Artikel 1. Definities
In dit Verdrag wordt verstaan onder :
(a) Nederland : het in Europa gelegen deel van het Koninkrijk der Nederlanden;
(b) Vlaanderen : het Vlaams Gewest;
(c) Scheldegebied : de in Artikel 3, eerste lid, genoemde scheepvaartwegen;
(d) Permanente Commissie : de Permanente Commissie van Toezicht op de Scheldevaart, samengesteld uit de Commissarissen bedoeld in Artikel IX, paragraaf 2, van het Tractaat tusschen Nederland en België van 19 april 1839;
(e) Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit : de autoriteit bedoeld in Artikel 6;
(f) Secretariaat : het secretariaat bedoeld in Artikel 7;
(g) Verdragen : de Verdragen bedoeld in Artikel 4, tweede lid;
(h) wettelijke voorschriften : alle algemeen verbindende voorschriften, vastgesteld door de bevoegde Belgische, Nederlandse en Vlaamse overheden, met betrekking tot het nautisch beheer, waarvan de gelding zich geheel of gedeeltelijk tot het Scheldegebied uitstrekt;
(i) nautisch beheer : de zorg voor de afwikkeling van een veilig en vlot scheepvaartverkeer;
(j) gemeenschappelijk nautisch beheer : het door Nederland en Vlaanderen gezamenlijk gevoerde nautisch beheer in het Scheldegebied;
(k) schip : elk vaartuig, met inbegrip van een vaartuig zonder waterverplaatsing en een watervliegtuig, dat feitelijk wordt gebruikt of geschikt is om te worden gebruikt als middel tot verplaatsing te water;
(l) verkeersbegeleiding : een dienstverlening die is opgezet om de veiligheid en de efficiëntie van het scheepsverkeer te verbeteren en het milieu te beschermen, die in het verkeer kan interveniëren en die op verkeerssituaties die zich op de in Artikel 3, eerste lid, genoemde scheepvaartwegen voordoen, kan reageren;
(m) ketenbenadering : een optimale samenwerking tussen de Permanente Commissie, de Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit, de verkeersbegeleidingsdiensten, de havenautoriteiten van Antwerpen, Gent, Terneuzen en Vlissingen, de loodsdiensten en de overige nautische dienstverleners waardoor het nautisch beheer in de onderscheiden beheersgebieden onderling wordt afgestemd en een geïntegreerde verkeersbegeleiding voor het gehele traject tussen zee en de ligplaats wordt verzekerd, waarbij rekening wordt gehouden met de diverse betrokken belangen;
(n) nautische dienstverleners : de loodsdiensten, sleepdiensten en vast- en losmaakdiensten actief in het Scheldegebied en de havengebieden van Antwerpen, Gent, Terneuzen en Vlissingen;
(o) vaarwegmarkering : de aanduiding van de vaarroutes, vaargeulen en mogelijke gevaren voor de scheepvaart door middel van betonning, bebakening of verlichting;
(p) plaatsbepaling : het radionavigatiesysteem of de radionavigatiesystemen, gericht op het nauwkeurig bepalen van de positie van een schip, ter ondersteuning van de navigatie aan boord van schepen;
(q) verkeersaanwijzing : het door een daartoe bevoegd persoon aan een of meer verkeersdeelnemers gegeven gebod of verbod om een bepaald resultaat in het verkeersgedrag te bewerkstelligen, waaronder mede worden begrepen de door of namens de Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit in bijzondere gevallen met betrekking tot de doorvaart te geven verkeersaanwijzingen, inclusief de bekendmakingen aan de scheepvaart van de Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit;
(r) verkeersteken : een in, naast of boven een scheepvaartweg aangebracht voorwerp of aangebrachte combinatie van voorwerpen waarmee aan het scheepvaartverkeer wordt gegeven :
1° een inlichting over de toestand in een bepaald gedeelte van een scheepvaartweg, of
2° een inlichting, aanbeveling, gebod of verbod onderscheidenlijk opheffing van een gebod of verbod voor het verkeersgedrag in een bepaald gedeelte van een scheepvaartweg;
(s) bekendmaking met dezelfde strekking als een verkeersteken : een schriftelijke mededeling aan het scheepvaartverkeer waarmee aan dat verkeer wordt gegeven :
1° een inlichting over de toestand in een bepaald gedeelte van een scheepvaartweg, of
2° een inlichting, aanbeveling, gebod of verbod onderscheidenlijk opheffing van een gebod of verbod voor het verkeersgedrag in een bepaald gedeelte van een scheepvaartweg.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
21 DECEMBER 2005. - Verdrag tussen het Vlaams Gewest en het Koninkrijk der Nederlanden inzake het gemeenschappelijk nautisch beheer in het Scheldegebied
Titre
21 DECEMBRE 2005. - Traité entre la Région flamande et le Royaume des Pays-Bas relatif à la gestion nautique commune dans le bassin de l'Escaut
Dokumentinformationen
Numac: 2008B36057
Datum: 2005-12-21
Info du document
Numac: 2008B36057
Date: 2005-12-21
Tekst (18)
Texte (18)
Article 1er. Définitions
Dans le présent Traité, on entend par :
(a) Pays-Bas : la partie du Royaume des Pays-Bas qui est située en Europe;
(b) la Flandre : la Région flamande;
(c) bassin de l'Escaut : les voies de navigation visées à l'article 3, alinéa premier;
(d) Commission permanente : la Commission permanente de Surveillance sur la Navigation sur l'Escaut, composée des Commissaires visés à l'article IX, paragraphe 2, du Traité entre les Pays-Bas et la Belgique du 19 avril 1839;
(e) Autorité nautique commune : l'autorité visée à l'article 6;
(f) Secrétariat : le secrétariat visé à l'article 7;
(g) Traités : les Traités visés à l'article 4, alinéa deux;
(h) prescriptions légales : toutes les prescriptions générales contraignantes, établies par les autorités compétentes belges, néerlandaises et flamandes, relatives à la gestion nautique, dont l'application s'étend entièrement ou partiellement au bassin de l'Escaut;
(i) gestion nautique : les charges de la sécurité et de la fluidité du trafic maritime;
(j) gestion nautique commune : la gestion nautique menée conjointement par les Pays-Bas et la Flandre dans le bassin de l'Escaut;
(k) navire : tout bâtiment, y compris un bâtiment sans déplacement d'eau et un hydravion, qui est en fait utilisé ou apte à être utilisé comme moyen de transport à l'eau;
(l) assistance au trafic : un service qui est créé dans le but d'améliorer la sécurité et l'efficacité du trafic maritime et de protéger l'environnement, qui peut intervenir dans le trafic et qui peut réagir aux situations de trafic qui se présentent sur les voies de navigation visées à l'article 3, alinéa premier;
(m) approche en chaîne : une coopération optimale entre la Commission permanente, l'Autorité nautique commune, les services de gestion de la navigation, les autorités portuaires d'Anvers, Gand, Terneuzen et Vlissingen, les services de pilotage et les autres prestataires de services nautiques, ce qui permet d'harmoniser la gestion nautique dans les différentes zones de gestion et d'assurer une assistance intégrée au trafic pour le trajet entier entre la mer et le poste d'amarrage, en tenant compte des intérêts divers concernés;
(n) prestataires des services nautiques : les services de pilotage, service de remorquage et services d'attachement et de détachement de navires, actifs dans le bassin de l'Escaut, et les zones portuaires d'Anvers, Gand, Terneuzen et Vlissingen;
(o) marquage des voies de navigation : l'indication par le biais de balisage ou de signaux lumineux des routes et des chenaux de navigation et des dangers potentiels pour la navigation;
(p) localisation : le système de radionavigation ou les systèmes de radionavigation, visant à localiser exactement un navire, à l'appui de la navigation à bord des navires;
(q) indication de signalisation : Un ordre ou un interdit donné à un ou plusieurs participants à la circulation par une personne compétente à cette fin, afin de réaliser un résultat déterminé au niveau du comportement dans le trafic, y compris entre autres les indications de signalisation relatives à la navigation en transit qui doivent être transmises dans des cas particuliers par ou au nom de l'Autorité nautique commune, y compris les avis à la batellerie de l'Autorité nautique commune;
(r) signal de navigation : un objet apposé dans, à côté ou au-dessus d'une voie de navigation ou une combinaison d'objets indiquant à la navigation :
1° une indication quant à la situation dans une partie déterminée d'une voie de navigation, ou
2° une indication, recommandation, un ordre ou interdit respectivement la suppression d'un ordre ou interdit par rapport au comportement à observer dans une partie déterminée d'une voie de navigation;
(s) avis ayant la même portée qu'un signal de navigation : une communication écrite à la navigation indiquant :
1° une indication quant à la situation dans une partie déterminée d'une voie de navigation, ou
2° une indication, recommandation, un ordre ou interdit respectivement la suppression d'un ordre ou interdit par rapport au comportement à observer dans une partie déterminée d'une voie de navigation.
Dans le présent Traité, on entend par :
(a) Pays-Bas : la partie du Royaume des Pays-Bas qui est située en Europe;
(b) la Flandre : la Région flamande;
(c) bassin de l'Escaut : les voies de navigation visées à l'article 3, alinéa premier;
(d) Commission permanente : la Commission permanente de Surveillance sur la Navigation sur l'Escaut, composée des Commissaires visés à l'article IX, paragraphe 2, du Traité entre les Pays-Bas et la Belgique du 19 avril 1839;
(e) Autorité nautique commune : l'autorité visée à l'article 6;
(f) Secrétariat : le secrétariat visé à l'article 7;
(g) Traités : les Traités visés à l'article 4, alinéa deux;
(h) prescriptions légales : toutes les prescriptions générales contraignantes, établies par les autorités compétentes belges, néerlandaises et flamandes, relatives à la gestion nautique, dont l'application s'étend entièrement ou partiellement au bassin de l'Escaut;
(i) gestion nautique : les charges de la sécurité et de la fluidité du trafic maritime;
(j) gestion nautique commune : la gestion nautique menée conjointement par les Pays-Bas et la Flandre dans le bassin de l'Escaut;
(k) navire : tout bâtiment, y compris un bâtiment sans déplacement d'eau et un hydravion, qui est en fait utilisé ou apte à être utilisé comme moyen de transport à l'eau;
(l) assistance au trafic : un service qui est créé dans le but d'améliorer la sécurité et l'efficacité du trafic maritime et de protéger l'environnement, qui peut intervenir dans le trafic et qui peut réagir aux situations de trafic qui se présentent sur les voies de navigation visées à l'article 3, alinéa premier;
(m) approche en chaîne : une coopération optimale entre la Commission permanente, l'Autorité nautique commune, les services de gestion de la navigation, les autorités portuaires d'Anvers, Gand, Terneuzen et Vlissingen, les services de pilotage et les autres prestataires de services nautiques, ce qui permet d'harmoniser la gestion nautique dans les différentes zones de gestion et d'assurer une assistance intégrée au trafic pour le trajet entier entre la mer et le poste d'amarrage, en tenant compte des intérêts divers concernés;
(n) prestataires des services nautiques : les services de pilotage, service de remorquage et services d'attachement et de détachement de navires, actifs dans le bassin de l'Escaut, et les zones portuaires d'Anvers, Gand, Terneuzen et Vlissingen;
(o) marquage des voies de navigation : l'indication par le biais de balisage ou de signaux lumineux des routes et des chenaux de navigation et des dangers potentiels pour la navigation;
(p) localisation : le système de radionavigation ou les systèmes de radionavigation, visant à localiser exactement un navire, à l'appui de la navigation à bord des navires;
(q) indication de signalisation : Un ordre ou un interdit donné à un ou plusieurs participants à la circulation par une personne compétente à cette fin, afin de réaliser un résultat déterminé au niveau du comportement dans le trafic, y compris entre autres les indications de signalisation relatives à la navigation en transit qui doivent être transmises dans des cas particuliers par ou au nom de l'Autorité nautique commune, y compris les avis à la batellerie de l'Autorité nautique commune;
(r) signal de navigation : un objet apposé dans, à côté ou au-dessus d'une voie de navigation ou une combinaison d'objets indiquant à la navigation :
1° une indication quant à la situation dans une partie déterminée d'une voie de navigation, ou
2° une indication, recommandation, un ordre ou interdit respectivement la suppression d'un ordre ou interdit par rapport au comportement à observer dans une partie déterminée d'une voie de navigation;
(s) avis ayant la même portée qu'un signal de navigation : une communication écrite à la navigation indiquant :
1° une indication quant à la situation dans une partie déterminée d'une voie de navigation, ou
2° une indication, recommandation, un ordre ou interdit respectivement la suppression d'un ordre ou interdit par rapport au comportement à observer dans une partie déterminée d'une voie de navigation.
Art. 2. Doel en voorwerp van het Verdrag
1. Met de instelling van het gemeenschappelijk nautisch beheer beogen de Verdragsluitende Partijen een gezamenlijke en evenwaardige Nederlands-Vlaamse bevoegdheid en verantwoordelijkheid voor de afwikkeling van een veilig en vlot scheepvaartverkeer in het Scheldegebied te vestigen.
2. Het gemeenschappelijk nautisch beheer :
1° draagt zorg voor de instandhouding van de huidige niveaus van veiligheid en vlotheid van het scheepvaartverkeer en, zo mogelijk, voor de verbetering van de niveaus van veiligheid en vlotheid van het scheepvaartverkeer, waarbij een optimaal evenwicht tussen veiligheid en vlotheid wordt nagestreefd;
2° wordt aangepast aan de internationale en Europeesrechtelijke normen, alsmede aan de ontwikkelingen op technologisch, nautisch en transporteconomisch gebied.
3. Ter ondersteuning van de doelstellingen van het gemeenschappelijk nautisch beheer zal de Permanente Commissie initiatieven nemen ter verdere bevordering van de veiligheid op en rondom de Westerschelde. Deze initiatieven hebben in hoofdzaak betrekking op de beschikbaarheid van kwalitatief en kwantitatief adequaat rampenbestrijdingsmaterieel in het Scheldegebied. In dit verband zal zij binnen een jaar na inwerkingtreding van dit Verdrag een voorstel voor een werkplan opstellen en dit ter goedkeuring voorleggen aan de Verdragsluitende Partijen. Zij evalueert dit plan regelmatig en doet, waar nodig, voorstellen tot bijstelling van dit plan aan de Verdragsluitende Partijen.
4. Het gemeenschappelijk nautisch beheer heeft tot doel om, vanuit een havenneutrale benadering, een uniform nautisch regime voor het gehele Scheldegebied in te stellen, alsook de ketenbenadering te verwezenlijken en te concretiseren.
5. De Permanente Commissie waakt erover dat het nautisch regime voor het Scheldegebied in lijn ligt met dat voor de andere havens van Verdragsluitende Partijen en met dat voor andere havenregio's in Europa, rekening houdend met internationale normen terzake, de kenmerken van het Schelde-estuarium en de concurrentiepositie van de Scheldehavens ten opzichte van andere havens van de Le Havre-Hamburg range.
6. De Verdragsluitende Partijen verzekeren in het Scheldegebied een doelmatig en kostenefficiënt gemeenschappelijk nautisch beheer door de gezamenlijke inzet van de daarvoor periodiek ter beschikking te stellen financiële, materiële en personele middelen.
7. Het gemeenschappelijk nautisch beheer kan geen afbreuk doen aan de vrijheid van scheepvaart, het recht van onschuldige doorvaart en het recht van vrije scheepvaart zoals die krachtens het internationaal recht gelden op de in Artikel 3 genoemde scheepvaartwegen. In het bijzonder kan het geen afbreuk doen aan het recht van vrije scheepvaart zoals onder meer vastgelegd in Artikel IX en X van het Tractaat tusschen Nederland en België van 19 april 1839 en in Artikel 109 van de Slotakte van het Congres van Wenen van 9 juni 1815.
1. Met de instelling van het gemeenschappelijk nautisch beheer beogen de Verdragsluitende Partijen een gezamenlijke en evenwaardige Nederlands-Vlaamse bevoegdheid en verantwoordelijkheid voor de afwikkeling van een veilig en vlot scheepvaartverkeer in het Scheldegebied te vestigen.
2. Het gemeenschappelijk nautisch beheer :
1° draagt zorg voor de instandhouding van de huidige niveaus van veiligheid en vlotheid van het scheepvaartverkeer en, zo mogelijk, voor de verbetering van de niveaus van veiligheid en vlotheid van het scheepvaartverkeer, waarbij een optimaal evenwicht tussen veiligheid en vlotheid wordt nagestreefd;
2° wordt aangepast aan de internationale en Europeesrechtelijke normen, alsmede aan de ontwikkelingen op technologisch, nautisch en transporteconomisch gebied.
3. Ter ondersteuning van de doelstellingen van het gemeenschappelijk nautisch beheer zal de Permanente Commissie initiatieven nemen ter verdere bevordering van de veiligheid op en rondom de Westerschelde. Deze initiatieven hebben in hoofdzaak betrekking op de beschikbaarheid van kwalitatief en kwantitatief adequaat rampenbestrijdingsmaterieel in het Scheldegebied. In dit verband zal zij binnen een jaar na inwerkingtreding van dit Verdrag een voorstel voor een werkplan opstellen en dit ter goedkeuring voorleggen aan de Verdragsluitende Partijen. Zij evalueert dit plan regelmatig en doet, waar nodig, voorstellen tot bijstelling van dit plan aan de Verdragsluitende Partijen.
4. Het gemeenschappelijk nautisch beheer heeft tot doel om, vanuit een havenneutrale benadering, een uniform nautisch regime voor het gehele Scheldegebied in te stellen, alsook de ketenbenadering te verwezenlijken en te concretiseren.
5. De Permanente Commissie waakt erover dat het nautisch regime voor het Scheldegebied in lijn ligt met dat voor de andere havens van Verdragsluitende Partijen en met dat voor andere havenregio's in Europa, rekening houdend met internationale normen terzake, de kenmerken van het Schelde-estuarium en de concurrentiepositie van de Scheldehavens ten opzichte van andere havens van de Le Havre-Hamburg range.
6. De Verdragsluitende Partijen verzekeren in het Scheldegebied een doelmatig en kostenefficiënt gemeenschappelijk nautisch beheer door de gezamenlijke inzet van de daarvoor periodiek ter beschikking te stellen financiële, materiële en personele middelen.
7. Het gemeenschappelijk nautisch beheer kan geen afbreuk doen aan de vrijheid van scheepvaart, het recht van onschuldige doorvaart en het recht van vrije scheepvaart zoals die krachtens het internationaal recht gelden op de in Artikel 3 genoemde scheepvaartwegen. In het bijzonder kan het geen afbreuk doen aan het recht van vrije scheepvaart zoals onder meer vastgelegd in Artikel IX en X van het Tractaat tusschen Nederland en België van 19 april 1839 en in Artikel 109 van de Slotakte van het Congres van Wenen van 9 juni 1815.
Art. 2. Objectif et objet du Traité
1. En instituant la gestion nautique commune, les Parties contractantes visent à instaurer une compétence et une responsabilité néerlandaise-flamande commune et équivalente pour la sécurité et la fluidité du trafic maritime dans le bassin de l'Escaut.
2. La gestion nautique commune :
1° assure le maintien des niveaux actuels de sécurité et de fluidité du trafic maritime et, si possible, l'amélioration des niveaux de sécurité et de fluidité du trafic maritime, en aspirant à un équilibre optimal entre la sécurité et la fluidité;
2° est adaptée aux normes internationales et de droit européen, ainsi qu'aux développements dans les domaines technologique, nautique et de l'économie du transport.
3. A l'appui des objectifs de la gestion nautique commune, la Commission permanente prendra des initiatives pour une promotion accrue de la sécurité sur et autour de l'Escaut occidental. Ces initiatives concernent essentiellement la disponibilité de matériel de lutte contre les catastrophes dans le bassin de l'Escaut, qui est adéquat au niveau qualitatif et quantitatif. Dans ce contexte, elle rédigera une proposition de plan de travail dans un an suivant l'entrée en vigueur du présent Traité, et la soumettra à l'approbation des Parties contractantes. Elle évalue ce plan régulièrement et formule, si nécessaire, des propositions d'adaptation de ce plan aux Parties contractantes.
4. La gestion nautique commune vise à instaurer, sur la base d'une approche neutre au niveau des ports, un régime nautique uniforme pour le bassin de l'Escaut entier, ainsi qu'à réaliser et concrétiser l'approche en chaîne.
5. La Commission permanente veille à ce que le régime nautique pour le bassin de l'Escaut s'aligne sur celui des autres ports des Parties contractantes et de celui des autres régions portuaires en Europe, en tenant compte des normes internationales en la matière, des caractéristiques de l'estuaire de l'Escaut et de la position concurrentielle des ports de l'Escaut par rapport à d'autres ports situés sur la rangée Le Havre-Hambourg.
6. Les Parties contractantes assurent une gestion nautique commune fonctionnelle et efficace par rapport aux coûts dans le bassin de l'Escaut, par le biais de l'engagement commun des moyens financiers, matériels et personnels qui doivent être rendus disponibles périodiquement.
7. La gestion nautique commune ne porte pas préjudice à la liberté de la navigation, le droit de passage inoffensif et le droit de navigation libre, tels qu'ils s'appliquent en vertu du droit international aux voies de navigation visées à l'article 3. Elle ne porte particulièrement pas préjudice au droit de la navigation libre tel que fixé notamment à l'article IX et X du Traité entre les Pays-Bas et la Belgique du 19 avril 1839 et à l'article 109 de l'Acte final du Congrès de Vienne du 9 juin 1815.
1. En instituant la gestion nautique commune, les Parties contractantes visent à instaurer une compétence et une responsabilité néerlandaise-flamande commune et équivalente pour la sécurité et la fluidité du trafic maritime dans le bassin de l'Escaut.
2. La gestion nautique commune :
1° assure le maintien des niveaux actuels de sécurité et de fluidité du trafic maritime et, si possible, l'amélioration des niveaux de sécurité et de fluidité du trafic maritime, en aspirant à un équilibre optimal entre la sécurité et la fluidité;
2° est adaptée aux normes internationales et de droit européen, ainsi qu'aux développements dans les domaines technologique, nautique et de l'économie du transport.
3. A l'appui des objectifs de la gestion nautique commune, la Commission permanente prendra des initiatives pour une promotion accrue de la sécurité sur et autour de l'Escaut occidental. Ces initiatives concernent essentiellement la disponibilité de matériel de lutte contre les catastrophes dans le bassin de l'Escaut, qui est adéquat au niveau qualitatif et quantitatif. Dans ce contexte, elle rédigera une proposition de plan de travail dans un an suivant l'entrée en vigueur du présent Traité, et la soumettra à l'approbation des Parties contractantes. Elle évalue ce plan régulièrement et formule, si nécessaire, des propositions d'adaptation de ce plan aux Parties contractantes.
4. La gestion nautique commune vise à instaurer, sur la base d'une approche neutre au niveau des ports, un régime nautique uniforme pour le bassin de l'Escaut entier, ainsi qu'à réaliser et concrétiser l'approche en chaîne.
5. La Commission permanente veille à ce que le régime nautique pour le bassin de l'Escaut s'aligne sur celui des autres ports des Parties contractantes et de celui des autres régions portuaires en Europe, en tenant compte des normes internationales en la matière, des caractéristiques de l'estuaire de l'Escaut et de la position concurrentielle des ports de l'Escaut par rapport à d'autres ports situés sur la rangée Le Havre-Hambourg.
6. Les Parties contractantes assurent une gestion nautique commune fonctionnelle et efficace par rapport aux coûts dans le bassin de l'Escaut, par le biais de l'engagement commun des moyens financiers, matériels et personnels qui doivent être rendus disponibles périodiquement.
7. La gestion nautique commune ne porte pas préjudice à la liberté de la navigation, le droit de passage inoffensif et le droit de navigation libre, tels qu'ils s'appliquent en vertu du droit international aux voies de navigation visées à l'article 3. Elle ne porte particulièrement pas préjudice au droit de la navigation libre tel que fixé notamment à l'article IX et X du Traité entre les Pays-Bas et la Belgique du 19 avril 1839 et à l'article 109 de l'Acte final du Congrès de Vienne du 9 juin 1815.
Art. 3. Toepassingsgebied
1. Het gemeenschappelijk nautisch beheer is van toepassing op de volgende scheepvaartwegen :
(a) de Westerschelde en haar aanlooproutes gelegen in het door de Permanente Commissie nader afgebakende werkingsgebied van Vessel Traffic Services Schelde en haar Mondingen, voor zover ze gelegen zijn :
1° in de Belgische en Nederlandse territoriale zee;
2° daarbuiten in zones die door België, onderscheidenlijk Nederland, overeenkomstig de door de Internationale Maritieme Organisatie vastgestelde regels met betrekking tot verkeersbegeleidingssystemen buiten de Belgische en Nederlandse territoriale zee zijn aangewezen, voor zover het aangelegenheden betreft waarvoor de Verdragsluitende Partijen internationaalrechtelijk bevoegd zijn;
(b) het Nederlands gedeelte van het Kanaal van Gent naar Terneuzen vanaf de grens met België tot aan de sluizen van Terneuzen, alsmede het gebied van de Westsluis, de Middensluis en de Oostsluis te Terneuzen, de Westbuitenhaven en de Oostbuitenhaven te Terneuzen, tot aan de denkbeeldige lijn getrokken over de koppen van de havenhoofden;
(c) het Belgisch gedeelte van het Kanaal van Gent naar Terneuzen vanaf de Meulestedebrug tot de grens met Nederland;
(d) de Beneden-Zeeschelde, met inbegrip van de toegangsgeulen van de sluizen tot aan de meest stroomafwaarts gelegen sluisdeuren, die voor de toepassing van dit Verdrag is begrensd :
1° stroomopwaarts door het verlengde van de lijn getrokken door de twee richtingspalen gelegen op ongeveer één kilometer stroomopwaarts van het zuidelijk uiteinde der kaden van Antwerpen;
2° stroomafwaarts door de Belgisch-Nederlandse grens.
2. De Permanente Commissie kan, overeenkomstig Artikel 5, regels stellen met het oog op de precisering van de omschrijving en afbakening van de in het eerste lid genoemde scheepvaartwegen of, indien de gevolgen van infrastructurele veranderingen daartoe noodzaken, met het oog op de aanpassing ervan.
3. Het gemeenschappelijk nautisch beheer is, onverminderd de bepalingen van dit Verdrag betreffende de ketenbenadering, niet van toepassing op de havendokken en aanlegplaatsen die met de in het eerste lid bedoelde scheepvaartwegen in verbinding staan.
4. Het gemeenschappelijk nautisch beheer is van toepassing op alle schepen die het Scheldegebied bevaren.
1. Het gemeenschappelijk nautisch beheer is van toepassing op de volgende scheepvaartwegen :
(a) de Westerschelde en haar aanlooproutes gelegen in het door de Permanente Commissie nader afgebakende werkingsgebied van Vessel Traffic Services Schelde en haar Mondingen, voor zover ze gelegen zijn :
1° in de Belgische en Nederlandse territoriale zee;
2° daarbuiten in zones die door België, onderscheidenlijk Nederland, overeenkomstig de door de Internationale Maritieme Organisatie vastgestelde regels met betrekking tot verkeersbegeleidingssystemen buiten de Belgische en Nederlandse territoriale zee zijn aangewezen, voor zover het aangelegenheden betreft waarvoor de Verdragsluitende Partijen internationaalrechtelijk bevoegd zijn;
(b) het Nederlands gedeelte van het Kanaal van Gent naar Terneuzen vanaf de grens met België tot aan de sluizen van Terneuzen, alsmede het gebied van de Westsluis, de Middensluis en de Oostsluis te Terneuzen, de Westbuitenhaven en de Oostbuitenhaven te Terneuzen, tot aan de denkbeeldige lijn getrokken over de koppen van de havenhoofden;
(c) het Belgisch gedeelte van het Kanaal van Gent naar Terneuzen vanaf de Meulestedebrug tot de grens met Nederland;
(d) de Beneden-Zeeschelde, met inbegrip van de toegangsgeulen van de sluizen tot aan de meest stroomafwaarts gelegen sluisdeuren, die voor de toepassing van dit Verdrag is begrensd :
1° stroomopwaarts door het verlengde van de lijn getrokken door de twee richtingspalen gelegen op ongeveer één kilometer stroomopwaarts van het zuidelijk uiteinde der kaden van Antwerpen;
2° stroomafwaarts door de Belgisch-Nederlandse grens.
2. De Permanente Commissie kan, overeenkomstig Artikel 5, regels stellen met het oog op de precisering van de omschrijving en afbakening van de in het eerste lid genoemde scheepvaartwegen of, indien de gevolgen van infrastructurele veranderingen daartoe noodzaken, met het oog op de aanpassing ervan.
3. Het gemeenschappelijk nautisch beheer is, onverminderd de bepalingen van dit Verdrag betreffende de ketenbenadering, niet van toepassing op de havendokken en aanlegplaatsen die met de in het eerste lid bedoelde scheepvaartwegen in verbinding staan.
4. Het gemeenschappelijk nautisch beheer is van toepassing op alle schepen die het Scheldegebied bevaren.
Art. 3. Champ d'application
1. La gestion nautique commune s'applique aux voies de navigation suivantes :
(a) l'Escaut occidental et ses chenaux d'accès situés dans la zone d'action, délimitée par la Commission permanente, de Vessel Traffic Services Escaut et ses embouchures, dans la mesure où ils sont situés :
1° dans la mer territoriale belge et néerlandaise;
2° ailleurs dans des zones indiquées par la Belgique, respectivement les Pays-Bas, conformément aux règles fixées par l'Organisation maritime internationale concernant les systèmes d'assistance au trafic en dehors de la mer territoriale belge et néerlandaise, dans la mesure où il concerne des matières pour lesquelles les Parties contractantes sont compétentes en vertu du droit international;
(b) la partie néerlandaise du Canal de Gand à Terneuzen à partir de la frontière avec la Belgique jusqu'aux écluses de Terneuzen, ainsi que la zone de la Westsluis, la Middensluis et la Oostsluis à Terneuzen, le Westbuitenhaven et le Oostbuitenhaven à Terneuzen, jusqu'à la ligne imaginaire tracée au-dessus des môles;
(c) la partie belge du Canal de Gand à Terneuzen à partir du Meulestedebrug jusqu'à la frontière avec les Pays-Bas;
(d) le Bas Escaut maritime, y compris les chenaux d'accès des écluses jusqu'aux portes d'écluses situées le plus en aval, qui est délimité pour l'application du présent Traité :
1° en amont par le prolongement d'une ligne tracée par les deux poteaux d'alignement placés à environ un kilomètre en amont de l'extrémité sud des quais d'Anvers;
2° en aval par la frontière belge-néerlandaise.
2. Conformément à l'article 5, la Commission permanente peut établir des règles en vue de la précision de la description et délimitation des voies de navigation visées à l'alinéa premier, ou si les conséquences de modifications infrastructurelles le requièrent, en vue de leur application.
3. Sans préjudice des dispositions du présent Traité relatives à l'approche en chaîne, la gestion nautique commune ne s'applique pas aux bassins des ports et quais ayant un accès aux voies de navigation visées à l'alinéa premier.
4. La gestion nautique commune s'applique à tous les navires qui naviguent sur le bassin de l'Escaut.
1. La gestion nautique commune s'applique aux voies de navigation suivantes :
(a) l'Escaut occidental et ses chenaux d'accès situés dans la zone d'action, délimitée par la Commission permanente, de Vessel Traffic Services Escaut et ses embouchures, dans la mesure où ils sont situés :
1° dans la mer territoriale belge et néerlandaise;
2° ailleurs dans des zones indiquées par la Belgique, respectivement les Pays-Bas, conformément aux règles fixées par l'Organisation maritime internationale concernant les systèmes d'assistance au trafic en dehors de la mer territoriale belge et néerlandaise, dans la mesure où il concerne des matières pour lesquelles les Parties contractantes sont compétentes en vertu du droit international;
(b) la partie néerlandaise du Canal de Gand à Terneuzen à partir de la frontière avec la Belgique jusqu'aux écluses de Terneuzen, ainsi que la zone de la Westsluis, la Middensluis et la Oostsluis à Terneuzen, le Westbuitenhaven et le Oostbuitenhaven à Terneuzen, jusqu'à la ligne imaginaire tracée au-dessus des môles;
(c) la partie belge du Canal de Gand à Terneuzen à partir du Meulestedebrug jusqu'à la frontière avec les Pays-Bas;
(d) le Bas Escaut maritime, y compris les chenaux d'accès des écluses jusqu'aux portes d'écluses situées le plus en aval, qui est délimité pour l'application du présent Traité :
1° en amont par le prolongement d'une ligne tracée par les deux poteaux d'alignement placés à environ un kilomètre en amont de l'extrémité sud des quais d'Anvers;
2° en aval par la frontière belge-néerlandaise.
2. Conformément à l'article 5, la Commission permanente peut établir des règles en vue de la précision de la description et délimitation des voies de navigation visées à l'alinéa premier, ou si les conséquences de modifications infrastructurelles le requièrent, en vue de leur application.
3. Sans préjudice des dispositions du présent Traité relatives à l'approche en chaîne, la gestion nautique commune ne s'applique pas aux bassins des ports et quais ayant un accès aux voies de navigation visées à l'alinéa premier.
4. La gestion nautique commune s'applique à tous les navires qui naviguent sur le bassin de l'Escaut.
Art. 4. Permanente Commissie
1. De Permanente Commissie is samengesteld uit vier Commissarissen, waarvan de Nederlandse en Vlaamse Regering er ieder twee benoemen. Benoeming en ontslag vinden plaats op de wijze die de Nederlandse onderscheidenlijk de Vlaamse Regering bepaalt.
2. De Permanente Commissie behoudt haar taken en bevoegdheden verleend bij :
(a) het Tractaat tussen Nederland en België van Londen van 19 april 1839;
(b) het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België, regelende de verlichting en de bebakening van de Westerschelde en haar mondingen van 's-Gravenhage van 23 oktober 1957;
(c) de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België inzake het aanleggen van een walradarketen langs de Westerschelde en haar mondingen van Brussel van 29 november 1978, zoals gewijzigd;
(d) het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België en het Vlaams Gewest van Middelburg van 11 januari 1995 tot herziening van het Reglement ter uitvoering van Artikel IX van het Tractaat van 19 april 1839 en van hoofdstuk II, afdelingen 1 en 2, van het Tractaat van 5 november 1842, zoals gewijzigd, voor wat betreft het loodswezen en het gemeenschappelijk toezicht daarop (Scheldereglement).
3. In het raam van het gemeenschappelijk nautisch beheer stelt de Permanente Commissie, onverminderd de Verdragen, en met inachtneming van de rechten van scheepvaart bedoeld in Artikel 2, zevende lid, regels vast overeenkomstig Artikel 5.
4. De Permanente Commissie kan de Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit algemene en bijzondere aanwijzingen geven met betrekking tot de uitoefening van haar taken en bevoegdheden.
5. Met het oog op de verbetering van het gemeenschappelijk nautisch beheer of ter uitvoering van dit Verdrag kunnen de in het tweede lid, onder (b) tot en met (d), vermelde Verdragen en het onderhavige Verdrag worden gewijzigd; de Permanente Commissie kan hiertoe voorstellen doen.
6. De Permanente Commissie evalueert het gemeenschappelijk nautisch beheer voortdurend. In alle geval stelt zij ten behoeve van de Regeringen minstens tweejaarlijks een evaluatierapport op, waarin wordt beoordeeld in welke mate de doelstellingen van dit Verdrag werden gerealiseerd en waarin in voorkomend geval maatregelen worden voorgesteld om deze doelstellingen beter te realiseren, te verfijnen of te wijzigen, inbegrepen verdragswijzigingen als bedoeld in het vijfde lid.
7. De Permanente Commissie neemt haar beslissingen bij consensus.
8. Ter regeling van haar werkzaamheden neemt de Permanente Commissie een huishoudelijk reglement aan.
9. De Permanente Commissie regelt de inrichting, de werkwijze en de beslissingsprocedures van de Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit, met inachtneming van Artikel 6, eerste lid.
10. De Permanente Commissie regelt de inrichting van het Secretariaat.
1. De Permanente Commissie is samengesteld uit vier Commissarissen, waarvan de Nederlandse en Vlaamse Regering er ieder twee benoemen. Benoeming en ontslag vinden plaats op de wijze die de Nederlandse onderscheidenlijk de Vlaamse Regering bepaalt.
2. De Permanente Commissie behoudt haar taken en bevoegdheden verleend bij :
(a) het Tractaat tussen Nederland en België van Londen van 19 april 1839;
(b) het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België, regelende de verlichting en de bebakening van de Westerschelde en haar mondingen van 's-Gravenhage van 23 oktober 1957;
(c) de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België inzake het aanleggen van een walradarketen langs de Westerschelde en haar mondingen van Brussel van 29 november 1978, zoals gewijzigd;
(d) het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België en het Vlaams Gewest van Middelburg van 11 januari 1995 tot herziening van het Reglement ter uitvoering van Artikel IX van het Tractaat van 19 april 1839 en van hoofdstuk II, afdelingen 1 en 2, van het Tractaat van 5 november 1842, zoals gewijzigd, voor wat betreft het loodswezen en het gemeenschappelijk toezicht daarop (Scheldereglement).
3. In het raam van het gemeenschappelijk nautisch beheer stelt de Permanente Commissie, onverminderd de Verdragen, en met inachtneming van de rechten van scheepvaart bedoeld in Artikel 2, zevende lid, regels vast overeenkomstig Artikel 5.
4. De Permanente Commissie kan de Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit algemene en bijzondere aanwijzingen geven met betrekking tot de uitoefening van haar taken en bevoegdheden.
5. Met het oog op de verbetering van het gemeenschappelijk nautisch beheer of ter uitvoering van dit Verdrag kunnen de in het tweede lid, onder (b) tot en met (d), vermelde Verdragen en het onderhavige Verdrag worden gewijzigd; de Permanente Commissie kan hiertoe voorstellen doen.
6. De Permanente Commissie evalueert het gemeenschappelijk nautisch beheer voortdurend. In alle geval stelt zij ten behoeve van de Regeringen minstens tweejaarlijks een evaluatierapport op, waarin wordt beoordeeld in welke mate de doelstellingen van dit Verdrag werden gerealiseerd en waarin in voorkomend geval maatregelen worden voorgesteld om deze doelstellingen beter te realiseren, te verfijnen of te wijzigen, inbegrepen verdragswijzigingen als bedoeld in het vijfde lid.
7. De Permanente Commissie neemt haar beslissingen bij consensus.
8. Ter regeling van haar werkzaamheden neemt de Permanente Commissie een huishoudelijk reglement aan.
9. De Permanente Commissie regelt de inrichting, de werkwijze en de beslissingsprocedures van de Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit, met inachtneming van Artikel 6, eerste lid.
10. De Permanente Commissie regelt de inrichting van het Secretariaat.
Art. 4. Commission permanente
1. La Commission permanente se compose de quatre Commissaires, dont le Gouvernement néerlandais et le Gouvernement flamand en nomment chacun deux. La nomination et la démission ont lieu selon les modalités fixées par le Gouvernement néerlandais, respectivement le Gouvernement flamand.
2. La Commission permanente maintient ses tâches et compétences attribuées par :
(a) le Traité entre les Pays-Bas et la Belgique de Londres du 19 avril 1839;
(b) le Traité entre le Royaume des Pays-Bas et le Royaume de Belgique réglant l'éclairage et la signalisation de l'Escaut occidental et ses embouchures de 's-Gravenhage du 23 octobre 1957;
(c) la Convention entre le Royaume des Pays-Bas et le Royaume de Belgique relative à l'aménagement d'une chaîne de radar le long de l'Escaut occidental et ses embouchures de Bruxelles du 29 novembre 1978, telle que modifiée;
(d) le Traité entre le Royaume des Pays-Bas, le Royaume de Belgique et la Région flamande de Middelburg du 11 janvier 1995 portant révision du Règlement sur l'exécution de l'article IX du Traité du 19 avril 1839 et du chapitre II, sections 1 et 2, du Traité du 5 novembre 1842, modifiés, relatif au pilotage et à la surveillance commune (règlement de l'Escaut).
3. Dans le cadre de la gestion nautique commune, la Commission permanente établit des règles conformément à l'article 5, sans préjudice des Traités et dans le respect des droits de navigation visés à l'article 2, alinéa sept.
4. La Commission permanente peut donner des indications générales et particulières à l'Autorité nautique commune concernant l'exercice de ses tâches et compétences.
5. En vue de l'amélioration de la gestion nautique commune ou en exécution du présent Traité, les Traités visés à l'alinéa deux, sous (b) à (d) inclus, et le présent Traité peuvent être modifiés; la Commission permanente peut formuler des propositions à cet effet.
6. La Commission permanente évalue constamment la gestion nautique commune. En tout cas, elle établit au moins tous les deux ans un rapport d'évaluation au bénéfice du Gouvernement flamand, qui comporte une évaluation de la mesure dans laquelle les objectifs du présent Traité ont été réalisés, ainsi que, le cas échéant, une proposition de mesures pour mieux réaliser, affiner ou modifier ces objectifs, y compris des modifications de traité telles que visées à l'alinéa cinq.
7. La Commission permanente prend ses décisions par consensus.
8. En vue du règlement de ses activités, la Commission permanente adopte un règlement d'ordre intérieur.
9. La Commission permanente règle l'organisation, le mode de fonctionnement et les procédures décisionnelles de l'Autorité nautique commune, dans le respect de l'article 6, alinéa premier.
10. La Commission permanente règle l'organisation du Secrétariat.
1. La Commission permanente se compose de quatre Commissaires, dont le Gouvernement néerlandais et le Gouvernement flamand en nomment chacun deux. La nomination et la démission ont lieu selon les modalités fixées par le Gouvernement néerlandais, respectivement le Gouvernement flamand.
2. La Commission permanente maintient ses tâches et compétences attribuées par :
(a) le Traité entre les Pays-Bas et la Belgique de Londres du 19 avril 1839;
(b) le Traité entre le Royaume des Pays-Bas et le Royaume de Belgique réglant l'éclairage et la signalisation de l'Escaut occidental et ses embouchures de 's-Gravenhage du 23 octobre 1957;
(c) la Convention entre le Royaume des Pays-Bas et le Royaume de Belgique relative à l'aménagement d'une chaîne de radar le long de l'Escaut occidental et ses embouchures de Bruxelles du 29 novembre 1978, telle que modifiée;
(d) le Traité entre le Royaume des Pays-Bas, le Royaume de Belgique et la Région flamande de Middelburg du 11 janvier 1995 portant révision du Règlement sur l'exécution de l'article IX du Traité du 19 avril 1839 et du chapitre II, sections 1 et 2, du Traité du 5 novembre 1842, modifiés, relatif au pilotage et à la surveillance commune (règlement de l'Escaut).
3. Dans le cadre de la gestion nautique commune, la Commission permanente établit des règles conformément à l'article 5, sans préjudice des Traités et dans le respect des droits de navigation visés à l'article 2, alinéa sept.
4. La Commission permanente peut donner des indications générales et particulières à l'Autorité nautique commune concernant l'exercice de ses tâches et compétences.
5. En vue de l'amélioration de la gestion nautique commune ou en exécution du présent Traité, les Traités visés à l'alinéa deux, sous (b) à (d) inclus, et le présent Traité peuvent être modifiés; la Commission permanente peut formuler des propositions à cet effet.
6. La Commission permanente évalue constamment la gestion nautique commune. En tout cas, elle établit au moins tous les deux ans un rapport d'évaluation au bénéfice du Gouvernement flamand, qui comporte une évaluation de la mesure dans laquelle les objectifs du présent Traité ont été réalisés, ainsi que, le cas échéant, une proposition de mesures pour mieux réaliser, affiner ou modifier ces objectifs, y compris des modifications de traité telles que visées à l'alinéa cinq.
7. La Commission permanente prend ses décisions par consensus.
8. En vue du règlement de ses activités, la Commission permanente adopte un règlement d'ordre intérieur.
9. La Commission permanente règle l'organisation, le mode de fonctionnement et les procédures décisionnelles de l'Autorité nautique commune, dans le respect de l'article 6, alinéa premier.
10. La Commission permanente règle l'organisation du Secrétariat.
Art. 5. Regelstelling
1. De door de Permanente Commissie op grond van Artikel 4, derde lid, te stellen regels worden gesteld in het belang van :
(a) het verzekeren van de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer;
(b) het verzekeren van een doelmatige verkeersbegeleiding;
(c) het optimaal gebruik van de vaarwegcapaciteit;
(d) het instandhouden van scheepvaartwegen en het waarborgen van de veiligheid van hun infrastructuur;
(e) het voorkomen of beperken van schade door het scheepvaartverkeer aan de waterhuishouding, oevers en waterkeringen, of werken gelegen in of over scheepvaartwegen;
(f) het voorkomen of beperken van schade aan het milieu door het scheepvaartverkeer;
(g) het concretiseren van de ketenbenadering.
2. De regels bedoeld in het eerste lid, hebben slechts betrekking op :
(a) het vaststellen van voorwaarden en het geven van verkeersaanwijzingen waaronder een schip het recht van scheepvaart kan uitoefenen op de scheepvaartwegen in het Scheldegebied, mits deze voorwaarden respectievelijk aanwijzingen noodzakelijk zijn voor de veilige en vlotte vaart van het schip;
(b) de vaarwegmarkering;
(c) het verbeteren van de benutbaarheid van de capaciteit van de scheepvaartwegen, waaronder de bepaling van de minimale kielspeling, zonder dat daarbij de kielspeling bepaald in het Verdrag tussen het Vlaams Gewest en het Koninkrijk der Nederlanden betreffende de uitvoering van de Ontwikkelingsschets 2010 Schelde-estuarium kan worden vergroot;
(d) het aanbrengen van verkeerstekens en het doen van bekendmakingen met dezelfde strekking als een verkeersteken;
(e) het geven van inlichtingen en adviezen door daartoe bevoegde personen aan een of meer verkeersdeelnemers met betrekking tot een scheepvaartweg of het scheepvaartverkeer;
(f) de verkeersbegeleiding;
(g) het gebruik van plaatsbepaling;
(h) de aangelegenheden in verband met het nautisch beheer in bovenomschreven kader, die uitvoering of omzetting vereisen van internationale en Europeesrechtelijke regelen;
(i) de nadere afbakening en omschrijving van de scheepvaartwegen van het Scheldegebied en hun onderdelen, als bedoeld in Artikel 3.
3. In de krachtens Artikel 4, derde lid, vast te stellen regels draagt de Permanente Commissie taken en bevoegdheden op aan de Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit. De Permanente Commissie kan ten aanzien van opgedragen taken en bevoegdheden bepalen dat de beslissingen van de Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit de goedkeuring van de Permanente Commissie behoeven.
4. De Permanente Commissie is bevoegd in de regels, bedoeld in het tweede lid, afzonderlijke voorschriften vast te stellen ten aanzien van de deelname van oorlogsschepen aan het scheepvaartverkeer.
5. De Permanente Commissie vraagt over de krachtens artikel 4, derde lid, vast te stellen regels voorafgaand advies aan de relevante bij de verkeersafwikkeling betrokken bestuursinstanties, organisaties en groeperingen. De Permanente Commissie kan hiervoor een adviesraad instellen.
6. De met de door de Permanente Commissie in overeenstemming met deze bepaling gestelde regels strijdige wettelijke voorschriften, blijven buiten toepassing.
7. De door de Permanente Commissie krachtens deze bepaling gestelde regels hebben in Nederland en Vlaanderen geen verbindende kracht dan nadat zij zijn bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant en het Belgisch Staatsblad. De Permanente Commissie draagt zorg voor de bekendmaking. De regels voorzien in hun inwerkingtreding.
Bij gebreke van een voorziening voor de inwerkingtreding treden de regels in werking op de vijftiende kalenderdag na de datum van verschijning van de Nederlandse Staatscourant, onderscheidenlijk het Belgisch Staatsblad, waarin zij zijn bekendgemaakt. De laatste datum van verschijning is bepalend voor de aanvang van termijn, bedoeld in de vorige volzin.
1. De door de Permanente Commissie op grond van Artikel 4, derde lid, te stellen regels worden gesteld in het belang van :
(a) het verzekeren van de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer;
(b) het verzekeren van een doelmatige verkeersbegeleiding;
(c) het optimaal gebruik van de vaarwegcapaciteit;
(d) het instandhouden van scheepvaartwegen en het waarborgen van de veiligheid van hun infrastructuur;
(e) het voorkomen of beperken van schade door het scheepvaartverkeer aan de waterhuishouding, oevers en waterkeringen, of werken gelegen in of over scheepvaartwegen;
(f) het voorkomen of beperken van schade aan het milieu door het scheepvaartverkeer;
(g) het concretiseren van de ketenbenadering.
2. De regels bedoeld in het eerste lid, hebben slechts betrekking op :
(a) het vaststellen van voorwaarden en het geven van verkeersaanwijzingen waaronder een schip het recht van scheepvaart kan uitoefenen op de scheepvaartwegen in het Scheldegebied, mits deze voorwaarden respectievelijk aanwijzingen noodzakelijk zijn voor de veilige en vlotte vaart van het schip;
(b) de vaarwegmarkering;
(c) het verbeteren van de benutbaarheid van de capaciteit van de scheepvaartwegen, waaronder de bepaling van de minimale kielspeling, zonder dat daarbij de kielspeling bepaald in het Verdrag tussen het Vlaams Gewest en het Koninkrijk der Nederlanden betreffende de uitvoering van de Ontwikkelingsschets 2010 Schelde-estuarium kan worden vergroot;
(d) het aanbrengen van verkeerstekens en het doen van bekendmakingen met dezelfde strekking als een verkeersteken;
(e) het geven van inlichtingen en adviezen door daartoe bevoegde personen aan een of meer verkeersdeelnemers met betrekking tot een scheepvaartweg of het scheepvaartverkeer;
(f) de verkeersbegeleiding;
(g) het gebruik van plaatsbepaling;
(h) de aangelegenheden in verband met het nautisch beheer in bovenomschreven kader, die uitvoering of omzetting vereisen van internationale en Europeesrechtelijke regelen;
(i) de nadere afbakening en omschrijving van de scheepvaartwegen van het Scheldegebied en hun onderdelen, als bedoeld in Artikel 3.
3. In de krachtens Artikel 4, derde lid, vast te stellen regels draagt de Permanente Commissie taken en bevoegdheden op aan de Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit. De Permanente Commissie kan ten aanzien van opgedragen taken en bevoegdheden bepalen dat de beslissingen van de Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit de goedkeuring van de Permanente Commissie behoeven.
4. De Permanente Commissie is bevoegd in de regels, bedoeld in het tweede lid, afzonderlijke voorschriften vast te stellen ten aanzien van de deelname van oorlogsschepen aan het scheepvaartverkeer.
5. De Permanente Commissie vraagt over de krachtens artikel 4, derde lid, vast te stellen regels voorafgaand advies aan de relevante bij de verkeersafwikkeling betrokken bestuursinstanties, organisaties en groeperingen. De Permanente Commissie kan hiervoor een adviesraad instellen.
6. De met de door de Permanente Commissie in overeenstemming met deze bepaling gestelde regels strijdige wettelijke voorschriften, blijven buiten toepassing.
7. De door de Permanente Commissie krachtens deze bepaling gestelde regels hebben in Nederland en Vlaanderen geen verbindende kracht dan nadat zij zijn bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant en het Belgisch Staatsblad. De Permanente Commissie draagt zorg voor de bekendmaking. De regels voorzien in hun inwerkingtreding.
Bij gebreke van een voorziening voor de inwerkingtreding treden de regels in werking op de vijftiende kalenderdag na de datum van verschijning van de Nederlandse Staatscourant, onderscheidenlijk het Belgisch Staatsblad, waarin zij zijn bekendgemaakt. De laatste datum van verschijning is bepalend voor de aanvang van termijn, bedoeld in de vorige volzin.
Art. 5. Etablissement de règles
1. Les règles à établir par la Commission permanente sur la base de l'article 4, alinéa trois, sont établis dans l'intérêt :
(a) de la garantie de la sécurité et de la fluidité du trafic maritime;
(b) de la garantie d'une assistance au trafic efficace;
(c) de l'utilisation optimale de la capacité des voies de navigation;
(d) de la conservation des voies de navigation et de la garantie de la sécurité de leur infrastructure;
(e) de la prévention ou la limitation des dommages causés par le trafic maritime au régime des eaux, aux rives et retenues d'eau, ou aux travaux situés dans ou au-dessus de voies de navigation;
(f) de la prévention ou limitation des dommages causés par le trafic maritime à l'environnement;
(g) de la concrétisation de l'approche en chaîne.
2. Les règles visées à l'alinéa premier, ne concernent que :
a. l'établissement de conditions et la transmission d'indications de signalisation auxquelles un navire peut exercer le droit de navigation sur les voies de navigation dans le bassin de l'Escaut, pourvu que ces conditions respectivement indications soient nécessaires pour la sécurité et la fluidité de la navigation du navire;
b. le marquage des voies de navigation;
c. l'amélioration de l'utilisation optimale de la capacité des voies de navigation, dont la détermination de la variation minimale de quille, sans que la variation de quille déterminée dans le Traité entre la Région flamande et le Royaume des Pays-Bas relatif à l'exécution du "Plan de développement 2010 Estuaire de l'Escaut" puisse être augmentée;
d. l'apposition de signaux de navigation et la publication d'avis ayant la même portée qu'un signal de signalisation;
e. la fourniture d'informations et d'avis par des personnes compétentes à un ou plusieurs participants au trafic concernant une voie de navigation ou le trafic maritime;
f. l'assistance au trafic;
g. l'emploi de localisation;
h. les matières relatives à la gestion nautique dans le cadre précité, qui requièrent l'exécution ou la transposition de règles internationales et de droit européen;
i. la délimitation et description précises des voies de navigation du bassin de l'Escaut et leurs parties, telles que visées à l'article 3.
3. Dans les règles à établir en vertu de l'article 4, alinéa trois, la Commission permanente attribue des tâches et compétences à l'Autorité nautique commune. Par rapport aux tâches et compétences attribuées, la Commission permanente peut arrêter que les décisions de l'Autorité nautique commune requièrent l'approbation de la Commission permanente.
4. La Commission permanente est compétente pour établir, dans les règles visées à l'alinéa deux, des prescriptions distinctes par rapport à la participation de bâtiments de guerre au trafic maritime.
5. La Commission permanente demande l'avis préalable des instances administratives, organisations et groupements concernés par le déroulement du trafic, sur les règles à établir en vertu de l'article 4, alinéa trois. La Commission permanente peut instaurer un conseil consultatif à cet effet.
6. Les prescriptions légales qui sont contraires aux règles établies par la Commission permanente conformément à la présente disposition, restent sans application.
7. Les règles établies par la Commission permanente en vertu de la présente disposition, n'ont force obligatoire aux Pays-Bas et en Flandre qu'après leur publication dans le "Nederlandse Staatscourant" et le Moniteur belge. La Commission permanente assure la publication. Les règles prévoient leur entrée en vigueur.
A défaut d'une disposition pour l'entrée en vigueur, les règles entrent en vigueur le quinzième jour calendaire suivant la date de publication dans le "Nederlandse Staatscourant", respectivement le Moniteur belge dans lequel elles ont été publiées. La dernière date de publication détermine le début du délai visé dans la phrase précédente.
1. Les règles à établir par la Commission permanente sur la base de l'article 4, alinéa trois, sont établis dans l'intérêt :
(a) de la garantie de la sécurité et de la fluidité du trafic maritime;
(b) de la garantie d'une assistance au trafic efficace;
(c) de l'utilisation optimale de la capacité des voies de navigation;
(d) de la conservation des voies de navigation et de la garantie de la sécurité de leur infrastructure;
(e) de la prévention ou la limitation des dommages causés par le trafic maritime au régime des eaux, aux rives et retenues d'eau, ou aux travaux situés dans ou au-dessus de voies de navigation;
(f) de la prévention ou limitation des dommages causés par le trafic maritime à l'environnement;
(g) de la concrétisation de l'approche en chaîne.
2. Les règles visées à l'alinéa premier, ne concernent que :
a. l'établissement de conditions et la transmission d'indications de signalisation auxquelles un navire peut exercer le droit de navigation sur les voies de navigation dans le bassin de l'Escaut, pourvu que ces conditions respectivement indications soient nécessaires pour la sécurité et la fluidité de la navigation du navire;
b. le marquage des voies de navigation;
c. l'amélioration de l'utilisation optimale de la capacité des voies de navigation, dont la détermination de la variation minimale de quille, sans que la variation de quille déterminée dans le Traité entre la Région flamande et le Royaume des Pays-Bas relatif à l'exécution du "Plan de développement 2010 Estuaire de l'Escaut" puisse être augmentée;
d. l'apposition de signaux de navigation et la publication d'avis ayant la même portée qu'un signal de signalisation;
e. la fourniture d'informations et d'avis par des personnes compétentes à un ou plusieurs participants au trafic concernant une voie de navigation ou le trafic maritime;
f. l'assistance au trafic;
g. l'emploi de localisation;
h. les matières relatives à la gestion nautique dans le cadre précité, qui requièrent l'exécution ou la transposition de règles internationales et de droit européen;
i. la délimitation et description précises des voies de navigation du bassin de l'Escaut et leurs parties, telles que visées à l'article 3.
3. Dans les règles à établir en vertu de l'article 4, alinéa trois, la Commission permanente attribue des tâches et compétences à l'Autorité nautique commune. Par rapport aux tâches et compétences attribuées, la Commission permanente peut arrêter que les décisions de l'Autorité nautique commune requièrent l'approbation de la Commission permanente.
4. La Commission permanente est compétente pour établir, dans les règles visées à l'alinéa deux, des prescriptions distinctes par rapport à la participation de bâtiments de guerre au trafic maritime.
5. La Commission permanente demande l'avis préalable des instances administratives, organisations et groupements concernés par le déroulement du trafic, sur les règles à établir en vertu de l'article 4, alinéa trois. La Commission permanente peut instaurer un conseil consultatif à cet effet.
6. Les prescriptions légales qui sont contraires aux règles établies par la Commission permanente conformément à la présente disposition, restent sans application.
7. Les règles établies par la Commission permanente en vertu de la présente disposition, n'ont force obligatoire aux Pays-Bas et en Flandre qu'après leur publication dans le "Nederlandse Staatscourant" et le Moniteur belge. La Commission permanente assure la publication. Les règles prévoient leur entrée en vigueur.
A défaut d'une disposition pour l'entrée en vigueur, les règles entrent en vigueur le quinzième jour calendaire suivant la date de publication dans le "Nederlandse Staatscourant", respectivement le Moniteur belge dans lequel elles ont été publiées. La dernière date de publication détermine le début du délai visé dans la phrase précédente.
Art. 6. Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit
1. De Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit wordt gevormd door één ambtenaar van elke Verdragsluitende Partij, of één van zijn plaatsvervangers. De ambtenaren en hun plaatsvervangers worden van beider zijde aangesteld door de Bewindspersoon die het nautisch beheer onder zijn bevoegdheid heeft. Het alzo samengestelde orgaan beslist en treedt naar buiten toe op als één entiteit. Eenzijdige beslissingen door de samenstellende delen van de Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit zijn uitgesloten.
2. Benoeming en ontslag van de ambtenaren en hun plaatsvervangers bedoeld in het eerste lid, vinden plaats op de wijze die de Nederlandse, onderscheidenlijk de Vlaamse Regering bepaalt.
3. De Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit is belast met het gemeenschappelijk nautisch beheer en voert de door de Permanente Commissie krachtens dit Verdrag vastgestelde regels uit.
4. Besluiten van de Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit die van algemene strekking zijn, worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant en het Belgisch Staatsblad. Andere besluiten van de Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit kunnen worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant en het Belgisch Staatsblad.
5. Onverminderd haar eigen taken in verband met scheepvaartincidenten en de bestrijding van calamiteiten, zal de Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit bij calamiteiten die rechtstreeks gevolgen kunnen hebben voor de veiligheid aan land, handelen in overleg met de autoriteiten die krachtens de nationale wetgeving bevoegd zijn voor de rampenbestrijding. De Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit verleent aan deze autoriteiten advies en bijstand.
6. De Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit verstrekt de Permanente Commissie alle verlangde inlichtingen.
7. Met het oog op de evaluatierapportage van de Permanente Commissie bedoeld in Artikel 4, zesde lid, brengt de Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit aan de Permanente Commissie minstens tweejaarlijks een schriftelijk rapport uit met betrekking tot de wijze waarop zij haar taken en bevoegdheden in de voorbije periode heeft uitgeoefend.
1. De Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit wordt gevormd door één ambtenaar van elke Verdragsluitende Partij, of één van zijn plaatsvervangers. De ambtenaren en hun plaatsvervangers worden van beider zijde aangesteld door de Bewindspersoon die het nautisch beheer onder zijn bevoegdheid heeft. Het alzo samengestelde orgaan beslist en treedt naar buiten toe op als één entiteit. Eenzijdige beslissingen door de samenstellende delen van de Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit zijn uitgesloten.
2. Benoeming en ontslag van de ambtenaren en hun plaatsvervangers bedoeld in het eerste lid, vinden plaats op de wijze die de Nederlandse, onderscheidenlijk de Vlaamse Regering bepaalt.
3. De Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit is belast met het gemeenschappelijk nautisch beheer en voert de door de Permanente Commissie krachtens dit Verdrag vastgestelde regels uit.
4. Besluiten van de Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit die van algemene strekking zijn, worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant en het Belgisch Staatsblad. Andere besluiten van de Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit kunnen worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant en het Belgisch Staatsblad.
5. Onverminderd haar eigen taken in verband met scheepvaartincidenten en de bestrijding van calamiteiten, zal de Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit bij calamiteiten die rechtstreeks gevolgen kunnen hebben voor de veiligheid aan land, handelen in overleg met de autoriteiten die krachtens de nationale wetgeving bevoegd zijn voor de rampenbestrijding. De Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit verleent aan deze autoriteiten advies en bijstand.
6. De Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit verstrekt de Permanente Commissie alle verlangde inlichtingen.
7. Met het oog op de evaluatierapportage van de Permanente Commissie bedoeld in Artikel 4, zesde lid, brengt de Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit aan de Permanente Commissie minstens tweejaarlijks een schriftelijk rapport uit met betrekking tot de wijze waarop zij haar taken en bevoegdheden in de voorbije periode heeft uitgeoefend.
Art. 6. Autorité nautique commune
1. L'Autorité nautique commune se compose d'un fonctionnaire de chaque Partie contractante, ou d'un de ses suppléants. Les fonctionnaires et leurs suppléants sont désignés des deux côtés par le Responsable politique ayant la gestion nautique dans ses attributions. L'organe ainsi composé décide et intervient vers l'extérieur comme une seule entité. Des décisions unilatérales des parties composantes de l'Autorité nautique commune sont exclues.
2. La nomination et la démission des fonctionnaires et de leurs suppléants visés à l'alinéa premier, ont lieu selon les modalités fixées par le Gouvernement néerlandais, respectivement le Gouvernement flamand.
3. L'Autorité nautique commune est chargée de la gestion nautique commune et exécute les règles établies par la Commission permanente en vertu du présent Traité.
4. Les décisions de l'Autorité nautique commune à portée générale sont publiées dans le "Nederlandse Staatscourant" et le Moniteur belge. D'autres décisions de l'Autorité nautique commune peuvent être publiées dans le "Nederlandse Staatscourant" et le Moniteur belge.
5. Sans préjudice de ses propres tâches relatives aux incidents de navigation et la lutte contre les calamités, l'Autorité nautique commune agira, en cas de calamités susceptibles d'avoir des conséquences directes pour la sécurité à terre, en concertation avec les autorités compétentes pour la lutte contre les calamités en vertu de la législation nationale. L'Autorité nautique commune fournit des conseils et de l'assistance à ces autorités.
6. L'Autorité nautique commune fournit tous les renseignements demandés à la Commission permanente.
7. En vue du rapport d'évaluation de la Commission permanente, visé à l'article 4, alinéa six, l'Autorité nautique commune transmet au moins tous les deux ans un rapport écrit à la Commission permanente, concernant la manière dont elle a exécuté ses tâches et compétences au cours de la période écoulée.
1. L'Autorité nautique commune se compose d'un fonctionnaire de chaque Partie contractante, ou d'un de ses suppléants. Les fonctionnaires et leurs suppléants sont désignés des deux côtés par le Responsable politique ayant la gestion nautique dans ses attributions. L'organe ainsi composé décide et intervient vers l'extérieur comme une seule entité. Des décisions unilatérales des parties composantes de l'Autorité nautique commune sont exclues.
2. La nomination et la démission des fonctionnaires et de leurs suppléants visés à l'alinéa premier, ont lieu selon les modalités fixées par le Gouvernement néerlandais, respectivement le Gouvernement flamand.
3. L'Autorité nautique commune est chargée de la gestion nautique commune et exécute les règles établies par la Commission permanente en vertu du présent Traité.
4. Les décisions de l'Autorité nautique commune à portée générale sont publiées dans le "Nederlandse Staatscourant" et le Moniteur belge. D'autres décisions de l'Autorité nautique commune peuvent être publiées dans le "Nederlandse Staatscourant" et le Moniteur belge.
5. Sans préjudice de ses propres tâches relatives aux incidents de navigation et la lutte contre les calamités, l'Autorité nautique commune agira, en cas de calamités susceptibles d'avoir des conséquences directes pour la sécurité à terre, en concertation avec les autorités compétentes pour la lutte contre les calamités en vertu de la législation nationale. L'Autorité nautique commune fournit des conseils et de l'assistance à ces autorités.
6. L'Autorité nautique commune fournit tous les renseignements demandés à la Commission permanente.
7. En vue du rapport d'évaluation de la Commission permanente, visé à l'article 4, alinéa six, l'Autorité nautique commune transmet au moins tous les deux ans un rapport écrit à la Commission permanente, concernant la manière dont elle a exécuté ses tâches et compétences au cours de la période écoulée.
Art. 7. Secretariaat
1. De Permanente Commissie stelt een secretariaat in dat evenwichtig is samengesteld uit Vlaamse en Nederlandse ambtenaren.
2. Het Secretariaat heeft tot taak om :
(a) de Permanente Commissie en de Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit te ondersteunen op inhoudelijk, administratief en secretarieel gebied;
(b) de externe communicatie te ondersteunen.
1. De Permanente Commissie stelt een secretariaat in dat evenwichtig is samengesteld uit Vlaamse en Nederlandse ambtenaren.
2. Het Secretariaat heeft tot taak om :
(a) de Permanente Commissie en de Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit te ondersteunen op inhoudelijk, administratief en secretarieel gebied;
(b) de externe communicatie te ondersteunen.
Art. 7. Secrétariat
1. La Commission permanente crée un secrétariat qui se compose de manière équilibrée de fonctionnaires flamands et néerlandais.
2. Le Secrétariat a pour mission :
(a) de soutenir la Commission permanente et l'Autorité nautique commune aux niveaux du contenu, de l'administration et du secrétariat;
(b) de soutenir la communication externe.
1. La Commission permanente crée un secrétariat qui se compose de manière équilibrée de fonctionnaires flamands et néerlandais.
2. Le Secrétariat a pour mission :
(a) de soutenir la Commission permanente et l'Autorité nautique commune aux niveaux du contenu, de l'administration et du secrétariat;
(b) de soutenir la communication externe.
Art. 8. Ketenbenadering
1. Dit Artikel doet geen afbreuk aan de bevoegdheden van de Permanente Commissie en de Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit in het Scheldegebied en de bevoegdheden van de havenautoriteiten in hun havengebied.
2. Teneinde de ketenbenadering te ontwikkelen en in praktijk te brengen, en onverminderd Artikel 5, vijfde lid, treedt de Permanente Commissie in overleg met de havenautoriteiten, en sluit zij daarmee overeenkomsten. Op basis daarvan maakt de Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit werkafspraken met de havenkapiteinsdiensten respectievelijk de havenmeesters en met de nautische dienstverleners.
3. Bij het uitoefenen van haar bevoegdheden op grond van Artikel 6 neemt de Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit de door de individuele havenautoriteiten opgestelde verkeersplanning als uitgangspunt, en toetst zij deze aan de randvoorwaarden van het gemeenschappelijk nautisch beheer met het oog op een veilig en vlot scheepvaartverkeer in het gehele Scheldegebied.
4. De Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit en de havenautoriteiten organiseren hun samenwerking derwijze dat de geïntegreerde verkeersafwikkeling binnen de ketenbenadering optimaal in praktijk wordt gebracht.
5. In geval van conflicten inzake de prioritering van de scheepvaart naar of van de onderscheiden havens of in geval de door de havenautoriteiten opgestelde verkeersplanning niet te verenigen is met een veilige en vlotte afwikkeling van de scheepvaart, beslist de Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit op basis van een havenneutrale benadering.
6. Met inachtneming van de voorgaande leden treedt de Permanente Commissie in nauw overleg met de havenautoriteiten teneinde de overleg- en samenwerkingsstructuur in het kader van de ketenbenadering vast te stellen en deze neer te leggen in de overeenkomsten bedoeld in het tweede lid.
1. Dit Artikel doet geen afbreuk aan de bevoegdheden van de Permanente Commissie en de Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit in het Scheldegebied en de bevoegdheden van de havenautoriteiten in hun havengebied.
2. Teneinde de ketenbenadering te ontwikkelen en in praktijk te brengen, en onverminderd Artikel 5, vijfde lid, treedt de Permanente Commissie in overleg met de havenautoriteiten, en sluit zij daarmee overeenkomsten. Op basis daarvan maakt de Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit werkafspraken met de havenkapiteinsdiensten respectievelijk de havenmeesters en met de nautische dienstverleners.
3. Bij het uitoefenen van haar bevoegdheden op grond van Artikel 6 neemt de Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit de door de individuele havenautoriteiten opgestelde verkeersplanning als uitgangspunt, en toetst zij deze aan de randvoorwaarden van het gemeenschappelijk nautisch beheer met het oog op een veilig en vlot scheepvaartverkeer in het gehele Scheldegebied.
4. De Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit en de havenautoriteiten organiseren hun samenwerking derwijze dat de geïntegreerde verkeersafwikkeling binnen de ketenbenadering optimaal in praktijk wordt gebracht.
5. In geval van conflicten inzake de prioritering van de scheepvaart naar of van de onderscheiden havens of in geval de door de havenautoriteiten opgestelde verkeersplanning niet te verenigen is met een veilige en vlotte afwikkeling van de scheepvaart, beslist de Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit op basis van een havenneutrale benadering.
6. Met inachtneming van de voorgaande leden treedt de Permanente Commissie in nauw overleg met de havenautoriteiten teneinde de overleg- en samenwerkingsstructuur in het kader van de ketenbenadering vast te stellen en deze neer te leggen in de overeenkomsten bedoeld in het tweede lid.
Art. 8. Approche en chaîne
1. Le présent article ne porte pas préjudice aux compétences de la Commission permanente et de l'Autorité nautique commune dans le bassin de l'Escaut et aux compétences des autorités portuaires dans leur zone portuaire.
2. Afin de développer et de mettre en pratique l'approche en chaîne, et sans préjudice de l'article 5, alinéa cinq, la Commission permanente se concerte avec les autorités portuaires, et concluent des conventions avec celles-ci. Sur cette base, l'Autorité nautique commune conclut des accords de travail avec les services des capitaineries portuaires, respectivement les capitaines de port, et avec les prestataires de services nautiques.
3. Lors de l'exercice de ses compétences sur la base de l'article 6, l'Autorité nautique commune prend la planification de la circulation établie par les autorités portuaires individuelles comme point de départ, et elle les confronte aux conditions connexes de la gestion nautique commune en vue de la sécurité et de la fluidité du trafic maritime dans le bassin de l'Escaut entier.
4. L'Autorité nautique commune et les autorités portuaires organisent leur coopération de manière que le déroulement intégré du trafic au sein de l'approche en chaîne soit mis en pratique de manière optimale.
5. En cas de conflits relatifs à la priorisation de la navigation vers ou des ports distincts, ou si la planification de la circulation établie par les autorités portuaires est incompatible avec la sécurité et la fluidité du trafic maritime, l'Autorité nautique commune décide sur la base d'une approche neutre au niveau des ports.
6. Dans le respect des alinéas précédents, la Commission permanente se concerte étroitement avec les autorités portuaires afin d'établir la structure de concertation et de coopération dans le cadre de l'approche en chaîne, et afin de consigner celle-ci dans les conventions visées à l'alinéa deux.
1. Le présent article ne porte pas préjudice aux compétences de la Commission permanente et de l'Autorité nautique commune dans le bassin de l'Escaut et aux compétences des autorités portuaires dans leur zone portuaire.
2. Afin de développer et de mettre en pratique l'approche en chaîne, et sans préjudice de l'article 5, alinéa cinq, la Commission permanente se concerte avec les autorités portuaires, et concluent des conventions avec celles-ci. Sur cette base, l'Autorité nautique commune conclut des accords de travail avec les services des capitaineries portuaires, respectivement les capitaines de port, et avec les prestataires de services nautiques.
3. Lors de l'exercice de ses compétences sur la base de l'article 6, l'Autorité nautique commune prend la planification de la circulation établie par les autorités portuaires individuelles comme point de départ, et elle les confronte aux conditions connexes de la gestion nautique commune en vue de la sécurité et de la fluidité du trafic maritime dans le bassin de l'Escaut entier.
4. L'Autorité nautique commune et les autorités portuaires organisent leur coopération de manière que le déroulement intégré du trafic au sein de l'approche en chaîne soit mis en pratique de manière optimale.
5. En cas de conflits relatifs à la priorisation de la navigation vers ou des ports distincts, ou si la planification de la circulation établie par les autorités portuaires est incompatible avec la sécurité et la fluidité du trafic maritime, l'Autorité nautique commune décide sur la base d'une approche neutre au niveau des ports.
6. Dans le respect des alinéas précédents, la Commission permanente se concerte étroitement avec les autorités portuaires afin d'établir la structure de concertation et de coopération dans le cadre de l'approche en chaîne, et afin de consigner celle-ci dans les conventions visées à l'alinéa deux.
Art. 9. Openbaarheid van documenten
1. De Permanente Commissie ontwikkelt, onverminderd het overigens bij dit Verdrag bepaalde, een beleid inzake de openbaarheid van de onder haar berustende documenten. De Permanente Commissie stelt regels op met betrekking tot de openbaarheid van deze documenten en de behandeling van de tot haar gerichte verzoeken tot openbaarmaking ervan. De in die regels op te nemen beperkingen op de openbaarmaking van documenten zijn in overeenstemming met de toepasselijke internationaalrechtelijke en Europeesrechtelijke regels terzake en voeren voor het overige geen beperkingen van de openbaarheid in die verder gaan dan de in Nederland en Vlaanderen geldende wettelijke voorschriften.
2. Indien een verzoek om openbaarmaking van documenten die betrekking hebben op het gemeenschappelijk nautisch beheer in het Scheldegebied wordt ingediend bij enig orgaan van de Verdragsluitende Partijen, plegen de Verdragsluitende Partijen overleg alvorens de desbetreffende Verdragsluitende Partij een beslissing op dat verzoek neemt. De Permanente Commissie adviseert de Verdragsluitende Partijen over de te nemen beslissing en houdt daarbij rekening met de toepasselijke internationaalrechtelijke en Europeesrechtelijke normen terzake en met de in Nederland en Vlaanderen geldende wettelijke voorschriften met betrekking tot de openbaarheid van bestuur. Indien beslist wordt in afwijking van het advies van de Permanente Commissie wordt deze afwijking gemotiveerd.
3. Onverminderd Artikel 3 van de op 29 november 1978 te Brussel totstandgekomen Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België inzake het aanleggen van een walradarketen langs de Westerschelde en haar mondingen, regelt de Permanente Commissie de openbaarmaking van gegevens in verband met het scheepvaartverkeer aan de gerechtelijke autoriteiten en desgevallend gerechtsdeskundigen en procespartijen, en stelt zij de desbetreffende voorwaarden vast.
1. De Permanente Commissie ontwikkelt, onverminderd het overigens bij dit Verdrag bepaalde, een beleid inzake de openbaarheid van de onder haar berustende documenten. De Permanente Commissie stelt regels op met betrekking tot de openbaarheid van deze documenten en de behandeling van de tot haar gerichte verzoeken tot openbaarmaking ervan. De in die regels op te nemen beperkingen op de openbaarmaking van documenten zijn in overeenstemming met de toepasselijke internationaalrechtelijke en Europeesrechtelijke regels terzake en voeren voor het overige geen beperkingen van de openbaarheid in die verder gaan dan de in Nederland en Vlaanderen geldende wettelijke voorschriften.
2. Indien een verzoek om openbaarmaking van documenten die betrekking hebben op het gemeenschappelijk nautisch beheer in het Scheldegebied wordt ingediend bij enig orgaan van de Verdragsluitende Partijen, plegen de Verdragsluitende Partijen overleg alvorens de desbetreffende Verdragsluitende Partij een beslissing op dat verzoek neemt. De Permanente Commissie adviseert de Verdragsluitende Partijen over de te nemen beslissing en houdt daarbij rekening met de toepasselijke internationaalrechtelijke en Europeesrechtelijke normen terzake en met de in Nederland en Vlaanderen geldende wettelijke voorschriften met betrekking tot de openbaarheid van bestuur. Indien beslist wordt in afwijking van het advies van de Permanente Commissie wordt deze afwijking gemotiveerd.
3. Onverminderd Artikel 3 van de op 29 november 1978 te Brussel totstandgekomen Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België inzake het aanleggen van een walradarketen langs de Westerschelde en haar mondingen, regelt de Permanente Commissie de openbaarmaking van gegevens in verband met het scheepvaartverkeer aan de gerechtelijke autoriteiten en desgevallend gerechtsdeskundigen en procespartijen, en stelt zij de desbetreffende voorwaarden vast.
Art. 9. Publicité des documents
1. Sans préjudice des autres dispositions du présent Traité, la Commission permanente développe une politique relative à la publicité des documents en sa possession. La Commission permanente établit des règles relatives à la publicité de ces documents et au traitement des demandes de publication de ceux-ci qui lui sont adressées. Les limitations de la publication de documents, à inclure dans ses règles, correspondent aux règles de droit international et de droit européen applicables en la matière, et n'introduisent pour le reste pas de limitations qui vont au-delà des prescriptions légales en vigueur aux Pays-Bas et en Flandre.
2. Si une demande de publication de documents relatifs à la gestion nautique commune dans le bassin de l'Escaut est introduite auprès d'un organe quelconque des Parties contractantes, celles-ci se concertent avant que la Partie contractante concernée prenne une décision relative à cette demande. La Commission permanente conseille les Parties contractantes sur la décision à prendre, en tenant compte des normes de droit international et de droit européen applicables en la matière ainsi que des prescriptions légales en vigueur aux Pays-Bas et en Flandre en ce qui concerne la publicité de l'administration. Si une décision est prise par dérogation à l'avis de la Commission permanente, cette dérogation est motivée.
3. Sans préjudice de l'article 3 de la Convention entre le Royaume des Pays-Bas et le Royaume de Belgique relative à l'aménagement d'une chaîne de radar le long de l'Escaut occidental et ses embouchures, conclue le 29 novembre 1978 à Bruxelles, la Commission permanente règle la publicité des données relatives au trafic maritime aux autorités judiciaires et le cas échéant, aux experts judiciaires et aux parties au procès, et elle arrête les modalités en la matière.
1. Sans préjudice des autres dispositions du présent Traité, la Commission permanente développe une politique relative à la publicité des documents en sa possession. La Commission permanente établit des règles relatives à la publicité de ces documents et au traitement des demandes de publication de ceux-ci qui lui sont adressées. Les limitations de la publication de documents, à inclure dans ses règles, correspondent aux règles de droit international et de droit européen applicables en la matière, et n'introduisent pour le reste pas de limitations qui vont au-delà des prescriptions légales en vigueur aux Pays-Bas et en Flandre.
2. Si une demande de publication de documents relatifs à la gestion nautique commune dans le bassin de l'Escaut est introduite auprès d'un organe quelconque des Parties contractantes, celles-ci se concertent avant que la Partie contractante concernée prenne une décision relative à cette demande. La Commission permanente conseille les Parties contractantes sur la décision à prendre, en tenant compte des normes de droit international et de droit européen applicables en la matière ainsi que des prescriptions légales en vigueur aux Pays-Bas et en Flandre en ce qui concerne la publicité de l'administration. Si une décision est prise par dérogation à l'avis de la Commission permanente, cette dérogation est motivée.
3. Sans préjudice de l'article 3 de la Convention entre le Royaume des Pays-Bas et le Royaume de Belgique relative à l'aménagement d'une chaîne de radar le long de l'Escaut occidental et ses embouchures, conclue le 29 novembre 1978 à Bruxelles, la Commission permanente règle la publicité des données relatives au trafic maritime aux autorités judiciaires et le cas échéant, aux experts judiciaires et aux parties au procès, et elle arrête les modalités en la matière.
Art. 10. Rechtsbescherming en aansprakelijkheid
1. Vorderingen die betrekking hebben op besluiten, handelingen of verzuimen van de Permanente Commissie of op besluiten, handelingen of verzuimen van de Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit worden ingesteld tegen de Permanente Commissie en worden gebracht voor de gewone rechtbanken in België en voor de burgerlijke rechter in Nederland, meer bepaald :
1° wat betreft vorderingen gericht tegen de besluiten van de Permanente Commissie, voor een rechtbank van één van beide landen, naar keuze van de eiser;
2° in andere gevallen :
(a) waarbij een schip betrokken is met als bestemming of herkomst een Belgische haven, voor een Belgische rechtbank;
(b) waarbij een schip betrokken is met als bestemming of herkomst een Nederlandse haven, voor een Nederlandse rechtbank;
(c) waarbij verschillende schepen betrokken zijn met als bestemming of herkomst havens van beide landen, voor de rechtbank van het land van de eerste haven waarheen of waaruit het schip met de grootste bruto-tonnenmaat voer;
3° in gevallen die niet onder 2° vallen, voor een rechtbank van één van beide landen, naar keuze van de eiser.
2. De rechtbank past het interne aansprakelijkheidsrecht toe, inbegrepen daarvan deel uitmakende ontheffingen of beperkingen van aansprakelijkheid.
3. Rechterlijke uitspraken die in kracht van gewijsde zijn gegaan, dan wel door de bevoegde rechter uitvoerbaar bij voorraad zijn verklaard, kunnen gelijkelijk in Nederland en België worden geëxecuteerd. Op de executie is het recht van het land van executie van toepassing.
4. De Verdragsluitende Partijen stellen de Permanente Commissie in staat rechterlijke uitspraken uit te voeren en dragen, ongeacht de oorzaak of de omstandigheden van het geval, ieder de helft van de daaraan verbonden lasten.
5. Met het oog op de toepassing van dit Artikel heeft de Permanente Commissie zetels te Antwerpen en te Vlissingen. De Permanente Commissie maakt beide adressen bekend in de Nederlandse Staatscourant en het Belgisch Staatsblad.
6. De Permanente Commissie betrekt de toepassing van deze bepaling bij de evaluatie bedoeld in Artikel 4, zesde lid, en kan, met het oog op efficiëntie en de consistentie van de rechtspraak, aan de Regeringen zo nodig voorstellen voor een aanpassing van dit Artikel doen.
1. Vorderingen die betrekking hebben op besluiten, handelingen of verzuimen van de Permanente Commissie of op besluiten, handelingen of verzuimen van de Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit worden ingesteld tegen de Permanente Commissie en worden gebracht voor de gewone rechtbanken in België en voor de burgerlijke rechter in Nederland, meer bepaald :
1° wat betreft vorderingen gericht tegen de besluiten van de Permanente Commissie, voor een rechtbank van één van beide landen, naar keuze van de eiser;
2° in andere gevallen :
(a) waarbij een schip betrokken is met als bestemming of herkomst een Belgische haven, voor een Belgische rechtbank;
(b) waarbij een schip betrokken is met als bestemming of herkomst een Nederlandse haven, voor een Nederlandse rechtbank;
(c) waarbij verschillende schepen betrokken zijn met als bestemming of herkomst havens van beide landen, voor de rechtbank van het land van de eerste haven waarheen of waaruit het schip met de grootste bruto-tonnenmaat voer;
3° in gevallen die niet onder 2° vallen, voor een rechtbank van één van beide landen, naar keuze van de eiser.
2. De rechtbank past het interne aansprakelijkheidsrecht toe, inbegrepen daarvan deel uitmakende ontheffingen of beperkingen van aansprakelijkheid.
3. Rechterlijke uitspraken die in kracht van gewijsde zijn gegaan, dan wel door de bevoegde rechter uitvoerbaar bij voorraad zijn verklaard, kunnen gelijkelijk in Nederland en België worden geëxecuteerd. Op de executie is het recht van het land van executie van toepassing.
4. De Verdragsluitende Partijen stellen de Permanente Commissie in staat rechterlijke uitspraken uit te voeren en dragen, ongeacht de oorzaak of de omstandigheden van het geval, ieder de helft van de daaraan verbonden lasten.
5. Met het oog op de toepassing van dit Artikel heeft de Permanente Commissie zetels te Antwerpen en te Vlissingen. De Permanente Commissie maakt beide adressen bekend in de Nederlandse Staatscourant en het Belgisch Staatsblad.
6. De Permanente Commissie betrekt de toepassing van deze bepaling bij de evaluatie bedoeld in Artikel 4, zesde lid, en kan, met het oog op efficiëntie en de consistentie van de rechtspraak, aan de Regeringen zo nodig voorstellen voor een aanpassing van dit Artikel doen.
Art. 10. Protection juridique et responsabilité
1. Les actions qui concernent des décisions, actes ou défauts de la Commission permanente, ou des décisions, actes ou défauts de l'Autorité nautique commune, sont intentées contre la Commission permanente, devant les tribunaux ordinaires en Belgique et devant le juge civil aux Pays-Bas, notamment :
1° en ce qui concerne les actions contre les décisions de la Commission permanente, devant un tribunal d'un des deux pays, au choix du demandeur;
2° dans d'autres cas :
(a) auquel est associé un navire ayant un port belge comme destination ou origine, devant un tribunal belge;
(b) auquel est associé un navire ayant un port néerlandais comme destination ou origine, devant un tribunal néerlandais;
(c) auquel sont associés plusieurs navires ayant des ports des deux pays comme destination ou origine, devant le tribunal du pays du premier port auquel ou duquel naviguait le navire ayant la jauge brute la plus élevée;
3° dans des cas qui ne relèvent pas du point 2°, devant un tribunal d'un des deux pays, au choix du demandeur.
2. Le tribunal applique le droit de responsabilité interne, y compris les dispenses ou limitations de responsabilité qui en font partie.
3. Les décisions judiciaires coulées en force de chose jugée, ou déclarées exécutoires par provision par le juge compétent, peuvent être exécutées de manière égale aux Pays-Bas et en Belgique. L'exécution est soumis au droit du pays d'exécution.
4. Les Parties contractantes permettent à la Commission permanente d'exécuter des décisions judiciaires et supportent chacune la moitié des charges y afférentes, en dépit de la cause ou des circonstances du cas.
5. En vue de l'application du présent article, la Commission permanente a des sièges à Anvers et à Vlissingen. La Commission permanente publie les deux adresses dans le "Nederlandse Staatscourant" et le Moniteur belge.
6. La Commission permanente associe l'application de la présente disposition à l'évaluation visée à l'article 4, alinéa six, et peut au besoin formuler des propositions d'adaptation du présent article aux Gouvernements, en vue de l'efficacité et de la cohérence de la jurisprudence.
1. Les actions qui concernent des décisions, actes ou défauts de la Commission permanente, ou des décisions, actes ou défauts de l'Autorité nautique commune, sont intentées contre la Commission permanente, devant les tribunaux ordinaires en Belgique et devant le juge civil aux Pays-Bas, notamment :
1° en ce qui concerne les actions contre les décisions de la Commission permanente, devant un tribunal d'un des deux pays, au choix du demandeur;
2° dans d'autres cas :
(a) auquel est associé un navire ayant un port belge comme destination ou origine, devant un tribunal belge;
(b) auquel est associé un navire ayant un port néerlandais comme destination ou origine, devant un tribunal néerlandais;
(c) auquel sont associés plusieurs navires ayant des ports des deux pays comme destination ou origine, devant le tribunal du pays du premier port auquel ou duquel naviguait le navire ayant la jauge brute la plus élevée;
3° dans des cas qui ne relèvent pas du point 2°, devant un tribunal d'un des deux pays, au choix du demandeur.
2. Le tribunal applique le droit de responsabilité interne, y compris les dispenses ou limitations de responsabilité qui en font partie.
3. Les décisions judiciaires coulées en force de chose jugée, ou déclarées exécutoires par provision par le juge compétent, peuvent être exécutées de manière égale aux Pays-Bas et en Belgique. L'exécution est soumis au droit du pays d'exécution.
4. Les Parties contractantes permettent à la Commission permanente d'exécuter des décisions judiciaires et supportent chacune la moitié des charges y afférentes, en dépit de la cause ou des circonstances du cas.
5. En vue de l'application du présent article, la Commission permanente a des sièges à Anvers et à Vlissingen. La Commission permanente publie les deux adresses dans le "Nederlandse Staatscourant" et le Moniteur belge.
6. La Commission permanente associe l'application de la présente disposition à l'évaluation visée à l'article 4, alinéa six, et peut au besoin formuler des propositions d'adaptation du présent article aux Gouvernements, en vue de l'efficacité et de la cohérence de la jurisprudence.
Art. 11. Strafrechtelijke sancties
1. Ten aanzien van de strafbaarstelling van de overtreding van de bij of krachtens dit Verdrag vastgestelde regels en besluiten, dragen de Verdragsluitende Partijen zorg voor de vaststelling van de nodige regels terzake. De Verdragsluitende Partijen streven daarbij naar een harmonisatie van de strafmaat. De strafbaarstellingen en de strafmaten zullen niet betekenisvol afwijken van de strafbaarstellingen en de strafmaten voor de scheepvaartwegen van de Verdragsluitende Partijen die buiten het Scheldegebied zijn gelegen. De Permanente Commissie zal zich inspannen om de bevoegde overheden te brengen tot een onderlinge afstemming van het vervolgingsbeleid in de beide landen.
2. Uitsluitend de Belgische overheid is bevoegd tot vervolging en berechting van een gezagvoerder van een schip, inzake de overtreding van de regels en besluiten, bedoeld in het eerste lid, indien de overtreding uitsluitend is gepleegd op Belgisch grondgebied.
3. Uitsluitend de Nederlandse overheid is bevoegd tot vervolging en berechting van een gezagvoerder van een schip, inzake de overtreding van de regels en besluiten, bedoeld in het eerste lid, indien de overtreding uitsluitend is gepleegd op Nederlands grondgebied.
4. Indien de gezagvoerder van een schip de overtreding van een regel of besluit, bedoeld in het eerste lid, op zowel Belgisch als Nederlands grondgebied heeft gepleegd, is :
(a) uitsluitend de Belgische overheid bevoegd tot vervolging en berechting van de gezagvoerder, indien het een schip betreft onder Belgische vlag;
(b) uitsluitend de Nederlandse overheid bevoegd tot vervolging en berechting van de gezagvoerder, indien het een schip betreft onder Nederlandse vlag;
(c) de Belgische overheid bij voorrang bevoegd tot vervolging en berechting van de gezagvoerder, indien het een schip betreft onder een andere vlag dan genoemd onder (a) en (b). Indien binnen een termijn van zes maanden in België de procedure tot vervolging niet werd ingezet, zal vervolging en berechting door de Nederlandse overheid kunnen plaatsvinden.
5. Een overtreding als bedoeld in het eerste lid, wordt beoordeeld volgens de regels terzake van het land waarvan de overheid ingevolge het tweede tot en met het vierde lid, bevoegd is tot vervolging en berechting.
6. De Verdragsluitende Partijen zijn wederzijds verplicht tot het ter beschikking stellen van opsporingsgegevens en informatie over niet-vervolging en vonnissen.
7. Opsporings- en vervolgingshandelingen dienen tot zo weinig mogelijk vertraging voor het betrokken schip te leiden.
1. Ten aanzien van de strafbaarstelling van de overtreding van de bij of krachtens dit Verdrag vastgestelde regels en besluiten, dragen de Verdragsluitende Partijen zorg voor de vaststelling van de nodige regels terzake. De Verdragsluitende Partijen streven daarbij naar een harmonisatie van de strafmaat. De strafbaarstellingen en de strafmaten zullen niet betekenisvol afwijken van de strafbaarstellingen en de strafmaten voor de scheepvaartwegen van de Verdragsluitende Partijen die buiten het Scheldegebied zijn gelegen. De Permanente Commissie zal zich inspannen om de bevoegde overheden te brengen tot een onderlinge afstemming van het vervolgingsbeleid in de beide landen.
2. Uitsluitend de Belgische overheid is bevoegd tot vervolging en berechting van een gezagvoerder van een schip, inzake de overtreding van de regels en besluiten, bedoeld in het eerste lid, indien de overtreding uitsluitend is gepleegd op Belgisch grondgebied.
3. Uitsluitend de Nederlandse overheid is bevoegd tot vervolging en berechting van een gezagvoerder van een schip, inzake de overtreding van de regels en besluiten, bedoeld in het eerste lid, indien de overtreding uitsluitend is gepleegd op Nederlands grondgebied.
4. Indien de gezagvoerder van een schip de overtreding van een regel of besluit, bedoeld in het eerste lid, op zowel Belgisch als Nederlands grondgebied heeft gepleegd, is :
(a) uitsluitend de Belgische overheid bevoegd tot vervolging en berechting van de gezagvoerder, indien het een schip betreft onder Belgische vlag;
(b) uitsluitend de Nederlandse overheid bevoegd tot vervolging en berechting van de gezagvoerder, indien het een schip betreft onder Nederlandse vlag;
(c) de Belgische overheid bij voorrang bevoegd tot vervolging en berechting van de gezagvoerder, indien het een schip betreft onder een andere vlag dan genoemd onder (a) en (b). Indien binnen een termijn van zes maanden in België de procedure tot vervolging niet werd ingezet, zal vervolging en berechting door de Nederlandse overheid kunnen plaatsvinden.
5. Een overtreding als bedoeld in het eerste lid, wordt beoordeeld volgens de regels terzake van het land waarvan de overheid ingevolge het tweede tot en met het vierde lid, bevoegd is tot vervolging en berechting.
6. De Verdragsluitende Partijen zijn wederzijds verplicht tot het ter beschikking stellen van opsporingsgegevens en informatie over niet-vervolging en vonnissen.
7. Opsporings- en vervolgingshandelingen dienen tot zo weinig mogelijk vertraging voor het betrokken schip te leiden.
Art. 11. Sanctions pénales
1. Par rapport à l'incrimination de l'infraction aux règles ou décisions établies par ou en vertu du présent Traité, les Parties contractantes assurent l'établissement des règles nécessaires en la matière. Les Parties contractantes visent une harmonisation de la peine. Les incriminations et les peines ne dérogeront pas significativement aux incriminations et aux peines applicables aux voies de navigation des Parties contractantes situées en dehors du bassin de l'Escaut. La Commission permanente s'efforcera à faire en sorte que les autorités compétentes réalisent une harmonisation de la politique de poursuite dans les deux pays.
2. L'Autorité belge a la compétence exclusive pour poursuivre et juger un commandant d'un navire en ce qui concerne l'infraction aux règles et décisions visées à l'alinéa premier, si l'infraction est commise exclusivement sur le territoire belge.
3. L'Autorité néerlandaise a la compétence exclusive pour poursuivre et juger un commandant d'un navire en ce qui concerne l'infraction aux règles et décisions visées à l'alinéa premier, si l'infraction est commise exclusivement sur le territoire néerlandais.
4. Si le commandant d'un navire a commis l'infraction à une règle ou décision, visée à l'alinéa premier, tant sur le territoire belge que sur le territoire néerlandais :
(a) l'Autorité belge a la compétence exclusive pour poursuivre et juger le commandant, s'il s'agit d'un navire naviguant sous pavillon belge;
(b) l'Autorité néerlandaise a la compétence exclusive pour poursuivre et juger le commandant, s'il s'agit d'un navire naviguant sous pavillon néerlandais;
(c) l'Autorité belge a la compétence prioritaire pour poursuivre et juger le commandant, s'il s'agit d'un navire naviguant sous un autre pavillon que celui visé sous (a) et (b). Si la procédure de poursuite n'a pas été entamée en Belgique dans un délai de six mois, l'Autorité néerlandaise pourra se substituer à l'Autorité belge.
5. Une infraction telle que visée à l'alinéa premier, est jugée selon les règles en la matière du pays dont l'autorité a la compétence de poursuivre et juger, en vertu des alinéas deux à quatre inclus.
6. Les Parties contractantes s'engagent à se communiquer réciproquement toutes données d'enquête et toutes informations relatives aux cas jugés ou classés sans suite.
7. Les procédures d'enquête et de poursuite devront entraîner le moins de retard possible pour le navire concerné.
1. Par rapport à l'incrimination de l'infraction aux règles ou décisions établies par ou en vertu du présent Traité, les Parties contractantes assurent l'établissement des règles nécessaires en la matière. Les Parties contractantes visent une harmonisation de la peine. Les incriminations et les peines ne dérogeront pas significativement aux incriminations et aux peines applicables aux voies de navigation des Parties contractantes situées en dehors du bassin de l'Escaut. La Commission permanente s'efforcera à faire en sorte que les autorités compétentes réalisent une harmonisation de la politique de poursuite dans les deux pays.
2. L'Autorité belge a la compétence exclusive pour poursuivre et juger un commandant d'un navire en ce qui concerne l'infraction aux règles et décisions visées à l'alinéa premier, si l'infraction est commise exclusivement sur le territoire belge.
3. L'Autorité néerlandaise a la compétence exclusive pour poursuivre et juger un commandant d'un navire en ce qui concerne l'infraction aux règles et décisions visées à l'alinéa premier, si l'infraction est commise exclusivement sur le territoire néerlandais.
4. Si le commandant d'un navire a commis l'infraction à une règle ou décision, visée à l'alinéa premier, tant sur le territoire belge que sur le territoire néerlandais :
(a) l'Autorité belge a la compétence exclusive pour poursuivre et juger le commandant, s'il s'agit d'un navire naviguant sous pavillon belge;
(b) l'Autorité néerlandaise a la compétence exclusive pour poursuivre et juger le commandant, s'il s'agit d'un navire naviguant sous pavillon néerlandais;
(c) l'Autorité belge a la compétence prioritaire pour poursuivre et juger le commandant, s'il s'agit d'un navire naviguant sous un autre pavillon que celui visé sous (a) et (b). Si la procédure de poursuite n'a pas été entamée en Belgique dans un délai de six mois, l'Autorité néerlandaise pourra se substituer à l'Autorité belge.
5. Une infraction telle que visée à l'alinéa premier, est jugée selon les règles en la matière du pays dont l'autorité a la compétence de poursuivre et juger, en vertu des alinéas deux à quatre inclus.
6. Les Parties contractantes s'engagent à se communiquer réciproquement toutes données d'enquête et toutes informations relatives aux cas jugés ou classés sans suite.
7. Les procédures d'enquête et de poursuite devront entraîner le moins de retard possible pour le navire concerné.
Art. 12. Verhouding tussen het nautisch beheer en andere beleidsdomeinen
1. De Verdragsluitende Partijen informeren elkaar tijdig over belangrijke beleidsvoornemens en plannen, alsmede de voorbereiding van belangrijke besluiten van de bevoegde overheidsorganen op hun grondgebied in andere beleidsdomeinen, inzonderheid op het gebied van de ruimtelijke ordening, de infrastructuur en het milieubeheer, waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze van invloed kunnen zijn op het nautisch beheer in het Scheldegebied.
2. Iedere Verdragsluitende Partij heeft het recht bezwaar te maken bij de andere Verdragsluitende Partij indien zij meent dat dergelijke of andere beleidsvoornemens, plannen of besluiten de doelstellingen van dit Verdrag in gevaar kunnen brengen of met dit Verdrag niet in overeenstemming zijn.
3. Een bezwaar als bedoeld in het tweede lid, kan door de commissarissen van de desbetreffende Verdragsluitende Partij schriftelijk en gemotiveerd ter kennis worden gebracht van de Permanente Commissie. De Permanente Commissie beraadslaagt over het bezwaar. Indien de betrokken Verdragsluitende Partij het bezwaar handhaaft, brengt de Permanente Commissie het, desgevallend vergezeld van haar eigen advies, ter kennis van het desbetreffende overheidsorgaan van de andere Verdragsluitende Partij. De reactie van deze laatste wordt via de Permanente Commissie overgebracht aan de Verdragsluitende Partij die het bezwaar heeft ingediend.
4. De Permanente Commissie, onderscheidenlijk de Verdragsluitende Partij of Verdragsluitende Partijen die het aangaat, is, respectievelijk zijn bevoegd, overeenkomstig het interne recht bij het desbetreffende overheidsorgaan een zienswijze naar voren te brengen en bij de bevoegde rechtsprekende instantie een bezwaar- of verzoekschrift in te dienen of een vordering of beroep in te stellen tegen een beleidsvoornemen, plan of besluit als bedoeld in het tweede lid.
1. De Verdragsluitende Partijen informeren elkaar tijdig over belangrijke beleidsvoornemens en plannen, alsmede de voorbereiding van belangrijke besluiten van de bevoegde overheidsorganen op hun grondgebied in andere beleidsdomeinen, inzonderheid op het gebied van de ruimtelijke ordening, de infrastructuur en het milieubeheer, waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze van invloed kunnen zijn op het nautisch beheer in het Scheldegebied.
2. Iedere Verdragsluitende Partij heeft het recht bezwaar te maken bij de andere Verdragsluitende Partij indien zij meent dat dergelijke of andere beleidsvoornemens, plannen of besluiten de doelstellingen van dit Verdrag in gevaar kunnen brengen of met dit Verdrag niet in overeenstemming zijn.
3. Een bezwaar als bedoeld in het tweede lid, kan door de commissarissen van de desbetreffende Verdragsluitende Partij schriftelijk en gemotiveerd ter kennis worden gebracht van de Permanente Commissie. De Permanente Commissie beraadslaagt over het bezwaar. Indien de betrokken Verdragsluitende Partij het bezwaar handhaaft, brengt de Permanente Commissie het, desgevallend vergezeld van haar eigen advies, ter kennis van het desbetreffende overheidsorgaan van de andere Verdragsluitende Partij. De reactie van deze laatste wordt via de Permanente Commissie overgebracht aan de Verdragsluitende Partij die het bezwaar heeft ingediend.
4. De Permanente Commissie, onderscheidenlijk de Verdragsluitende Partij of Verdragsluitende Partijen die het aangaat, is, respectievelijk zijn bevoegd, overeenkomstig het interne recht bij het desbetreffende overheidsorgaan een zienswijze naar voren te brengen en bij de bevoegde rechtsprekende instantie een bezwaar- of verzoekschrift in te dienen of een vordering of beroep in te stellen tegen een beleidsvoornemen, plan of besluit als bedoeld in het tweede lid.
Art. 12. Rapports entre la gestion nautique et d'autres domaines politiques
1. Les Parties contractantes échangeront à temps des informations concernant des intentions politiques et plans importants, ainsi que concernant la préparation de décisions importantes des organes publics compétents sur leur territoire dans d'autres domaines politiques, notamment dans le domaine de l'aménagement du territoire, de l'infrastructure et de la gestion de l'environnement, dont on peut raisonnablement admettre qu'ils puissent avoir un impact sur la gestion nautique dans le bassin de l'Escaut.
2. Chaque Partie contractante a le droit d'introduire une réclamation auprès de l'autre Partie contractante si elle estime que des intentions politiques, plans ou décisions pareils ou autres puissent compromettre les objectifs du présent Traité ou ne soient pas conformes au présent Traité.
3. Une réclamation telle que visée à l'alinéa deux, peut être notifiée, par écrit et de manière motivée, par les commissaires de la Partie contractante concernée à la Commission permanente. La Commission permanente délibère sur la réclamation. Si la Partie contractante concernée maintient la réclamation, la Commission permanente la notifie, le cas échéant accompagnée de son propre avis, à l'organe public concerné de l'autre Partie contractante. La réaction de cette dernière est transmise par le biais de la Commission permanente, à la Partie contractante ayant introduit la réclamation.
4. La Commission permanente, respectivement la Partie contractante ou les Parties contractantes concernées, est, respectivement sont compétente(s), conformément au droit interne, de présenter un point de vue auprès de l'organe public concerné et d'introduire une réclamation ou requête auprès de l'instance juridictionnelle compétente, ou d'intenter une action ou former un recours contre des intentions politiques, plans ou décisions tels que visés à l'alinéa deux.
1. Les Parties contractantes échangeront à temps des informations concernant des intentions politiques et plans importants, ainsi que concernant la préparation de décisions importantes des organes publics compétents sur leur territoire dans d'autres domaines politiques, notamment dans le domaine de l'aménagement du territoire, de l'infrastructure et de la gestion de l'environnement, dont on peut raisonnablement admettre qu'ils puissent avoir un impact sur la gestion nautique dans le bassin de l'Escaut.
2. Chaque Partie contractante a le droit d'introduire une réclamation auprès de l'autre Partie contractante si elle estime que des intentions politiques, plans ou décisions pareils ou autres puissent compromettre les objectifs du présent Traité ou ne soient pas conformes au présent Traité.
3. Une réclamation telle que visée à l'alinéa deux, peut être notifiée, par écrit et de manière motivée, par les commissaires de la Partie contractante concernée à la Commission permanente. La Commission permanente délibère sur la réclamation. Si la Partie contractante concernée maintient la réclamation, la Commission permanente la notifie, le cas échéant accompagnée de son propre avis, à l'organe public concerné de l'autre Partie contractante. La réaction de cette dernière est transmise par le biais de la Commission permanente, à la Partie contractante ayant introduit la réclamation.
4. La Commission permanente, respectivement la Partie contractante ou les Parties contractantes concernées, est, respectivement sont compétente(s), conformément au droit interne, de présenter un point de vue auprès de l'organe public concerné et d'introduire une réclamation ou requête auprès de l'instance juridictionnelle compétente, ou d'intenter une action ou former un recours contre des intentions politiques, plans ou décisions tels que visés à l'alinéa deux.
Art. 13. Beslechting van geschillen tussen de Verdragsluitende Partijen
1. De Permanente Commissie beraadslaagt over alle geschillen die zich mochten voordoen bij de toepassing, uitlegging of tenuitvoerlegging van dit Verdrag en tracht deze tot een oplossing te brengen.
2. Indien de Permanente Commissie er niet in slaagt een geschil te regelen op basis van het eerste lid, zal de Permanente Commissie de Verdragsluitende Partijen verzoeken dit geschil te regelen door onderhandelingen. Deze onderhandelingen worden geacht te zijn begonnen op de datum van het verzoek daartoe van de Permanente Commissie en zullen niet langer dan zes maanden duren. Ingeval de oplossing van een geschil door één van de Verdragsluitende Partijen als dringend wordt beschouwd, wordt deze onderhandelingstermijn teruggebracht tot maximaal drie maanden.
3. Indien de Verdragsluitende Partijen er niet in slagen het geschil te regelen overeenkomstig het tweede lid, kan het op verzoek van één der Verdragsluitende Partijen ter beslissing worden voorgelegd aan een scheidsgerecht van drie arbiters. De bepalingen betreffende de samenstelling en procedure van dit gerecht zijn opgenomen in de bijlage van dit Verdrag, die een geïntegreerd onderdeel vormt van dit Verdrag.
1. De Permanente Commissie beraadslaagt over alle geschillen die zich mochten voordoen bij de toepassing, uitlegging of tenuitvoerlegging van dit Verdrag en tracht deze tot een oplossing te brengen.
2. Indien de Permanente Commissie er niet in slaagt een geschil te regelen op basis van het eerste lid, zal de Permanente Commissie de Verdragsluitende Partijen verzoeken dit geschil te regelen door onderhandelingen. Deze onderhandelingen worden geacht te zijn begonnen op de datum van het verzoek daartoe van de Permanente Commissie en zullen niet langer dan zes maanden duren. Ingeval de oplossing van een geschil door één van de Verdragsluitende Partijen als dringend wordt beschouwd, wordt deze onderhandelingstermijn teruggebracht tot maximaal drie maanden.
3. Indien de Verdragsluitende Partijen er niet in slagen het geschil te regelen overeenkomstig het tweede lid, kan het op verzoek van één der Verdragsluitende Partijen ter beslissing worden voorgelegd aan een scheidsgerecht van drie arbiters. De bepalingen betreffende de samenstelling en procedure van dit gerecht zijn opgenomen in de bijlage van dit Verdrag, die een geïntegreerd onderdeel vormt van dit Verdrag.
Art. 13. Règlement de litiges entre les Parties contractantes
1. La Commission permanente délibère sur tous les litiges qui pourraient se produire lors de l'application, l'interprétation ou l'exécution du présent Traité, et essaie de les résoudre.
2. Si la Commission permanente ne réussit pas à régler un litige sur la base de l'alinéa premier, elle invitera les Parties contractantes à régler ce litige par le biais de négociations. Ces négociations sont censées avoir commencé à la date de la demande de la Commission permanente, et dureront au maximum six mois. Si la solution d'un litige est considéré importante par une des Parties contractantes, ce délai de négociation est réduit à trois mois au maximum.
3. Si les Parties contractantes ne réussissent pas à régler le litige conformément à l'alinéa deux, il peut être soumis à la demande d'une des Parties contractantes à la décision d'un tribunal arbitral de trois arbitres. Les dispositions relatives à la composition et la procédure de ce tribunal sont reprises à l'annexe au présent Traité, qui en fait partie intégrante.
1. La Commission permanente délibère sur tous les litiges qui pourraient se produire lors de l'application, l'interprétation ou l'exécution du présent Traité, et essaie de les résoudre.
2. Si la Commission permanente ne réussit pas à régler un litige sur la base de l'alinéa premier, elle invitera les Parties contractantes à régler ce litige par le biais de négociations. Ces négociations sont censées avoir commencé à la date de la demande de la Commission permanente, et dureront au maximum six mois. Si la solution d'un litige est considéré importante par une des Parties contractantes, ce délai de négociation est réduit à trois mois au maximum.
3. Si les Parties contractantes ne réussissent pas à régler le litige conformément à l'alinéa deux, il peut être soumis à la demande d'une des Parties contractantes à la décision d'un tribunal arbitral de trois arbitres. Les dispositions relatives à la composition et la procédure de ce tribunal sont reprises à l'annexe au présent Traité, qui en fait partie intégrante.
Art. 14. Wijzigingsbepaling
De bijlage bij het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België en het Vlaams Gewest van Middelburg van 11 januari 1995 tot herziening van het Reglement ter uitvoering van Artikel IX van het Tractaat van 19 april 1839 en van hoofdstuk II, afdelingen 1 en 2, van het Tractaat van 5 november 1842, zoals gewijzigd, voor wat betreft het loodswezen en het gemeenschappelijk toezicht daarop (Scheldereglement) wordt als volgt gewijzigd :
A
Artikel 1, onder 2, komt te luiden : "bevoegde autoriteit : de Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit, genoemd in artikel 5 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Vlaams Gewest inzake het gemeenschappelijk nautisch beheer in het Scheldegebied;".
B
Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd :
1. Het eerste lid komt te luiden : "De gezagvoerder van een zeeschip is verplicht gebruik te maken van de diensten van een loods. De gezagvoerder van een Scheldevaarder is verplicht gebruik te maken van een tot de Vlaamse of de Nederlandse loodsdienst behorende loods. De gezagvoerder van een zeeschip dat geen Scheldevaarder is, is verplicht gebruik te maken van de diensten van een tot de Nederlandse loodsdienst behorende loods".
2. In het tweede lid, onder a., wordt "Scheldevaarders" vervangen door : zeeschepen.
3. In het tweede lid, onder b., wordt "de door de Vlaamse en Nederlandse ministers die de loodsdiensten in hun bevoegdheid hebben" vervangen door : de commissarissen.
C
Artikel 13 komt als volgt te luiden :
" Artikel 13
1. De gezagvoerder van een Scheldevaarder die ingevolge Artikel 9 verplicht is gebruik te maken van de diensten van een loods, is verplicht om het verwachte tijdstip van aankomst bij de loodskruispost tijdig aan te kondigen op de door de commissarissen vast te stellen wijze. De gezagvoerder wordt voorzien van een loods in een volgorde bepaald volgens door de commissarissen vast te stellen regels.
2. De gezagvoerder van een zeeschip dat geen Scheldevaarder is moet het verwachte tijdstip van aankomst bij de loodskruispost melden overeenkomstig de geldende nationale wettelijke voorschriften. "
D
Artikel 14 komt als volgt te luiden :
" Artikel 14
1. De gezagvoerder van een Scheldevaarder die ingevolge artikel 9 verplicht is gebruik te maken van de diensten van een loods, is verplicht om het verwachte tijdstip van vertrek uit een haven of van een anker- of ligplaats tijdig aan te kondigen op de door de commissarissen vast te stellen wijze. De gezagvoerder wordt voorzien van een loods in een volgorde bepaald volgens door de commissarissen vast te stellen regels.
2. De gezagvoerder van een zeeschip dat geen Scheldevaarder is moet het verwachte tijdstip van vertrek uit een haven of van een anker- of ligplaats melden overeenkomstig de geldende nationale wettelijke voorschriften. "
E
Artikel 16 komt te luiden :
" Artikel 16
1. De Vlaamse en Nederlandse loodsdiensten stellen gezamenlijk voorschriften op met betrekking tot :
a. de door de loodsen bij de uitoefening van hun taak te gebruiken navigatie- en communicatiemiddelen;
b. de wijze van loodswisseling;
c. de wijze van beëindiging van de loodsreis;
d. overige onderwerpen van operationele aard.
2. De voorschriften bedoeld in het eerste lid, zijn uitsluitend gericht tot de loodsen die deel uitmaken van de bevoegde Vlaamse en Nederlandse loodsdiensten. De voorschriften behoeven de goedkeuring van de bevoegde autoriteit. "
F
Artikel 17 vervalt.
G
Artikel 19 vervalt.
H
Na de aanduiding "HOOFDSTUK V. - Loodsgeld en loodsgeldvergoedingen" wordt een artikel ingevoegd, luidende :
" Artikel 22a
De gezagvoerder van een zeeschip dat geen Scheldevaarder is, is gehouden loodsgeld te betalen overeenkomstig de geldende nationale wettelijke voorschriften. "
I
Artikel 25 komt te luiden :
" Artikel 25
De loodsgeldtarieven en loodsvergoedingen worden vastgesteld in Euro. "
J
Artikel 31 komt te luiden :
" Artikel 31
1. Er wordt voorzien in een gemeenschappelijk toezicht op :
a. alle objecten die dienen voor de bevordering van de veiligheid en vlotte afwikkeling van het scheepvaartverkeer, het behoud van de vaargeulen, en het functioneren van die objecten;
b. de loodsdiensten op de Schelde en haar mondingen en op het Kanaal van Gent naar Terneuzen.
2. De Permanente Commissie van Toezicht op de Scheldevaart, bedoeld in het tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Vlaams Gewest op 21 december 2005 gesloten Verdrag inzake het gemeenschappelijk nautisch beheer in het Scheldegebied, is belast met het gemeenschappelijk toezicht, bedoeld in het eerste lid.
3. De commissarissen informeren de loodsdiensten over alle regelingen die zij ingevolge dit reglement vaststellen en over alle besluiten die zij ingevolge dit reglement of de krachtens dit reglement vastgestelde regelingen nemen, voor zover deze besluiten betrekking hebben op de loodsdiensten. "
K
Art. 32 vervalt.
L
Art. 33 wordt als volgt gewijzigd :
1. Voor de tekst van het eerste lid, vervalt de aanduiding "1.".
2. Het tweede en derde lid, vervallen.
M
Na artikel 36 wordt de volgende aanduiding ingevoegd :
" HOOFDSTUK VIII. - Vaststelling, bekendmaking en inwerkingtreding van voorschriften"
N
Artikel 37 komt te luiden :
" Artikel 37
1. De bij en krachtens de artikelen 2, onder a. en b., 4, tweede lid, 5, zesde lid, 9, tweede lid, onder a. en b., derde en vierde lid, 10, derde en vierde lid, 11, 13, eerste lid, 14, eerste lid, 15, derde lid, 16, eerste lid, 18, vierde lid, 21 en 24, eerste lid, vastgestelde voorschriften hebben in Nederland en Vlaanderen geen verbindende kracht dan nadat zij zijn bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant en het Belgisch Staatsblad. De commissarissen dragen zorg voor de bekendmaking.
2. De voorschriften voorzien in hun inwerkingtreding. Bij gebreke van een voorziening voor hun inwerkingtreding treden de regels in werking op de vijftiende kalenderdag na de datum van verschijning in de Nederlandse Staatscourant, onderscheidenlijk het Belgisch Staatsblad, waarin zij zijn bekendgemaakt. De laatste datum van verschijning is bepalend voor de aanvang van de termijn, bedoeld in de vorige volzin. "
De bijlage bij het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België en het Vlaams Gewest van Middelburg van 11 januari 1995 tot herziening van het Reglement ter uitvoering van Artikel IX van het Tractaat van 19 april 1839 en van hoofdstuk II, afdelingen 1 en 2, van het Tractaat van 5 november 1842, zoals gewijzigd, voor wat betreft het loodswezen en het gemeenschappelijk toezicht daarop (Scheldereglement) wordt als volgt gewijzigd :
A
Artikel 1, onder 2, komt te luiden : "bevoegde autoriteit : de Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit, genoemd in artikel 5 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Vlaams Gewest inzake het gemeenschappelijk nautisch beheer in het Scheldegebied;".
B
Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd :
1. Het eerste lid komt te luiden : "De gezagvoerder van een zeeschip is verplicht gebruik te maken van de diensten van een loods. De gezagvoerder van een Scheldevaarder is verplicht gebruik te maken van een tot de Vlaamse of de Nederlandse loodsdienst behorende loods. De gezagvoerder van een zeeschip dat geen Scheldevaarder is, is verplicht gebruik te maken van de diensten van een tot de Nederlandse loodsdienst behorende loods".
2. In het tweede lid, onder a., wordt "Scheldevaarders" vervangen door : zeeschepen.
3. In het tweede lid, onder b., wordt "de door de Vlaamse en Nederlandse ministers die de loodsdiensten in hun bevoegdheid hebben" vervangen door : de commissarissen.
C
Artikel 13 komt als volgt te luiden :
" Artikel 13
1. De gezagvoerder van een Scheldevaarder die ingevolge Artikel 9 verplicht is gebruik te maken van de diensten van een loods, is verplicht om het verwachte tijdstip van aankomst bij de loodskruispost tijdig aan te kondigen op de door de commissarissen vast te stellen wijze. De gezagvoerder wordt voorzien van een loods in een volgorde bepaald volgens door de commissarissen vast te stellen regels.
2. De gezagvoerder van een zeeschip dat geen Scheldevaarder is moet het verwachte tijdstip van aankomst bij de loodskruispost melden overeenkomstig de geldende nationale wettelijke voorschriften. "
D
Artikel 14 komt als volgt te luiden :
" Artikel 14
1. De gezagvoerder van een Scheldevaarder die ingevolge artikel 9 verplicht is gebruik te maken van de diensten van een loods, is verplicht om het verwachte tijdstip van vertrek uit een haven of van een anker- of ligplaats tijdig aan te kondigen op de door de commissarissen vast te stellen wijze. De gezagvoerder wordt voorzien van een loods in een volgorde bepaald volgens door de commissarissen vast te stellen regels.
2. De gezagvoerder van een zeeschip dat geen Scheldevaarder is moet het verwachte tijdstip van vertrek uit een haven of van een anker- of ligplaats melden overeenkomstig de geldende nationale wettelijke voorschriften. "
E
Artikel 16 komt te luiden :
" Artikel 16
1. De Vlaamse en Nederlandse loodsdiensten stellen gezamenlijk voorschriften op met betrekking tot :
a. de door de loodsen bij de uitoefening van hun taak te gebruiken navigatie- en communicatiemiddelen;
b. de wijze van loodswisseling;
c. de wijze van beëindiging van de loodsreis;
d. overige onderwerpen van operationele aard.
2. De voorschriften bedoeld in het eerste lid, zijn uitsluitend gericht tot de loodsen die deel uitmaken van de bevoegde Vlaamse en Nederlandse loodsdiensten. De voorschriften behoeven de goedkeuring van de bevoegde autoriteit. "
F
Artikel 17 vervalt.
G
Artikel 19 vervalt.
H
Na de aanduiding "HOOFDSTUK V. - Loodsgeld en loodsgeldvergoedingen" wordt een artikel ingevoegd, luidende :
" Artikel 22a
De gezagvoerder van een zeeschip dat geen Scheldevaarder is, is gehouden loodsgeld te betalen overeenkomstig de geldende nationale wettelijke voorschriften. "
I
Artikel 25 komt te luiden :
" Artikel 25
De loodsgeldtarieven en loodsvergoedingen worden vastgesteld in Euro. "
J
Artikel 31 komt te luiden :
" Artikel 31
1. Er wordt voorzien in een gemeenschappelijk toezicht op :
a. alle objecten die dienen voor de bevordering van de veiligheid en vlotte afwikkeling van het scheepvaartverkeer, het behoud van de vaargeulen, en het functioneren van die objecten;
b. de loodsdiensten op de Schelde en haar mondingen en op het Kanaal van Gent naar Terneuzen.
2. De Permanente Commissie van Toezicht op de Scheldevaart, bedoeld in het tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Vlaams Gewest op 21 december 2005 gesloten Verdrag inzake het gemeenschappelijk nautisch beheer in het Scheldegebied, is belast met het gemeenschappelijk toezicht, bedoeld in het eerste lid.
3. De commissarissen informeren de loodsdiensten over alle regelingen die zij ingevolge dit reglement vaststellen en over alle besluiten die zij ingevolge dit reglement of de krachtens dit reglement vastgestelde regelingen nemen, voor zover deze besluiten betrekking hebben op de loodsdiensten. "
K
Art. 32 vervalt.
L
Art. 33 wordt als volgt gewijzigd :
1. Voor de tekst van het eerste lid, vervalt de aanduiding "1.".
2. Het tweede en derde lid, vervallen.
M
Na artikel 36 wordt de volgende aanduiding ingevoegd :
" HOOFDSTUK VIII. - Vaststelling, bekendmaking en inwerkingtreding van voorschriften"
N
Artikel 37 komt te luiden :
" Artikel 37
1. De bij en krachtens de artikelen 2, onder a. en b., 4, tweede lid, 5, zesde lid, 9, tweede lid, onder a. en b., derde en vierde lid, 10, derde en vierde lid, 11, 13, eerste lid, 14, eerste lid, 15, derde lid, 16, eerste lid, 18, vierde lid, 21 en 24, eerste lid, vastgestelde voorschriften hebben in Nederland en Vlaanderen geen verbindende kracht dan nadat zij zijn bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant en het Belgisch Staatsblad. De commissarissen dragen zorg voor de bekendmaking.
2. De voorschriften voorzien in hun inwerkingtreding. Bij gebreke van een voorziening voor hun inwerkingtreding treden de regels in werking op de vijftiende kalenderdag na de datum van verschijning in de Nederlandse Staatscourant, onderscheidenlijk het Belgisch Staatsblad, waarin zij zijn bekendgemaakt. De laatste datum van verschijning is bepalend voor de aanvang van de termijn, bedoeld in de vorige volzin. "
Art. 14. Disposition modificative
L'annexe au Traité entre le Royaume des Pays-Bas, le Royaume de Belgique et la Région flamande de Middelburg du 11 janvier 1995 portant révision du Règlement sur l'exécution de l'article IX du Traité du 19 avril 1839 et du chapitre II, sections 1re et 2, du Traité du 5 novembre 1842, modifiés, relatif au pilotage et à la surveillance commune (règlement de l'Escaut), est modifiée comme suit :
A
L'article 1er, sous 2, est rédigé comme suit : "autorité compétente : l'Autorité nautique commune, visée à l'article 5 du Traité entre le Royaume des Pays-Bas et la Région flamande relatif à la gestion nautique commune dans le bassin de l'Escaut;".
B
L'article 9 est modifié comme suit :
1. L'alinéa premier est rédigé comme suit : "Tout capitaine d'un navire est tenu de recourir aux services d'un pilote. Tout capitaine d'un Scheldevaarder est tenu de recourir aux services d'un pilote appartenant aux service de pilotage flamands ou néerlandais. Tout capitaine d'un navire qui n'est pas de Scheldevaarder, est tenu de recourir aux services d'un pilote appartenant au service de pilotage néerlandais".
2. Dans l'alinéa deux, sous a, "Scheldevaarders" est remplacé par : navires.
3. Dans l'alinéa deux, sous b, "par les ministres flamand et néerlandais ayant les services de pilotage dans leurs attributions" est remplacé par : les commissaires.
C
L'article 13 est rédigé comme suit :
" Article 13
1. Le capitaine d'un Scheldevaarder qui est tenu de recourir aux services d'un pilote en vertu de l'article 9, signalera en temps utile l'heure probable de son arrivée à la station de pilotage, de la manière à fixer par les commissaires. Un pilote sera affecté au capitaine suivant l'ordre prévu par un règlement à fixer par les commissaires.
2. Le capitaine d'un navire qui n'est pas de Scheldevaarder, doit signaler l'heure probable d'arrivée à la station de pilotage conformément aux prescriptions légales nationales en vigueur.
D
L'article 14 est rédigé comme suit :
" Article 14
1. Le capitaine d'un Scheldevaarder qui est tenu de recourir aux services d'un pilote en vertu de l'article 9, signalera en temps utile l'heure probable de son départ d'un port ou d'un poste d'amarrage ou poste de mouillage, de la manière à fixer par les commissaires. Un pilote sera affecté au capitaine suivant l'ordre prévu par un règlement à fixer par les commissaires.
2. Le capitaine d'un navire qui n'est pas de Scheldevaarder, doit signaler l'heure probable de départ d'un port ou d'un poste d'amarrage ou poste de mouillage conformément aux prescriptions légales nationales en vigueur. "
E
L'article 16 est rédigé comme suit :
" Article 16
1. Les services de pilotage flamands et néerlandais rédigent conjointement des prescriptions concernant :
a. les moyens de navigation et de communication à utiliser par les pilotes lors de l'exercice de leur tâche;
b. les modalités de changement de pilote;
c. les modalités de la fin de la course de pilotage;
d. d'autres sujets de nature opérationnelle.
2. Les prescriptions visées à l'alinéa premier, visent uniquement les pilotes faisant partie des services de pilotage flamands et néerlandais compétents. Les prescriptions requièrent l'approbation de l'autorité compétente. "
F
L'article 17 est supprimé.
G
L'article 19 est supprimé.
H
Après l'indication "CHAPITRE V. - Droits et indemnités de pilotage", il est inséré un article rédigé comme suit :
" Article 22a
Le capitaine d'un navire qui n'est pas de Scheldevaarder, est tenu de payer des droits de pilotage conformément aux prescriptions légales nationales en vigueur. "
I
L'article 25 est rédigé comme suit :
" Article 25
Les tarifs des droits et indemnités de pilotage sont fixés en Euro. "
J
L'article 31 est rédigé comme suit :
" Article 31
1. Il est prévu une surveillance commune :
a. de tous les dispositifs destinés à promouvoir la sécurité et la fluidité du trafic maritime, la préservation des chenaux, et le fonctionnement de ces dispositifs;
b. des services de pilotage sur l'Escaut et ses embouchures et sur le Canal de Gand à Terneuzen.
2. La Commission permanente de Surveillance sur la Navigation sur l'Escaut, visée au Traité entre le Royaume des Pays-Bas et la Région flamande du 21 décembre 2005 relatif à la gestion nautique commune dans le bassin de l'Escaut, est chargée de la surveillance commune visée à l'alinéa premier.
3. Les commissaires informent les services de pilotage de tous les règlements qu'ils fixent en vertu du présent règlement et de toutes les décisions qu'ils prennent en vertu du présent règlement ou des règlements fixés en vertu de ce dernier, dans la mesure où ces décisions concernent les services de pilotage. "
K
L'article 32 est supprimé.
L
L'article 33 est modifié comme suit :
1. L'indication "1" qui précède l'alinéa premier, est supprimée.
2. Les alinéas deux et trois sont supprimés.
M
L'indication suivante est insérée après l'article 36 :
" CHAPITRE VIII. - Etablissement, publication et entree en vigueur de prescriptions"
N
L'article 37 est rédigé comme suit :
" Article 37
1. Les prescriptions établies par et en vertu des articles 2, sous a. et b., 4, alinéa deux, 5, alinéa six, 9, alinéa deux, sous a. et b., alinéas trois et quatre, 10, alinéas trois et quatre, 11, 13, alinéa premier, 14, alinéa premier, 15, alinéa trois, 16, alinéa premier, 18, alinéa quatre, 21 et 24, alinéa premier, n'ont force obligatoire aux Pays-Bas et en Flandre qu'après leur publication dans le "Nederlandse Staatscourant" et le Moniteur belge. Les commissaires assurent la publication.
2. Les prescriptions prévoient leur entrée en vigueur. A défaut d'une disposition pour leur entrée en vigueur, les règles entrent en vigueur le quinzième jour calendaire suivant la date de publication dans le "Nederlandse Staatscourant", respectivement le Moniteur belge dans lequel elles ont été publiées. La dernière date de publication détermine le début du délai visé dans la phrase précédente. "
L'annexe au Traité entre le Royaume des Pays-Bas, le Royaume de Belgique et la Région flamande de Middelburg du 11 janvier 1995 portant révision du Règlement sur l'exécution de l'article IX du Traité du 19 avril 1839 et du chapitre II, sections 1re et 2, du Traité du 5 novembre 1842, modifiés, relatif au pilotage et à la surveillance commune (règlement de l'Escaut), est modifiée comme suit :
A
L'article 1er, sous 2, est rédigé comme suit : "autorité compétente : l'Autorité nautique commune, visée à l'article 5 du Traité entre le Royaume des Pays-Bas et la Région flamande relatif à la gestion nautique commune dans le bassin de l'Escaut;".
B
L'article 9 est modifié comme suit :
1. L'alinéa premier est rédigé comme suit : "Tout capitaine d'un navire est tenu de recourir aux services d'un pilote. Tout capitaine d'un Scheldevaarder est tenu de recourir aux services d'un pilote appartenant aux service de pilotage flamands ou néerlandais. Tout capitaine d'un navire qui n'est pas de Scheldevaarder, est tenu de recourir aux services d'un pilote appartenant au service de pilotage néerlandais".
2. Dans l'alinéa deux, sous a, "Scheldevaarders" est remplacé par : navires.
3. Dans l'alinéa deux, sous b, "par les ministres flamand et néerlandais ayant les services de pilotage dans leurs attributions" est remplacé par : les commissaires.
C
L'article 13 est rédigé comme suit :
" Article 13
1. Le capitaine d'un Scheldevaarder qui est tenu de recourir aux services d'un pilote en vertu de l'article 9, signalera en temps utile l'heure probable de son arrivée à la station de pilotage, de la manière à fixer par les commissaires. Un pilote sera affecté au capitaine suivant l'ordre prévu par un règlement à fixer par les commissaires.
2. Le capitaine d'un navire qui n'est pas de Scheldevaarder, doit signaler l'heure probable d'arrivée à la station de pilotage conformément aux prescriptions légales nationales en vigueur.
D
L'article 14 est rédigé comme suit :
" Article 14
1. Le capitaine d'un Scheldevaarder qui est tenu de recourir aux services d'un pilote en vertu de l'article 9, signalera en temps utile l'heure probable de son départ d'un port ou d'un poste d'amarrage ou poste de mouillage, de la manière à fixer par les commissaires. Un pilote sera affecté au capitaine suivant l'ordre prévu par un règlement à fixer par les commissaires.
2. Le capitaine d'un navire qui n'est pas de Scheldevaarder, doit signaler l'heure probable de départ d'un port ou d'un poste d'amarrage ou poste de mouillage conformément aux prescriptions légales nationales en vigueur. "
E
L'article 16 est rédigé comme suit :
" Article 16
1. Les services de pilotage flamands et néerlandais rédigent conjointement des prescriptions concernant :
a. les moyens de navigation et de communication à utiliser par les pilotes lors de l'exercice de leur tâche;
b. les modalités de changement de pilote;
c. les modalités de la fin de la course de pilotage;
d. d'autres sujets de nature opérationnelle.
2. Les prescriptions visées à l'alinéa premier, visent uniquement les pilotes faisant partie des services de pilotage flamands et néerlandais compétents. Les prescriptions requièrent l'approbation de l'autorité compétente. "
F
L'article 17 est supprimé.
G
L'article 19 est supprimé.
H
Après l'indication "CHAPITRE V. - Droits et indemnités de pilotage", il est inséré un article rédigé comme suit :
" Article 22a
Le capitaine d'un navire qui n'est pas de Scheldevaarder, est tenu de payer des droits de pilotage conformément aux prescriptions légales nationales en vigueur. "
I
L'article 25 est rédigé comme suit :
" Article 25
Les tarifs des droits et indemnités de pilotage sont fixés en Euro. "
J
L'article 31 est rédigé comme suit :
" Article 31
1. Il est prévu une surveillance commune :
a. de tous les dispositifs destinés à promouvoir la sécurité et la fluidité du trafic maritime, la préservation des chenaux, et le fonctionnement de ces dispositifs;
b. des services de pilotage sur l'Escaut et ses embouchures et sur le Canal de Gand à Terneuzen.
2. La Commission permanente de Surveillance sur la Navigation sur l'Escaut, visée au Traité entre le Royaume des Pays-Bas et la Région flamande du 21 décembre 2005 relatif à la gestion nautique commune dans le bassin de l'Escaut, est chargée de la surveillance commune visée à l'alinéa premier.
3. Les commissaires informent les services de pilotage de tous les règlements qu'ils fixent en vertu du présent règlement et de toutes les décisions qu'ils prennent en vertu du présent règlement ou des règlements fixés en vertu de ce dernier, dans la mesure où ces décisions concernent les services de pilotage. "
K
L'article 32 est supprimé.
L
L'article 33 est modifié comme suit :
1. L'indication "1" qui précède l'alinéa premier, est supprimée.
2. Les alinéas deux et trois sont supprimés.
M
L'indication suivante est insérée après l'article 36 :
" CHAPITRE VIII. - Etablissement, publication et entree en vigueur de prescriptions"
N
L'article 37 est rédigé comme suit :
" Article 37
1. Les prescriptions établies par et en vertu des articles 2, sous a. et b., 4, alinéa deux, 5, alinéa six, 9, alinéa deux, sous a. et b., alinéas trois et quatre, 10, alinéas trois et quatre, 11, 13, alinéa premier, 14, alinéa premier, 15, alinéa trois, 16, alinéa premier, 18, alinéa quatre, 21 et 24, alinéa premier, n'ont force obligatoire aux Pays-Bas et en Flandre qu'après leur publication dans le "Nederlandse Staatscourant" et le Moniteur belge. Les commissaires assurent la publication.
2. Les prescriptions prévoient leur entrée en vigueur. A défaut d'une disposition pour leur entrée en vigueur, les règles entrent en vigueur le quinzième jour calendaire suivant la date de publication dans le "Nederlandse Staatscourant", respectivement le Moniteur belge dans lequel elles ont été publiées. La dernière date de publication détermine le début du délai visé dans la phrase précédente. "
Art. 15. Overgangsbepaling
Zolang de Permanente Commissie ten aanzien van een bepaald onderwerp geen regels, bedoeld in Artikelen 4, derde lid, en 5 heeft vastgesteld, of deze regels eenmaal vastgesteld nog niet van kracht zijn, blijven de desbetreffende wettelijke voorschriften van toepassing, met dien verstande dat de door die wettelijke voorschriften aan interne overheden van de Verdragsluitende Partijen toegekende uitvoerings- en toepassingsbevoegdheden worden uitgeoefend door de Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit.
Zolang de Permanente Commissie ten aanzien van een bepaald onderwerp geen regels, bedoeld in Artikelen 4, derde lid, en 5 heeft vastgesteld, of deze regels eenmaal vastgesteld nog niet van kracht zijn, blijven de desbetreffende wettelijke voorschriften van toepassing, met dien verstande dat de door die wettelijke voorschriften aan interne overheden van de Verdragsluitende Partijen toegekende uitvoerings- en toepassingsbevoegdheden worden uitgeoefend door de Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit.
Art. 15. Disposition transitoire
Aussi longtemps que la Commission permanente n'a pas établi de règles, visées aux articles 4, alinéa trois, et 5, par rapport à un sujet déterminé, ou que ces règles établies ne sont pas encore entrées en vigueur, les prescriptions légales concernées restent d'application, étant entendu que les compétences d'exécution et d'application attribuées par ces prescriptions légales à des autorités internes des Parties contractantes sont exercées par l'Autorité nautique commune.
Aussi longtemps que la Commission permanente n'a pas établi de règles, visées aux articles 4, alinéa trois, et 5, par rapport à un sujet déterminé, ou que ces règles établies ne sont pas encore entrées en vigueur, les prescriptions légales concernées restent d'application, étant entendu que les compétences d'exécution et d'application attribuées par ces prescriptions légales à des autorités internes des Parties contractantes sont exercées par l'Autorité nautique commune.
Art. 16. Inwerkingtreding
Dit Verdrag treedt in werking met ingang van de eerste dag van de tweede maand, volgend op de dag waarop de Verdragsluitende Partijen elkaar schriftelijk hebben medegedeeld dat aan de constitutionele eisen is voldaan.
Ten blijke waarvan de Gevolmachtigden van de Regeringen der Verdragsluitende Partijen dit Verdrag hebben ondertekend.
Ondertekend te Middelburg op 21 december 2005, in tweevoud in de Nederlandse taal.
Voor het Vlaams Gewest,
(get) ....
Voor het Koninkrijk der Nederlanden,
(get) ....
Dit Verdrag treedt in werking met ingang van de eerste dag van de tweede maand, volgend op de dag waarop de Verdragsluitende Partijen elkaar schriftelijk hebben medegedeeld dat aan de constitutionele eisen is voldaan.
Ten blijke waarvan de Gevolmachtigden van de Regeringen der Verdragsluitende Partijen dit Verdrag hebben ondertekend.
Ondertekend te Middelburg op 21 december 2005, in tweevoud in de Nederlandse taal.
Voor het Vlaams Gewest,
(get) ....
Voor het Koninkrijk der Nederlanden,
(get) ....
Art. 16. Entrée en vigueur
Le présent Traité entre en vigueur à partir du premier jour du deuxième mois qui suit le jour où les Parties contractantes se sont notifié par écrit que les conditions constitutionnelles ont été remplies.
En foi de quoi les Représentants des Gouvernements des Parties contractantes ont signé le présent Traité.
Signé à Middelburg, le 21 décembre 2005, en deux exemplaires en néerlandais.
Pour la Région flamande,
(signé) ...
Pour le Royaume des Pays-Bas,
(signé) ...
Le présent Traité entre en vigueur à partir du premier jour du deuxième mois qui suit le jour où les Parties contractantes se sont notifié par écrit que les conditions constitutionnelles ont été remplies.
En foi de quoi les Représentants des Gouvernements des Parties contractantes ont signé le présent Traité.
Signé à Middelburg, le 21 décembre 2005, en deux exemplaires en néerlandais.
Pour la Région flamande,
(signé) ...
Pour le Royaume des Pays-Bas,
(signé) ...
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. Samenstelling en procedure van het gerecht bedoeld in Artikel 13
1. Het in Artikel 13 van dit Verdrag genoemde gerecht bestaat uit drie arbiters, van wie elke Verdragsluitende Partij er één benoemt. De twee aldus gekozen arbiters bereiken overeenstemming over de derde arbiter. Deze derde arbiter mag geen onderdaan zijn of in dienst zijn van het Koninkrijk België of het Koninkrijk der Nederlanden. Elk van de Verdragsluitende Partijen wijst een arbiter aan binnen een termijn van dertig dagen vanaf de datum waarop één van de Verdragsluitende Partijen van de andere Verdragsluitende Partij een diplomatieke nota heeft ontvangen waarin om een scheidsrechtelijke beslissing wordt verzocht. Over de derde arbiter wordt binnen een volgende termijn van dertig dagen overeenstemming bereikt. Indien één van de Verdragsluitende Partijen haar eigen arbiter niet aanwijst binnen de termijn van dertig dagen of indien over de derde arbiter niet binnen de genoemde termijn overeenstemming is bereikt, kan de voorzitter van het Internationaal Gerechtshof, en indien deze onderdaan is van het Koninkrijk België of het Koninkrijk der Nederlanden, de vice-voorzitter van dit Hof, door één van de Verdragsluitende Partijen worden verzocht een arbiter of arbiters te benoemen.
2. Het gerecht regelt zijn eigen werkwijze.
3. Het gerecht beslist bij meerderheid van stemmen.
4. De scheidsrechtelijke uitspraak is met redenen omkleed, definitief en niet vatbaar voor beroep.
5. Het scheidsgerecht kan in elke stand van het geding, na Partijen te hebben gehoord, de voorlopige maatregelen voorschrijven die het noodzakelijk acht, of reeds voorgeschreven voorlopige maatregelen intrekken. Zodanige maatregelen lopen niet vooruit op de definitieve scheidsrechtelijke uitspraak.
6. De kosten van het gerecht worden door beide Verdragsluitende Partijen, elk voor de helft, gedragen. Elke Verdragsluitende Partij draagt de kosten van haar vertegenwoordiging in het geding.
1. Het in Artikel 13 van dit Verdrag genoemde gerecht bestaat uit drie arbiters, van wie elke Verdragsluitende Partij er één benoemt. De twee aldus gekozen arbiters bereiken overeenstemming over de derde arbiter. Deze derde arbiter mag geen onderdaan zijn of in dienst zijn van het Koninkrijk België of het Koninkrijk der Nederlanden. Elk van de Verdragsluitende Partijen wijst een arbiter aan binnen een termijn van dertig dagen vanaf de datum waarop één van de Verdragsluitende Partijen van de andere Verdragsluitende Partij een diplomatieke nota heeft ontvangen waarin om een scheidsrechtelijke beslissing wordt verzocht. Over de derde arbiter wordt binnen een volgende termijn van dertig dagen overeenstemming bereikt. Indien één van de Verdragsluitende Partijen haar eigen arbiter niet aanwijst binnen de termijn van dertig dagen of indien over de derde arbiter niet binnen de genoemde termijn overeenstemming is bereikt, kan de voorzitter van het Internationaal Gerechtshof, en indien deze onderdaan is van het Koninkrijk België of het Koninkrijk der Nederlanden, de vice-voorzitter van dit Hof, door één van de Verdragsluitende Partijen worden verzocht een arbiter of arbiters te benoemen.
2. Het gerecht regelt zijn eigen werkwijze.
3. Het gerecht beslist bij meerderheid van stemmen.
4. De scheidsrechtelijke uitspraak is met redenen omkleed, definitief en niet vatbaar voor beroep.
5. Het scheidsgerecht kan in elke stand van het geding, na Partijen te hebben gehoord, de voorlopige maatregelen voorschrijven die het noodzakelijk acht, of reeds voorgeschreven voorlopige maatregelen intrekken. Zodanige maatregelen lopen niet vooruit op de definitieve scheidsrechtelijke uitspraak.
6. De kosten van het gerecht worden door beide Verdragsluitende Partijen, elk voor de helft, gedragen. Elke Verdragsluitende Partij draagt de kosten van haar vertegenwoordiging in het geding.
Art. N. Composition et procédure du tribunal visé à l'article 13
1. Le tribunal cité à l'article 13 du présent Traité est composé de trois arbitres dont un est nommé par chaque Partie contractante. Les deux arbitres ainsi nommés désignent en commun accord un troisième arbitre. Ce troisième arbitre ne peut ni être un ressortissant du Royaume de Belgique ou du Royaume des Pays-Bas, ni être à leur service. Chaque Partie contractante désigne un arbitre dans un délai de trente jours à partir de la date à laquelle l'une des Parties contractantes a reçu une note diplomatique de l'autre Partie contractante demandant une décision arbitrale. Le troisième arbitre est désigné de commun accord dans un délai suivant de trente jours. Si l'une des Parties contractantes ne désigne pas son propre arbitre dans le délai de trente jours ou si elles ne parviennent pas à un accord sur le troisième arbitre dans le délai imparti, le président de la Cour internationale, et si celui-ci est ressortissant du Royaume de Belgique ou du Royaume des Pays-Bas, le vice-président de cette Cour, peut être saisi par l'une des Parties contractantes afin de nommer un ou des arbitres.
2. Le tribunal règle son propre fonctionnement.
3. Le tribunal statue à la majorité des voix.
4. Le prononcé arbitral est motivé, définitif et non susceptible de recours.
5. Dans tout état de litige, le tribunal peut, après avoir entendu les Parties, prescrire les mesures provisoires qu'il estime nécessaires ou retirer des mesures provisoires déjà prescrites. Pareilles mesures ne préjugent pas le prononcé arbitral définitif.
6. Les frais du tribunal sont à charge des deux Parties contractantes, chacune pour la moitié. Chaque Partie contractante supporte les frais de sa représentation au litige
1. Le tribunal cité à l'article 13 du présent Traité est composé de trois arbitres dont un est nommé par chaque Partie contractante. Les deux arbitres ainsi nommés désignent en commun accord un troisième arbitre. Ce troisième arbitre ne peut ni être un ressortissant du Royaume de Belgique ou du Royaume des Pays-Bas, ni être à leur service. Chaque Partie contractante désigne un arbitre dans un délai de trente jours à partir de la date à laquelle l'une des Parties contractantes a reçu une note diplomatique de l'autre Partie contractante demandant une décision arbitrale. Le troisième arbitre est désigné de commun accord dans un délai suivant de trente jours. Si l'une des Parties contractantes ne désigne pas son propre arbitre dans le délai de trente jours ou si elles ne parviennent pas à un accord sur le troisième arbitre dans le délai imparti, le président de la Cour internationale, et si celui-ci est ressortissant du Royaume de Belgique ou du Royaume des Pays-Bas, le vice-président de cette Cour, peut être saisi par l'une des Parties contractantes afin de nommer un ou des arbitres.
2. Le tribunal règle son propre fonctionnement.
3. Le tribunal statue à la majorité des voix.
4. Le prononcé arbitral est motivé, définitif et non susceptible de recours.
5. Dans tout état de litige, le tribunal peut, après avoir entendu les Parties, prescrire les mesures provisoires qu'il estime nécessaires ou retirer des mesures provisoires déjà prescrites. Pareilles mesures ne préjugent pas le prononcé arbitral définitif.
6. Les frais du tribunal sont à charge des deux Parties contractantes, chacune pour la moitié. Chaque Partie contractante supporte les frais de sa représentation au litige