Artikel 1. De middelen van de administratieve dienst met boekhoudkundige autonomie 'Fedorest' belast met de organisatie van cateringactiviteiten ten behoeve van meerdere overheidsdiensten, hierna de " Dienst " genoemd, bestaan uit :
1. een op de algemene uitgavenbegroting uitgetrokken jaarlijks krediet;
2. functionele en exploitatieontvangsten;
3. ontvangsten voor orde.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
18 DECEMBER 2008. - Koninklijk besluit betreffende het financieel beheer van de administratieve dienst met boekhoudkundige autonomie FEDOREST, belast met de organisatie van cateringactiviteiten ten behoeve van meerdere overheidsdiensten.
Titre
18 DECEMBRE 2008. - Arrêté royal relatif à la gestion financière du service administratif à comptabilité autonome FEDOREST, chargé de l'organisation des activités de catering pour différents services publics.
Dokumentinformationen
Info du document
Inhoud
Tekst (27)
Texte (27)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen.
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales.
Article 1. Les ressources du Service administratif à comptabilité autonome 'Fedorest' chargé de l'organisation des activités de catering pour différents services publics, ci-après dénommé " le Service ", sont constituées par :
1. un crédit annuel inscrit au budget général des dépenses;
2. les recettes fonctionnelles et d'exploitation;
3. les recettes pour ordre.
1. un crédit annuel inscrit au budget général des dépenses;
2. les recettes fonctionnelles et d'exploitation;
3. les recettes pour ordre.
Art. 2. De Dienst werkt conform de wettelijke bepalingen van toepassing op de rijkscomptabiliteit. Dit besluit regelt de specifieke uitvoeringsmodaliteiten.
Art. 2. Le Service fonctionne conformément aux dispositions légales applicables à la comptabilité de l'Etat. Le présent arrêté règle les modalités d'exécution spécifiques.
Art. 3. De Dienst, aangestuurd door de leidend ambtenaar, voert haar activiteiten uit onder het beheer van een beheerscomité, opgericht volgens het koninklijk besluit van 18 december 2008.
Art. 3. Le Service, dirigé par le fonctionnaire dirigeant, exerce ses activités sous le contrôle d'un comité de gestion, créé en vertu de l'arrêté royal du 18 décembre 2008.
HOOFDSTUK 2. - Opmaak van de begroting.
CHAPITRE 2. - De l'établissement du budget.
Art. 4. § 1. De leidend ambtenaar van de Dienst maakt jaarlijks een begroting op van alle ontvangsten en uitgaven volgens de richtlijnen en binnen het tijdschema verstrekt door de Minister van Begroting. Hierbij worden de verrichtingen opgesplitst volgens de economische classificatie (ESR). Dit begrotingsontwerp is gebaseerd op meetbare operationele doelstellingen voor de diverse restaurants die in de Dienst zijn ondergebracht.
§ 2. Daarnaast wordt een meerjarenbegroting opgemaakt.
§ 3. Zo nodig wordt bij de begrotingscontrole over het lopend begrotingsjaar een aangepaste begroting opgesteld.
§ 2. Daarnaast wordt een meerjarenbegroting opgemaakt.
§ 3. Zo nodig wordt bij de begrotingscontrole over het lopend begrotingsjaar een aangepaste begroting opgesteld.
Art. 4. § 1er. Le fonctionnaire dirigeant du Service établit chaque année un budget de toutes les recettes et dépenses d'après les directives et suivant les délais fournis par le Ministre du Budget. A cette fin, les opérations sont ventilées conformément à la classification économique (SEC). Ce projet de budget est basé sur des objectifs opérationnels mesurables pour les différents restaurants qui sont repris dans le Service.
§ 2. Un budget pluriannuel est en outre établi.
§ 3. Si nécessaire, le budget sera adapté lors du contrôle budgétaire de l'année budgétaire en cours.
§ 2. Un budget pluriannuel est en outre établi.
§ 3. Si nécessaire, le budget sera adapté lors du contrôle budgétaire de l'année budgétaire en cours.
Art. 5. § 1 De ontvangstenramingen worden uitgedrukt in vastgestelde rechten en omvatten :
1. de dotatie afkomstig uit de algemene uitgavenbegroting;
2. de functionele en exploitatie- ontvangsten;
3. de ontvangsten voor orde.
§ 2. De uitgavenramingen worden uitgedrukt in termen van verbintenissen en in termen van vastgestelde rechten. Zij omvatten :
1. de bestaansmiddelen;
2. de investeringsuitgaven;
3. de functionele en exploitatie-uitgaven;
4. de uitgaven voor orde.
§ 3. De dotatie afkomstig uit de algemene uitgavenbegroting is gericht op de financiering van de bestaansmiddelen en de investeringsuitgaven. Daarnaast voorziet zij in een reserve voor onvoorziene en hoogdringende uitgaven. Deze reserve wordt vanaf het eerste begrotingsjaar van de Dienst aangelegd ten belope van 10 % van het geraamd bedrag van de bestaansmiddelen. Indien het geraamd bedrag van de bestaansmiddelen bij de begrotingscontrole wordt herzien, zal het bedrag van de reserve, overeenkomstig de nieuwe basis, worden herberekend.
§ 4. De functionele en exploitatieontvangsten, zoals bedoeld onder art. 5, § 1, 2, kunnen uitsluitend worden aangewend voor de functionele en exploitatie-uitgaven, vermeld onder art. 5, § 2, 3.
§ 5. De middelen die beschikbaar zijn op het einde van het begrotingsjaar kunnen vanaf het begin van het volgend jaar aangewend worden voor de betaling van de uitgaven die er betrekking op hebben of op elk voorgaand jaar.
§ 6. Bij de begrotingscontrole over het lopend begrotingsjaar dient de dotatie, rekening houdend met het overgedragen saldo van het voorafgaande begrotingsjaar, aan de reële toestand te worden aangepast.
§ 7. De uitgaven inzake de bestaansmiddelen en investeringen worden beperkt tot het bedrag van de goedgekeurde limitatieve kredieten.
§ 8. De functionele en exploitatieontvangsten en -uitgaven worden rechtstreeks beïnvloed door het activiteitenniveau van de dienst. De gerelateerde uitgavenkredieten zijn bijgevolg niet-limitatief.
§ 9. Het bedrag van de betalingen mag de som van de reële ontvangsten zoals bepaald in art. 5, § 1, en het overgedragen kassaldo niet overschrijden.
§ 10. Elke federale overheidsdienst waarvan het personeel gebruik kan maken van de cateringfaciliteiten van de Dienst, dient volgens een in het beheerscomité goedgekeurde verdeelsleutel in het deel van de dotatie, gericht op de financiering van de bestaansmiddelen en investeringsuitgaven, bij te dragen.
1. de dotatie afkomstig uit de algemene uitgavenbegroting;
2. de functionele en exploitatie- ontvangsten;
3. de ontvangsten voor orde.
§ 2. De uitgavenramingen worden uitgedrukt in termen van verbintenissen en in termen van vastgestelde rechten. Zij omvatten :
1. de bestaansmiddelen;
2. de investeringsuitgaven;
3. de functionele en exploitatie-uitgaven;
4. de uitgaven voor orde.
§ 3. De dotatie afkomstig uit de algemene uitgavenbegroting is gericht op de financiering van de bestaansmiddelen en de investeringsuitgaven. Daarnaast voorziet zij in een reserve voor onvoorziene en hoogdringende uitgaven. Deze reserve wordt vanaf het eerste begrotingsjaar van de Dienst aangelegd ten belope van 10 % van het geraamd bedrag van de bestaansmiddelen. Indien het geraamd bedrag van de bestaansmiddelen bij de begrotingscontrole wordt herzien, zal het bedrag van de reserve, overeenkomstig de nieuwe basis, worden herberekend.
§ 4. De functionele en exploitatieontvangsten, zoals bedoeld onder art. 5, § 1, 2, kunnen uitsluitend worden aangewend voor de functionele en exploitatie-uitgaven, vermeld onder art. 5, § 2, 3.
§ 5. De middelen die beschikbaar zijn op het einde van het begrotingsjaar kunnen vanaf het begin van het volgend jaar aangewend worden voor de betaling van de uitgaven die er betrekking op hebben of op elk voorgaand jaar.
§ 6. Bij de begrotingscontrole over het lopend begrotingsjaar dient de dotatie, rekening houdend met het overgedragen saldo van het voorafgaande begrotingsjaar, aan de reële toestand te worden aangepast.
§ 7. De uitgaven inzake de bestaansmiddelen en investeringen worden beperkt tot het bedrag van de goedgekeurde limitatieve kredieten.
§ 8. De functionele en exploitatieontvangsten en -uitgaven worden rechtstreeks beïnvloed door het activiteitenniveau van de dienst. De gerelateerde uitgavenkredieten zijn bijgevolg niet-limitatief.
§ 9. Het bedrag van de betalingen mag de som van de reële ontvangsten zoals bepaald in art. 5, § 1, en het overgedragen kassaldo niet overschrijden.
§ 10. Elke federale overheidsdienst waarvan het personeel gebruik kan maken van de cateringfaciliteiten van de Dienst, dient volgens een in het beheerscomité goedgekeurde verdeelsleutel in het deel van de dotatie, gericht op de financiering van de bestaansmiddelen en investeringsuitgaven, bij te dragen.
Art. 5. § 1er Les prévisions de recettes sont exprimées en droits constatés et comprennent :
1. la dotation provenant du budget général des dépenses;
2. les recettes fonctionnelles et d'exploitation;
3. les recettes pour ordre.
§ 2. Les prévisions de dépenses sont exprimées en termes d'engagements et en termes de droits constatés. Elles comprennent :
1. les moyens de subsistance;
2. les dépenses d'investissement;
3. les dépenses fonctionnelles et d'exploitation;
4. les dépenses pour ordre.
§ 3 La dotation provenant du budget général des dépenses est destinée au financement des moyens de subsistance et des dépenses d'investissement. Elle prévoit en outre une réserve pour des dépenses imprévues et d'extrême urgence. Cette réserve est constituée à partir de la première année budgétaire du Service à concurrence d'un montant de 10 % du montant estimé des moyens de subsistance. Si le montant estimé des moyens de subsistance est revu lors du contrôle budgétaire, le montant de la réserve sera recalculé conformément à la nouvelle base.
§ 4. Les recettes fonctionnelles et d'exploitation, visées à l'art. 5, § 1er, 2, peuvent uniquement être utilisées pour les dépenses fonctionnelles et d'exploitation, mentionnées à l'art. 5, § 2, 3.
§ 5. Les moyens qui sont disponibles à la fin de l'année budgétaire, peuvent être utilisés à partir du début de l'année suivante pour payer les dépenses qui s'y rapportent ou qui se rapportent à chaque année précédente.
§ 6. Lors du contrôle budgétaire de l'année budgétaire en cours, la dotation doit, compte tenu du solde reporté de l'année budgétaire précédente, être adaptée à la situation réelle.
§ 7. Les dépenses relatives aux moyens de subsistance et d'investissements sont limitées au montant des crédits limitatifs approuvés.
§ 8. Les recettes et dépenses fonctionnelles et d'exploitation sont directement influencées par le niveau d'activité du service. Les crédits de dépenses qui y sont liés sont par conséquent non-limitatifs.
§ 9. Le montant des paiements ne peut pas dépasser la somme des recettes réelles définies à l'art. 5, § 1er, et du solde de caisse reporté.
§ 10. Chaque service public fédéral dont le personnel peut utiliser les facilités de catering du Service, doit contribuer à la dotation destinée au financement des moyens de subsistance et des dépenses d'investissement, suivant une clé de répartition approuvée au sein du comité de gestion.
1. la dotation provenant du budget général des dépenses;
2. les recettes fonctionnelles et d'exploitation;
3. les recettes pour ordre.
§ 2. Les prévisions de dépenses sont exprimées en termes d'engagements et en termes de droits constatés. Elles comprennent :
1. les moyens de subsistance;
2. les dépenses d'investissement;
3. les dépenses fonctionnelles et d'exploitation;
4. les dépenses pour ordre.
§ 3 La dotation provenant du budget général des dépenses est destinée au financement des moyens de subsistance et des dépenses d'investissement. Elle prévoit en outre une réserve pour des dépenses imprévues et d'extrême urgence. Cette réserve est constituée à partir de la première année budgétaire du Service à concurrence d'un montant de 10 % du montant estimé des moyens de subsistance. Si le montant estimé des moyens de subsistance est revu lors du contrôle budgétaire, le montant de la réserve sera recalculé conformément à la nouvelle base.
§ 4. Les recettes fonctionnelles et d'exploitation, visées à l'art. 5, § 1er, 2, peuvent uniquement être utilisées pour les dépenses fonctionnelles et d'exploitation, mentionnées à l'art. 5, § 2, 3.
§ 5. Les moyens qui sont disponibles à la fin de l'année budgétaire, peuvent être utilisés à partir du début de l'année suivante pour payer les dépenses qui s'y rapportent ou qui se rapportent à chaque année précédente.
§ 6. Lors du contrôle budgétaire de l'année budgétaire en cours, la dotation doit, compte tenu du solde reporté de l'année budgétaire précédente, être adaptée à la situation réelle.
§ 7. Les dépenses relatives aux moyens de subsistance et d'investissements sont limitées au montant des crédits limitatifs approuvés.
§ 8. Les recettes et dépenses fonctionnelles et d'exploitation sont directement influencées par le niveau d'activité du service. Les crédits de dépenses qui y sont liés sont par conséquent non-limitatifs.
§ 9. Le montant des paiements ne peut pas dépasser la somme des recettes réelles définies à l'art. 5, § 1er, et du solde de caisse reporté.
§ 10. Chaque service public fédéral dont le personnel peut utiliser les facilités de catering du Service, doit contribuer à la dotation destinée au financement des moyens de subsistance et des dépenses d'investissement, suivant une clé de répartition approuvée au sein du comité de gestion.
Art. 6. § 1. Het door het beheerscomité goedgekeurde begrotingsontwerp van de Dienst, met inbegrip van het personeels- en investeringsplan en van de bijhorende dotatieregeling, wordt overeenkomstig de limietdata, vermeld in de jaarlijkse begrotingsinstructies, voor akkoord aan de Minister van Financiën toegestuurd.
§ 2. Het begrotingsontwerp van de Dienst wordt aan de Minister van Begroting gestuurd, samen met het ontwerp van algemene uitgavenbegroting van de Federale Overheidsdienst Financiën.
§ 2. Het begrotingsontwerp van de Dienst wordt aan de Minister van Begroting gestuurd, samen met het ontwerp van algemene uitgavenbegroting van de Federale Overheidsdienst Financiën.
Art. 6. § 1er. Le projet de budget du Service approuvé par le comité de gestion, y compris le plan de personnel et d'investissement et la règle de dotation correspondante, est, conformément aux dates limites mentionnées dans les instructions budgétaires annuelles, envoyé pour accord au Ministre des Finances.
§ 2. Le projet de budget du Service ainsi que le projet de budget général des dépenses du service public Finances, sont envoyés au Ministre du Budget.
§ 2. Le projet de budget du Service ainsi que le projet de budget général des dépenses du service public Finances, sont envoyés au Ministre du Budget.
HOOFDSTUK 3. - De comptabiliteit en het afleggen van de rekeningen.
CHAPITRE 3. - De la comptabilité et de la reddition des comptes.
Art. 7. Na ieder kwartaal wordt door de leidend ambtenaar van de Dienst aan het beheerscomité een tussentijds verslag over de uitvoering van de begroting verstrekt.
Art. 7. Après chaque trimestre, le fonctionnaire dirigeant du Service fournit au comité de gestion un rapport intermédiaire sur l'exécution du budget.
Art. 8. § 1. Na ieder begrotingsjaar wordt door de leidend ambtenaar van de Dienst een algemene rekening opgesteld die bestaat uit de jaarrekening en de rekening van uitvoering van de begroting. Hierbij wordt rekening gehouden met de gegevens van de inventaris, die jaarlijks per 31 december wordt opgemaakt.
§ 2 De algemene rekening van de Dienst wordt vóór 15 februari volgend op het begrotingsjaar waarop de rekening betrekking heeft aan het beheerscomité ter goedkeuring voorgelegd en vervolgens voor goedkeuring toegestuurd aan de Minister van Financiën. Het document worden uiterlijk op 1 maart van dat jaar ter beschikking gesteld van de Minister, bevoegd voor de opmaak van de algemene rekening van de Staat, die het uiterlijk op 31 maart aan het Rekenhof toezendt.
§ 2 De algemene rekening van de Dienst wordt vóór 15 februari volgend op het begrotingsjaar waarop de rekening betrekking heeft aan het beheerscomité ter goedkeuring voorgelegd en vervolgens voor goedkeuring toegestuurd aan de Minister van Financiën. Het document worden uiterlijk op 1 maart van dat jaar ter beschikking gesteld van de Minister, bevoegd voor de opmaak van de algemene rekening van de Staat, die het uiterlijk op 31 maart aan het Rekenhof toezendt.
Art. 8. § 1er. Après chaque année budgétaire, le fonctionnaire dirigeant du Service établit un compte général qui comprend les comptes annuels et le compte d'exécution du budget. Il est également tenu compte des données de l'inventaire, qui est établi chaque année au 31 décembre.
§ 2. Le compte général du Service est soumis pour approbation au comité de gestion avant le 15 février suivant l'année budgétaire à laquelle le compte se rapporte et ensuite envoyé pour approbation au Ministre des Finances. Au plus tard le 1er mars de cette année, le document est mis à la disposition du Ministre compétent pour établir le compte général de l'Etat, qui l'envoie au plus tard le 31 mars à la Cour des comptes.
§ 2. Le compte général du Service est soumis pour approbation au comité de gestion avant le 15 février suivant l'année budgétaire à laquelle le compte se rapporte et ensuite envoyé pour approbation au Ministre des Finances. Au plus tard le 1er mars de cette année, le document est mis à la disposition du Ministre compétent pour établir le compte général de l'Etat, qui l'envoie au plus tard le 31 mars à la Cour des comptes.
Art. 9. De rekenplichtige maakt op kwartaalbasis een verzamelstaat van de ontvangsten en uitgaven op. Deze verzamelstaat wordt aan het beheerscomité voorgelegd.
Art. 9. Le comptable établit trimestriellement un état récapitulatif des recettes et des dépenses. Cet état récapitulatif est soumis au comité de gestion.
Art. 10. § 1. De beheersrekening die de rekenplichtige jaarlijks opmaakt, omvat het beginsaldo, het geheel van de ontvangsten en uitgaven die in de loop van het begrotingsjaar werden verricht en het eindsaldo.
§ 2. De beheersrekening wordt ter beschikking gesteld van het beheerscomité, die hierbij de toezichthoudende rol op zich neemt.
§ 3. Vóór 1 maart na afloop van het begrotingsjaar wordt deze rekening via de Minister, verantwoordelijk voor de opmaak van de algemene rekening van de staat, aan het Rekenhof toegestuurd.
§ 4. Bij zijn uitdiensttreding maakt de rekenplichtige een eindrekening van zijn beheer op.
§ 2. De beheersrekening wordt ter beschikking gesteld van het beheerscomité, die hierbij de toezichthoudende rol op zich neemt.
§ 3. Vóór 1 maart na afloop van het begrotingsjaar wordt deze rekening via de Minister, verantwoordelijk voor de opmaak van de algemene rekening van de staat, aan het Rekenhof toegestuurd.
§ 4. Bij zijn uitdiensttreding maakt de rekenplichtige een eindrekening van zijn beheer op.
Art. 10. § 1er. Le compte de gestion que le comptable établit chaque année, comprend le solde initial, toutes les opérations de recettes et de dépenses réalisées au cours de l'année budgétaire et le solde final.
§ 2. Le compte de gestion est mis à la disposition du comité de gestion, qui assume également le rôle de contrôle.
§ 3. Avant le 1er mars et après l'année budgétaire écoulée, ce compte est envoyé à la Cour des comptes par l'intermédiaire du Ministre, responsable de l'établissement du compte général de l'Etat.
§ 4. Lorsqu'il cesse ses fonctions, le comptable établit un compte final de sa gestion.
§ 2. Le compte de gestion est mis à la disposition du comité de gestion, qui assume également le rôle de contrôle.
§ 3. Avant le 1er mars et après l'année budgétaire écoulée, ce compte est envoyé à la Cour des comptes par l'intermédiaire du Ministre, responsable de l'établissement du compte général de l'Etat.
§ 4. Lorsqu'il cesse ses fonctions, le comptable établit un compte final de sa gestion.
Art. 11. De verrichtingen worden gelijktijdig geboekt in de algemene en begrotingsboekhouding.
Art. 11. Les opérations sont comptabilisées en même temps dans la comptabilité générale et budgétaire.
Art. 12. § 1. De aanrekening van uitgaven op de begroting kan slechts mits een gedateerd en goedgekeurd verantwoordingsstuk. De uitgaven worden op transactiebasis aangerekend ten laste van het begrotingsjaar waarin de verrichting plaatsvindt. De vastgestelde rechten die evenwel niet vóór 1 februari van het volgende jaar door de Dienst zijn geboekt, behoren tot het volgende begrotingsjaar.
§ 2 De ontvangsten worden eveneens geboekt op het moment van de vaststelling van het recht. Voor contante rechten is dit het moment waarop de bedragen op de financiële rekening van de rekenplichtige worden gestort. Voor de dotatiemiddelen is het moment van goedkeuring van de algemene uitgavenbegroting determinerend.
§ 2 De ontvangsten worden eveneens geboekt op het moment van de vaststelling van het recht. Voor contante rechten is dit het moment waarop de bedragen op de financiële rekening van de rekenplichtige worden gestort. Voor de dotatiemiddelen is het moment van goedkeuring van de algemene uitgavenbegroting determinerend.
Art. 12. § 1er. L'imputation des dépenses sur le budget ne peut se faire que moyennant une pièce justificative datée et approuvée. Les dépenses sont imputées sur une base transactionnelle à charge de l'année budgétaire au cours de laquelle a lieu l'opération. Les droits constatés qui ne sont toutefois pas comptabilisés par le Service avant le 1er février de l'année suivante, relèvent de l'année budgétaire suivante.
§ 2. Les recettes sont également comptabilisées au moment de la constatation du droit. Pour les droits au comptant, il s'agit du moment où les montants sont versés sur le compte financier du comptable. Pour les moyens de dotation, c'est le moment de l'approbation du budget général des dépenses qui est déterminant.
§ 2. Les recettes sont également comptabilisées au moment de la constatation du droit. Pour les droits au comptant, il s'agit du moment où les montants sont versés sur le compte financier du comptable. Pour les moyens de dotation, c'est le moment de l'approbation du budget général des dépenses qui est déterminant.
HOOFDSTUK 4. - Beheer.
CHAPITRE 4. - De la gestion.
Art. 13. § 1. De leidend ambtenaar van de Dienst is verantwoordelijk voor het beheer van de begroting. Hij verschaft op kwartaalbasis aan het beheerscomité :
1. een tussentijds verslag over de uitvoering van de begroting dat op de beschouwde periode betrekking heeft;
2. de tussentijdse operationele gegevens in verhouding tot de vooropgestelde operationele doelstellingen;
3. een lijst van de verbintenissen die in het afgelopen kwartaal werden aangegaan.
Naast de algemene rekening van de Dienst verschaft de leidend ambtenaar het beheerscomité jaarlijks een activiteitenverslag, waarin de verwezenlijkingen in verhouding tot het vooropgestelde beleid worden belicht.
§ 2. Als leidend ambtenaar draagt hij de verantwoordelijkheid voor de uitbouw, opvolging en bijsturing van het intern controlesysteem van de Dienst. Hij rapporteert hierover aan het beheerscomité.
1. een tussentijds verslag over de uitvoering van de begroting dat op de beschouwde periode betrekking heeft;
2. de tussentijdse operationele gegevens in verhouding tot de vooropgestelde operationele doelstellingen;
3. een lijst van de verbintenissen die in het afgelopen kwartaal werden aangegaan.
Naast de algemene rekening van de Dienst verschaft de leidend ambtenaar het beheerscomité jaarlijks een activiteitenverslag, waarin de verwezenlijkingen in verhouding tot het vooropgestelde beleid worden belicht.
§ 2. Als leidend ambtenaar draagt hij de verantwoordelijkheid voor de uitbouw, opvolging en bijsturing van het intern controlesysteem van de Dienst. Hij rapporteert hierover aan het beheerscomité.
Art. 13. § 1er. Le fonctionnaire dirigeant du Service est responsable de la gestion du budget. Il fournit trimestriellement au comité de gestion :
1. un rapport intérimaire sur l'exécution du budget ayant trait à la période prise en considération;
2. les données opérationnelles intérimaires en rapport avec les objectifs opérationnels envisagés;
3. une liste des engagements contractés au cours du trimestre écoulé.
Le fonctionnaire dirigeant fournit annuellement au comité de gestion, outre le compte général du Service, un rapport d'activités développant toutes les réalisations relatives à la politique envisagée.
§ 2. En tant que fonctionnaire dirigeant, il porte la responsabilité du développement, du suivi et de l'adaptation du système de contrôle interne. Il fait rapport en la matière au comité de gestion.
1. un rapport intérimaire sur l'exécution du budget ayant trait à la période prise en considération;
2. les données opérationnelles intérimaires en rapport avec les objectifs opérationnels envisagés;
3. une liste des engagements contractés au cours du trimestre écoulé.
Le fonctionnaire dirigeant fournit annuellement au comité de gestion, outre le compte général du Service, un rapport d'activités développant toutes les réalisations relatives à la politique envisagée.
§ 2. En tant que fonctionnaire dirigeant, il porte la responsabilité du développement, du suivi et de l'adaptation du système de contrôle interne. Il fait rapport en la matière au comité de gestion.
Art. 14. De rekenplichtige van de Dienst is belast is met :
1. de inning van de vastgestelde rechten;
2. de uitvoering van betalingen;
3. het beheren en bewaren van gelden en waarden;
4. het opstellen en bewaren van de in art. 9 en 10 bedoelde staten en rekeningen.
1. de inning van de vastgestelde rechten;
2. de uitvoering van betalingen;
3. het beheren en bewaren van gelden en waarden;
4. het opstellen en bewaren van de in art. 9 en 10 bedoelde staten en rekeningen.
Art. 14. Le comptable du Service est chargé :
1. de la perception des droits constatés;
2. de l'exécution des paiements;
3. de la gestion et de la garde des fonds et valeurs;
4. de l'élaboration et de la garde des états et comptes visés aux articles 9 et 10.
1. de la perception des droits constatés;
2. de l'exécution des paiements;
3. de la gestion et de la garde des fonds et valeurs;
4. de l'élaboration et de la garde des états et comptes visés aux articles 9 et 10.
Art. 15. De Minister van Financiën of zijn gedelegeerde ambtenaar regelt de delegaties binnen de Dienst.
Art. 15. Le Ministre des Finances ou son fonctionnaire délégué règle les délégations au sein du Service.
HOOFDSTUK 5. - Controle.
CHAPITRE 5. - Du contrôle.
Art. 16. § 1. De Dienst is onderworpen aan de controlebevoegdheid van de Minister van Financiën, uitgeoefend via het beheerscomité.
§ 2. De Dienst kan tevens het voorwerp uitmaken van onderzoeken, uitgevoerd door de bevoegde interne auditdienst van de Federale Overheidsdienst Financiën.
§ 2. De Dienst kan tevens het voorwerp uitmaken van onderzoeken, uitgevoerd door de bevoegde interne auditdienst van de Federale Overheidsdienst Financiën.
Art. 16. § 1er. Le Service est soumis au pouvoir de contrôle du Ministre des Finances, exercé par l'intermédiaire du comité de gestion.
§ 2. Le Service peut également faire l'objet d'audits effectués par le service d'audit interne compétent du Service public Finances.
§ 2. Le Service peut également faire l'objet d'audits effectués par le service d'audit interne compétent du Service public Finances.
Art. 17. De administratieve en begrotingscontrole wordt uitgeoefend door de Inspecteur van Financiën geaccrediteerd bij de Minister van Financiën. De Inspecteur van Financiën woont met raadgevende stem de vergaderingen van het beheerscomité bij.
§ 2. De Inspecteur van Financiën kan binnen een termijn van vier werkdagen beroep instellen tegen elke beslissing die hij met de wet, met de statuten of met het algemeen belang strijdig acht. Het beroep is opschortend. Deze termijn gaat in op de dag van de vergadering waarop de beslissing werd genomen of op de dag waarop hij er kennis heeft van gekregen.
§ 3. Wanneer de Minister van Financiën, bij wie het beroep werd ingesteld binnen een termijn van twintig werkdagen, de nietigverklaring niet heeft uitgesproken, dan wordt de beslissing definitief.
§ 4. De nietigverklaring van de beslissing wordt door de Minister van Financiën aan het beheerscomité betekend.
§ 2. De Inspecteur van Financiën kan binnen een termijn van vier werkdagen beroep instellen tegen elke beslissing die hij met de wet, met de statuten of met het algemeen belang strijdig acht. Het beroep is opschortend. Deze termijn gaat in op de dag van de vergadering waarop de beslissing werd genomen of op de dag waarop hij er kennis heeft van gekregen.
§ 3. Wanneer de Minister van Financiën, bij wie het beroep werd ingesteld binnen een termijn van twintig werkdagen, de nietigverklaring niet heeft uitgesproken, dan wordt de beslissing definitief.
§ 4. De nietigverklaring van de beslissing wordt door de Minister van Financiën aan het beheerscomité betekend.
Art. 17. Le contrôle administratif et budgétaire est exercé par l'Inspecteur des Finances accrédité auprès du Ministre des Finances. L'Inspecteur des Finances assiste, avec voix consultative, aux réunions du comité de gestion.
§ 2. L'Inspecteur des Finances dispose d'un délai de quatre jours ouvrables pour prendre son recours contre l'exécution de toute décision qu'il estime contraire à la loi, aux statuts ou à l'intérêt général. Le recours est suspensif. Ce délai court à partir du jour de la réunion à laquelle la décision a été prise ou à partir du jour où il en a reçu connaissance.
§ 3. Si, dans un délai de vingt jours ouvrables, le Ministre des Finances saisi du recours n'a pas prononcé l'annulation, la décision devient définitive.
§ 4. L'annulation de la décision est notifiée à l'organe de gestion par le Ministre des Finances.
§ 2. L'Inspecteur des Finances dispose d'un délai de quatre jours ouvrables pour prendre son recours contre l'exécution de toute décision qu'il estime contraire à la loi, aux statuts ou à l'intérêt général. Le recours est suspensif. Ce délai court à partir du jour de la réunion à laquelle la décision a été prise ou à partir du jour où il en a reçu connaissance.
§ 3. Si, dans un délai de vingt jours ouvrables, le Ministre des Finances saisi du recours n'a pas prononcé l'annulation, la décision devient définitive.
§ 4. L'annulation de la décision est notifiée à l'organe de gestion par le Ministre des Finances.
Art. 18. De uitgaven worden vereffend zonder voorafgaand visum van het Rekenhof. Dit Hof heeft echter de mogelijkheid om zich te allen tijde alle verantwoordingsstukken, staten, inlichtingen of toelichtingen te doen verstrekken betreffende de ontvangsten, de uitgaven, de activa en de passiva.
Art. 18. Les dépenses sont liquidées sans visa préalable de la Cour des comptes. La Cour peut toutefois se faire fournir en tout temps tout document justificatif, état, renseignement ou éclaircissement relatifs aux recettes et aux dépenses, ainsi qu'aux avoirs et aux dettes.
Art. 19. De uitgaven van de dienst zijn vrijgesteld van het visum van de controleur van de vastleggingen.
Art. 19. Les dépenses du service sont exemptées du visa du contrôleur des engagements.
HOOFDSTUK 6. - Inwerkingtreding.
CHAPITRE 6. - Entrée en vigueur.
Art. 20. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2009.
Art. 20. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er janvier 2009.
Art. 21. De Eerste Minister en de Minister bevoegd voor Financiën zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 18 december 2008.
ALBERT
Van Koningswege :
De Eerste Minister,
Y. LETERME
De Minister van Financiën,
D. REYNDERS
De Staatssecretaris voor Begroting,
M. WATHELET.
Gegeven te Brussel, 18 december 2008.
ALBERT
Van Koningswege :
De Eerste Minister,
Y. LETERME
De Minister van Financiën,
D. REYNDERS
De Staatssecretaris voor Begroting,
M. WATHELET.
Art. 21. Le Premier Ministre et le Ministre qui a les Finances dans ses attributions sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.
Donné à Bruxelles, le 18 décembre 2008.
ALBERT
Par le Roi :
Le Premier Ministre,
Y. LETERME
Le Ministre des Finances,
D. REYNDERS
Le Secrétaire d'Etat au Budget,
M. WATHELET.
Donné à Bruxelles, le 18 décembre 2008.
ALBERT
Par le Roi :
Le Premier Ministre,
Y. LETERME
Le Ministre des Finances,
D. REYNDERS
Le Secrétaire d'Etat au Budget,
M. WATHELET.