Artikel 1. Voor de toepassing van dit koninklijk besluit wordt begrepen onder :
1° "de wet van 6 augustus 1990" : de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen;
2° "het koninklijk besluit van 7 maart 1991" : het koninklijk besluit van 7 maart 1991 tot uitvoering van artikel 2, §§ 2 en 3, artikel 14, § 3, en artikel 19, derde en vierde lid, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
26 AUGUSTUS 2010. - Koninklijk besluit tot uitvoering van artikelen 2, § 3, tweede lid, 14, § 3, en 19, derde en vierde lid, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen, wat de maatschappijen van onderlinge bijstand betreft bedoeld in artikel 43bis, § 5, en in artikel 70, § 7, van dezelfde wet (NOTA : art. 4 tot en met 14 opgeheven bij KB2021-07-14/21, art. 26; Inwerkingtreding : in werking voor de verkiezing met betrekking tot de betrokken mandaten met het oog op de hernieuwing, in 2022 en in volgende jaren, van de samenstelling van de algemene vergadering van de maatschappijen van onderlinge bijstand en van de raad van bestuur van deze entiteiten) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 07-09-2010 en tekstbijwerking tot 25-08-2021)
Titre
26 AOUT 2010. - Arrêté royal portant exécution des articles 2, § 3, alinéa 2, 14, § 3, et 19, alinéas 3 et 4, de la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions nationales de mutualités, en ce qui concerne les sociétés mutualistes visées aux articles 43bis, § 5, et 70, § 7, de cette même loi(NOTE : art. 4 à 14 abrogé par AR2021-07-14/21, art. 26; En vigueur : pour l'élection relative aux mandats concernés en vue du renouvellement, en 2022 et lors d'années postérieures, de la composition de l'assemblée générale des sociétés mutualistes, ainsi que du conseil d'administration de ces entités) (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 07-09-2010 et mise à jour au 25-08-2021)
Dokumentinformationen
Info du document
Inhoud
Tekst (24)
Texte (24)
HOOFDSTUK I. - Begripsbepalingen
CHAPITRE Ier. - Définitions
Article 1er. Pour l'application du présent arrêté, il convient d'entendre par :
1° "la loi du 6 août 1990" : la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions nationales de mutualités;
2° "l'arrêté royal du 7 mars 1991" : l'arrêté royal du 7 mars 1991 portant exécution de l'article 2, §§ 2 et 3, article 14, § 3, et article 19, alinéas 3 et 4, de la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions nationales de mutualités.
1° "la loi du 6 août 1990" : la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions nationales de mutualités;
2° "l'arrêté royal du 7 mars 1991" : l'arrêté royal du 7 mars 1991 portant exécution de l'article 2, §§ 2 et 3, article 14, § 3, et article 19, alinéas 3 et 4, de la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions nationales de mutualités.
HOOFDSTUK II. - Leden van een maatschappij van onderlinge bijstand
CHAPITRE II. - Des membres de la société mutualiste
Art. 2. [1 Onder "lid van een maatschappij van onderlinge bijstand bedoeld in artikel 43bis, § 5, of in artikel 70, § 7, van de wet van 6 augustus 1990", moet verstaan worden de persoon die lid is, in de zin van artikel 2, 1° of 2°, van het voornoemde koninklijk besluit van 7 maart 1991, van een ziekenfonds dat aangesloten is bij deze maatschappij van onderlinge bijstand en die, met inachtneming van de van de toepassing zijnde wettelijke, reglementaire en statutaire bepalingen, aangesloten is bij een of meerdere diensten van deze maatschappij van onderlinge bijstand.
Een lid, in de zin van artikel 2, 3°, van het voornoemde koninklijk besluit van 7 maart 1991, van een ziekenfonds dat aangesloten is bij deze maatschappij van onderlinge bijstand kan slechts lid worden of opnieuw worden van een maatschappij van onderlinge bijstand bedoeld in artikel 43bis, § 5, of in artikel 70, § 7, van de wet van 6 augustus 1990 bedoeld in het vorige lid indien het in regel is met de bijdragen sinds de aanvang van de periode bedoeld in artikel 2quater, derde lid, van het voornoemde koninklijk besluit van 7 maart 1991 voor de diensten die erin bedoeld worden.
Bij vertraging van 6 maanden in de betaling van deze bijdragen sinds de aanvang van de periode bedoeld in artikel 2quater, derde lid, van het voornoemd koninklijk besluit van 7 maart 1991 voor de diensten die erin bedoeld worden, verliest deze persoon haar hoedanigheid van lid van de maatschappij van onderlinge bijstand.
Deze periode van 6 maanden wordt opgeschort :
1° gedurende de periode tijdens dewelke het lid, van wie de mogelijkheid om een voordeel van deze diensten te genieten, is opgeheven en dat begonnen is met de betaling van de bijdragen voor een daaropvolgende periode, door de wet verhinderd is te betalen omdat hij zich in een toestand van collectieve schuldregeling of van faillissement bevindt;
2° gedurende de periode tijdens dewelke het lid, van wie de mogelijkheid om een voordeel van deze diensten te genieten, is opgeheven en dat begonnen is met de betaling van de bijdragen voor een daaropvolgende periode, de hoedanigheid van gerechtigde in voornoemde zin heeft verloren en persoon ten laste is van een gerechtigde die niet in regel is met de betaling van de bijdragen voor de diensten bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), van de wet van 6 augustus 1990.]1
Een lid, in de zin van artikel 2, 3°, van het voornoemde koninklijk besluit van 7 maart 1991, van een ziekenfonds dat aangesloten is bij deze maatschappij van onderlinge bijstand kan slechts lid worden of opnieuw worden van een maatschappij van onderlinge bijstand bedoeld in artikel 43bis, § 5, of in artikel 70, § 7, van de wet van 6 augustus 1990 bedoeld in het vorige lid indien het in regel is met de bijdragen sinds de aanvang van de periode bedoeld in artikel 2quater, derde lid, van het voornoemde koninklijk besluit van 7 maart 1991 voor de diensten die erin bedoeld worden.
Bij vertraging van 6 maanden in de betaling van deze bijdragen sinds de aanvang van de periode bedoeld in artikel 2quater, derde lid, van het voornoemd koninklijk besluit van 7 maart 1991 voor de diensten die erin bedoeld worden, verliest deze persoon haar hoedanigheid van lid van de maatschappij van onderlinge bijstand.
Deze periode van 6 maanden wordt opgeschort :
1° gedurende de periode tijdens dewelke het lid, van wie de mogelijkheid om een voordeel van deze diensten te genieten, is opgeheven en dat begonnen is met de betaling van de bijdragen voor een daaropvolgende periode, door de wet verhinderd is te betalen omdat hij zich in een toestand van collectieve schuldregeling of van faillissement bevindt;
2° gedurende de periode tijdens dewelke het lid, van wie de mogelijkheid om een voordeel van deze diensten te genieten, is opgeheven en dat begonnen is met de betaling van de bijdragen voor een daaropvolgende periode, de hoedanigheid van gerechtigde in voornoemde zin heeft verloren en persoon ten laste is van een gerechtigde die niet in regel is met de betaling van de bijdragen voor de diensten bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), van de wet van 6 augustus 1990.]1
Art. 2. [1 Par "membre d'une société mutualiste visée à l'article 43bis, § 5, ou à l'article 70, § 7, de la loi du 6 août 1990", il faut entendre la personne qui est membre, au sens de l'article 2, 1° ou 2°, de l'arrêté royal précité du 7 mars 1991, d'une mutualité affiliée à ladite société mutualiste et qui, dans le respect des dispositions légales, réglementaires et statutaires applicables, est affiliée à un ou plusieurs services de ladite société mutualiste.
Un membre, au sens de l'article 2, 3°, de l'arrêté royal précité du 7 mars 1991, d'une mutualité affiliée à ladite société mutualiste ne peut devenir ou redevenir un membre d'une société mutualiste visée à l'article 43bis, § 5, ou à l'article 70, § 7, de la loi du 6 août 1990, visé à l'alinéa précédent que s'il est en ordre de cotisations depuis que la période visée à l'article 2quater, alinéa 3, de l'arrêté royal précité du 7 mars 1991 a été entamée pour les services qui y sont visés.
En cas de retard de 6 mois dans le paiement de ces cotisations depuis que la période visée à l'article 2quater, alinéa 3, de l'arrêté royal précité du 7 mars 1991 a été entamée pour les services qui y sont visés, cette personne perd sa qualité de membre de la société mutualiste.
Cette période de 6 mois est suspendue :
1° pendant la période durant laquelle le membre, dont la possibilité de bénéficier d'un avantage de ces services est supprimée et qui a entamé le paiement des cotisations pour une période subséquente, est légalement empêché de payer en raison d'un règlement collectif de dettes ou d'une faillite ;
2° pendant la période durant laquelle le membre, dont la possibilité de bénéficier d'un avantage de ces services est supprimée et qui a entamé le paiement des cotisations pour une période subséquente, a perdu la qualité de titulaire au sens susvisé et a la qualité de personne à charge d'un titulaire qui n'est pas en ordre de paiement des cotisations pour les services visés à l'article 3, alinéa 1er, b) et c), de la loi du 6 août 1990.]1
Un membre, au sens de l'article 2, 3°, de l'arrêté royal précité du 7 mars 1991, d'une mutualité affiliée à ladite société mutualiste ne peut devenir ou redevenir un membre d'une société mutualiste visée à l'article 43bis, § 5, ou à l'article 70, § 7, de la loi du 6 août 1990, visé à l'alinéa précédent que s'il est en ordre de cotisations depuis que la période visée à l'article 2quater, alinéa 3, de l'arrêté royal précité du 7 mars 1991 a été entamée pour les services qui y sont visés.
En cas de retard de 6 mois dans le paiement de ces cotisations depuis que la période visée à l'article 2quater, alinéa 3, de l'arrêté royal précité du 7 mars 1991 a été entamée pour les services qui y sont visés, cette personne perd sa qualité de membre de la société mutualiste.
Cette période de 6 mois est suspendue :
1° pendant la période durant laquelle le membre, dont la possibilité de bénéficier d'un avantage de ces services est supprimée et qui a entamé le paiement des cotisations pour une période subséquente, est légalement empêché de payer en raison d'un règlement collectif de dettes ou d'une faillite ;
2° pendant la période durant laquelle le membre, dont la possibilité de bénéficier d'un avantage de ces services est supprimée et qui a entamé le paiement des cotisations pour une période subséquente, a perdu la qualité de titulaire au sens susvisé et a la qualité de personne à charge d'un titulaire qui n'est pas en ordre de paiement des cotisations pour les services visés à l'article 3, alinéa 1er, b) et c), de la loi du 6 août 1990.]1
Änderungen
HOOFDSTUK III. - Organen van de maatschappij van onderlinge bijstand
CHAPITRE III. - Des organes de la société mutualiste
Afdeling 1. - Algemene vergadering
Section 1re. - De l'assemblée générale
Art. 4. De algemene vergadering van een bovenvermelde maatschappij van onderlinge bijstand is samengesteld uit ten minste twintig afgevaardigden van de aangesloten ziekenfondsen.
Elk aangesloten ziekenfonds is er vertegenwoordigd in verhouding tot het aantal leden in de zin van artikel 2 van het koninklijk besluit van 7 maart 1991, die eveneens lid zijn van de maatschappij van onderlinge bijstand, met ten minste drie afgevaardigden en ten hoogste dertig afgevaardigden.
Elk aangesloten ziekenfonds is er vertegenwoordigd in verhouding tot het aantal leden in de zin van artikel 2 van het koninklijk besluit van 7 maart 1991, die eveneens lid zijn van de maatschappij van onderlinge bijstand, met ten minste drie afgevaardigden en ten hoogste dertig afgevaardigden.
Art. 4. L'assemblée générale d'une société mutualiste susvisée est composée d'au moins vingt délégués des mutualités affiliées.
Chaque mutualité affiliée y est représentée proportionnellement au nombre de membres, au sens de l'article 2 de l'arrêté royal du 7 mars 1991, qui sont également membres de la société mutualiste, le nombre de délégués étant de trois au moins et de trente au plus.
Chaque mutualité affiliée y est représentée proportionnellement au nombre de membres, au sens de l'article 2 de l'arrêté royal du 7 mars 1991, qui sont également membres de la société mutualiste, le nombre de délégués étant de trois au moins et de trente au plus.
Art. 5. Om verkozen te kunnen worden als afgevaardigde in de algemene vergadering van een dergelijke maatschappij van onderlinge bijstand, moet men aan de volgende voorwaarden voldoen :
1° lid zijn van de maatschappij van onderlinge bijstand;
2° meerderjarig of ontvoogd zijn en van goed zedelijk gedrag zijn;
3° in regel zijn met de bijdragen bij de maatschappij van onderlinge bijstand;
4° geen lid zijn van het personeel van de maatschappij van onderlinge bijstand of van een aangesloten ziekenfonds.
1° lid zijn van de maatschappij van onderlinge bijstand;
2° meerderjarig of ontvoogd zijn en van goed zedelijk gedrag zijn;
3° in regel zijn met de bijdragen bij de maatschappij van onderlinge bijstand;
4° geen lid zijn van het personeel van de maatschappij van onderlinge bijstand of van een aangesloten ziekenfonds.
Art. 5. Pour pouvoir être élu en qualité de délégué à l'assemblée générale d'une telle société mutualiste, il faut répondre aux conditions suivantes :
1° être membre de la société mutualiste;
2° être majeur ou émancipé, de bonnes conduite, vie et moeurs;
3° être en règle de cotisations auprès de la société mutualiste;
4° ne pas être membre du personnel de la société mutualiste ou d'une mutualité affiliée.
1° être membre de la société mutualiste;
2° être majeur ou émancipé, de bonnes conduite, vie et moeurs;
3° être en règle de cotisations auprès de la société mutualiste;
4° ne pas être membre du personnel de la société mutualiste ou d'une mutualité affiliée.
Art. 6. De afgevaardigden van de ziekenfondsen die de algemene vergadering van een bovenvermelde maatschappij van onderlinge bijstand samenstellen, worden voorgedragen door de raad van bestuur van het aangesloten ziekenfonds waarvan zij afgevaardigd zijn en worden gekozen door de algemene vergadering van dat ziekenfonds.
Art. 6. Les délégués des mutualités qui composent l'assemblée générale d'une société mutualiste susvisée sont proposés par le conseil d'administration de la mutualité affiliée dont ils sont délégués et sont élus par l'assemblée générale de cette mutualité.
Art. 7. De vertegenwoordigers van de leden en van de personen ten laste in de algemene vergadering van de aangesloten ziekenfondsen die verkozen willen worden tot afgevaardigde voor de algemene vergadering van dergelijke maatschappij van onderlinge bijstand moeten zich per aangetekende brief gericht aan de voorzitter van hun ziekenfonds kandidaat stellen, ten laatste vijftien dagen vóór de datum van de algemene vergadering van het ziekenfonds dat de stemming zal uitvoeren, de poststempel dient hierbij als bewijs.
Art. 7. Les représentants des membres et des personnes à charge à l'assemblée générale des mutualités affiliées qui souhaitent être élus délégués à l'assemblée générale de ladite société mutualiste doivent poser leur candidature par lettre recommandée au président de leur mutualité, au plus tard quinze jours avant la date de l'assemblée générale de la mutualité qui procédera à l'élection, le cachet de la poste faisant foi.
Art. 8. § 1. De afgevaardigden worden verkozen door de algemene vergadering van het betrokken ziekenfonds op basis van de lijst van de kandidaturen die geldig ingediend zijn.
§ 2. Plaatsvervangende afgevaardigden kunnen onder dezelfde voorwaarden als effectieve afgevaardigden worden verkozen.
De statuten van de maatschappij van onderlinge bijstand bepalen in voorkomend geval de verkiezingsmodaliteiten van de plaatsvervangende afgevaardigden, alsook de voorwaarden waarin zij effectieve afgevaardigden kunnen vervangen.
§ 2. Plaatsvervangende afgevaardigden kunnen onder dezelfde voorwaarden als effectieve afgevaardigden worden verkozen.
De statuten van de maatschappij van onderlinge bijstand bepalen in voorkomend geval de verkiezingsmodaliteiten van de plaatsvervangende afgevaardigden, alsook de voorwaarden waarin zij effectieve afgevaardigden kunnen vervangen.
Art. 8. § 1er. Les délégués sont élus par l'assemblée générale de la mutualité concernée sur la base de la liste des candidatures qui ont été introduites valablement.
§ 2. Des délégués suppléants peuvent être élus dans les mêmes conditions que les délégués effectifs.
Les statuts de la société mutualiste déterminent, le cas échéant, les modalités d'élection des délégués suppléants, ainsi que les conditions dans lesquelles ils peuvent remplacer des délégués effectifs.
§ 2. Des délégués suppléants peuvent être élus dans les mêmes conditions que les délégués effectifs.
Les statuts de la société mutualiste déterminent, le cas échéant, les modalités d'élection des délégués suppléants, ainsi que les conditions dans lesquelles ils peuvent remplacer des délégués effectifs.
Art. 9. De stemming is geheim. De kandidaten worden verkozen in volgorde van het aantal bekomen stemmen. Bij gelijkheid van stemmen tussen meerdere kandidaten voor het laatste mandaat, wordt het mandaat toegekend aan de oudste kandidaat, behoudens indien de statuten er anders over beslissen.
Art. 9. Le vote est secret. Les candidats sont élus dans l'ordre du nombre de voix obtenues. En cas d'égalité de voix entre plusieurs candidats pour le dernier mandat à pourvoir, le mandat est attribué au candidat le plus âgé, sauf si les statuts en décident autrement.
Art. 10. De algemene vergadering van een bovenvermelde maatschappij van onderlinge bijstand kan ten hoogste tien raadgevers aanduiden. Zij hebben raadgevende stem.
De directieleden van de maatschappij van onderlinge bijstand kunnen de algemene vergadering met raadgevende stem bijwonen.
De directieleden van de maatschappij van onderlinge bijstand kunnen de algemene vergadering met raadgevende stem bijwonen.
Art. 10. L'assemblée générale d'une société mutualiste susvisée peut désigner au maximum dix conseillers. Ils ont voix consultative.
Les membres de la direction de la société mutualiste peuvent assister avec voix consultative à l'assemblée générale.
Les membres de la direction de la société mutualiste peuvent assister avec voix consultative à l'assemblée générale.
Afdeling 2. - De raad van bestuur
Section 2. - Du conseil d'administration
Art. 11. De raad van bestuur van de bovenvermelde maatschappij van onderlinge bijstand is samengesteld uit ten minste tien bestuurders en ten hoogste een aantal bestuurders dat de helft van het aantal leden van de algemene vergadering van deze maatschappij van onderlinge bijstand niet mag overtreffen.
Minstens één lid van de raad van bestuur moet, behoudens in de hypothese van artikel 14ter, derde lid, van de wet van 9 juli 1975 op de controle der verzekeringsondernemingen, een onafhankelijk bestuurder zijn in de zin van artikel 526ter van het Wetboek van Vennootschappen die bovendien beschikt over de nodige deskundigheid op het gebied van boekhouding en/of audit.
Bovendien kan een maatschappij van onderlinge bijstand vrijwillig in haar statuten voorzien dat één of twee leden van de raad van bestuur onafhankelijke bestuurders in de zin van artikel 526ter van het Wetboek van Vennootschappen dienen uit te maken. In dat geval bepaalt de maatschappij van onderlinge bijstand de criteria waaraan deze bestuurders dienen te beantwoorden en neemt zij deze criteria in haar statuten op.
Ieder aangesloten ziekenfonds is in de raad van bestuur van de maatschappij van onderlinge bijstand vertegenwoordigd in verhouding tot het aantal van zijn leden, in de zin van het artikel 2 van het koninklijk besluit van 7 maart 1991, die ook lid zijn van deze maatschappij van onderlinge bijstand.
Voor de toepassing van het vorige lid, wordt geen rekening gehouden met de onafhankelijke bestuurders die bedoeld zijn in het tweede en derde lid.
Minstens één lid van de raad van bestuur moet, behoudens in de hypothese van artikel 14ter, derde lid, van de wet van 9 juli 1975 op de controle der verzekeringsondernemingen, een onafhankelijk bestuurder zijn in de zin van artikel 526ter van het Wetboek van Vennootschappen die bovendien beschikt over de nodige deskundigheid op het gebied van boekhouding en/of audit.
Bovendien kan een maatschappij van onderlinge bijstand vrijwillig in haar statuten voorzien dat één of twee leden van de raad van bestuur onafhankelijke bestuurders in de zin van artikel 526ter van het Wetboek van Vennootschappen dienen uit te maken. In dat geval bepaalt de maatschappij van onderlinge bijstand de criteria waaraan deze bestuurders dienen te beantwoorden en neemt zij deze criteria in haar statuten op.
Ieder aangesloten ziekenfonds is in de raad van bestuur van de maatschappij van onderlinge bijstand vertegenwoordigd in verhouding tot het aantal van zijn leden, in de zin van het artikel 2 van het koninklijk besluit van 7 maart 1991, die ook lid zijn van deze maatschappij van onderlinge bijstand.
Voor de toepassing van het vorige lid, wordt geen rekening gehouden met de onafhankelijke bestuurders die bedoeld zijn in het tweede en derde lid.
Art. 11. Le conseil d'administration d'une société mutualiste susvisée est composé d'au moins dix administrateurs et au plus d'un nombre d'administrateurs qui ne peut être supérieur à la moitié du nombre de représentants à l'assemblée générale de ladite société mutualiste.
Au moins un membre du conseil d'administration doit, sauf dans l'hypothèse visée par l'article 14ter, alinéa 3, de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d'assurances, être un administrateur indépendant au sens de l'article 526ter du Code des sociétés ayant de plus l'expertise nécessaire en matière de comptabilité et/ou d'audit.
En outre, une société mutualiste peut prévoir volontairement dans ses statuts qu'un ou deux membres du conseil d'administration doivent être des administrateurs indépendants au sens de l'article 526ter du Code des sociétés. Dans ce cas, la société mutualiste détermine les critères auxquels ces administrateurs doivent répondre et reprend ces critères dans ses statuts.
Chaque mutualité affiliée est représentée au conseil d'administration de la société mutualiste proportionnellement au nombre de ses membres au sens de l'article 2 de l'arrête royal du 7 mars 1991, qui sont également membres de ladite société mutualiste.
Pour l'application de l'alinéa précédent il n'est pas tenu compte des administrateurs indépendants visés aux alinéas 2 et 3.
Au moins un membre du conseil d'administration doit, sauf dans l'hypothèse visée par l'article 14ter, alinéa 3, de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d'assurances, être un administrateur indépendant au sens de l'article 526ter du Code des sociétés ayant de plus l'expertise nécessaire en matière de comptabilité et/ou d'audit.
En outre, une société mutualiste peut prévoir volontairement dans ses statuts qu'un ou deux membres du conseil d'administration doivent être des administrateurs indépendants au sens de l'article 526ter du Code des sociétés. Dans ce cas, la société mutualiste détermine les critères auxquels ces administrateurs doivent répondre et reprend ces critères dans ses statuts.
Chaque mutualité affiliée est représentée au conseil d'administration de la société mutualiste proportionnellement au nombre de ses membres au sens de l'article 2 de l'arrête royal du 7 mars 1991, qui sont également membres de ladite société mutualiste.
Pour l'application de l'alinéa précédent il n'est pas tenu compte des administrateurs indépendants visés aux alinéas 2 et 3.
Art. 12. § 1. De raad van bestuur wordt verkozen door de algemene vergadering van deze maatschappij van onderlinge bijstand onder de bij artikel 18 van de wet van 6 augustus 1990 voorziene voorwaarden, zoals van toepassing verklaard op deze maatschappijen van onderlinge bijstand door artikel 70, § 9, van de wet van 6 augustus 1990.
In de hypotheses bedoeld in artikel 11, tweede en derde lid, wordt overgegaan tot verkiezing van de onafhankelijke bestuurders op grond van een lijst van al de kandidaten die aan de voorwaarden voldoen om in deze hoedanigheid verkozen te worden, vooraleer over te gaan tot de verkiezing van de andere bestuurders.
§ 2. De statuten van de maatschappij van onderlinge bijstand verduidelijken de praktische modaliteiten volgens dewelke de oproep tot de kandidaten, het neerleggen van en het onderzoek naar de ontvankelijkheid van de kandidaturen, alsook de wijze van stemming betreffende de verkiezing van de leden van de raad van bestuur geschieden.
§ 3. Onverminderd het recht van de leden van de algemene vergadering van de maatschappij van onderlinge bijstand om zich kandidaat te stellen voor een mandaat van bestuurder, kan de raad van bestuur van een ziekenfonds of van een landsbond aan de algemene vergadering van de maatschappij van onderlinge bijstand een eigen lijst van kandidaten voorleggen.
§ 4. Plaatsvervangende bestuurders kunnen onder dezelfde voorwaarden als effectieve bestuurders worden verkozen.
De statuten van de maatschappij van onderlinge bijstand bepalen in voorkomend geval de verkiezingsmodaliteiten van de plaatsvervangende bestuurders, alsook de voorwaarden waaronder zij effectieve bestuurders kunnen vervangen.
In de hypotheses bedoeld in artikel 11, tweede en derde lid, wordt overgegaan tot verkiezing van de onafhankelijke bestuurders op grond van een lijst van al de kandidaten die aan de voorwaarden voldoen om in deze hoedanigheid verkozen te worden, vooraleer over te gaan tot de verkiezing van de andere bestuurders.
§ 2. De statuten van de maatschappij van onderlinge bijstand verduidelijken de praktische modaliteiten volgens dewelke de oproep tot de kandidaten, het neerleggen van en het onderzoek naar de ontvankelijkheid van de kandidaturen, alsook de wijze van stemming betreffende de verkiezing van de leden van de raad van bestuur geschieden.
§ 3. Onverminderd het recht van de leden van de algemene vergadering van de maatschappij van onderlinge bijstand om zich kandidaat te stellen voor een mandaat van bestuurder, kan de raad van bestuur van een ziekenfonds of van een landsbond aan de algemene vergadering van de maatschappij van onderlinge bijstand een eigen lijst van kandidaten voorleggen.
§ 4. Plaatsvervangende bestuurders kunnen onder dezelfde voorwaarden als effectieve bestuurders worden verkozen.
De statuten van de maatschappij van onderlinge bijstand bepalen in voorkomend geval de verkiezingsmodaliteiten van de plaatsvervangende bestuurders, alsook de voorwaarden waaronder zij effectieve bestuurders kunnen vervangen.
Art. 12. § 1er. Le conseil d'administration est élu par l'assemblée générale de ladite société mutualiste, dans les conditions prévues par l'article 18 de la loi précitée du 6 août 1990, tel que rendu applicable auxdites sociétés mutualistes par l'article 70, § 9, de la loi du 6 août 1990.
Dans les hypothèses visées à l'article 11, alinéas 2 et 3, il est procédé d'abord à l'élection des administrateurs indépendants sur la base d'une liste de tous les candidats qui répondent aux conditions pour être élus en cette qualité, avant d'élire les autres administrateurs.
§ 2. Les statuts de la société mutualiste précisent les modalités pratiques selon lesquelles s'effectuent l'appel aux candidats, le dépôt et l'examen de la recevabilité des candidatures, ainsi que le mode de scrutin relatif à l'élection des membres du conseil d'administration.
§ 3. Sans préjudice au droit des membres de l'assemblée générale de la société mutualiste de se porter candidat à un mandat d'administrateur, le conseil d'administration de la société mutualiste peut présenter à l'assemblée générale de la société mutualiste sa propre liste de candidats.
§ 4. Des administrateurs suppléants peuvent être élus dans les mêmes conditions que les administrateurs effectifs.
Les statuts de la société mutualiste déterminent, le cas échéant, les modalités d'élection des administrateurs suppléants, ainsi que les conditions dans lesquelles ils peuvent remplacer des administrateurs effectifs.
Dans les hypothèses visées à l'article 11, alinéas 2 et 3, il est procédé d'abord à l'élection des administrateurs indépendants sur la base d'une liste de tous les candidats qui répondent aux conditions pour être élus en cette qualité, avant d'élire les autres administrateurs.
§ 2. Les statuts de la société mutualiste précisent les modalités pratiques selon lesquelles s'effectuent l'appel aux candidats, le dépôt et l'examen de la recevabilité des candidatures, ainsi que le mode de scrutin relatif à l'élection des membres du conseil d'administration.
§ 3. Sans préjudice au droit des membres de l'assemblée générale de la société mutualiste de se porter candidat à un mandat d'administrateur, le conseil d'administration de la société mutualiste peut présenter à l'assemblée générale de la société mutualiste sa propre liste de candidats.
§ 4. Des administrateurs suppléants peuvent être élus dans les mêmes conditions que les administrateurs effectifs.
Les statuts de la société mutualiste déterminent, le cas échéant, les modalités d'élection des administrateurs suppléants, ainsi que les conditions dans lesquelles ils peuvent remplacer des administrateurs effectifs.
Art. 13. De raad van bestuur van de maatschappij van onderlinge bijstand kan ten hoogste vijf raadgevers aanduiden. Zij hebben raadgevende stem.
De directieleden van de maatschappij van onderlinge bijstand kunnen de vergaderingen van de raad van bestuur met raadgevende stem bijwonen.
De directieleden van de maatschappij van onderlinge bijstand kunnen de vergaderingen van de raad van bestuur met raadgevende stem bijwonen.
Art. 13. Le conseil d'administration de la société mutualiste peut désigner au maximum cinq conseillers. Ils ont voix consultative.
Les membres de la direction de la société mutualiste peuvent assister avec voix consultative aux réunions du conseil d'administration.
Les membres de la direction de la société mutualiste peuvent assister avec voix consultative aux réunions du conseil d'administration.
Art. 14. De statuten van bovenvermelde maatschappijen van onderlinge bijstand bepalen het maximum aantal mandaten dat toegekend kan worden aan personen van hetzelfde geslacht. De totaliteit van de mandaten kan evenwel niet toegekend worden aan personen van eenzelfde geslacht.
Art. 14. Les statuts des sociétés mutualistes susvisées fixent le nombre maximal de mandats qui peuvent être attribués aux personnes du même sexe. La totalité des mandats ne peut toutefois être octroyée à des personnes d'un même sexe.
HOOFDSTUK IV. - Slotbepalingen
CHAPITRE IV. - Des dispositions finales
Art. 15. Om de Controledienst de mogelijkheid te bieden de hem bij artikel 52, eerste lid, 2°, van de wet van 6 augustus 1990 toegewezen opdracht te vervullen, zenden de bovenvermelde maatschappijen van onderlinge bijstand en, in voorkomend geval, de aangesloten ziekenfondsen, hem tegelijk de publicaties, berichten, brieven en omzendbrieven toe die zij aan hun leden toesturen.
Art. 15. Pour permettre à l'Office de contrôle d'effectuer la mission qui lui est confiée par l'article 52, alinéa 1er, 2°, de la loi du 6 août 1990, les sociétés mutualistes susvisées et le cas échéant, les mutualités affiliées lui adressent, en même temps qu'à leurs membres, les publications, avis, lettres et circulaires qu'elles leur adressent.
Art. 16. Overeenkomstig artikel 52, eerste lid, 10°, van de wet van 6 augustus 1990, kan iedere klacht in verband met de toepassing van dit besluit worden voorgelegd aan de Controledienst.
De klachten moeten, bij aangetekend schrijven, gericht worden aan de Controledienst binnen de tien werkdagen volgend op de datum van, naargelang het geval, de betwiste beslissing, het betwiste verloop van de verkiezingen of de bekendmaking van het betwiste resultaat van de verkiezingen.
De Controledienst beschikt over dertig kalenderdagen om zijn beslissing aan de betrokken partijen ter kennis te brengen.
Hij behoudt zich het recht voor deze partijen op te roepen om ze te horen in hun verdedigingsmiddelen.
De klachten moeten, bij aangetekend schrijven, gericht worden aan de Controledienst binnen de tien werkdagen volgend op de datum van, naargelang het geval, de betwiste beslissing, het betwiste verloop van de verkiezingen of de bekendmaking van het betwiste resultaat van de verkiezingen.
De Controledienst beschikt over dertig kalenderdagen om zijn beslissing aan de betrokken partijen ter kennis te brengen.
Hij behoudt zich het recht voor deze partijen op te roepen om ze te horen in hun verdedigingsmiddelen.
Art. 16. Conformément à l'article 52, alinéa 1er, 10°, de la loi du 6 août 1990, toute plainte relative à l'application du présent arrêté peut être soumise à l'Office de contrôle.
Les plaintes doivent être adressées, par lettre recommandée, à l'Office de contrôle dans les dix jours ouvrables suivant, selon le cas, la décision litigieuse, le déroulement contesté des élections ou la proclamation du résultat contesté des élections.
L'Office de contrôle dispose de trente jours civils pour notifier sa décision aux parties concernées.
Il se réserve le droit de convoquer les parties pour les entendre dans leurs moyens de défense.
Les plaintes doivent être adressées, par lettre recommandée, à l'Office de contrôle dans les dix jours ouvrables suivant, selon le cas, la décision litigieuse, le déroulement contesté des élections ou la proclamation du résultat contesté des élections.
L'Office de contrôle dispose de trente jours civils pour notifier sa décision aux parties concernées.
Il se réserve le droit de convoquer les parties pour les entendre dans leurs moyens de défense.
Art. 17. Dit besluit treedt in werking de dag van zijn bekendmaking in het Belgisch Staatsblad en dit, onverminderd artikel 75, tweede, derde, en vierde lid, van de wet van 26 april 2010 houdende diverse bepalingen inzake de organisatie van de aanvullende ziekteverzekering (I) wat de maatschappijen van onderlinge bijstand bedoeld in artikel 70, § 7, van de wet van 6 augustus 1990 betreft.
De samenstelling van de algemene vergaderingen en de raden van bestuur van de maatschappijen van onderlinge bijstand bedoeld in artikel 70, § 7, van de wet van 6 augustus 1990 moet evenwel slechts hernieuwd worden volgens de modaliteiten voorzien in dit besluit, bij de volgende hernieuwing in 2016 van de organen van de landsbonden en van de maatschappijen van onderlinge bijstand bedoeld in artikel 43bis, § 1, van de wet van 6 augustus 1990.
De samenstelling van de algemene vergaderingen en de raden van bestuur van de maatschappijen van onderlinge bijstand bedoeld in artikel 70, § 7, van de wet van 6 augustus 1990 moet evenwel slechts hernieuwd worden volgens de modaliteiten voorzien in dit besluit, bij de volgende hernieuwing in 2016 van de organen van de landsbonden en van de maatschappijen van onderlinge bijstand bedoeld in artikel 43bis, § 1, van de wet van 6 augustus 1990.
Art. 17. Le présent arrêté entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge et ce, sans préjudice, en ce qui concerne les sociétés mutualistes visées à l'article 70, § 7, de la loi du 6 août 1990, de l'article 75, alinéas 2, 3 et 4, de la loi du 26 avril 2010 portant des dispositions diverses en matière de l'organisation de l'assurance maladie complémentaire (I).
Toutefois, la composition des assemblées générales et les conseils d'administration des sociétés mutualistes visées à l'article 70, § 7, de la loi du 6 août 1990 ne doit être renouvelée, selon les modalités prévues par le présent arrêté, que lors du prochain renouvellement, en 2016, des organes des unions nationales et des sociétés mutualistes visées à l'article 43bis, § 1er, de la loi du 6 août 1990.
Toutefois, la composition des assemblées générales et les conseils d'administration des sociétés mutualistes visées à l'article 70, § 7, de la loi du 6 août 1990 ne doit être renouvelée, selon les modalités prévues par le présent arrêté, que lors du prochain renouvellement, en 2016, des organes des unions nationales et des sociétés mutualistes visées à l'article 43bis, § 1er, de la loi du 6 août 1990.
Art. 18. De Minister bevoegd voor Sociale Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 18. Le Ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.