Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
23 DECEMBER 2011. - Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2012(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 30-12-2011 en tekstbijwerking tot 10-09-2021)
Titre
23 DECEMBRE 2011. - Décret contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2012(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 30-12-2011 et mise à jour au 10-09-2021)
Dokumentinformationen
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK 1. - Algemeen
HOOFDSTUK 2. - Onderwijs
Afdeling 1. - Gemeenschapsonderwijs
Afdeling 2. - Deeltijds kunstonderwijs
Afdeling 3. - Stelsel van leren en werken
Afdeling 4. - Hogescholen
Afdeling 5. - Universiteiten
Afdeling 6. - Volwassenenonderwijs
Afdeling 7. - Financiering hogescholen en unive...
Afdeling 8. - Vzw EPOS
Afdeling 9. - Flankerend onderwijsbeleid
Afdeling 10. - Basisonderwijs
HOOFDSTUK 3. - Studiecommissie Gewestbelastinge...
Afdeling 1. - Successierechten
Afdeling 2. - Registratierechten
Afdeling 3. - Onroerende Voorheffing
HOOFDSTUK 4. - Verkeersbelastingen
Afdeling 1. - Wetboek van de met de inkomstenbe...
Afdeling 2. - Eurovignet
Afdeling 3. - Wijzigingen aan het Wetboek van d...
HOOFDSTUK 5. - Oppervlaktewateren
Afdeling 1. - Bescherming van de oppervlaktewat...
Afdeling 2. - Oppervlaktewaterheffing
HOOFDSTUK 6. - Grondwaterbeheer
HOOFDSTUK 7. - Vlaamse Maatschappij voor Waterv...
HOOFDSTUK 8. - Besparing index werking beleidsd...
HOOFDSTUK 9. - DAB Fonds ter bestrijding van de...
HOOFDSTUK 10. - Vlaams Stedenfonds
HOOFDSTUK 11. - Derde Arbeidscircuit
HOOFDSTUK 12. - DAB Overheidspersoneel
HOOFDSTUK 13. - DAB Digitale Drukkerij
HOOFDSTUK 14. - IVA Stationsomgevingen
HOOFDSTUK 15. - Co-existentie van genetisch gem...
HOOFDSTUK 16. - Restauratie O.L.Vrouwbasiliek t...
HOOFDSTUK 17. - Overdracht van familiale ondern...
Afdeling 1. - Schenkingen van familiale onderne...
Afdeling 2. - Verervingen van familiale onderne...
HOOFDSTUK 18. - Vlaams Fonds voor de Lastendelging
HOOFDSTUK 19. - Steunpunten beleidsrelevant ond...
HOOFDSTUK 20. - Slotbepalingen
Inhoud
CHAPITRE 1er. - Généralités
CHAPITRE 2. - Enseignement
Section 1re. - Enseignement communautaire
Section 2. - Enseignement artistique à temps pa...
Section 3. - Système d'apprentissage et de travail
Section 4. - Instituts supérieurs
Section 5. - Universités
Section 6. - Education des adultes
Section 7. - Financement des instituts supérieu...
Section 8. - ASBL EPOS
Section 9. - Politique d'encadrement de l'ensei...
Section 10. - Enseignement fondamental
CHAPITRE 3. - Commission d'étude Impôts régiona...
Section 1re. - Droits de succession
Section 2. - Droits d'enregistrement
Section 3. - Précompte immobilier
CHAPITRE 4. - Taxes de circulation
Section 1re. - Code des taxes assimilées aux im...
Section 2. - Eurovignette
Section 3. - Modifications au Code des impôts d...
CHAPITRE 5. - Eaux de surface
Section 1re. - Protection des eaux de surface c...
Section 2. - Redevance sur les eaux de surface
CHAPITRE 6. - Gestion des eaux souterraines
CHAPITRE 7. - Vlaamse Maatschappij voor Watervo...
CHAPITRE 8. - Economie indice fonctionnement do...
CHAPITRE 9. - SGS Fonds pour la lutte contre le...
CHAPITRE 10. - Vlaams Stedenfonds (Fonds flaman...
CHAPITRE 11. - Troisième circuit de travail
CHAPITRE 12. - SGS Fonction publique
CHAPITRE 13. - SGS Imprimerie numérique
CHAPITRE 14. - AAI " Fonds Stationsomgevingen "...
CHAPITRE 15. - Coexistence de cultures de maïs ...
CHAPITRE 16. - Restauration de la " O.L.Vrouwba...
CHAPITRE 17. - Transfert d'entreprises familial...
Section 1re. Transfert d'entreprises familiales...
Section 2. - Héritages d'entreprises familiales...
CHAPITRE 18. - Fonds flamand d'Amortissement de...
CHAPITRE 19. - Antennes pour la recherche scien...
CHAPITRE 20. - Dispositions finales
Tekst (127)
Texte (127)
HOOFDSTUK 1. - Algemeen
CHAPITRE 1er. - Généralités
Artikel 1. Dit decreet regelt een gemeenschaps- en gewestaangelegenheid.
Article 1er. Le présent décret règle une matière communautaire et régionale.
HOOFDSTUK 2. - Onderwijs
CHAPITRE 2. - Enseignement
Afdeling 1. - Gemeenschapsonderwijs
Section 1re. - Enseignement communautaire
Art. 2. Artikel 4 van het decreet betreffende het onderwijs-II van 31 juli 1990 wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 4. Teneinde het gemeenschapsonderwijs in staat te stellen zelf in het eigenaarsonderhoud van zijn gebouwen te voorzien, wordt jaarlijks een krediet van 7.809.000 euro in de dotatie van het gemeenschapsonderwijs ingeschreven. Vanaf het begrotingsjaar 2012 wordt dit bedrag aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex.
Het krediet wordt onder de schoolraden, raden van bestuur en bij ontstentenis hiervan de instellingen of centra, verdeeld volgens objectieve, door het gemeenschapsonderwijs te bepalen, criteria. ".
" Art. 4. Teneinde het gemeenschapsonderwijs in staat te stellen zelf in het eigenaarsonderhoud van zijn gebouwen te voorzien, wordt jaarlijks een krediet van 7.809.000 euro in de dotatie van het gemeenschapsonderwijs ingeschreven. Vanaf het begrotingsjaar 2012 wordt dit bedrag aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex.
Het krediet wordt onder de schoolraden, raden van bestuur en bij ontstentenis hiervan de instellingen of centra, verdeeld volgens objectieve, door het gemeenschapsonderwijs te bepalen, criteria. ".
Art. 2. L'article 4 du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement-II est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 4. Afin de permettre à l'Enseignement communautaire de prévoir à l'entretien du propriétaire des bâtiments, un crédit annuel de 7.809.000 euros est inscrit à la dotation de l'Enseignement communautaire. A partir de l'année budgétaire 2012, ce montant est ajusté à l'évolution de l'indice santé.
Le crédit est réparti parmi les conseils scolaires, les conseils d'administration et, à défaut, parmi les institutions ou centres, selon des critères objectifs, à déterminer par l'Enseignement communautaire. ".
" Art. 4. Afin de permettre à l'Enseignement communautaire de prévoir à l'entretien du propriétaire des bâtiments, un crédit annuel de 7.809.000 euros est inscrit à la dotation de l'Enseignement communautaire. A partir de l'année budgétaire 2012, ce montant est ajusté à l'évolution de l'indice santé.
Le crédit est réparti parmi les conseils scolaires, les conseils d'administration et, à défaut, parmi les institutions ou centres, selon des critères objectifs, à déterminer par l'Enseignement communautaire. ".
Afdeling 2. - Deeltijds kunstonderwijs
Section 2. - Enseignement artistique à temps partiel
Art. 3. Aan het decreet van 10 juli 2008 houdende enkele dringende maatregelen voor het deeltijds kunstonderwijs wordt een hoofdstuk IIter toegevoegd, dat luidt als volgt :
" HOOFDSTUK IIter. - Pilootprojecten hervorming deeltijds kunstonderwijs
Art. 8ter. In de periode van 1 januari 2012 tot 31 augustus 2014 kan de Vlaamse Regering subsidies toekennen aan pilootprojecten ter voorbereiding op de hervorming van het deeltijds kunstonderwijs. De projecten worden georganiseerd door een of meer pedagogische begeleidingsdiensten en/of één of meer specifieke lerarenopleidingen die aansluiten op een vakinhoudelijke opleiding in de kunsten en/of één of meer geïntegreerde lerarenopleidingen in de onderwijsvakken muzikale opvoeding, plastische opvoeding of project kunstvakken.
De Vlaamse Regering bepaalt nadere inhoudelijke, organisatorische en procedurele regels met betrekking tot de afbakening van de thema's, de doelstellingen, de selectie van projecten en de toekenning van subsidies. Zij treft de nodige maatregelen om de transfer van de projectresultaten naar het brede werkveld te realiseren. ".
" HOOFDSTUK IIter. - Pilootprojecten hervorming deeltijds kunstonderwijs
Art. 8ter. In de periode van 1 januari 2012 tot 31 augustus 2014 kan de Vlaamse Regering subsidies toekennen aan pilootprojecten ter voorbereiding op de hervorming van het deeltijds kunstonderwijs. De projecten worden georganiseerd door een of meer pedagogische begeleidingsdiensten en/of één of meer specifieke lerarenopleidingen die aansluiten op een vakinhoudelijke opleiding in de kunsten en/of één of meer geïntegreerde lerarenopleidingen in de onderwijsvakken muzikale opvoeding, plastische opvoeding of project kunstvakken.
De Vlaamse Regering bepaalt nadere inhoudelijke, organisatorische en procedurele regels met betrekking tot de afbakening van de thema's, de doelstellingen, de selectie van projecten en de toekenning van subsidies. Zij treft de nodige maatregelen om de transfer van de projectresultaten naar het brede werkveld te realiseren. ".
Art. 3. Le décret du 10 juillet 2008 portant diverses mesures urgentes pour l'enseignement artistique à temps partiel, est complété par un chapitre IIter, rédigé comme suit :
" CHAPITRE IIter. - Projets pilote réforme de l'enseignement artistique à temps partiel
Art. 8ter. Dans la période du 1er janvier 2012 au 31 août 2014 le Gouvernement flamand peut octroyer des subventions aux projets pilotes en préparation de la réforme de l'enseignement artistique à temps partiel. Les projets sont organisés par un ou plusieurs services d'encadrement pédagogique et/ou une ou plusieurs formations spécifiques des enseignants qui s'alignent sur une formation spécifique à la branche dans les arts et/ou une ou plusieurs formations des enseignants intégrées dans les cours d'éducation musicale, éducation plastique ou projet cours artistiques.
Le Gouvernement flamand arrêté les modalités fonctionnelles, organisationnelles et procédurales relatives à l'établissement des thèmes, des objectifs, à la sélection de projets et à l'octroi de subventions. Elle prend les mesures nécessaires pour réaliser le transfert des résultats de projet vers le terrain.
" CHAPITRE IIter. - Projets pilote réforme de l'enseignement artistique à temps partiel
Art. 8ter. Dans la période du 1er janvier 2012 au 31 août 2014 le Gouvernement flamand peut octroyer des subventions aux projets pilotes en préparation de la réforme de l'enseignement artistique à temps partiel. Les projets sont organisés par un ou plusieurs services d'encadrement pédagogique et/ou une ou plusieurs formations spécifiques des enseignants qui s'alignent sur une formation spécifique à la branche dans les arts et/ou une ou plusieurs formations des enseignants intégrées dans les cours d'éducation musicale, éducation plastique ou projet cours artistiques.
Le Gouvernement flamand arrêté les modalités fonctionnelles, organisationnelles et procédurales relatives à l'établissement des thèmes, des objectifs, à la sélection de projets et à l'octroi de subventions. Elle prend les mesures nécessaires pour réaliser le transfert des résultats de projet vers le terrain.
Afdeling 3. - Stelsel van leren en werken
Section 3. - Système d'apprentissage et de travail
Art. 4. In artikel 95 van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap, vervangen bij het decreet van 8 juli 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 wordt in 1° een punt c) toegevoegd, dat luidt als volgt : " c) Profo : 15.360; ";
2° in paragraaf 1 wordt 14° vervangen door wat volgt :
" 14° werkingsgebied regionaal overlegplatform Westhoek :
a) Groep Intro : 10.629,10;
b) Profo : 7.680; ".
1° in paragraaf 1 wordt in 1° een punt c) toegevoegd, dat luidt als volgt : " c) Profo : 15.360; ";
2° in paragraaf 1 wordt 14° vervangen door wat volgt :
" 14° werkingsgebied regionaal overlegplatform Westhoek :
a) Groep Intro : 10.629,10;
b) Profo : 7.680; ".
Art. 4. A l'article 95 du décret du 10 juillet 2008 relatif au système d'apprentissage et de travail en Communauté flamande, remplacé par le décret du 8 juillet 2011, sont apportées les modifications suivantes :
1° au paragraphe 1er, 1°, il est ajouté un point c), rédigé comme suit : " c) Profo : 15.360; ";
2° au paragraphe 1er, le point 14° est remplacé par la disposition suivante :
" 14° zone d'action de la plate-forme régionale de concertation Westhoek :
a) Groupe Intro : 10.629,10;
b) Profo : 7.680; ".
1° au paragraphe 1er, 1°, il est ajouté un point c), rédigé comme suit : " c) Profo : 15.360; ";
2° au paragraphe 1er, le point 14° est remplacé par la disposition suivante :
" 14° zone d'action de la plate-forme régionale de concertation Westhoek :
a) Groupe Intro : 10.629,10;
b) Profo : 7.680; ".
Afdeling 4. - Hogescholen
Section 4. - Instituts supérieurs
Art. 5. Artikel 190bis van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap, wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 190bis. § 1. De Vlaamse Regering subsidieert jaarlijks het praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek binnen de hogescholen. Zij voorziet daartoe jaarlijks een bedrag van 10,708 miljoen euro.
Het bedrag vermeld in § 1, eerste lid, wordt vanaf het begrotingsjaar 2012 geïndexeerd aan de hand van de formule, vermeld in artikel 9, § 5, van het decreet van 14 maart 2008 betreffende de financiering van de werking van de hogescholen en universiteiten in Vlaanderen.
§ 2. Het bedrag, vermeld in § 1, wordt in het begrotingsjaar 2012 vermeerderd met 100.000,00 euro.
§ 3. Het bedrag verkregen na toepassing van § 1 en § 2 wordt in het begrotingsjaar 2012 verdeeld onder de hogescholen op basis van de som van :
1° 100 procent van het aantal opgenomen studiepunten in de professionele initiële bacheloropleidingen, berekend conform artikel 11 van het decreet van 14 maart 2008 betreffende de financiering van de werking van de hogescholen en universiteiten in Vlaanderen;
2° 50 procent van het gemiddeld aantal opgenomen studiepunten over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2 waarvoor de studenten zich hebben ingeschreven in een diplomacontract voor bachelor-na-bacheloropleidingen.
§ 4. De toegekende bedragen worden door de hogescholen besteed aan het dekken van zowel een organieke ondersteuningsstructuur als de kosten verbonden met de uitvoering van projecten van praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek in het kader van het professioneel hoger onderwijs.
De hogeschool stelt samen met de associatie waartoe zij behoort een onderzoeksreglement op. Dit reglement bevat ten minste de volgende elementen :
1° de looptijd van de projecten;
2° de (voorwaarden voor) wetenschappelijke ondersteuning van de projecten;
3° de methodologie die gevolgd wordt bij de ex-ante-evaluatie van de ingediende voorstellen, de ex-postevaluatie van de uitgevoerde projecten en eventueel de tussentijdse evaluatie van de in uitvoering zijnde projecten.
§ 5. Het hogeschoolbestuur rapporteert in het jaarverslag over de besteding van deze middelen. De Vlaamse Regering kan nadere regels inzake deze rapportering vastleggen. ".
" Art. 190bis. § 1. De Vlaamse Regering subsidieert jaarlijks het praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek binnen de hogescholen. Zij voorziet daartoe jaarlijks een bedrag van 10,708 miljoen euro.
Het bedrag vermeld in § 1, eerste lid, wordt vanaf het begrotingsjaar 2012 geïndexeerd aan de hand van de formule, vermeld in artikel 9, § 5, van het decreet van 14 maart 2008 betreffende de financiering van de werking van de hogescholen en universiteiten in Vlaanderen.
§ 2. Het bedrag, vermeld in § 1, wordt in het begrotingsjaar 2012 vermeerderd met 100.000,00 euro.
§ 3. Het bedrag verkregen na toepassing van § 1 en § 2 wordt in het begrotingsjaar 2012 verdeeld onder de hogescholen op basis van de som van :
1° 100 procent van het aantal opgenomen studiepunten in de professionele initiële bacheloropleidingen, berekend conform artikel 11 van het decreet van 14 maart 2008 betreffende de financiering van de werking van de hogescholen en universiteiten in Vlaanderen;
2° 50 procent van het gemiddeld aantal opgenomen studiepunten over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2 waarvoor de studenten zich hebben ingeschreven in een diplomacontract voor bachelor-na-bacheloropleidingen.
§ 4. De toegekende bedragen worden door de hogescholen besteed aan het dekken van zowel een organieke ondersteuningsstructuur als de kosten verbonden met de uitvoering van projecten van praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek in het kader van het professioneel hoger onderwijs.
De hogeschool stelt samen met de associatie waartoe zij behoort een onderzoeksreglement op. Dit reglement bevat ten minste de volgende elementen :
1° de looptijd van de projecten;
2° de (voorwaarden voor) wetenschappelijke ondersteuning van de projecten;
3° de methodologie die gevolgd wordt bij de ex-ante-evaluatie van de ingediende voorstellen, de ex-postevaluatie van de uitgevoerde projecten en eventueel de tussentijdse evaluatie van de in uitvoering zijnde projecten.
§ 5. Het hogeschoolbestuur rapporteert in het jaarverslag over de besteding van deze middelen. De Vlaamse Regering kan nadere regels inzake deze rapportering vastleggen. ".
Art. 5. L'article 190bis du décret du 13 juillet 1994 relatif aux instituts supérieurs dans la Communauté flamande, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 190bis. § 1er. Le Gouvernement flamand subventionne annuellement la recherche scientifique appliquée à la pratique au sein des instituts supérieurs. Il prévoit à cet effet un montant annuel de 10,708 millions d'euros.
Le montant visé au § 1er, est indexé, à partir de l'année budgétaire 2012, à l'aide de la formule visée à l'article 9, § 5, du décret du 14 mars 2008 relatif au financement du fonctionnement des instituts supérieurs et des universités en Flandre.
§ 2. Le montant, visé au § 1er, est majoré de 100.000,00 euros dans l'année budgétaire 2012.
§ 3. Le montant obtenu en application des §§ 1er et 2 est réparti, dans l'année budgétaire 2012, parmi les instituts supérieurs sur la base de la somme de :
1° 100 pour cent du nombre d'unités d'études engagées dans les formations professionnelles initiales de bachelor, calculé conformément à l'article 11 du décret du 14 mars 2008 relatif au financement du fonctionnement des instituts supérieurs et des universités en Flandre;
2° 50 pour cent du nombre moyen d'unités d'études engagées dans les années académiques t-7/t-6 à t-3/t-2 incluse pour lesquelles les étudiants se sont inscrits sous contrat de diplôme à des formations de bachelor après bachelor.
§ 4. Les montants attribués sont affectés par les instituts supérieurs à la couverture tant d'une structure organique d'appui que des frais liés à l'exécution de projets dans le cadre de la recherche scientifique appliquée à la pratique dans le cadre de l'enseignement supérieur professionnel.
L'institut supérieur établit, conjointement avec l'association dont il fait partie, un règlement de recherche. Ce règlement contient au moins les éléments suivants :
1° la durée des projets;
2° (les conditions relatives à) l'appui scientifique des projets;
3° la méthodologie qui est suivie lors de l'évaluation ex ante des propositions introduites, l'évaluation ex post des projets exécutés et éventuellement l'évaluation intermédiaire des projets en exécution.
§ 5. La direction de l'institut supérieur fait rapport sur l'affectation de ces moyens dans le rapport annuel. Le Gouvernement flamand peut arrêter des modalités de présentation de ce rapport. ".
" Art. 190bis. § 1er. Le Gouvernement flamand subventionne annuellement la recherche scientifique appliquée à la pratique au sein des instituts supérieurs. Il prévoit à cet effet un montant annuel de 10,708 millions d'euros.
Le montant visé au § 1er, est indexé, à partir de l'année budgétaire 2012, à l'aide de la formule visée à l'article 9, § 5, du décret du 14 mars 2008 relatif au financement du fonctionnement des instituts supérieurs et des universités en Flandre.
§ 2. Le montant, visé au § 1er, est majoré de 100.000,00 euros dans l'année budgétaire 2012.
§ 3. Le montant obtenu en application des §§ 1er et 2 est réparti, dans l'année budgétaire 2012, parmi les instituts supérieurs sur la base de la somme de :
1° 100 pour cent du nombre d'unités d'études engagées dans les formations professionnelles initiales de bachelor, calculé conformément à l'article 11 du décret du 14 mars 2008 relatif au financement du fonctionnement des instituts supérieurs et des universités en Flandre;
2° 50 pour cent du nombre moyen d'unités d'études engagées dans les années académiques t-7/t-6 à t-3/t-2 incluse pour lesquelles les étudiants se sont inscrits sous contrat de diplôme à des formations de bachelor après bachelor.
§ 4. Les montants attribués sont affectés par les instituts supérieurs à la couverture tant d'une structure organique d'appui que des frais liés à l'exécution de projets dans le cadre de la recherche scientifique appliquée à la pratique dans le cadre de l'enseignement supérieur professionnel.
L'institut supérieur établit, conjointement avec l'association dont il fait partie, un règlement de recherche. Ce règlement contient au moins les éléments suivants :
1° la durée des projets;
2° (les conditions relatives à) l'appui scientifique des projets;
3° la méthodologie qui est suivie lors de l'évaluation ex ante des propositions introduites, l'évaluation ex post des projets exécutés et éventuellement l'évaluation intermédiaire des projets en exécution.
§ 5. La direction de l'institut supérieur fait rapport sur l'affectation de ces moyens dans le rapport annuel. Le Gouvernement flamand peut arrêter des modalités de présentation de ce rapport. ".
Art. 6. Artikel 204 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 204. § 1. Naast de werkingsuitkeringen ontvangen de Vlaamse autonome hogescholen vanaf het begrotingsjaar 2011 een bedrag van 868.000 euro voor het eigenaarsonderhoud.
§ 2. Vanaf het begrotingsjaar 2012 wordt dit bedrag geïndexeerd volgens de gezondheidsindex.
§ 3. Indien een beroep wordt gedaan op de waarborg van de Vlaamse Gemeenschap kan deze zich laten terugbetalen met behulp van de volgende verrichtingen, in de volgorde waarin zij zijn aangegeven :
a) afhouding op de werkingsuitkering verschuldigd aan de hogeschool die in het gebouw is gehuisvest;
b) afhouding op de dotatie toegekend aan andere onderwijsinstellingen die door dezelfde inrichtende macht zijn georganiseerd;
c) invordering door het bestuur van Registratie en Domeinen van het Ministerie van Financiën op het patrimonium van de inrichtende macht. ".
" Art. 204. § 1. Naast de werkingsuitkeringen ontvangen de Vlaamse autonome hogescholen vanaf het begrotingsjaar 2011 een bedrag van 868.000 euro voor het eigenaarsonderhoud.
§ 2. Vanaf het begrotingsjaar 2012 wordt dit bedrag geïndexeerd volgens de gezondheidsindex.
§ 3. Indien een beroep wordt gedaan op de waarborg van de Vlaamse Gemeenschap kan deze zich laten terugbetalen met behulp van de volgende verrichtingen, in de volgorde waarin zij zijn aangegeven :
a) afhouding op de werkingsuitkering verschuldigd aan de hogeschool die in het gebouw is gehuisvest;
b) afhouding op de dotatie toegekend aan andere onderwijsinstellingen die door dezelfde inrichtende macht zijn georganiseerd;
c) invordering door het bestuur van Registratie en Domeinen van het Ministerie van Financiën op het patrimonium van de inrichtende macht. ".
Art. 6. L'article 204 du même décret est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 204. § 1er. A partir de l'année budgétaire 2011, les instituts supérieurs autonomes flamands reçoivent, outre les allocations de fonctionnement, un montant de 868.000 euros pour l'entretien incombant au propriétaire.
§ 2. A partir de l'année budgétaire 2012, ce montant est ajusté à l'évolution de l'indice santé.
§ 3. S'il est fait appel à la garantie de la Communauté flamande, celle-ci peut se faire rembourser au moyen des opérations suivantes, dans l'ordre indiqué ci-après :
a) retenue sur l'allocation de fonctionnement due à l'institut supérieur logé dans l'immeuble;
b) retenue sur la dotation accordée à d'autres établissements d'enseignement organisés par le même pouvoir organisateur;
c) recouvrement par l'Administration de l'Enregistrement et des Domaines du Ministère des Finances sur le patrimoine du pouvoir organisateur. ".
" Art. 204. § 1er. A partir de l'année budgétaire 2011, les instituts supérieurs autonomes flamands reçoivent, outre les allocations de fonctionnement, un montant de 868.000 euros pour l'entretien incombant au propriétaire.
§ 2. A partir de l'année budgétaire 2012, ce montant est ajusté à l'évolution de l'indice santé.
§ 3. S'il est fait appel à la garantie de la Communauté flamande, celle-ci peut se faire rembourser au moyen des opérations suivantes, dans l'ordre indiqué ci-après :
a) retenue sur l'allocation de fonctionnement due à l'institut supérieur logé dans l'immeuble;
b) retenue sur la dotation accordée à d'autres établissements d'enseignement organisés par le même pouvoir organisateur;
c) recouvrement par l'Administration de l'Enregistrement et des Domaines du Ministère des Finances sur le patrimoine du pouvoir organisateur. ".
Afdeling 5. - Universiteiten
Section 5. - Universités
Art. 7. In artikel 140, § 1, 2°, van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap, gewijzigd bij het decreet van 18 december 2009, worden de woorden " voor de jaren 2002, 2003, 2006, 2007, 2008, 2009, 2010 en 2011 " vervangen door de woorden " voor de jaren 2002, 2003, 2006, 2007, 2008, 2009, 2010, 2011 en 2012 ".
Art. 7. Dans l'article 140, § 1er, 2°, du décret du 12 juin 1991 relatif aux universités dans la Communauté flamande, modifié par le décret du 18 décembre 2009, les mots " pour les années 2002, 2003, 2006, 2007, 2008, 2009, 2010 et 2011 " sont remplacés par les mots " pour les années 2002, 2003, 2006, 2007, 2008, 2009, 2010, 2011 et 2012 ".
Afdeling 6. - Volwassenenonderwijs
Section 6. - Education des adultes
Art. 8. Artikel 64 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, gewijzigd bij de decreten van 30 april 2009, 8 mei 2009, 9 juli 2010 en 1 juli 2011, wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 64. § 1. Het bestuur van een Centrum voor Volwassenenonderwijs kan voor een andere opleiding dan de opleidingen bedoeld in artikel 63, § 1, 1°, onderwijsbevoegdheid aanvragen bij de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering kan de aangevraagde bevoegdheid uitsluitend weigeren of verlenen na advies van de algemene vergadering van het consortium volwassenenonderwijs waarbij het centrum is aangesloten en bij een met redenen omklede beslissing. De algemene vergadering van het consortium volwassenenonderwijs is gehouden het advies binnen de dertig kalenderdagen na de datum van de ontvangst van de adviesaanvraag aan de Vlaamse Regering bekend te maken. Bij ontstentenis van een advies binnen de gestelde termijn, beslist de Vlaamse Regering zonder het advies van de algemene vergadering van het consortium volwassenenonderwijs over de aanvraag tot onderwijsbevoegdheid voor een opleiding.
De Vlaamse Regering bepaalt de aanvraagprocedure voor het toekennen van onderwijsbevoegdheid aan de besturen van de Centra voor Volwassenenonderwijs.
§ 2. Het bestuur van een Centrum voor Volwassenenonderwijs dat gedurende vijf opeenvolgende schooljaren een opleiding van het secundair volwassenenonderwijs of de specifieke lerarenopleiding niet georganiseerd heeft, verliest vanaf het daaropvolgende schooljaar de onderwijsbevoegdheid voor die opleiding.
In afwijking van het eerste lid verliest een Centrum voor Volwassenenonderwijs de onderwijsbevoegdheid voor de specifieke lerarenopleiding als het niet deelneemt aan de externe beoordeling van de specifieke lerarenopleiding door een visitatiecommissie als vermeld in artikel 93 van het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen.
Om opnieuw onderwijsbevoegdheid voor die opleiding te verkrijgen, moet het centrumbestuur de procedure volgen, zoals vermeld in paragraaf 1.
§ 3. Het bestuur van een Centrum voor Volwassenenonderwijs kan de onderwijsbevoegdheid die toegekend wordt op basis van de procedure, vermeld in paragraaf 1, uitsluitend uitoefenen in de vestigingsplaatsen gelegen in het werkingsgebied van het consortium volwassenenonderwijs waartoe de hoofdvestigingsplaats van het centrum behoort.
§ 4. In afwijking van paragraaf 1 tot en met paragraaf 3 wordt de onderwijsbevoegdheid voor een opleiding van het hoger beroepsonderwijs aan het bestuur van een Centrum voor Volwassenenonderwijs toegekend, overeenkomstig de bepalingen in titel II van het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs.
§ 5. In afwijking van artikel 63, § 1, kan de Vlaamse Regering aan één of meerdere Centra voor Volwassenenonderwijs die onderwijsbevoegdheid hebben voor de opleiding Nederlands tweede taal van het secundair volwassenenonderwijs onderwijsbevoegdheid toekennen voor de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1 van de basiseducatie, op voorwaarde dat het Centrum voor Basiseducatie dat beschikt over een wachtlijst, zoals bedoeld in artikel 37, eerste lid, voor deze opleiding gelegen is in het werkingsgebied van het consortium volwassenenonderwijs waartoe de hoofdvestigingsplaatsen van de betrokken Centra voor Volwassenenonderwijs behoren.
De Vlaamse Regering zal voorafgaandelijk aan het nemen van een beslissing, het advies van de Vlaamse Onderwijsraad en van de algemene vergadering van het betreffende consortium volwassenenonderwijs inwinnen. De algemene vergadering van het consortium volwassenenonderwijs is gehouden het advies binnen de dertig kalenderdagen na de datum van de ontvangst van de adviesaanvraag aan de Vlaamse Regering bekend te maken. Bij ontstentenis van een advies binnen de gestelde termijn, beslist de Vlaamse Regering zonder het advies van de algemene vergadering van het consortium volwassenenonderwijs over de aanvraag tot onderwijsbevoegdheid voor de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1 van de basiseducatie.
De onderwijsbevoegdheid wordt toegekend voor twee schooljaren en kan met twee schooljaren verlengd worden na een evaluatie door de bevoegde administratie. De in het eerste lid bedoelde opleiding wordt ingedeeld in het studiegebied Nederlands tweede taal van het secundair volwassenenonderwijs. ".
" Art. 64. § 1. Het bestuur van een Centrum voor Volwassenenonderwijs kan voor een andere opleiding dan de opleidingen bedoeld in artikel 63, § 1, 1°, onderwijsbevoegdheid aanvragen bij de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering kan de aangevraagde bevoegdheid uitsluitend weigeren of verlenen na advies van de algemene vergadering van het consortium volwassenenonderwijs waarbij het centrum is aangesloten en bij een met redenen omklede beslissing. De algemene vergadering van het consortium volwassenenonderwijs is gehouden het advies binnen de dertig kalenderdagen na de datum van de ontvangst van de adviesaanvraag aan de Vlaamse Regering bekend te maken. Bij ontstentenis van een advies binnen de gestelde termijn, beslist de Vlaamse Regering zonder het advies van de algemene vergadering van het consortium volwassenenonderwijs over de aanvraag tot onderwijsbevoegdheid voor een opleiding.
De Vlaamse Regering bepaalt de aanvraagprocedure voor het toekennen van onderwijsbevoegdheid aan de besturen van de Centra voor Volwassenenonderwijs.
§ 2. Het bestuur van een Centrum voor Volwassenenonderwijs dat gedurende vijf opeenvolgende schooljaren een opleiding van het secundair volwassenenonderwijs of de specifieke lerarenopleiding niet georganiseerd heeft, verliest vanaf het daaropvolgende schooljaar de onderwijsbevoegdheid voor die opleiding.
In afwijking van het eerste lid verliest een Centrum voor Volwassenenonderwijs de onderwijsbevoegdheid voor de specifieke lerarenopleiding als het niet deelneemt aan de externe beoordeling van de specifieke lerarenopleiding door een visitatiecommissie als vermeld in artikel 93 van het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen.
Om opnieuw onderwijsbevoegdheid voor die opleiding te verkrijgen, moet het centrumbestuur de procedure volgen, zoals vermeld in paragraaf 1.
§ 3. Het bestuur van een Centrum voor Volwassenenonderwijs kan de onderwijsbevoegdheid die toegekend wordt op basis van de procedure, vermeld in paragraaf 1, uitsluitend uitoefenen in de vestigingsplaatsen gelegen in het werkingsgebied van het consortium volwassenenonderwijs waartoe de hoofdvestigingsplaats van het centrum behoort.
§ 4. In afwijking van paragraaf 1 tot en met paragraaf 3 wordt de onderwijsbevoegdheid voor een opleiding van het hoger beroepsonderwijs aan het bestuur van een Centrum voor Volwassenenonderwijs toegekend, overeenkomstig de bepalingen in titel II van het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs.
§ 5. In afwijking van artikel 63, § 1, kan de Vlaamse Regering aan één of meerdere Centra voor Volwassenenonderwijs die onderwijsbevoegdheid hebben voor de opleiding Nederlands tweede taal van het secundair volwassenenonderwijs onderwijsbevoegdheid toekennen voor de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1 van de basiseducatie, op voorwaarde dat het Centrum voor Basiseducatie dat beschikt over een wachtlijst, zoals bedoeld in artikel 37, eerste lid, voor deze opleiding gelegen is in het werkingsgebied van het consortium volwassenenonderwijs waartoe de hoofdvestigingsplaatsen van de betrokken Centra voor Volwassenenonderwijs behoren.
De Vlaamse Regering zal voorafgaandelijk aan het nemen van een beslissing, het advies van de Vlaamse Onderwijsraad en van de algemene vergadering van het betreffende consortium volwassenenonderwijs inwinnen. De algemene vergadering van het consortium volwassenenonderwijs is gehouden het advies binnen de dertig kalenderdagen na de datum van de ontvangst van de adviesaanvraag aan de Vlaamse Regering bekend te maken. Bij ontstentenis van een advies binnen de gestelde termijn, beslist de Vlaamse Regering zonder het advies van de algemene vergadering van het consortium volwassenenonderwijs over de aanvraag tot onderwijsbevoegdheid voor de opleiding Nederlands tweede taal richtgraad 1 van de basiseducatie.
De onderwijsbevoegdheid wordt toegekend voor twee schooljaren en kan met twee schooljaren verlengd worden na een evaluatie door de bevoegde administratie. De in het eerste lid bedoelde opleiding wordt ingedeeld in het studiegebied Nederlands tweede taal van het secundair volwassenenonderwijs. ".
Art. 8. L'article 64 du décret du 15 juin 2007 relatif à l'enseignement des adultes, modifié par les décrets des 30 avril 2009, 8 mai 2009, 9 juillet 2010 et 1er juillet 2011, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 64. § 1er. La direction d'un centre d'éducation des adultes peut demander au Gouvernement flamand compétence d'enseignement pour une formation qui n'appartient pas aux formations visées à l'article 63, § 1er, 1°. Le Gouvernement flamand peut uniquement refuser ou accorder, par décision motivée, la compétence demandée après avoir pris l'avis de l'assemblée générale du consortium éducation des adultes auquel le centre est affilié. L'assemblée générale du consortium éducation des adultes est tenue de communiquer l'avis au Gouvernement flamand dans les trente jours calendaires de la date de réception de la demande d'avis. A défaut d'un avis dans le délai déterminé, le Gouvernement flamand statue, sans l'avis de l'assemblée générale du consortium éducation des adultes.
Le Gouvernement flamand arrête la procédure de demande pour l'octroi de la compétence d'enseignement aux directions des centres d'éducation des adultes.
§ 2. La direction d'un centre d'éducation des adultes n'ayant pas organisé, pendant cinq années scolaires successives, une formation de l'éducation secondaire des adultes ou la formation spécifique des enseignants, perd à partir de l'année scolaire suivante la compétence d'enseignement pour cette formation.
Par dérogation à l'alinéa premier, un centre d'éducation des adultes perd la compétence d'enseignement pour la formation spécifique des enseignants, s'il ne participe pas à l'évaluation externe de la formation spécifique des enseignants par une commission de visite telle que visée à l'article 93 du décret du 4 avril 2003 relatif à la restructuration de l'enseignement supérieur en Flandre.
Afin d'obtenir à nouveau compétence d'enseignement pour la formation en question, la direction du centre doit suivre la procédure visée au § 1er.
§ 3. La direction d'un centre d'éducation des adultes peut uniquement exercer la compétence d'enseignement qui lui est accordée au vu de la procédure visée au § 1er, dans les lieux d'implantation situés dans la zone d'action du consortium éducation des adultes auquel appartient le lieu d'implantation principal du centre.
§ 4. Par dérogation aux §§ 1er à 3 inclus, la compétence d'enseignement pour une formation des disciplines visées à l'article 8 est attribuée à la direction d'un centre d'éducation des adultes, conformément aux dispositions du titre II du décret du 30 avril 2009 relatif à l'enseignement secondaire après secondaire et l'enseignement supérieur professionnel.
§ 5. Par dérogation à l'article 63, § 1er, le Gouvernement flamand peut attribuer compétence d'enseignement pour la formation 'Nederlands tweede taal richtgraad 1' (néerlandais deuxième langue degré-guide 1) de l'éducation de base, à un ou plusieurs centres d'éducation des adultes ayant compétence d'enseignement pour la formation 'Nederlands tweede taal' (néerlandais deuxième langue) de l'enseignement secondaire des adultes, à la condition que le centre d'éducation de base qui dispose d'une liste d'attente telle que visée à l'article 37, premier alinéa, pour cette formation, soit situé dans la zone d'action du consortium éducation des adultes auquel appartiennent les lieux d'implantation principaux des centres d'éducation des adultes concernés.
Avant de prendre une décision, le Gouvernement flamand demandera l'avis du 'Vlaamse Onderwijsraad' et de l'assemblée générale du consortium éducation des adultes en question. L'assemblée générale du consortium éducation des adultes est tenue de communiquer l'avis au Gouvernement flamand dans les trente jours calendaires de la date de réception de la demande d'avis. A défaut d'un avis dans le délai déterminé, le Gouvernement flamand statue, sans l'avis de l'assemblée générale du consortium éducation des adultes, sur la demande de compétence d'enseignement pour la formation " Nederlands tweede taal richtgraad 1 " de l'éducation de base.
La compétence d'enseignement est accordée pour deux années scolaires et peut être prolongée de deux années scolaires après évaluation par l'administration compétente. La formation visée à l'alinéa premier est classée dans la discipline 'Nederlands tweede taal' (néerlandais - deuxième langue) de l'enseignement secondaire des adultes. ".
" Art. 64. § 1er. La direction d'un centre d'éducation des adultes peut demander au Gouvernement flamand compétence d'enseignement pour une formation qui n'appartient pas aux formations visées à l'article 63, § 1er, 1°. Le Gouvernement flamand peut uniquement refuser ou accorder, par décision motivée, la compétence demandée après avoir pris l'avis de l'assemblée générale du consortium éducation des adultes auquel le centre est affilié. L'assemblée générale du consortium éducation des adultes est tenue de communiquer l'avis au Gouvernement flamand dans les trente jours calendaires de la date de réception de la demande d'avis. A défaut d'un avis dans le délai déterminé, le Gouvernement flamand statue, sans l'avis de l'assemblée générale du consortium éducation des adultes.
Le Gouvernement flamand arrête la procédure de demande pour l'octroi de la compétence d'enseignement aux directions des centres d'éducation des adultes.
§ 2. La direction d'un centre d'éducation des adultes n'ayant pas organisé, pendant cinq années scolaires successives, une formation de l'éducation secondaire des adultes ou la formation spécifique des enseignants, perd à partir de l'année scolaire suivante la compétence d'enseignement pour cette formation.
Par dérogation à l'alinéa premier, un centre d'éducation des adultes perd la compétence d'enseignement pour la formation spécifique des enseignants, s'il ne participe pas à l'évaluation externe de la formation spécifique des enseignants par une commission de visite telle que visée à l'article 93 du décret du 4 avril 2003 relatif à la restructuration de l'enseignement supérieur en Flandre.
Afin d'obtenir à nouveau compétence d'enseignement pour la formation en question, la direction du centre doit suivre la procédure visée au § 1er.
§ 3. La direction d'un centre d'éducation des adultes peut uniquement exercer la compétence d'enseignement qui lui est accordée au vu de la procédure visée au § 1er, dans les lieux d'implantation situés dans la zone d'action du consortium éducation des adultes auquel appartient le lieu d'implantation principal du centre.
§ 4. Par dérogation aux §§ 1er à 3 inclus, la compétence d'enseignement pour une formation des disciplines visées à l'article 8 est attribuée à la direction d'un centre d'éducation des adultes, conformément aux dispositions du titre II du décret du 30 avril 2009 relatif à l'enseignement secondaire après secondaire et l'enseignement supérieur professionnel.
§ 5. Par dérogation à l'article 63, § 1er, le Gouvernement flamand peut attribuer compétence d'enseignement pour la formation 'Nederlands tweede taal richtgraad 1' (néerlandais deuxième langue degré-guide 1) de l'éducation de base, à un ou plusieurs centres d'éducation des adultes ayant compétence d'enseignement pour la formation 'Nederlands tweede taal' (néerlandais deuxième langue) de l'enseignement secondaire des adultes, à la condition que le centre d'éducation de base qui dispose d'une liste d'attente telle que visée à l'article 37, premier alinéa, pour cette formation, soit situé dans la zone d'action du consortium éducation des adultes auquel appartiennent les lieux d'implantation principaux des centres d'éducation des adultes concernés.
Avant de prendre une décision, le Gouvernement flamand demandera l'avis du 'Vlaamse Onderwijsraad' et de l'assemblée générale du consortium éducation des adultes en question. L'assemblée générale du consortium éducation des adultes est tenue de communiquer l'avis au Gouvernement flamand dans les trente jours calendaires de la date de réception de la demande d'avis. A défaut d'un avis dans le délai déterminé, le Gouvernement flamand statue, sans l'avis de l'assemblée générale du consortium éducation des adultes, sur la demande de compétence d'enseignement pour la formation " Nederlands tweede taal richtgraad 1 " de l'éducation de base.
La compétence d'enseignement est accordée pour deux années scolaires et peut être prolongée de deux années scolaires après évaluation par l'administration compétente. La formation visée à l'alinéa premier est classée dans la discipline 'Nederlands tweede taal' (néerlandais - deuxième langue) de l'enseignement secondaire des adultes. ".
Art. 9. Artikel 68 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 68. § 1. Het bestuur van een Centrum voor Basiseducatie kan binnen het werkingsgebied van het consortium volwassenenonderwijs vrij de vte en de functies opgericht op basis van de puntenenveloppe aanwenden in bijkomende vestigingsplaatsen.
§ 2. Het bestuur van een Centrum voor Volwassenenonderwijs kan bij de Vlaamse Regering een aanvraag indienen om leraarsuren en ambten opgericht op basis van de puntenenveloppe in een bijkomende vestigingsplaats aan te wenden. De Vlaamse Regering kan de aanvraag uitsluitend weigeren of verlenen na advies van de algemene vergadering van het consortium volwassenenonderwijs waarbij het centrum is aangesloten en bij een met redenen omklede beslissing. De algemene vergadering van het consortium volwassenenonderwijs is gehouden het advies binnen de dertig kalenderdagen na de datum van de ontvangst van de adviesaanvraag aan de Vlaamse Regering bekend te maken. Bij ontstentenis van een advies binnen de gestelde termijn, beslist de Vlaamse Regering zonder het advies van het consortium volwassenenonderwijs over de aanvraag om leraarsuren en ambten opgericht op basis van de puntenenveloppe te mogen aanwenden in een bijkomende vestigingsplaats.
De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor het aanvragen van het aanwenden van leraarsuren en ambten opgericht met de puntenenveloppe in bijkomende vestigingsplaatsen. ".
" Art. 68. § 1. Het bestuur van een Centrum voor Basiseducatie kan binnen het werkingsgebied van het consortium volwassenenonderwijs vrij de vte en de functies opgericht op basis van de puntenenveloppe aanwenden in bijkomende vestigingsplaatsen.
§ 2. Het bestuur van een Centrum voor Volwassenenonderwijs kan bij de Vlaamse Regering een aanvraag indienen om leraarsuren en ambten opgericht op basis van de puntenenveloppe in een bijkomende vestigingsplaats aan te wenden. De Vlaamse Regering kan de aanvraag uitsluitend weigeren of verlenen na advies van de algemene vergadering van het consortium volwassenenonderwijs waarbij het centrum is aangesloten en bij een met redenen omklede beslissing. De algemene vergadering van het consortium volwassenenonderwijs is gehouden het advies binnen de dertig kalenderdagen na de datum van de ontvangst van de adviesaanvraag aan de Vlaamse Regering bekend te maken. Bij ontstentenis van een advies binnen de gestelde termijn, beslist de Vlaamse Regering zonder het advies van het consortium volwassenenonderwijs over de aanvraag om leraarsuren en ambten opgericht op basis van de puntenenveloppe te mogen aanwenden in een bijkomende vestigingsplaats.
De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor het aanvragen van het aanwenden van leraarsuren en ambten opgericht met de puntenenveloppe in bijkomende vestigingsplaatsen. ".
Art. 9. L'article 68 du même décret est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 68. § 1er. La direction d'un centre d'éducation de base peut, à l'intérieur de la zone d'action du consortium éducation des adultes, librement utiliser les ETP et les fonctions créées sur la base de l'enveloppe de points, dans des lieux d'implantation supplémentaires.
§ 2. La direction d'un centre d'éducation des adultes peut introduire, auprès du Gouvernement flamand, une demande afin d'utiliser des périodes/enseignant et des fonctions créées sur la base de l'enveloppe de points dans un lieu d'implantation supplémentaire. Le Gouvernement flamand peut uniquement refuser ou accorder, par décision motivée, la compétence demandée après avoir pris l'avis de l'assemblée générale du consortium éducation des adultes auquel le centre est affilié. L'assemblée générale du consortium éducation des adultes est tenue de communiquer l'avis au Gouvernement flamand dans les trente jours calendaires de la date de réception de la demande d'avis. A défaut d'un avis dans le délai déterminé, le Gouvernement flamand statue, sans l'avis de l'assemblée générale du consortium éducation des adultes, sur la demande de pouvoir utiliser des périodes/enseignant et des fonctions créées sur la base de l'enveloppe de points dans un lieu d'implantation supplémentaire.
Le Gouvernement flamand arrête la procédure à suivre pour la demande d'utilisation de périodes/enseignant et de fonctions créées sur la base de l'enveloppe de points dans des lieux d'implantation supplémentaires. ".
" Art. 68. § 1er. La direction d'un centre d'éducation de base peut, à l'intérieur de la zone d'action du consortium éducation des adultes, librement utiliser les ETP et les fonctions créées sur la base de l'enveloppe de points, dans des lieux d'implantation supplémentaires.
§ 2. La direction d'un centre d'éducation des adultes peut introduire, auprès du Gouvernement flamand, une demande afin d'utiliser des périodes/enseignant et des fonctions créées sur la base de l'enveloppe de points dans un lieu d'implantation supplémentaire. Le Gouvernement flamand peut uniquement refuser ou accorder, par décision motivée, la compétence demandée après avoir pris l'avis de l'assemblée générale du consortium éducation des adultes auquel le centre est affilié. L'assemblée générale du consortium éducation des adultes est tenue de communiquer l'avis au Gouvernement flamand dans les trente jours calendaires de la date de réception de la demande d'avis. A défaut d'un avis dans le délai déterminé, le Gouvernement flamand statue, sans l'avis de l'assemblée générale du consortium éducation des adultes, sur la demande de pouvoir utiliser des périodes/enseignant et des fonctions créées sur la base de l'enveloppe de points dans un lieu d'implantation supplémentaire.
Le Gouvernement flamand arrête la procédure à suivre pour la demande d'utilisation de périodes/enseignant et de fonctions créées sur la base de l'enveloppe de points dans des lieux d'implantation supplémentaires. ".
Art. 10. In artikel 72 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 18 december 2009, wordt de volgende zin toegevoegd :
" De lopende overeenkomsten, die eindigen op 31 augustus 2011, worden verlengd tot 31 december 2011. ".
" De lopende overeenkomsten, die eindigen op 31 augustus 2011, worden verlengd tot 31 december 2011. ".
Art. 10. L'article 72 du même décret, modifié par le décret du 18 décembre 2009, est complété par la phrase suivante :
" Les conventions en cours, expirant le 31 août 2011, sont prolongées jusqu'au 31 décembre 2011. ".
" Les conventions en cours, expirant le 31 août 2011, sont prolongées jusqu'au 31 décembre 2011. ".
Art. 11. In artikel 75, § 1, van hetzelfde decreet, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in punt 5° worden de woorden " § 2 en § 3 " opgeheven;
2° in punt 6° worden de woorden " en § 3 " opgeheven.
1° in punt 5° worden de woorden " § 2 en § 3 " opgeheven;
2° in punt 6° worden de woorden " en § 3 " opgeheven.
Art. 11. A l'article 75, § 1er, du même décret sont apportées les modifications suivantes :
1° au point 5°, les mots " § 2 et § 3 " sont abrogés;
2° au point 6°, les mots " et § 3 " sont abrogés.
1° au point 5°, les mots " § 2 et § 3 " sont abrogés;
2° au point 6°, les mots " et § 3 " sont abrogés.
Art. 12. In artikel 103, § 4, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 9 juli 2010, worden in punt 2° de woorden " artikel 64, § 9 " vervangen door de woorden " artikel 64, § 5 ".
Art. 12. Dans l'article 103, § 4, du même décret, inséré par le décret du 9 juillet 2010, au point 2° les mots " l'article 64, § 9, " sont remplacés par les mots " l'article 64, § 5 ".
Art. 13. In artikel 109, § 3, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 4 juli 2008, 8 mei 2009, 9 juli 2010 en 1 juli 2011, worden in punt 10° de woorden " artikel 64, § 9 " vervangen door de woorden " artikel 64, § 5 ".
Art. 13. Dans l'article 109, § 3, du même décret, modifié par les décrets des 4 juillet 2008, 8 mai 2009, 9 juillet 2010 et 1er juillet 2011, au point 10° les mots " l'article 64, § 9, " sont remplacés par les mots " l'article 64, § 5 ".
Art. 14. In artikel 113quater, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 1 juli 2011 worden de woorden " artikel 64, § 9 " vervangen door de woorden " artikel 64, § 5 ".
Art. 14. Dans l'article 113quater, § 1er, du même décret, inséré par le décret du 1er juillet 2011, les mots " l'article 64, § 9, " sont remplacés par les mots " l'article 64, § 5, ".
Art. 15. In artikel 113quinquies, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 1 juli 2011 worden de woorden " artikel 64, § 9 " vervangen door de woorden " artikel 64, § 5 ".
Art. 15. Dans l'article 113quinquies, § 1er, du même décret, inséré par le décret du 1er juillet 2011, les mots " l'article 64, § 9, " sont remplacés par les mots " l'article 64, § 5, ".
Art. 16. Artikel 113septies van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 113septies. De Vlaamse Regering kan bepalen dat een Centrum voor Volwassenenonderwijs de leraarsuren die het gegenereerd heeft in het studiegebied Nederlands tweedetaal in de referteperiode 1 april n-1 tot en met 31 maart n, volledig moet aanwenden voor de organisatie van opleidingen in dit studiegebied in het schooljaar n/n+1, indien dat Centrum voor Volwassenenonderwijs :
1° beschikt over een wachtlijst, zoals bedoeld in artikel 37, eerste lid, voor een opleiding uit het studiegebied Nederlands tweedetaal;
2° de leraarsuren die het gegenereerd heeft in het studiegebied Nederlands tweedetaal in de referteperiode 1 april n-2 tot en met 31 maart n-1, niet volledig heeft aangewend voor de organisatie van opleidingen van dit studiegebied in het schooljaar n-1/n.
De Vlaamse Regering bepaalt voor welke termijn de bepaling in het eerste lid van toepassing is, met een maximum van twee schooljaren. ".
" Art. 113septies. De Vlaamse Regering kan bepalen dat een Centrum voor Volwassenenonderwijs de leraarsuren die het gegenereerd heeft in het studiegebied Nederlands tweedetaal in de referteperiode 1 april n-1 tot en met 31 maart n, volledig moet aanwenden voor de organisatie van opleidingen in dit studiegebied in het schooljaar n/n+1, indien dat Centrum voor Volwassenenonderwijs :
1° beschikt over een wachtlijst, zoals bedoeld in artikel 37, eerste lid, voor een opleiding uit het studiegebied Nederlands tweedetaal;
2° de leraarsuren die het gegenereerd heeft in het studiegebied Nederlands tweedetaal in de referteperiode 1 april n-2 tot en met 31 maart n-1, niet volledig heeft aangewend voor de organisatie van opleidingen van dit studiegebied in het schooljaar n-1/n.
De Vlaamse Regering bepaalt voor welke termijn de bepaling in het eerste lid van toepassing is, met een maximum van twee schooljaren. ".
Art. 16. L'article 113septies du même décret est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 113septies. Le Gouvernement flamand peut déterminer qu'un centre d'éducation des adultes doit entièrement utiliser les heures de périodes/enseignant générées dans la discipline "Nederlands tweede taal" dans la période de référence 1er avril n-1 au 31 mars n, pour l'organisation de formations dans cette discipline dans l'année scolaire n/n+1, si ce centre d'éducation des adultes :
1° dispose d'une liste d'attente, telle que visée à l'article 37, alinéa premier, pour une formation de la discipline "Nederlands tweede taal";
2° n'a pas entièrement utilisé les heures de périodes/enseignant générées dans la discipline "Nederlands tweede taal" dans la période de référence 1er avril n-2 au 31 mars n-1 inclus, pour l'organisation de formations de cette discipline dans l'année scolaire n-1/n.
Le Gouvernement flamand arrête le délai pour lequel la disposition du premier alinéa est applicable, avec un maximum de deux années scolaires. ".
" Art. 113septies. Le Gouvernement flamand peut déterminer qu'un centre d'éducation des adultes doit entièrement utiliser les heures de périodes/enseignant générées dans la discipline "Nederlands tweede taal" dans la période de référence 1er avril n-1 au 31 mars n, pour l'organisation de formations dans cette discipline dans l'année scolaire n/n+1, si ce centre d'éducation des adultes :
1° dispose d'une liste d'attente, telle que visée à l'article 37, alinéa premier, pour une formation de la discipline "Nederlands tweede taal";
2° n'a pas entièrement utilisé les heures de périodes/enseignant générées dans la discipline "Nederlands tweede taal" dans la période de référence 1er avril n-2 au 31 mars n-1 inclus, pour l'organisation de formations de cette discipline dans l'année scolaire n-1/n.
Le Gouvernement flamand arrête le délai pour lequel la disposition du premier alinéa est applicable, avec un maximum de deux années scolaires. ".
Art. 17. Artikel 113octies van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Art. 17. L'article 113octies du même décret est abrogé.
Art. 18. Aan artikel 198 van hetzelfde decreet wordt een punt 3° toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 3° artikelen 113bis tot en met 113sexies treden in werking op een door de Vlaamse Regering te bepalen datum. ".
" 3° artikelen 113bis tot en met 113sexies treden in werking op een door de Vlaamse Regering te bepalen datum. ".
Art. 18. L'article 198 du même décret est complété par un point 3°, rédigé comme suit :
" 3° les articles 113bis à 113sexies inclus entrent en vigueur à une date à fixer par le Gouvernement flamand. ".
" 3° les articles 113bis à 113sexies inclus entrent en vigueur à une date à fixer par le Gouvernement flamand. ".
Art. 19. In het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs wordt een artikel 197sexies ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 197sexies. In afwijking van artikel 31 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, is de inspectie tijdens het schooljaar 2011-2012 bevoegd voor de controle van de criteria, vermeld in artikel 28 van dit decreet, voor de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs en de specifieke lerarenopleidingen. ".
" Art. 197sexies. In afwijking van artikel 31 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, is de inspectie tijdens het schooljaar 2011-2012 bevoegd voor de controle van de criteria, vermeld in artikel 28 van dit decreet, voor de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs en de specifieke lerarenopleidingen. ".
Art. 19. Dans le décret du 15 juin 2007 relatif à l'enseignement des adultes, il est inséré un article 197sexies, rédigé comme suit :
" Art. 197sexies. Par dérogation à l'article 31 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement, l'inspection est compétente, pendant l'année scolaire 2011-2012 pour le contrôle des critères, visés à l'article 28 du présent décret, pour les formations de l'enseignement supérieur professionnel et les formations spécifiques des enseignants. ".
" Art. 197sexies. Par dérogation à l'article 31 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement, l'inspection est compétente, pendant l'année scolaire 2011-2012 pour le contrôle des critères, visés à l'article 28 du présent décret, pour les formations de l'enseignement supérieur professionnel et les formations spécifiques des enseignants. ".
Afdeling 7. - Financiering hogescholen en universiteiten
Section 7. - Financement des instituts supérieurs et universités
Art. 20. Aan artikel 9 van het decreet van 14 maart 2008 betreffende de financiering van de werking van de hogescholen en de universiteiten in Vlaanderen wordt een paragraaf 8 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 8. De bedragen VOWprof, VOWun en VOZun, als vermeld of berekend conform dit artikel, worden in begrotingsjaar 2012 vermeerderd met volgende bedragen (uitgedrukt in euro) :
" § 8. De bedragen VOWprof, VOWun en VOZun, als vermeld of berekend conform dit artikel, worden in begrotingsjaar 2012 vermeerderd met volgende bedragen (uitgedrukt in euro) :
Art. 20. A l'article 9 du décret du 14 mars 2008 relatif au financement du fonctionnement des instituts supérieurs et des universités en Flandre, il est ajouté un § 8, rédigé comme suit :
§ 8. Les montants VOWprof, VOWun et VOZun, tels que mentionnés ou calculés conformément au présent article, sont majorés, dans l'année budgétaire 2012, des montants suivants, exprimés en euros :
§ 8. Les montants VOWprof, VOWun et VOZun, tels que mentionnés ou calculés conformément au présent article, sont majorés, dans l'année budgétaire 2012, des montants suivants, exprimés en euros :
| VOWprof | 800.000,00 |
| VOWun | 440.000,00 |
| VOZun | 360.000,00 ". |
| VOWprof | 800.000,00 |
| VOWun | 440.000,00 |
| VOZun | 360.000,00 ". |
VOWprof800.000,00
VOWun440.000,00
VOZun360.000,00 ".
VOWun440.000,00
VOZun360.000,00 ".
VOWprof800.000,00
VOWun440.000,00
VOZun360.000,00 ".
VOWun440.000,00
VOZun360.000,00 ".
Art. 21. Artikel 38 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 38. § 1. In het begrotingsjaar 2011 ontvangen de hogescholen voor de academisering de volgende bedragen (uitgedrukt in euro) :
- 5.776.879,28 voor de academiserende kunstopleidingen;
- 17.301.974,09 voor de andere academiserende opleidingen.
Deze bedragen worden vanaf het begrotingsjaar 2012 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel 9, § 5.
§ 2. In het begrotingsjaar 2012 ontvangen de hogescholen de volgende aanvullende bedragen voor academisering (uitgedrukt in euro) :
- 1.877.328,73 voor de academiserende kunstopleidingen;
- 5.622.671,27 voor de andere academiserende opleidingen.
§ 3. In het begrotingsjaar 2012 ontvangen de hogescholen de volgende bijkomende bedragen voor academisering (uitgedrukt in euro) :
- 240.000,00 voor de academiserende kunstopleidingen;
- 1.360.000,00 voor de andere academiserende opleidingen.
§ 4. De som van de bedragen, vermeld in paragraaf 1, 2 en 3, worden onder de hogescholen verdeeld a rato van het aantal opgenomen studiepunten en het aantal uitgereikte diploma's in respectievelijk de academiserende kunstopleidingen en de andere academiserende opleidingen.
Voor de vaststelling van het aantal opgenomen studiepunten in een hogeschool worden voor het begrotingsjaar t het gemiddeld aantal studiepunten in aanmerking genomen over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2 waarvoor studenten onder diplomacontract zich hebben ingeschreven voor een academische initiële bachelor- of masteropleiding, respectievelijk in een kunstopleiding of in een andere academisch gerichte opleiding.
Voor de vaststelling van het aantal uitgereikte diploma's in een hogeschool worden voor het begrotingsjaar t het gemiddeld aantal uitgereikte diploma's in aanmerking genomen over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2 in een academische initiële bachelor- of masteropleiding.
Zowel het aantal opgenomen studiepunten als het aantal uitgereikte diploma's worden voor 50 procent meegerekend.
§ 5. In afwijking van paragraaf 4 ontvangt een hogeschool in 2012 het minimumbedrag, opgenomen in de hierna volgende kolommen, als het bedrag berekend overeenkomstig paragraaf 1 en 2 kleiner is dan dit minimumbedrag.
" Art. 38. § 1. In het begrotingsjaar 2011 ontvangen de hogescholen voor de academisering de volgende bedragen (uitgedrukt in euro) :
- 5.776.879,28 voor de academiserende kunstopleidingen;
- 17.301.974,09 voor de andere academiserende opleidingen.
Deze bedragen worden vanaf het begrotingsjaar 2012 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel 9, § 5.
§ 2. In het begrotingsjaar 2012 ontvangen de hogescholen de volgende aanvullende bedragen voor academisering (uitgedrukt in euro) :
- 1.877.328,73 voor de academiserende kunstopleidingen;
- 5.622.671,27 voor de andere academiserende opleidingen.
§ 3. In het begrotingsjaar 2012 ontvangen de hogescholen de volgende bijkomende bedragen voor academisering (uitgedrukt in euro) :
- 240.000,00 voor de academiserende kunstopleidingen;
- 1.360.000,00 voor de andere academiserende opleidingen.
§ 4. De som van de bedragen, vermeld in paragraaf 1, 2 en 3, worden onder de hogescholen verdeeld a rato van het aantal opgenomen studiepunten en het aantal uitgereikte diploma's in respectievelijk de academiserende kunstopleidingen en de andere academiserende opleidingen.
Voor de vaststelling van het aantal opgenomen studiepunten in een hogeschool worden voor het begrotingsjaar t het gemiddeld aantal studiepunten in aanmerking genomen over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2 waarvoor studenten onder diplomacontract zich hebben ingeschreven voor een academische initiële bachelor- of masteropleiding, respectievelijk in een kunstopleiding of in een andere academisch gerichte opleiding.
Voor de vaststelling van het aantal uitgereikte diploma's in een hogeschool worden voor het begrotingsjaar t het gemiddeld aantal uitgereikte diploma's in aanmerking genomen over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2 in een academische initiële bachelor- of masteropleiding.
Zowel het aantal opgenomen studiepunten als het aantal uitgereikte diploma's worden voor 50 procent meegerekend.
§ 5. In afwijking van paragraaf 4 ontvangt een hogeschool in 2012 het minimumbedrag, opgenomen in de hierna volgende kolommen, als het bedrag berekend overeenkomstig paragraaf 1 en 2 kleiner is dan dit minimumbedrag.
Art. 21. L'article 38 du même décret est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 38. § 1er. Dans l'année budgétaire 2011, les instituts supérieurs reçoivent les montants suivants (exprimés en euros) pour l'académisation :
- 5.776.879,28 pour les formations artistiques académisantes;
- 17.301.974,09 pour les autres formations artistiques.
A partir de l'année budgétaire 2012, ces montants sont indexés au moyen de la formule d'indexation, visée à l'article 9, § 5.
§ 2. Dans l'année budgétaire 2012, les instituts supérieurs reçoivent les montants complémentaires suivants (exprimés en euros) pour l'académisation :
- 1.877.328,73 pour les formations artistiques académisantes;
- 5.622.671,27 pour les autres formations artistiques.
§ 3. Dans l'année budgétaire 2012, les instituts supérieurs reçoivent les montants supplémentaires suivants (exprimés en euros) pour l'académisation :
- 240.000,00 pour les formations artistiques académisantes;
- 1.360.000,00 pour les autres formations artistiques.
§ 4. La somme des montants, visés aux paragraphes 1er, 2 et 3, est répartie parmi les instituts supérieurs au prorata du nombre d'unités d'études engagées et du nombre de diplômes délivrés respectivement dans les formations artistiques académisantes et dans les autres formations académisantes.
Pour la fixation du nombre d'unités d'études engagées dans un institut supérieur pour l'année budgétaire t, le nombre moyen d'unités d'études est pris en compte sur les années académiques t-7/t-6 jusque t-3/t-2 incluse, pour lesquelles les étudiants sous contrat de diplôme se sont inscrits à des formations académiques initiales de bachelor ou de master, respectivement à des formations artistiques ou à d'autres formations à orientation académique.
Pour la fixation du nombre de diplômes délivrés dans un institut supérieur pour l'année budgétaire t, le nombre moyen de diplômes délivrés est pris en compte sur les années académiques t-7/t-6 jusque t-3/t-2 incluse dans une formation académique initiale de bachelor ou de master.
Tant le nombre d'unités d'études engagées que le nombre de diplômes délivrés sont pris en compte à 50 pour cent.
§ 5. Par dérogation au paragraphe 4, un institut supérieur recevra en 2012 le montant minimal, repris dans les colonnes suivantes, lorsque le montant calculé conformément aux paragraphes 1er et 2 est inférieur à ce montant minimal.
" Art. 38. § 1er. Dans l'année budgétaire 2011, les instituts supérieurs reçoivent les montants suivants (exprimés en euros) pour l'académisation :
- 5.776.879,28 pour les formations artistiques académisantes;
- 17.301.974,09 pour les autres formations artistiques.
A partir de l'année budgétaire 2012, ces montants sont indexés au moyen de la formule d'indexation, visée à l'article 9, § 5.
§ 2. Dans l'année budgétaire 2012, les instituts supérieurs reçoivent les montants complémentaires suivants (exprimés en euros) pour l'académisation :
- 1.877.328,73 pour les formations artistiques académisantes;
- 5.622.671,27 pour les autres formations artistiques.
§ 3. Dans l'année budgétaire 2012, les instituts supérieurs reçoivent les montants supplémentaires suivants (exprimés en euros) pour l'académisation :
- 240.000,00 pour les formations artistiques académisantes;
- 1.360.000,00 pour les autres formations artistiques.
§ 4. La somme des montants, visés aux paragraphes 1er, 2 et 3, est répartie parmi les instituts supérieurs au prorata du nombre d'unités d'études engagées et du nombre de diplômes délivrés respectivement dans les formations artistiques académisantes et dans les autres formations académisantes.
Pour la fixation du nombre d'unités d'études engagées dans un institut supérieur pour l'année budgétaire t, le nombre moyen d'unités d'études est pris en compte sur les années académiques t-7/t-6 jusque t-3/t-2 incluse, pour lesquelles les étudiants sous contrat de diplôme se sont inscrits à des formations académiques initiales de bachelor ou de master, respectivement à des formations artistiques ou à d'autres formations à orientation académique.
Pour la fixation du nombre de diplômes délivrés dans un institut supérieur pour l'année budgétaire t, le nombre moyen de diplômes délivrés est pris en compte sur les années académiques t-7/t-6 jusque t-3/t-2 incluse dans une formation académique initiale de bachelor ou de master.
Tant le nombre d'unités d'études engagées que le nombre de diplômes délivrés sont pris en compte à 50 pour cent.
§ 5. Par dérogation au paragraphe 4, un institut supérieur recevra en 2012 le montant minimal, repris dans les colonnes suivantes, lorsque le montant calculé conformément aux paragraphes 1er et 2 est inférieur à ce montant minimal.
| Instelling | HKO BUDGET 2012 | AC BUDGET 2012 |
| Arteveldehogeschool | 0,00 | 226.192,61 |
| Erasmushogeschool Brussel | 1.032.377,40 | 577.647,57 |
| Hogere Zeevaartschool | 0,00 | 234.843,48 |
| Artesis Hogeschool Antwerpen | 1.504.531,50 | 2.525.227,27 |
| Hogeschool Gent | 1.345.991,36 | 3.924.426,74 |
| Hogeschool Sint-Lukas Brussel | 0,00 | 0,00 |
| Hogeschool voor Wetenschap & Kunst | 2.281.515,34 | 1.153.030,65 |
| Hogeschool West-Vlaanderen | 0,00 | 668.426,36 |
| Karel de Grote-Hogeschool | 580.334,19 | 465.246,11 |
| Katholieke Hogeschool Brugge-Oostende | 0,00 | 590.461,81 |
| Katholieke Hogeschool Kempen | 0,00 | 633.802,99 |
| Katholieke Hogeschool Leuven | 0,00 | 0,00 |
| Katholieke Hogeschool Limburg | 578.443,13 | 461.937,76 |
| Lessius Mechelen | 0,00 | 849.214,22 |
| Katholieke Hogeschool Sint-Lieven | 0,00 | 1.616.922,03 |
| Katholieke Hogeschool Zuid-West-Vlaanderen | 0,00 | 0,00 |
| Lessius Hogeschool | 0,00 | 1.999.300,33 |
| Plantijn-Hogeschool | 0,00 | 0,00 |
| Provinciale Hogeschool Limburg | 440.775,80 | 578.635,52 |
| Internationale Hogeschool Groep T | 0,00 | 1.212.564,11 |
| HUB-EHSAL | 0,00 | 5.057.238,53 |
| XIOS Hogeschool Limburg | 0,00 | 478.264,76 |
| Totaal | 7.763.968,71 | 23.253.382,87 |
| Institution | HKO BUDGET 2012 | AC BUDGET 2012 |
| Arteveldehogeschool | 0,00 | 226 192,61 |
| Erasmushogeschool Brussel | 1.032.377,40 | 577 647,57 |
| Ecole supérieure de Navigation | 0,00 | 234 843,48 |
| Artesis Hogeschool Antwerpen | 1.504.531,50 | 2 525 227,27 |
| Hogeschool Gent | 1.345.991,36 | 3 924 426,74 |
| Hogeschool Sint-Lukas Brussel | 0,00 | 0,00 |
| Hogeschool voor Wetenschap & Kunst | 2.281.515,34 | 1 153 030,65 |
| Hogeschool West-Vlaanderen | 0,00 | 668.426,36 |
| Karel de Grote-Hogeschool | 580.334,19 | 465 246,11 |
| Katholieke Hogeschool Brugge-Oostende | 0,00 | 590.461,81 |
| Katholieke Hogeschool Kempen | 0,00 | 633.802,99 |
| Katholieke Hogeschool Leuven | 0,00 | 0,00 |
| Katholieke Hogeschool Limburg | 578.443,13 | 461.937,76 |
| Lessius Mechelen | 0,00 | 849 214,22 |
| Katholieke Hogeschool Sint-Lieven | 0,00 | 1 616 922,03 |
| Katholieke Hogeschool Zuid-West-Vlaanderen | 0,00 | 0,00 |
| Lessius Hogeschool | 0,00 | 1 999 300,33 |
| Plantijn-Hogeschool | 0,00 | 0,00 |
| Provinciale Hogeschool Limburg | 440 775,80 | 578 635,52 |
| Internationale Hogeschool Groep T | 0,00 | 1 212 564,11 |
| HUB-EHSAL | 0,00 | 5 057 238,53 |
| XIOS Hogeschool Limburg | 0,00 | 478 264,76 |
| Total | 7 763 968,71 | 23 253 382,87 |
InstellingHKO BUDGET 2012AC BUDGET 2012
Arteveldehogeschool0,00226.192,61
Erasmushogeschool Brussel1.032.377,40577.647,57
Hogere Zeevaartschool0,00234.843,48
Artesis Hogeschool Antwerpen1.504.531,502.525.227,27
Hogeschool Gent1.345.991,363.924.426,74
Hogeschool Sint-Lukas Brussel0,000,00
Hogeschool voor Wetenschap & Kunst2.281.515,341.153.030,65
Hogeschool West-Vlaanderen0,00668.426,36
Karel de Grote-Hogeschool580.334,19465.246,11
Katholieke Hogeschool Brugge-Oostende0,00590.461,81
Katholieke Hogeschool Kempen0,00633.802,99
Katholieke Hogeschool Leuven0,000,00
Katholieke Hogeschool Limburg578.443,13461.937,76
Lessius Mechelen0,00849.214,22
Katholieke Hogeschool Sint-Lieven0,001.616.922,03
Katholieke Hogeschool Zuid-West-Vlaanderen0,000,00
Lessius Hogeschool0,001.999.300,33
Plantijn-Hogeschool0,000,00
Provinciale Hogeschool Limburg440.775,80578.635,52
Internationale Hogeschool Groep T0,001.212.564,11
HUB-EHSAL0,005.057.238,53
XIOS Hogeschool Limburg0,00478.264,76
Totaal7.763.968,7123.253.382,87
Arteveldehogeschool0,00226.192,61
Erasmushogeschool Brussel1.032.377,40577.647,57
Hogere Zeevaartschool0,00234.843,48
Artesis Hogeschool Antwerpen1.504.531,502.525.227,27
Hogeschool Gent1.345.991,363.924.426,74
Hogeschool Sint-Lukas Brussel0,000,00
Hogeschool voor Wetenschap & Kunst2.281.515,341.153.030,65
Hogeschool West-Vlaanderen0,00668.426,36
Karel de Grote-Hogeschool580.334,19465.246,11
Katholieke Hogeschool Brugge-Oostende0,00590.461,81
Katholieke Hogeschool Kempen0,00633.802,99
Katholieke Hogeschool Leuven0,000,00
Katholieke Hogeschool Limburg578.443,13461.937,76
Lessius Mechelen0,00849.214,22
Katholieke Hogeschool Sint-Lieven0,001.616.922,03
Katholieke Hogeschool Zuid-West-Vlaanderen0,000,00
Lessius Hogeschool0,001.999.300,33
Plantijn-Hogeschool0,000,00
Provinciale Hogeschool Limburg440.775,80578.635,52
Internationale Hogeschool Groep T0,001.212.564,11
HUB-EHSAL0,005.057.238,53
XIOS Hogeschool Limburg0,00478.264,76
Totaal7.763.968,7123.253.382,87
Institution HKO BUDGET 2012 AC BUDGET 2012
Arteveldehogeschool0,00226 192,61
Erasmushogeschool Brussel1.032.377,40577 647,57
Ecole supérieure de Navigation0,00234 843,48
Artesis Hogeschool Antwerpen1.504.531,502 525 227,27
Hogeschool Gent1.345.991,363 924 426,74
Hogeschool Sint-Lukas Brussel0,000,00
Hogeschool voor Wetenschap & Kunst2.281.515,341 153 030,65
Hogeschool West-Vlaanderen0,00668.426,36
Karel de Grote-Hogeschool580.334,19465 246,11
Katholieke Hogeschool Brugge-Oostende0,00590.461,81
Katholieke Hogeschool Kempen0,00633.802,99
Katholieke Hogeschool Leuven0,000,00
Katholieke Hogeschool Limburg578.443,13461.937,76
Lessius Mechelen0,00849 214,22
Katholieke Hogeschool Sint-Lieven0,001 616 922,03
Katholieke Hogeschool Zuid-West-Vlaanderen0,000,00
Lessius Hogeschool0,001 999 300,33
Plantijn-Hogeschool0,000,00
Provinciale Hogeschool Limburg440 775,80578 635,52
Internationale Hogeschool Groep T0,001 212 564,11
HUB-EHSAL0,005 057 238,53
XIOS Hogeschool Limburg0,00478 264,76
Total7 763 968,7123 253 382,87
Arteveldehogeschool0,00226 192,61
Erasmushogeschool Brussel1.032.377,40577 647,57
Ecole supérieure de Navigation0,00234 843,48
Artesis Hogeschool Antwerpen1.504.531,502 525 227,27
Hogeschool Gent1.345.991,363 924 426,74
Hogeschool Sint-Lukas Brussel0,000,00
Hogeschool voor Wetenschap & Kunst2.281.515,341 153 030,65
Hogeschool West-Vlaanderen0,00668.426,36
Karel de Grote-Hogeschool580.334,19465 246,11
Katholieke Hogeschool Brugge-Oostende0,00590.461,81
Katholieke Hogeschool Kempen0,00633.802,99
Katholieke Hogeschool Leuven0,000,00
Katholieke Hogeschool Limburg578.443,13461.937,76
Lessius Mechelen0,00849 214,22
Katholieke Hogeschool Sint-Lieven0,001 616 922,03
Katholieke Hogeschool Zuid-West-Vlaanderen0,000,00
Lessius Hogeschool0,001 999 300,33
Plantijn-Hogeschool0,000,00
Provinciale Hogeschool Limburg440 775,80578 635,52
Internationale Hogeschool Groep T0,001 212 564,11
HUB-EHSAL0,005 057 238,53
XIOS Hogeschool Limburg0,00478 264,76
Total7 763 968,7123 253 382,87
§ 6. Het saldo tussen het gegarandeerd minimum aan academiseringsmiddelen, vemeld in § 5, en de totaliteit aan middelen voor academisering, vermeld in paragraaf 1, 2 en 3, wordt per instelling verdeeld pro rata hun aandeel tussen de groeiende instellingen voor respectievelijk de academiserende kunstopleidingen en de andere academiserende opleidingen.
§ 7. De middelen, vermeld in dit artikel, worden met behoud van bestemming toegevoegd aan de werkingsuitkering.
§ 8. Een hogeschool kan ervoor opteren om een gedeelte van de middelen ter ondersteuning van de academisering onder te brengen in het Industrieel Onderzoeksfonds, bedoeld in artikel 74bis van het decreet van 20 december 2002 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2003, van de associatie waartoe zij behoort, indien in deze mogelijkheid voorzien is in het algemeen onderzoeks- en samenwerkingsreglement van de associatie waartoe ze behoort.
De hogeschool sluit een overeenkomt af met de associatie over de inzet van deze middelen vanuit het Industrieel Onderzoeksfonds. ".
§ 7. De middelen, vermeld in dit artikel, worden met behoud van bestemming toegevoegd aan de werkingsuitkering.
§ 8. Een hogeschool kan ervoor opteren om een gedeelte van de middelen ter ondersteuning van de academisering onder te brengen in het Industrieel Onderzoeksfonds, bedoeld in artikel 74bis van het decreet van 20 december 2002 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2003, van de associatie waartoe zij behoort, indien in deze mogelijkheid voorzien is in het algemeen onderzoeks- en samenwerkingsreglement van de associatie waartoe ze behoort.
De hogeschool sluit een overeenkomt af met de associatie over de inzet van deze middelen vanuit het Industrieel Onderzoeksfonds. ".
§ 6. Le solde entre le minimum garanti de moyens d'académisation, visé au § 5, et la totalité de moyens d'académisation, visés aux paragraphes 1er, 2 et 3, est réparti par institut au prorata de leur part entre les instituts croissants respectivement pour les formations artistiques académisantes et les autres formations académisantes.
§ 7. Les moyens, visés au présent article, sont ajoutés à l'allocation de fonctionnement tout en conservant leur affectation.
§ 8. Un institut supérieur peut choisir de ranger une partie des moyens à l'appui de l'académisation dans le Fonds de Recherches industrielles, visé à l'article 74bis du décret du 20 décembre 2002 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2003, de l'association à laquelle il appartient, lorsque cette possibilité est prévue par le règlement général de recherche et de coopération de l'association à laquelle il appartient.
L'institut supérieur conclut une convention avec l'association concernant l'affectation de ces moyens provenant du Fonds de Recherches industrielles. ".
§ 7. Les moyens, visés au présent article, sont ajoutés à l'allocation de fonctionnement tout en conservant leur affectation.
§ 8. Un institut supérieur peut choisir de ranger une partie des moyens à l'appui de l'académisation dans le Fonds de Recherches industrielles, visé à l'article 74bis du décret du 20 décembre 2002 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2003, de l'association à laquelle il appartient, lorsque cette possibilité est prévue par le règlement général de recherche et de coopération de l'association à laquelle il appartient.
L'institut supérieur conclut une convention avec l'association concernant l'affectation de ces moyens provenant du Fonds de Recherches industrielles. ".
Art. 22. In hetzelfde decreet wordt een artikel 39bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 39bis. § 1. In het begrotingsjaar 2012 wordt in een bijkomende financiering voorzien voor de hogeronderwijsinstellingen die een vestigingsplaats hebben in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad. Deze bijkomende financiering bedraagt 1.800.000,00 euro.
Dit bedrag wordt verdeeld over de hogeronderwijsinstellingen met vestigingsplaats in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad a rato van het aantal opgenomen studiepunten in de initiële bachelor- en masteropleidingen georganiseerd en aangeboden in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, berekend conform artikel 11.
Deze middelen worden met behoud van bestemming toegevoegd aan de werkingsuitkering van de betrokken instellingen.
§ 2. De administratie maakt uiterlijk tegen 30 juni 2012 een rapport op, hierna het nulrapport genoemd, van de evolutie van de studentencijfers van de initiële bachelor- en masteropleidingen die de instellingen organiseren en aanbieden in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad. De instellingen leveren hun rapport in uiterlijk drie maanden na de datum van oplevering van het nulrapport.
Hierin rapporteren de hogeronderwijsinstellingen die overeenkomstig paragraaf 1 bijkomende middelen ontvangen, aan de minister bevoegd voor het onderwijs, over de leefbaarheid van de initiële bachelor- en masteropleidingen die zij organiseren en aanbieden in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, over de initiatieven die zij nemen om deze opleidingen sterker te positioneren en de leefbaarheid ervan te verbeteren en over de resultaten en effecten van deze initiatieven. ".
" Art. 39bis. § 1. In het begrotingsjaar 2012 wordt in een bijkomende financiering voorzien voor de hogeronderwijsinstellingen die een vestigingsplaats hebben in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad. Deze bijkomende financiering bedraagt 1.800.000,00 euro.
Dit bedrag wordt verdeeld over de hogeronderwijsinstellingen met vestigingsplaats in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad a rato van het aantal opgenomen studiepunten in de initiële bachelor- en masteropleidingen georganiseerd en aangeboden in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, berekend conform artikel 11.
Deze middelen worden met behoud van bestemming toegevoegd aan de werkingsuitkering van de betrokken instellingen.
§ 2. De administratie maakt uiterlijk tegen 30 juni 2012 een rapport op, hierna het nulrapport genoemd, van de evolutie van de studentencijfers van de initiële bachelor- en masteropleidingen die de instellingen organiseren en aanbieden in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad. De instellingen leveren hun rapport in uiterlijk drie maanden na de datum van oplevering van het nulrapport.
Hierin rapporteren de hogeronderwijsinstellingen die overeenkomstig paragraaf 1 bijkomende middelen ontvangen, aan de minister bevoegd voor het onderwijs, over de leefbaarheid van de initiële bachelor- en masteropleidingen die zij organiseren en aanbieden in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, over de initiatieven die zij nemen om deze opleidingen sterker te positioneren en de leefbaarheid ervan te verbeteren en over de resultaten en effecten van deze initiatieven. ".
Art. 22. Dans le même décret, il est inséré un article 39bis, rédigé comme suit :
" Art. 39bis. § 1er. Dans l'année budgétaire 2012, un financement supplémentaire est prévu pour les institutions d'enseignement supérieur ayant une implantation en région bilingue de Bruxelles-Capitale. Ce financement supplémentaire s'élève à 1.800.000,00 euros.
Ce montant est réparti parmi les institutions d'enseignement supérieur ayant une implantation en région bilingue de Bruxelles-Capitale au prorata du nombre d'unités d'études engagées dans les formations initiales de bachelor et de master organisées et offertes en région bilingue de Bruxelles-Capitale, calculé conformément à l'article 11.
Ces moyens sont ajoutés à l'allocation de fonctionnement des institutions concernées, tout en conservant leur affectation.
§ 2. L'administration établit, au plus tard le 30 juin 2012, un rapport, ci-après dénommé le rapport zéro, de l'évolution des chiffres des étudiants des formations initiales de bachelor et de master organisées et offertes par les institutions en région bilingue de Bruxelles-Capitale. Les institutions soumettent leur rapport au plus tard trois mois après la date de réception du rapport zéro.
Les institutions d'enseignement supérieur qui reçoivent des moyens supplémentaires conformément au paragraphe 1er, y font rapport au Ministre compétent pour l'enseignement, sur la viabilité des formations initiales de bachelor et de master qu'elles organisent et offrent en région bilingue de Bruxelles-Capitale, et sur les initiatives qu'elles prennent afin de renforcer le positionnement de ces formations et d'améliorer leur viabilité, et sur les résultats et effets de ces initiatives. ".
" Art. 39bis. § 1er. Dans l'année budgétaire 2012, un financement supplémentaire est prévu pour les institutions d'enseignement supérieur ayant une implantation en région bilingue de Bruxelles-Capitale. Ce financement supplémentaire s'élève à 1.800.000,00 euros.
Ce montant est réparti parmi les institutions d'enseignement supérieur ayant une implantation en région bilingue de Bruxelles-Capitale au prorata du nombre d'unités d'études engagées dans les formations initiales de bachelor et de master organisées et offertes en région bilingue de Bruxelles-Capitale, calculé conformément à l'article 11.
Ces moyens sont ajoutés à l'allocation de fonctionnement des institutions concernées, tout en conservant leur affectation.
§ 2. L'administration établit, au plus tard le 30 juin 2012, un rapport, ci-après dénommé le rapport zéro, de l'évolution des chiffres des étudiants des formations initiales de bachelor et de master organisées et offertes par les institutions en région bilingue de Bruxelles-Capitale. Les institutions soumettent leur rapport au plus tard trois mois après la date de réception du rapport zéro.
Les institutions d'enseignement supérieur qui reçoivent des moyens supplémentaires conformément au paragraphe 1er, y font rapport au Ministre compétent pour l'enseignement, sur la viabilité des formations initiales de bachelor et de master qu'elles organisent et offrent en région bilingue de Bruxelles-Capitale, et sur les initiatives qu'elles prennent afin de renforcer le positionnement de ces formations et d'améliorer leur viabilité, et sur les résultats et effets de ces initiatives. ".
Art. 23. In artikel 44, § 1, eerste lid, en § 2, eerste lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 23 december 2010, worden de jaartallen " 2011 " en " 2012 " vervangen door de jaartallen " 2012 " en " 2013 ".
Art. 23. A l'article 44, § 1er, alinéa premier, et § 2, alinéa premier, du même décret, modifié par le décret du 23 décembre 2010, les années " 2011 " et " 2012 " sont remplacés par les années " 2012 " et " 2013 ".
Art. 24. Artikel 45, § 3, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 23 december 2010, wordt vervangen door wat volgt :
" § 3. In afwijking van § 1 lopen de beheersovereenkomsten die in juli 2008 werden gesloten, tot en met 31 december 2012. ".
" § 3. In afwijking van § 1 lopen de beheersovereenkomsten die in juli 2008 werden gesloten, tot en met 31 december 2012. ".
Art. 24. L'article 45, § 3, du même décret, modifié par le décret du 23 décembre 2010, est remplacé par la disposition suivante :
" § 3. Par dérogation au § 1er les conventions de gestion conclues en juillet 2008, courent jusqu'au 31 décembre 2012 inclus. ".
" § 3. Par dérogation au § 1er les conventions de gestion conclues en juillet 2008, courent jusqu'au 31 décembre 2012 inclus. ".
Afdeling 8. - Vzw EPOS
Section 8. - ASBL EPOS
Art. 25. In artikel V.4 van het decreet van 16 mei 2007 betreffende dringende maatregelen voor het onderwijs wordt een punt 3° ingevoegd, dat luidt als volgt :
" 3° De vzw EPOS dient de niet-aangewende middelen die werden toegekend in het kader van Erasmus mobiliteit met aanvang van het academiejaar 2011-2012 opnieuw in te zetten voor deze actie in de daaropvolgende academiejaren. De vzw zal deze middelen beheren op een uitsluitend daartoe bestemde rekening. ".
" 3° De vzw EPOS dient de niet-aangewende middelen die werden toegekend in het kader van Erasmus mobiliteit met aanvang van het academiejaar 2011-2012 opnieuw in te zetten voor deze actie in de daaropvolgende academiejaren. De vzw zal deze middelen beheren op een uitsluitend daartoe bestemde rekening. ".
Art. 25. L'article V.4 du décret du 16 mai 2007 relatif aux mesures urgentes pour l'enseignement, est complété par un point 3°, rédigé comme suit :
" 3° L'ASBL EPOS doit affecter à nouveau les moyens non utilisés octroyés dans le cadre de la mobilité Erasme qui prend cours dans l'année académique 2011-2012, pour cette actions dans les années académiques suivantes. L'ASBL gérera ces moyens sur un compte exclusivement destiné à cet effet. ".
" 3° L'ASBL EPOS doit affecter à nouveau les moyens non utilisés octroyés dans le cadre de la mobilité Erasme qui prend cours dans l'année académique 2011-2012, pour cette actions dans les années académiques suivantes. L'ASBL gérera ces moyens sur un compte exclusivement destiné à cet effet. ".
Afdeling 9. - Flankerend onderwijsbeleid
Section 9. - Politique d'encadrement de l'enseignement
Art. 26. Artikel 18 van het decreet van 30 november 2007 betreffende het flankerend onderwijsbeleid op lokaal niveau wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 18. Binnen de beschikbare begrotingskredieten wordt in subsidies voorzien voor projecten in de gemeenten die het Vlaamse onderwijsbeleid versterken. Het bedrag dat hiervoor wordt ingeschreven in de begroting 2012 in uitvoering van het decreet flankerend onderwijsbeleid wordt vanaf het begrotingsjaar 2012 aangepast aan de evolutie van de gezondheidindex. ".
" Art. 18. Binnen de beschikbare begrotingskredieten wordt in subsidies voorzien voor projecten in de gemeenten die het Vlaamse onderwijsbeleid versterken. Het bedrag dat hiervoor wordt ingeschreven in de begroting 2012 in uitvoering van het decreet flankerend onderwijsbeleid wordt vanaf het begrotingsjaar 2012 aangepast aan de evolutie van de gezondheidindex. ".
Art. 26. L'article 18 du décret du 30 novembre 2007 relatif à la politique locale d'encadrement de l'enseignement est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 18. Dans les limites des crédits budgétaires disponibles, des subventions sont prévues pour des projets dans les communes qui renforcent la politique flamande de l'enseignement. Le montant inscrit à cet effet au budget 2012 en exécution du décret relatif à la politique locale d'encadrement de l'enseignement, est adapté à partir de l'année budgétaire 2012 à l'évolution de l'indice de santé. ".
" Art. 18. Dans les limites des crédits budgétaires disponibles, des subventions sont prévues pour des projets dans les communes qui renforcent la politique flamande de l'enseignement. Le montant inscrit à cet effet au budget 2012 en exécution du décret relatif à la politique locale d'encadrement de l'enseignement, est adapté à partir de l'année budgétaire 2012 à l'évolution de l'indice de santé. ".
Afdeling 10. - Basisonderwijs
Section 10. - Enseignement fondamental
Art. 27. In het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 wordt in artikel 27bis, paragraaf 2 vervangen door wat volgt :
" § 2. Voor de berekening van het maximumbedrag van de bijdrage in § 1, 1° en 2°, wordt vanaf 1 januari 2012 uitgegaan van de volgende basisbedragen per schooljaar :
voor het kleuteronderwijs :
- 20 euro in het geval de leerling tijdens het jaar waarin het schooljaar in kwestie begint de leeftijd van twee jaar bereikt;
- 20 euro in het geval de leerling tijdens het jaar waarin het schooljaar in kwestie begint de leeftijd van drie jaar bereikt;
- 30 euro in het geval de leerling tijdens het jaar waarin het schooljaar in kwestie begint de leeftijd van vier jaar bereikt;
- 35 euro in het geval de leerling tijdens het jaar waarin het schooljaar in kwestie begint de leeftijd van vijf jaar bereikt;
- 35 euro in het geval het een leerplichtige kleuter betreft;
voor het lager onderwijs : 60 euro.
Deze basisbedragen zijn per schooljaar aanpasbaar op basis van de gezondheidsindex van de maand maart van hetzelfde kalenderjaar waarin het schooljaar in kwestie begint volgens de volgende formule :
Nx = basisbedrag(Cx/107,85);
waarbij :
Nx gelijk is aan het geïndexeerde bedrag voor schooljaar x-y;
Cx de gezondheidsindex is van de maand maart van hetzelfde kalenderjaar (x) waarin het schooljaar begint;
107,85 de gezondheidsindex is van de maand januari 2008.
Hierbij wordt Nx afgerond naar het hoger gelegen geheel getal dat een veelvoud is van vijf. ".
" § 2. Voor de berekening van het maximumbedrag van de bijdrage in § 1, 1° en 2°, wordt vanaf 1 januari 2012 uitgegaan van de volgende basisbedragen per schooljaar :
voor het kleuteronderwijs :
- 20 euro in het geval de leerling tijdens het jaar waarin het schooljaar in kwestie begint de leeftijd van twee jaar bereikt;
- 20 euro in het geval de leerling tijdens het jaar waarin het schooljaar in kwestie begint de leeftijd van drie jaar bereikt;
- 30 euro in het geval de leerling tijdens het jaar waarin het schooljaar in kwestie begint de leeftijd van vier jaar bereikt;
- 35 euro in het geval de leerling tijdens het jaar waarin het schooljaar in kwestie begint de leeftijd van vijf jaar bereikt;
- 35 euro in het geval het een leerplichtige kleuter betreft;
voor het lager onderwijs : 60 euro.
Deze basisbedragen zijn per schooljaar aanpasbaar op basis van de gezondheidsindex van de maand maart van hetzelfde kalenderjaar waarin het schooljaar in kwestie begint volgens de volgende formule :
Nx = basisbedrag(Cx/107,85);
waarbij :
Nx gelijk is aan het geïndexeerde bedrag voor schooljaar x-y;
Cx de gezondheidsindex is van de maand maart van hetzelfde kalenderjaar (x) waarin het schooljaar begint;
107,85 de gezondheidsindex is van de maand januari 2008.
Hierbij wordt Nx afgerond naar het hoger gelegen geheel getal dat een veelvoud is van vijf. ".
Art. 27. Dans le décret relatif à l'enseignement fondamental du 25 février 1997, l'article 27bis, paragraphe 2, est remplacé par la disposition suivante :
" § 2. Pour le calcul du montant maximal de la contribution au § 1er, 1° et 2°, il est tenu compte, à partir du 1er janvier 2012, des montants de base suivants par année scolaire :
pour l'enseignement maternel :
- 20 euros, au cas où l'élève atteint l'âge de deux ans au cours de l'année dans laquelle l'année scolaire en question commence;
- 20 euros, au cas où l'élève atteint l'âge de trois ans au cours de l'année dans laquelle l'année scolaire en question commence;
- 30 euros, au cas où l'élève atteint l'âge de quatre ans au cours de l'année dans laquelle l'année scolaire en question commence;
- 35 euros, au cas où l'élève atteint l'âge de cinq ans au cours de l'année dans laquelle l'année scolaire en question commence;
- 35 euros au cas où il s'agit d'un élève maternel soumis à l'obligation scolaire;
pour l'enseignement primaire : 60 euros.
Ces montants de base peuvent être adaptés par année scolaire sur la base de l'indice de santé du mois de mars de la même année calendaire dans laquelle l'année scolaire en question commence, selon la formule suivante :
Nx = montant de base(Cx/107,85);
où :
Nx est égal au montant indexé pendant l'année scolaire x-y;
Cx est l'indice de santé du mois de mars de la même année calendaire (x) dans laquelle l'année scolaire commence;
107,85 est l'indice de santé du mois de janvier 2008.
Nx est arrondi à l'unité supérieure qui constitue un multiple de cinq. ".
" § 2. Pour le calcul du montant maximal de la contribution au § 1er, 1° et 2°, il est tenu compte, à partir du 1er janvier 2012, des montants de base suivants par année scolaire :
pour l'enseignement maternel :
- 20 euros, au cas où l'élève atteint l'âge de deux ans au cours de l'année dans laquelle l'année scolaire en question commence;
- 20 euros, au cas où l'élève atteint l'âge de trois ans au cours de l'année dans laquelle l'année scolaire en question commence;
- 30 euros, au cas où l'élève atteint l'âge de quatre ans au cours de l'année dans laquelle l'année scolaire en question commence;
- 35 euros, au cas où l'élève atteint l'âge de cinq ans au cours de l'année dans laquelle l'année scolaire en question commence;
- 35 euros au cas où il s'agit d'un élève maternel soumis à l'obligation scolaire;
pour l'enseignement primaire : 60 euros.
Ces montants de base peuvent être adaptés par année scolaire sur la base de l'indice de santé du mois de mars de la même année calendaire dans laquelle l'année scolaire en question commence, selon la formule suivante :
Nx = montant de base(Cx/107,85);
où :
Nx est égal au montant indexé pendant l'année scolaire x-y;
Cx est l'indice de santé du mois de mars de la même année calendaire (x) dans laquelle l'année scolaire commence;
107,85 est l'indice de santé du mois de janvier 2008.
Nx est arrondi à l'unité supérieure qui constitue un multiple de cinq. ".
Art. 28. In hetzelfde decreet wordt in artikel 27bis, paragraaf 4 vervangen door wat volgt :
" § 4. Voor de berekening van het maximumbedrag van de bijdrage in § 1, 3°, wordt vanaf 1 januari 2012 uitgegaan van het volgende basisbedrag voor het lager onderwijs : 360 euro.
Dit bedrag is per schooljaar aanpasbaar op basis van de gezondheidsindex van de maand maart van hetzelfde kalenderjaar waarin het schooljaar in kwestie begint volgens de volgende formule :
Nx = 360(Cx/107,85);
waarbij :
Nx gelijk is aan het geïndexeerde bedrag voor schooljaar x-y;
Cx de gezondheidsindex is van de maand maart van hetzelfde kalenderjaar (x) waarin het schooljaar begint;
107,85 de gezondheidsindex is van de maand januari 2008.
Hierbij wordt Nx afgerond naar het hoger gelegen geheel getal dat een veelvoud is van vijf.
Voor het kleuteronderwijs mag er geen bijdrage gevraagd worden voor meerdaagse extra-murosactiviteiten. ".
" § 4. Voor de berekening van het maximumbedrag van de bijdrage in § 1, 3°, wordt vanaf 1 januari 2012 uitgegaan van het volgende basisbedrag voor het lager onderwijs : 360 euro.
Dit bedrag is per schooljaar aanpasbaar op basis van de gezondheidsindex van de maand maart van hetzelfde kalenderjaar waarin het schooljaar in kwestie begint volgens de volgende formule :
Nx = 360(Cx/107,85);
waarbij :
Nx gelijk is aan het geïndexeerde bedrag voor schooljaar x-y;
Cx de gezondheidsindex is van de maand maart van hetzelfde kalenderjaar (x) waarin het schooljaar begint;
107,85 de gezondheidsindex is van de maand januari 2008.
Hierbij wordt Nx afgerond naar het hoger gelegen geheel getal dat een veelvoud is van vijf.
Voor het kleuteronderwijs mag er geen bijdrage gevraagd worden voor meerdaagse extra-murosactiviteiten. ".
Art. 28. Dans le même décret, l'article 27bis, paragraphe 4, est remplacé par la disposition suivante :
" § 4. Pour le calcul du montant maximal de la contribution au § 1er, 3°, il est tenu compte, à partir du 1er janvier 2012, du montant de base suivant pour l'enseignement primaire : 360 euros.
Ce montant de base peut être adapté par année scolaire sur la base de l'indice de santé du mois de mars de la même année calendaire dans laquelle l'année scolaire en question commence, selon la formule suivante :
Nx = 360(Cx/107,85);
où :
Nx est égal au montant indexé pendant l'année scolaire x-y;
Cx est l'indice de santé du mois de mars de la même année calendaire (x) dans laquelle l'année scolaire commence;
107,85 est l'indice de santé du mois de janvier 2008.
Nx est arrondi à l'unité supérieure qui constitue un multiple de cinq.
Pour l'enseignement maternel, aucune contribution ne peut être demandée pour des activités extra-muros de plusieurs jours. ".
" § 4. Pour le calcul du montant maximal de la contribution au § 1er, 3°, il est tenu compte, à partir du 1er janvier 2012, du montant de base suivant pour l'enseignement primaire : 360 euros.
Ce montant de base peut être adapté par année scolaire sur la base de l'indice de santé du mois de mars de la même année calendaire dans laquelle l'année scolaire en question commence, selon la formule suivante :
Nx = 360(Cx/107,85);
où :
Nx est égal au montant indexé pendant l'année scolaire x-y;
Cx est l'indice de santé du mois de mars de la même année calendaire (x) dans laquelle l'année scolaire commence;
107,85 est l'indice de santé du mois de janvier 2008.
Nx est arrondi à l'unité supérieure qui constitue un multiple de cinq.
Pour l'enseignement maternel, aucune contribution ne peut être demandée pour des activités extra-muros de plusieurs jours. ".
Art. 29. In hetzelfde decreet wordt in artikel 27ter, § 2, een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" Deze bijdragen kunnen niet in één keer aan de ouders gevraagd worden, maar enkel gespreid over minstens drie keer gedurende het schooljaar. ".
" Deze bijdragen kunnen niet in één keer aan de ouders gevraagd worden, maar enkel gespreid over minstens drie keer gedurende het schooljaar. ".
Art. 29. Dans le même décret, l'article 27ter, § 2, est complété par un alinéa deux, rédigé comme suit :
" Ces contributions ne peuvent pas être demandées aux parents en une seule fois, mais doivent être étalées sur au moins trois fois pendant l'année scolaire. ".
" Ces contributions ne peuvent pas être demandées aux parents en une seule fois, mais doivent être étalées sur au moins trois fois pendant l'année scolaire. ".
HOOFDSTUK 3. - Studiecommissie Gewestbelastingen in verband met successie, schenkingen en onroerende goederen
CHAPITRE 3. - Commission d'étude Impôts régionaux relatifs à la succession, aux dons et aux biens immeubles
Afdeling 1. - Successierechten
Section 1re. - Droits de succession
Art. 30. Artikel 48.2 van het Wetboek der successierechten, zoals van toepassing in het Vlaamse Gewest, zoals ingevoegd bij de wet van 8 augustus 1980 en gewijzigd bij het decreet van 6 juli 2001, wordt opgeheven.
Art. 30. L'article 48.2 du Code des droits de succession, tel que d'application en Région flamande, tel qu'inséré par la loi du 8 août 1980 et modifié par le décret du 6 juillet 2001, est abrogé.
Art. 31. In artikel 56, zesde lid, van hetzelfde wetboek, zoals van toepassing in het Vlaamse Gewest, zoals ingevoegd door het decreet van 21 december 2001, wordt het woord " brutoverkrijging " vervangen door het woord " netto-verkrijging ".
Art. 31. A l'article 56, alinéa six, du même code, tel que d'application en Région flamande, tel qu'inséré par le décret du 21 décembre 2001, les mots " acquisition brute " sont remplacés par les mots " acquisition nette ".
Afdeling 2. - Registratierechten
Section 2. - Droits d'enregistrement
Art. 32. In artikel 140nonies van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, zoals van toepassing in het Vlaamse Gewest en laatste gewijzigd bij het decreet van 18 december 2009, wordt de zin " In afwijking van artikel 131 wordt voor schenkingen onder de levenden van een perceel grond dat volgens de stedenbouwkundige voorschriften bestemd is voor woningbouw, waarvan de akte verleden wordt in de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2011, over het bruto-aandeel van een natuurlijk persoon in de geschonken bouwgrond, een evenredig recht geheven dat als volgt wordt bepaald : " vervangen door de zin " In afwijking van artikel 131 wordt voor schenkingen onder de levenden van een perceel grond gelegen in het Vlaamse Gewest dat volgens de stedenbouwkundige voorschriften bestemd is voor woningbouw, waarvan de akte verleden wordt in de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2014, over het bruto-aandeel van een natuurlijk persoon in de geschonken bouwgrond, een evenredig recht geheven dat als volgt wordt bepaald : ".
Art. 32. A l'article 140nonies du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, tel que d'application dans la Région flamand et modifié en dernier lieu par le décret du 18 décembre, la phrase " Par dérogation à l'article 131, il est perçu, pour les donations entre vifs d'une parcelle de terrain destinée à la construction d'habitations selon les prescriptions d'urbanisme, dont l'acte est passé pendant la période du 1er janvier 2010 au 31 décembre compris, un droit proportionnel sur l'émolument brut d'une personne physique, fixé comme suit : " est remplacé par la phrase : " Par dérogation à l'article 131, il est perçu, pour les donations entre vifs d'une parcelle de terrain, située en Région flamande selon les prescriptions d'urbanisme, dont l'acte est passé pendant la période du 1er janvier 2012 au 31 décembre 2014 compris, un droit proportionnel sur l'émolument brut d'une personne physique, fixé comme suit : ".
Art. 33. Artikel 140undecies van hetzelfde wetboek, ingevoegd bij het decreet van 20 december 2002 en gewijzigd bij het decreet van 23 december 2005, wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 140undecies. Het in artikel 140nonies bepaalde bijzonder evenredig recht wordt alleen toegepast indien in de akte van schenking uitdrukkelijk wordt vermeld :
1° dat het perceel grond volgens de stedenbouwkundige voorschriften bestemd is voor woningbouw;
2° dat de begiftigden, of een van hen, zich ertoe verbinden om binnen de vijf jaar te rekenen van de datum van de akte hun hoofdverblijfplaats te vestigen op het adres van het verkregen goed.
In geval van onjuiste verklaring betreffende de bestemming van de grond zijn de schenker en de begiftigden ondeelbaar gehouden tot betaling van de aanvullende rechten en van een boete gelijk aan die rechten.
Bij niet-nakoming van de in het eerste lid, punt 2°, vermelde aangegane verbintenis zijn de begiftigden die deze verbintenis hebben aangegaan en niet zijn nagekomen elk gehouden tot betaling van de aanvullende rechten over hun eigen aandeel in de schenking, vermeerderd met de wettelijke interest tegen de rentevoet bepaald in burgerlijke zaken te rekenen van de datum van registratie van de schenking. Zij zijn bovendien ondeelbaar gehouden tot betaling van alle aanvullende rechten over de aandelen van hun medebegiftigden die de verbintenissen niet hebben aangegaan, vermeerderd met de wettelijke interest tegen de rentevoet bepaald in burgerlijke zaken te rekenen van de datum van registratie van de schenking, tenzij er een medebegiftigde rest die wel de door hem aangegane verbintenis is nagekomen. De aanvullende rechten en de intresten zijn niet verschuldigd wanneer de niet-nakoming van de aangegane verbintenis het gevolg is van overmacht. ".
" Art. 140undecies. Het in artikel 140nonies bepaalde bijzonder evenredig recht wordt alleen toegepast indien in de akte van schenking uitdrukkelijk wordt vermeld :
1° dat het perceel grond volgens de stedenbouwkundige voorschriften bestemd is voor woningbouw;
2° dat de begiftigden, of een van hen, zich ertoe verbinden om binnen de vijf jaar te rekenen van de datum van de akte hun hoofdverblijfplaats te vestigen op het adres van het verkregen goed.
In geval van onjuiste verklaring betreffende de bestemming van de grond zijn de schenker en de begiftigden ondeelbaar gehouden tot betaling van de aanvullende rechten en van een boete gelijk aan die rechten.
Bij niet-nakoming van de in het eerste lid, punt 2°, vermelde aangegane verbintenis zijn de begiftigden die deze verbintenis hebben aangegaan en niet zijn nagekomen elk gehouden tot betaling van de aanvullende rechten over hun eigen aandeel in de schenking, vermeerderd met de wettelijke interest tegen de rentevoet bepaald in burgerlijke zaken te rekenen van de datum van registratie van de schenking. Zij zijn bovendien ondeelbaar gehouden tot betaling van alle aanvullende rechten over de aandelen van hun medebegiftigden die de verbintenissen niet hebben aangegaan, vermeerderd met de wettelijke interest tegen de rentevoet bepaald in burgerlijke zaken te rekenen van de datum van registratie van de schenking, tenzij er een medebegiftigde rest die wel de door hem aangegane verbintenis is nagekomen. De aanvullende rechten en de intresten zijn niet verschuldigd wanneer de niet-nakoming van de aangegane verbintenis het gevolg is van overmacht. ".
Art. 33. L'article 14undecies du même code, inséré par le décret du 20 décembre 2002 et modifié par le décret du 23 décembre 2005, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 140undecies. Le droit proportionnel particulier fixé à l'article 140nonies n'est appliqué que si l'acte de donation mentionne expressément :
1° que la parcelle est destinée à la construction d'habitations conformément aux prescriptions urbanistiques;
2° que les bénéficiaires, ou l'un d'entre eux, s'engagent, dans les cinq années à compter de la date de l'acte, à établir leur domicile principal à l'adresse du bien acquis.
Dans le cas de déclaration inexacte relative à la destination du terrain, le donataire et les bénéficiaires sont indivisiblement tenus au paiement des droits complémentaires et d'une amende égale à ces droits.
En cas de non-respect de l'engagement visé à l'alinéa premier, point 2°, les bénéficiaires qui ont contracté cet engagement et qui ne l'ont pas respecté, sont tenus au paiement des droits complémentaires sur leur propre part dans le don, majorés de l'intérêt légal, selon le taux en affaires civiles, à compter de la date de l'enregistrement du don. Ils sont en outre indivisiblement tenus au paiement des droits complémentaires sur les parts de leurs co-bénéficiaires qui n'ont pas contracté les engagements, majorés de l'intérêt légal, selon le taux en affaires civiles, à compter de la date de l'enregistrement du don, sauf s'il reste un co-bénéficiaire qui a bien respecté l'engagement contracté par lui. Les droits complémentaires et les intérêts ne sont pas dus lorsque le non respect de l'engagement résulte d'un cas de force majeure. ".
" Art. 140undecies. Le droit proportionnel particulier fixé à l'article 140nonies n'est appliqué que si l'acte de donation mentionne expressément :
1° que la parcelle est destinée à la construction d'habitations conformément aux prescriptions urbanistiques;
2° que les bénéficiaires, ou l'un d'entre eux, s'engagent, dans les cinq années à compter de la date de l'acte, à établir leur domicile principal à l'adresse du bien acquis.
Dans le cas de déclaration inexacte relative à la destination du terrain, le donataire et les bénéficiaires sont indivisiblement tenus au paiement des droits complémentaires et d'une amende égale à ces droits.
En cas de non-respect de l'engagement visé à l'alinéa premier, point 2°, les bénéficiaires qui ont contracté cet engagement et qui ne l'ont pas respecté, sont tenus au paiement des droits complémentaires sur leur propre part dans le don, majorés de l'intérêt légal, selon le taux en affaires civiles, à compter de la date de l'enregistrement du don. Ils sont en outre indivisiblement tenus au paiement des droits complémentaires sur les parts de leurs co-bénéficiaires qui n'ont pas contracté les engagements, majorés de l'intérêt légal, selon le taux en affaires civiles, à compter de la date de l'enregistrement du don, sauf s'il reste un co-bénéficiaire qui a bien respecté l'engagement contracté par lui. Les droits complémentaires et les intérêts ne sont pas dus lorsque le non respect de l'engagement résulte d'un cas de force majeure. ".
Art. 34. Artikel 140undecies 2 van hetzelfde wetboek, ingevoegd bij het decreet van 23 december 2005, wordt opgeheven.
Art. 34. L'article 140 undecies 2 du même code, inséré par le décret du 23 décembre 2005, est abrogé.
Afdeling 3. - Onroerende Voorheffing
Section 3. - Précompte immobilier
Art. 35. Aan artikel 255 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals van toepassing in het Vlaamse Gewest, wordt een zesde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" De verlagingen vermeld in het tweede lid zijn ook van toepassing op gelijkaardige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, en die bovendien hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben. ".
" De verlagingen vermeld in het tweede lid zijn ook van toepassing op gelijkaardige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, en die bovendien hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben. ".
Art. 35. A l'article 255 du Code des impôts sur les revenus 1992, tel que d'application à la Région flamande, il est ajouté un alinéa six, rédigé comme suit :
Les réductions visées à l'article 59 sont également applicables aux personnes morales analogues créées conformément et assujetties à la législation d'un Etat membre de l'Espace économique européen et ayant leur siège statutaire, leur direction générale ou leur établissement principal dans l'Espace économique européen.
Les réductions visées à l'article 59 sont également applicables aux personnes morales analogues créées conformément et assujetties à la législation d'un Etat membre de l'Espace économique européen et ayant leur siège statutaire, leur direction générale ou leur établissement principal dans l'Espace économique européen.
Art. 36. Artikel 257, [1 § 1]1, 2°, laatste lid, van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven.
Art. 36. L'article 257, [1 § 1er]1, 2°, dernier alinéa, du même Code est abrogé.
HOOFDSTUK 4. - Verkeersbelastingen
CHAPITRE 4. - Taxes de circulation
Afdeling 1. - Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen
Section 1re. - Code des taxes assimilées aux impôts sur les revenus
Art. 37. Aan artikel 5, § 1, eerste lid, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen wordt een punt 11° toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 11° de voertuigen die ingezet worden door vervoerders die gesubsidieerd worden door de Vlaamse Regering en die uitsluitend gebruikt worden voor het vervoer van personen met een handicap of een ernstig beperkte mobiliteit. ".
" 11° de voertuigen die ingezet worden door vervoerders die gesubsidieerd worden door de Vlaamse Regering en die uitsluitend gebruikt worden voor het vervoer van personen met een handicap of een ernstig beperkte mobiliteit. ".
Art. 37. L'article 5, § 1er, du Code des taxes assimilées aux impôts sur les revenus est complété par un point 11°, rédigé comme suit :
" 11° les véhicules déployés par des transporteurs subventionnés par le Gouvernement flamand, et utilisés exclusivement au transport de personnes handicapées ou à mobilité gravement réduite. ".
" 11° les véhicules déployés par des transporteurs subventionnés par le Gouvernement flamand, et utilisés exclusivement au transport de personnes handicapées ou à mobilité gravement réduite. ".
Art. 38. In artikel 31 van hetzelfde wetboek worden de woorden " Ontheffing kan binnen dezelfde termijn ambtshalve worden verleend als de belasting ten onrechte betaald of geheven is. " geschrapt.
Art. 38. A l'article 31 du même Code, les mots " La dispense d'office peut être accordée dans le même délai si les taxes ont été indûment payées ou prélevées. " sont supprimés.
Art. 39. Artikel 32 van hetzelfde wetboek wordt opgeheven.
Art. 39. L'article 32 du même Code est abrogé.
Art. 40. In artikel 36bis van hetzelfde wetboek worden de woorden " 32, " geschrapt.
Art. 40. Dans l'article 36bis du même arrêté les mots " 32 " sont supprimés.
Art. 41. In artikel 36quater van hetzelfde wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 2 worden de woorden " uiterlijk op 15 december van dat aanslagjaar " geschrapt;
2° in paragraaf 5 wordt het woord " onmiddellijk " geschrapt;
3° in paragraaf 6 wordt het woord " onmiddellijk " geschrapt.
1° in paragraaf 2 worden de woorden " uiterlijk op 15 december van dat aanslagjaar " geschrapt;
2° in paragraaf 5 wordt het woord " onmiddellijk " geschrapt;
3° in paragraaf 6 wordt het woord " onmiddellijk " geschrapt.
Art. 41. A l'article 36quater du même code sont apportées les modifications suivantes :
1° au § 2 les mots " au plus tard le 15 décembre de l'année d'imposition concernée " sont supprimés;
2° au § 5, le mot " immédiatement " est supprimé;
3° au § 6, le mot " immédiatement " est supprimé.
1° au § 2 les mots " au plus tard le 15 décembre de l'année d'imposition concernée " sont supprimés;
2° au § 5, le mot " immédiatement " est supprimé;
3° au § 6, le mot " immédiatement " est supprimé.
Art. 42. Artikel 103bis van hetzelfde wetboek wordt opgeheven.
Art. 42. L'article 103bis du même Code est abrogé.
Art. 43. In artikel 104 van hetzelfde wetboek worden de woorden " Ontheffing kan binnen dezelfde termijn ambtshalve worden verleend als de belasting ten onrechte betaald of geheven is. " geschrapt.
Art. 43. A l'article 104 du même Code, les mots " La dispense d'office peut être accordée dans le même délai si les taxes ont été indûment payées ou prélevées. " sont supprimés.
Afdeling 2. - Eurovignet
Section 2. - Eurovignette
Art. 44. Artikel 12, § 2, derde lid, van de wet van 27 december 1994 tot invoering van een eurovignet wordt gewijzigd door wat volgt :
" Deze aanvraag moet worden ingediend bij de gemachtigde ambtenaar van het Vlaamse Gewest verantwoordelijk voor de diensten belast met de inning van het eurovignet uiterlijk zes maanden vanaf de laatste dag van de belastbare periode op straffe van verval. ".
" Deze aanvraag moet worden ingediend bij de gemachtigde ambtenaar van het Vlaamse Gewest verantwoordelijk voor de diensten belast met de inning van het eurovignet uiterlijk zes maanden vanaf de laatste dag van de belastbare periode op straffe van verval. ".
Art. 44. L'article 12, § 2, alinéa trois, de la loi du 27 décembre 1994 instaurant une Eurovignette, est modifié par la disposition suivante :
" La demande doit être introduite auprès du directeur régional responsable du service chargé de la perception de l'Eurovignette, au plus tard, dans un délai de 6 mois à compter du dernier jour de la période imposable, sous peine de nullité".
" La demande doit être introduite auprès du directeur régional responsable du service chargé de la perception de l'Eurovignette, au plus tard, dans un délai de 6 mois à compter du dernier jour de la période imposable, sous peine de nullité".
Art. 45. Aan artikel 12, § 3, van dezelfde wet wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" Deze aanvraag moet worden ingediend bij de gemachtigde ambtenaar van het Vlaamse Gewest verantwoordelijk voor de diensten belast met de inning van het eurovignet uiterlijk zes maanden vanaf de laatste dag van de belastbare periode op straffe van verval. ".
" Deze aanvraag moet worden ingediend bij de gemachtigde ambtenaar van het Vlaamse Gewest verantwoordelijk voor de diensten belast met de inning van het eurovignet uiterlijk zes maanden vanaf de laatste dag van de belastbare periode op straffe van verval. ".
Art. 45. A l'article 12, § 3, de la même loi, il est ajouté un deuxième alinéa, rédigé comme suit :
" Cette demande doit être introduite par le fonctionnaire autorisé de la Région flamande responsable pour les services chargés de la perception de l'Eurovignette, au plus tard dans les six mois à partir du dernier jour de la période imposable sous peine d'échéance. ".
" Cette demande doit être introduite par le fonctionnaire autorisé de la Région flamande responsable pour les services chargés de la perception de l'Eurovignette, au plus tard dans les six mois à partir du dernier jour de la période imposable sous peine d'échéance. ".
Afdeling 3. - Wijzigingen aan het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
Section 3. - Modifications au Code des impôts dur les revenus 1992
Art. 46. In het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen wordt een artikel 42bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 42bis. De Vlaamse Belastingdienst kent aan de gemeenten de voor hun rekening verwezenlijkte ontvangsten voor orde toe, verminderd met de ontheffingen die voor hun rekening worden uitbetaald tijdens de maand van de inning van die ontvangsten.
Wanneer de ontheffingen die in de loop van een maand zijn betaald ten laste van een gemeente meer bedragen dan de ontvangsten die door de Vlaamse Belastingdienst gedurende diezelfde maand voor rekening van die overheid werden geïnd, vormt dat excedent voor genoemde administratie een in hoofde van de gemeente terugvorderbare schuldvordering.
De voormelde schuldvordering wordt ingevorderd door ambtshalve inhouding op de toekenning van de ontvangsten van de maand die volgt op die van de verrekening van de ontheffingen. Indien het bedrag van de ontvangsten toegekend gedurende de maand die volgt op die van de verrekening van de ontheffing ontoereikend is om het bedrag van de schuldvordering dat overblijft te vrijwaren, wordt dat saldo van de schuldvordering ingevorderd door ambtshalve inhouding op de toekenning van de ontvangsten van de daaropvolgende maand. Deze verrekening wordt herhaald tot de schuldvordering is aangezuiverd.
De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast die nodig zijn voor de toepassing van dit artikel. ".
" Art. 42bis. De Vlaamse Belastingdienst kent aan de gemeenten de voor hun rekening verwezenlijkte ontvangsten voor orde toe, verminderd met de ontheffingen die voor hun rekening worden uitbetaald tijdens de maand van de inning van die ontvangsten.
Wanneer de ontheffingen die in de loop van een maand zijn betaald ten laste van een gemeente meer bedragen dan de ontvangsten die door de Vlaamse Belastingdienst gedurende diezelfde maand voor rekening van die overheid werden geïnd, vormt dat excedent voor genoemde administratie een in hoofde van de gemeente terugvorderbare schuldvordering.
De voormelde schuldvordering wordt ingevorderd door ambtshalve inhouding op de toekenning van de ontvangsten van de maand die volgt op die van de verrekening van de ontheffingen. Indien het bedrag van de ontvangsten toegekend gedurende de maand die volgt op die van de verrekening van de ontheffing ontoereikend is om het bedrag van de schuldvordering dat overblijft te vrijwaren, wordt dat saldo van de schuldvordering ingevorderd door ambtshalve inhouding op de toekenning van de ontvangsten van de daaropvolgende maand. Deze verrekening wordt herhaald tot de schuldvordering is aangezuiverd.
De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast die nodig zijn voor de toepassing van dit artikel. ".
Art. 46. Au Code des Taxes assimilées aux impôts sur les revenus, il est inséré un article 42bis rédigé comme suit :
" Art. 42bis. L'agence " Vlaamse Belastingdienst " octroie aux communes les recettes pour ordre réalisées pour leur compte, diminuées des dispenses payées pour leur compte au cours du mois de la perception de ces recettes.
Lorsque les exemptions qui ont été payées au cours d'un mois à charge d'une commune, sont supérieurs aux recettes perçues par l'agence " Vlaamse Belastingdienst " au cours du même mois pour le compte de cette autorité, l'excédent constitue une créance récupérable dans le chef de la commune.
La créance précitée est perçue par une retenue d'office sur l'octroi des recettes du mois qui suit le mois de la comptabilisation des dispenses. Si le montant des recettes octroyées au cours du moins qui suit le mois de la comptabilisation de la dispense est insuffisant pour sauvegarder le montant restant de la créance, ce solde de la créance est perçu par une retenue d'office sur l'octroi des recettes du mois suivant. Cette comptabilisation est répétée jusqu'à ce que la créance soit réglée.
Le Gouvernement flamand peut fixer les modalités nécessaires pour l'application du présent article. " .
" Art. 42bis. L'agence " Vlaamse Belastingdienst " octroie aux communes les recettes pour ordre réalisées pour leur compte, diminuées des dispenses payées pour leur compte au cours du mois de la perception de ces recettes.
Lorsque les exemptions qui ont été payées au cours d'un mois à charge d'une commune, sont supérieurs aux recettes perçues par l'agence " Vlaamse Belastingdienst " au cours du même mois pour le compte de cette autorité, l'excédent constitue une créance récupérable dans le chef de la commune.
La créance précitée est perçue par une retenue d'office sur l'octroi des recettes du mois qui suit le mois de la comptabilisation des dispenses. Si le montant des recettes octroyées au cours du moins qui suit le mois de la comptabilisation de la dispense est insuffisant pour sauvegarder le montant restant de la créance, ce solde de la créance est perçu par une retenue d'office sur l'octroi des recettes du mois suivant. Cette comptabilisation est répétée jusqu'à ce que la créance soit réglée.
Le Gouvernement flamand peut fixer les modalités nécessaires pour l'application du présent article. " .
HOOFDSTUK 5. - Oppervlaktewateren
CHAPITRE 5. - Eaux de surface
Afdeling 1. - Bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging
Section 1re. - Protection des eaux de surface contre la pollution
Art. 47. In artikel 35bis van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging wordt aan paragraaf 3, ingevoegd bij het decreet van 25 juni 1992, en gewijzigd bij het decreet van 22 december 1993, een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" Voor de toepassing van dit decreet worden de personen aangewezen in artikel 28ter, § 3, van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer onweerlegbaar vermoed heffingsplichtig te zijn voor het grondwater dat in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar werd opgenomen uit een eigen waterwinning vermeld in het eerste lid, onverminderd hun verhaal op de werkelijke verbruiker van dit water. Deze personen zijn eveneens onderworpen aan de bepalingen van dit hoofdstuk en de ter uitvoering ervan genomen besluiten. ".
" Voor de toepassing van dit decreet worden de personen aangewezen in artikel 28ter, § 3, van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer onweerlegbaar vermoed heffingsplichtig te zijn voor het grondwater dat in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar werd opgenomen uit een eigen waterwinning vermeld in het eerste lid, onverminderd hun verhaal op de werkelijke verbruiker van dit water. Deze personen zijn eveneens onderworpen aan de bepalingen van dit hoofdstuk en de ter uitvoering ervan genomen besluiten. ".
Art. 47. A l'article 35bis de la loi du 26 mars 1971 relative à la protection des eaux de surface contre la pollution, le § 3, inséré par le décret du 25 juin 1992, et modifié par le décret du 22 décembre 1993, est complété par un alinéa trois, rédigé comme suit :
" Pour l'application du présent décret, les personnes désignées à l'article 28ter, § 3, du décret du 24 janvier 1984 portant des mesures en matière de gestion des eaux souterraines sont présumées irréfragablement être les redevables pour les eaux souterraines reprises pendant l'année précédant l'année d'imposition de propre captage d'eau, visée à l'alinéa premier, sans préjudice de leur recours sur le consommateur effectif des ces eaux. Ces personnes sont également soumises aux dispositions du présent chapitre et des arrêtés pris en exécution. ".
" Pour l'application du présent décret, les personnes désignées à l'article 28ter, § 3, du décret du 24 janvier 1984 portant des mesures en matière de gestion des eaux souterraines sont présumées irréfragablement être les redevables pour les eaux souterraines reprises pendant l'année précédant l'année d'imposition de propre captage d'eau, visée à l'alinéa premier, sans préjudice de leur recours sur le consommateur effectif des ces eaux. Ces personnes sont également soumises aux dispositions du présent chapitre et des arrêtés pris en exécution. ".
Art. 48. In artikel 35quinquies, § 4, van dezelfde wet, ingevoegd bij het decreet van 22 december 2000, gewijzigd bij het decreet van 19 december 2003 en vervangen bij het decreet van 24 juni 2005, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het tweede lid worden de woorden " uitsluitend berekend op basis van de resultaten van de Maatschappij " vervangen door de woorden : " uitsluitend berekend op basis van de resultaten van de Maatschappij voor zover dit resulteert in een hogere vuilvracht. ";
2° het derde lid wordt vervangen door wat volgt : " In dit geval worden de kosten voor monsterneming en analyses die als basis dienen voor bedoelde heffing ten laste gelegd van de heffingsplichtige, tenzij het verschil tussen de overeenkomstig § 1 vastgestelde N-waarde, berekend op basis van de resultaten van de Maatschappij, en de N-waarde, bepaald op grond van de resultaten van de heffingsplichtige, kleiner is dan 50 VE. ".
1° in het tweede lid worden de woorden " uitsluitend berekend op basis van de resultaten van de Maatschappij " vervangen door de woorden : " uitsluitend berekend op basis van de resultaten van de Maatschappij voor zover dit resulteert in een hogere vuilvracht. ";
2° het derde lid wordt vervangen door wat volgt : " In dit geval worden de kosten voor monsterneming en analyses die als basis dienen voor bedoelde heffing ten laste gelegd van de heffingsplichtige, tenzij het verschil tussen de overeenkomstig § 1 vastgestelde N-waarde, berekend op basis van de resultaten van de Maatschappij, en de N-waarde, bepaald op grond van de resultaten van de heffingsplichtige, kleiner is dan 50 VE. ".
Art. 48. A l'article 35quinquies, § 4, de la même loi, inséré par le décret du 22 décembre 2000 et modifié par le décret du 19 décembre 2003 et remplacé par le décret du 24 juin 2005, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans l'alinéa deux, les mots " calculés uniquement sur la base des résultats de la Société ", sont remplacés par les mots : " calculés uniquement sur la base des résultats de la Société où il en résulte une charge polluante supérieure. ";
2° le troisième alinéa est remplacé par la disposition suivante : " Dans ce cas, les frais des échantillonnages et analyses servant de base à la redevance susvisée, sont à charge du redevable, sauf si la différence entre la valeur N fixée conformément au § 1er, calculée sur la base des résultats de la Société, et la valeur N, fixée sur la base des résultats du redevable, est inférieure à 50 VE. "
1° dans l'alinéa deux, les mots " calculés uniquement sur la base des résultats de la Société ", sont remplacés par les mots : " calculés uniquement sur la base des résultats de la Société où il en résulte une charge polluante supérieure. ";
2° le troisième alinéa est remplacé par la disposition suivante : " Dans ce cas, les frais des échantillonnages et analyses servant de base à la redevance susvisée, sont à charge du redevable, sauf si la différence entre la valeur N fixée conformément au § 1er, calculée sur la base des résultats de la Société, et la valeur N, fixée sur la base des résultats du redevable, est inférieure à 50 VE. "
Art. 49. In artikel 35quinquies, § 12, van dezelfde wet, wordt het laatste lid, ingevoegd bij het decreet van 19 december 2003, en vervangen bij het decreet van 23 december 2010, vervangen door wat volgt :
" De in de vorige paragrafen bedoelde systemen voor registratie van het debiet die voor 1 januari 2004 in gebruik zijn genomen, worden verzegeld door de Maatschappij. De overige debietmeetsystemen moeten bij de indienstname worden verzegeld door de leverancier, de externe installateur of een laboratorium in de discipline water dat volgens het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu voor het pakket W.1.8. is erkend. Deze verplichting geldt niet voor de meetsystemen waarmee het geloosde debiet wordt gemeten. ".
" De in de vorige paragrafen bedoelde systemen voor registratie van het debiet die voor 1 januari 2004 in gebruik zijn genomen, worden verzegeld door de Maatschappij. De overige debietmeetsystemen moeten bij de indienstname worden verzegeld door de leverancier, de externe installateur of een laboratorium in de discipline water dat volgens het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu voor het pakket W.1.8. is erkend. Deze verplichting geldt niet voor de meetsystemen waarmee het geloosde debiet wordt gemeten. ".
Art. 49. Dans l'article 35quinquies, § 12, de la même loi, l'alinéa dernier, inséré par le décret du 19 décembre 2003 et remplacé par le décret du 23 décembre 2010, est remplacé par la disposition suivante :
" Les systèmes d'enregistrement du débit, visés aux paragraphes précédents, qui sont mis en service avant le 1er janvier 2004, sont scellés par la Société. Les autres systèmes de mesure du débit doivent être scellés lors de la mise en service par le fournisseur, l'installateur externe ou un laboratoire agréé dans la discipline des eaux, visée à l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010 établissant le règlement flamand en matière d'agréments relatifs à l'environnement pour le paquet W.1.8. Cette obligation ne vaut pas pour les systèmes de mesurage qui mesurent le débit déversé. ".
" Les systèmes d'enregistrement du débit, visés aux paragraphes précédents, qui sont mis en service avant le 1er janvier 2004, sont scellés par la Société. Les autres systèmes de mesure du débit doivent être scellés lors de la mise en service par le fournisseur, l'installateur externe ou un laboratoire agréé dans la discipline des eaux, visée à l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010 établissant le règlement flamand en matière d'agréments relatifs à l'environnement pour le paquet W.1.8. Cette obligation ne vaut pas pour les systèmes de mesurage qui mesurent le débit déversé. ".
Art. 50. In artikel 35septies, § 2, van dezelfde wet, wordt het laatste lid, ingevoegd bij het decreet van 19 december 2003, en vervangen bij het decreet van 23 december 2010, vervangen door wat volgt :
" De in de vorige paragrafen bedoelde systemen voor registratie van het debiet die voor 1 januari 2004 in gebruik zijn genomen, worden verzegeld door de Maatschappij. De overige debietmeetsystemen moeten bij de indienstname worden verzegeld door de leverancier, de externe installateur of een laboratorium in de discipline water dat volgens het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu voor het pakket W.1.8. is erkend. ".
" De in de vorige paragrafen bedoelde systemen voor registratie van het debiet die voor 1 januari 2004 in gebruik zijn genomen, worden verzegeld door de Maatschappij. De overige debietmeetsystemen moeten bij de indienstname worden verzegeld door de leverancier, de externe installateur of een laboratorium in de discipline water dat volgens het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu voor het pakket W.1.8. is erkend. ".
Art. 50. Dans l'article 35septies, § 2, de la même loi, l'alinéa dernier, inséré par le décret du 19 décembre 2003 et remplacé par le décret du 23 décembre 2010, est remplacé par la disposition suivante :
" Les systèmes d'enregistrement du débit, visés aux paragraphes précédents, qui sont mis en service avant le 1er janvier 2004, sont scellés par la Société. Les autres systèmes de mesure du débit doivent être scellés lors de la mise en service par le fournisseur, l'installateur externe ou un laboratoire agréé dans la discipline des eaux, visée à l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010 établissant le règlement flamand en matière d'agréments relatifs à l'environnement pour le paquet W.1.8. ".
" Les systèmes d'enregistrement du débit, visés aux paragraphes précédents, qui sont mis en service avant le 1er janvier 2004, sont scellés par la Société. Les autres systèmes de mesure du débit doivent être scellés lors de la mise en service par le fournisseur, l'installateur externe ou un laboratoire agréé dans la discipline des eaux, visée à l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010 établissant le règlement flamand en matière d'agréments relatifs à l'environnement pour le paquet W.1.8. ".
Art. 51. In artikel 35terdecies, § 6, van dezelfde wet, ingevoegd bij het decreet van 25 juni 1992 en gewijzigd bij het decreet van 18 december 2009, wordt punt 1° vervangen door wat volgt :
" 1° -1) voor de heffingsplichtigen, vermeld in artikel 35quater, § 1 :
a) waaraan een openbare watervoorzieningsmaatschappij waterverbruik in het Vlaamse Gewest heeft gefactureerd betreffende het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar : de naam en het adres van facturatie;
b) die geen water hebben afgenomen van een openbare watervoorzieningsmaatschappij in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar : de naam, de voornaam en het adres van de natuurlijke personen; de naam en het adres van de rechtspersonen;
-2) voor de overige heffingsplichtigen : de naam, de voornaam en het adres van de natuurlijke personen; de naam en het adres van de maatschappelijke zetel van de rechtspersonen;
-3) indien de natuurlijke persoon, vermeld in punt 1) of 2), is overleden, wordt de aanslag ingekohierd op de naam van de overleden persoon voorafgegaan van het woord " Nalatenschap " en eventueel gevolgd door de aanduiding van de persoon of personen die zich aan de Maatschappij hebben bekendgemaakt als erfgenaam of legataris; ".
" 1° -1) voor de heffingsplichtigen, vermeld in artikel 35quater, § 1 :
a) waaraan een openbare watervoorzieningsmaatschappij waterverbruik in het Vlaamse Gewest heeft gefactureerd betreffende het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar : de naam en het adres van facturatie;
b) die geen water hebben afgenomen van een openbare watervoorzieningsmaatschappij in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar : de naam, de voornaam en het adres van de natuurlijke personen; de naam en het adres van de rechtspersonen;
-2) voor de overige heffingsplichtigen : de naam, de voornaam en het adres van de natuurlijke personen; de naam en het adres van de maatschappelijke zetel van de rechtspersonen;
-3) indien de natuurlijke persoon, vermeld in punt 1) of 2), is overleden, wordt de aanslag ingekohierd op de naam van de overleden persoon voorafgegaan van het woord " Nalatenschap " en eventueel gevolgd door de aanduiding van de persoon of personen die zich aan de Maatschappij hebben bekendgemaakt als erfgenaam of legataris; ".
Art. 51. A l'article 35terdecies de la même loi, inséré par le décret du 25 juin 1992 et modifié par le décret du 18 décembre 2009, le point 1° est remplacé par ce qui suit :
" 1° -1) pour les redevables, visés à l'article 35quater, § 1er :
a) auxquels une société publique de distribution d'eau a facturé la consommation d'eau en Région flamande relative à l'année précédant l'année d'imposition : le nom et l'adresse de facturation;
b) qui n'ont pas pris de l'eau d'une société publique de distribution d'eau pendant l'année précédant l'année d'imposition : le nom, le prénom et l'adresse des personnes physiques; le nom et l'adresse des personnes morales;
-2) pour les autres redevables : le nom, le prénom et l'adresse des personnes physiques; le nom et l'adresse du siège social des personnes morales;
-3) si la personne physique, visée aux points 1) ou 2), est décédée, l'impôt est enrôlé au nom de la personne décédée précédée par le mot " Succession " et éventuellement suivi par la désignation de la personne ou des personnes qui se sont présentées comme héritiers ou légataires; ".
" 1° -1) pour les redevables, visés à l'article 35quater, § 1er :
a) auxquels une société publique de distribution d'eau a facturé la consommation d'eau en Région flamande relative à l'année précédant l'année d'imposition : le nom et l'adresse de facturation;
b) qui n'ont pas pris de l'eau d'une société publique de distribution d'eau pendant l'année précédant l'année d'imposition : le nom, le prénom et l'adresse des personnes physiques; le nom et l'adresse des personnes morales;
-2) pour les autres redevables : le nom, le prénom et l'adresse des personnes physiques; le nom et l'adresse du siège social des personnes morales;
-3) si la personne physique, visée aux points 1) ou 2), est décédée, l'impôt est enrôlé au nom de la personne décédée précédée par le mot " Succession " et éventuellement suivi par la désignation de la personne ou des personnes qui se sont présentées comme héritiers ou légataires; ".
Afdeling 2. - Oppervlaktewaterheffing
Section 2. - Redevance sur les eaux de surface
Art. 52. In artikel 128 van het decreet van 18 december 2009 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2010 wordt de eerste zin van punt 2° vervangen door wat volgt :
" Elke heffingsplichtige welke van bovenstaande regeling gebruik wenst te maken, moet daartoe bij de aangifte bedoeld in artikel 35octies, § 1, een dossier voegen dat opgesteld is door een MER-deskundige in de discipline water, deeldomein oppervlaktewater en afvalwater, erkend volgens het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu. ".
" Elke heffingsplichtige welke van bovenstaande regeling gebruik wenst te maken, moet daartoe bij de aangifte bedoeld in artikel 35octies, § 1, een dossier voegen dat opgesteld is door een MER-deskundige in de discipline water, deeldomein oppervlaktewater en afvalwater, erkend volgens het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu. ".
Art. 52. Dans l'article 128 du décret du 18 décembre 2009 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2010, la première phrase du point 2° est remplacée par la phrase suivante :
" Tout redevable qui souhaite bénéficier du régime susvisé devra joindre à cet effet à la déclaration visée à l'article 35octies, § 1er, un dossier établi par un expert MER dans la discipline des eaux, sous-domaine des eaux de surface et eaux usées, agréé conformément à l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010 établissant le règlement flamand en matière d'agréments relatifs à l'environnement. ".
" Tout redevable qui souhaite bénéficier du régime susvisé devra joindre à cet effet à la déclaration visée à l'article 35octies, § 1er, un dossier établi par un expert MER dans la discipline des eaux, sous-domaine des eaux de surface et eaux usées, agréé conformément à l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010 établissant le règlement flamand en matière d'agréments relatifs à l'environnement. ".
HOOFDSTUK 6. - Grondwaterbeheer
CHAPITRE 6. - Gestion des eaux souterraines
Art. 53. In artikel 28ter van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer wordt paragraaf 3, ingevoegd bij het decreet van 20 december 1996 en vervangen bij het decreet van 22 december 1999, vervangen door wat volgt :
" § 3. Onverminderd hun verhaal op de werkelijke verbruiker van het grondwater wordt voor de toepassing van dit decreet onweerlegbaar vermoed de heffingsplichtige te zijn inzake de in paragraaf 1 vermelde exploitatie :
1° a) de vergunninghouder aan wie overeenkomstig dit decreet of het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning de vergunning is verleend;
b) de natuurlijke of rechtspersoon die conform het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning melding heeft gedaan van een grondwaterwinning als vermeld in paragraaf 1;
2° elke andere natuurlijke of rechtspersoon die op enig ogenblik in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar op het grondgebied van het Vlaamse Gewest heeft beschikt over de grondwaterwinning.
De bepalingen van dit hoofdstuk en de ter uitvoering ervan genomen besluiten, zijn onverminderd van toepassing op de personen, vermeld in 1° en 2°. ".
" § 3. Onverminderd hun verhaal op de werkelijke verbruiker van het grondwater wordt voor de toepassing van dit decreet onweerlegbaar vermoed de heffingsplichtige te zijn inzake de in paragraaf 1 vermelde exploitatie :
1° a) de vergunninghouder aan wie overeenkomstig dit decreet of het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning de vergunning is verleend;
b) de natuurlijke of rechtspersoon die conform het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning melding heeft gedaan van een grondwaterwinning als vermeld in paragraaf 1;
2° elke andere natuurlijke of rechtspersoon die op enig ogenblik in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar op het grondgebied van het Vlaamse Gewest heeft beschikt over de grondwaterwinning.
De bepalingen van dit hoofdstuk en de ter uitvoering ervan genomen besluiten, zijn onverminderd van toepassing op de personen, vermeld in 1° en 2°. ".
Art. 53. Dans l'article 28ter du décret du 24 janvier 1984 portant des mesures en matière de gestion des eaux souterraines, le § 3, inséré par le décret du 20 décembre 1996 et remplacé par le décret du 22 décembre 1999, est remplacé par les dispositions suivantes :
" § 3. Sans préjudice de leur recours sur le consommateur effectif des eaux souterraines pour l'application du présent décret, est incontestablement présumée être le redevable en ce qui concerne l'exploitation visée à l'alinéa 1er :
1° a) le titulaire de l'autorisation auquel est accordée l'autorisation conformément au présent décret ou au décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique;
b) la personne physique ou morale qui a fait mention d'un captage d'eau tel que visé au § 1er, conformément au décret du 28 juin1985 relatif à l'autorisation écologique;
2° toute autre personne physique ou morale, qui dispose d'un captage d'eau à un moment quelconque dans l'année précédant l'année d'imposition au territoire de la Région flamande.
Les dispositions du présent chapitre et les arrêtés pris en exécution, restent invariablement d'application aux personnes, visées aux 1° et 2°. ".
" § 3. Sans préjudice de leur recours sur le consommateur effectif des eaux souterraines pour l'application du présent décret, est incontestablement présumée être le redevable en ce qui concerne l'exploitation visée à l'alinéa 1er :
1° a) le titulaire de l'autorisation auquel est accordée l'autorisation conformément au présent décret ou au décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique;
b) la personne physique ou morale qui a fait mention d'un captage d'eau tel que visé au § 1er, conformément au décret du 28 juin1985 relatif à l'autorisation écologique;
2° toute autre personne physique ou morale, qui dispose d'un captage d'eau à un moment quelconque dans l'année précédant l'année d'imposition au territoire de la Région flamande.
Les dispositions du présent chapitre et les arrêtés pris en exécution, restent invariablement d'application aux personnes, visées aux 1° et 2°. ".
Art. 54. In artikel 28quater van hetzelfde decreet worden volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1, 2°, a), worden de woorden " Z = 5 eurocent per m3 * index " vervangen door de woorden " Z = 6 eurocent per m3 * index ";
2° paragraaf 3, ingevoegd bij het decreet van 20 december 1996, vervangen bij het decreet van 21 december 2001 en gewijzigd bij het decreet van 9 juli 2010, wordt opgeheven.
1° in paragraaf 1, 2°, a), worden de woorden " Z = 5 eurocent per m3 * index " vervangen door de woorden " Z = 6 eurocent per m3 * index ";
2° paragraaf 3, ingevoegd bij het decreet van 20 december 1996, vervangen bij het decreet van 21 december 2001 en gewijzigd bij het decreet van 9 juli 2010, wordt opgeheven.
Art. 54. A l'article 28quater du même décret sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le § 1er, 2°, a), les mots " Z = 0,5 euro par * index " sont remplacés par les mots " Z = 0,6 euro par m3 * index ";
2° le § 3, inséré par le décret du 20 décembre 1996, remplacé par le décret du 21 décembre 2001 et modifié par le décret du 9 juillet 2010, est abrogé.
1° dans le § 1er, 2°, a), les mots " Z = 0,5 euro par * index " sont remplacés par les mots " Z = 0,6 euro par m3 * index ";
2° le § 3, inséré par le décret du 20 décembre 1996, remplacé par le décret du 21 décembre 2001 et modifié par le décret du 9 juillet 2010, est abrogé.
Art. 55. In artikel 28decies, § 6, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 20 december 1996 en vervangen bij het decreet van 22 december 1999, wordt punt 1° vervangen door wat volgt :
" 1° de naam, de voornaam en het adres van de natuurlijke personen; de naam en het adres van de maatschappelijke zetel van de rechtspersonen; ".
" 1° de naam, de voornaam en het adres van de natuurlijke personen; de naam en het adres van de maatschappelijke zetel van de rechtspersonen; ".
Art. 55. A l'article 28decies, § 6, du même décret, inséré par le décret du 20 décembre 1996 et modifié par le décret du 22 décembre 1999, le point 1° est remplacé par la disposition suivante :
" 1° le nom, le prénom et l'adresse des personnes physiques; le nom et l'adresse du siège social des personnes morales; ".
" 1° le nom, le prénom et l'adresse des personnes physiques; le nom et l'adresse du siège social des personnes morales; ".
HOOFDSTUK 7. - Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening
CHAPITRE 7. - Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening
Art. 56. Aan artikel 5 van het decreet van 17 december 1997 betreffende de rustpensioenen toegekend aan de vastbenoemde en tot de stage toegelaten personeelsleden van de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening en betreffende de overlevingspensioenen toegekend aan de rechtverkrijgenden van die personeelsleden wordt een paragraaf 5 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 5. Het Vlaamse Gewest stelt zich conform artikel 138 van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening garant voor de goede afloop van de verbintenissen van de pensioenregelingen. ".
" § 5. Het Vlaamse Gewest stelt zich conform artikel 138 van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening garant voor de goede afloop van de verbintenissen van de pensioenregelingen. ".
Art. 56. A l'article 5 du décret du 17 décembre 1997 relatif aux pensions de retraite allouées aux agents définitifs et admis au stage de la " Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening " (Société flamande de Distribution d'Eau) et aux pensions de survie allouées aux ayants droit de ces membres du personnel, il est ajouté un § 5, rédigé comme suit :
" § 5. Conformément à l'article 138 de la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle, la Région flamande se porte garant pour le bon déroulement des engagements des régimes de pensions. ".
" § 5. Conformément à l'article 138 de la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle, la Région flamande se porte garant pour le bon déroulement des engagements des régimes de pensions. ".
HOOFDSTUK 8. - Besparing index werking beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin
CHAPITRE 8. - Economie indice fonctionnement domaine politique Aide sociale, Santé publique et Famille
Art. 57. Artikel 78 van het decreet van 23 december 2010 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2011, vervangen bij het decreet van 8 juli 2011 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2011, wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 78. § 1. Voor alle subsidieregelingen binnen de begroting van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin wordt voor alle subsidie-elementen die niet loon zijn en waarvan de evolutie gekoppeld is aan de schommelingen van het prijsindexcijfer dat berekend en toegepast wordt overeenkomstig de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld, of de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden te worden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld, de sprong in augustus 2010 niet verrekend.
§ 2. Voor de subsidie-elementen, andere dan loonkosten, die op een andere wijze aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld, wordt geen indexaanpassing toegekend in 2011.
§ 3. Bovenstaande twee paragrafen zijn niet van toepassing op :
- het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden;
- de vergoeding betaald aan private personen die begunstigden in hun gezin opnemen volgens artikel 11 en artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 maart 1973 tot bepaling van de te volgen gemeenschappelijke regels voor de vaststelling van de toelagen per dag toegekend voor onderhoud, opvoeding en behandeling van minderjarigen en van gehandicapten geplaatst ten laste van de openbare besturen;
- de vergoeding betaald aan pleeggezinnen volgens artikel 39 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 1994 inzake de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor de voorzieningen van de bijzondere jeugdbijstand en op het zakgeld uitbetaald aan minderjarigen volgens artikel 40 van hetzelfde besluit;
- het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2008 houdende de wijze van vereffening van een vrij besteedbaar bedrag en de toekenning ervan aan de minderjarigen aan wie residentiële jeugdhulpverlening geboden wordt, ter uitvoering van een beschikking van de jeugdrechtbank of van een advies van het bureau voor bijzondere jeugdbijstand, in voorzieningen die erkend en gesubsidieerd zijn door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap;
- artikel 2 en 2bis van het ministerieel besluit van 10 september 2008 betreffende de vergoeding voor aangesloten onthaalouders en diensten voor onthaalouders;
- artikel 49sexies van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2002 betreffende de erkenning en de subsidiëring van de centra voor kinderzorg en gezinsondersteuning, ingevoegd bij het besluit van 17 december 2010;
- het zakgeld dat wordt toegekend voor minderjarigen in diensten voor gezinsondersteunende pleegzorg. ".
" Art. 78. § 1. Voor alle subsidieregelingen binnen de begroting van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin wordt voor alle subsidie-elementen die niet loon zijn en waarvan de evolutie gekoppeld is aan de schommelingen van het prijsindexcijfer dat berekend en toegepast wordt overeenkomstig de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld, of de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden te worden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld, de sprong in augustus 2010 niet verrekend.
§ 2. Voor de subsidie-elementen, andere dan loonkosten, die op een andere wijze aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld, wordt geen indexaanpassing toegekend in 2011.
§ 3. Bovenstaande twee paragrafen zijn niet van toepassing op :
- het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden;
- de vergoeding betaald aan private personen die begunstigden in hun gezin opnemen volgens artikel 11 en artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 maart 1973 tot bepaling van de te volgen gemeenschappelijke regels voor de vaststelling van de toelagen per dag toegekend voor onderhoud, opvoeding en behandeling van minderjarigen en van gehandicapten geplaatst ten laste van de openbare besturen;
- de vergoeding betaald aan pleeggezinnen volgens artikel 39 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 1994 inzake de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor de voorzieningen van de bijzondere jeugdbijstand en op het zakgeld uitbetaald aan minderjarigen volgens artikel 40 van hetzelfde besluit;
- het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2008 houdende de wijze van vereffening van een vrij besteedbaar bedrag en de toekenning ervan aan de minderjarigen aan wie residentiële jeugdhulpverlening geboden wordt, ter uitvoering van een beschikking van de jeugdrechtbank of van een advies van het bureau voor bijzondere jeugdbijstand, in voorzieningen die erkend en gesubsidieerd zijn door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap;
- artikel 2 en 2bis van het ministerieel besluit van 10 september 2008 betreffende de vergoeding voor aangesloten onthaalouders en diensten voor onthaalouders;
- artikel 49sexies van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2002 betreffende de erkenning en de subsidiëring van de centra voor kinderzorg en gezinsondersteuning, ingevoegd bij het besluit van 17 december 2010;
- het zakgeld dat wordt toegekend voor minderjarigen in diensten voor gezinsondersteunende pleegzorg. ".
Art. 57. L'article 78 du décret du 23 décembre 2010 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2011, modifié par le décret du 8 juillet 2011 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2011, est remplacé par les dispositions suivantes :
" Art. 78. § 1er. Pour tous les régimes de subvention au sein du budget du domaine politique Aide sociale, Santé publique et Famille, l'augmentation en août 2010 n'est pas réglée pour tous les éléments de subvention qui ne sont pas de salaire et dont l'évolution est liée aux fluctuations de l'indice des prix qui est calculé et appliqué conformément à la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public, ou à la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
§ 2. Pour les éléments de subvention autres que les frais salariaux, qui sont lies d'une autre manière aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation, aucune indexation n'est accordée en 2011.
§ 3. Les deux paragraphes précédents ne s'appliquent pas :
- au " Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden ";
- à 'indemnité payée aux particuliers accueillant des bénéficiaires dans leur foyer, conformément aux articles 11 et 16 de l'arrêté royal du 30 mars 1973 déterminant les règles communes à suivre pour fixer les subventions journalières allouées pour l'entretien, l'éducation et le traitement des mineurs d'âge et des handicapés placés à charge des pouvoirs publics;
- à l'indemnité payée aux familles d'accueil selon l'article 39 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 juillet 1994 relatif aux conditions d'agrément et aux normes de subventionnement des structures d'assistance spéciale à la jeunesse, et à l'argent de poche payé aux mineurs selon l'article 40 du même arrêté;
- à l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juillet 2008 déterminant le mode de liquidation d'un montant librement utilisable et son octroi aux mineurs auxquels il est offert des services résidentiels de l'aide à la jeunesse, en application d'une décision du tribunal de la jeunesse ou d'un avis du bureau d'assistance spéciale à la jeunesse, dans des structures agréées et subventionnées par la " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " (Agence flamande pour les Personnes handicapées);
- aux articles 2 et 2bis de l'arrêté ministériel du 10 septembre 2008 relatif à l'indemnisation des familles d'accueil affiliées et des services pour familles d'accueil;
- à l'article 49sexies de l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er mars 2002 réglant l'agrément et le subventionnement des centres d'aide aux enfants et d'assistance des familles, inséré par l'arrêté du 17 décembre 2010;
- à l'argent de poche accordé pour des mineurs dans des services de placement familial. ".
" Art. 78. § 1er. Pour tous les régimes de subvention au sein du budget du domaine politique Aide sociale, Santé publique et Famille, l'augmentation en août 2010 n'est pas réglée pour tous les éléments de subvention qui ne sont pas de salaire et dont l'évolution est liée aux fluctuations de l'indice des prix qui est calculé et appliqué conformément à la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public, ou à la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
§ 2. Pour les éléments de subvention autres que les frais salariaux, qui sont lies d'une autre manière aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation, aucune indexation n'est accordée en 2011.
§ 3. Les deux paragraphes précédents ne s'appliquent pas :
- au " Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden ";
- à 'indemnité payée aux particuliers accueillant des bénéficiaires dans leur foyer, conformément aux articles 11 et 16 de l'arrêté royal du 30 mars 1973 déterminant les règles communes à suivre pour fixer les subventions journalières allouées pour l'entretien, l'éducation et le traitement des mineurs d'âge et des handicapés placés à charge des pouvoirs publics;
- à l'indemnité payée aux familles d'accueil selon l'article 39 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 juillet 1994 relatif aux conditions d'agrément et aux normes de subventionnement des structures d'assistance spéciale à la jeunesse, et à l'argent de poche payé aux mineurs selon l'article 40 du même arrêté;
- à l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juillet 2008 déterminant le mode de liquidation d'un montant librement utilisable et son octroi aux mineurs auxquels il est offert des services résidentiels de l'aide à la jeunesse, en application d'une décision du tribunal de la jeunesse ou d'un avis du bureau d'assistance spéciale à la jeunesse, dans des structures agréées et subventionnées par la " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " (Agence flamande pour les Personnes handicapées);
- aux articles 2 et 2bis de l'arrêté ministériel du 10 septembre 2008 relatif à l'indemnisation des familles d'accueil affiliées et des services pour familles d'accueil;
- à l'article 49sexies de l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er mars 2002 réglant l'agrément et le subventionnement des centres d'aide aux enfants et d'assistance des familles, inséré par l'arrêté du 17 décembre 2010;
- à l'argent de poche accordé pour des mineurs dans des services de placement familial. ".
HOOFDSTUK 9. - DAB Fonds ter bestrijding van de uithuiszettingen
CHAPITRE 9. - SGS Fonds pour la lutte contre les expulsions
HOOFDSTUK 10. - Vlaams Stedenfonds
CHAPITRE 10. - Vlaams Stedenfonds (Fonds flamand des Villes)
Art. 62. In artikel 2 van het decreet van 13 december 2002 tot vaststelling van de regels inzake de werking en de verdeling van het Vlaams Stedenfonds, gewijzigd bij de decreten van 19 december 2003, 24 december 2004, 20 mei 2005, 21 december 2007, 23 december 2010 en 8 juli 2011 wordt punt 2° gewijzigd als volgt :
" 2° vastleggingskrediet : het vastleggingskrediet dat jaarlijks in de begroting wordt ingeschreven en dat het bedrag bepaalt dat jaarlijks in de vorm van trekkingsrechten wordt toegekend aan de steden en de Vlaamse Gemeenschapscommissie en een subsidie bevat voor de vzw Vereniging Vlaamse Steden en Gemeenten voor de werking van een Kenniscentrum Vlaamse Steden; ".
" 2° vastleggingskrediet : het vastleggingskrediet dat jaarlijks in de begroting wordt ingeschreven en dat het bedrag bepaalt dat jaarlijks in de vorm van trekkingsrechten wordt toegekend aan de steden en de Vlaamse Gemeenschapscommissie en een subsidie bevat voor de vzw Vereniging Vlaamse Steden en Gemeenten voor de werking van een Kenniscentrum Vlaamse Steden; ".
Art. 62. A l'article 2 du décret du 13 décembre 2002 réglant le fonctionnement et la répartition du " Vlaams Stedenfonds ", modifié par les décrets des 19 décembre 2003, 24 décembre 2004, 20 mai 2005, 21 décembre 2007, 23 décembre 2010 et 8 juillet 2011, le point 2° est modifié comme suit :
" 2° Crédit d'engagement : le crédit d'engagement inscrit annuellement au budget et qui fixe le montant alloué chaque année sous forme de droits de tirage aux villes et à la " Vlaamse Gemeenschapscommissie " et qui comprend une subvention pour l'ASBL " Vereniging Vlaamse Steden en Gemeenten " pour le fonctionnement d'un " Kenniscentrum Vlaamse Steden. ".
" 2° Crédit d'engagement : le crédit d'engagement inscrit annuellement au budget et qui fixe le montant alloué chaque année sous forme de droits de tirage aux villes et à la " Vlaamse Gemeenschapscommissie " et qui comprend une subvention pour l'ASBL " Vereniging Vlaamse Steden en Gemeenten " pour le fonctionnement d'un " Kenniscentrum Vlaamse Steden. ".
Art. 63. Aan artikel 2 van hetzelfde decreet wordt een punt 5° toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 5° Kenniscentrum Vlaamse Steden : zoals beschreven in artikel 6. ".
" 5° Kenniscentrum Vlaamse Steden : zoals beschreven in artikel 6. ".
Art. 63. L'article 2 du même décret est complété par un point 5°, rédigé comme suit :
" 5° "Kenniscentrum Vlaamse Steden" (Centre de connaissance villes flamandes) : tel que décrit à l'article 6. ".
" 5° "Kenniscentrum Vlaamse Steden" (Centre de connaissance villes flamandes) : tel que décrit à l'article 6. ".
Art. 64. In artikel 5 van hetzelfde decreet wordt paragraaf 1 vervangen door wat volgt :
" § 1. Jaarlijks wordt voor het stedenfonds in de begroting van de Vlaamse Gemeenschap een vastleggingskrediet ingeschreven. Dit bedrag is minstens gelijk aan het vastleggingskrediet van vorig jaar. Vanaf 2012 wordt dit bedrag verhoogd met 126.000 euro voor de subsidiëring van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten vzw voor de werking van een Kenniscentrum Vlaamse Steden. Het vastleggingskrediet verminderd met deze voorafname van 126.000 euro wordt jaarlijks aangepast met een evolutiepercentage. Bij de vastlegging van dat bedrag wordt geen rekening gehouden met de verhoging, bedoeld in artikel 8, § 5. ".
" § 1. Jaarlijks wordt voor het stedenfonds in de begroting van de Vlaamse Gemeenschap een vastleggingskrediet ingeschreven. Dit bedrag is minstens gelijk aan het vastleggingskrediet van vorig jaar. Vanaf 2012 wordt dit bedrag verhoogd met 126.000 euro voor de subsidiëring van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten vzw voor de werking van een Kenniscentrum Vlaamse Steden. Het vastleggingskrediet verminderd met deze voorafname van 126.000 euro wordt jaarlijks aangepast met een evolutiepercentage. Bij de vastlegging van dat bedrag wordt geen rekening gehouden met de verhoging, bedoeld in artikel 8, § 5. ".
Art. 64. L'article 5, § 1er, du même décret est remplacé par la disposition suivante :
" § 1er. Annuellement, un crédit d'engagement est inscrit au budget de la Communauté flamande. Ce montant est au moins égal au crédit d'engagement de l'année précédente. A partir de 2012 ce montant est majoré de 126.000 euros pour le subventionnement de l'ASBL " Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten " pour le fonctionnement d'un " Kenniscentrum Vlaamse Steden ". Le crédit d'engagement diminué de ce prélèvement de 126.000 euros est adapté annuellement par un pourcentage d'évolution. Lors de l'engagement de ce montant, il n'est pas tenu compte de l'augmentation visée à l'article 8, § 5. " .
" § 1er. Annuellement, un crédit d'engagement est inscrit au budget de la Communauté flamande. Ce montant est au moins égal au crédit d'engagement de l'année précédente. A partir de 2012 ce montant est majoré de 126.000 euros pour le subventionnement de l'ASBL " Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten " pour le fonctionnement d'un " Kenniscentrum Vlaamse Steden ". Le crédit d'engagement diminué de ce prélèvement de 126.000 euros est adapté annuellement par un pourcentage d'évolution. Lors de l'engagement de ce montant, il n'est pas tenu compte de l'augmentation visée à l'article 8, § 5. " .
Art. 65. Artikel 6 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 6. § 1. Aan de Vereniging voor Vlaamse Steden en Gemeenten vzw wordt jaarlijks een subsidie verleend voor de werking van een kenniscentrum Vlaamse Steden voor de ondersteuning van de dertien centrumsteden en de Vlaamse Gemeenschapscommissie.
Dit kenniscentrum heeft als taak :
1° kennisverzameling en -ontsluiting : impliciete en expliciete kennis in de steden verzamelen en toegankelijk maken voor de steden;
2° kennisontwikkeling : nieuwe kennisbehoeften in de steden detecteren en kennis hierop afstemmen;
3° kennisbemiddeling : (ad-hoc-) kennisvragen over stedelijkheid voorzien van antwoorden;
4° netwerkvorming : interactie en ervaringsuitwisseling tussen de steden faciliteren en versterken;
5° beleidsbeïnvloeding : vanuit de kennis het stedenbeleid van andere overheden beïnvloeden.
Het bedrag van de subsidie wordt vastgesteld op 1 januari 2012 op 126.000 euro. De subsidie wordt ingeschreven op een aparte basisallocatie.
De subsidie wordt verleend in twee schijven : een voorschot van 90 % wordt uitbetaald na de inlevering van een goedgekeurd jaarplan, het saldo van 10 % op basis van een overkoepelend werkingsverslag en een financieel overzicht van de besteding van de middelen.
§ 2. Van het vastleggingskrediet verminderd met de voorafname voor de vzw Vereniging Vlaamse Steden en Gemeenten voor de werking van het kenniscentrum Vlaamse Steden wordt jaarlijks tien procent voorafgenomen als trekkingsrecht voor de Vlaamse Gemeenschapscommissie. ".
" Art. 6. § 1. Aan de Vereniging voor Vlaamse Steden en Gemeenten vzw wordt jaarlijks een subsidie verleend voor de werking van een kenniscentrum Vlaamse Steden voor de ondersteuning van de dertien centrumsteden en de Vlaamse Gemeenschapscommissie.
Dit kenniscentrum heeft als taak :
1° kennisverzameling en -ontsluiting : impliciete en expliciete kennis in de steden verzamelen en toegankelijk maken voor de steden;
2° kennisontwikkeling : nieuwe kennisbehoeften in de steden detecteren en kennis hierop afstemmen;
3° kennisbemiddeling : (ad-hoc-) kennisvragen over stedelijkheid voorzien van antwoorden;
4° netwerkvorming : interactie en ervaringsuitwisseling tussen de steden faciliteren en versterken;
5° beleidsbeïnvloeding : vanuit de kennis het stedenbeleid van andere overheden beïnvloeden.
Het bedrag van de subsidie wordt vastgesteld op 1 januari 2012 op 126.000 euro. De subsidie wordt ingeschreven op een aparte basisallocatie.
De subsidie wordt verleend in twee schijven : een voorschot van 90 % wordt uitbetaald na de inlevering van een goedgekeurd jaarplan, het saldo van 10 % op basis van een overkoepelend werkingsverslag en een financieel overzicht van de besteding van de middelen.
§ 2. Van het vastleggingskrediet verminderd met de voorafname voor de vzw Vereniging Vlaamse Steden en Gemeenten voor de werking van het kenniscentrum Vlaamse Steden wordt jaarlijks tien procent voorafgenomen als trekkingsrecht voor de Vlaamse Gemeenschapscommissie. ".
Art. 65. L'article 6 du même décret est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 6. § 1er. Une subvention annuelle est accordée à la " Vereniging voor Vlaamse Steden en Gemeenten " pour le fonctionnement d'un " Kenniscentrum Vlaamse Steden " pour le soutien des 13 villes centrales et la " Vlaamse Gemeenschapscommissie " (Commission communautaire flamande).
Ce centre de connaissance a pour mission :
1° Collecte et accessibilité des connaissances : collecter des connaissances implicites et explicites dans les villes et les rendre accessibles aux villes;
2° Développement de connaissances : détecter de nouveaux besoins en connaissances dans les villes et y aligner les connaissances;
3° médiation de connaissances : prévoir des réponses à des questions (ad hoc) sur les villes en matière de connaissances;
4° faciliter et renforcer l'interaction et l'échange d'expériences entre les villes;
5° Altération de la politique : partant des connaissances, influencer la politique urbaine d'autres autorités.
Le montant de la subvention est fixé au 1er janvier 2012 à 126.000 euros. La subvention est inscrite à une allocation de base distincte.
La subvention est accordée en deux tranches : une avance de 90 % est payée après la présentation d'un plan annuel approuvé, le solde de 10 % sur la base d'un rapport coordinateur d'activité et un aperçu financier contenant l'affectation des moyens.
§ 2. Annuellement dix pour cent est prélevé du crédit d'engagement diminué par le prélèvement pour l'ASBL " Vereniging Vlaamse Steden en Gemeenten " pour le fonctionnement du " Kenniscentrum Vlaamse Steden ", comme droit de tirage pour la " Vlaamse Gemeenschapscommissie. ".
" Art. 6. § 1er. Une subvention annuelle est accordée à la " Vereniging voor Vlaamse Steden en Gemeenten " pour le fonctionnement d'un " Kenniscentrum Vlaamse Steden " pour le soutien des 13 villes centrales et la " Vlaamse Gemeenschapscommissie " (Commission communautaire flamande).
Ce centre de connaissance a pour mission :
1° Collecte et accessibilité des connaissances : collecter des connaissances implicites et explicites dans les villes et les rendre accessibles aux villes;
2° Développement de connaissances : détecter de nouveaux besoins en connaissances dans les villes et y aligner les connaissances;
3° médiation de connaissances : prévoir des réponses à des questions (ad hoc) sur les villes en matière de connaissances;
4° faciliter et renforcer l'interaction et l'échange d'expériences entre les villes;
5° Altération de la politique : partant des connaissances, influencer la politique urbaine d'autres autorités.
Le montant de la subvention est fixé au 1er janvier 2012 à 126.000 euros. La subvention est inscrite à une allocation de base distincte.
La subvention est accordée en deux tranches : une avance de 90 % est payée après la présentation d'un plan annuel approuvé, le solde de 10 % sur la base d'un rapport coordinateur d'activité et un aperçu financier contenant l'affectation des moyens.
§ 2. Annuellement dix pour cent est prélevé du crédit d'engagement diminué par le prélèvement pour l'ASBL " Vereniging Vlaamse Steden en Gemeenten " pour le fonctionnement du " Kenniscentrum Vlaamse Steden ", comme droit de tirage pour la " Vlaamse Gemeenschapscommissie. ".
Art. 66. Artikel 7 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 7. Van het vastleggingskrediet, verminderd met de voorafname voor de vzw Vereniging Vlaamse Steden en Gemeenten, verminderd met de voorafname voor de Vlaamse Gemeenschapscommissie wordt jaarlijks een bedrag van 630.000 euro voorafgenomen voor vorming, sensibilisering en communicatie. Die voorafname wordt ingeschreven op twee basisallocaties in de begroting van de Vlaamse Gemeenschap (libellé communicatie, sensibilisering en Vorming Stedenbeleid en libellé ondersteuning van initiatieven in het kader van het Stedenbeleid). ".
" Art. 7. Van het vastleggingskrediet, verminderd met de voorafname voor de vzw Vereniging Vlaamse Steden en Gemeenten, verminderd met de voorafname voor de Vlaamse Gemeenschapscommissie wordt jaarlijks een bedrag van 630.000 euro voorafgenomen voor vorming, sensibilisering en communicatie. Die voorafname wordt ingeschreven op twee basisallocaties in de begroting van de Vlaamse Gemeenschap (libellé communicatie, sensibilisering en Vorming Stedenbeleid en libellé ondersteuning van initiatieven in het kader van het Stedenbeleid). ".
Art. 66. L'article 7 du même décret est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 7. Il est prélevé annuellement du crédit d'engagement, diminué par le prélèvement pour l'ASBL " Vereniging Vlaamse Steden en Gemeenten ", un montant de 630.000 euros pour la formation, la sensibilisation et la communication. Ce prélèvement est inscrit à deux allocations de base du budget de la Communauté flamande (libellé Communication, Sensibilisation et Formation Politique urbaine; et libellé Appui d'initiatives dans le cadre de la Politique urbaine). " .
" Art. 7. Il est prélevé annuellement du crédit d'engagement, diminué par le prélèvement pour l'ASBL " Vereniging Vlaamse Steden en Gemeenten ", un montant de 630.000 euros pour la formation, la sensibilisation et la communication. Ce prélèvement est inscrit à deux allocations de base du budget de la Communauté flamande (libellé Communication, Sensibilisation et Formation Politique urbaine; et libellé Appui d'initiatives dans le cadre de la Politique urbaine). " .
HOOFDSTUK 11. - Derde Arbeidscircuit
CHAPITRE 11. - Troisième circuit de travail
Art. 67. De Vlaamse Regering wordt gemachtigd om voor de bepalingen inzake het Derde Arbeidscircuit, vermeld in hoofdstuk III van het koninklijk besluit nr. 25 tot opzetting van een programma ter bevordering van de werkgelegenheid in de niet-commerciële sector, een regeling vast te leggen die de mogelijkheid voorziet om de bestaande arbeidsplaatsen te regulariseren en om de andere bestaande arbeidsplaatsen uit te laten doven op het moment dat de zittende werknemer de arbeidsplaats verlaat, met dien verstande dat vervanging van de werknemer voor beperkte duur tot en met 31 december 2014 mogelijk is, en de bepalingen nadat alle arbeidsplaatsen uitgedoofd zijn, worden opgeheven.
Art. 67. Pour les dispositions relatives au Troisième Circuit de Travail, visé au chapitre III de l'arrêté royal n° 25 créant un programme de promotion de l'emploi dans le secteur non commercial, le Gouvernement flamand est autorisé à fixer un règlement qui prévoit la possibilité de régulariser les emplois existants et de laisser éteindre les autres emplois existants au moment où l'employé en question quitte l'emploi, étant entendu que le remplacement de l'employé est possible pour une durée limitée jusqu'au 31 décembre 2014 inclus, et que les dispositions sont abrogées après que tous les emplois soient éteints.
HOOFDSTUK 12. - DAB Overheidspersoneel
CHAPITRE 12. - SGS Fonction publique
Art. 68. In artikel 78 van het decreet van 22 december 2006 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2007, gewijzigd bij de decreten van 19 december 2008 en 23 december 2010, wordt paragraaf 4 vervangen door wat volgt :
" § 4. De DAB Overheidspersoneel kan de eigen inkomsten alsook de inkomsten uit de dotatie aanwenden voor de betaling van de lonen en sociale lasten van de monitoren voor de kinderopvang van de Vlaamse overheid en voor de betaling van de lonen en sociale lasten van tijdelijke medewerkers voor de uitbouw van het personeelssysteem van de Vlaamse overheid. ".
" § 4. De DAB Overheidspersoneel kan de eigen inkomsten alsook de inkomsten uit de dotatie aanwenden voor de betaling van de lonen en sociale lasten van de monitoren voor de kinderopvang van de Vlaamse overheid en voor de betaling van de lonen en sociale lasten van tijdelijke medewerkers voor de uitbouw van het personeelssysteem van de Vlaamse overheid. ".
Art. 68. A l'article 78 du décret du 22 décembre 2006 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2007, modifié par les décrets des 19 décembre 2008 et 23 décembre 2010, le § 4 est remplacé par la disposition suivante :
" § 4. La SGS Fonction Publique peut affecter ses propres revenus ainsi que les revenus d'une dotation pour le paiement des traitements et charges sociales des moniteurs pour l'accueil d'enfants de l'Autorité flamande et pour le paiement des salaires et charges sociales des collaborateurs temporaires pour le développement du système de personnel de l'Autorité flamande. ".
" § 4. La SGS Fonction Publique peut affecter ses propres revenus ainsi que les revenus d'une dotation pour le paiement des traitements et charges sociales des moniteurs pour l'accueil d'enfants de l'Autorité flamande et pour le paiement des salaires et charges sociales des collaborateurs temporaires pour le développement du système de personnel de l'Autorité flamande. ".
HOOFDSTUK 13. - DAB Digitale Drukkerij
CHAPITRE 13. - SGS Imprimerie numérique
HOOFDSTUK 14. - IVA Stationsomgevingen
CHAPITRE 14. - AAI " Fonds Stationsomgevingen " (Fonds des Abords de gares)
Art. 70. Artikel 21 tot en met 25 van het decreet van 29 juni 2007 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2007 worden opgeheven.
De middelen, rechten en verplichtingen van het opgeheven agentschap worden overgenomen door de VVM De Lijn.
De middelen, rechten en verplichtingen van het opgeheven agentschap worden overgenomen door de VVM De Lijn.
Art. 70. Les articles 21 à 25 inclus du décret du 29 juin 2007 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2007 sont abrogés.
Les moyens, droits et obligations de l'agence suspendue sont repris par la Société flamande des Transports " De Lijn ".
Les moyens, droits et obligations de l'agence suspendue sont repris par la Société flamande des Transports " De Lijn ".
HOOFDSTUK 15. - Co-existentie van genetisch gemodificeerde maïsgewassen met conventionele maïsgewassen en biologische maïsgewassen
CHAPITRE 15. - Coexistence de cultures de maïs génétiquement modifiées et de cultures de maïs conventionnelles et de cultures de maïs biologiques
Art. 71. Artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 oktober 2010 houdende de vaststelling van specifieke maatregelen voor de co-existentie van genetisch gemodificeerde maïsgewassen met conventionele maïsgewassen en biologische maïsgewassen, dat het bedrag vastlegt van de bijdrage aan het Fonds voor Landbouw en Visserij voor de teelt van een genetisch gemodificeerd maïsgewas, wordt bekrachtigd overeenkomstig artikel 7, § 3, van het decreet van 3 april 2009 houdende de organisatie van co-existentie van genetisch gemodificeerde gewassen met conventionele gewassen en biologische gewassen.
Art. 71. L'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 octobre 2010 établissant des mesures spécifiques pour la coexistence de cultures de maïs génétiquement modifiées et de cultures de maïs conventionnelles et de cultures de maïs biologiques, fixant le montant de la contribution au Fonds pour l'Agriculture et la Pêche pour la culture de maïs génétiquement modifiée, est confirmé conformément à l'article 7, § 3, du décret du 3 avril 2009 portant l'organisation de la coexistence de cultures génétiquement modifiées et de cultures conventionnelles et biologiques.
HOOFDSTUK 16. - Restauratie O.L.Vrouwbasiliek te Scherpenheuvel-Zichem
CHAPITRE 16. - Restauration de la " O.L.Vrouwbasiliek " à Scherpenheuvel-Zichem
Art. 72. De bij besluit van de administrateur-generaal van 6 september 2007 toegekende definitieve restauratiepremie van 764.902,35 euro voor het uitvoeren van restauratiewerken aan het beschermd monument O.L.Vrouwbasiliek te Scherpenheuvel-Zichem wordt volledig uitbetaald.
Art. 72. La prime de restauration définitive de 764.902,35 euros octroyée par l'arrête de l'administrateur général du 6 septembre 2007 pour l'exécution de travaux de restauration au monument protégé " O.L.Vrouwbasiliek " à Scherpenheuvel-Zichem sont payés entièrement.
HOOFDSTUK 17. - Overdracht van familiale ondernemingen en vennootschappen
CHAPITRE 17. - Transfert d'entreprises familiales et des sociétés de famille
Afdeling 1. - Schenkingen van familiale ondernemingen en vennootschappen
Section 1re. Transfert d'entreprises familiales et des sociétés de famille
Art. 73. In het Wetboek der registratie-, hypotheek-, en griffierechten wordt titel I, hoofdstuk IV, afdeling 12, onderafdeling II, die bestaat uit de artikelen 140bis tot en met 140octies, vervangen door wat volgt :
" Onderafdeling II. - Bijzondere bepalingen voor schenkingen van ondernemingen en vennootschappen
Art. 140bis. § 1. In afwijking van artikel 131 wordt van het registratierecht vrijgesteld :
1° de schenking van de volle eigendom, de naakte eigendom of het vruchtgebruik van de activa die door de schenker, zijn echtgenoot of de met hem samenwonende beroepsmatig zijn geïnvesteerd in een familiale onderneming.
Deze vrijstelling is niet van toepassing op de overdrachten van onroerende goederen die hoofdzakelijk tot bewoning worden aangewend of zijn bestemd;
2° de schenking van de volle eigendom, de naakte eigendom of het vruchtgebruik van aandelen van een familiale vennootschap met zetel van werkelijke leiding in een van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte, op voorwaarde dat de aandelen van de vennootschap op het ogenblik van de schenking voor ten minste 50 % in volle eigendom toebehoren aan de schenker en/of zijn familie.
In afwijking van het vorige lid, dienen de aandelen van de vennootschap op het ogenblik van de schenking minstens voor 30 % in volle eigendom toe te behoren aan de schenker en/of zijn familie indien hij :
- hetzij gezamenlijk met één andere aandeelhouder en zijn familie volle eigenaar is van minstens 70 % van de aandelen van de vennootschap;
- hetzij gezamenlijk met twee andere aandeelhouders en hun familie volle eigenaar is van minstens 90 % van de aandelen van de vennootschap.
§ 2. Voor de toepassing van deze onderafdeling wordt verstaan onder :
1° familiale onderneming : een nijverheids-, handels-, ambachts-, of landbouwbedrijf of een vrij beroep, dat door de schenker of zijn echtgenoot of samenwonende, al dan niet samen met anderen, persoonlijk wordt geëxploiteerd en uitgeoefend;
2° familiale vennootschap : een vennootschap die de uitoefening van een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit, of van een vrij beroep tot doel heeft.
Indien de vennootschap aan het voorgaande niet beantwoordt, maar minstens 30 % van de aandelen houdt van minstens één directe dochtervennootschap die aan deze voorwaarde beantwoordt en die haar zetel van werkelijke leiding heeft in een van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte, wordt zij tevens beschouwd als een familiale vennootschap.
Vennootschappen die geen reële economische activiteit hebben, worden uitgesloten van de vrijstelling, vermeld in paragraaf 1. Een vennootschap wordt geacht geen reële economische activiteit te hebben indien uit de balansposten van ofwel de jaarrekening in geval van een vennootschap bedoeld onder paragraaf 2, punt 2°, eerste lid, ofwel de geconsolideerde jaarrekening in geval van een vennootschap bedoeld onder paragraaf 2, punt 2°, tweede lid, van minstens een van de drie boekjaren voorafgaand aan de datum van de authentieke akte van schenking cumulatief blijkt :
- dat de bezoldigingen, sociale lasten en pensioenen een percentage gelijk of lager dan 1,50 % uitmaken van de totale activa;
en
- de terreinen en gebouwen meer dan 50 % uitmaken van het totaal actief.
De begiftigde kan het tegenbewijs hiervan leveren;
3° aandelen :
- elk deelbewijs met stemrecht dat een deel van het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigt;
- de certificaten van aandelen, uitgereikt door rechtspersonen met een zetel in een van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte, ter vertegenwoordiging van aandelen van familiale vennootschappen die aan de gestelde voorwaarden voldoen en waarvan de rechtspersoon de verplichting heeft om de dividenden en andere vermogensvoordelen onmiddellijk en ten laatste binnen de maand door te storten aan de certificaathouder;
4° samenwonende :
1° de persoon die op de dag van de schenking, overeenkomstig de bepalingen van boek III, titel Vbis, van het Burgerlijk Wetboek met de schenker wettelijk samenwoont;
2° de persoon of de personen die op de dag van de schenking ten minste drie jaar ononderbroken met de schenker samenwonen en er een gemeenschappelijke huishouding mee voeren. Deze voorwaarden worden geacht ook vervuld te zijn indien het samenwonen en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding met de schenker aansluitend op de bedoelde periode van drie jaar tot op de dag van de schenking, ingevolge overmacht onmogelijk is geworden. Een uittreksel uit het bevolkingsregister houdt een weerlegbaar vermoeden in van ononderbroken samenwoning en van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding;
5° familie van de schenker of de aandeelhouder, waarvan sprake in paragraaf 1, punt 2° :
1° de echtgenoot of samenwonende van de schenker of aandeelhouder;
2° de verwanten in rechte lijn van de schenker of aandeelhouder alsook hun echtgenoten of samenwonenden;
3° zijverwanten van de schenker of aandeelhouder tot en met de tweede graad en hun echtgenoten of samenwonenden;
4° kinderen van vooroverleden broers en zusters van de schenker of aandeelhouder.
§ 3. Ingeval een vennootschap overeenkomstig paragraaf 2, punt 2°, tweede lid, als een familiale vennootschap wordt beschouwd, wordt de vrijstelling beperkt tot de waarden van de aandelen van de vennootschap in de dochtervennootschappen die de uitoefening van een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit, of van een vrij beroep tot doel en die hun zetel van werkelijke leiding in een van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte hebben.
Art. 140ter. Artikel 140bis is slechts toepasselijk wanneer de volgende voorwaarden cumulatief zijn vervuld :
1° de schenking van de activa of aandelen van de familiale onderneming of vennootschap wordt vastgesteld bij authentieke akte;
2° in de akte of in een vermelding onder aan de akte, verklaren de begiftigden dat zij aanspraak wensen te maken op de vrijstelling en verklaren de partijen dat de voorwaarden voor de toepassing van de vrijstelling uit artikel 140bis vervuld zijn. In geval de schenking ook andere goederen omvat dan die waarvan sprake in artikel 140bis, § 1, dienen de partijen daarbij nader aan te geven welke van de geschonken goederen deel uitmaken van de familiale onderneming of van het aandelenpakket van de familiale vennootschap;
3° bij de akte wordt een origineel attest gevoegd dat werd uitgereikt door de door de Vlaamse Regering gemachtigde ambtenaren van de Vlaamse Belastingdienst en waaruit blijkt dat aan de voorwaarden vermeld in artikel 140bis werd voldaan. Indien dit attest niet wordt ingediend voordat de rechten opeisbaar zijn, moeten deze, tegen het normale tarief berekend, binnen de wettelijke termijn betaald worden, onverminderd de toepassing van artikel 209.
Art. 140quater. De bij artikel 140bis, § 1, 1°, bepaalde vrijstelling wordt behouden, mits aan volgende cumulatief te vervullen voorwaarden is voldaan :
1° indien de activiteit van de familiale onderneming zonder onderbreking wordt voortgezet gedurende drie jaar te rekenen van de datum van de authentieke akte van schenking;
2° indien en in de mate dat de onroerende goederen die met toepassing van de vrijstelling werden overgedragen, niet hoofdzakelijk tot bewoning aangewend of bestemd worden gedurende een periode van drie jaar te rekenen van de datum van de authentieke akte van schenking;
De bij artikel 140bis, § 1, 2°, bepaalde vrijstelling wordt alleen behouden, mits aan volgende cumulatief te vervullen voorwaarden is voldaan :
1° indien de familiale vennootschap gedurende drie jaar te rekenen van de datum van de authentieke akte van schenking blijft voldoen aan de voorwaarden gesteld in artikel 140bis, § 2, 2° ;
2° indien de activiteit van de familiale vennootschap zonder onderbreking wordt voortgezet gedurende drie jaar te rekenen van de datum van de authentieke akte van schenking en er voor elk van de drie jaren een jaarrekening of geconsolideerde jaarrekening wordt opgemaakt en in voorkomend geval wordt gepubliceerd overeenkomstig de vigerende boekhoudwetgeving van de lidstaat waar de maatschappelijke zetel gevestigd is op het ogenblik van de datum van de authentieke akte van schenking, welke tevens aangewend werd ter verantwoording van de aangifte in de inkomstenbelasting.
Ondernemingen of vennootschappen waarvan de maatschappelijke zetel gelegen is buiten het Vlaamse Gewest, maar binnen België moeten een jaarrekening of geconsolideerde jaarrekening opmaken en in voorkomend geval publiceren overeenkomstig de vigerende boekhoudwetgeving in België op de datum van de authentieke akte van schenking;
3° indien het kapitaal gedurende de drie jaar te rekenen van de datum van de authentieke akte van schenking niet daalt door uitkeringen of terugbetalingen.
Indien het kapitaal daalt door uitkeringen of terugbetalingen in de drie jaar na de datum van de authentieke akte van schenking wordt evenredig het normaal tarief verschuldigd;
4° indien de zetel van werkelijke leiding van de vennootschap niet wordt overgebracht naar een staat die geen lid is van de Europees Economische Ruimte gedurende drie jaar te rekenen van de datum van de authentieke akte van schenking.
Art. 140quinquies. § 1. De begiftigde die het voordeel van artikel 140bis wenst te genieten, richt bij schrijven een verzoek tot de door de Vlaamse Regering gemachtigde ambtenaren van de Vlaamse Belastingdienst tot het bekomen van het in artikel 140ter, 3°, bedoelde attest. Dit verzoek is vergezeld van alle bewijskrachtige gegevens waaruit blijkt dat voldaan is aan de gestelde voorwaarden. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden en modaliteiten waaronder een attest, bedoeld in artikel 140ter, 3°, aangevraagd en verstrekt wordt.
§ 2. De door de Vlaamse Regering gemachtigde ambtenaren van de Vlaamse Belastingdienst leveren aan de bevoegde ontvanger een nieuw attest af wanneer zij kennis krijgen of vaststellen dat aan de voorwaarden voor het behoud van de vrijstelling niet meer is voldaan.
Art. 140sexies. § 1. Na verloop van een termijn van drie jaar na de datum van de authentieke akte van schenking controleren de door de Vlaamse Regering gemachtigde ambtenaren van de Vlaamse Belastingdienst of de voorwaarden, gesteld voor het behoud van de vrijstelling, vervuld zijn.
Bij niet-vervulling van de voorwaarden zoals bedoeld in het vorige lid, worden de rechten geacht verschuldigd te zijn berekend tegen het gewone tarief.
§ 2. Indien gewone rechten verschuldigd worden doordat de voorwaarden, gesteld tot behoud van de vrijstelling, niet langer vervuld zijn, kunnen de begiftigden dit melden bij de door de Vlaamse Regering gemachtigde ambtenaren van de Vlaamse Belastingdienst. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden en modaliteiten aangaande deze melding.
Bij niet-vervulling van de voorwaarden zoals bedoeld in het vorige lid, worden de rechten geacht verschuldigd te zijn berekend tegen het gewone tarief.
Art. 140septies. De door de Vlaamse Regering gemachtigde ambtenaren van de Vlaamse Belastingdienst kunnen, zonder verplaatsing, aan de begiftigden de nodige inlichtingen, evenals inzage vragen van de nodige stukken, teneinde te kunnen controleren of aan de voorwaarden gesteld in deze onderafdeling is voldaan.
Indien de inlichtingen of de stukken waarvan sprake in het eerste lid niet worden meegedeeld binnen een termijn van twee maanden te rekenen van de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het verzoek, vervalt het recht op de vrijstelling waarvan sprake in deze onderafdeling.
Indien de vrijstelling overeenkomstig het tweede lid vervalt, worden de rechten geacht verschuldigd te zijn berekend tegen het gewone tarief, zonder toepassing van de vrijstelling.
Art. 140octies. Tegen de beslissing waarbij de aflevering van een attest, als bedoeld in artikel 140quinquies, § 1, wordt geweigerd, of een attest als bedoeld in artikel 140quinquies, § 2, wordt afgeleverd, kunnen de begiftigden bezwaar aantekenen bij de door de Vlaamse Regering gemachtigde ambtenaren van de Vlaamse Belastingdienst. Dat gemotiveerd bezwaar moet worden ingediend per brief uiterlijk drie maanden te rekenen van de derde werkdag volgend op de datum van verzending van de administratieve beslissing waarbij de attestaanvraag werd afgewezen of waarbij mededeling wordt gedaan van het verval van de vrijstelling wegens het niet voldoen aan de voorwaarden voor behoud ervan.
De door de Vlaamse Regering gemachtigde ambtenaren van de Vlaamse Belastingdienst bevestigen per brief de ontvangst van het bezwaarschrift aan de indieners en sturen tezelfdertijd, eveneens per brief, een kopie van het bezwaarschrift aan de ontvanger van het kantoor waar de authentieke akte van schenking wordt of werd geregistreerd.
Uiterlijk vier maanden na de in het vorige lid bedoelde datum van ontvangst van het bezwaarschrift, zenden de door de Vlaamse Regering gemachtigde ambtenaren van de Vlaamse Belastingdienst per brief hun gemotiveerde beslissing over het bezwaarschrift aan de verzoekers en tezelfdertijd aan de ontvanger van het kantoor waar de authentieke akte van schenking wordt of werd geregistreerd. Bij gebreke van kennisgeving van de gemotiveerde beslissing binnen de gestelde termijn wordt het bezwaarschrift geacht te zijn ingewilligd. ".
" Onderafdeling II. - Bijzondere bepalingen voor schenkingen van ondernemingen en vennootschappen
Art. 140bis. § 1. In afwijking van artikel 131 wordt van het registratierecht vrijgesteld :
1° de schenking van de volle eigendom, de naakte eigendom of het vruchtgebruik van de activa die door de schenker, zijn echtgenoot of de met hem samenwonende beroepsmatig zijn geïnvesteerd in een familiale onderneming.
Deze vrijstelling is niet van toepassing op de overdrachten van onroerende goederen die hoofdzakelijk tot bewoning worden aangewend of zijn bestemd;
2° de schenking van de volle eigendom, de naakte eigendom of het vruchtgebruik van aandelen van een familiale vennootschap met zetel van werkelijke leiding in een van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte, op voorwaarde dat de aandelen van de vennootschap op het ogenblik van de schenking voor ten minste 50 % in volle eigendom toebehoren aan de schenker en/of zijn familie.
In afwijking van het vorige lid, dienen de aandelen van de vennootschap op het ogenblik van de schenking minstens voor 30 % in volle eigendom toe te behoren aan de schenker en/of zijn familie indien hij :
- hetzij gezamenlijk met één andere aandeelhouder en zijn familie volle eigenaar is van minstens 70 % van de aandelen van de vennootschap;
- hetzij gezamenlijk met twee andere aandeelhouders en hun familie volle eigenaar is van minstens 90 % van de aandelen van de vennootschap.
§ 2. Voor de toepassing van deze onderafdeling wordt verstaan onder :
1° familiale onderneming : een nijverheids-, handels-, ambachts-, of landbouwbedrijf of een vrij beroep, dat door de schenker of zijn echtgenoot of samenwonende, al dan niet samen met anderen, persoonlijk wordt geëxploiteerd en uitgeoefend;
2° familiale vennootschap : een vennootschap die de uitoefening van een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit, of van een vrij beroep tot doel heeft.
Indien de vennootschap aan het voorgaande niet beantwoordt, maar minstens 30 % van de aandelen houdt van minstens één directe dochtervennootschap die aan deze voorwaarde beantwoordt en die haar zetel van werkelijke leiding heeft in een van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte, wordt zij tevens beschouwd als een familiale vennootschap.
Vennootschappen die geen reële economische activiteit hebben, worden uitgesloten van de vrijstelling, vermeld in paragraaf 1. Een vennootschap wordt geacht geen reële economische activiteit te hebben indien uit de balansposten van ofwel de jaarrekening in geval van een vennootschap bedoeld onder paragraaf 2, punt 2°, eerste lid, ofwel de geconsolideerde jaarrekening in geval van een vennootschap bedoeld onder paragraaf 2, punt 2°, tweede lid, van minstens een van de drie boekjaren voorafgaand aan de datum van de authentieke akte van schenking cumulatief blijkt :
- dat de bezoldigingen, sociale lasten en pensioenen een percentage gelijk of lager dan 1,50 % uitmaken van de totale activa;
en
- de terreinen en gebouwen meer dan 50 % uitmaken van het totaal actief.
De begiftigde kan het tegenbewijs hiervan leveren;
3° aandelen :
- elk deelbewijs met stemrecht dat een deel van het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigt;
- de certificaten van aandelen, uitgereikt door rechtspersonen met een zetel in een van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte, ter vertegenwoordiging van aandelen van familiale vennootschappen die aan de gestelde voorwaarden voldoen en waarvan de rechtspersoon de verplichting heeft om de dividenden en andere vermogensvoordelen onmiddellijk en ten laatste binnen de maand door te storten aan de certificaathouder;
4° samenwonende :
1° de persoon die op de dag van de schenking, overeenkomstig de bepalingen van boek III, titel Vbis, van het Burgerlijk Wetboek met de schenker wettelijk samenwoont;
2° de persoon of de personen die op de dag van de schenking ten minste drie jaar ononderbroken met de schenker samenwonen en er een gemeenschappelijke huishouding mee voeren. Deze voorwaarden worden geacht ook vervuld te zijn indien het samenwonen en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding met de schenker aansluitend op de bedoelde periode van drie jaar tot op de dag van de schenking, ingevolge overmacht onmogelijk is geworden. Een uittreksel uit het bevolkingsregister houdt een weerlegbaar vermoeden in van ononderbroken samenwoning en van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding;
5° familie van de schenker of de aandeelhouder, waarvan sprake in paragraaf 1, punt 2° :
1° de echtgenoot of samenwonende van de schenker of aandeelhouder;
2° de verwanten in rechte lijn van de schenker of aandeelhouder alsook hun echtgenoten of samenwonenden;
3° zijverwanten van de schenker of aandeelhouder tot en met de tweede graad en hun echtgenoten of samenwonenden;
4° kinderen van vooroverleden broers en zusters van de schenker of aandeelhouder.
§ 3. Ingeval een vennootschap overeenkomstig paragraaf 2, punt 2°, tweede lid, als een familiale vennootschap wordt beschouwd, wordt de vrijstelling beperkt tot de waarden van de aandelen van de vennootschap in de dochtervennootschappen die de uitoefening van een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit, of van een vrij beroep tot doel en die hun zetel van werkelijke leiding in een van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte hebben.
Art. 140ter. Artikel 140bis is slechts toepasselijk wanneer de volgende voorwaarden cumulatief zijn vervuld :
1° de schenking van de activa of aandelen van de familiale onderneming of vennootschap wordt vastgesteld bij authentieke akte;
2° in de akte of in een vermelding onder aan de akte, verklaren de begiftigden dat zij aanspraak wensen te maken op de vrijstelling en verklaren de partijen dat de voorwaarden voor de toepassing van de vrijstelling uit artikel 140bis vervuld zijn. In geval de schenking ook andere goederen omvat dan die waarvan sprake in artikel 140bis, § 1, dienen de partijen daarbij nader aan te geven welke van de geschonken goederen deel uitmaken van de familiale onderneming of van het aandelenpakket van de familiale vennootschap;
3° bij de akte wordt een origineel attest gevoegd dat werd uitgereikt door de door de Vlaamse Regering gemachtigde ambtenaren van de Vlaamse Belastingdienst en waaruit blijkt dat aan de voorwaarden vermeld in artikel 140bis werd voldaan. Indien dit attest niet wordt ingediend voordat de rechten opeisbaar zijn, moeten deze, tegen het normale tarief berekend, binnen de wettelijke termijn betaald worden, onverminderd de toepassing van artikel 209.
Art. 140quater. De bij artikel 140bis, § 1, 1°, bepaalde vrijstelling wordt behouden, mits aan volgende cumulatief te vervullen voorwaarden is voldaan :
1° indien de activiteit van de familiale onderneming zonder onderbreking wordt voortgezet gedurende drie jaar te rekenen van de datum van de authentieke akte van schenking;
2° indien en in de mate dat de onroerende goederen die met toepassing van de vrijstelling werden overgedragen, niet hoofdzakelijk tot bewoning aangewend of bestemd worden gedurende een periode van drie jaar te rekenen van de datum van de authentieke akte van schenking;
De bij artikel 140bis, § 1, 2°, bepaalde vrijstelling wordt alleen behouden, mits aan volgende cumulatief te vervullen voorwaarden is voldaan :
1° indien de familiale vennootschap gedurende drie jaar te rekenen van de datum van de authentieke akte van schenking blijft voldoen aan de voorwaarden gesteld in artikel 140bis, § 2, 2° ;
2° indien de activiteit van de familiale vennootschap zonder onderbreking wordt voortgezet gedurende drie jaar te rekenen van de datum van de authentieke akte van schenking en er voor elk van de drie jaren een jaarrekening of geconsolideerde jaarrekening wordt opgemaakt en in voorkomend geval wordt gepubliceerd overeenkomstig de vigerende boekhoudwetgeving van de lidstaat waar de maatschappelijke zetel gevestigd is op het ogenblik van de datum van de authentieke akte van schenking, welke tevens aangewend werd ter verantwoording van de aangifte in de inkomstenbelasting.
Ondernemingen of vennootschappen waarvan de maatschappelijke zetel gelegen is buiten het Vlaamse Gewest, maar binnen België moeten een jaarrekening of geconsolideerde jaarrekening opmaken en in voorkomend geval publiceren overeenkomstig de vigerende boekhoudwetgeving in België op de datum van de authentieke akte van schenking;
3° indien het kapitaal gedurende de drie jaar te rekenen van de datum van de authentieke akte van schenking niet daalt door uitkeringen of terugbetalingen.
Indien het kapitaal daalt door uitkeringen of terugbetalingen in de drie jaar na de datum van de authentieke akte van schenking wordt evenredig het normaal tarief verschuldigd;
4° indien de zetel van werkelijke leiding van de vennootschap niet wordt overgebracht naar een staat die geen lid is van de Europees Economische Ruimte gedurende drie jaar te rekenen van de datum van de authentieke akte van schenking.
Art. 140quinquies. § 1. De begiftigde die het voordeel van artikel 140bis wenst te genieten, richt bij schrijven een verzoek tot de door de Vlaamse Regering gemachtigde ambtenaren van de Vlaamse Belastingdienst tot het bekomen van het in artikel 140ter, 3°, bedoelde attest. Dit verzoek is vergezeld van alle bewijskrachtige gegevens waaruit blijkt dat voldaan is aan de gestelde voorwaarden. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden en modaliteiten waaronder een attest, bedoeld in artikel 140ter, 3°, aangevraagd en verstrekt wordt.
§ 2. De door de Vlaamse Regering gemachtigde ambtenaren van de Vlaamse Belastingdienst leveren aan de bevoegde ontvanger een nieuw attest af wanneer zij kennis krijgen of vaststellen dat aan de voorwaarden voor het behoud van de vrijstelling niet meer is voldaan.
Art. 140sexies. § 1. Na verloop van een termijn van drie jaar na de datum van de authentieke akte van schenking controleren de door de Vlaamse Regering gemachtigde ambtenaren van de Vlaamse Belastingdienst of de voorwaarden, gesteld voor het behoud van de vrijstelling, vervuld zijn.
Bij niet-vervulling van de voorwaarden zoals bedoeld in het vorige lid, worden de rechten geacht verschuldigd te zijn berekend tegen het gewone tarief.
§ 2. Indien gewone rechten verschuldigd worden doordat de voorwaarden, gesteld tot behoud van de vrijstelling, niet langer vervuld zijn, kunnen de begiftigden dit melden bij de door de Vlaamse Regering gemachtigde ambtenaren van de Vlaamse Belastingdienst. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden en modaliteiten aangaande deze melding.
Bij niet-vervulling van de voorwaarden zoals bedoeld in het vorige lid, worden de rechten geacht verschuldigd te zijn berekend tegen het gewone tarief.
Art. 140septies. De door de Vlaamse Regering gemachtigde ambtenaren van de Vlaamse Belastingdienst kunnen, zonder verplaatsing, aan de begiftigden de nodige inlichtingen, evenals inzage vragen van de nodige stukken, teneinde te kunnen controleren of aan de voorwaarden gesteld in deze onderafdeling is voldaan.
Indien de inlichtingen of de stukken waarvan sprake in het eerste lid niet worden meegedeeld binnen een termijn van twee maanden te rekenen van de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het verzoek, vervalt het recht op de vrijstelling waarvan sprake in deze onderafdeling.
Indien de vrijstelling overeenkomstig het tweede lid vervalt, worden de rechten geacht verschuldigd te zijn berekend tegen het gewone tarief, zonder toepassing van de vrijstelling.
Art. 140octies. Tegen de beslissing waarbij de aflevering van een attest, als bedoeld in artikel 140quinquies, § 1, wordt geweigerd, of een attest als bedoeld in artikel 140quinquies, § 2, wordt afgeleverd, kunnen de begiftigden bezwaar aantekenen bij de door de Vlaamse Regering gemachtigde ambtenaren van de Vlaamse Belastingdienst. Dat gemotiveerd bezwaar moet worden ingediend per brief uiterlijk drie maanden te rekenen van de derde werkdag volgend op de datum van verzending van de administratieve beslissing waarbij de attestaanvraag werd afgewezen of waarbij mededeling wordt gedaan van het verval van de vrijstelling wegens het niet voldoen aan de voorwaarden voor behoud ervan.
De door de Vlaamse Regering gemachtigde ambtenaren van de Vlaamse Belastingdienst bevestigen per brief de ontvangst van het bezwaarschrift aan de indieners en sturen tezelfdertijd, eveneens per brief, een kopie van het bezwaarschrift aan de ontvanger van het kantoor waar de authentieke akte van schenking wordt of werd geregistreerd.
Uiterlijk vier maanden na de in het vorige lid bedoelde datum van ontvangst van het bezwaarschrift, zenden de door de Vlaamse Regering gemachtigde ambtenaren van de Vlaamse Belastingdienst per brief hun gemotiveerde beslissing over het bezwaarschrift aan de verzoekers en tezelfdertijd aan de ontvanger van het kantoor waar de authentieke akte van schenking wordt of werd geregistreerd. Bij gebreke van kennisgeving van de gemotiveerde beslissing binnen de gestelde termijn wordt het bezwaarschrift geacht te zijn ingewilligd. ".
Art. 73. Au Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, le Titre Ier, Chapitre IV, Section 12, Sous-section II, comportant les articles 140bis au 140octies inclus, est remplacé par les dispositions suivantes :
" Sous-section II. - Dispositions particulières pour des donations d'entreprises et de sociétés
Art. 140bis. § 1er. Par dérogation à l'article 131, sont exemptés du droit de l'enregistrement :
1° la donation de la pleine propriété, la nue-propriété ou l'usufruit des actifs qui sont investies par le donateur, son conjoint ou le partenaire cohabitant, sont investis dans une entreprise familiale.
Cette exemption n'est pas applicable aux transmissions de biens immeubles affectés ou destinés principalement à l'habitation;
2° la donation de la pleine propriété, de l'usufruit ou l'usufruit des actions d'une entreprise familiale dont le siège de direction effective est situé dans l'un des Etats membres de l'Espace Economique Européen, à conditions que les actions de la société au moment de la donation appartiennent pour au moins 50 % en pleine propriété au donateur et/ou à sa famille.
Par dérogation à l'alinéa précédent, les actions de la société doivent appartenir au moment de la donation pour au moins 30 % au donateur et/ou à sa famille s'il est :
- soit le propriétaire à part entière d'au moins 70 % des actions de la société ensemble avec 1 autre actionnaire et sa famille;
- soit le propriétaire à part entière d'au moins 90 % des actions de la société ensemble avec deux autres actionnaires et leur famille.
§ 2. Pour l'application de la présente sous-section, on entend par :
1° Entreprise familiale : une entreprise industrielle, commerciale, artisanale ou agricole ou une profession libérale, qui est exploitée et exécutée personnellement par le donateur ou son conjoint ou partenaire cohabitant, en collaboration ou non avec d'autres personnes;
2° Société de famille : une société ayant pour but l'exercice d'une activité industrielle, commerciale, artisanale ou agricole, ou d'une profession libérale.
Si la société ne répond pas aux exigences précédentes, mais détient au moins 30 % des actions d'au moins 1 filiale directe qui répond à ces conditions et ayant son siège de direction effective dans l'un des Etats membres de l'Espace économique européen, elle est également considérée comme une société de famille.
Les sociétés qui n'ont pas d'activité économique réelle, sont exclues de l'exemption, visée au paragraphe 1er. Une société est censée ne pas avoir d'activité économique réelle lorsqu'il ressort de façon cumulative des postes du bilan soit des comptes annuels dans le cas d'une société visée au § 2, point 2°, alinéa premier, soit des comptes annuels consolidés dans le cas d'une société visée au § 2, point 2°, alinéa deux, d'au moins un des trois exercices précédant la date de l'acte authentique de donation :
- que les rémunérations, charges sociales et pensions représentent un pourcentage égal ou inférieur à 1,50 % des actifs totaux;
et
- que les terrains et bâtiments représentent plus de 50 % des actifs totaux.
Le bénéficiaire peut fournir la preuve du contraire;
3° actions :
- chaque part avec droit de vote représentant une partie du capital social;
- les certificats d'actions délivrés par des personnes morales ayant leur siège dans l'un des Etats membres de l'Espace économique européen, à titre de représentation d'actions de sociétés familiales qui remplissent les conditions posées et dont la personne morale a l'obligation de transmettre sans délai et au plus tard dans le mois, les dividendes et autres plus-values au porteur du certificat;
4° partenaire cohabitant :
1° la personne qui, le jour de la donation, se trouve en situation de cohabitation légale avec le donateur au sens du titre Vbis du livre III du Code civil;
2° la personne ou les personnes qui, le jour de la donation, cohabitent au moins pendant trois ans de façon ininterrompue avec le donateur, vivant en ménage commun. Ces conditions sont censées être remplies également si la cohabitation et la vie en ménage commun avec le donateur consécutivement à la période susvisée de trois ans jusqu'au jour de la donation, sont devenues impossible par force majeure. Un extrait du registre de la population constitue une présomption réfutable de cohabitation ininterrompue et de vie en ménage commun;
5° Famille du donateur ou de l'actionnaire, dont il est question au § 1er, point 2° :
1° le conjoint ou le partenaire cohabitant du donateur ou de l'actionnaire;
2° les alliés en ligne directe du donateur ou de l'actionnaire ainsi que leurs conjoints ou partenaires cohabitants;
3° les parents latéraux du donateur ou de l'actionnaire jusqu'au deuxième degré et leurs conjoints ou partenaires cohabitants;
4° enfants de frères et soeurs du donateur ou de l'actionnaire décédés antérieurement.
§ 3. Au cas où une société est considérée, conformément au § 2, point 2°, alinéa deux, comme une société familiale, l'exemption est limitée aux valeurs des actions de la société dans les filiales directes ayant pour but l'exercice d'une activité industrielle, commerciale, artisanale ou agricole, ou d'une profession libérale et ayant leur siège de direction effective dans l'un des Etats membres de l'Espace économique européen.
" Article 140ter. L'article 140bis n'est applicable que si les conditions suivantes sont remplies de manière cumulative :
1° La donation des actifs ou actions de la société de famille ou de société est fixée par acte authentique;
2° Les donataires déclarent dans l'acte ou dans une mention en bas de l'acte, qu'ils souhaitent prétendre à l'exemption et déclarent aux parties qu'il a été satisfait aux conditions pour l'application de l'exemption de l'article 140bis. Au cas où la donation comprend également d'autres biens que ceux mentionnés à l'article 140bis, § 1er, les parties sont tenues de préciser les biens transmis qui font partie de la société de famille ou du paquet d'actions de la société de famille;
3° Une attestation originale est jointe à l'acte, délivrée par les fonctionnaires de l'agence "Vlaamse Belastingdienst" autorisés par le Gouvernement flamand et certifiant qu'il a été satisfait aux conditions visées à l'article 140bis. Si cette attestation n'est pas introduite avant que les droits soient exigibles, ceux-ci doivent être payés, calculés au tarif normal, sans préjudice de l'application de l'article 209.
Art. 140quater. L'exonération visée à l'article 140bis, § 1er, 1°, est maintenue s'il est satisfait de manière cumulative aux conditions suivantes :
1° si l'activité de la société de famille est poursuivie pendant une durée ininterrompue de 3 ans à compter de la date de l'acte authentique de donation;
2° si et dans la mesure où les biens immeubles transmis en application de l'exonération, ne sont pas affectés ni destinés partiellement ou totalement à l'habitation pendant une durée ininterrompue de 3 ans à compter de la date de l'acte authentique de donation;
L'exonération visée à l'article 140bis, § 1er, 2°, n'est maintenue que s'il est satisfait de manière cumulative aux conditions suivantes :
1° si la société de famille continue à répondre, pendant une durée de 3 ans à compter de la date de l'acte authentique de donation aux conditions visées à l'article 140bis, § 2, 2° ;
2° si l'activité de la société de famille est poursuivie pendant une durée ininterrompue de 3 ans à compter de la date de l'acte authentique de donation et si un compte annuel ou un compte annuel consolidé est établi pour chaque des 3 ans et, le cas échéant, est publié conformément à la législation comptable en vigueur de l'Etat membre dans lequel est situé le siège social au moment de la date de l'acte authentique de donation, qui a également été affecté en responsabilité de la déclaration de l'impôt sur les revenus.
Des entreprises ou des sociétés dont le siège social est situé en dehors de la Région flamande, mais en Belgique, doivent établir un compte annuel ou un compte annuel consolidé et, le cas échéant, publier conformément à la législation comptable en vigueur en Belgique à la date de l'acte authentique de donation;
3° Si le capital ne diminue pas pendant les 3 ans à compter de la date de l'acte authentique de donation par des allocations ou des remboursements.
Si le capital diminue par des allocations ou remboursements dans les 3 ans suivant la date de l'acte authentique de donation, le tarif normal est dû proportionnellement;
4° Si le siège de direction effective de la société n'est pas transféré dans un Etat non membre de l'Espace économique européen pendant 3 ans à compter de la date de l'acte authentique de la donation.
Art. 140quinquies. § 1er. Le bénéficiaire qui souhaite obtenir le bénéfice de l'article 140bis, adresse une demande aux fonctionnaires autorisés de l'agence " Vlaamse Belastingdienst ", afin d'obtenir l'attestation visée à l'article 140ter, 3°. Cette demande est jointe de toutes les données faisant foi de preuve certifiant qu'il a été satisfait aux conditions posées. Le Gouvernement flamand détermine les conditions et les modalités dans lesquelles une attestation, visée à l'article 140ter, 3°, est demandée et délivrée.
§ 2. Les fonctionnaires de l'agence "Vlaamse Belastingdienst" autorisés par le Gouvernement flamand délivrent une nouvelle attestation au receveur compétent lorsqu'ils prennent connaissance ou constatent qu'il n'est plus satisfait aux conditions pour le maintien de l'exemption.
Art. 140sexies. § 1er. Après l'expiration d'un délai de 3 ans après la date de l'acte authentique de donation, les fonctionnaires autorisés par le Gouvernement flamand vérifient si les conditions, posées pour le maintien de l'exemption, ont été remplies.
En cas de non respect des conditions tel que visé à l'alinéa précédent, les droits qui sont censés être dus, sont calculés au tarif ordinaire.
§ 2. Si des droits ordinaires sont dus parce que les conditions, posées en vue du maintien de l'exemption, ne sont plus satisfaites, les bénéficiaires peuvent en notifier les fonctionnaires de l'agence " Vlaamse Belastingdienst ", autorisés par le Gouvernement flamand. Le Gouvernement flamand arrête les conditions et les modalités de cette notification.
En cas de non respect des conditions tel que visé à l'alinéa précédent, les droits qui sont censés être dus, sont calculés au tarif ordinaire.
Art. 140septies. Les fonctionnaires de l'agence " Vlaamse Belastingdienst ", autorisés par le Gouvernement flamand peuvent, sans déplacement, demander les renseignements nécessaires aux bénéficiaires, ils peuvent également demander de pouvoir consulter les pièces nécessaires, afin de pouvoir vérifier si les conditions, posées dans la présente sous-section, ont été remplies.
Si les renseignements ou les pièces en question ne sont pas communiqués dans un délai de 2 mois à compter du troisième jour ouvrable suivant la date de l'envoi de la demande, le droit à l'exemption dont il est question dans la présente sous-section, échoit.
Si la réduction échoit conformément à l'alinéa deux, les droits qui sont censés être dus, sont calculés au tarif proportionnel, sans application de l'exemption.
Art. 140octies. Les bénéficiaires peuvent introduire un recours auprès des fonctionnaires de l'agence " Vlaamse Belastingdienst ", autorisés par le Gouvernement flamand, contre la décision par laquelle la délivrance d'une attestation, telle que visée à l'article 14quinquies, § 1er, d'une attestation telle que visée à l'article 140quinquies, § 2, est refusée Ce recours motivé doit être introduit par lettre au plus tard dans les trois mois à compter du troisième jour ouvrable suivant la date d'envoi de la décision administrative par laquelle la demande d'attestation est rejetée ou par laquelle la notification de déchéance est faite, à cause de la non-conformité aux conditions requises pour le maintien.
Les fonctionnaires de l'agence " Vlaamse Belastingdienst " autorisés par le Gouvernement flamand confirment la réception du recours par lettre aux personnes introduisant le recours et envoient, également par lettre, une copie du recours au receveur du bureau où est ou a été enregistré l'acte authentique de donation.
Au plus tard quatre mois après la date de notification de la réception du recours, visée à l'alinéa précédent, les fonctionnaires de l'agence " Vlaamse Belastingdienst " autorisés par le Gouvernement flamand envoient leur décision motivée sur le recours, aux demandeurs et en même temps au receveur du bureau où l'acte authentique de donation est ou a été enregistré. Faute de notification de la décision motivée dans le délai imparti, le recours est censé être accepté. ".
" Sous-section II. - Dispositions particulières pour des donations d'entreprises et de sociétés
Art. 140bis. § 1er. Par dérogation à l'article 131, sont exemptés du droit de l'enregistrement :
1° la donation de la pleine propriété, la nue-propriété ou l'usufruit des actifs qui sont investies par le donateur, son conjoint ou le partenaire cohabitant, sont investis dans une entreprise familiale.
Cette exemption n'est pas applicable aux transmissions de biens immeubles affectés ou destinés principalement à l'habitation;
2° la donation de la pleine propriété, de l'usufruit ou l'usufruit des actions d'une entreprise familiale dont le siège de direction effective est situé dans l'un des Etats membres de l'Espace Economique Européen, à conditions que les actions de la société au moment de la donation appartiennent pour au moins 50 % en pleine propriété au donateur et/ou à sa famille.
Par dérogation à l'alinéa précédent, les actions de la société doivent appartenir au moment de la donation pour au moins 30 % au donateur et/ou à sa famille s'il est :
- soit le propriétaire à part entière d'au moins 70 % des actions de la société ensemble avec 1 autre actionnaire et sa famille;
- soit le propriétaire à part entière d'au moins 90 % des actions de la société ensemble avec deux autres actionnaires et leur famille.
§ 2. Pour l'application de la présente sous-section, on entend par :
1° Entreprise familiale : une entreprise industrielle, commerciale, artisanale ou agricole ou une profession libérale, qui est exploitée et exécutée personnellement par le donateur ou son conjoint ou partenaire cohabitant, en collaboration ou non avec d'autres personnes;
2° Société de famille : une société ayant pour but l'exercice d'une activité industrielle, commerciale, artisanale ou agricole, ou d'une profession libérale.
Si la société ne répond pas aux exigences précédentes, mais détient au moins 30 % des actions d'au moins 1 filiale directe qui répond à ces conditions et ayant son siège de direction effective dans l'un des Etats membres de l'Espace économique européen, elle est également considérée comme une société de famille.
Les sociétés qui n'ont pas d'activité économique réelle, sont exclues de l'exemption, visée au paragraphe 1er. Une société est censée ne pas avoir d'activité économique réelle lorsqu'il ressort de façon cumulative des postes du bilan soit des comptes annuels dans le cas d'une société visée au § 2, point 2°, alinéa premier, soit des comptes annuels consolidés dans le cas d'une société visée au § 2, point 2°, alinéa deux, d'au moins un des trois exercices précédant la date de l'acte authentique de donation :
- que les rémunérations, charges sociales et pensions représentent un pourcentage égal ou inférieur à 1,50 % des actifs totaux;
et
- que les terrains et bâtiments représentent plus de 50 % des actifs totaux.
Le bénéficiaire peut fournir la preuve du contraire;
3° actions :
- chaque part avec droit de vote représentant une partie du capital social;
- les certificats d'actions délivrés par des personnes morales ayant leur siège dans l'un des Etats membres de l'Espace économique européen, à titre de représentation d'actions de sociétés familiales qui remplissent les conditions posées et dont la personne morale a l'obligation de transmettre sans délai et au plus tard dans le mois, les dividendes et autres plus-values au porteur du certificat;
4° partenaire cohabitant :
1° la personne qui, le jour de la donation, se trouve en situation de cohabitation légale avec le donateur au sens du titre Vbis du livre III du Code civil;
2° la personne ou les personnes qui, le jour de la donation, cohabitent au moins pendant trois ans de façon ininterrompue avec le donateur, vivant en ménage commun. Ces conditions sont censées être remplies également si la cohabitation et la vie en ménage commun avec le donateur consécutivement à la période susvisée de trois ans jusqu'au jour de la donation, sont devenues impossible par force majeure. Un extrait du registre de la population constitue une présomption réfutable de cohabitation ininterrompue et de vie en ménage commun;
5° Famille du donateur ou de l'actionnaire, dont il est question au § 1er, point 2° :
1° le conjoint ou le partenaire cohabitant du donateur ou de l'actionnaire;
2° les alliés en ligne directe du donateur ou de l'actionnaire ainsi que leurs conjoints ou partenaires cohabitants;
3° les parents latéraux du donateur ou de l'actionnaire jusqu'au deuxième degré et leurs conjoints ou partenaires cohabitants;
4° enfants de frères et soeurs du donateur ou de l'actionnaire décédés antérieurement.
§ 3. Au cas où une société est considérée, conformément au § 2, point 2°, alinéa deux, comme une société familiale, l'exemption est limitée aux valeurs des actions de la société dans les filiales directes ayant pour but l'exercice d'une activité industrielle, commerciale, artisanale ou agricole, ou d'une profession libérale et ayant leur siège de direction effective dans l'un des Etats membres de l'Espace économique européen.
" Article 140ter. L'article 140bis n'est applicable que si les conditions suivantes sont remplies de manière cumulative :
1° La donation des actifs ou actions de la société de famille ou de société est fixée par acte authentique;
2° Les donataires déclarent dans l'acte ou dans une mention en bas de l'acte, qu'ils souhaitent prétendre à l'exemption et déclarent aux parties qu'il a été satisfait aux conditions pour l'application de l'exemption de l'article 140bis. Au cas où la donation comprend également d'autres biens que ceux mentionnés à l'article 140bis, § 1er, les parties sont tenues de préciser les biens transmis qui font partie de la société de famille ou du paquet d'actions de la société de famille;
3° Une attestation originale est jointe à l'acte, délivrée par les fonctionnaires de l'agence "Vlaamse Belastingdienst" autorisés par le Gouvernement flamand et certifiant qu'il a été satisfait aux conditions visées à l'article 140bis. Si cette attestation n'est pas introduite avant que les droits soient exigibles, ceux-ci doivent être payés, calculés au tarif normal, sans préjudice de l'application de l'article 209.
Art. 140quater. L'exonération visée à l'article 140bis, § 1er, 1°, est maintenue s'il est satisfait de manière cumulative aux conditions suivantes :
1° si l'activité de la société de famille est poursuivie pendant une durée ininterrompue de 3 ans à compter de la date de l'acte authentique de donation;
2° si et dans la mesure où les biens immeubles transmis en application de l'exonération, ne sont pas affectés ni destinés partiellement ou totalement à l'habitation pendant une durée ininterrompue de 3 ans à compter de la date de l'acte authentique de donation;
L'exonération visée à l'article 140bis, § 1er, 2°, n'est maintenue que s'il est satisfait de manière cumulative aux conditions suivantes :
1° si la société de famille continue à répondre, pendant une durée de 3 ans à compter de la date de l'acte authentique de donation aux conditions visées à l'article 140bis, § 2, 2° ;
2° si l'activité de la société de famille est poursuivie pendant une durée ininterrompue de 3 ans à compter de la date de l'acte authentique de donation et si un compte annuel ou un compte annuel consolidé est établi pour chaque des 3 ans et, le cas échéant, est publié conformément à la législation comptable en vigueur de l'Etat membre dans lequel est situé le siège social au moment de la date de l'acte authentique de donation, qui a également été affecté en responsabilité de la déclaration de l'impôt sur les revenus.
Des entreprises ou des sociétés dont le siège social est situé en dehors de la Région flamande, mais en Belgique, doivent établir un compte annuel ou un compte annuel consolidé et, le cas échéant, publier conformément à la législation comptable en vigueur en Belgique à la date de l'acte authentique de donation;
3° Si le capital ne diminue pas pendant les 3 ans à compter de la date de l'acte authentique de donation par des allocations ou des remboursements.
Si le capital diminue par des allocations ou remboursements dans les 3 ans suivant la date de l'acte authentique de donation, le tarif normal est dû proportionnellement;
4° Si le siège de direction effective de la société n'est pas transféré dans un Etat non membre de l'Espace économique européen pendant 3 ans à compter de la date de l'acte authentique de la donation.
Art. 140quinquies. § 1er. Le bénéficiaire qui souhaite obtenir le bénéfice de l'article 140bis, adresse une demande aux fonctionnaires autorisés de l'agence " Vlaamse Belastingdienst ", afin d'obtenir l'attestation visée à l'article 140ter, 3°. Cette demande est jointe de toutes les données faisant foi de preuve certifiant qu'il a été satisfait aux conditions posées. Le Gouvernement flamand détermine les conditions et les modalités dans lesquelles une attestation, visée à l'article 140ter, 3°, est demandée et délivrée.
§ 2. Les fonctionnaires de l'agence "Vlaamse Belastingdienst" autorisés par le Gouvernement flamand délivrent une nouvelle attestation au receveur compétent lorsqu'ils prennent connaissance ou constatent qu'il n'est plus satisfait aux conditions pour le maintien de l'exemption.
Art. 140sexies. § 1er. Après l'expiration d'un délai de 3 ans après la date de l'acte authentique de donation, les fonctionnaires autorisés par le Gouvernement flamand vérifient si les conditions, posées pour le maintien de l'exemption, ont été remplies.
En cas de non respect des conditions tel que visé à l'alinéa précédent, les droits qui sont censés être dus, sont calculés au tarif ordinaire.
§ 2. Si des droits ordinaires sont dus parce que les conditions, posées en vue du maintien de l'exemption, ne sont plus satisfaites, les bénéficiaires peuvent en notifier les fonctionnaires de l'agence " Vlaamse Belastingdienst ", autorisés par le Gouvernement flamand. Le Gouvernement flamand arrête les conditions et les modalités de cette notification.
En cas de non respect des conditions tel que visé à l'alinéa précédent, les droits qui sont censés être dus, sont calculés au tarif ordinaire.
Art. 140septies. Les fonctionnaires de l'agence " Vlaamse Belastingdienst ", autorisés par le Gouvernement flamand peuvent, sans déplacement, demander les renseignements nécessaires aux bénéficiaires, ils peuvent également demander de pouvoir consulter les pièces nécessaires, afin de pouvoir vérifier si les conditions, posées dans la présente sous-section, ont été remplies.
Si les renseignements ou les pièces en question ne sont pas communiqués dans un délai de 2 mois à compter du troisième jour ouvrable suivant la date de l'envoi de la demande, le droit à l'exemption dont il est question dans la présente sous-section, échoit.
Si la réduction échoit conformément à l'alinéa deux, les droits qui sont censés être dus, sont calculés au tarif proportionnel, sans application de l'exemption.
Art. 140octies. Les bénéficiaires peuvent introduire un recours auprès des fonctionnaires de l'agence " Vlaamse Belastingdienst ", autorisés par le Gouvernement flamand, contre la décision par laquelle la délivrance d'une attestation, telle que visée à l'article 14quinquies, § 1er, d'une attestation telle que visée à l'article 140quinquies, § 2, est refusée Ce recours motivé doit être introduit par lettre au plus tard dans les trois mois à compter du troisième jour ouvrable suivant la date d'envoi de la décision administrative par laquelle la demande d'attestation est rejetée ou par laquelle la notification de déchéance est faite, à cause de la non-conformité aux conditions requises pour le maintien.
Les fonctionnaires de l'agence " Vlaamse Belastingdienst " autorisés par le Gouvernement flamand confirment la réception du recours par lettre aux personnes introduisant le recours et envoient, également par lettre, une copie du recours au receveur du bureau où est ou a été enregistré l'acte authentique de donation.
Au plus tard quatre mois après la date de notification de la réception du recours, visée à l'alinéa précédent, les fonctionnaires de l'agence " Vlaamse Belastingdienst " autorisés par le Gouvernement flamand envoient leur décision motivée sur le recours, aux demandeurs et en même temps au receveur du bureau où l'acte authentique de donation est ou a été enregistré. Faute de notification de la décision motivée dans le délai imparti, le recours est censé être accepté. ".
Art. 74. In artikel 161 van hetzelfde wetboek, vervangen bij het decreet van 27 juni 2003, wordt punt 11° opgeheven.
Art. 74. Dans l'article 161 du même code, remplacé par le décret du 27 juin 2003, le point 11° est abrogé.
Art. 75. Aan artikel 209, eerste lid, van hetzelfde wetboek wordt een punt 7° toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 7° de rechten geheven omdat partijen in gebreke zijn gebleven het attest waarvan sprake in artikel 140ter bij te brengen zodat geen toepassing werd gemaakt van artikel 140bis, wanneer dit attest neergelegd wordt bij de ontvanger binnen twee jaar na de betaling van de belasting. ".
" 7° de rechten geheven omdat partijen in gebreke zijn gebleven het attest waarvan sprake in artikel 140ter bij te brengen zodat geen toepassing werd gemaakt van artikel 140bis, wanneer dit attest neergelegd wordt bij de ontvanger binnen twee jaar na de betaling van de belasting. ".
Art. 75. A l'article 209, alinéa premier du même arrêté, il est ajouté un point 7°, rédigé comme suit :
" 7° les droits perçus parce que les parties ont omis de délivrer l'attestation dont question à l'article 140ter, de sorte que l'article 140bis n'ait pas été appliqué, lorsque la présente attestation est déposée auprès du receveur dans les deux ans suivant le paiement de l'impôt. ".
" 7° les droits perçus parce que les parties ont omis de délivrer l'attestation dont question à l'article 140ter, de sorte que l'article 140bis n'ait pas été appliqué, lorsque la présente attestation est déposée auprès du receveur dans les deux ans suivant le paiement de l'impôt. ".
Afdeling 2. - Verervingen van familiale ondernemingen en vennootschappen
Section 2. - Héritages d'entreprises familiales et de sociétés de famille
Art. 76. Artikel 7 van het Wetboek der successierechten wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 7. De goederen, waarover, naar het door het bestuur geleverd bewijs, de afgestorvene kosteloos beschikte gedurende de drie jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, indien de bevoordeling niet onderworpen werd aan het registratierecht gevestigd voor de schenkingen, behoudens verhaal van de erfgenamen of legatarissen op de begiftigde voor de wegens die goederen gekweten successierechten. De termijn van drie jaar wordt evenwel op zeven jaar gebracht indien het gaat om aandelen en activa bedoeld in artikel 140bis van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten.
Wanneer er door het bestuur of door de erfgenamen en legatarissen bewezen wordt dat de bevoordeling een bepaalde persoon gold, wordt deze voor legataris van de geschonken zaak gehouden.
Voor de toepassing van dit artikel wordt een bevoordeling waarvoor een vrijstelling van het registratierecht werd toegepast, gelijkgesteld met een bevoordeling die aan het registratierecht gevestigd voor de schenkingen werd onderworpen. ".
" Art. 7. De goederen, waarover, naar het door het bestuur geleverd bewijs, de afgestorvene kosteloos beschikte gedurende de drie jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, indien de bevoordeling niet onderworpen werd aan het registratierecht gevestigd voor de schenkingen, behoudens verhaal van de erfgenamen of legatarissen op de begiftigde voor de wegens die goederen gekweten successierechten. De termijn van drie jaar wordt evenwel op zeven jaar gebracht indien het gaat om aandelen en activa bedoeld in artikel 140bis van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten.
Wanneer er door het bestuur of door de erfgenamen en legatarissen bewezen wordt dat de bevoordeling een bepaalde persoon gold, wordt deze voor legataris van de geschonken zaak gehouden.
Voor de toepassing van dit artikel wordt een bevoordeling waarvoor een vrijstelling van het registratierecht werd toegepast, gelijkgesteld met een bevoordeling die aan het registratierecht gevestigd voor de schenkingen werd onderworpen. ".
Art. 76. L'article 7 du Code des droits de succession est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 7. Les biens dont l'Administration établit que le défunt a disposé à titre gratuit dans les trois années précédant son décès, sont considérés comme faisant partie de sa succession si la libéralité n'a pas été assujettie au droit d'enregistrement établi pour les donations, sauf le recours des héritiers ou légataires contre le donataire pour les droits de succession acquittés à raison desdits biens. Le délai de trois ans est toutefois étendu à sept ans lorsqu'il s'agit d'actions et d'actifs visés à l'article 140bis du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe.
Lorsque l'administration ou les héritiers et légataires démontrent que la libéralisation valait pour une personne particulière, celle-ci est considérée comme légataire de la donation.
Pour l'application du présent article, une libéralisation faisant l'objet d'une exonération du droit d'enregistrement, est assimilée à une libéralisation assujettie au droit d'enregistrement établi pour les donations. ".
" Art. 7. Les biens dont l'Administration établit que le défunt a disposé à titre gratuit dans les trois années précédant son décès, sont considérés comme faisant partie de sa succession si la libéralité n'a pas été assujettie au droit d'enregistrement établi pour les donations, sauf le recours des héritiers ou légataires contre le donataire pour les droits de succession acquittés à raison desdits biens. Le délai de trois ans est toutefois étendu à sept ans lorsqu'il s'agit d'actions et d'actifs visés à l'article 140bis du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe.
Lorsque l'administration ou les héritiers et légataires démontrent que la libéralisation valait pour une personne particulière, celle-ci est considérée comme légataire de la donation.
Pour l'application du présent article, une libéralisation faisant l'objet d'une exonération du droit d'enregistrement, est assimilée à une libéralisation assujettie au droit d'enregistrement établi pour les donations. ".
Art. 77. In hetzelfde wetboek wordt een artikel 7/1 ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 7/1. De termijn van zeven jaar bepaald in artikel 7 wordt teruggebracht tot drie jaar, indien de kosteloze beschikking dagtekent van voor 1 januari 2012. ".
" Art. 7/1. De termijn van zeven jaar bepaald in artikel 7 wordt teruggebracht tot drie jaar, indien de kosteloze beschikking dagtekent van voor 1 januari 2012. ".
Art. 77. Dans le même décret, il est inséré un article 7/1, rédigé comme suit :
" Art. 7/1. Le délai de sept ans, fixé à l'article 7, est réduit à trois ans lorsque la disposition gratuite date d'avant le 1er janvier 2012. ".
" Art. 7/1. Le délai de sept ans, fixé à l'article 7, est réduit à trois ans lorsque la disposition gratuite date d'avant le 1er janvier 2012. ".
Art. 78. In artikel 48, § 2, zesde en achtste lid, van hetzelfde wetboek wordt het woord " 60bis " vervangen door het woord " 60/1 ".
Art. 78. Dans l'article 48, § 2, alinéas 6 et 8, du même code, le mot " 60bis " est remplacé par le mot " 60/1 ".
Art. 79. In boek I, hoofdstuk VII, van hetzelfde wetboek worden de opschriften, opgeheven door het decreet van 20 december 2002, hersteld in de volgende lezing : 1° Afdeling I. - Vrijstellingen; 2° Afdeling II. -Verminderingen.
Art. 79. Au Livre Ier, chapitre VII du même Code, les intitulés, abrogés par le décret du 20 décembre 2002, sont rétablis dans la rédaction suivante : 1° Section Ire - Exemptions; 2° Section II. - Réductions.
Art. 80. Artikel 60bis van hetzelfde wetboek, laatst gewijzigd bij het decreet van 9 juli 2010, wordt opgeheven voor overlijdens vanaf 1 januari 2012.
Art. 80. L'article 60bis du même Code, modifié en dernier lieu par le décret du 9 juillet 2010, est abrogé pour les décès à partir du 1er janvier 2012.
Art. 81. In artikel 60bis, § 5/1, van hetzelfde wetboek wordt het tweede lid, voor overlijdens tot en met 31 december 2011, vervangen door wat volgt :
" Voor de overlijdens vanaf 1 november 2007 wordt, voor het behoud van de vrijstelling, het in paragraaf 5, vierde en zesde lid, vermelde minimum aan loonlasten, die de onderneming of de vennootschap uitbetaalt aan werknemers die in de Europese Economische Ruimte tewerkgesteld zijn, met 100 procent verminderd op voorwaarde dat er minimaal drie kwartalen van de twintig kwartalen na het overlijden vallen in de periode vanaf het derde kwartaal van 2008. ".
" Voor de overlijdens vanaf 1 november 2007 wordt, voor het behoud van de vrijstelling, het in paragraaf 5, vierde en zesde lid, vermelde minimum aan loonlasten, die de onderneming of de vennootschap uitbetaalt aan werknemers die in de Europese Economische Ruimte tewerkgesteld zijn, met 100 procent verminderd op voorwaarde dat er minimaal drie kwartalen van de twintig kwartalen na het overlijden vallen in de periode vanaf het derde kwartaal van 2008. ".
Art. 81. Dans l'article 60bis, § 5/1, du même code, l'alinéa deux, pour ce qui concerne les décès au 31 décembre 2011, est remplacé par ce qui suit :
" Pour les décès à partir du 1er novembre 2007, le minimum de charges salariales visé au § 5, quatrième et sixième alinéas, payé par l'entreprise ou la société aux travailleurs occupés dans l'Espace économique européen, est diminué de 100 pour cent en vue du maintien de l'exonération, à condition qu'au moins trois des vingt trimestres après le décès tombent dans la période à partir du troisième trimestre de 2008. "
" Pour les décès à partir du 1er novembre 2007, le minimum de charges salariales visé au § 5, quatrième et sixième alinéas, payé par l'entreprise ou la société aux travailleurs occupés dans l'Espace économique européen, est diminué de 100 pour cent en vue du maintien de l'exonération, à condition qu'au moins trois des vingt trimestres après le décès tombent dans la période à partir du troisième trimestre de 2008. "
Art. 82. Aan hoofdstuk VII. Vrijstellingen en Verminderingen van boek I van hetzelfde wetboek wordt een afdeling III toegevoegd, die luidt als volgt :
" Afdeling III. - Bijzondere bepalingen voor het verkrijgen van ondernemingen en vennootschappen
Art. 60/1. § 1. In afwijking van artikel 48 wordt het successierecht en het recht van overgang bij overlijden verminderd tot 3 % voor een verkrijging in rechte lijn en tussen echtgenoten of samenwonenden en tot 7 % voor een verkrijging tussen andere personen voor :
1° de nettowaarde van de verkrijging van de volle eigendom, de naakte eigendom of het vruchtgebruik van de activa die door de erflater of zijn echtgenoot of samenwonende beroepsmatig zijn geïnvesteerd in een familiale onderneming.
Deze vermindering is niet van toepassing op de verkrijging van onroerende goederen die hoofdzakelijk tot bewoning worden aangewend of zijn bestemd;
2° de nettowaarde van de verkrijging van de volle eigendom, het vruchtgebruik of de naakte eigendom van aandelen van een familiale vennootschap met zetel van werkelijke leiding in een van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte, op voorwaarde dat de aandelen van de vennootschap op het ogenblik van het overlijden voor ten minste 50 % in volle eigendom toebehoren aan de erflater en/of zijn familie.
In afwijking van het vorige lid, dienen de aandelen van de vennootschap op het ogenblik van overlijden minstens voor 30 % in volle eigendom toe te behoren aan de erflater en/of zijn familie indien hij :
- hetzij gezamenlijk met één andere aandeelhouder en zijn familie volle eigenaar is van minstens 70 % van de aandelen van de vennootschap;
- hetzij gezamenlijk met twee andere aandeelhouders en hun familie volle eigenaar is van minstens 90 % van de aandelen van de vennootschap.
§ 2. Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder :
1° familiale onderneming : een nijverheids-, handels-, ambachts-, of landbouwbedrijf of een vrij beroep, dat door de erflater en/of zijn echtgenoot of samenwonende, al dan niet samen met anderen, persoonlijk wordt geëxploiteerd en uitgeoefend;
2° familiale vennootschap : een vennootschap die de uitoefening van een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit, of van een vrij beroep tot doel heeft.
Indien de vennootschap aan het voorgaande niet beantwoordt, maar minstens 30 % van de aandelen houdt van minstens één directe dochtervennootschap die aan deze voorwaarde beantwoordt en die haar zetel van werkelijke leiding heeft in een van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte, wordt zij tevens beschouwd als een familiale vennootschap.
Vennootschappen die geen reële economische activiteit hebben, worden uitgesloten van de vermindering vermeld in paragraaf 1. Een vennootschap wordt geacht geen reële economische activiteit te hebben indien uit de balansposten van ofwel de jaarrekening in geval van een vennootschap bedoeld onder paragraaf 2, punt 2°, eerste lid, ofwel de geconsolideerde jaarrekening in geval van een vennootschap bedoeld onder paragraaf 2, punt 2°, tweede lid, van minstens een van de drie boekjaren voorafgaand aan de datum van overlijden van de erflater cumulatief blijkt :
- dat de bezoldigingen, sociale lasten en pensioenen een percentage gelijk of lager dan 1,50 % uitmaken van de totale activa;
en
- de terreinen en gebouwen meer dan 50 % uitmaken van het totale actief.
De verkrijger kan het tegenbewijs hiervan leveren;
3° aandelen :
- elk deelbewijs met stemrecht dat een deel van het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigt;
- de certificaten van aandelen, uitgereikt door rechtspersonen met een zetel in een van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte, ter vertegenwoordiging van aandelen van familiale vennootschappen die aan de gestelde voorwaarden voldoen en waarvan de rechtspersoon de verplichting heeft om de dividenden en andere vermogensvoordelen onmiddellijk en ten laatste binnen de maand door te storten aan de certificaathouder;
4° samenwonende :
1° de persoon die op de dag van overlijden van de erflater, overeenkomstig de bepalingen van boek III, titel Vbis, van het Burgerlijk Wetboek met de erflater wettelijk samenwoont;
2° de persoon of de personen die op de dag van overlijden van de erflater ten minste drie jaar ononderbroken met de erflater samenwonen en er een gemeenschappelijke huishouding mee voeren. Deze voorwaarden worden geacht ook vervuld te zijn indien het samenwonen en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding met de erflater aansluitend op de bedoelde periode van drie jaar tot op de dag van overlijden van de erflater, ingevolge overmacht, onmogelijk is geworden. Een uittreksel uit het bevolkingsregister houdt een weerlegbaar vermoeden in van ononderbroken samenwoning en van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding;
5° familie van de erflater of de aandeelhouder, waarvan sprake in paragraaf 1, punt 2° :
a) de echtgenoot of samenwonende van de erflater of aandeelhouder;
b) de verwanten in rechte lijn van de erflater of aandeelhouder alsook hun echtgenoten of samenwonenden;
c) zijverwanten van de erflater of aandeelhouder tot en met de tweede graad en hun echtgenoten of samenwonenden;
d) kinderen van vooroverleden broers en zusters van de erflater of aandeelhouder.
§ 3. Onder nettowaarde wordt verstaan de waarde van de activa of aandelen verminderd met de schulden, behalve dewelke specifiek werden aangegaan om andere goederen te verwerven of te behouden.
Ingeval een vennootschap overeenkomstig paragraaf 2, punt 2°, tweede lid, als een familiale vennootschap wordt beschouwd, wordt de toepassing van het verlaagd tarief beperkt tot de waarden van de aandelen van de vennootschap in de dochtervennootschappen die de uitoefening van een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit, of van een vrij beroep tot doel en die hun zetel van werkelijke leiding in een van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte hebben.
Art. 60/2. Artikel 60/1 is slechts toepasselijk voor zover de volgende voorwaarden cumulatief zijn vervuld :
1° in de aangifte dienen de verkrijgers te bevestigen dat zij aanspraak wensen te maken op de vermindering waarvan sprake in artikel 60/1 en dat de voorwaarden van dit artikel vervuld zijn;
2° bij de aangifte wordt een origineel attest gevoegd dat is uitgereikt door de door de Vlaamse Regering gemachtigde ambtenaren van de Vlaamse Belastingdienst en waaruit blijkt dat aan de voorwaarden vermeld in artikel 60/1 is voldaan. Indien dit attest niet wordt ingediend voordat de rechten opeisbaar zijn, moeten deze rechten, tegen het normale tarief berekend, binnen de wettelijke termijn betaald worden, onverminderd de toepassing van artikel 135, 8°, van het Wetboek der successierechten.
Art. 60/3. De bij artikel 60/1, § 1, 1°, bepaalde vermindering wordt alleen behouden, mits aan volgende cumulatief te vervullen voorwaarden is voldaan :
1° indien de activiteit van de familiale onderneming zonder onderbreking wordt voortgezet gedurende drie jaar te rekenen van de datum van het overlijden van de erflater;
2° indien en in de mate dat de onroerende goederen die met toepassing van de vermindering werden overgedragen, niet hoofdzakelijk tot bewoning aangewend of bestemd worden gedurende een periode van drie jaar te rekenen van de datum van het overlijden van de erflater.
De bij artikel 60/1, § 1, 2°, bepaalde vermindering wordt alleen behouden, mits aan volgende cumulatief te vervullen voorwaarden is voldaan :
1° indien de familiale vennootschap gedurende drie jaar te rekenen van de datum van het overlijden van de erflater blijft voldoen aan de voorwaarden gesteld in artikel 60/1, § 2, 2° ;
2° indien de activiteit van de familiale vennootschap zonder onderbreking wordt voortgezet gedurende drie jaar te rekenen van de datum van overlijden van de erflater en er voor elk van de drie jaren een jaarrekening of geconsolideerde jaarrekening wordt opgemaakt en in voorkomend geval wordt gepubliceerd overeenkomstig de vigerende boekhoudwetgeving van de lidstaat waar de maatschappelijke zetel gevestigd is op het ogenblik van het overlijden, welke tevens aangewend werd ter verantwoording van de aangifte in de inkomstenbelasting.
Ondernemingen of vennootschappen waarvan de maatschappelijke zetel gelegen is buiten het Vlaamse Gewest, maar binnen België moeten een jaarrekening of geconsolideerde jaarrekening opmaken en in voorkomend geval publiceren overeenkomstig de vigerende boekhoudwetgeving in België op het ogenblik van het overlijden;
3° indien het kapitaal gedurende de drie jaar te rekenen van de datum van het overlijden van de erflater niet daalt door uitkeringen of terugbetalingen;
Indien het kapitaal daalt door uitkeringen of terugbetalingen in de drie jaar na de datum van het overlijden van de erflater wordt evenredig het normaal tarief verschuldigd;
4° indien de zetel van werkelijke leiding van de vennootschap niet wordt overgebracht naar een staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte gedurende drie jaar te rekenen van de datum van het overlijden van de erflater.
Art. 60/4. § 1. De verkrijgers die het voordeel van artikel 60/1 wensen te genieten, richten bij schrijven een verzoek tot de door de Vlaamse Regering gemachtigde ambtenaren van de Vlaamse Belastingdienst tot het bekomen van het in artikel 60/2, 2°, bedoelde attest. Dit verzoek is vergezeld van alle bewijskrachtige gegevens waaruit blijkt dat voldaan is aan de gestelde voorwaarden. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden en modaliteiten waaronder een attest, bedoeld in artikel 60/2, 2°, aangevraagd en verstrekt wordt.
§ 2. De door de Vlaamse Regering gemachtigde ambtenaren van de Vlaamse Belastingdienst leveren aan de bevoegde ontvanger een nieuw attest af wanneer zij kennis krijgen of vaststellen dat aan de voorwaarden voor het behoud van de vermindering niet meer is voldaan.
Art. 60/5. § 1. Na verloop van een termijn van drie jaar na de datum van het overlijden van de erflater controleren de door de Vlaamse Regering gemachtigde ambtenaren van de Vlaamse Belastingdienst of de voorwaarden, gesteld voor het behoud van de vermindering, vervuld zijn.
Bij niet-vervulling van de voorwaarden zoals bedoeld in het vorige lid, worden de rechten geacht verschuldigd te zijn berekend tegen het gewoon tarief, zonder toepassing van de vermindering.
§ 2. Indien gewone rechten verschuldigd worden doordat de voorwaarden, gesteld tot behoud van de vermindering, niet langer vervuld zijn, kunnen de verkrijgers dit melden bij de door de Vlaamse Regering gemachtigde ambtenaren van de Vlaamse Belastingdienst. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden en modaliteiten aangaande deze melding.
Bij niet-vervulling van de voorwaarden zoals bedoeld in het vorige lid, worden de rechten geacht verschuldigd te zijn berekend tegen het gewoon tarief, zonder toepassing van de vermindering.
Art. 60/6. De door de Vlaamse Regering gemachtigde ambtenaren van de Vlaamse Belastingdienst kunnen, zonder verplaatsing, aan de verkrijgers de nodige inlichtingen, evenals inzage vragen van de nodige stukken, teneinde te kunnen controleren of aan de voorwaarden, gesteld in deze afdeling, is voldaan.
Indien de inlichtingen of stukken waarvan sprake in het eerste lid niet worden meegedeeld binnen een termijn van twee maanden te rekenen van de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het verzoek, vervalt het recht op de vermindering waarvan sprake in deze afdeling.
Indien de vermindering overeenkomstig het tweede lid vervalt, worden de rechten geacht verschuldigd te zijn berekend tegen het evenredig tarief, zonder toepassing van de vermindering.
Art. 60/7. § 1. Tegen de beslissing waarbij de aflevering van een attest, als bedoeld in artikel 60/4, § 1, wordt geweigerd, of een attest als bedoeld in artikel 60/4, § 2, wordt afgeleverd, kunnen de verkrijgers bezwaar aantekenen bij de door de Vlaamse Regering gemachtigde ambtenaren van de Vlaamse Belastingdienst. Dat gemotiveerd bezwaar moet worden ingediend per brief uiterlijk drie maanden te rekenen van de derde werkdag volgend op de datum van verzending van de administratieve beslissing waarbij de attestaanvraag werd afgewezen of waarbij mededeling wordt gedaan van het verval van de vrijstelling wegens het niet voldoen aan de voorwaarden voor behoud ervan.
De door de Vlaamse Regering gemachtigde ambtenaren van de Vlaamse Belastingdienst bevestigen per brief de ontvangst van het bezwaarschrift aan de indieners en sturen tezelfdertijd, eveneens per brief, een kopie van het bezwaarschrift aan de ontvanger van het kantoor waar de aangifte van nalatenschap moet worden of werd ingediend.
Uiterlijk vier maanden na de in het vorige lid bedoelde datum van ontvangst van het bezwaarschrift, zenden de door de Vlaamse Regering gemachtigde ambtenaren van de Vlaamse Belastingdienst per brief hun gemotiveerde beslissing over het bezwaarschrift aan de verzoekers en tezelfdertijd aan de ontvanger van het kantoor waar de aangifte van nalatenschap moet worden of werd ingediend. Bij gebreke aan kennisgeving van de gemotiveerde beslissing binnen de gestelde termijn wordt het bezwaarschrift geacht te zijn ingewilligd. ".
" Afdeling III. - Bijzondere bepalingen voor het verkrijgen van ondernemingen en vennootschappen
Art. 60/1. § 1. In afwijking van artikel 48 wordt het successierecht en het recht van overgang bij overlijden verminderd tot 3 % voor een verkrijging in rechte lijn en tussen echtgenoten of samenwonenden en tot 7 % voor een verkrijging tussen andere personen voor :
1° de nettowaarde van de verkrijging van de volle eigendom, de naakte eigendom of het vruchtgebruik van de activa die door de erflater of zijn echtgenoot of samenwonende beroepsmatig zijn geïnvesteerd in een familiale onderneming.
Deze vermindering is niet van toepassing op de verkrijging van onroerende goederen die hoofdzakelijk tot bewoning worden aangewend of zijn bestemd;
2° de nettowaarde van de verkrijging van de volle eigendom, het vruchtgebruik of de naakte eigendom van aandelen van een familiale vennootschap met zetel van werkelijke leiding in een van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte, op voorwaarde dat de aandelen van de vennootschap op het ogenblik van het overlijden voor ten minste 50 % in volle eigendom toebehoren aan de erflater en/of zijn familie.
In afwijking van het vorige lid, dienen de aandelen van de vennootschap op het ogenblik van overlijden minstens voor 30 % in volle eigendom toe te behoren aan de erflater en/of zijn familie indien hij :
- hetzij gezamenlijk met één andere aandeelhouder en zijn familie volle eigenaar is van minstens 70 % van de aandelen van de vennootschap;
- hetzij gezamenlijk met twee andere aandeelhouders en hun familie volle eigenaar is van minstens 90 % van de aandelen van de vennootschap.
§ 2. Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder :
1° familiale onderneming : een nijverheids-, handels-, ambachts-, of landbouwbedrijf of een vrij beroep, dat door de erflater en/of zijn echtgenoot of samenwonende, al dan niet samen met anderen, persoonlijk wordt geëxploiteerd en uitgeoefend;
2° familiale vennootschap : een vennootschap die de uitoefening van een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit, of van een vrij beroep tot doel heeft.
Indien de vennootschap aan het voorgaande niet beantwoordt, maar minstens 30 % van de aandelen houdt van minstens één directe dochtervennootschap die aan deze voorwaarde beantwoordt en die haar zetel van werkelijke leiding heeft in een van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte, wordt zij tevens beschouwd als een familiale vennootschap.
Vennootschappen die geen reële economische activiteit hebben, worden uitgesloten van de vermindering vermeld in paragraaf 1. Een vennootschap wordt geacht geen reële economische activiteit te hebben indien uit de balansposten van ofwel de jaarrekening in geval van een vennootschap bedoeld onder paragraaf 2, punt 2°, eerste lid, ofwel de geconsolideerde jaarrekening in geval van een vennootschap bedoeld onder paragraaf 2, punt 2°, tweede lid, van minstens een van de drie boekjaren voorafgaand aan de datum van overlijden van de erflater cumulatief blijkt :
- dat de bezoldigingen, sociale lasten en pensioenen een percentage gelijk of lager dan 1,50 % uitmaken van de totale activa;
en
- de terreinen en gebouwen meer dan 50 % uitmaken van het totale actief.
De verkrijger kan het tegenbewijs hiervan leveren;
3° aandelen :
- elk deelbewijs met stemrecht dat een deel van het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigt;
- de certificaten van aandelen, uitgereikt door rechtspersonen met een zetel in een van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte, ter vertegenwoordiging van aandelen van familiale vennootschappen die aan de gestelde voorwaarden voldoen en waarvan de rechtspersoon de verplichting heeft om de dividenden en andere vermogensvoordelen onmiddellijk en ten laatste binnen de maand door te storten aan de certificaathouder;
4° samenwonende :
1° de persoon die op de dag van overlijden van de erflater, overeenkomstig de bepalingen van boek III, titel Vbis, van het Burgerlijk Wetboek met de erflater wettelijk samenwoont;
2° de persoon of de personen die op de dag van overlijden van de erflater ten minste drie jaar ononderbroken met de erflater samenwonen en er een gemeenschappelijke huishouding mee voeren. Deze voorwaarden worden geacht ook vervuld te zijn indien het samenwonen en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding met de erflater aansluitend op de bedoelde periode van drie jaar tot op de dag van overlijden van de erflater, ingevolge overmacht, onmogelijk is geworden. Een uittreksel uit het bevolkingsregister houdt een weerlegbaar vermoeden in van ononderbroken samenwoning en van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding;
5° familie van de erflater of de aandeelhouder, waarvan sprake in paragraaf 1, punt 2° :
a) de echtgenoot of samenwonende van de erflater of aandeelhouder;
b) de verwanten in rechte lijn van de erflater of aandeelhouder alsook hun echtgenoten of samenwonenden;
c) zijverwanten van de erflater of aandeelhouder tot en met de tweede graad en hun echtgenoten of samenwonenden;
d) kinderen van vooroverleden broers en zusters van de erflater of aandeelhouder.
§ 3. Onder nettowaarde wordt verstaan de waarde van de activa of aandelen verminderd met de schulden, behalve dewelke specifiek werden aangegaan om andere goederen te verwerven of te behouden.
Ingeval een vennootschap overeenkomstig paragraaf 2, punt 2°, tweede lid, als een familiale vennootschap wordt beschouwd, wordt de toepassing van het verlaagd tarief beperkt tot de waarden van de aandelen van de vennootschap in de dochtervennootschappen die de uitoefening van een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit, of van een vrij beroep tot doel en die hun zetel van werkelijke leiding in een van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte hebben.
Art. 60/2. Artikel 60/1 is slechts toepasselijk voor zover de volgende voorwaarden cumulatief zijn vervuld :
1° in de aangifte dienen de verkrijgers te bevestigen dat zij aanspraak wensen te maken op de vermindering waarvan sprake in artikel 60/1 en dat de voorwaarden van dit artikel vervuld zijn;
2° bij de aangifte wordt een origineel attest gevoegd dat is uitgereikt door de door de Vlaamse Regering gemachtigde ambtenaren van de Vlaamse Belastingdienst en waaruit blijkt dat aan de voorwaarden vermeld in artikel 60/1 is voldaan. Indien dit attest niet wordt ingediend voordat de rechten opeisbaar zijn, moeten deze rechten, tegen het normale tarief berekend, binnen de wettelijke termijn betaald worden, onverminderd de toepassing van artikel 135, 8°, van het Wetboek der successierechten.
Art. 60/3. De bij artikel 60/1, § 1, 1°, bepaalde vermindering wordt alleen behouden, mits aan volgende cumulatief te vervullen voorwaarden is voldaan :
1° indien de activiteit van de familiale onderneming zonder onderbreking wordt voortgezet gedurende drie jaar te rekenen van de datum van het overlijden van de erflater;
2° indien en in de mate dat de onroerende goederen die met toepassing van de vermindering werden overgedragen, niet hoofdzakelijk tot bewoning aangewend of bestemd worden gedurende een periode van drie jaar te rekenen van de datum van het overlijden van de erflater.
De bij artikel 60/1, § 1, 2°, bepaalde vermindering wordt alleen behouden, mits aan volgende cumulatief te vervullen voorwaarden is voldaan :
1° indien de familiale vennootschap gedurende drie jaar te rekenen van de datum van het overlijden van de erflater blijft voldoen aan de voorwaarden gesteld in artikel 60/1, § 2, 2° ;
2° indien de activiteit van de familiale vennootschap zonder onderbreking wordt voortgezet gedurende drie jaar te rekenen van de datum van overlijden van de erflater en er voor elk van de drie jaren een jaarrekening of geconsolideerde jaarrekening wordt opgemaakt en in voorkomend geval wordt gepubliceerd overeenkomstig de vigerende boekhoudwetgeving van de lidstaat waar de maatschappelijke zetel gevestigd is op het ogenblik van het overlijden, welke tevens aangewend werd ter verantwoording van de aangifte in de inkomstenbelasting.
Ondernemingen of vennootschappen waarvan de maatschappelijke zetel gelegen is buiten het Vlaamse Gewest, maar binnen België moeten een jaarrekening of geconsolideerde jaarrekening opmaken en in voorkomend geval publiceren overeenkomstig de vigerende boekhoudwetgeving in België op het ogenblik van het overlijden;
3° indien het kapitaal gedurende de drie jaar te rekenen van de datum van het overlijden van de erflater niet daalt door uitkeringen of terugbetalingen;
Indien het kapitaal daalt door uitkeringen of terugbetalingen in de drie jaar na de datum van het overlijden van de erflater wordt evenredig het normaal tarief verschuldigd;
4° indien de zetel van werkelijke leiding van de vennootschap niet wordt overgebracht naar een staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte gedurende drie jaar te rekenen van de datum van het overlijden van de erflater.
Art. 60/4. § 1. De verkrijgers die het voordeel van artikel 60/1 wensen te genieten, richten bij schrijven een verzoek tot de door de Vlaamse Regering gemachtigde ambtenaren van de Vlaamse Belastingdienst tot het bekomen van het in artikel 60/2, 2°, bedoelde attest. Dit verzoek is vergezeld van alle bewijskrachtige gegevens waaruit blijkt dat voldaan is aan de gestelde voorwaarden. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden en modaliteiten waaronder een attest, bedoeld in artikel 60/2, 2°, aangevraagd en verstrekt wordt.
§ 2. De door de Vlaamse Regering gemachtigde ambtenaren van de Vlaamse Belastingdienst leveren aan de bevoegde ontvanger een nieuw attest af wanneer zij kennis krijgen of vaststellen dat aan de voorwaarden voor het behoud van de vermindering niet meer is voldaan.
Art. 60/5. § 1. Na verloop van een termijn van drie jaar na de datum van het overlijden van de erflater controleren de door de Vlaamse Regering gemachtigde ambtenaren van de Vlaamse Belastingdienst of de voorwaarden, gesteld voor het behoud van de vermindering, vervuld zijn.
Bij niet-vervulling van de voorwaarden zoals bedoeld in het vorige lid, worden de rechten geacht verschuldigd te zijn berekend tegen het gewoon tarief, zonder toepassing van de vermindering.
§ 2. Indien gewone rechten verschuldigd worden doordat de voorwaarden, gesteld tot behoud van de vermindering, niet langer vervuld zijn, kunnen de verkrijgers dit melden bij de door de Vlaamse Regering gemachtigde ambtenaren van de Vlaamse Belastingdienst. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden en modaliteiten aangaande deze melding.
Bij niet-vervulling van de voorwaarden zoals bedoeld in het vorige lid, worden de rechten geacht verschuldigd te zijn berekend tegen het gewoon tarief, zonder toepassing van de vermindering.
Art. 60/6. De door de Vlaamse Regering gemachtigde ambtenaren van de Vlaamse Belastingdienst kunnen, zonder verplaatsing, aan de verkrijgers de nodige inlichtingen, evenals inzage vragen van de nodige stukken, teneinde te kunnen controleren of aan de voorwaarden, gesteld in deze afdeling, is voldaan.
Indien de inlichtingen of stukken waarvan sprake in het eerste lid niet worden meegedeeld binnen een termijn van twee maanden te rekenen van de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het verzoek, vervalt het recht op de vermindering waarvan sprake in deze afdeling.
Indien de vermindering overeenkomstig het tweede lid vervalt, worden de rechten geacht verschuldigd te zijn berekend tegen het evenredig tarief, zonder toepassing van de vermindering.
Art. 60/7. § 1. Tegen de beslissing waarbij de aflevering van een attest, als bedoeld in artikel 60/4, § 1, wordt geweigerd, of een attest als bedoeld in artikel 60/4, § 2, wordt afgeleverd, kunnen de verkrijgers bezwaar aantekenen bij de door de Vlaamse Regering gemachtigde ambtenaren van de Vlaamse Belastingdienst. Dat gemotiveerd bezwaar moet worden ingediend per brief uiterlijk drie maanden te rekenen van de derde werkdag volgend op de datum van verzending van de administratieve beslissing waarbij de attestaanvraag werd afgewezen of waarbij mededeling wordt gedaan van het verval van de vrijstelling wegens het niet voldoen aan de voorwaarden voor behoud ervan.
De door de Vlaamse Regering gemachtigde ambtenaren van de Vlaamse Belastingdienst bevestigen per brief de ontvangst van het bezwaarschrift aan de indieners en sturen tezelfdertijd, eveneens per brief, een kopie van het bezwaarschrift aan de ontvanger van het kantoor waar de aangifte van nalatenschap moet worden of werd ingediend.
Uiterlijk vier maanden na de in het vorige lid bedoelde datum van ontvangst van het bezwaarschrift, zenden de door de Vlaamse Regering gemachtigde ambtenaren van de Vlaamse Belastingdienst per brief hun gemotiveerde beslissing over het bezwaarschrift aan de verzoekers en tezelfdertijd aan de ontvanger van het kantoor waar de aangifte van nalatenschap moet worden of werd ingediend. Bij gebreke aan kennisgeving van de gemotiveerde beslissing binnen de gestelde termijn wordt het bezwaarschrift geacht te zijn ingewilligd. ".
Art. 82. Au Chapitre VII. Exemptions et Réductions, du Livre Ier, du même code, il est ajouté une section III, rédigée comme suit :
" Section III. Dispositions particulières pour acquérir des entreprises et des sociétés
Art. 60/1. § 1er. Par dérogation à l'article 48 le droit de succession et de mutation par décès est réduit à 3 % pour une acquisition en ligne directe et entre conjoints ou entre partenaires cohabitants et à 7 % pour une acquisition entres d'autres personnes pour :
1° la donation de la pleine propriété, la nue-propriété ou l'usufruit des actifs qui sont investies par le testateur, son conjoint ou le partenaire cohabitant, sont investis dans une entreprise familiale.
Cette réduction n'est pas applicable à l'acquisition de biens immeubles affectés ou destinés principalement à l'habitation;
2° la donation de la pleine propriété, de l'usufruit ou l'usufruit des actions d'une entreprise familiale dont le siège de direction effective est situé dans l'un des Etats membres de l'Espace Economique Européen, à conditions que les actions de la société au moment de la donation appartiennent pour au moins 50 % en pleine propriété au testateur et/ou à sa famille.
Par dérogation à l'alinéa précédent, les actions de la société doivent appartenir au moment du décès pour au moins 30 % en pleine propriété au testateur et/ou à sa famille s'il est :
- soit le propriétaire à part entière d'au moins 70 % des actions de la société ensemble avec 1 autre actionnaire et sa famille;
- soit le propriétaire à part entière d'au moins 90 % des actions de la société ensemble avec deux autres actionnaires et leur famille.
§ 2. Pour l'application de la présente section, il faut entendre par :
1° Entreprise familiale : une entreprise industrielle, commerciale, artisanale ou agricole ou une profession libérale, qui est exploitée et exécutée personnellement par le testateur ou son conjoint ou partenaire cohabitant, en collaboration ou non avec d'autres personnes;
2° Société de famille : une société ayant pour but l'exercice d'une activité industrielle, commerciale, artisanale ou agricole, ou d'une profession libérale.
Si la société ne répond pas aux exigences précédentes, mais détient au moins 30 % des actions d'au moins 1 filiale directe qui répond à ces conditions et ayant son siège de direction effective dans l'un des Etats membres de l'Espace économique européen, elle est également considérée comme une société de famille.
Les sociétés qui n'ont pas d'activité économique réelle, sont exclues de la réduction, visée au paragraphe 1er. Une société est censée ne pas avoir d'activité économique réelle lorsqu'il ressort de façon cumulative des postes du bilan soit des comptes annuels dans le cas d'une société visée au § 2, point 2°, alinéa premier, soit des comptes annuels consolidés dans le cas d'une société visée au § 2, point 2°, alinéa deux, d'au moins un des trois exercices précédant la date de décès du testateur :
- que les rémunérations, charges sociales et pensions représentent un pourcentage égal ou inférieur à 1,50 % des actifs totaux;
et
- que les terrains et bâtiments représentent plus de 50 % des actifs totaux.
Le bénéficiaire peut en fournir la preuve du contraire;
3° actions :
- chaque part avec droit de vote représentant une partie du capital social;
- les certificats d'actions délivrés par des personnes morales ayant leur siège dans l'un des Etats membres de l'Espace économique européen, à titre de représentation d'actions de sociétés familiales qui remplissent les conditions posées et dont la personne morale a l'obligation de transmettre sans délai et au plus tard dans le mois, les dividendes et autres plus-values au porteur du certificat;
4° partenaire cohabitant :
1° la personne qui, le jour de la donation, se trouve en situation de cohabitation légale avec le testateur au sens du titre Vbis du livre III du Code civil;
2° la personne ou les personnes qui, le jour de la donation, cohabitent au moins pendant trois ans de façon ininterrompue avec le testateur, vivant en ménage commun. Ces conditions sont censées être remplies également si la cohabitation et la vie en ménage commun avec le testateur consécutivement à la période susvisée de trois ans jusqu'au jour du décès, sont devenues impossible par force majeure. Un extrait du registre de la population constitue une présomption réfutable de cohabitation ininterrompue et de vie en ménage commun;
5° Famille du testateur ou de l'actionnaire, dont il est question au § 1er, point 2° :
a) le conjoint ou le partenaire cohabitant du testateur ou de l'actionnaire;
b) les alliés en ligne directe du testateur ou de l'actionnaire ainsi que leurs conjoints ou partenaires cohabitants;
c) les parents latéraux du testateur ou de l'actionnaire jusqu'au deuxième degré et leurs conjoints ou partenaires cohabitants;
d) enfants de frères et soeurs du testateur ou de l'actionnaire décédés antérieurement.
§ 3. Par valeur nette on entend la valeur de l'actif ou des actions diminuée des dettes, sauf celles qui ont été spécialement contractées afin d'acquérir ou de maintenir d'autres biens.
Au cas où une société est considérée, conformément au § 2, point 2°, alinéa deux, comme une société familiale, l'exemption est limitée aux valeurs des actions de la société dans les filiales directes ayant pour but l'exercice d'une activité industrielle, commerciale, artisanale ou agricole, ou d'une profession libérale et ayant leur siège de direction effective dans l'un des Etats membres de l'Espace économique européen.
Art. 60/2. L'article 60/1 n'est applicable que si les conditions suivantes sont remplies de manière cumulative :
1° Dans la déclaration, les obtenteurs doivent confirmer qu'ils souhaitent prétendre à la réduction, visée à l'article 60/1, et qu'il a été satisfait aux conditions dudit article;
2° Une attestation originale est jointe à l'acte, délivrée par les fonctionnaires de l'agence " Vlaamse Belastingdienst " autorisés par le Gouvernement flamand et certifiant qu'il a été satisfait aux conditions visées à l'article 60/1. Si cette attestation n'est pas introduite avant que les droits soient exigibles, ceux-ci doivent être payés, calculés au tarif normal, dans le délai légal, sans préjudice de l'application de l'article 135, 8°, du Code des droits de succession.
Art. 60/3. La réduction visée à l'article 60/1, § 1er, 1°, n'est maintenue que s'il est satisfait de manière cumulative aux conditions suivantes :
1° si l'activité de la société de famille est poursuivie pendant une durée ininterrompue de 3 ans à compter de la date du décès du testateur;
2° si et dans la mesure où les biens immeubles transmis en application de la réduction, ne sont pas affectés ni destinés partiellement ou totalement à l'habitation pendant une durée ininterrompue de 3 ans à compter de la date du décès du testateur.
La réduction visée à l'article 60/1, § 1er, 2°, n'est maintenue que s'il est satisfait de manière cumulative aux conditions suivantes :
1° si la société de famille continue à répondre, pendant une durée de 3 ans à compter de la date du décès du testateur aux conditions visées à l'article 60/1, § 2, 2° ;
2° si l'activité de la société de famille est poursuivie pendant une durée ininterrompue de 3 ans à compter de la date du décès du testateur et si un compte annuel ou un compte annuel consolidé est établi pour chacun des 3 ans et, le cas échéant, est publié conformément à la législation comptable en vigueur de l'Etat membre dans lequel est situé le siège social au moment de la date du décès, qui a également été affecté en responsabilité de la déclaration de l'impôt sur les revenus.
Des entreprises ou des sociétés dont le siège social est situé en dehors de la Région flamande, mais en Belgique, doivent établir un compte annuel ou un compte annuel consolidé et, le cas échéant, publier conformément à la législation comptable en vigueur en Belgique à la date du décès;
3° Si le capital ne diminue pas pendant les 3 ans à compter de la date du décès du testateur par des allocations ou des remboursements;
Si le capital diminue par des allocations ou remboursements dans les 3 ans suivant la date du décès du testateur, le tarif normal est dû proportionnellement;
4° Si le siège de direction effective de la société n'est pas transféré dans un Etat non membre de l'Espace économique européen pendant 3 ans à compter de la date du décès du testateur.
Art. 60/4. § 1er. Les obtenteurs qui souhaitent obtenir le bénéfice de l'article 60/1, adressent une demande écrite aux fonctionnaires de l'agence " Vlaamse Belastingdienst ", autorisés par le Gouvernement flamand, afin d'obtenir l'attestation visée à l'article 60/2, 2°. Cette demande est jointe de toutes les données faisant foi de preuve certifiant qu'il a été satisfait aux conditions posées. Le Gouvernement flamand détermine les conditions et les modalités dans lesquelles une attestation, visée à l'article 60/2, 2°, est demandée et délivrée.
§ 2. Les fonctionnaires de l'agence " Vlaamse Belastingdienst " autorisés par le Gouvernement flamand délivrent une nouvelle attestation au receveur compétent lorsqu'ils prennent connaissance ou constatent qu'il n'est plus satisfait aux conditions pour le maintien de la réduction.
Art. 60/5. § 1er. Après l'expiration d'un délai de 3 ans après la date du décès du testateur, les fonctionnaires autorisés par le Gouvernement flamand vérifient si les conditions, posées pour le maintien de la réduction, ont été remplies.
En cas de non respect des conditions tel que visé à l'alinéa précédent, les droits qui sont censés être dus, sont calculés au tarif ordinaire, sans application de la réduction.
§ 2. Si des droits ordinaires sont dus parce que les conditions, posées en vue du maintien de la réduction, ne sont plus satisfaites, les bénéficiaires peuvent le notifier auprès des fonctionnaires de l'agence " Vlaamse Belastingdienst ", autorisés par le Gouvernement flamand. Le Gouvernement flamand arrête les conditions et les modalités de cette notification.
En cas de non respect des conditions tel que visé à l'alinéa précédent, les droits qui sont censés être dus, sont calculés au tarif ordinaire, sans application de la réduction.
Art. 60/6. Les fonctionnaires de l'agence " Vlaamse Belastingdienst ", autorisés par le Gouvernement flamand peuvent, sans déplacement, demander les renseignements nécessaires aux obtenteurs, ils peuvent également demander de pouvoir consulter les pièces nécessaires, afin de pouvoir vérifier si les conditions, posées dans la présente section, ont été remplies.
Si les renseignements ou les pièces visés à l'alinéa premier, ne sont pas communiqués dans un délai de 2 mois à compter du troisième jour ouvrable suivant la date de l'envoi de la demande, le droit à la réduction dont il est question dans la présente section, échoit.
Si la réduction échoit conformément à l'alinéa 2, les droits qui sont censés être dus, sont calculés au tarif proportionnel, sans application de la réduction.
Art. 60/7. § 1er. Les obtenteurs peuvent introduire un recours auprès des fonctionnaires de l'agence " Vlaamse Belastingdienst ", autorisés par le Gouvernement flamand, contre la décision par laquelle la délivrance d'une attestation, telle que visée à l'article 60/4, § 2, est refusée. Ce recours motivé doit être introduit par lettre au plus tard dans les trois mois à compter du troisième jour ouvrable suivant la date d'envoi de la décision administrative par laquelle la demande d'attestation est rejetée ou par laquelle la notification de déchéance est faite, à cause de la non-conformité aux conditions requises pour le maintien.
Les fonctionnaires de l'agence " Vlaamse Belastingdienst " autorisés par le Gouvernement flamand, confirment la réception du recours par lettre aux personnes introduisant le recours et envoient, également par lettre, une copie du recours au receveur du bureau où doit être introduite ou a été introduite la déclaration de la succession.'
Au plus tard 4 mois après la date de réception du recours, visée à l'alinéa précédent, les fonctionnaires de l'agence " Vlaamse Belastingdienst " autorisés par le Gouvernement flamand, envoient leur décision motivée sur le recours par lettre aux demandeurs et en même temps au receveur du bureau où la déclaration de la succession doit être ou a été introduite. Faute de notification de la décision motivée dans le délai imparti, le recours est censé être accepté. ".
" Section III. Dispositions particulières pour acquérir des entreprises et des sociétés
Art. 60/1. § 1er. Par dérogation à l'article 48 le droit de succession et de mutation par décès est réduit à 3 % pour une acquisition en ligne directe et entre conjoints ou entre partenaires cohabitants et à 7 % pour une acquisition entres d'autres personnes pour :
1° la donation de la pleine propriété, la nue-propriété ou l'usufruit des actifs qui sont investies par le testateur, son conjoint ou le partenaire cohabitant, sont investis dans une entreprise familiale.
Cette réduction n'est pas applicable à l'acquisition de biens immeubles affectés ou destinés principalement à l'habitation;
2° la donation de la pleine propriété, de l'usufruit ou l'usufruit des actions d'une entreprise familiale dont le siège de direction effective est situé dans l'un des Etats membres de l'Espace Economique Européen, à conditions que les actions de la société au moment de la donation appartiennent pour au moins 50 % en pleine propriété au testateur et/ou à sa famille.
Par dérogation à l'alinéa précédent, les actions de la société doivent appartenir au moment du décès pour au moins 30 % en pleine propriété au testateur et/ou à sa famille s'il est :
- soit le propriétaire à part entière d'au moins 70 % des actions de la société ensemble avec 1 autre actionnaire et sa famille;
- soit le propriétaire à part entière d'au moins 90 % des actions de la société ensemble avec deux autres actionnaires et leur famille.
§ 2. Pour l'application de la présente section, il faut entendre par :
1° Entreprise familiale : une entreprise industrielle, commerciale, artisanale ou agricole ou une profession libérale, qui est exploitée et exécutée personnellement par le testateur ou son conjoint ou partenaire cohabitant, en collaboration ou non avec d'autres personnes;
2° Société de famille : une société ayant pour but l'exercice d'une activité industrielle, commerciale, artisanale ou agricole, ou d'une profession libérale.
Si la société ne répond pas aux exigences précédentes, mais détient au moins 30 % des actions d'au moins 1 filiale directe qui répond à ces conditions et ayant son siège de direction effective dans l'un des Etats membres de l'Espace économique européen, elle est également considérée comme une société de famille.
Les sociétés qui n'ont pas d'activité économique réelle, sont exclues de la réduction, visée au paragraphe 1er. Une société est censée ne pas avoir d'activité économique réelle lorsqu'il ressort de façon cumulative des postes du bilan soit des comptes annuels dans le cas d'une société visée au § 2, point 2°, alinéa premier, soit des comptes annuels consolidés dans le cas d'une société visée au § 2, point 2°, alinéa deux, d'au moins un des trois exercices précédant la date de décès du testateur :
- que les rémunérations, charges sociales et pensions représentent un pourcentage égal ou inférieur à 1,50 % des actifs totaux;
et
- que les terrains et bâtiments représentent plus de 50 % des actifs totaux.
Le bénéficiaire peut en fournir la preuve du contraire;
3° actions :
- chaque part avec droit de vote représentant une partie du capital social;
- les certificats d'actions délivrés par des personnes morales ayant leur siège dans l'un des Etats membres de l'Espace économique européen, à titre de représentation d'actions de sociétés familiales qui remplissent les conditions posées et dont la personne morale a l'obligation de transmettre sans délai et au plus tard dans le mois, les dividendes et autres plus-values au porteur du certificat;
4° partenaire cohabitant :
1° la personne qui, le jour de la donation, se trouve en situation de cohabitation légale avec le testateur au sens du titre Vbis du livre III du Code civil;
2° la personne ou les personnes qui, le jour de la donation, cohabitent au moins pendant trois ans de façon ininterrompue avec le testateur, vivant en ménage commun. Ces conditions sont censées être remplies également si la cohabitation et la vie en ménage commun avec le testateur consécutivement à la période susvisée de trois ans jusqu'au jour du décès, sont devenues impossible par force majeure. Un extrait du registre de la population constitue une présomption réfutable de cohabitation ininterrompue et de vie en ménage commun;
5° Famille du testateur ou de l'actionnaire, dont il est question au § 1er, point 2° :
a) le conjoint ou le partenaire cohabitant du testateur ou de l'actionnaire;
b) les alliés en ligne directe du testateur ou de l'actionnaire ainsi que leurs conjoints ou partenaires cohabitants;
c) les parents latéraux du testateur ou de l'actionnaire jusqu'au deuxième degré et leurs conjoints ou partenaires cohabitants;
d) enfants de frères et soeurs du testateur ou de l'actionnaire décédés antérieurement.
§ 3. Par valeur nette on entend la valeur de l'actif ou des actions diminuée des dettes, sauf celles qui ont été spécialement contractées afin d'acquérir ou de maintenir d'autres biens.
Au cas où une société est considérée, conformément au § 2, point 2°, alinéa deux, comme une société familiale, l'exemption est limitée aux valeurs des actions de la société dans les filiales directes ayant pour but l'exercice d'une activité industrielle, commerciale, artisanale ou agricole, ou d'une profession libérale et ayant leur siège de direction effective dans l'un des Etats membres de l'Espace économique européen.
Art. 60/2. L'article 60/1 n'est applicable que si les conditions suivantes sont remplies de manière cumulative :
1° Dans la déclaration, les obtenteurs doivent confirmer qu'ils souhaitent prétendre à la réduction, visée à l'article 60/1, et qu'il a été satisfait aux conditions dudit article;
2° Une attestation originale est jointe à l'acte, délivrée par les fonctionnaires de l'agence " Vlaamse Belastingdienst " autorisés par le Gouvernement flamand et certifiant qu'il a été satisfait aux conditions visées à l'article 60/1. Si cette attestation n'est pas introduite avant que les droits soient exigibles, ceux-ci doivent être payés, calculés au tarif normal, dans le délai légal, sans préjudice de l'application de l'article 135, 8°, du Code des droits de succession.
Art. 60/3. La réduction visée à l'article 60/1, § 1er, 1°, n'est maintenue que s'il est satisfait de manière cumulative aux conditions suivantes :
1° si l'activité de la société de famille est poursuivie pendant une durée ininterrompue de 3 ans à compter de la date du décès du testateur;
2° si et dans la mesure où les biens immeubles transmis en application de la réduction, ne sont pas affectés ni destinés partiellement ou totalement à l'habitation pendant une durée ininterrompue de 3 ans à compter de la date du décès du testateur.
La réduction visée à l'article 60/1, § 1er, 2°, n'est maintenue que s'il est satisfait de manière cumulative aux conditions suivantes :
1° si la société de famille continue à répondre, pendant une durée de 3 ans à compter de la date du décès du testateur aux conditions visées à l'article 60/1, § 2, 2° ;
2° si l'activité de la société de famille est poursuivie pendant une durée ininterrompue de 3 ans à compter de la date du décès du testateur et si un compte annuel ou un compte annuel consolidé est établi pour chacun des 3 ans et, le cas échéant, est publié conformément à la législation comptable en vigueur de l'Etat membre dans lequel est situé le siège social au moment de la date du décès, qui a également été affecté en responsabilité de la déclaration de l'impôt sur les revenus.
Des entreprises ou des sociétés dont le siège social est situé en dehors de la Région flamande, mais en Belgique, doivent établir un compte annuel ou un compte annuel consolidé et, le cas échéant, publier conformément à la législation comptable en vigueur en Belgique à la date du décès;
3° Si le capital ne diminue pas pendant les 3 ans à compter de la date du décès du testateur par des allocations ou des remboursements;
Si le capital diminue par des allocations ou remboursements dans les 3 ans suivant la date du décès du testateur, le tarif normal est dû proportionnellement;
4° Si le siège de direction effective de la société n'est pas transféré dans un Etat non membre de l'Espace économique européen pendant 3 ans à compter de la date du décès du testateur.
Art. 60/4. § 1er. Les obtenteurs qui souhaitent obtenir le bénéfice de l'article 60/1, adressent une demande écrite aux fonctionnaires de l'agence " Vlaamse Belastingdienst ", autorisés par le Gouvernement flamand, afin d'obtenir l'attestation visée à l'article 60/2, 2°. Cette demande est jointe de toutes les données faisant foi de preuve certifiant qu'il a été satisfait aux conditions posées. Le Gouvernement flamand détermine les conditions et les modalités dans lesquelles une attestation, visée à l'article 60/2, 2°, est demandée et délivrée.
§ 2. Les fonctionnaires de l'agence " Vlaamse Belastingdienst " autorisés par le Gouvernement flamand délivrent une nouvelle attestation au receveur compétent lorsqu'ils prennent connaissance ou constatent qu'il n'est plus satisfait aux conditions pour le maintien de la réduction.
Art. 60/5. § 1er. Après l'expiration d'un délai de 3 ans après la date du décès du testateur, les fonctionnaires autorisés par le Gouvernement flamand vérifient si les conditions, posées pour le maintien de la réduction, ont été remplies.
En cas de non respect des conditions tel que visé à l'alinéa précédent, les droits qui sont censés être dus, sont calculés au tarif ordinaire, sans application de la réduction.
§ 2. Si des droits ordinaires sont dus parce que les conditions, posées en vue du maintien de la réduction, ne sont plus satisfaites, les bénéficiaires peuvent le notifier auprès des fonctionnaires de l'agence " Vlaamse Belastingdienst ", autorisés par le Gouvernement flamand. Le Gouvernement flamand arrête les conditions et les modalités de cette notification.
En cas de non respect des conditions tel que visé à l'alinéa précédent, les droits qui sont censés être dus, sont calculés au tarif ordinaire, sans application de la réduction.
Art. 60/6. Les fonctionnaires de l'agence " Vlaamse Belastingdienst ", autorisés par le Gouvernement flamand peuvent, sans déplacement, demander les renseignements nécessaires aux obtenteurs, ils peuvent également demander de pouvoir consulter les pièces nécessaires, afin de pouvoir vérifier si les conditions, posées dans la présente section, ont été remplies.
Si les renseignements ou les pièces visés à l'alinéa premier, ne sont pas communiqués dans un délai de 2 mois à compter du troisième jour ouvrable suivant la date de l'envoi de la demande, le droit à la réduction dont il est question dans la présente section, échoit.
Si la réduction échoit conformément à l'alinéa 2, les droits qui sont censés être dus, sont calculés au tarif proportionnel, sans application de la réduction.
Art. 60/7. § 1er. Les obtenteurs peuvent introduire un recours auprès des fonctionnaires de l'agence " Vlaamse Belastingdienst ", autorisés par le Gouvernement flamand, contre la décision par laquelle la délivrance d'une attestation, telle que visée à l'article 60/4, § 2, est refusée. Ce recours motivé doit être introduit par lettre au plus tard dans les trois mois à compter du troisième jour ouvrable suivant la date d'envoi de la décision administrative par laquelle la demande d'attestation est rejetée ou par laquelle la notification de déchéance est faite, à cause de la non-conformité aux conditions requises pour le maintien.
Les fonctionnaires de l'agence " Vlaamse Belastingdienst " autorisés par le Gouvernement flamand, confirment la réception du recours par lettre aux personnes introduisant le recours et envoient, également par lettre, une copie du recours au receveur du bureau où doit être introduite ou a été introduite la déclaration de la succession.'
Au plus tard 4 mois après la date de réception du recours, visée à l'alinéa précédent, les fonctionnaires de l'agence " Vlaamse Belastingdienst " autorisés par le Gouvernement flamand, envoient leur décision motivée sur le recours par lettre aux demandeurs et en même temps au receveur du bureau où la déclaration de la succession doit être ou a été introduite. Faute de notification de la décision motivée dans le délai imparti, le recours est censé être accepté. ".
Art. 83. In artikel 66bis van hetzelfde wetboek worden de woorden " - schenkingen van ondernemingen waarop het in artikel 140bis van hetzelfde wetboek bepaalde evenredig recht werd geheven. " vervangen door de woorden " - schenkingen van ondernemingen waarop het in artikel 140bis van hetzelfde wetboek bepaalde evenredig recht werd geheven of waarvoor vanaf 1 januari 2012 de in artikel 140bis van hetzelfde wetboek bepaalde vrijstelling werd toegepast.
Art. 83. Dans l'article 66bis du même code, les mots " - aux donations d'entreprises ayant fait l'objet du droit proportionnel fixé à l'article 140bis du même Code " sont remplacés par les mots " - aux donations d'entreprises ayant fait l'objet du droit proportionnel fixé à l'article 140bis du même Code ou pour lesquelles l'exemption fixée à l'article 140bis du même Code a été appliquée à partir du 1er janvier 2012 ".
Art. 84. In artikel 135, 8°, van hetzelfde wetboek wordt de zin " wanneer, in het geval van artikel 60bis, het attest bedoeld in paragraaf 10 van dat artikel neergelegd wordt bij de ontvanger binnen twee jaar na de betaling van de belasting; " vervangen door de zin " wanneer, in het geval van toepassing van artikel 60/1, het attest bedoeld in artikel 60/2 neergelegd wordt bij de ontvanger binnen twee jaar na de betaling van de belasting; ".
Art. 84. A l'article 135, 8° du même code, la phrase " lorsque, dans le cas prévu à l'article 60bis, l'attestation visée au § 10 dudit article est déposé chez le receveur dans les 2 ans du paiement de l'impôt; " est remplacée par la phrase " lorsque, dans le cas prévu à l'article 60/1, l'attestation visée à l'article 60/2 est déposée chez le receveur dans les deux ans du paiement de l'impôt; ".
HOOFDSTUK 18. - Vlaams Fonds voor de Lastendelging
CHAPITRE 18. - Fonds flamand d'Amortissement des Charges
Art. 85. In artikel 53, § 2, eerste lid, van het decreet van 21 december 1994 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1995, worden tussen de woorden " het Vlaamse Gewest " en de woorden " na te komen ", de woorden " of hun verzelfstandigde agentschappen bedoeld in het kaderdecreet bestuurlijk beleid van 18 juli 2003 of de Vlaamse publiekrechtelijke rechtspersonen, " ingevoegd.
Art. 85. A l'article 53, § 2, alinéa premier, du décret du 21 décembre 1994 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 1995, les mots " ou leurs agences autonomisées visées au décret cadre sur la politique administrative du 18 juillet 2003 ou les personnes morales de droit public flamandes " sont insérés après les mots " et de la Région flamande ".
HOOFDSTUK 19. - Steunpunten beleidsrelevant onderzoek
CHAPITRE 19. - Antennes pour la recherche scientifique appliquée à la gestion
Art. 86. In artikel 8bis van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de wetenschappelijke of maatschappelijke dienstverlening door de universiteiten of de hogescholen en betreffende de relaties van de universiteiten en de hogescholen met andere rechtspersonen, ingevoegd bij het decreet van 22 december 2006, wordt aan paragraaf 2 een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" Bij uitzondering worden de steunpunten die in 2012 van start gaan erkend voor een termijn van vier jaar, zijnde tot eind 2015. De Vlaamse Regering bepaalt in 2015 de lijst van thema's voor de in 2016 startende erkenningstermijn. ".
" Bij uitzondering worden de steunpunten die in 2012 van start gaan erkend voor een termijn van vier jaar, zijnde tot eind 2015. De Vlaamse Regering bepaalt in 2015 de lijst van thema's voor de in 2016 startende erkenningstermijn. ".
Art. 86. A l'article 8bis du décret du 22 février 1995 relatif aux services scientifiques ou sociaux fournis par les universités ou les instituts supérieurs et aux rapports de ceux-ci avec d'autres personnes morales, inséré par le décret du 22 décembre 2006, le paragraphe 2 est complété par un alinéa trois, rédigé comme suit :
" A titre d'exception, les antennes qui commencent en 2012 sont agréées pour un délai de quatre ans, soit jusqu'à la fin de 2015. En 2015 le Gouvernement flamand arrête la liste des thèmes pour le délai d'agrément commençant en 2016. ".
" A titre d'exception, les antennes qui commencent en 2012 sont agréées pour un délai de quatre ans, soit jusqu'à la fin de 2015. En 2015 le Gouvernement flamand arrête la liste des thèmes pour le délai d'agrément commençant en 2016. ".
HOOFDSTUK 20. - Slotbepalingen
CHAPITRE 20. - Dispositions finales
Art. 87. Dit decreet treedt in werking op 1 januari 2012, met uitzondering van :
- artikel 4, dat in werking treedt op 1 september 2012, met uitzondering van punt 1° en punt 2° die uitwerking hebben met ingang van 1 september 2011;
- artikel 5, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2011;
- artikel 19, dat uitwerking heeft met ingang van 1 september 2011;
- artikel 25, dat uitwerking heeft met ingang van 1 september 2011;
- artikel 37, dat in werking treedt met ingang van 1 januari 2011;
- artikel 57, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2010;
- artikel 81, dat uitwerking heeft met ingang van 1 april 2011.
- artikel 4, dat in werking treedt op 1 september 2012, met uitzondering van punt 1° en punt 2° die uitwerking hebben met ingang van 1 september 2011;
- artikel 5, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2011;
- artikel 19, dat uitwerking heeft met ingang van 1 september 2011;
- artikel 25, dat uitwerking heeft met ingang van 1 september 2011;
- artikel 37, dat in werking treedt met ingang van 1 januari 2011;
- artikel 57, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2010;
- artikel 81, dat uitwerking heeft met ingang van 1 april 2011.
Art. 87. Le présent décret entre en vigueur le 1er janvier 2012, à l'exception :
- de l'article 4, qui produit ses effets le 1er septembre 2012, à l'exception des points 1° et 2°, qui produisent leurs effets le 1er septembre 2011;
- de l'article 5, qui produit ses effets le 1er janvier 2011;
- de l'article 19, qui produit ses effets le 1er septembre 2011;
- de l'article 25, qui produit ses effets le 1er septembre 2011;
- de l'article 37, qui produit ses effets le 1er janvier 2011;
- de l'article 57, qui produit ses effets le 1er janvier 2010;
- de l'article 81, qui produit ses effets le 1er avril 2011.
- de l'article 4, qui produit ses effets le 1er septembre 2012, à l'exception des points 1° et 2°, qui produisent leurs effets le 1er septembre 2011;
- de l'article 5, qui produit ses effets le 1er janvier 2011;
- de l'article 19, qui produit ses effets le 1er septembre 2011;
- de l'article 25, qui produit ses effets le 1er septembre 2011;
- de l'article 37, qui produit ses effets le 1er janvier 2011;
- de l'article 57, qui produit ses effets le 1er janvier 2010;
- de l'article 81, qui produit ses effets le 1er avril 2011.