitblijven van een antwoord binnen de door de wet of de verordening bepaalde termijn.
Art. III.10. § 1. De aan een dienstverrichter verleende vergunning heeft een onbeperkte geldigheidsduur, uitgezonderd in de volgende gevallen :
1° de vergunning maakt het voorwerp uit van een systeem van automatische verlenging;
2° de vergunning is alleen afhankelijk van de voortdurende vervulling van de voorwaarden;
3° het aantal beschikbare vergunningen is beperkt omwille van een dwingende reden van algemeen belang;
4° een beperkte duur is gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang.
§ 2. Paragraaf 1 geldt onverminderd de mogelijkheid om een vergunning in te trekken wanneer niet meer aan de vergunningsvoorwaarden wordt voldaan.
§ 3. Paragraaf 1 is niet van toepassing op de maximale termijn waarbinnen de dienstverrichter na ontvangst van de vergunning daadwerkelijk met zijn activiteit moet beginnen.
Art. III.11. Wanneer het aantal beschikbare vergunningen voor een activiteit beperkt is door schaarste van de beschikbare natuurlijke hulpbronnen of de bruikbare technische mogelijkheden, wordt een selectie gemaakt uit de gegadigden volgens een selectieprocedure die alle waarborgen voor onpartijdigheid en transparantie biedt, met name een toereikende bekendmaking van de opening, uitvoering en afsluiting van de procedure.
In de in het eerste lid bedoelde gevallen wordt de vergunning voor een passende beperkte duur verleend en wordt zij niet automatisch verlengd; evenmin wordt enig ander voordeel toegekend aan de dienstverrichter wiens vergunning zojuist is verlopen of aan personen die een bijzondere band met die dienstverrichter hebben.
De regels voor de selectieprocedure kunnen rekening houden met overwegingen die betrekking hebben op de volksgezondheid, met doelstellingen van sociaal beleid, de gezondheid en de veiligheid van werknemers of zelfstandigen, de bescherming van het milieu, het behoud van het cultureel erfgoed en andere dwingende redenen van algemeen belang.
Afdeling 2. Andere vereisten.
Art. III.12. § 1. De toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit in België mag niet afhankelijk gemaakt worden van de volgende vereisten :
1° discriminerende vereisten die rechtstreeks of onrechtstreeks verband houden met de nationaliteit of, voor vennootschappen, met de plaats van de statutaire zetel, waaronder met name :
a) nationaliteitsvereisten voor de dienstverrichter, zijn personeel, de aandeelhouders of de leden van het toezichthoudend of het bestuursorgaan van de dienstverrichter;
b) de vereiste dat de dienstverrichter, zijn personeel, de aandeelhouders of de leden van het toezichthoudend of het bestuursorgaan hun verblijfplaats hebben op Belgisch grondgebied;
2° een verbod op het hebben van een vestiging in meer dan een lidstaat of op inschrijving in registers of bij beroepsorden of -verenigingen in meer dan een lidstaat;
3° beperkingen van de vrijheid van de dienstverrichter om tussen een hoofd- of een nevenvestiging te kiezen, met name de verplichting dat de hoofdvestiging van de dienstverrichter zich op hun grondgebied moet bevinden, of beperkingen van de vrijheid om voor vestiging als agentschap, bijkantoor of dochteronderneming te kiezen;
4° wederkerigheidsvoorwaarden ten aanzien van de lidstaat waar de dienstverrichter al een vestiging heeft, behalve in het geval dat dergelijke voorwaarden in een communautair instrument op energiegebied zijn vastgelegd;
5° de toepassing per geval van economische criteria, waarbij de verlening van de vergunning afhankelijk wordt gesteld van het bewijs dat er een economische behoefte of marktvraag bestaat, van een beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van de activiteit of van een beoordeling van de geschiktheid van de activiteit in relatie tot de door de bevoegde autoriteit vastgestelde doelen van economische planning;
6° de rechtstreekse of onrechtstreekse betrokkenheid van concurrerende marktdeelnemers, ook binnen raadgevende organen, bij de verlening van vergunningen of bij andere besluiten van de bevoegde autoriteiten, met uitzondering van beroepsorden en van beroepsverenigingen of andere organisaties die in de hoedanigheid van bevoegde autoriteit optreden; dit verbod heeft geen betrekking op de raadpleging van organisaties zoals kamers van koophandel of sociale partners over andere aangelegenheden dan individuele vergunningsaanvragen, noch op een raadpleging van het grote publiek;
7° een verplichting tot het stellen van of deelnemen in een financiële waarborg of het afsluiten van een verzekering bij een op Belgisch grondgebied gevestigde dienstverrichter of instelling. Dit belet niet dat een verzekering of financiële garanties als zodanig kunnen verlangd worden noch dat eisen inzake de deelname in een collectief waarborgfonds worden gesteld, bijvoorbeeld voor leden van een beroepsorde of -organisatie.
8° een verplichting al gedurende een bepaalde periode ingeschreven te staan in de registers die in België worden bijgehouden of de activiteit vooraf al gedurende bepaalde tijd in België hebben uitgeoefend.
§ 2. Het in paragraaf 1, 5° vervatte verbod heeft geen betrekking op planningsvereisten waarmee geen economische doelen worden nagestreefd, maar die voortkomen uit dwingende redenen van algemeen belang.
Hoofdstuk 3. Vrijheid van dienstverlening.
Art. III.13. § 1. De toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit mag niet afhankelijk worden gemaakt van de naleving van eisen die :
1° discriminerend zijn en die rechtstreeks of onrechtstreeks verband houden met de nationaliteit of, voor vennootschappen, met de plaats van de statutaire zetel;
2° niet gerechtvaardigd zijn om redenen van openbare orde, openbare veiligheid, de volksgezondheid of de bescherming van het milieu;
3° die niet van aard zijn om het nagestreefde doel te verwezenlijken en die verder gaan dan wat nodig is om dit doel te bereiken.
§ 2. Het vrij verrichten van diensten door een in een andere lidstaat gevestigde dienstverrichter mag niet beperkt worden door één van de volgende vereisten :
a) een verplichting voor de dienstverrichter een vestiging in België te hebben;
b) een verplichting voor de dienstverrichter bij de Belgische bevoegde autoriteit een vergunning te verkrijgen of zich in te schrijven in een register of bij een beroepsorde of -vereniging in België, behalve in de in deze titel of door het gemeenschapsrecht geregelde gevallen;
c) een verbod voor de dienstverrichter in België een bepaalde vorm of soort infrastructuur, met inbegrip van een kantoor of kabinet, op te zetten om de betrokken diensten te verrichten;
d) de toepassing van een specifieke contractuele regeling tussen de dienstverrichter en de afnemer die het verrichten van diensten door zelfstandigen verhindert of beperkt;
e) een verplichting voor de dienstverrichter om specifiek voor de uitoefening van een dienstenactiviteit een door de Belgische bevoegde autoriteit afgegeven identiteitsdocument te bezitten;
f) vereisten, andere dan die welke noodzakelijk zijn voor de gezondheid en veiligheid op het werk, die betrekking hebben op het gebruik van uitrusting en materiaal die een integrerend deel van de dienstverrichting vormen;
g) beperkingen van het vrij verrichten van diensten bedoeld in artikel III.80.
Art. III.14. Artikel III.13 is niet van toepassing :
1° op diensten van algemeen economisch belang;
2° op de aangelegenheden die vallen onder de wet van 5 maart 2002 tot omzetting van de Richtlijn 96/71 EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten, en tot invoering van een vereenvoudigd stelsel betreffende het bijhouden van sociale documenten door ondernemingen die in België werknemers ter beschikking stellen, en volgens de regels die de wet van 5 maart 2002 bepaalt;
3° op de aangelegenheden die vallen onder deel II, Boek III, Titel Ibis, hoofdstuk I van het Gerechtelijk Wetboek;
4° op activiteiten van gerechtelijke invordering van schulden;
5° op de aangelegenheden die vallen onder de wet van 12 februari 2008 tot instelling van een nieuw algemeen kader voor de erkenning van EG-beroepskwalificaties en specifieke bepalingen die vereisen dat een activiteit voorbehouden wordt aan een bepaald beroep;
6° op de aangelegenheden die vallen onder de Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen;
7° op de aangelegenheden die vallen onder de artikelen 40 tot 47 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en de artikelen 43 tot 57 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
8° voor wat betreft onderdanen van derde landen die zich in het kader van een dienstverrichting naar België begeven, op de mogelijkheid voor de bevoegde autoriteiten om onderdanen van derde landen op wie de regeling inzake wederzijdse erkenning van artikel 21 van de Overeenkomst ter uitvoering van het op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen niet van toepassing is, te verplichten in het bezit te zijn van een visum of een verblijfsvergunning, of de mogelijkheid voor de bevoegde autoriteiten om onderdanen van derde landen te verplichten zich bij of na hun binnenkomst bij hen te melden;
9° met betrekking tot de overbrenging van afvalstoffen op de aangelegenheden die vallen onder de Verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap;
10° inzake het auteursrecht en de naburige rechten, de rechten op topografieën van halfgeleiderproducten, de sui generis rechten op databanken, de rechten van industriële eigendom;
11° op handelingen waarvoor de wet de tussenkomst van een notaris voorschrijft;
12° op de aangelegenheden die vallen onder het koninklijk besluit van 21 april 2007 tot omzetting van de bepalingen van de Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen, tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad, en houdende intrekking van Richtlijn 84/253/EEG van de Raad;
13° op de aangelegenheden die vallen onder de artikelen 132, 133 en 134 van het Wetboek van Vennootschappen;
14° op de inschrijving van voertuigen die in een andere lidstaat zijn geleased.
Titel 2. Kruispuntbank van Ondernemingen en erkende ondernemingsloketten.
Hoofdstuk 1. Kruispuntbank van Ondernemingen.
Afdeling 1. Oprichting van de Kruispuntbank van Ondernemingen.
Art. III.15. Er wordt een register opgericht, genaamd " Kruispuntbank van Ondernemingen ".
Dit register en de daarmee gepaard gaande invoering van een uniek ondernemingsnummer heeft tot doel door de realisatie van het principe van de unieke gegevensinzameling de administratieve verplichtingen opgelegd aan ondernemingen te vereenvoudigen en de werking van de overheidsdiensten efficiënter te organiseren.
De Kruispuntbank van Ondernemingen is belast met het opnemen, het bewaren, het beheren en het ter beschikking stellen van de gegevens die betrekking hebben op de identificatie van de ondernemingen en hun gemandateerden overeenkomstig de bepalingen van deze titel en de wettelijke of reglementaire bepalingen die de oorspronkelijke verzameling van de in artikel III.18 vermelde gegevens toelaten door de overheden, administraties en diensten aangewezen krachtens artikel III.19.
De Kruispuntbank van Ondernemingen beoogt ook de optimalisering van het overdragen en het verspreiden van de gegevens betreffende de ondernemingen.
Te dien einde kan ze met name :
1° linken creëren naar sites en databases van de overheden, administraties en diensten;
2° linken tot stand brengen naar internetsites die informatie bevatten betreffende de identificatie van ondernemingen en hun mandatarissen, met inbegrip van linken naar internetsites van ondernemingen, die in de Kruispuntbank van Ondernemingen ingeschreven zijn.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad, de modaliteiten waarbinnen de Kruispuntbank van Ondernemingen ter beschikking wordt gesteld in het kader van de versterking van de strijd tegen fraude, overeenkomstig de bepalingen van deze titel en de wettelijke of reglementaire bepalingen die de oorspronkelijke verzameling van de in artikel III.18 bedoelde gegevens toelaten door de overheden, administraties en diensten aangewezen krachtens artikel III.19.
Art. III.16. § 1. In de Kruispuntbank van Ondernemingen worden gegevens opgenomen betreffende :
1° de rechtspersonen naar Belgisch recht;
2° de vestigingen, instanties en diensten naar Belgisch recht die opdrachten van algemeen nut of verbonden met de openbare orde uitvoeren en over een financiële en boekhoudkundige autonomie beschikken, onderscheiden van deze van de rechtspersoon naar Belgisch publiek recht waarvan ze afhankelijk zijn;
3° de rechtspersonen naar buitenlands of internationaal recht die in België beschikken over een zetel of die zich dienen te registreren in uitvoering van een door de Belgische wetgeving opgelegde verplichting;
4° iedere natuurlijke persoon, die in België als onafhankelijke entiteit :
a) een economische en beroepsmatige activiteit gewoonlijk, hoofdzakelijk of aanvullend uitoefent;
b) of die zich dient te registreren in uitvoering van een door de Belgische wetgeving opgelegde verplichting anders dan deze beoogd door deze titel;
5° de verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid die zich dienen te registreren in uitvoering van een door de Belgische wetgeving opgelegde verplichting anders dan deze beoogd door deze titel;
6° de vestigingseenheden van de bovenvermelde ondernemingen.
§ 2. Voor de toepassing van paragraaf 1, oefent onder andere gewoonlijk een economische en beroepsmatige activiteit uit, iedere onderneming die in België :
1° hetzij als werkgever aan de sociale zekerheid is onderworpen;
2° hetzij aan de belasting over de toegevoegde waarde is onderworpen.
§ 3. Voor de inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen van de personen en verenigingen bedoeld in paragraaf 1, 1°, 3°, 4° en 5°, worden de nadere regels door de Koning bepaald.
Afdeling 2. Inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen.
Art. III.17. Iedere onderneming of vestigingseenheid bedoeld in artikel III.16, wordt in de Kruispuntbank van Ondernemingen ingeschreven en verkrijgt op het ogenblik van de inschrijving een ondernemings- of vestigingseenheidsnummer. Dit nummer vormt hun uniek identificatienummer.
Art. III.18. § 1. De inschrijving die gebeurt krachtens artikel III.17 omvat de volgende gegevens :
1° de naam, de benaming of de firmanaam;
2° de nauwkeurige aanduiding van de onderscheiden adressen, in voorkomend geval, van de maatschappelijke zetel van de onderneming en van de verschillende vestigingseenheden in België;
3° de rechtsvorm;
4° de rechtstoestand;
5° de oprichtings- en stopzettingsdatum van de onderneming of de vestigingseenheid;
6° de identificatiegegevens van de oprichters, mandatarissen en lasthebbers van de onderneming;
7° de door de onderneming uitgeoefende economische activiteiten;
8° de overige basisidentificatiegegevens, die moeten verstrekt worden op het ogenblik van de oprichting van de rechtspersoon of in toepassing van Hoofdstuk 2;
9° de aanduiding van de toelatingen, vergunningen en erkenningen waarover de onderneming beschikt of de hoedanigheden waaronder deze gekend is bij de verschillende overheden, administraties en diensten en, in voorkomend geval, de opvolging van de aanvragen in dit verband;
10° in voorkomend geval, de verwijzing naar de website van de onderneming, haar telefoonnummer, haar faxnummer en haar e-mailadres;
11° de gegevens betreffende de bankrekening(en) van de onderneming.
§ 2. De Koning kan, na advies van het in artikel III.44 bedoelde Toezichtcomité en bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad, de in paragraaf 1 opgesomde gegevens aanvullen met andere gegevens vereist voor de identificatie van ondernemingen of van gemeenschappelijk belang voor meerdere overheidsdiensten.
§ 3. Iedere wijziging die wordt aangebracht aan de in paragrafen 1 en 2 bedoelde gegevens, moet onverwijld in de Kruispuntbank van Ondernemingen worden opgenomen met aanduiding van de datum waarop zij in werking treedt en van de er voor verantwoordelijke dienst.
§ 4. Deze gegevens worden bewaard gedurende dertig jaar te rekenen van de dag van het verlies van de rechtspersoonlijkheid voor de rechtspersonen, of van de definitieve stopzetting van de activiteit voor de andere bij artikel III.16 bedoelde houders van een inschrijving.
Art. III.19. De Koning wijst, bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad, de overheden, administraties en diensten aan die, betreffende de categorieën van ondernemingen die Hij aanduidt en volgens de functionele verdeling die Hij vastlegt, belast zijn met de eenmalige inzameling en het actualiseren van de gegevens bedoeld in artikel III.18.
Bij het uitoefenen van deze taak zijn de overheden, administraties en diensten onderworpen aan de wettelijke en reglementaire bepalingen die de oorspronkelijke verzameling van de in artikel III.18 bedoelde gegevens toelaten.
Art. III.20. Voor de uitvoering van hun opdrachten zoals omschreven in deze titel en zijn uitvoeringsbesluiten, hebben de Kruispuntbank van Ondernemingen en de overheden, administraties en diensten bedoeld bij artikel III.19, eerste lid :
1° toegang tot de informatie bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1° tot 9°, en tweede lid van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van natuurlijke personen;
2° het recht om het identificatienummer van het Rijksregister te gebruiken.
Art. III.21. De Koning stelt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad, de modaliteiten en de aard van de inschrijvingen en de wijzigingen vast, die rechtstreeks op een elektronisch beveiligde wijze door de ondernemingen, bedoeld in artikel III.16, mogen worden meegedeeld aan de Kruispuntbank van Ondernemingen.
Afdeling 3. Toekenning en gebruik van het ondernemings- en vestigingseenheidsnummer.
Art. III.22. Het ondernemingsnummer en het vestigingseenheidsnummer toegekend op het ogenblik van de inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen worden onmiddellijk na de toekenning medegedeeld aan de onderneming door de krachtens artikel III.19, eerste lid, aangewezen overheden, administraties en diensten.
De Koning bepaalt de toekenningregels, de wijze van afleveren en de samenstelling van het ondernemings- en vestigingseenheidsnummer.
Art. III.23. Het gebruik van het ondernemingsnummer is verplicht in de betrekkingen die de ondernemingen hebben met de administratieve en rechterlijke overheden, evenals in de betrekkingen die deze laatste onderling hebben.
De krachtens artikel III.19, eerste lid, aangewezen overheden, administraties en diensten nemen, teneinde de unieke gegevensinzameling mogelijk te maken, de nodige maatregelen opdat het ondernemings- en vestigingseenheidsnummer een sleutel vormt die toegang geeft tot zowel de gegevens die opgenomen zijn in de Kruispuntbank van Ondernemingen, als tot de gegevens die zijn opgenomen in de door hen beheerde repertoria en geautomatiseerde bestanden, onverminderd de wettelijke en reglementaire bepalingen die de toegang tot deze gegevens regelen.
Art. III.24. Wat de handels- en ambachtsondernemingen betreft, doet het toegekende ondernemingsnummer respectievelijk dienst als handelsregisternummer of als inschrijvingsnummer als ambachtsman.
Art. III.25. Alle akten, facturen, aankondigingen, bekendmakingen, brieven, orders en andere stukken uitgaande van handels- en ambachtsondernemingen dienen steeds het ondernemingsnummer te vermelden.
Deze documenten moeten eveneens de domiciliëring en het nummer vermelden van ten minste één rekening waarvan de onderneming houdster is bij een in België gevestigde kredietinstelling die geen gemeentelijke spaarkas is en waarop de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen van toepassing is.
De voor de uitoefening van een handels- of ambachtswerkzaamheid gebruikte gebouwen en marktkramen, evenals de vervoermiddelen, die hoofdzakelijk worden gebruikt in het kader van de uitoefening van een ambulante handel, of, in het geval van werkgevers, in het kader van een activiteit van burgerlijke of utiliteitsbouw of een activiteit van reinigen van het interieur van gebouwen, dragen op zichtbare wijze het ondernemingsnummer.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad, de in het kader van het derde lid vermelde activiteiten waarvoor de gebruikte vervoermiddelen op zichtbare wijze het ondernemingsnummer dragen, wijzigen.
Art. III.26. § 1. Elk op verzoek van een handels- of ambachtsonderneming betekend deurwaardersexploot vermeldt steeds het ondernemingsnummer.
Bij gebreke aan vermelding van het ondernemingsnummer op het deurwaardersexploot, verleent de rechtbank uitstel aan de handels- of ambachtsonderneming om haar inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen op de datum van het inleiden van de vordering te bewijzen.
Indien de handels- of ambachtsonderneming haar inschrijving in deze hoedanigheid in de Kruispuntbank van Ondernemingen op de datum van het inleiden van haar vordering niet bewijst binnen de door de rechtbank gestelde termijn of indien blijkt dat de onderneming niet ingeschreven is in de Kruispuntbank van Ondernemingen, verklaart de rechtbank van ambtswege de vordering van de handels- of ambachtsonderneming onontvankelijk.
§ 2. Indien de handels- of ambachtsonderneming wel in deze hoedanigheid is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, maar haar hoofdvordering, tegenvordering of vordering tot tussenkomst, ingediend bij verzoekschrift, bij conclusie of deurwaardersexploot, gebaseerd is op een activiteit waarvoor de onderneming op de datum van de inleiding van die vordering niet is ingeschreven of die niet valt onder het maatschappelijk doel waarvoor de onderneming op deze datum is ingeschreven, is de vordering van die onderneming onontvankelijk. De onontvankelijkheid is evenwel gedekt, indien ze niet voor elke andere exceptie of verweermiddel wordt ingeroepen.
Art. III.27. De akten van rechtspleging, die krachtens artikel III.26 onontvankelijk worden verklaard, stuiten de verjaring, alsmede de op straffe van nietigheid bepaalde rechtsplegingtermijnen.
Art. III.28. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad, de verplichtingen bedoeld in de artikelen III.25 en III.26, uitbreiden tot andere categorieën van ondernemingen die in de Kruispuntbank van Ondernemingen zijn opgenomen.
Afdeling 4. Toegang en gebruik van de gegevens opgenomen in de Kruispuntbank van Ondernemingen.
Art. III.29. § 1. De toegang tot de volgende gegevens, vermeld in de Kruispuntbank van Ondernemingen, kan, zonder voorafgaande machtiging van het Toezichtcomité, worden verleend aan de overheden, besturen, diensten of andere instanties, voor zover die gegevens noodzakelijk zijn voor de uitvoering van hun wettelijke of reglementaire opdrachten :
1° de ondernemingsnummers en nummers van vestigingseenheidsnummers, toegekend door de Kruispuntbank van Ondernemingen;
2° de naam van de onderneming en van haar vestigingseenheden;
3° de juridische vorm van de onderneming;
4° de rechtstoestand van de onderneming;
5° het adres van de onderneming en van haar vestigingseenheden;
6° de economische activiteiten van de onderneming en van haar vestigingseenheden;
7° de hoedanigheden volgens welke een onderneming ingeschreven is in de Kruispuntbank van Ondernemingen en, in voorkomend geval, de opvolging van de aanvragen in dit verband;
8° de naam en voornaam van de oprichters en van de personen die binnen de onderneming een functie uitoefenen onderworpen aan bekendmaking;
9° de erkenningen, toelatingen of vergunningen waarover de onderneming beschikt, voor zover ze onderworpen zijn aan de bepalingen van verplichte bekendmaking of belang hebben voor derden en, in voorkomend geval, de opvolging van de aanvragen in dit verband;
10° de verwijzing naar de website van de onderneming, haar telefoonnummers, faxnummers alsook haar e-mailadres;
11° alle gegevens onderworpen aan bepalingen inzake bekendmaking met toepassing van :
a) het Wetboek van Vennootschappen;
b) de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen;
c) de wet van 12 juli 1989 houdende verscheidene maatregelen tot toepassing van de Verordening (EEG) nr. 2137/85 van de Raad van 25 juli 1985 tot instelling van Europese economische samenwerkingsverbanden;
d) de wet van 17 juli 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord;
e) de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen;
f) de faillissementswet van 8 augustus 1997;
g) de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorzieningen;
12° de gegevens die moeten worden meegedeeld door de handels- en ambachtsondernemingen in uitvoering van het artikel III.53, met uitzondering van het Rijksregisternummer of het identificatienummer bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid;
13° de gegevens betreffende de bankrekening(en).
§ 2. De Koning bepaalt de modaliteiten voor deze toegang bij een besluit vastgelegd na overleg in de ministerraad en na advies van het Toezichtcomité bedoeld in de artikelen III.44.
Art. III.30. § 1. De toegang tot de andere gegevens dan die opgesomd in het artikel III.29 vermeld in de Kruispuntbank van Ondernemingen, kan worden verleend, middels een voorafgaande machtiging van het Toezichtcomité aan de overheden, besturen, diensten of andere instanties, voor zover die gegevens noodzakelijk zijn voor de uitvoering van hun wettelijke of reglementaire opdrachten.
§ 2. Vooraleer zijn machtiging te verlenen, controleert het Toezichtcomité of de gevraagde toegang overeenstemt met deze titel en zijn uitvoeringsbesluiten.
§ 3. De Koning bepaalt de voorwaarden voor die toegang bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad en na advies van het Toezichtcomité bedoeld in artikel III.44.
§ 4. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad en na advies van het Toezichtcomité, de gevallen waarin, bij afwijking van het eerste lid, geen machtiging van het Toezichtcomité vereist is.
§ 5. De uitwisselingen tussen overheidsdiensten, op basis van het ondernemings- of vestigingseenheidsnummer, van andere gegevens dan deze opgenomen in de Kruispuntbank van Ondernemingen moeten vooraf gemeld worden aan het Toezichtcomité, dat deze registreert in een kadaster, dat door iedereen geraadpleegd kan worden.
De Koning bepaalt, na advies van het Toezichtcomité, de modaliteiten met betrekking tot de oprichting en raadpleging van het kadaster, alsook de modaliteiten voor de communicatie aan het Toezichtcomité.
Art. III.31. Alle natuurlijke personen, rechtspersonen of entiteiten hebben toegang, via het internet, tot gegevens bedoeld in het artikel III.29, § 1, ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen.
Er wordt minstens voorzien in een vrij toegankelijke website waarop deze gegevens in een leesbaar formaat terug te vinden zijn.
De Koning bepaalt de gegevens die aldus toegankelijk zijn evenals de voorwaarden voor het raadplegen ervan.
Art. III.32. Iedere onderneming heeft recht op mededeling van de hem betreffende gegevens die opgenomen zijn in de Kruispuntbank van Ondernemingen. Indien blijkt dat de medegedeelde gegevens overeenkomstig de ter zake geldende wetgeving onnauwkeurig, onvolledig of onjuist zijn, kan de houder van een inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen de verbetering van deze gegevens vragen op de wijze en binnen de termijnen vastgesteld door de Koning.
Art. III.33. Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van de artikelen III.29 en III.30, stelt de Koning, na advies van het Toezichtcomité, de gegevens van de Kruispuntbank van Ondernemingen vast die het voorwerp kunnen uitmaken van een commercieel of niet-commercieel hergebruik alsook de modaliteiten inzake hun terbeschikkingstelling.
Enkel de beheersdienst mag deze basisgegevens aan ondernemingen verstrekken.
Art. III.34. § 1. Onverminderd artikel III.33 kan eenieder bij een ondernemingsloket inzage nemen van de gegevens van het handelsregister betreffende een bepaalde handels- of ambachtsonderneming en zich volledige of gedeeltelijke afschriften dan wel uittreksels van het register doen afgeven op de wijze bepaald door de Koning.
§ 2. De afschriften of uittreksels van het handelsregister worden op uitdrukkelijk verzoek eensluidend verklaard.
§ 3. De afschriften of uittreksels vermelden niet de inhoud van rechterlijke beslissingen die betrekking hebben op :
1° een faillissement en één van de veroordelingen bepaald in de artikelen 486, 489bis en 489ter van het Strafwetboek, in geval van rehabilitatie;
2° een gerechtelijk akkoord na uitvoering of een procedure van gerechtelijke reorganisatie na uitvoering;
3° onbekwaam verklaring of benoeming van een gerechtelijk raadsman, wanneer een vonnis van opheffing is gewezen;
4° de veroordelingen bedoeld in de artikelen XV.76, XV.77, 1° tot 6°, XV.78 en XV.79.
Art. III.35. De gegevens vermeld op de uittreksels van de Kruispuntbank van Ondernemingen hebben bewijskracht tot bewijs van het tegendeel.
Afdeling 5. Realisatie van het principe van de unieke gegevensinzameling.
Art. III.36. Overheden, administraties en diensten die gemachtigd zijn de gegevens van de Kruispuntbank van Ondernemingen te raadplegen mogen deze gegevens niet meer opnieuw rechtstreeks opvragen bij de ondernemingen bedoeld in artikel III.16 of bij de lasthebbers van deze laatste.
Art. III.37. Eens een gegeven is medegedeeld aan en opgenomen in de Kruispuntbank van Ondernemingen kunnen de diensten die gemachtigd zijn deze gegevens te raadplegen, het niet rechtstreeks meedelen ervan niet langer ten laste leggen aan betrokkene.
Afdeling 6. Inschrijving, wijziging of doorhaling van de onjuiste of ontbrekende gegevens.
Art. III.38. § 1. Elke belanghebbende kan bij de beheersdienst de rechtzetting van een onjuist gegeven of de inschrijving van een ontbrekend gegeven in de Kruispuntbank van Ondernemingen aanvragen. Hij deelt ter ondersteuning van dit verzoek alle rechtvaardigende stukken mee.
De onderneming die de formaliteiten niet heeft vervuld waartoe ze gehouden is door of krachtens een wet, een decreet of een ordonnantie, kan zich niet rechtstreeks tot de beheersdienst wenden voor de rechtzetting of de inschrijving bedoeld in het eerste lid.
§ 2. Alle diensten die beschikken over een toegang tot de gegevens van de Kruispuntbank van Ondernemingen zijn ertoe gehouden, zodra ze een onjuist of ontbrekend gegeven vaststellen in de Kruispuntbank van Ondernemingen, de beheersdienst hiervan op de hoogte te brengen.
Ze delen ter ondersteuning van die informatie alle rechtvaardigende stukken mee.
§ 3. De politieambtenaren van de lokale of federale politie en de ambtenaren gemandateerd door een dienst, een overheid of een bestuur zijn ertoe gehouden, bij de opstelling van een onderzoeksverslag of een proces-verbaal, dat een onjuist of ontbrekend gegeven in de Kruispuntbank van Ondernemingen vaststelt; hiervan een afschrift mee te delen aan de beheersdienst van de Kruispuntbank van Ondernemingen.
Art. III.39. Wanneer de beheersdienst vaststelt dat het onjuiste of ontbrekende gegeven het gevolg is van een vergissing of een weglating van de dienst die dit gegeven invoert, deelt hij aan deze laatste de aanvraag tot aanpassing mee. De dienst voert, na verificatie, de eventuele aanpassing uit binnen een termijn van dertig dagen, te rekenen vanaf de ontvangst van de aanvraag.
Art. III.40. § 1. Wanneer het onjuiste of ontbrekende gegeven het gevolg is van het niet vervullen door een onderneming van de formaliteiten waartoe ze gehouden is door of krachtens een wet, een decreet of een ordonnantie, verzoekt de beheersdienst de onderneming, door middel van een schrijven, om over te gaan tot de inschrijving, de wijziging of de doorhaling van haar gegevens bij de dienst die door de beheersdienst werd aangewezen in de brief.
De onderneming beschikt over een periode van dertig dagen na het versturen van het schrijven om bij de erin aangewezen dienst over te gaan tot de gevraagde inschrijving, de wijziging of doorhaling.
§ 2. Indien de onderneming de formaliteiten niet vervult tijdens de toegekende termijn, gaat de beheersdienst over tot de doorhaling van ambtswege van de onjuiste gegevens. Die doorhaling gebeurt op basis van een vonnis of arrest, een onderzoeksverslag of een proces-verbaal opgemaakt door een politieambtenaar van de lokale of federale politie, of door een ambtenaar gemandateerd door een dienst, een overheid of een bestuur, die de onjuistheid van het gegeven vaststelt.
§ 3. Wanneer de beheersdienst in de Kruispuntbank van Ondernemingen een gegeven doorhaalt dat in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad moet worden bekendgemaakt, wordt de doorhaling op verzoek van de beheersdienst gratis in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
§ 4. De procedure van ambtshalve doorhaling van gegevens stelt de onderneming geenszins vrij van het vervullen van de wettelijke formaliteiten waartoe zij gehouden is.
De beheersdienst kan geen verantwoordelijkheid dragen voor schade veroorzaakt aan derden wegens het niet vervullen door de onderneming van de wettelijke formaliteiten waartoe deze laatste gehouden is.
§ 5. Teneinde de kwaliteit van de gegevens van de Kruispuntbank van Ondernemingen te waarborgen en te verbeteren, kan de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad, de voorwaarden en modaliteiten van ambtshalve inschrijving en wijziging bepalen.
Art. III.41. § 1. Wanneer het onjuiste gegeven het gevolg is van het feit dat de onderneming van adres veranderd is zonder de wettelijke voorschriften te eerbiedigen, verstuurt de beheersdienst de brief, bedoeld in artikel III.40, § 1, eerste lid, naar het adres van één van de vestigingseenheden, wanneer dit verschillend is van de zetel. Bij gebrek hieraan, wordt de brief verstuurd naar het adres van de woonplaats van een mandataris.
De procedure beschreven in artikel III.40 wordt toegepast.
§ 2. Indien het onmogelijk blijkt om de onderneming te contacteren zoals voorzien in paragraaf 1, gaat de beheersdienst over tot de ambtshalve doorhaling van het onjuiste adres ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, tenzij het hier gaat over het adres van een onderneming natuurlijke persoon. Die doorhaling gebeurt op basis van een vonnis of arrest, een onderzoeksverslag of een proces-verbaal opgemaakt door een politieambtenaar van de lokale of federale politie of door een ambtenaar gemandateerd door een dienst, een overheid of een bestuur, die het onjuiste karakter van het gegeven vaststelt.
Wanneer het door de beheersdienst in de Kruispuntbank van Ondernemingen doorgehaalde gegeven in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad moet worden bekendgemaakt, wordt de doorhaling op verzoek van de beheersdienst gratis in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
§ 3. De procedure van ambtshalve doorhaling van gegevens stelt de onderneming geenszins vrij van het vervullen van de wettelijke formaliteiten waartoe zij gehouden is.
De beheersdienst kan geen verantwoordelijkheid dragen voor schade veroorzaakt aan derden wegens het niet vervullen door de onderneming van de wettelijke formaliteiten waartoe deze laatste gehouden is.
Art. III.42. § 1. In afwijking van de procedure voorzien in artikel III.39 kan de beheersdienst van de Kruispuntbank van Ondernemingen zonder aanrekening van de kosten overgaan tot :
1° de ambtshalve doorhaling van de activiteiten, hoedanigheden, toelatingen en vestigingseenheden van ondernemingen natuurlijke personen waarvan de oprichter reeds minstens zes maanden overleden is volgens de gegevens afkomstig van het rijksregister van de natuurlijke personen;
2° de ambtshalve doorhaling van de activiteiten, hoedanigheden, toelatingen en vestigingseenheden van ondernemingen rechtspersonen waarvan de afsluiting van de vereffening minstens drie maanden geleden werd uitgesproken;
3° de ambtshalve doorhaling van de activiteiten, hoedanigheden, toelatingen en vestigingseenheden van ondernemingen rechtspersonen ten minste drie maanden na de beslissing tot sluiting van de verrichtingen van het faillissement in toepassing van de faillissementswet van 8 augustus 1997;
4° de ambtshalve doorhaling van de vennootschappen zoals bedoeld in artikel 2 van het Wetboek van vennootschappen die, volgens de gegevens van de Nationale Bank van België, voor ten minste drie opeenvolgende boekjaren, niet hebben voldaan aan de verplichting tot neerlegging van hun jaarrekeningen overeenkomstig de artikelen 98 en 100 van het Wetboek van vennootschappen. Deze doorhaling is niet van toepassing op de vennootschappen bedoeld in artikel 97 van het Wetboek van vennootschappen. De beheersdienst van de Kruispuntbank van Ondernemingen gaat over tot de intrekking van de doorhaling na de neerlegging bij de Nationale Bank van België van de niet neergelegde jaarrekeningen;
5° de ambtshalve doorhaling van de vennootschappen zoals bedoeld in artikel 2 van het Wetboek van vennootschappen die niet vallen onder het 4°, en die aan de volgende cumulatieve criteria beantwoorden :
a) sedert minimum drie jaar, niet beschikken over actieve hoedanigheden, activiteiten of vestigingseenheden, ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen;
b) ingeschreven zijn in de Kruispuntbank van Ondernemingen met een actieve status;
c) niet beschikken over lopende toelatings- of hoedanigheidsaanvragen, ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen;
d) sinds 7 jaar, geen enkele wijziging aangaande de ingeschreven gegevens in de Kruispuntbank van Ondernemingen hebben uitgevoerd;
e) sinds 7 jaar, geen enkele andere publicatie dan die van de jaarrekeningen, in de Bijlagen van het Belgisch Staatsblad of in het Belgisch Staatsblad hebben uitgevoerd.
Voor de toepassing van het eerste lid, 5°, vormen de actieve commerciële hoedanigheden, activiteiten of vestigingseenheden waarvan de begindata voor 1 juli 2003 vallen, geen nuttig criterium.
De beheersdienst van de Kruispuntbank van Ondernemingen gaat over tot de intrekking van de doorhaling wanneer aan één van de criteria bedoeld in het eerste lid, 5°, a) tot e), niet meer voldaan is.
De beheersdienst van de Kruispuntbank van Ondernemingen gaat ook over tot de intrekking van de doorhaling in het geval er een manifeste vergissing wordt vastgesteld door een overheid of dienst.
§ 2. De doorhalingen, alsook de intrekkingen bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 4° en 5°, en derde en vierde lid, worden gratis gepubliceerd in de Bijlagen van het Belgisch Staatsblad en dit op initiatief van de beheersdienst van de Kruispuntbank van Ondernemingen.
§ 3. Om de gegevenskwaliteit in de Kruispuntbank van Ondernemingen te garanderen en te verbeteren, kan de Koning, bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de gevallen beoogd in paragraaf 1 uitbreiden of wijzigen.
Afdeling 7. Bijzondere bepalingen omtrent de werking van de Kruispuntbank van Ondernemingen.
Art. III.43. Er wordt bij de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie een strategisch comité van de Kruispuntbank van Ondernemingen opgericht.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad, zijn opdrachten, zijn samenstelling en zijn werkingsmodaliteiten.
Art. III.44. Binnen de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer wordt een sectoraal comité voor de Kruispuntbank van Ondernemingen, " Toezichtcomité " genaamd opgericht, dat belast is met de afgifte van de machtiging bedoeld in artikel III.30, tweede lid.
Het Toezichtcomité verstrekt tevens de adviezen bedoeld in de artikelen III.18, § 2, III.30, derde lid, en III.33, binnen dertig dagen na de aanhangigmaking door de beheersdienst. Bij ontstentenis van advies binnen de voorgeschreven termijn, wordt het advies geacht het voorstel te volgen dat de beheersdienst in de adviesaanvraag had geformuleerd.
Het Toezichtcomité is samengesteld uit drie leden van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, van wie de voorzitter of een ander, door de Commissie in die hoedanigheid aangewezen lid, dat het Toezichtcomité voorzit, alsmede uit drie externe leden aangewezen door de Kamer van volksvertegenwoordigers overeenkomstig de door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad, bepaalde voorwaarden en nadere regels. Bij staking van stemmen beslist de stem van de voorzitter.
De werkingsregels van het Toezichtcomité worden, zonder afbreuk te doen aan deze titel, bepaald in of krachtens de wet. Die regels bekrachtigen het recht van de voorzitter van het Toezichtcomité om een aan dat comité voorgelegd dossier voor de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zelf te brengen en de beslissing van het comité zo nodig te herzien.
Art. III.45. De personen die bij het uitoefenen van hun functies tussenkomen in het opnemen, het bewaren, het beheren en het ter inzage stellen van de gegevens bedoeld in artikel III.18, zijn gehouden aan het beroepsgeheim.
Zij nemen alle nodige voorzorgsmaatregelen om de veiligheid van de opgenomen gegevens te verzekeren en met name te beletten dat deze gegevens vervormd of beschadigd worden, of meegedeeld worden aan personen die geen machtiging hebben om er kennis van te nemen.
Zij waken over de rechtmatigheid van de mededeling van de gegevens.
Art. III.46. De Koning wijst, bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad, de personen aan die in oorlogstijd, in omstandigheden daarmee gelijkgesteld krachtens artikel 7 van de wet van 12 mei 1927 op de militaire opeisingen of tijdens de bezetting van het grondgebied door de vijand, belast worden met de vernietiging van de gegevensbanken van de Kruispuntbank van Ondernemingen.
De Koning stelt de voorwaarden en de modaliteiten van deze vernietiging vast.
Art. III.47. De kosten voor de werking en het gebruik van de Kruispuntbank van Ondernemingen worden gedragen door een krediet ingeschreven op de begroting van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie.
De Koning kan een vergoeding vaststellen voor het gebruik van de Kruispuntbank van Ondernemingen door diensten die geen opdrachten uitvoeren voor de federale overheid. In voorkomend geval bepaalt Hij per categorie van gebruikers en voorwerp van de aanvraag, het bedrag van de vergoeding
Behalve in het geval bedoeld in het eerste lid, kan de bijzondere verwerking van gegevens uit de Kruispuntbank van Ondernemingen aanleiding geven tot het innen van een vergoeding. Het bedrag van die vergoeding wordt bepaald in onderling overleg tussen de beheersdienst en de overheid, administratie of de dienst aan wie deze gegevens worden meegedeeld en in een overeenkomst vastgelegd.
Art. III.48. § 1. Onverminderd artikel III.47, wordt bij de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie een " Begrotingsfonds Kruispuntbank van Ondernemingen " opgericht, hierna " het Fonds " genoemd.
Dit Fonds vormt een organiek begrotingsfonds in de zin van artikel 45 van de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit.
§ 2. Het Fonds dient voor ontwikkeling van de Kruispuntbank van Ondernemingen, alsook voor de verbetering en optimalisatie van haar werking en haar gebruik.
§ 3. De inkomsten die aan het Fonds worden toegewezen, alsook de uitgaven die ten laste ervan kunnen gebeuren, worden voor genoemd Fonds opgenomen in de tabel die bij de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen is gevoegd.
§ 4. Het Fonds wordt beheerd volgens de modaliteiten vastgelegd door de minister bevoegd voor Economie.
Hoofdstuk 2. Inschrijving van handels-, ambachtsondernemingen en niet-handelsondernemingen naar privaat recht.
Afdeling 1. Verplichting tot inschrijving.
Art. III.49. § 1. Alle handels-, ambachtsondernemingen en niet-handelsondernemingen naar privaat recht zijn verplicht om zich respectievelijk met de handels-, ambachtshoedanigheid of hoedanigheid van niet-handelsonderneming naar privaat recht te laten inschrijven in de Kruispuntbank van Ondernemingen bij een ondernemingsloket van hun keuze en dit vóór de aanvang van hun activiteiten.
Deze verplichting is zowel van toepassing op het ogenblik van de oprichting van de onderneming als bij de opening van een nieuwe vestigingseenheid.
§ 2. De inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen met de handels- of ambachtshoedanigheid vormt, behoudens tegenbewijs, een vermoeden van de hoedanigheid van koopman of ambachtsman, naargelang de aard van de inschrijving.
§ 3. In afwijking van paragraaf 1, behoeven de vennoten onder firma en de werkende vennoten, ofschoon zij handelaars zijn, niet afzonderlijk in de Kruispuntbank van Ondernemingen te worden ingeschreven.
§ 4. In afwijking van paragraaf 1 zijn niet gehouden zich in te schrijven in de hoedanigheid van niet-handelsonderneming naar privaat recht :
a) de natuurlijke personen die enkel in de Kruispuntbank van Ondernemingen ingeschreven zijn met als enige hoedanigheid deze van werkgever van huispersoneel;
b) de beroepsverenigingen;
c) de verenigingen van mede-eigenaars;
d) de representatieve werknemersorganisaties;
e) de ondernemingen naar buitenlands of internationaal recht, die geen activiteit uitoefenen in België, maar die zich dienen te laten inschrijven in uitvoering van een verplichting opgelegd door de Belgische wetgeving;
f) de btw-eenheden;
g) de verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid;
h) de verenigingen zonder winstoogmerk;
i) de inrichtende machten van het gesubsidieerde onderwijs.
Art. III.50. § 1. De Koning stelt het bedrag vast van het inschrijvingsrecht voor de Kruispuntbank van Ondernemingen als handels-, ambachtsonderneming of niet-handelsonderneming naar privaat recht.
Hij kan hierbij een onderscheid maken op basis van de juridische aard van de onderneming.
De aldus vastgestelde bedragen kunnen op 1 januari worden aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen indien het geïndexeerde bedrag minstens 0,5 euro hoger is dan het van toepassing zijnde bedrag. Het bedrag van de verhoging wordt naar beneden toe afgerond op een veelvoud van 0,5 euro.
Afdeling 2. Verplichting tot wijziging.
Art. III.51. § 1. Niettegenstaande de bepalingen van paragraaf 2, moeten de handels-, ambachtsondernemingen en niet-handelsondernemingen naar privaat recht die voornemens zijn een andere activiteit uit te oefenen dan deze waarvoor zij werden ingeschreven, vooraf om een wijziging van hun inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen verzoeken. Deze verplichting geldt op dezelfde wijze voor de handels-, ambachtsondernemingen en niet-handelsondernemingen naar privaat recht die voornemens zijn in België een nieuwe vestigingseenheid op te richten.
Wanneer de uitoefening van een nieuwe activiteit voortvloeit uit een overdracht van de bedrijvigheid van een onderneming, om niet of onder bezwarende titel, onder levenden of ingevolge overlijden, dan moeten deze ondernemingen, in afwijking van paragraaf 1, binnen een termijn van één maand na de overdracht of de aanvaarding van de nalatenschap tot wijziging overgaan.
§ 2. Binnen een termijn van één maand vanaf de verandering in hun toestand moeten de handels-, ambachtsondernemingen en niet-handelsondernemingen naar privaat recht verzoeken om een wijziging van hun inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen indien één van de vermeldingen van de inschrijving, door de Koning bepaald overeenkomstig artikel III.53, niet meer overeenstemt met de werkelijke toestand.
Afdeling 3. Verplichting tot doorhaling.
Art. III.52. In geval van beëindiging van de activiteiten of sluiting van één van de vestigingseenheden, moet de handels-, ambachtsonderneming of niet-handelsonderneming naar privaat recht of haar rechtsopvolgers, binnen één maand na de beëindiging van de activiteiten, om de doorhaling van de inschrijving verzoeken.
Wanneer de in het eerste lid vermelde beëindiging voortvloeit uit een overdracht van de bedrijvigheid van een onderneming, om niet of onder bezwarende titel, onder levenden of ingevolge overlijden, dan moet de doorhaling gebeuren binnen een termijn van één maand na de overdracht of de aanvaarding van de nalatenschap.
Afdeling 4. Gemeenschappelijke bepalingen aan de inschrijving, wijziging of doorhaling.
Art. III.53. Het verzoek tot inschrijving, wijziging of doorhaling moet gebeuren door de handelsambachtsonderneming of niet-handelsonderneming naar privaat recht, dit wil zeggen door de inschrijvingsplichtige natuurlijke personen respectievelijk de daartoe bevoegde vertegenwoordigers van de inschrijvingsplichtige onderneming.
Het verzoek geschiedt op de door de Koning vastgestelde wijze.
De Koning bepaalt de vermeldingen die het verzoek tot inschrijving, wijziging of doorhaling moet bevatten.
Art. III.54. De ondernemingsloketten moeten onverwijld de inschrijving, wijziging of doorhaling doen, die hun worden gevraagd.
Art. III.55. De ondernemingsloketten dienen elk verzoek tot inschrijving, wijziging of doorhaling te weigeren en de redenen voor die weigering te rechtvaardigen :
1° indien zij vaststellen dat het verzoek afkomstig is van iemand die daartoe niet verplicht of bevoegd is;
2° bij verzuim van één van de stukken of vermeldingen die het verzoek dient te bevatten overeenkomstig artikel III.53 en de uitvoeringsbesluiten ervan;
3° indien niet voldaan is aan de door deze titel en zijn uitvoeringsbesluiten, of krachtens andere wetten, opgelegde voorafgaandelijke inschrijvingsvoorwaarden, waarvan de controle is toevertrouwd aan deze loketten.
Art. III.56. De weigering van de inschrijving, wijziging of doorhaling in de Kruispuntbank van Ondernemingen wordt geacht definitief te zijn, tenzij de aanvrager een nieuwe aanvraag indient die wel voldoet aan de gestelde voorwaarden, of een beroep indient tegen de beslissing van het ondernemingsloket bij de Vestigingsraad binnen de 30 werkdagen volgend op de datum van weigering van inschrijving.
Art. III.57. Een ondernemingsloket verstrekt de onderneming, op de wijze door de Koning bepaald, op haar verzoek een volledig uittreksel van de inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen met vermelding van de datum van afgifte van het uittreksel.
Het eerste uittreksel betreffende een inschrijving, een wijziging of een doorhaling wordt aan de onderneming gratis verstrekt.
Hoofdstuk 3. Inrichting van de ondernemingsloketten.
Afdeling 1. Instelling en taken van de ondernemingsloketten.
Art. III.58. Niemand mag zonder de voorafgaandelijke en schriftelijke erkenning van de minister de activiteit van ondernemingsloket uitoefenen.
Art. III.59. § 1. Onverminderd de taken die hen opgedragen worden door of in uitvoering van dit boek of andere wetten, hebben de ondernemingsloketten als taak :
1° via hun infrastructuur, de dienstverrichters toe te laten :
a) alle procedures en formaliteiten te laten afwikkelen die nodig zijn voor de toegang tot hun dienstenactiviteiten zoals bedoeld in artikelen 1 en 2 van de Dienstenrichtlijn, in het bijzonder alle voor vergunningen nodige verklaringen, kennisgevingen en aanvragen bij de bevoegde instanties, met inbegrip van de aanvragen tot inschrijving in een register, op een rol, in een databank, of bij een beroepsorde of beroepsvereniging;
b) alle vergunningsaanvragen te laten afwikkelen die nodig zijn voor de uitoefening van hun dienstenactiviteiten, zoals bedoeld in de Dienstenrichtlijn;
2° de handels- en ambachtsondernemingen en de niet-handelsondernemingen naar privaat recht in die hoedanigheden inschrijven in de Kruispuntbank van Ondernemingen;
3° in de door de Koning bepaalde gevallen nagaan of de handels- en ambachtsondernemingen en de niet-handelsondernemingen naar privaat recht voldoen aan de krachtens bijzondere wetten en reglementen opgelegde voorwaarden om ingeschreven te worden;
4° de toegang tot de in 2° bedoelde inschrijvingen waarborgen, volgens de door de Koning bepaalde nadere regels en voorwaarden;
5° het bewaren van de archieven met betrekking tot de in 2° en 3° bedoelde voorwaarden en inschrijvingen, volgens de door de Koning bepaalde nadere regels;
6° het verrichten van administratieve formaliteiten, in uitvoering van dit boek of andere wetten, of krachtens deze wetten, volgens de door de Koning vastgestelde nadere regels;
7° er voor zorgen dat de dienstverrichters en de afnemers, voor wat betreft de dienstenactiviteiten bedoeld in paragraaf 1, 1°, a) en b), informatie krijgen over :
a) de eisen die gelden voor de dienstverrichters, in het bijzonder de eisen inzake de procedures en formaliteiten die afgewikkeld moeten worden om toegang te krijgen tot dienstenactiviteiten en deze uit te oefenen;
b) de adresgegevens van de bevoegde instanties, waaronder die welke bevoegd zijn op het gebied van de uitoefening van dienstenactiviteiten, zodat rechtstreeks contact met hen kan worden opgenomen;
c) de middelen en voorwaarden om toegang te krijgen tot openbare registers en databanken met gegevens over dienstverrichters en diensten;
d) de rechtsmiddelen die normaal voorhanden zijn bij geschillen tussen de bevoegde instanties en de dienstverrichter of de afnemer, tussen een dienstverrichter en een afnemer of tussen dienstverrichters onderling;
e) de adresgegevens van de verenigingen of organisaties, anders dan de bevoegde instanties, waarvan dienstverrichters of de afnemers praktische bijstand kunnen krijgen;
8° het ontvangen voor rekening van de Schatkist van de inschrijvings- en registratierechten, retributies en kosten voor publicatie, met betrekking tot de in dit artikel bedoelde taken, volgens de door de Koning vastgestelde nadere regels en voorwaarden;
9° de rechtspersonen en natuurlijke personen die een inschrijving vragen in de Kruispuntbank van ondernemingen de volgende informatie meegeven :
a) elke natuurlijke persoon die in België een zelfstandige beroepsactiviteit uitoefent uit hoofde waarvan hij dient te zijn aangesloten bij een sociale verzekeringskas voor zelfstandigen, dient zich aan te sluiten uiterlijk op de dag van de aanvang van de zelfstandige activiteit;
b) in geval van niet-naleving van deze verplichting, wordt een administratieve geldboete opgelegd krachtens artikel 17bis van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen;
c) hierbij zijn de rechtspersonen hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de administratieve geldboete opgelegd aan hun vennoten of mandatarissen;
d) de zelfstandige die een zelfstandige activiteit uitoefent waarvoor hij niet ingeschreven is in de Kruispuntbank van ondernemingen, overeenkomstig de artikelen III.17, III.49 of III.51, kan hiervoor bestraft worden krachtens de artikelen III.40, XV.77, 1°, 2°, 3° en 6° of XV.78, alsook krachtens artikel 17bis van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen.
Het ondernemingsloket reageert binnen de vijf werkdagen, te rekenen vanaf het moment waarop de informatie beschikbaar is, op elk verzoek om de in het eerste lid bedoelde informatie. Wanneer het verzoek onjuist, onvolledig of ongegrond is, stelt het de aanvrager daarvan onverwijld in kennis.
§ 2. Bijkomend kan het ondernemingsloket aan ondernemingen adviserende en begeleidende diensten verlenen met uitzondering van de diensten die bij wet exclusief voorbehouden zijn voor bepaalde vrije, dienstverlenende en intellectuele beroepen uit de economische sector.
§ 3. Het ondernemingsloket is eenvoudig, van op afstand en met elektronische middelen bereikbaar, om alle procedures en formaliteiten betreffende de toegang tot en de uitoefening van een dienstenactiviteit bedoeld in paragraaf 1, 1° a) en b) te kunnen afwikkelen, met uitzondering van de inspectie van de plaats waar de dienst wordt verricht, van de door de dienstverrichter gebruikte uitrusting, en van de fysieke controle van de geschiktheid of de persoonlijke integriteit van de dienstverrichter of van zijn verantwoordelijke personeelsleden, wanneer die integraal deel uitmaken van een procedure of formaliteit.
Art. III.60. § 1. De ondernemingsloketten dienen de inschrijvingsdossiers van handels- en ambachtsondernemingen, waarvoor ze in uitvoering van artikel III.59, 2°, niet gemachtigd zijn zelf te beslissen omtrent de inschrijving, voorafgaandelijk voor te leggen aan de hiertoe aangewezen dienst van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie.
§ 2. Deze dienst onderzoekt of, enerzijds voor inschrijving in het handelsregister en anderzijds voor de toegang tot de gewenste beroepsactiviteit, de vereiste voorwaarden zijn vervuld. Zodra alle documenten die toelaten het dossier van de handels- of ambachtsonderneming te onderzoeken, aangekomen zijn, brengt hij de onderneming en het ondernemingsloket op de hoogte van de volledigheid van het dossier. Hij verleent een schriftelijk en gemotiveerd advies binnen een termijn van vijftien dagen volgend op de betekening van de volledigheid van het dossier.
§ 3. Bij gebreke aan een schriftelijk en gemotiveerd advies binnen een termijn van vijftien dagen volgend op de betekening van de volledige verklaring van het dossier wordt het advies geacht positief te zijn.
Afdeling 2. Erkenningsvoorwaarden voor de ondernemingsloketten.
Art. III.61. § 1. Een organisatie mag onder de volgende voorwaarden als ondernemingsloket erkend worden :
1° zij neemt de vorm aan van een vereniging zonder winstoogmerk, overeenkomstig de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen;
2° haar leden behoren ten minste tot één van de volgende organisaties :
a) representatieve werkgevers- of zelfstandigenorganisaties, die vertegenwoordigd zijn in of erkend zijn door de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen, de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, de " Conseil économique et social de la Région wallonne ", de Economische en Sociale Raad voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of een paritair comité opgericht in toepassing van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités;
b) sociaal verzekeringsfondsen voor zelfstandigen, erkend in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen;
c) sociale secretariaten voor werkgevers, erkend in uitvoering van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
d) kamers erkend door de Federatie der Kamers voor handel en nijverheid van België;
e) samenwerkingsverbanden tussen verschillende van de hierboven vermelde organisaties;
3° haar statuten vermelden als doel de uitvoering van de taken van ondernemingsloket in de zin van dit boek;
4° zij beschikt volgens de door de Koning vastgestelde nadere regels en het door de minister opgestelde lastenboek, over :
a) bekwame medewerkers;
b) interne beheersprocedures;
c) ontvangstvoorzieningen, kantoren en materieel en archiefruimte;
d) een eigen boekhouding;
e) informatica-uitrusting, met inbegrip van beveiligings- en controlemechanismen;
5° zij verkeert niet in staat van vereffening, noch is ze onderwerp van een procedure tot vereffening of tot staking van haar werkzaamheden;
6° zij is in orde met de verplichtingen inzake de betaling van sociale zekerheidsbijdragen en met haar verplichtingen inzake de betaling van belastingen en taksen in overeenstemming met de Belgische wet;
7° zij beschikt over een voldoende eigen private financiële en economische draagkracht om haar taken, omschreven in dit boek en haar uitvoeringsbesluiten, uit te voeren;
8° zij heeft haar beroepsaansprakelijkheid laten verzekeren.
§ 2. De Koning kan, bij besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad, nadere regels bepalen voor het vaststellen van het minimum aantal vestigingseenheden en de vestigingsplaats van de ondernemingsloketten, rekening houdende met een voldoende spreiding en de behoeften.
§ 3. In afwijking van de bepalingen van paragraaf 1, blijven de erkenningen van de ondernemingsloketten verleend op 9 september 2008, behouden tot 31 december 2014, onder de voorwaarden zoals die van toepassing waren op de dag van de erkenning.
Art. III.62. § 1. De aanvraag tot erkenning wordt ingediend bij de minister door middel van een aangetekende brief of tegen ontvangstbewijs.
§ 2. De aanvraag moet vergezeld zijn van een bedrijfsplan en van alle documenten vereist door de erkenningsvoorwaarden.
In het bedrijfsplan dient duidelijk te worden aangegeven op welke manier de activiteit als ondernemingsloket zal gefinancierd worden, hoe zal voorzien worden in de vereiste beroepsbekwaamheid en welke geografische zone het ondernemingsloket wil bestrijken. Deze voorwaarden zijn eveneens vereist voor elke vestigingseenheid van het loket.
§ 3. De openbare instellingen kunnen als gemachtigde optreden in naam van hun cliënten bij een ondernemingsloket.
§ 4. De minister kan overgaan tot de erkenning van een ondernemingsloket georganiseerd door een vereniging zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of uitsluitend gefinancierd met openbare middelen en die informatie-, begeleidings- of adviesactiviteiten uitoefent voor ondernemingsoprichters als blijkt dat in een zone die door de Europese of regionale overheid geografisch bepaald wordt als een zone die in aanmerking moet komen voor positieve discriminatie, geen actief ondernemingsloket bestaat.
Bij de toepassing van het voorafgaande lid zijn de erkenningsvoorwaarden voorzien in artikel III.61, § 1, 2° en § 2, niet van toepassing.
Art. III.63. De Koning richt een adviescomité op. Dit comité heeft de volgende taken :
1° de minister adviseren inzake de erkenning als ondernemingsloket en de intrekking en schorsing van die erkenning, het bepalen van het aantal vestigingseenheden en de vestigingsplaatsen;
2° op vraag van de minister, een gemeenschap of een gewest, advies uitbrengen over alle aangelegenheden met betrekking tot de werking en de controle van de ondernemingsloketten.
De Koning bepaalt bij een besluit, vastgesteld na overleg in de ministerraad, de nadere regels inzake samenstelling en werking van het comité en de erkenningsprocedure van de ondernemingsloketten.
Art. III.64. De erkenning wordt toegekend of geweigerd door de minister binnen een termijn van drie maanden na de betekening van de volledigheid van de erkenningsaanvraag. Deze beslissing wordt de aanvrager betekend per aangetekende zending.
Art. III.65. De aanvrager heeft de mogelijkheid om een nieuwe aanvraag in te dienen indien de redenen voor de weigering niet langer bestaan.
Art. III.66. De erkenning geldt voor een periode van vijf jaar en is hernieuwbaar.
De minister maakt de lijst van de erkende ondernemingsloketten en van hun vestigingseenheden bekend op de website van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie en ook jaarlijks vóór 31 maart in het Belgisch Staatsblad.
Art. III.67. De aanvraag om de erkenning van het ondernemingsloket te vernieuwen wordt zes maanden voor het verstrijken van de periode waarvoor de vorige erkenning verleend werd, gericht aan de minister.
Het ondernemingsloket blijft erkend tot de minister zich uitgesproken heeft over de aanvraag tot vernieuwing.
Art. III.68. Elke wijziging van de gegevens verstrekt op het ogenblik van de erkenningsaanvraag moet binnen de maand worden meegedeeld aan de minister. Deze mededeling omschrijft en motiveert de wijziging.
Art. III.69. De minister kan, overeenkomstig de nadere regels vastgesteld door de Koning, ambtshalve beslissen de erkenning te schorsen of in te trekken wanneer de bepalingen van deze titel, zijn uitvoeringsbesluiten of de erkenningsvoorwaarden niet gerespecteerd worden.
Afdeling 3. Verplichtingen van de ondernemingsloketten.
Art. III.70. De ondernemingsloketten moeten de continuïteit van de uitvoering van de taken voorzien in artikel III.59 in de tijd verzekeren.
De Koning kan de nadere regels vastleggen voor de door de ondernemingsloketten te leveren waarborgen om de continuïteit van de dienstverlening in de tijd te verzekeren.
Art. III.71. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad, de kwaliteitsnormen waaraan de dienstverlening van de ondernemingsloketten moeten beantwoorden, de minimale openingstijden en de bijzondere regels betreffende het beheer, de boekhouding en de jaarrekeningen van de ondernemingsloketten.
Art. III.72. De ondernemingsloketten moeten aan de overheden, de administraties en de diensten, met inbegrip van de parketten, de griffies van de hoven en van alle rechtscolleges, de leden van de rechterlijke machten de daartoe gemachtigde ambtenaren van de ministeries, alsook de besturen van de gemeenschappen, de gewesten, de provincies, de agglomeraties en de federaties van gemeenten en de gemeenten, en andere instellingen of organisaties aangeduid door de Koning, wanneer zij daartoe door hen wordt aangezocht, onverwijld en kosteloos, op de wijze door de Koning bepaald, alle in hun bezit zijnde inlichtingen verstrekken, inzage verlenen van alle in hun bezit zijnde documenten en stukken en deze instanties bovendien de afschriften of uittreksels te verstrekken, welke zij nodig achten.
Afdeling 4. Vergoeding van de ondernemingsloketten.
Art. III.73. § 1. De Koning kan bij een besluit, vastgesteld na overleg in de ministerraad :
1° het percentage vaststellen dat de ondernemingsloketten inhouden van de ontvangen inschrijvings-, registratie- en publicatierechten, en retributies, als vergoeding voor hun opdracht met toepassing van de artikelen III.50 en III.59, 8° ;
2° de in 1° bedoelde vergoeding aanpassen, volgens door Hem vastgestelde nadere regels, om de kwaliteit van de dienstverlening te stimuleren;
3° de bedragen vastleggen die de ondernemingsloketten ontvangen voor formaliteiten waarvoor zij de beslissingsbevoegdheid hebben toegewezen gekregen van een federale administratie, zoals bedoeld in artikel III.59, 6°.
§ 2. De ondernemingsloketten kunnen voor de bijkomende diensten aan ondernemingen, bedoeld in artikel III.59, § 2, een prijs vaststellen per verrichting of forfaitair op jaarbasis.
Titel 3. Algemene verplichtingen van de ondernemingen.
Hoofdstuk 1. Informatie, transparantie en niet-discriminatie.
Afdeling 1. Informatie- en transparantieverplichtingen.
Art. III.74. § 1. Onverminderd bijzondere wettelijke en reglementaire voorschriften, stelt elke onderneming op een der wijzen vermeld in artikel III.75, de volgende gegevens ter beschikking :
1° haar naam of haar maatschappelijke benaming;
2° haar rechtsvorm;
3° het geografisch adres waar de onderneming is gevestigd;
4° haar adresgegevens, met inbegrip van haar eventueel e-mailadres, die een snel contact en een rechtstreekse en effectieve communicatie met haar mogelijk maken;
5° het ondernemingsnummer;
6° haar maatschappelijke zetel;
7° wanneer voor de activiteit een vergunningstelsel geldt, een vergunnings- of aangifteplicht, in overeenstemming met artikel 17 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, de adresgegevens van de bevoegde autoriteit of het ondernemingsloket;
8° wat betreft de gereglementeerde beroepen :
a) de handelsvereniging of beroepsorganisatie waarbij de onderneming is ingeschreven;
b) de beroepstitel en de lidstaat waar die is verleend;
9° de algemene voorwaarden en de bepalingen die de onderneming in voorkomend geval hanteert alsmede de talen waarin deze algemene voorwaarden en bepalingen kunnen worden geraadpleegd;
10° het eventuele bestaan van door de onderneming gehanteerde contractbepalingen betreffende het op de overeenkomst toepasselijke recht of betreffende de bevoegde rechter;
11° het eventuele bestaan van een niet bij wet voorgeschreven garantie na verkoop;
12° de prijs van de dienst wanneer de onderneming de prijs van een bepaalde soort dienst vooraf heeft vastgesteld;
13° de belangrijkste kenmerken van de ondernemingsactiviteit;
14° de in artikel III.6 bedoelde verzekering of waarborgen, met name de adresgegevens van de verzekeraar of de borg en de geografische dekking.
§ 2. Wanneer de ondernemingen in een informatiedocument hun ondernemingsactiviteiten in detail beschrijven, nemen zij hierin informatie op over hun multidisciplinaire activiteiten en partnerschappen die rechtstreeks verband houden met de betrokken ondernemingsactiviteiten en over de maatregelen genomen ter voorkoming van belangenconflicten.
Art. III.75. Op initiatief van de onderneming worden de gegevens bedoeld in artikel III.74 :
1° verstrekt aan de afnemer; of
2° voor de afnemer gemakkelijk toegankelijk gemaakt op de plaats waar de ondernemingsactiviteit wordt verricht of de overeenkomst wordt gesloten; of
3° voor de afnemer gemakkelijk toegankelijk gemaakt op een door de onderneming meegedeeld elektronisch adres; of
4° opgenomen in elk door de onderneming verstrekt informatiedocument waarin haar activiteiten in detail worden beschreven.
Art. III.76. Op verzoek van de afnemer, verstrekt de onderneming de volgende aanvullende informatie :
1° wanneer de onderneming de prijs van een bepaald soort goed of dienst niet vooraf heeft vastgesteld, de prijs van het goed of de dienst of, indien de precieze prijs niet kan worden gegeven, de manier waarop de prijs wordt berekend, zodat de afnemer de prijs kan controleren, of een voldoende gedetailleerde kostenraming;
2° voor gereglementeerde beroepen, een verwijzing naar de geldende beroepsregels en de wijze waarop hierin inzage kan worden verkregen;
3° informatie over haar multidisciplinaire activiteiten en partnerschappen die rechtstreeks verband houden met het betrokken goed of de betrokken dienst, en over de maatregelen genomen ter voorkoming van belangenconflicten;
4° de gedragscodes die op de onderneming van toepassing zijn alsmede het adres waar zij elektronisch kunnen worden geraadpleegd en de beschikbare talen waarin deze codes kunnen worden geraadpleegd;
5° de vorige versies, die van toepassing waren op het ogenblik van de ondertekening van de overeenkomst, met de van toepassing zijnde begin- en einddatum, van de gegevens bedoeld in artikel III.74, 9°.
Art. III.77. De informatie bedoeld in de artikelen III.74 en III.76 worden helder, ondubbelzinnig en tijdig voor de sluiting van enige overeenkomst of, indien er geen schriftelijke overeenkomst is, voor de levering van de goederen of verrichting van de dienst, meegedeeld of beschikbaar gesteld.
Art. III.78. Elke onderneming heeft de plicht aan te tonen dat aan de eisen voorzien in de artikelen III.74 tot III.77 is voldaan en dat de verstrekte informatie juist is.
Art. III.79. De bepalingen van deze afdeling doen geen afbreuk aan de bijkomende informatieverplichtingen die van toepassing zijn op ondernemingen die in België hun vestiging hebben.
Afdeling 2. Niet-discriminatie van de afnemers.
Art. III.80. Afnemers worden niet onderworpen aan vereisten die het gebruik van een dienst van een in een andere lidstaat gevestigde onderneming beperken. De volgende vereisten worden met name bedoeld :
1° een verplichting bij hun bevoegde autoriteiten een vergunning te verkrijgen of een verklaring af te leggen;
2° discriminerende beperkingen op het verkrijgen van financiële bijstand vanwege het feit dat de onderneming in een andere lidstaat is gevestigd of vanwege de plaats waar de dienst wordt verricht.
Het eerste lid is niet van toepassing op de vergunningstelsels die ook van toepassing zijn op het gebruik van een dienst die door een in België gevestigde onderneming wordt verricht.
Art. III.81. De afnemers worden niet onderworpen aan discriminerende vereisten op grond van nationaliteit of woonplaats.
De algemene voorwaarden voor toegang tot een dienst, die door de onderneming voor het publiek toegankelijk worden gemaakt, bevatten geen discriminerende bepalingen in verband met de nationaliteit of verblijfplaats van de afnemer, zonder evenwel de mogelijkheid uit te sluiten om verschillende voorwaarden voor toegang te stellen wanneer die verschillen rechtstreeks door objectieve criteria worden gerechtvaardigd.
Hoofdstuk 2. Boekhouding van de ondernemingen.
Art. III.82. Elke onderneming voert een voor de aard en de omvang van haar bedrijf passende boekhouding en neemt de bijzondere wetsvoorschriften betreffende dat bedrijf in acht.
Art. III.83. De boekhouding van rechtspersonen omvat al hun verrichtingen, bezittingen, en rechten van welke aard ook, en hun vorderingen, schulden en verplichtingen van welke aard ook. De boekhouding van de natuurlijke personen die koopman zijn, omvat dezelfde gegevens betreffende hun ondernemingsactiviteit; de eigen middelen aan deze ondernemingsactiviteit verstrekt, worden afzonderlijk vermeld.
Indien een onderneming onderscheiden ondernemingsactiviteiten uitoefent, wordt voor elk van die activiteiten een afzonderlijk systeem van rekeningen aangelegd.
Wanneer het bedrijf van een onderneming ook werkzaamheden omvat die zij als zaakvoerder of deelgenoot in een tijdelijke handelsvereniging of in een handelsvereniging bij wijze van deelneming verricht, wordt haar boekhouding derwijze aangepast dat ze naar het voorschrift van het eerste lid volledig is, zowel wat betreft de betrekkingen met derden als wat betreft de rekening en verantwoording die door de deelgenoten onderling of door zaakvoerder en deelgenoten aan elkaar moet worden gedaan.
Art. III.84. Elke boekhouding wordt door middel van een stelsel van boeken en rekeningen gevoerd met inachtneming van de gebruikelijke regels van het dubbel boekhouden.
Alle verrichtingen worden zonder uitstel, getrouw, volledig en naar tijdsorde ingeschreven in een ongesplitst dagboek of in een hulpdagboek, al dan niet gesplitst in bijzondere hulpdagboeken. Ze worden methodisch ingeschreven in of overgebracht naar de rekeningen waarop ze betrekking hebben.
Voor gezamenlijke mutaties die in de loop van de periode in het ongesplitste hulpdagboek of in de bijzondere hulpdagboeken zijn geregistreerd, wordt ten minste eens in de maand een samenvattende boeking verricht in een centraal boek. Die recapitulatie geschiedt ten minste eens in de drie maanden voor de in artikel III.85 bedoelde ondernemingen die hun boekhouding voeren overeenkomstig de voorschriften van de artikelen III.83 en III.84.
De in het vorige lid bedoelde samenvattende boeking omvat, hetzij het totaal van de boekingen in de gezamenlijke hulpdagboeken, uitgesplitst volgens de betrokken hoofdrekeningen die in het rekeningenstelsel van de onderneming voorkomen, hetzij het totaal van de boekingen in elk van de hulpdagboeken, wanneer de onderneming een boekhouding voert waarbij de aantekening tegelijk in de hulpdagboeken en op de betrokken rekeningen geschiedt.
De rekeningen worden ondergebracht in een voor het bedrijf van de onderneming passend rekeningenstelsel ingericht naar de eisen van de bedrijfsuitoefening van de onderneming. Dit rekeningenstelsel wordt zowel in de zetel als in de belangrijke boekhoudingafdelingen voortdurend ter beschikking gehouden van belanghebbenden.
De Koning bepaalt de minimumindeling van een algemeen rekeningenstelsel. Hij stelt vast wat de rekeningen van dat stelsel moeten bevatten en hoe ze moeten worden gebruikt.
Art. III.85. De natuurlijke personen die koopman zijn, de vennootschappen onder firma en de gewone commanditaire vennootschappen waarvan de omzet over het laatste boekjaar, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde, een door de Koning bepaald bedrag niet overschrijdt, behoeven geen boekhouding te voeren volgens de voorschriften van de artikelen III.83 en III.84, indien zij alle verrichtingen zonder uitstel, getrouw, volledig en naar tijdsorde inschrijven in ten minste drie dagboeken zodanig ingericht dat in bijzonderheden kunnen worden gevolgd :
1° in het eerste, de mutaties in de liquide middelen in contanten of op rekening, met omschrijving van de verrichtingen en afzonderlijke vermelding van onttrekkingen van gelden anders dan ten behoeve van hun bedrijf, alsmede de dagelijkse saldi in contanten;
2° in het tweede, de inkoop- en invoerverrichtingen en de ontvangen diensten met vermelding van het bedrag en van de wijze en de dag van betaling;
3° in het derde, de verkoop- en uitvoerverrichtingen en de geleverde diensten met vermelding van het bedrag en van de wijze en de dag van inning alsmede de onttrekkingen in natura anders dan ten behoeve van hun bedrijf.
Van de onttrekkingen bedoeld in het eerste lid, 1° en 3°, kunnen dagelijks de totale bedragen worden ingeschreven.
Het bedrag, de wijze en de dag van betaling of van inning behoeven niet te worden vermeld in de dagboeken bedoeld in het eerste lid, 2° en 3°, indien deze gegevens voorkomen op de inkoopfacturen of op het dubbel van de verkoopfacturen dan wel op de volledige staten die in de vorm van een rekening leveranciers of rekening klanten worden bijgehouden.
Art. III.86. Elke boeking geschiedt aan de hand van een gedagtekend verantwoordingsstuk, waarnaar zij moet verwijzen.
Voor verrichtingen van verkoop en dienstverlening in het klein waarvoor geen factuur vereist is, kan de boeking geschieden door middel van een dagelijkse, gezamenlijke inschrijving.
De Koning stelt nadere regels betreffende de stukken ter verantwoording van de dagelijkse, gezamenlijke inschrijvingen, bedoeld in het tweede lid.
De verantwoordingsstukken worden methodisch opgeborgen en zeven jaar bewaard, in origineel of in afschrift. Stukken die niet strekken tot bewijs jegens derden, worden drie jaar bewaard.
Art. III.87. § 1. De boeken worden per blad genummerd; ze vormen elk in hun soort een doorlopende reeks; ze dragen de vermelding van hun soort, hun plaats in de reeks en de naam, de firmanaam of de bijzondere naam van de onderneming.
§ 2. De boeken worden op zodanige wijze gehouden dat de materiële continuïteit ervan, evenals de regelmatigheid en de onveranderlijkheid van de boekingen zijn verzekerd.
De Koning stelt nadere regels voor het houden en bewaren van de boeken. Hij kan de werkwijze voorgeschreven in artikel III.84, derde en vierde lid, vervangen of toestaan dat ze, onder de voorwaarden die Hij bepaalt, wordt vervangen door een andere die de materiële continuïteit van de boeken evenals de regelmatigheid en de onveranderlijkheid van de boekingen waarborgt.
Art. III.88. De boeken worden naar tijdsorde bijgehouden, zonder enig wit vak of enige weglating. In geval van correctie moet het oorspronkelijk geschrevene leesbaar blijven.
De ondernemingen moeten hun boeken bewaren gedurende zeven jaar, te rekenen van de eerste januari van het jaar dat op de afsluiting volgt.
Art. III.89. § 1. Elke onderneming verricht, omzichtig en te goeder trouw, ten minste eens per jaar de nodige opnemingen, verificaties, onderzoekingen en waarderingen om op een door haar gekozen datum de inventaris op te maken van al haar bezittingen, en rechten van welke aard ook, en van haar vorderingen, schulden en verplichtingen van welke aard ook, die betrekking hebben op haar bedrijf, en van de eigen middelen daaraan verstrekt. De inventarisstukken worden ingeschreven in een boek. De stukken die wegens hun omvang bezwaarlijk kunnen worden overgeschreven, worden in dat boek samengevat en erbij gevoegd.
§ 2. De inventaris wordt ingericht overeenkomstig het rekeningenstelsel van de onderneming.
De Koning kan maatstaven voor de waardering van de inventaris bepalen.
Deze paragraaf geldt niet voor de in artikel III.85 bedoelde ondernemingen.
Art. III.90. § 1. Nadat de rekeningen in overeenstemming zijn gebracht met de gegevens van de inventaris, worden ze samengevat en beschreven in een staat, zijnde de jaarrekening.
§ 2. De ondernemingen die niet zijn onderworpen aan het Wetboek van Vennootschappen en de uitvoeringsbesluiten ervan moeten zich gedragen naar de bepalingen daarvan wat de vorm, de inhoud, de controle en de neerlegging van de jaarrekening en het jaarverslag betreft.
De inhoud en de omvang van hun verplichtingen worden bepaald op basis van dezelfde criteria inzake personeelsbestand, jaaromzet en balanstotaal als degene die gelden voor de ondernemingen onderworpen aan het Wetboek van Vennootschappen.
De jaarrekening van de openbare instellingen bedoeld in artikel I.5, 1°, c, moet worden neergelegd binnen zeven maanden na de afsluitingsdatum van het boekjaar, ook al werd de procedure van toezicht en goedkeuring waaraan zij in voorkomend geval is onderworpen nog niet beëindigd. In dergelijk geval maakt de neergelegde jaarrekening van dit feit uitdrukkelijk melding.
Deze paragraaf is niet van toepassing op :
1° de natuurlijke personen die koopman zijn en die bedoeld worden in artikel III.85;
2° de ondernemingen bedoeld in artikel I.5, 1°, d), waarop dit hoofdstuk 2 niet van toepassing is verklaard;
3° de ondernemingen bedoeld in artikel III.95, § 1;
4° de verzekerings- en herverzekerings-ondernemingen;
5° de door buitenlandse ondernemingen die niet zijn onderworpen aan het Wetboek van Vennootschappen in België gevestigde bijkantoren en centra van werkzaamheden, wanneer die bijkantoren en centra van werkzaamheden geen eigen opbrengsten hebben door verkoop van goederen of dienstverlening aan derden of door geleverde goederen of verleende diensten aan de buitenlandse onderneming waarvan zij afhangen en waarvan de werkingskosten volledig door de laatstgenoemde worden gedragen;
6° de natuurlijke personen die koopman zijn, wat de neerlegging van de jaarrekening en het jaarverslag betreft.
Art. III.91. § 1. De openbare instellingen naar Belgisch recht die een statutaire opdracht vervullen van commerciële, financiële of industriële aard, met uitzondering van de ondernemingen die bedoeld zijn in artikel III.95, § 1, moeten zich gedragen naar de bepalingen van het Wetboek van Vennootschappen en de uitvoeringsbesluiten ervan voor wat de vorm, de inhoud, de controle en de neerlegging van een geconsolideerde jaarrekening en geconsolideerd jaarverslag betreft.
De inhoud en de omvang van hun verplichtingen wordt bepaald op basis van dezelfde criteria inzake personeelsbestand, jaaromzet en balanstotaal als degene die gelden voor de ondernemingen onderworpen aan het Wetboek van Vennootschappen.
De Koning kan het toepassingsgebied van de in het tweede lid bedoelde bepalingen uitbreiden tot andere in artikel I.5,1°, bedoelde ondernemingen.
§ 2. De Koning kan de door Hem op grond van artikelen III.84, zesde lid, III.89, § 2, III.90 en III.91, § 1, gestelde regels aanpassen, aanvullen of er geheel of gedeeltelijk vrijstelling van verlenen naargelang van de omvang van de onderneming alsmede de bedrijfstakken en de economische sectoren waarin zij werkzaam is.
Art. III.92. De koninklijke besluiten ter uitvoering van dit hoofdstuk worden genomen na overleg in de ministerraad.
De besluiten ter uitvoering van artikel III.84, zesde lid, artikel III.89, § 2 en artikelen III.90 en III.91 worden genomen na advies van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven.
De besluiten ter uitvoering van artikel I.5, 1°, en de wijzigingsbesluiten worden genomen na advies van de organisaties die de betrokken ondernemingen vertegenwoordigen.
Art. III.93. De Koning stelt een Commissie voor Boekhoudkundige Normen in; deze heeft tot taak :
1° de Regering en het Parlement op hun verzoek of uit eigen beweging van advies te dienen;
2° door middel van adviezen en aanbevelingen bij te dragen tot de ontwikkeling van de leer van het boekhouden en de beginselen te bepalen van een regelmatige boekhouding.
De werkingskosten van de Commissie voor boekhoudkundige normen worden gedragen door de in artikel I.5, 1°, bedoelde ondernemingen die hun jaarrekening of hun geconsolideerde jaarrekening openbaar moeten maken door neerlegging bij de Nationale Bank van België. De Koning bepaalt het bedrag van deze bijdrage, die echter niet hoger mag zijn dan 3,72 euro geïndexeerd volgens dezelfde regels als deze die werden vastgesteld voor de indexering van de wedden en lonen in de overheidsdiensten. De Nationale Bank van België int deze bijdrage samen met de kosten voor de openbaarmaking van de jaarrekening of geconsolideerde jaarrekening en maakt haar over aan de Commissie.
Art. III.94. De minister of zijn afgevaardigde kan in bijzondere gevallen, na een met redenen omkleed advies van de in artikel III.93 vermelde Commissie voor Boekhoudkundige Normen, toestaan dat wordt afgeweken van de regels vastgesteld op grond van artikel III.84, zesde lid, artikel III.89, § 2, artikel III.90 en artikel III.91. Deze bevoegdheid wordt op dezelfde wijze door de minister bevoegd voor Middenstand of zijn afgevaardigde uitgeoefend ten aanzien van de vennootschappen en andere ondernemingen die als klein kunnen worden beschouwd in de zin van het Wetboek van Vennootschappen. De Commissie voor Boekhoudkundige Normen wordt in kennis gesteld van het besluit van de minister of zijn afgevaardigde.
Art. III.95. § 1. Artikel III.85 en de artikelen III.90 tot III.94, alsook de besluiten genomen ter uitvoering van artikel III.84, zesde lid, en artikel III.89, § 2, zijn niet van toepassing op de Nationale Bank van België, de Deposito- en Consignatiekas, de kredietinstellingen die vallen onder de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen en de beleggingsondernemingen die vallen onder de wet van 6 april 1995 inzake de secundaire markten, het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en beleggingsadviseurs.
§ 2. Artikel III.85 en artikel III.90, § 2, tweede lid, zijn niet van toepassing op de verzekeringsondernemingen en ondernemingen van hypothecair krediet en kapitalisatie.
De artikelen III.84, zesde lid, III.89, § 2, III.90, § 2, eerste lid, III.91, § 2, en III.94 zijn niet van toepassing op de verzekeringsondernemingen die door de Koning zijn toegelaten op grond van de wetgeving betreffende de controle op de verzekeringsondernemingen. "
Art. 4. Dans le même Code un livre III est inséré, rédigé comme suit :
" Livre III. Liberté d'établissement, de prestation de service et obligations générales des entreprises.
Titre 1er. Liberté d'établissement et de prestation de service.
Chapitre 1er. Champ d'application.
Art. III.1. § 1er. Le présent titre met partiellement en oeuvre les dispositions de la Directive 2006/123/CE du Parlement européen et du Conseil du 12 décembre 2006 relative aux services dans le marché intérieur.
§ 2. Le présent titre s'applique aux services, sans préjudice des compétences relevant des communautés et des régions, à l'exception :
1° des services d'intérêt général non économiques, en ce compris les services sociaux non visés au 11° ;
2° des services financiers;
3° des services et réseaux de communication électronique ainsi que les ressources et services associés pour ce qui concerne les matières régies par la loi du 13 juin 2005 relative aux communications électroniques;
4° des services dans le domaine des transports y compris les services portuaires, qui entrent dans le champ d'application du titre VI du TFUE;
5° des services de notaires nommés par une décision de l'autorité publique;
6° des services d'huissiers de justice nommés par une décision de l'autorité publique;
7° des services des agences de travail intérimaire;
8° des services de soins de santé, qu'ils soient ou non assurés dans le cadre d'établissement de soins et indépendamment de la manière dont ils sont organisés et financés ou de leur nature publique ou privée;
9° des activités de jeux d'argent impliquant des mises ayant une valeur monétaire dans des jeux de hasard, y compris les loteries, les casinos et les conventions portant sur des paris;
10° des activités participant à l'exercice de l'autorité publique conformément à l'article 51 du TFUE;
11° sans préjudice de leur qualification en services d'intérêt général non économiques visée au 1° ou de leur qualification en services d'intérêt économique général, des services sociaux relatifs au logement social, à l'aide à l'enfance et à l'aide aux familles et aux personnes se trouvant de manière permanente ou temporaire dans une situation de besoin qui sont assurés directement ou indirectement par l'Etat fédéral;
12° des services de sécurité privée.
§ 2. Le présent titre ne s'applique pas :
1° au domaine de la fiscalité;
2° au droit du travail;
3° au droit de la sécurité sociale.
§ 3. Si les dispositions du présent titre sont en conflit avec les dispositions légales ou réglementaires régissant les aspects spécifiques de l'accès à une activité de services ou à son exercice dans des secteurs spécifiques ou pour des professions spécifiques, transposant le droit communautaire, ces dernières dispositions prévalent.
Sont notamment visées :
1° la loi du 5 mars 2002 transposant la Directive 96/71/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 décembre 1996 concernant le détachement de travailleurs effectué dans le cadre d'une prestation de services et instaurant un régime simplifié pour la tenue de documents sociaux par les entreprises qui détachent des travailleurs en Belgique;
2° la loi du 30 mars 1995 concernant les réseaux de communications électroniques et services de communications électroniques et l'exercice d'activités de radiodiffusion dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale, en ce qu'elle transpose la Directive 89/552/CEE du Conseil du 3 octobre 1989 visant à la coordination de certaines dispositions législatives, réglementaires et administratives des Etats membres relatives à l'exercice d'activités de radiodiffusion télévisuelle;
3° la loi du 12 février 2008 instaurant un nouveau cadre général pour la reconnaissance des qualifications professionnelles CE.
§ 4. Le présent titre ne porte pas sur les règles de droit international privé, en particulier les règles régissant le droit applicable aux obligations contractuelles et non contractuelles y compris celles garantissant que le consommateur bénéficie de la protection que lui accordent les règles de protection des consommateurs contenues dans la législation de la consommation en vigueur dans leur Etat membre.
§ 5. Le présent titre et, en particulier, ses dispositions relatives au contrôle des règles en matière de protection des données à caractère personnel sont mises en oeuvre et s'appliquent sans préjudice des règles prévues dans la Directive 95/46/CE, dans la Directive 2002/58/CE, de la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel et des règles prévues en matière de protection des données à caractère personnel dans la loi du 13 juin 2005 relative aux communications électroniques et dans la loi du 24 août 2005 visant à transposer certaines dispositions de la directive services financiers à distance et de la directive vie privée et communications électroniques.
Chapitre 2. Liberté d'établissement.
Section 1re. Régimes d'autorisation.
Art. III.2. Lorsqu'une autorisation est requise pour l'accès à une activité de service et son exercice, celle-ci doit respecter les conditions suivantes :
1° le régime d'autorisation n'est pas discriminatoire à l'égard du prestataire visé;
2° la nécessité d'un régime d'autorisation est justifiée par une raison impérieuse d'intérêt général;
3° l'objectif poursuivi ne peut pas être réalisé par une mesure moins contraignante, notamment parce qu'un contrôle a posteriori interviendrait trop tardivement pour avoir une efficacité réelle.
L'alinéa 1er ne s'applique pas aux régimes d'autorisation qui sont régis, directement ou indirectement, par le droit communautaire entre autres les régimes d'autorisation qui subordonnent l'accès à une profession réglementée ou son exercice à la possession de qualifications professionnelles déterminées et des dispositions spécifiques prescrivant des exigences réservant une activité à une profession particulière.
Art. III.3. Les régimes d'autorisation instaurés conformément à l'article III.2, doivent reposer sur des critères qui encadrent l'exercice du pouvoir d'appréciation des autorités compétentes afin que celui-ci ne soit pas utilisé de manière arbitraire.
Ces critères sont :
1° non discriminatoires;
2° justifiés par une raison impérieuse d'intérêt général;
3° proportionnels à cet objectif d'intérêt général;
4° clairs et non ambigus;
5° objectifs;
6° rendus publics à l'avance;
7° transparents et accessibles.
Art. III.4. Les procédures et formalités d'autorisation doivent être facilement accessibles et les charges qui peuvent en découler pour les demandeurs doivent être raisonnables et proportionnées aux coûts des procédures d'autorisation.
Art. III.5. Les conditions d'octroi de l'autorisation d'un nouvel établissement ne peuvent pas faire double emploi avec les exigences et contrôles équivalents ou essentiellement comparables en raison de leur finalité, auxquels est déjà soumis le prestataire de services en Belgique ou dans un autre Etat membre. Le coordinateur fédéral et le prestataire assistent l'autorité compétente en fournissant les informations nécessaires à ces exigences.
Art. III.6. Lorsqu'un prestataire s'établit en Belgique, une assurance responsabilité professionnelle ou une garantie ne peut pas être exigée lorsque ce prestataire est déjà couvert, dans un autre Etat membre dans lequel il a déjà un établissement, par une garantie équivalente ou essentiellement comparable en ce qui est de sa finalité et de la couverture qu'elle offre sur le plan du risque assuré, de la somme assurée ou du plafond de la garantie ainsi que des activités éventuellement exclues de la couverture.
Dans le cas où la couverture n'est que partielle, une garantie complémentaire pour couvrir les éléments qui ne sont pas déjà couverts sera exigée.
Lorsqu'une assurance responsabilité professionnelle ou la fourniture d'une autre forme de garantie est imposée à un prestataire établi en Belgique, les attestations de couverture émises par des établissements de crédit ou des assureurs dont le siège social est établi dans un autre Etat membre sont admises comme moyen de preuve.
Art. III.7. Une autorisation visée à l'article III.2 permet au prestataire d'avoir accès à l'activité de services ou de l'exercer sur l'ensemble du territoire belge, en ce compris par la création d'agences, de filiales, de bureaux ou de succursales.
L'alinéa 1er ne s'applique pas :
1° lorsqu'une autorisation propre à chaque implantation ou une limitation de l'autorisation à une partie spécifique du territoire national est justifiée par une raison impérieuse d'intérêt général;
2° aux autorisations délivrées par des autorités régionales, communautaires, provinciales ou communales.
Art. III.8. Toute demande d'autorisation fait l'objet d'un accusé de réception dans les dix jours ouvrables.
L'accusé de réception indique :
1° la date à laquelle la demande a été reçue;
2° le délai dans lequel la décision doit intervenir;
3° les voies de recours, les instances compétentes pour en connaître ainsi que les formes et délais à respecter;
4° s'il y a lieu, la mention qu'en l'absence de réponse dans le délai prévu, l'autorisation est considérée comme octroyée.
En cas de demande incomplète, le demandeur est informé dans les dix jours ouvrables du besoin de fournir des documents supplémentaires, du temps dont il dispose pour ce faire ainsi que des conséquences sur le délai visé à l'alinéa 2.
En cas de rejet d'une demande au motif qu'elle ne respecte pas les procédures et formalités nécessaires, le demandeur en est informé dans les plus brefs délais.
Art. III.9. L'autorité compétente octroie l'autorisation après qu'un examen approprié a établi que les conditions pour son octroi sont remplies.
Si aucun délai n'est prévu par la réglementation concernant le délai à l'issue duquel la décision sur la demande d'autorisation doit être rendue, celle-ci est rendue au plus tard trente jours ouvrables à compter de la date de l'accusé de réception ou, si le dossier est incomplet, à compter de la date à laquelle le demandeur a fourni les documents supplémentaires requis.
Lorsque la complexité du dossier le justifie, le délai peut être prolongé une seule fois et pour une durée limitée. La prolongation ainsi que sa durée doivent être notifiées au demandeur avant l'expiration du délai initial.
Sans préjudice des régimes légaux ou réglementaires particuliers justifiés par une raison impérieuse d'intérêt général, en l'absence de réponse dans le délai prévu par la loi ou le règlement, l'autorisation est considérée comme octroyée.
Art. III.10. § 1er. L'autorisation octroyée à un prestataire a une durée illimitée à l'exception des cas suivants :
1° l'autorisation fait l'objet d'un renouvellement automatique;
2° l'autorisation est seulement subordonnée à l'accomplissement continu d'exigences;
3° le nombre d'autorisations disponibles est limité par une raison impérieuse d'intérêt général;
4° une durée limitée d'autorisation est justifiée par une raison impérieuse d'intérêt général.
§ 2. Le paragraphe 1er est sans préjudice de la possibilité de retirer une autorisation lorsque les conditions d'octroi cessent d'être réunies.
§ 3. Le paragraphe 1er ne vise pas le délai maximal avant la fin duquel le prestataire doit effectivement commencer son activité après y avoir été autorisée.
Art. III.11. Lorsque le nombre d'autorisations disponibles pour une activité donnée est limité en raison de la rareté des ressources naturelles ou des capacités techniques utilisables, une procédure de sélection entre les candidats potentiels est appliquée. Cette procédure prévoit toutes les garanties d'impartialité et de transparence, notamment la publicité adéquate de l'ouverture de la procédure, de son déroulement et de sa clôture.
Dans les cas visés à l'alinéa 1er, l'autorisation est octroyée pour une durée limitée appropriée et ne doit pas faire l'objet d'une procédure de renouvellement automatique, ni prévoir tout autre avantage en faveur du prestataire dont l'autorisation vient juste d'expirer ou des personnes ayant des liens particuliers avec ledit prestataire.
Les règles pour la procédure de sélection peuvent tenir compte de considérations liées à la santé publique, à des objectifs de politique sociale, à la santé et à la sécurité des salariés ou des personnes indépendantes, à la protection de l'environnement, à la préservation du patrimoine culturel et autres raisons impérieuses d'intérêt général.
Section 2. Autres exigences.
Art. III.12. § 1er. L'accès à une activité de services ou son exercice en Belgique ne peut être subordonné à aucune des exigences suivantes :
1° les exigences discriminatoires fondées directement ou indirectement sur la nationalité ou, en ce qui concerne les sociétés, l'emplacement du siège statutaire, en particulier :
a) l'exigence de nationalité pour le prestataire, son personnel, les personnes détenant du capital social ou les membres des organes de gestion ou de surveillance du prestataire;
b) l'exigence d'être résident sur le territoire belge pour le prestataire, son personnel, les personnes détenant du capital social ou les membres des organes de gestion ou de surveillance de l'entreprise;
2° l'interdiction d'avoir un établissement dans plus d'un Etat membre ou d'être inscrit dans les registres ou dans les ordres ou les associations professionnelles de plus d'un Etat membre;
3° les limites à la liberté de prestataire de choisir entre un établissement à titre principal ou à titre secondaire, en particulier l'obligation pour le prestataire d'avoir son établissement principal sur leur territoire, ou les limites à la liberté de choisir entre l'établissement sous forme d'agence, de succursale ou de filiale;
4° les conditions de réciprocité avec l'Etat membre où le prestataire a déjà un établissement, à l'exception de celles prévues dans les instruments communautaires en matière d'énergie;
5° l'application au cas par cas d'un test économique consistant à subordonner l'octroi de l'autorisation à la preuve de l'existence d'un besoin économique ou d'une demande du marché, à évaluer les effets économiques potentiels ou actuels de l'activité ou à évaluer l'adéquation de l'activité avec les objectifs de programmation économique fixés par l'autorité compétente;
6° l'intervention directe ou indirecte d'opérateurs concurrents, y compris au sein d'organes consultatifs, dans l'octroi d'autorisations ou dans l'adoption d'autres décisions des autorités compétentes, à l'exception des ordres et associations professionnels ou autres organisations qui agissent en tant qu'autorité compétente; cette interdiction ne s'applique ni à la consultation d'organismes tels que les chambres de commerce ou les partenaires sociaux sur des questions autres que des demandes d'autorisation individuelles ni à une consultation du public;
7° l'obligation de constituer ou de participer à une garantie financière ou de souscrire une assurance auprès d'un prestataire ou d'un organisme établi sur le territoire belge. Ceci ne porte pas atteinte à la possibilité d'exiger une couverture d'assurance ou des garanties financières en tant que telles et ne porte pas atteinte aux exigences relatives à la participation à un fonds collectif de compensation, par exemple pour les membres d'ordres ou organisations professionnels;
8° l'obligation d'avoir été préalablement inscrit pendant une période donnée dans les registres tenus en Belgique ou d'avoir exercé précédemment l'activité pendant une période donnée en Belgique.
§ 2. L'interdiction édictée par le paragraphe 1er, 5° ne concerne pas les exigences en matière de programmation qui ne poursuivent pas des objectifs de nature économique mais relèvent de raisons impérieuses d'intérêt général.
Chapitre 3. Liberté de prestation de service.
Art. III.13. § 1er. L'accès à une activité de service ou son exercice ne peut être subordonnée à des exigences qui :
1° sont discriminatoires, et se fondent directement ou indirectement sur la nationalité ou, en ce qui concerne les sociétés, l'emplacement du siège statutaire;
2° ne sont pas justifiées par des raisons d'ordre public, de sécurité publique, de santé publique ou de protection de l'environnement;
3° ne sont pas propres à garantir la réalisation de l'objectif poursuivi et vont au-delà de ce qui est nécessaire pour atteindre cet objectif.
§ 2. La libre prestation, sur le territoire belge, des services fournis par un prestataire établi dans un autre Etat membre ne peut pas être restreinte par l'une des exigences suivantes :
a) l'obligation pour le prestataire d'avoir un établissement en Belgique;
b) l'obligation pour le prestataire d'obtenir une autorisation de l'autorité belge compétente, y compris une inscription dans un registre ou auprès d'un ordre ou d'une association professionnel existant en Belgique, sauf dans les cas visés par ce titre ou régis par le droit communautaire;
c) l'interdiction pour le prestataire de se doter en Belgique d'une certaine forme ou d'un certain type d'infrastructure, y compris d'un bureau ou d'un cabinet d'avocats, dont le prestataire a besoin pour fournir les services en question;
d) l'application d'un régime contractuel particulier entre le prestataire et le client qui empêche ou limite la prestation de service à titre indépendant;
e) l'obligation, pour le prestataire, de posséder un document d'identité spécifique à l'exercice d'une activité de service délivré par l'autorité belge compétente;
f) les exigences affectant l'utilisation d'équipements et de matériel qui font partie intégrante de la prestation du service, à l'exception de celles nécessaires à la santé et la sécurité au travail;
g) les restrictions à la libre prestation des services visées à l'article III.80.
Art. III.14. L'article III.13 ne s'applique pas :
1° aux services d'intérêt économique général;
2° aux matières couvertes par la loi du 5 mars 2002 transposant la directive 96/71/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 décembre 1996 concernant le détachement de travailleurs effectué dans le cadre d'une prestation de services et instaurant un régime simplifié pour la tenue de documents sociaux, par les entreprises qui détachent des travailleurs en Belgique, et selon les règles que la loi du 5 mars 2002 détermine;
3° aux matières couvertes par la partie II, Livre III, Titre Ierbis, Chapitre Ier du Code Judiciaire;
4° aux activités de recouvrement judiciaire de dettes;
5° aux matières couvertes par la loi du 12 février 2008 instaurant un nouveau cadre général pour la reconnaissance des qualifications professionnelles CE et des dispositions spécifiques prescrivant des exigences réservant une activité à une profession particulière;
6° aux matières couvertes par le Règlement (CEE) n° 1408/71 du 14 juin 1971 du Conseil des Communautés européennes relatif à l'application des régimes de sécurité sociale aux travailleurs salariés, aux travailleurs non-salariés ainsi qu'aux membres de leur famille qui se déplacent à l'intérieur de la Communauté;
7° aux matières couvertes par les articles 40 à 47 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers ainsi que les articles 43 à 57 de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
8° en ce qui concerne les ressortissants de pays tiers qui se déplacent en Belgique dans le cadre d'une prestation de service, à la faculté des autorités compétentes de requérir un visa ou un permis de séjour pour les ressortissants de pays tiers qui ne sont pas couverts par le régime de reconnaissance mutuelle prévu par l'article 21 de la Convention d'application de l'Accord de Schengen du 14 juin 1985 relatif à la suppression graduelle des contrôle aux frontières communes, ni à la faculté des autorités compétentes d'imposer aux ressortissants de pays tiers de se manifester auprès d'elles au moment de leur entrée sur le territoire ou ultérieurement;
9° en ce qui concerne les transferts de déchets, aux matières couvertes par le règlement (CEE) n° 259/93 du Conseil du 1er février 1993 concernant la surveillance et le contrôle des transferts de déchets à l'entrée et à la sortie de la Communauté européenne;
10° en matière de droit d'auteur et de droits voisins, de droits sur les topographies de produits semi-conducteurs, de droits sui generis sur les bases de données, de droits de propriété industrielle;
11° aux actes pour lesquels la loi requiert l'intervention d'un notaire;
12° aux matières couvertes par l'arrêté royal du 21 avril 2007 portant transposition de dispositions de la Directive 2006/43/CE du Parlement européen et du Conseil du 17 mai 2006 concernant les contrôles légaux des comptes annuels et des comptes consolidés, modifiant les Directives 78/660/CEE et 83/349/CEE du Conseil et abrogeant la Directive 84/253/CEE du Conseil;
13° aux matières couvertes par les articles 132, 133 et 134 du Code des sociétés;
14° à l'immatriculation des véhicules pris en leasing dans un autre Etat membre.
Titre 2. Banque-Carrefour des Entreprises et guichets d'entreprises agréés.
Chapitre 1er. Banque-Carrefour des Entreprises.
Section 1re. Création de la Banque-Carrefour des Entreprises
Art. III.15. Il est créé un registre, dénommé " Banque-Carrefour des Entreprises ".
Ce registre associé à l'introduction du numéro unique d'entreprise a pour objectif, en application du principe de collecte unique de données, de permettre de simplifier les procédures administratives s'adressant aux entreprises ainsi que de contribuer à l'organisation plus efficace des services publics.
La Banque-Carrefour des Entreprises est chargée de l'enregistrement, de la sauvegarde, de la gestion et de la mise à disposition d'informations portant sur l'identification des entreprises et de leurs mandataires conformément aux dispositions du présent titre ainsi qu'aux législations ou aux réglementations qui autorisent la saisie originelle des données visées à l'article III.18 par les autorités, administrations et services désignés en vertu de l'article III.19.
La Banque-Carrefour des Entreprises vise également à optimaliser la transmission et la diffusion des données relatives aux entreprises.
A cette fin, elle peut notamment :
1° créer des liens vers les sites et les banques de données des autorités, administrations et services;
2° établir des liens vers des sites internet reprenant des informations relatives à l'identification des entreprises et de leurs mandataires, en ce compris des liens vers les sites internet des entreprises inscrites au sein de la Banque-Carrefour des Entreprises.
Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les modalités selon lesquelles la Banque-Carrefour des Entreprises est mise à disposition dans le cadre du renforcement de la lutte contre la fraude, conformément aux dispositions du présent titre et aux dispositions légales et réglementaires qui autorisent la collecte initiale des données visées à l'article III.18 par les autorités, les administrations et les services désignés en vertu de l'article III.19.
Art. III.16. § 1er. Sont inscrites dans la Banque-Carrefour des Entreprises, des informations relatives :
1° aux personnes morales de droit belge;
2° aux établissements, organismes et services de droit belge qui effectuent des missions d'intérêt général ou liées à l'ordre public et qui disposent d'une autonomie financière et comptable distincte de celle de la personne morale de droit public belge dont ils relèvent;
3° aux personnes morales de droit étranger ou international qui disposent d'un siège en Belgique ou qui doivent se faire enregistrer en exécution d'une obligation imposée par la législation belge;
4° à toute personne physique qui comme entité autonome :
a) exerce une activité économique et professionnelle, en Belgique, de manière habituelle, à titre principal ou à titre complémentaire;
b) ou doit se faire enregistrer en exécution d'une obligation imposée par la législation belge autre que celle visée par le présent titre;
5° aux associations sans personnalité juridique qui doivent se faire enregistrer en exécution d'une obligation imposée par la législation belge autre que celle visée par le présent titre;
6° aux unités d'établissement des entreprises visées ci-dessus.
§ 2. Pour l'application du paragraphe 1er, exerce notamment une activité économique et professionnelle de manière habituelle, toute entreprise qui, en Belgique :
1° soit est soumise à la sécurité sociale en tant qu'employeur;
2° soit est soumise à la taxe sur la valeur ajoutée.
§ 3. Pour l'inscription dans la Banque-Carrefour des Entreprises des personnes et associations visées au paragraphe 1er, 1°, 3°, 4° et 5°, les modalités seront déterminées par le Roi.
Section 2. Inscription dans la Banque-Carrefour des Entreprises.
Art. III.17. Toute entreprise ou unité d'établissement visée à l'article III.16 est enregistrée, dans la Banque-Carrefour des Entreprises, et se voit attribuer un numéro d'entreprise ou d'unité d'établissement lors de son inscription. Ce numéro constitue le numéro d'identification unique.
Art. III.18. § 1er. L'inscription faite en vertu de l'article III.17 contient les données suivantes :
1° le nom, la dénomination ou la raison sociale;
2° la désignation précise des différentes adresses, le cas échéant, du siège social de l'entreprise et des différentes unités d'établissement en Belgique;
3° la forme juridique;
4° la situation juridique;
5° la date de création et la date de cessation de l'entreprise ou de l'unité d'établissement;
6° les données d'identification des fondateurs, mandataires et fondés de pouvoir;
7° les activités économiques exercées par l'entreprise;
8° les autres données d'identification de base qui doivent être fournies au moment de la création de la personne morale ou en application du Chapitre 2;
9° la mention des autorisations, licences, agréments, dont dispose l'entreprise ou les qualités pour lesquelles cette dernière est connue auprès des différentes autorités, administrations et services et, le cas échéant, le suivi des demandes y relatives;
10° le cas échéant, la référence au site internet de l'entreprise, son numéro de téléphone, de fax ainsi que son adresse électronique;
11° les données relatives au(x) compte(s) bancaire(s) de l'entreprise.
§ 2. Le Roi peut, après avis du Comité de Surveillance visé à l'article III.44 et par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, compléter les données énumérées au paragraphe 1er par d'autres données nécessaires à l'identification des entreprises ou d'intérêt commun à plusieurs services publics.
§ 3. Toute modification apportée aux données visées aux paragraphes 1er et 2 est mentionnée dans la Banque-Carrefour des Entreprises, sans délai, avec indication de la date de prise d'effet et des services dont elle émane.
§ 4. Ces données sont conservées pendant trente ans à compter du jour de la perte de la personnalité juridique pour les personnes morales ou de la cessation définitive d'activité pour les autres titulaires d'inscription visés à l'article III.16.
Art. III.19. Le Roi désigne, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les autorités, administrations et services qui sont chargés, en ce qui concerne les catégories d'entreprises qu'Il détermine et selon la répartition fonctionnelle qu'Il fixe, de la collecte unique et de la tenue à jour des données visées à l'article III.18.
Dans l'exercice de cette mission, les autorités, les administrations et les services sont soumis aux dispositions légales et réglementaires permettant la collecte originale des données visées à l'article III.18.
Art. III.20. Pour l'accomplissement de ses missions, telles que définies dans le présent titre et ainsi que dans ses arrêtés d'exécution, la Banque-Carrefour des Entreprises et les autorités, administrations et services visés à l'article III.19, alinéa 1er :
1° ont accès aux informations visées à l'article 3, alinéa 1er, 1° à 9°, et alinéa 2 de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques;
2° peuvent utiliser le numéro d'identification du Registre national.
Art. III.21. Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les modalités et la nature des inscriptions et des modifications, qui peuvent directement être communiquées sous forme électronique sécurisée par les entreprises visées à l'article III.16 à la Banque-Carrefour des Entreprises.
Section 3. Attribution et utilisation des numéros d'entreprise et des numéros d'unité d'établissement.
Art. III.22. Le numéro d'entreprise et le numéro d'unité d'établissement attribués au moment de l'inscription dans la Banque-Carrefour des Entreprises sont, immédiatement après leur attribution, communiqués à l'entreprise par les autorités, administrations et services désignés en vertu de l'article III.19, alinéa 1er.
Le Roi fixe les règles d'attribution, les modalités de délivrance ainsi que la composition du numéro d'entreprise et du numéro d'unité d'établissement.
Art. III.23. L'utilisation du numéro d'entreprise est obligatoire dans les relations que les entreprises ont avec les autorités administratives et judiciaires, ainsi que dans les relations que ces autorités ont entre elles.
Les autorités, administrations et services désignés en vertu de l'article III.19, alinéa 1er, prennent les mesures nécessaires afin que le numéro d'entreprise et d'unité d'établissement constituent, aux fins d'appliquer la collecte unique de données, une clé donnant accès tant aux données reprises dans la Banque-Carrefour des Entreprises qu'à celles reprises dans les répertoires et fichiers automatisés qu'ils gèrent, sans préjudice des dispositions légales et règlementaires régissant l'accès à ces données.
Art. III.24. Pour les entreprises commerciales et artisanales, le numéro d'entreprise attribué fait fonction soit de numéro de registre de commerce, soit de numéro d'inscription en tant qu'artisan.
Art. III.25. Tous les actes, factures, annonces, communications, lettres, ordres et autres pièces émanant des entreprises commerciales ou artisanales doivent toujours mentionner le numéro d'entreprise.
Ces documents doivent également mentionner la domiciliation ainsi que le numéro d'au moins un compte dont l'entreprise est titulaire auprès d'un établissement de crédit établi en Belgique, autre qu'une caisse d'épargne communale, régi par la loi du 22 mars 1993 relative au statut et contrôle des établissements de crédit.
Les bâtiments et étals utilisés pour l'exercice de l'activité commerciale ou artisanale, ainsi que les moyens de transports utilisés principalement dans le cadre de l'exercice d'une activité de commerce ambulant, ou, en ce qui concerne les employeurs, dans le cadre d'une activité de construction d'ouvrages de bâtiment ou de génie civile ou de nettoyage intérieur de bâtiments, porteront de façon apparente le numéro d'entreprise.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, modifier les activités visées à l'alinéa 3 pour lesquelles les moyens de transports utilisés porteront de façon apparente le numéro d'entreprise.
Art. III.26. § 1er. Tout exploit d'huissier notifié à la demande d'une entreprise commerciale ou artisanale mentionnera toujours le numéro d'entreprise.
En l'absence de l'indication du numéro d'entreprise sur l'exploit d'huissier, le tribunal accordera une remise à l'entreprise commerciale ou artisanale en vue de prouver son inscription à la Banque-Carrefour des Entreprises à la date de l'introduction de l'action.
Dans le cas où l'entreprise commerciale ou artisanale ne prouve pas son inscription en cette qualité à la Banque-Carrefour des Entreprises à la date de l'introduction de son action dans le délai assigné par le tribunal ou s'il s'avère que l'entreprise n'est pas inscrite à la Banque-Carrefour des Entreprises, le tribunal déclare d'office l'action de l'entreprise commerciale ou artisanale non recevable.
§ 2. Dans le cas où l'entreprise commerciale ou artisanale est inscrite en cette qualité à la Banque-Carrefour des Entreprises, mais que son action principale, reconventionnelle ou en intervention, introduite par voie de requête, conclusions ou d'exploit d'huissier, est basée sur une activité pour laquelle l'entreprise n'est pas inscrite à la date de l'introduction de cette action ou qui ne tombe pas sous l'objet social pour lequel l'entreprise est inscrite à cette date, l'action de cette entreprise est non recevable. L'irrecevabilité est cependant couverte si elle n'est pas proposée avant toute autre exception ou moyen de défense.
Art. III.27. Les actes de procédure déclarés non recevables en vertu de l'article III.26 interrompent la prescription ainsi que les délais de procédure déterminés sous peine de nullité.
Art. III.28. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, étendre les obligations visées aux articles III.25 et III.26 à d'autres catégories d'entreprises enregistrées dans la Banque-Carrefour des Entreprises.
Section 4. Accès et utilisation des données reprises dans la Banque-Carrefour des Entreprises.
Art. III.29. § 1er. L'accès aux données suivantes, reprises dans la Banque-Carrefour des Entreprises, peut être accordé, sans autorisation préalable du Comité de Surveillance, aux autorités, administrations, services ou autres instances pour autant que ces données soient nécessaires à l'exécution de leurs missions légales ou règlementaires :
1° les numéros d'entreprise et d'unité d'établissement attribués par la Banque-Carrefour des Entreprises;
2° la dénomination de l'entreprise et de ses unités d'établissement;
3° la forme juridique de l'entreprise;
4° la situation juridique de l'entreprise;
5° les adresses de l'entreprise et de ses unités d'établissement;
6° les activités économiques de l'entreprise et de ses unités d'établissement;
7° les qualités sous lesquelles une entreprise est inscrite dans la Banque-Carrefour des Entreprises et, le cas échéant, le suivi des demandes y relatives;
8° les nom et prénom des fondateurs et des personnes exerçant, au sein de l'entreprise, une fonction soumise à publicité;
9° les agréments, autorisations ou licences dont l'entreprise dispose, pour autant qu'ils soient soumis à des dispositions de publicité obligatoire ou qu'ils aient un intérêt pour des tiers, et, le cas échéant, le suivi des demandes y relatives;
10° la référence au site internet de l'entreprise, ses numéros de téléphone, de fax ainsi que son adresse e-mail;
11° toutes les données soumises à des dispositions de publicité en application :
a) du Code des sociétés;
b) de la loi du 27 juin 1921 sur les associations sans but lucratif, les associations internationales sans but lucratif et les fondations;
c) de la loi du 12 juillet 1989 portant diverses mesures d'application du Règlement (CEE) n° 2137/85 du Conseil du 25 juillet 1985 relatif à l'institution d'un groupement européen d'intérêt économique;
d) la loi du 17 juillet 1997 relative au concordat judiciaire;
e) la loi du 31 janvier 2009 relative à la continuité des entreprises;
f) la loi du 8 août 1997 sur les faillites;
g) la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle;
12° les données qui doivent être communiquées par les entreprises commerciales et artisanales en exécution de l'article III.53, à l'exception du numéro de registre national ou du numéro d'identification à la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale;
13° les données relatives au(x) compte(s) bancaire(s).
§ 2. Le Roi détermine les modalités de cet accès par arrêté délibéré en Conseil des ministres et après avis du Comité de Surveillance visé à l'article III.44.
Art. III.30. § 1er L'accès aux données autres que celles énumérées à l'article III.29, reprises dans la Banque-Carrefour des Entreprises, peut être accordé, moyennant autorisation du Comité de Surveillance, aux autorités, administrations, services ou autres instances, pour autant que ces données soient nécessaires à l'exécution de leurs missions légales ou règlementaires.
§ 2. Avant de donner son autorisation, le Comité de Surveillance vérifie si l'accès demandé est conforme au présent titre ainsi qu'à ses arrêtés d'exécution.
§ 3. Le Roi détermine les modalités de cet accès par arrêté délibéré en Conseil des ministres et après avis du Comité de Surveillance visé à l'article III.44.
§ 4. Le Roi détermine par arrêté délibéré en Conseil des Ministres et après avis du Comité de Surveillance, les cas où, par dérogation à l'alinéa 1er, une autorisation du Comité de Surveillance n'est pas requise.
§ 5. Les échanges, entre les services publics, de données autres que celles reprises dans la Banque-Carrefour des Entreprises, via le numéro d'entreprise ou le numéro d'unité d'établissement, sont préalablement communiqués au Comité de Surveillance qui les répertorie dans un cadastre, lequel peut être consulté par toute personne intéressée.
Le Roi détermine, après avis du Comité de Surveillance, les modalités de constitution et de consultation du cadastre ainsi que les modalités de communication au Comité de Surveillance.
Art. III.31. Toute personne physique, morale ou toute entité a accès, via internet, à des données visées à l'article III.29, § 1er, inscrites dans la Banque-Carrefour des Entreprises.
Il est au moins prévu un site internet libre d'accès, sur lequel ces données peuvent se retrouver dans un format lisible.
Le Roi détermine les données ainsi accessibles ainsi que leurs modalités de consultation.
Art. III.32. Toute entreprise a le droit d'obtenir communication des données la concernant qui sont enregistrées dans la Banque-Carrefour des Entreprises. Si les données communiquées conformément à la législation en vigueur en la matière se révèlent imprécises, incomplètes ou inexactes, le titulaire de l'inscription à la Banque-Carrefour des Entreprises peut solliciter la rectification de ces données dans les formes et délais fixés par le Roi.
Art. III.33. Sans préjudice des dispositions des articles III.29 et III.30, le Roi fixe, après avis du Comité de Surveillance, les données de la Banque-Carrefour des Entreprises qui peuvent faire l'objet d'une réutilisation commerciale ou non commerciale ainsi que les modalités de leur mise à disposition.
Seul le service de gestion peut délivrer ces données de base aux entreprises.
Art. III.34. § 1er. Sans préjudice de l'article III.33, toute personne peut prendre connaissance des données du registre de commerce concernant une entreprise commerciale ou artisanale déterminée, auprès d'un guichet d'entreprises et se faire délivrer copie ou extrait intégral ou partiel, dans les conditions fixées par le Roi.
§ 2. Les copies ou extraits du registre de commerce sont certifiées conformes sur demande expresse.
§ 3. Les copies ou extraits ne mentionnent pas le contenu des décisions judiciaires ayant trait :
1° à une faillite et une des condamnations visées aux articles 486, 489bis et 489ter du Code pénal, en cas de réhabilitation;
2° à un concordat judiciaire après son exécution ou une réorganisation judiciaire après son exécution;
3° à une interdiction ou à la désignation d'un conseil judiciaire après jugement de mainlevée;
4° aux condamnations stipulées aux articles XV.76, XV.77, 1° à 6°, XV.78 et XV.79.
Art. III.35. Les données reprises sur les extraits de la Banque-Carrefour des Entreprises ont force probante jusqu'à preuve du contraire.
Section 5. Réalisation du principe de la collecte unique de données.
Art. III.36. Les autorités, administrations et services qui sont habilités à consulter les données de la Banque-Carrefour des Entreprises, ne peuvent plus réclamer directement ces données aux entreprises visées à l'article III.16 ou aux mandataires de ces dernières.
Art. III.37. Dès qu'une donnée est communiquée à et enregistrée dans la Banque-Carrefour des Entreprises, les services habilités à consulter ces données ne peuvent plus, si ces données ne leurs sont pas communiquées directement, en imputer la faute à l'intéressé.
Section 6. Inscription, modification ou radiation des données erronées ou manquantes.
Art. III.38. § 1er. Tout intéressé peut demander, auprès du service de gestion, la rectification d'une donnée erronée ou l'inscription d'une donnée manquante dans la Banque-Carrefour des Entreprises. Il communique à l'appui de cette demande toute pièce justificative.
L'entreprise qui n'a pas accompli les formalités auxquelles elle est tenue par ou en vertu d'une loi, d'un décret ou d'une ordonnance, ne peut s'adresser directement au service de gestion, pour la rectification ou l'inscription visée à l'alinéa 1er.
§ 2. Tous les services disposant d'un accès aux données de la Banque-Carrefour des Entreprises sont tenus, dès qu'ils constatent une donnée erronée ou l'absence d'une donnée dans la Banque-Carrefour des Entreprises, d'en informer le service de gestion.
Ils communiquent à l'appui de cette information toute pièce justificative.
§ 3. Les fonctionnaires de police de la police locale ou fédérale et les fonctionnaires mandatés par un service, une autorité ou une administration, sont tenus, lorsqu'ils rédigent un rapport d'enquête ou dressent un procès-verbal constatant une donnée erronée ou manquante dans la Banque-Carrefour des Entreprises, d'en transmettre une copie au service de gestion de la Banque-Carrefour des Entreprises.
Art. III.39. Lorsque le service de gestion constate que la donnée erronée ou l'absence de la donnée résulte d'une erreur ou d'une omission du service qui initie cette donnée, il communique à ce dernier la demande d'adaptation. Le service effectue, après vérification, l'adaptation éventuelle dans un délai de trente jours, à dater de la réception de la demande.
Art. III.40. § 1er. Lorsque la donnée erronée ou l'absence de la donnée résulte de l'inaccomplissement par une entreprise des formalités auxquelles elle est tenue par ou en vertu d'une loi, d'un décret ou d'une ordonnance, le service de gestion invite l'entreprise, par courrier, à procéder à l'inscription, la modification ou la radiation de ses données auprès du service désigné dans le courrier par le service de gestion.
L'entreprise dispose d'une période de trente jours après l'envoi du courrier pour procéder auprès du service y désigné à l'inscription, à la modification ou à la radiation demandée.
§ 2. A défaut pour l'entreprise d'avoir accompli les formalités dans le délai requis, le service de gestion procède à la radiation d'office des données erronées. Cette radiation s'effectue sur base d'un jugement ou arrêt, d'un rapport d'enquête ou d'un procès-verbal établi par un fonctionnaire de police de la police locale ou fédérale, ou par un fonctionnaire mandaté par un service, une autorité ou une administration constatant le caractère erroné de la donnée.
§ 3. Lorsque le service de gestion procède à la radiation dans la Banque-Carrefour des Entreprises d'une donnée qui doit faire l'objet d'une publication aux annexes du Moniteur belge, la radiation est publiée gratuitement aux annexes du Moniteur belge à la demande du service de gestion.
§ 4. La procédure de radiation d'office des données ne dispense en aucun cas l'entreprise d'effectuer les formalités légales qui lui incombent.
Le service de gestion ne peut être tenu responsable du dommage causé à des tiers en raison de l'inaccomplissement par l'entreprise des formalités légales qui incombent à cette dernière.
§ 5. Afin de garantir et d'améliorer la qualité des données de la Banque-Carrefour des Entreprises, le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, fixer les conditions et modalités de modification ou d'inscription d'office.
Art. III.41. § 1er. Lorsque la donnée erronée résulte du fait que l'entreprise a changé l'adresse de son siège sans accomplir les formalités prescrites par la loi, le service de gestion envoie le courrier visé à l'article III.40, § 1er, alinéa 1er, à l'adresse d'une de ses unités d'établissement lorsqu'elle est distincte de celle du siège ou, à défaut, à l'adresse du domicile d'un mandataire.
La procédure décrite à l'article III.40 s'applique.
§ 2. Lorsqu'il s'avère impossible de contacter l'entreprise, comme prévu au paragraphe 1er, le service de gestion procède, sauf s'il s'agit de l'adresse d'une entreprise personne physique, à la radiation d'office de l'adresse erronée inscrite dans la Banque-Carrefour des Entreprises. Cette radiation s'effectue sur la base d'un jugement ou arrêt, d'un rapport d'enquête ou d'un procès-verbal établi par un fonctionnaire de police de la police locale ou fédérale, ou par un fonctionnaire mandaté par un service, une autorité ou une administration, qui constate le caractère erroné de la donnée.
Lorsque la donnée radiée dans la Banque-Carrefour des Entreprises par le service de gestion doit faire l'objet d'une publication aux annexes du Moniteur belge, la radiation est publiée gratuitement aux annexes du Moniteur belge à la demande du service de gestion.
§ 3. La procédure de radiation d'office des données ne dispense en aucun cas l'entreprise d'effectuer les formalités légales qui lui incombent.
Le service de gestion ne peut être tenu responsable du dommage causé à des tiers en raison de l'inaccomplissement par l'entreprise des formalités légales qui incombent à cette dernière.
Art. III.42. § 1er. Par dérogation à la procédure prévue à l'article III.39, le service de gestion de la Banque-Carrefour des Entreprises peut procéder sans frais :
1° à la radiation d'office des activités, qualités, autorisations et unités d'établissement des entreprises personnes physiques dont le fondateur est décédé, selon les données du Registre national des personnes physiques, depuis au moins six mois;
2° à la radiation d'office des activités, qualités, autorisations et unités d'établissement des entreprises personnes morales dont la clôture de liquidation a été prononcée depuis au moins trois mois;
3° à la radiation d'office des activités, qualités, autorisations et unités d'établissement des entreprises personnes morales lorsque, depuis au moins trois mois, la clôture de faillite a été prononcée conformément à la loi du 8 août 1997 sur les faillites.
4° à la radiation d'office des sociétés, telles que visées à l'article 2 du Code des sociétés, qui, d'après les données de la Banque Nationale de Belgique, n'ont pas respecté l'obligation de dépôt de leurs comptes annuels conformément aux articles 98 et 100 du Code des sociétés et ce, pour au moins 3 exercices comptables consécutifs. Cette radiation n'est pas d'application pour les sociétés visées à l'article 97 du Code des sociétés. Le service de gestion procède au retrait de la radiation après le dépôt à la Banque nationale de Belgique des comptes non déposés;
5° à la radiation d'office des sociétés, telles que visées à l'article 2 du Code des sociétés qui ne sont pas visées par le 4°, et qui répondent aux critères cumulatifs suivants :
a) elles ne disposent, depuis au moins trois ans, ni de qualités, ni d'activités, ni d'unités d'établissement actives inscrites dans la Banque-Carrefour des Entreprises;
b) elles sont inscrites dans la Banque-Carrefour des Entreprises comme ayant un statut actif;
c) elles ne disposent pas de demandes d'autorisation ou de qualité, en cours, inscrites dans la Banque-Carrefour des Entreprises;
d) elles n'ont effectué, depuis 7 ans, aucune modification relative aux données inscrites dans la Banque-Carrefour des Entreprises;
e) elles n'ont effectué, depuis 7 ans, aucune publication, autre que celle des comptes annuels, dans les Annexes du Moniteur belge ou au sein du Moniteur belge.
Pour l'application de l'alinéa 1er, 5°, les qualités, activités ou unités d'établissement commerciales actives dont les dates de début sont antérieures au 1er juillet 2003 ne constituent pas un critère utile.
Le service de gestion de la Banque-Carrefour des Entreprises procède au retrait de la radiation lorsqu'un des critères visés à l'alinéa 1er, 5°, a) à e), n'est plus rempli.
Le service de gestion de la Banque-Carrefour des Entreprises procède également au retrait de la radiation en cas d'erreur manifeste constatée par une administration ou un service.
§ 2. Les radiations ainsi que les retraits visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, 4° et 5°, et alinéas 3 et 4, sont publiés gratuitement aux Annexes du Moniteur belge à l'initiative du service de gestion de la Banque-Carrefour des Entreprises.
§ 3. Afin de garantir et d'améliorer la qualité des données dans la Banque Carrefour des Entreprises, le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, élargir ou modifier les cas prévus au paragraphe 1er.
Section 7. Dispositions particulières concernant le fonctionnement de la Banque-Carrefour des Entreprises.
Art. III.43. Il est créé, auprès du Service public fédéral Economie, PME, Classes moyennes et Energie, un comité stratégique de la Banque-Carrefour des Entreprises.
Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, ses missions, sa composition et ses modalités de fonctionnement.
Art. III.44. Il est créé, au sein de la Commission pour la protection de la vie privée, un Comité sectoriel pour la Banque-Carrefour des entreprises, dénommé " Comité de Surveillance " , chargé de délivrer l'autorisation visée à l'article III.30, alinéa 2.
Le Comité de Surveillance rend également les avis visés aux articles III.18, § 2, III.30, alinéa 3, et III.33 dans les trente jours de sa saisine par le service de gestion. En l'absence d'avis dans le délai prescrit, l'avis est réputé suivre la proposition formulée dans la demande d'avis par le service de gestion.
Le Comité de Surveillance est composé de trois membres de la Commission pour la Protection de la Vie Privée, dont le président, ou un autre membre désigné en cette qualité par la Commission, qui préside le Comité de Surveillance ainsi que de trois membres externes désignés par la Chambre des représentants, conformément aux conditions et aux modalités déterminées par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres. En cas de parité de voix, la voix du président est prépondérante.
Les modalités de fonctionnement du Comité de Surveillance sont déterminées, sans préjudice du présent titre, par ou en vertu de la loi. Ces modalités consacrent le droit du président du Comité de Surveillance d'évoquer devant la Commission pour la Protection de la Vie Privée elle-même un dossier soumis au Comité de Surveillance en réformant, le cas échéant, la décision que ce dernier a prise.
Art. III.45. Les personnes qui, dans l'exercice de leurs fonctions, interviennent dans l'enregistrement, la conservation, l'exploitation et la communication des données visées à l'article III.18 sont tenues au secret professionnel.
Elles prennent toute précaution utile afin d'assurer la sécurité des données enregistrées et empêcher notamment que ces données soient déformées, endommagées, ou communiquées à des personnes qui n'ont pas l'autorisation d'en prendre connaissance.
Elles veillent à la régularité de la transmission des données.
Art. III.46. Le Roi désigne, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les personnes qui, en temps de guerre, dans des circonstances y assimilées en vertu de l'article 7 de la loi du 12 mai 1927 sur les réquisitions militaires ou pendant l'occupation du territoire national par l'ennemi, sont chargées de détruire les banques de données de la Banque-Carrefour des Entreprises.
Le Roi fixe les conditions et modalités de cette destruction.
Art. III.47. Les coûts de fonctionnement et d'utilisation de la Banque-Carrefour des Entreprises sont supportés par un crédit inscrit au budget du Service public fédéral Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie.
Le Roi peut fixer une rétribution pour l'utilisation de la Banque-Carrefour des Entreprises par des services ne relevant pas de l'autorité fédérale. Le cas échéant, Il fixe par catégorie d'utilisateurs et objet de la demande, le montant de la rétribution.
Le traitement spécifique de données de la Banque-Carrefour des Entreprises, hors le cas visé à l'alinéa 1er, peut donner lieu à la perception d'une contribution. Le montant de cette contribution est déterminé de commun accord entre le service de gestion et l'autorité, l'administration ou le service auquel les données sont communiquées et est fixé dans un contrat.
Art. III.48. § 1er. Sans préjudice de l'article III.47, il est créé auprès du Service public fédéral Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie un " Fonds budgétaire Banque-Carrefour des Entreprises ", ci-après dénommé " le Fonds ".
Ce Fonds constitue un fonds budgétaire organique au sens de l'article 45 des lois sur la comptabilité de l'Etat, coordonnées le 17 juillet 1991.
§ 2. Le Fonds est destiné au développement de la Banque-Carrefour des Entreprises ainsi qu'à l'amélioration et à l'optimisation de son fonctionnement et de son utilisation.
§ 3. Les recettes affectées au Fonds, ainsi que les dépenses qui peuvent être effectuées à sa charge, sont mentionnées en regard dudit Fonds au tableau annexé à la loi organique du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires.
§ 4. Le Fonds est administré selon les modalités fixées par le ministre qui a l'Economie dans ses attributions.
Chapitre 2. Inscription des entreprises commerciales, artisanales et non commerciales de droit privé.
Section 1re. Obligation d'inscription.
Art. III.49. § 1er. Avant de démarrer leurs activités, les entreprises commerciales, artisanales et non commerciales de droit privé sont tenues de se faire inscrire à la Banque-Carrefour des Entreprises, respectivement en qualité d'entreprise commerciale, artisanale et non commerciale de droit privé, auprès du guichet d'entreprises de leur choix.
Cette obligation est d'application tant au moment de la création de l'entreprise qu'au moment de la création d'une nouvelle unité d'établissement.
§ 2. L'inscription, à la Banque-Carrefour des Entreprises, en qualité d'entreprise commerciale ou artisanale vaut, sauf preuve contraire, présomption de la qualité de commerçant ou d'artisan, selon la nature de l'inscription.
§ 3. Par dérogation au paragraphe 1er, les associés en nom collectif et les associés commandités ne doivent pas, bien que commerçants, être enregistrés à la Banque-Carrefour des Entreprises de façon distincte.
§ 4. Par dérogation au paragraphe 1er, ne sont pas tenues de s'inscrire en qualité d'entreprise non-commerciale de droit privé :
a) les personnes physiques qui ne sont inscrites à la Banque-Carrefour des Entreprises qu'en leur seul qualité d'employeur de personnel domestique;
b) les unions professionnelles;
c) les associations de copropriétaires;
d) les organisations représentatives des travailleurs;
e) les entreprises de droit étranger ou international qui n'exercent pas d'activité en Belgique mais qui doivent néanmoins se faire enregistrer en exécution d'une obligation imposée par la législation belge;
f) les unités T.V.A.;
g) les associations sans personnalité juridique;
h) les associations sans but lucratif;
i) les pouvoirs organisateurs de l'enseignement subventionné.
Art. III.50. § 1er. Le Roi fixe le montant du droit d'inscription à la Banque-Carrefour des Entreprises, en tant qu'entreprise commerciale, artisanale ou non commerciale de droit privé.
Il peut établir une distinction sur la base de la nature juridique de l'entreprise.
Les montants ainsi fixés peuvent être adaptés au 1er janvier au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation pour autant que le montant indexé soit supérieur d'au moins 0,5 euros par rapport au montant applicable. Le montant de l'augmentation est arrondi vers le bas à un multiple de 0,5 euros.
Section 2. Obligation de modification.
Art. III.51. § 1er. Nonobstant les dispositions du paragraphe 2, les entreprises commerciales, artisanales et non commerciales de droit privé qui ont l'intention d'exercer une activité autre que celle pour laquelle ils ont été inscrits doivent demander au préalable une modification de leur inscription dans la Banque-Carrefour des Entreprises. Cette obligation s'applique de la même manière pour les entreprises commerciales, artisanales et non commerciales de droit privé qui ont l'intention de constituer une nouvelle unité d'établissement en Belgique.
Lorsque l'exercice d'une nouvelle activité résulte de la cession de l'activité d'une entreprise, à titre lucratif ou onéreux, entre vifs ou en suite de décès, ces entreprises doivent, par dérogation au paragraphe 1er, faire procéder à la modification dans un délai d'un mois à partir de la cession ou de l'acceptation de la succession.
§ 2. Dans un délai d'un mois à compter de la modification de leur situation, les entreprises commerciales, artisanales et non commerciales de droit privé doivent demander une modification de leur inscription à la Banque-Carrefour des Entreprises si l'une des mentions de l'inscription fixées par le Roi conformément à l'article III.53 ne correspond plus à la situation réelle.
Section 3. Obligation de radiation.
Art. III.52. En cas de cessation des activités ou de fermeture d'une des unités d'établissement, l'entreprise commerciale, artisanale ou non commerciale de droit privé, ou ses ayants droit demande la radiation de l'inscription dans un délai d'un mois à compter de la cessation des activités.
Lorsque la cessation, visée à l'alinéa 1er, découle de la cession de l'activité d'une entreprise, à titre lucratif ou onéreux, entre vifs ou en suite de décès, la radiation doit être effectuée dans un délai d'un mois à compter de la cession ou de l'acceptation de la succession.
Section 4. Dispositions communes à l'inscription, la modification ou la radiation.
Art. III.53. La demande d'inscription, de modification ou de radiation se fait par l'entreprise commerciale, artisanale ou non commerciale de droit privé, c'est-à-dire par les personnes physiques soumises à inscription ou par les représentants, ayant capacité à cet effet, de l'entreprise soumise à l'inscription.
La demande s'effectue selon les modalités fixées par le Roi.
Le Roi fixe les données que la demande d'inscription, de modification ou de radiation doit contenir.
Art. III.54. Les guichets d'entreprises sont tenus d'effectuer immédiatement l'inscription, la radiation ou la modification qui leur est demandée.
Art. III.55. Les guichets d'entreprises doivent refuser toute demande d'inscription, de modification ou de radiation et en justifier les moyens :
1° lorsqu'ils constatent que la demande émane d'une personne qui n'y est pas soumise ou qui n'est pas habilitée à en faire la demande;
2° en cas d'omission d'un des documents ou d'une donnée que doit contenir la demande conformément à l'article III.53 et ses arrêtés d'exécution;
3° s'il n'est pas satisfait aux conditions d'inscription préalables imposées par le présent titre et ses arrêtés d'exécution ou en vertu d'autres lois dont le contrôle est confié à ces guichets.
Art. III.56. Le refus d'inscription, de modification ou de radiation à la Banque-Carrefour des Entreprises est réputé définitif à moins que le demandeur n'introduise une nouvelle demande qui remplisse les conditions ou un recours auprès du Conseil d'Etablissement dans les 30 jours ouvrables à dater du refus d'inscription.
Art. III.57. Les guichets d'entreprises fournissent à l'entreprise, dans les conditions fixées par le Roi, à sa demande, un extrait complet de l'inscription dans la Banque-Carrefour des Entreprises mentionnant la date de la délivrance de l'extrait.
Le premier extrait relatif à une inscription, modification ou radiation est fourni gratuitement à l'entreprise.
Chapitre 3. Organisation des guichets d'entreprises.
Section 1re. Création et tâches des guichets d'entreprises.
Art. III.58. Nul ne peut sans agrément préalable et écrit du ministre exercer l'activité de guichet d'entreprises.
Art. III.59. § 1er. Sans préjudice des missions qui leur sont confiées par ou en exécution du présent livre ou d'autres lois, les guichets d'entreprises remplissent les missions suivantes :
1° permettre, via leur infrastructure, aux prestataires :
a) d'accomplir les procédures et formalités nécessaires à l'accès à la profession de leurs activités de services telles que visées par les articles 1er et 2 de la directive services, en particulier toutes les déclarations, notifications ou demandes nécessaires en vue d'autorisation auprès des autorités compétentes, y compris les demandes d'inscription dans les registres, les rôles, les bases de données ou d'un ordre ou d'une association professionnelle;
b) d'accomplir les demandes d'autorisation nécessaires à l'exercice des activités de services, telles que visées par la directive services;
2° inscrire les entreprises commerciales et artisanales et les entreprises non-commerciales de droit privé, dans ces qualités, dans la Banque-Carrefour des Entreprises;
3° vérifier dans les cas fixés par le Roi si les entreprises commerciales et artisanales et les entreprises non-commerciales de droit privé remplissent les conditions d'inscription, imposées en vertu des lois et règlements spéciaux;
4° garantir l'accès aux données relatives aux inscriptions visées en 2°, selon les modalités et conditions fixées par le Roi;
5° conserver les archives relatives aux conditions et inscriptions visées en 2° et 3°, selon les modalités fixées par le Roi;
6° effectuer des formalités administratives, en exécution du présent livre ou d'autres lois, ou en vertu de celles-ci, selon les modalités fixées par le Roi;
7° veiller à ce que les prestataires et les clients reçoivent, pour les activités de services visées au paragraphe 1er, 1°, a) et b), les informations suivantes :
a)les exigences applicables aux prestataires, en particulier celles concernant les procédures et formalités à suivre pour accéder aux activités de services et les exercer;
b) les coordonnées des autorités compétentes permettant d'entrer en contact directement avec elles, y compris celles des autorités compétentes en matière d'exercice des activités de services;
c) les moyens et les conditions d'accès aux registres et bases de données publics relatifs aux prestataires et aux services;
d) les voies de recours normalement disponibles en cas de litige entre les autorités compétentes et le prestataire ou le client, ou entre un prestataire et un client, ou entre prestataires;
e) les coordonnées des associations ou organisations, autres que les autorités compétentes, auprès desquelles les prestataires ou les clients sont susceptibles d'obtenir une assistance pratique;
8° percevoir pour le compte du Trésor les droits d'inscription et d'enregistrement, les rétributions, les frais de publication, relatifs aux missions visées par le présent article, selon les modalités et les conditions fixées par le Roi;
9° donner aux personnes morales et aux personnes physiques qui demandent d'être enregistrées dans la Banque-Carrefour des entreprises, les informations suivantes :
a) toute personne physique qui exerce en Belgique une activité professionnelle indépendante du chef de laquelle elle doit être affiliée auprès d'une caisse d'assurances sociales pour travailleurs indépendants, doit s'affilier au plus tard le jour du début de l'activité indépendante;
b) en cas de non-respect de cette obligation, une amende administrative est imposée en vertu de l'article 17bis de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants;
c) les personnes morales sont tenues solidairement au paiement de l'amende administrative imposée à leurs associés ou mandataires;
d) le travailleur indépendant qui exerce une activité indépendante pour laquelle il n'est pas inscrit dans la Banque-Carrefour des entreprises, conformément aux articles III.17, III.49 ou III.51, peut être puni en vertu des articles III.40 XV.77, 1°, 2°, 3° et 6° ou XV.78, ainsi qu'en vertu de l'article 17bis de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants.
Le guichet d'entreprises réagit dans un délai de cinq jours ouvrables, à compter du moment où l'information est disponible, à toute demande d'information visée au premier alinéa. En cas de demande erronée, incomplète ou sans fondement, il en informe le demandeur dans les plus brefs délais.
§ 2. Le guichet d'entreprises peut complémentairement prester des services de conseil et d'accompagnement aux entreprises, exceptés les services qui sont exclusivement réservés par la loi à certaines professions libérales, intellectuelles et de service relevant du secteur économique.
§ 3. Le guichet d'entreprises est facilement accessible à distance par voie électronique, afin de pouvoir effectuer toutes les procédures et formalités relatives à l'accès et à l'exercice des activités de services visées au paragraphe 1er, 1° a) et b), à l'exception des contrôles des locaux où le service est fourni ou des équipements utilisés par le prestataire, ou de l'examen physique des capacités ou de l'intégrité personnelle du prestataire ou des membres de son personnel qui exercent des responsabilités lorsque ceux-ci sont partie intégrante d'une procédure ou formalité.
Art. III.60. § 1er. Pour ce qui est des entreprises commerciales et artinasales pour lesquelles les guichets d'entreprises ne sont pas habilités à décider seuls de l'inscription en exécution de l'article III.59,2°, ces derniers doivent préalablement soumettre les dossiers d'inscription au service désigné à cette fin au sein du Service public fédéral Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie.
§ 2. Ce service vérifie si les conditions requises, d'une part, pour être inscrit au registre du commerce et, d'autre part, pour exercer l'activité professionnelle envisagée sont remplies. Dès réception de tous les documents lui permettant de traiter le dossier de l'entreprise commerciale ou artisanale, il notifie à l'entreprise et au guichet d'entreprises le caractère complet du dossier. Il rend un avis motivé et écrit dans un délai de quinze jours à dater de la notification du caractère complet du dossier.
§ 3. En l'absence d'avis motivé et écrit dans le délai de quinze jours qui suit la notification du caractère complet du dossier, l'avis est réputé positif.
Section 2. Conditions d'agrément pour les guichets d'entreprises.
Art. III.61. § 1er. Une organisation peut être agréée en tant que guichet d'entreprises, selon les conditions suivantes :
1° elle prend la forme d'une association sans but lucratif, conformément à la loi du 27 juin 1921 sur les associations sans but lucratif, les associations internationales sans but lucratif et les fondations;
2° ses membres font partie d'au moins une des organisations suivantes :
a) des organisations représentatives des employeurs ou des travailleurs indépendants, représentées au sein de ou agréées par le Conseil Supérieur des Indépendants et des Petites et Moyennes Entreprises, le Conseil central de l'Economie, le " Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen ", le Conseil économique et social de la Région wallonne, le Conseil économique et social de la Région de Bruxelles-Capitale ou une commission paritaire créée en application de la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les comités paritaires;
b) des fonds d'assurances sociales pour indépendants, agréés en application de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 portant organisation du statut social des indépendants;
c) des secrétariats sociaux pour employeurs, agréés en application de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs;
d) des chambres accréditées par la Fédération des Chambres de commerce et d'industrie de Belgique;
e) des associations résultants d'accords de coopération entre plusieurs des organisations susmentionnées;
3° ses statuts ont pour objectif de remplir les missions de guichet d'entreprises au sens du présent livre;
4° elle dispose, selon les modalités fixées par le Roi et le cahier des charges rédigé par le ministre :
a) de collaborateurs compétents;
b) de procédures de contrôle interne;
c) de facilités d'accueil, de bureaux, de matériel et d'espace d'archivage;
d) d'une propre comptabilité;
e) d'une infrastructure informatique comprenant des mécanismes de protection et de contrôle;
5° elle n'est pas en état de liquidation, ni ne fait l'objet d'une procédure de liquidation ou de cessation d'activité;
6° elle est en règle avec les obligations relatives au paiement des cotisations de sécurité sociale et avec ses obligations relatives au paiement des impôts et des taxes, conformément à la loi belge;
7° elle dispose d'une capacité financière et économique propre et suffisante pour exercer les missions définies dans le présent livre et ses arrêtés d'exécution;
8° elle a fait assurer sa responsabilité professionnelle.
§ 2. Le Roi peut fixer, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, des modalités en vue de déterminer le nombre minimum et la localisation des unités d'établissement des guichets d'entreprises, en tenant compte d'une dissémination adéquate et des besoins.
§ 3. Par dérogation aux dispositions du paragraphe 1er, les agréments des guichets d'entreprises, attribués au 9 septembre 2008, restent valables jusqu'au 31 décembre 2014, sous les conditions qui étaient d'application le jour de l'agrément.
Art. III.62. § 1er. La demande d'agrément est adressée au ministre par lettre recommandée ou en contrepartie d'un reçu.
§ 2. La demande doit être accompagnée d'un plan d'exploitation et de tous les documents requis par les conditions d'agrément.
Dans le plan d'exploitation, il faut clairement indiquer de quelle manière l'activité de guichet d'entreprise sera financée, comment les compétences professionnelles requises seront organisées et quelle zone géographique le guichet d'entreprises entend couvrir. Ces conditions sont également requises pour chaque unité d'établissement du guichet.
§ 3. Les institutions publiques peuvent agir comme mandataire au nom de leurs clients auprès d'un guichet d'entreprises.
§ 4. Le ministre peut agréer un guichet d'entreprises organisé par une association sans but lucratif financée principalement ou exclusivement par des moyens publics et exerçant des activités d'information, d'accompagnement ou de conseil aux créateurs d'entreprise s'il s'avère que, dans une zone géographiquement identifiée par les autorités européennes ou régionales comme une zone devant bénéficier de discrimination positive, il n'y a pas de guichet d'entreprises opérationnel.
Lors de l'application de l'alinéa précédent, les conditions d'agrément visées à l'article III.61, § 1er, 2° et § 2, ne sont pas d'application.
Art. III.63. Le Roi crée un comité consultatif. Ce comité a les missions suivantes :
1° donner des avis au ministre, relatifs à l'agrément en tant que guichet d'entreprises et à la suspension et la suppression de l'agrément, et à la fixation du nombre d'unités d'établissement et leur localisation;
2° à la demande du ministre, d'une Communauté ou d'une Région, donner un avis sur toutes les questions relatives au fonctionnement et au contrôle des guichets d'entreprises.
Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les modalités relatives à la composition et au fonctionnement du comité et la procédure d'agrément des guichets d'entreprises.
Art. III.64. L'agrément est accordé ou refusé par le ministre dans un délai de trois mois à dater de la notification du caractère complet du dossier de demande d'agrément. Cette décision est notifiée au demandeur par envoi recommandé.
Art. III.65. Le demandeur a la faculté d'introduire une nouvelle demande lorsque les raisons de refus n'existent plus.
Art. III.66. L'agrément est valable pendant une période de cinq ans. Il peut être renouvelé.
Le ministre publie la liste des guichets d'entreprises agréés et de leurs unités d'établissement sur le site web du Service public fédéral Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie, ainsi qu'annuellement avant le 31 mars au Moniteur belge.
Art. III.67. La demande de renouvellement de l'agrément du guichet d'entreprises est introduite auprès du ministre six mois avant l'expiration de la période couverte par la décision d'agrément précédente.
Le guichet d'entreprises demeure agréé jusqu'à ce que le ministre ait statué sur la demande de renouvellement.
Art. III.68. Toute modification des données fournies au moment de la demande d'agrément doit être communiquée dans un délai d'un mois au ministre. Cette communication précise et motive l'objet de la modification.
Art. III.69. Le ministre peut d'office, par décision et selon les modalités fixées par le Roi, suspendre ou retirer l'agrément si les dispositions du présent titre, ses arrêtés d'exécution ou les conditions d'agrément ne sont pas respectées.
Section 3. Obligations des guichets d'entreprises.
Art. III.70. Les guichets d'entreprises doivent assurer la continuité de l'exercice des missions visées à l'article III.59 dans le temps.
Le Roi peut déterminer des modalités concernant les garanties à fournir par les guichets d'entreprises en vue d'assurer la continuité du service dans le temps.
Art. III.71. Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les normes de qualité auxquelles doivent répondre les services rendus par les guichets d'entreprises, les heures d'ouverture minimales, ainsi que les règles particulières relatives à la gestion, à la comptabilité et aux comptes annuels des guichets d'entreprises.
Art. III.72. Les guichets d'entreprises sont tenus, lorsque la demande leur en est faite, de fournir sans délai et gratuitement, dans les conditions fixées par le Roi, toutes les informations en leur possession, de communiquer tout document et toute pièce en leur possession et, par ailleurs, de fournir les copies ou extraits jugés nécessaires aux autorités, administrations et services, en ce compris les parquets, les greffes des cours et des autres juridictions, les membres du pouvoir judiciaire et les fonctionnaires des ministères habilités en la matière, ainsi que les administrations des Communautés, des Régions, des provinces, des agglomérations et des fédérations de communes et des communes, et d'autres institutions ou organisations désignées par le Roi.
Section 4. Rémunération des guichets d'entreprises.
Art. III.73. § 1er. Le Roi peut par arrêté délibéré en Conseil des ministres :
1° déterminer le pourcentage des droits d'inscription, d'enregistrement et de publication, et des rétributions perçus, que les guichets d'entreprises retiennent comme rétribution de leur intervention en application des articles III.50 et III.59, 8° ;
2° adapter la rétribution visée au 1°, selon les modalités fixées par Lui, en vue de stimuler la qualité du service rendu;
3° déterminer les montants que les guichets d'entreprises perçoivent lors des formalités pour lesquelles ils se sont vus attribuer par une administration fédérale le pouvoir décisionnel, comme visées à l'article III.59, 6°.
§ 2. Pour les services complémentaires aux entreprises, visés à l'article III.59, § 2, les guichets d'entreprises peuvent prévoir de fixer des prix par prestation ou de manière forfaitaire sur une base annuelle.
Titre 3. Obligations générales des entreprises.
Chapitre 1er. Information, transparence et non-discrimination.
Section 1re. Obligations d'information et de transparence.
Art. III.74. § 1er. Sans préjudice des exigences légales et réglementaires particulières, toute entreprise met à disposition, de l'une des manières visée à l'article III.75, les informations suivantes :
1° son nom ou sa dénomination sociale;
2° sa forme juridique;
3° l'adresse géographique où l'entreprise est établie;
4° ses coordonnées, y compris son adresse éventuelle de courrier électronique permettant d'entrer en contact rapidement et de communiquer directement et efficacement avec lui;
5° le numéro d'entreprise;
6° son siège social;
7° dans le cas où l'activité est soumise à un régime d'autorisation, une obligation d'autorisation ou de déclaration, conformément à l'article 17 de la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel, les coordonnées de l'autorité compétente ou du guichet d'entreprises;
8° en ce qui concerne les professions réglementées :
a) l'association professionnelle ou l'organisation professionnelle auprès de laquelle l'entreprise est inscrite;
b) le titre professionnel et l'Etat membre dans lequel il a été octroyé;
9° les conditions générales et les clauses générales dans le cas où l'entreprise en utilise, ainsi que les langues dans lesquelles ces conditions générales et ces dispositions pourront être consultées;
10° l'existence, dans le cas où l'entreprise en utilise, de clauses contractuelles concernant la législation applicable au contrat ou la juridiction compétente;
11° l'existence de toute garantie contractuelle après-vente éventuelle, non imposée par la loi;
12° le prix du service, lorsque le prix est déterminé au préalable par l'entreprise pour un type de service donné;
13° les principales caractéristiques de l'activité économique;
14° les assurances ou les garanties visées à l'article III.6 et notamment les coordonnées de l'assureur ou du garant et la couverture géographique.
§ 2. Lorsque les entreprises présentent de manière détaillée leurs activités économiques dans un document d'information, ils y font figurer des informations sur leurs activités pluridisciplinaires et partenariats qui sont directement liés à l'activité économique concernée et sur les mesures prises pour éviter les conflits d'intérêt.
Art. III.75. A l'initiative de l'entreprise, les informations visées à l'article III.74 :
1° sont communiquées au client; ou
2° sont rendues facilement accessibles au client sur le lieu de l'activité de l'entreprise ou de la conclusion du contrat; ou
3° sont rendues facilement accessibles au client par une adresse électronique communiquée par l'entreprise; ou
4° figurent dans tout document d'information de l'entreprise présentant de manière détaillée ses activités.
Art. III.76. A la demande du client, l'entreprise communique les informations supplémentaires suivantes :
1° lorsque le prix n'est pas déterminé au préalable par l'entreprise pour un type de bien ou service donné, le prix du bien ou service ou, lorsqu'un prix exact ne peut pas être indiqué, la méthode de calcul du prix permettant au client de vérifier ce dernier, ou un devis suffisamment détaillé;
2° en ce qui concerne les professions réglementées, une référence aux règles professionnelles applicables et aux moyens d'y avoir accès;
3° des informations sur ses activités pluridisciplinaires et partenariats qui sont directement liés au bien ou au service concerné et sur les mesures prises pour éviter les conflits d'intérêts;
4° les codes de conduites auxquels l'entreprise est soumise ainsi que l'adresse à laquelle ces codes peuvent être consultés par voie électronique, en précisant les versions linguistiques disponibles;
5° les versions antérieures, applicables au moment de la signature du contrat, contenant la date de début et de fin d'application des informations visées à l'article III.74, 9°.
Art. III.77. Les informations visées aux articles III.74 et III.76 sont mises à disposition ou communiquées de manière claire et non ambiguë, et en temps utile avant la conclusion du contrat, ou avant la livraison du produit ou de la prestation du service lorsqu'il n'y a pas de contrat écrit.
Art. III.78. Chaque entreprise est tenue de prouver le respect des exigences prévues aux articles III.74 à III.77 et l'exactitude des informations fournies.
Art. III.79. Les dispositions de cette section ne portent pas préjudice aux exigences d'informations supplémentaires applicables aux entreprises ayant leur établissement en Belgique.
Section 2. Non-discrimination des clients.
Art. III.80. Les clients ne sont pas soumis à des exigences restreignant leur droit d'utiliser un service fourni par une entreprise ayant son établissement dans un autre Etat membre. Sont notamment visées les exigences suivantes :
1° l'obligation d'obtenir une autorisation des autorités compétentes ou de faire une déclaration auprès de celle-ci;
2° des limites discriminatoires à l'octroi d'aides financières au motif que l'entreprise est établi dans un autre Etat membre ou pour des raisons liées à l'emplacement du lieu où le service est fourni.
L'alinéa 1er ne s'applique pas aux régimes d'autorisation qui s'appliquent également à l'utilisation d'un service fourni par une entreprise établie en Belgique.
Art. III.81. Les clients ne sont pas soumis à des exigences discriminatoires fondées sur la nationalité ou le lieu de résidence.
Les conditions générales d'accès à un service, qui sont mises à la disposition du public par l'entreprise, ne contiennent pas de conditions discriminatoires en raison de la nationalité ou du lieu de résidence du client, sans que cela ne porte atteinte à la possibilité de prévoir des différences dans les conditions d'accès lorsque ces conditions sont directement justifiées par des critères objectifs.
Chapitre 2. Comptabilité des entreprises.
Art. III.82. Toute entreprise tient une comptabilité appropriée à la nature et à l'étendue de ses activités en se conformant aux dispositions légales particulières qui les concernent.
Art. III.83. La comptabilité des personnes morales doit couvrir l'ensemble de leurs opérations, de leurs avoirs, et droits de toute nature, de leurs dettes, de leurs obligations et de leurs engagements de toute nature. La comptabilité des commerçants, personnes physiques, couvre ces mêmes éléments lorsque ceux-ci relèvent de leur activité commerciale; elle mentionne de manière distincte les moyens propres affectés à cette activité commerciale.
Si une entreprise poursuit des activités économiques distinctes, un système de comptes distinct sera introduit pour chacune de ces activités.
Lorsque l'activité d'une entreprise comporte, au titre de gérant ou d'associé, des opérations menées en association commerciale momentanée ou en participation, sa comptabilité est adaptée de manière à lui conférer le caractère complet défini à l'alinéa 1er, à la fois sous l'angle des rapports avec les tiers, d'une part, et des comptes que les associés et, le cas échéant, le gérant, ont à se rendre, d'autre part.
Art. III.84. Toute comptabilité est tenue selon un système de livres et de comptes et conformément aux règles usuelles de la comptabilité en partie double.
Les opérations sont inscrites sans retard, de manière fidèle et complète et par ordre de dates, soit dans un livre journal unique soit dans un journal auxiliaire unique ou subdivisé en journaux spécialisés. Elles sont méthodiquement inscrites ou transposées dans les comptes qu'elles concernent.
Les mouvements totaux enregistrés au cours de la période dans le journal auxiliaire unique ou dans les journaux spécialisés font, mensuellement au moins, l'objet d'une écriture récapitulative dans un livre central. Cette écriture est trimestrielle au moins, pour les entreprises visées à l'article III.85 qui tiennent leur comptabilité selon les prescriptions des articles III.83 et III.84.
L'écriture récapitulative visée à l'alinéa précédent comporte soit le montant total des mouvements enregistrés dans l'ensemble de ces journaux auxiliaires, ventilés selon les comptes généraux ou les rubriques de synthèse prévus au plan comptable de l'entreprise que ces mouvements ont concernés soit, lorsque la technique comptable adoptée par l'entreprise comporte l'inscription simultanée des données dans les journaux auxiliaires et dans les comptes concernés, le total des mouvements enregistrés dans chacun de ces journaux auxiliaires.
Les comptes ouverts sont définis dans un plan comptable approprié à l'activité de l'entreprise. Ce plan comptable est tenu en permanence tant au siège de l'entreprise qu'aux sièges des services comptables importants de l'entreprise, à la disposition de ceux qui sont concernés par lui.
Le Roi détermine la teneur et la présentation d'un plan comptable minimum normalisé. Il définit le contenu et le mode de fonctionnement des comptes repris au plan normalisé.
Art. III.85. Les commerçants, personnes physiques ou sociétés en nom collectif ou en commandite simple dont le chiffre d'affaires du dernier exercice, à l'exclusion de la taxe sur la valeur ajoutée, n'excède pas un montant fixé par le Roi, ont la faculté de ne pas tenir leur comptabilité selon les prescriptions des articles III.83 et III.84, à condition qu'ils tiennent sans retard, de manière fidèle et complète et par ordre de dates, au moins trois journaux, réglés de manière à suivre en détail :
1° dans le premier, les mouvements des disponibilités en espèces ou en compte, avec émargement de l'objet des opérations et mention spéciale des prélèvements de fonds autres que pour les besoins de leur commerce, ainsi que les soldes journaliers en espèce;
2° dans le deuxième, les achats et les importations effectués et les prestations reçues, émargés du montant, du mode et de la date des paiements qui s'y rapportent;
3° dans le troisième, les ventes, les exportations et les prestations fournies, émargées du montant, du mode et de la date des encaissements qui s'y rapportent ainsi que les prélèvements en nature autres que pour les besoins de leur commerce.
Les prélèvements autres que pour les besoins du commerce, visés à l'alinéa 1er, 1° et 3°, peuvent faire l'objet de mentions journalières globales.
Le montant, le mode et la date des paiements et des encaissements ne doivent pas être inscrits dans les journaux visés à l'alinéa 1er, 2° et 3°, s'ils sont soit inscrits sur les factures reçues de fournisseurs ou sur le double des factures adressées aux clients, soit portés sur des relevés complets tenus en forme de comptes de fournisseurs ou de comptes de clients.
Art. III.86. Toute écriture s'appuie sur une pièce justificative datée et porte un indice de référence à celle-ci.
Les ventes et prestations au détail pour lesquelles l'établissement d'une facture n'est pas requis, peuvent faire l'objet d'inscriptions journalières globales.
Le Roi détermine les conditions auxquelles doivent répondre les pièces justificatives des inscriptions journalières globales visées à l'alinéa 2.
Les pièces justificatives doivent être conservées, en original ou en copie, durant sept ans et être classées méthodiquement. Ce délai est réduit à trois ans pour les pièces qui ne sont pas appelées à faire preuve à l'égard de tiers.
Art. III.87. § 1er. Les journaux et livres comptables sont cotés; ils forment, chacun dans sa fonction, une série continue; ils sont identifiés par la spécification de cette fonction, par leur place dans cette série et par le nom, la raison sociale ou la dénomination particulière de l'entreprise.
§ 2. Les livres et journaux sont tenus de manière à garantir leur continuité matérielle ainsi que la régularité et l'irréversibilité des écritures.
Le Roi fixe les règles selon lesquelles ces livres et journaux sont tenus et conservés. Il peut remplacer ou permettre de remplacer, aux conditions qu'il détermine, le dispositif prévu à l'article III.84, alinéas 3 et 4, par d'autres garantissant la continuité matérielle des journaux et livres ainsi que la régularité et l'irréversibilité des écritures.
Art. III.88. Les livres sont tenus par ordre de dates, sans blancs ni lacunes. En cas de rectification, l'écriture primitive doit rester lisible.
Les entreprises sont tenues de conserver leurs livres pendant sept ans à partir du premier janvier de l'année qui suit leur clôture.
Art. III.89. § 1er. Toute entreprise procède, une fois l'an au moins, avec bonne foi et prudence, aux opérations de relevé, de vérification, d'examen et d'évaluation nécessaires pour établir à la date choisie un inventaire complet de ses avoirs et droits de toute nature, de ses dettes, obligations et engagements de toute nature relatifs à son activité et des moyens propres qui y sont affectés. Les pièces de l'inventaire sont transcrites dans un livre. Les pièces dont le volume rend la transcription difficile sont résumées dans le livre auquel elles sont annexées.
§ 2. L'inventaire est ordonné de la même manière que le plan comptable de l'entreprise.
Le Roi peut prescrire des critères d'évaluation d'inventaire.
Ce paragraphe n'est pas applicable aux entreprises visées à l'article III.85.
Art. III.90. § 1er. Les comptes sont, après mise en concordance avec les données de l'inventaire, synthétisés dans un état descriptif constituant les comptes annuels.
§ 2. Les entreprises qui ne sont pas soumises au Code des sociétés et à ses arrêtés d'exécution sont néanmoins tenues de s'y conformer en ce qui concerne la forme, le contenu, le contrôle et le dépôt des comptes annuels et du rapport de gestion.
Le contenu et l'étendue de leurs obligations sont déterminés sur la base des critères relatifs au personnel occupé, au chiffre d'affaires annuel et au total du bilan prévus pour les entreprises soumises au Code des sociétés.
Les comptes annuels des services publics visés à l'article I.5, 1°, c, sont déposés dans les sept mois de la date de clôture de l'exercice, même si la procédure de contrôle et d'approbation à laquelle les comptes annuels sont le cas échéant soumis, n'est pas encore terminée. Dans ce cas, il est explicitement signalé que la procédure en cause n'est pas encore terminée.
Ce paragraphe ne s'applique pas :
1° aux commerçants personnes physiques visés à l'article III.85;
2° aux entreprises visées à l'article I.5, 1°, d), auxquelles le présent chapitre 2 n'est pas déclaré applicable;
3° aux entreprises visées à l'article III.95, § 1er;
4° aux entreprises d'assurances et de réassurances;
5° aux succursales et sièges d'opération établis en Belgique par des entreprises étrangères non soumises au Code des sociétés, lorsque ces succursales et sièges d'opération n'ont pas de produits propres liés à la vente de biens ou à la prestation de services à des tiers ou à des biens livrés ou à des services prestés à l'entreprise étrangère dont ils relèvent, et dont les charges de fonctionnement sont supportées entièrement par cette dernière;
6° aux commerçants personnes physiques, en ce qui concerne le dépôt des comptes annuels et du rapport de gestion.
Art. III.91. § 1er. Les organismes publics de droit belge qui exercent une mission statutaire à caractère commercial, financier ou industriel, à l'exception des entreprises visées à l'article III.95, § 1er, sont tenus de se conformer au Code des sociétés et à ses arrêtés d'exécution en ce qui concerne la forme, le contenu, le contrôle et le dépôt des comptes annuels consolidés et du rapport de gestion consolidé.
Le contenu et l'étendue de leurs obligations sont déterminés sur la base des critères relatifs au personnel occupé, au chiffre d'affaires annuel et au total du bilan prévus pour les entreprises soumises au Code des sociétés.
Le Roi peut étendre le champ d'application de l'alinéa 2 à d'autres entreprises que celles visées à l'article I.5, 1°.
§ 2. Le Roi peut adapter et compléter les règles qu'Il a arrêtées en vertu des articles III.84, alinéa 6, et III.89, § 2, III.90 et III.91, § 1er, ou prévoir l'exemption de tout ou partie de ces règles selon la taille des entreprises, les branches d'activités ou les secteurs économiques.
Art. III.92. Les arrêtés royaux pris en exécution du présent chapitre sont délibérés en Conseil des ministres.
Les arrêtés pris en exécution de l'article III.84, alinéa 6, de l'article III.89, § 2 et des articles III.90 et III.91 sont pris sur avis du Conseil Central de l'Economie.
Les arrêtés pris en exécution de l'article I.5, 1° ; et les arrêtés qui les modifient sont pris sur avis des organisations représentatives des entreprises concernées.
Art. III.93. Le Roi crée une Commission des Normes Comptables; celle-ci a pour mission :
1° de donner tout avis au Gouvernement et au Parlement à la demande de ceux-ci ou d'initiative;
2° de développer la doctrine comptable et de formuler les principes d'une comptabilité régulière, par la voie d'avis ou de recommandations.
Les frais de fonctionnement de la Commission des normes comptables sont supportés par les entreprises visées à l'article I.5, 1°, tenues de publier leur compte annuel ou leur compte consolidé par dépôt à la Banque nationale de Belgique. Le Roi fixe le montant de cette contribution qui ne peut être supérieur à 3,72 euros indexé selon les mêmes règles que celles fixées pour l'indexation des traitements et salaires de la fonction publique. Celle-ci est perçue par la Banque nationale de Belgique en même temps que les frais de publicité des comptes annuels ou consolidés et versée par elle à la Commission.
Art. III.94. Le ministre ou son délégué peut autoriser, dans des cas spéciaux et moyennant l'avis motivé de la Commission des Normes Comptables visée à l'article III.93, des dérogations aux règles arrêtées en vertu des articles III.84, alinéa 6, III.89, § 2, III.90 et III.91. Ce pouvoir est exercé dans les mêmes formes par le ministre qui a les Classes moyennes dans ses attributions ou son délégué en ce qui concerne les sociétés et autres entreprises qui peuvent être déclarées petites au sens où ce terme est entendu dans le Code des sociétés. La Commission des Normes Comptables est informée de la décision du ministre ou de son délégué.
Art. III.95. § 1er. L'article III.85, les articles III.90 à III.94, ainsi que les arrêtés pris en exécution de l'article III.84, alinéa 6, et de l'article III.89, § 2, ne sont pas applicables à la Banque Nationale de Belgique, à la Caisse des Dépôts et Consignations, aux établissements de crédit assujettis à la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit, ainsi qu'aux entreprises d'investissement soumises à la loi du 6 avril 1995 relative aux marchés secondaires, au statut des entreprises d'investissement et à leur contrôle, aux intermédiaires et conseillers en placements.
§ 2. L'article III.85 et l'article III.90, § 2, alinéa 2, ne sont pas applicables aux entreprises d'assurance, de prêt hypothécaire et de capitalisation.
Les articles III.84, alinéa 6, III.89, § 2, III.90, § 2, alinéa 1er, III.91, § 2 et III.94 , ne sont pas applicables aux entreprises d'assurances agréées par le Roi en application de la législation relative au contrôle des entreprises d'assurances. "
" Livre III. Liberté d'établissement, de prestation de service et obligations générales des entreprises.
Titre 1er. Liberté d'établissement et de prestation de service.
Chapitre 1er. Champ d'application.
Art. III.1. § 1er. Le présent titre met partiellement en oeuvre les dispositions de la Directive 2006/123/CE du Parlement européen et du Conseil du 12 décembre 2006 relative aux services dans le marché intérieur.
§ 2. Le présent titre s'applique aux services, sans préjudice des compétences relevant des communautés et des régions, à l'exception :
1° des services d'intérêt général non économiques, en ce compris les services sociaux non visés au 11° ;
2° des services financiers;
3° des services et réseaux de communication électronique ainsi que les ressources et services associés pour ce qui concerne les matières régies par la loi du 13 juin 2005 relative aux communications électroniques;
4° des services dans le domaine des transports y compris les services portuaires, qui entrent dans le champ d'application du titre VI du TFUE;
5° des services de notaires nommés par une décision de l'autorité publique;
6° des services d'huissiers de justice nommés par une décision de l'autorité publique;
7° des services des agences de travail intérimaire;
8° des services de soins de santé, qu'ils soient ou non assurés dans le cadre d'établissement de soins et indépendamment de la manière dont ils sont organisés et financés ou de leur nature publique ou privée;
9° des activités de jeux d'argent impliquant des mises ayant une valeur monétaire dans des jeux de hasard, y compris les loteries, les casinos et les conventions portant sur des paris;
10° des activités participant à l'exercice de l'autorité publique conformément à l'article 51 du TFUE;
11° sans préjudice de leur qualification en services d'intérêt général non économiques visée au 1° ou de leur qualification en services d'intérêt économique général, des services sociaux relatifs au logement social, à l'aide à l'enfance et à l'aide aux familles et aux personnes se trouvant de manière permanente ou temporaire dans une situation de besoin qui sont assurés directement ou indirectement par l'Etat fédéral;
12° des services de sécurité privée.
§ 2. Le présent titre ne s'applique pas :
1° au domaine de la fiscalité;
2° au droit du travail;
3° au droit de la sécurité sociale.
§ 3. Si les dispositions du présent titre sont en conflit avec les dispositions légales ou réglementaires régissant les aspects spécifiques de l'accès à une activité de services ou à son exercice dans des secteurs spécifiques ou pour des professions spécifiques, transposant le droit communautaire, ces dernières dispositions prévalent.
Sont notamment visées :
1° la loi du 5 mars 2002 transposant la Directive 96/71/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 décembre 1996 concernant le détachement de travailleurs effectué dans le cadre d'une prestation de services et instaurant un régime simplifié pour la tenue de documents sociaux par les entreprises qui détachent des travailleurs en Belgique;
2° la loi du 30 mars 1995 concernant les réseaux de communications électroniques et services de communications électroniques et l'exercice d'activités de radiodiffusion dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale, en ce qu'elle transpose la Directive 89/552/CEE du Conseil du 3 octobre 1989 visant à la coordination de certaines dispositions législatives, réglementaires et administratives des Etats membres relatives à l'exercice d'activités de radiodiffusion télévisuelle;
3° la loi du 12 février 2008 instaurant un nouveau cadre général pour la reconnaissance des qualifications professionnelles CE.
§ 4. Le présent titre ne porte pas sur les règles de droit international privé, en particulier les règles régissant le droit applicable aux obligations contractuelles et non contractuelles y compris celles garantissant que le consommateur bénéficie de la protection que lui accordent les règles de protection des consommateurs contenues dans la législation de la consommation en vigueur dans leur Etat membre.
§ 5. Le présent titre et, en particulier, ses dispositions relatives au contrôle des règles en matière de protection des données à caractère personnel sont mises en oeuvre et s'appliquent sans préjudice des règles prévues dans la Directive 95/46/CE, dans la Directive 2002/58/CE, de la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel et des règles prévues en matière de protection des données à caractère personnel dans la loi du 13 juin 2005 relative aux communications électroniques et dans la loi du 24 août 2005 visant à transposer certaines dispositions de la directive services financiers à distance et de la directive vie privée et communications électroniques.
Chapitre 2. Liberté d'établissement.
Section 1re. Régimes d'autorisation.
Art. III.2. Lorsqu'une autorisation est requise pour l'accès à une activité de service et son exercice, celle-ci doit respecter les conditions suivantes :
1° le régime d'autorisation n'est pas discriminatoire à l'égard du prestataire visé;
2° la nécessité d'un régime d'autorisation est justifiée par une raison impérieuse d'intérêt général;
3° l'objectif poursuivi ne peut pas être réalisé par une mesure moins contraignante, notamment parce qu'un contrôle a posteriori interviendrait trop tardivement pour avoir une efficacité réelle.
L'alinéa 1er ne s'applique pas aux régimes d'autorisation qui sont régis, directement ou indirectement, par le droit communautaire entre autres les régimes d'autorisation qui subordonnent l'accès à une profession réglementée ou son exercice à la possession de qualifications professionnelles déterminées et des dispositions spécifiques prescrivant des exigences réservant une activité à une profession particulière.
Art. III.3. Les régimes d'autorisation instaurés conformément à l'article III.2, doivent reposer sur des critères qui encadrent l'exercice du pouvoir d'appréciation des autorités compétentes afin que celui-ci ne soit pas utilisé de manière arbitraire.
Ces critères sont :
1° non discriminatoires;
2° justifiés par une raison impérieuse d'intérêt général;
3° proportionnels à cet objectif d'intérêt général;
4° clairs et non ambigus;
5° objectifs;
6° rendus publics à l'avance;
7° transparents et accessibles.
Art. III.4. Les procédures et formalités d'autorisation doivent être facilement accessibles et les charges qui peuvent en découler pour les demandeurs doivent être raisonnables et proportionnées aux coûts des procédures d'autorisation.
Art. III.5. Les conditions d'octroi de l'autorisation d'un nouvel établissement ne peuvent pas faire double emploi avec les exigences et contrôles équivalents ou essentiellement comparables en raison de leur finalité, auxquels est déjà soumis le prestataire de services en Belgique ou dans un autre Etat membre. Le coordinateur fédéral et le prestataire assistent l'autorité compétente en fournissant les informations nécessaires à ces exigences.
Art. III.6. Lorsqu'un prestataire s'établit en Belgique, une assurance responsabilité professionnelle ou une garantie ne peut pas être exigée lorsque ce prestataire est déjà couvert, dans un autre Etat membre dans lequel il a déjà un établissement, par une garantie équivalente ou essentiellement comparable en ce qui est de sa finalité et de la couverture qu'elle offre sur le plan du risque assuré, de la somme assurée ou du plafond de la garantie ainsi que des activités éventuellement exclues de la couverture.
Dans le cas où la couverture n'est que partielle, une garantie complémentaire pour couvrir les éléments qui ne sont pas déjà couverts sera exigée.
Lorsqu'une assurance responsabilité professionnelle ou la fourniture d'une autre forme de garantie est imposée à un prestataire établi en Belgique, les attestations de couverture émises par des établissements de crédit ou des assureurs dont le siège social est établi dans un autre Etat membre sont admises comme moyen de preuve.
Art. III.7. Une autorisation visée à l'article III.2 permet au prestataire d'avoir accès à l'activité de services ou de l'exercer sur l'ensemble du territoire belge, en ce compris par la création d'agences, de filiales, de bureaux ou de succursales.
L'alinéa 1er ne s'applique pas :
1° lorsqu'une autorisation propre à chaque implantation ou une limitation de l'autorisation à une partie spécifique du territoire national est justifiée par une raison impérieuse d'intérêt général;
2° aux autorisations délivrées par des autorités régionales, communautaires, provinciales ou communales.
Art. III.8. Toute demande d'autorisation fait l'objet d'un accusé de réception dans les dix jours ouvrables.
L'accusé de réception indique :
1° la date à laquelle la demande a été reçue;
2° le délai dans lequel la décision doit intervenir;
3° les voies de recours, les instances compétentes pour en connaître ainsi que les formes et délais à respecter;
4° s'il y a lieu, la mention qu'en l'absence de réponse dans le délai prévu, l'autorisation est considérée comme octroyée.
En cas de demande incomplète, le demandeur est informé dans les dix jours ouvrables du besoin de fournir des documents supplémentaires, du temps dont il dispose pour ce faire ainsi que des conséquences sur le délai visé à l'alinéa 2.
En cas de rejet d'une demande au motif qu'elle ne respecte pas les procédures et formalités nécessaires, le demandeur en est informé dans les plus brefs délais.
Art. III.9. L'autorité compétente octroie l'autorisation après qu'un examen approprié a établi que les conditions pour son octroi sont remplies.
Si aucun délai n'est prévu par la réglementation concernant le délai à l'issue duquel la décision sur la demande d'autorisation doit être rendue, celle-ci est rendue au plus tard trente jours ouvrables à compter de la date de l'accusé de réception ou, si le dossier est incomplet, à compter de la date à laquelle le demandeur a fourni les documents supplémentaires requis.
Lorsque la complexité du dossier le justifie, le délai peut être prolongé une seule fois et pour une durée limitée. La prolongation ainsi que sa durée doivent être notifiées au demandeur avant l'expiration du délai initial.
Sans préjudice des régimes légaux ou réglementaires particuliers justifiés par une raison impérieuse d'intérêt général, en l'absence de réponse dans le délai prévu par la loi ou le règlement, l'autorisation est considérée comme octroyée.
Art. III.10. § 1er. L'autorisation octroyée à un prestataire a une durée illimitée à l'exception des cas suivants :
1° l'autorisation fait l'objet d'un renouvellement automatique;
2° l'autorisation est seulement subordonnée à l'accomplissement continu d'exigences;
3° le nombre d'autorisations disponibles est limité par une raison impérieuse d'intérêt général;
4° une durée limitée d'autorisation est justifiée par une raison impérieuse d'intérêt général.
§ 2. Le paragraphe 1er est sans préjudice de la possibilité de retirer une autorisation lorsque les conditions d'octroi cessent d'être réunies.
§ 3. Le paragraphe 1er ne vise pas le délai maximal avant la fin duquel le prestataire doit effectivement commencer son activité après y avoir été autorisée.
Art. III.11. Lorsque le nombre d'autorisations disponibles pour une activité donnée est limité en raison de la rareté des ressources naturelles ou des capacités techniques utilisables, une procédure de sélection entre les candidats potentiels est appliquée. Cette procédure prévoit toutes les garanties d'impartialité et de transparence, notamment la publicité adéquate de l'ouverture de la procédure, de son déroulement et de sa clôture.
Dans les cas visés à l'alinéa 1er, l'autorisation est octroyée pour une durée limitée appropriée et ne doit pas faire l'objet d'une procédure de renouvellement automatique, ni prévoir tout autre avantage en faveur du prestataire dont l'autorisation vient juste d'expirer ou des personnes ayant des liens particuliers avec ledit prestataire.
Les règles pour la procédure de sélection peuvent tenir compte de considérations liées à la santé publique, à des objectifs de politique sociale, à la santé et à la sécurité des salariés ou des personnes indépendantes, à la protection de l'environnement, à la préservation du patrimoine culturel et autres raisons impérieuses d'intérêt général.
Section 2. Autres exigences.
Art. III.12. § 1er. L'accès à une activité de services ou son exercice en Belgique ne peut être subordonné à aucune des exigences suivantes :
1° les exigences discriminatoires fondées directement ou indirectement sur la nationalité ou, en ce qui concerne les sociétés, l'emplacement du siège statutaire, en particulier :
a) l'exigence de nationalité pour le prestataire, son personnel, les personnes détenant du capital social ou les membres des organes de gestion ou de surveillance du prestataire;
b) l'exigence d'être résident sur le territoire belge pour le prestataire, son personnel, les personnes détenant du capital social ou les membres des organes de gestion ou de surveillance de l'entreprise;
2° l'interdiction d'avoir un établissement dans plus d'un Etat membre ou d'être inscrit dans les registres ou dans les ordres ou les associations professionnelles de plus d'un Etat membre;
3° les limites à la liberté de prestataire de choisir entre un établissement à titre principal ou à titre secondaire, en particulier l'obligation pour le prestataire d'avoir son établissement principal sur leur territoire, ou les limites à la liberté de choisir entre l'établissement sous forme d'agence, de succursale ou de filiale;
4° les conditions de réciprocité avec l'Etat membre où le prestataire a déjà un établissement, à l'exception de celles prévues dans les instruments communautaires en matière d'énergie;
5° l'application au cas par cas d'un test économique consistant à subordonner l'octroi de l'autorisation à la preuve de l'existence d'un besoin économique ou d'une demande du marché, à évaluer les effets économiques potentiels ou actuels de l'activité ou à évaluer l'adéquation de l'activité avec les objectifs de programmation économique fixés par l'autorité compétente;
6° l'intervention directe ou indirecte d'opérateurs concurrents, y compris au sein d'organes consultatifs, dans l'octroi d'autorisations ou dans l'adoption d'autres décisions des autorités compétentes, à l'exception des ordres et associations professionnels ou autres organisations qui agissent en tant qu'autorité compétente; cette interdiction ne s'applique ni à la consultation d'organismes tels que les chambres de commerce ou les partenaires sociaux sur des questions autres que des demandes d'autorisation individuelles ni à une consultation du public;
7° l'obligation de constituer ou de participer à une garantie financière ou de souscrire une assurance auprès d'un prestataire ou d'un organisme établi sur le territoire belge. Ceci ne porte pas atteinte à la possibilité d'exiger une couverture d'assurance ou des garanties financières en tant que telles et ne porte pas atteinte aux exigences relatives à la participation à un fonds collectif de compensation, par exemple pour les membres d'ordres ou organisations professionnels;
8° l'obligation d'avoir été préalablement inscrit pendant une période donnée dans les registres tenus en Belgique ou d'avoir exercé précédemment l'activité pendant une période donnée en Belgique.
§ 2. L'interdiction édictée par le paragraphe 1er, 5° ne concerne pas les exigences en matière de programmation qui ne poursuivent pas des objectifs de nature économique mais relèvent de raisons impérieuses d'intérêt général.
Chapitre 3. Liberté de prestation de service.
Art. III.13. § 1er. L'accès à une activité de service ou son exercice ne peut être subordonnée à des exigences qui :
1° sont discriminatoires, et se fondent directement ou indirectement sur la nationalité ou, en ce qui concerne les sociétés, l'emplacement du siège statutaire;
2° ne sont pas justifiées par des raisons d'ordre public, de sécurité publique, de santé publique ou de protection de l'environnement;
3° ne sont pas propres à garantir la réalisation de l'objectif poursuivi et vont au-delà de ce qui est nécessaire pour atteindre cet objectif.
§ 2. La libre prestation, sur le territoire belge, des services fournis par un prestataire établi dans un autre Etat membre ne peut pas être restreinte par l'une des exigences suivantes :
a) l'obligation pour le prestataire d'avoir un établissement en Belgique;
b) l'obligation pour le prestataire d'obtenir une autorisation de l'autorité belge compétente, y compris une inscription dans un registre ou auprès d'un ordre ou d'une association professionnel existant en Belgique, sauf dans les cas visés par ce titre ou régis par le droit communautaire;
c) l'interdiction pour le prestataire de se doter en Belgique d'une certaine forme ou d'un certain type d'infrastructure, y compris d'un bureau ou d'un cabinet d'avocats, dont le prestataire a besoin pour fournir les services en question;
d) l'application d'un régime contractuel particulier entre le prestataire et le client qui empêche ou limite la prestation de service à titre indépendant;
e) l'obligation, pour le prestataire, de posséder un document d'identité spécifique à l'exercice d'une activité de service délivré par l'autorité belge compétente;
f) les exigences affectant l'utilisation d'équipements et de matériel qui font partie intégrante de la prestation du service, à l'exception de celles nécessaires à la santé et la sécurité au travail;
g) les restrictions à la libre prestation des services visées à l'article III.80.
Art. III.14. L'article III.13 ne s'applique pas :
1° aux services d'intérêt économique général;
2° aux matières couvertes par la loi du 5 mars 2002 transposant la directive 96/71/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 décembre 1996 concernant le détachement de travailleurs effectué dans le cadre d'une prestation de services et instaurant un régime simplifié pour la tenue de documents sociaux, par les entreprises qui détachent des travailleurs en Belgique, et selon les règles que la loi du 5 mars 2002 détermine;
3° aux matières couvertes par la partie II, Livre III, Titre Ierbis, Chapitre Ier du Code Judiciaire;
4° aux activités de recouvrement judiciaire de dettes;
5° aux matières couvertes par la loi du 12 février 2008 instaurant un nouveau cadre général pour la reconnaissance des qualifications professionnelles CE et des dispositions spécifiques prescrivant des exigences réservant une activité à une profession particulière;
6° aux matières couvertes par le Règlement (CEE) n° 1408/71 du 14 juin 1971 du Conseil des Communautés européennes relatif à l'application des régimes de sécurité sociale aux travailleurs salariés, aux travailleurs non-salariés ainsi qu'aux membres de leur famille qui se déplacent à l'intérieur de la Communauté;
7° aux matières couvertes par les articles 40 à 47 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers ainsi que les articles 43 à 57 de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
8° en ce qui concerne les ressortissants de pays tiers qui se déplacent en Belgique dans le cadre d'une prestation de service, à la faculté des autorités compétentes de requérir un visa ou un permis de séjour pour les ressortissants de pays tiers qui ne sont pas couverts par le régime de reconnaissance mutuelle prévu par l'article 21 de la Convention d'application de l'Accord de Schengen du 14 juin 1985 relatif à la suppression graduelle des contrôle aux frontières communes, ni à la faculté des autorités compétentes d'imposer aux ressortissants de pays tiers de se manifester auprès d'elles au moment de leur entrée sur le territoire ou ultérieurement;
9° en ce qui concerne les transferts de déchets, aux matières couvertes par le règlement (CEE) n° 259/93 du Conseil du 1er février 1993 concernant la surveillance et le contrôle des transferts de déchets à l'entrée et à la sortie de la Communauté européenne;
10° en matière de droit d'auteur et de droits voisins, de droits sur les topographies de produits semi-conducteurs, de droits sui generis sur les bases de données, de droits de propriété industrielle;
11° aux actes pour lesquels la loi requiert l'intervention d'un notaire;
12° aux matières couvertes par l'arrêté royal du 21 avril 2007 portant transposition de dispositions de la Directive 2006/43/CE du Parlement européen et du Conseil du 17 mai 2006 concernant les contrôles légaux des comptes annuels et des comptes consolidés, modifiant les Directives 78/660/CEE et 83/349/CEE du Conseil et abrogeant la Directive 84/253/CEE du Conseil;
13° aux matières couvertes par les articles 132, 133 et 134 du Code des sociétés;
14° à l'immatriculation des véhicules pris en leasing dans un autre Etat membre.
Titre 2. Banque-Carrefour des Entreprises et guichets d'entreprises agréés.
Chapitre 1er. Banque-Carrefour des Entreprises.
Section 1re. Création de la Banque-Carrefour des Entreprises
Art. III.15. Il est créé un registre, dénommé " Banque-Carrefour des Entreprises ".
Ce registre associé à l'introduction du numéro unique d'entreprise a pour objectif, en application du principe de collecte unique de données, de permettre de simplifier les procédures administratives s'adressant aux entreprises ainsi que de contribuer à l'organisation plus efficace des services publics.
La Banque-Carrefour des Entreprises est chargée de l'enregistrement, de la sauvegarde, de la gestion et de la mise à disposition d'informations portant sur l'identification des entreprises et de leurs mandataires conformément aux dispositions du présent titre ainsi qu'aux législations ou aux réglementations qui autorisent la saisie originelle des données visées à l'article III.18 par les autorités, administrations et services désignés en vertu de l'article III.19.
La Banque-Carrefour des Entreprises vise également à optimaliser la transmission et la diffusion des données relatives aux entreprises.
A cette fin, elle peut notamment :
1° créer des liens vers les sites et les banques de données des autorités, administrations et services;
2° établir des liens vers des sites internet reprenant des informations relatives à l'identification des entreprises et de leurs mandataires, en ce compris des liens vers les sites internet des entreprises inscrites au sein de la Banque-Carrefour des Entreprises.
Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les modalités selon lesquelles la Banque-Carrefour des Entreprises est mise à disposition dans le cadre du renforcement de la lutte contre la fraude, conformément aux dispositions du présent titre et aux dispositions légales et réglementaires qui autorisent la collecte initiale des données visées à l'article III.18 par les autorités, les administrations et les services désignés en vertu de l'article III.19.
Art. III.16. § 1er. Sont inscrites dans la Banque-Carrefour des Entreprises, des informations relatives :
1° aux personnes morales de droit belge;
2° aux établissements, organismes et services de droit belge qui effectuent des missions d'intérêt général ou liées à l'ordre public et qui disposent d'une autonomie financière et comptable distincte de celle de la personne morale de droit public belge dont ils relèvent;
3° aux personnes morales de droit étranger ou international qui disposent d'un siège en Belgique ou qui doivent se faire enregistrer en exécution d'une obligation imposée par la législation belge;
4° à toute personne physique qui comme entité autonome :
a) exerce une activité économique et professionnelle, en Belgique, de manière habituelle, à titre principal ou à titre complémentaire;
b) ou doit se faire enregistrer en exécution d'une obligation imposée par la législation belge autre que celle visée par le présent titre;
5° aux associations sans personnalité juridique qui doivent se faire enregistrer en exécution d'une obligation imposée par la législation belge autre que celle visée par le présent titre;
6° aux unités d'établissement des entreprises visées ci-dessus.
§ 2. Pour l'application du paragraphe 1er, exerce notamment une activité économique et professionnelle de manière habituelle, toute entreprise qui, en Belgique :
1° soit est soumise à la sécurité sociale en tant qu'employeur;
2° soit est soumise à la taxe sur la valeur ajoutée.
§ 3. Pour l'inscription dans la Banque-Carrefour des Entreprises des personnes et associations visées au paragraphe 1er, 1°, 3°, 4° et 5°, les modalités seront déterminées par le Roi.
Section 2. Inscription dans la Banque-Carrefour des Entreprises.
Art. III.17. Toute entreprise ou unité d'établissement visée à l'article III.16 est enregistrée, dans la Banque-Carrefour des Entreprises, et se voit attribuer un numéro d'entreprise ou d'unité d'établissement lors de son inscription. Ce numéro constitue le numéro d'identification unique.
Art. III.18. § 1er. L'inscription faite en vertu de l'article III.17 contient les données suivantes :
1° le nom, la dénomination ou la raison sociale;
2° la désignation précise des différentes adresses, le cas échéant, du siège social de l'entreprise et des différentes unités d'établissement en Belgique;
3° la forme juridique;
4° la situation juridique;
5° la date de création et la date de cessation de l'entreprise ou de l'unité d'établissement;
6° les données d'identification des fondateurs, mandataires et fondés de pouvoir;
7° les activités économiques exercées par l'entreprise;
8° les autres données d'identification de base qui doivent être fournies au moment de la création de la personne morale ou en application du Chapitre 2;
9° la mention des autorisations, licences, agréments, dont dispose l'entreprise ou les qualités pour lesquelles cette dernière est connue auprès des différentes autorités, administrations et services et, le cas échéant, le suivi des demandes y relatives;
10° le cas échéant, la référence au site internet de l'entreprise, son numéro de téléphone, de fax ainsi que son adresse électronique;
11° les données relatives au(x) compte(s) bancaire(s) de l'entreprise.
§ 2. Le Roi peut, après avis du Comité de Surveillance visé à l'article III.44 et par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, compléter les données énumérées au paragraphe 1er par d'autres données nécessaires à l'identification des entreprises ou d'intérêt commun à plusieurs services publics.
§ 3. Toute modification apportée aux données visées aux paragraphes 1er et 2 est mentionnée dans la Banque-Carrefour des Entreprises, sans délai, avec indication de la date de prise d'effet et des services dont elle émane.
§ 4. Ces données sont conservées pendant trente ans à compter du jour de la perte de la personnalité juridique pour les personnes morales ou de la cessation définitive d'activité pour les autres titulaires d'inscription visés à l'article III.16.
Art. III.19. Le Roi désigne, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les autorités, administrations et services qui sont chargés, en ce qui concerne les catégories d'entreprises qu'Il détermine et selon la répartition fonctionnelle qu'Il fixe, de la collecte unique et de la tenue à jour des données visées à l'article III.18.
Dans l'exercice de cette mission, les autorités, les administrations et les services sont soumis aux dispositions légales et réglementaires permettant la collecte originale des données visées à l'article III.18.
Art. III.20. Pour l'accomplissement de ses missions, telles que définies dans le présent titre et ainsi que dans ses arrêtés d'exécution, la Banque-Carrefour des Entreprises et les autorités, administrations et services visés à l'article III.19, alinéa 1er :
1° ont accès aux informations visées à l'article 3, alinéa 1er, 1° à 9°, et alinéa 2 de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques;
2° peuvent utiliser le numéro d'identification du Registre national.
Art. III.21. Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les modalités et la nature des inscriptions et des modifications, qui peuvent directement être communiquées sous forme électronique sécurisée par les entreprises visées à l'article III.16 à la Banque-Carrefour des Entreprises.
Section 3. Attribution et utilisation des numéros d'entreprise et des numéros d'unité d'établissement.
Art. III.22. Le numéro d'entreprise et le numéro d'unité d'établissement attribués au moment de l'inscription dans la Banque-Carrefour des Entreprises sont, immédiatement après leur attribution, communiqués à l'entreprise par les autorités, administrations et services désignés en vertu de l'article III.19, alinéa 1er.
Le Roi fixe les règles d'attribution, les modalités de délivrance ainsi que la composition du numéro d'entreprise et du numéro d'unité d'établissement.
Art. III.23. L'utilisation du numéro d'entreprise est obligatoire dans les relations que les entreprises ont avec les autorités administratives et judiciaires, ainsi que dans les relations que ces autorités ont entre elles.
Les autorités, administrations et services désignés en vertu de l'article III.19, alinéa 1er, prennent les mesures nécessaires afin que le numéro d'entreprise et d'unité d'établissement constituent, aux fins d'appliquer la collecte unique de données, une clé donnant accès tant aux données reprises dans la Banque-Carrefour des Entreprises qu'à celles reprises dans les répertoires et fichiers automatisés qu'ils gèrent, sans préjudice des dispositions légales et règlementaires régissant l'accès à ces données.
Art. III.24. Pour les entreprises commerciales et artisanales, le numéro d'entreprise attribué fait fonction soit de numéro de registre de commerce, soit de numéro d'inscription en tant qu'artisan.
Art. III.25. Tous les actes, factures, annonces, communications, lettres, ordres et autres pièces émanant des entreprises commerciales ou artisanales doivent toujours mentionner le numéro d'entreprise.
Ces documents doivent également mentionner la domiciliation ainsi que le numéro d'au moins un compte dont l'entreprise est titulaire auprès d'un établissement de crédit établi en Belgique, autre qu'une caisse d'épargne communale, régi par la loi du 22 mars 1993 relative au statut et contrôle des établissements de crédit.
Les bâtiments et étals utilisés pour l'exercice de l'activité commerciale ou artisanale, ainsi que les moyens de transports utilisés principalement dans le cadre de l'exercice d'une activité de commerce ambulant, ou, en ce qui concerne les employeurs, dans le cadre d'une activité de construction d'ouvrages de bâtiment ou de génie civile ou de nettoyage intérieur de bâtiments, porteront de façon apparente le numéro d'entreprise.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, modifier les activités visées à l'alinéa 3 pour lesquelles les moyens de transports utilisés porteront de façon apparente le numéro d'entreprise.
Art. III.26. § 1er. Tout exploit d'huissier notifié à la demande d'une entreprise commerciale ou artisanale mentionnera toujours le numéro d'entreprise.
En l'absence de l'indication du numéro d'entreprise sur l'exploit d'huissier, le tribunal accordera une remise à l'entreprise commerciale ou artisanale en vue de prouver son inscription à la Banque-Carrefour des Entreprises à la date de l'introduction de l'action.
Dans le cas où l'entreprise commerciale ou artisanale ne prouve pas son inscription en cette qualité à la Banque-Carrefour des Entreprises à la date de l'introduction de son action dans le délai assigné par le tribunal ou s'il s'avère que l'entreprise n'est pas inscrite à la Banque-Carrefour des Entreprises, le tribunal déclare d'office l'action de l'entreprise commerciale ou artisanale non recevable.
§ 2. Dans le cas où l'entreprise commerciale ou artisanale est inscrite en cette qualité à la Banque-Carrefour des Entreprises, mais que son action principale, reconventionnelle ou en intervention, introduite par voie de requête, conclusions ou d'exploit d'huissier, est basée sur une activité pour laquelle l'entreprise n'est pas inscrite à la date de l'introduction de cette action ou qui ne tombe pas sous l'objet social pour lequel l'entreprise est inscrite à cette date, l'action de cette entreprise est non recevable. L'irrecevabilité est cependant couverte si elle n'est pas proposée avant toute autre exception ou moyen de défense.
Art. III.27. Les actes de procédure déclarés non recevables en vertu de l'article III.26 interrompent la prescription ainsi que les délais de procédure déterminés sous peine de nullité.
Art. III.28. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, étendre les obligations visées aux articles III.25 et III.26 à d'autres catégories d'entreprises enregistrées dans la Banque-Carrefour des Entreprises.
Section 4. Accès et utilisation des données reprises dans la Banque-Carrefour des Entreprises.
Art. III.29. § 1er. L'accès aux données suivantes, reprises dans la Banque-Carrefour des Entreprises, peut être accordé, sans autorisation préalable du Comité de Surveillance, aux autorités, administrations, services ou autres instances pour autant que ces données soient nécessaires à l'exécution de leurs missions légales ou règlementaires :
1° les numéros d'entreprise et d'unité d'établissement attribués par la Banque-Carrefour des Entreprises;
2° la dénomination de l'entreprise et de ses unités d'établissement;
3° la forme juridique de l'entreprise;
4° la situation juridique de l'entreprise;
5° les adresses de l'entreprise et de ses unités d'établissement;
6° les activités économiques de l'entreprise et de ses unités d'établissement;
7° les qualités sous lesquelles une entreprise est inscrite dans la Banque-Carrefour des Entreprises et, le cas échéant, le suivi des demandes y relatives;
8° les nom et prénom des fondateurs et des personnes exerçant, au sein de l'entreprise, une fonction soumise à publicité;
9° les agréments, autorisations ou licences dont l'entreprise dispose, pour autant qu'ils soient soumis à des dispositions de publicité obligatoire ou qu'ils aient un intérêt pour des tiers, et, le cas échéant, le suivi des demandes y relatives;
10° la référence au site internet de l'entreprise, ses numéros de téléphone, de fax ainsi que son adresse e-mail;
11° toutes les données soumises à des dispositions de publicité en application :
a) du Code des sociétés;
b) de la loi du 27 juin 1921 sur les associations sans but lucratif, les associations internationales sans but lucratif et les fondations;
c) de la loi du 12 juillet 1989 portant diverses mesures d'application du Règlement (CEE) n° 2137/85 du Conseil du 25 juillet 1985 relatif à l'institution d'un groupement européen d'intérêt économique;
d) la loi du 17 juillet 1997 relative au concordat judiciaire;
e) la loi du 31 janvier 2009 relative à la continuité des entreprises;
f) la loi du 8 août 1997 sur les faillites;
g) la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle;
12° les données qui doivent être communiquées par les entreprises commerciales et artisanales en exécution de l'article III.53, à l'exception du numéro de registre national ou du numéro d'identification à la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale;
13° les données relatives au(x) compte(s) bancaire(s).
§ 2. Le Roi détermine les modalités de cet accès par arrêté délibéré en Conseil des ministres et après avis du Comité de Surveillance visé à l'article III.44.
Art. III.30. § 1er L'accès aux données autres que celles énumérées à l'article III.29, reprises dans la Banque-Carrefour des Entreprises, peut être accordé, moyennant autorisation du Comité de Surveillance, aux autorités, administrations, services ou autres instances, pour autant que ces données soient nécessaires à l'exécution de leurs missions légales ou règlementaires.
§ 2. Avant de donner son autorisation, le Comité de Surveillance vérifie si l'accès demandé est conforme au présent titre ainsi qu'à ses arrêtés d'exécution.
§ 3. Le Roi détermine les modalités de cet accès par arrêté délibéré en Conseil des ministres et après avis du Comité de Surveillance visé à l'article III.44.
§ 4. Le Roi détermine par arrêté délibéré en Conseil des Ministres et après avis du Comité de Surveillance, les cas où, par dérogation à l'alinéa 1er, une autorisation du Comité de Surveillance n'est pas requise.
§ 5. Les échanges, entre les services publics, de données autres que celles reprises dans la Banque-Carrefour des Entreprises, via le numéro d'entreprise ou le numéro d'unité d'établissement, sont préalablement communiqués au Comité de Surveillance qui les répertorie dans un cadastre, lequel peut être consulté par toute personne intéressée.
Le Roi détermine, après avis du Comité de Surveillance, les modalités de constitution et de consultation du cadastre ainsi que les modalités de communication au Comité de Surveillance.
Art. III.31. Toute personne physique, morale ou toute entité a accès, via internet, à des données visées à l'article III.29, § 1er, inscrites dans la Banque-Carrefour des Entreprises.
Il est au moins prévu un site internet libre d'accès, sur lequel ces données peuvent se retrouver dans un format lisible.
Le Roi détermine les données ainsi accessibles ainsi que leurs modalités de consultation.
Art. III.32. Toute entreprise a le droit d'obtenir communication des données la concernant qui sont enregistrées dans la Banque-Carrefour des Entreprises. Si les données communiquées conformément à la législation en vigueur en la matière se révèlent imprécises, incomplètes ou inexactes, le titulaire de l'inscription à la Banque-Carrefour des Entreprises peut solliciter la rectification de ces données dans les formes et délais fixés par le Roi.
Art. III.33. Sans préjudice des dispositions des articles III.29 et III.30, le Roi fixe, après avis du Comité de Surveillance, les données de la Banque-Carrefour des Entreprises qui peuvent faire l'objet d'une réutilisation commerciale ou non commerciale ainsi que les modalités de leur mise à disposition.
Seul le service de gestion peut délivrer ces données de base aux entreprises.
Art. III.34. § 1er. Sans préjudice de l'article III.33, toute personne peut prendre connaissance des données du registre de commerce concernant une entreprise commerciale ou artisanale déterminée, auprès d'un guichet d'entreprises et se faire délivrer copie ou extrait intégral ou partiel, dans les conditions fixées par le Roi.
§ 2. Les copies ou extraits du registre de commerce sont certifiées conformes sur demande expresse.
§ 3. Les copies ou extraits ne mentionnent pas le contenu des décisions judiciaires ayant trait :
1° à une faillite et une des condamnations visées aux articles 486, 489bis et 489ter du Code pénal, en cas de réhabilitation;
2° à un concordat judiciaire après son exécution ou une réorganisation judiciaire après son exécution;
3° à une interdiction ou à la désignation d'un conseil judiciaire après jugement de mainlevée;
4° aux condamnations stipulées aux articles XV.76, XV.77, 1° à 6°, XV.78 et XV.79.
Art. III.35. Les données reprises sur les extraits de la Banque-Carrefour des Entreprises ont force probante jusqu'à preuve du contraire.
Section 5. Réalisation du principe de la collecte unique de données.
Art. III.36. Les autorités, administrations et services qui sont habilités à consulter les données de la Banque-Carrefour des Entreprises, ne peuvent plus réclamer directement ces données aux entreprises visées à l'article III.16 ou aux mandataires de ces dernières.
Art. III.37. Dès qu'une donnée est communiquée à et enregistrée dans la Banque-Carrefour des Entreprises, les services habilités à consulter ces données ne peuvent plus, si ces données ne leurs sont pas communiquées directement, en imputer la faute à l'intéressé.
Section 6. Inscription, modification ou radiation des données erronées ou manquantes.
Art. III.38. § 1er. Tout intéressé peut demander, auprès du service de gestion, la rectification d'une donnée erronée ou l'inscription d'une donnée manquante dans la Banque-Carrefour des Entreprises. Il communique à l'appui de cette demande toute pièce justificative.
L'entreprise qui n'a pas accompli les formalités auxquelles elle est tenue par ou en vertu d'une loi, d'un décret ou d'une ordonnance, ne peut s'adresser directement au service de gestion, pour la rectification ou l'inscription visée à l'alinéa 1er.
§ 2. Tous les services disposant d'un accès aux données de la Banque-Carrefour des Entreprises sont tenus, dès qu'ils constatent une donnée erronée ou l'absence d'une donnée dans la Banque-Carrefour des Entreprises, d'en informer le service de gestion.
Ils communiquent à l'appui de cette information toute pièce justificative.
§ 3. Les fonctionnaires de police de la police locale ou fédérale et les fonctionnaires mandatés par un service, une autorité ou une administration, sont tenus, lorsqu'ils rédigent un rapport d'enquête ou dressent un procès-verbal constatant une donnée erronée ou manquante dans la Banque-Carrefour des Entreprises, d'en transmettre une copie au service de gestion de la Banque-Carrefour des Entreprises.
Art. III.39. Lorsque le service de gestion constate que la donnée erronée ou l'absence de la donnée résulte d'une erreur ou d'une omission du service qui initie cette donnée, il communique à ce dernier la demande d'adaptation. Le service effectue, après vérification, l'adaptation éventuelle dans un délai de trente jours, à dater de la réception de la demande.
Art. III.40. § 1er. Lorsque la donnée erronée ou l'absence de la donnée résulte de l'inaccomplissement par une entreprise des formalités auxquelles elle est tenue par ou en vertu d'une loi, d'un décret ou d'une ordonnance, le service de gestion invite l'entreprise, par courrier, à procéder à l'inscription, la modification ou la radiation de ses données auprès du service désigné dans le courrier par le service de gestion.
L'entreprise dispose d'une période de trente jours après l'envoi du courrier pour procéder auprès du service y désigné à l'inscription, à la modification ou à la radiation demandée.
§ 2. A défaut pour l'entreprise d'avoir accompli les formalités dans le délai requis, le service de gestion procède à la radiation d'office des données erronées. Cette radiation s'effectue sur base d'un jugement ou arrêt, d'un rapport d'enquête ou d'un procès-verbal établi par un fonctionnaire de police de la police locale ou fédérale, ou par un fonctionnaire mandaté par un service, une autorité ou une administration constatant le caractère erroné de la donnée.
§ 3. Lorsque le service de gestion procède à la radiation dans la Banque-Carrefour des Entreprises d'une donnée qui doit faire l'objet d'une publication aux annexes du Moniteur belge, la radiation est publiée gratuitement aux annexes du Moniteur belge à la demande du service de gestion.
§ 4. La procédure de radiation d'office des données ne dispense en aucun cas l'entreprise d'effectuer les formalités légales qui lui incombent.
Le service de gestion ne peut être tenu responsable du dommage causé à des tiers en raison de l'inaccomplissement par l'entreprise des formalités légales qui incombent à cette dernière.
§ 5. Afin de garantir et d'améliorer la qualité des données de la Banque-Carrefour des Entreprises, le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, fixer les conditions et modalités de modification ou d'inscription d'office.
Art. III.41. § 1er. Lorsque la donnée erronée résulte du fait que l'entreprise a changé l'adresse de son siège sans accomplir les formalités prescrites par la loi, le service de gestion envoie le courrier visé à l'article III.40, § 1er, alinéa 1er, à l'adresse d'une de ses unités d'établissement lorsqu'elle est distincte de celle du siège ou, à défaut, à l'adresse du domicile d'un mandataire.
La procédure décrite à l'article III.40 s'applique.
§ 2. Lorsqu'il s'avère impossible de contacter l'entreprise, comme prévu au paragraphe 1er, le service de gestion procède, sauf s'il s'agit de l'adresse d'une entreprise personne physique, à la radiation d'office de l'adresse erronée inscrite dans la Banque-Carrefour des Entreprises. Cette radiation s'effectue sur la base d'un jugement ou arrêt, d'un rapport d'enquête ou d'un procès-verbal établi par un fonctionnaire de police de la police locale ou fédérale, ou par un fonctionnaire mandaté par un service, une autorité ou une administration, qui constate le caractère erroné de la donnée.
Lorsque la donnée radiée dans la Banque-Carrefour des Entreprises par le service de gestion doit faire l'objet d'une publication aux annexes du Moniteur belge, la radiation est publiée gratuitement aux annexes du Moniteur belge à la demande du service de gestion.
§ 3. La procédure de radiation d'office des données ne dispense en aucun cas l'entreprise d'effectuer les formalités légales qui lui incombent.
Le service de gestion ne peut être tenu responsable du dommage causé à des tiers en raison de l'inaccomplissement par l'entreprise des formalités légales qui incombent à cette dernière.
Art. III.42. § 1er. Par dérogation à la procédure prévue à l'article III.39, le service de gestion de la Banque-Carrefour des Entreprises peut procéder sans frais :
1° à la radiation d'office des activités, qualités, autorisations et unités d'établissement des entreprises personnes physiques dont le fondateur est décédé, selon les données du Registre national des personnes physiques, depuis au moins six mois;
2° à la radiation d'office des activités, qualités, autorisations et unités d'établissement des entreprises personnes morales dont la clôture de liquidation a été prononcée depuis au moins trois mois;
3° à la radiation d'office des activités, qualités, autorisations et unités d'établissement des entreprises personnes morales lorsque, depuis au moins trois mois, la clôture de faillite a été prononcée conformément à la loi du 8 août 1997 sur les faillites.
4° à la radiation d'office des sociétés, telles que visées à l'article 2 du Code des sociétés, qui, d'après les données de la Banque Nationale de Belgique, n'ont pas respecté l'obligation de dépôt de leurs comptes annuels conformément aux articles 98 et 100 du Code des sociétés et ce, pour au moins 3 exercices comptables consécutifs. Cette radiation n'est pas d'application pour les sociétés visées à l'article 97 du Code des sociétés. Le service de gestion procède au retrait de la radiation après le dépôt à la Banque nationale de Belgique des comptes non déposés;
5° à la radiation d'office des sociétés, telles que visées à l'article 2 du Code des sociétés qui ne sont pas visées par le 4°, et qui répondent aux critères cumulatifs suivants :
a) elles ne disposent, depuis au moins trois ans, ni de qualités, ni d'activités, ni d'unités d'établissement actives inscrites dans la Banque-Carrefour des Entreprises;
b) elles sont inscrites dans la Banque-Carrefour des Entreprises comme ayant un statut actif;
c) elles ne disposent pas de demandes d'autorisation ou de qualité, en cours, inscrites dans la Banque-Carrefour des Entreprises;
d) elles n'ont effectué, depuis 7 ans, aucune modification relative aux données inscrites dans la Banque-Carrefour des Entreprises;
e) elles n'ont effectué, depuis 7 ans, aucune publication, autre que celle des comptes annuels, dans les Annexes du Moniteur belge ou au sein du Moniteur belge.
Pour l'application de l'alinéa 1er, 5°, les qualités, activités ou unités d'établissement commerciales actives dont les dates de début sont antérieures au 1er juillet 2003 ne constituent pas un critère utile.
Le service de gestion de la Banque-Carrefour des Entreprises procède au retrait de la radiation lorsqu'un des critères visés à l'alinéa 1er, 5°, a) à e), n'est plus rempli.
Le service de gestion de la Banque-Carrefour des Entreprises procède également au retrait de la radiation en cas d'erreur manifeste constatée par une administration ou un service.
§ 2. Les radiations ainsi que les retraits visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, 4° et 5°, et alinéas 3 et 4, sont publiés gratuitement aux Annexes du Moniteur belge à l'initiative du service de gestion de la Banque-Carrefour des Entreprises.
§ 3. Afin de garantir et d'améliorer la qualité des données dans la Banque Carrefour des Entreprises, le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, élargir ou modifier les cas prévus au paragraphe 1er.
Section 7. Dispositions particulières concernant le fonctionnement de la Banque-Carrefour des Entreprises.
Art. III.43. Il est créé, auprès du Service public fédéral Economie, PME, Classes moyennes et Energie, un comité stratégique de la Banque-Carrefour des Entreprises.
Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, ses missions, sa composition et ses modalités de fonctionnement.
Art. III.44. Il est créé, au sein de la Commission pour la protection de la vie privée, un Comité sectoriel pour la Banque-Carrefour des entreprises, dénommé " Comité de Surveillance " , chargé de délivrer l'autorisation visée à l'article III.30, alinéa 2.
Le Comité de Surveillance rend également les avis visés aux articles III.18, § 2, III.30, alinéa 3, et III.33 dans les trente jours de sa saisine par le service de gestion. En l'absence d'avis dans le délai prescrit, l'avis est réputé suivre la proposition formulée dans la demande d'avis par le service de gestion.
Le Comité de Surveillance est composé de trois membres de la Commission pour la Protection de la Vie Privée, dont le président, ou un autre membre désigné en cette qualité par la Commission, qui préside le Comité de Surveillance ainsi que de trois membres externes désignés par la Chambre des représentants, conformément aux conditions et aux modalités déterminées par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres. En cas de parité de voix, la voix du président est prépondérante.
Les modalités de fonctionnement du Comité de Surveillance sont déterminées, sans préjudice du présent titre, par ou en vertu de la loi. Ces modalités consacrent le droit du président du Comité de Surveillance d'évoquer devant la Commission pour la Protection de la Vie Privée elle-même un dossier soumis au Comité de Surveillance en réformant, le cas échéant, la décision que ce dernier a prise.
Art. III.45. Les personnes qui, dans l'exercice de leurs fonctions, interviennent dans l'enregistrement, la conservation, l'exploitation et la communication des données visées à l'article III.18 sont tenues au secret professionnel.
Elles prennent toute précaution utile afin d'assurer la sécurité des données enregistrées et empêcher notamment que ces données soient déformées, endommagées, ou communiquées à des personnes qui n'ont pas l'autorisation d'en prendre connaissance.
Elles veillent à la régularité de la transmission des données.
Art. III.46. Le Roi désigne, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les personnes qui, en temps de guerre, dans des circonstances y assimilées en vertu de l'article 7 de la loi du 12 mai 1927 sur les réquisitions militaires ou pendant l'occupation du territoire national par l'ennemi, sont chargées de détruire les banques de données de la Banque-Carrefour des Entreprises.
Le Roi fixe les conditions et modalités de cette destruction.
Art. III.47. Les coûts de fonctionnement et d'utilisation de la Banque-Carrefour des Entreprises sont supportés par un crédit inscrit au budget du Service public fédéral Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie.
Le Roi peut fixer une rétribution pour l'utilisation de la Banque-Carrefour des Entreprises par des services ne relevant pas de l'autorité fédérale. Le cas échéant, Il fixe par catégorie d'utilisateurs et objet de la demande, le montant de la rétribution.
Le traitement spécifique de données de la Banque-Carrefour des Entreprises, hors le cas visé à l'alinéa 1er, peut donner lieu à la perception d'une contribution. Le montant de cette contribution est déterminé de commun accord entre le service de gestion et l'autorité, l'administration ou le service auquel les données sont communiquées et est fixé dans un contrat.
Art. III.48. § 1er. Sans préjudice de l'article III.47, il est créé auprès du Service public fédéral Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie un " Fonds budgétaire Banque-Carrefour des Entreprises ", ci-après dénommé " le Fonds ".
Ce Fonds constitue un fonds budgétaire organique au sens de l'article 45 des lois sur la comptabilité de l'Etat, coordonnées le 17 juillet 1991.
§ 2. Le Fonds est destiné au développement de la Banque-Carrefour des Entreprises ainsi qu'à l'amélioration et à l'optimisation de son fonctionnement et de son utilisation.
§ 3. Les recettes affectées au Fonds, ainsi que les dépenses qui peuvent être effectuées à sa charge, sont mentionnées en regard dudit Fonds au tableau annexé à la loi organique du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires.
§ 4. Le Fonds est administré selon les modalités fixées par le ministre qui a l'Economie dans ses attributions.
Chapitre 2. Inscription des entreprises commerciales, artisanales et non commerciales de droit privé.
Section 1re. Obligation d'inscription.
Art. III.49. § 1er. Avant de démarrer leurs activités, les entreprises commerciales, artisanales et non commerciales de droit privé sont tenues de se faire inscrire à la Banque-Carrefour des Entreprises, respectivement en qualité d'entreprise commerciale, artisanale et non commerciale de droit privé, auprès du guichet d'entreprises de leur choix.
Cette obligation est d'application tant au moment de la création de l'entreprise qu'au moment de la création d'une nouvelle unité d'établissement.
§ 2. L'inscription, à la Banque-Carrefour des Entreprises, en qualité d'entreprise commerciale ou artisanale vaut, sauf preuve contraire, présomption de la qualité de commerçant ou d'artisan, selon la nature de l'inscription.
§ 3. Par dérogation au paragraphe 1er, les associés en nom collectif et les associés commandités ne doivent pas, bien que commerçants, être enregistrés à la Banque-Carrefour des Entreprises de façon distincte.
§ 4. Par dérogation au paragraphe 1er, ne sont pas tenues de s'inscrire en qualité d'entreprise non-commerciale de droit privé :
a) les personnes physiques qui ne sont inscrites à la Banque-Carrefour des Entreprises qu'en leur seul qualité d'employeur de personnel domestique;
b) les unions professionnelles;
c) les associations de copropriétaires;
d) les organisations représentatives des travailleurs;
e) les entreprises de droit étranger ou international qui n'exercent pas d'activité en Belgique mais qui doivent néanmoins se faire enregistrer en exécution d'une obligation imposée par la législation belge;
f) les unités T.V.A.;
g) les associations sans personnalité juridique;
h) les associations sans but lucratif;
i) les pouvoirs organisateurs de l'enseignement subventionné.
Art. III.50. § 1er. Le Roi fixe le montant du droit d'inscription à la Banque-Carrefour des Entreprises, en tant qu'entreprise commerciale, artisanale ou non commerciale de droit privé.
Il peut établir une distinction sur la base de la nature juridique de l'entreprise.
Les montants ainsi fixés peuvent être adaptés au 1er janvier au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation pour autant que le montant indexé soit supérieur d'au moins 0,5 euros par rapport au montant applicable. Le montant de l'augmentation est arrondi vers le bas à un multiple de 0,5 euros.
Section 2. Obligation de modification.
Art. III.51. § 1er. Nonobstant les dispositions du paragraphe 2, les entreprises commerciales, artisanales et non commerciales de droit privé qui ont l'intention d'exercer une activité autre que celle pour laquelle ils ont été inscrits doivent demander au préalable une modification de leur inscription dans la Banque-Carrefour des Entreprises. Cette obligation s'applique de la même manière pour les entreprises commerciales, artisanales et non commerciales de droit privé qui ont l'intention de constituer une nouvelle unité d'établissement en Belgique.
Lorsque l'exercice d'une nouvelle activité résulte de la cession de l'activité d'une entreprise, à titre lucratif ou onéreux, entre vifs ou en suite de décès, ces entreprises doivent, par dérogation au paragraphe 1er, faire procéder à la modification dans un délai d'un mois à partir de la cession ou de l'acceptation de la succession.
§ 2. Dans un délai d'un mois à compter de la modification de leur situation, les entreprises commerciales, artisanales et non commerciales de droit privé doivent demander une modification de leur inscription à la Banque-Carrefour des Entreprises si l'une des mentions de l'inscription fixées par le Roi conformément à l'article III.53 ne correspond plus à la situation réelle.
Section 3. Obligation de radiation.
Art. III.52. En cas de cessation des activités ou de fermeture d'une des unités d'établissement, l'entreprise commerciale, artisanale ou non commerciale de droit privé, ou ses ayants droit demande la radiation de l'inscription dans un délai d'un mois à compter de la cessation des activités.
Lorsque la cessation, visée à l'alinéa 1er, découle de la cession de l'activité d'une entreprise, à titre lucratif ou onéreux, entre vifs ou en suite de décès, la radiation doit être effectuée dans un délai d'un mois à compter de la cession ou de l'acceptation de la succession.
Section 4. Dispositions communes à l'inscription, la modification ou la radiation.
Art. III.53. La demande d'inscription, de modification ou de radiation se fait par l'entreprise commerciale, artisanale ou non commerciale de droit privé, c'est-à-dire par les personnes physiques soumises à inscription ou par les représentants, ayant capacité à cet effet, de l'entreprise soumise à l'inscription.
La demande s'effectue selon les modalités fixées par le Roi.
Le Roi fixe les données que la demande d'inscription, de modification ou de radiation doit contenir.
Art. III.54. Les guichets d'entreprises sont tenus d'effectuer immédiatement l'inscription, la radiation ou la modification qui leur est demandée.
Art. III.55. Les guichets d'entreprises doivent refuser toute demande d'inscription, de modification ou de radiation et en justifier les moyens :
1° lorsqu'ils constatent que la demande émane d'une personne qui n'y est pas soumise ou qui n'est pas habilitée à en faire la demande;
2° en cas d'omission d'un des documents ou d'une donnée que doit contenir la demande conformément à l'article III.53 et ses arrêtés d'exécution;
3° s'il n'est pas satisfait aux conditions d'inscription préalables imposées par le présent titre et ses arrêtés d'exécution ou en vertu d'autres lois dont le contrôle est confié à ces guichets.
Art. III.56. Le refus d'inscription, de modification ou de radiation à la Banque-Carrefour des Entreprises est réputé définitif à moins que le demandeur n'introduise une nouvelle demande qui remplisse les conditions ou un recours auprès du Conseil d'Etablissement dans les 30 jours ouvrables à dater du refus d'inscription.
Art. III.57. Les guichets d'entreprises fournissent à l'entreprise, dans les conditions fixées par le Roi, à sa demande, un extrait complet de l'inscription dans la Banque-Carrefour des Entreprises mentionnant la date de la délivrance de l'extrait.
Le premier extrait relatif à une inscription, modification ou radiation est fourni gratuitement à l'entreprise.
Chapitre 3. Organisation des guichets d'entreprises.
Section 1re. Création et tâches des guichets d'entreprises.
Art. III.58. Nul ne peut sans agrément préalable et écrit du ministre exercer l'activité de guichet d'entreprises.
Art. III.59. § 1er. Sans préjudice des missions qui leur sont confiées par ou en exécution du présent livre ou d'autres lois, les guichets d'entreprises remplissent les missions suivantes :
1° permettre, via leur infrastructure, aux prestataires :
a) d'accomplir les procédures et formalités nécessaires à l'accès à la profession de leurs activités de services telles que visées par les articles 1er et 2 de la directive services, en particulier toutes les déclarations, notifications ou demandes nécessaires en vue d'autorisation auprès des autorités compétentes, y compris les demandes d'inscription dans les registres, les rôles, les bases de données ou d'un ordre ou d'une association professionnelle;
b) d'accomplir les demandes d'autorisation nécessaires à l'exercice des activités de services, telles que visées par la directive services;
2° inscrire les entreprises commerciales et artisanales et les entreprises non-commerciales de droit privé, dans ces qualités, dans la Banque-Carrefour des Entreprises;
3° vérifier dans les cas fixés par le Roi si les entreprises commerciales et artisanales et les entreprises non-commerciales de droit privé remplissent les conditions d'inscription, imposées en vertu des lois et règlements spéciaux;
4° garantir l'accès aux données relatives aux inscriptions visées en 2°, selon les modalités et conditions fixées par le Roi;
5° conserver les archives relatives aux conditions et inscriptions visées en 2° et 3°, selon les modalités fixées par le Roi;
6° effectuer des formalités administratives, en exécution du présent livre ou d'autres lois, ou en vertu de celles-ci, selon les modalités fixées par le Roi;
7° veiller à ce que les prestataires et les clients reçoivent, pour les activités de services visées au paragraphe 1er, 1°, a) et b), les informations suivantes :
a)les exigences applicables aux prestataires, en particulier celles concernant les procédures et formalités à suivre pour accéder aux activités de services et les exercer;
b) les coordonnées des autorités compétentes permettant d'entrer en contact directement avec elles, y compris celles des autorités compétentes en matière d'exercice des activités de services;
c) les moyens et les conditions d'accès aux registres et bases de données publics relatifs aux prestataires et aux services;
d) les voies de recours normalement disponibles en cas de litige entre les autorités compétentes et le prestataire ou le client, ou entre un prestataire et un client, ou entre prestataires;
e) les coordonnées des associations ou organisations, autres que les autorités compétentes, auprès desquelles les prestataires ou les clients sont susceptibles d'obtenir une assistance pratique;
8° percevoir pour le compte du Trésor les droits d'inscription et d'enregistrement, les rétributions, les frais de publication, relatifs aux missions visées par le présent article, selon les modalités et les conditions fixées par le Roi;
9° donner aux personnes morales et aux personnes physiques qui demandent d'être enregistrées dans la Banque-Carrefour des entreprises, les informations suivantes :
a) toute personne physique qui exerce en Belgique une activité professionnelle indépendante du chef de laquelle elle doit être affiliée auprès d'une caisse d'assurances sociales pour travailleurs indépendants, doit s'affilier au plus tard le jour du début de l'activité indépendante;
b) en cas de non-respect de cette obligation, une amende administrative est imposée en vertu de l'article 17bis de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants;
c) les personnes morales sont tenues solidairement au paiement de l'amende administrative imposée à leurs associés ou mandataires;
d) le travailleur indépendant qui exerce une activité indépendante pour laquelle il n'est pas inscrit dans la Banque-Carrefour des entreprises, conformément aux articles III.17, III.49 ou III.51, peut être puni en vertu des articles III.40 XV.77, 1°, 2°, 3° et 6° ou XV.78, ainsi qu'en vertu de l'article 17bis de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants.
Le guichet d'entreprises réagit dans un délai de cinq jours ouvrables, à compter du moment où l'information est disponible, à toute demande d'information visée au premier alinéa. En cas de demande erronée, incomplète ou sans fondement, il en informe le demandeur dans les plus brefs délais.
§ 2. Le guichet d'entreprises peut complémentairement prester des services de conseil et d'accompagnement aux entreprises, exceptés les services qui sont exclusivement réservés par la loi à certaines professions libérales, intellectuelles et de service relevant du secteur économique.
§ 3. Le guichet d'entreprises est facilement accessible à distance par voie électronique, afin de pouvoir effectuer toutes les procédures et formalités relatives à l'accès et à l'exercice des activités de services visées au paragraphe 1er, 1° a) et b), à l'exception des contrôles des locaux où le service est fourni ou des équipements utilisés par le prestataire, ou de l'examen physique des capacités ou de l'intégrité personnelle du prestataire ou des membres de son personnel qui exercent des responsabilités lorsque ceux-ci sont partie intégrante d'une procédure ou formalité.
Art. III.60. § 1er. Pour ce qui est des entreprises commerciales et artinasales pour lesquelles les guichets d'entreprises ne sont pas habilités à décider seuls de l'inscription en exécution de l'article III.59,2°, ces derniers doivent préalablement soumettre les dossiers d'inscription au service désigné à cette fin au sein du Service public fédéral Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie.
§ 2. Ce service vérifie si les conditions requises, d'une part, pour être inscrit au registre du commerce et, d'autre part, pour exercer l'activité professionnelle envisagée sont remplies. Dès réception de tous les documents lui permettant de traiter le dossier de l'entreprise commerciale ou artisanale, il notifie à l'entreprise et au guichet d'entreprises le caractère complet du dossier. Il rend un avis motivé et écrit dans un délai de quinze jours à dater de la notification du caractère complet du dossier.
§ 3. En l'absence d'avis motivé et écrit dans le délai de quinze jours qui suit la notification du caractère complet du dossier, l'avis est réputé positif.
Section 2. Conditions d'agrément pour les guichets d'entreprises.
Art. III.61. § 1er. Une organisation peut être agréée en tant que guichet d'entreprises, selon les conditions suivantes :
1° elle prend la forme d'une association sans but lucratif, conformément à la loi du 27 juin 1921 sur les associations sans but lucratif, les associations internationales sans but lucratif et les fondations;
2° ses membres font partie d'au moins une des organisations suivantes :
a) des organisations représentatives des employeurs ou des travailleurs indépendants, représentées au sein de ou agréées par le Conseil Supérieur des Indépendants et des Petites et Moyennes Entreprises, le Conseil central de l'Economie, le " Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen ", le Conseil économique et social de la Région wallonne, le Conseil économique et social de la Région de Bruxelles-Capitale ou une commission paritaire créée en application de la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les comités paritaires;
b) des fonds d'assurances sociales pour indépendants, agréés en application de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 portant organisation du statut social des indépendants;
c) des secrétariats sociaux pour employeurs, agréés en application de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs;
d) des chambres accréditées par la Fédération des Chambres de commerce et d'industrie de Belgique;
e) des associations résultants d'accords de coopération entre plusieurs des organisations susmentionnées;
3° ses statuts ont pour objectif de remplir les missions de guichet d'entreprises au sens du présent livre;
4° elle dispose, selon les modalités fixées par le Roi et le cahier des charges rédigé par le ministre :
a) de collaborateurs compétents;
b) de procédures de contrôle interne;
c) de facilités d'accueil, de bureaux, de matériel et d'espace d'archivage;
d) d'une propre comptabilité;
e) d'une infrastructure informatique comprenant des mécanismes de protection et de contrôle;
5° elle n'est pas en état de liquidation, ni ne fait l'objet d'une procédure de liquidation ou de cessation d'activité;
6° elle est en règle avec les obligations relatives au paiement des cotisations de sécurité sociale et avec ses obligations relatives au paiement des impôts et des taxes, conformément à la loi belge;
7° elle dispose d'une capacité financière et économique propre et suffisante pour exercer les missions définies dans le présent livre et ses arrêtés d'exécution;
8° elle a fait assurer sa responsabilité professionnelle.
§ 2. Le Roi peut fixer, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, des modalités en vue de déterminer le nombre minimum et la localisation des unités d'établissement des guichets d'entreprises, en tenant compte d'une dissémination adéquate et des besoins.
§ 3. Par dérogation aux dispositions du paragraphe 1er, les agréments des guichets d'entreprises, attribués au 9 septembre 2008, restent valables jusqu'au 31 décembre 2014, sous les conditions qui étaient d'application le jour de l'agrément.
Art. III.62. § 1er. La demande d'agrément est adressée au ministre par lettre recommandée ou en contrepartie d'un reçu.
§ 2. La demande doit être accompagnée d'un plan d'exploitation et de tous les documents requis par les conditions d'agrément.
Dans le plan d'exploitation, il faut clairement indiquer de quelle manière l'activité de guichet d'entreprise sera financée, comment les compétences professionnelles requises seront organisées et quelle zone géographique le guichet d'entreprises entend couvrir. Ces conditions sont également requises pour chaque unité d'établissement du guichet.
§ 3. Les institutions publiques peuvent agir comme mandataire au nom de leurs clients auprès d'un guichet d'entreprises.
§ 4. Le ministre peut agréer un guichet d'entreprises organisé par une association sans but lucratif financée principalement ou exclusivement par des moyens publics et exerçant des activités d'information, d'accompagnement ou de conseil aux créateurs d'entreprise s'il s'avère que, dans une zone géographiquement identifiée par les autorités européennes ou régionales comme une zone devant bénéficier de discrimination positive, il n'y a pas de guichet d'entreprises opérationnel.
Lors de l'application de l'alinéa précédent, les conditions d'agrément visées à l'article III.61, § 1er, 2° et § 2, ne sont pas d'application.
Art. III.63. Le Roi crée un comité consultatif. Ce comité a les missions suivantes :
1° donner des avis au ministre, relatifs à l'agrément en tant que guichet d'entreprises et à la suspension et la suppression de l'agrément, et à la fixation du nombre d'unités d'établissement et leur localisation;
2° à la demande du ministre, d'une Communauté ou d'une Région, donner un avis sur toutes les questions relatives au fonctionnement et au contrôle des guichets d'entreprises.
Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les modalités relatives à la composition et au fonctionnement du comité et la procédure d'agrément des guichets d'entreprises.
Art. III.64. L'agrément est accordé ou refusé par le ministre dans un délai de trois mois à dater de la notification du caractère complet du dossier de demande d'agrément. Cette décision est notifiée au demandeur par envoi recommandé.
Art. III.65. Le demandeur a la faculté d'introduire une nouvelle demande lorsque les raisons de refus n'existent plus.
Art. III.66. L'agrément est valable pendant une période de cinq ans. Il peut être renouvelé.
Le ministre publie la liste des guichets d'entreprises agréés et de leurs unités d'établissement sur le site web du Service public fédéral Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie, ainsi qu'annuellement avant le 31 mars au Moniteur belge.
Art. III.67. La demande de renouvellement de l'agrément du guichet d'entreprises est introduite auprès du ministre six mois avant l'expiration de la période couverte par la décision d'agrément précédente.
Le guichet d'entreprises demeure agréé jusqu'à ce que le ministre ait statué sur la demande de renouvellement.
Art. III.68. Toute modification des données fournies au moment de la demande d'agrément doit être communiquée dans un délai d'un mois au ministre. Cette communication précise et motive l'objet de la modification.
Art. III.69. Le ministre peut d'office, par décision et selon les modalités fixées par le Roi, suspendre ou retirer l'agrément si les dispositions du présent titre, ses arrêtés d'exécution ou les conditions d'agrément ne sont pas respectées.
Section 3. Obligations des guichets d'entreprises.
Art. III.70. Les guichets d'entreprises doivent assurer la continuité de l'exercice des missions visées à l'article III.59 dans le temps.
Le Roi peut déterminer des modalités concernant les garanties à fournir par les guichets d'entreprises en vue d'assurer la continuité du service dans le temps.
Art. III.71. Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les normes de qualité auxquelles doivent répondre les services rendus par les guichets d'entreprises, les heures d'ouverture minimales, ainsi que les règles particulières relatives à la gestion, à la comptabilité et aux comptes annuels des guichets d'entreprises.
Art. III.72. Les guichets d'entreprises sont tenus, lorsque la demande leur en est faite, de fournir sans délai et gratuitement, dans les conditions fixées par le Roi, toutes les informations en leur possession, de communiquer tout document et toute pièce en leur possession et, par ailleurs, de fournir les copies ou extraits jugés nécessaires aux autorités, administrations et services, en ce compris les parquets, les greffes des cours et des autres juridictions, les membres du pouvoir judiciaire et les fonctionnaires des ministères habilités en la matière, ainsi que les administrations des Communautés, des Régions, des provinces, des agglomérations et des fédérations de communes et des communes, et d'autres institutions ou organisations désignées par le Roi.
Section 4. Rémunération des guichets d'entreprises.
Art. III.73. § 1er. Le Roi peut par arrêté délibéré en Conseil des ministres :
1° déterminer le pourcentage des droits d'inscription, d'enregistrement et de publication, et des rétributions perçus, que les guichets d'entreprises retiennent comme rétribution de leur intervention en application des articles III.50 et III.59, 8° ;
2° adapter la rétribution visée au 1°, selon les modalités fixées par Lui, en vue de stimuler la qualité du service rendu;
3° déterminer les montants que les guichets d'entreprises perçoivent lors des formalités pour lesquelles ils se sont vus attribuer par une administration fédérale le pouvoir décisionnel, comme visées à l'article III.59, 6°.
§ 2. Pour les services complémentaires aux entreprises, visés à l'article III.59, § 2, les guichets d'entreprises peuvent prévoir de fixer des prix par prestation ou de manière forfaitaire sur une base annuelle.
Titre 3. Obligations générales des entreprises.
Chapitre 1er. Information, transparence et non-discrimination.
Section 1re. Obligations d'information et de transparence.
Art. III.74. § 1er. Sans préjudice des exigences légales et réglementaires particulières, toute entreprise met à disposition, de l'une des manières visée à l'article III.75, les informations suivantes :
1° son nom ou sa dénomination sociale;
2° sa forme juridique;
3° l'adresse géographique où l'entreprise est établie;
4° ses coordonnées, y compris son adresse éventuelle de courrier électronique permettant d'entrer en contact rapidement et de communiquer directement et efficacement avec lui;
5° le numéro d'entreprise;
6° son siège social;
7° dans le cas où l'activité est soumise à un régime d'autorisation, une obligation d'autorisation ou de déclaration, conformément à l'article 17 de la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel, les coordonnées de l'autorité compétente ou du guichet d'entreprises;
8° en ce qui concerne les professions réglementées :
a) l'association professionnelle ou l'organisation professionnelle auprès de laquelle l'entreprise est inscrite;
b) le titre professionnel et l'Etat membre dans lequel il a été octroyé;
9° les conditions générales et les clauses générales dans le cas où l'entreprise en utilise, ainsi que les langues dans lesquelles ces conditions générales et ces dispositions pourront être consultées;
10° l'existence, dans le cas où l'entreprise en utilise, de clauses contractuelles concernant la législation applicable au contrat ou la juridiction compétente;
11° l'existence de toute garantie contractuelle après-vente éventuelle, non imposée par la loi;
12° le prix du service, lorsque le prix est déterminé au préalable par l'entreprise pour un type de service donné;
13° les principales caractéristiques de l'activité économique;
14° les assurances ou les garanties visées à l'article III.6 et notamment les coordonnées de l'assureur ou du garant et la couverture géographique.
§ 2. Lorsque les entreprises présentent de manière détaillée leurs activités économiques dans un document d'information, ils y font figurer des informations sur leurs activités pluridisciplinaires et partenariats qui sont directement liés à l'activité économique concernée et sur les mesures prises pour éviter les conflits d'intérêt.
Art. III.75. A l'initiative de l'entreprise, les informations visées à l'article III.74 :
1° sont communiquées au client; ou
2° sont rendues facilement accessibles au client sur le lieu de l'activité de l'entreprise ou de la conclusion du contrat; ou
3° sont rendues facilement accessibles au client par une adresse électronique communiquée par l'entreprise; ou
4° figurent dans tout document d'information de l'entreprise présentant de manière détaillée ses activités.
Art. III.76. A la demande du client, l'entreprise communique les informations supplémentaires suivantes :
1° lorsque le prix n'est pas déterminé au préalable par l'entreprise pour un type de bien ou service donné, le prix du bien ou service ou, lorsqu'un prix exact ne peut pas être indiqué, la méthode de calcul du prix permettant au client de vérifier ce dernier, ou un devis suffisamment détaillé;
2° en ce qui concerne les professions réglementées, une référence aux règles professionnelles applicables et aux moyens d'y avoir accès;
3° des informations sur ses activités pluridisciplinaires et partenariats qui sont directement liés au bien ou au service concerné et sur les mesures prises pour éviter les conflits d'intérêts;
4° les codes de conduites auxquels l'entreprise est soumise ainsi que l'adresse à laquelle ces codes peuvent être consultés par voie électronique, en précisant les versions linguistiques disponibles;
5° les versions antérieures, applicables au moment de la signature du contrat, contenant la date de début et de fin d'application des informations visées à l'article III.74, 9°.
Art. III.77. Les informations visées aux articles III.74 et III.76 sont mises à disposition ou communiquées de manière claire et non ambiguë, et en temps utile avant la conclusion du contrat, ou avant la livraison du produit ou de la prestation du service lorsqu'il n'y a pas de contrat écrit.
Art. III.78. Chaque entreprise est tenue de prouver le respect des exigences prévues aux articles III.74 à III.77 et l'exactitude des informations fournies.
Art. III.79. Les dispositions de cette section ne portent pas préjudice aux exigences d'informations supplémentaires applicables aux entreprises ayant leur établissement en Belgique.
Section 2. Non-discrimination des clients.
Art. III.80. Les clients ne sont pas soumis à des exigences restreignant leur droit d'utiliser un service fourni par une entreprise ayant son établissement dans un autre Etat membre. Sont notamment visées les exigences suivantes :
1° l'obligation d'obtenir une autorisation des autorités compétentes ou de faire une déclaration auprès de celle-ci;
2° des limites discriminatoires à l'octroi d'aides financières au motif que l'entreprise est établi dans un autre Etat membre ou pour des raisons liées à l'emplacement du lieu où le service est fourni.
L'alinéa 1er ne s'applique pas aux régimes d'autorisation qui s'appliquent également à l'utilisation d'un service fourni par une entreprise établie en Belgique.
Art. III.81. Les clients ne sont pas soumis à des exigences discriminatoires fondées sur la nationalité ou le lieu de résidence.
Les conditions générales d'accès à un service, qui sont mises à la disposition du public par l'entreprise, ne contiennent pas de conditions discriminatoires en raison de la nationalité ou du lieu de résidence du client, sans que cela ne porte atteinte à la possibilité de prévoir des différences dans les conditions d'accès lorsque ces conditions sont directement justifiées par des critères objectifs.
Chapitre 2. Comptabilité des entreprises.
Art. III.82. Toute entreprise tient une comptabilité appropriée à la nature et à l'étendue de ses activités en se conformant aux dispositions légales particulières qui les concernent.
Art. III.83. La comptabilité des personnes morales doit couvrir l'ensemble de leurs opérations, de leurs avoirs, et droits de toute nature, de leurs dettes, de leurs obligations et de leurs engagements de toute nature. La comptabilité des commerçants, personnes physiques, couvre ces mêmes éléments lorsque ceux-ci relèvent de leur activité commerciale; elle mentionne de manière distincte les moyens propres affectés à cette activité commerciale.
Si une entreprise poursuit des activités économiques distinctes, un système de comptes distinct sera introduit pour chacune de ces activités.
Lorsque l'activité d'une entreprise comporte, au titre de gérant ou d'associé, des opérations menées en association commerciale momentanée ou en participation, sa comptabilité est adaptée de manière à lui conférer le caractère complet défini à l'alinéa 1er, à la fois sous l'angle des rapports avec les tiers, d'une part, et des comptes que les associés et, le cas échéant, le gérant, ont à se rendre, d'autre part.
Art. III.84. Toute comptabilité est tenue selon un système de livres et de comptes et conformément aux règles usuelles de la comptabilité en partie double.
Les opérations sont inscrites sans retard, de manière fidèle et complète et par ordre de dates, soit dans un livre journal unique soit dans un journal auxiliaire unique ou subdivisé en journaux spécialisés. Elles sont méthodiquement inscrites ou transposées dans les comptes qu'elles concernent.
Les mouvements totaux enregistrés au cours de la période dans le journal auxiliaire unique ou dans les journaux spécialisés font, mensuellement au moins, l'objet d'une écriture récapitulative dans un livre central. Cette écriture est trimestrielle au moins, pour les entreprises visées à l'article III.85 qui tiennent leur comptabilité selon les prescriptions des articles III.83 et III.84.
L'écriture récapitulative visée à l'alinéa précédent comporte soit le montant total des mouvements enregistrés dans l'ensemble de ces journaux auxiliaires, ventilés selon les comptes généraux ou les rubriques de synthèse prévus au plan comptable de l'entreprise que ces mouvements ont concernés soit, lorsque la technique comptable adoptée par l'entreprise comporte l'inscription simultanée des données dans les journaux auxiliaires et dans les comptes concernés, le total des mouvements enregistrés dans chacun de ces journaux auxiliaires.
Les comptes ouverts sont définis dans un plan comptable approprié à l'activité de l'entreprise. Ce plan comptable est tenu en permanence tant au siège de l'entreprise qu'aux sièges des services comptables importants de l'entreprise, à la disposition de ceux qui sont concernés par lui.
Le Roi détermine la teneur et la présentation d'un plan comptable minimum normalisé. Il définit le contenu et le mode de fonctionnement des comptes repris au plan normalisé.
Art. III.85. Les commerçants, personnes physiques ou sociétés en nom collectif ou en commandite simple dont le chiffre d'affaires du dernier exercice, à l'exclusion de la taxe sur la valeur ajoutée, n'excède pas un montant fixé par le Roi, ont la faculté de ne pas tenir leur comptabilité selon les prescriptions des articles III.83 et III.84, à condition qu'ils tiennent sans retard, de manière fidèle et complète et par ordre de dates, au moins trois journaux, réglés de manière à suivre en détail :
1° dans le premier, les mouvements des disponibilités en espèces ou en compte, avec émargement de l'objet des opérations et mention spéciale des prélèvements de fonds autres que pour les besoins de leur commerce, ainsi que les soldes journaliers en espèce;
2° dans le deuxième, les achats et les importations effectués et les prestations reçues, émargés du montant, du mode et de la date des paiements qui s'y rapportent;
3° dans le troisième, les ventes, les exportations et les prestations fournies, émargées du montant, du mode et de la date des encaissements qui s'y rapportent ainsi que les prélèvements en nature autres que pour les besoins de leur commerce.
Les prélèvements autres que pour les besoins du commerce, visés à l'alinéa 1er, 1° et 3°, peuvent faire l'objet de mentions journalières globales.
Le montant, le mode et la date des paiements et des encaissements ne doivent pas être inscrits dans les journaux visés à l'alinéa 1er, 2° et 3°, s'ils sont soit inscrits sur les factures reçues de fournisseurs ou sur le double des factures adressées aux clients, soit portés sur des relevés complets tenus en forme de comptes de fournisseurs ou de comptes de clients.
Art. III.86. Toute écriture s'appuie sur une pièce justificative datée et porte un indice de référence à celle-ci.
Les ventes et prestations au détail pour lesquelles l'établissement d'une facture n'est pas requis, peuvent faire l'objet d'inscriptions journalières globales.
Le Roi détermine les conditions auxquelles doivent répondre les pièces justificatives des inscriptions journalières globales visées à l'alinéa 2.
Les pièces justificatives doivent être conservées, en original ou en copie, durant sept ans et être classées méthodiquement. Ce délai est réduit à trois ans pour les pièces qui ne sont pas appelées à faire preuve à l'égard de tiers.
Art. III.87. § 1er. Les journaux et livres comptables sont cotés; ils forment, chacun dans sa fonction, une série continue; ils sont identifiés par la spécification de cette fonction, par leur place dans cette série et par le nom, la raison sociale ou la dénomination particulière de l'entreprise.
§ 2. Les livres et journaux sont tenus de manière à garantir leur continuité matérielle ainsi que la régularité et l'irréversibilité des écritures.
Le Roi fixe les règles selon lesquelles ces livres et journaux sont tenus et conservés. Il peut remplacer ou permettre de remplacer, aux conditions qu'il détermine, le dispositif prévu à l'article III.84, alinéas 3 et 4, par d'autres garantissant la continuité matérielle des journaux et livres ainsi que la régularité et l'irréversibilité des écritures.
Art. III.88. Les livres sont tenus par ordre de dates, sans blancs ni lacunes. En cas de rectification, l'écriture primitive doit rester lisible.
Les entreprises sont tenues de conserver leurs livres pendant sept ans à partir du premier janvier de l'année qui suit leur clôture.
Art. III.89. § 1er. Toute entreprise procède, une fois l'an au moins, avec bonne foi et prudence, aux opérations de relevé, de vérification, d'examen et d'évaluation nécessaires pour établir à la date choisie un inventaire complet de ses avoirs et droits de toute nature, de ses dettes, obligations et engagements de toute nature relatifs à son activité et des moyens propres qui y sont affectés. Les pièces de l'inventaire sont transcrites dans un livre. Les pièces dont le volume rend la transcription difficile sont résumées dans le livre auquel elles sont annexées.
§ 2. L'inventaire est ordonné de la même manière que le plan comptable de l'entreprise.
Le Roi peut prescrire des critères d'évaluation d'inventaire.
Ce paragraphe n'est pas applicable aux entreprises visées à l'article III.85.
Art. III.90. § 1er. Les comptes sont, après mise en concordance avec les données de l'inventaire, synthétisés dans un état descriptif constituant les comptes annuels.
§ 2. Les entreprises qui ne sont pas soumises au Code des sociétés et à ses arrêtés d'exécution sont néanmoins tenues de s'y conformer en ce qui concerne la forme, le contenu, le contrôle et le dépôt des comptes annuels et du rapport de gestion.
Le contenu et l'étendue de leurs obligations sont déterminés sur la base des critères relatifs au personnel occupé, au chiffre d'affaires annuel et au total du bilan prévus pour les entreprises soumises au Code des sociétés.
Les comptes annuels des services publics visés à l'article I.5, 1°, c, sont déposés dans les sept mois de la date de clôture de l'exercice, même si la procédure de contrôle et d'approbation à laquelle les comptes annuels sont le cas échéant soumis, n'est pas encore terminée. Dans ce cas, il est explicitement signalé que la procédure en cause n'est pas encore terminée.
Ce paragraphe ne s'applique pas :
1° aux commerçants personnes physiques visés à l'article III.85;
2° aux entreprises visées à l'article I.5, 1°, d), auxquelles le présent chapitre 2 n'est pas déclaré applicable;
3° aux entreprises visées à l'article III.95, § 1er;
4° aux entreprises d'assurances et de réassurances;
5° aux succursales et sièges d'opération établis en Belgique par des entreprises étrangères non soumises au Code des sociétés, lorsque ces succursales et sièges d'opération n'ont pas de produits propres liés à la vente de biens ou à la prestation de services à des tiers ou à des biens livrés ou à des services prestés à l'entreprise étrangère dont ils relèvent, et dont les charges de fonctionnement sont supportées entièrement par cette dernière;
6° aux commerçants personnes physiques, en ce qui concerne le dépôt des comptes annuels et du rapport de gestion.
Art. III.91. § 1er. Les organismes publics de droit belge qui exercent une mission statutaire à caractère commercial, financier ou industriel, à l'exception des entreprises visées à l'article III.95, § 1er, sont tenus de se conformer au Code des sociétés et à ses arrêtés d'exécution en ce qui concerne la forme, le contenu, le contrôle et le dépôt des comptes annuels consolidés et du rapport de gestion consolidé.
Le contenu et l'étendue de leurs obligations sont déterminés sur la base des critères relatifs au personnel occupé, au chiffre d'affaires annuel et au total du bilan prévus pour les entreprises soumises au Code des sociétés.
Le Roi peut étendre le champ d'application de l'alinéa 2 à d'autres entreprises que celles visées à l'article I.5, 1°.
§ 2. Le Roi peut adapter et compléter les règles qu'Il a arrêtées en vertu des articles III.84, alinéa 6, et III.89, § 2, III.90 et III.91, § 1er, ou prévoir l'exemption de tout ou partie de ces règles selon la taille des entreprises, les branches d'activités ou les secteurs économiques.
Art. III.92. Les arrêtés royaux pris en exécution du présent chapitre sont délibérés en Conseil des ministres.
Les arrêtés pris en exécution de l'article III.84, alinéa 6, de l'article III.89, § 2 et des articles III.90 et III.91 sont pris sur avis du Conseil Central de l'Economie.
Les arrêtés pris en exécution de l'article I.5, 1° ; et les arrêtés qui les modifient sont pris sur avis des organisations représentatives des entreprises concernées.
Art. III.93. Le Roi crée une Commission des Normes Comptables; celle-ci a pour mission :
1° de donner tout avis au Gouvernement et au Parlement à la demande de ceux-ci ou d'initiative;
2° de développer la doctrine comptable et de formuler les principes d'une comptabilité régulière, par la voie d'avis ou de recommandations.
Les frais de fonctionnement de la Commission des normes comptables sont supportés par les entreprises visées à l'article I.5, 1°, tenues de publier leur compte annuel ou leur compte consolidé par dépôt à la Banque nationale de Belgique. Le Roi fixe le montant de cette contribution qui ne peut être supérieur à 3,72 euros indexé selon les mêmes règles que celles fixées pour l'indexation des traitements et salaires de la fonction publique. Celle-ci est perçue par la Banque nationale de Belgique en même temps que les frais de publicité des comptes annuels ou consolidés et versée par elle à la Commission.
Art. III.94. Le ministre ou son délégué peut autoriser, dans des cas spéciaux et moyennant l'avis motivé de la Commission des Normes Comptables visée à l'article III.93, des dérogations aux règles arrêtées en vertu des articles III.84, alinéa 6, III.89, § 2, III.90 et III.91. Ce pouvoir est exercé dans les mêmes formes par le ministre qui a les Classes moyennes dans ses attributions ou son délégué en ce qui concerne les sociétés et autres entreprises qui peuvent être déclarées petites au sens où ce terme est entendu dans le Code des sociétés. La Commission des Normes Comptables est informée de la décision du ministre ou de son délégué.
Art. III.95. § 1er. L'article III.85, les articles III.90 à III.94, ainsi que les arrêtés pris en exécution de l'article III.84, alinéa 6, et de l'article III.89, § 2, ne sont pas applicables à la Banque Nationale de Belgique, à la Caisse des Dépôts et Consignations, aux établissements de crédit assujettis à la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit, ainsi qu'aux entreprises d'investissement soumises à la loi du 6 avril 1995 relative aux marchés secondaires, au statut des entreprises d'investissement et à leur contrôle, aux intermédiaires et conseillers en placements.
§ 2. L'article III.85 et l'article III.90, § 2, alinéa 2, ne sont pas applicables aux entreprises d'assurance, de prêt hypothécaire et de capitalisation.
Les articles III.84, alinéa 6, III.89, § 2, III.90, § 2, alinéa 1er, III.91, § 2 et III.94 , ne sont pas applicables aux entreprises d'assurances agréées par le Roi en application de la législation relative au contrôle des entreprises d'assurances. "
Art. 5. In boek XV, titel 1, hoofdstuk 4, van hetzelfde Wetboek wordt een afdeling 2 ingevoegd, luidende :
Afdeling 2. Coördinatie en opvolging van de acties in het kader van titel 1 van boek III.
Onderafdeling 1. Toepassingsgebied.
Art. XV.35. Deze afdeling is van toepassing op de dienstenactiviteiten vermeld in artikel III.1.
Deze afdeling, en meer bepaald de bepalingen met betrekking tot de controle op de regels inzake de bescherming van persoonsgegevens, worden uitgevoerd en zijn van toepassing onverminderd de regels zoals bepaald in Richtlijn 95/46/EG, in Richtlijn 2002/58/EG, in de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, en van de voorziene regels inzake bescherming van persoonsgegevens, van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie en van de wet van 24 augustus 2005 tot omzetting van verschillende bepalingen van de Richtlijn financiële diensten op afstand en van de Richtlijn privacy en elektronische communicatie.
Onderafdeling 2. Principes.
Art. XV.36. § 1. De bevoegde Belgische autoriteit verstrekt, binnen de grenzen van haar bevoegdheden, aan de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat die een met redenen omkleed verzoek doet, iedere relevante informatie waarover ze beschikt in verband met een dienstverrichter en/of zijn diensten.
Ze verstrekt de gevraagde informatie met name betreffende de vestiging en de wettelijkheid van de verrichte diensten.
§ 2. De bevoegde Belgische autoriteit voert, binnen de grenzen van haar bevoegdheden, de verificaties, inspecties en onderzoeken uit die haar door de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat via een met redenen omkleed verzoek aangevraagd worden betreffende een dienstverrichter of zijn diensten.
Ze kan zelf bepalen wat in ieder individueel geval de meest geschikte maatregelen zijn om aan het verzoek van een bevoegde autoriteit van een andere lidstaat te voldoen.
Art. XV.37. § 1. De bevoegde Belgische autoriteit verstrekt binnen de grenzen van haar bevoegdheid aan de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat die een met redenen omkleed verzoek doet de definitieve beslissingen betreffende de tuchtrechtelijke of administratieve sancties van professionele aard in overeenstemming met de regels bepaald door de bijzondere wetgevingen of reglementeringen voor een zulke verstrekking.
Ze verstrekt ook binnen de grenzen van haar bevoegdheden en in overeenstemming met Boek II, Titel VII, Hoofdstuk I, van het Wetboek van strafvordering informatie over definitieve strafrechtelijke sancties van professionele aard evenals elk definitief vonnis betreffende de insolventie in de zin van bijlage A van de EG-Verordening 1346/2000, of het bedrieglijk faillissement waarin sprake is van frauduleuze praktijken van een dienstverrichter.
In de mededeling worden de overtreden wettelijke of reglementaire bepalingen vermeld.
§ 2. Deze mededeling geschiedt met naleving van de bepalingen tot bescherming van de persoonsgegevens en de rechten van de personen aan wie een sanctie is opgelegd of die veroordeeld zijn, met inbegrip van deze opgelegd door een beroepsorde.
§ 3. De bevoegde Belgische autoriteit die zulke informatie meedeelt, stelt de dienstverrichter daarvan in kennis.
Art. XV.38. De in uitvoering van de artikelen XV.36 en XV.37 gevraagde informatie of de resultaten van de verificaties, inspecties of onderzoeken worden zo snel mogelijk verstrekt via het elektronische systeem voor de uitwisseling van informatie.
Art. XV.39. De bevoegde Belgische autoriteit die om wettelijke of praktische redenen geen gevolg kan geven aan een verzoek om informatie, verificaties, inspecties of onderzoeken, brengt de bevoegde autoriteit van de andere lidstaat daarvan zo snel mogelijk op de hoogte en vermeldt de redenen die zich tegen deze aanvraag verzetten. Indien na kennisgeving van deze weigering, deze laatste zich niet bij het standpunt van de bevoegde Belgische autoriteit kan neerleggen en geen enkele oplossing kan gevonden worden, wordt dit ter informatie meegedeeld aan de federale coördinator.
Art. XV.40. De bevoegde autoriteit van een andere lidstaat kan toegang verkrijgen tot de registers die toegankelijk zijn voor de bevoegde Belgische autoriteiten en op dezelfde voorwaarden.
Art. XV.41. § 1. De bevoegde Belgische autoriteit die wenst dat een autoriteit van een andere lidstaat haar informatie verstrekt of verificaties, inspecties of onderzoeken voert betreffende een dienstverrichter of zijn diensten, stuurt haar een met redenen omkleed verzoek via het elektronische systeem voor de uitwisseling van informatie.
§ 2. Indien de bevoegde autoriteit van de andere lidstaat niet aan de aanvraag voldoet en geen enkele oplossing kan gevonden worden, brengt de bevoegde Belgische autoriteit de federale coördinator daarvan op de hoogte.
Art. XV.42. De uitgewisselde informatie kan alleen gebruikt worden voor de aangelegenheden waarvoor ze gevraagd werd.
Art. XV.43. § 1. De bevoegde Belgische autoriteit oefent controle uit ten opzichte van dienstverrichters die in België zijn gevestigd, met inbegrip van de diensten die in een andere lidstaat zijn verricht of die in een andere lidstaat schade hebben veroorzaakt.
§ 2. Deze verplichting geldt niet voor :
1° de controle van de naleving van specifieke eisen die opgelegd worden door de lidstaat waar de dienst geleverd wordt, ongeacht de plaats van vestiging van de dienstverrichter;
2° de uitoefening van controles op het grondgebied van de lidstaat waar de dienst verricht wordt.
Deze controles worden in overeenstemming met artikel XV.41 op verzoek van de bevoegde Belgische autoriteit verricht door de lidstaat waar de dienstverrichter tijdelijk actief is.
Art. XV.44. Een bevoegde Belgische autoriteit kan alleen, betreffende een dienstverrichter die niet in België is gevestigd, op eigen initiatief verificaties, inspecties en onderzoeken in België verrichten, mits deze niet discriminatoir zijn, ze niet plaatsvinden omdat de dienstverrichter in een andere lidstaat gevestigd is en ze evenredig zijn.
Art. XV.45. § 1. Wanneer de bevoegde Belgische autoriteit kennis neemt van een gedraging, ernstige en specifieke handelingen of omstandigheden met betrekking tot een dienstverrichter of een dienstenactiviteit, die ernstige schade aan de gezondheid of veiligheid van personen of aan het milieu kunnen veroorzaken, stelt ze via een waarschuwingscoördinator via het elektronische systeem voor de uitwisseling van informatie de lidstaten en de Europese Commissie hiervan onverwijld in kennis, evenals de federale coördinator.
§ 2. Wanneer een waarschuwing gewijzigd moet worden of niet meer gerechtvaardigd is, stelt de bevoegde Belgische autoriteit de Europese Commissie en de lidstaten hiervan in kennis via het elektronische systeem voor de uitwisseling van informatie evenals de federale coördinator.
§ 3. De hierboven beschreven procedure geldt onverminderd gerechtelijke procedures.
Art. XV.46. § 1. In afwijking van artikel III.13 en alleen in uitzonderlijke omstandigheden kan de bevoegde minister of zijn gemachtigde, ten aanzien van een in een andere lidstaat gevestigde dienstverrichter, maatregelen nemen betreffende de veiligheid van diensten, en dit overeenkomstig de voorwaarden en procedures die van toepassing zijn voor het nemen van soortgelijke maatregelen ten opzichte van dienstverrichters die hun vestiging in België hebben. Deze maatregelen kunnen alleen worden genomen wanneer de in artikel XV.47 bedoelde procedure van wederzijdse bijstand in acht genomen is, en aan volgende voorwaarden is voldaan :
1° de bepalingen overeenkomstig welke de maatregelen worden genomen, vallen niet onder een communautaire harmonisatiemaatregel op het gebied van de veiligheid van diensten;
2° de maatregelen bieden de afnemer meer bescherming dan de maatregelen die de lidstaat van vestiging overeenkomstig zijn nationale bepalingen zou nemen;
3° de lidstaat van vestiging heeft geen maatregelen genomen of heeft maatregelen genomen die ontoereikend zijn in vergelijking met de in artikel XV.44. bedoelde maatregelen;
4° de maatregelen zijn evenredig.
§ 2. Paragraaf 1 doet geen afbreuk aan bepalingen van het Gemeenschapsrecht of op het Gemeenschapsrecht berustende bepalingen die het vrije verkeer van diensten waarborgen of afwijkingen daarop toestaan.
Art. XV.47. § 1. De bevoegde Belgische autoriteit, die in toepassing van artikel XV.46, § 1, voornemens is maatregelen te nemen om de veiligheid van diensten die in België worden verricht te waarborgen, stuurt via het elektronische systeem voor de uitwisseling van informatie een aanvraag om maatregelen te nemen aan de lidstaat van vestiging, met verstrekking van alle relevante informatie over de betrokken dienst en de omstandigheden ter zake.
§ 2. In voorkomend geval stelt de bevoegde Belgische autoriteit, na ontvangst van het antwoord van de lidstaat van vestiging of bij gebrek van antwoord binnen een redelijke termijn, de Europese Commissie en de lidstaat van vestiging via het elektronische systeem voor de uitwisseling van informatie in kennis van zijn voornemen om maatregelen te nemen, evenals de federale coördinator.
De mededeling vermeldt :
1° de redenen waarom de door de lidstaat van vestiging genomen of beoogde maatregelen naar het oordeel van de bevoegde autoriteit ongepast zijn;
2° de reden waarom de door hem beoogde maatregelen naar zijn oordeel aan de in artikel XV.46, § 1 bedoelde voorwaarden voldoen.
§ 3. De maatregelen kunnen niet eerder dan vijftien werkdagen na het sturen van een kennisgeving, conform paragraaf 2, aan de lidstaat van vestiging en aan de Europese Commissie genomen worden.
§ 4. In spoedeisende gevallen kan de bevoegde Belgische autoriteit van de paragrafen 1, 2 en 3 afwijken. In dit geval worden de Europese Commissie en de lidstaat van vestiging van de genomen maatregelen in kennis gesteld, met opgave van de redenen waarom er volgens de autoriteit sprake is van een spoedeisend karakter.
§ 5. De hierboven beschreven procedure geldt onverminderd gerechtelijke procedures.
Art. XV.48. Dit hoofdstuk geldt onverminderd de samenwerking inzake informatie in toepassing van de Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten.
Onderafdeling 3. Bescherming van persoonsgegevens.
Art. XV.49. Het doel van de gegevensuitwisseling beoogd in onderafdeling 2 is de goede administratieve samenwerking tussen lidstaten, controle van dienstverrichters en van hun diensten alsook de toepassing van de reglementeringen betreffende de dienstenactiviteiten.
Art. XV.50. § 1. Voor de uitwisseling van persoonsgegevens is elke bevoegde Belgische autoriteit een verantwoordelijke voor de verwerking.
§ 2. De verantwoordelijke voor de verwerking verstrekt aan de betrokken persoon onmiddellijk vanaf de gegevensregistratie of indien mededeling van gegevens aan een bevoegde autoriteit van een andere lidstaat beoogd wordt, ten laatste op het moment van de eerste mededeling van gegevens, de volgende gegevens, tenzij de persoon terzake reeds geïnformeerd is :
1° de naam en het adres van de verantwoordelijke voor de verwerking en, desgevallend, van zijn vertegenwoordiger;
2° het doel van de verwerking;
3° andere bijkomende informatie, met name :
a) de categorieën van de betrokken gegevens;
b) de ontvangers of de categorieën ontvangers;
c) het bestaan van een recht van inzage en verbetering van de hem betreffende gegevens.
§ 3. De verantwoordelijke voor de verwerking of desgevallend zijn vertegenwoordiger moet :
1° er nauwlettend over waken dat de gegevens worden bijgewerkt, dat de onjuiste, onvolledige of niet terzake dienende gegevens worden verbeterd of verwijderd;
2° ervoor zorgen dat voor de personen die onder zijn gezag handelen, de toegang tot de gegevens en de verwerkingsmogelijkheden beperkt blijven tot hetgeen deze personen nodig hebben voor de uitoefening van hun taken;
3° alle personen die onder zijn gezag handelen, kennis geven van de bepalingen van dit boek alsmede van alle relevante voorschriften inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer die bij het verwerken van persoonsgegevens gelden.
Art. XV.51. § 1. De persoonsgegevens dienen :
1° eerlijk en rechtmatig te worden verwerkt;
2° ingezameld te worden voor het doel beoogd in artikel XV.49 en niet verder te worden verwerkt worden op een manier die onverenigbaar is met dit doel;
3° toereikend, ter zake dienend en niet overmatig te zijn ten aanzien van het doel beoogd in artikel XV.49;
4° nauwkeurig te zijn en zo nodig te worden bijgewerkt.
§ 2. Het is aan de verantwoordelijke van de verwerking om de naleving van paragraaf 1 te verzekeren.
Art. XV.52. De verwerkte gegevens zijn :
1° persoonlijke gegevens die noodzakelijk zijn voor de identificatie van de dienstverrichter;
2° de gegevens met betrekking tot de tuchtstraffen van een dienstverrichter;
3° de gegevens met betrekking tot de administratieve sancties van een dienstverrichter;
4° de gegevens met betrekking tot de strafsancties van een dienstverrichter;
5° de gegevens van elk definitief vonnis inzake de insolvabiliteit in de zin van bijlage A van de Verordening EG 1346/2000 of het bedrieglijk faillissement van een dienstverrichter.
Art. XV.53. De bevoegde Belgische autoriteiten hebben als enige toegang tot de persoonsgegevens bedoeld in artikel XV.52.
Zij zijn onderworpen aan de naleving van het vertrouwelijkheidsprincipe en onderworpen aan het beroepsgeheim.
Art. XV.54. § 1. De persoonsgegevens bedoeld in artikel XV.52 worden enkel aan de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten meegedeeld.
§ 2. Als blijkt dat onjuiste persoonsgegevens werden doorgegeven of dat persoonsgegevens onrechtmatig werden doorgegeven, wordt de ontvanger hier onmiddellijk van in kennis gebracht.
Onnauwkeurige of onrechtmatig overgemaakte persoonsgegevens dienen onverwijld verbeterd, uitgewist of geblokkeerd te worden in overeenstemming met artikel 4, § 1, 4°, van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.
Art. XV.55. § 1. De persoonsgegevens verwerkt door de bevoegde Belgische autoriteit worden bewaard :
1° zolang als nodig om de doelstellingen bedoeld in artikel XV.49 te verwezenlijken;
2° hoogstens zo lang als de bijzondere wetgevingen van de bevoegde Belgische overheden voorzien.
De persoonsgegevens uitgewisseld tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten worden verwijderd door de bevoegde Belgische autoriteit die de gegevens ontvangt, zes maanden na de officiële beëindiging van een informatie-uitwisseling.
§ 2. De persoonlijke gegevens en de informatie-uitwisseling kunnen langer worden bewaard voor statistische doeleinden op voorwaarde dat alle persoonsgegevens anoniem worden gemaakt.
Art. XV.56. Elke bevoegde Belgische autoriteit neemt maatregelen om de veiligheid te verzekeren :
1° aan de ingang van de ruimten waar zich de apparatuur voor de gegevensverwerking bevindt;
2° van het geheugen van de computers die de gegevens verwerken;
3° van de dragers waarop de gegevens zijn opgeslagen;
4° van de invoering van de gegevens;
5° van de beschikbaarheid van de gegevens verwerkingen;
6° van de gegevensmededeling;
7° van de toegang tot de gegevensverwerkingen;
8° van de archiveringsmethoden;
9° wat de keuze betreft van de standaardtechnieken die gebruikt worden voor het beveiligen en het meedelen van gegevens.
Art. XV.57. In overeenstemming met de artikelen 10 en 12 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, beschikken de betrokkenen over de volgende rechten :
1° de betrokkene die zijn identiteit bewijst, heeft het recht om vanwege de verantwoordelijke voor de verwerking te verkrijgen :
a) kennis van het al dan niet bestaan van verwerkingen van hem betreffende gegevens alsmede ten minste informatie over de doeleinden van deze verwerkingen, van de categorieën gegevens waarop deze verwerkingen betrekking hebben en van de categorieën ontvangers aan wie de gegevens worden verstrekt;
b) verstrekking in begrijpelijke vorm van de gegevens zelf die worden verwerkt, alsmede alle beschikbare informatie over de oorsprong van die gegevens;
c) kennis van de mogelijkheid om de in de artikelen 12 en 14 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, bedoelde beroepen in te stellen.
Daartoe richt de betrokkene een gedagtekend en ondertekend verzoek aan de verantwoordelijke voor de verwerking.
De inlichtingen worden onverwijld en ten laatste binnen vijfenveertig dagen na ontvangst van het verzoek meegedeeld;
2° eenieder is gerechtigd alle onjuiste persoonsgegevens die op hem betrekking hebben kosteloos te doen verbeteren;
3° eenieder is tevens gerechtigd kosteloos de verwijdering van of het verbod op de aanwending van alle hem betreffende persoonsgegevens te bekomen die gelet op het doel van de verwerking, onvolledig of niet ter zake dienend zijn, of waarvan de registratie, de mededeling of de bewaring verboden zijn, of die na verloop van de toegestane duur zijn bewaard;
Om de in 2° en 3° bedoelde rechten uit te oefenen, dient de belanghebbende een gedagtekend en ondertekend verzoek in bij de verantwoordelijke voor de verwerking.
De verantwoordelijke voor de verwerking deelt binnen de maand die volgt op de indiening van het verzoek de verbeteringen of verwijderingen van gegevens mee aan de betrokkene.
Afdeling 2. Coördinatie en opvolging van de acties in het kader van titel 1 van boek III.
Onderafdeling 1. Toepassingsgebied.
Art. XV.35. Deze afdeling is van toepassing op de dienstenactiviteiten vermeld in artikel III.1.
Deze afdeling, en meer bepaald de bepalingen met betrekking tot de controle op de regels inzake de bescherming van persoonsgegevens, worden uitgevoerd en zijn van toepassing onverminderd de regels zoals bepaald in Richtlijn 95/46/EG, in Richtlijn 2002/58/EG, in de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, en van de voorziene regels inzake bescherming van persoonsgegevens, van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie en van de wet van 24 augustus 2005 tot omzetting van verschillende bepalingen van de Richtlijn financiële diensten op afstand en van de Richtlijn privacy en elektronische communicatie.
Onderafdeling 2. Principes.
Art. XV.36. § 1. De bevoegde Belgische autoriteit verstrekt, binnen de grenzen van haar bevoegdheden, aan de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat die een met redenen omkleed verzoek doet, iedere relevante informatie waarover ze beschikt in verband met een dienstverrichter en/of zijn diensten.
Ze verstrekt de gevraagde informatie met name betreffende de vestiging en de wettelijkheid van de verrichte diensten.
§ 2. De bevoegde Belgische autoriteit voert, binnen de grenzen van haar bevoegdheden, de verificaties, inspecties en onderzoeken uit die haar door de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat via een met redenen omkleed verzoek aangevraagd worden betreffende een dienstverrichter of zijn diensten.
Ze kan zelf bepalen wat in ieder individueel geval de meest geschikte maatregelen zijn om aan het verzoek van een bevoegde autoriteit van een andere lidstaat te voldoen.
Art. XV.37. § 1. De bevoegde Belgische autoriteit verstrekt binnen de grenzen van haar bevoegdheid aan de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat die een met redenen omkleed verzoek doet de definitieve beslissingen betreffende de tuchtrechtelijke of administratieve sancties van professionele aard in overeenstemming met de regels bepaald door de bijzondere wetgevingen of reglementeringen voor een zulke verstrekking.
Ze verstrekt ook binnen de grenzen van haar bevoegdheden en in overeenstemming met Boek II, Titel VII, Hoofdstuk I, van het Wetboek van strafvordering informatie over definitieve strafrechtelijke sancties van professionele aard evenals elk definitief vonnis betreffende de insolventie in de zin van bijlage A van de EG-Verordening 1346/2000, of het bedrieglijk faillissement waarin sprake is van frauduleuze praktijken van een dienstverrichter.
In de mededeling worden de overtreden wettelijke of reglementaire bepalingen vermeld.
§ 2. Deze mededeling geschiedt met naleving van de bepalingen tot bescherming van de persoonsgegevens en de rechten van de personen aan wie een sanctie is opgelegd of die veroordeeld zijn, met inbegrip van deze opgelegd door een beroepsorde.
§ 3. De bevoegde Belgische autoriteit die zulke informatie meedeelt, stelt de dienstverrichter daarvan in kennis.
Art. XV.38. De in uitvoering van de artikelen XV.36 en XV.37 gevraagde informatie of de resultaten van de verificaties, inspecties of onderzoeken worden zo snel mogelijk verstrekt via het elektronische systeem voor de uitwisseling van informatie.
Art. XV.39. De bevoegde Belgische autoriteit die om wettelijke of praktische redenen geen gevolg kan geven aan een verzoek om informatie, verificaties, inspecties of onderzoeken, brengt de bevoegde autoriteit van de andere lidstaat daarvan zo snel mogelijk op de hoogte en vermeldt de redenen die zich tegen deze aanvraag verzetten. Indien na kennisgeving van deze weigering, deze laatste zich niet bij het standpunt van de bevoegde Belgische autoriteit kan neerleggen en geen enkele oplossing kan gevonden worden, wordt dit ter informatie meegedeeld aan de federale coördinator.
Art. XV.40. De bevoegde autoriteit van een andere lidstaat kan toegang verkrijgen tot de registers die toegankelijk zijn voor de bevoegde Belgische autoriteiten en op dezelfde voorwaarden.
Art. XV.41. § 1. De bevoegde Belgische autoriteit die wenst dat een autoriteit van een andere lidstaat haar informatie verstrekt of verificaties, inspecties of onderzoeken voert betreffende een dienstverrichter of zijn diensten, stuurt haar een met redenen omkleed verzoek via het elektronische systeem voor de uitwisseling van informatie.
§ 2. Indien de bevoegde autoriteit van de andere lidstaat niet aan de aanvraag voldoet en geen enkele oplossing kan gevonden worden, brengt de bevoegde Belgische autoriteit de federale coördinator daarvan op de hoogte.
Art. XV.42. De uitgewisselde informatie kan alleen gebruikt worden voor de aangelegenheden waarvoor ze gevraagd werd.
Art. XV.43. § 1. De bevoegde Belgische autoriteit oefent controle uit ten opzichte van dienstverrichters die in België zijn gevestigd, met inbegrip van de diensten die in een andere lidstaat zijn verricht of die in een andere lidstaat schade hebben veroorzaakt.
§ 2. Deze verplichting geldt niet voor :
1° de controle van de naleving van specifieke eisen die opgelegd worden door de lidstaat waar de dienst geleverd wordt, ongeacht de plaats van vestiging van de dienstverrichter;
2° de uitoefening van controles op het grondgebied van de lidstaat waar de dienst verricht wordt.
Deze controles worden in overeenstemming met artikel XV.41 op verzoek van de bevoegde Belgische autoriteit verricht door de lidstaat waar de dienstverrichter tijdelijk actief is.
Art. XV.44. Een bevoegde Belgische autoriteit kan alleen, betreffende een dienstverrichter die niet in België is gevestigd, op eigen initiatief verificaties, inspecties en onderzoeken in België verrichten, mits deze niet discriminatoir zijn, ze niet plaatsvinden omdat de dienstverrichter in een andere lidstaat gevestigd is en ze evenredig zijn.
Art. XV.45. § 1. Wanneer de bevoegde Belgische autoriteit kennis neemt van een gedraging, ernstige en specifieke handelingen of omstandigheden met betrekking tot een dienstverrichter of een dienstenactiviteit, die ernstige schade aan de gezondheid of veiligheid van personen of aan het milieu kunnen veroorzaken, stelt ze via een waarschuwingscoördinator via het elektronische systeem voor de uitwisseling van informatie de lidstaten en de Europese Commissie hiervan onverwijld in kennis, evenals de federale coördinator.
§ 2. Wanneer een waarschuwing gewijzigd moet worden of niet meer gerechtvaardigd is, stelt de bevoegde Belgische autoriteit de Europese Commissie en de lidstaten hiervan in kennis via het elektronische systeem voor de uitwisseling van informatie evenals de federale coördinator.
§ 3. De hierboven beschreven procedure geldt onverminderd gerechtelijke procedures.
Art. XV.46. § 1. In afwijking van artikel III.13 en alleen in uitzonderlijke omstandigheden kan de bevoegde minister of zijn gemachtigde, ten aanzien van een in een andere lidstaat gevestigde dienstverrichter, maatregelen nemen betreffende de veiligheid van diensten, en dit overeenkomstig de voorwaarden en procedures die van toepassing zijn voor het nemen van soortgelijke maatregelen ten opzichte van dienstverrichters die hun vestiging in België hebben. Deze maatregelen kunnen alleen worden genomen wanneer de in artikel XV.47 bedoelde procedure van wederzijdse bijstand in acht genomen is, en aan volgende voorwaarden is voldaan :
1° de bepalingen overeenkomstig welke de maatregelen worden genomen, vallen niet onder een communautaire harmonisatiemaatregel op het gebied van de veiligheid van diensten;
2° de maatregelen bieden de afnemer meer bescherming dan de maatregelen die de lidstaat van vestiging overeenkomstig zijn nationale bepalingen zou nemen;
3° de lidstaat van vestiging heeft geen maatregelen genomen of heeft maatregelen genomen die ontoereikend zijn in vergelijking met de in artikel XV.44. bedoelde maatregelen;
4° de maatregelen zijn evenredig.
§ 2. Paragraaf 1 doet geen afbreuk aan bepalingen van het Gemeenschapsrecht of op het Gemeenschapsrecht berustende bepalingen die het vrije verkeer van diensten waarborgen of afwijkingen daarop toestaan.
Art. XV.47. § 1. De bevoegde Belgische autoriteit, die in toepassing van artikel XV.46, § 1, voornemens is maatregelen te nemen om de veiligheid van diensten die in België worden verricht te waarborgen, stuurt via het elektronische systeem voor de uitwisseling van informatie een aanvraag om maatregelen te nemen aan de lidstaat van vestiging, met verstrekking van alle relevante informatie over de betrokken dienst en de omstandigheden ter zake.
§ 2. In voorkomend geval stelt de bevoegde Belgische autoriteit, na ontvangst van het antwoord van de lidstaat van vestiging of bij gebrek van antwoord binnen een redelijke termijn, de Europese Commissie en de lidstaat van vestiging via het elektronische systeem voor de uitwisseling van informatie in kennis van zijn voornemen om maatregelen te nemen, evenals de federale coördinator.
De mededeling vermeldt :
1° de redenen waarom de door de lidstaat van vestiging genomen of beoogde maatregelen naar het oordeel van de bevoegde autoriteit ongepast zijn;
2° de reden waarom de door hem beoogde maatregelen naar zijn oordeel aan de in artikel XV.46, § 1 bedoelde voorwaarden voldoen.
§ 3. De maatregelen kunnen niet eerder dan vijftien werkdagen na het sturen van een kennisgeving, conform paragraaf 2, aan de lidstaat van vestiging en aan de Europese Commissie genomen worden.
§ 4. In spoedeisende gevallen kan de bevoegde Belgische autoriteit van de paragrafen 1, 2 en 3 afwijken. In dit geval worden de Europese Commissie en de lidstaat van vestiging van de genomen maatregelen in kennis gesteld, met opgave van de redenen waarom er volgens de autoriteit sprake is van een spoedeisend karakter.
§ 5. De hierboven beschreven procedure geldt onverminderd gerechtelijke procedures.
Art. XV.48. Dit hoofdstuk geldt onverminderd de samenwerking inzake informatie in toepassing van de Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten.
Onderafdeling 3. Bescherming van persoonsgegevens.
Art. XV.49. Het doel van de gegevensuitwisseling beoogd in onderafdeling 2 is de goede administratieve samenwerking tussen lidstaten, controle van dienstverrichters en van hun diensten alsook de toepassing van de reglementeringen betreffende de dienstenactiviteiten.
Art. XV.50. § 1. Voor de uitwisseling van persoonsgegevens is elke bevoegde Belgische autoriteit een verantwoordelijke voor de verwerking.
§ 2. De verantwoordelijke voor de verwerking verstrekt aan de betrokken persoon onmiddellijk vanaf de gegevensregistratie of indien mededeling van gegevens aan een bevoegde autoriteit van een andere lidstaat beoogd wordt, ten laatste op het moment van de eerste mededeling van gegevens, de volgende gegevens, tenzij de persoon terzake reeds geïnformeerd is :
1° de naam en het adres van de verantwoordelijke voor de verwerking en, desgevallend, van zijn vertegenwoordiger;
2° het doel van de verwerking;
3° andere bijkomende informatie, met name :
a) de categorieën van de betrokken gegevens;
b) de ontvangers of de categorieën ontvangers;
c) het bestaan van een recht van inzage en verbetering van de hem betreffende gegevens.
§ 3. De verantwoordelijke voor de verwerking of desgevallend zijn vertegenwoordiger moet :
1° er nauwlettend over waken dat de gegevens worden bijgewerkt, dat de onjuiste, onvolledige of niet terzake dienende gegevens worden verbeterd of verwijderd;
2° ervoor zorgen dat voor de personen die onder zijn gezag handelen, de toegang tot de gegevens en de verwerkingsmogelijkheden beperkt blijven tot hetgeen deze personen nodig hebben voor de uitoefening van hun taken;
3° alle personen die onder zijn gezag handelen, kennis geven van de bepalingen van dit boek alsmede van alle relevante voorschriften inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer die bij het verwerken van persoonsgegevens gelden.
Art. XV.51. § 1. De persoonsgegevens dienen :
1° eerlijk en rechtmatig te worden verwerkt;
2° ingezameld te worden voor het doel beoogd in artikel XV.49 en niet verder te worden verwerkt worden op een manier die onverenigbaar is met dit doel;
3° toereikend, ter zake dienend en niet overmatig te zijn ten aanzien van het doel beoogd in artikel XV.49;
4° nauwkeurig te zijn en zo nodig te worden bijgewerkt.
§ 2. Het is aan de verantwoordelijke van de verwerking om de naleving van paragraaf 1 te verzekeren.
Art. XV.52. De verwerkte gegevens zijn :
1° persoonlijke gegevens die noodzakelijk zijn voor de identificatie van de dienstverrichter;
2° de gegevens met betrekking tot de tuchtstraffen van een dienstverrichter;
3° de gegevens met betrekking tot de administratieve sancties van een dienstverrichter;
4° de gegevens met betrekking tot de strafsancties van een dienstverrichter;
5° de gegevens van elk definitief vonnis inzake de insolvabiliteit in de zin van bijlage A van de Verordening EG 1346/2000 of het bedrieglijk faillissement van een dienstverrichter.
Art. XV.53. De bevoegde Belgische autoriteiten hebben als enige toegang tot de persoonsgegevens bedoeld in artikel XV.52.
Zij zijn onderworpen aan de naleving van het vertrouwelijkheidsprincipe en onderworpen aan het beroepsgeheim.
Art. XV.54. § 1. De persoonsgegevens bedoeld in artikel XV.52 worden enkel aan de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten meegedeeld.
§ 2. Als blijkt dat onjuiste persoonsgegevens werden doorgegeven of dat persoonsgegevens onrechtmatig werden doorgegeven, wordt de ontvanger hier onmiddellijk van in kennis gebracht.
Onnauwkeurige of onrechtmatig overgemaakte persoonsgegevens dienen onverwijld verbeterd, uitgewist of geblokkeerd te worden in overeenstemming met artikel 4, § 1, 4°, van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.
Art. XV.55. § 1. De persoonsgegevens verwerkt door de bevoegde Belgische autoriteit worden bewaard :
1° zolang als nodig om de doelstellingen bedoeld in artikel XV.49 te verwezenlijken;
2° hoogstens zo lang als de bijzondere wetgevingen van de bevoegde Belgische overheden voorzien.
De persoonsgegevens uitgewisseld tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten worden verwijderd door de bevoegde Belgische autoriteit die de gegevens ontvangt, zes maanden na de officiële beëindiging van een informatie-uitwisseling.
§ 2. De persoonlijke gegevens en de informatie-uitwisseling kunnen langer worden bewaard voor statistische doeleinden op voorwaarde dat alle persoonsgegevens anoniem worden gemaakt.
Art. XV.56. Elke bevoegde Belgische autoriteit neemt maatregelen om de veiligheid te verzekeren :
1° aan de ingang van de ruimten waar zich de apparatuur voor de gegevensverwerking bevindt;
2° van het geheugen van de computers die de gegevens verwerken;
3° van de dragers waarop de gegevens zijn opgeslagen;
4° van de invoering van de gegevens;
5° van de beschikbaarheid van de gegevens verwerkingen;
6° van de gegevensmededeling;
7° van de toegang tot de gegevensverwerkingen;
8° van de archiveringsmethoden;
9° wat de keuze betreft van de standaardtechnieken die gebruikt worden voor het beveiligen en het meedelen van gegevens.
Art. XV.57. In overeenstemming met de artikelen 10 en 12 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, beschikken de betrokkenen over de volgende rechten :
1° de betrokkene die zijn identiteit bewijst, heeft het recht om vanwege de verantwoordelijke voor de verwerking te verkrijgen :
a) kennis van het al dan niet bestaan van verwerkingen van hem betreffende gegevens alsmede ten minste informatie over de doeleinden van deze verwerkingen, van de categorieën gegevens waarop deze verwerkingen betrekking hebben en van de categorieën ontvangers aan wie de gegevens worden verstrekt;
b) verstrekking in begrijpelijke vorm van de gegevens zelf die worden verwerkt, alsmede alle beschikbare informatie over de oorsprong van die gegevens;
c) kennis van de mogelijkheid om de in de artikelen 12 en 14 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, bedoelde beroepen in te stellen.
Daartoe richt de betrokkene een gedagtekend en ondertekend verzoek aan de verantwoordelijke voor de verwerking.
De inlichtingen worden onverwijld en ten laatste binnen vijfenveertig dagen na ontvangst van het verzoek meegedeeld;
2° eenieder is gerechtigd alle onjuiste persoonsgegevens die op hem betrekking hebben kosteloos te doen verbeteren;
3° eenieder is tevens gerechtigd kosteloos de verwijdering van of het verbod op de aanwending van alle hem betreffende persoonsgegevens te bekomen die gelet op het doel van de verwerking, onvolledig of niet ter zake dienend zijn, of waarvan de registratie, de mededeling of de bewaring verboden zijn, of die na verloop van de toegestane duur zijn bewaard;
Om de in 2° en 3° bedoelde rechten uit te oefenen, dient de belanghebbende een gedagtekend en ondertekend verzoek in bij de verantwoordelijke voor de verwerking.
De verantwoordelijke voor de verwerking deelt binnen de maand die volgt op de indiening van het verzoek de verbeteringen of verwijderingen van gegevens mee aan de betrokkene.
Art. 5. Dans le livre XV, titre 1er, chapitre 4, du même Code, une section 2 est insérée, rédigée comme suit :
Section 2. Coordination et suivi des actions dans le cadre du titre 1er du livre III.
Sous-section 1re. Champ d'application.
Art. XV.35. Cette section s'applique aux activités de service visées à l'article III.1.
Cette section et, en particulier, ses dispositions relatives au contrôle des règles en matière de protection des données à caractère personnel sont mises en oeuvre et s'appliquent sans préjudice des règles prévues dans la Directive 95/46/CE, dans la Directive 2002/58/CE, de la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel et des règles prévues en matière de protection des données à caractère personnel, dans la loi du 13 juin 2005 relative aux communications électroniques et dans la loi du 24 août 2005 visant à transposer certaines dispositions de la directive services financiers à distance et de la directive vie privée et communications électroniques.
Sous-section 2. Principes.
Art. XV.36. § 1er. L'autorité belge compétente communique, dans la limite de ses compétences, à l'autorité compétente d'un autre Etat membre qui lui en fait la demande motivée, toute information pertinente dont elle dispose concernant un prestataire et/ou ses services.
Elle communique les informations demandées concernant notamment l'établissement et la légalité des activités prestées.
§ 2. L'autorité belge compétente effectue, dans la limite de ses compétences, les vérifications, inspections, enquêtes concernant un prestataire de services ou ses services, qui lui sont demandées par l'autorité compétente d'un autre Etat membre par le biais d'une demande motivée.
Elle peut décider des mesures les plus appropriées à prendre dans chaque cas d'espèce pour répondre à la demande d'une autorité compétente d'un autre Etat membre.
Art. XV.37. § 1er. L'autorité belge compétente communique, dans la limite de ses compétences, à l'autorité compétente d'un autre Etat membre qui lui en fait la demande motivée, les décisions définitives relatives à des sanctions disciplinaires ou administratives à caractère professionnel, conformément aux règles fixées par les législations ou réglementations particulières pour une telle transmission.
Elle communique également, dans les limites de ses compétences et conformément au Livre II, Titre VII, Chapitre Ier, du Code d'instruction criminelle, les informations relatives à des sanctions pénales définitives à caractère professionnel ainsi que tout jugement définitif concernant l'insolvabilité au sens de l'annexe A du Règlement CE 1346/2000, ou la faillite frauduleuse d'un prestataire.
La communication mentionne les dispositions légales ou réglementaires enfreintes.
§ 2. Cette communication s'effectue dans le respect des dispositions visant à protéger les données à caractère personnel et les droits des personnes sanctionnées ou condamnées y compris ceux fixés par un ordre professionnel.
§ 3. L'autorité belge compétente qui communique de telles décisions en informe le prestataire.
Art. XV.38. Les informations demandées en application des articles XV.36. et XV.37. ou les résultats des vérifications, inspections ou enquêtes, sont communiqués, dans les plus brefs délais et via le système électronique d'échange d'informations.
Art. XV.39. L'autorité belge compétente qui, pour des raisons légales ou pratiques, ne peut faire suite à la demande d'informations ou de vérifications, inspections ou enquêtes, en informe l'autorité compétente de l'autre Etat membre dans les plus brefs délais en indiquant les motifs qui s'opposent à la demande. Si après notification de ce refus, cette dernière ne peut se rallier au point de vue de l'autorité belge compétente et qu'aucune solution ne peut être trouvée, ce constat est communiqué pour information au coordinateur fédéral.
Art. XV.40. L'autorité compétente d'un autre Etat membre peut obtenir un accès aux registres accessibles aux autorités belges compétentes et selon les mêmes conditions.
Art. XV.41. § 1er. L'autorité belge compétente qui désire qu'une autorité compétente d'un autre Etat membre lui communique des informations ou procède à des vérifications, inspections ou enquêtes concernant un prestataire ou ses services, lui adresse une demande motivée, via le système électronique d'échange d'informations.
§ 2. Si l'autorité compétente de l'autre Etat membre ne satisfait pas à la demande et qu'aucune solution ne peut être trouvée, l'autorité belge compétente en informe le coordinateur fédéral.
Art. XV.42. Les informations échangées ne peuvent être utilisées qu'aux fins pour lesquelles elles ont été demandées.
Art. XV.43. § 1er. L'autorité belge compétente exerce ses missions de contrôle vis-à-vis des prestataires établis en Belgique y compris lorsque le service est presté dans un autre Etat membre ou a causé un dommage dans cet autre Etat membre.
§ 2. Cette obligation ne s'étend pas :
1° au contrôle du respect des exigences spécifiques imposées à tout prestataire par l'Etat membre où le service est fourni, sans égard au lieu d'établissement du prestataire;
2° à l'exercice de contrôles sur le territoire de l'Etat membre où le service est presté.
Ces contrôles sont effectués par les autorités de l'Etat membre dans lequel le prestataire opère temporairement, à la demande de l'autorité belge compétente, conformément à l'article XV.41.
Art. XV.44. Une autorité belge compétente ne peut, concernant un prestataire non établi en Belgique, procéder d'initiative à des vérifications, inspections et enquêtes en Belgique que si ces dernières sont non-discriminatoires, ne sont pas motivées par le fait qu'il s'agit d'un prestataire ayant son établissement dans un autre Etat membre et sont proportionnées.
Art. XV.45. § 1er. Lorsque l'autorité belge compétente prend connaissance d'un comportement, de faits graves et précis ou de circonstances en rapport avec un prestataire ou une activité de service, susceptibles de causer un préjudice grave pour la santé ou la sécurité des personnes ou pour l'environnement, elle en informe, par le biais d'un coordinateur d'alerte, les Etats membres et la Commission européenne via le système d'échange électronique d'informations ainsi que le coordinateur fédéral.
§ 2. Lorsqu'une alerte doit être modifiée ou n'est plus justifiée, l'autorité belge compétente en informe par le biais d'un coordinateur d'alerte, la Commission européenne et les Etats membres via le système d'échange électronique d'informations ainsi que le coordinateur fédéral.
§ 3. La procédure décrite ci-dessus, s'applique sans préjudice des procédures judiciaires.
Art. XV.46. § 1er. Par dérogation à l'article III.13, et uniquement dans des circonstances exceptionnelles, le ministre compétent ou son délégué peut prendre, à l'encontre d'un prestataire ayant son établissement dans un autre Etat membre, des mesures relatives à la sécurité des services, et ce conformément aux conditions et procédures qui sont d'application pour la prise de mesures similaires envers des prestataires qui ont leur établissement en Belgique. Ces mesures ne peuvent être prises que dans le respect de la procédure d'assistance mutuelle prévue à l'article XV.47 et si les conditions suivantes sont réunies :
1° les dispositions en vertu desquelles les mesures sont prises n'ont pas fait l'objet d'une harmonisation communautaire dans le domaine de la sécurité des services;
2° les mesures sont plus protectrices pour le destinataire que celles que prendrait l'Etat membre d'établissement en vertu de ses dispositions nationales;
3° l'Etat membre d'établissement n'a pas pris de mesures ou a pris des mesures insuffisantes par rapport à celles visées à l'article XV.44;
4° les mesures sont proportionnées.
§ 2. Le paragraphe 1er n'affecte pas les dispositions qui, prévues par ou en vertu du droit communautaire, garantissent la libre circulation des services ou permettent des dérogations à celles-ci.
Art. XV.47. § 1er. L'autorité belge compétente qui envisage d'adopter des mesures pour assurer la sécurité des services prestés en Belgique en application de l'article XV.46, § 1er, adresse une demande à l'autorité compétente de l'Etat membre d'établissement en fournissant toutes les informations pertinentes sur le service en cause et les circonstances de l'espèce via le système électronique d'échange d'informations.
§ 2. Après réception de la réponse de l'Etat membre d'établissement ou en l'absence de réponse dans un délai raisonnable, l'autorité belge compétente communique le cas échéant, son intention d'adopter des mesures à la Commission européenne et à l'Etat membre d'établissement via le système électronique d'échange d'informations, ainsi qu'au coordinateur fédéral.
La communication précise :
1° les raisons pour lesquelles l'autorité compétente estime que les mesures proposées ou adoptées par l'Etat membre d'établissement sont insuffisantes;
2° les raisons pour lesquelles elle estime que les mesures envisagées respectent les conditions prévues à l'article XV.46, § 1er.
§ 3. Les mesures ne peuvent être adoptées que quinze jours ouvrables après qu'une notification, conformément au paragraphe 2, ait été adressée à l'Etat membre d'établissement et à la Commission européenne.
§ 4. En cas d'urgence, l'autorité belge compétente peut déroger aux paragraphes 1er, 2 et 3. Dans ce cas, les mesures adoptées sont notifiées à la Commission européenne et à l'Etat membre d'établissement, en indiquant les raisons pour lesquelles l'autorité estime qu'il y a urgence.
§ 5. La procédure décrite ci-dessus s'applique sans préjudice des procédures judiciaires.
Art. XV.48. Le présent chapitre ne porte pas préjudice à la coopération en matière d'information résultant de la mise en oeuvre de la Directive 96/71/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 décembre 1996 concernant le détachement de travailleurs effectué dans le cadre d'une prestation de services.
Sous-section 3. Protection des données à caractère personnel.
Art. XV.49. La finalité de l'échange de données visé à la soussection 2 est la bonne coopération administrative entre Etats membres, le contrôle des prestataires et de leurs services ainsi que l'application des réglementations relatives aux activités de services.
Art. XV.50. § 1er. Pour l'échange de données à caractère personnel, chaque autorité belge compétente est un responsable de traitement.
§ 2. Le responsable de traitement fournit à la personne concernée, dès l'enregistrement des données ou, si une communication de données à une autorité compétente d'un autre Etat membre est envisagée, au plus tard au moment de la première communication des données, les informations suivantes, sauf si la personne en est déjà informée :
1° le nom et l'adresse du responsable du traitement et, le cas échéant, de son représentant;
2° les finalités du traitement;
3° d'autres informations supplémentaires, notamment :
a) les catégories de données concernées;
b) les destinataires ou les catégories de destinataires;
c) l'existence d'un droit d'accès et de rectification des données la concernant.
§ 3. Le responsable du traitement ou, le cas échéant, son représentant, doit :
1° faire toute diligence pour tenir les données à jour, pour rectifier ou supprimer les données inexactes, incomplètes, ou non pertinentes;
2° veiller à ce que, pour les personnes agissant sous son autorité, l'accès aux données et les possibilités de traitement soient limités à ce dont ces personnes ont besoin pour l'exercice de leurs fonctions;
3° informer les personnes agissant sous son autorité des dispositions du présent livre, ainsi que de toute prescription pertinente, relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements des données à caractère personnel.
Art. XV.51. § 1er. Les données à caractère personnel sont :
1° traitées loyalement et licitement;
2° collectées pour la finalité visée à l'article XV.49 et ne sont pas traitées ultérieurement de manière incompatible avec cette finalité;
3° adéquates, pertinentes et non excessives au regard de la finalité visée à l'article XV.49;
4° exactes et, si nécessaire, mises à jour.
§ 2. Il incombe au responsable du traitement d'assurer le respect du paragraphe 1er.
Art. XV.52. Les données traitées sont :
1° les données à caractère personnel nécessaires à l'identification du prestataire;
2° les données relatives aux sanctions disciplinaires d'un prestataire;
3° les données relatives aux sanctions administratives d'un prestataire;
4° les données relatives aux sanctions pénales d'un prestataire;
5° les données de tout jugement définitif concernant l'insolvabilité au sens de l'annexe A du Règlement CE 1346/2000, ou la faillite frauduleuse d'un prestataire.
Art. XV.53. Les autorités belges compétentes ont seules accès aux données à caractère personnel visées à l'article XV.52.
Elles sont soumises au respect du principe de confidentialité et soumises au secret professionnel.
Art. XV.54. § 1er. Les données à caractère personnel visées à l'article XV.52 sont communiquées uniquement aux autorités compétentes d'autres Etats membres.
§ 2. S'il s'avère que des données à caractère personnel inexactes ont été transmises ou que des données à caractère personnel ont été transmises illicitement, le destinataire en est informé immédiatement.
Les données à caractère personnel inexactes ou transmises illicitement sont rectifiées, effacées ou verrouillées sans délais conformément à l'article 4, § 1er, 4°, de la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel.
Art. XV.55. § 1er. Les données à caractère personnel traitées par l'autorité belge compétente sont conservées :
1° le temps nécessaire à la réalisation des finalités visées à l'article XV.49;
2° au maximum aussi longtemps que les législations particulières des autorités belges compétentes le prévoient.
Les données à caractère personnel échangées entre les autorités compétentes des Etats membres sont supprimées par l'autorité belge compétente récipiendaire des données six mois après la clôture officielle d'un échange d'informations.
§ 2. Les données à caractère personnel et l'échange d'informations peuvent être conservées plus longtemps à des fins statistiques à condition que toutes les données à caractère personnel soient rendues anonymes.
Art. XV.56. Des mesures sont prises par chaque autorité belge compétente pour assurer la sécurité :
1° à l'entrée des locaux où se trouvent les installations pour les traitements de données;
2° de mémoire des ordinateurs traitant les données;
3° des supports sur lesquels les données sont stockées;
4° de l'introduction des données;
5° de disponibilité des traitements de données;
6° de la communication des données;
7° d'accès aux traitements de données;
8° des mécanismes d'archivage des données;
9° quant au choix des standards techniques utilisés pour la sauvegarde et la communication des données.
Art. XV.57. Conformément aux articles 10 et 12 de la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel, les intéressés disposent des droits suivants :
1° la personne concernée qui apporte la preuve de son identité a le droit d'obtenir du responsable du traitement :
a) la confirmation que des données la concernant sont ou ne sont pas traitées, ainsi que des informations portant au moins sur les finalités du traitement, les catégories de données sur lesquelles il porte et les catégories de destinataires auxquels les données sont communiquées;
b) la communication, sous une forme intelligible, des données faisant l'objet des traitements, ainsi que de toute information disponible sur l'origine de ces données;
c) un avertissement de la faculté d'exercer les recours prévus aux articles 12 et 14 de la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel.
A cette fin, la personne concernée adresse une demande datée et signée au responsable du traitement.
Les renseignements sont communiqués sans délai et au plus tard dans les quarante-cinq jours de la réception de la demande;
2° toute personne a le droit d'obtenir sans frais la rectification de toute donnée à caractère personnel inexacte qui la concerne;
3° toute personne a également le droit d'obtenir sans frais la suppression ou l'interdiction d'utilisation de toute donnée à caractère personnel la concernant qui, compte tenu du but du traitement, est incomplète ou non pertinente ou dont l'enregistrement, la communication ou la conservation sont interdits ou encore qui a été conservée au-delà de la période autorisée;
Pour exercer les droits visés aux 2° et 3°, l'intéressé adresse une demande datée et signée au responsable du traitement.
Le responsable du traitement communique à la personne concernée les rectifications ou effacements des données dans le mois qui suit l'introduction de la requête.
Section 2. Coordination et suivi des actions dans le cadre du titre 1er du livre III.
Sous-section 1re. Champ d'application.
Art. XV.35. Cette section s'applique aux activités de service visées à l'article III.1.
Cette section et, en particulier, ses dispositions relatives au contrôle des règles en matière de protection des données à caractère personnel sont mises en oeuvre et s'appliquent sans préjudice des règles prévues dans la Directive 95/46/CE, dans la Directive 2002/58/CE, de la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel et des règles prévues en matière de protection des données à caractère personnel, dans la loi du 13 juin 2005 relative aux communications électroniques et dans la loi du 24 août 2005 visant à transposer certaines dispositions de la directive services financiers à distance et de la directive vie privée et communications électroniques.
Sous-section 2. Principes.
Art. XV.36. § 1er. L'autorité belge compétente communique, dans la limite de ses compétences, à l'autorité compétente d'un autre Etat membre qui lui en fait la demande motivée, toute information pertinente dont elle dispose concernant un prestataire et/ou ses services.
Elle communique les informations demandées concernant notamment l'établissement et la légalité des activités prestées.
§ 2. L'autorité belge compétente effectue, dans la limite de ses compétences, les vérifications, inspections, enquêtes concernant un prestataire de services ou ses services, qui lui sont demandées par l'autorité compétente d'un autre Etat membre par le biais d'une demande motivée.
Elle peut décider des mesures les plus appropriées à prendre dans chaque cas d'espèce pour répondre à la demande d'une autorité compétente d'un autre Etat membre.
Art. XV.37. § 1er. L'autorité belge compétente communique, dans la limite de ses compétences, à l'autorité compétente d'un autre Etat membre qui lui en fait la demande motivée, les décisions définitives relatives à des sanctions disciplinaires ou administratives à caractère professionnel, conformément aux règles fixées par les législations ou réglementations particulières pour une telle transmission.
Elle communique également, dans les limites de ses compétences et conformément au Livre II, Titre VII, Chapitre Ier, du Code d'instruction criminelle, les informations relatives à des sanctions pénales définitives à caractère professionnel ainsi que tout jugement définitif concernant l'insolvabilité au sens de l'annexe A du Règlement CE 1346/2000, ou la faillite frauduleuse d'un prestataire.
La communication mentionne les dispositions légales ou réglementaires enfreintes.
§ 2. Cette communication s'effectue dans le respect des dispositions visant à protéger les données à caractère personnel et les droits des personnes sanctionnées ou condamnées y compris ceux fixés par un ordre professionnel.
§ 3. L'autorité belge compétente qui communique de telles décisions en informe le prestataire.
Art. XV.38. Les informations demandées en application des articles XV.36. et XV.37. ou les résultats des vérifications, inspections ou enquêtes, sont communiqués, dans les plus brefs délais et via le système électronique d'échange d'informations.
Art. XV.39. L'autorité belge compétente qui, pour des raisons légales ou pratiques, ne peut faire suite à la demande d'informations ou de vérifications, inspections ou enquêtes, en informe l'autorité compétente de l'autre Etat membre dans les plus brefs délais en indiquant les motifs qui s'opposent à la demande. Si après notification de ce refus, cette dernière ne peut se rallier au point de vue de l'autorité belge compétente et qu'aucune solution ne peut être trouvée, ce constat est communiqué pour information au coordinateur fédéral.
Art. XV.40. L'autorité compétente d'un autre Etat membre peut obtenir un accès aux registres accessibles aux autorités belges compétentes et selon les mêmes conditions.
Art. XV.41. § 1er. L'autorité belge compétente qui désire qu'une autorité compétente d'un autre Etat membre lui communique des informations ou procède à des vérifications, inspections ou enquêtes concernant un prestataire ou ses services, lui adresse une demande motivée, via le système électronique d'échange d'informations.
§ 2. Si l'autorité compétente de l'autre Etat membre ne satisfait pas à la demande et qu'aucune solution ne peut être trouvée, l'autorité belge compétente en informe le coordinateur fédéral.
Art. XV.42. Les informations échangées ne peuvent être utilisées qu'aux fins pour lesquelles elles ont été demandées.
Art. XV.43. § 1er. L'autorité belge compétente exerce ses missions de contrôle vis-à-vis des prestataires établis en Belgique y compris lorsque le service est presté dans un autre Etat membre ou a causé un dommage dans cet autre Etat membre.
§ 2. Cette obligation ne s'étend pas :
1° au contrôle du respect des exigences spécifiques imposées à tout prestataire par l'Etat membre où le service est fourni, sans égard au lieu d'établissement du prestataire;
2° à l'exercice de contrôles sur le territoire de l'Etat membre où le service est presté.
Ces contrôles sont effectués par les autorités de l'Etat membre dans lequel le prestataire opère temporairement, à la demande de l'autorité belge compétente, conformément à l'article XV.41.
Art. XV.44. Une autorité belge compétente ne peut, concernant un prestataire non établi en Belgique, procéder d'initiative à des vérifications, inspections et enquêtes en Belgique que si ces dernières sont non-discriminatoires, ne sont pas motivées par le fait qu'il s'agit d'un prestataire ayant son établissement dans un autre Etat membre et sont proportionnées.
Art. XV.45. § 1er. Lorsque l'autorité belge compétente prend connaissance d'un comportement, de faits graves et précis ou de circonstances en rapport avec un prestataire ou une activité de service, susceptibles de causer un préjudice grave pour la santé ou la sécurité des personnes ou pour l'environnement, elle en informe, par le biais d'un coordinateur d'alerte, les Etats membres et la Commission européenne via le système d'échange électronique d'informations ainsi que le coordinateur fédéral.
§ 2. Lorsqu'une alerte doit être modifiée ou n'est plus justifiée, l'autorité belge compétente en informe par le biais d'un coordinateur d'alerte, la Commission européenne et les Etats membres via le système d'échange électronique d'informations ainsi que le coordinateur fédéral.
§ 3. La procédure décrite ci-dessus, s'applique sans préjudice des procédures judiciaires.
Art. XV.46. § 1er. Par dérogation à l'article III.13, et uniquement dans des circonstances exceptionnelles, le ministre compétent ou son délégué peut prendre, à l'encontre d'un prestataire ayant son établissement dans un autre Etat membre, des mesures relatives à la sécurité des services, et ce conformément aux conditions et procédures qui sont d'application pour la prise de mesures similaires envers des prestataires qui ont leur établissement en Belgique. Ces mesures ne peuvent être prises que dans le respect de la procédure d'assistance mutuelle prévue à l'article XV.47 et si les conditions suivantes sont réunies :
1° les dispositions en vertu desquelles les mesures sont prises n'ont pas fait l'objet d'une harmonisation communautaire dans le domaine de la sécurité des services;
2° les mesures sont plus protectrices pour le destinataire que celles que prendrait l'Etat membre d'établissement en vertu de ses dispositions nationales;
3° l'Etat membre d'établissement n'a pas pris de mesures ou a pris des mesures insuffisantes par rapport à celles visées à l'article XV.44;
4° les mesures sont proportionnées.
§ 2. Le paragraphe 1er n'affecte pas les dispositions qui, prévues par ou en vertu du droit communautaire, garantissent la libre circulation des services ou permettent des dérogations à celles-ci.
Art. XV.47. § 1er. L'autorité belge compétente qui envisage d'adopter des mesures pour assurer la sécurité des services prestés en Belgique en application de l'article XV.46, § 1er, adresse une demande à l'autorité compétente de l'Etat membre d'établissement en fournissant toutes les informations pertinentes sur le service en cause et les circonstances de l'espèce via le système électronique d'échange d'informations.
§ 2. Après réception de la réponse de l'Etat membre d'établissement ou en l'absence de réponse dans un délai raisonnable, l'autorité belge compétente communique le cas échéant, son intention d'adopter des mesures à la Commission européenne et à l'Etat membre d'établissement via le système électronique d'échange d'informations, ainsi qu'au coordinateur fédéral.
La communication précise :
1° les raisons pour lesquelles l'autorité compétente estime que les mesures proposées ou adoptées par l'Etat membre d'établissement sont insuffisantes;
2° les raisons pour lesquelles elle estime que les mesures envisagées respectent les conditions prévues à l'article XV.46, § 1er.
§ 3. Les mesures ne peuvent être adoptées que quinze jours ouvrables après qu'une notification, conformément au paragraphe 2, ait été adressée à l'Etat membre d'établissement et à la Commission européenne.
§ 4. En cas d'urgence, l'autorité belge compétente peut déroger aux paragraphes 1er, 2 et 3. Dans ce cas, les mesures adoptées sont notifiées à la Commission européenne et à l'Etat membre d'établissement, en indiquant les raisons pour lesquelles l'autorité estime qu'il y a urgence.
§ 5. La procédure décrite ci-dessus s'applique sans préjudice des procédures judiciaires.
Art. XV.48. Le présent chapitre ne porte pas préjudice à la coopération en matière d'information résultant de la mise en oeuvre de la Directive 96/71/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 décembre 1996 concernant le détachement de travailleurs effectué dans le cadre d'une prestation de services.
Sous-section 3. Protection des données à caractère personnel.
Art. XV.49. La finalité de l'échange de données visé à la soussection 2 est la bonne coopération administrative entre Etats membres, le contrôle des prestataires et de leurs services ainsi que l'application des réglementations relatives aux activités de services.
Art. XV.50. § 1er. Pour l'échange de données à caractère personnel, chaque autorité belge compétente est un responsable de traitement.
§ 2. Le responsable de traitement fournit à la personne concernée, dès l'enregistrement des données ou, si une communication de données à une autorité compétente d'un autre Etat membre est envisagée, au plus tard au moment de la première communication des données, les informations suivantes, sauf si la personne en est déjà informée :
1° le nom et l'adresse du responsable du traitement et, le cas échéant, de son représentant;
2° les finalités du traitement;
3° d'autres informations supplémentaires, notamment :
a) les catégories de données concernées;
b) les destinataires ou les catégories de destinataires;
c) l'existence d'un droit d'accès et de rectification des données la concernant.
§ 3. Le responsable du traitement ou, le cas échéant, son représentant, doit :
1° faire toute diligence pour tenir les données à jour, pour rectifier ou supprimer les données inexactes, incomplètes, ou non pertinentes;
2° veiller à ce que, pour les personnes agissant sous son autorité, l'accès aux données et les possibilités de traitement soient limités à ce dont ces personnes ont besoin pour l'exercice de leurs fonctions;
3° informer les personnes agissant sous son autorité des dispositions du présent livre, ainsi que de toute prescription pertinente, relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements des données à caractère personnel.
Art. XV.51. § 1er. Les données à caractère personnel sont :
1° traitées loyalement et licitement;
2° collectées pour la finalité visée à l'article XV.49 et ne sont pas traitées ultérieurement de manière incompatible avec cette finalité;
3° adéquates, pertinentes et non excessives au regard de la finalité visée à l'article XV.49;
4° exactes et, si nécessaire, mises à jour.
§ 2. Il incombe au responsable du traitement d'assurer le respect du paragraphe 1er.
Art. XV.52. Les données traitées sont :
1° les données à caractère personnel nécessaires à l'identification du prestataire;
2° les données relatives aux sanctions disciplinaires d'un prestataire;
3° les données relatives aux sanctions administratives d'un prestataire;
4° les données relatives aux sanctions pénales d'un prestataire;
5° les données de tout jugement définitif concernant l'insolvabilité au sens de l'annexe A du Règlement CE 1346/2000, ou la faillite frauduleuse d'un prestataire.
Art. XV.53. Les autorités belges compétentes ont seules accès aux données à caractère personnel visées à l'article XV.52.
Elles sont soumises au respect du principe de confidentialité et soumises au secret professionnel.
Art. XV.54. § 1er. Les données à caractère personnel visées à l'article XV.52 sont communiquées uniquement aux autorités compétentes d'autres Etats membres.
§ 2. S'il s'avère que des données à caractère personnel inexactes ont été transmises ou que des données à caractère personnel ont été transmises illicitement, le destinataire en est informé immédiatement.
Les données à caractère personnel inexactes ou transmises illicitement sont rectifiées, effacées ou verrouillées sans délais conformément à l'article 4, § 1er, 4°, de la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel.
Art. XV.55. § 1er. Les données à caractère personnel traitées par l'autorité belge compétente sont conservées :
1° le temps nécessaire à la réalisation des finalités visées à l'article XV.49;
2° au maximum aussi longtemps que les législations particulières des autorités belges compétentes le prévoient.
Les données à caractère personnel échangées entre les autorités compétentes des Etats membres sont supprimées par l'autorité belge compétente récipiendaire des données six mois après la clôture officielle d'un échange d'informations.
§ 2. Les données à caractère personnel et l'échange d'informations peuvent être conservées plus longtemps à des fins statistiques à condition que toutes les données à caractère personnel soient rendues anonymes.
Art. XV.56. Des mesures sont prises par chaque autorité belge compétente pour assurer la sécurité :
1° à l'entrée des locaux où se trouvent les installations pour les traitements de données;
2° de mémoire des ordinateurs traitant les données;
3° des supports sur lesquels les données sont stockées;
4° de l'introduction des données;
5° de disponibilité des traitements de données;
6° de la communication des données;
7° d'accès aux traitements de données;
8° des mécanismes d'archivage des données;
9° quant au choix des standards techniques utilisés pour la sauvegarde et la communication des données.
Art. XV.57. Conformément aux articles 10 et 12 de la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel, les intéressés disposent des droits suivants :
1° la personne concernée qui apporte la preuve de son identité a le droit d'obtenir du responsable du traitement :
a) la confirmation que des données la concernant sont ou ne sont pas traitées, ainsi que des informations portant au moins sur les finalités du traitement, les catégories de données sur lesquelles il porte et les catégories de destinataires auxquels les données sont communiquées;
b) la communication, sous une forme intelligible, des données faisant l'objet des traitements, ainsi que de toute information disponible sur l'origine de ces données;
c) un avertissement de la faculté d'exercer les recours prévus aux articles 12 et 14 de la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel.
A cette fin, la personne concernée adresse une demande datée et signée au responsable du traitement.
Les renseignements sont communiqués sans délai et au plus tard dans les quarante-cinq jours de la réception de la demande;
2° toute personne a le droit d'obtenir sans frais la rectification de toute donnée à caractère personnel inexacte qui la concerne;
3° toute personne a également le droit d'obtenir sans frais la suppression ou l'interdiction d'utilisation de toute donnée à caractère personnel la concernant qui, compte tenu du but du traitement, est incomplète ou non pertinente ou dont l'enregistrement, la communication ou la conservation sont interdits ou encore qui a été conservée au-delà de la période autorisée;
Pour exercer les droits visés aux 2° et 3°, l'intéressé adresse une demande datée et signée au responsable du traitement.
Le responsable du traitement communique à la personne concernée les rectifications ou effacements des données dans le mois qui suit l'introduction de la requête.
Art. 6. In boek XV, titel 2, hoofdstuk 2, van hetzelfde Wetboek wordt een afdeling 1 ingevoegd, luidende :
" Afdeling 1. Bestuurlijke sancties in het kader van boek III.
Art. XV.63. De Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie wordt belast met de controle en het toezicht op de ondernemingsloketten.
Art. XV.64. § 1. De met de controle op de ondernemingsloketten belaste dienst ziet toe op de goede uitvoering door de ondernemingsloketten van de hun in uitvoering van dit wetboek of andere wetten toegewezen taken.
§ 2. Indien wordt vastgesteld dat niet alle voorwaarden in acht werden genomen door het ondernemingsloket, vraagt hij de beheersdienst de inschrijving of wijziging te schrappen met toepassing van artikel III.38.
§ 3. Hij kan, overeenkomstig artikel XV.65, een sanctie voorstellen ten laste van een ondernemingsloket dat niet alle vereiste voorwaarden en voorschriften in acht heeft genomen.
Art. XV.65. § 1. Indien bij een controle blijkt dat een ondernemingsloket zijn opdrachten niet correct vervult, de verplichtingen bedoeld in de artikelen III.70 tot 72 niet naleeft, of de uitoefening van de taken bedoeld in de artikelen XV.3, XV.63 en XV.64 belemmert, kan de dienst belast met de controle :
1° bij aangetekende zending aan het ondernemingsloket een waarschuwing laten geworden op de wijze zoals bepaald in het artikel XV.31;
2° wanneer, binnen de vastgestelde termijn, geen gevolg gegeven wordt aan de waarschuwing bedoeld onder 1°, een bestuurlijke geldboete opleggen ten belope van minimaal 100 euro tot maximaal het drievoudige van de in het afgelopen kalenderjaar door het betreffende ondernemingsloket in toepassing van artikel III.73 ontvangen vergoedingen,
3° bij herhaling of bij de overtreding van verschillende van de onder paragraaf 1 bedoelde bepalingen, de schorsing of de intrekking van de erkenning van het betreffende ondernemingsloket voorstellen aan de minister die de Middenstand onder zijn bevoegdheid heeft.
§ 2. Vooraleer de in paragraaf 1, 2°, bedoelde bestuurlijke geldboete op te leggen, of de in paragraaf 1, 3°, bedoelde schorsing of intrekking van de erkenning voor te stellen, geeft de met de controle belaste dienst aan het ondernemingsloket de mogelijkheid gehoord te worden. De dienst richt daartoe bij aangetekende zending een oproep met vermelding van de aangeklaagde feiten, de overtreden bepalingen, de raadplegingsmodaliteiten van het dossier en de datum van de hoorzitting die slechts ten vroegste vijftien dagen na de verzending van de oproep kan vastgelegd worden.
§ 3. De onder paragraaf 1, 1° en 2°, bedoelde verwittigingen en sancties kunnen, binnen de zestig dagen volgend op hun bekendmaking, het voorwerp uitmaken van een beroep, bij aangetekende zending gericht aan de minister. De minister of de daartoe gemachtigde ambtenaren horen de belanghebbenden en spreken zich uit binnen de zestig dagen die volgen op de indiening van het beroep. De beslissingen worden bij aangetekende zending bekendgemaakt. Het beroep werkt opschortend.
" Afdeling 1. Bestuurlijke sancties in het kader van boek III.
Art. XV.63. De Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie wordt belast met de controle en het toezicht op de ondernemingsloketten.
Art. XV.64. § 1. De met de controle op de ondernemingsloketten belaste dienst ziet toe op de goede uitvoering door de ondernemingsloketten van de hun in uitvoering van dit wetboek of andere wetten toegewezen taken.
§ 2. Indien wordt vastgesteld dat niet alle voorwaarden in acht werden genomen door het ondernemingsloket, vraagt hij de beheersdienst de inschrijving of wijziging te schrappen met toepassing van artikel III.38.
§ 3. Hij kan, overeenkomstig artikel XV.65, een sanctie voorstellen ten laste van een ondernemingsloket dat niet alle vereiste voorwaarden en voorschriften in acht heeft genomen.
Art. XV.65. § 1. Indien bij een controle blijkt dat een ondernemingsloket zijn opdrachten niet correct vervult, de verplichtingen bedoeld in de artikelen III.70 tot 72 niet naleeft, of de uitoefening van de taken bedoeld in de artikelen XV.3, XV.63 en XV.64 belemmert, kan de dienst belast met de controle :
1° bij aangetekende zending aan het ondernemingsloket een waarschuwing laten geworden op de wijze zoals bepaald in het artikel XV.31;
2° wanneer, binnen de vastgestelde termijn, geen gevolg gegeven wordt aan de waarschuwing bedoeld onder 1°, een bestuurlijke geldboete opleggen ten belope van minimaal 100 euro tot maximaal het drievoudige van de in het afgelopen kalenderjaar door het betreffende ondernemingsloket in toepassing van artikel III.73 ontvangen vergoedingen,
3° bij herhaling of bij de overtreding van verschillende van de onder paragraaf 1 bedoelde bepalingen, de schorsing of de intrekking van de erkenning van het betreffende ondernemingsloket voorstellen aan de minister die de Middenstand onder zijn bevoegdheid heeft.
§ 2. Vooraleer de in paragraaf 1, 2°, bedoelde bestuurlijke geldboete op te leggen, of de in paragraaf 1, 3°, bedoelde schorsing of intrekking van de erkenning voor te stellen, geeft de met de controle belaste dienst aan het ondernemingsloket de mogelijkheid gehoord te worden. De dienst richt daartoe bij aangetekende zending een oproep met vermelding van de aangeklaagde feiten, de overtreden bepalingen, de raadplegingsmodaliteiten van het dossier en de datum van de hoorzitting die slechts ten vroegste vijftien dagen na de verzending van de oproep kan vastgelegd worden.
§ 3. De onder paragraaf 1, 1° en 2°, bedoelde verwittigingen en sancties kunnen, binnen de zestig dagen volgend op hun bekendmaking, het voorwerp uitmaken van een beroep, bij aangetekende zending gericht aan de minister. De minister of de daartoe gemachtigde ambtenaren horen de belanghebbenden en spreken zich uit binnen de zestig dagen die volgen op de indiening van het beroep. De beslissingen worden bij aangetekende zending bekendgemaakt. Het beroep werkt opschortend.
Art. 6. Dans le livre XV, titre 2, chapitre 2, du même Code, une section 1re est insérée, rédigée comme suit :
Section 1re. Sanctions administratives dans le cadre du livre III.
Art. XV.63. Le Service public fédéral Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie est chargé du contrôle et la surveillance des guichets d'entreprises.
Art. XV.64. § 1er. Le service chargé du contrôle des guichets d'entreprises vérifie la bonne exécution par ces derniers des missions qui leur sont confiées par ou en exécution du présent code ou d'autres lois.
§ 2. S'il constate que toutes les conditions n'ont pas été prises en compte par le guichet d'entreprises, il demande au service de gestion la radiation de l'inscription ou de la modification en application de l'article III.38.
§ 3. Il peut, conformément à l'article XV.65, proposer de sanctionner un guichet d'entreprises qui n'a pas pris en compte les conditions et formalités requises.
Art. XV.65. § 1er. Lorsqu'il est constaté lors d'un contrôle qu'un guichet d'entreprises n'exécute pas correctement ses missions, manque aux obligations visées par les articles III.70 à 72 ou entrave l'exercice des missions visées aux articles XV.3, XV.63 et XV.64, le service chargé du contrôle peut :
1° notifier au guichet d'entreprises, par envoi recommandé, un avertissement selon le mode défini à l'article XV.31;
2° lorsqu'il n'est pas donné suite, dans le délai fixé, à l'avertissement visé au point 1°, infliger une amende administrative d'un montant minimum de 100 euros et allant au maximum jusqu'au triple des rémunérations perçues par le guichet d'entreprise concerné dans l'année civile précédente en application de l'article III.73;
3° en cas de récidive ou de concours de manquements à plusieurs des dispositions visées au paragraphe 1er, proposer la suspension ou le retrait de l'agrément du guichet d'entreprises au ministre qui a les classes moyennes dans ses attributions.
§ 2. Avant de notifier l'amende administrative visée au paragraphe 1er, 2°, ou de proposer la suspension ou le retrait de l'agrément visés au paragraphe 1er, 3°, le service chargé du contrôle donne au guichet d'entreprises concerné la possibilité de se faire entendre. Il adresse à cet effet une convocation par envoi recommandé, mentionnant les faits constatés, les dispositions enfreintes, les modalités de consultation du dossier et la date de l'audition, laquelle ne peut être fixée que quinze jours au plus tôt après l'envoi de la convocation.
§ 3. Les avertissements et sanctions visés au paragraphe 1er, 1° et 2°, peuvent faire l'objet, dans les soixante jours suivant leur notification, d'un recours, par envoi recommandé, auprès du ministre. Le ministre ou les fonctionnaires délégués à cet effet entendent les intéressés et prononcent leur décision dans les soixante jours qui suivent l'introduction du recours. Les décisions sont notifiées par envoi recommandé. Le recours est suspensif.
Section 1re. Sanctions administratives dans le cadre du livre III.
Art. XV.63. Le Service public fédéral Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie est chargé du contrôle et la surveillance des guichets d'entreprises.
Art. XV.64. § 1er. Le service chargé du contrôle des guichets d'entreprises vérifie la bonne exécution par ces derniers des missions qui leur sont confiées par ou en exécution du présent code ou d'autres lois.
§ 2. S'il constate que toutes les conditions n'ont pas été prises en compte par le guichet d'entreprises, il demande au service de gestion la radiation de l'inscription ou de la modification en application de l'article III.38.
§ 3. Il peut, conformément à l'article XV.65, proposer de sanctionner un guichet d'entreprises qui n'a pas pris en compte les conditions et formalités requises.
Art. XV.65. § 1er. Lorsqu'il est constaté lors d'un contrôle qu'un guichet d'entreprises n'exécute pas correctement ses missions, manque aux obligations visées par les articles III.70 à 72 ou entrave l'exercice des missions visées aux articles XV.3, XV.63 et XV.64, le service chargé du contrôle peut :
1° notifier au guichet d'entreprises, par envoi recommandé, un avertissement selon le mode défini à l'article XV.31;
2° lorsqu'il n'est pas donné suite, dans le délai fixé, à l'avertissement visé au point 1°, infliger une amende administrative d'un montant minimum de 100 euros et allant au maximum jusqu'au triple des rémunérations perçues par le guichet d'entreprise concerné dans l'année civile précédente en application de l'article III.73;
3° en cas de récidive ou de concours de manquements à plusieurs des dispositions visées au paragraphe 1er, proposer la suspension ou le retrait de l'agrément du guichet d'entreprises au ministre qui a les classes moyennes dans ses attributions.
§ 2. Avant de notifier l'amende administrative visée au paragraphe 1er, 2°, ou de proposer la suspension ou le retrait de l'agrément visés au paragraphe 1er, 3°, le service chargé du contrôle donne au guichet d'entreprises concerné la possibilité de se faire entendre. Il adresse à cet effet une convocation par envoi recommandé, mentionnant les faits constatés, les dispositions enfreintes, les modalités de consultation du dossier et la date de l'audition, laquelle ne peut être fixée que quinze jours au plus tôt après l'envoi de la convocation.
§ 3. Les avertissements et sanctions visés au paragraphe 1er, 1° et 2°, peuvent faire l'objet, dans les soixante jours suivant leur notification, d'un recours, par envoi recommandé, auprès du ministre. Le ministre ou les fonctionnaires délégués à cet effet entendent les intéressés et prononcent leur décision dans les soixante jours qui suivent l'introduction du recours. Les décisions sont notifiées par envoi recommandé. Le recours est suspensif.
Art. 7. In boek XV, titel 3, hoofdstuk 2, van hetzelfde Wetboek, wordt een afdeling 1 ingevoegd, luidende :
" Afdeling 1. De straffen voor de inbreuken op boek III.
Art. XV.75. Met een sanctie van niveau 2 worden gestraft :
1° de natuurlijke personen die koopman zijn en de bestuurders, zaakvoerders, directeurs en procuratiehouders van rechtspersonen, die wetens de bepalingen overtreden van de artikelen III.82 en III.83, eerste en derde lid, van de artikelen III.84 tot III.89 of van de ter uitvoering van artikel III.84, zesde lid, van artikel III.87, § 2, van artikel III.89, § 2 en van de artikelen III.90 en III.91 genomen besluiten.
2° zij die in de hoedanigheid van commissaris, bedrijfsrevisor of onafhankelijk deskundige rekeningen, jaarrekeningen, balansen en resultatenrekeningen of geconsolideerde rekeningen van ondernemingen attesteren of goedkeuren, terwijl niet is voldaan aan de in het eerste lid genoemde bepalingen, en daarvan kennis hebben of niet hebben gedaan wat zij hadden moeten doen om zich te vergewissen of aan die bepalingen is voldaan.
De personen onder 1° en 2° worden gestraft met een sanctie van niveau 4 als zij met bedrieglijk opzet hebben gehandeld.
De natuurlijke personen die koopman zijn, op wie artikel III.85 van toepassing is, en de zaakvoerders, directeurs of procuratiehouders van vennootschappen waarop datzelfde artikel van toepassing is, worden wegens overtreding van de bepalingen van de artikelen III.85 en III.89 en van die van de artikelen III.86 tot III.88 en van de besluiten ter uitvoering daarvan, in zover zij betrekking hebben op de boeken waarvan sprake is in de artikelen III.85 en III.89, alleen dan met de in vorige leden gestelde straffen gestraft, wanneer de onderneming failliet is verklaard.
Art. XV.76. Met een sanctie van niveau 1 worden gestraft, zij die :
1° de bepalingen overtreden van het artikel III.25;
2° verzuimen om de in artikel III.52 bepaalde doorhaling te vorderen;
Art. XV.77. Met een sanctie van niveau 2 worden gestraft, zij die :
1° gehouden zijn zich in te schrijven met de handelshoedanigheid of niet handelshoedanigheid naar privaat recht in de Kruispuntbank van Ondernemingen en die activiteiten uitoefenen zonder daarvoor de inschrijving gevraagd te hebben van deze hoedanigheid;
2° met handelshoedanigheid of niet-handelshoedanigheid naar privaat recht ingeschreven zijn, en die activiteiten uitoefenen of een vestigingseenheid uitbaten die niet in de Kruispuntbank van Ondernemingen zijn ingeschreven;
3° wetens een onjuist verzoek tot inschrijving, wijziging of doorhaling in de Kruispuntbank van Ondernemingen indienen;
4° de beslissingen of besluiten bedoeld in artikel III.30 overtreden;
5° het uitoefenen van de rechten zoals bepaald in artikel III.32 verhinderen;
6° die een wijziging van hun inschrijving van de handelshoedanigheid of niet handelshoedanigheid naar privaat recht niet binnen de bij artikel III.51 gestelde termijn hebben gevraagd;
7° de bepalingen overtreden van de artikelen III.74 tot III.77 en III.81.
Art. XV.78. Met een sanctie van niveau 3 worden gestraft, zij die :
1° een economische activiteit uitoefenen nadat de inschrijving met handelshoedanigheid of met niet-handelsonderneming naar privaat recht hen werd geweigerd of nadat deze werd doorgehaald;
2° drie dagen na de betekening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest van veroordeling, de hen verboden economische activiteit verder uitoefenen.
Het openbaar ministerie doet bovendien het lokaal waarin de activiteit wordt uitgeoefend verzegelen of treft iedere andere gepaste maatregel.
Art. XV.79. Met een sanctie van niveau 4 worden gestraft, zij die de besluiten genomen ter uitvoering van artikel III.33 overtreden.
" Afdeling 1. De straffen voor de inbreuken op boek III.
Art. XV.75. Met een sanctie van niveau 2 worden gestraft :
1° de natuurlijke personen die koopman zijn en de bestuurders, zaakvoerders, directeurs en procuratiehouders van rechtspersonen, die wetens de bepalingen overtreden van de artikelen III.82 en III.83, eerste en derde lid, van de artikelen III.84 tot III.89 of van de ter uitvoering van artikel III.84, zesde lid, van artikel III.87, § 2, van artikel III.89, § 2 en van de artikelen III.90 en III.91 genomen besluiten.
2° zij die in de hoedanigheid van commissaris, bedrijfsrevisor of onafhankelijk deskundige rekeningen, jaarrekeningen, balansen en resultatenrekeningen of geconsolideerde rekeningen van ondernemingen attesteren of goedkeuren, terwijl niet is voldaan aan de in het eerste lid genoemde bepalingen, en daarvan kennis hebben of niet hebben gedaan wat zij hadden moeten doen om zich te vergewissen of aan die bepalingen is voldaan.
De personen onder 1° en 2° worden gestraft met een sanctie van niveau 4 als zij met bedrieglijk opzet hebben gehandeld.
De natuurlijke personen die koopman zijn, op wie artikel III.85 van toepassing is, en de zaakvoerders, directeurs of procuratiehouders van vennootschappen waarop datzelfde artikel van toepassing is, worden wegens overtreding van de bepalingen van de artikelen III.85 en III.89 en van die van de artikelen III.86 tot III.88 en van de besluiten ter uitvoering daarvan, in zover zij betrekking hebben op de boeken waarvan sprake is in de artikelen III.85 en III.89, alleen dan met de in vorige leden gestelde straffen gestraft, wanneer de onderneming failliet is verklaard.
Art. XV.76. Met een sanctie van niveau 1 worden gestraft, zij die :
1° de bepalingen overtreden van het artikel III.25;
2° verzuimen om de in artikel III.52 bepaalde doorhaling te vorderen;
Art. XV.77. Met een sanctie van niveau 2 worden gestraft, zij die :
1° gehouden zijn zich in te schrijven met de handelshoedanigheid of niet handelshoedanigheid naar privaat recht in de Kruispuntbank van Ondernemingen en die activiteiten uitoefenen zonder daarvoor de inschrijving gevraagd te hebben van deze hoedanigheid;
2° met handelshoedanigheid of niet-handelshoedanigheid naar privaat recht ingeschreven zijn, en die activiteiten uitoefenen of een vestigingseenheid uitbaten die niet in de Kruispuntbank van Ondernemingen zijn ingeschreven;
3° wetens een onjuist verzoek tot inschrijving, wijziging of doorhaling in de Kruispuntbank van Ondernemingen indienen;
4° de beslissingen of besluiten bedoeld in artikel III.30 overtreden;
5° het uitoefenen van de rechten zoals bepaald in artikel III.32 verhinderen;
6° die een wijziging van hun inschrijving van de handelshoedanigheid of niet handelshoedanigheid naar privaat recht niet binnen de bij artikel III.51 gestelde termijn hebben gevraagd;
7° de bepalingen overtreden van de artikelen III.74 tot III.77 en III.81.
Art. XV.78. Met een sanctie van niveau 3 worden gestraft, zij die :
1° een economische activiteit uitoefenen nadat de inschrijving met handelshoedanigheid of met niet-handelsonderneming naar privaat recht hen werd geweigerd of nadat deze werd doorgehaald;
2° drie dagen na de betekening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest van veroordeling, de hen verboden economische activiteit verder uitoefenen.
Het openbaar ministerie doet bovendien het lokaal waarin de activiteit wordt uitgeoefend verzegelen of treft iedere andere gepaste maatregel.
Art. XV.79. Met een sanctie van niveau 4 worden gestraft, zij die de besluiten genomen ter uitvoering van artikel III.33 overtreden.
Art. 7. Dans le livre XV, titre 3, chapitre 2 du même Code, une section 1re est insérée, rédigée comme suit :
" Section 1re. Les peines relatives aux infractions au livre III.
Art. XV.75. Sont punis d'une sanction de niveau 2 :
1° les commerçants personnes physiques et les administrateurs, gérants, directeurs ou fondés de pouvoirs de personnes morales qui sciemment contreviennent aux dispositions des articles III.82 et III.83, alinéas 1er et 3, des articles III.84 à III.89 ou des arrêtés pris en exécution de l'article III.84, alinéa 6, de l'article III.87, § 2, de l'article III.89, § 2 et des articles III.90 et III.91.
2° ceux qui en qualité de commissaire, de réviseur d'entreprises ou d'expert indépendant ont attesté ou approuvé des comptes, comptes annuels, bilans, comptes de résultats ou comptes consolidés d'entreprises, lorsque les dispositions visées au point 1° n'ont pas été respectées, soit en sachant qu'elles ne l'avaient pas été, soit en ayant pas accompli les diligences normales pour s'assurer qu'elles avaient été respectées.
Les personnes visés aux 1° ou 2° sont punies d'une sanction de niveau 4 si elles ont agi avec une intention frauduleuse.
Les commerçants, personnes physiques, auxquels s'applique l'article III.85, et les gérants, directeurs ou fondés de pouvoirs de sociétés auxquelles s'applique ce même article, ne sont toutefois punis des sanctions prévues aux alinéas précédents pour avoir méconnu les dispositions des articles III.85 et III.89 et celles des articles III.86 à III.88 et de leurs arrêtés d'exécution en tant qu'elles concernent les livres prévus aux articles III.85 et III. 89 que si l'entreprise a été déclarée en faillite.
Art. XV.76. Sont punis d'une sanction de niveau 1, ceux qui :
1° commettent une infraction aux dispositions de l'article III.25;
2° omettent de requérir la radiation visée à l'article III.52;
Art. XV.77. Sont punis d'une sanction de niveau 2, ceux qui :
1° étant tenus de s'inscrire en qualité d'entreprise commerciale ou non-commerciale de droit privé, au sein de la Banque-Carrefour des Entreprises, exercent des activités sans avoir demandé leur inscription en cette qualité;
2° sont inscrits en qualité d'entreprise commerciale ou non-commerciale de droit privé et qui exercent des activités ou exploitent une unité d'établissement qui ne sont pas reprises au sein de la Banque-Carrefour des Entreprises;
3° introduisent sciemment une demande erronée d'inscription, de modification ou de radiation dans la Banque-Carrefour des Entreprises;
4° contreviennent aux décisions ou arrêtés visés à l'article III.30;
5° entravent l'exercice des droits définis à l'article III.32;
6° n'ont pas demandé une modification de leur inscription en qualité d'entreprise commerciale ou non-commerciale de droit privé, dans les délais prévus à l'article III.51;
7° enfreignent les dispositions des articles III.74 à III.77 et III.81.
Art. XV.78. Sont punis d'une sanction de niveau 3, ceux qui :
1° exercent une activité économique après que leur inscription en qualité d'entreprise commerciale ou non-commerciale de droit privé leur a été refusée ou après que celle-ci a été radiée;
2° continuent, trois jours après la notification du jugement ou de l'arrêt de condamnation ayant force de chose jugée, d'exercer l'activité économique qui leur est interdite.
Le Ministère public fera en outre apposer les scellés sur le local dans lequel l'activité est exercée ou prendra toute autre mesure opportune.
Art. XV.79. Sont punis d'une sanction de niveau 4, ceux qui contreviennent aux arrêtés pris en exécution de l'article III.33.
" Section 1re. Les peines relatives aux infractions au livre III.
Art. XV.75. Sont punis d'une sanction de niveau 2 :
1° les commerçants personnes physiques et les administrateurs, gérants, directeurs ou fondés de pouvoirs de personnes morales qui sciemment contreviennent aux dispositions des articles III.82 et III.83, alinéas 1er et 3, des articles III.84 à III.89 ou des arrêtés pris en exécution de l'article III.84, alinéa 6, de l'article III.87, § 2, de l'article III.89, § 2 et des articles III.90 et III.91.
2° ceux qui en qualité de commissaire, de réviseur d'entreprises ou d'expert indépendant ont attesté ou approuvé des comptes, comptes annuels, bilans, comptes de résultats ou comptes consolidés d'entreprises, lorsque les dispositions visées au point 1° n'ont pas été respectées, soit en sachant qu'elles ne l'avaient pas été, soit en ayant pas accompli les diligences normales pour s'assurer qu'elles avaient été respectées.
Les personnes visés aux 1° ou 2° sont punies d'une sanction de niveau 4 si elles ont agi avec une intention frauduleuse.
Les commerçants, personnes physiques, auxquels s'applique l'article III.85, et les gérants, directeurs ou fondés de pouvoirs de sociétés auxquelles s'applique ce même article, ne sont toutefois punis des sanctions prévues aux alinéas précédents pour avoir méconnu les dispositions des articles III.85 et III.89 et celles des articles III.86 à III.88 et de leurs arrêtés d'exécution en tant qu'elles concernent les livres prévus aux articles III.85 et III. 89 que si l'entreprise a été déclarée en faillite.
Art. XV.76. Sont punis d'une sanction de niveau 1, ceux qui :
1° commettent une infraction aux dispositions de l'article III.25;
2° omettent de requérir la radiation visée à l'article III.52;
Art. XV.77. Sont punis d'une sanction de niveau 2, ceux qui :
1° étant tenus de s'inscrire en qualité d'entreprise commerciale ou non-commerciale de droit privé, au sein de la Banque-Carrefour des Entreprises, exercent des activités sans avoir demandé leur inscription en cette qualité;
2° sont inscrits en qualité d'entreprise commerciale ou non-commerciale de droit privé et qui exercent des activités ou exploitent une unité d'établissement qui ne sont pas reprises au sein de la Banque-Carrefour des Entreprises;
3° introduisent sciemment une demande erronée d'inscription, de modification ou de radiation dans la Banque-Carrefour des Entreprises;
4° contreviennent aux décisions ou arrêtés visés à l'article III.30;
5° entravent l'exercice des droits définis à l'article III.32;
6° n'ont pas demandé une modification de leur inscription en qualité d'entreprise commerciale ou non-commerciale de droit privé, dans les délais prévus à l'article III.51;
7° enfreignent les dispositions des articles III.74 à III.77 et III.81.
Art. XV.78. Sont punis d'une sanction de niveau 3, ceux qui :
1° exercent une activité économique après que leur inscription en qualité d'entreprise commerciale ou non-commerciale de droit privé leur a été refusée ou après que celle-ci a été radiée;
2° continuent, trois jours après la notification du jugement ou de l'arrêt de condamnation ayant force de chose jugée, d'exercer l'activité économique qui leur est interdite.
Le Ministère public fera en outre apposer les scellés sur le local dans lequel l'activité est exercée ou prendra toute autre mesure opportune.
Art. XV.79. Sont punis d'une sanction de niveau 4, ceux qui contreviennent aux arrêtés pris en exécution de l'article III.33.
HOOFDSTUK 3. - Opheffingsbepalingen.
CHAPITRE 3. - Dispositions abrogatoires.
Art. 8. De artikelen 4 tot 24 en 29 tot 49 van de dienstenwet van 26 maart 2010 worden opgeheven.
Art. 8. Les articles 4 à 24 et 29 à 49 de la loi du 26 mars 2010 sur les services sont abrogés.
Art. 9. De wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 januari 2013, wordt opgeheven.
Art. 9. La loi du 16 janvier 2003 portant création d'une Banque-Carrefour des Entreprises, modernisation du registre de commerce, création de guichets-entreprises agréés et portant diverses dispositions, modifiée en dernier lieu par la loi du 21 janvier 2013, est abrogée.
Art. 10. De artikelen 1, 2, 4, 5, 7, 8 en 9, eerste en tweede lid, van het koninklijk besluit van 22 juni 2009 houdende de nadere regels voor het inschrijven van niet-handelsondernemingen naar privaat recht in de Kruispuntbank van Ondernemingen, worden opgeheven.
Art. 10. Les articles 1, 2, 4, 5, 7, 8 et 9, alinéas 1er et 2, de l'arrêté royal portant sur les modalités d'inscription des entreprises non-commerciales de droit privé dans la Banque-Carrefour des Entreprises, sont abrogés.
Art. 11. De wet van 17 juli 1975 met betrekking tot de boekhouding van de ondernemingen, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 22 maart 2012, wordt opgeheven.
Art. 11. La loi du 17 juillet 1975 relative à la comptabilité des entreprises, modifié en dernier lieu par la loi du 22 mars 2012, est abrogée.
HOOFDSTUK 4. - Bevoegdheidstoewijzing.
CHAPITRE 4. - Attribution de compétences.
Art. 12. De bestaande wetten en uitvoeringsbesluiten die verwijzen naar de bepalingen bedoeld in de artikelen 8 tot 11, worden geacht te verwijzen naar de overeenkomstige bepalingen in het Wetboek van economisch recht, zoals ingevoegd bij deze wet.
Art. 12. Les lois ou arrêtés d'exécution existants qui font référence aux dispositions visées aux articles 8 à 11 sont présumés faire référence aux dispositions équivalentes du Code de droit économique, telles qu'insérées par la présente loi.
Art. 13. De Koning kan de verwijzingen in bestaande wetten en koninklijke besluiten naar de bepalingen bedoeld in de artikelen 8 tot 11 vervangen door verwijzingen naar de ermee overeenstemmende bepalingen in het Wetboek van economisch recht, zoals ingevoegd bij deze wet.
Art. 13. Le Roi peut remplacer les références dans les lois ou arrêtés existants aux dispositions visée aux articles 8 à 11 par des références aux dispositions équivalentes du Code de droit économique, telles qu'insérées par la présente loi.
Art. 14. De Koning kan de bepalingen van het Wetboek van economisch recht, zoals ingevoegd bij deze wet, coördineren met de bepalingen die daarin uitdrukkelijk of stilzwijgend wijzigingen hebben aangebracht tot het tijdstip van de coördinatie.
Daartoe kan Hij :
1° de volgorde en de nummering van de te coördineren bepalingen veranderen en in het algemeen de teksten naar de vorm wijzigen;
2° de verwijzingen die voorkomen in de te coördineren bepalingen met de nieuwe nummering doen overeenstemmen;
3° zonder afbreuk te doen aan de beginselen die in de te coördineren bepalingen vervat zijn, de redactie ervan wijzigen om ze onderling te doen overeenstemmen en eenheid in de terminologie te brengen.
Daartoe kan Hij :
1° de volgorde en de nummering van de te coördineren bepalingen veranderen en in het algemeen de teksten naar de vorm wijzigen;
2° de verwijzingen die voorkomen in de te coördineren bepalingen met de nieuwe nummering doen overeenstemmen;
3° zonder afbreuk te doen aan de beginselen die in de te coördineren bepalingen vervat zijn, de redactie ervan wijzigen om ze onderling te doen overeenstemmen en eenheid in de terminologie te brengen.
Art. 14. Le Roi peut coordonner les dispositions du Code de droit économique, telles qu'insérées par la présente loi. avec les dispositions qui les auraient expressément ou implicitement modifiées au moment où la coordination sera établie.
A cette fin, Il peut :
1° modifier l'ordre, la numérotation et, en général, la présentation des dispositions à coordonner;
2° modifier les références qui seraient contenues dans les dispositions à coordonner en vue de les mettre en concordance avec la numérotation nouvelle;
3° modifier la rédaction des dispositions à coordonner en vue d'assurer leur concordance et d'en unifier la terminologie sans qu'il puisse être porté atteinte aux principes inscrits dans ces dispositions.
A cette fin, Il peut :
1° modifier l'ordre, la numérotation et, en général, la présentation des dispositions à coordonner;
2° modifier les références qui seraient contenues dans les dispositions à coordonner en vue de les mettre en concordance avec la numérotation nouvelle;
3° modifier la rédaction des dispositions à coordonner en vue d'assurer leur concordance et d'en unifier la terminologie sans qu'il puisse être porté atteinte aux principes inscrits dans ces dispositions.
HOOFDSTUK 5. - Inwerkingtreding.
CHAPITRE 5. - Entrée en vigueur.
Art. 15. De Koning bepaalt de datum van inwerkingtreding van elke bepaling van deze wet en van elke bepaling ingevoegd door deze wet in het Wetboek van economisch recht.
(NOTA : Inwerkingtreding vastgesteld op 09-05-2014 door KB 2014-03-26/21, art. 1)
(NOTA : Inwerkingtreding vastgesteld op 09-05-2014 door KB 2014-03-26/21, art. 1)
Art. 15. Le Roi détermine l'entrée en vigueur de chacune des dispositions de la présente loi et de chacune des dispositions insérées par la présente loi dans le Code de droit économique.
(NOTE : Entrée en vigueur fixée au 09-05-2014 par AR 2014-03-26/21, art. 1)
(NOTE : Entrée en vigueur fixée au 09-05-2014 par AR 2014-03-26/21, art. 1)