Zum Hauptinhalt

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
28 DECEMBER 2011. - Wet tot wijziging van de wet van 19 december 2006 betreffende de exploitatieveiligheid van de spoorwegen, met het oog op de invoering van bestuurlijke boetes (geciteerd als : Wet bestuurlijke boetes DVIS)
Titre
28 DECEMBRE 2011. - Loi modifiant la loi du 19 décembre 2006 relative à la sécurité d'exploitation ferroviaire, en vue d'instaurer des amendes administratives (dénommée : Loi sur les amendes administratives SSICF)
Dokumentinformationen
Numac: 2012014018
Datum: 2011-12-28
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2012014018
Date: 2011-12-28
Moniteur: Voir
Tekst (9)
Texte (9)
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 78 de la Constitution.
Art. 2. Deze wet voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2004/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake de veiligheid op de communautaire spoorwegen en tot wijziging van Richtlijn 95/18/EG van de Raad betreffende de verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen, en van Richtlijn 2001/14/EG van de Raad inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur alsmede inzake veiligheidscertificering, gewijzigd bij de Richtlijn 2008/57/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008, bij de Richtlijn 2008/110/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 en bij de Richtlijn 2009/149/EG van de Commissie van 27 november 2009.
Art. 2. La présente loi transpose partiellement la Directive 2004/49/CE du Parlement européen et du Conseil du 29 avril 2004 concernant la sécurité des chemins de fer communautaires et modifiant la Directive 95/18/CE du Conseil concernant les licences des entre prises ferroviaires, ainsi que la Directive 2001/14/CE du Conseil concernant la répartition des capacités d'infrastructure ferroviaire, la tarification de l'infrastructure ferroviaire et la certification en matière de sécurité, modifiée par la Directive 2008/57/CE du Parlement européen et du Conseil du 17 juin 2008, par la Directive 2008/110/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 décembre 2008 et par la Directive 2009/149/CE de la Commission du 27 novembre 2009.
Art. 3. Artikel 12 van de wet van 19 december 2006 betreffende de exploitatieveiligheid van de spoorwegen, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 januari 2010, wordt aangevuld met de bepaling onder 14°, luidende :
  " 14° het opleggen van bestuurlijke boetes. "
Art. 3. L'article 12 de la loi du 19 décembre 2006 relative à la sécurité d'exploitation ferroviaire, dernièrement modifiée par la loi du 26 janvier 2010, est complété par un 14° rédigé comme suit :
  " 14° l'imposition d'amendes administratives. "
Art. 4. In dezelfde wet wordt een artikel 13/1 ingevoegd, luidende :
  " Art. 13/1. § 1. De veiligheidsinstantie kan een bestuurlijke boete opleggen aan een spoorweg onderneming, aan de spoorweginfrastructuurbeheerder en aan de houder, in geval van een overtreding als bedoeld in artikel 59bis en 59ter.
  § 2. Een personeelslid bedoeld in artikel 58/1, § 1, stelt in geval van een in artikel 59/1 en artikel 59/2 bedoelde overtreding, een rapport op.
  De Koning bepaalt het model van legitimatiekaart die voorgelegd wordt bij de toezichtstaken.
  Het rapport is gedagtekend en vermeldt minstens :
  1° de naam van de vermoedelijke overtreder;
  2° de overtreding;
  3° de plaats waar en het tijdstip waarop de overtreding is geconstateerd.
  Het rapport wordt onmiddellijk bezorgd aan de leiding van de veiligheidsinstantie.
  Een afschrift van het rapport wordt uiterlijk bij de kennisgeving van het voornemen tot het opleggen van een bestuurlijke boete aan de vermoedelijke overtreder toegezonden.
  § 3. De leiding brengt de vermoedelijke overtreder binnen vijftien dagen na de dagtekening van het rapport op de hoogte van het voornemen om een bestuurlijke boete op te leggen. De leiding kan deze termijn verlengen voor zover zij dit noodzakelijk acht met het oog op de uitoefening van de opdrachten en bevoegdheden van de veiligheidsinstantie. Bovendien kan de leiding deze termijn verlengen indien zij de vermoedelijke overtreder een termijn toestaat om een einde te maken aan de overtreding.
  De kennisgeving geschiedt bij aangetekende zending of op de door de Koning bepaalde wijze en vermeldt op straffe van nietigheid het overwogen bedrag van de op te leggen bestuurlijke boete, alsook de naam van de vermoedelijke overtreder.
  Deze kennisgeving kan slechts handelen over feiten die niet langer dan vijf jaar voor de dag van het versturen van de aangetekende zending begaan zouden zijn.
  § 4. De vermoedelijke overtreder wordt uitgenodigd om binnen een termijn van dertig dagen die volgt op de kennisgeving van dit bericht schriftelijk zijn verweer mee te delen. Indien de vermoedelijke overtreder geen zetel in België heeft, wordt deze termijn met vijftien dagen verlengd.
  Tevens wordt de vermoedelijke overtreder erop gewezen dat hij :
  1° op verzoek de documenten waarop het voornemen tot het opleggen van een bestuurlijke boete berust, kan inzien en er kopieën van kan krijgen;
  2° mondeling zijn schriftelijke verweer kan toelichten. De vermoedelijke overtreder richt daartoe aan de veiligheidsinstantie een schriftelijke aanvraag binnen dertig dagen na de ontvangst van de kennisgeving.
  De vermoedelijke overtreder kan zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat en kan getuigen oproepen.
  Indien de vermoedelijke overtreder van oordeel is dat hij te weinig tijd heeft om zich te verdedigen, richt hij een met redenen omkleed verzoek aan de veiligheidsinstantie die binnen vijftien dagen hierover beslist. Indien de veiligheidsinstantie binnen vijfenveertig dagen hierover geen beslissing neemt, wordt het verzoek geacht ingewilligd te zijn. De in § 6 bedoelde termijn wordt geschorst voor de duur van de verlenging van de termijn bedoeld in dit lid.
  De veiligheidsinstantie stelt zich loyaal en onpartijdig op bij het verzamelen en meedelen van de bewijzen à charge en de bewijzen à décharge.
  § 5. Als een bestuurlijke boete wordt opgelegd, wordt het bedrag ervan afgestemd op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder wordt verweten. Tevens wordt rekening gehouden met de frequentie en de omstandigheden waarin de vermoedelijke overtreder de overtreding heeft gepleegd.
  Indien op het moment van de beslissing tot het opleggen van een bestuurlijke boete de feiten geen overtreding, zoals bedoeld in artikel 59/1 en 59/2, meer uitmaken, wordt geen bestuurlijke boete opgelegd.
  De §§ 3 en 4 zijn van toepassing in geval van het in artikel 14/5 bedoelde hoger beroep.
  § 6. De bevoegdheid van de veiligheidsinstantie tot het opleggen van een bestuurlijke boete vervalt twee jaar nadat de veiligheidsinstantie de in § 3 bedoelde kennisgeving heeft verzonden.
Art. 4. Dans la même loi, il est inséré un article 13/1 rédigé comme suit :
  " Art. 13/1. § 1er. L'autorité de sécurité peut infliger une amende administrative à une entreprise ferroviaire, au gestionnaire de l'infrastructure ferroviaire et au détenteur, en cas d'infraction visée aux articles 59bis et 59ter.
  § 2. Un agent visé à l'article 58/1, § 1er, rédige un rapport en cas d'infraction visée aux articles 59/1 et 59/2.
  Le Roi détermine le modèle de la carte de légitimation qui est présentée lors des missions de contrôle.
  Le rapport est daté et mentionne au moins :
  1° le nom du contrevenant présumé;
  2° l'infraction;
  3° le lieu, la date et l'heure de la constatation de l'infraction.
  Le rapport est immédiatement transmis à la direction de l'autorité de sécurité.
  Une copie du rapport est envoyée au contrevenant présumé au plus tard lors de la notification de l'intention d'infliger une amende administrative.
  § 3. La direction informe le contrevenant présumé dans les quinze jours de la date du rapport de l'intention d'infliger une amende administrative. La direction peut prolonger ce délai si elle l'estime nécessaire pour l'exercice des missions et des compétences de l'autorité de sécurité. En outre, la direction peut prolonger ce délai si elle accorde un délai au contrevenant présumé pour mettre fin à l'infraction.
  La notification se fait par envoi recommandé ou de la manière fixée par le Roi, et mentionne sous peine de nullité la somme envisagée de l'amende administrative, et le nom du contrevenant présumé.
  Cette notification ne peut porter que sur des faits qui auraient été commis moins de cinq ans avant l'envoi du pli recommandé.
  § 4. Le contrevenant présumé est invité à communiquer sa défense par écrit dans un délai de trente jours suivant la notification de cet avis. Si le contrevenant présumé n'a pas de siège en Belgique, ce délai est prolongé de quinze jours.
  Le contrevenant présumé est également informé :
  1° qu'il peut, sur demande, consulter les documents qui sont à la base de l'intention d'infliger une amende administrative et en obtenir des copies;
  2° qu'il peut commenter oralement sa défense écrite. A cet effet, le contrevenant présumé introduit une demande écrite auprès de l'autorité de sécurité dans les trente jours de la réception de la notification.
  Le contrevenant présumé peut se faire assister ou représenter par un avocat, et peut appeler des témoins.
  Si le contrevenant présumé estime qu'il ne dispose pas de suffisamment de temps pour sa défense, il peut adresser une demande motivée à l'autorité de sécurité, qui statue en la matière dans les quinze jours. Si l'autorité de sécurité ne statue pas en la matière dans les quarante-cinq jours, la demande est réputée acceptée. Le délai visé au § 6 est suspendu pour la durée de la prolongation du délai visée au présent alinéa.
  L'autorité de sécurité se montre loyale et impartiale lors de la collecte et de la communication des preuves à charge et des preuves à décharge.
  § 5. Lorsqu'une amende administrative est infligée, le montant de cette amende est adapté à la gravité de l'infraction et à la mesure dans laquelle celle-ci peut être reprochée au contrevenant. En outre, il est tenu compte de la fréquence de l'infraction et des circonstances dans lesquelles le contrevenant présumé a commis l'infraction.
  Si au moment de la prise de la décision d'infliger une amende administrative, les faits ne constituent plus une infraction au sens des articles 59/1 et 59/2, l'amende administrative ne sera pas infligée.
  Les §§ 3 et 4 sont d'application dans le cas du recours visé à l'article 14/5.
  § 6. Le droit de l'autorité de sécurité d'infliger une amende administrative s'éteint deux ans après l'envoi de la notification de l'autorité de sécurité visée au § 3.
Art. 5. Artikel 14/6 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 26 januari 2010, wordt aangevuld met een lid, luidende :
  " In afwijking van het derde lid, heeft het hoger beroep tegen een beslissing bedoeld in artikel 12, 14°, schorsende werking. "
Art. 5. L'article 14/6 de la même loi, inséré par la loi du 26 janvier 2010, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  " Par dérogation à l'alinéa 3, le recours contre une décision visée à l'article 12, 14°, a un effet suspensif. "
Art. 6. In hoofdstuk 1 van Titel III van dezelfde wet wordt een artikel 58/1 ingevoegd, luidende :
  " Art. 58/1. § 1. De Koning wijst de personeelsleden van de veiligheidsinstantie aan die belast zijn met het toezicht op de naleving van deze wet en zijn uitvoeringsbesluiten.
  Zij kunnen :
  1° zich op elk moment, en zonder voorafgaande verwittiging, vrije toegang verschaffen tot al het rollend materieel of materieel bestemd om te rijden op de infrastructuur;
  2° alle vaststellingen doen, informatie inzamelen, verklaringen opnemen, zich documenten, stukken, boeken en voorwerpen doen vertonen en die in beslag nemen welke nodig zijn bij het toezicht of nodig zijn om aan de overtreding een einde te maken.
  Zij maken van hun toezichtrechten alleen gebruik voor zover dat redelijkerwijs nuttig wordt geacht voor de vervulling van hun toezichtopdrachten.
  Zij kunnen voor de uitvoering van hun opdrachten een beroep doen op de openbare macht.
  § 2. Ze hebben het recht op toegang :
  1° in de woning van de ondernemingsleiders, bestuurders, zaakvoerders, directeurs en andere personeelsleden van de betrokken onderneming alsook in de woning en de lokalen die gebruikt worden voor professionele doeleinden van natuurlijke en rechtspersonen, intern of extern, belast met het commercieel, rekenplichtig, administratief, fiscaal en financieel beheer van die onderneming;
  2° in de hoofd- of de exploitatiezetel van de betrokken onderneming.
  Toegang tot de in het eerste lid bedoelde plaatsen kan slechts onder de volgende voorwaarden :
  1° ze hebben de voorafgaande en schriftelijke toestemming gekregen van de bewoner;
  2° ze werden ertoe voorafgaandelijk en schriftelijk gemachtigd door de onderzoeksrechter. In dat geval kunnen ze de woning en de bewoonde lokalen slechts betreden tussen 8 en 18 uur.
  § 3. De in § 1 bedoelde personeelsleden zijn onderworpen aan het beroepsgeheim wat betreft de verkregen informatie bij de uitoefening van hun toezichtopdrachten. "
Art. 6. Dans le Titre III, chapitre 1er, de la même loi, il est inséré un article 58/1 rédigé comme suit :
  " Art. 58/1. § 1er. Le Roi désigne les agents de l'autorité de sécurité chargés du contrôle du respect de la présente loi et de ses arrêtés d'exécution.
  Ils peuvent :
  1° pénétrer librement, à tout moment et sans avertissement préalable, dans tout matériel roulant ou destiné à circuler sur l'infrastructure;
  2° procéder à toutes les constatations, rassembler des informations, prendre des déclarations, se faire présenter des documents, pièces, livres et objets et saisir ceux qui sont nécessaires au contrôle ou nécessaires pour pouvoir mettre fin à l'infraction.
  Ils ne font valoir leurs droits de contrôle que pour autant que cela soit jugé raisonnablement utile pour l'exécution de leurs missions de contrôle.
  Pour les besoins de l'accomplissement de leurs missions, ils peuvent requérir la force publique.
  § 2. Il ont le droit d'accéder :
  1° au domicile des chefs d'entreprise, administrateurs, gérants, directeurs et autres membres du personnel de l'entreprise concernée ainsi qu'à l'habitation et aux locaux utilisés à des fins professionnelles de personnes physiques et morales, internes ou externes, chargées de la gestion commerciale, comptable, administrative, fiscale et financière de cette entreprise;
  2° au siège social ou d'exploitation de l'entreprise concernée.
  Toutefois, ils n'ont accès aux locaux visés à l'alinéa 1er qu'aux conditions suivantes :
  1° avoir reçu l'autorisation préalable et écrite de l'occupant;
  2° avoir reçu l'habilitation préalable et écrite du juge d'instruction. Dans ce cas, ils ne peuvent accéder à l'habitation et aux locaux habités qu'entre 8 et 18 heures.
  § 3. Les agents visés au § 1er sont tenus au secret professionnel quant aux informations obtenues dans l'exercice de leurs missions de contrôle. "
Art. 7. Artikel 59 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  " Art. 59. Onverminderd artikel 43, derde lid, worden de inbreuken op deze wet en zijn uitvoeringsbesluiten, het niet naleven van een beslissing van de veiligheidsinstantie, het hinderen van vaststellingen en onderzoeken van de veiligheidsinstantie, evenals de belemmering van de activiteiten van het onderzoeksorgaan, bestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot één jaar en met geldboete van zesentwintig euro tot duizend vijfhonderd euro of met een van deze straffen alleen.
  De bepalingen van boek I van het Strafwetboek zijn van toepassing op de in het eerste lid bedoelde misdrijven.
  Het eerste lid is niet van toepassing op de spoorwegonderneming, de infrastructuurbeheerder en de houder, die een inbreuk begaat die in artikel 59/1 bestraft wordt met een bestuurlijke boete.
  Het eerste lid is niet van toepassing op de spoorwegonderneming, de infrastructuurbeheerder en de houder, die een inbreuk begaat op een uitvoeringsbesluit van deze wet die in toepassing van artikel 59/2, bestraft wordt met een bestuurlijke boete. "
Art. 7. L'article 59 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 59. Nonobstant l'article 43, alinéa 3, les infractions à la présente loi et à ses arrêtés d'exécution, le non-respect d'une décision prise par l'autorité de sécurité, toute obstruction aux vérifications et investigations de l'autorité de sécurité ainsi que toute entrave à l'action de l'organisme d'enquête sont punis d'un emprisonnement de huit jours à un an et d'une amende de vingt-six euros à mille cinq cents euros ou d'une de ces peines seulement.
  Les dispositions du Livre Ier du Code pénal sont applicables aux infractions visées à l'alinéa 1er.
  L'alinéa 1er n'est pas applicable à l'entreprise ferroviaire, au gestionnaire de l'infrastructure et au détenteur qui commet une infraction qui, en vertu de l'article 59/1, est sanctionnée d'une amende administrative.
  L'alinéa 1er n'est pas applicable à l'entreprise ferroviaire, au gestionnaire de l'infrastructure et au détenteur qui commet une infraction à un arrêté d'exécution de cette loi qui, en vertu de l'article 59/2, est sanctionnée d'une amende administrative. "
Art. 8. In Titel III van dezelfde wet wordt een hoofdstuk III ingevoegd dat de artikelen 59/1, 59/2 en 59/3 bevat, luidende :
  " Hoofdstuk III. Bestuurlijke boetes
  Art. 59/1. De volgende overtredingen van deze wet worden bestraft met een bestuurlijke boete :
  1° de inbreuk op artikel 6, § 3 wordt bestraft met een bestuurlijke boete van 2.000 tot 4.000 euro;
  2° de inbreuk op artikel 6, § 4 wordt bestraft met een bestuurlijke boete van 2.000 tot 4.000 euro;
  3° de inbreuk op artikel 8 wordt bestraft met een bestuurlijke boete van 1.000 tot 2.000 euro;
  4° de inbreuk op artikel 9 wordt bestraft met een bestuurlijke boete van 2.000 tot 4.000 euro;
  5° het niet nakomen door de spoorwegonderneming of de spoorweginfrastructuurbeheerder van de in artikel 13 bedoelde maatregelen wordt bestraft met een bestuurlijke boete van 4.000 tot 8.000 euro;
  6° het niet bieden van de in artikel 14, derde lid, bedoelde technische bijstand wordt bestraft met een bestuurlijke boete van 1.000 tot 2.000 euro;
  7° de inbreuk op artikel 16 wordt bestraft met een bestuurlijke boete van 4.000 tot 8.000 euro;
  8° de inbreuk op artikel 17 wordt bestraft met een bestuurlijke boete van 4.000 tot 8.000 euro;
  9° de inbreuk op artikel 18, eerste zin, wordt bestraft met een bestuurlijke boete van 4.000 tot 8.000 euro;
  10° de inbreuk op artikel 18, tweede zin, wordt bestraft met een bestuurlijke boete van 4.000 tot 8.000 euro;
  11° het niet tijdig indienen van het in artikel 19 bedoelde verslag wordt bestraft met een bestuurlijke boete van 500 tot 1.000 euro;
  12° het niet indienen van het in artikel 19 bedoelde verslag wordt bestraft met een bestuurlijke boete van 2.000 tot 4.000 euro;
  13° het onvolledig indienen van het in artikel 19 bedoelde verslag wordt bestraft met een bestuurlijke boete van 20 tot 4.000 euro;
  14° het niet nakomen van de in artikel 20 vermelde verplichtingen, wordt bestraft met een bestuurlijke boete van 1.000 tot 2.000 euro;
  15° het niet onverwijld in kennis stellen van de in artikel 24 bedoelde ingrijpende wijzigingen, wordt bestraft met een bestuurlijke boete van 1.000 tot 2.000 euro;
  16° de inbreuk op artikel 30, tweede lid, wordt bestraft met een bestuurlijke boete van 1.000 tot 2.000 euro;
  17° het niet nakomen van de in artikel 37/15 bedoelde verplichtingen aangaande de geldigheid van de vergunning van de treinbestuurder wordt bestraft met een bestuurlijke boete van 2.000 tot 4.000 euro;
  18° de inbreuk op artikel 37/4, eerste lid, wordt bestraft met een bestuurlijke boete van 500 tot 1.000 euro per treinbestuurder;
  19° tenzij er uitzonderingen voorzien zijn door de wet, wordt het niet nakomen van de in artikel 37/15 bedoelde verplichtingen aangaande de bevoegdheidsbewijzen van de treinbestuurders, zowel op het gebied van de infrastructuur, het materieel als de taalkennis, bestraft met een bestuurlijke boete van 2.000 tot 4.000 euro;
  20° de inbreuk op artikel 37/9 wordt bestraft met een bestuurlijke boete van 500 tot 1.000 euro;
  21° de inbreuk op artikel 37/10, derde lid, wordt bestraft met een bestuurlijke boete van 500 tot 1.000 euro;
  22° de inbreuk op artikel 37/11 wordt bestraft met een bestuurlijke boete van 1.000 tot 2.000 euro;
  23° de inbreuk op artikel 37/13 wordt bestraft met een bestuurlijke boete van 2.000 tot 4.000 euro;
  24° de inbreuk op artikel 37/14 wordt bestraft met een bestuurlijke boete van 1.000 tot 2.000 euro;
  25° de inbreuk op artikel 37/20, derde lid, wordt bestraft met een bestuurlijke boete van 4.000 tot 8.000 euro;
  26° het niet verifiëren dat de begeleider over een in artikel 37/23, § 1, eerste lid, bedoeld attest beschikt alvorens hem toe te staan om de in hetzelfde artikel bedoelde cruciale taken te verrichten, wordt bestraft met een bestuurlijke boete van 2.000 tot 4.000 euro;
  27° het door de houder in overtreding van artikel 38 niet laten inschrijven van een voertuig in het NVR, met de naam van de met het onderhoud belaste entiteit, wordt bestraft met een bestuurlijke boete van 1.000 tot 2.000 euro;
  28° het niet of niet tijdig meedelen aan de veiligheidsinstantie van de noodzakelijke aanpassingen aan de in artikel 38 bedoelde NVR, wordt bestraft met een bestuurlijke boete van 1.000 tot 2.000 euro;
  29° het niet respecteren door de met het onderhoud belaste entiteit van de in artikel 39 tot 42/1 voorgeschreven regels betreffende de certificering, wordt bestraft met een bestuurlijke boete van 4.000 tot 8.000 euro;
  30° het hinderen van het onderzoeksorgaan bij de in artikel 46 vermelde bevoegdheden, wordt bestraft met een bestuurlijke boete van 4.000 tot 8.000 euro;
  31° het niet binnen de toegestane tijd antwoorden op een auditrapport, inspectieverslag of toezichtsverslag met betrekking tot de in artikel 6 bedoelde veiligheidsvoorschriften of met betrekking tot een veiligheidsvergunning of een veiligheidscertificaat wordt bestraft met een bestuurlijke boete van 500 tot 1.000 euro;
  32° het niet binnen de toegestane tijd invoeren van maatregelen tot verbetering, naar aanleiding van een auditrapport, een inspectieverslag of een toezichtsverslag met betrekking tot de in artikel 6 bedoelde veiligheidsvoorschriften of met betrekking tot een veiligheidsvergunning of een veiligheidscertificaat wordt bestraft met een bestuurlijke boete van 2.000 tot 4.000 euro;
  33° het meer dan twee keer per jaar ofwel de waarden " onmiddellijke tussenkomst " van de veiligheidstoleranties van het spoor, overeenkomstig de basisparameters veiligheid in de TSI Infrastructuur, overschrijden, ofwel de veiligheidsprocedures omschreven in de TSI Besturing en Seingeving niet eerbiedigen, wordt bestraft met een bestuurlijke boete van 2.000 tot 4.000 euro;
  34° het niet of niet tijdig betalen van de in de artikelen 14/1, 14/2, 14/4, 33, 33/1, 33/2 bedoelde bijdrage wordt bestraft met een bestuurlijke boete van 20 tot 500 euro.
  De in het vorige lid vermelde overtredingen kunnen ook uit onachtzaamheid of gebrek aan voorzorg worden begaan.
  Art. 59/2. § 1. De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de overtredingen van de ter uitvoering van deze wet genomen besluiten die met een bestuurlijke boete worden bestraft.
  Er zijn overtredingen van drie graden.
  De overtredingen kunnen ook uit onachtzaamheid of gebrek aan voorzorg worden begaan.
  § 2. De overtredingen van de eerste graad betreffen de feiten en gedragingen die geen impact hebben op de veiligheid van personen en die de werking van de veiligheidsinstantie of het onderzoeksorgaan niet ernstig belemmeren.
  De in het eerste lid vermelde overtredingen worden bestraft met een bestuurlijke boete van 50 tot 1.000 euro.
  § 3. De overtredingen van de tweede graad betreffen de feiten en gedragingen, die een directe of indirecte impact hebben op veiligheid van personen, of die de werking van de veiligheidsinstantie of het onderzoeksorgaan ernstig belemmeren.
  De in het eerste lid vermelde overtredingen worden bestraft met een bestuurlijke boete van 100 tot 2.000 euro.
  § 4. De overtredingen van de derde graad betreffen de feiten en gedragingen die van dien aard zijn dat ze een ongeval of een ernstig ongeval kunnen veroorzaken.
  De in het eerste lid vermelde overtredingen worden bestraft met een bestuurlijke boete van 400 tot 8.000 euro.
  § 5. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad binnen de in §§ 2 tot 4 voorziene minimum- en maximumbedragen een bedrag of een minimum- en maximumbedrag bepalen voor een met een bestuurlijke boete bestrafbare gedraging.
  Bij het bepalen van de graad en de strafmaat houdt de Koning rekening met de ernst van de strafbare feiten en de evenredigheid ervan met de bestuurlijke boete.
  Art. 59/3. § 1. In geval van verzachtende omstandigheden, kan de bestuurlijke boete verminderd worden zonder lager te zijn dan
  1° 50 euro voor de overtredingen van de eerste graad;
  2° 100 euro voor de overtredingen van de tweede graad;
  3° 200 euro voor de overtredingen van de derde graad;
  4° de helft van het minimale bedrag van de in artikel 59/1 vermelde bedragen.
  § 2. Bij samenloop van verscheidene overtredingen bedoeld in artikel 59/1 en 59/2 worden alle bestuurlijke boetes samen opgelegd, zonder dat ze evenwel het dubbele van het maximum van de zwaarste bestuurlijke boete te boven mogen gaan.
  § 3. De veiligheidsinstantie kan in zijn beslissing tot het opleggen van een bestuurlijke boete bepalen dat indien de overtreder binnen een termijn van een jaar geen overtreding meer begaat, de bestuurlijke boete vervalt.
  § 4. De §§ 1 tot 3 zijn volledig van toepassing op het in artikel 14/5 bedoelde hoger beroep.
  § 5. Indien de overtreder een jaar nadat een beslissing van de veiligheidsinstantie tot het opleggen van een bestuurlijke boete definitief is geworden of een jaar nadat het arrest inzake het hoger beroep tegen deze beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, een bestuurlijke boete bedoeld in artikel 59/1 en artikel 59/2 wordt opgelegd, worden de minimumbedragen bedoeld in § 1, in artikel 59/1 en in artikel 59/2, §§ 2 tot 4, verdubbeld.
  § 6. Er kan geen bestuurlijke boete worden opgelegd indien :
  1° door de strafrechter voor het feit in kwestie al eerder een straf werd opgelegd;
  2° het feit in kwestie eerder al geleid heeft tot een vrijspraak, een eenvoudige schuldigverklaring zonder straf, een opschorting van de uitspraak van de veroordeling of een minnelijke schikking bedoeld in artikel 216bis van het Wetboek van Strafvordering.
  § 7. Indien de vermoedelijke overtreder strafrechtelijk vervolgd wordt voor feiten die onlosmakelijk samenhangen met het feit waarvoor de veiligheidsinstantie een bestuurlijke boete wil opleggen, worden de in deze titel vermelde termijnen opgeschort tot de strafrechter uitspraak heeft gedaan.
  § 8. De opdeciemen bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de wet van 5 maart 1952 betreffende de opdecimes op de strafrechtelijke geldboeten, zijn eveneens van toepassing op de bestuurlijke boetes bedoeld in artikel 59/1 en 59/2.
  De veiligheidsinstantie maakt in zijn beslissing melding van de vermenigvuldiging ingevolge de voormelde wet van 5 maart 1952 en vermeldt het getal dat het gevolg is van deze verhoging.
  § 9. De overtreder betaalt de bestuurlijke boete binnen de maand nadat de beslissing tot het opleggen van een bestuurlijke boete definitief is geworden of het arrest inzake het beroep tegen deze beslissing in kracht van gewijsde is gegaan. De bestuurlijke boete komt toe aan de Schatkist. De overtreder stort het bedrag aan de Administratie van het kadaster, registratie en domeinen.
  De aangestelde van de Administratie van het kadaster, registratie en domeinen, geeft de veiligheidsinstantie kennis van de verrichte betaling.
  Indien de overtreder de bestuurlijke boete te laat betaalt, wordt het bedrag van rechtswege verhoogd met de wettelijke rentevoet, met een minimum van vijf procent van het bedrag van de bestuurlijke boete.
  De bevoegdheid tot invordering van de bestuurlijke boete verjaart twee jaar na de laatste dag waarop de overtreder diende te betalen. Deze termijn wordt geschorst in geval van artikel 59/3, § 3. "
Art. 8. Dans le Titre III de la même loi, il est inséré un chapitre III, comportant les articles 59/1, 59/2 et 59/3, rédigé comme suit :
  " Chapitre III. Amendes administratives
  Art. 59/1. Les infractions suivantes à la présente loi sont sanctionnées d'une amende administrative :
  1° l'infraction à l'article 6, § 3, est sanctionnée d'une amende administrative de 2.000 à 4.000 euros;
  2° l'infraction à l'article 6, § 4, est sanctionnée d'une amende administrative de 2.000 à 4.000 euros;
  3° l'infraction à l'article 8 est sanctionnée d'une amende administrative de 1.000 à 2.000 euros;
  4° l'infraction à l'article 9 est sanctionnée d'une amende administrative de 2.000 à 4.000 euros;
  5° le non-respect, par l'entreprise ferroviaire ou le gestionnaire de l'infrastructure ferroviaire, des mesures visées à l'article 13 est sanctionné d'une amende administrative de 4.000 à 8.000 euros;
  6° le refus de fournir l'assistance technique visée à l'article 14, alinéa 3, est sanctionné d'une amende administrative de 1.000 à 2.000 euros;
  7° l'infraction à l'article 16 est sanctionnée d'une amende administrative de 4.000 à 8.000 euros;
  8° l'infraction à l'article 17 est sanctionnée d'une amende administrative de 4.000 à 8.000 euros;
  9° l'infraction à l'article 18, première phrase, est sanctionnée d'une amende administrative de 4.000 à 8.000 euros;
  10° l'infraction à l'article 18, deuxième phrase, est sanctionnée d'une amende administrative de 4.000 à 8.000 euros;
  11° le dépôt tardif du rapport visé à l'article 19 est sanctionné d'une amende administrative de 500 à 1.000 euros;
  12° le non-dépôt du rapport visé à l'article 19 est sanctionné d'une amende administrative de 2.000 à 4.000 euros;
  13° le dépôt incomplet du rapport visé à l'article 19 est sanctionné d'une amende administrative de 20 à 4.000 euros;
  14° le non-respect des obligations visées à l'article 20 est sanctionné d'une amende administrative de 1.000 à 2.000 euros;
  15° la communication non immédiate des modifications substantielles visées à l'article 24 est sanctionnée d'une amende administrative de 1.000 à 2.000 euros;
  16° l'infraction à l'article 30, alinéa 2, est sanctionnée d'une amende administrative de 1.000 à 2.000 euros;
  17° le non-respect des obligations concernant la validité de la licence de conducteur de train, visées à l'article 37/15, est sanctionné d'une amende administrative de 2.000 à 4.000 euros;
  18° l'infraction à l'article 37/4, alinéa 1er, est sanctionnée d'une amende administrative de 500 à 1.000 euros par conducteur de train;
  19° sauf si des exceptions sont prévues par la loi, le non-respect des obligations concernant les attestations des conducteurs de train en matière d'infrastructure, de matériel ou de connaissances linguistiques, visées à l'article 37/15, est sanctionné d'une amende administrative de 2.000 à 4.000 euros;
  20° l'infraction à l'article 37/9 est sanctionnée d'une amende administrative de 500 à 1.000 euros;
  21° l'infraction à l'article 37/10, alinéa 3, est sanctionnée d'une amende administrative de 500 à 1.000 euros;
  22° l'infraction à l'article 37/11 est sanctionnée d'une amende administrative de 1.000 à 2.000 euros;
  23° l'infraction à l'article 37/13 est sanctionnée d'une amende administrative de 2.000 à 4.000 euros;
  24° l'infraction à l'article 37/14 est sanctionnée d'une amende administrative de 1.000 à 2.000 euros;
  25° l'infraction à l'article 37/20, alinéa 3, est sanctionnée d'une amende administrative de 4.000 à 8.000 euros;
  26° la non-vérification du fait que l'accompagnateur est bien titulaire d'un certificat visé à l'article 37/23, § 1er, alinéa 1er, avant qu'il ne soit autorisé à effectuer les tâches déterminantes définies dans le même article, est sanctionnée d'une amende administrative de 2.000 à 4.000 euros;
  27° la non-inscription par le détenteur, en violation de l'article 38, d'un véhicule dans le RNV, avec le nom de l'entité en charge de la maintenance, est sanctionnée d'une amende administrative de 1.000 à 2.000 euros;
  28° la non-communication ou la communication tardive à l'autorité de sécurité des adaptations nécessaires à apporter au RNV visé à l'article 38, est sanctionnée d'une amende administrative de 1.000 à 2.000 euros;
  29° le non-respect, par l'entité en charge de la maintenance, des règles stipulées dans les articles 39 à 42/1 concernant la certification, est sanctionné d'une amende administrative de 4.000 à 8.000 euros;
  30° toute obstruction à l'exercice des pouvoirs de l'organisme d'enquête, visés à l'article 46, est sanctionnée d'une amende administrative de 4.000 à 8.000 euros;
  31° le fait de ne pas répondre dans le délai imparti à un rapport d'audit, d'inspection ou de contrôle relatif aux règles de sécurité visées à l'article 6, ou relatif à un agrément ou un certificat de sécurité, est sanctionné d'une amende administrative de 500 à 1.000 euros;
  32° le fait de ne pas prendre de mesures correctives dans le délai imparti, après un rapport d'audit, d'inspection ou de contrôle relatif aux règles de sécurité visées à l'article 6, ou relatif à un agrément ou un certificat de sécurité, est sanctionné d'une amende administrative de 2.000 à 4.000 euros;
  33° le fait de dépasser les valeurs " intervention immédiate " des tolérances de sécurité de la voie, conformément aux paramètres fondamentaux sécurité des STI Infrastructure, ou de ne pas respecter les procédures de sécurité des STI Contrôle-commande signalisation, et ce, plus de deux fois par an, est sanctionné d'une amende administrative de 2.000 à 4.000 euros;
  34° le non-paiement ou le paiement tardif des redevances visées aux articles 14/1, 14/2, 14/4, 33, 33/1 et 33/2 est sanctionné d'une amende administrative de 20 à 500 euros.
  Les infractions mentionnées à l'alinéa précédent peuvent également être commises par négligence ou défaut de prévoyance.
  Art. 59/2. § 1er. Le Roi définit, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les infractions aux arrêtés pris en exécution de la présente loi qui sont sanctionnées d'une amende administrative.
  Les infractions sont réparties en trois degrés.
  Les infractions peuvent également être commises par négligence ou défaut de prévoyance.
  § 2. Les infractions du premier degré concernent les faits et comportements qui n'ont pas d'incidence sur la sécurité des personnes et qui n'entravent pas gravement le fonctionnement de l'autorité de sécurité ou de l'organisme d'enquête.
  Les infractions visées à l'alinéa 1er sont sanctionnées d'une amende administrative de 50 à 1.000 euros.
  § 3. Les infractions du deuxième degré concernent les faits et comportements qui ont une incidence directe ou indirecte sur la sécurité des personnes ou qui entravent gravement le fonctionnement de l'autorité de sécurité ou de l'organisme d'enquête.
  Les infractions visées à l'alinéa 1er sont sanctionnées d'une amende administrative de 100 à 2.000 euros.
  § 4. Les infractions du troisième degré concernent les faits et comportements qui sont de nature à pouvoir provoquer un accident ou un accident grave.
  Les infractions visées à l'alinéa 1er sont sanctionnées d'une amende administrative de 400 à 8.000 euros.
  § 5. Le Roi peut fixer, par arrêté délibéré en Conseil des ministres et dans les limites minimales et maximales prévues aux §§ 2 à 4, un montant ou des montants minimum et maximum en cas de comportement sanctionné d'une amende administrative.
  Pour définir le degré et le taux de la peine, le Roi tient compte de la gravité des faits punissables et de leur proportionnalité par rapport aux amendes administratives.
  Art. 59/3. § 1er. En cas de circonstances atténuantes, l'amende administrative peut être réduite, sans qu'elle puisse être inférieure à
  1° 50 euros pour les infractions du premier degré;
  2° 100 euros pour les infractions du deuxième degré;
  3° 200 euros pour les infractions du troisième degré;
  4° la moitié du montant minimal des montants prévus à l'article 59/1.
  § 2. En cas de concours de plusieurs infractions visées aux articles 59/1 et 59/2, toutes les amendes administratives seront cumulées, sans qu'elles puissent toutefois excéder le double du maximum de l'amende administrative la plus élevée.
  § 3. L'autorité de sécurité peut prévoir dans sa décision d'infliger une amende administrative que, si le contrevenant ne commet plus d'infraction pendant un an, l'amende administrative est caduque.
  § 4. Les §§ 1er à 3 s'appliquent intégralement au recours visé à l'article 14/5.
  § 5. Si le contrevenant se voit infliger une amende administrative prévue aux article 59/1 et 59/2, un an après qu'une décision de l'autorité de sécurité d'infliger une amende administrative est devenue définitive, ou un an après que l'arrêt sur le recours contre cette décision est passé en force de chose jugée, les montants minimaux définis à l'article 59/1, § 1er, et à l'article 59/2, §§ 2 à 4, seront doublés.
  § 6. Une amende administrative ne peut être infligée :
  1° lorsque le juge répressif a déjà infligé une peine pour le fait en question;
  2° lorsque le fait en question a déjà donné lieu à un acquittement, à une simple déclaration de culpabilité sans peine, à une suspension du prononcé de la condamnation ou à une transaction visée à l'article 216bis du Code d'instruction criminelle.
  § 7. Si le contrevenant présumé est poursuivi pénalement pour des faits qui sont indissociablement liés au fait pour lequel l'autorité de sécurité entend infliger une amende administrative, les délais mentionnés dans le présent titre sont suspendus jusqu'au moment où le juge pénal aura statué.
  § 8. Les décimes additionnels visés à l'article 1er, alinéa 1er, de la loi du 5 mars 1952 relative aux décimes additionnels sur les amendes pénales s'appliquent également aux amendes administratives visées aux articles 59/1 et 59/2.
  Dans sa décision, l'autorité de sécurité fait état de la multiplication effectuée en vertu de la loi susmentionnée du 5 mars 1952 et du montant résultant de cette augmentation.
  § 9. Le contrevenant s'acquitte de l'amende administrative un mois après que la décision d'infliger une amende administrative est devenue définitive ou que l'arrêt sur le recours contre cette décision est passé en force de chose jugée. L'amende administrative revient au Trésor. Le contrevenant verse le montant à l'Administration du cadastre, de l'enregistrement et des domaines.
  Le préposé de l'Administration du cadastre, de l'enregistrement et des domaines informe l'autorité de sécurité du paiement.
  Si le contrevenant paie l'amende administrative avec retard, le montant sera majoré de plein droit du taux d'intérêt légal, avec un minimum de cinq pour cent du montant de l'amende administrative.
  Le droit de percevoir l'amende administrative se prescrit par deux ans à dater du dernier jour où le contrevenant aurait dû payer. Ce délai est suspendu dans le cas visé à l'article 59/3, § 3. "
Art. 9. Deze wet wordt geciteerd als " Wet bestuurlijke boetes DVIS ".
Art. 9. La présente loi est dénommée " Loi sur les amendes administratives SSICF ".
  Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekengemaakt.
  Gegeven te Châteauneuf-de-Grasse, 28 december 2011.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Vice-Eerste Minister en Minister van Binnenlandse Zaken,
  Mevr. J. MILQUET
  De Staatssecretaris voor Leefmilieu, Energie en Mobiliteit,
  M. WATHELET
  Met 's Lands zegel gezegeld :
  De Minister van Justitie,
  Mevr. A. TURTELBOOM
  Promulguons la présente loi, ordonnons qu'elle soit revêtue du sceau de l'Etat et publiée par le Moniteur belge.
  Donné à Châteauneuf-de-Grasse, le 28 décembre 2011.
  ALBERT
  Par le Roi :
  La Vice-Première Ministre et Ministre de l'Intérieur,
  Mme J. MILQUET
  Le Secrétaire d'Etat à l'Environnement, à l'Energie et à la Mobilité,
  M. WATHELET
  Scellé du sceau de l'Etat :
  La Ministre de la Justice,
  Mme A. TURTELBOOM