Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
23 DECEMBER 2010. - Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2011 (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 31-12-2010 en tekstbijwerking tot 29-12-2015)
Titre
23 DECEMBRE 2010. - Décret contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2011 (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 31-12-2010 et mise à jour au 29-12-2015)
Dokumentinformationen
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK 1. - Algemeen
HOOFDSTUK 2. - Onderwijs
Afdeling 1. - Basisonderwijs
Afdeling 2. - Secundair onderwijs
Afdeling 3. - Centra voor Leerlingenbegeleiding
Afdeling 4. - Deeltijds kunstonderwijs
Afdeling 5. - Volwassenenonderwijs
Afdeling 6. - Schoolinfrastructuur
Afdeling 7. - Ondersteuning van de scholen in B...
Afdeling 8. - Hoger onderwijs
Afdeling 9. - Universiteiten
Afdeling 10. - Aanmoedigingsfonds voor beleidss...
HOOFDSTUK 3. - Belasting op spelen en weddensch...
HOOFDSTUK 4. - Overname van de dienst van de ve...
Afdeling 1. - Wijzigingen in het Wetboek van de...
Onderafdeling 1. - Gemeenschappelijke bepalingen
Onderafdeling 2. - Verkeersbelasting op de auto...
Onderafdeling 3. - Belasting op de inverkeerste...
Afdeling 2. - Wijzigingen in de eurovignetwet v...
Afdeling 3. - Wijzigingen in het decreet van 9 ...
Afdeling 4. - Machtiging tot aanwending van DIV...
HOOFDSTUK 5. - Vrijstelling onroerende voorheff...
HOOFDSTUK 6. - Aanwending van terug te geven of...
HOOFDSTUK 7.
HOOFDSTUK 8. - Jeugd
HOOFDSTUK 9. - Ad-hocwaarborgen voor ondernemingen
HOOFDSTUK 10. - Oppervlaktewateren
Afdeling 1. - Bescherming van de oppervlaktewat...
Afdeling 2. - Grondwaterbeheer
HOOFDSTUK 11. - Extern onderzoeksprojectfonds INBO
HOOFDSTUK 12. - Vlaams Stedenfonds
HOOFDSTUK 13. - Gesubsidieerde infrastructuur t...
HOOFDSTUK 14. - Projectmatig wetenschappelijk o...
HOOFDSTUK 15. - Dagcentra voor palliatieve verz...
HOOFDSTUK 16. - Werkelijke indexevolutie subsid...
HOOFDSTUK 17. - Besparing index werking beleids...
HOOFDSTUK 18. - Volkshogescholen
HOOFDSTUK 19. - Gemeenschappelijke Sociale Dien...
HOOFDSTUK 20. - DAB Overheidspersoneel
HOOFDSTUK 21. - Vlaams integratiebeleid
HOOFDSTUK 22. - Raad voor vergunningsbetwistingen
HOOFDSTUK 23. - Vlaamse forfaitaire verminderin...
HOOFDSTUK 24. - Slotbepalingen
Inhoud
CHAPITRE 1er. - Généralités
CHAPITRE 2. - Enseignement
Section 1re. - Enseignement fondamental
Section 2. - Enseignement secondaire
Section 3. - Centres d'encadrement des élèves
Section 4. - Enseignement artistique à temps pa...
Section 5. - Education des adultes
Section 6. - Infrastructure scolaire
Section 7. - Soutien des écoles à Bruxelles
Section 8. - Enseignement supérieur
Section 9. - Universités
Section 10. - Fonds d'encouragement pour les fe...
CHAPITRE 3. - Taxe sur les jeux et les paris
CHAPITRE 4. - Reprise du Service des taxes de c...
Section 1re. - Modifications du Code des taxes ...
Sous-section 1re. - Dispositions communes
Sous-section 2. - Taxe de circulation sur les v...
Sous-section 3. - Taxe sur la mise en circulation
Section 2. - Modifications de la Loi relative à...
Section 3. - Modifications du décret du 9 juill...
Section 4. - Autorisation d'utilisation des don...
CHAPITRE 5. - Exonération du précompte immobili...
CHAPITRE 6. - Affectation des sommes à rembours...
CHAPITRE 7.
CHAPITRE 8. - Jeunesse
CHAPITRE 9. - Garanties ad hoc pour entreprises
CHAPITRE 10. - Eaux de surface
Section 1re. - Protection des eaux de surface c...
Section 2. - Gestion des eaux souterraines
CHAPITRE 11. - Fonds externe de projet de reche...
CHAPITRE 12. - Vlaams Stedenfonds (Fonds flaman...
CHAPITRE 13. - Infrastructure subventionnée à S...
CHAPITRE 14. - Recherche scientifique thématique
CHAPITRE 15. - Centres de jour de soins palliatifs
CHAPITRE 16. - Evolution réelle de l'indice des...
CHAPITRE 17. - Economie indice fonctionnement d...
CHAPITRE 18. - Universités populaires
CHAPITRE 19. - Service social commun des Pouvoi...
CHAPITRE 20. - SGS Fonction publique
CHAPITRE 21. - Politique flamande de l'intégration
CHAPITRE 22. - Conseil pour les contestations d...
CHAPITRE 23. - Réduction forfaitaire flamande d...
CHAPITRE 24. - Dispositions finales
Tekst (131)
Texte (131)
HOOFDSTUK 1. - Algemeen
CHAPITRE 1er. - Généralités
Artikel 1. Dit decreet regelt een gemeenschaps- en gewestaangelegenheid.
Article 1er. Le présent décret règle une matière communautaire et régionale.
HOOFDSTUK 2. - Onderwijs
CHAPITRE 2. - Enseignement
Afdeling 1. - Basisonderwijs
Section 1re. - Enseignement fondamental
Art. 2. In artikel 79, § 3, 3°, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, het laatst gewijzigd bij het decreet van 18 december 2009, worden tussen het woord " 2010 " en het woord " gelijk " de woorden " en 2011 " ingevoegd.
Art. 2. Dans l'article 79, § 3, 3°, du décret relatif à l'enseignement fondamental du 25 février 1997, modifié en dernier lieu par le décret du 18 décembre 2009, les mots "pour l'année budgétaire 2010" sont remplacés par les mots "pour les années budgétaires 2010 et 2011".
Art. 3. In artikel 85bis, § 3, 3°, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, ingevoegd bij het decreet van 4 juli 2008, gewijzigd bij de decreten van 19 december 2008 en 18 december 2009, worden tussen het woord " 2010 " en het woord " gelijk " de woorden " en 2011 " ingevoegd.
Art. 3. Dans l'article 85bis, § 3, 3°, du décret relatif à l'enseignement fondamental du 25 février 1997, inséré par le décret du 4 juillet 2008, modifié par les décrets des 19 décembre 2008 et 18 décembre 2009, les mots "pour l'année budgétaire 2010" sont remplacés par les mots "pour les années budgétaires 2010 et 2011".
Afdeling 2. - Secundair onderwijs
Section 2. - Enseignement secondaire
Art. 4. In artikel 6, § 3, 3°, van het decreet van 4 juli 2008 betreffende de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 wat de werkingsbudgetten betreft, zoals gewijzigd bij het decreet van 18 december 2009, worden tussen het woord " 2010 " en het woord " gelijk " de woorden " en 2011 " ingevoegd.
Art. 4. Dans l'article 6, § 3, 3°, du décret du 4 juillet 2008 relatif aux budgets de fonctionnement dans l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental du 25 février 1997 pour ce qui concerne les budgets de fonctionnement, tel que modifié par le décret du 18 décembre 2009, les mots "pour l'année budgétaire 2010" sont remplacés par les mots "pour les années budgétaires 2010 et 2011".
Art. 5. In artikel 13, § 3, 3°, van het decreet van 4 juli 2008 betreffende de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 wat de werkingsbudgetten betreft, zoals gewijzigd bij het decreet van 18 december 2009, worden tussen het woord " 2010 " en het woord " gelijk " de woorden " en 2011 " ingevoegd.
Art. 5. Dans l'article 13, § 3, 3°, du décret du 4 juillet 2008 relatif aux budgets de fonctionnement dans l'enseignement secondaire et modifiant le décret relatif à l'enseignement fondamental du 25 février 1997 pour ce qui concerne les budgets de fonctionnement, tel que modifié par le décret du 18 décembre 2009, les mots "pour l'année budgétaire 2010" sont remplacés par les mots "pour les années budgétaires 2010 et 2011".
Afdeling 3. - Centra voor Leerlingenbegeleiding
Section 3. - Centres d'encadrement des élèves
Art. 6. In artikel 53, § 2, van het decreet van 1 december 1998 betreffende de Centra voor Leerlingenbegeleiding, gewijzigd bij het decreet van 18 december 2009, wordt het jaartal " 2011 " vervangen door het jaartal " 2012 ", en wordt het jaartal " 2010 " vervangen door het jaartal " 2011 ".
Art. 6. Dans l'article 53, § 2, du décret du 1er décembre 1998 relatif aux centres d'encadrement des élèves, modifié par le décret du 18 décembre 2009, l'année " 2011 " est remplacée par l'année " 2012 ", et l'année " 2010 " est remplacée par l'année " 2011 ".
Afdeling 4. - Deeltijds kunstonderwijs
Section 4. - Enseignement artistique à temps partiel
Art. 7. In het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II wordt een artikel 93quater ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 93quater. In afwijking van artikel 93bis en artikel 93ter, § 1 tot en met § 6, kunnen in het schooljaar 2011-2012 en 2012-2013 geen nieuwe instellingen voor deeltijds kunstonderwijs en kunstacademies worden opgericht.
In afwijking van deze bepaling kan de Vlaamse Regering in uitzonderlijke gevallen aan een inrichtende macht toelating geven tot programmatie van een instelling of een kunstacademie :
1° na schriftelijke en gemotiveerde aanvraag van die inrichtende macht, ingediend bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten vóór 1 maart van het voorafgaand schooljaar en vergezeld van het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegd lokaal comité, en
2° na advies van enerzijds de Vlaamse Onderwijsraad en anderzijds het Agentschap voor Onderwijsdiensten en de Inspectie. "
" Art. 93quater. In afwijking van artikel 93bis en artikel 93ter, § 1 tot en met § 6, kunnen in het schooljaar 2011-2012 en 2012-2013 geen nieuwe instellingen voor deeltijds kunstonderwijs en kunstacademies worden opgericht.
In afwijking van deze bepaling kan de Vlaamse Regering in uitzonderlijke gevallen aan een inrichtende macht toelating geven tot programmatie van een instelling of een kunstacademie :
1° na schriftelijke en gemotiveerde aanvraag van die inrichtende macht, ingediend bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten vóór 1 maart van het voorafgaand schooljaar en vergezeld van het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegd lokaal comité, en
2° na advies van enerzijds de Vlaamse Onderwijsraad en anderzijds het Agentschap voor Onderwijsdiensten en de Inspectie. "
Art. 7. Dans le décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement-II, il est inséré un article 93quater, rédigé comme suit :
" Art. 93quater. Par dérogation à l'article 93bis et à l'article 93ter, §§ 1er à 6 inclus, aucun nouvel établissement d'enseignement artistique à temps partiel et aucune nouvelle académie artistique ne peuvent être créés pendant l'année scolaire 2011-2012 et 2012-2013.
Par dérogation à cette disposition, le Gouvernement peut, dans des cas exceptionnels, autoriser un pouvoir organisateur à programmer un établissement ou une académie artistique :
1° après demande écrite et motivée de ce pouvoir organisateur, déposée auprès de l'"Agentschap voor Onderwijsdiensten" (Agence de Services d'Enseignement) avant le 1er mars de l'année scolaire précédente et accompagnée du protocole de négociation en la matière dans le comité local intéressé, et
2° après avis du "Vlaamse Onderwijsraad" (Conseil flamand de l'Enseignement) d'une part et de " l'Agentschap voor Onderwijsdiensten " (Agence de Services d'Enseignement) et de l'Inspection d'autre part. " .
" Art. 93quater. Par dérogation à l'article 93bis et à l'article 93ter, §§ 1er à 6 inclus, aucun nouvel établissement d'enseignement artistique à temps partiel et aucune nouvelle académie artistique ne peuvent être créés pendant l'année scolaire 2011-2012 et 2012-2013.
Par dérogation à cette disposition, le Gouvernement peut, dans des cas exceptionnels, autoriser un pouvoir organisateur à programmer un établissement ou une académie artistique :
1° après demande écrite et motivée de ce pouvoir organisateur, déposée auprès de l'"Agentschap voor Onderwijsdiensten" (Agence de Services d'Enseignement) avant le 1er mars de l'année scolaire précédente et accompagnée du protocole de négociation en la matière dans le comité local intéressé, et
2° après avis du "Vlaamse Onderwijsraad" (Conseil flamand de l'Enseignement) d'une part et de " l'Agentschap voor Onderwijsdiensten " (Agence de Services d'Enseignement) et de l'Inspection d'autre part. " .
Art. 8. Artikel 57ter van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichtingen muziek, woordkunst en dans, wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 57ter. In afwijking van artikel 5, artikel 52, § 2, § 2bis en § 7, artikel 53, § 1 tot en met § 1septies, artikel 54 en artikel 57, § 1, kunnen vanaf het schooljaar 2011-2012 in het deeltijds kunstonderwijs geen andere instellingen, filialen, studierichtingen, hogere graden en opties in de financierings- of subsidieregeling opgenomen worden, dan diegene die op 30 juni van het voorafgaande schooljaar reeds opgenomen waren. Instellingen die in één of meer van hun opties het vak instrument, instrument/jazz en lichte muziek of instrument/volksmuziek organiseren, kunnen in afwijking van artikel 6, § 1, 2° tot en met 4°, in de gelijknamige vakken geen instrumenten aanbieden die zij nog niet aanboden op 30 juni van het voorafgaande schooljaar.
In afwijking van deze bepaling kan de Vlaamse Regering in uitzonderlijke gevallen aan een inrichtende macht toelating geven tot programmatie van een instelling, filiaal, studierichting of hogere graad, de oprichting van een optie of het aanbieden van een bijkomend instrument in het vak instrument, instrument/jazz en lichte muziek of instrument/volksmuziek :
1° na schriftelijke en gemotiveerde aanvraag van die inrichtende macht, ingediend bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten vóór 1 maart van het voorafgaand schooljaar en vergezeld van het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegd lokaal comité, en
2° na advies van enerzijds de Vlaamse Onderwijsraad en anderzijds het Agentschap voor Onderwijsdiensten en de Inspectie. "
" Art. 57ter. In afwijking van artikel 5, artikel 52, § 2, § 2bis en § 7, artikel 53, § 1 tot en met § 1septies, artikel 54 en artikel 57, § 1, kunnen vanaf het schooljaar 2011-2012 in het deeltijds kunstonderwijs geen andere instellingen, filialen, studierichtingen, hogere graden en opties in de financierings- of subsidieregeling opgenomen worden, dan diegene die op 30 juni van het voorafgaande schooljaar reeds opgenomen waren. Instellingen die in één of meer van hun opties het vak instrument, instrument/jazz en lichte muziek of instrument/volksmuziek organiseren, kunnen in afwijking van artikel 6, § 1, 2° tot en met 4°, in de gelijknamige vakken geen instrumenten aanbieden die zij nog niet aanboden op 30 juni van het voorafgaande schooljaar.
In afwijking van deze bepaling kan de Vlaamse Regering in uitzonderlijke gevallen aan een inrichtende macht toelating geven tot programmatie van een instelling, filiaal, studierichting of hogere graad, de oprichting van een optie of het aanbieden van een bijkomend instrument in het vak instrument, instrument/jazz en lichte muziek of instrument/volksmuziek :
1° na schriftelijke en gemotiveerde aanvraag van die inrichtende macht, ingediend bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten vóór 1 maart van het voorafgaand schooljaar en vergezeld van het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegd lokaal comité, en
2° na advies van enerzijds de Vlaamse Onderwijsraad en anderzijds het Agentschap voor Onderwijsdiensten en de Inspectie. "
Art. 8. L'article 57ter de l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 juillet 1990 portant organisation de l'enseignement artistique à temps partiel, orientations musique, arts de la parole et danse, est remplacé par les dispositions suivantes :
" Art. 57ter. Par dérogation à l'article 5, l'article 52, § 2, § 2bis et § 7, l'article 53, §§ 1er à 1septies inclus, l'article 54 et l'article 57, § 1er, aucun autre établissement, aucune autre filiale, orientation d'étude et aucun autre degré supérieur ne peuvent être repris dans la réglementation de financement ou de subventionnement dans l'enseignement artistique à temps partiel à partir de l'année scolaire 2011-2012, que ceux qui y étaient déjà repris le 30 juin de l'année scolaire précédente. Par dérogation à l'article 6, § 1er, 2° à 4° inclus, les établissements qui organisent, dans une ou plusieurs de leurs options, le cours d'instrument, d'instrument/jazz et musique légère ou d'instrument/musique folklorique, ne peuvent, dans les cours du même nom, pas offrir des instruments qu'ils n'offraient pas encore le 30 juin de l'année scolaire précédente.
Par dérogation à cette disposition, le Gouvernement flamand peut, dans des cas exceptionnels, autoriser un pouvoir organisateur à programmer un établissement, une filiale, une orientation d'études ou un degré supérieur, la création d'une option ou l'offre d'un instrument supplémentaire dans le cours d'instrument, d'instrument/jazz et musique légère ou d'instrument/musique folklorique :
1° après demande écrite et motivée de ce pouvoir organisateur, déposée auprès de l'"Agentschap voor Onderwijsdiensten" (Agence de Services d'Enseignement) avant le 1er mars de l'année scolaire précédente et accompagnée du protocole de négociation en la matière dans le comité local intéressé, et
2° après avis du "Vlaamse Onderwijsraad" (Conseil flamand de l'Enseignement) d'une part et de " l'Agentschap voor Onderwijsdiensten " (Agence de Services d'Enseignement) et de l'Inspection d'autre part. " .
" Art. 57ter. Par dérogation à l'article 5, l'article 52, § 2, § 2bis et § 7, l'article 53, §§ 1er à 1septies inclus, l'article 54 et l'article 57, § 1er, aucun autre établissement, aucune autre filiale, orientation d'étude et aucun autre degré supérieur ne peuvent être repris dans la réglementation de financement ou de subventionnement dans l'enseignement artistique à temps partiel à partir de l'année scolaire 2011-2012, que ceux qui y étaient déjà repris le 30 juin de l'année scolaire précédente. Par dérogation à l'article 6, § 1er, 2° à 4° inclus, les établissements qui organisent, dans une ou plusieurs de leurs options, le cours d'instrument, d'instrument/jazz et musique légère ou d'instrument/musique folklorique, ne peuvent, dans les cours du même nom, pas offrir des instruments qu'ils n'offraient pas encore le 30 juin de l'année scolaire précédente.
Par dérogation à cette disposition, le Gouvernement flamand peut, dans des cas exceptionnels, autoriser un pouvoir organisateur à programmer un établissement, une filiale, une orientation d'études ou un degré supérieur, la création d'une option ou l'offre d'un instrument supplémentaire dans le cours d'instrument, d'instrument/jazz et musique légère ou d'instrument/musique folklorique :
1° après demande écrite et motivée de ce pouvoir organisateur, déposée auprès de l'"Agentschap voor Onderwijsdiensten" (Agence de Services d'Enseignement) avant le 1er mars de l'année scolaire précédente et accompagnée du protocole de négociation en la matière dans le comité local intéressé, et
2° après avis du "Vlaamse Onderwijsraad" (Conseil flamand de l'Enseignement) d'une part et de " l'Agentschap voor Onderwijsdiensten " (Agence de Services d'Enseignement) et de l'Inspection d'autre part. " .
Art. 9. Artikel 49ter van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichting beeldende kunst, wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 49ter. In afwijking van artikel 4, artikel 43, § 2, § 2bis en § 7, artikel 44, § 1 tot en met § 1undecies, artikel 45 en artikel 48, § 1, kunnen vanaf het schooljaar 2011-2012 in het deeltijds kunstonderwijs geen nieuwe instellingen, filialen, studierichtingen, hogere graden en opties in de financierings- of subsidieregeling opgenomen worden, dan diegene die op 30 juni van het voorafgaande schooljaar reeds opgenomen waren.
In afwijking van deze bepaling kan de Vlaamse Regering in uitzonderlijke gevallen aan een inrichtende macht toelating geven tot programmatie van een instelling, filiaal, studierichting, hogere graad of optie :
1° na schriftelijke en gemotiveerde aanvraag van die inrichtende macht, ingediend bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten vóór 1 maart van het voorafgaand schooljaar en vergezeld van het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegd lokaal comité, en
2° na advies van enerzijds de Vlaamse Onderwijsraad en anderzijds het Agentschap voor Onderwijsdiensten en de Inspectie. "
" Art. 49ter. In afwijking van artikel 4, artikel 43, § 2, § 2bis en § 7, artikel 44, § 1 tot en met § 1undecies, artikel 45 en artikel 48, § 1, kunnen vanaf het schooljaar 2011-2012 in het deeltijds kunstonderwijs geen nieuwe instellingen, filialen, studierichtingen, hogere graden en opties in de financierings- of subsidieregeling opgenomen worden, dan diegene die op 30 juni van het voorafgaande schooljaar reeds opgenomen waren.
In afwijking van deze bepaling kan de Vlaamse Regering in uitzonderlijke gevallen aan een inrichtende macht toelating geven tot programmatie van een instelling, filiaal, studierichting, hogere graad of optie :
1° na schriftelijke en gemotiveerde aanvraag van die inrichtende macht, ingediend bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten vóór 1 maart van het voorafgaand schooljaar en vergezeld van het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegd lokaal comité, en
2° na advies van enerzijds de Vlaamse Onderwijsraad en anderzijds het Agentschap voor Onderwijsdiensten en de Inspectie. "
Art. 9. L'article 49ter de l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 juillet 1990 portant organisation de l'enseignement artistique à temps partiel, orientation arts plastiques, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 49ter. Par dérogation à l'article 4, l'article 43, § 2, § 2bis et § 7, l'article 44, §§ 1er à 1undecies inclus, l'article 45 et l'article 48, § 1er, aucun nouvel établissement, aucune nouvelle filiale, orientation d'étude, aucun nouveau degré supérieur et aucune nouvelle option ne peuvent être repris dans la réglementation de financement ou de subventionnement dans l'enseignement artistique à temps partiel à partir de l'année scolaire 2011-2012, que ceux qui y étaient déjà repris le 30 juin de l'année scolaire précédente.
Par dérogation à cette disposition, le Gouvernement peut, dans des cas exceptionnels, autoriser un pouvoir organisateur à programmer un établissement, une filiale, une orientation d'études, un degré supérieur ou une option :
1° après demande écrite et motivée de ce pouvoir organisateur, déposée auprès de l'"Agentschap voor Onderwijsdiensten" (Agence de Services d'Enseignement) avant le 1er mars de l'année scolaire précédente et accompagnée du protocole de négociation en la matière dans le comité local intéressé, et
2° après avis du "Vlaamse Onderwijsraad" (Conseil flamand de l'Enseignement) d'une part et de " l'Agentschap voor Onderwijsdiensten " (Agence de Services d'Enseignement) et de l'Inspection d'autre part. ".
" Art. 49ter. Par dérogation à l'article 4, l'article 43, § 2, § 2bis et § 7, l'article 44, §§ 1er à 1undecies inclus, l'article 45 et l'article 48, § 1er, aucun nouvel établissement, aucune nouvelle filiale, orientation d'étude, aucun nouveau degré supérieur et aucune nouvelle option ne peuvent être repris dans la réglementation de financement ou de subventionnement dans l'enseignement artistique à temps partiel à partir de l'année scolaire 2011-2012, que ceux qui y étaient déjà repris le 30 juin de l'année scolaire précédente.
Par dérogation à cette disposition, le Gouvernement peut, dans des cas exceptionnels, autoriser un pouvoir organisateur à programmer un établissement, une filiale, une orientation d'études, un degré supérieur ou une option :
1° après demande écrite et motivée de ce pouvoir organisateur, déposée auprès de l'"Agentschap voor Onderwijsdiensten" (Agence de Services d'Enseignement) avant le 1er mars de l'année scolaire précédente et accompagnée du protocole de négociation en la matière dans le comité local intéressé, et
2° après avis du "Vlaamse Onderwijsraad" (Conseil flamand de l'Enseignement) d'une part et de " l'Agentschap voor Onderwijsdiensten " (Agence de Services d'Enseignement) et de l'Inspection d'autre part. ".
Art. 10. De Vlaamse Regering wordt gemachtigd om een volgende wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichtingen muziek, woordkunst en dans en het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichting beeldende kunst uit te voeren via een besluit van de Vlaamse Regering.
Art. 10. Le Gouvernement flamand est autorisé à exécuter, par le biais d'un arrêté du Gouvernement flamand, une modification suivante de l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 juillet 1990 portant organisation de l'enseignement artistique à temps partiel, orientations musique, arts de la parole et danse, et de l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 juillet 1990 portant organisation de l'enseignement artistique à temps partiel, orientation arts plastiques.
Art. 11. In artikel 1, derde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2002 betreffende de bepaling van het aanwendingspercentage van het aantal uren-leraar in het deeltijds kunstonderwijs wordt de volgende zin geschrapt :
" Voor wat het aantal uren-leraar van de vrijgestelden van het vak kunstgeschiedenis betreft, mogen de instellingen vanaf het schooljaar 2011-2012 ten hoogste 85 % aanwenden. "
" Voor wat het aantal uren-leraar van de vrijgestelden van het vak kunstgeschiedenis betreft, mogen de instellingen vanaf het schooljaar 2011-2012 ten hoogste 85 % aanwenden. "
Art. 11. Dans l'article 1er, alinéa trois, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 juillet 2002 définissant le pourcentage d'utilisation du nombre de périodes-professeur dans l'enseignement artistique à temps partiel, la phrase suivante est supprimée :
" A partir de l'année scolaire 2011-2012, les établissements ne peuvent utiliser que 85 % au maximum du nombre de périodes-professeur au profit des élèves dispensés de suivre le cours d'histoire de l'art. ".
" A partir de l'année scolaire 2011-2012, les établissements ne peuvent utiliser que 85 % au maximum du nombre de périodes-professeur au profit des élèves dispensés de suivre le cours d'histoire de l'art. ".
Art. 12. In artikel 1, vierde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2002 betreffende de bepaling van het aanwendingspercentage van het aantal uren-leraar in het deeltijds kunstonderwijs wordt de volgende zin geschrapt :
" Voor wat het aantal uren-leraar van de vrijgestelden van het vak bijzondere kunstgeschiedenis betreft, mogen de instellingen vanaf het schooljaar 2011-2012 ten hoogste 85 % aanwenden. "
" Voor wat het aantal uren-leraar van de vrijgestelden van het vak bijzondere kunstgeschiedenis betreft, mogen de instellingen vanaf het schooljaar 2011-2012 ten hoogste 85 % aanwenden. "
Art. 12. Dans l'article 1er, alinéa quatre, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 juillet 2002 définissant le pourcentage d'utilisation du nombre de périodes-professeur dans l'enseignement artistique à temps partiel, la phrase suivante est supprimée :
" A partir de l'année scolaire 2011-2012, les établissements ne peuvent utiliser que 85 % au maximum du nombre de périodes-professeur au profit des élèves dispensés de suivre le cours d'histoire spéciale de l'art. ".
" A partir de l'année scolaire 2011-2012, les établissements ne peuvent utiliser que 85 % au maximum du nombre de périodes-professeur au profit des élèves dispensés de suivre le cours d'histoire spéciale de l'art. ".
Art. 13. Aan artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2002 betreffende de bepaling van het aanwendingspercentage van het aantal uren-leraar in het deeltijds kunstonderwijs wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" Voor wat het aantal uren-leraar van de vrijgestelden van een vak in de studierichting beeldende kunst betreft, mogen de instellingen vanaf het schooljaar 2011-2012 ten hoogste 85 % aanwenden. Elk vak waarvoor de leerling is vrijgesteld wordt hierbij in rekening gebracht. "
" Voor wat het aantal uren-leraar van de vrijgestelden van een vak in de studierichting beeldende kunst betreft, mogen de instellingen vanaf het schooljaar 2011-2012 ten hoogste 85 % aanwenden. Elk vak waarvoor de leerling is vrijgesteld wordt hierbij in rekening gebracht. "
Art. 13. L'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 juillet 2002 définissant le pourcentage d'utilisation du nombre de périodes-professeur dans l'enseignement artistique à temps partiel, il est complété par un alinéa cinq, rédigé comme suit :
" A partir de l'année scolaire 2011-2012, les établissements ne peuvent utiliser que 85 % au maximum du nombre de périodes-professeur au profit des élèves dispensés de suivre un cours dans l'orientation arts plastiques. Chaque cours pour lequel l'élève est dispensé, est pris en compte. "
" A partir de l'année scolaire 2011-2012, les établissements ne peuvent utiliser que 85 % au maximum du nombre de périodes-professeur au profit des élèves dispensés de suivre un cours dans l'orientation arts plastiques. Chaque cours pour lequel l'élève est dispensé, est pris en compte. "
Art. 14. In artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2002 betreffende de bepaling van het aanwendingspercentage van het aantal uren-leraar in het deeltijds kunstonderwijs wordt het tweede lid geschrapt.
Art. 14. Dans l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 juillet 2002 définissant le pourcentage d'utilisation du nombre de périodes-professeur dans l'enseignement artistique à temps partiel, l'alinéa deux est supprimé.
Art. 15. In artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2002 betreffende de bepaling van het aanwendingspercentage van het aantal uren-leraar in het deeltijds kunstonderwijs wordt het vierde lid vervangen door wat volgt :
" Voor wat het aantal uren-leraar van de vrijgestelden van een vak in de studierichtingen muziek, woordkunst of dans betreft, mogen de instellingen vanaf het schooljaar 2011-2012 ten hoogste 70 % aanwenden. Elk vak waarvoor de leerling is vrijgesteld wordt hierbij in rekening gebracht. "
" Voor wat het aantal uren-leraar van de vrijgestelden van een vak in de studierichtingen muziek, woordkunst of dans betreft, mogen de instellingen vanaf het schooljaar 2011-2012 ten hoogste 70 % aanwenden. Elk vak waarvoor de leerling is vrijgesteld wordt hierbij in rekening gebracht. "
Art. 15. A l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 juillet 2002 définissant le pourcentage d'utilisation du nombre de périodes-professeur dans l'enseignement artistique à temps partiel, l'alinéa quatre est remplacé par la disposition suivante :
" A partir de l'année scolaire 2011-2012, les établissements ne peuvent utiliser que 70 % au maximum du nombre de périodes-professeur au profit des élèves dispensés de suivre un cours dans les orientations musique, arts de la parole ou danse. Chaque cours pour lequel l'élève est dispensé, est pris en compte. "
" A partir de l'année scolaire 2011-2012, les établissements ne peuvent utiliser que 70 % au maximum du nombre de périodes-professeur au profit des élèves dispensés de suivre un cours dans les orientations musique, arts de la parole ou danse. Chaque cours pour lequel l'élève est dispensé, est pris en compte. "
Art. 16. De Vlaamse Regering wordt gemachtigd om een volgende wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering betreffende de bepaling van het aanwendingspercentage van het aantal uren-leraar in het deeltijds kunstonderwijs uit te voeren via een besluit van de Vlaamse Regering.
Art. 16. Le Gouvernement flamand est autorisé à modifier, par arrêté du Gouvernement flamand, l'arrêté du Gouvernement flamand définissant le pourcentage d'utilisation du nombre de périodes-professeur dans l'enseignement artistique à temps partiel.
Afdeling 5. - Volwassenenonderwijs
Section 5. - Education des adultes
Art. 17. In artikel 77, § 3, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs wordt het eerste lid vervangen door wat volgt :
" Binnen de globale subsidie, vermeld in § 1, eerste lid, verminderd met het bedrag, vermeld in § 1, tweede lid, ontvangt elk consortium volwassenenonderwijs jaarlijks een forfaitair bedrag van 74.157 euro. Na aftrek van de forfaitaire bedragen wordt de rest van de subsidie voor een periode van vijf jaar verdeeld op basis van het totale volume lesurencursist gegenereerd door de centra die aangesloten zijn bij het consortium volwassenenonderwijs, in de laatste afgesloten en geverifieerde referteperiode voorafgaand aan het afsluiten van een samenwerkingsovereenkomst. "
" Binnen de globale subsidie, vermeld in § 1, eerste lid, verminderd met het bedrag, vermeld in § 1, tweede lid, ontvangt elk consortium volwassenenonderwijs jaarlijks een forfaitair bedrag van 74.157 euro. Na aftrek van de forfaitaire bedragen wordt de rest van de subsidie voor een periode van vijf jaar verdeeld op basis van het totale volume lesurencursist gegenereerd door de centra die aangesloten zijn bij het consortium volwassenenonderwijs, in de laatste afgesloten en geverifieerde referteperiode voorafgaand aan het afsluiten van een samenwerkingsovereenkomst. "
Art. 17. Dans l'article 77, § 3, du décret du 15 juin 2007 relatif à l'éducation des adultes, l'alinéa premier est remplacé par la disposition suivante :
" Dans la subvention globale, visée au § 1er, alinéa premier, réduite du montant visé au § 1er, alinéa deux, chaque consortium éducation des adultes reçoit annuellement un montant forfaitaire de 74.157 euros. Déduction faite des montants forfaitaires, le reste de la subvention est réparti pour une période de cinq ans sur la base du volume total d'heures de cours/apprenant généré par les centres affiliés au consortium éducation des adultes, pendant la dernière période de référence clôturée et vérifiée, préalablement à la conclusion d'une convention de coopération. ".
" Dans la subvention globale, visée au § 1er, alinéa premier, réduite du montant visé au § 1er, alinéa deux, chaque consortium éducation des adultes reçoit annuellement un montant forfaitaire de 74.157 euros. Déduction faite des montants forfaitaires, le reste de la subvention est réparti pour une période de cinq ans sur la base du volume total d'heures de cours/apprenant généré par les centres affiliés au consortium éducation des adultes, pendant la dernière période de référence clôturée et vérifiée, préalablement à la conclusion d'une convention de coopération. ".
Art. 18. In het decreet van 2 maart 1999 tot regeling van een aantal aangelegenheden van het volwassenenonderwijs wordt een artikel 96bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 96bis. De § 2 tot en met § 5 van artikel 94 worden opgeheven met ingang van 1 januari 2011. "
" Art. 96bis. De § 2 tot en met § 5 van artikel 94 worden opgeheven met ingang van 1 januari 2011. "
Art. 18. Dans le décret du 2 mars 1999 réglant certaines matières relatives à l'éducation des adultes, il est inséré un article 96bis, rédigé comme suit :
" Art. 96bis. Les §§ 2 à 5 inclus de l'article 94 sont abrogés à partir du 1er janvier 2011. ".
" Art. 96bis. Les §§ 2 à 5 inclus de l'article 94 sont abrogés à partir du 1er janvier 2011. ".
Afdeling 6. - Schoolinfrastructuur
Section 6. - Infrastructure scolaire
Art. 19. In het decreet van 7 juli 2006 betreffende de inhaalbeweging voor schoolinfrastructuur wordt een artikel 19ter ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 19ter. Voor instellingen, internaten en centra vermeld in artikel 4, in het gesubsidieerd onderwijs, worden de subsidiëringspercentages van 60 respectievelijk 70 % in de DBFM-toelage zoals berekend overeenkomstig artikel 19 verhoogd met 11,5 procentpunten. "
" Art. 19ter. Voor instellingen, internaten en centra vermeld in artikel 4, in het gesubsidieerd onderwijs, worden de subsidiëringspercentages van 60 respectievelijk 70 % in de DBFM-toelage zoals berekend overeenkomstig artikel 19 verhoogd met 11,5 procentpunten. "
Art. 19. Dans le décret du 7 juillet 2006 relatif au mouvement de rattrapage pour l'infrastructure scolaire, il est inséré un article 19ter, rédigé comme suit :
" Art. 19ter. Pour les établissements, internats et centres visés à l'article 4, dans l'enseignement subventionné, les pourcentages de subventionnement de 60, respectivement 70 %, dans la subvention DBFM, telle que calculée conformément à l'article 19, est majorée de 11,5 points. "
" Art. 19ter. Pour les établissements, internats et centres visés à l'article 4, dans l'enseignement subventionné, les pourcentages de subventionnement de 60, respectivement 70 %, dans la subvention DBFM, telle que calculée conformément à l'article 19, est majorée de 11,5 points. "
Art. 20. In het decreet van 7 juli 2006 betreffende de inhaalbeweging voor schoolinfrastructuur wordt een artikel 36bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 36bis. Voor instellingen, internaten en centra vermeld in artikel 4, in het gesubsidieerd onderwijs, gaat AGIOn bij verkoop van de schoolinfrastructuur na het einde van het individueel DBFM-contract of wanneer de infrastructuur voor andere dan onderwijsdoelstellingen wordt aangewend, over tot terugvordering.
De terugvordering is gebaseerd op een evenredig aan de toegekende subsidie aandeel van de verkoopswaarde van de schoolinfrastructuur, verminderd met 1/20 per jaar na het einde van het individueel DBFM-contract.
De aanvangsdatum voor de berekening van de aldus toegekende vermindering is de eerste september van het schooljaar volgend op de datum van het einde van het individueel DBFM-contract. "
" Art. 36bis. Voor instellingen, internaten en centra vermeld in artikel 4, in het gesubsidieerd onderwijs, gaat AGIOn bij verkoop van de schoolinfrastructuur na het einde van het individueel DBFM-contract of wanneer de infrastructuur voor andere dan onderwijsdoelstellingen wordt aangewend, over tot terugvordering.
De terugvordering is gebaseerd op een evenredig aan de toegekende subsidie aandeel van de verkoopswaarde van de schoolinfrastructuur, verminderd met 1/20 per jaar na het einde van het individueel DBFM-contract.
De aanvangsdatum voor de berekening van de aldus toegekende vermindering is de eerste september van het schooljaar volgend op de datum van het einde van het individueel DBFM-contract. "
Art. 20. Dans le décret du 7 juillet 2006 relatif au mouvement de rattrapage pour l'infrastructure scolaire, il est inséré un article 36bis, rédigé comme suit :
" Art. 36bis. Pour les établissements, internats et centres visés à l'article 4, dans l'enseignement subventionné, l'AGIOn procédera au recouvrement en cas de vente de l'infrastructure scolaire après la fin du contrat DBFM individuel ou lorsque l'infrastructure est affectée à des objectifs autres que les objectifs d'enseignement.
Le recouvrement est basé sur une part, proportionnelle à la subvention accordée, de la valeur de vente de l'infrastructure scolaire, diminuée de 1/20 par an après la fin du contrat DBFM individuel.
La date de début pour le calcul de la réduction ainsi accordée est le premier septembre de l'année scolaire suivant la date de la fin du contrat DBFM individuel. "
" Art. 36bis. Pour les établissements, internats et centres visés à l'article 4, dans l'enseignement subventionné, l'AGIOn procédera au recouvrement en cas de vente de l'infrastructure scolaire après la fin du contrat DBFM individuel ou lorsque l'infrastructure est affectée à des objectifs autres que les objectifs d'enseignement.
Le recouvrement est basé sur une part, proportionnelle à la subvention accordée, de la valeur de vente de l'infrastructure scolaire, diminuée de 1/20 par an après la fin du contrat DBFM individuel.
La date de début pour le calcul de la réduction ainsi accordée est le premier septembre de l'année scolaire suivant la date de la fin du contrat DBFM individuel. "
Afdeling 7. - Ondersteuning van de scholen in Brussel
Section 7. - Soutien des écoles à Bruxelles
Art. 21. In artikel X.7 van het decreet van 22 juni 2007 betreffende het onderwijs XVII wordt het jaartal " 2010 " vervangen door het jaartal " 2011 ".
Art. 21. Dans l'article X.7 du décret du 22 juin 2007 relatif à l'Enseignement XVII, l'année "2010" est remplacée par l'année "2011".
Art. 22. In artikel 22 van het decreet van 30 november 2007 betreffende het flankerend onderwijsbeleid op lokaal niveau wordt het jaartal " 2010 " telkens vervangen door het jaartal " 2011 ".
Art. 22. Dans l'article 22 du décret du 30 novembre 2007 relatif à la politique locale d'encadrement de l'enseignement, l'année " 2010 " est chaque fois remplacée par l'année " 2011 ".
Afdeling 8. - Hoger onderwijs
Section 8. - Enseignement supérieur
Art. 23. In artikel VI.9ter van het decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de medezeggenschap in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen, gewijzigd bij het decreet van 18 december 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid van § 1 worden de woorden " 2006, 2007, 2008, 2009 en 2010 " vervangen door de woorden " 2006, 2007, 2008, 2009, 2010 en 2011 ";
2° in het tweede lid van § 1 worden de woorden " 2007, 2008, 2009 en 2010 " vervangen door de woorden " 2007, 2008, 2009, 2010 en 2011 ";
3° in § 2 worden de woorden " in 2006, in 2007, in 2008, in 2009 en in 2010 " vervangen door de woorden " in 2006, in 2007, in 2008, in 2009, in 2010 en in 2011 ".
1° in het eerste lid van § 1 worden de woorden " 2006, 2007, 2008, 2009 en 2010 " vervangen door de woorden " 2006, 2007, 2008, 2009, 2010 en 2011 ";
2° in het tweede lid van § 1 worden de woorden " 2007, 2008, 2009 en 2010 " vervangen door de woorden " 2007, 2008, 2009, 2010 en 2011 ";
3° in § 2 worden de woorden " in 2006, in 2007, in 2008, in 2009 en in 2010 " vervangen door de woorden " in 2006, in 2007, in 2008, in 2009, in 2010 en in 2011 ".
Art. 23. A l'article VI.9ter du décret du 19 mars 2004 relatif au statut de l'étudiant, à la participation dans l'enseignement supérieur, l'intégration de certaines sections de l'enseignement supérieur de promotion sociale dans les instituts supérieurs et l'accompagnement de la restructuration de l'enseignement supérieur en Flandre, modifié par le décret du 18 décembre 2009, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans l'alinéa premier du § 1er, les mots "2006, 2007, 2008, 2009 et 2010" sont remplacés par les mots "2006, 2007, 2008, 2009, 2010 et 2011";
2° dans l'alinéa deux du § 1er, les mots "2007, 2008, 2009 et 2010" sont remplacés par les mots "2007, 2008, 2009, 2010 et 2011";
3° dans le § 2, les mots " en 2006, 2007, 2008, 2009 et 2010 " sont remplacés par les mots " en 2006, 2007, 2008, 2009, 2010 et 2011 ".
1° dans l'alinéa premier du § 1er, les mots "2006, 2007, 2008, 2009 et 2010" sont remplacés par les mots "2006, 2007, 2008, 2009, 2010 et 2011";
2° dans l'alinéa deux du § 1er, les mots "2007, 2008, 2009 et 2010" sont remplacés par les mots "2007, 2008, 2009, 2010 et 2011";
3° dans le § 2, les mots " en 2006, 2007, 2008, 2009 et 2010 " sont remplacés par les mots " en 2006, 2007, 2008, 2009, 2010 et 2011 ".
Art. 24. In artikel VI.10 van het decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de medezeggenschap in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen, gewijzigd bij het decreet van 21 december 2007, wordt het derde lid vervangen door wat volgt :
" Artikelen VI.9bis tot en met VI.9septies hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2006 en houden op uitwerking te hebben op 31 december 2011. "
" Artikelen VI.9bis tot en met VI.9septies hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2006 en houden op uitwerking te hebben op 31 december 2011. "
Art. 24. Dans l'article VI.10 du décret du 19 mars 2004 relatif au statut de l'étudiant, à la participation dans l'enseignement supérieur, l'intégration de certaines sections de l'enseignement supérieur de promotion sociale dans les instituts supérieurs et l'accompagnement de la restructuration de l'enseignement supérieur en Flandre, modifié par le décret du 21 décembre 2007, l'alinéa trois est remplacé par la disposition suivante :
" Les articles VI.9bis à VI.9septies inclus produisent leurs effets le 1er janvier 2006 et cessent de produire leurs effets le 31 décembre 2011. ".
" Les articles VI.9bis à VI.9septies inclus produisent leurs effets le 1er janvier 2006 et cessent de produire leurs effets le 31 décembre 2011. ".
Afdeling 9. - Universiteiten
Section 9. - Universités
Art. 25. In artikel 140, § 1, 2°, van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap, gewijzigd bij het decreet van 18 december 2009, worden de woorden " voor de jaren 2002, 2003, 2006, 2007, 2008, 2009 en 2010 " vervangen door de woorden " voor de jaren 2002, 2003, 2006, 2007, 2008, 2009, 2010 en 2011 ".
Art. 25. Dans l'article 140, § 1er, 2°, du décret du 12 juin 1991 relatif aux universités dans la Communauté flamande, modifié par le décret du 18 décembre 2009, les mots " pour les années 2002, 2003, 2006, 2007, 2008, 2009 et 2010 " sont remplacés par les mots " pour les années 2002, 2003, 2006, 2007, 2008, 2009, 2010 et 2011 ".
Art. 26. In artikel 140, § 2, van hetzelfde decreet worden de woorden " in het begrotingsjaar 2010 " vervangen door de woorden " in de begrotingsjaren 2010 en 2011 ".
Art. 26. Dans l'article 140, 2°, du même décret, les mots "de l'année budgétaire 2010" sont remplacés par les mots "des années budgétaires 2010 et 2011".
Afdeling 10. - Aanmoedigingsfonds voor beleidsspeerpunten
Section 10. - Fonds d'encouragement pour les fers de lance de la politique
Art. 27. In artikel 44, § 1, van het decreet van 14 maart 2008 betreffende de financiering van de werking van de hogescholen en de universiteiten in Vlaanderen wordt in het eerste lid het jaartal " 2010 " vervangen door het jaartal " 2011 ".
Art. 27. Dans l'article 44, § 1er, du décret du 14 mars 2008 relatif au financement du fonctionnement des instituts supérieurs et des universités en Flandre, dans l'alinéa premier, l'année " 2010 " est remplacée par l'année " 2011 ".
Art. 28. In artikel 44, § 2, van hetzelfde decreet wordt in het eerste lid het jaartal " 2011 " vervangen door het jaartal " 2012 ".
Art. 28. A l'article 44, § 2, alinéa premier, du même décret, l'année " 2011 " est remplacé par l'année " 2012 ".
Art. 29. Aan artikel 45, § 3, van het decreet van 14 maart 2008 betreffende de financiering van de werking van de hogescholen en de universiteiten in Vlaanderen wordt de volgende zin toegevoegd :
" De afgesloten beheersovereenkomsten worden verlengd tot 31 december 2011. "
" De afgesloten beheersovereenkomsten worden verlengd tot 31 december 2011. "
Art. 29. L'article 45, § 3, du décret du 14 mars 2008 relatif au financement du fonctionnement des instituts supérieurs et des universités en Flandre est complété par la phrase suivante :
" Les contrats de gestion conclus sont prolongés jusqu'au 31 décembre 2011. "
" Les contrats de gestion conclus sont prolongés jusqu'au 31 décembre 2011. "
HOOFDSTUK 3. - Belasting op spelen en weddenschappen
CHAPITRE 3. - Taxe sur les jeux et les paris
Art. 30. In artikel 43 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, vervangen bij het Vlaamse decreet van 22 december 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de zin " Een belasting van 15 procent wordt ten bate van de Staat geheven op het brutobedrag van de sommen ingezet bij spelen en weddenschappen, zelfs in private kringen, met uitsluiting : " wordt vervangen door de zin " Een belasting van 15 procent wordt geheven op het brutobedrag van de sommen ingezet bij spelen en weddenschappen, zelfs in private kringen, en met inbegrip van de sommen of inleggelden ingezet via informatiemaatschappij-instrumenten in de zin van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers met uitsluiting : ";
2° een punt 6° wordt toegevoegd, dat luidt als volgt : " 6° van de sportbeoefening. "
1° de zin " Een belasting van 15 procent wordt ten bate van de Staat geheven op het brutobedrag van de sommen ingezet bij spelen en weddenschappen, zelfs in private kringen, met uitsluiting : " wordt vervangen door de zin " Een belasting van 15 procent wordt geheven op het brutobedrag van de sommen ingezet bij spelen en weddenschappen, zelfs in private kringen, en met inbegrip van de sommen of inleggelden ingezet via informatiemaatschappij-instrumenten in de zin van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers met uitsluiting : ";
2° een punt 6° wordt toegevoegd, dat luidt als volgt : " 6° van de sportbeoefening. "
Art. 30. A l'article 43 du Code des taxes assimilées aux Impôts sur les Revenus, remplacé par le décret flamand du 22 décembre 2006, sont apportées les modifications suivantes :
1° la phrase " Une taxe de 15 pour cent est établie, au profit de l'Etat, sur le montant brut des sommes engagées dans les jeux et paris, même dans des cercles privés, à l'exclusion : " est remplacée par la phrase " Une taxe de 15 pour cent est établie sur le montant brut des sommes engagées dans les jeux et paris, même dans des cercles privés, et y compris les sommes ou les enjeux engagés par le biais d'instruments de la société de l'information dans le sens de la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard, les établissements de jeux de hasard et la protection des joueurs, à l'exclusion : ";
2° il est ajouté un point 6°, rédigé comme suit : " 6° de la pratique du sport. "
1° la phrase " Une taxe de 15 pour cent est établie, au profit de l'Etat, sur le montant brut des sommes engagées dans les jeux et paris, même dans des cercles privés, à l'exclusion : " est remplacée par la phrase " Une taxe de 15 pour cent est établie sur le montant brut des sommes engagées dans les jeux et paris, même dans des cercles privés, et y compris les sommes ou les enjeux engagés par le biais d'instruments de la société de l'information dans le sens de la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard, les établissements de jeux de hasard et la protection des joueurs, à l'exclusion : ";
2° il est ajouté un point 6°, rédigé comme suit : " 6° de la pratique du sport. "
Art. 31. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 43bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 43bis. § 1. Als de sommen of inleggelden in het Vlaamse Gewest worden ingezet via informatiemaatschappij-instrumenten in de zin van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers wordt een belasting van 11 procent geheven op de werkelijke brutomarge die ter gelegenheid van de spelen of weddenschappen wordt bereikt.
§ 2. Voor de toepassing van § 1 dient te worden verstaan onder werkelijke brutomarge, het brutobedrag van de sommen of inleggelden ingezet bij spelen en weddenschappen, verminderd met de winsten die voor die spelen en weddenschappen werkelijk verdeeld zijn. "
" Art. 43bis. § 1. Als de sommen of inleggelden in het Vlaamse Gewest worden ingezet via informatiemaatschappij-instrumenten in de zin van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers wordt een belasting van 11 procent geheven op de werkelijke brutomarge die ter gelegenheid van de spelen of weddenschappen wordt bereikt.
§ 2. Voor de toepassing van § 1 dient te worden verstaan onder werkelijke brutomarge, het brutobedrag van de sommen of inleggelden ingezet bij spelen en weddenschappen, verminderd met de winsten die voor die spelen en weddenschappen werkelijk verdeeld zijn. "
Art. 31. Dans le même Code, il est inséré un article 43bis, rédigé comme suit :
" Art. 43bis. § 1er. Lorsque les sommes ou mises sont engagées en Région flamande par le biais d'instruments de la société d'information au sens de la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard, les paris, les établissements de jeux de hasard et la protection des joueurs, une taxe de 11 pour cent est établie sur la marge brute réelle réalisée à l'occasion du jeu ou du pari.
§ 2. Pour l'application du § 1er, il convient d'entendre par marge brute réelle, le montant brut des sommes ou mises engagées dans les jeux et paris, diminué des gains effectivement distribués pour ces jeux et paris. "
" Art. 43bis. § 1er. Lorsque les sommes ou mises sont engagées en Région flamande par le biais d'instruments de la société d'information au sens de la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard, les paris, les établissements de jeux de hasard et la protection des joueurs, une taxe de 11 pour cent est établie sur la marge brute réelle réalisée à l'occasion du jeu ou du pari.
§ 2. Pour l'application du § 1er, il convient d'entendre par marge brute réelle, le montant brut des sommes ou mises engagées dans les jeux et paris, diminué des gains effectivement distribués pour ces jeux et paris. "
Art. 32. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 43ter ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 43ter. Voor de toepassing van artikel 43bis, § 1, worden de sommen of inleggelden geacht ingezet te zijn in het Vlaamse Gewest als de spelen of weddenschappen worden ontvangen via een server die in het Vlaamse Gewest gevestigd is of uitgebaat wordt. "
" Art. 43ter. Voor de toepassing van artikel 43bis, § 1, worden de sommen of inleggelden geacht ingezet te zijn in het Vlaamse Gewest als de spelen of weddenschappen worden ontvangen via een server die in het Vlaamse Gewest gevestigd is of uitgebaat wordt. "
Art. 32. Dans le même Code, il est inséré un article 43ter, rédigé comme suit :
" Art. 43ter. Pour l'application de l'article 43bis, § 1er, les sommes ou mises sont présumées engagées en Région flamande lorsque le jeu ou le pari est reçu à l'intermédiaire d'un serveur localisé ou exploité en Région flamande. "
" Art. 43ter. Pour l'application de l'article 43bis, § 1er, les sommes ou mises sont présumées engagées en Région flamande lorsque le jeu ou le pari est reçu à l'intermédiaire d'un serveur localisé ou exploité en Région flamande. "
Art. 33. Artikel 44 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij het Vlaamse decreet van 22 december 2006, wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 44. In afwijking van artikel 43, wordt de belasting betreffende weddenschappen op paardenwedrennen, hondenwedstrijden en sportevenementen, die zowel in België als in een van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte plaatsvinden, vastgesteld op 15 % van de werkelijke brutomarge die ter gelegenheid van de weddenschap wordt bereikt. "
" Art. 44. In afwijking van artikel 43, wordt de belasting betreffende weddenschappen op paardenwedrennen, hondenwedstrijden en sportevenementen, die zowel in België als in een van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte plaatsvinden, vastgesteld op 15 % van de werkelijke brutomarge die ter gelegenheid van de weddenschap wordt bereikt. "
Art. 33. L'article 44 du même Code, remplacé par le décret du 22 décembre 2006, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 44. Par dérogation à l'article 43, la taxe relative aux paris sur les courses de chevaux, les courses de chiens et les évènements sportifs, qui ont lieu tant en Belgique que dans un des Etats membres de l'Espace économique européen, est établie à 15 % de la marge brute réelle qui est atteinte à l'occasion du pari. "
" Art. 44. Par dérogation à l'article 43, la taxe relative aux paris sur les courses de chevaux, les courses de chiens et les évènements sportifs, qui ont lieu tant en Belgique que dans un des Etats membres de l'Espace économique européen, est établie à 15 % de la marge brute réelle qui est atteinte à l'occasion du pari. "
Art. 34. In artikel 51 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 14 van 18 april 1967, worden de woorden " , in het kader van de spelen en weddenschappen bedoeld in artikel 43 " ingevoegd tussen de woorden " elke persoon die " en de woorden " , zelfs toevallig, ".
Art. 34. Dans l'article 51 du même Code, modifié par l'arrêté royal n° 14 du 18 avril 1967, les mots " , dans le cadre des jeux et paris visés à l'article 43 " sont insérés entre les mots " même occasionnellement, accepte " et les mots " des enjeux ou des mises ".
Art. 35. In artikel 52 van hetzelfde Wetboek worden de woorden " of wanneer er via informatiemaatschappij-instrumenten in de zin van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers " ingevoegd tussen de woorden " of in andere lokalen " en de woorden " , aan spel of aan weddenschappen wordt gedaan ".
Art. 35. Dans l'article 52 du même Code, les mots " ou lorsque par le biais d'instruments de la société d'information au sens de la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard, les paris, les établissements de jeux de hasard et la protection des joueurs, " sont insérés entre les mots "ou dans d'autres locaux," et les mots "des jeux ou paris sont pratiqués".
HOOFDSTUK 4. - Overname van de dienst van de verkeersbelastingen
CHAPITRE 4. - Reprise du Service des taxes de circulation
Afdeling 1. - Wijzigingen in het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen
Section 1re. - Modifications du Code des taxes assimilées aux impôts sur les revenus
Onderafdeling 1. - Gemeenschappelijke bepalingen
Sous-section 1re. - Dispositions communes
Art. 36. In artikel 2 van het wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, het laatst gewijzigd bij de wet van 10 januari 2010, worden tussen het getal " 307 " en het getal " 316 " de getallen " 307bis, 314 en 314bis " ingevoegd.
Art. 36. Dans l'article 2 du Code des taxes assimilées aux impôts sur les revenus, modifié en dernier lieu par la loi du 10 janvier 2010, les chiffres " 307bis, 314 et 314bis " sont insérés entre le chiffre " 307 " et le chiffre " 316 ".
Onderafdeling 2. - Verkeersbelasting op de autovoertuigen
Sous-section 2. - Taxe de circulation sur les véhicules automobiles
Art. 37. In artikel 5, § 1, van hetzelfde wetboek, het laatst gewijzigd bij de wet van 8 april 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden " de wet van 29 augustus 1931, waarbij de Nationale Maatschappij van Buurtspoorwegen en de concessiehouders van tramweglijnen toelating krijgen om autobusdiensten tot stand te brengen, met het doel de exploitatievoorwaarden van hun spoorlijnen te verbeteren " worden vervangen door de woorden " het decreet van 20 april 2001 betreffende de organisatie van het personenvervoer over de weg ";
2° de woorden " De Minister van Financiën " worden vervangen door de woorden " De Vlaamse Regering ".
1° de woorden " de wet van 29 augustus 1931, waarbij de Nationale Maatschappij van Buurtspoorwegen en de concessiehouders van tramweglijnen toelating krijgen om autobusdiensten tot stand te brengen, met het doel de exploitatievoorwaarden van hun spoorlijnen te verbeteren " worden vervangen door de woorden " het decreet van 20 april 2001 betreffende de organisatie van het personenvervoer over de weg ";
2° de woorden " De Minister van Financiën " worden vervangen door de woorden " De Vlaamse Regering ".
Art. 37. A l'article 5, § 1er, du même code, modifié en dernier lieu par la loi du 8 avril 2002, sont apportées les modifications suivantes :
1° les mots " de la loi du 29 août 1931 permettant à la Société nationale des chemins de fer vicinaux et aux concessionnaires de lignes de tramways d'établir des services d'autobus destinés à améliorer les conditions d'exploitation de leurs lignes ferrées " sont remplacés par les mots " du décret du 20 avril 2001 relatif à l'organisation du transport de personnes par la route ";
2° les mots " Le Ministre des Finances " sont remplacés par les mots " Le Gouvernement flamand ".
1° les mots " de la loi du 29 août 1931 permettant à la Société nationale des chemins de fer vicinaux et aux concessionnaires de lignes de tramways d'établir des services d'autobus destinés à améliorer les conditions d'exploitation de leurs lignes ferrées " sont remplacés par les mots " du décret du 20 avril 2001 relatif à l'organisation du transport de personnes par la route ";
2° les mots " Le Ministre des Finances " sont remplacés par les mots " Le Gouvernement flamand ".
Art. 38. In artikel 7 van hetzelfde wetboek worden de woorden " De Koning " vervangen door de woorden " De Vlaamse Regering ".
Art. 38. Dans l'article 7 du même code, les mots "Le Roi" sont remplacés par les mots "Le Gouvernement flamand".
Art. 39. In artikel 9 van hetzelfde wetboek, het laatst gewijzigd bij het decreet van 21 december 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in onderdeel F, tweede lid, wordt het woord " kampeerauto " vervangen door het woord " kampeerwagen ";
2° een onderdeel H wordt toegevoegd, dat luidt als volgt :
" H. Kampeerwagens
1° in onderdeel F, tweede lid, wordt het woord " kampeerauto " vervangen door het woord " kampeerwagen ";
2° een onderdeel H wordt toegevoegd, dat luidt als volgt :
" H. Kampeerwagens
Art. 39. A l'article 9 du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 21 décembre 2007, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans la partie F, alinéa deux, le mot "un camping-car" est remplacé par les mots "[une autocaravane]";
2° il est ajouté une partie H, rédigée comme suit :
" H. [autocaravanes]
1° dans la partie F, alinéa deux, le mot "un camping-car" est remplacé par les mots "[une autocaravane]";
2° il est ajouté une partie H, rédigée comme suit :
" H. [autocaravanes]
| MTM uitgedrukt in kg | Bedragen uitgedrukt in euro | |
| Van | Tot | |
| 0 | 1.500 | 84 |
| 1.501 | 3.500 | 120 |
| 3.501 | 7.999 | 132 |
| 8.000 | 10.999 | 168 |
| 11.000 | 11.000 | 264 |
VanTot
01.50084
1.5013.500120
3.5017.999132
8.00010.999168
11.000 11.000264
| MTM exprimée en kg | Montants en euros | |
| De | A | |
| 0 | 1.500 | 84 |
| 1.501 | 3.500 | 120 |
| 3.501 | 7.999 | 132 |
| 8.000 | 10.999 | 168 |
| 11.000 | 11.000 | 264 |
DeA
01.50084
1.5013.500120
3.5017.999132
8.00010.999168
11.000 11.000264
Deze bepaling is enkel van toepassing op de natuurlijke personen.
De kampeerwagens vallen buiten de toepassing van artikel 5, § 1, 10°, en artikel 5, § 2, 2°, van dit wetboek. "
De kampeerwagens vallen buiten de toepassing van artikel 5, § 1, 10°, en artikel 5, § 2, 2°, van dit wetboek. "
Cette disposition s'applique uniquement aux personnes physiques.
Les [autocaravanes] ne relèvent pas de l'application de l'article 5, § 1er, 10°, et de l'article 5, § 2, 2°, du présent code. "
Les [autocaravanes] ne relèvent pas de l'application de l'article 5, § 1er, 10°, et de l'article 5, § 2, 2°, du présent code. "
Art. 40. In artikel 15, tweede lid, van hetzelfde wetboek, vervangen bij de wet van 25 januari 1999, worden de woorden " De Minister van Financiën " vervangen door de woorden " De Vlaamse Regering ".
Art. 40. Dans l'article 15, alinéa deux du même Code, remplacé par la loi du 25 janvier 1999, les mots "Le Ministre des Finances" est remplacé par les mots "Le Gouvernement flamand".
Art. 41. In artikel 36bis, eerste lid, van hetzelfde wetboek, het laatst gewijzigd bij het decreet van 9 juli 2010, worden de woorden " De bepalingen van de hoofdstukken VIII en X, met uitzondering van artikel 33, met uitzondering van de artikelen 34 en 35 zijn niet van toepassing op " vervangen door de woorden " De bepalingen van de hoofdstukken VIII en X, met uitzondering van artikel 29, 31, 32, 33, 33bis, 34 en 35, zijn niet van toepassing op ".
Art. 41. Dans l'article 36bis, alinéa premier, du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 9 juillet 2010, les mots " Les dispositions des chapitres VIII et X, à l'exception de l'article 33, à l'exception des articles 34 et 35, ne sont pas applicables " sont remplacés par les mots " Les dispositions des chapitres VIII et X, à l'exception des articles 29, 31, 32, 33, 33bis, 34 et 35, ne sont pas applicables ".
Onderafdeling 3. - Belasting op de inverkeerstelling
Sous-section 3. - Taxe sur la mise en circulation
Art. 42. In artikel 95 van hetzelfde wetboek, ingevoegd bij de wet van 1 juni 1992 en het laatst gewijzigd bij de wet van 23 december 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden " artikel 2, eerste, derde en vierde lid " worden vervangen door de woorden " artikel 2, eerste, derde, vierde en vijfde lid ";
2° tussen de woorden " de artikelen 33, " en het getal " 34 " wordt het getal " 33bis, " ingevoegd.
1° de woorden " artikel 2, eerste, derde en vierde lid " worden vervangen door de woorden " artikel 2, eerste, derde, vierde en vijfde lid ";
2° tussen de woorden " de artikelen 33, " en het getal " 34 " wordt het getal " 33bis, " ingevoegd.
Art. 42. A l'article 95 du même code, inséré par la loi du 1er juin 1992, et modifié en dernier lieu par la loi du 23 décembre 2009, sont apportées les modifications suivantes :
1° les mots " l'article 2, alinéas 1er, 3 et 4 " sont remplacés par les mots " l'article 2, alinéas premier, trois, quatre et cinq ";
2° le chiffre " 33bis, " est inséré entre les mots " les articles 33, " et le chiffre " 34 ".
1° les mots " l'article 2, alinéas 1er, 3 et 4 " sont remplacés par les mots " l'article 2, alinéas premier, trois, quatre et cinq ";
2° le chiffre " 33bis, " est inséré entre les mots " les articles 33, " et le chiffre " 34 ".
Afdeling 2. - Wijzigingen in de eurovignetwet van 27 december 1994
Section 2. - Modifications de la Loi relative à l'Eurovignette du 27 décembre 1994
Art. 43. In artikel 2, tweede lid, van de wet van 27 december 1994 tot goedkeuring van het verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend in Brussel op 9 februari 1994 door de regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een eurovignet overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993, het laatst gewijzigd bij het decreet van 9 juli 2010, wordt de woorden " en 37 " vervangen door de getallen " , 31, 33bis en 37 ".
Art. 43. Dans l'article 2, alinéa deux, de la loi du 27 décembre 1994 portant assentiment de l'Accord relatif à la perception d'un droit d'usage pour l'utilisation de certaines routes par des véhicules utilitaires lourds, signé à Bruxelles le 9 février 1994, entre les Gouvernements du Royaume de Belgique, du Royaume du Danemark, de la République fédérale d'Allemagne, du grand-duché de Luxembourg et du Royaume des Pays-Bas et instaurant une Eurovignette, conformément à la Directive 93/89/CEE du Conseil des Communautés européennes du 25 octobre 1993, modifié en dernier lieu par le décret du 9 juillet 2010, les mots " et 37 " sont remplacés par les chiffres " , 31, 33bis et 37 ".
Art. 44. In artikel 8, § 2, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 10 juni 2001, worden de woorden " De Koning " vervangen door de woorden " De Vlaamse Regering ".
Art. 44. Dans l'article 8, § 2, de la même loi, remplacé par la loi du 10 juin 2001, les mots "Le Roi" sont remplacés par les mots " Le Gouvernement flamand ".
Art. 45. In artikel 9 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 10 juni 2001, wordt het laatste lid opgeheven.
Art. 45. Dans l'article 9, de la même loi, remplacé par la loi du 10 juin 2001, l'alinéa dernier est abrogé.
Art. 46. Artikelen 10 en 11 van dezelfde wet worden opgeheven.
Art. 46. Les articles 10 et 11 de la même loi sont abrogés.
Art. 47. In artikel 12 van dezelfde wet, ingevoerd bij het decreet van 27 juni 2003, worden volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1 worden de woorden " tegen teruggave van het certificaat " en de woorden " bij teruggave van het certificaat " opgeheven;
2° in § 2 worden de woorden " De Koning " vervangen door de woorden " De Vlaamse Regering ".
1° in § 1 worden de woorden " tegen teruggave van het certificaat " en de woorden " bij teruggave van het certificaat " opgeheven;
2° in § 2 worden de woorden " De Koning " vervangen door de woorden " De Vlaamse Regering ".
Art. 47. A l'article 12 de la même loi, inséré par le décret du 27 juin 2003, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le § 1er, les mots " contre remise de l'attestation " et les mots " contre remise de l'attestation " sont abrogés;
2° dans le § 2, les mots "Le Roi" sont remplacés par les mots "Le Gouvernement flamand".
1° dans le § 1er, les mots " contre remise de l'attestation " et les mots " contre remise de l'attestation " sont abrogés;
2° dans le § 2, les mots "Le Roi" sont remplacés par les mots "Le Gouvernement flamand".
Art. 48. In artikel 16 van dezelfde wet worden de woorden " De Koning " vervangen door de woorden " De Vlaamse Regering ".
Art. 48. Dans l'article 16 de la même loi, les mots "Le Roi" sont remplacés par les mots "Le Gouvernement flamand".
Afdeling 3. - Wijzigingen in het decreet van 9 juli 2010 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2010
Section 3. - Modifications du décret du 9 juillet 2010 contenant diverses mesures d'accompagnement de l'ajustement du budget 2010
Art. 49. Artikel 22 van het decreet van 9 juli 2010 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2010 wordt ingetrokken en opnieuw opgenomen in de volgende lezing :
" Art. 22. In hetzelfde wetboek wordt een artikel 33bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 33bis. De dwangschriften worden uitgevaardigd door de personeelsleden van de Vlaamse Belastingdienst, belast met de invordering.
Die personeelsleden van de Vlaamse Belastingdienst moeten een herinneringsbrief sturen ten minste één maand voor de gerechtsdeurwaarder een bevel tot betaling betekent, behalve als de rechten van de schatkist in gevaar zijn. " ".
" Art. 22. In hetzelfde wetboek wordt een artikel 33bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 33bis. De dwangschriften worden uitgevaardigd door de personeelsleden van de Vlaamse Belastingdienst, belast met de invordering.
Die personeelsleden van de Vlaamse Belastingdienst moeten een herinneringsbrief sturen ten minste één maand voor de gerechtsdeurwaarder een bevel tot betaling betekent, behalve als de rechten van de schatkist in gevaar zijn. " ".
Art. 49. L'article 22 du décret du 9 juillet 2010 contenant diverses mesures d'accompagnement de l'ajustement du budget 2010 est retiré et est rétabli dans la rédaction suivante :
" Art. 22. Dans le même code, il est inséré un article 33bis, rédigé comme suit :
" Art. 33bis. Les contraintes émanent des membres du personnel du "Vlaamse Belastingdienst", chargés du recouvrement.
Ces membres du personnel du "Vlaamse Belastingdienst" doivent envoyer une lettre de rappel au moins un mois avant que le huissier de justice ne donne un ordre de paiement, sauf si les droits de la Trésorerie sont en péril. ".
" Art. 22. Dans le même code, il est inséré un article 33bis, rédigé comme suit :
" Art. 33bis. Les contraintes émanent des membres du personnel du "Vlaamse Belastingdienst", chargés du recouvrement.
Ces membres du personnel du "Vlaamse Belastingdienst" doivent envoyer une lettre de rappel au moins un mois avant que le huissier de justice ne donne un ordre de paiement, sauf si les droits de la Trésorerie sont en péril. ".
Afdeling 4. - Machtiging tot aanwending van DIV-gegevens
Section 4. - Autorisation d'utilisation des données DIV
Art. 50. In artikel 34 van het wetboek van de met de inkomstenbelasting gelijkgestelde belastingen, zoals gewijzigd door de wet van 25 januari 1999 en de wet van 21 december 2009, wordt een tweede lid ingevoegd, dat luidt als volgt :
" De Vlaamse Regering, de verzelfstandigde agentschappen en hun concessiehouders zijn gemachtigd om de overeenkomstig het eerste lid ter beschikking gestelde gegevens in overeenstemming met de wet tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer aan te wenden bij de vestiging en invordering van de belasting. "
" De Vlaamse Regering, de verzelfstandigde agentschappen en hun concessiehouders zijn gemachtigd om de overeenkomstig het eerste lid ter beschikking gestelde gegevens in overeenstemming met de wet tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer aan te wenden bij de vestiging en invordering van de belasting. "
Art. 50. L'article 34 du code des taxes assimilées aux impôts sur les revenus, tel que modifié par la loi du 25 janvier 1999 et la loi du 21 décembre 2009, est complété par un alinéa deux, rédigé comme suit :
" Le Gouvernement flamand, les agences autonomisées et leurs concessionnaires sont autorisés à utiliser les données, mises à disposition conformément à l'alinéa premier, lors de l'établissement et du recouvrement de la taxe, conformément à la loi relative à la protection de la vie privée. " .
" Le Gouvernement flamand, les agences autonomisées et leurs concessionnaires sont autorisés à utiliser les données, mises à disposition conformément à l'alinéa premier, lors de l'établissement et du recouvrement de la taxe, conformément à la loi relative à la protection de la vie privée. " .
HOOFDSTUK 5. - Vrijstelling onroerende voorheffing monumenten
CHAPITRE 5. - Exonération du précompte immobilier monuments
Art. 51. Aan artikel 253 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen wordt een punt 9° toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 9° van de als monument beschermde onroerende goederen of delen van dergelijke onroerende goederen die de Vlaamse Regering in erfpacht heeft gegeven of in volle eigendom heeft afgestaan aan een openmonumentenvereniging als vermeld in artikel 1, 11°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2001 houdende vaststelling van het premiestelsel voor restauratiewerkzaamheden aan beschermde monumenten. "
" 9° van de als monument beschermde onroerende goederen of delen van dergelijke onroerende goederen die de Vlaamse Regering in erfpacht heeft gegeven of in volle eigendom heeft afgestaan aan een openmonumentenvereniging als vermeld in artikel 1, 11°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2001 houdende vaststelling van het premiestelsel voor restauratiewerkzaamheden aan beschermde monumenten. "
Art. 51. L'article 253 du Code des Impôts sur les Revenus est complété par un point 9°, rédigé comme suit :
" 9° des biens immobiliers protégés comme monument ou des parties de pareils biens immobiliers, que le Gouvernement flamand a donnés à bail emphytéotique ou cédés en pleine propriété à une association des monuments ouverts telle que visée à l'article 1er, 11°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 décembre 2001 instaurant un régime de primes pour les travaux de restauration aux monuments protégés. "
" 9° des biens immobiliers protégés comme monument ou des parties de pareils biens immobiliers, que le Gouvernement flamand a donnés à bail emphytéotique ou cédés en pleine propriété à une association des monuments ouverts telle que visée à l'article 1er, 11°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 décembre 2001 instaurant un régime de primes pour les travaux de restauration aux monuments protégés. "
HOOFDSTUK 6. - Aanwending van terug te geven of te betalen sommen
CHAPITRE 6. - Affectation des sommes à rembourser ou à payer
HOOFDSTUK 7.
CHAPITRE 7.
HOOFDSTUK 8. - Jeugd
CHAPITRE 8. - Jeunesse
Art. 54. In artikel 8 van het decreet van 14 februari 2003 houdende de ondersteuning en de stimulering van het gemeentelijk, het intergemeentelijk en het provinciaal jeugd- en jeugdwerkbeleid, gewijzigd bij de decreten van 23 december 2005 en 15 december 2006, wordt § 1 vervangen door wat volgt :
" § 1. Het krediet dat op de begroting van de Vlaamse Gemeenschap ter uitvoering van dit decreet voor de gemeentebesturen en de Vlaamse Gemeenschapscommissie wordt uitgetrokken, wordt voor 2011 bepaald op twintig miljoen tweehonderdachtentwintigduizend euro. Binnen de perken van het krediet goedgekeurd door het Vlaams Parlement kan de Vlaamse Regering bij de aanvang van elk werkingsjaar de hoogte van het jaarlijks toe te kennen subsidiebedrag aanpassen aan de evolutie van de gezondheidsindex. "
" § 1. Het krediet dat op de begroting van de Vlaamse Gemeenschap ter uitvoering van dit decreet voor de gemeentebesturen en de Vlaamse Gemeenschapscommissie wordt uitgetrokken, wordt voor 2011 bepaald op twintig miljoen tweehonderdachtentwintigduizend euro. Binnen de perken van het krediet goedgekeurd door het Vlaams Parlement kan de Vlaamse Regering bij de aanvang van elk werkingsjaar de hoogte van het jaarlijks toe te kennen subsidiebedrag aanpassen aan de evolutie van de gezondheidsindex. "
Art. 54. Dans l'article 8 du décret du 14 février 2003 portant soutien et stimulation des politiques communales, intercommunales et provinciales en matière de jeunesse et d'animation des jeunes, modifié par les décrets des 23 décembre 2005 et 15 décembre 2006, le § 1er est remplacé par les dispositions suivantes :
" § 1er. Le crédit inscrit au budget de la Communauté flamande pour la mise en oeuvre du présent décret pour les administrations communales et la Commission communautaire flamande, est fixé à vingt millions deux cent vingt-huit mille euros pour 2011. Dans les limites du crédit approuvé par le Parlement flamand, le Gouvernement flamand peut, au début de chaque année d'activité, ajuster le montant de la subvention à octroyer annuellement à l'évolution de l'indice de santé. "
" § 1er. Le crédit inscrit au budget de la Communauté flamande pour la mise en oeuvre du présent décret pour les administrations communales et la Commission communautaire flamande, est fixé à vingt millions deux cent vingt-huit mille euros pour 2011. Dans les limites du crédit approuvé par le Parlement flamand, le Gouvernement flamand peut, au début de chaque année d'activité, ajuster le montant de la subvention à octroyer annuellement à l'évolution de l'indice de santé. "
Art. 55. In artikel 19 van het decreet van 14 februari 2003 houdende de ondersteuning en de stimulering van het gemeentelijk, het intergemeentelijk en het provinciaal jeugd- en jeugdwerkbeleid, gewijzigd bij de decreten van 23 december 2005 en 15 december 2006, wordt § 1 vervangen door wat volgt :
" § 1. Het krediet dat op de begroting van de Vlaamse Gemeenschap ter uitvoering van dit decreet voor de provinciebesturen wordt uitgetrokken, wordt voor 2011 bepaald op een miljoen driehonderdzesenzestigduizend euro. Binnen de perken van het krediet goedgekeurd door het Vlaams Parlement kan de Vlaamse Regering bij de aanvang van elk werkingsjaar de hoogte van het jaarlijks toe te kennen subsidiebedrag aanpassen aan de evolutie van de gezondheidsindex. "
" § 1. Het krediet dat op de begroting van de Vlaamse Gemeenschap ter uitvoering van dit decreet voor de provinciebesturen wordt uitgetrokken, wordt voor 2011 bepaald op een miljoen driehonderdzesenzestigduizend euro. Binnen de perken van het krediet goedgekeurd door het Vlaams Parlement kan de Vlaamse Regering bij de aanvang van elk werkingsjaar de hoogte van het jaarlijks toe te kennen subsidiebedrag aanpassen aan de evolutie van de gezondheidsindex. "
Art. 55. Dans l'article 19 du décret du 14 février 2003 portant soutien et stimulation des politiques communales, intercommunales et provinciales en matière de jeunesse et d'animation des jeunes, modifié par les décrets des 23 décembre 2005 et 15 décembre 2006, le § 1er est remplacé par les dispositions suivantes :
" § 1er. Le crédit inscrit au budget de la Communauté flamande pour la mise en oeuvre du présent décret pour les administrations provinciales, est fixé à un million trois cent soixante-six mille euros pour 2011. Dans les limites du crédit approuvé par le Parlement flamand, le Gouvernement flamand peut, au début de chaque année d'activité, ajuster le montant de la subvention à octroyer annuellement à l'évolution de l'indice de santé. "
" § 1er. Le crédit inscrit au budget de la Communauté flamande pour la mise en oeuvre du présent décret pour les administrations provinciales, est fixé à un million trois cent soixante-six mille euros pour 2011. Dans les limites du crédit approuvé par le Parlement flamand, le Gouvernement flamand peut, au début de chaque année d'activité, ajuster le montant de la subvention à octroyer annuellement à l'évolution de l'indice de santé. "
HOOFDSTUK 9. - Ad-hocwaarborgen voor ondernemingen
CHAPITRE 9. - Garanties ad hoc pour entreprises
Art. 56. Het opschrift van hoofdstuk III/1 van het decreet van 6 februari 2004 betreffende een waarborgregeling voor kleine, middelgrote en grote ondernemingen, ingevoegd bij het decreet van 20 februari 2009, wordt vervangen door wat volgt :
" HOOFDSTUK III/1. - Ad-hocwaarborgen voor ondernemingen ".
" HOOFDSTUK III/1. - Ad-hocwaarborgen voor ondernemingen ".
Art. 56. L'intitulé du chapitre III/1 du décret du 6 février 2004 réglant l'octroi d'une garantie aux petites, moyennes et grandes entreprises, inséré par le décret du 20 février 2009, est remplacé par la disposition suivante :
" CHAPITRE III/1. - Garanties ad hoc pour entreprises ".
" CHAPITRE III/1. - Garanties ad hoc pour entreprises ".
Art. 57. In artikel 22/2 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in punt 1° worden de woorden " met het oog op de remediëring van de gevolgen van de financiële crisis voor de reële economie " opgeheven;
2° punt 2° wordt vervangen als volgt :
" 2° de waarborgen hebben een maximale geldingsduur die de duurtijd bepaald door de Vlaamse Regering niet overschrijdt; ";
3° punt 3° wordt vervangen als volgt :
" 3° de waarborgen worden niet toegekend voor de financieringsovereenkomsten van ondernemingen die actief zijn in de sectoren visserij en landbouw; ".
1° in punt 1° worden de woorden " met het oog op de remediëring van de gevolgen van de financiële crisis voor de reële economie " opgeheven;
2° punt 2° wordt vervangen als volgt :
" 2° de waarborgen hebben een maximale geldingsduur die de duurtijd bepaald door de Vlaamse Regering niet overschrijdt; ";
3° punt 3° wordt vervangen als volgt :
" 3° de waarborgen worden niet toegekend voor de financieringsovereenkomsten van ondernemingen die actief zijn in de sectoren visserij en landbouw; ".
Art. 57. A l'article 22/2 du même décret sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le point 1°, les mots " afin de remédier aux conséquences de la crise financière pour l'économie réelle, " sont abrogés;
2° le point 2° est remplacé par la disposition suivante :
" 2° les garanties ont une durée de validité maximale qui ne dépasse pas la durée fixée par le Gouvernement flamand; ";
3° le point 3° est remplacé par la disposition suivante :
" 3° les garanties ne sont pas octroyées pour les conventions de financement d'entreprises actives dans les secteurs de la pêche et de l'agriculture; ".
1° dans le point 1°, les mots " afin de remédier aux conséquences de la crise financière pour l'économie réelle, " sont abrogés;
2° le point 2° est remplacé par la disposition suivante :
" 2° les garanties ont une durée de validité maximale qui ne dépasse pas la durée fixée par le Gouvernement flamand; ";
3° le point 3° est remplacé par la disposition suivante :
" 3° les garanties ne sont pas octroyées pour les conventions de financement d'entreprises actives dans les secteurs de la pêche et de l'agriculture; ".
Art. 58. In artikel 22/3, § 2, van hetzelfde decreet worden de punten 7°/1 en 7°/2 ingevoegd die luiden als volgt :
" 7°/1 de waarborg wordt ten laatste op 31 december 2010 toegekend. De voormelde datum van 31 december 2010 kan door de Vlaamse Regering worden verlengd indien en in de mate dat de Europese Commissie daartoe een goedkeuring heeft verleend;
7°/2 de waarborgen worden niet toegekend voor de financieringsovereenkomsten van een onderneming die op 1 juli 2008 een onderneming in moeilijkheden was; ".
" 7°/1 de waarborg wordt ten laatste op 31 december 2010 toegekend. De voormelde datum van 31 december 2010 kan door de Vlaamse Regering worden verlengd indien en in de mate dat de Europese Commissie daartoe een goedkeuring heeft verleend;
7°/2 de waarborgen worden niet toegekend voor de financieringsovereenkomsten van een onderneming die op 1 juli 2008 een onderneming in moeilijkheden was; ".
Art. 58. Dans l'article 22/3, § 2, du même décret, il est inséré les points 7°/1 et 7°/2, rédigés comme suit :
" 7°/1 la garantie est octroyée au plus tard le 31 décembre 2010. La date précitée du 31 décembre 2010 peut être prolongée par le Gouvernement flamand si et dans le mesure où la Commission européenne a accordée une approbation à cet effet;
7°/2 les garanties ne sont pas octroyées pour les conventions de financement d'une entreprise qui était une entreprise en difficulté le 1er juillet 2008; ".
" 7°/1 la garantie est octroyée au plus tard le 31 décembre 2010. La date précitée du 31 décembre 2010 peut être prolongée par le Gouvernement flamand si et dans le mesure où la Commission européenne a accordée une approbation à cet effet;
7°/2 les garanties ne sont pas octroyées pour les conventions de financement d'une entreprise qui était une entreprise en difficulté le 1er juillet 2008; ".
Art. 59. In artikel 22/4 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid wordt het woord " slechts " en de woorden " die niet voldoen aan de vereisten gesteld in artikel 22/3 " opgeheven;
2° een punt 6°/1 wordt ingevoegd, dat luidt als volgt :
" 6°/1 de waarborgen worden niet toegekend voor de financieringsovereenkomsten van een onderneming die op datum van toekenning van de waarborg een onderneming in moeilijkheden is; ".
1° in het eerste lid wordt het woord " slechts " en de woorden " die niet voldoen aan de vereisten gesteld in artikel 22/3 " opgeheven;
2° een punt 6°/1 wordt ingevoegd, dat luidt als volgt :
" 6°/1 de waarborgen worden niet toegekend voor de financieringsovereenkomsten van een onderneming die op datum van toekenning van de waarborg een onderneming in moeilijkheden is; ".
Art. 59. A l'article 22/4 du même décret sont apportées les modifications suivantes :
1° dans l'alinéa premier, les mots " ne s'appliquent qu'à condition" sont remplacés par les mots "s'appliquent à condition " et les mots "qui ne remplissent pas les exigences visées à l'article 22/3" sont abrogés;
2° il est inséré un point 6°/1, rédigé comme suit :
" 6°/1 les garanties ne sont pas octroyées pour les conventions de financement d'une entreprise qui, à la date d'octroi de la garantie, est une entreprise en difficulté. "
1° dans l'alinéa premier, les mots " ne s'appliquent qu'à condition" sont remplacés par les mots "s'appliquent à condition " et les mots "qui ne remplissent pas les exigences visées à l'article 22/3" sont abrogés;
2° il est inséré un point 6°/1, rédigé comme suit :
" 6°/1 les garanties ne sont pas octroyées pour les conventions de financement d'une entreprise qui, à la date d'octroi de la garantie, est une entreprise en difficulté. "
HOOFDSTUK 10. - Oppervlaktewateren
CHAPITRE 10. - Eaux de surface
Afdeling 1. - Bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging
Section 1re. - Protection des eaux de surface contre la pollution
Art. 60. Aan artikel 35bis van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, ingevoegd bij het decreet van 21 december 1990, vervangen bij het decreet van 25 juni 1992 en gewijzigd bij de decreten van 22 december 1993, 22 december 1995, 22 december 2000, 21 december 2001, 27 juni 2003, 19 december 2003, 22 december 2006 en 21 november 2008, wordt een § 8 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 8. In afwijking van § 3 is geen heffing verschuldigd voor de lozing van grondwater dat onttrokken wordt bij bronbemalingen die technisch noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van bouwkundige werken, of de aanleg van openbare nutsvoorzieningen, zoals bedoeld in subrubriek 53.2 van de indelingslijst van titel I van het Vlarem, met uitzondering van :
1° bronbemalingen van meer dan zes maanden waarvan het onttrokken grondwater wordt geloosd in openbare rioleringen aangesloten op een rioolwaterzuiveringsinstallatie;
2° bronbemalingen gedurende maximum zes maanden waarvan het onttrokken grondwater wordt geloosd in openbare rioleringen aangesloten op een rioolwaterzuiveringsinstallatie met een debiet hoger dan 10 m3 per uur.
De uitzondering vermeld in punt 2° van het vorige lid geldt niet voor bronbemalingen van minder dan 6 weken voor de bouw van een gezinswoning met een kelderverdieping van maximum 150 m2. "
" § 8. In afwijking van § 3 is geen heffing verschuldigd voor de lozing van grondwater dat onttrokken wordt bij bronbemalingen die technisch noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van bouwkundige werken, of de aanleg van openbare nutsvoorzieningen, zoals bedoeld in subrubriek 53.2 van de indelingslijst van titel I van het Vlarem, met uitzondering van :
1° bronbemalingen van meer dan zes maanden waarvan het onttrokken grondwater wordt geloosd in openbare rioleringen aangesloten op een rioolwaterzuiveringsinstallatie;
2° bronbemalingen gedurende maximum zes maanden waarvan het onttrokken grondwater wordt geloosd in openbare rioleringen aangesloten op een rioolwaterzuiveringsinstallatie met een debiet hoger dan 10 m3 per uur.
De uitzondering vermeld in punt 2° van het vorige lid geldt niet voor bronbemalingen van minder dan 6 weken voor de bouw van een gezinswoning met een kelderverdieping van maximum 150 m2. "
Art. 60. L'article 35bis de la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux de surface contre la pollution, inséré par le décret du 21 décembre 1990, remplacé par le décret du 25 juin 1992 et modifié par les décrets des 22 décembre 1993, 22 décembre 1995, 22 décembre 2000, 21 décembre 2001, 27 juin 2003, 19 décembre 2003, 22 décembre 2006 et 21 novembre 2008, est complété par un § 8, rédigé comme suit :
" § 8. Par dérogation au § 3, aucune redevance n'est due pour le déversement d'eaux souterraines captées lors d'épuisements par puits qui sont techniquement nécessaires pour la réalisation de travaux de construction, ou l'aménagement de services publics, tels que visés à la sous-rubrique 53.2 de la liste de classification du titre Ier du Vlarem, à l'exception :
1° des épuisements par puits de plus de six mois dont les eaux souterraines captées sont déversées dans des égouts publics raccordés à une installation d'épuration des eaux d'égout;
2° des épuisements par puits de six mois au maximum, dont les eaux souterraines captées sont déversées dans des égouts publics raccordés à une installation d'épuration des eaux d'égout ayant un débit supérieur à 10 m3 par heure.
L'exception visée au point 2° de l'alinéa précédant ne s'applique pas aux épuisements par puits de moins de 6 semaines pour la construction d'un logement familial avec un sous-sol de 150 m2 au maximum. ".
" § 8. Par dérogation au § 3, aucune redevance n'est due pour le déversement d'eaux souterraines captées lors d'épuisements par puits qui sont techniquement nécessaires pour la réalisation de travaux de construction, ou l'aménagement de services publics, tels que visés à la sous-rubrique 53.2 de la liste de classification du titre Ier du Vlarem, à l'exception :
1° des épuisements par puits de plus de six mois dont les eaux souterraines captées sont déversées dans des égouts publics raccordés à une installation d'épuration des eaux d'égout;
2° des épuisements par puits de six mois au maximum, dont les eaux souterraines captées sont déversées dans des égouts publics raccordés à une installation d'épuration des eaux d'égout ayant un débit supérieur à 10 m3 par heure.
L'exception visée au point 2° de l'alinéa précédant ne s'applique pas aux épuisements par puits de moins de 6 semaines pour la construction d'un logement familial avec un sous-sol de 150 m2 au maximum. ".
Art. 61. In artikel 35quinquies, van dezelfde wet, wordt § 12, ingevoegd bij het decreet van 21 december 1990, vervangen bij het decreet van 19 december 2003 en gewijzigd bij de decreten van 24 juni 2005, 23 december 2005 en 18 december 2009, vervangen door wat volgt :
" § 12. Het jaarvolume geloosd afvalwater Qj, bedoeld in § 1 wordt als volgt bepaald :
1° op basis van een continu werkend debietmeetsysteem, waarbij doorlopend het geloosde dagdebiet wordt gemeten en dagelijks geregistreerd volgens de door de regering vastgestelde regels;
2° als het jaarvolume geloosd afvalwater Qj niet is gemeten met debietmeetapparatuur bedoeld in 1° wordt Qj vastgesteld als de som van het in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar door de drinkwatermaatschappij geleverde drinkwater en van de gedurende het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar ontvangen hoeveelheid grondwater, oppervlaktewater, hemelwater en ander water uitgedrukt in m3, verminderd met de hoeveelheid water gebruikt als koelwater voor zo ver dit koelwater niet samen met het afvalwater geloosd wordt;
1) de af te trekken hoeveelheid koelwater is gelijk aan :
a) het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de regering vastgestelde regels;
b) indien de hoeveelheid gebruikt als koelwater niet is vastgesteld door middel van debietmeetapparatuur wordt deze hoeveelheid onweerlegbaar vermoed gelijk te zijn aan het geloosde volume vergund koelwater zoals bedoeld in § 1;
c) als de debietmeting met registratie bedoeld in a) geen betrekking heeft op het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar :
- voor de periode dat de hoeveelheid koelwater werd gemeten : op basis van de tellerstanden van deze periode;
- voor de periode waarvoor geen tellerstanden beschikbaar zijn wordt de overeenstemmende hoeveelheid koelwater vastgesteld overeenkomstig de bepaling van b) en op dagbasis berekend;
2) de opgenomen hoeveelheid grondwater is gelijk aan :
a) het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de regering vastgestelde regels;
b) indien de heffingsplichtige het opgenomen grondwater niet kan aantonen met behulp van een verzegelde dagelijkse debietmeting met registratie voor het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar, wordt onweerlegbaar vermoed dat deze hoeveelheid gelijk is aan het grondwatervolume bepaald overeenkomstig artikel 28quater, § 2, 2° en 3°, van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer;
3) de opgenomen hoeveelheid oppervlaktewater is gelijk aan :
a) het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de regering vastgestelde regels;
b) wanneer de opgenomen hoeveelheid oppervlaktewater niet vastgesteld is door middel van een verzegelde debietmeting met registratie, wordt deze hoeveelheid onweerlegbaar vermoed gelijk te zijn aan het gecapteerde volume water dat de beheerder van de betrokken waterweg het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar in aanmerking heeft genomen voor het bepalen van de vergoeding voor de vergunning voor de watervang zoals bedoeld in hoofdstuk IV van het decreet van 21 december 1990 houdende begrotingstechnische bepalingen, alsmede bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991;
c) bij ontstentenis van debietmeting bedoeld in a) en van de vergoeding voor de vergunning voor de watervang bedoeld in b) wordt onweerlegbaar vermoed dat de opgenomen hoeveelheid oppervlaktewater gelijk is aan de som van de nominale capaciteit van de pompen, uitgedrukt in m3 per uur en vermenigvuldigd met T. Daarbij is :
- voor seizoensgebonden irrigatie in open lucht voor land- en tuinbouw in hoofdactiviteit : T = 200;
- voor andere seizoensgebonden activiteiten of activiteiten van beperkte duur : T = 10 x het reële aantal dagen dat de oppervlaktewaterwinning in gebruik geweest is;
- in de overige gevallen : T = 2000;
d) als de debietmeting bedoeld in a) geen betrekking heeft op het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar :
- voor de periode dat de hoeveelheid oppervlaktewater werd gemeten : op basis van tellerstanden van deze periode;
- voor de periode waarvoor geen tellerstanden beschikbaar zijn wordt de overeenstemmende hoeveelheid oppervlaktewater naargelang het geval vastgesteld volgens de bepalingen van b) of c) en op dagbasis berekend;
4) voor de toepassing van dit artikel wordt onder hemelwater verstaan, het hemelwater dat gebruikt wordt voor de activiteiten van de in bijlage vermelde sectoren, of vervuild wordt, of samen met het afvalwater geloosd wordt. De ontvangen hoeveelheid hemelwater is gelijk aan :
a) het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de regering vastgestelde regels;
b) indien de heffingsplichtige het in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar volume ontvangen hemelwater niet kan aantonen aan de hand van een verzegelde debietmeting voorzien van registratie, wordt de hoeveelheid hemelwater gelijkgesteld aan 800 l/m2 afspoelbare of vervuilde oppervlakte, tenzij de heffingsplichtige aan de hand van de gegevens afkomstig van het Koninklijk Meteorologisch Instituut, kan aantonen dat de neerslag kleiner is dan 800 l/m2;
c) als de debietmeting met registratie bedoeld in a) geen betrekking heeft op het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar :
- voor de periode dat de hoeveelheid hemelwater werd gemeten : op basis van de tellerstanden van deze periode;
- voor de periode waarvoor geen tellerstanden beschikbaar zijn wordt de overeenstemmende hoeveelheid hemelwater vastgesteld overeenkomstig de bepaling van b) en op dagbasis berekend;
3° als de debietmeting met registratie bedoeld in punt 1° geen betrekking heeft op het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar :
1) voor de periode dat de geloosde hoeveelheid afvalwater werd gemeten : op basis van de tellerstanden van deze periode;
2) voor de periode waarvoor geen tellerstanden beschikbaar zijn wordt de overeenstemmende geloosde hoeveelheid afvalwater vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van punt 2° en op dagbasis berekend.
De in de vorige paragrafen bedoelde systemen voor registratie van het debiet die vóór 1 januari 2004 in gebruik zijn genomen, worden verzegeld door de maatschappij. De overige debietmeetsystemen moeten bij de indienstname door de leverancier, de installateur of een erkend deskundige in de discipline grondwater of oppervlaktewater vermeld in hoofdstuk 1.3 van titel II van het Vlarem worden verzegeld indien de heffingsplichtige hiervan gebruik wil maken voor de bepaling van Qj. Deze verplichting geldt niet voor de meetsystemen waarmee het geloosde debiet wordt gemeten. "
" § 12. Het jaarvolume geloosd afvalwater Qj, bedoeld in § 1 wordt als volgt bepaald :
1° op basis van een continu werkend debietmeetsysteem, waarbij doorlopend het geloosde dagdebiet wordt gemeten en dagelijks geregistreerd volgens de door de regering vastgestelde regels;
2° als het jaarvolume geloosd afvalwater Qj niet is gemeten met debietmeetapparatuur bedoeld in 1° wordt Qj vastgesteld als de som van het in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar door de drinkwatermaatschappij geleverde drinkwater en van de gedurende het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar ontvangen hoeveelheid grondwater, oppervlaktewater, hemelwater en ander water uitgedrukt in m3, verminderd met de hoeveelheid water gebruikt als koelwater voor zo ver dit koelwater niet samen met het afvalwater geloosd wordt;
1) de af te trekken hoeveelheid koelwater is gelijk aan :
a) het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de regering vastgestelde regels;
b) indien de hoeveelheid gebruikt als koelwater niet is vastgesteld door middel van debietmeetapparatuur wordt deze hoeveelheid onweerlegbaar vermoed gelijk te zijn aan het geloosde volume vergund koelwater zoals bedoeld in § 1;
c) als de debietmeting met registratie bedoeld in a) geen betrekking heeft op het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar :
- voor de periode dat de hoeveelheid koelwater werd gemeten : op basis van de tellerstanden van deze periode;
- voor de periode waarvoor geen tellerstanden beschikbaar zijn wordt de overeenstemmende hoeveelheid koelwater vastgesteld overeenkomstig de bepaling van b) en op dagbasis berekend;
2) de opgenomen hoeveelheid grondwater is gelijk aan :
a) het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de regering vastgestelde regels;
b) indien de heffingsplichtige het opgenomen grondwater niet kan aantonen met behulp van een verzegelde dagelijkse debietmeting met registratie voor het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar, wordt onweerlegbaar vermoed dat deze hoeveelheid gelijk is aan het grondwatervolume bepaald overeenkomstig artikel 28quater, § 2, 2° en 3°, van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer;
3) de opgenomen hoeveelheid oppervlaktewater is gelijk aan :
a) het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de regering vastgestelde regels;
b) wanneer de opgenomen hoeveelheid oppervlaktewater niet vastgesteld is door middel van een verzegelde debietmeting met registratie, wordt deze hoeveelheid onweerlegbaar vermoed gelijk te zijn aan het gecapteerde volume water dat de beheerder van de betrokken waterweg het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar in aanmerking heeft genomen voor het bepalen van de vergoeding voor de vergunning voor de watervang zoals bedoeld in hoofdstuk IV van het decreet van 21 december 1990 houdende begrotingstechnische bepalingen, alsmede bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991;
c) bij ontstentenis van debietmeting bedoeld in a) en van de vergoeding voor de vergunning voor de watervang bedoeld in b) wordt onweerlegbaar vermoed dat de opgenomen hoeveelheid oppervlaktewater gelijk is aan de som van de nominale capaciteit van de pompen, uitgedrukt in m3 per uur en vermenigvuldigd met T. Daarbij is :
- voor seizoensgebonden irrigatie in open lucht voor land- en tuinbouw in hoofdactiviteit : T = 200;
- voor andere seizoensgebonden activiteiten of activiteiten van beperkte duur : T = 10 x het reële aantal dagen dat de oppervlaktewaterwinning in gebruik geweest is;
- in de overige gevallen : T = 2000;
d) als de debietmeting bedoeld in a) geen betrekking heeft op het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar :
- voor de periode dat de hoeveelheid oppervlaktewater werd gemeten : op basis van tellerstanden van deze periode;
- voor de periode waarvoor geen tellerstanden beschikbaar zijn wordt de overeenstemmende hoeveelheid oppervlaktewater naargelang het geval vastgesteld volgens de bepalingen van b) of c) en op dagbasis berekend;
4) voor de toepassing van dit artikel wordt onder hemelwater verstaan, het hemelwater dat gebruikt wordt voor de activiteiten van de in bijlage vermelde sectoren, of vervuild wordt, of samen met het afvalwater geloosd wordt. De ontvangen hoeveelheid hemelwater is gelijk aan :
a) het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de regering vastgestelde regels;
b) indien de heffingsplichtige het in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar volume ontvangen hemelwater niet kan aantonen aan de hand van een verzegelde debietmeting voorzien van registratie, wordt de hoeveelheid hemelwater gelijkgesteld aan 800 l/m2 afspoelbare of vervuilde oppervlakte, tenzij de heffingsplichtige aan de hand van de gegevens afkomstig van het Koninklijk Meteorologisch Instituut, kan aantonen dat de neerslag kleiner is dan 800 l/m2;
c) als de debietmeting met registratie bedoeld in a) geen betrekking heeft op het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar :
- voor de periode dat de hoeveelheid hemelwater werd gemeten : op basis van de tellerstanden van deze periode;
- voor de periode waarvoor geen tellerstanden beschikbaar zijn wordt de overeenstemmende hoeveelheid hemelwater vastgesteld overeenkomstig de bepaling van b) en op dagbasis berekend;
3° als de debietmeting met registratie bedoeld in punt 1° geen betrekking heeft op het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar :
1) voor de periode dat de geloosde hoeveelheid afvalwater werd gemeten : op basis van de tellerstanden van deze periode;
2) voor de periode waarvoor geen tellerstanden beschikbaar zijn wordt de overeenstemmende geloosde hoeveelheid afvalwater vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van punt 2° en op dagbasis berekend.
De in de vorige paragrafen bedoelde systemen voor registratie van het debiet die vóór 1 januari 2004 in gebruik zijn genomen, worden verzegeld door de maatschappij. De overige debietmeetsystemen moeten bij de indienstname door de leverancier, de installateur of een erkend deskundige in de discipline grondwater of oppervlaktewater vermeld in hoofdstuk 1.3 van titel II van het Vlarem worden verzegeld indien de heffingsplichtige hiervan gebruik wil maken voor de bepaling van Qj. Deze verplichting geldt niet voor de meetsystemen waarmee het geloosde debiet wordt gemeten. "
Art. 61. Dans l'article 35quinquies, de la même loi, le § 12, inséré par le décret du 21 décembre 1990, remplacé par le décret du 19 décembre 2003 et modifié par les décrets des 24 juin 2005, 23 décembre 2005 et 18 décembre 2009, est remplacé par les dispositions suivantes :
" § 12. Le volume annuel des eaux usées déversées Qj, visé au § 1er, est fixé comme suit :
1° sur la base d'un système de mesure du débit en continu, qui mesure continuellement et enregistre quotidiennement le débit journalier déversé suivant les règles prescrites par le Gouvernement;
2° si le volume annuel des eaux usées déversées Qj n'est pas mesuré avec l'appareillage de mesure du débit, visé au point 1°, Qj sera fixé comme la somme des eaux alimentaires fournies par la société publique de distribution d'eau au cours de l'année précédant l'année d'imposition, et de la quantité des eaux de surface, eaux souterraines, eaux pluviales et autres eaux, exprimée en m3, reçues au cours de l'année précédant l'année d'imposition, diminuée de la quantité des eaux utilisées comme eaux de refroidissement dans la mesure où ces eaux de refroidissement ne sont pas déversées ensemble avec les eaux usées;
1) la quantité d'eaux de refroidissement à diminuer egale :
a) le volume mesuré à l'aide d'une mesure continue du débit avec enregistrement suivant les règles prescrites par le Gouvernement;
b) lorsque la quantité qui est utilisée comme des eaux de refroidissement n'a pas été déterminée à l'aide d'un appareil de mesure du débit, cette quantité est présumée irréfragablement être égale au volume déversé des eaux de refroidissement autorisées, tel que visé au § 1er;
c) lorsque la mesure du débit avec enregistrement, visée au a), ne concerne pas l'année entière précédant l'année d'imposition :
- pour la période de mesurage de la quantité d'eaux de refroidissement : sur la base des relevés du compteur de cette période;
- pour la période pour laquelle aucun relevé du compteur n'est disponible, la quantité d'eaux de refroidissement correspondante est fixée conformément à la détermination du point b) et calculée sur base journalière;
2) la quantité prélevée des eaux souterraines égale :
a) le volume mesuré à l'aide d'une mesure continue du débit avec enregistrement suivant les règles prescrites par le Gouvernement;
b) si le redevable ne peut pas démontrer les eaux souterraines prélevées à l'aide d'une mesure du débit journalière scellée avec enregistrement pour l'année entière précédant l'année d'imposition, cette quantité est présumée irréfragablement être égale au volume des eaux souterraines fixé conformément à l'article 28quater, § 2, 2° et 3°, du décret du 24 janvier 1984 portant des mesures en matière de gestion des eaux souterraines;
3) la quantité prélevée des eaux de surface égale :
a) le volume mesuré à l'aide d'une mesure continue du débit avec enregistrement suivant les règles prescrites par le Gouvernement;
b) lorsque la quantité prélevée des eaux de surface n'a pas été déterminée à l'aide d'une mesure du débit scellée avec enregistrement, cette quantité est présumée irréfragablement être égale au volume d'eau captée pris en compte par le gestionnaire de la voie d'eau concernée pendant l'année précédant l'année d'imposition pour la détermination de l'indemnité pour l'autorisation de prise d'eau telle que visée au chapitre IV du décret du 21 décembre 1990 contenant des dispositions budgétaires techniques ainsi que des dispositions accompagnant le budget 1991;
c) à défaut d'une mesure du débit telle que visée au point a) et de l'indemnité pour l'autorisation de prise d'eau visée au point b), la quantité prélevée d'eaux de surface est présumée irréfragablement être égale à la somme de la capacité nominale des pompes, exprimée en m3 par heure et multipliée par T, où :
- pour l'irrigation saisonnière en plein air dans le cadre d'activités agricoles ou horticoles exercées à titre principal : T = 200;
- pour les autres activités saisonnières ou les activités de durée limitée : T = 10 x le nombre réel de jours que la prise d'eau de surface a été en service;
- dans les autres cas : T = 2000;
d) lorsque la mesure du débit, visée au a), ne concerne pas l'année entière précédant l'année d'imposition :
- pour la période de mesurage de la quantité d'eaux de surface : sur la base des relevés du compteur de cette période;
- pour la période pour laquelle aucun relevé du compteur n'est disponible, la quantité d'eaux de surface correspondante est fixée, selon le cas, suivant les dispositions du point b) ou c) et calculée sur base journalière;
4) pour l'application du présent article, on entend par eaux pluviales, les eaux pluviales qui sont utilisées pour les activités des secteurs mentionnés en annexe, ou sont polluées, ou sont déversées avec les eaux usées. La quantité prélevée des eaux pluviales égale :
a) le volume mesuré à l'aide d'une mesure continue du débit avec enregistrement suivant les règles prescrites par le Gouvernement;
b) si le redevable ne peut pas démontrer le volume des eaux pluviales reçues pendant l'année précédant l'année d'imposition, à l'aide d'une mesure du débit scellée avec enregistrement, la quantité des eaux pluviales est assimilée à 800 l/m2 de surface lessivable ou polluée, à moins que le redevable ne puisse démontrer, à l'aide des données provenant de l'Institut royal météorologique, que les précipitations sont inférieures à 800 l/m2;
c) lorsque la mesure du débit avec enregistrement, visée au a), ne concerne pas l'année entière précédant l'année d'imposition :
- pour la période de mesurage de la quantité d'eaux pluviales : sur la base des relevés du compteur de cette période;
- pour la période pour laquelle aucun relevé du compteur n'est disponible, la quantité d'eaux pluviales correspondante est fixée conformément à la détermination du point b) et calculée sur base journalière;
3° lorsque la mesure du débit avec enregistrement, visée au point 1°, ne concerne pas l'année entière précédant l'année d'imposition :
1) pour la période de mesurage de la quantité d'eaux pluviales déversée : sur la base des relevés du compteur de cette période;
2) pour la période pour laquelle aucun relevé du compteur n'est disponible, la quantité d'eaux usées déversée correspondante est fixée conformément aux dispositions du point 2° et calculée sur base journalière.
Les systèmes d'enregistrement du débit, visés aux paragraphes précédents, qui sont mis en service avant le 1er janvier 2004, sont scellés par la société. Les autres systèmes de mesure du débit doivent être scellés lors de la mise en service par le fournisseur, l'installateur ou un expert agréé dans la discipline eaux souterraines ou eaux de surface, visée au chapitre 1.3 du titre II du Vlarem, si le redevable souhaite les utiliser pour déterminer Qj. Cette obligation ne vaut pas pour les systèmes de mesurage qui mesurent le débit déversé. ".
" § 12. Le volume annuel des eaux usées déversées Qj, visé au § 1er, est fixé comme suit :
1° sur la base d'un système de mesure du débit en continu, qui mesure continuellement et enregistre quotidiennement le débit journalier déversé suivant les règles prescrites par le Gouvernement;
2° si le volume annuel des eaux usées déversées Qj n'est pas mesuré avec l'appareillage de mesure du débit, visé au point 1°, Qj sera fixé comme la somme des eaux alimentaires fournies par la société publique de distribution d'eau au cours de l'année précédant l'année d'imposition, et de la quantité des eaux de surface, eaux souterraines, eaux pluviales et autres eaux, exprimée en m3, reçues au cours de l'année précédant l'année d'imposition, diminuée de la quantité des eaux utilisées comme eaux de refroidissement dans la mesure où ces eaux de refroidissement ne sont pas déversées ensemble avec les eaux usées;
1) la quantité d'eaux de refroidissement à diminuer egale :
a) le volume mesuré à l'aide d'une mesure continue du débit avec enregistrement suivant les règles prescrites par le Gouvernement;
b) lorsque la quantité qui est utilisée comme des eaux de refroidissement n'a pas été déterminée à l'aide d'un appareil de mesure du débit, cette quantité est présumée irréfragablement être égale au volume déversé des eaux de refroidissement autorisées, tel que visé au § 1er;
c) lorsque la mesure du débit avec enregistrement, visée au a), ne concerne pas l'année entière précédant l'année d'imposition :
- pour la période de mesurage de la quantité d'eaux de refroidissement : sur la base des relevés du compteur de cette période;
- pour la période pour laquelle aucun relevé du compteur n'est disponible, la quantité d'eaux de refroidissement correspondante est fixée conformément à la détermination du point b) et calculée sur base journalière;
2) la quantité prélevée des eaux souterraines égale :
a) le volume mesuré à l'aide d'une mesure continue du débit avec enregistrement suivant les règles prescrites par le Gouvernement;
b) si le redevable ne peut pas démontrer les eaux souterraines prélevées à l'aide d'une mesure du débit journalière scellée avec enregistrement pour l'année entière précédant l'année d'imposition, cette quantité est présumée irréfragablement être égale au volume des eaux souterraines fixé conformément à l'article 28quater, § 2, 2° et 3°, du décret du 24 janvier 1984 portant des mesures en matière de gestion des eaux souterraines;
3) la quantité prélevée des eaux de surface égale :
a) le volume mesuré à l'aide d'une mesure continue du débit avec enregistrement suivant les règles prescrites par le Gouvernement;
b) lorsque la quantité prélevée des eaux de surface n'a pas été déterminée à l'aide d'une mesure du débit scellée avec enregistrement, cette quantité est présumée irréfragablement être égale au volume d'eau captée pris en compte par le gestionnaire de la voie d'eau concernée pendant l'année précédant l'année d'imposition pour la détermination de l'indemnité pour l'autorisation de prise d'eau telle que visée au chapitre IV du décret du 21 décembre 1990 contenant des dispositions budgétaires techniques ainsi que des dispositions accompagnant le budget 1991;
c) à défaut d'une mesure du débit telle que visée au point a) et de l'indemnité pour l'autorisation de prise d'eau visée au point b), la quantité prélevée d'eaux de surface est présumée irréfragablement être égale à la somme de la capacité nominale des pompes, exprimée en m3 par heure et multipliée par T, où :
- pour l'irrigation saisonnière en plein air dans le cadre d'activités agricoles ou horticoles exercées à titre principal : T = 200;
- pour les autres activités saisonnières ou les activités de durée limitée : T = 10 x le nombre réel de jours que la prise d'eau de surface a été en service;
- dans les autres cas : T = 2000;
d) lorsque la mesure du débit, visée au a), ne concerne pas l'année entière précédant l'année d'imposition :
- pour la période de mesurage de la quantité d'eaux de surface : sur la base des relevés du compteur de cette période;
- pour la période pour laquelle aucun relevé du compteur n'est disponible, la quantité d'eaux de surface correspondante est fixée, selon le cas, suivant les dispositions du point b) ou c) et calculée sur base journalière;
4) pour l'application du présent article, on entend par eaux pluviales, les eaux pluviales qui sont utilisées pour les activités des secteurs mentionnés en annexe, ou sont polluées, ou sont déversées avec les eaux usées. La quantité prélevée des eaux pluviales égale :
a) le volume mesuré à l'aide d'une mesure continue du débit avec enregistrement suivant les règles prescrites par le Gouvernement;
b) si le redevable ne peut pas démontrer le volume des eaux pluviales reçues pendant l'année précédant l'année d'imposition, à l'aide d'une mesure du débit scellée avec enregistrement, la quantité des eaux pluviales est assimilée à 800 l/m2 de surface lessivable ou polluée, à moins que le redevable ne puisse démontrer, à l'aide des données provenant de l'Institut royal météorologique, que les précipitations sont inférieures à 800 l/m2;
c) lorsque la mesure du débit avec enregistrement, visée au a), ne concerne pas l'année entière précédant l'année d'imposition :
- pour la période de mesurage de la quantité d'eaux pluviales : sur la base des relevés du compteur de cette période;
- pour la période pour laquelle aucun relevé du compteur n'est disponible, la quantité d'eaux pluviales correspondante est fixée conformément à la détermination du point b) et calculée sur base journalière;
3° lorsque la mesure du débit avec enregistrement, visée au point 1°, ne concerne pas l'année entière précédant l'année d'imposition :
1) pour la période de mesurage de la quantité d'eaux pluviales déversée : sur la base des relevés du compteur de cette période;
2) pour la période pour laquelle aucun relevé du compteur n'est disponible, la quantité d'eaux usées déversée correspondante est fixée conformément aux dispositions du point 2° et calculée sur base journalière.
Les systèmes d'enregistrement du débit, visés aux paragraphes précédents, qui sont mis en service avant le 1er janvier 2004, sont scellés par la société. Les autres systèmes de mesure du débit doivent être scellés lors de la mise en service par le fournisseur, l'installateur ou un expert agréé dans la discipline eaux souterraines ou eaux de surface, visée au chapitre 1.3 du titre II du Vlarem, si le redevable souhaite les utiliser pour déterminer Qj. Cette obligation ne vaut pas pour les systèmes de mesurage qui mesurent le débit déversé. ".
Art. 62. In artikel 35septies van dezelfde wet wordt § 2, ingevoegd bij het decreet van 19 december 2003 en gewijzigd bij het decreet van 18 december 2009, vervangen door wat volgt :
" § 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder Q verstaan :
het waterverbruik berekend als de som van het door de drinkwatermaatschappij in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar gefactureerd waterverbruik en van de gedurende het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar op een andere wijze ontvangen hoeveelheid grondwater, oppervlaktewater, hemelwater en ander water, uitgedrukt in m3.
Q wordt als volgt berekend :
1° het gefactureerde waterverbruik wordt bepaald overeenkomstig de bepalingen van § 1;
2° de opgenomen hoeveelheid grondwater is gelijk aan :
a) het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de regering vastgestelde regels;
b) indien de heffingsplichtige het opgenomen grondwater niet kan aantonen met behulp van een verzegelde dagelijkse debietmeting met registratie voor het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar, wordt onweerlegbaar vermoed dat deze hoeveelheid gelijk is aan het grondwatervolume bepaald overeenkomstig artikel 28quater, § 2, 2° en 3°, van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer;
3° de opgenomen hoeveelheid oppervlaktewater is gelijk aan :
a) het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de regering vastgestelde regels;
b) wanneer het opgenomen volume oppervlaktewater niet vastgesteld is door middel van een verzegelde debietmeting met registratie wordt deze hoeveelheid onweerlegbaar vermoed gelijk te zijn aan het gecapteerde volume water dat de beheerder van de betrokken waterweg het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar in aanmerking heeft genomen voor het bepalen van de vergoeding voor de vergunning voor de watervang zoals bedoeld in hoofdstuk IV van het decreet van 21 december 1990 houdende begrotingstechnische bepalingen, alsmede bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991;
c) bij ontstentenis van debietmeting bedoeld in a) en van de vergoeding voor de vergunning voor de watervang bedoeld in b) wordt onweerlegbaar vermoed dat de opgenomen hoeveelheid oppervlaktewater gelijk is aan de som van de nominale capaciteit van de pompen, uitgedrukt in m3 per uur en vermenigvuldigd met T.
Daarbij is :
- voor seizoensgebonden irrigatie in open lucht voor land- en tuinbouw in hoofdactiviteit : T = 200;
- voor andere seizoensgebonden activiteiten of activiteiten van beperkte duur : T = 10 x het reële aantal dagen dat de oppervlaktewaterwinning in gebruik geweest is;
- in de overige gevallen : T = 2000;
d) als de debietmeting bedoeld in a) geen betrekking heeft op het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar :
- voor de periode dat de hoeveelheid oppervlaktewater werd gemeten : op basis van tellerstanden van deze periode;
- voor de periode waarvoor geen tellerstanden beschikbaar zijn wordt de overeenstemmende hoeveelheid oppervlaktewater naargelang het geval vastgesteld volgens de bepalingen van b) of c) en op dagbasis berekend;
4° voor de toepassing van dit artikel wordt onder hemelwater verstaan, het hemelwater dat gebruikt wordt voor de activiteiten van de in bijlage vermelde sectoren en/of vervuild wordt.
De ontvangen hoeveelheid hemelwater is gelijk aan :
a) het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de regering vastgestelde regels;
b) indien de heffingsplichtige het in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar volume gebruikt of vervuild hemelwater niet kan aantonen aan de hand van een verzegelde debietmeting voorzien van registratie, wordt de hoeveelheid hemelwater gelijkgesteld aan 800 l/m2 afspoelbare of vervuilde oppervlakte, tenzij de heffingsplichtige aan de hand van de gegevens afkomstig van het Koninklijk Meteorologisch Instituut, kan aantonen dat de neerslag kleiner is dan 800 l/m2;
c) als de debietmeting met registratie bedoeld in a) geen betrekking heeft op het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar :
- voor de periode dat de hoeveelheid hemelwater werd gemeten : op basis van de tellerstanden van deze periode;
- voor de periode waarvoor geen tellerstanden beschikbaar zijn wordt de overeenstemmende hoeveelheid hemelwater vastgesteld overeenkomstig de bepaling van b) en op dagbasis berekend.
De in de vorige paragrafen bedoelde systemen voor registratie van het debiet die vóór 1 januari 2004 in gebruik zijn genomen, worden verzegeld door de maatschappij. De overige debietmeetsystemen moeten bij de indienstname door de leverancier, de installateur of een erkend deskundige in de discipline grondwater of oppervlaktewater vermeld in hoofdstuk 1.3 van titel II van het Vlarem worden verzegeld indien de heffingsplichtige hiervan gebruik wil maken voor de bepaling van Q. "
" § 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder Q verstaan :
het waterverbruik berekend als de som van het door de drinkwatermaatschappij in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar gefactureerd waterverbruik en van de gedurende het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar op een andere wijze ontvangen hoeveelheid grondwater, oppervlaktewater, hemelwater en ander water, uitgedrukt in m3.
Q wordt als volgt berekend :
1° het gefactureerde waterverbruik wordt bepaald overeenkomstig de bepalingen van § 1;
2° de opgenomen hoeveelheid grondwater is gelijk aan :
a) het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de regering vastgestelde regels;
b) indien de heffingsplichtige het opgenomen grondwater niet kan aantonen met behulp van een verzegelde dagelijkse debietmeting met registratie voor het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar, wordt onweerlegbaar vermoed dat deze hoeveelheid gelijk is aan het grondwatervolume bepaald overeenkomstig artikel 28quater, § 2, 2° en 3°, van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer;
3° de opgenomen hoeveelheid oppervlaktewater is gelijk aan :
a) het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de regering vastgestelde regels;
b) wanneer het opgenomen volume oppervlaktewater niet vastgesteld is door middel van een verzegelde debietmeting met registratie wordt deze hoeveelheid onweerlegbaar vermoed gelijk te zijn aan het gecapteerde volume water dat de beheerder van de betrokken waterweg het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar in aanmerking heeft genomen voor het bepalen van de vergoeding voor de vergunning voor de watervang zoals bedoeld in hoofdstuk IV van het decreet van 21 december 1990 houdende begrotingstechnische bepalingen, alsmede bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991;
c) bij ontstentenis van debietmeting bedoeld in a) en van de vergoeding voor de vergunning voor de watervang bedoeld in b) wordt onweerlegbaar vermoed dat de opgenomen hoeveelheid oppervlaktewater gelijk is aan de som van de nominale capaciteit van de pompen, uitgedrukt in m3 per uur en vermenigvuldigd met T.
Daarbij is :
- voor seizoensgebonden irrigatie in open lucht voor land- en tuinbouw in hoofdactiviteit : T = 200;
- voor andere seizoensgebonden activiteiten of activiteiten van beperkte duur : T = 10 x het reële aantal dagen dat de oppervlaktewaterwinning in gebruik geweest is;
- in de overige gevallen : T = 2000;
d) als de debietmeting bedoeld in a) geen betrekking heeft op het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar :
- voor de periode dat de hoeveelheid oppervlaktewater werd gemeten : op basis van tellerstanden van deze periode;
- voor de periode waarvoor geen tellerstanden beschikbaar zijn wordt de overeenstemmende hoeveelheid oppervlaktewater naargelang het geval vastgesteld volgens de bepalingen van b) of c) en op dagbasis berekend;
4° voor de toepassing van dit artikel wordt onder hemelwater verstaan, het hemelwater dat gebruikt wordt voor de activiteiten van de in bijlage vermelde sectoren en/of vervuild wordt.
De ontvangen hoeveelheid hemelwater is gelijk aan :
a) het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de regering vastgestelde regels;
b) indien de heffingsplichtige het in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar volume gebruikt of vervuild hemelwater niet kan aantonen aan de hand van een verzegelde debietmeting voorzien van registratie, wordt de hoeveelheid hemelwater gelijkgesteld aan 800 l/m2 afspoelbare of vervuilde oppervlakte, tenzij de heffingsplichtige aan de hand van de gegevens afkomstig van het Koninklijk Meteorologisch Instituut, kan aantonen dat de neerslag kleiner is dan 800 l/m2;
c) als de debietmeting met registratie bedoeld in a) geen betrekking heeft op het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar :
- voor de periode dat de hoeveelheid hemelwater werd gemeten : op basis van de tellerstanden van deze periode;
- voor de periode waarvoor geen tellerstanden beschikbaar zijn wordt de overeenstemmende hoeveelheid hemelwater vastgesteld overeenkomstig de bepaling van b) en op dagbasis berekend.
De in de vorige paragrafen bedoelde systemen voor registratie van het debiet die vóór 1 januari 2004 in gebruik zijn genomen, worden verzegeld door de maatschappij. De overige debietmeetsystemen moeten bij de indienstname door de leverancier, de installateur of een erkend deskundige in de discipline grondwater of oppervlaktewater vermeld in hoofdstuk 1.3 van titel II van het Vlarem worden verzegeld indien de heffingsplichtige hiervan gebruik wil maken voor de bepaling van Q. "
Art. 62. Dans l'article 35septies de la même loi, le § 2, inséré par le décret du 19 décembre 2003 et modifié par le décret du 18 décembre 2009, est remplacé par la disposition suivante :
" § 2. Pour l'application du présent article, on entend par Q :
la consommation d'eau calculée en tant que la somme de la consommation d'eau facturée par la société de distribution d'eau potable au cours de l'année précédant l'année d'imposition et de la quantité d'eaux souterraines, eaux de surface, eaux pluviales et autres eaux, captée d'une autre manière pendant l'année précédant l'année d'imposition, exprimée en m3.
Q est calculée comme suit :
1° la consommation d'eau facturée est déterminée conformément aux dispositions du § 1er;
2° la quantité prélevée des eaux souterraines égale :
a) le volume mesuré à l'aide d'une mesure continue du débit avec enregistrement suivant les règles prescrites par le Gouvernement;
b) si le redevable ne peut pas démontrer les eaux souterraines prélevées à l'aide d'une mesure du débit journalière scellée avec enregistrement pour l'année entière précédant l'année d'imposition, cette quantité est présumée irréfragablement être égale au volume des eaux souterraines fixé conformément à l'article 28quater, § 2, 2° et 3°, du décret du 24 janvier 1984 portant des mesures en matière de gestion des eaux souterraines;
3° la quantité prélevée des eaux de surface égale :
a) le volume mesuré à l'aide d'une mesure continue du débit avec enregistrement suivant les règles prescrites par le Gouvernement;
b) lorsque le volume prélevé des eaux de surface n'a pas été déterminé à l'aide d'une mesure du débit scellée avec enregistrement, cette quantité est présumée irréfragablement être égale au volume d'eau captée pris en compte par le gestionnaire de la voie d'eau concernée pendant l'année précédant l'année d'imposition pour la détermination de l'indemnité pour l'autorisation de prise d'eau telle que visée au chapitre IV du décret du 21 décembre 1990 contenant des dispositions budgétaires techniques ainsi que des dispositions accompagnant le budget 1991;
c) à défaut d'une mesure du débit telle que visée au point a) et de l'indemnité pour l'autorisation de prise d'eau visée au point b), la quantité prélevée d'eaux de surface est présumée irréfragablement être égale à la somme de la capacité nominale des pompes, exprimée en m3 par heure et multipliée par T.
Où :
- pour l'irrigation saisonnière en plein air dans le cadre d'activités agricoles ou horticoles exercées à titre principal : T = 200;
- pour les autres activités saisonnières ou les activités de durée limitée : T = 10 x le nombre réel de jours que la prise d'eau de surface a été en service;
- dans les autres cas : T = 2 000;
d) lorsque la mesure du débit, visée au a), ne concerne pas l'année entière précédant l'année d'imposition :
- pour la période de mesurage de la quantité d'eaux de surface : sur la base des relevés du compteur de cette période;
- pour la période pour laquelle aucun relevé du compteur n'est disponible, la quantité d'eaux de surface correspondante est fixée, selon le cas, suivant les dispositions du point b) ou c) et calculée sur base journalière;
4° pour l'application du présent article, on entend par eaux pluviales, les eaux pluviales qui sont utilisées pour les activités des secteurs mentionnés en annexe et/ou sont polluées.
La quantité prélevée des eaux pluviales égale :
a) le volume mesuré à l'aide d'une mesure continue du débit avec enregistrement suivant les règles prescrites par le Gouvernement;
b) si le redevable ne peut pas démontrer le volume des eaux pluviales utilisées ou polluées pendant l'année précédant l'année d'imposition, à l'aide d'une mesure du débit scellée avec enregistrement, la quantité des eaux pluviales est assimilée à 800 l/m2 de surface lessivable ou polluée, à moins que le redevable ne puisse démontrer, à l'aide des données provenant de l'Institut royal météorologique, que les précipitations sont inférieures à 800 l/m2;
c) lorsque la mesure du débit avec enregistrement, visée au a), ne concerne pas l'année entière précédant l'année d'imposition :
- pour la période de mesurage de la quantité d'eaux pluviales : sur la base des relevés du compteur de cette période;
- pour la période pour laquelle aucun relevé du compteur n'est disponible, la quantité d'eaux pluviales correspondante est fixée conformément à la détermination du point b) et calculée sur base journalière.
Les systèmes d'enregistrement du débit, visés aux paragraphes précédents, qui sont mis en service avant le 1er janvier 2004, sont scellés par la société. Les autres systèmes de mesure du débit doivent être scellés lors de la mise en service par le fournisseur, l'installateur ou un expert agréé dans la discipline eaux souterraines ou eaux de surface, visée au chapitre 1.3 du titre II du Vlarem, si le redevable souhaite les utiliser pour déterminer Q. "
" § 2. Pour l'application du présent article, on entend par Q :
la consommation d'eau calculée en tant que la somme de la consommation d'eau facturée par la société de distribution d'eau potable au cours de l'année précédant l'année d'imposition et de la quantité d'eaux souterraines, eaux de surface, eaux pluviales et autres eaux, captée d'une autre manière pendant l'année précédant l'année d'imposition, exprimée en m3.
Q est calculée comme suit :
1° la consommation d'eau facturée est déterminée conformément aux dispositions du § 1er;
2° la quantité prélevée des eaux souterraines égale :
a) le volume mesuré à l'aide d'une mesure continue du débit avec enregistrement suivant les règles prescrites par le Gouvernement;
b) si le redevable ne peut pas démontrer les eaux souterraines prélevées à l'aide d'une mesure du débit journalière scellée avec enregistrement pour l'année entière précédant l'année d'imposition, cette quantité est présumée irréfragablement être égale au volume des eaux souterraines fixé conformément à l'article 28quater, § 2, 2° et 3°, du décret du 24 janvier 1984 portant des mesures en matière de gestion des eaux souterraines;
3° la quantité prélevée des eaux de surface égale :
a) le volume mesuré à l'aide d'une mesure continue du débit avec enregistrement suivant les règles prescrites par le Gouvernement;
b) lorsque le volume prélevé des eaux de surface n'a pas été déterminé à l'aide d'une mesure du débit scellée avec enregistrement, cette quantité est présumée irréfragablement être égale au volume d'eau captée pris en compte par le gestionnaire de la voie d'eau concernée pendant l'année précédant l'année d'imposition pour la détermination de l'indemnité pour l'autorisation de prise d'eau telle que visée au chapitre IV du décret du 21 décembre 1990 contenant des dispositions budgétaires techniques ainsi que des dispositions accompagnant le budget 1991;
c) à défaut d'une mesure du débit telle que visée au point a) et de l'indemnité pour l'autorisation de prise d'eau visée au point b), la quantité prélevée d'eaux de surface est présumée irréfragablement être égale à la somme de la capacité nominale des pompes, exprimée en m3 par heure et multipliée par T.
Où :
- pour l'irrigation saisonnière en plein air dans le cadre d'activités agricoles ou horticoles exercées à titre principal : T = 200;
- pour les autres activités saisonnières ou les activités de durée limitée : T = 10 x le nombre réel de jours que la prise d'eau de surface a été en service;
- dans les autres cas : T = 2 000;
d) lorsque la mesure du débit, visée au a), ne concerne pas l'année entière précédant l'année d'imposition :
- pour la période de mesurage de la quantité d'eaux de surface : sur la base des relevés du compteur de cette période;
- pour la période pour laquelle aucun relevé du compteur n'est disponible, la quantité d'eaux de surface correspondante est fixée, selon le cas, suivant les dispositions du point b) ou c) et calculée sur base journalière;
4° pour l'application du présent article, on entend par eaux pluviales, les eaux pluviales qui sont utilisées pour les activités des secteurs mentionnés en annexe et/ou sont polluées.
La quantité prélevée des eaux pluviales égale :
a) le volume mesuré à l'aide d'une mesure continue du débit avec enregistrement suivant les règles prescrites par le Gouvernement;
b) si le redevable ne peut pas démontrer le volume des eaux pluviales utilisées ou polluées pendant l'année précédant l'année d'imposition, à l'aide d'une mesure du débit scellée avec enregistrement, la quantité des eaux pluviales est assimilée à 800 l/m2 de surface lessivable ou polluée, à moins que le redevable ne puisse démontrer, à l'aide des données provenant de l'Institut royal météorologique, que les précipitations sont inférieures à 800 l/m2;
c) lorsque la mesure du débit avec enregistrement, visée au a), ne concerne pas l'année entière précédant l'année d'imposition :
- pour la période de mesurage de la quantité d'eaux pluviales : sur la base des relevés du compteur de cette période;
- pour la période pour laquelle aucun relevé du compteur n'est disponible, la quantité d'eaux pluviales correspondante est fixée conformément à la détermination du point b) et calculée sur base journalière.
Les systèmes d'enregistrement du débit, visés aux paragraphes précédents, qui sont mis en service avant le 1er janvier 2004, sont scellés par la société. Les autres systèmes de mesure du débit doivent être scellés lors de la mise en service par le fournisseur, l'installateur ou un expert agréé dans la discipline eaux souterraines ou eaux de surface, visée au chapitre 1.3 du titre II du Vlarem, si le redevable souhaite les utiliser pour déterminer Q. "
Art. 63. In artikel 35undecies, § 2, eerste lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij het decreet van 21 december 1990 en vervangen bij het decreet van 25 juni 1992, worden de woorden " vanaf de verzending van het bericht van rechtzetting " vervangen door de woorden " te rekenen van de derde werkdag volgend op de verzending van het bericht van rechtzetting ".
Art. 63. Dans l'article 35undecies, § 2, alinéa premier, de la même loi, inséré par le décret du 21 décembre 1990 et remplacé par le décret du 25 juin 1992, les mots "à partir de l'expédition de l'avis de rectification" sont remplacés par les mots "à compter du troisième jour ouvrable suivant l'expédition de l'avis de rectification".
Art. 64. In artikel 35duodecies, § 3, eerste lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij het decreet van 21 december 1990 en vervangen bij het decreet van 25 juni 1992, worden de woorden " vanaf de verzending van het bericht van heffing van ambtswege " vervangen door de woorden " te rekenen van de derde werkdag volgend op de verzending van het bericht van heffing van ambtswege ".
Art. 64. Dans l'article 35duodecies, § 3, alinéa premier, de la même loi, inséré par le décret du 21 décembre 1990 et remplacé par le décret du 25 juin 1992, les mots "à partir de l'expédition de l'avis de rectification" sont remplacés par les mots "à compter du troisième jour ouvrable suivant l'expédition de l'avis de redevance de plein droit".
Art. 65. In artikel 35quinquiesdecies, § 1, tweede lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij het decreet van 25 juni 1992, vervangen bij het decreet van 22 december 2000 en gewijzigd bij het decreet van 7 mei 2004, worden de woorden " vanaf de datum van verzending van het heffingsbiljet of vanaf de kennisgeving van het heffingsbiljet " vervangen door de woorden " te rekenen van de derde werkdag volgend op de dag waarop het heffingsbiljet aan de postdiensten overhandigd werd of vanaf de datum van kennisgeving van het heffingsbiljet ".
Art. 65. Dans l'article 35quinquiesdecies, § 1er, alinéa deux, de la même loi, inséré par le décret du 25 juin 1992, remplacé par le décret du 22 décembre 2000 et modifié par le décret du 7 mai 2004, les mots "à compter de la date d'expédition de la feuille d'impôts ou de la date de notification de cette dernière" sont remplacés par les mots "à compter du troisième jour ouvrable suivant la date de remise de la feuille d'imposition aux services postaux ou à compter de la date de notification de la feuille d'imposition".
Art. 66. Aan de tabel in bijlage van dezelfde wet, ingevoegd bij het decreet van 25 juni 1992 en gewijzigd bij de decreten van 22 december 1993, 21 december 1994, 23 december 2005 en 29 juni 2007 wordt een rij toegevoegd, luidend als volgt :
Art. 66. Le tableau en annexe de la même loi, inséré par le décret du 25 juin 1992 et modifié par les décrets des 22 décembre 1993, 21 décembre 1994, 23 décembre 2005 et 29 juin 2007, est complété par un rang, rédigé comme suit :
| 58 | Bronbemalingen technisch noodzakelijk voor de verwezenlijking van bouwkundige werken of de aanleg van openbare nutsvoorzieningen bedoeld in subrubriek 53.2 van de indelingslijst van Titel I van het Vlarem | 1m3 gebruikt water | 0,0017 | 0,0001 | 0,0009 |
| 58 | Epuisements de puits techniquement nécessaires pour la réalisation de travaux de construction, ou l'aménagement de services publics, tels que visés à la sous-rubrique 53.2 de la liste de classification du titre Ier au Vlarem | 1 m3 d'eau utilisée | 0,0017 | 0,0001 | 0,0009 |
58Bronbemalingen technisch noodzakelijk voor de verwezenlijking van bouwkundige werken of de aanleg van openbare nutsvoorzieningen bedoeld in subrubriek 53.2 van de indelingslijst van Titel I van het Vlarem1m3 gebruikt water0,00170,00010,0009
58Epuisements de puits techniquement nécessaires pour la réalisation de travaux de construction, ou l'aménagement de services publics, tels que visés à la sous-rubrique 53.2 de la liste de classification du titre Ier au Vlarem 1 m3 d'eau utilisée0,00170,00010,0009
Afdeling 2. - Grondwaterbeheer
Section 2. - Gestion des eaux souterraines
Art. 67. In artikel 28quater van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterdecreet wordt § 2, ingevoegd bij het decreet van 20 december 1996 en vervangen bij het decreet van 22 december 1999, vervangen door wat volgt :
" § 2. De hoeveelheid grondwater die in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar werd opgepompt wordt als volgt bepaald :
1° op basis van een continue debietmeting met registratie volgens de door de regering vastgestelde regels;
2° als de opgenomen hoeveelheid grondwater niet gemeten is aan de hand van een continue debietmeting bedoeld in punt 1° wordt onweerlegbaar vermoed dat deze hoeveelheid gelijk is aan :
1) als de grondwaterwinning met toepassing van dit decreet of overeenkomstig de bepalingen van het Vlarem is vergund :
a) als in de vergunning een hoeveelheid op jaarbasis is vermeld : deze hoeveelheid;
b) als in de vergunning enkel een hoeveelheid op dagbasis is vermeld :
- deze hoeveelheid op dagbasis vermenigvuldigd met het reële aantal dagen dat de grondwaterwinning in gebruik is geweest in geval van seizoensgebonden activiteiten of activiteiten van beperkte duur;
- met 225 in de andere gevallen;
2) als de grondwaterwinning niet met toepassing van onderhavig decreet of overeenkomstig de bepalingen van het Vlarem is vergund of in de vergunning geen toegelaten hoeveelheid is vermeld : de som van de nominale capaciteit van de pompen, uitgedrukt in m3 per uur en vermenigvuldigd met T. Daarbij is :
- voor seizoensgebonden irrigatie in open lucht voor land- en tuinbouw in hoofdactiviteit : T = 200;
- voor andere seizoensgebonden activiteiten of activiteiten van beperkte duur : T = 10 x het reële aantal dagen dat de grondwaterwinning in gebruik geweest is;
- in de overige gevallen : T = 2 000;
3° als de debietmeting met registratie geen betrekking heeft op het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar :
1) voor de periode dat de opgenomen hoeveelheid grondwater werd gemeten : op basis van de tellerstanden van deze periode;
2) voor de periode waarvoor geen tellerstanden beschikbaar zijn wordt de overeenstemmende hoeveelheid grondwater vastgesteld volgens de bepalingen van punt 2° en op dagbasis berekend.
Bij toepassing van de punten 2° en 3° uit het eerste lid behouden de daartoe bevoegde ambtenaren van de Maatschappij bedoeld in artikel 28undecies, § 1, tweede lid, de mogelijkheid over te gaan tot het opleggen van een boete bedoeld in artikel 28undecies, § 4. "
" § 2. De hoeveelheid grondwater die in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar werd opgepompt wordt als volgt bepaald :
1° op basis van een continue debietmeting met registratie volgens de door de regering vastgestelde regels;
2° als de opgenomen hoeveelheid grondwater niet gemeten is aan de hand van een continue debietmeting bedoeld in punt 1° wordt onweerlegbaar vermoed dat deze hoeveelheid gelijk is aan :
1) als de grondwaterwinning met toepassing van dit decreet of overeenkomstig de bepalingen van het Vlarem is vergund :
a) als in de vergunning een hoeveelheid op jaarbasis is vermeld : deze hoeveelheid;
b) als in de vergunning enkel een hoeveelheid op dagbasis is vermeld :
- deze hoeveelheid op dagbasis vermenigvuldigd met het reële aantal dagen dat de grondwaterwinning in gebruik is geweest in geval van seizoensgebonden activiteiten of activiteiten van beperkte duur;
- met 225 in de andere gevallen;
2) als de grondwaterwinning niet met toepassing van onderhavig decreet of overeenkomstig de bepalingen van het Vlarem is vergund of in de vergunning geen toegelaten hoeveelheid is vermeld : de som van de nominale capaciteit van de pompen, uitgedrukt in m3 per uur en vermenigvuldigd met T. Daarbij is :
- voor seizoensgebonden irrigatie in open lucht voor land- en tuinbouw in hoofdactiviteit : T = 200;
- voor andere seizoensgebonden activiteiten of activiteiten van beperkte duur : T = 10 x het reële aantal dagen dat de grondwaterwinning in gebruik geweest is;
- in de overige gevallen : T = 2 000;
3° als de debietmeting met registratie geen betrekking heeft op het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar :
1) voor de periode dat de opgenomen hoeveelheid grondwater werd gemeten : op basis van de tellerstanden van deze periode;
2) voor de periode waarvoor geen tellerstanden beschikbaar zijn wordt de overeenstemmende hoeveelheid grondwater vastgesteld volgens de bepalingen van punt 2° en op dagbasis berekend.
Bij toepassing van de punten 2° en 3° uit het eerste lid behouden de daartoe bevoegde ambtenaren van de Maatschappij bedoeld in artikel 28undecies, § 1, tweede lid, de mogelijkheid over te gaan tot het opleggen van een boete bedoeld in artikel 28undecies, § 4. "
Art. 67. Dans l'article 28quater du décret du 24 janvier 1984 portant des mesures en matière de gestion des eaux souterraines, le § 2, inséré par le décret du 20 décembre 1996 et remplacé par le décret du 22 décembre 1999, est remplacé par les dispositions suivantes :
" § 2. La quantité d'eau souterraine pompée au cours de l'année précédant l'année d'imposition est déterminée comme suit :
1° sur la base d'une mesure continue du débit avec enregistrement suivant les règles prescrites par le Gouvernement;
2° lorsque la quantité d'eau souterraine prélevée n'est pas mesurée à l'aide d'une mesure continue du débit, visée au point 1°, elle est incontestablement présumée équivaloir :
1) pour les captages d'eau souterraine autorisés en application du présent décret ou conformément aux dispositions du Vlarem :
a) lorsqu'une quantité sur base annuelle est spécifiée dans l'autorisation : à cette quantité;
b) lorsque l'autorisation ne mentionne qu'une quantité sur base journalière :
- à cette quantité sur base journalière, multipliée par le nombre réel de jours auxquels la prise d'eau souterraine a été utilisée en cas d'activités saisonnières ou d'activités à durée limitée;
- à 225 dans les autres cas;
2) si le captage d'eau souterraine n'est pas autorisé en application du présent décret ou conformément aux dispositions du Vlarem ou si l'autorisation ne mentionne pas de quantité autorisée : la somme de la capacité nominale des pompes, exprimée en m3 par heure, multipliée par T, où :
- pour l'irrigation saisonnière en plein air dans le cadre d'activités agricoles ou horticoles exercées à titre principal : T = 200;
- pour les autres activités saisonnières ou les activités de durée limitée : T = 10 x le nombre réel de jours que le captage d'eau souterraine a été en service;
- dans les autres cas : T = 2 000;
3° si la mesure du débit avec enregistrement ne concerne pas l'année entière précédant l'année d'imposition :
1) pour la période de mesurage de la quantité d'eau souterraine utilisée : sur la base des relevés du compteur de cette période;
2) pour la période pour laquelle aucun relevé du compteur n'est disponible, la quantité d'eaux souterraines est fixée selon les dispositions du point 2° et calculée sur base journalière.
Lors de l'application des points 2° et 3° de l'alinéa premier, les fonctionnaires compétents de la Société visée à l'article 28undecies, § 1er, alinéa deux, maintiennent la possibilité de procéder à l'imposition d'une amende visée à l'article 28uindecies, § 4. "
" § 2. La quantité d'eau souterraine pompée au cours de l'année précédant l'année d'imposition est déterminée comme suit :
1° sur la base d'une mesure continue du débit avec enregistrement suivant les règles prescrites par le Gouvernement;
2° lorsque la quantité d'eau souterraine prélevée n'est pas mesurée à l'aide d'une mesure continue du débit, visée au point 1°, elle est incontestablement présumée équivaloir :
1) pour les captages d'eau souterraine autorisés en application du présent décret ou conformément aux dispositions du Vlarem :
a) lorsqu'une quantité sur base annuelle est spécifiée dans l'autorisation : à cette quantité;
b) lorsque l'autorisation ne mentionne qu'une quantité sur base journalière :
- à cette quantité sur base journalière, multipliée par le nombre réel de jours auxquels la prise d'eau souterraine a été utilisée en cas d'activités saisonnières ou d'activités à durée limitée;
- à 225 dans les autres cas;
2) si le captage d'eau souterraine n'est pas autorisé en application du présent décret ou conformément aux dispositions du Vlarem ou si l'autorisation ne mentionne pas de quantité autorisée : la somme de la capacité nominale des pompes, exprimée en m3 par heure, multipliée par T, où :
- pour l'irrigation saisonnière en plein air dans le cadre d'activités agricoles ou horticoles exercées à titre principal : T = 200;
- pour les autres activités saisonnières ou les activités de durée limitée : T = 10 x le nombre réel de jours que le captage d'eau souterraine a été en service;
- dans les autres cas : T = 2 000;
3° si la mesure du débit avec enregistrement ne concerne pas l'année entière précédant l'année d'imposition :
1) pour la période de mesurage de la quantité d'eau souterraine utilisée : sur la base des relevés du compteur de cette période;
2) pour la période pour laquelle aucun relevé du compteur n'est disponible, la quantité d'eaux souterraines est fixée selon les dispositions du point 2° et calculée sur base journalière.
Lors de l'application des points 2° et 3° de l'alinéa premier, les fonctionnaires compétents de la Société visée à l'article 28undecies, § 1er, alinéa deux, maintiennent la possibilité de procéder à l'imposition d'une amende visée à l'article 28uindecies, § 4. "
Art. 68. In artikel 28octies, § 2, eerste lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 20 december 1996 en vervangen bij het decreet van 22 december 1999, worden de woorden " vanaf de verzending van het bericht van rechtzetting " vervangen door de woorden " te rekenen van de derde werkdag volgend op de verzending van het bericht van rechtzetting ".
Art. 68. Dans l'article 28octies, § 2, alinéa premier, du même décret, inséré par le décret du 20 décembre 1996 et remplacé par le décret du 22 décembre 1999, les mots "à partir de l'expédition de l'avis de rectification" sont remplacés par les mots "à compter du troisième jour ouvrable suivant l'expédition de l'avis de rectification".
Art. 69. In artikel 28novies, § 3, eerste lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 20 december 1996 en vervangen bij het decreet van 22 december 1999, worden de woorden " vanaf de verzending van het bericht van heffing van ambtswege " vervangen door de woorden " te rekenen van de derde werkdag volgend op de verzending van het bericht van heffing van ambtswege ".
Art. 69. Dans l'article 28novies, § 3, alinéa premier, du même décret, inséré par le décret du 20 décembre 1996 et remplacé par le décret du 22 décembre 1999, les mots "à partir de l'expédition de l'avis de redevance de plein droit" sont remplacés par les mots "à compter du troisième jour ouvrable suivant l'expédition de l'avis de redevance de plein droit".
Art. 70. In artikel 28decies, § 2, van hetzelfde decreet worden de woorden " drie jaar " vervangen door de woorden " vijf jaar ".
Art. 70. Dans l'article 28decies, § 2, du même décret, les mots "trois ans" sont remplacés par les mots "cinq ans".
Art. 71. In artikel 28duodecies, § 1, tweede lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 20 december 1996, vervangen bij het decreet van 22 december 1999 en gewijzigd bij het decreet van 7 mei 2004, worden de woorden " vanaf de datum van verzending van het heffingsbiljet of vanaf de kennisgeving van het heffingsbiljet " vervangen door de woorden " te rekenen van de derde werkdag volgend op de dag waarop het heffingsbiljet aan de postdiensten overhandigd werd of vanaf de datum van kennisgeving van het heffingsbiljet ".
Art. 71. Dans l'article 28duodecies, § 1er, alinéa deux, du même décret, inséré par le décret du 20 décembre 1996, remplacé par le décret du 22 décembre 1999 et modifié par le décret du 7 mai 2004, les mots "de l'envoi ou de la notification de la feuille d'imposition" sont remplacés par les mots "à compter du troisième jour ouvrable suivant la date de remise de la feuille d'imposition aux services postaux ou à partir de la date de notification de la feuille d'imposition".
HOOFDSTUK 11. - Extern onderzoeksprojectfonds INBO
CHAPITRE 11. - Fonds externe de projet de recherche INBO
Art. 72. § 1. Er wordt een fonds opgericht binnen het INBO voor de kosten die het INBO draagt voor externe onderzoeksopdrachten uitgevoerd door het Eigen Vermogen van het INBO. Dit fonds is een begrotingsfonds als bedoeld in artikel 45 van de gecoördineerde wetten op de rijkscomptabiliteit. Hierna het fonds te noemen.
§ 2. Het fonds wordt gespijsd met middelen van het Eigen Vermogen van het INBO. Het INBO zal de kosten die het maakt voor Eigen Vermogenprojecten factureren aan het Eigen Vermogen.
§ 3. De inkomsten van het fonds mogen aangewend worden voor uitgaven voor de aankoop van niet-duurzame goederen en diensten, de verwerving van overig materieel en personeelsuitgaven.
§ 2. Het fonds wordt gespijsd met middelen van het Eigen Vermogen van het INBO. Het INBO zal de kosten die het maakt voor Eigen Vermogenprojecten factureren aan het Eigen Vermogen.
§ 3. De inkomsten van het fonds mogen aangewend worden voor uitgaven voor de aankoop van niet-duurzame goederen en diensten, de verwerving van overig materieel en personeelsuitgaven.
Art. 72. § 1er. Au sein de l'INBO, il est créé un fonds pour les frais pris en charge par l'INBO pour des missions de recherche externes, effectuées par le Propre Patrimoine de l'INBO. Ce fonds est un fonds budgétaire tel que visé à l'article 45 des lois coordonnées sur la comptabilité de l'Etat, dénommé ci-après le fonds.
§ 2. Le fonds est alimenté par des moyens du Propre Patrimoine de l'INBO. L'INBO facturera au Propre Patrimoine les frais exposés pour des projets relatifs au Propre Patrimoine.
§ 3. Les revenus du fonds peuvent être affectés aux dépenses pour l'achat de biens non durables et prestations de services, l'acquisition d'autre matériel et les dépenses de personnel.
§ 2. Le fonds est alimenté par des moyens du Propre Patrimoine de l'INBO. L'INBO facturera au Propre Patrimoine les frais exposés pour des projets relatifs au Propre Patrimoine.
§ 3. Les revenus du fonds peuvent être affectés aux dépenses pour l'achat de biens non durables et prestations de services, l'acquisition d'autre matériel et les dépenses de personnel.
HOOFDSTUK 12. - Vlaams Stedenfonds
CHAPITRE 12. - Vlaams Stedenfonds (Fonds flamand des Villes)
Art. 73. Artikel 7 van het decreet van 13 december 2002 tot vaststelling van de regels inzake de werking en de verdeling van het Vlaams Stedenfonds wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 7. Van het vastleggingskrediet, verminderd met de voorafname voor de Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC), wordt jaarlijks een bedrag van 630.000 euro voorafgenomen voor vorming, sensibilisering en communicatie. Die voorafname wordt ingeschreven op een aparte basisallocatie in de begroting van de Vlaamse Gemeenschap (libellé Communicatie stedenbeleid). "
" Art. 7. Van het vastleggingskrediet, verminderd met de voorafname voor de Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC), wordt jaarlijks een bedrag van 630.000 euro voorafgenomen voor vorming, sensibilisering en communicatie. Die voorafname wordt ingeschreven op een aparte basisallocatie in de begroting van de Vlaamse Gemeenschap (libellé Communicatie stedenbeleid). "
Art. 73. L'article 7 du décret du 13 décembre 2002 réglant le fonctionnement et la répartition du "Vlaams Stedenfonds", est remplacé par les dispositions suivantes :
" Art. 7. Il est prélevé annuellement du crédit d'engagement, diminué par le prélèvement pour la "Vlaamse Gemeenschapscommissie" (Commission communautaire flamande) (VGC), un montant de 630.000 euros pour la formation, la sensibilisation et la communication. Ce prélèvement est inscrit à une allocation de base distincte du budget de la Communauté flamande (libellé Communication politique urbaine). " .
" Art. 7. Il est prélevé annuellement du crédit d'engagement, diminué par le prélèvement pour la "Vlaamse Gemeenschapscommissie" (Commission communautaire flamande) (VGC), un montant de 630.000 euros pour la formation, la sensibilisation et la communication. Ce prélèvement est inscrit à une allocation de base distincte du budget de la Communauté flamande (libellé Communication politique urbaine). " .
HOOFDSTUK 13. - Gesubsidieerde infrastructuur te Sint-Gillis-Dendermonde
CHAPITRE 13. - Infrastructure subventionnée à Sint-Gillis-Dendermonde
Art. 74. De bestemmingswijziging, buiten de sector van de persoonsgebonden aangelegenheden, van de gesubsidieerde infrastructuur te Sint-Gillis-Dendermonde waar voorheen het kinderdagverblijf 'Fabeltjesland' was gevestigd, wordt aanvaard. Hierbij wordt definitief afgezien van de terugvordering van de verleende subsidies ten bedrage van 418.824,76 euro.
Art. 74. La modification d'affectation, hors du secteur des matières personnalisables, de l'infrastructure subventionnée à Sint-Gillis-Dendermonde, où la garderie 'Fabeltjesland' était établie auparavant, est acceptée. Il est ainsi renoncé définitivement au recouvrement des subventions octroyées à concurrence de 418.824,76 euros.
HOOFDSTUK 14. - Projectmatig wetenschappelijk onderzoek
CHAPITRE 14. - Recherche scientifique thématique
Art. 75. In Artikel 190bis van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap wordt § 6 opgeheven.
Art. 75. Dans l'article 190bis du décret du 13 juillet 1994 relatifs aux instituts supérieurs en Communauté flamande, le § 6 est abrogé.
HOOFDSTUK 15. - Dagcentra voor palliatieve verzorging
CHAPITRE 15. - Centres de jour de soins palliatifs
Art. 76. De erkenningen van volgende dagcentra voor palliatieve verzorging die krachtens artikel 81 van het decreet van 23 december 2005 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2006 van rechtswege erkend waren door de Vlaamse Gemeenschap voor de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006 en die krachtens artikel 89 van het decreet van 22 december 2006 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2007 bij besluit van de Vlaamse Regering van 30 maart 2007 erkend waren door de Vlaamse Gemeenschap voor de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2008, worden voor de Vlaamse Gemeenschap van rechtswege verlengd voor de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2010 :
1° Dagcentrum Topaz, AZ VUB, Vander Vekenstraat 158, in 1780 Wemmel;
2° Dagcentrum Het Heidehuis, Diksmuidseheirweg 647, in 8200 Brugge (Sint-Andries);
3° Dagcentrum AZ Sint-Augustinus, Oosterveldlaan 24, in 2610 Wilrijk;
4° Dagcentrum De Kust, AZ H. Serruys, Kaïrostraat 84, in 8400 Oostende;
5° Dagcentrum Hospice, Bredalaan 743, in 2990 Wuustwezel.
De Vlaamse Regering is gemachtigd om de tijdelijke erkenning, vermeld in het eerste lid, naderhand nog voor maximaal twee jaar te verlengen, tot en met 31 december 2012.
Aan de erkende dagcentra voor palliatieve verzorging kan financiële ondersteuning worden verleend binnen de perken van de middelen die daarvoor aan de Vlaamse Gemeenschap ter beschikking worden gesteld door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering.
1° Dagcentrum Topaz, AZ VUB, Vander Vekenstraat 158, in 1780 Wemmel;
2° Dagcentrum Het Heidehuis, Diksmuidseheirweg 647, in 8200 Brugge (Sint-Andries);
3° Dagcentrum AZ Sint-Augustinus, Oosterveldlaan 24, in 2610 Wilrijk;
4° Dagcentrum De Kust, AZ H. Serruys, Kaïrostraat 84, in 8400 Oostende;
5° Dagcentrum Hospice, Bredalaan 743, in 2990 Wuustwezel.
De Vlaamse Regering is gemachtigd om de tijdelijke erkenning, vermeld in het eerste lid, naderhand nog voor maximaal twee jaar te verlengen, tot en met 31 december 2012.
Aan de erkende dagcentra voor palliatieve verzorging kan financiële ondersteuning worden verleend binnen de perken van de middelen die daarvoor aan de Vlaamse Gemeenschap ter beschikking worden gesteld door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering.
Art. 76. Les agréments des centres de jour de soins palliatifs suivants qui étaient agréés de plein droit par la Communauté flamande, en vertu de l'article 81 du décret du 23 décembre 2005 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2006, pour la période du 1er janvier 2006 au 31 décembre 2006 inclus et qui étaient agréés par la Communauté flamande, en vertu de l'article 89 du décret du 22 décembre 2006 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2007, par arrêté du Gouvernement flamand du 30 mars 2007, pour la période du 1er janvier 2007 au 31 décembre 2008, sont prolongés de plein droit pour la Communauté flamande pour la période du 1er janvier 2009 au 31 décembre 2010 inclus :
1° Dagcentrum Topaz, AZ VUB, Vander Vekenstraat 158, 1780 Wemmel;
2° Dagcentrum Het Heidehuis, Diksmuidseheirweg 647, 8200 Brugge (Sint-Andries);
3° Dagcentrum AZ Sint-Augustinus, Oosterveldlaan 24, 2610 Wilrijk;
4° Dagcentrum De Kust, AZ H. Serruys, Kaïrostraat 84, 8400 Oostende;
5° Dagcentrum Hospice, Bredalaan 743, 2990 Wuustwezel.
Le Gouvernement flamand est autorisé à prolonger l'agrément temporaire, visé à l'alinéa premier, par après pour encore deux ans au maximum, jusqu'au 31 décembre 2012 inclus.
Une aide financière peut être octroyée aux centres de jour de soins palliatifs agréés, dans les limites des ressources que l'Institut national d'assurance maladie invalidité a mises à disposition de la Communauté flamande à cet effet.
1° Dagcentrum Topaz, AZ VUB, Vander Vekenstraat 158, 1780 Wemmel;
2° Dagcentrum Het Heidehuis, Diksmuidseheirweg 647, 8200 Brugge (Sint-Andries);
3° Dagcentrum AZ Sint-Augustinus, Oosterveldlaan 24, 2610 Wilrijk;
4° Dagcentrum De Kust, AZ H. Serruys, Kaïrostraat 84, 8400 Oostende;
5° Dagcentrum Hospice, Bredalaan 743, 2990 Wuustwezel.
Le Gouvernement flamand est autorisé à prolonger l'agrément temporaire, visé à l'alinéa premier, par après pour encore deux ans au maximum, jusqu'au 31 décembre 2012 inclus.
Une aide financière peut être octroyée aux centres de jour de soins palliatifs agréés, dans les limites des ressources que l'Institut national d'assurance maladie invalidité a mises à disposition de la Communauté flamande à cet effet.
HOOFDSTUK 16. - Werkelijke indexevolutie subsidies beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin
CHAPITRE 16. - Evolution réelle de l'indice des subventions du domaine politique Aide sociale, Santé publique et Famille
Art. 77. Aan volgende artikels :
1° artikel 28 van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2001 houdende de voorwaarden inzake erkenning en subsidiëring van kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders;
2° artikel 4 van het ministerieel besluit van 16 mei 2007 betreffende de bepaling van de forfaitaire subsidiebedragen voor het basisaanbod van kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders;
3° artikel 6 van het ministerieel besluit van 10 september 2008 betreffende de vergoeding voor aangesloten onthaalouders en voor diensten voor onthaalouders;
4° artikel 7 van het ministerieel besluit van 9 juli 2001 houdende de voorwaarden inzake subsidiëring van initiatieven voor buitenschoolse opvang;
5° artikel 30 van het ministerieel besluit van 21 april 2009 houdende de voorwaarden tot toekenning van een extra financiële ondersteuning voor de inclusieve opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte aan organiserende besturen en voorzieningen;
6° artikel 26 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 februari 2009 houdende de voorwaarden inzake financiële ondersteuning van zelfstandige opvangvoorzieningen;
7° artikel 23 van het ministerieel besluit van 9 mei 2007 houdende de voorwaarden tot toestemming en een bijbehorende financiële ondersteuning voor het realiseren van een verruimd aanbod in de vorm van flexibele en/of occasionele opvang in kinderdagverblijven en initiatieven voor buitenschoolse opvang die door Kind en Gezin worden erkend;
8° artikel 24 van het ministerieel besluit van 9 juli 2001 houdende de voorwaarden voor het organiseren van en de bepalingen over de toestemming voor en de subsidiëring van buitenschoolse opvang in aparte lokalen in kinderdagverblijven;
9° artikel 56 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2008 houdende de voorwaarden voor toestemming voor en subsidiëring van lokale diensten buurtgerichte kinderopvang;
10° artikel 66 van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 april 2009 houdende de voorwaarden voor de erkenning en subsidiëring als gemandateerde voorziening, coördinatiepunt en flexibele opvangpool van doelgroepwerknemers;
11° artikel 6 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2001 houdende de toekenning van subsidies aan de initiatiefnemers die personeelsleden te werk stellen in een gewezen DAC-statuut;
12° artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2001 betreffende de vergoeding van installatiekosten aan opvanggezinnen;
wordt volgende zin toegevoegd :
" In 2011 worden de bedragen, vermeld in dit besluit, op 1 januari verhoogd met de procentuele stijging van het gezondheidsindexcijfer tussen 1 november van het kalenderjaar 2008 en 1 november van het kalenderjaar 2010. "
1° artikel 28 van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2001 houdende de voorwaarden inzake erkenning en subsidiëring van kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders;
2° artikel 4 van het ministerieel besluit van 16 mei 2007 betreffende de bepaling van de forfaitaire subsidiebedragen voor het basisaanbod van kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders;
3° artikel 6 van het ministerieel besluit van 10 september 2008 betreffende de vergoeding voor aangesloten onthaalouders en voor diensten voor onthaalouders;
4° artikel 7 van het ministerieel besluit van 9 juli 2001 houdende de voorwaarden inzake subsidiëring van initiatieven voor buitenschoolse opvang;
5° artikel 30 van het ministerieel besluit van 21 april 2009 houdende de voorwaarden tot toekenning van een extra financiële ondersteuning voor de inclusieve opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte aan organiserende besturen en voorzieningen;
6° artikel 26 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 februari 2009 houdende de voorwaarden inzake financiële ondersteuning van zelfstandige opvangvoorzieningen;
7° artikel 23 van het ministerieel besluit van 9 mei 2007 houdende de voorwaarden tot toestemming en een bijbehorende financiële ondersteuning voor het realiseren van een verruimd aanbod in de vorm van flexibele en/of occasionele opvang in kinderdagverblijven en initiatieven voor buitenschoolse opvang die door Kind en Gezin worden erkend;
8° artikel 24 van het ministerieel besluit van 9 juli 2001 houdende de voorwaarden voor het organiseren van en de bepalingen over de toestemming voor en de subsidiëring van buitenschoolse opvang in aparte lokalen in kinderdagverblijven;
9° artikel 56 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2008 houdende de voorwaarden voor toestemming voor en subsidiëring van lokale diensten buurtgerichte kinderopvang;
10° artikel 66 van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 april 2009 houdende de voorwaarden voor de erkenning en subsidiëring als gemandateerde voorziening, coördinatiepunt en flexibele opvangpool van doelgroepwerknemers;
11° artikel 6 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2001 houdende de toekenning van subsidies aan de initiatiefnemers die personeelsleden te werk stellen in een gewezen DAC-statuut;
12° artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2001 betreffende de vergoeding van installatiekosten aan opvanggezinnen;
wordt volgende zin toegevoegd :
" In 2011 worden de bedragen, vermeld in dit besluit, op 1 januari verhoogd met de procentuele stijging van het gezondheidsindexcijfer tussen 1 november van het kalenderjaar 2008 en 1 november van het kalenderjaar 2010. "
Art. 77. Les articles suivants :
1° l'article 28 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 février 2001 fixant les conditions d'agrément et de subventionnement des garderies et des services pour familles d'accueil;
2° l'article 4 de l'arrêté ministériel du 16 mai 2007 fixant les montants des subventions forfaitaires octroyées pour l'offre de base des garderies et des services pour familles d'accueil;
3° l'article 6 de l'arrêté ministériel du 10 septembre 2008 relatif à l'indemnisation des familles d'accueil affiliées et des services pour familles d'accueil;
4° l'article 7 de l'arrêté ministériel du 9 juillet 2001 établissant les conditions de subventionnement des initiatives d'accueil extrascolaire;
5° l'article 30 de l'arrêté ministériel du 21 avril 2009 établissant les conditions d'octroi d'une aide financière supplémentaire pour l'accueil inclusif des enfants ayant des besoins spécifiques en soins aux directions et institutions organisatrices;
6° l'article 26 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 février 2009 établissant les conditions de l'aide financière octroyée aux structures d'accueil indépendantes;
7° l'article 23 de l'arrêté ministériel du 9 mai 2007 fixant les conditions d'autorisation et d'octroi d'une aide financière visant à réaliser un accueil étendu sous la forme d'un accueil flexible et occasionnel aux crèches et à des initiatives d'accueil extrascolaire agréées par " Kind en Gezin ";
8° l'article 24 de l'arrêté ministériel du 9 juillet 2001 l'accueil extrascolaire sur la base de l'arrêté ministériel du 9 juillet 2001 établissant les conditions de l'organisation de l'accueil extrascolaire dans des locaux distincts dans les garderies et fixant les dispositions relatives à son autorisation et subventionnement;
9° l'article 56 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 mai 2008 fixant les conditions d'autorisation et de subventionnement de services locaux d'accueil d'enfants de voisinage;
10° l'article 66 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 30 avril 2009 fixant les conditions d'agrément et de subventionnement en tant que structure mandatée, point de coordination et pool d'accueil flexible des travailleurs de groupes cibles;
11° l'article 6 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juillet 2001 octroyant des subventions aux initiateurs qui emploient des membres du personnel dans un ancien statut TCT;
12° l'article 10 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 décembre 2001 relatif à l'indemnisation des frais d'installation des familles d'accueil;
sont complétés par la phrase suivante :
" En 2011 les montants mentionnés dans le présent arrêté, sont majorés le 1er janvier de la hausse exprimée en pour cent de l'indice de santé entre le 1er novembre de l'année calendaire 2008 et le 1er novembre de l'année calendaire 2010. "
1° l'article 28 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 février 2001 fixant les conditions d'agrément et de subventionnement des garderies et des services pour familles d'accueil;
2° l'article 4 de l'arrêté ministériel du 16 mai 2007 fixant les montants des subventions forfaitaires octroyées pour l'offre de base des garderies et des services pour familles d'accueil;
3° l'article 6 de l'arrêté ministériel du 10 septembre 2008 relatif à l'indemnisation des familles d'accueil affiliées et des services pour familles d'accueil;
4° l'article 7 de l'arrêté ministériel du 9 juillet 2001 établissant les conditions de subventionnement des initiatives d'accueil extrascolaire;
5° l'article 30 de l'arrêté ministériel du 21 avril 2009 établissant les conditions d'octroi d'une aide financière supplémentaire pour l'accueil inclusif des enfants ayant des besoins spécifiques en soins aux directions et institutions organisatrices;
6° l'article 26 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 février 2009 établissant les conditions de l'aide financière octroyée aux structures d'accueil indépendantes;
7° l'article 23 de l'arrêté ministériel du 9 mai 2007 fixant les conditions d'autorisation et d'octroi d'une aide financière visant à réaliser un accueil étendu sous la forme d'un accueil flexible et occasionnel aux crèches et à des initiatives d'accueil extrascolaire agréées par " Kind en Gezin ";
8° l'article 24 de l'arrêté ministériel du 9 juillet 2001 l'accueil extrascolaire sur la base de l'arrêté ministériel du 9 juillet 2001 établissant les conditions de l'organisation de l'accueil extrascolaire dans des locaux distincts dans les garderies et fixant les dispositions relatives à son autorisation et subventionnement;
9° l'article 56 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 mai 2008 fixant les conditions d'autorisation et de subventionnement de services locaux d'accueil d'enfants de voisinage;
10° l'article 66 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 30 avril 2009 fixant les conditions d'agrément et de subventionnement en tant que structure mandatée, point de coordination et pool d'accueil flexible des travailleurs de groupes cibles;
11° l'article 6 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juillet 2001 octroyant des subventions aux initiateurs qui emploient des membres du personnel dans un ancien statut TCT;
12° l'article 10 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 décembre 2001 relatif à l'indemnisation des frais d'installation des familles d'accueil;
sont complétés par la phrase suivante :
" En 2011 les montants mentionnés dans le présent arrêté, sont majorés le 1er janvier de la hausse exprimée en pour cent de l'indice de santé entre le 1er novembre de l'année calendaire 2008 et le 1er novembre de l'année calendaire 2010. "
HOOFDSTUK 17. - Besparing index werking beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin
CHAPITRE 17. - Economie indice fonctionnement domaine politique Aide sociale, Santé publique et Famille
Art. 78. [1 § 1. Voor alle subsidieregelingen binnen de begroting van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin wordt voor alle subsidie-elementen die niet loon zijn en waarvan de evolutie gekoppeld is aan de schommelingen van het prijsindexcijfer dat berekend en toegepast wordt overeenkomstig de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld, of de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden te worden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld, de sprong in augustus 2010 [2 en de sprong in januari 2012]2 [3 en de sprong in november 2012]3 niet verrekend.
§ 2. Voor de subsidie-elementen, andere dan loonkosten, die op een andere wijze aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld, wordt geen indexaanpassing toegekend in 2011 [2 en 2012]2 [3 en 2013]3 .
§ 3. Bovenstaande twee paragrafen zijn niet van toepassing op :
- het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden;
- de vergoeding betaald aan private personen die begunstigden in hun gezin opnemen volgens artikel 11 en artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 maart 1973 tot bepaling van de te volgen gemeenschappelijke regels voor de vaststelling van de toelagen per dag toegekend voor onderhoud, opvoeding en behandeling van minderjarigen en van gehandicapten geplaatst ten laste van de openbare besturen;
- de vergoeding betaald aan pleeggezinnen volgens artikel 39 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 1994 inzake de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor de voorzieningen van de bijzondere jeugdbijstand en op het zakgeld uitbetaald aan minderjarigen volgens artikel 40 van hetzelfde besluit;
- het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2008 houdende de wijze van vereffening van een vrij besteedbaar bedrag en de toekenning ervan aan de minderjarigen aan wie residentiële jeugdhulpverlening geboden wordt, ter uitvoering van een beschikking van de jeugdrechtbank of van een advies van het bureau voor bijzondere jeugdbijstand, in voorzieningen die erkend en gesubsidieerd zijn door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap;
- artikel 2 en 2bis van het ministerieel besluit van 10 september 2008 betreffende de vergoeding voor aangesloten onthaalouders en diensten voor onthaalouders;
- artikel 49sexies van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2002 betreffende de erkenning en de subsidiëring van de centra voor kinderzorg en gezinsondersteuning, ingevoegd bij het besluit van 17 december 2010;
- het zakgeld dat wordt toegekend voor minderjarigen in diensten voor gezinsondersteunende pleegzorg.]1
[2 - de tussenkomsten voor individuele materiële bijstand.]2
§ 2. Voor de subsidie-elementen, andere dan loonkosten, die op een andere wijze aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld, wordt geen indexaanpassing toegekend in 2011 [2 en 2012]2 [3 en 2013]3 .
§ 3. Bovenstaande twee paragrafen zijn niet van toepassing op :
- het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden;
- de vergoeding betaald aan private personen die begunstigden in hun gezin opnemen volgens artikel 11 en artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 maart 1973 tot bepaling van de te volgen gemeenschappelijke regels voor de vaststelling van de toelagen per dag toegekend voor onderhoud, opvoeding en behandeling van minderjarigen en van gehandicapten geplaatst ten laste van de openbare besturen;
- de vergoeding betaald aan pleeggezinnen volgens artikel 39 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 1994 inzake de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor de voorzieningen van de bijzondere jeugdbijstand en op het zakgeld uitbetaald aan minderjarigen volgens artikel 40 van hetzelfde besluit;
- het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2008 houdende de wijze van vereffening van een vrij besteedbaar bedrag en de toekenning ervan aan de minderjarigen aan wie residentiële jeugdhulpverlening geboden wordt, ter uitvoering van een beschikking van de jeugdrechtbank of van een advies van het bureau voor bijzondere jeugdbijstand, in voorzieningen die erkend en gesubsidieerd zijn door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap;
- artikel 2 en 2bis van het ministerieel besluit van 10 september 2008 betreffende de vergoeding voor aangesloten onthaalouders en diensten voor onthaalouders;
- artikel 49sexies van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2002 betreffende de erkenning en de subsidiëring van de centra voor kinderzorg en gezinsondersteuning, ingevoegd bij het besluit van 17 december 2010;
- het zakgeld dat wordt toegekend voor minderjarigen in diensten voor gezinsondersteunende pleegzorg.]1
[2 - de tussenkomsten voor individuele materiële bijstand.]2
Art. 78. [1 § 1er. Pour tous les régimes de subvention au sein du budget du domaine politique Aide sociale, Santé publique et Famille, l'augmentation en août 2010 [2 et l'augmentation en janvier 2012]2 [3 et l'augmentation en novembre 2012]3 n'est pas réglée pour tous les éléments de subvention qui ne sont pas de salaire et dont l'évolution est liée aux fluctuations de l'indice des prix qui est calculé et appliqué conformément à la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public, ou à la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
§ 2. Pour les éléments de subvention autres que les frais salariaux, qui sont lies d'une autre manière aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation, aucune indexation n'est accordée en 2011 [2 et 2012]2 [3 et 2013]3.
§ 3. Les deux paragraphes précédents ne s'appliquent pas :
- au " Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden ";
- à 'indemnité payée aux particuliers accueillant des bénéficiaires dans leur foyer, conformément aux articles 11 et 16 de l'arrêté royal du 30 mars 1973 déterminant les règles communes à suivre pour fixer les subventions journalières allouées pour l'entretien, l'éducation et le traitement des mineurs d'âge et des handicapés placés à charge des pouvoirs publics;
- à l'indemnité payée aux familles d'accueil selon l'article 39 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 juillet 1994 relatif aux conditions d'agrément et aux normes de subventionnement des structures d'assistance spéciale à la jeunesse, et à l'argent de poche payé aux mineurs selon l'article 40 du même arrêté;
- à l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juillet 2008 déterminant le mode de liquidation d'un montant librement utilisable et son octroi aux mineurs auxquels il est offert des services résidentiels de l'aide à la jeunesse, en application d'une décision du tribunal de la jeunesse ou d'un avis du bureau d'assistance spéciale à la jeunesse, dans des structures agréées et subventionnées par la " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " (Agence flamande pour les Personnes handicapées);
- aux articles 2 et 2bis de l'arrêté ministériel du 10 septembre 2008 relatif à l'indemnisation des familles d'accueil affiliées et des services pour familles d'accueil;
- à l'article 49sexies de l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er mars 2002 réglant l'agrément et le subventionnement des centres d'aide aux enfants et d'assistance des familles, inséré par l'arrêté du 17 décembre 2010;
- à l'argent de poche accordé pour des mineurs dans des services de placement familial.]1
[2 - les interventions pour l'assistance matérielle individuelle.]2
§ 2. Pour les éléments de subvention autres que les frais salariaux, qui sont lies d'une autre manière aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation, aucune indexation n'est accordée en 2011 [2 et 2012]2 [3 et 2013]3.
§ 3. Les deux paragraphes précédents ne s'appliquent pas :
- au " Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden ";
- à 'indemnité payée aux particuliers accueillant des bénéficiaires dans leur foyer, conformément aux articles 11 et 16 de l'arrêté royal du 30 mars 1973 déterminant les règles communes à suivre pour fixer les subventions journalières allouées pour l'entretien, l'éducation et le traitement des mineurs d'âge et des handicapés placés à charge des pouvoirs publics;
- à l'indemnité payée aux familles d'accueil selon l'article 39 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 juillet 1994 relatif aux conditions d'agrément et aux normes de subventionnement des structures d'assistance spéciale à la jeunesse, et à l'argent de poche payé aux mineurs selon l'article 40 du même arrêté;
- à l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juillet 2008 déterminant le mode de liquidation d'un montant librement utilisable et son octroi aux mineurs auxquels il est offert des services résidentiels de l'aide à la jeunesse, en application d'une décision du tribunal de la jeunesse ou d'un avis du bureau d'assistance spéciale à la jeunesse, dans des structures agréées et subventionnées par la " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " (Agence flamande pour les Personnes handicapées);
- aux articles 2 et 2bis de l'arrêté ministériel du 10 septembre 2008 relatif à l'indemnisation des familles d'accueil affiliées et des services pour familles d'accueil;
- à l'article 49sexies de l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er mars 2002 réglant l'agrément et le subventionnement des centres d'aide aux enfants et d'assistance des familles, inséré par l'arrêté du 17 décembre 2010;
- à l'argent de poche accordé pour des mineurs dans des services de placement familial.]1
[2 - les interventions pour l'assistance matérielle individuelle.]2
HOOFDSTUK 18. - Volkshogescholen
CHAPITRE 18. - Universités populaires
Art. 79. In artikel 20, § 1, 2°, van het decreet van 4 april 2003 betreffende het sociaal-cultureel volwassenenwerk, worden de bepalingen van c) en d) vervangen door de volgende bepaling :
" c) het eigen aanbod bekend maakt bij het brede publiek en samenwerkingen opzet met het oog op het versterken van het niet-formele educatieve aanbod in de regio. "
" c) het eigen aanbod bekend maakt bij het brede publiek en samenwerkingen opzet met het oog op het versterken van het niet-formele educatieve aanbod in de regio. "
Art. 79. Dans l'article 20, § 1er, 2°, du décret du 4 avril 2003 relatif à l'animation socioculturelle des adultes, les dispositions de c) et d) sont remplacées par la disposition suivante :
" c) qu'elle fait connaître sa propre offre au grand public et qu'elle organise des partenariats en vue du renforcement de l'offre éducative non formelle dans la région. ".
" c) qu'elle fait connaître sa propre offre au grand public et qu'elle organise des partenariats en vue du renforcement de l'offre éducative non formelle dans la région. ".
Art. 80. In de eerste zin van artikel 22 van het decreet van 4 april 2003 betreffende het sociaal-cultureel volwassenenwerk, gewijzigd door het decreet van 14 maart 2008, worden de woorden " en vanaf 2008 minimaal 500.000 euro " opgeheven.
Art. 80. Dans la première phrase de l'article 22 du décret du 4 avril 2003 relatif à l'animation socioculturelle des adultes, modifié par le décret du 14 mars 2008, les mots "et à partir de 2008 au moins 500.000 euros" sont abrogés.
HOOFDSTUK 19. - Gemeenschappelijke Sociale Dienst Lokale Besturen in Vlaanderen
CHAPITRE 19. - Service social commun des Pouvoirs locaux en Flandre
Art. 81. § 1. Er wordt een fonds opgericht ter ondersteuning van de werking van de Gemeenschappelijke Sociale Dienst Lokale Besturen in Vlaanderen (GSD-V), hierna het fonds genoemd.
§ 2. Het fonds is een begrotingsfonds als vermeld in artikel 45 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991.
§ 3. Het fonds wordt gespijsd door alle ontvangsten gestort krachtens de tussen de Vlaamse Gemeenschap en de vereniging zonder winstoogmerk Gemeenschappelijke Sociale Dienst Lokale Besturen in Vlaanderen gesloten overeenkomst betreffende de uitoefening door ambtenaren van de Vlaamse Gemeenschap van taken ten behoeve van de VZW Gemeenschappelijke Sociale Dienst Lokale Besturen in Vlaanderen die van belang zijn voor de Vlaamse overheid.
§ 4. De middelen van het fonds worden aangewend voor de betaling van de personeelskosten die ten laste zijn van de Vlaamse Gemeenschap krachtens de overeenkomst vermeld in § 3.
§ 2. Het fonds is een begrotingsfonds als vermeld in artikel 45 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991.
§ 3. Het fonds wordt gespijsd door alle ontvangsten gestort krachtens de tussen de Vlaamse Gemeenschap en de vereniging zonder winstoogmerk Gemeenschappelijke Sociale Dienst Lokale Besturen in Vlaanderen gesloten overeenkomst betreffende de uitoefening door ambtenaren van de Vlaamse Gemeenschap van taken ten behoeve van de VZW Gemeenschappelijke Sociale Dienst Lokale Besturen in Vlaanderen die van belang zijn voor de Vlaamse overheid.
§ 4. De middelen van het fonds worden aangewend voor de betaling van de personeelskosten die ten laste zijn van de Vlaamse Gemeenschap krachtens de overeenkomst vermeld in § 3.
Art. 81. § 1er. Il est créé un fonds à l'appui du fonctionnement du Service social commun des Pouvoirs locaux en Flandre (GSD-V), dénommé ci-après le fonds.
§ 2. Le fonds est un fonds budgétaire tel que visé à l'article 45 des lois coordonnées sur la Comptabilité de l'Etat, coordonnées le 17 juillet 1991.
§ 3. Le fonds est alimenté par toutes les recettes versées en vertu de la convention, conclue entre la Communauté flamande et l'association sans but lucratif Service social commun des Pouvoirs locaux en Flandre, relatif à l'exécution par des fonctionnaires de la Communauté flamande de tâches en faveur de l'asbl Service social commun des Pouvoirs locaux en Flandre, qui sont importantes pour l'Autorité flamande.
§ 4. Les moyens du fonds sont affectés au paiement des frais de personnel qui sont à charge de la Communauté flamande en vertu de la convention visée au § 3.
§ 2. Le fonds est un fonds budgétaire tel que visé à l'article 45 des lois coordonnées sur la Comptabilité de l'Etat, coordonnées le 17 juillet 1991.
§ 3. Le fonds est alimenté par toutes les recettes versées en vertu de la convention, conclue entre la Communauté flamande et l'association sans but lucratif Service social commun des Pouvoirs locaux en Flandre, relatif à l'exécution par des fonctionnaires de la Communauté flamande de tâches en faveur de l'asbl Service social commun des Pouvoirs locaux en Flandre, qui sont importantes pour l'Autorité flamande.
§ 4. Les moyens du fonds sont affectés au paiement des frais de personnel qui sont à charge de la Communauté flamande en vertu de la convention visée au § 3.
HOOFDSTUK 20. - DAB Overheidspersoneel
CHAPITRE 20. - SGS Fonction publique
Art. 82. Aan artikel 78 van het decreet van 22 december 2006 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2007 wordt een § 4 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 4. De DAB Overheidspersoneel kan de eigen inkomsten alsook de inkomsten uit de dotatie aanwenden voor de betaling van lonen en sociale lasten van de monitoren van de kinderopvang. "
" § 4. De DAB Overheidspersoneel kan de eigen inkomsten alsook de inkomsten uit de dotatie aanwenden voor de betaling van lonen en sociale lasten van de monitoren van de kinderopvang. "
Art. 82. A l'article 78 du décret du 22 décembre 2006 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2007, est ajouté un § 4, rédigé comme suit :
" § 4. Le SGS Fonction publique peut affecter ses propres revenus ainsi que les revenus de la dotation au paiement des salaires et charges sociales des moniteurs de l'accueil d'enfants. ".
" § 4. Le SGS Fonction publique peut affecter ses propres revenus ainsi que les revenus de la dotation au paiement des salaires et charges sociales des moniteurs de l'accueil d'enfants. ".
HOOFDSTUK 21. - Vlaams integratiebeleid
CHAPITRE 21. - Politique flamande de l'intégration
Art. 83. In artikel 43, § 1, van het decreet van 28 april 1998 betreffende het Vlaamse integratiebeleid worden de woorden " ten minste 5 % en " geschrapt.
Art. 83. Dans l'article 43, § 1er, du décret du 28 avril 1998 relatif à la politique flamande de l'intégration, les mots "au moins 5 % et" sont supprimés.
HOOFDSTUK 22. - Raad voor vergunningsbetwistingen
CHAPITRE 22. - Conseil pour les contestations d'autorisations
Art. 84. Artikel 4.8.6, § 3, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening wordt vervangen door wat volgt :
" § 3. De Raad stelt de leden van zijn administratief personeel aan. Hij kan deze bevoegdheid geheel of gedeeltelijk aan de voorzitter opdragen ".
" § 3. De Raad stelt de leden van zijn administratief personeel aan. Hij kan deze bevoegdheid geheel of gedeeltelijk aan de voorzitter opdragen ".
Art. 84. L'article 4.8.6, § 3, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire, est remplacé par la disposition suivante :
" § 3. Le Conseil désigne les membres de son personnel administratif. Il peut charger le président entièrement ou partiellement de cette compétence".
" § 3. Le Conseil désigne les membres de son personnel administratif. Il peut charger le président entièrement ou partiellement de cette compétence".
Art. 85. In artikel 4.8.19. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 wordt een § 1/1 ingevoegd, die luidt als volgt :
" § 1/1. De tussenkomende partij is een rolrecht verschuldigd.
Het rolrecht wordt vastgesteld door de Vlaamse Regering.
De griffier brengt de belanghebbende schriftelijk op de hoogte van het verschuldigde bedrag.
Het rolrecht wordt gestort op rekening van het grondfonds, vermeld in artikel 5.6.3. De storting wordt verricht binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat de dag na deze van de betekening, vermeld in het derde lid. Indien het bedrag niet binnen deze termijn is gestort, wordt het verzoek tot tussenkomst niet-ontvankelijk verklaard. De niet tijdige betaling kan niet worden geregulariseerd. "
" § 1/1. De tussenkomende partij is een rolrecht verschuldigd.
Het rolrecht wordt vastgesteld door de Vlaamse Regering.
De griffier brengt de belanghebbende schriftelijk op de hoogte van het verschuldigde bedrag.
Het rolrecht wordt gestort op rekening van het grondfonds, vermeld in artikel 5.6.3. De storting wordt verricht binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat de dag na deze van de betekening, vermeld in het derde lid. Indien het bedrag niet binnen deze termijn is gestort, wordt het verzoek tot tussenkomst niet-ontvankelijk verklaard. De niet tijdige betaling kan niet worden geregulariseerd. "
Art. 85. Dans l'article 4.8.19 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009, il est inséré un § 1/1, rédigé comme suit :
" § 1/1. La partie intervenante doit payer un droit de mise au rôle.
Le droit de mise au rôle est fixé par le Gouvernement flamand.
Le greffier informe l'intéressé par écrit du montant dû.
Le droit de mise au rôle est versé sur le compte du fonds foncier, visé à l'article 5.6.3. Le versement est effectué dans un délai de trente jours qui prend cours le jour suivant celui de la notification, visée à l'alinéa trois. Si le montant n'est pas verse dans ce délai, la demande d'intervention est déclarée irrecevable. Le paiement tardif ne peut être régularisé. ".
" § 1/1. La partie intervenante doit payer un droit de mise au rôle.
Le droit de mise au rôle est fixé par le Gouvernement flamand.
Le greffier informe l'intéressé par écrit du montant dû.
Le droit de mise au rôle est versé sur le compte du fonds foncier, visé à l'article 5.6.3. Le versement est effectué dans un délai de trente jours qui prend cours le jour suivant celui de la notification, visée à l'alinéa trois. Si le montant n'est pas verse dans ce délai, la demande d'intervention est déclarée irrecevable. Le paiement tardif ne peut être régularisé. ".
HOOFDSTUK 23. - Vlaamse forfaitaire vermindering in de personenbelasting
CHAPITRE 23. - Réduction forfaitaire flamande de l'impôt des personnes physiques
Art. 86. In artikel 2, § 1, van het decreet van 30 juni 2006 houdende de invoering van een forfaitaire vermindering in de personenbelasting, gewijzigd bij het decreet van 18 december 2009, worden tussen de woorden " het aanslagjaar 2008 " en de woorden " een vermindering " de woorden " tot en met het aanslagjaar 2011 " ingevoegd.
Art. 86. Dans l'article 2, § 1er, du décret du 30 juin 2006 instaurant une réduction forfaitaire de l'impôt des personnes physiques, modifié par le décret du 18 décembre 2009, les mots " jusqu'à l'année d'imposition 2011 incluse " sont insérés entre les mots " l'année d'imposition 2008 " et les mots " , à toute personne physique ".
Art. 87. In artikel 3, § 3/1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2009, wordt het woord " Vanaf " vervangen door het woord " Voor ".
Art. 87. Dans l'article 3, § 3/1, du même décret, inséré par le décret du 18 décembre 2009, les mots " A partir de " sont remplacés par le mot " Pour ".
HOOFDSTUK 24. - Slotbepalingen
CHAPITRE 24. - Dispositions finales
Art. 88. Dit decreet treedt in werking op 1 januari 2011, met uitzondering van :
- artikelen 39 en 51, die in werking treden vanaf aanslagjaar 2011;
- artikel 76, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2009;
- artikel 78, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2010.
- artikelen 39 en 51, die in werking treden vanaf aanslagjaar 2011;
- artikel 76, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2009;
- artikel 78, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2010.
Art. 88. Le présent décret entre en vigueur le 1er janvier 2011, à l'exception :
- des articles 39 et 51, qui entrent en vigueur à partir de l'année d'imposition 2011;
- de l'article 76, qui produit ses effets le 1er janvier 2009;
- de l'article 78, qui produit ses effets le 1er janvier 2010.
- des articles 39 et 51, qui entrent en vigueur à partir de l'année d'imposition 2011;
- de l'article 76, qui produit ses effets le 1er janvier 2009;
- de l'article 78, qui produit ses effets le 1er janvier 2010.