Zum Hauptinhalt

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
13 NOVEMBER 2009. - Koninklijk besluit inzake vaarbevoegdheidsbewijzen voor de zeevisserijvaart(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 18-12-2009 en tekstbijwerking tot 20-12-2024)
Titre
13 NOVEMBRE 2009. - Arrêté royal concernant des brevets pour la navigation de pêche maritime(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 18-12-2009 et mise à jour au 20-12-2024)
Dokumentinformationen
Numac: 2009014303
Datum: 2009-11-13
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2009014303
Date: 2009-11-13
Moniteur: Voir
Tekst (41)
Texte (41)
HOOFDSTUK I. - Verkrijgen van vaarbevoegdheidsbewijzen
CHAPITRE Ier. - Obtention des brevets
Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
  1° vissersvaartuig : een vaartuig dat wordt gebruikt voor het vangen van vis of andere levende rijkdommen van de zee;
  2° BIPT : het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie;
  3° passend vaarbevoegdheidsbewijs : een vaarbevoegdheidsbewijs afgegeven en voorzien van een officiële verklaring, in overeenstemming met de bepalingen van dit besluit, dat de rechtmatige houder ervan het recht geeft dienst te doen in de daarin beschreven hoedanigheid, en de daarbij behorende functies te vervullen op het daarin omschreven verantwoordelijkheidsniveau op een vissersvaartuig van het desbetreffende type, tonnage, vermogen en wijze van voortstuwing, tijdens de desbetreffende zeereis;
  4° bewijs van beroepsbekwaamheid : een geldig document in de zin van artikel 4;
  5° maatschappij : de reder van het vissersvaartuig of elke andere organisatie of persoon, zoals de beheerder of degene die het vissersvaartuig leeg chartert, die de verantwoordelijkheid voor de bedrijfsvoering aan boord van de eigenaar van het vissersvaartuig heeft overgenomen en die bij het op zich nemen van deze verantwoordelijkheid, ermee heeft ingestemd alle verplichtingen en verantwoordelijkheden over te nemen die door deze voorschriften aan de maatschappij worden opgelegd;
  6° Minister : de Minister tot wiens bevoegdheid de Maritieme Mobiliteit behoort;
  7° Directoraat : het Directoraat-generaal Maritiem Vervoer bij de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer;
  8° diensttijd : een dienst gedaan aan boord van een vissersvaartuig voor zover van belang voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs of een andere kwalificatie;
  9° goedgekeurd : goedgekeurd overeenkomstig de bepalingen van dit besluit door de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn;
  10° schipper : degene die het bevel voert over een vissersvaartuig;
  11° radio-operator : personeel belast met de radioverbinding als bedoeld in voorschrift 15, hoofdstuk IX, bijlage I, bij het koninklijk besluit van 23 oktober 2001 betreffende de invoering van een geharmoniseerde veiligheidsregeling voor vissersvaartuigen en tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement;
  12° beperkt vaargebied : een zeegebied begrensd door een lijn van 315° vanaf de Spaans-Franse grens tot de 200 vadem lijn van het continentaal plateau, verder door de 200 vadem lijn tot de parallel 61°31'N en door de parallel 61°31'N vanaf de 200 vadem lijn tot de Noorse kust;
  13° onbeperkt vaargebied : alle zeewateren;
  14° voortstuwingsvermogen : het maximale vermogen uitgedrukt in kilowatt, dat door de voortstuwingsmachine(s) van het vissersvaartuig zonder overbelasting gedurende onbeperkte tijdsduur kan worden geleverd [1 ...]1;
  15° maand : een kalendermaand of dertig dagen samengesteld uit perioden van minder dan een maand;
  16° GMDSS : het Wereldomvattend Maritiem Satelliet-Communicatiesysteem als beschreven in hoofdstuk IV van de bijlage van het Internationaal Verdrag van 1974 voor de beveiliging van mensenlevens op zee (Solas-Verdrag van 1974);
  17° STCW-code : de code voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst, aangenomen in resolutie 2 van de STCW-conferentie van 1995 van de partijen bij het internationaal verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst.
  
Article 1er. Pour l'application du présent arrêté, l'on entend par :
  1° navire de pêche : un navire utilisé pour la capture de poissons ou d'autres ressources vivantes de la mer;
  2° IBPT : l'Institut belge des services postaux et des télécommunications;
  3° brevet approprié : un brevet délivré et visé conformément aux dispositions du présent arrêté, qui habilite son titulaire légitime à servir dans la capacité et à exécuter les fonctions prévues, au niveau de responsabilité spécifié sur ce brevet, à bord d'un navire de pêche ayant le type, la jauge, la puissance et le moyen de propulsion considérés, pendant le voyage particulier en cause;
  4° brevet : un document valide au sens de l'article 4;
  5° compagnie : le propriétaire du navire de pêche ou toute autre entité ou personne, telle que l'armateur gérant ou l'affréteur coque nue, à laquelle le propriétaire du navire de pêche a confié la responsabilité de l'exploitation du navire de pêche et qui, en assumant cette responsabilité, a convenu de s'acquitter de toutes les obligations et responsabilités imposées à la compagnie par les présentes règles;
  6° Ministre : le Ministre qui a la Mobilité Maritime dans ses attributions;
  7° Direction : la Direction générale Transport Maritime du Service public fédéral Mobilité et Transports;
  8° service en mer : un service effectué à bord d'un navire de pêche en rapport avec la délivrance d'un brevet ou d'une autre qualification;
  9° approuvé : approuvé conformément aux dispositions du présent arrêté par les agents chargés du contrôle de la navigation désignés à cet effet;
  10° patron : la personne ayant le commandement d'un navire de pêche;
  11° opérateur des radiocommunications : le personnel chargé des radiocommunications, visé à la règle 15, chapitre IX, annexe Ire de l'arrêté royal du 23 octobre 2001 instituant un régime harmonisé pour la sécurité des navires de pêche et modifiant l'arrêté royal du 20 juillet 1973 portant règlement sur l'inspection maritime;
  12° eaux limitées : une zone maritime limitée par une ligne de 315° à partir de la frontière franco-espagnole jusqu'à la ligne de 200 brasses du plateau continental, ensuite par la ligne de 200 brasses jusqu'au parallèle 61°31°N et par le parallèle 61°31°N à partir de la ligne de 200 brasses jusqu'à la côte norvégienne;
  13° eaux illimitées : toutes les eaux maritimes;
  14° puissance propulsive : la puissance maximale de sortie nominale, continue et totale de tout l'appareil propulsif du navire de pêche, exprimée en kilowatts [1 ...]1;
  15° mois : un mois civil ou trente jours constitués de périodes de moins d'un mois;
  16° SMDSM : le système mondial de détresse et de sécurité en mer tel qu'il figure dans le chapitre IV de l'annexe à la convention internationale de 1974 pour la sauvegarde de la vie humaine en mer (Convention SOLAS de 1974);
  17° code STCW : le code de formation des gens de mer, de délivrance des brevets et de veille adopté par la résolution 2 de la conférence de 1995 des parties à la convention internationale sur les normes de formation des gens de mer, de délivrance des brevets et de veille.
  
Art. 2. De bepalingen van dit besluit zijn van toepassing op de in dit besluit genoemde bemanningsleden die dienst doen op vissersvaartuigen die gerechtigd zijn de Belgische vlag te voeren.
Art. 2. Les dispositions du présent arrêté s'appliquent aux membres de l'équipage mentionnés dans le présent arrêté, servant à bord des navires de pêche qui sont autorisés à battre pavillon belge.
Art. 3. Om een vaarbevoegdheidsbewijs of een bewijs van beroepsbekwaamheid te verkrijgen, voldoen bemanningsleden die dienst doen op een vissersvaartuig zoals bedoeld in artikel 2, aan de voorschriften inzake opleiding opgenomen in bijlage I bij dit besluit en aan de bepalingen van dit besluit.
Art. 3. Afin d'obtenir un brevet, les membres de l'équipage servant à bord d'un navire de pêche visé à l'article 2, satisfont aux prescriptions concernant la formation telles qu'elles sont énoncées à l'annexe Ire du présent arrêté et aux dispositions du présent arrêté.
Art. 4. Een bewijs van beroepsbekwaamheid is elk geldig document, onder welke naam dit ook bekend mag zijn, dat is uitgegeven door of onder de verantwoordelijkheid van de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn of door het BIPT, in overeenstemming met artikel 5 en de in bijlage I vastgelegde vereisten.
Art. 4. Par brevet, on entend tout document valide, quelle que soit son appellation, délivré par ou avec l'autorisation des agents chargés du contrôle de la navigation désignés à cet effet ou délivré par l'IBPT, conformément à l'article 5 et aux exigences fixées à l'annexe Ire.
Art. 5. § 1. Vaarbevoegdheidsbewijzen worden afgegeven in overeenstemming met de bepalingen van artikel 8.
  § 2. De vaarbevoegdheidsbewijzen voor schippers, stuurmannen, motoristen [1 , roergangers of matrozen]1 worden door de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn, voorzien van een officiële verklaring volgens de voorschriften van dit artikel.
  § 3. Met betrekking tot de radio-operators wordt door het BIPT een afzonderlijk certificaat gegeven waarin is vermeld dat de houder de aanvullende kennis vereist volgens de desbetreffende voorschriften, bezit. De voorwaarden voor de toekenning van deze certificaten zijn geen voorwerp van dit besluit.
  § 4. [1 De officiële verklaringen worden opgenomen in het model van het vaarbevoegdheidsbewijs dat wordt bepaald door de met scheepvaartcontrole belaste ambtenaar die daartoe is aangesteld in overeenstemming met het Internationaal Verdrag van 1995 betreffende de normen inzake opleiding, diplomering en wachtdienst van personeel van vissersvaartuigen, opgemaakt te Londen op 7 juli 1995.]1
  § 5. Voor een vaarbevoegdheidsbewijs erkend krachtens de procedure van artikel 12, § 1, geven de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn een officiële verklaring af teneinde die erkenning te bevestigen.
  [1 Het model van de gebruikte officiële verklaring wordt bepaald door de met scheepvaartcontrole belaste ambtenaar die daartoe is aangesteld in overeenstemming met het Internationaal Verdrag van 1995 betreffende de normen inzake opleiding, diplomering en wachtdienst van personeel van vissersvaartuigen, opgemaakt te Londen op 7 juli 1995.]1
  § 6. De officiële verklaringen bedoeld in de paragrafen 4 en 5 :
  a) zijn alle voorzien van een eigen, uniek nummer, met dien verstande, dat aan officiële verklaringen die de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs bevestigen, hetzelfde nummer mag worden toegekend als aan het desbetreffende vaarbevoegdheidsbewijs, op voorwaarde dat dit nummer uniek is, en
  b) verliezen hun geldigheid zodra het desbetreffende vaarbevoegdheidsbewijs vervalt of wordt ingetrokken, tijdelijk ingetrokken of ongeldig wordt verklaard door een ander land dat dit heeft afgegeven en, in elk geval, uiterlijk vijf jaar na de datum van afgifte.
  § 7. De hoedanigheid waarin de houder van een vaarbevoegdheidsbewijs gerechtigd is te varen, wordt in de officiële verklaring vermeld in bewoordingen gelijk aan die welke worden gebruikt in de van toepassing zijnde eisen inzake het veilig bemannen van vissersvaartuigen zoals bepaald in artikel 94 van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement.
  § 8. Behoudens de bepalingen van artikel 12, § 2, is het origineel van elk op grond van dit besluit vereist vaarbevoegdheidsbewijs beschikbaar aan boord van het vissersvaartuig waarop de houder dienst doet.
  
Art. 5. § 1er. Les brevets sont délivrés conformément aux dispositions de l'article 8.
  § 2. Les brevets des patrons, des seconds, des motoristes [1 , des timoniers et des matelots]1 sont visés par les agents chargés du contrôle de la navigation désignés à cet effet selon les prescriptions du présent article.
  § 3. En ce qui concerne les opérateurs des radiocommunications, l'IBPT délivre un certificat distinct, indiquant que le titulaire possède les connaissances supplémentaires prescrites dans les règles pertinentes. Les conditions d'octroi de ces certificats ne font pas l'objet du présent arrêté.
  § 4. [1 Les visas sont incorporés dans le modèle des brevets délivrés, ainsi qu'il est déterminé par les agents chargés du contrôle de la navigation désignés à cet effet conformément la Convention internationale de 1995 sur les normes de formation du personnel des navires de pêche, de délivrance des brevets et de veille, faite à Londres le 7 juillet 1995.]1
  § 5. Les agents chargés du contrôle de la navigation désignés à cet effet visent les brevets reconnus en vertu de la procédure prévue à l'article 12, § 1er, pour en attester la reconnaissance.
  [1 Le modèle de visa utilisé est déterminé par les agents chargés du contrôle de la navigation désignés à cet effet conformément la Convention internationale de 1995 sur les normes de formation du personnel des navires de pêche, de délivrance des brevets et de veille, faite à Londres le 7 juillet 1995.]1
  § 6. Les visas visés aux paragraphes 4 et 5 :
  a) ont chacun un numéro unique propre, sauf que les visas attestant la délivrance d'un brevet peuvent avoir le même numéro que le brevet en question, sous réserve que ce numéro soit unique, et
  b) expirent dès que le brevet visé expire ou est retiré, suspendu ou annulé par un autre pays qui l'a délivré et, en tout état de cause, cinq ans au plus tard après la date de leur délivrance.
  § 7. La capacité dans laquelle le titulaire d'un brevet est autorisé à servir à bord, est spécifiée sur le modèle de visa en des termes identiques à ceux qui sont utilisés dans les prescriptions applicables concernant les effectifs de sécurité des navires de pêches telles que prévues à l'article 94 de l'arrêté royal du 20 juillet 1973 portant règlement sur l'inspection maritime.
  § 8. Sous réserve des dispositions de l'article 12, § 2, l'original de tout brevet prescrit par le présent arrêté se trouve à bord du navire de pêche sur lequel sert le titulaire.
  
Art. 6. De in artikel 3 bedoelde vereiste opleiding wordt verstrekt in een vorm die past bij de theoretische kennis en praktische vaardigheden die in de bijlage I worden voorgeschreven, in het bijzonder wat betreft het gebruik van reddings- en brandbestrijdingsmiddelen, en welke goedgekeurd is door de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn.
Art. 6. La formation exigée au titre de l'article 3 est dispensée sous une forme qui permet d'acquérir les connaissances théoriques et les aptitudes pratiques prévues par l'annexe Ire, en particulier en ce qui concerne l'utilisation d'équipements de sauvetage et de lutte contre l'incendie, et qui a été approuvée par les agents chargés du contrôle de la navigation désignés à cet effet.
Art. 7. § 1. Alle werkzaamheden betreffende opleiding en beoordeling van bekwaamheid, die worden uitgevoerd door niet-gouvernementele instanties of door lichamen die onder hun gezag vallen, worden voortdurend door een systeem van kwaliteitsbewaking volgens de [1 norm ISO 9001]1 of volgens een gelijkwaardige norm getoetst, om te garanderen dat de vastgestelde doelstellingen worden verwezenlijkt, met inbegrip van die welke betrekking hebben op de bevoegdheden en ervaring van instructeurs en beoordelaars.
  De afgifte van vaarbevoegdheidsbewijzen, officiële verklaringen en verlenging van geldigheid gebeurt door de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn en wordt door een systeem van kwaliteitsbewaking getoetst volgens de [1 norm ISO 9001]1 of volgens een gelijkwaardige norm om te garanderen dat de vastgestelde doelstellingen worden verwezenlijkt, met inbegrip van die welke betrekking hebben op de bevoegdheden en opgedane ervaring van instructeurs en beoordelaars.
  De onderwijs- en opleidingsdoelstellingen en de daarmee verband houdende te bereiken niveaus van bekwaamheid zijn duidelijk omschreven met vermelding van de niveaus van kennis, inzicht en vaardigheid die passen bij de krachtens dit besluit vereiste onderzoeken en beoordelingen. De doelstellingen en de daarmee verband houdende kwaliteitsnormen mogen afzonderlijk worden aangegeven voor verschillende cursussen en opleidingsprogramma's en omvatten het beheer van het systeem voor het verlenen van getuigschriften.
  Het toepassingsgebied van de kwaliteitsnormen omvat het beheer van het systeem voor het verlenen van getuigschriften, alle opleidings-cursussen en -programma's, de door de instanties, aangewezen overeenkomstig artikel 11, afgenomen examens, de beoordelingen en het bepalen van gelijkwaardigheid van andere bewijzen van beroepsbekwaamheid dan bedoeld in artikel 4 en artikel 12, alsmede de van instructeurs en beoordelaars verlangde bevoegdheden en ervaring, rekening houdend met de beleidslijnen, systemen, controles en interne kwaliteitsbewakingsonderzoeken die zijn ingesteld ter verwezenlijking van de omschreven doelstellingen.
  § 2. Het systeem voor het verlenen van getuigschriften en voor de afgifte van vaarbevoegdheidsbewijzen, officiële verklaringen en verlenging van geldigheid bedoeld in § 1, is gecertificeerd door een daartoe geaccrediteerde instelling conform de wet van 20 juli 1990 betreffende de accreditatie van instellingen voor de conformiteitsbeoordeling of door een gelijkwaardige accreditatie-instelling opgericht binnen de Europese Economische Ruimte.
  § 3. Periodiek, met tussenpozen van niet meer dan vijf jaar, vindt een onafhankelijke evaluatie plaats van de werkzaamheden met betrekking tot verwerving en beoordeling van kennis, begrip, vaardigheden en bekwaamheid en het beheer van het systeem voor het verlenen van getuigschriften en voor de afgifte van vaarbevoegdheidsbewijzen, van officiële verklaringen en verlenging van de geldigheid bedoeld in § 1, door geaccrediteerde instellingen als bedoeld in § 2, die zelf niet bij de werkzaamheden zijn betrokken, dit om na te gaan of :
  a) alle maatregelen van controle en toezicht op de interne bedrijfsvoering en de vervolgwerkzaamheden in overeenstemming zijn met de geplande regelingen en met de schriftelijk vastgelegde procedures, en of deze doeltreffend zijn om de omschreven doelstellingen te verwezenlijken;
  b) de resultaten van iedere onafhankelijke evaluatie gestaafd zijn met bewijsstukken en onder de aandacht worden gebracht van diegenen die verantwoordelijk zijn voor het geëvalueerde gebied;
  c) tijdig stappen worden ondernomen om tekortkomingen te corrigeren.
  
Art. 7. § 1er. Toutes les activités de formation et d'évaluation des compétences, appliquées par des entités ou organismes non gouvernementaux sous leur autorité, font l'objet d'un contrôle continu dans le cadre d'un système de normes de qualité selon la [1 norme ISO 9001]1 ou selon une norme équivalente afin de garantir la réalisation d'objectifs définis, y compris ceux concernant les qualifications et l'expérience des instructeurs et des évaluateurs.
  La délivrance de brevets, des visas et de revalidation se fait par les agents chargés du contrôle de la navigation désignés à cet effet et est évaluée par un système de normes de qualité selon la [1 norme ISO 9001]1 ou selon une norme équivalente afin de garantir la réalisation d'objectifs définis, y compris ceux concernant les qualifications et l'expérience des instructeurs et des évaluateurs.
  Les objectifs en matière d'enseignement et de formation et les normes de compétence connexes à atteindre sont clairement définis et les niveaux de connaissances, de compréhension et d'aptitude correspondant aux examens et aux évaluations prescrits aux termes du présent arrêté sont identifiés. Les objectifs et les normes de qualité connexes peuvent être spécifiés séparément pour les différents cours et programmes de formation et couvrent l'administration du système de délivrance des certificats.
  Le champ d'application des normes de qualité couvre l'administration du système de délivrance des certificats, tous les cours et programmes de formation, les examens, effectués par les instances désignées conformément à l'article 11, les évaluations et la détermination de l'équivalence des autres brevets que ceux mentionnés dans l'article 4 et l'article 12, ainsi que les qualifications, l'expérience que doivent posséder les instructeurs et les évaluateurs, compte tenu des principes, systèmes, contrôles et examens internes de l'assurance de la qualité qui ont été arrêtés afin de garantir la réalisation des objectifs fixés.
  § 2. Le système de délivrance de certificats, des brevets et des visas et de revalidation visé aux § 1er est certifié par une instance accréditée à cet effet conformément à la loi du 20 juillet 1990 concernant l'accréditation des organismes d'évaluation de la conformité ou par un organisme équivalent établi dans l'Espace économique européen.
  § 3. Une évaluation indépendante des activités d'acquisition et d'évaluation des connaissances, de la compréhension, des aptitudes et de la compétence, ainsi que de la direction du système de délivrance des certificats, des brevets, des visas et de revalidation visé au § 1er, est effectuée périodiquement et à des intervalles ne dépassant pas cinq ans par des instances accréditées visées au § 2, qui ne se livrent pas eux-mêmes aux activités en question, en vue de vérifier que :
  a) toutes les mesures de contrôle et de surveillance au niveau interne et les mesures complémentaires sont conformes aux méthodes prévues et aux procédures documentées et qu'elles permettent d'atteindre efficacement les objectifs définis;
  b) les résultats de chaque évaluation indépendante sont accompagnés de documents justificatifs et portés à l'attention des responsables du domaine évalué;
  c) des mesures sont prises à temps en vue de remédier aux carences.
  
Art. 8. § 1. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn, geven slechts vaarbevoegdheidsbewijzen af aan kandidaten die aan de eisen vastgelegd in dit artikel voldoen.
  § 2. Kandidaten die een vaarbevoegdheidsbewijs wensen te verkrijgen, bewijzen op voldoende wijze :
  a) van hun identiteit;
  b) dat hun leeftijd niet lager is dan die welke is voorgeschreven in het betreffende voorschrift van bijlage I voor het aangevraagde vaarbevoegdheidsbewijs;
  c) dat zij voldoen aan de normen voor medische geschiktheid, in het bijzonder voor wat betreft hun gezichts- en gehoororgaan, en dat zij in het bezit zijn van een certificaat van medische geschiktheid overeenkomstig artikel 102 van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement;
  d) dat zij de diensttijd, en elke daarmee verband houdende verplichte opleiding die door de voorschriften van bijlage I voor het aangevraagde vaarbevoegdheidsbewijs is vereist, hebben voltooid; en
  e) dat zij voldoen aan de normen van bekwaamheid die door de voorschriften van bijlage I worden voorgeschreven voor de hoedanigheid, functies en niveaus, die in de officiële verklaring gedaan in het vaarbevoegdheidsbewijs, worden vermeld.
  § 3. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn, houden een register of registers bij van alle vaarbevoegdheidsbewijzen en officiële verklaringen van bemanningsleden, die zijn afgegeven, die zijn verlopen of zijn vernieuwd, die tijdelijk werden ingetrokken of ongeldig verklaard of die als vermist of in het ongerede geraakt zijn aangemeld, en tevens van dispensaties die zijn verleend.
  § 4. [1 De maatschappij of de schipper meldt ten laatste bij afvaart iedere aan- en afmonstering van elk bemanningslid met opgave van de datum van inscheping en van ontscheping, de functie die aan boord door het bemanningslid wordt uitgeoefend en de naam van het betrokken vissersvaartuig aan de met scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn overeenkomstig de instructies van de Minister.]1
  
Art. 8. § 1er. Les agents chargés du contrôle de la navigation désignés à cet effet ne délivrent les brevets qu'aux candidats qui satisfont aux prescriptions déterminées au présent article.
  § 2. Les candidats aux brevets prouvent de manière satisfaisante :
  a) leur identité;
  b) qu'ils ont au moins l'âge prescrit dans la règle figurant à l'annexe Ire pour l'obtention du brevet demandé;
  c) qu'ils satisfont aux normes en matière d'aptitude médicale, notamment en ce qui concerne l'acuité visuelle et auditive, et qu'ils possèdent un certificat d'aptitude médicale, conformément à l'article 102 de l'arrêté royal du 20 juillet 1973 portant règlement sur l'inspection maritime;
  d) qu'ils ont accompli le service en mer et toute formation obligatoire connexe prescrits par les règles figurant à l'annexe Ire pour l'obtention du brevet demandé; et
  e) qu'ils satisfont aux normes de compétence prescrites par les règles figurant à l'annexe Ire pour les capacités, les fonctions et les niveaux qui sont indiqués sur le visa du brevet.
  § 3. Les agents chargés du contrôle de la navigation désignés à cet effet tiennent un ou des registres de tous les brevets et visas des membres de l'équipage qui sont délivrés, sont arrivés à expiration ou ont été revalidés, suspendus, annulés ou déclarés perdus ou détruits, ainsi que des dispenses qui ont été accordées.
  § 4. [1 Au plus tard au moment du départ, la compagnie ou le patron notifie l'arrivée et le départ de chaque membre d'équipage en indiquant la date d'embarquement et de débarquement, la fonction exercée à bord par le membre d'équipage et le nom du navire de pêche concerné aux agents chargés du contrôle de la navigation désignés à cet effet conformément aux instructions du Ministre.]1
  
Art. 9. § 1. Elke schipper, stuurman, motorist [1 , roerganger of matroos]1 die in het bezit is van een vaarbevoegdheidsbewijs dat is afgegeven of erkend krachtens bijlage I, en die buitengaats dienst doet of van plan is na een periode aan de wal naar zee terug te keren, dient, teneinde zijn bevoegdheid om buitengaats dienst te doen te behouden, met tussenpozen van ten hoogste vijf jaar :
  a) aan te tonen dat hij voldoet aan de normen van medische geschiktheid overeenkomstig artikel 8, en
  b) aan te tonen dat hij bij voortduring beroepsbekwaam is in overeenstemming met voorschrift 8 van bijlage I.
  [1 § 1/1. Elk bemanningslid moet de basisopleiding in veiligheid voorgeschreven in voorschrift 7 van bijlage I om de vijf jaar herhalen.]1
  § 2. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn, vergelijken de normen inzake bekwaamheid die zij aan kandidaten stelden voor de brevetten, certificaten, getuigschriften en dienstbewijzen, bedoeld in artikel 20, met die welke in bijlage I voor de passende vaarbevoegdheidsbewijzen zijn genoemd, en stellen vast of het noodzakelijk is om de houders van de brevetten, certificaten, getuigschriften en dienstbewijzen, bedoeld in artikel 20 een passende herhalings- en bijscholingscursus te laten volgen of een beoordeling van hun bekwaamheid te laten ondergaan.
  De herhalings- en bijscholingscursussen worden goedgekeurd door de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn en omvatten de wijzigingen van de relevante nationale en internationale voorschriften inzake de beveiliging van mensenlevens op zee en de bescherming van het mariene milieu, en houden rekening met alle aanpassingen van de betreffende bekwaamheidsnorm.
  Instellingen die erkende getuigschriften voor het volgen van zulke herhalings- en bijscholingscursussen wensen uit te reiken of zulke beoordeling wensen te doen, voldoen aan de bepalingen van artikel 7.
  § 3. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn, formuleren, in overleg met de betrokkenen, de opmaak van een structuur van herhalings- en bijscholingscursussen, zoals bepaald in bijlage III.
  § 4. Teneinde de kennis van bemanningsleden "up-to-date" te houden, stellen de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn de teksten van de laatste wijzigingen in de nationale en internationale voorschriften inzake de beveiliging van mensenlevens op zee en de bescherming van het mariene milieu elektronisch ter beschikking aan de vissersvaartuigen die gerechtigd zijn de Belgische vlag te voeren.
  
Art. 9. § 1er. Pour pouvoir continuer à être reconnu apte au service en mer, tout patron, second, motoriste [1 , timonier ou matelot]1 qui est titulaire d'un brevet délivré ou reconnu en vertu de l'annexe Ire et qui sert en mer ou a l'intention de reprendre du service en mer après une période à terre, est tenu, à des intervalles ne dépassant pas cinq ans :
  a) de prouver qu'il satisfait aux normes en matière d'aptitude médicale conformément à l'article 8, et
  b) de prouver le maintien de sa compétence professionnelle conformément à la règle 8 de l'annexe Ire.
  [1 § 1/1. Tout membre d'équipage doit suivre la formation de base en matière de sécurité prévue à la règle 7 de l'annexe Ire tous les cinq ans.]1
  § 2. Les agents chargés du contrôle de la navigation désignés à cet effet comparent les normes de compétence qu'ils exigeaient des candidats aux brevets, certificats et attestations de service, visés à l'article 20, à celles qui sont spécifiées dans l'annexe Ire pour l'obtention du brevet approprié et déterminent s'il est nécessaire d'exiger que les titulaires des brevets, certificats et attestations de service, visés à l'article 20 reçoivent une formation appropriée pour la remise à niveau et l'actualisation de leurs connaissances ou que leurs compétences soient évaluées.
  Les cours de remise à niveau et d'actualisation des connaissances sont approuvés par les agents chargés du contrôle de la navigation désignés à cet effet et portent au moins sur les modifications apportées aux règles nationales et internationales applicables en ce qui concerne la sauvegarde de la vie humaine en mer et la protection du milieu marin, et tiennent compte de toute mise à jour de la norme de compétence visée.
  Les instances qui désirent délivrer des certificats reconnus pour suivre de tels cours de remise à niveau et d'actualisation des connaissances ou qui désirent faire une telle évaluation, satisfont aux dispositions de l'article 7.
  § 3. Les agents chargés du contrôle de la navigation désignés à cet effet formulent, en consultation avec les intéressés, la mise au point d'un ensemble de cours de remise à niveau et d'actualisation des connaissances tels que prévus dans l'annexe III.
  § 4. Aux fins de mettre à jour les connaissances des membres de l'équipage, les agents chargés du contrôle de la navigation désignés à cet effet mettent par voie électronique à la disposition des navires de pêche autorisés à battre pavillon belge, le texte des modifications récemment apportées aux règles nationales et internationales relatives à la sauvegarde de la vie humaine en mer et à la protection du milieu marin.
  
Art. 10. § 1. In buitengewoon dringende omstandigheden kunnen de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn, indien dit naar hun oordeel geen gevaar oplevert voor personen, goederen of het milieu, dispensatie verlenen waardoor aan een bepaald bemanningslid wordt toegestaan gedurende een bepaalde periode van ten hoogste zes maanden op een bepaald vissersvaartuig dienst te doen in een hoedanigheid waarvoor hij niet het passend vaarbevoegdheidsbewijs bezit - maar niet in de hoedanigheid van radio-operator B mits degene aan wie dispensatie wordt verleend voldoende bekwaam is om de onbezette functie op een verantwoorde wijze te vervullen, zulks ter beoordeling van de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn.
  § 2. Iedere ten aanzien van een functie verleende dispensatie wordt slechts verleend aan iemand die het juiste vaarbevoegdheidsbewijs bezit voor de functie onmiddellijk daaronder.
  Indien geen vaarbevoegdheidsbewijs is vereist voor de functie daaronder, kan dispensatie worden verleend aan iemand wiens bekwaamheden en ervaring naar het oordeel van de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn, duidelijk overeenstemmen met de eisen voor de te bezetten functie, op voorwaarde dat aan een dergelijk persoon, indien hij/zij het passend vaarbevoegdheidsbewijs niet bezit, de eis zal worden gesteld dat hij/zij met goed gevolg een test aflegt die door de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn, is aanvaard als bewijs dat die dispensatie zonder gevaar kan worden gegeven.
  Bovendien dragen de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn er zorg voor dat de desbetreffende functie zo spoedig mogelijk wordt vervuld door iemand die een passend vaarbevoegdheidsbewijs bezit.
Art. 10. § 1er. Dans des circonstances d'extrême nécessité, les agents chargés du contrôle de la navigation désignés à cet effet, s'ils estiment qu'il n'en découle aucun danger pour les personnes, les biens ou l'environnement, délivrent une dispense afin de permettre à un membre d l'équipage donné de servir à bord d'un navire de pêche donné pendant une période déterminée ne dépassant pas six mois dans des fonctions pour lesquelles il ne détient pas le brevet approprié, à condition d'être convaincus que le titulaire de la dispense possède des qualifications suffisantes pour occuper le poste vacant d'une manière offrant toute sécurité, la dispense n'est toutefois pas accordée pour le poste d'opérateur des radiocommunications.
  § 2. Toute dispense accordée pour un poste ne doit l'être qu'à une personne possédant le brevet requis pour occuper le poste immédiatement inférieur.
  Lorsque aucun brevet n'est requis pour occuper le poste immédiatement inférieur, une dispense peut être accordée à une personne dont les qualifications et l'expérience sont, de l'avis des agents chargés du contrôle de la navigation désignés à cet effet, d'un niveau équivalent nettement à celui qui est requis pour le poste à pourvoir, à condition que cette personne, si elle ne détient pas de brevet approprié, soit tenue de passer avec succès un test accepté par les agents chargés du contrôle de la navigation désignés à cet effet pour démontrer qu'une telle dispense peut lui être accordée en toute sécurité.
  En outre, les agents chargés du contrôle de la navigation désignés à cet effet s'assurent que le poste en question sera occupé dès que possible par une personne titulaire d'un brevet approprié.
Art. 10/1. [1 Als er voor opleidingen in bijlage I gebruik gemaakt wordt van een simulator moet deze worden goedgekeurd door de met scheepvaartcontrole belaste ambtenaar die daartoe is aangesteld.]1
  
Art. 10/1. [1 Si un simulateur est utilisé pour la formation visée à l'annexe I, celui-ci doit être approuvé par l'agent chargé du contrôle de la navigation désigné à cet effet.]1
  
Art. 11. § 1. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn, wijzen de instanties aan die de in artikel 3 bedoelde opleiding verstrekken en waar nodig de examens organiseren en/of er toezicht op houden.
  [1 ...]1
  § 2. Om te worden aangewezen overeenkomstig § 1, eerste lid, richten de instanties een aanvraag tot aanwijzing aan de [1 de met scheepvaartcontrole belaste ambtenaar die daartoe is aangesteld]1.
  Bij de aanvraag tot aanwijzing worden alle bewijsstukken gevoegd waaruit blijkt :
  a) dat iedere opleiding en beoordeling van bemanningsleden :
  1. gestructureerd wordt volgens geschreven programma's met inbegrip van methoden en hulpmiddelen voor kennisoverdracht, werk-wijzen en cursusmateriaal die nodig zijn om het voorgeschreven bekwaamheidspeil te bereiken, en
  2. geleid, gecontroleerd, geëvalueerd en ondersteund wordt door personen die bevoegd zijn overeenkomstig de punten d), e) en f).
  b) dat personen die tijdens de dienst aan boord van een vissersvaartuig opleiden of beoordelen, dit alleen doen, wanneer deze opleiding of beoordeling geen nadelige invloed heeft op de normale bedrijfsvoering aan boord, en wanneer zij hun tijd en aandacht kunnen besteden aan deze opleiding of beoordeling;
  c) dat instructeurs, mentors en beoordelaars de vereiste bevoegdheden hebben voor de specifieke soorten en niveaus van opleiding of beoordeling van bekwaamheid van bemanningsleden;
  d) dat eenieder die tijdens de dienst aan boord of aan de wal aan een bemanningslid een opleiding geeft die bedoeld is gebruikt te worden voor de verwerving van een vaarbevoegdheidsbewijs, krachtens dit besluit :
  1. het opleidingsprogramma op zijn waarde kan beoordelen en inzicht heeft in de specifieke leerdoelen van de bijzondere soort opleiding die wordt gegeven;
  2. bevoegd is voor de taak waarvoor de opleiding wordt gegeven; en
  3. indien hij bij het geven van de opleiding gebruik maakt van een simulator :
  1) alle passende aanwijzingen heeft ontvangen voor het geven van onderricht met betrekking tot het gebruik van simulatoren; en
  2) praktijkervaring heeft opgedaan in de bediening van het gebruikte type simulator.
  e) dat eenieder die verantwoordelijke is voor het toezicht op de opleiding van een bemanningslid tijdens de dienst aan boord, om deze persoon in staat te stellen de vakbekwaamheid vereist voor de verwerving van een vaarbevoegdheidsbewijs te verkrijgen, een volledig begrip heeft van het opleidingsprogramma en de specifieke doelstelling van iedere soort opleiding die wordt gegeven;
  f) eenieder die tijdens de dienst aan boord of aan wal een bemanningslid op zijn bekwaamheid beoordeelt, welke beoordeling gebruikt zal worden bij de verwerving van een vaarbevoegdheidsbewijs :
  1. over de vereiste mate van kennis en inzicht in de te beoordelen bekwaamheid beschikt;
  2. bevoegd is voor de taak waarvoor de beoordeling wordt verricht;
  3. passende aanwijzingen heeft ontvangen over beoordelingsmethoden en -praktijk;
  4. praktijkervaring heeft opgedaan met beoordelen; en
  5. dat hij, indien bij de beoordeling simulatoren moeten worden gebruikt, praktijkervaring heeft opgedaan met beoordeling op het gebruikte type simulator onder toezicht en naar genoegen van een ervaren beoordelaar.
  g) dat het bepalen van gelijkwaardigheid van andere bewijzen van beroepsbekwaamheid dan bedoeld in artikel 4 met het oog op het verlenen van vrijstellingen inzake opleidingen voor het verkrijgen van getuigschriften die door de instanties worden afgeleverd, opgenomen is in de procedures van het systeem van kwaliteitsbewaking bedoeld in artikel 7, § 1.
  § 3. De aanvraag wordt onderzocht door de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn.
  Na het onderzoek bedoeld in het eerste lid nemen de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn een beslissing.
  Wanneer de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn, de aanwijzing van een instantie weigeren, delen zij hun beslissing bij een ter post [1 aangetekende zending]1 mee aan de betrokken instantie.
  In het geval waarin de aanwijzing wordt geweigerd, kan door de instantie beroep worden ingesteld bij de Minister. Het beroep wordt ingesteld bij een ter post [1 aangetekende zending]1 binnen dertig dagen te rekenen vanaf de ontvangst van de beslissing van weigering en moet met redenen omkleed zijn.
  De Minister beslist binnen zestig dagen na de ontvangst van het beroep.
  De beslissing van de Minister wordt ter kennis gebracht van de instantie.
  
Art. 11. § 1er. Les agents chargés du contrôle de la navigation désignés à cet effet désignent les instances qui dispensent la formation visée à l'article 3 et qui organisent et/ou supervisent les examens éventuellement requis.
  [1 ...]1
  § 2. Pour être désignés conformément au § 1er, alinéa 1er, les instances adressent une demande de désignation [1 à l'agent chargé du contrôle de la navigation désigné à cet effet]1.
  La demande de désignation est accompagnée de toutes les pièces justificatives dont il ressort que :
  a) toute formation et l'évaluation des membres de l'équipage est :
  1. structuré conformément à des programmes écrits, y compris les méthodes et moyens d'exécution, les procédures et le matériel pédagogique nécessaires pour atteindre la norme de compétence prescrite, et
  2. dirigée, contrôlée, évaluée et encadrée par des personnes possédant les qualifications prescrites aux points d), e) et f).
  b) les personnes qui dispensent une formation ou effectuent une évaluation en cours d'emploi à bord d'un navire de pêche ne le font que lorsque cette formation ou évaluation n'a pas d'effet préjudiciable sur l'exploitation normale du navire de pêche et lorsqu'elles peuvent consacrer leur temps et leur attention à cette formation ou évaluation;
  c) les instructeurs, les superviseurs et les évaluateurs possèdent les qualifications requises en rapport avec les types et niveaux particuliers de formation ou d'évaluation des compétences des membres de l'équipage;
  d) toute personne qui dispense durant le service, à bord ou à terre, une formation à des membres de l'équipage qui est destinée à leur permettre d'acquérir les qualifications requises pour l'obtention d'un brevet, en vertu du présent arrêté :
  1. a une vue d'ensemble du programme de formation et comprend les objectifs spécifiques en matière de formation du type particulier de formation dispensé;
  2. possède les qualifications requises pour la tâche faisant l'objet de la formation dispensée; et
  3. si elle dispense une formation à l'aide d'un simulateur :
  1) a reçu toutes les indications pédagogiques appropriées concernant l'utilisation de simulateurs; et
  2) a acquis une expérience opérationnelle pratique du type particulier de simulateur utilisé.
  e) toute personne responsable de la supervision de la formation en cours d'emploi d'un membre de l'équipage, qui est destinée à lui permettre d'acquérir les qualifications requises pour l'obtention d'un brevet, a une compréhension totale du programme de formation et des objectifs spécifiques de chaque type de formation dispensée;
  f) toute personne qui procède, à bord ou à terre, à l'évaluation des compétences en cours d'emploi d'un membre de l'équipage afin de déterminer s'il possède les qualifications requises pour l'obtention d'un brevet :
  1. a un niveau approprié de connaissances et de compréhension de compétentes à évaluer;
  2. possède les qualifications requises pour la tâche faisant l'objet de l'évaluation;
  3. a reçu des indications appropriées quant aux méthodes et pratiques d'évaluation;
  4. a acquis une expérience pratique de l'évaluation; et
  5. dans le cas d'une évaluation nécessitant l'utilisation de simulateurs, a une expérience pratique de l'évaluation en rapport avec le type particulier de simulateur utilisé qu'elle a acquise sous la supervision d'un évaluateur expérimenté et qui a été jugée satisfaisante par ce dernier.
  g) la détermination de l'équivalence des autres brevets que ceux visés à l'article 4, en vue de la délivrance des dispensations concernant les formations pour obtenir des certificats qui sont délivrés par les instances, est incorporée dans les procédures du système de normes de qualité visées à l'article 7, § 1er.
  § 3. La demande est examinée par les agents chargés du contrôle de la navigation désignés à cet effet.
  Après l'examen visé à l'alinéa 1er, les agents chargés du contrôle de la navigation désignés à cet effet prennent une décision.
  Lorsque les agents chargés du contrôle de la navigation désignés à cet effet refusent la désignation d'une instance, ils communiquent leur décision par [1 envoi recommandé]1 à la poste à l'instance concernée.
  En cas de refus de la désignation, l'instance peut introduire un recours auprès du Ministre. Le recours est introduit par [1 envoi recommandé]1 à la poste dans les trente jours à compter de la date de réception de la décision de refus et est dûment motivé.
  Le Ministre statue dans les soixante jours de la réception du recours.
  La décision du Ministre est notifiée à l'instance.
  
Art. 12. § 1. Bemanningsleden die niet in het bezit zijn van de in artikel 4 bedoelde bewijzen van beroepsbekwaamheid kunnen op vissersvaartuigen die gerechtigd zijn de Belgische vlag te voeren, dienst doen indien er over de erkenning van hun passend vaarbevoegdheidsbewijs van een ander land een beslissing is genomen door de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe zijn aangesteld, overeenkomstig de hieronder uiteengezette procedure :
  Het in het eerste lid bedoelde bemanningslid dient een aanvraag in tot erkenning van het in het eerste lid bedoelde passende vaarbevoegd-heidsbewijs bij het Directoraat. Bij de aanvraag tot erkenning worden alle nuttige bewijsstukken inzake opleiding en diensttijd gevoegd.
  De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaar die daartoe aangesteld is, onderzoekt de gelijkwaardigheid van de opleiding die geleid heeft tot het verlenen van het in het eerste lid bedoelde passend vaarbevoegdheidsbewijs en de gelijkwaardigheid van de diensttijd op grond waarvan het in het eerste lid bedoelde passend vaarbevoegdheidsbewijs werd verleend met het oog op de erkenning ervan.
  Na het onderzoek bedoeld in het derde lid nemen de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn, een beslissing.
  Wanneer de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn, de erkenning van het in het eerste lid bedoelde passend vaarbevoegdheidsbewijs weigeren, delen zij hun beslissing bij een ter post aangetekende brief mee aan de betrokken aanvrager.
  In het geval waarin de erkenning wordt geweigerd, kan door het in het eerste lid bedoelde bemanningslid beroep worden ingesteld bij de directeur-generaal van het Directoraat. Het beroep wordt ingesteld bij een ter post aangetekende brief binnen dertig dagen te rekenen vanaf de ontvangst van de beslissing van weigering en moet met redenen omkleed zijn.
  De directeur-generaal van het Directoraat beslist binnen zestig dagen na de ontvangst van het beroep.
  De beslissing van de directeur-generaal van het Directoraat wordt ter kennis gebracht van de aanvrager.
  De bepalingen van deze paragraaf zijn niet van toepassing op certificaten voor de radio-operatoren.
  § 2. Onverminderd de bepalingen van artikel 5, § 5, mogen de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn, indien de omstandigheden dit vereisen, een bemanningslid toestaan om dienst te doen in een hoedanigheid niet-zijnde die van radio-operator, gedurende een periode van ten hoogste drie maanden aan boord van een vissersvaartuig dat gerechtigd is de Belgische vlag te voeren, indien hij in het bezit is van een passend en geldig vaarbevoegdheidsbewijs, afgegeven onder de voorschriften van een derde land, maar dat nog niet is voorzien van een officiële verklaring van erkenning door de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn, om dit tot een passend vaarbevoegdheidsbewijs maken voor het dienst doen aan boord van een vissersvaartuig dat gerechtigd is de Belgische vlag te voeren. Er moet schriftelijk bewijs voorhanden zijn om aan te tonen dat de aanvraag om een erkenning is ingediend bij het Directoraat.
Art. 12. § 1er. Les membres de l'équipage qui ne sont pas titulaires des brevets visés à l'article 4 peuvent être autorisés à servir à bord des navires de pêche autorisés à battre pavillon belge, à condition qu'il ait été décidé de reconnaître leur brevet approprié d'un autre pays par les agents chargés du contrôle de la navigation désignés à cet effet, conformément à la procédure suivante :
  Le membre de l'équipage visé à l'alinéa 1er dépose une demande de reconnaissance du brevet approprié visé à l'alinéa 1er à la Direction. La demande de reconnaissance est accompagnée de tous les documents justificatifs concernant la formation et le service en mer.
  L'agent chargé du contrôle de la navigation désigné à cet effet, examine l'équivalence de la formation qui a abouti à la délivrance du brevet approprié visé à l'alinéa 1er et l'équivalence du service en mer en vertu duquel le brevet approprié visé à l'alinéa 1er est délivré en vue de sa reconnaissance.
  Après l'examen visé au troisième alinéa, les agents chargés du contrôle de la navigation désignés à cet effet prennent une décision.
  Lorsque les agents chargés du contrôle de la navigation désignés à cet effet refusent la reconnaissance du brevet approprié visé à l'alinéa 1er, ils communiquent leur décision par lettre recommandée à la poste au demandeur concerné.
  En cas de refus de la reconnaissance, le membre de l'équipage visé à l'alinéa 1er peut introduire un recours auprès du directeur général de la Direction. Le recours est introduit par lettre recommandée à la poste dans les trente jours à compter de la date de réception de la décision de refus et est dûment motivé.
  Le directeur général de la Direction statue dans les soixante jours de la réception du recours.
  La décision du directeur général de la Direction est notifiée au demandeur.
  Les dispositions de ce paragraphe ne sont pas applicable aux certificats d'opérateurs des radiocommunications.
  § 2. Nonobstant les dispositions de l'article 5, § 5, les agents chargés du contrôle de la navigation désignés à cet effet, peuvent, si les circonstances l'exigent, autoriser des membres de l'équipage à servir à bord d'un navire de pêche autorisé à battre pavillon belge dans une capacité autre que celle d'opérateur des radiocommunications pour une période ne dépassant pas trois mois, s'ils sont titulaires d'un brevet approprié et valide qu'un pays tiers a délivré, mais qui n'a pas encore été visé pour reconnaissance par les agents chargés du contrôle de la navigation désignés à cet effet en vue de le rendre approprié pour les services à bord des navires de pêche qui sont autorisés à battre pavillon belge. Un document prouvant qu'une demande de reconnaissance a été soumise à la Direction doit pouvoir être fourni.
HOOFDSTUK I/1.
CHAPITRE I/1.
HOOFDSTUK II. - Wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement
CHAPITRE II. - Modification de l'arrêté royal du 20 juillet 1973 portant règlement sur l'inspection maritime
Art. 13. Artikel 90, 4°, van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement, vervangen bij het koninklijk besluit van 23 oktober 2001, wordt vervangen als volgt :
  " 4° bemanningsleden die dienst doen op een vissersvaartuig als bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 13 november 2009 inzake vaarbevoegdheidsbewijzen voor de zeevisserijvaart beschikken over een vaarbevoegdheidsbewijs in overeenstemming met hetzelfde besluit. "
Art. 13. L'article 90, 4°, de l'arrêté royal du 20 juillet 1973 portant règlement sur l'inspection maritime, remplacé par l'arrêté royal du 23 octobre 2001, est remplacé par ce qui suit :
  " 4° les membres de l'équipage qui servent à bord d'un bateau de pêche visé à l'article 1er de l'arrêté royal du 13 novembre 2009 concernant des brevets pour la navigation de pêche maritime, disposent d'un brevet conformément à ce même arrêté. "
Art. 14. In artikel 94 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 12 juni 1996 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 23 oktober 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de bepaling onder 1. a) wordt vervangen als volgt :
  " 1. a) Aan boord van een vissersvaartuig met een lengte van niet meer dan 24 m dat vaart in een zeegebied dat beperkt is tot 25 zeemijl uit de Belgische kust en uitsluitend reizen onderneemt van maximum een etmaal, moeten ten minste 1 schipper en 1 roerganger aanwezig zijn. De schipper dient houder te zijn van tenminste het vaarbevoegdheidsbewijs voor schipper beperkt vaargebied en de roerganger dient houder te zijn van ten minste het vaarbevoegdheidsbewijs van roerganger. ";
  2° in de bepaling onder 1. b) worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in de tweede zin worden de woorden " brevet van schipper ter kustvisserij " vervangen door de woorden " vaarbevoegdheidsbewijs voor schipper beperkt vaargebied ";
  b) in de derde zin worden de woorden " certificaat van bekendheid met de reglementen betreffende de navigatie " vervangen door de woorden " vaarbevoegdheidsbewijs voor roerganger ";
  3° in de bepaling onder 1. c) worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in de tweede zin worden de woorden " brevet van schipper ter kustvisserij " vervangen door de woorden " vaarbevoegdheidsbewijs voor schipper beperkt vaargebied ";
  b) in de derde zin worden de woorden " certificaat van bekendheid met de reglementen betreffende de navigatie " vervangen door de woorden " vaarbevoegdheidsbewijs voor roerganger ";
  4° in de bepaling onder 2. worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in de tweede zin worden de woorden " brevet van schipper beperkte visserij " vervangen door de woorden " vaarbevoegdheidsbewijs voor schipper beperkt vaargebied ";
  b) in de derde zin worden de woorden " certificaat van bekendheid met de reglementen betreffende de navigatie " vervangen door de woorden " vaarbevoegdheidsbewijs voor roerganger ";
  5° in de bepaling onder 3. a) worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in de tweede zin worden de woorden " brevet van schipper beperkte visserij " vervangen door de woorden " vaarbevoegdheidsbewijs voor schipper beperkt vaargebied ";
  b) in de derde zin worden de woorden " dient houder te zijn van ten minste het brevet van stuurman beperkte visserij of ten minste van het brevet van schipper ter kustvisserij " vervangen door de woorden " dient houder te zijn van ten minste het vaarbevoegdheidsbewijs voor stuurman beperkt vaargebied of ten minste van het vaarbevoegdheidsbewijs voor schipper beperkt vaargebied ";
  c) in de vierde zin worden de woorden " certificaat van bekendheid met de reglementen betreffende de navigatie " vervangen door de woorden " vaarbevoegdheidsbewijs voor roerganger ";
  6° in de bepaling onder 3. b) worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in de tweede zin worden de woorden " brevet van schipper onbeperkte visserij " vervangen door de woorden " vaarbevoegdheidsbewijs voor schipper onbeperkt vaargebied ";
  b) in de derde zin worden de woorden " brevet van stuurman onbeperkte visserij " vervangen door de woorden " vaarbevoegdheidsbewijs voor stuurman onbeperkt vaargebied ";
  c) in de vierde zin worden de woorden " certificaat van bekendheid met de reglementen betreffende de navigatie " vervangen door de woorden " vaarbevoegdheidsbewijs voor roerganger ";
  7° in de bepaling onder 4. worden de woorden " certificaat van bekendheid met de reglementen betreffende de navigatie " vervangen door de woorden " vaarbevoegdheidsbewijs voor roerganger ";
  8° in de bepaling onder 5. worden de woorden " uitgerust met een voortstuwingsinrichting waarvan het vermogen niet meer dan 221 kW bedraagt, moet minstens 1 bemanningslid houder zijn van tenminste het brevet van motorist ter kustvisserij (221 kW) " vervangen door de woorden " met een voortstuwingsvermogen van minder dan 221 kW moet minstens 1 bemanningslid houder zijn van ten minste het vaarbevoegdheidsbewijs voor motorist 221 kW ";
  9° in de bepaling onder 6. a) worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in de eerste zin worden de woorden " uitgerust met een voortstuwingsinrichting waarvan het vermogen meer dan 221 kW doch niet meer dan 750 kW bedraagt " vervangen door de woorden " met een voortstuwingsvermogen gelijk aan of meer dan 221 kW doch niet meer dan 750 kW ";
  b) in de tweede en de derde zin worden de woorden " brevet van motorist 750 kW " vervangen door de woorden " vaarbevoegd-heidsbewijs voor motorist 750 kW ";
  c) in de derde zin worden de woorden " brevet van motorist ter kustvisserij (221 kW) " vervangen door de woorden " vaarbevoegd-heidsbewijs voor motorist 221 kW ";
  10° in de bepaling onder 6. b) worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in de eerste zin worden de woorden " uitgerust met een voortstuwingsinrichting waarvan het vermogen meer dan 750 kW bedraagt, " vervangen door de woorden " met een voortstuwingsvermogen van meer dan 750 kW ";
  b) in de tweede en de derde zin worden de woorden " brevet van motorist ter visserij " vervangen door de woorden " vaarbevoegd-heidsbewijs voor motorist onbeperkt voortstuwingsvermogen ";
  c) in de derde zin worden de woorden " brevet van motorist 750 kW " vervangen door de woorden " vaarbevoegdheidsbewijs voor motorist 750 kW ";
  11° de bepalingen onder 6. c) en 7. worden opgeheven.
Art. 14. Dans l'article 94 du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 12 juin 1996 et modifié par l'arrêté royal du 23 octobre 2001, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le 1. a) est remplacé par ce qui suit :
  " 1. a) A bord d'un bateau de pêche d'une longueur égale ou inférieure à 24 m, naviguant dans une zone maritime limitée à 25 milles marins de la côte belge et entreprenant exclusivement des voyages d'au maximum 24 heures, il doit y avoir au moins 1 patron et 1 timonier. Le patron doit être au moins titulaire du brevet de patron des eaux limitées et le timonier doit être au moins titulaire du brevet de timonier. "
  2° au 1. b) les modifications suivantes sont apportées :
  a) dans la deuxième phrase les mots " brevet de patron à la pêche côtière " sont remplacés par les mots " brevet de patron des eaux limitées ";
  b) dans la troisième phrase les mots " certificat de connaissance des règlements de navigation " sont remplacés par les mots " brevet de timonier ";
  3° au 1. c) les modifications suivantes sont apportées :
  a) dans la deuxième phrase les mots " brevet de patron à la pêche côtière " sont remplacés par les mots " brevet de patron des eaux limitées ";
  b) dans la troisième phrase les mots " certificat de connaissance des règlements de navigation " sont remplacés par les mots " brevet de timonier ";
  4° au 2. les modifications suivantes sont apportées :
  a) dans la deuxième phrase les mots " brevet de patron à la pêche limitée " sont remplacés par les mots " brevet de patron des eaux limitées ";
  b) dans la troisième phrase les mots " certificat de connaissance des règlements de navigation " sont remplacés par les mots " brevet de timonier ";
  5° au 3. a) les modifications suivantes sont apportées :
  a) dans la deuxième phrase les mots " brevet de patron à la pêche limitée " sont remplacés par les mots " brevet de patron des eaux limitées ";
  b) dans la troisième phrase les mots " doit être au moins titulaire du brevet de second à la pêche limitée ou du brevet de patron à la pêche côtière " sont remplacés par les mots " doit être au moins titulaire du brevet de second des eaux limitées ou du brevet de patron des eaux limitées ";
  c) dans la quatrième phrase les mots " certificat de connaissance des règlements de navigation " sont remplacés par les mots " brevet de timonier ";
  6° au 3. b) les modifications suivantes sont apportées :
  a) dans la deuxième phrase les mots " brevet de patron à la pêche illimitée " sont remplacés par les mots " brevet de patron des eaux illimitées ";
  b) dans la troisième phrase les mots " brevet de second à la pêche illimitée " sont remplacés par les mots " brevet de second des eaux illimitées ";
  c) dans la quatrième phrase les mots " certificat de connaissance des règlements de navigation " sont remplacés par les mots " brevet de timonier ";
  7° au 4. les mots " certificat de connaissance des règlements de navigation " sont remplacés par les mots " brevet de timonier ";
  8° au 5. les mots " équipé d'une installation propulsive dont la puissance n'est pas supérieure à 221 kW, au moins un membre d'équipage doit être au moins titulaire du brevet de motoriste à la pêche côtière (221 kW) " sont remplacés par les mots " avec une puissance propulsive de moins de 221 kW au moins un membre d'équipage doit être au moins titulaire du brevet de motoriste 221 kW ";
  9° au 6. a) les modifications suivantes sont apportées :
  a) dans la première phrase les mots " équipé d'une installation propulsive dont la puissance est supérieure à 221 kW sans être supérieure à 750 kW " sont remplacés par les mots " avec une puissance propulsive égale ou supérieure à 221 kW, mais ne pas dépassant 750 kW ";
  b) dans la deuxième et la troisième phrase du texte néerlandais les mots " brevet van motorist 750 kW " sont remplacés par les mots " vaar-bevoegdheidsbewijs voor motorist 750 kW ";
  c) dans la troisième phrase les mots " brevet de motoriste à la pêche côtière (221 kW) " sont remplacés par les mots " brevet de motoriste 221 kW ";
  10° au 6. b) les modifications suivantes sont apportées :
  a) dans la première phrase les mots " équipé d'une installation propulsive dont la puissance est supérieure à 750 kW " sont remplacés par les mots " avec une puissance propulsive supérieure à 750 kW ";
  b) dans la deuxième et la troisième phrase les mots " brevet de motoriste à la pêche " sont remplacés par les mots " brevet de motoriste puissance propulsive illimitée ";
  c) dans la troisième phrase du texte néerlandais les mots " brevet van motorist 750 kW " sont remplacés par les mots " vaarbevoegd-heidsbewijs voor motorist 750 kW ";
  11° les dispositions du 6. c) et 7 sont abrogés.
Art. 15. Artikel 102, punt 1, tweede lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 24 mei 2006, wordt aangevuld als volgt :
  " en voor dienst op schepen voor de zeevaart of de zeevisserij, met een vaargebied tot minder dan 150 zeemijl van de dichtstbijzijnde haven met adequate medische voorzieningen of met een vaargebied tot minder dan 175 zeemijl van de dichtstbijzijnde haven met adequate medische voorzieningen die permanent binnen de actieradius van aan land gestationeerde reddingshelikopters blijven, een maximum-geldigheidsduur van vierentwintig maanden. ".
Art. 15. L'article 102, point 1er, alinéa 2, du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 24 mai 2006, est complété par ce qui suit :
  " et pour le service à la navigation maritime ou la pêche en mer dans des eaux limitées à moins de 150 milles marins du port le plus proche médicalement équipé de façon adéquate ou dans des eaux limitées à moins de 175 milles marins du port le plus proche médicalement équipé de façon adéquate et restant en permanence dans le rayon d'action des moyens d'évaluation sanitaire héliportée, une validité maximale de vingt-quatre mois. ".
Art. 16. In het model " Certificaat van medische geschiktheid " van bijlage XXIV van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 24 november 1978, 10 juli 1981, 28 maart 1984, 23 oktober 2001 en 24 mei 2006, worden de woorden
  " - Tot één jaar na datum afgifte.
  - Andere, namelijk : . . . . . "
  vervangen door de woorden
  " - Tot één jaar na datum van afgifte.
  - Tot twee jaar na datum van afgifte voor dienst op schepen voor de zeevaart of de zeevisserij, met een vaargebied tot minder dan 150 zeemijl van de dichtstbijzijnde haven met adequate medische voorzieningen of met een vaargebied tot minder dan 175 zeemijl van de dichtstbijzijnde haven met adequate medische voorzieningen die permanent binnen de actieradius van aan land gestationeerde reddingshelikopters blijven.
  - Andere, namelijk : . . . . . ".
Art. 16. Dans le modèle " Certificat d'aptitude médicale " de l'annexe XXIV du même arrêté, modifiée par les arrêtés royaux des 24 novembre 1978, 10 juillet 1981, 28 mars 1984, 23 octobre 2001 et 24 mai 2006, les mots
  " - Jusqu'un an après date de délivrance.
  - Autre, notamment : . . . . . . "
  sont remplacés par les mots
  " - Jusqu'un an après date de délivrance.
  - Jusqu'à deux ans après date de délivrance pour le service à la navigation maritime ou la pêche en mer dans des eaux limitées à moins de 150 milles marins du port le plus proche médicalement équipé de façon adéquate ou dans des eaux limitées à moins de 175 milles marins du port le plus proche médicalement équipé de façon adéquate et restant en permanence dans le rayon d'action des moyens d'évaluation sanitaire héliportée.
  - Autre, notamment : . . . . . . ".
HOOFDSTUK III. - Wijziging van het koninklijk besluit van 12 november 1981 betreffende voorschriften voor passagiersschepen die geen internationale reis maken en die uitsluitend in een beperkt vaargebied langs de kust varen
CHAPITRE III. - Modification de l'arrêté royal du 12 novembre 1981 concernant les règles pour navires à passagers n'effectuant pas de voyage international et naviguant exclusivement dans une zone de navigation restreinte le long de la côte
Art. 17. In artikel 69, 3, van het koninklijk besluit van 12 november 1981 betreffende voorschriften voor passagiersschepen die geen internationale reis maken en die uitsluitend in een beperkt vaargebied langs de kust varen, vervangen bij het koninklijk besluit van 11 maart 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in de bepaling onder 3. a) worden de woorden " van het brevet van schipper ter kustvisserij, beperkte visserij of onbeperkte visserij " vervangen door de woorden " van het vaarbevoegdheidsbewijs voor schipper beperkt vaargebied of onbeperkt vaargebied ";
  2° in de bepaling onder 3. b) worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) de woorden " van het brevet van motorist ter kustvisserij " worden vervangen door de woorden " van het vaarbevoegdheidsbewijs voor motorist 221 kW ";
  b) de woorden " van het brevet van motorist 750 kW " worden vervangen door de woorden " van het vaarbevoegdheidsbewijs voor motorist 750 kW ";
  c) de woorden " van het brevet van motorist ter visserij " worden vervangen door de woorden " van het vaarbevoegdheidsbewijs voor motorist onbeperkt voortstuwingsvermogen ";
  3° in de bepaling onder 3. c) worden de woorden " van het brevet van motorist ter kustvisserij " vervangen door de woorden " van het vaarbevoegdheidsbewijs voor motorist 221 kW ";
  4° de bepaling onder 3. d) wordt vervangen als volgt :
  " Iedere matroos dient ten minste de basisopleiding in veiligheid voor elk bemanningslid op vissersvaartuigen te hebben gevolgd. "
Art. 17. Dans l'article 69, 3, de l'arrêté royal du 12 novembre 1981 concernant les règles pour navires à passagers n'effectuant pas de voyage international et naviguant exclusivement dans une zone de navigation restreinte le long de la côte, remplacé par l'arrêté royal du 11 mars 2002, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au 3. a) les mots " du brevet de patron à la pêche côtière, à la pêche limitée ou à la pêche illimitée " sont remplacés par les mots " du brevet de patron des eaux limitées ou illimitées ";
  2° au 3. b), les modifications suivantes sont apportées :
  a) les mots " du brevet de motoriste à la pêche côtière " sont remplacés par les mots " du brevet de motoriste 221 kW ";
  b) dans le texte néerlandais, les mots " van het brevet van motorist 750 kW " sont remplacés par les mots " van het vaarbevoegdheidsbewijs voor motorist 750 kW ";
  c) les mots " du brevet de motoriste à la pêche " sont remplacés par les mots " du brevet de motoriste puissance propulsive illimitée ";
  3° au 3. c) les mots " du brevet de motoriste à la pêche côtière " sont remplacés par les mots " du brevet de motoriste 221 kW ";
  4° le 3. d) est remplacé par ce qui suit :
  " Chaque matelot doit avoir suivi au moins la formation de base en matière de sécurité pour l'ensemble du personnel de navires de pêche. "
HOOFDSTUK IV. - Wijziging van het koninklijk besluit van 24 mei 2006 inzake vaarbevoegdheidsbewijzen voor zeevarenden
CHAPITRE IV. - Modification de l'arrêté royal du 24 mai 2006 concernant des brevets pour des gens de mer
Art. 18. In bijlage I, Hoofdstuk III, Voorschrift III/2, punt 2.1.2., van het koninklijk besluit van 24 mei 2006 inzake vaarbevoegdheidsbewijzen voor zeevarenden worden in de Franse tekst de woorden " dont au moins douze mois avec les qualifications requises pour occuper un poste de second mécanicien, et " vervangen door de woorden " dont au moins douze mois en qualité d'officier mécanicien exerçant des responsabilités, étant titulaire d'un brevet de second mécanicien, et ".
Art. 18. Dans l'annexe Ire, Chapitre III, Règle III/2, 2.1.2., de l'arrêté royal du 24 mai 2006 concernant des brevets pour des gens de mer, les mots " dont au moins douze mois avec les qualifications requises pour occuper un poste de second mécanicien, et " sont remplacés par les mots " dont au moins douze mois en qualité d'officier mécanicien exerçant des responsabilités, étant titulaire d'un brevet de second mécanicien, et ".
HOOFDSTUK V. - Opheffingsbepalingen
CHAPITRE V. - Dispositions abrogatoires
Art. 19. Het koninklijk besluit van 12 juni 1996 betreffende de brevetten, certificaten, getuigschriften en dienstbewijzen die vereist zijn voor de zeevisserijvaart, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 3 mei 1999 en 22 maart 2006, wordt opgeheven.
Art. 19. L'arrêté royal du 12 juin 1996 relatif aux brevets, certificats et attestations de service exigés pour la navigation de pêche maritime, modifié par les arrêtés royaux des 3 mai 1999 et 22 mars 2006, est abrogé.
HOOFDSTUK VI. - Overgangsbepalingen
CHAPITRE VI. - Dispositions transitoires
Art. 20. Tot 30 juni 2010 mogen de brevetten, diploma's, certificaten en vergunningen overeeenkomstig de bepalingen die van kracht waren voor de inwerkingtreding van dit besluit worden afgeleverd of als geldig worden beschouwd.
Art. 20. Jusqu'au 30 juin 2010 les brevets, diplômes, certificats et licences peuvent être délivrés ou considérés comme valable conformément aux dispositions qui étaient en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent arrêté.
Art. 21. De in artikel 20 bedoelde brevetten, diploma's, certificaten en vergunningen blijven na 30 juni 2010 geldig.
Art. 21. Les brevets, diplômes, certificats et licences mentionnés dans l'article 20 conservent leur validité après le 30 juin 2010.
HOOFDSTUK VII. - Slotbepalingen
CHAPITRE VII. - Dispositions finales
Art. 22. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Art. 22. Le présent arrêté entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge.
Art. 23. De Minister bevoegd voor Maritieme Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 23. Le Ministre qui a les Affaires Maritimes dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage I. - Opleidingsvoorschriften als bedoeld in artikel 3
  Voorschrift 1
  Eisen inzake vaarbevoegdheidsverlening voor schipper onbeperkt vaargebied
  1. Elke schipper dienst doend op een vissersvaartuig in een onbeperkt vaargebied is in het bezit van een passend vaarbevoegdheidsbewijs.
  2. Ieder die een passend vaarbevoegdheidsbewijs overeenkomstig lid 1 wenst te verkrijgen, moet :
  2.1. voldoen aan de eisen voor vaarbevoegdheidsverlening voor stuurman onbeperkt vaargebied en een goedgekeurde diensttijd van ten minste twaalf maanden hebben als stuurman of schipper aan boord van vissersvaartuigen;
  2.2. houder zijn van het algemeen certificaat van radio-operator GMDSS;
  2.3. een goedgekeurde studie en opleiding hebben voltooid en voldoen aan de bekwaamheidsnormen van dit voorschrift.
  Bekwaamheidsnormen voor schippers onbeperkt vaargebied
  1. Navigatie en positiebepaling.
  1.1. Reisplanning en navigatie in alle omstandigheden :
  1. door aanvaarde methodes van het uitzetten van koersen;
  2. in beperkte wateren;
  3. in ijs;
  4. bij beperkte zichtbaarheid;
  5. in verkeersscheidingsstelsels;
  6. in gebieden beïnvloed door getijden of stromingen.
  1.2. Positiebepaling :
  1. door waarneming van hemellichamen;
  2. door waarneming met land in zicht, met inbegrip van de kennis van het gebruik van peilingen van punten op land en van hulpnavigatiemiddelen zoals vuurtorens, bakens en boeien, samen met zeekaarten, berichten aan zeevarenden en andere passende publicaties en nazicht van de juistheid van de bepaalde positie; en
  3. door het gebruik van moderne elektronische hulpmiddelen bij de navigatie waarmee vissersvaartuigen uitgerust zijn, in het bijzonder dankzij de kennis van hun werking, van hun beperkingen, van de bronnen van fouten, van het opsporen van verkeerde voorstelling van inlichtingen en van de manieren van verbetering, om een juiste positiebepaling te verkrijgen.
  2. Wachtlopen.
  2.1. Grondige kennis aantonen van de inhoud, de toepassing en de bedoeling van het Internationaal Reglement ter Voorkoming van Aanvaringen op Zee, 1972, met inbegrip van de bijlagen II en IV met betrekking tot de veiligheid van de scheepvaart.
  2.2. Kennis aantonen van de basisbeginselen in acht te nemen bij het wachtlopen op de brug, luidend als volgt :
  " Basisbeginselen in acht te nemen bij het wachtlopen op de brug aan boord van vissersvaartuigen.
  De schipper van elk vissersvaartuig dient te waken over hoe de organisatie van het wachtlopen voorziet in het verzekeren van de brugwacht in alle veiligheid. Onder zijn algemeen gezag worden de bemanningsleden belast met de wacht tijdens hun diensttijd belast met het verzekeren van de veiligheid van de navigatie van het vissersvaartuig en in het bijzonder met het voorkomen van aanvaringen en strandingen.
  De basisbeginselen opgesomd hieronder, zonder dat deze lijst limitatief is, dienen worden uitgehangen aan boord van alle vissersvaartuigen.
  A. Schepen naar of afkomstig van de vissersplaatsen.
  A.1. Organisatie van de brugwacht
  A.1.1. De samenstelling van de bemanning voor de wacht dient te allen tijde te voldoen en aangepast te zijn aan de omstandigheden en de heersende voorwaarden en rekening te houden met de noodzaak van een passende wacht.
  A.1.2. Om de samenstelling van de bemanning voor de wacht vast te stellen dienen in het bijzonder de volgende factoren in overweging te worden genomen :
  1. de verplichting om het stuurhuis op geen enkel moment zonder personeel te laten;
  2. de meteorologische omstandigheden, de zichtbaarheid, dag of nacht;
  3. de nabijheid van gevaren voor de navigatie vatbaar om aan het bemanningslid belast met de wacht bijkomende taken betreffende de navigatie op te leggen;
  4. het gebruik en de staat van het functioneren van de navigatiemiddelen, zoals de radar of de elektronische installaties van positiebepaling en van elk ander apparaat dat de veiligheid van de navigatie van het schip beïnvloedt;
  5. het bestaan van een automatische piloot; en
  6. abnormale druk die de brugwacht met bijzondere omstandigheden voor het plan van exploitatie kunnen belasten.
  A.2. Dienstbekwaamheid
  De organisatie van de wacht dient zo te gebeuren dat de efficiëntie van het wachtpersoneel niet wordt aangetast door de vermoeidheid. De taken dienen op zo'n manier worden georganiseerd dat de bemanningsleden voor de eerste wacht bij het begin van de reis en degene voor de volgende wachten die zorgen voor de aflossing, voldoende uitgerust zijn en geschikt voor dienst in alle opzichten.
  A.3. Navigatie
  A.3.1. In de mate van het mogelijke dient de voorziene reis te worden gepland rekening houdend met alle pertinente informatie; de te volgen route dient op een kaart te zijn aangebracht en geverifieerd bij het begin van de reis.
  A.3.2. Tijdens de wacht dient de koers, de positie en de snelheid van het schip te worden geverifieerd met voldoende frequente intervallen, gebruik makend van alle navigatiemiddelen aan boord van het schip waarover wordt beschikt om zich ervan te vergewissen dat het schip de voorziene route volgt.
  A.3.3. Het bemanningslid belast met de wacht dient perfect de ligging en het functioneren van alle uitrusting voor de veiligheid en voor de navigatie aan boord van het schip; hij dient zich ook bewust te zijn van en rekening te houden met de grenzen van het functioneren van deze uitrusting.
  A.3.4. Het bemanningslid belast met de wacht dient niets te ondernemen, noch een opdracht te worden toevertrouwd die van die aard is dat de veiligheid van de navigatie in gevaar komt.
  A.4. Navigatieapparatuur
  A.4.1. Het bemanningslid belast met de wacht dient de navigatieapparatuur waarover wordt beschikt, zo efficiënt mogelijk te gebruiken.
  A.4.2. Als hij de radar gebruikt, dient het bemanningslid belast met de wacht rekening te houden met de noodzaak van het waarnemen op elk moment van de bepalingen betreffende het gebruik van de radar die in de toepasselijke voorschriften voorkomen ter voorkoming van aanvaringen op zee.
  A.4.3. In geval van nood dient het bemanningslid belast met de wacht niet te aarzelen om gebruik te maken van het roer, de machines, alsook van het geluids- en lichtmateriaal voor signalisatie.
  A.5. Taken en verantwoordelijkheden betreffende de navigatie
  A.5.1. Het bemanningslid belast met de wacht dient :
  1. de wacht te lopen aan het stuurhuis;
  2. het stuurhuis in geen geval te verlaten vooraleer behoorlijk afgelost te zijn;
  3. verantwoordelijk te blijven voor de veiligheid van de navigatie ook al is de schipper aanwezig in het stuurhuis totdat hij uitdrukkelijk geïnformeerd is dat de schipper deze verantwoordelijkheid aanvaardt en dat dit wederzijds wordt begrepen;
  4. de schipper te verwittigen als er twijfel is over de te nemen maatregelen om de veiligheid van het schip te waarborgen; en
  5. de wacht niet te laten aan het aflossende bemanningslid als er redenen zijn om aan te nemen dat deze laatste niet in staat is zich efficiënt te kwijten van zijn taken betreffende de wacht, in welk geval de schipper dient te worden geïnformeerd.
  A.5.2. Voor het overnemen van de wacht dient het aflossende bemanningslid de vermoedelijke of werkelijke positie van het schip na te gaan en de voorziene route, koers en snelheid te bevestigen en nota te nemen van elk gevaar voor de navigatie dat verwacht kan worden zich voor te doen tijdens zijn wacht.
  A.5.3. Als dit mogelijk is, dienen tijdens de wacht de bewegingen en de activiteiten betreffende de navigatie van het schip zorgvuldig te worden genoteerd.
  A.6. De wacht
  A.6.1. Een toereikende wacht dient te worden gehouden overeenkomstig voorschrift 5 van het Internationaal Reglement ter Voorkoming van Aanvaringen op Zee van 1972 en dient te bestaan uit :
  1. het aanhouden van een continue waakzaamheid, visueel en auditief, alsook met alle andere beschikbare middelen, wat betreft elke voelbare wijziging in de omstandigheden van de exploitatie;
  2. het volledig evalueren van de situatie en de risico's voor aanvaring of stranding, alsook de andere gevaren voor de navigatie; en
  3. het opsporen van de schepen of luchtvaartuigen in nood, de schipbreukelingen, de wrakken en de wrakstukken.
  A.6.2. Om vast te stellen of de samenstelling van de bemanning van de brugwacht het toelaat om een voldoende wacht in permanentie te houden, dient de schipper rekening te houden met alle pertinente factoren welke zijn vermeld in punt A.1. van dit voorschrift, alsook de volgende factoren :
  1. zichtbaarheid, meteorologische omstandigheden en de toestand van de zee;
  2. de verkeersdichtheid en andere activiteiten in de zone waar het schip zijn route heeft;
  3. de nodige aandacht om te varen binnen of in de nabijheid van het verkeersscheidingsstelsel en andere maatregelen om het verkeer te regelen;
  4. bijkomende werklast veroorzaakt door de karakteristieken van de scheepsfuncties, door de onmiddellijke eisen op het gebied van de exploitatie en door de te verwachten manoeuvres;
  5. bevel over het roer en over de schroef en de manoeuvreereigenschappen van het schip;
  6. fysieke geschiktheid van elk bemanningslid van de dienst geschikt om aangesteld te worden in het wachtkwartier;
  7. kennis van de professionele competenties van de bemanningsleden en de uitrusting van het schip en vertrouwen in deze competenties;
  8. ervaring van het bemanningslid belast met de wacht en vertrouwdheid van dit bemanningslid met het materiaal, de procedures aan boord en de manoeuvreerbaarheid van het schip;
  9. activiteiten aan boord van het schip op een gegeven moment en beschikbaarheid van onmiddellijke hulp in het stuurhuis in het geval het nodig is;
  10. werkingsstaat van de instrumenten in het stuurhuis en de bevelen, met inbegrip van de toebehoren van het alarm;
  11. de omvang van het schip en het gezichtsveld vanuit de post waar het bevel over het schip wordt gevoerd;
  12. configuratie van het stuurhuis in het geval er een risico is dat een bemanningslid van de wacht gehinderd wordt om visueel of auditief elk nieuw element van buitenaf waar te nemen; en
  13. alle normen, procedures en richtlijnen die van toepassing zijn op de organisatie van het wachtlopen en voor de fysieke geschiktheid.
  A.7. Bescherming van het mariene milieu
  De schipper en het bemanningslid belast met de wacht dienen zich bewust te zijn van de ernst van de gevolgen die een operationele of accidentele vervuiling kan hebben voor het mariene milieu; ze dienen alle mogelijke voorzorgen te nemen om een dergelijke vervuiling te voorkomen, in het bijzonder met toepassing van de internationale regels en de pertinente havenreglementen.
  A.8. Meteorologische omstandigheden
  Het bemanningslid belast met de wacht dient de geschikte maatregelen te nemen en de schipper te informeren als veranderingen in de meteorologische omstandigheden de veiligheid van het schip in gevaar kunnen brengen, in het bijzonder als ze aanleiding geven tot een ophoping van ijs.
  B. Navigatie met een loods aan boord
  De aanwezigheid van een loods aan boord ontslaat de schipper of het bemanningslid belast met de wacht niet van zijn taken en verplichtingen die hen toekomen in het kader van de veiligheid van het schip. De schipper en de loods dienen inlichtingen uit te wisselen over de procedure van de navigatie, de lokale omstandigheden en de scheepskarakteristieken. De schipper en het bemanningslid belast met de wacht dienen nauw samen te werken met de loods en op nauwkeurige wijze de positie en de bewegingen van het schip na te gaan.
  C. Schepen tijdens het vissen of het zoeken naar vis
  C.1. Naast de principes opgesomd in punt A van dit voorschrift dient het bemanningslid belast met de wacht rekening te houden met de elementen hierna vermeld en de gepaste maatregelen hiertoe nemen :
  1. andere schepen die aan het vissen zijn en hun vissersmateriaal, manoeuvreerbaarheid van het eigen schip, in het bijzonder de afstand om tot stilstand te komen, de diameter van de draaicirkel aan kruissnelheid en met het vissersmateriaal overboord;
  2. veiligheid van de scheepsuitrusting op de brug;
  3. ongunstige effecten uitgeoefend op de veiligheid van het schip en zijn scheepsuitrusting door de vermindering van de stabiliteit en van de vrijboord die door uitzonderlijke krachten worden veroorzaakt ten gevolge van de visserijwerkzaamheden, van de behandeling en het stuwen van de vangst, alsook van de toestand van de zee en de abnormale meteorologische omstandigheden;
  4. de nabijheid van bouwwerken buiten de kust, er wordt bijzondere aandacht gehecht aan veiligheidszones;
  5. de aanwezigheid van wrakken en andere zich onder water bevindende obstakels die gevaarlijk kunnen zijn voor het visgerei.
  C.2. Tijdens het stuwen van de vangst dient er gewaakt te worden over de naleving van de essentiële eisen om de waterdichtheid van het schip te verzekeren alsook een voldoende vrijboord en stabiliteit op elk moment tijdens de reis naar de aankomsthaven, rekening houdend met het verbruik van de brandstof en de voorraden, met het risico van de ongunstige meteorologische omstandigheden en, in het bijzonder in de winter, met het risico van ophoping van ijs op de onbedekte bruggen of bovenop deze bruggen, in de zones waar dit fenomeen dreigt op te treden.
  D. De wacht voor anker
  De schipper dient er zich van te vergewissen omwille van de veiligheid van het schip en van de bemanning dat een voldoende wacht permanent is verzekerd vanaf het stuurhuis of de brug van vissersvaartuigen voor anker.
  E. Radio-elektrische wacht
  De schipper dient er zich van te verzekeren dat een adequate radio-elektrische wacht wordt gehouden op de gepaste frequenties, rekening houdend met de internationale voorschriften, terwijl het schip op zee is. "
  3. Radarnavigatie.
  Kennis aantonen, met behulp van een radarsimulator, van de basisprincipes van de radar, van zijn werking en zijn toepassing, alsook van het vermogen tot interpretatie en ontleding van de gegevens geleverd door de radar, in het bijzonder :
  3.1. factoren die de werking en precisie beïnvloeden;
  3.2. in werking zetten en bijregelen van het beeldscherm;
  3.3. onderkennen van valse voorstelling van informatie, van valse echo's, van golfreflectie, enz.;
  3.4. afstand en peiling;
  3.5. herkennen van kritische echo's;
  3.6. koers en snelheid van andere schepen;
  3.7. tijd en afstand van het dichtste punt van kruisen, van ontmoeten en van inhalen ten aanzien van andere naderende schepen;
  3.8. opmerken van verandering van koers en snelheid van andere schepen;
  3.9. gevolgen van verandering van koers en/of snelheid van eigen schip;
  3.10. toepassing van het Internationaal Reglement ter Voorkoming van Aanvaringen op Zee, 1972.
  4. Magnetisch kompas en gyrokompas.
  Bekwaamheid tot het bepalen en verbeteren van fouten van het magnetische kompas en het gyrokompas, gebruik makend van waarnemingen met land in zicht en van astronomische waarnemingen.
  5. Meteorologie en oceanografie.
  5.1. Kennis van meteorologische instrumenten en hun gebruik.
  5.2. Bekwaamheid te werken met de beschikbare meteorologische informatie.
  5.3. Kennis van de eigenschappen van de verschillende weerkundige systemen, in het bijzonder van tropische stormen en kennis van de middelen om de kernen en de gevaarlijke sectoren ervan te vermijden.
  5.4. Kennis van de weersomstandigheden die het schip in gevaar kunnen brengen, met inbegrip van mist, ijsbergen en het aanvriezen van ijs.
  5.5. Bekwaamheid in het gebruik van de relevante nautische publicaties betreffende getijden en stromingen.
  5.6. Bekwaamheid in het berekenen van het uur en het getijde van de volle zee, alsook van de snelheid en de richting van getijdenstromingen.
  6. Het varen en manoeuvreren met vissersvaartuigen.
  Varen en manoeuvreren met vissersvaartuigen in alle omstandigheden, in het bijzonder :
  6.1. aanleggen, vertrekken en ankeren onder alle omstandigheden van wind en getij;
  6.2. manoeuvreren in ondiep water;
  6.3. beheersen en manoeuvreren met vissersvaartuigen in slechte weersomstandigheden, met inbegrip van aangepaste snelheid vooral bij volledig van achter inkomende en schuin van achter inkomende zeeën, bij assistentie aan een schip of vliegtuig in nood, manieren die toelaten te vermijden dat een moeilijk te besturen schip dwars valt, en de drift ervan te beperken;
  6.4. manoeuvreren van het schip tijdens het vissen, met speciale aandacht voor factoren die het gedrag van het schip nadelig kunnen beïnvloeden tijdens die handelingen;
  6.5. de te nemen voorzorgen bij het te water laten bij slechte weersomstandigheden van hulpboten, reddingboten of reddingvlotten;
  6.6. de te volgen methode voor het aan boord nemen van overlevenden uit hulpboten, reddingboten of reddingvlotten;
  6.7. de te nemen praktische maatregelen bij navigatie in ijsgebieden, in nabijheid van ijsbergen of in geval van aan boord aanvriezend ijs;
  6.8. gebruik van verkeersscheidingsstelsels en navigatie binnen deze stelsels;
  6.9. belang van het varen bij lagere snelheid voor het vermijden van beschadigingen veroorzaakt door boeg- en hekgolf;
  6.10. overslag van vis op zee in fabriekschepen of andere schepen; en,
  6.11. bunkeren op zee.
  7. Bouw en stabiliteit van vissersvaartuigen.
  7.1. Algemene kennis van de elementaire principes van constructie van een schip en de juiste benamingen van de verschillende delen.
  7.2. Kennis van de theorie en van de factoren die de trim en de stabiliteit beïnvloeden alsook de noodzakelijke maatregelen om trim en stabiliteit op een veilig niveau te behouden.
  7.3. Bekwaamheid aantonen in het gebruik van stabiliteitsgegevens, van stabiliteits- en trimtabellen alsook van vooraf berekende ladingstoestanden voor de exploitatie.
  7.4. Kennis van de invloed van vrije vloeistofoppervlakken en van aanvriezen van ijs.
  7.5. Kennis van de invloed van water op dek.
  7.6. Kennis van het belang van de waterdichte indeling en van de waterdichtheid tegen weer en wind.
  8. Behandeling en stuwage van de vangst.
  8.1. Het stuwen en vastzetten van de vangst aan boord van het schip met inbegrip van het vistuig.
  8.2. De werkzaamheden bij het aan boord nemen en uitzetten van de vangst en bijzondere aandacht voor de daarbij door de vangst en het vistuig veroorzaakte hellingmomenten.
  9. Machines van het vissersvaartuig.
  9.1. Werkingsprincipes van scheepsmotoren van vissersvaartuigen.
  9.2. Hulpmotoren van het schip.
  9.3. Algemene kennis van de terminologie van scheepsmechanica.
  10. Preventie van brand en materiaal ter bestrijding van brand.
  10.1. Organisatie van brandoefeningen.
  10.2. Klassen van branden en scheikundige reacties bij branden.
  10.3. Systemen voor het bestrijden van brand.
  10.4. Volgen van een erkende opleidingscursus in brandbestrijdingstechnieken.
  10.5. Kennis van de voorschriften betreffende de uitrusting voor brandbestrijding.
  11. Noodprocedures.
  11.1. Te nemen voorzorgen bij de stranding van een schip.
  11.2. Te nemen maatregelen voor en na de stranding.
  11.3. Te nemen maatregelen wanneer het vistuig vast komt aan de grond of aan een ander obstakel.
  11.4. Het terug vlot krijgen van een gestrand schip met en zonder hulp.
  11.5. Maatregelen te nemen na een aanvaring.
  11.6. Voorlopig opstoppen van lekken.
  11.7. Te nemen maatregelen voor de bescherming en de veiligheid van bemanning in kritieke situaties.
  11.8. Beperking van de schade en redden van het schip na een brand of explosie.
  11.9. Schip verlaten.
  11.10. Noodsturen, klaar maken en gebruik van noodinrichting voor het sturen, installatie van noodstuurinrichting indien mogelijk.
  11.11. Redden van personen van een schip in nood of van een wrak.
  11.12. Man-over-boord procedures.
  11.13. Slepen en gesleept worden.
  12. Medische hulp.
  12.1. Kennis van EHBO (eerste hulp bij ongevallen).
  12.2. Kennis van de te volgen procedures voor het verkrijgen van medisch advies per radio.
  12.3. Grondige kennis van het gebruik van de volgende publicaties :
  1. " Internationale Medische Gids voor Schepen " of gelijkwaardige nationale publicatie;
  2. Medische gedeelte van het " Internationaal Seinboek ".
  13. Maritieme wetgeving.
  13.1. Kennis van de internationale maritieme wetgeving zoals vervat in internationale overeenkomsten en conventies voor wat betreft de verplichtingen en verantwoordelijkheden van de schipper en in het bijzonder in verband met de veiligheid en met de bescherming van het mariene milieu. Bijzondere aandacht moet worden besteed aan volgende onderwerpen :
  1. certificaten en andere documenten waarvan de aanwezigheid aan boord van vissersvaartuigen is vereist ingevolge internationale conventies, voorwaarden voor het verkrijgen ervan en hun wettelijke geldigheidsduur;
  2. verantwoordelijkheden krachtens de relevante voorschriften van het Protocol van 1993 bij het Internationaal Verdrag betreffende de beveiliging van vissersvaartuigen, 1977 (Verdrag van Torremolinos);
  3. verantwoordelijkheden krachtens de relevante voorschriften van Hoofdstuk V van het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974;
  4. verantwoordelijkheden krachtens bijlage I en bijlage V van het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, zoals gewijzigd bij het Protocol van 1978 dat hierop betrekking heeft (Marpol 73/78);
  5. maritieme gezondheidsverklaringen, beschikkingen van de " Internationale Gezondheidsregeling ";
  6. verantwoordelijkheden krachtens het Verdrag inzake het Internationaal Reglement ter Voorkoming van Aanvaringen op Zee, 1972;
  7. verantwoordelijkheden krachtens de andere internationale instrumenten betreffende veiligheid van schip en bemanning.
  13.2. Kennis van de nationale maritieme wetgeving, met inbegrip van de nationale bepalingen betreffende de inwerkingtreding van toepasselijke internationale overeenkomsten en conventies.
  14. Engelse taal.
  Voldoende kennis van de Engelse taal die het mogelijk maakt kaarten en andere nautische publicaties te gebruiken, meteorologische informatie en berichten betreffende de veiligheid en de exploitatie van het schip te begrijpen, alsook zich duidelijk verstaanbaar te maken in gesprekken met andere schepen of met kuststations. Bekwaamheid om de standaardwoordenlijst voor de scheepvaart van de IMO (" Standard Marine Navigational Vocabulary ") te verstaan en te gebruiken voor de maritieme communicatie.
  15. Reddingmiddelen.
  15.1. Grondige kennis van de reddingmiddelen en van de te nemen maatregelen bij reddingacties.
  15.2. Grondige kennis van de procedures in noodgevallen, van de alarmrol en oefeningen.
  16. Opsporing en redding.
  Grondige kennis van het " Handboek voor opsporing en redding op zee (MERSAR) ".
  17. Noodprocedures en veiligheidsregels voor vissers en vissersvaartuigen.
  Kennis van deel A van het " FAO/ILO/IMO Veiligheidshandboek voor Vissers en Vissersvaartuigen " en van hoofdstuk VIII van bijlage I van het koninklijk besluit van 23 oktober 2001 betreffende de invoering van een geharmoniseerde veiligheidsregeling voor vissersvaartuigen en tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement.
  Voorschrift 2
  Eisen inzake vaarbevoegdheidsverlening voor stuurman onbeperkt vaargebied
  1. Elke stuurman dienst doend op een vissersvaartuig in een onbeperkt vaargebied is in het bezit van een passend vaarbevoegdheidsbewijs.
  2. Ieder die een passend vaarbevoegdheidsbewijs overeenkomstig lid 1 wenst te verkrijgen, moet :
  2.1. niet jonger zijn dan 18 jaar;
  2.2. een goedgekeurde diensttijd hebben behaald van ten minste vierentwintig maanden in de afdeling " dek " aan boord van vissersvaartuigen;
  2.3. houder zijn van het algemeen certificaat van radio-operator GMDSS;
  2.4. een goedgekeurde studie en opleiding hebben voltooid en voldoen aan de bekwaamheidsnormen van dit voorschrift.
  Bekwaamheidsnormen voor stuurman onbeperkt vaargebied
  1. Astronomische navigatie.
  Bekwaamheid om door astronomische waarnemingen de kompasfouten aan te tonen.
  2. Navigatie met land in zicht en kustvaart.
  2.1. Bekwaamheid om de positie te bepalen door middel van :
  1. landmerken;
  2. de hulpnavigatiemiddelen waaronder vuurtorens, bakens en boeien; en
  3. het gegist bestek, rekening houdend met wind, getij, stroom en de snelheid volgens het aantal omwentelingen van de schroef en aanduiding door de log.
  2.2. Grondige kennis van en bekwaamheid om zeekaarten en nautische publicaties zoals de vaaraanwijzingen, getijdentafels, berichten aan zeevarenden en navigatiewaarschuwingen over radio te gebruiken.
  3. Radarnavigatie.
  Kennis aantonen, met behulp van een radarsimulator, van de basisprincipes van de radar, van zijn werking en zijn toepassing, alsook van het vermogen tot interpretatie en ontleding van de gegevens geleverd door de radar, in het bijzonder :
  3.1. factoren die de werking en de precisie beïnvloeden;
  3.2. in werking zetten en bijregelen van het beeldscherm;
  3.3. onderkennen van valse voorstelling van informatie, van valse echo's, van golfreflectie, enz.;
  3.4. afstand en peiling;
  3.5. herkennen van kritische echo's;
  3.6. koers en snelheid van andere schepen;
  3.7. tijd en afstand van het dichtst punt van kruisen, van ontmoeten en van inhalen ten aanzien van andere naderende schepen;
  3.8. opmerken van verandering van koers en snelheid van andere schepen;
  3.9. gevolgen van verandering van koers en/of snelheid van eigen schip; en
  3.10. toepassing van het Internationaal Reglement ter Voorkoming van Aanvaringen op Zee, 1972.
  4. Wachtlopen.
  4.1. Grondige kennis aantonen van de inhoud, de toepassing en de bedoeling van het Internationaal Reglement ter Voorkoming van Aanvaringen op Zee, 1972, in het bijzonder de bijlagen II en IV met betrekking tot de veiligheid van de scheepvaart.
  4.2. Kennis aantonen van de basisbeginselen in acht te nemen bij het wachtlopen op de brug zoals vermeld in voorschrift 1,2.2.
  5. Elektronische plaatsbepaling- en navigatiesystemen.
  Bekwaamheid om de positie te bepalen gebruik makend van elektronische plaatsbepaling- en navigatiesystemen.
  6. Meteorologie.
  6.1. Kennis van meteorologische instrumenten en hun gebruik.
  6.2. Kennis van de eigenschappen van de verschillende weerkundige systemen.
  7. Magnetisch kompas en gyrokompas.
  Onderhoud en gebruik van de kompassen, bijhorende uitrusting en vereiste voorzorgen.
  8. Preventie van brand en materiaal ter bestrijding van brand.
  8.1. Kennis van de klassen van branden en scheikundige reacties bij branden.
  8.2. Kennis van de systemen en procedures voor het bestrijden van brand.
  8.3. Volgen van een erkende opleidingscursus in brandbestrijdingstechnieken.
  9. Reddingsmiddelen
  Bekwaamheid om oefeningen in schip verlaten te leiden en kennis van het gebruik van de reddingsmiddelen en hun uitrusting, in het bijzonder het radiotoestel met zend- en ontvangstinstallatie. Overlevingstechnieken, met inbegrip van de deelname aan een erkende opleidingscursus over overleven op zee.
  10. Noodprocedures en veilige arbeidspraktijk voor de bemanning van vissersvaartuigen.
  Kennis van de punten opgesomd in het deel A van de " FAO/ILO/IMO Veiligheidshandboek voor Vissers en Vissersvaartuigen " en van hoofdstuk VIII van bijlage I van het koninklijk besluit van 23 oktober 2001 betreffende de invoering van een geharmoniseerde veiligheidsregeling voor vissersvaartuigen en tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement.
  11. Het manoeuvreren met vissersvaartuigen.
  Basiskennis van manoeuvreren van en omgaan met vissersvaartuigen, in het bijzonder :
  11.1. aanleggen, vertrekken, ankeren en langszij komen van andere schepen op zee;
  11.2. manoeuvreren van het schip tijdens het vissen, met speciale aandacht voor factoren die de veiligheid van het schip dan nadelig kunnen beïnvloeden;
  11.3. invloed van wind, getij en stroom op het manoeuvreren van het schip;
  11.4. manoeuvreren in ondiep water;
  11.5. het beheersen van vissersvaartuigen bij slecht weer;
  11.6. redden van mensen en bijstand verlenen aan een schip of vliegtuig in nood;
  11.7. slepen en gesleept worden;
  11.8. man-over-boord procedures; en
  11.9. te nemen praktische maatregelen bij navigatie in ijsgebieden, in nabijheid van ijsbergen of in geval van aan boord aanvriezend ijs;
  12. Bouw van vissersvaartuigen.
  Algemene kennis van de elementaire principes van constructie van een schip.
  13. Stabiliteit van vissersvaartuigen
  Gebruik van stabiliteits- en trimtabellen alsook van vooraf berekende ladingstoestanden.
  14. Behandeling en stuwage van de vangst.
  Kennis van de principes van de veilige behandeling en het stuwen van de vangst, en de gevolgen die dit kan hebben op de veiligheid van het vaartuig.
  15. Engelse taal.
  Voldoende kennis van de Engelse taal die het mogelijk maakt kaarten en nautische publicaties te gebruiken, meteorologische informatie en berichten betreffende de veiligheid en de exploitatie van het schip te begrijpen, alsook zich duidelijk verstaanbaar te maken in gesprekken met andere schepen en met kuststations. Bekwaamheid om de standaardwoordenlijst voor de scheepvaart van de IMO (" Standard Marine Navigational Vocabulary ") te verstaan en te gebruiken.
  16. Medische hulp.
  Kennis van EHBO (eerste hulp bij ongevallen). Gebruik in de praktijk van medische gidsen en advies per radio.
  17. Opsporing en redding.
  Voldoende kennis van het " Handboek voor opsporing en redding op zee (MERSAR) ".
  18. Voorkomen van verontreiniging van het mariene milieu.
  Kennis van de voorzorgen in acht te nemen om verontreiniging van het mariene milieu te voorkomen.
  Voorschrift 3
  Eisen inzake vaarbevoegdheidsverlening voor schipper beperkt vaargebied
  1. Elke schipper dienst doend op een vissersvaartuig in een beperkt vaargebied is in het bezit van een passend vaarbevoegdheidsbewijs.
  2. Ieder die een passend vaarbevoegdheidsbewijs overeenkomstig lid 1 wenst te verkrijgen, moet :
  2.1. voldoen aan de eisen voor vaarbevoegdheidsverlening voor stuurman beperkt vaargebied en een goedgekeurde diensttijd van ten minste twaalf maanden hebben als stuurman aan boord van vissersvaartuigen;
  2.2. houder zijn van het algemeen certificaat van radio-operator voor GMDSS;
  2.3. een goedgekeurde studie en opleiding hebben voltooid en voldoen aan de bekwaamheidsnormen van dit voorschrift.
  Bekwaamheidsnormen voor schippers beperkt vaargebied
  1. Navigatie en positiebepaling.
  1.1. Reisplanning en navigatie in alle omstandigheden :
  1. door aanvaarde methodes van het uitzetten van koersen;
  2. in beperkte wateren;
  3. in ijs;
  4. bij beperkte zichtbaarheid;
  5. in verkeersscheidingsstelsels;
  6. in gebieden beïnvloed door getijden of stromingen.
  1.2. Positiebepaling :
  1. door waarneming met land in zicht, met inbegrip van het gebruik van peilingen van punten op land en van hulpnavigatiemiddelen zoals vuurtorens, bakens en boeien, alsook van zeekaarten, berichten aan zeevarenden en andere betrokken publicaties en nazicht van de juistheid van de bepaalde positie; en
  2. door het gebruik van elektronische hulpmiddelen bij de navigatie waarmee moderne vissersvaartuigen uitgerust zijn, in het bijzonder dankzij de kennis van hun werking, van hun beperkingen, van de bronnen van fouten, van het onderscheiden van juiste en verkeerde voorstelling van inlichtingen en van de manieren van verbetering, met het oog een juiste positiebepaling te verkrijgen.
  2. Wachtlopen.
  2.1. Grondige kennis aantonen van de inhoud, de toepassing en de bedoeling van het Internationaal Reglement ter Voorkoming van Aanvaringen op Zee, 1972, in het bijzonder de bijlagen II en IV met betrekking tot de veiligheid van de scheepvaart.
  2.2. Kennis aantonen van de basisbeginselen in acht te nemen bij het wachtlopen op de brug, zoals vermeld in voorschrift 1,2.2.
  3. Radarnavigatie.
  Kennis aantonen, met behulp van een radarsimulator, van de basisprincipes van de radar, van zijn werking en zijn toepassing, alsook van het vermogen tot interpretatie en ontleding van de gegevens geleverd door de radar, met inbegrip van :
  3.1. factoren die de werking en de precisie beïnvloeden;
  3.2. in werking zetten en bij regelen van het beeldscherm;
  3.3. onderkennen van valse voorstelling van informatie, van valse echo's, van golfreflectie, enz.;
  3.4. afstand en peiling;
  3.5. herkennen van kritische echo's;
  3.6. koers en snelheid van andere schepen;
  3.7. tijd en afstand van het dichtst punt van kruisen, van ontmoeten en van inhalen ten aanzien van andere naderende schepen;
  3.8. opmerken van verandering van koers en snelheid van andere schepen;
  3.9. gevolgen van verandering van koers en/of snelheid van eigen schip;
  3.10. toepassing van het Internationaal Reglement ter Voorkoming van Aanvaringen op Zee, 1972.
  4. Kompassen.
  Bekwaamheid tot het bepalen en verbeteren van kompasfouten.
  5. Meteorologie.
  5.1. Kennis van meteorologische instrumenten en hun gebruik.
  5.2. Bekwaamheid te werken met de beschikbare meteorologische informatie.
  5.3. Kennis van de eigenschappen van de verschillende weerkundige systemen die voorkomen in het beperkte vaargebied.
  5.4. Kennis van de weerkundige condities die voorkomen in het beperkte vaargebied die de veiligheid van het schip in het gedrang kunnen brengen.
  5.5. Indien van toepassing de bekwaamheid om de relevante nautische publicaties betreffende getijden en stromingen te gebruiken.
  6. Het varen en manoeuvreren met vissersvaartuigen.
  Manoeuvreren met vissersvaartuigen in alle omstandigheden, in het bijzonder :
  6.1. aanleggen, vertrekken en ankeren onder alle omstandigheden van wind en getij;
  6.2. manoeuvreren in ondiep water;
  6.3. varen en manoeuvreren met vissersvaartuigen in slechte weersomstandigheden, met inbegrip van de aangepaste snelheid, vooral bij volledig van achter inkomende en schuin van achter inkomende zeeën, bij assistentie aan een schip of vliegtuig in nood, manieren om te voorkomen dat een moeilijk te besturen schip dwars valt en de drift ervan beperken;
  6.4. manoeuvreren van het schip tijdens het vissen, met speciale aandacht voor factoren die de veiligheid van het schip nadelig kunnen beïnvloeden;
  6.5. te nemen voorzorgen bij het te water laten van hulpboten, reddingboten of reddingvlotten bij slechte weersomstandigheden;
  6.6. te volgen methode voor het aan boord nemen van overlevenden uit hulpboten, reddingboten of reddingvlotten;
  6.7. te nemen praktische maatregelen bij navigatie in ijsgebieden, in nabijheid van ijsbergen of in geval van aan boord aanvriezend ijs;
  6.8. gebruik van verkeersscheidingsstelsels en navigatie binnen deze stelsels; en
  6.9. belang van het varen bij lagere snelheid voor het vermijden van beschadigingen veroorzaakt door boeg- en hekgolf;
  7. Bouw en stabiliteit van vissersvaartuigen.
  7.1. Algemene kennis van de elementaire principes van constructie van een schip en de juiste benamingen van de verschillende delen.
  7.2. Kennis van de theorie en van de factoren die de trim en de stabiliteit beïnvloeden alsook van de noodzakelijke maatregelen om trim en stabiliteit op een veilig niveau te behouden.
  7.3. Aantonen van de bekwaamheid om stabiliteits- en trimtabellen te gebruiken alsook van vooraf berekende ladingstoestanden.
  7.4. Kennis van de invloed van vrije vloeistofoppervlakken en van aanvriezen van ijs.
  7.5. Kennis van de invloed van water op dek.
  7.6. Kennis van het belang van de waterdichte indeling en van de waterdichtheid tegen weer en wind.
  8. Behandeling en stuwage van de vangst.
  8.1. Het stuwen en vastzetten van de vangst aan boord van het schip, met inbegrip van het vistuig.
  8.2. De werkzaamheden bij het aan boord nemen en uitzetten van de vangst en bijzondere aandacht voor de daarbij door de vangst en het vistuig veroorzaakte hellingmomenten.
  9. Machines van het vissersvaartuig.
  9.1. Werkingsprincipes van scheepsmotoren van vissersvaartuigen.
  9.2. Hulpmotoren van het schip.
  9.3. Algemene kennis van de terminologie van scheepsmechanica.
  10. Preventie van brand en materiaal ter bestrijding van brand.
  10.1. Organisatie van brandoefeningen.
  10.2. Klassen van branden en scheikundige reacties bij branden.
  10.3. Systemen voor het bestrijden van brand.
  10.4. Volgen van een erkende opleidingscursus in brandbestrijdingstechnieken.
  10.5. Kennis van de voorschriften betreffende de uitrusting voor brandbestrijding.
  11. Noodprocedures.
  11.1. Te nemen voorzorgen bij de stranding van een schip.
  11.2. Te nemen maatregelen voor en na de stranding.
  11.3. Te nemen maatregelen wanneer het vistuig vast komt aan de grond of aan een ander obstakel.
  11.4. Het terug vlot krijgen van een gestrand schip met en zonder hulp.
  11.5. Maatregelen te nemen na een aanvaring.
  11.6. Voorlopig opstoppen van lekken.
  11.7. Te nemen maatregelen voor de bescherming en de veiligheid van bemanning in kritieke situaties.
  11.8. Beperking van de schade en redden van het schip na een brand of explosie.
  11.9. Schip verlaten.
  11.10. Noodsturen, klaar maken en gebruik van noodinrichting voor het sturen, installatie van noodstuurinrichting indien mogelijk.
  11.11. Redden van personen van een schip in nood of van een wrak.
  11.12. Man-over-boord procedures.
  11.13. Slepen en gesleept worden.
  12. Medische hulp.
  12.1. Kennis van EHBO (eerste hulp bij ongevallen). Gebruik in de praktijk van medische gidsen en advies per radio.
  12.2. Gebruik in de praktijk van de medische gidsen en advies per radio, daarbij met inbegrip van de bekwaamheid om doeltreffende handelingen te stellen bij ongevallen of ziektes die zich aan boord kunnen voordoen op basis van de verkregen informatie.
  13. Maritieme wetgeving.
  13.1. Rekening houdend met het beperkt vaargebied, de kennis van de internationale maritieme wetgeving zoals vervat in internationale overeenkomsten en conventies voor wat betreft de verplichtingen en verantwoordelijkheden van de schipper, in het bijzonder de regels in verband met de veiligheid en met de bescherming van het mariene milieu.
  13.2. Kennis van de nationale bepalingen betreffende het in werking treden van toepasselijke internationale overeenkomsten en conventies.
  14. Engelse taal.
  Voldoende kennis van de Engelse taal die het mogelijk maakt kaarten en andere nautische publicaties te gebruiken, meteorologische informatie en berichten betreffende de veiligheid en de exploitatie van het schip te begrijpen, alsook zich duidelijk verstaanbaar te maken in gesprekken met andere schepen of met kuststations. Bekwaamheid om de standaardwoordenlijst voor de scheepvaart van de IMO (" Standard Marine Navigational Vocabulary ") te verstaan en te gebruiken.
  15. Reddingsmiddelen
  Kennis van de reddingsmiddelen voorzien aan boord van vissersvaartuigen. Het organiseren van de oefeningen " schip verlaten " en het gebruik van de uitrusting.
  16. Opsporing en redding
  Kennis van de procedures voor opsporing en redding.
  17. Kennis van deel A van het " FAO/ILO/IMO Veiligheidshandboek voor Vissers en Vissersvaartuigen ".
  Voorschrift 4
  Eisen inzake vaarbevoegdheidsverlening voor stuurman beperkt vaargebied
  1. Elke stuurman dienst doend op een vissersvaartuig in een beperkt vaargebied is in het bezit van een passend vaarbevoegdheidsbewijs.
  2. Ieder die een passend vaarbevoegdheidsbewijs overeenkomstig lid 1 wenst te verkrijgen, moet :
  2.1. niet jonger zijn dan 18 jaar;
  2.2. een goedgekeurde diensttijd hebben behaald van ten minste vierentwintig maanden in de afdeling " dek " aan boord van vissersvaartuigen;
  2.3. houder zijn van het algemeen certificaat van radio-operator GMDSS;
  2.4. een goedgekeurde studie en opleiding hebben voltooid en voldoen aan de bekwaamheidsnormen van dit voorschrift.
  Bekwaamheidsnormen voor stuurman beperkt vaargebied
  1. Navigatie met land in zicht en kustvaart.
  1.1. Bekwaamheid om de positie te bepalen door middel van :
  1. landmerken;
  2. de hulpnavigatiemiddelen waaronder vuurtorens, bakens en boeien; en
  3. het gegist bestek, rekening houdend met wind, getij, stroom en de snelheid volgens het aantal omwentelingen van de schroef of aanduiding door de log.
  1.2. Grondige kennis van en bekwaamheid om zeekaarten en nautische publicaties, zoals de vaaraanwijzingen, getijdentafels, berichten aan zeevarenden en navigatiewaarschuwingen over radio te gebruiken.
  2. Radarnavigatie.
  Kennis aantonen, met behulp van een radarsimulator, van de basisprincipes van de radar, van zijn werking en zijn toepassing, alsook van het vermogen tot interpretatie en ontleding van de gegevens geleverd door de radar, met inbegrip van het volgende :
  2.1. factoren die de werking en de precisie beïnvloeden;
  2.2. in werking zetten en bijregelen van het beeldscherm;
  2.3. onderkennen van valse voorstelling van informatie, van valse echo's, van golfreflectie, enz.;
  2.4. afstand en peiling;
  2.5. herkennen van kritische echo's;
  2.6. koers en snelheid van andere schepen;
  2.7. tijd en afstand van het dichtst punt van kruisen van schepen, van ontmoeten en van inhalen ten aanzien van andere naderende schepen;
  2.8. opmerken van verandering van koers en snelheid van andere schepen;
  2.9. gevolgen van verandering van koers en/of snelheid van eigen schip; en
  2.10. toepassing van het Internationaal Reglement ter Voorkoming van Aanvaringen op Zee, 1972.
  3. Wachtlopen.
  3.1. Grondige kennis aantonen van de inhoud, de toepassing en de bedoeling van het Internationaal Reglement ter Voorkoming van Aanvaringen op Zee, 1972, in het bijzonder van de bijlagen II en IV met betrekking tot de veiligheid van de scheepvaart.
  3.2. Kennis aantonen van de basisbeginselen in acht te nemen bij het wachtlopen op de brug zoals vermeld in voorschrift 1,2.2.
  4. Elektronische navigatie- en plaatsbepalingsystemen.
  Naar het oordeel van de met scheepvaartcontrole belaste ambtenaar die daartoe aangesteld is, op voldoende wijze de bekwaamheid aantonen om de positie te bepalen gebruik makend van elektronische plaatsbepalingsystemen.
  5. Meteorologie.
  5.1. Kennis van meteorologische instrumenten aan boord en hun gebruik.
  5.2. Kennis van de eigenschappen van de verschillende weerkundige systemen die zich voordoen in het beperkt vaargebied.
  6. Kompassen.
  Bekwaamheid tot het bepalen en verbeteren van kompasfouten.
  7. Bestrijding van brand.
  7.1. Kennis van de brandpreventie en van het gebruik van de uitrusting voor brandbestrijding.
  7.2. Deelname aan een erkende opleidingscursus in brandbestrijdingstechnieken.
  8. Reddingsmiddelen
  8.1. Kennis van de reddingsmiddelen aan boord van vissersvaartuigen. Het organiseren van de oefeningen "schip verlaten " en het gebruik van de uitrusting.
  8.2. Deelname aan een erkende cursus in overleven op zee.
  9. Noodprocedures en veilige arbeidspraktijk voor de bemanning van vissersvaartuigen.
  Kennis van de punten opgesomd in het betreffende deel A van het " FAO/ILO/IMO Veiligheidshandboek voor Vissers en Vissersvaartuigen " en in hoofdstuk VIII van bijlage I van het koninklijk besluit van 23 oktober 2001 betreffende de invoering van een geharmoniseerde veiligheidsregeling voor vissersvaartuigen en tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement.
  10. Het varen en manoeuvreren met vissersvaartuigen.
  Basiskennis van manoeuvreren van en omgaan met vissersvaartuigen, in het bijzonder :
  10.1. aanleggen, vertrekken, ankeren en langszij komen van andere schepen op zee;
  10.2. manoeuvreren van het schip tijdens het vissen, met speciale aandacht voor factoren die het gedrag van het schip nadelig kunnen beïnvloeden tijdens die handelingen;
  10.3. invloed van wind, getij en stroom op het manoeuvreren van het schip;
  10.4. manoeuvreren in ondiep water;
  10.5. behandelen van vissersvaartuig in zwaar weer;
  10.6. redden van mensen en bijstand verlenen aan een schip of vliegtuig in nood;
  10.7. slepen en gesleept worden;
  10.8. man-over-boord procedures; en
  10.9. te nemen praktische maatregelen bij navigatie in ijsgebieden, in nabijheid van ijsbergen of in geval van aan boord aanvriezend ijs.
  11. Stabiliteit van vissersvaartuigen
  Bekwaamheid aantonen in het gebruik van stabiliteitsgegevens, stabiliteits- en trimtabellen alsook van vooraf berekende ladingstoestanden.
  12. Behandeling en opbergen van de vangst.
  Kennis van de veiligheidsprincipes in acht te nemen tijdens de handelingen van de behandeling en het opbergen van de vangst, en kennis van hun weerslag op de veiligheid van het vaartuig.
  13. Bouw van vissersvaartuigen.
  Algemene kennis van de elementaire principes van constructie van een schip.
  14. Medische hulp.
  Kennis van EHBO (eerste hulp bij ongevallen). Gebruik in de praktijk van medische gidsen en advies per radio.
  15. Opsporing en redding.
  Kennis van de procedures voor opsporing en redding.
  16. Voorkomen van verontreiniging van het mariene milieu.
  Kennis van de voorzorgen in acht te nemen om verontreiniging van het mariene milieu te voorkomen.
  Voorschrift 5
  Eisen inzake vaarbevoegdheidsverlening voor motorist 221 kW, motoristen 750 kW en motoristen onbeperkt voortstuwingsvermogen
  1. Elke motorist dienst doende op een vissersvaartuig is in het bezit van een passend vaarbevoegdheidsbewijs.
  2. Ieder die een passend vaarbevoegdheidsbewijs overeenkomstig lid 1 wenst te verkrijgen, moet :
  2.1. niet jonger zijn dan 18 jaar;
  2.2. een goedgekeurde diensttijd hebben behaald van :
  - ten minste zes maanden voor het verlenen van een vaarbevoegdheidsbewijs van motorist 221 kW,
  - ten minste twaalf maanden in de afdeling " machine " aan boord van vissersvaartuigen voor het verlenen van een vaarbevoegdheidsbewijs van motorist 750 kW, of
  - ten minste twaalf maanden in de afdeling " machine " aan boord van vissersvaartuigen met een voortstuwingsvermogen van meer dan 750 kW voor het verlenen van een vaarbevoegdheidsbewijs van motorist onbeperkt voortstuwingsvermogen;
  2.3. een goedgekeurde studie en opleiding hebben voltooid en voldoen aan de bekwaamheidsnormen van dit voorschrift.
  Bekwaamheidsnormen voor motoristen
  1. Motorist 221 kW
  1.1. Kennis van de werking van de werktuigen en toestellen die normaal aangetroffen worden in de machinekamer van vissersvaartuigen met een voortstuwingsinstallatie tot 221 kW.
  1.2. Kennis van de normale bedrijfsvoorschriften betreffende het in gang zetten, de bediening tijdens het bedrijf en het stilleggen van in punt 1.1 bedoelde werktuigen en toestellen.
  1.3. Kennis, met inbegrip van cijfergegevens, van de onderhoudsvoorschriften vóór, tijdens en na het bedrijf van de in punt 1.1 bedoelde werktuigen en toestellen.
  2. Motorist 750 kW en motorist onbeperkt voortstuwingsvermogen
  2.1. Elke kandidaat beschikt over voldoende elementaire theoretische kennis om de basisprincipes te begrijpen van de volgende elementen :
  1. verbrandingsprocessen;
  2. warmteleer;
  3. mechanica, hydraulica en pneumatica;
  4. scheepsdieselmotoren;
  5. stuurinrichting;
  6. eigenschappen van brandstoffen en smeermiddelen;
  7. eigenschappen van materialen;
  8. brandbestrijdingsmiddelen;
  9. elektrische scheepsuitrustingen;
  10. automatisering, meet- en regeltechniek;
  11. bouw van vissersvaartuigen, met inbegrip van stabiliteit en controle van lekgevallen;
  12. hulpwerktuigen; en
  13. koeltechniek.
  2.2. Elke kandidaat beschikt over voldoende praktische kennis van :
  1. bediening en onderhoud van scheepsdieselmotoren;
  2. bediening en onderhoud van hulpwerktuigen, met inbegrip van stuurinrichtingen;
  3. bedienen, testen en onderhoud van elektrische installaties en van meet- en regelinrichtingen;
  4. onderhoud van visinstallaties en van hulpwerktuigen aan dek;
  5. opsporen van gebreken aan het functioneren van werktuigen, lokaliseren van defecten en voorkomen van averij;
  6. organisatie van veilige onderhouds- en herstellingswerkzaamheden;
  7. methodes van en hulpmiddelen voor het voorkomen, ontdekken en blussen van brand;
  8. in acht te nemen maatregelen bij bedrijfsverontreiniging of bij accidentele verontreiniging van het mariene milieu en methodes en hulpmiddelen om deze te vermijden;
  9. eerste hulp bij ongevallen voorkomend in machinekamers en gebruik van materiaal bij eerste hulp;
  10. kennis en gebruik van reddingsmiddelen;
  11. controle van lekgevallen, in het bijzonder de te nemen maatregelen bij het binnendringen van zeewater in de machinekamer en hulpmiddelen om ze te vermijden; en
  12. veiligheid op het werk.
  2.3. Elke kandidaat beschikt over kennis van de internationale maritieme wetgeving zoals vervat in internationale overeenkomsten en conventies voor wat betreft de verplichtingen en verantwoordelijkheden van de motorist, en in het bijzonder in verband met veiligheid en met de bescherming van het mariene milieu. Elke kandidaat beschikt over kennis van de nationale maritieme wetgeving, in het bijzonder de bepalingen betreffende het in werking treden van toepasselijke internationale overeenkomsten en conventies.
  2.4. Elke kandidaat beschikt over kennis van het beheer, de organisatie en de opleiding van het personeel aan boord van vissersvaartuigen.
  Voorschrift 6
  Eisen inzake vaarbevoegdheidsverlening voor roerganger
  1. Elke roerganger dienst doend op een vissersvaartuig is in het bezit van een passend vaarbevoegdheidsbewijs.
  2. Ieder die een passend vaarbevoegdheidsbewijs overeenkomstig lid 1 wenst te verkrijgen, moet :
  2.1. niet jonger zijn dan 18 jaar;
  2.2. een goedgekeurde diensttijd hebben behaald van ten minste zes maanden aan boord van vissersvaartuigen;
  2.3. voldoen aan de bekwaamheidsnormen omschreven in sectie A-II/4 van de STCW-code;
  2.4. bekend zijn met de basisprincipes die moeten worden gevolgd bij het veilig wachtlopen vermeld in voorschrift 1,2.2;
  2.5. bekend zijn met de hulpmiddelen voor navigatie, met inbegrip van vuurtorens, bakens en boeien;
  2.6. bekend zijn met de inhoud, de toepassing en het doel van het Internationaal Reglement ter Voorkoming van Aanvaringen op Zee, 1972; en
  2.7. bekend zijn met het basisgebruik van de navigatieuitrusting aan boord van vissersvaartuigen zoals het magnetische kompas, radar en GPS (Global Positioning System - satellietnavigatiesysteem).
  [1 Voorschrift 6bis
   Eisen inzake vaarbevoegdheidsverlening voor matroos
   1. Elke matroos dienst doend op een vissersvaartuig is in het bezit van een passend vaarbevoegdheidsbewijs.
   2. Ieder die een passend vaarbevoegdheidsbewijs overeenkomstig lid 1 wenst te verkrijgen, moet:
   2.1. niet jonger zijn dan 16 jaar, tenzij anders is bepaald in de Belgisch wet- of regelgeving;
   2.2. voldoen aan voorschrift 7.]1

  Voorschrift 7
  Basisopleiding in veiligheid voor elk bemanningslid op vissersvaartuigen
  1. Bemanningsleden van vissersvaartuigen zullen, vooraleer hen taken aan boord worden opgedragen, een basisopleiding volgen in :
  1.1. persoonlijke overlevingstechnieken, met inbegrip van het aandoen van reddingsvesten en, indien van toepassing, overlevingspakken;
  1.2. het voorkomen en bestrijden van brand;
  1.3. noodprocedures;
  1.4. elementaire eerste hulp;
  1.5. voorkoming van vervuiling op zee; en
  1.6. voorkoming van arbeidsongevallen aan boord.
  2. Voor zover van toepassing aan boord van vissersvaartuigen is de basisopleiding vermeld onder lid 1 in overeenstemming met sectie A-VI/1 van de STCW-code.
  3. Indien de basisopleiding in veiligheid geen deel uitmaakt van de bekwaamheidsnormen vereist inzake vaarbevoegdheidsverlening, moet een apart certificaat of een apart attest worden afgeleverd dat aantoont dat de houder de basisopleiding heeft gevolgd.
  4. Bemanningsleden worden geacht aan de eisen van dit voorschrift te voldoen indien zij een goedgekeurde diensttijd aan boord van vissersvaartuigen hebben behaald van ten minste twaalf maanden in de laatste vijf jaar voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit.
  Voorschrift 8
  [2 Eisen om de voortduring van de beroepsbekwaamheid bedoeld in artikel 9, § 1, b te waarborgen.
   Om de voortduring van de beroepsbekwaamheid bedoeld in artikel 9, § 1, b, te waarborgen, moet elke matroos een goedgekeurde periodieke scholing zeevisserij overeenkomstig de eisen van bijlage III, hebben ontvangen tijdens de geldigheidsduur van hun vaarbevoegdheidsbewijs en geslaagd zijn voor de goedgekeurde bijbehorende test.
   Om de voortduring van de beroepsbekwaamheid bedoeld in artikel 9, § 1, b, te waarborgen, voldoet elke schipper, stuurman, motorist of roerganger aan de volgende eisen:
   1. een goedgekeurde diensttijd van ten minste twaalf maanden aan boord van vissersvaartuigen hebben volbracht, een goedgekeurde periodieke scholing zeevisserij overeenkomstig de eisen van bijlage III, hebben ontvangen tijdens de geldigheidsduur van hun vaarbevoegdheidsbewijs en geslaagd zijn voor de goedgekeurde bijbehorende test;
   2. een cursus in de zin van artikel 9, § 2, hebben gevolgd en een goedgekeurde diensttijd van ten minste drie maanden hebben volbracht als bemanningslid aan boord van een vissersvaartuig onmiddellijk voor het dienst doen op zee in de functie waarvoor het vaarbevoegdheidsbewijs geldig is.]2

  
Art. N1. Annexe Ire. - Prescriptions de formation visées à l'article 3
  Règle 1
  Prescriptions pour la délivrance du brevet de patron des eaux illimitées
  1. Tout patron servant à bord d'un navire de pêche dans les eaux illimitées est titulaire d'un brevet approprié.
  2. Tout candidat à un brevet approprié conformément à l'alinéa 1er doit :
  2.1.satisfaire aux prescriptions relatives à la délivrance du brevet de second des eaux illimitées et avoir accompli un service en mer approuvé de douze mois au moins en tant que second ou en tant que patron à bord des navires de pêche;
  2.2. être titulaire d'un certificat général d'opérateur pour le SMDSM;
  2.3. avoir suivi un enseignement et une formation approuvés et satisfaire aux normes de compétence spécifiées de cette règle.
  Normes de compétences de patron des eaux illimitées
  1. Navigation et détermination de la position
  1.1. Planification du voyage et navigation dans toutes les conditions :
  1. par des méthodes acceptables de tracé des routes océaniques;
  2. dans des eaux resserrées;
  3. dans les glaces;
  4. par visibilité réduite;
  5. dans des dispositifs de séparation du trafic; et
  6. dans des zones soumises aux marées ou aux courants.
  1.2. Détermination de la position :
  1. par des observations astronomiques;
  2. par des observations en vue de terre, y compris l'utilisation des relèvements d'amers et d'aides à la navigation telles que phares, balises et bouées, ainsi que des cartes, des avis aux navigateurs et autres publications appropriées en vue d'évaluer l'exactitude du point en résultant; et
  3. par l'emploi des aides électroniques modernes à la navigation dont sont équipés les navires de pêche, et en particulier grâce à la connaissance de leurs principes de fonctionnement, de leurs limitations, des sources d'erreur, de la détection des présentations erronées de renseignements et des méthodes de correction en vue de déterminer exactement la position.
  2. Tenue du quart
  2.1. Démontrer une connaissance approfondie du contenu, de l'application et de l'esprit du Règlement international de 1972 pour prévenir les abordages en mer, notamment des Annexes II et IV qui intéressent la sécurité de la navigation.
  2.2. Démontrer une connaissance des "Principes fondamentaux à observer lors du quart à la passerelle", libellé comme suit :
  " Principes fondamentaux à observer lors du quart à la passerelle à bord des navires de pêche.
  Le patron de tout navire de pêche doit veiller à ce que l'organisation de la tenue du quart permette d'assurer le quart à la passerelle en toute sécurité. Sous son autorité générale, les membres de l'équipage de quart sont chargés, pendant leur période de service, d'assurer la sécurité de la navigation du navire de pêche et notamment d'éviter les abordages et les échouements.
  Les principes fondamentaux énumérés ci-dessous, sans que la liste soit limitative, doivent être observés à bord de tous les navires de pêche.
  A. Navires à destination ou en provenance des lieux de pêche
  A.1. Organisation du quart à la passerelle
  A.1.1. La composition de l'équipe de quart doit être en tout temps adéquate et adaptée aux circonstances et conditions régnantes et tenir compte de la nécessité de maintenir une veille appropriée.
  A.1.2. Pour déterminer la composition de l'équipe de quart, on doit prendre notamment en considération les facteurs suivants :
  1. obligation de ne laisser à aucun moment la timonerie sans personnel;
  2. conditions météorologiques, visibilité, jour ou nuit;
  3. proximité de dangers pour la navigation susceptible d'imposer au membre de l'équipage chargé du quart des tâches supplémentaires relatives à la navigation;
  4. utilisation et état de fonctionnement des aides à la navigation telles que le radar ou les dispositifs électroniques d'indication de position et de tout autre appareil affectant la sécurité de la navigation du navire;
  5. existence d'un pilote automatique; et
  6. pressions inhabituelles que pourraient imposer au quart à la passerelle des circonstances spéciales sur le plan de l'exploitation.
  A.2. Aptitude au service
  Le système de quart doit être tel que l'efficacité du personnel de quart ne soit pas compromise par la fatigue. Les tâches doivent être organisées de telle sorte que les membres du premier quart au début d'un voyage et ceux des quarts suivants qui assurent la relève, soient suffisamment reposés et aptes au service à tous autres égard.
  A.3. Navigation
  A.3.1. Il faut, dans la mesure du possible, planifier à l'avance le voyage prévu en tenant compte de toutes les informations pertinentes; la route à suivre doit être portée sur la carte et vérifiée avant le début du voyage.
  A.3.2. Pendant le quart, il faut vérifier le cap, la position et la vitesse du navire à des intervalles suffisamment fréquents en utilisant toute aide à la navigation nécessaire dont on dispose pour s'assurer que le navire suit la route prévue.
  A.3.3. Le membre de l'équipage chargé du quart doit connaître parfaitement l'emplacement et le fonctionnement de l'ensemble du matériel de sécurité et de navigation à bord du navire; il doit être conscient et tenir compte des limites de fonctionnement de ce matériel.
  A.3.4. Le membre de l'équipage chargé du quart à la passerelle ne doit entreprendre, ni se voir confier aucune tâche de nature à compromettre la sécurité de la navigation.
  A.4. Matériel de navigation
  A.4.1. Le membre de l'équipage chargé du quart doit utiliser le plus efficacement possible tout le matériel de navigation dont il dispose.
  A.4.2. Lorsqu'il utilise le radar, le membre de l'équipage chargé du quart doit tenir compte de la nécessité d'observer à tout moment les dispositions relatives à l'utilisation du radar qui figurent dans les règles applicables pour prévenir les abordages en mer.
  A.4.3. En cas de nécessité, le membre de l'équipage de quart ne doit pas hésiter à faire usage de la barre, des machines, ainsi que du matériel de signalisation sonore et lumineuse.
  A.5. Tâches et responsabilités relatives à la navigation
  A.5.1. Le membre de l'équipage chargé du quart doit :
  1. tenir le quart à la timonerie;
  2. ne quitter la timonerie en aucun cas avant d'avoir été dûment relevé;
  3. rester responsable de la sécurité de la navigation malgré la présence du patron à la timonerie jusqu'à ce qu'il ait été expressément informé que le patron assume cette responsabilité et que cela soit réciproquement compris;
  4. prévenir le patron s'il a des doutes quant aux mesures à prendre pour assurer la sécurité du navire; et
  5. ne pas passer le quart au membre de l'équipage de relève s'il y a des raisons de penser que ce dernier n'est pas capable de s'acquitter efficacement des tâches relatives au quart, auquel cas le patron doit en être informé.
  A.5.2. Avant de prendre le quart, le membre de l'équipage de relève doit vérifier le point estimé ou vrai du navire et confirmer la route, le cap et la vitesse prévus et doit prendre note de tout danger pour la navigation qu'il peut s'attendre à rencontrer durant son quart.
  A.5.3. Durant le quart, lorsque cela est possible, il faut noter soigneusement les mouvements et activités relatifs à la navigation du navire.
  A.6. Veille
  A.6.1. Une veille satisfaisante doit être maintenue conformément à la règle 5 du Règlement international de 1972 pour prévenir les abordages en mer et doit consister à :
  1. maintenir une vigilance constante, visuelle et auditive, ainsi que par tous les autres moyens disponibles, en ce qui concerne toute modification sensible des conditions d'exploitation;
  2. évaluer pleinement la situation et les risques d'abordage ou d'échouement ainsi que les autres dangers pour la navigation; et
  3. repérer les navires ou aéronefs en détresse, les naufragés, les épaves et les débris.
  A.6.2. Lorsqu'il vérifie que la composition de l'équipe de quart à la passerelle permet de maintenir en permanence une veille satisfaisante, le patron doit tenir compte de tous les facteurs pertinents, dont ceux qui sont énoncés au point A.1. de la présente règle, ainsi que des facteurs suivants :
  1. visibilité, conditions météorologiques et état de la mer;
  2. densité du trafic et autres activités menées dans la zone où le navire fait route;
  3. attention nécessaire pour naviguer à l'intérieur ou à proximité de dispositifs de séparation du trafic et autres mesures d'organisation du trafic;
  4. charge de travail supplémentaire due au caractère des fonctions du navire, aux exigences immédiates en matière d'exploitation et aux manoeuvres anticipées;
  5. commande du gouvernail et de l'hélice et qualités manoeuvrières du navire;
  6. aptitude physique de tout membre de l'équipage de service susceptible d'être affecté à la bordée du quart;
  7. connaissance des compétences professionnelles des membres de l'équipage et de l'équipage du navire et confiance dans ces compétences;
  8. expérience du membre de l'équipage avec le matériel, les procédures de bord et la capacité de manoeuvre du navire;
  9. activités menées à bord du navire à un moment donné et disponibilité d'une assistance immédiate à la timonerie en cas de besoin;
  10. état de fonctionnement des instruments de la timonerie et des commandes, y compris des dispositifs d'alarme;
  11. dimension du navire et champ de vision depuis le poste d'où le navire est commandé;
  12. configuration de la timonerie dans la mesure où elle risque d'empêcher un membre de l'équipe de quart de percevoir visuellement ou à l'ouïe, tout élément nouveau extérieur; et
  13. toutes normes, procédures et directives applicables à l'organisation de la tenue du quart et à l'aptitude physique.
  A.7. Protection du milieu marin
  Le patron et le membre de l'équipage chargé du quart doivent être conscients de la gravité des conséquences que peut avoir une pollution opérationnelle ou accidentelle du milieu marin. Ils doivent prendre toutes les précautions possibles pour empêcher une telle pollution, notamment en appliquant les règles internationales et les règlements portuaires pertinents.
  A.8. Conditions météorologiques
  Le membre de l'équipage chargé du quart doit prendre les mesures appropriées et informer le patron lorsque des détériorations des conditions météorologiques peuvent compromettre la sécurité du navire, notamment si elles donnent lieu à une accumulation de glace.
  B. Navigation avec une pilote à bord
  La présence d'un pilote à bord ne décharge pas le patron ou le membre de l'équipage chargé du quart des tâches et obligations qui leur incombent sur le plan de la sécurité du navire. Le patron et le pilote doivent échanger des renseignements sur les procédures de navigation, les conditions locales et les caractéristiques du navire. Le patron et le membre de l'équipage chargé du quart doivent coopérer étroitement avec le pilote et vérifier de manière précise la position et les mouvements du navire.
  C. Navires en train de pêcher ou de chercher du poisson
  C.1. Outre les principes énumérés au point A de cette règle, le membre de l'équipage chargé du quart doit tenir compte des éléments ci-après et prendre à cet effet les mesures appropriées :
  1. autres navires en train de pêcher et leurs apparaux de pêche, qualités manoeuvrières de son propre navire, notamment distance d'arrêt et diamètre du cercle de giration à la vitesse de croisière et avec les apparaux de pêche par-dessus bord;
  2. sécurité de l'équipage sur le pont;
  3. effets défavorables exercés sur la sécurité du navire et de son équipage par la réduction de la stabilité et du franc-bord qui est provoquée par de forces exceptionnelles résultant des opérations de pêche, de la manutention et de l'arrimage de la prise ainsi que d'états de la mer et de conditions météorologiques inhabituels;
  4. proximité d'ouvrages au large des côtes, une attention particulière étant accordée aux zones de sécurité; et
  5. présence d'épaves et autres obstacles immergés qui pourraient être dangereux pour les apparaux de pêche.
  C.2. Lors de l'arrimage de la prise, il faut veiller à respecter les exigences essentielles pour assurer l'étanchéité à l'eau du navire ainsi qu'un franc-bord et une stabilité suffisants à tout moment pendant le voyage vers le port de débarquement, en tenant compte de la consommation de combustible et d'approvisionnements, du risque de conditions météorologiques défavorables et, en hiver notamment, du risque d'accumulation de glace sur les ponts découverts ou au-dessus de ceux-ci, dans les zones où elle est susceptible de se produire.
  D. Quart au mouillage
  Le patron doit s'assurer, aux fins de la sécurité du navire et de l'équipage, qu'un quart satisfaisant est assuré en permanence depuis la timonerie ou le pont des navires de pêche au mouillage.
  E. Veille radioélectrique
  Le patron doit s'assurer qu'une veille radioélectrique adéquate est maintenue sur les fréquences appropriées, compte tenu des prescriptions internationales, pendant que le navire est en mer. "
  3. Navigation au radar
  Démontrer, à l'aide d'un simulateur de radar ou, à défaut, d'un plateau de manoeuvre, une connaissance des principes fondamentaux du radar et une aptitude à le faire fonctionner et l'utiliser ainsi qu'à interpréter et analyser les informations fournies par l'appareil, y compris ce qui suit :
  3.1. facteurs affectant le fonctionnement et la précision;
  3.2. réglage initial et entretien de limage;
  3.3. détection des présentations erronées de renseignements, des faux échos, des retours de mer, etc.;
  3.4. distance et relèvement;
  3.5. identification des échos critiques;
  3.6. route et vitesse d'autres navires;
  3.7. heure et point de rapprochement maximal de navires traversiers, en routes convergentes ou rattrapants;
  3.8. détection des changements de route et de vitesse d'autres navires;
  3.9. effets des changements de route et/ou de vitesse du navire porteur; et
  3.10. application du Règlement international de 1972 pour prévenir les abordages en mer.
  4. Compas magnétique et gyroscopique
  Aptitude à déterminer et à corriger les erreurs du compas magnétique et du compas gyroscopique à l'aide d'observations en vue de terre et astronomiques.
  5. Météorologie et océanographie
  5.1. Connaissance des instruments météorologiques et de leur utilisation.
  5.2. Aptitude à utiliser les renseignements météorologiques disponibles.
  5.3. Connaissance des caractéristiques des divers phénomènes météorologiques, notamment des cyclones tropicaux et de moyens d'éviter leur centre et leurs secteurs dangereux.
  5.4. Connaissance des conditions météorologiques, telles que le brouillard, susceptibles de mettre le navire en danger.
  5.5. Aptitude à utiliser les publications nautiques pertinentes relatives aux marées et aux courants.
  5.6. Aptitude à calculer l'heure et la hauteur de la pleine mer et de la basse mer, ainsi que la direction et la vitesse des courants de marée.
  6. Manoeuvre des navires de pêche
  Manoeuvre d'un navire de pêche dans toutes les conditions, notamment :
  6.1. accostage, appareillage et manoeuvre des ancres dans diverses conditions de vent et de marée;
  6.2. manoeuvre en eaux peu profondes;
  6.3. maîtrise et manoeuvre du navire de pêche par gros temps, y compris la vitesse appropriée, en particulier par mer de l'arrière et mer oblique, assistance à un navire ou un aéronef en détresse, moyens permettant d'empêcher un navire difficile à gouverner de tomber en travers, et de réduire la dérive;
  6.4. manoeuvre du navire pendant les opérations de pêche, une attention particulière étant accordée aux facteurs susceptibles de compromettre la sécurité du navire pendant ces opérations;
  6.5. précautions à prendre lors des manoeuvres de mise à l'eau des canots de secours ou des embarcations ou radeaux de sauvetage par mauvais temps;
  6.6. méthodes à suivre pour hisser à bord du navire des survivants à partir de cants de secours ou d'embarcations ou radeaux de sauvetage;
  6.7. mesures pratiques à prendre en cas de navigation dans les glaces, en présence d'icebergs ou en cas d'accumulation de glace à bord;
  6.8. utilisation des dispositifs de séparation du trafic et navigation à l'intérieur de ces dispositifs;
  6.9. importance qu'il y a à naviguer à vitesse réduite pour éviter les avaries causées par les lames de proue et de poupe produites par le navire;
  6.10. transfert du poisson en mer vers des navires-usines ou d'autres navires; et
  6.11. ravitaillement en combustible en mer.
  7. Construction et stabilité des navires de pêche
  7.1. Connaissance générale des principaux éléments de construction d'un navire et de l'appellation correcte des différentes parties.
  7.2. Connaissance des théories et des facteurs qui influent sur l'assiette et la stabilité ainsi que des mesures nécessaires pour conserver une assiette et une stabilité assurant une sécurité suffisante.
  7.3. Démontrer l'aptitude à utiliser les données de stabilité, les tables de stabilité et d'assiette et les calculs préalables des conditions d'exploitation.
  7.4. Connaissance des effets des carènes liquides et de l'accumulation de glace.
  7.5. Connaissance des effets de l'eau embarquée sur le pont.
  7.6. Connaissance de l'importance de l'étanchéité aux intempéries et de l'étanchéité à l'eau du navire.
  8. Manutention et arrimage de la prise
  8.1. Arrimage et assujettissement de la prise à bord du navire, y compris les apparaux de pêche.
  8.2. Opérations de chargement et de déchargement et, plus particulièrement, moments d'inclinaison dus aux apparaux et à la prise.
  9. Machines des navires de pêche
  9.1. Principes de fonctionnement des machines marines des navires de pêche.
  9.2. Machines auxiliaires du navire.
  9.3. Connaissance générale des termes de mécanique navale.
  10. Prévention de l'incendie et matériel de lutte contre l'incendie
  10.1. Organisation d'exercices d'incendie.
  10.2. Types d'incendie et phénomènes chimiques intervenant dans les incendies.
  10.3. Dispositifs de lutte contre l'incendie.
  10.4. Participations à un cours approuvé de lutte contre l'incendie.
  10.5. Connaissance des dispositions relatives au matériel de lutte contre l'incendie.
  11. Consignes en cas d'urgences
  11.1. Précautions à prendre lors de l'échouage du navire.
  11.2. Mesures à prendre avant et après l'échouement.
  11.3. Mesures à prendre lorsque les apparaux s'accrochent au fond ou à une autre obstruction.
  11.4. Méthodes de renflouement d'un navire échoué avec et sans assistance.
  11.5. Mesures à prendre après un abordage.
  11.6. Colmatage provisoire des brèches.
  11.7. Mesures à prendre pour la protection et la sécurité de l'équipage dans des situations d'urgence.
  11.8. Limitation des avaries et sauvetage du navire après un incendie ou une explosion.
  11.9. Abandon du navire.
  11.10. Manière de gouverner, de gréer et d'utiliser des moyens de fortune pour gouverner en cas d'urgence et manière d'installer un gouvernail de fortune si cela est possible.
  11.11. Sauvetage des personnes à bord d'un navire en détresse ou d'une épave.
  11.12 Repêchage d'un homme à la mer.
  11.13 Remorquage et prise en remorque.
  12. Soins médicaux
  12.1. Connaissance des procédures à suivre pour les premiers secours.
  12.2. Connaissance de la procédure à suivre pour obtenir des consultations médicales par radio.
  12.3. Connaissance approfondie de l'utilisation des publications suivantes :
  1. Guide médical international de bord ou publications nationales équivalentes; et
  2. section médicale du Code international de signaux.
  13. Droit maritime
  13.1. Connaissance des règles de droit maritime international consacrées dans les conventions et les accords internationaux dans la mesure où elles concernent les obligations et les responsabilités particulières du patron, et notamment de celles qui ont trait à la sécurité et à la protection du milieu marin. Une attention particulière doit être accordée aux questions suivantes :
  1. certificats et autres documents que les navires de pêche sont tenus d'avoir à bord en vertu des conventions internationales, conditions dans lesquelles ils peuvent être obtenus et période de validité légale;
  2. responsabilité en vertu des dispositions pertinentes du Protocole de 1993 à la Convention internationale de 1977 sur la sécurité des navires de pêche (Convention de Torremolinos);
  3. responsabilités en vertu des dispositions pertinentes du chapitre V de la Convention internationale de 1974 pour la sauvegarde de la vie humaine en mer;
  4. responsabilités en vertu des dispositions pertinentes de l'Annexe I et de l'Annexe V de la Convention internationale de 1973 pour la prévention de la pollution par les navires, telle que modifiée par le Protocole de 1978 y relatif;
  5. déclarations maritimes de santé et dispositions du Règlement sanitaire international;
  6. responsabilités en vertu de la Convention sur le Règlement international de 1972 pour prévenir les abordages en mer; et
  7. responsabilités en vertu d'autres instruments internationaux concernant la sécurité du navire et de l'équipage.
  13.2. Connaissance de la législation maritime nationale, y compris les dispositions nationales en vue de la mise en oeuvre des conventions et accords internationaux applicables.
  14. Anglais
  Connaissance suffisante de la langue anglaise permettant d'utiliser les cartes et autres publications nautiques, de comprendre les informations météorologiques et les messages concernant la sécurité et l'exploitation du navire, ainsi que de communiquer avec d'autres navires ou avec des stations côtières. Aptitude à comprendre et à utiliser les Phrases normalisées de l'OMI pour les communications maritimes.
  15. Sauvetage
  15.1. Connaissance approfondie des engins de sauvetage et des dispositions à prendre en matière de sauvetage.
  15.2. Connaissance approfondie des consignes en cas d'urgence, du rôle d'appel et des exercices.
  16. Recherche et sauvetage
  Connaissance approfondie du 'Manuel de recherche et de sauvetage à l'usage des navires de commerce' (MERSAR).
  17. Consignes en cas d'urgences et recueil FAO/OIT/OMI de Règles de sécurité pour les pêcheurs et les navires de pêche.
  Connaissance des dispositions de la partie A du code de la sécurité FAO/OIT/OMI pour les pêcheurs et les navires de pêche et au chapitre VIII de l'annexe Ire de l'arrêté royal du 23 octobre 2001 instituant un régime harmonisé pour la sécurité des navires de pêche et modifiant l'arrêté royal du 20 juillet 1973 portant règlement sur l'inspection maritime.
  Règle 2
  Prescriptions pour la délivrance du brevet de second des eaux illimitées
  1. Tout second servant à bord d'un navire de pêche dans les eaux illimitées est titulaire d'un brevet approprié.
  2. Tout candidat à un brevet approprié conformément à l'alinéa 1er doit :
  2.1. avoir 18 ans au moins;
  2.2. avoir accompli un service en mer approuvé de vingt - quatre mois au moins en tant que membre du service "pont" à bord de navires de pêche;
  2.3. être titulaire d'un certificat général d'opérateur pour le SMDSM;
  2.4. avoir suivi un enseignement et une formation approuvée et satisfaire aux normes de compétence spécifiées de cette règle.
  Normes de compétences de second des eaux illimitées
  1. Navigation astronomique
  Aptitude à utiliser les corps célestes pour déterminer les erreurs du compas.
  2. Navigation en vue de terre et navigation côtière
  2.1. Aptitude à déterminer la position du navire en utilisant :
  1. les amers;
  2. les aides à la navigation, y compris les phares, les balises et les bouées; et
  3. la navigation à l'estime, compte tenu des vents, des marées, des courants, de la vitesse déterminée en fonction du nombre de tours de l'hélice et au moyen du loch.
  2.2. Connaissance approfondie et aptitude à utiliser les cartes et publications nautiques, telles que les instructions nautiques, les tables des marées, les avis aux navigateurs et les avis radio à la navigation.
  3. Navigation au radar
  Démontrer à l'aide d'un simulateur de radar, une connaissance des principes fondamentaux du radar et une aptitude à le faire fonctionner et l'utiliser ainsi qu'à interpréter et analyser les informations fournies par l'appareil, y compris ce qui suit :
  3.1. facteurs affectant le fonctionnement et la précision;
  3.2. réglage initial et entretien de l'image;
  3.3. détection des présentations erronées de renseignements, des faux échos, des retours de mer, etc.;
  3.4. distance et relèvement;
  3.5. identification des échos critiques;
  3.6. route et vitesse des autres navires;
  3.7. heure et point de rapprochement maximal de navires traversiers, en routes convergentes ou rattrapant;
  3.8. détection des changements de route et de vitesse d'autres navires;
  3.9. effets des changements de route et/ou de vitesse du navire porteur; et
  3.10. application du Règlement international de 1972 pour prévenir les abordages en mer.
  4. Tenue du quart
  4.1. Démontrer une connaissance approfondie du contenu, de l'application et de l'esprit du Règlement international de 1972 pour prévenir les abordages en mer, notamment des Annexes II et IV qui intéressent la sécurité de la navigation.
  4.2. Démontrer une connaissance des "Principes fondamentaux à observer lors du quart à la passerelle", visée à la règle 1, 2.2.
  5. Systèmes électroniques de détermination de la position et de navigation
  Aptitude à déterminer la position du navire en utilisant les aides électroniques à la navigation.
  6. Météorologie
  6.1. Connaissance des instruments météorologiques de bord et de leur utilisation.
  6.2. Connaissance des caractéristiques des divers phénomènes météorologiques.
  7. Compas magnétique et gyroscopique
  Utilisation des compas et instruments auxiliaires et précautions requises.
  8. Prévention de l'incendie et matériel de lutte contre l'incendie
  8.1. Connaissance des types d'incendie et des phénomènes chimiques intervenant dans les incendies.
  8.2. Connaissance des dispositifs et des méthodes de lutte contre l'incendie.
  8.3. Participation à un cours approuvé de lutte contre l'incendie.
  9. Sauvetage
  Aptitude à organiser des exercices d'abandon du navire et connaissance de l'utilisation des engins de sauvetage et de leur armement, notamment des émetteur-récepteurs radiotéléphoniques. Techniques de survie en mer, y compris participation à un cours approuvé sur la survie en mer.
  10. Consignes en cas d'urgence et pratiques de travail sûres pour le personnel des navires de pêche
  Connaissance des questions énumérées dans les sections pertinentes de la partie A du Recueil FAO/OIT/OMI de règles de sécurité pour les pêcheurs et les navires de pêche et au chapitre VIII de l'annexe Ire de l'arrêté royal du 23 octobre 2001 instituant un régime harmonisé pour la sécurité des navires de pêche et modifiant l'arrêté royal du 20 juillet 1973 portant règlement sur l'inspection maritime.
  11. Manoeuvre des navires de pêche
  Connaissance de base de la manoeuvre des navires de pêche, notamment :
  11.1. accostage, appareillage, mouillage et manoeuvre le long d'autres navires en mer;
  11.2. manoeuvre du navire pendant les opérations de pêche, une attention particulière étant accordée aux facteurs susceptibles de compromettre la sécurité du navire pendant ces opérations;
  11.3. effets des vents, des marées et des courants sur la manoeuvre du navire;
  11.4. manoeuvre en eaux peu profondes;
  11.5. maîtrise du navire de pêche par mauvais temps;
  11.6. sauvetage des personnes et assistance à un navire ou à un aéronef en détresse;
  11.7. remorquage et prise en remorque;
  11.8. repêchage d'un homme à la mer; et
  11.9. mesures pratiques à prendre en cas de navigation dans les glaces ou en cas d'accumulation de glace à bord.
  12. Construction des navires de pêche
  Connaissance générale des principaux éléments de la construction d'un navire.
  13. Stabilité du navire
  L'utilisation des tables de stabilité et d'assiette et des calculs préalables des conditions d'exploitation.
  14. Manutention et arrimage de la prise
  Connaissance des principes de sécurité à observer lors des opérations de manutention et d'arrimage de la prise et connaissance de leur incidence sur la sécurité du navire.
  15. Anglais
  Connaissance suffisante de la langue anglaise permettant d'utiliser les cartes et autres publications nautiques, de comprendre les informations météorologiques et les messages concernant la sécurité et l'exploitation du navire. Aptitude à comprendre et à utiliser les Phrases normalisées de l'OMI pour les communications maritimes.
  16. Secours médical
  Connaissance des procédures à suivre pour les premiers secours. Application pratique des guides médicaux et des consultations médicales par radio.
  17. Recherche et sauvetage
  Connaissance suffisante du 'Manuel de recherche et de sauvetage à l'usage des navires de commerce' (MERSAR).
  18. Prévention de la pollution du milieu marin
  Connaissance des précautions à observer pour prévenir la pollution du milieu marin.
  Règle 3
  Prescriptions pour la délivrance du brevet de patron des eaux limitées
  1. Tout patron servant à bord d'un navire de pêche dans les eaux limitées est titulaire d'un brevet approprié.
  2. Tout candidat à un brevet approprié conformément à l'alinéa 1er doit :
  2.1. satisfaire aux prescriptions relatives à la délivrance du brevet de second des eaux limitées et avoir accompli un service en mer approuvé de douze mois au moins en tant que second à bord des navires de pêche;
  2.2. être titulaire d'un certificat général d'opérateur pour le SMDSM;
  2.3. avoir suivi un enseignement et une formation approuvés et satisfaire aux normes de compétence spécifiées de cette règle.
  Normes de compétences de patron des eaux limitées
  1. Navigation et détermination de la position
  1.1. Planification du voyage et navigation dans toutes les conditions :
  1. par des méthodes acceptables de tracé des routes;
  2. dans des eaux resserrées;
  3. dans les glaces;
  4. par visibilité réduite;
  5. dans des dispositifs de séparation du trafic; et
  6. dans des zones soumises aux marées ou aux courants.
  1.2. Détermination de la position :
  1. par des observations en vue de terre, y compris l'utilisation des relèvements d'amers et d'aides à la navigation telles que phares, balises et bouées, ainsi que des cartes, des avis aux navigateurs et autres publications appropriées et l'évaluation de l'exactitude du point en résultant; et
  2. par l'emploi des aides électroniques modernes à la navigation dont sont équipés les navires de pêche intéressés.
  2. Tenue du quart
  2.1. Démontrer une connaissance approfondie du contenu, de l'application et de l'esprit du Règlement international de 1972 pour prévenir les abordages en mer, notamment des Annexes II et IV qui intéressent la sécurité de la navigation.
  2.2. Démontrer une connaissance des "Principes fondamentaux à observer lors du quart à la passerelle", visé à la règle 1, 2.2.
  3. Navigation au radar
  Démontrer, à l'aide d'un simulateur de radar, une connaissance des principes fondamentaux du radar et une aptitude à le faire fonctionner et l'utiliser ainsi qu'à interpréter et à analyser les informations fournies par l'appareil, y compris ce qui suit :
  3.1. facteurs affectant le fonctionnement et la précision;
  3.2. réglage initial et entretien de l'image;
  3.3. détection des présentations erronées de renseignements, des faux échos, des retours de mer;
  3.4. distance et relèvement;
  3.5. identification des échos critiques;
  3.6. route et vitesse d'autres navires;
  3.7. heure et point de rapprochement maximal de navires traversiers, en routes convergentes ou rattrapants;
  3.8. détection des changements de route et de vitesse d'autres navires;
  3.9. effets des changements de route et/ou de vitesse du navire porteur; et
  3.10. application du Règlement international de 1972 pour prévenir les abordages en mer.
  4. Compas
  Aptitude à déterminer et à corriger les erreurs du compas.
  5. Météorologie
  5.1. Connaissance des instruments météorologiques et de leur utilisation.
  5.2. Aptitude à utiliser les renseignements météorologiques disponibles.
  5.3. Connaissance des caractéristiques des divers phénomènes météorologiques auxquels sont soumises les eaux limitées.
  5.4. Connaissance des conditions météorologiques affectant les eaux limitées susceptibles de mettre le navire en danger.
  5.5. Aptitude à utiliser, le cas échéant, les publications nautiques pertinentes relatives aux marées et aux courants.
  6. Navigation et manoeuvre des navires de pêche
  Manoeuvre des navires de pêche dans toutes les conditions, notamment :
  6.1. accostage, appareillage et manoeuvre des ancres dans diverses conditions de vent et de marée;
  6.2. manoeuvre en eaux peu profondes;
  6.3. maîtrise et manoeuvre du navire de pêche par gros temps, y compris le vitesse appropriée, en particulier par mer de l'arrière et mer oblique, assistance à un navire ou un aéronef en détresse, moyens permettant d'empêcher un navire difficile à gouverner de tomber en travers, et de réduire la dérive;
  6.4. manoeuvre du navire pendant les opérations de pêche, une attention particulière étant accordée aux facteurs susceptibles de compromettre la sécurité du navire pendant ces opérations;
  6.5. précautions à prendre lors des manoeuvres de mise à l'eau des canots de secours ou des embarcations ou radeaux de sauvetage par mauvais temps;
  6.6. méthodes à suivre pour hisser à bord du navire des survivants à partir de cants de secours ou d'embarcations ou radeaux de sauvetage;
  6.7. mesures pratiques à prendre en cas de navigation dans les glaces, en présence d'icebergs ou en cas d'accumulation de glace à bord;
  6.8. utilisation des dispositifs de séparation du trafic et navigation à l'intérieur de ces dispositifs; et
  6.9. importance qu'il y a à naviguer à vitesse réduite pour éviter les avaries causées par les lames de proue et de poupe.
  7. Construction et stabilité des navires de pêche
  7.1. Connaissance générale des principaux éléments de construction d'un navire et de l'appellation correcte des différentes parties.
  7.2. Connaissance des théories et des facteurs qui influent sur l'assiette et la stabilité ainsi que des mesures nécessaires pour conserver une assiette et une stabilité assurant une sécurité suffisante.
  7.3. Démontrer l'aptitude à utiliser les données de stabilité, les tables de stabilité et d'assiette et les calculs préalables des conditions d'exploitation.
  7.4. Connaissance des effets des carènes liquides et de l'accumulation de glace.
  7.5. Connaissance des effets de l'eau embarquée sur le pont.
  7.6. Connaissance de l'importance de l'étanchéité aux intempéries et de l'étanchéité à l'eau du navire.
  8. Manutention et arrimage de la prise
  8.1. Arrimage et assujettissement de la prise à bord du navire, y compris les apparaux de pêche.
  8.2. Opérations de chargement et de déchargement et, plus particulièrement, moments d'inclinaison dus aux apparaux et à la prise.
  9. Machines des navires de pêche
  9.1. Principes de fonctionnement des machines marines des navires de pêche.
  9.2. Machines auxiliaires du navire.
  9.3. Connaissance générale des termes de mécanique navale.
  10. Prévention de l'incendie et matériel de lutte contre l'incendie
  10.1. Organisation d'exercices d'incendie.
  10.2. Types d'incendie et phénomènes chimiques intervenant dans les incendies.
  10.3. Dispositifs de lutte contre l'incendie.
  10.4. Participations à un cours approuvé de lutte contre l'incendie.
  10.5. Connaissance des dispositions relatives au matériel de lutte contre l'incendie.
  11. Consignes en cas d'urgences
  11.1. Précautions à prendre lors de l'échouage du navire.
  11.2. Mesures à prendre avant et après l'échouement.
  11.3. Mesures à prendre lorsque les apparaux s'accrochent au fond ou à une autre obstruction.
  11.4. Méthodes de renflouement d'un navire échoué avec et sans assistance.
  11.5. Mesures à prendre après un abordage.
  11.6. Colmatage provisoire des brèches.
  11.7. Mesures à prendre pour la protection et la sécurité de l'équipage dans des situations d'urgence.
  11.8. Limitation des avaries et sauvetage du navire après un incendie ou une explosion.
  11.9. Abandon du navire.
  11.10. Manière de gouverner, de gréer et d'utiliser des moyens de fortune pour gouverner en cas d'urgence et manière d'installer un gouvernail de fortune si cela et possible.
  11.11. Sauvetage des personnes à bord d'un navire en détresse ou d'une épave.
  11.12. Repêchage d'un homme à la mer.
  11.13. Remorquage et prise en remorque.
  12. Soins médicaux
  12.1. Connaissance des procédures à suivre pour les premiers secours. Connaissance de la procédure à suivre pour obtenir des consultations médicales par radio.
  12.2. Application pratique des guides médicaux et des consultations médicales par radio, y compris aptitude à prendre des mesures efficaces en se fondant sur les renseignements ainsi obtenus en cas d'accident ou de maladie susceptible de survenir à bord.
  13. Droit maritime
  13.1. Compte tenu des eaux limitées, connaissance des règles de droit maritime international consacrées dans les conventions et les accords internationaux dans la mesure où elles concernent les obligations et les responsabilités particulières du patron, notamment des règles qui ont trait à la sécurité et à la protection du milieu marin
  13.2. L'étendu des dispositions nationales en vue de la mise en oeuvre des conventions et accords internationaux applicables.
  14. Anglais
  Connaissance suffisante de la langue anglaise permettant d'utiliser les cartes et autres publications nautiques, de comprendre les informations météorologiques et les messages concernant la sécurité et l'exploitation du navire, ainsi que de communiquer avec d'autres navires ou avec des stations côtières. Aptitude à comprendre et à utiliser les Phrases normalisées de l'OMI pour les communications maritimes.
  15. Sauvetage
  Connaissance des engins de sauvetage dont sont pourvus les navires de pêche. Organisation des exercices d'abandon du navire et utilisation du matériel.
  16. Recherche et sauvetage
  Connaissance des procédures de recherche et de sauvetage.
  17. Connaissance de partie A de recueil FAO/OIT/OMI de règles de sécurité pour les pêcheurs et les navires de pêche.
  Règle 4
  Prescriptions pour la délivrance du brevet de second des eaux limitées
  1. Tout second servant à bord d'un navire de pêche dans les eaux limitées est titulaire d'un brevet approprié.
  2. Tout candidat à un brevet approprié conformément à l'alinéa 1er doit :
  2.1. avoir 18 ans au moins;
  2.2. avoir accompli un service en mer approuvé de vingt - quatre mois au moins en tant que membre du service "pont" à bord de navires de pêche;
  2.3. être titulaire d'un certificat général d'opérateur pour le SMDSM;
  2.4. avoir suivi un enseignement et une formation approuvés et satisfaire aux normes de compétence spécifiées de cette règle.
  Normes de compétences de second des eaux limitées
  1. Navigation en vue de terre et navigation côtière
  1.1. Aptitudes à déterminer la position du navire en utilisant :
  1. les amers;
  2. les aides à la navigation, y compris les phares, les balises et les bouées et
  3. la navigation à l'estime, compte tenu des vents, des marées, des courants et de la vitesse déterminée en fonction du nombre de tours de l'hélice et au moyen du loch.
  1.2. Connaissance approfondie et aptitude à utiliser les cartes et publications nautiques, telles que les instructions nautiques, les tables des marées, les avis aux navigateurs et les avis radio à la navigation.
  2. Navigation au radar
  Démontrer à l'aide d'un simulateur de radar, une connaissance des principes fondamentaux du radar et une aptitude à le faire fonctionner et l'utiliser ainsi qu'à interpréter et analyser les informations fournies par l'appareil, y compris ce qui suit :
  2.1. facteurs affectant le fonctionnement et la précision;
  2.2. réglage initial et entretien de l'image;
  2.3. détection des présentations erronées de renseignements, des faux échos, des retours de mer;
  2.4. distance et relèvement;
  2.5. identification des échos critiques;
  2.6. route et vitesse des autres navires;
  2.7. heure et point de rapprochement maximal de navires traversiers, en routes convergentes ou rattrapant;
  2.8. détection des changements de route et de vitesse d'autres navires;
  2.9. effets des changements de route et/ou de vitesse du navire porteur et
  2.10 application du Règlement international de 1972 pour prévenir les abordages en mer.
  3. Tenue du quart
  3.1. Démontrer une connaissance approfondie du contenu, de l'application et de l'esprit du Règlement international de 1972 pour prévenir les abordages en mer, notamment des Annexes II et IV qui intéressent la sécurité de la navigation.
  3.2. Démontrer une connaissance du contenu des "Principes fondamentaux à observer lors du quart à la passerelle", visée à la règle 1, 2.2.
  4. Systèmes électroniques de détermination de la position et de navigation
  Montrer l'aptitude à déterminer la position du navire en utilisant les aides électroniques à la navigation à la satisfaction de l'agent chargé du contrôle de la navigation désigné à cet effet.
  5. Météorologie
  5.1. Connaissance des instruments météorologiques de bord et de leur utilisation.
  5.2. Connaissance des caractéristiques des divers phénomènes météorologiques auxquels sont soumises les eaux limitées.
  6. Compas
  Aptitude à déterminer et à corriger les erreurs du compas.
  7. Lutte contre l'incendie
  7.1. Connaissance des moyens de prévention de l'incendie et utilisation des dispositifs de lutte contre l'incendie.
  7.2. Participation à un cours approuvé de lutte contre l'incendie.
  8. Sauvetage
  8.1. Connaissance des engins de sauvetage dont sont pourvus les navires de pêche. Organisation des exercices d'abandon du navire et utilisation du matériel.
  8.2. Participation à un cours approuvé sur la survie en mer.
  9. Consignes en cas d'urgence et pratiques de travail sûres pour le personnel des navires de pêche
  Connaissance des questions énumérées dans les sections pertinentes de la partie A du Recueil FAO/OIT/OMI de règles de sécurité pour les pêcheurs et les navires de pêche et au chapitre VIII de l'annexe Ire de l'arrêté royal du 23 octobre 2001 instituant un régime harmonisé pour la sécurité des navires de pêche et modifiant l'arrêté royal du 20 juillet 1973 portant règlement sur l'inspection maritime.
  10. Navigation et manoeuvre des navires de pêche
  Connaissance de base de la manoeuvre d'un navire de pêche, notamment :
  10.1. accostage, appareillage, mouillage et manoeuvre le long d'autres navires en mer;
  10.2. manoeuvre du navire pendant les opérations de pêche, une attention particulière étant accordée aux facteurs susceptibles de compromettre la sécurité du navire pendant ces opérations;
  10.3. effets des vents, des marées et des courants sur la manoeuvre du navire;
  10.4. manoeuvre en eaux peu profondes;
  10.5. maîtrise du navire de pêche par mauvais temps;
  10.6. sauvetage des personnes et assistance à un navire ou à un aéronef en détresse;
  10.7. remorquage et prise en remorque;
  10.8. repêchage d'un homme à la mer; et
  10.9. mesures pratiques à prendre en cas de navigation dans les glaces ou en cas d'accumulation de glace à bord.
  11. Stabilité du navire
  Démontrer l'aptitude à utiliser les données de stabilité, les tables de stabilité et d'assiette et les calculs préalables des conditions d'exploitation.
  12. Manutention et arrimage de la prise
  Connaissance des principes de sécurité à observer lors des opérations de manutention et d'arrimage de la prise et connaissance de leur incidence sur la sécurité du navire.
  13. Construction des navires de pêche
  Connaissance générale des principaux éléments de la construction d'un navire
  14. Secours médical
  Connaissance des procédures à suivre pour les premiers secours. Application pratique des guides médicaux et des consultations médicales par radio.
  15. Recherche et sauvetage
  Connaissance des procédures de recherche et de sauvetage.
  16. Prévention de la pollution du milieu marin
  Connaissance des précautions à observer pour prévenir la pollution du milieu marin.
  Règle 5
  Prescriptions pour la délivrance du brevet de motoriste 221 kW, motoriste 750 kW et motoriste puissance propulsive illimitée
  1. Tout motoriste servant à bord d'un navire de pêche est titulaire d'un brevet approprié.
  2. Tout candidat à un brevet approprié conformément à l'alinéa 1er doit :
  2.1. avoir 18 ans au moins;
  2.2. avoir accompli un service en mer approuvé de :
  - six mois au moins pour la délivrance d'un brevet de motoriste 221 kW;
  - douze mois au moins en tant que membre du service "machine" à bord de navires de pêche pour la délivrance du brevet de motoriste 750 kW;
  - douze mois au moins en tant que membre du service " machine " à bord de navires de pêche avec une puissance propulsive supérieure à 750 kW pour la délivrance du brevet de motoriste puissance propulsive illimitée;
  2.3. avoir suivi un enseignement et une formation approuvés et satisfaire aux normes de compétence spécifiées de cette règle.
  Normes de compétences de motoristes
  1. Motoriste 221 kW
  1.1. Connaissance du fonctionnement des machines et des appareils se trouvant normalement dans la chambre des machines des navires de pêche, équipés d'une installation de propulsion jusqu'à 221 kW.
  1.2. Connaissance des instructions normales relatives à la mise en marche, la commande pendant la marche et l'arrêt des machines et des appareils visés sous 1.1.
  1.3. Connaissance des prescriptions d'entretien, y compris les valeurs chiffrées correspondantes, avant la mise en route, pendant la marche et après l'arrêt des machines et des appareils visés sous 1.1.
  2. Motoriste 750 kW et motoriste puissance propulsive illimitée
  2.1. Tout candidat doit posséder des connaissances théoriques élémentaires suffisantes pour comprendre les principes fondamentaux des éléments suivants :
  1. processus de combustion;
  2. transmission de chaleur;
  3. mécanique, hydromécanique et pneumatique;
  4. moteurs diesel marins;
  5. appareils à gouverner;
  6. propriétés des combustibles et des lubrifiants;
  7. propriétés des matériaux;
  8. agents d'extinction de l'incendie;
  9. équipement électrique marin;
  10. automatisation, instruments et dispositifs de commande;
  11. construction des navires de pêche, y compris stabilité et maîtrise des avaries;
  12. systèmes auxiliaires; et
  13. système de réfrigération.
  2.2. Tout candidat doit posséder des connaissances pratiques suffisantes :
  1. fonctionnement et entretien des moteurs diesel marins;
  2. fonctionnement et entretien des machines et systèmes auxiliaires, y compris les appareils à gouverner;
  3. fonctionnement, mise à l'essai et entretien des appareils électriques et des systèmes de commande;
  4. entretien des appareils de manutention de la prise et des appareils de pont;
  5. détection des défauts de fonctionnement des machines, localisation des défaillances et prévention des avaries;
  6. organisation de méthodes sûres d'entretien et de réparation;
  7. méthodes et moyens de prévention, de détection et d'extinction de l'incendie;
  8. règles à observer pour prévenir la pollution opérationnelle ou accidentelle du milieu marin, et méthodes et moyens de prévention de cette pollution;
  9. premiers secours en cas de blessures susceptibles de se produire dans les locaux de machines et utilisation du matériel de premiers secours;
  10. fonctions et utilisation des engins de sauvetage;
  11. méthodes de lutte contre les avaries, notamment mesures à prendre en cas d'envahissement de la chambre des machines par l'eau de mer et les moyens pour les éviter; et
  12. pratiques de travail sûres.
  2.3. Tout candidat doit posséder une connaissance des règles de droit international consacrées dans les conventions et les accords internationaux dans la mesure où elles concernent les obligations et responsabilités particulières du motoriste, et notamment de celles qui ont trait à la sécurité et à la protection du milieu marin. Tout candidat doit posséder une connaissance de la législation maritime nationale, notamment les dispositions en vue de la mise en oeuvre des conventions et accords internationaux.
  2.4. Tout candidat doit posséder une connaissance de la gestion, de l'organisation et de la formation du personnel à bord des navires de pêche.
  Règle 6
  Prescriptions pour la délivrance du brevet de timonier
  1. Tout timonier servant à bord d'un navire de pêche est titulaire d'un brevet approprié;
  2. Tout candidat à un brevet approprié conformément à l'alinéa 1er doit :
  2.1. avoir 18 ans au moins;
  2.2. avoir accompli un service en mer approuvé de 6 mois au moins à bord de navires de pêche;
  2.3. satisfaire aux normes de compétence spécifiées dans la section A-II/4 du code STCW;
  2.4. avoir connaissance des principes de base de la veille visée à la règle 1,2.2;
  2.5. avoir connaissance des aides à la navigation, y compris les phares, les balises et les bouées;
  2.6. avoir connaissance du contenu, de l'application et de l'objet du Règlement international pour prévenir les abordages en mer, 1972; et
  2.7. avoir connaissance de l'utilisation de base de l'équipement de navigation à bord de navires de pêche comme le compas magnétique, le radar et le GPS (Global Positioning System B système de navigation par satellites).
  [1 Règle 6bis
   Prescriptions pour la délivrance du brevet de matelot
   1. Tout matelot servant à bord d'un navire de pêche est titulaire d'un brevet approprié;
   2. Tout candidat à un brevet approprié conformément à l'alinéa 1er doit :
   2.1. avoir 16 ans au moins, sauf disposition contraire de la loi ou de la réglementation belge ;
   2.2. satisfaire à la règle 7.]1

  Règle 7
  Formation de base en matière de sécurité pour l'ensemble du personnel de navires de pêche
  1. Les membres de l'équipage des navires de pêche doivent, avant de se voir confier de tâches à bord, recevoir une formation de base en :
  1.1. techniques individuelles de survie, y compris endossement de brassières de sauvetage et, le cas échéant, de combinaisons d'immersion;
  1.2. prévention de l'incendie et lutte contre l'incendie;
  1.3. consignes en cas d'urgences;
  1.4. premiers secours élémentaires;
  1.5. prévention de la pollution des mers; et
  1.6. prévention des accidents de travail à bord.
  2. Pour autant qu'applicable à bord des navires de pêches, la formation de base mentionnée à l'alinéa 1er correspond à la section A-VI/1 du Code STCW.
  3. Si la formation de base en matière de sécurité n'est pas incluse dans les normes de compétences requises pour la délivrance d'un brevet, il doit être délivré un certificat spécial ou une attestation spéciale indiquant que le titulaire a reçu une formation de base.
  4. Les membres de l'équipage des navires de pêche sont considérés comme satisfaisant aux prescriptions de la présente règle s'ils ont servi en mer à bord de navires de pêche pendant une période de douze mois au moins au cours des 5 années qui ont précédé l'entrée en vigueur du présent arrêté.
  Règle 8
  [2 Exigences pour garantir le maintien de la compétence professionnelle visée à l'article 9, § 1er, b
   Pour garantir le maintien de la compétence professionnelle visée à l'article 9, § 1er, b, chaque matelot doit avoir suivi, pendant la durée de validité de leur brevet, une formation périodique pour la navigation de pêche agréée conformément aux exigences de l'annexe III et avoir réussi l'examen agréé correspondant.
   Pour garantir le maintien de la compétence professionnelle, visé à l'article 9, § 1er, b, tout patron, second, motoriste ou timonier satisfait aux prescriptions suivantes :
   1. avoir accompli un service en mer approuvé à bord d'un navire de pêche d'une durée d'au moins douze mois, avoir suivi, pendant la durée de validité de leur brevet, une formation périodique pour la navigation de pêche agréée conformément aux exigences de l'annexe III et avoir réussi l'examen agréé correspondant ;
   2. avoir suivi la formation visée à l'article 9, § 2, et avoir accompli un service en mer approuvé d'une durée d'au moins trois mois en tant que membre d'équipage à bord d'un navire de pêche immédiatement avant de prendre le rang pour lequel le brevet est valable.]2

  
Art. N3. Bijlage III. - Minimumeisen inzake de periodieke scholing zeevisserij bedoeld in artikel 9, § 3, en in voorschrift 8, 1, van bijlage I
  De deelname aan goedgekeurde cursussen die volgende modules omvatten :
  1. [1 module I
   Voor schippers, stuurmannen en roergangers:
   1.1. stabiliteit, veiligheid en gebruik van de gieken en lieren, vastslaan, noodsystemen aan boord, procedures veilig werken aan boord;
   1.2. COLREG;
   1.3. persoonlijke veiligheid;
   1.4. arbeidsveiligheid;
   1.5. Milieu;
   Voor motoristen:
   1.1. stabiliteit, veiligheid en gebruik van de gieken en lieren, vastslaan, noodsystemen aan boord, procedures veilig werken aan boord;
   1.2. persoonlijke veiligheid;
   1.3. arbeidsveiligheid;
   1.4. Milieu;
   Voor matrozen:
   1.1. procedures veilig werken aan boord, noodsystemen aan boord;
   1.2. persoonlijke veiligheid;
   1.3. arbeidsveiligheid;]1

  2. module II :
  persoonlijke veiligheid en overleven op zee in overeenstemming met sectie A-VI/1-1 en sectie A-VI/1-4 van de STCW-code;
  3. module III :
  brandbestrijding in overeenstemming met sectie A-VI/1-2 van de STCW-code;
  4. module IV :
  EHBO (eerste hulp bij ongevallen) in overeenstemming met sectie A-VI/1-3 van de STCW-code.
  
Art. N3. Annexe III. - Prescriptions minimales concernant la formation périodique pour la navigation de pêche visée à l'article 9, § 3 et à la règle 8, 1, de l'annexe Ire
  Suivre des cours approuvés contenant les modules suivants :
  1. [1 module I
   Pour les patrons, seconds et timoniers :
   1.1. stabilité, sécurité et utilisation des bômes et du treuil, accrochage, systèmes de secours à bord, procédures sécurité du travail à bord ;
   1.2. COLREG ;
   1.3. sécurité individuelle ;
   1.4. sécurité au travail ;
   1.5. environnement ;
   Pour les motoristes :
   1.1. stabilité, sécurité et utilisation des bômes et du treuil, accrochage, systèmes de secours à bord, procédures sécurité du travail à bord ;
   1.2. sécurité individuelle ;
   1.3. sécurité au travail ;
   1.4. environnement ;
   Pour les matelots :
   1.1. procédures sécurité du travail à bord, systèmes de secours à bord ;
   1.2. sécurité individuelle ;
   1.3. sécurité au travail ;]1

  2. module II :
  sécurité individuelle et survivre en mer conformément à la section A - VI/1 et à la section A - VI/1-4 du code STCW;
  3. module III :
  lutte contre l'incendie conformément à la section A - VI/1-2 du code STCW;
  4. module IV :
  premiers soins en cas d'accident conformément à la section A - VI/-3 du code STCW.