Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
1° achtergevel : gevel die geen voorgevel of zijgevel is;
2° achtertuin : tuingedeelte van het goed dat geen voortuin of zijtuin is;
3° het goed : het kadastrale perceel of de kadastrale percelen waarop de handelingen betrekking hebben, of, voor de percelen zonder kadastraal nummer, de grond of de gronden waarop de handelingen betrekking hebben;
4° industriegebied in de ruime zin : elk gebied, bestemd voor industrie en ambacht, ook als het onderworpen is aan bijzondere voorwaarden;
5° voorgevel : elke gevel gericht op de voorliggende weg, met uitzondering van garagewegen of voetwegen;
6° voorgevellijn : de lijn die gevormd wordt door de voorgevel of voorgevels door te trekken tot op de zijgrenzen van het goed;
7° voortuin : gedeelte van het goed dat voor de voorgevellijn van het hoofdgebouw ligt;
8° zijgevel : gevel aan de zijkant van het hoofdgebouw;
9° zijtuin : gedeelte van het goed dat ter hoogte van een zijgevel gelegen is.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
16 JULI 2010. - Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de meldingsplichtige handelingen ter uitvoering van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 10-09-2010 en tekstbijwerking tot 28-07-2025)
Titre
16 JUILLET 2010. - Arrêté du Gouvernement flamand relatif aux actes soumis à l'obligation de déclaration en exécution du Code flamand de l'Aménagement du Territoire(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 10-09-2010 et mise à jour au 28-07-2025)
Dokumentinformationen
Info du document
Inhoud
Tekst (21)
Texte (21)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
Article 1er. Pour l'application du présent arrêté, on entend par :
1° façade postérieure : une façade qui n'est pas de façade ou de façade latérale;
2° jardin derrière la maison : la partie du jardin du bien qui n'est pas de jardin devant la maison ou de jardin latéral;
3° le bien : la parcelle cadastrale ou les parcelles cadastrales auxquelles les actes ont trait, ou, pour les parcelles sans numéro cadastral, le terrain ou les terrains auxquels les actes ont trait;
4° zone industrielle au sens large : toute zone, affectée à l'industrie et à l'artisanat, même si elle est soumise à des conditions particulières;
5° façade : toute façade orientée sur la voie devant celle-ci, à l'exception des chemins de garage ou des sentiers;
6° ligne de façade : la ligne qui se forme en prolongeant la façade ou les façades jusqu'aux limites latérales du bien;
7° jardin devant la maison : la partie du bien qui se situe devant la ligne de façade du bâtiment principal;
8° façade latérale : façade sur le côté du bâtiment principal;
9° jardin latéral : la partie du bien qui se situe à la hauteur d'une façade latérale.
1° façade postérieure : une façade qui n'est pas de façade ou de façade latérale;
2° jardin derrière la maison : la partie du jardin du bien qui n'est pas de jardin devant la maison ou de jardin latéral;
3° le bien : la parcelle cadastrale ou les parcelles cadastrales auxquelles les actes ont trait, ou, pour les parcelles sans numéro cadastral, le terrain ou les terrains auxquels les actes ont trait;
4° zone industrielle au sens large : toute zone, affectée à l'industrie et à l'artisanat, même si elle est soumise à des conditions particulières;
5° façade : toute façade orientée sur la voie devant celle-ci, à l'exception des chemins de garage ou des sentiers;
6° ligne de façade : la ligne qui se forme en prolongeant la façade ou les façades jusqu'aux limites latérales du bien;
7° jardin devant la maison : la partie du bien qui se situe devant la ligne de façade du bâtiment principal;
8° façade latérale : façade sur le côté du bâtiment principal;
9° jardin latéral : la partie du bien qui se situe à la hauteur d'une façade latérale.
HOOFDSTUK 2. - Aanwijzing van meldingsplichtige handelingen met toepassing van artikel 4.2.2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening
CHAPITRE 2. - Désignation d'actes soumis à l'obligation de déclaration en application de l'article 4.2.2 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire
Art. 2. Voor handelingen met stabiliteitswerken die uitgevoerd worden binnen in hoofdzakelijk vergunde of vergund geachte gebouwen, wordt de vergunningsplicht vervangen door een verplichte melding als aan de volgende voorwaarden voldaan is :
1° er wordt geen vergunningsplichtige functiewijziging doorgevoerd;
2° het aantal woongelegenheden blijft ongewijzigd.
1° er wordt geen vergunningsplichtige functiewijziging doorgevoerd;
2° het aantal woongelegenheden blijft ongewijzigd.
Art. 2. Pour des actes comportant des travaux de stabilité effectués dans des bâtiments principalement autorisés ou censés autorisés, l'obligation d'autorisation est remplacée par une déclaration obligatoire si les conditions suivantes sont remplies :
1° aucune modification de fonction soumise à autorisation n'est apportée;
2° le nombre d'habitations reste inchangé.
1° aucune modification de fonction soumise à autorisation n'est apportée;
2° le nombre d'habitations reste inchangé.
Art. 3. Voor handelingen met stabiliteitswerken die uitgevoerd worden aan zijgevels, achtergevels en daken van hoofdzakelijk vergunde of vergund geachte gebouwen, wordt de vergunningsplicht vervangen door een verplichte melding als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
1° er wordt geen vergunningsplichtige functiewijziging doorgevoerd;
2° het aantal woongelegenheden blijft ongewijzigd;
3° het fysiek bouwvolume en bouwoppervlakte blijven ongewijzigd.
1° er wordt geen vergunningsplichtige functiewijziging doorgevoerd;
2° het aantal woongelegenheden blijft ongewijzigd;
3° het fysiek bouwvolume en bouwoppervlakte blijven ongewijzigd.
Art. 3. Pour des actes comportant des travaux de stabilité effectués à des façades latérales, façades postérieures et toits de bâtiments principalement autorisés ou censés autorisés, l'obligation d'autorisation est remplacée par une déclaration obligatoire si les conditions suivantes sont remplies :
1° aucune modification de fonction soumise à autorisation n'est apportée;
2° le nombre d'habitations reste inchangé;
3° le volume de construction physique et la surface de construction restent inchangés.
1° aucune modification de fonction soumise à autorisation n'est apportée;
2° le nombre d'habitations reste inchangé;
3° le volume de construction physique et la surface de construction restent inchangés.
Art. 4. Voor de oprichting van bijgebouwen die aangebouwd zijn aan de hoofdzakelijk vergunde of vergund geachte woning, wordt de vergunningsplicht vervangen door een verplichte melding als aan de volgende voorwaarden voldaan is.
1° er wordt geen vergunningsplichtige functiewijziging doorgevoerd;
2° het aantal woongelegenheden blijft ongewijzigd;
3° de totale oppervlakte van de bestaande en de op te richten aangebouwde bijgebouwen bedraagt maximaal 40 vierkante meter;
4° de gebouwen worden geplaatst in de zijtuin tot op 3 meter van de perceelsgrenzen of in de achtertuin tot op 2 meter van de perceelsgrenzen;
5° de hoogte is beperkt tot 4 meter.
In afwijking van het eerste lid, 4°, mag, als het hoofdgebouw is opgetrokken op of tegen de perceelsgrens, het aangebouwde bijgebouw ook opgetrokken worden op of tegen de perceelsgrens, tegen een bestaand aanpalend gebouw, als de bestaande scheidingsmuur niet gewijzigd wordt. De bouwdiepte van het nieuw op te richten aangebouwde bijgebouw overschrijdt de bouwdiepte van het aanpalende gebouw niet.; Voor de toepassing van dit artikel worden als bijgebouwen beschouwd : de fysiek aansluitende aanhorigheden die in bouwtechnisch opzicht een rechtstreekse aansluiting of steun vinden bij het hoofdgebouw.
1° er wordt geen vergunningsplichtige functiewijziging doorgevoerd;
2° het aantal woongelegenheden blijft ongewijzigd;
3° de totale oppervlakte van de bestaande en de op te richten aangebouwde bijgebouwen bedraagt maximaal 40 vierkante meter;
4° de gebouwen worden geplaatst in de zijtuin tot op 3 meter van de perceelsgrenzen of in de achtertuin tot op 2 meter van de perceelsgrenzen;
5° de hoogte is beperkt tot 4 meter.
In afwijking van het eerste lid, 4°, mag, als het hoofdgebouw is opgetrokken op of tegen de perceelsgrens, het aangebouwde bijgebouw ook opgetrokken worden op of tegen de perceelsgrens, tegen een bestaand aanpalend gebouw, als de bestaande scheidingsmuur niet gewijzigd wordt. De bouwdiepte van het nieuw op te richten aangebouwde bijgebouw overschrijdt de bouwdiepte van het aanpalende gebouw niet.; Voor de toepassing van dit artikel worden als bijgebouwen beschouwd : de fysiek aansluitende aanhorigheden die in bouwtechnisch opzicht een rechtstreekse aansluiting of steun vinden bij het hoofdgebouw.
Art. 4. Pour la construction d'annexes à l'habitation principalement autorisée ou censée autorisée, l'obligation d'autorisation est remplacée par une déclaration obligatoire si les conditions suivantes sont remplies :
1° aucune modification de fonction soumise à autorisation n'est apportée;
2° le nombre d'habitations reste inchangé;
3° la superficie totale des annexes existantes et à construire s'élève au maximum à 40 mètres carrés;
4° les bâtiments sont placés au jardin latéral jusqu'à 3 mètres des limites de la parcelle ou au jardin derrière la maison jusqu'à 2 mètres des limites de la parcelle;
5° la hauteur est limitée à 4 mètres.
Par dérogation à l'alinéa premier, 4°, si le bâtiment principal est construit sur ou contre la limite de la parcelle, l'annexe peut également être construite sur ou contre la limite de la parcelle, contre un bâtiment adjacent existant, si le mur de séparation existant n'est pas modifié. La profondeur de construction de l'annexe à construire ne dépasse pas la profondeur de construction du bâtiment adjacent. Pour l'application du présent article, on entend par annexes : les dépendances physiquement attenantes qui, d'un point de vue architectonique, possèdent un lien direct ou forment une structure avec le bâtiment principal.
1° aucune modification de fonction soumise à autorisation n'est apportée;
2° le nombre d'habitations reste inchangé;
3° la superficie totale des annexes existantes et à construire s'élève au maximum à 40 mètres carrés;
4° les bâtiments sont placés au jardin latéral jusqu'à 3 mètres des limites de la parcelle ou au jardin derrière la maison jusqu'à 2 mètres des limites de la parcelle;
5° la hauteur est limitée à 4 mètres.
Par dérogation à l'alinéa premier, 4°, si le bâtiment principal est construit sur ou contre la limite de la parcelle, l'annexe peut également être construite sur ou contre la limite de la parcelle, contre un bâtiment adjacent existant, si le mur de séparation existant n'est pas modifié. La profondeur de construction de l'annexe à construire ne dépasse pas la profondeur de construction du bâtiment adjacent. Pour l'application du présent article, on entend par annexes : les dépendances physiquement attenantes qui, d'un point de vue architectonique, possèdent un lien direct ou forment une structure avec le bâtiment principal.
Art. 5. [1 § 1. Voor de plaatsing van constructies wordt de vergunningsplicht vervangen door een verplichte melding als aan al de volgende voorwaarden voldaan is:
1° het betreft geen gebouwen of verhardingen;
2° de constructies staan in functie van de bestaande industrie en bedrijvigheid;
3° de constructies worden opgericht binnen een straal van vijftig meter van een hoofdzakelijk vergund of vergund geacht gebouw of hoofdzakelijk vergund of vergund geachte verharding;
4° de constructies zijn niet hoger dan twintig meter;
5° de van vergunning vrijgestelde en gemelde constructies samen zijn niet groter dan 300 vierkante meter;
6° de constructies liggen op minstens:
a) dertig meter van een woongebied in de ruime zin en van een ruimtelijk kwetsbaar gebied, niet zijnde parkgebied;
b) vijf meter van alle perceelsgrenzen;
7° de bereikbaarheid voor hulpdienstvoertuigen met inbegrip van brandweerwagens mag niet verminderd worden.
§ 2. Voor het aanleggen of uitbreiden van verhardingen wordt de vergunningsplicht vervangen door een verplichte melding als aan al de volgende voorwaarden voldaan is:
1° de verhardingen staan in functie van de bestaande industrie en bedrijvigheid;
2° voor de plaats waar de verhardingen worden aangelegd bestaat een bijzonder plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan;
3° de verhardingen worden opgericht binnen een straal van vijftig meter van een hoofdzakelijk vergund of vergund geacht gebouw of hoofdzakelijk vergund of vergund geachte verharding;
4° de grondoppervlakte van de van vergunning vrijgestelde en gemelde verhardingen samen is niet groter dan 500 vierkante meter en maximaal 100 percent van de reeds vergunde grondoppervlakte van de verharding;
5° de verhardingen liggen op minstens:
a) tien meter van een woongebied in de ruime zin en van een ruimtelijk kwetsbaar gebied, niet zijnde parkgebied;
b) drie meter van alle perceelsgrenzen.
§ 3. Voor het oprichten van gebouwen wordt de vergunningsplicht vervangen door een verplichte melding als aan al de volgende voorwaarden voldaan is:
1° het gebouw heeft de functie industrie en bedrijvigheid, staat in relatie tot de bestaande industrie en bedrijvigheid en betreft geen bedrijfswoning;
2° voor de plaats waar het gebouw wordt opgericht bestaat een bijzonder plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan;
3° het gebouw ligt binnen een straal van vijftig meter van een hoofdzakelijk vergund of vergund geacht gebouw;
4° in het geval het gebouw aangebouwd wordt aan een bestaand, vergund geacht of vergund gebouw, blijven de voorwaarden met betrekking tot brandcompartimentering van toepassing; zoniet bedraagt de afstand tussen het gebouw en andere gebouwen minstens vijf meter;
5° de grondoppervlakte van de vergunningsvrije en gemelde gebouwen samen is niet groter dan 500 vierkante meter en maximaal 100 percent van de reeds vergunde grondoppervlakte van de gebouwen;
6° het gebouw ligt op minstens:
a) dertig meter van een woongebied in de ruime zin en van een ruimtelijk kwetsbaar gebied, niet zijnde parkgebied;
b) vijf meter van alle perceelsgrenzen;
7° het gebouw is niet hoger dan één bouwlaag en dan twintig meter;
8° de bereikbaarheid voor hulpdienstvoertuigen met inbegrip van brandweerwagens mag niet verminderd worden;
9° de brandbelasting van het gebouw bedraagt minder dan 350 MJ/m2.
§ 4. De regeling, vermeld in de paragrafen 1, 2 en 3, geldt alleen als de handelingen voldoen aan al de volgende voorwaarden:
1° ze liggen binnen de grenzen van de zeehavens van Oostende, Zeebrugge, Gent en Antwerpen, zoals afgebakend in een ruimtelijk uitvoeringsplan of bij gebrek daaraan, afgebakend conform artikel 3 van het decreet van 2 maart 1999 houdende het beleid en het beheer van de zeehavens;
2° ze liggen niet voor de rooilijn;
3° ze gaan niet gepaard met een ontbossing;
4° ze zijn niet strijdig met stedenbouwkundige voorschriften.]1
1° het betreft geen gebouwen of verhardingen;
2° de constructies staan in functie van de bestaande industrie en bedrijvigheid;
3° de constructies worden opgericht binnen een straal van vijftig meter van een hoofdzakelijk vergund of vergund geacht gebouw of hoofdzakelijk vergund of vergund geachte verharding;
4° de constructies zijn niet hoger dan twintig meter;
5° de van vergunning vrijgestelde en gemelde constructies samen zijn niet groter dan 300 vierkante meter;
6° de constructies liggen op minstens:
a) dertig meter van een woongebied in de ruime zin en van een ruimtelijk kwetsbaar gebied, niet zijnde parkgebied;
b) vijf meter van alle perceelsgrenzen;
7° de bereikbaarheid voor hulpdienstvoertuigen met inbegrip van brandweerwagens mag niet verminderd worden.
§ 2. Voor het aanleggen of uitbreiden van verhardingen wordt de vergunningsplicht vervangen door een verplichte melding als aan al de volgende voorwaarden voldaan is:
1° de verhardingen staan in functie van de bestaande industrie en bedrijvigheid;
2° voor de plaats waar de verhardingen worden aangelegd bestaat een bijzonder plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan;
3° de verhardingen worden opgericht binnen een straal van vijftig meter van een hoofdzakelijk vergund of vergund geacht gebouw of hoofdzakelijk vergund of vergund geachte verharding;
4° de grondoppervlakte van de van vergunning vrijgestelde en gemelde verhardingen samen is niet groter dan 500 vierkante meter en maximaal 100 percent van de reeds vergunde grondoppervlakte van de verharding;
5° de verhardingen liggen op minstens:
a) tien meter van een woongebied in de ruime zin en van een ruimtelijk kwetsbaar gebied, niet zijnde parkgebied;
b) drie meter van alle perceelsgrenzen.
§ 3. Voor het oprichten van gebouwen wordt de vergunningsplicht vervangen door een verplichte melding als aan al de volgende voorwaarden voldaan is:
1° het gebouw heeft de functie industrie en bedrijvigheid, staat in relatie tot de bestaande industrie en bedrijvigheid en betreft geen bedrijfswoning;
2° voor de plaats waar het gebouw wordt opgericht bestaat een bijzonder plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan;
3° het gebouw ligt binnen een straal van vijftig meter van een hoofdzakelijk vergund of vergund geacht gebouw;
4° in het geval het gebouw aangebouwd wordt aan een bestaand, vergund geacht of vergund gebouw, blijven de voorwaarden met betrekking tot brandcompartimentering van toepassing; zoniet bedraagt de afstand tussen het gebouw en andere gebouwen minstens vijf meter;
5° de grondoppervlakte van de vergunningsvrije en gemelde gebouwen samen is niet groter dan 500 vierkante meter en maximaal 100 percent van de reeds vergunde grondoppervlakte van de gebouwen;
6° het gebouw ligt op minstens:
a) dertig meter van een woongebied in de ruime zin en van een ruimtelijk kwetsbaar gebied, niet zijnde parkgebied;
b) vijf meter van alle perceelsgrenzen;
7° het gebouw is niet hoger dan één bouwlaag en dan twintig meter;
8° de bereikbaarheid voor hulpdienstvoertuigen met inbegrip van brandweerwagens mag niet verminderd worden;
9° de brandbelasting van het gebouw bedraagt minder dan 350 MJ/m2.
§ 4. De regeling, vermeld in de paragrafen 1, 2 en 3, geldt alleen als de handelingen voldoen aan al de volgende voorwaarden:
1° ze liggen binnen de grenzen van de zeehavens van Oostende, Zeebrugge, Gent en Antwerpen, zoals afgebakend in een ruimtelijk uitvoeringsplan of bij gebrek daaraan, afgebakend conform artikel 3 van het decreet van 2 maart 1999 houdende het beleid en het beheer van de zeehavens;
2° ze liggen niet voor de rooilijn;
3° ze gaan niet gepaard met een ontbossing;
4° ze zijn niet strijdig met stedenbouwkundige voorschriften.]1
Art. 5. [1 § 1er. Pour la pose de constructions, l'obligation d'autorisation est remplacée par une déclaration obligatoire lorsqu'il est satisfait à toutes les conditions suivantes :
1° il ne s'agit pas de bâtiments ou de revêtements ;
2° les constructions sont en fonction de l'industrie et l'activité existantes ;
3° les constructions sont réalisées dans un rayon de cinquante mètres d'un bâtiment principalement autorisé ou censé autorisé ou d'un revêtement principalement autorisé ou censé autorisé ;
4° la hauteur des constructions est limitée à vingt mètres ;
5° les constructions exemptées de l'obligation d'autorisation et les constructions déclarées ne dépassent pas 300 mètres carrés ;
6° les constructions sont situées à au moins :
a) trente mètres d'une zone d'habitat au sens large et d'une zone vulnérable d'un point de vue spatial, à l'exception des zones de parc ;
b) cinq mètres de toutes les limites de la parcelle ;
7° l'accessibilité pour les véhicules des services de secours y compris les véhicules de pompiers ne peut pas être limitée.
§ 2. Pour la construction ou l'extension de revêtements, l'obligation d'autorisation est remplacée par une déclaration obligatoire lorsqu'il est satisfait à toutes les conditions suivantes :
1° les revêtements sont en fonction de l'industrie et l'activité existantes ;
2° Il existe un plan particulier d'aménagement ou un plan d'exécution spatial pour l'endroit où les revêtements sont aménagés ;
3° les revêtements sont réalisés dans un rayon de cinquante mètres d'un bâtiment principalement autorisé ou censé autorisé ou d'un revêtement principalement autorisé ou censé autorisé ;
4° la surface au sol des revêtements exemptés d'autorisation et des revêtements déclarés ne dépasse pas 500 mètres carrés et au maximum 100 pour cent de la surface au sol du revêtement déjà autorisée ;
5° les revêtements sont situés à au moins :
a) dix mètres d'une zone d'habitat au sens large et d'une zone vulnérable d'un point de vue spatial, à l'exception des zones de parc ;
b) trois mètres de toutes les limites de la parcelle.
§ 3. Pour la construction de bâtiments l'obligation de déclaration est remplacée par une déclaration obligatoire lorsqu'il est satisfait à toutes les conditions suivantes :
1° le bâtiment a la fonction `industrie et activité', a trait à l'industrie et l'activité existantes et il ne s'agit pas d'une habitation de l'entreprise ;
2° pour le site où le bâtiment est construit il existe un plan particulier d'aménagement ou un plan d'exécution spatial ;
3° le bâtiment est situé dans un rayon de cinquante mètres d'un bâtiment principalement autorisé ou censé autorisé ;
4° au cas où le bâtiment est construit contre un bâtiment existant, censé autorisé ou autorisé, les conditions relatives au compartimentage coupe-feu restent d'application ; sinon, la distance entre le bâtiment et les autres bâtiments est au moins cinq mètres ;
5° la surface au sol des bâtiments exemptés d'autorisation et des bâtiments déclarés ne dépasse pas 500 mètres carrés et au maximum 100 pour cent de la surface au sol déjà autorisée des bâtiments ;
6° le bâtiment est situé au moins à :
a) trente mètres d'une zone d'habitat au sens large et d'une zone vulnérable d'un point de vue spatial, à l'exception des zones de parc ;
b) cinq mètres de toutes les limites de la parcelle ;
7° la hauteur du bâtiment est limité à un niveau de construction et à vingt mètres ;
8° l'accessibilité pour les véhicules des services de secours y compris les véhicules de pompiers ne peut pas être limitée ;
9° la charge d'incendie du bâtiment s'élève à moins de 350MJ/m2.
§ 4. Le règlement, visé aux paragraphes 1er, 2 et 3 vaut uniquement lorsque les actes remplissent toutes les conditions suivantes :
1° ils sont situés dans les limites des ports maritimes d'Ostende, de Zeebruges, de Gand et d'Anvers, tels que délimités dans un plan d'exécution spatial ou, à défaut, délimités conformément à l'article 3 du décret du 2 mars 1999 portant sur la politique et la gestion des ports maritimes ;
2° ils ne sont pas désalignés ;
3° ils ne vont pas de pair avec un déboisement ;
4° ils ne sont pas contraires aux prescriptions urbanistiques.]1
1° il ne s'agit pas de bâtiments ou de revêtements ;
2° les constructions sont en fonction de l'industrie et l'activité existantes ;
3° les constructions sont réalisées dans un rayon de cinquante mètres d'un bâtiment principalement autorisé ou censé autorisé ou d'un revêtement principalement autorisé ou censé autorisé ;
4° la hauteur des constructions est limitée à vingt mètres ;
5° les constructions exemptées de l'obligation d'autorisation et les constructions déclarées ne dépassent pas 300 mètres carrés ;
6° les constructions sont situées à au moins :
a) trente mètres d'une zone d'habitat au sens large et d'une zone vulnérable d'un point de vue spatial, à l'exception des zones de parc ;
b) cinq mètres de toutes les limites de la parcelle ;
7° l'accessibilité pour les véhicules des services de secours y compris les véhicules de pompiers ne peut pas être limitée.
§ 2. Pour la construction ou l'extension de revêtements, l'obligation d'autorisation est remplacée par une déclaration obligatoire lorsqu'il est satisfait à toutes les conditions suivantes :
1° les revêtements sont en fonction de l'industrie et l'activité existantes ;
2° Il existe un plan particulier d'aménagement ou un plan d'exécution spatial pour l'endroit où les revêtements sont aménagés ;
3° les revêtements sont réalisés dans un rayon de cinquante mètres d'un bâtiment principalement autorisé ou censé autorisé ou d'un revêtement principalement autorisé ou censé autorisé ;
4° la surface au sol des revêtements exemptés d'autorisation et des revêtements déclarés ne dépasse pas 500 mètres carrés et au maximum 100 pour cent de la surface au sol du revêtement déjà autorisée ;
5° les revêtements sont situés à au moins :
a) dix mètres d'une zone d'habitat au sens large et d'une zone vulnérable d'un point de vue spatial, à l'exception des zones de parc ;
b) trois mètres de toutes les limites de la parcelle.
§ 3. Pour la construction de bâtiments l'obligation de déclaration est remplacée par une déclaration obligatoire lorsqu'il est satisfait à toutes les conditions suivantes :
1° le bâtiment a la fonction `industrie et activité', a trait à l'industrie et l'activité existantes et il ne s'agit pas d'une habitation de l'entreprise ;
2° pour le site où le bâtiment est construit il existe un plan particulier d'aménagement ou un plan d'exécution spatial ;
3° le bâtiment est situé dans un rayon de cinquante mètres d'un bâtiment principalement autorisé ou censé autorisé ;
4° au cas où le bâtiment est construit contre un bâtiment existant, censé autorisé ou autorisé, les conditions relatives au compartimentage coupe-feu restent d'application ; sinon, la distance entre le bâtiment et les autres bâtiments est au moins cinq mètres ;
5° la surface au sol des bâtiments exemptés d'autorisation et des bâtiments déclarés ne dépasse pas 500 mètres carrés et au maximum 100 pour cent de la surface au sol déjà autorisée des bâtiments ;
6° le bâtiment est situé au moins à :
a) trente mètres d'une zone d'habitat au sens large et d'une zone vulnérable d'un point de vue spatial, à l'exception des zones de parc ;
b) cinq mètres de toutes les limites de la parcelle ;
7° la hauteur du bâtiment est limité à un niveau de construction et à vingt mètres ;
8° l'accessibilité pour les véhicules des services de secours y compris les véhicules de pompiers ne peut pas être limitée ;
9° la charge d'incendie du bâtiment s'élève à moins de 350MJ/m2.
§ 4. Le règlement, visé aux paragraphes 1er, 2 et 3 vaut uniquement lorsque les actes remplissent toutes les conditions suivantes :
1° ils sont situés dans les limites des ports maritimes d'Ostende, de Zeebruges, de Gand et d'Anvers, tels que délimités dans un plan d'exécution spatial ou, à défaut, délimités conformément à l'article 3 du décret du 2 mars 1999 portant sur la politique et la gestion des ports maritimes ;
2° ils ne sont pas désalignés ;
3° ils ne vont pas de pair avec un déboisement ;
4° ils ne sont pas contraires aux prescriptions urbanistiques.]1
Art.5/1.[1 § 1. Voor het opsplitsen van een woning of voor het wijzigen in een gebouw van het aantal woongelegenheden die hoofdzakelijk bestemd zijn voor de huisvesting van een gezin of een alleenstaande, ongeacht of het gaat om een eengezinswoning, een etagewoning, een flatgebouw, een studio of een al dan niet gemeubileerde kamer, wordt de vergunningsplicht vervangen door een verplichte melding als aan al de volgende voorwaarden voldaan is:
1° in een bestaande woning wordt één ondergeschikte wooneenheid gecreëerd;
2° de ondergeschikte wooneenheid vormt één fysiek geheel met de hoofdwooneenheid;
3° de ondergeschikte wooneenheid, daaronder niet begrepen de met de hoofdwooneenheid gedeelde ruimten, maakt maximaal één derde uit van [2 de brutovloeroppervlakte]2 van de volledige woning;
4° de creatie van de ondergeschikte wooneenheid gebeurt met het oog op het huisvesten van:
a) hetzij asielzoekers en vluchtelingen die op grond van artikel 6, § 1, vierde lid, en artikel 8, § 1, van de wet betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen van 12 januari 2007 de opvang van Fedasil moeten verlaten;
b) hetzij burgers wiens woning onbewoonbaar is geworden door onvoorziene omstandigheden;
[3 c) hetzij personen die tijdelijk beschermd worden met toepassing van artikel 57/29 tot en met 57/36 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;]3
5° [3 de huisvesting is tijdelijk:
a) in geval van opvang van de personen, vermeld in punt 4°, c), voor een periode tot maximaal zes maanden na de beëindiging van de tijdelijke bescherming;
b) in geval van opvang van de personen, vermeld in punt 4°, a) en b), voor een totale duur van maximaal drie jaar per goed]3;
6° de eigendom, of ten minste de blote eigendom, op de hoofd- en de ondergeschikte wooneenheid berust bij dezelfde titularis of titularissen.
§ 2. Het beëindigen van het opsplitsen van een woning of het wijzigen in een gebouw van het aantal woongelegenheden, bedoeld in paragraaf 1, is eveneens meldingsplichtig.]1
1° in een bestaande woning wordt één ondergeschikte wooneenheid gecreëerd;
2° de ondergeschikte wooneenheid vormt één fysiek geheel met de hoofdwooneenheid;
3° de ondergeschikte wooneenheid, daaronder niet begrepen de met de hoofdwooneenheid gedeelde ruimten, maakt maximaal één derde uit van [2 de brutovloeroppervlakte]2 van de volledige woning;
4° de creatie van de ondergeschikte wooneenheid gebeurt met het oog op het huisvesten van:
a) hetzij asielzoekers en vluchtelingen die op grond van artikel 6, § 1, vierde lid, en artikel 8, § 1, van de wet betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen van 12 januari 2007 de opvang van Fedasil moeten verlaten;
b) hetzij burgers wiens woning onbewoonbaar is geworden door onvoorziene omstandigheden;
[3 c) hetzij personen die tijdelijk beschermd worden met toepassing van artikel 57/29 tot en met 57/36 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;]3
5° [3 de huisvesting is tijdelijk:
a) in geval van opvang van de personen, vermeld in punt 4°, c), voor een periode tot maximaal zes maanden na de beëindiging van de tijdelijke bescherming;
b) in geval van opvang van de personen, vermeld in punt 4°, a) en b), voor een totale duur van maximaal drie jaar per goed]3;
6° de eigendom, of ten minste de blote eigendom, op de hoofd- en de ondergeschikte wooneenheid berust bij dezelfde titularis of titularissen.
§ 2. Het beëindigen van het opsplitsen van een woning of het wijzigen in een gebouw van het aantal woongelegenheden, bedoeld in paragraaf 1, is eveneens meldingsplichtig.]1
Art.5/1.[1 § 1er. Pour la subdivision d'une habitation ou pour la modification du nombre de logements dans un bâtiment qui sont principalement destinés au logement d'une famille ou d'une personne isolée, qu'il s'agit d'une maison unifamiliale, une habitation à étages, un appartement, un studio ou une chambre meublée ou non, l'obligation d'autorisation est remplacée par une déclaration obligatoire lorsqu'il est satisfait à toutes les conditions suivantes :
1° une unité de logement subordonnée est créée dans une habitation existante ;
2° l'unité de logement subordonnée constitue un ensemble physique avec l'unité de logement principale ;
3° l'unité de logement subordonnée, les espaces partagés avec l'unité de logement principale non compris, constitue au maximum un tiers [2 de la superficie brute au sol]2 de l'habitation entière ;
4° la création d'une unité de logement subordonnée se fait en vue du logement :
a) soit de demandeurs d'asile et de réfugiés qui doivent quitter l'accueil de Fedasil en vertu de l'article 6, § 1er, alinéa quatre, et l'article 8, § 1er, de la loi du 12 janvier 2007 sur l'accueil des demandeurs d'asile et de certaines autres catégories d'étrangers ;
b) soit de citoyens dont l'habitation est devenue inhabitable en raison de circonstances imprévues ;
[3 c) soit de personnes qui bénéficient d'une protection temporaire accordée en application des articles 57/29 à 57/36 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers ;]3
5° [3 le logement est temporaire :
a) en cas d'accueil des personnes visées au point 4°, c), pour une période maximale de six mois après la fin de la protection temporaire ;
b) en cas d'accueil des personnes visées au point 4°, a) et b), pour une durée totale maximale de trois ans par bien ;]3
6° la propriété, ou au moins la nue-propriété, des unités de logement principales et subordonnées, est détenue par le même titulaire ou les mêmes titulaires.
§ 2. La fin de la subdivision d'une habitation ou la modification dans une habitation du nombre d'unités de logement, visée au paragraphe 1er, est également soumise à l'obligation de déclaration.]1
1° une unité de logement subordonnée est créée dans une habitation existante ;
2° l'unité de logement subordonnée constitue un ensemble physique avec l'unité de logement principale ;
3° l'unité de logement subordonnée, les espaces partagés avec l'unité de logement principale non compris, constitue au maximum un tiers [2 de la superficie brute au sol]2 de l'habitation entière ;
4° la création d'une unité de logement subordonnée se fait en vue du logement :
a) soit de demandeurs d'asile et de réfugiés qui doivent quitter l'accueil de Fedasil en vertu de l'article 6, § 1er, alinéa quatre, et l'article 8, § 1er, de la loi du 12 janvier 2007 sur l'accueil des demandeurs d'asile et de certaines autres catégories d'étrangers ;
b) soit de citoyens dont l'habitation est devenue inhabitable en raison de circonstances imprévues ;
[3 c) soit de personnes qui bénéficient d'une protection temporaire accordée en application des articles 57/29 à 57/36 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers ;]3
5° [3 le logement est temporaire :
a) en cas d'accueil des personnes visées au point 4°, c), pour une période maximale de six mois après la fin de la protection temporaire ;
b) en cas d'accueil des personnes visées au point 4°, a) et b), pour une durée totale maximale de trois ans par bien ;]3
6° la propriété, ou au moins la nue-propriété, des unités de logement principales et subordonnées, est détenue par le même titulaire ou les mêmes titulaires.
§ 2. La fin de la subdivision d'une habitation ou la modification dans une habitation du nombre d'unités de logement, visée au paragraphe 1er, est également soumise à l'obligation de déclaration.]1
Art.5/2.[1 Voor het tijdelijk plaatsen van verplaatsbare constructies die voor bewoning kunnen worden gebruikt en voor het tijdelijk plaatsen van verplaatsbare constructies die aan deze bewoning aanverwante functies herbergen, wordt de vergunningsplicht vervangen door een verplichte melding als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
1° de plaatsing gebeurt door of in opdracht van de overheid met het oog op het huisvesten van:
a) hetzij asielzoekers en vluchtelingen die op grond van artikel 6, § 1, vierde lid, en artikel 8, § 1, van de wet betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen van 12 januari 2007 de opvang van Fedasil moeten verlaten;
b) hetzij burgers wiens woning onbewoonbaar is geworden door onvoorziene omstandigheden;
[3 c) hetzij personen die tijdelijk beschermd worden met toepassing van artikel 57/29 tot en met 57/36 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;]3
2° [3 de plaatsing is tijdelijk:
a) in geval van opvang van de personen, vermeld in punt 1°, c), voor een periode tot maximaal zes maanden na de beëindiging van de tijdelijke bescherming;
b) in geval van opvang van de personen, vermeld in punt 1°, a) en b), voor een totale duur van maximaal:
1) drie jaar per goed als het goed bestemd is als militair domein of als gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen;
2) twee jaar per goed in alle andere gevallen dan de gevallen, vermeld in punt 1);]3
3° de verplaatsbare constructies hebben een gezamenlijke maximale oppervlakte van:
c) 1000 vierkante meter per goed als het goed bestemd is als militair domein of als gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen;
d) 500 vierkante meter per goed in alle andere gevallen;
4° de plaatsing gebeurt niet in [2 een van de volgende gebieden:
a) [3 ...]3;
b) een gebied dat erosiegevoelig is;
c) een gebied met middelgrote kans op overstromingen, zoals vastgesteld in bijlage IV en V bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2006 tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstanties en tot vaststelling van nadere regels voor de adviesprocedure bij de watertoets, vermeld in artikel 1.3.1.1 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018]2;
5° de afstand tot de perceelsgrenzen bedraagt minimaal tien meter.]1
1° de plaatsing gebeurt door of in opdracht van de overheid met het oog op het huisvesten van:
a) hetzij asielzoekers en vluchtelingen die op grond van artikel 6, § 1, vierde lid, en artikel 8, § 1, van de wet betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen van 12 januari 2007 de opvang van Fedasil moeten verlaten;
b) hetzij burgers wiens woning onbewoonbaar is geworden door onvoorziene omstandigheden;
[3 c) hetzij personen die tijdelijk beschermd worden met toepassing van artikel 57/29 tot en met 57/36 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;]3
2° [3 de plaatsing is tijdelijk:
a) in geval van opvang van de personen, vermeld in punt 1°, c), voor een periode tot maximaal zes maanden na de beëindiging van de tijdelijke bescherming;
b) in geval van opvang van de personen, vermeld in punt 1°, a) en b), voor een totale duur van maximaal:
1) drie jaar per goed als het goed bestemd is als militair domein of als gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen;
2) twee jaar per goed in alle andere gevallen dan de gevallen, vermeld in punt 1);]3
3° de verplaatsbare constructies hebben een gezamenlijke maximale oppervlakte van:
c) 1000 vierkante meter per goed als het goed bestemd is als militair domein of als gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen;
d) 500 vierkante meter per goed in alle andere gevallen;
4° de plaatsing gebeurt niet in [2 een van de volgende gebieden:
a) [3 ...]3;
b) een gebied dat erosiegevoelig is;
c) een gebied met middelgrote kans op overstromingen, zoals vastgesteld in bijlage IV en V bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2006 tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstanties en tot vaststelling van nadere regels voor de adviesprocedure bij de watertoets, vermeld in artikel 1.3.1.1 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018]2;
5° de afstand tot de perceelsgrenzen bedraagt minimaal tien meter.]1
Art.5/2.[1 Pour la pose temporaire de constructions mobiles qui peuvent être utilisées pour le logement et pour la pose temporaire de constructions mobiles hébergeant des fonctions connexes à ce logement, l'obligation d'autorisation est remplacée par une déclaration obligatoire lorsqu'il est satisfait à toutes les conditions suivantes :
1° la pose se fait par ou par ordre des autorités en vue du logement :
a) soit de demandeurs d'asile et de réfugiés qui doivent quitter l'accueil de Fedasil en vertu de l'article 6, § 1er, alinéa quatre, et l'article 8, § 1er, de la loi du 12 janvier 2007 sur l'accueil des demandeurs d'asile et de certaines autres catégories d'étrangers ;
b) soit de citoyens dont l'habitation est devenue inhabitable en raison de circonstances imprévues ;
[3 c) soit de personnes qui bénéficient d'une protection temporaire accordée en application des articles 57/29 à 57/36 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers ;]3
2° [3 la pose est temporaire :
a) en cas d'accueil des personnes visées au point 1°, c), pour une période maximale de six mois après la fin de la protection temporaire ;
b) en cas d'accueil des personnes visées au point 1°, a) et b), pour une durée totale maximale de :
1) trois ans lorsque le bien est répertorié comme domaine militaire ou comme zone d'équipements collectifs et services d'utilité publique ;
2) deux ans par bien dans tous les autres cas que ceux visés au point 1) ;]3
3° les constructions mobiles ont une superficie commune maximale de :
c) 1000 mètres carrés par bien lorsque le bien est répertorié comme domaine militaire ou comme zone d'équipements collectifs et services d'utilité publique ;
d) 500 mètres carrés par bien dans tous les autres cas ;
4° la pose ne se fait pas dans [2 une des zones suivantes :
a) [3 ...]3 ;
b) une zone sensible à l'érosion ;
c) une zone exposée à un risque moyen d'inondation telle que fixée à l'annexe IV et V de l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 juillet 2006 fixant les modalités d'application de l'évaluation aquatique, portant désignation des instances consultatives et définissant les modalités de la procédure d'avis pour l'évaluation aquatique, visée à l'article 1.3.1.1 du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018]2 ;
5° la distance aux limites de la parcelles est au moins dix mètres.]1
1° la pose se fait par ou par ordre des autorités en vue du logement :
a) soit de demandeurs d'asile et de réfugiés qui doivent quitter l'accueil de Fedasil en vertu de l'article 6, § 1er, alinéa quatre, et l'article 8, § 1er, de la loi du 12 janvier 2007 sur l'accueil des demandeurs d'asile et de certaines autres catégories d'étrangers ;
b) soit de citoyens dont l'habitation est devenue inhabitable en raison de circonstances imprévues ;
[3 c) soit de personnes qui bénéficient d'une protection temporaire accordée en application des articles 57/29 à 57/36 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers ;]3
2° [3 la pose est temporaire :
a) en cas d'accueil des personnes visées au point 1°, c), pour une période maximale de six mois après la fin de la protection temporaire ;
b) en cas d'accueil des personnes visées au point 1°, a) et b), pour une durée totale maximale de :
1) trois ans lorsque le bien est répertorié comme domaine militaire ou comme zone d'équipements collectifs et services d'utilité publique ;
2) deux ans par bien dans tous les autres cas que ceux visés au point 1) ;]3
3° les constructions mobiles ont une superficie commune maximale de :
c) 1000 mètres carrés par bien lorsque le bien est répertorié comme domaine militaire ou comme zone d'équipements collectifs et services d'utilité publique ;
d) 500 mètres carrés par bien dans tous les autres cas ;
4° la pose ne se fait pas dans [2 une des zones suivantes :
a) [3 ...]3 ;
b) une zone sensible à l'érosion ;
c) une zone exposée à un risque moyen d'inondation telle que fixée à l'annexe IV et V de l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 juillet 2006 fixant les modalités d'application de l'évaluation aquatique, portant désignation des instances consultatives et définissant les modalités de la procédure d'avis pour l'évaluation aquatique, visée à l'article 1.3.1.1 du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018]2 ;
5° la distance aux limites de la parcelles est au moins dix mètres.]1
Art. 6. [4 De bepalingen van dit hoofdstuk gelden niet voor handelingen die strijdig zijn met de voorschriften van stedenbouwkundige verordeningen, ruimtelijke uitvoeringsplannen, plannen van aanleg of vergunningen voor het verkavelen van gronden, of met de uitdrukkelijke voorwaarden van omgevingsvergunningen, met behoud van de toepassing van de andere regelgeving die van toepassing is.]4
De bepalingen van dit hoofdstuk gelden niet voor handelingen, te verrichten op percelen waarop voorlopig of definitief beschermde monumenten aanwezig zijn, in voorlopig of definitief beschermde [2 cultuurhistorische]2 landschappen, [1 ...]1 in voorlopig of definitief beschermde stads- en dorpsgezichten, of in voorlopig of definitief beschermde [2 archeologische sites]2.
De bepalingen van dit hoofdstuk gelden niet voor handelingen die uitgevoerd worden in [3 een afgebakende oeverzone als vermeld in [5 artikel 1.1.3., § 2, 46°, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018]5]3, noch in de 5 meter brede strook, te rekenen vanaf de bovenste rand van het talud van ingedeelde onbevaarbare en bevaarbare waterlopen.
De bepalingen van dit hoofdstuk gelden niet voor handelingen die uitgevoerd worden voor de rooilijn of in een achteruitbouwstrook.
De bepalingen van dit hoofdstuk gelden niet voor handelingen, te verrichten op percelen waarop voorlopig of definitief beschermde monumenten aanwezig zijn, in voorlopig of definitief beschermde [2 cultuurhistorische]2 landschappen, [1 ...]1 in voorlopig of definitief beschermde stads- en dorpsgezichten, of in voorlopig of definitief beschermde [2 archeologische sites]2.
De bepalingen van dit hoofdstuk gelden niet voor handelingen die uitgevoerd worden in [3 een afgebakende oeverzone als vermeld in [5 artikel 1.1.3., § 2, 46°, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018]5]3, noch in de 5 meter brede strook, te rekenen vanaf de bovenste rand van het talud van ingedeelde onbevaarbare en bevaarbare waterlopen.
De bepalingen van dit hoofdstuk gelden niet voor handelingen die uitgevoerd worden voor de rooilijn of in een achteruitbouwstrook.
Änderungen
Art. 6. [4 Les dispositions du présent chapitre ne s'appliquent pas aux actes contraires aux prescriptions des règlements urbanistiques, des plans d'exécution spatiaux, des plans d'aménagement ou des permis pour le lotissement de terrains, ou aux conditions explicites des permis d'environnement, sous réserve de l'application de l'autre réglementation applicable.]4
Les dispositions du présent chapitre ne s'appliquent pas aux actes à accomplir sur les parcelles où se situent des monuments protégés provisoirement ou définitivement, dans des [2 paysages culturo-historiques]2 protégés provisoirement ou définitivement, [1 ...]1 dans des sites urbains et ruraux protégés provisoirement ou définitivement, ou dans des [2 sites archéologiques]2 protégés provisoirement ou définitivement.
Les dispositions du présent chapitre ne s'appliquent ni aux actes accomplis [3 une zone de rive délimitée comme visée à [5 l'article 1.1.3, § 2, 46°, du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018]5]3, ni dans la bande d'une largeur de 5 mètres, à compter à partir du bord supérieur du talus des cours d'eau classés non-navigables et navigables.
Les dispositions du présent chapitre ne s'appliquent pas aux actes accomplis devant l'alignement ou dans une zone de recul.
Les dispositions du présent chapitre ne s'appliquent pas aux actes à accomplir sur les parcelles où se situent des monuments protégés provisoirement ou définitivement, dans des [2 paysages culturo-historiques]2 protégés provisoirement ou définitivement, [1 ...]1 dans des sites urbains et ruraux protégés provisoirement ou définitivement, ou dans des [2 sites archéologiques]2 protégés provisoirement ou définitivement.
Les dispositions du présent chapitre ne s'appliquent ni aux actes accomplis [3 une zone de rive délimitée comme visée à [5 l'article 1.1.3, § 2, 46°, du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018]5]3, ni dans la bande d'une largeur de 5 mètres, à compter à partir du bord supérieur du talus des cours d'eau classés non-navigables et navigables.
Les dispositions du présent chapitre ne s'appliquent pas aux actes accomplis devant l'alignement ou dans une zone de recul.
Änderungen
HOOFDSTUK 3. - Indienings- en betekeningswijze van de melding
CHAPITRE 3. - Mode d'introduction et de notification de la déclaration
HOOFDSTUK 4. - Slotbepalingen
CHAPITRE 4. - Dispositions finales
Art. 8. De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, is gemachtigd om de bijlagen bij dit besluit te wijzigen.
Art. 8. Le Ministre flamand ayant l'aménagement du territoire dans ses attributions, est autorisé à modifier les annexes au présent arrêté.
Art. 9. Dit besluit treedt in werking op 1 december 2010.
Art. 9. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er décembre 2010.
Art. 10. De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 10. Le Ministre flamand ayant l'aménagement du territoire dans ses attributions, est chargé de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage I. - Formulier I. Melding van handelingen in of aan gebouwen met toepassing van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening
(Formulier niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 10-09-2010, p. 57510-57513)
(Formulier niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 10-09-2010, p. 57510-57513)
Art. N1. Annexe I. - Formulaire I. Déclaration d'actes accomplis dans ou aux bâtiments en application du Code flamand de l'Aménagement du Territoire
(Formulaire non repris pour des raisons techniques, voir M.B. du 10-09-2010, p. 57520-57523)
(Formulaire non repris pour des raisons techniques, voir M.B. du 10-09-2010, p. 57520-57523)
Gewijzigd bij :
Modifié par :
Art. N2. [1 Bijlage II. - Melding van handelingen in zeehavengebied met toepassing van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 19-09-2016, p. 62830-62833)]1
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 19-09-2016, p. 62830-62833)]1
Art. N2. [1 Annexe II. - Déclaration d'actes accomplis en zone de port maritime en application du Code Flamand de l'Aménagement du Territoire
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 19-09-2016, p. 62847-62850]1
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 19-09-2016, p. 62847-62850]1
Gewijzigd bij :
Modifié par :
Art. N3. [1 Bijlage III. - Melding inzake tijdelijk wonen
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 19-09-2016, p. 62834-62837)]1
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 19-09-2016, p. 62834-62837)]1
Art. N3. [1 Annexe III. - Déclaration relative au logement temporaire
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 19-09-2016, p. 62851-62854)]1
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 19-09-2016, p. 62851-62854)]1
Art. N7. Gewijzigd bij :
Art. N7. Modifié par :