Zum Hauptinhalt

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
5 OKTOBER 2007. - Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de nadere voorwaarden en regels volgens welke subsidies worden verleend voor permanente vorming en opleiding voor werkenden en bedrijven, luik " Hefboomkrediet - Opleidingen "(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-11-2007 en tekstbijwerking tot 18-12-2020)
Titre
5 OCTOBRE 2007. - Arrêté du Gouvernement flamand établissant les conditions et les modalités d'octroi de subventions à la formation et l'éducation permanentes pour les travailleurs et entreprises, volet " Crédit levier - Formations " (TRADUCTION)(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 23-11-2007 et mise à jour au 18-12-2020)
Dokumentinformationen
Numac: 2007037029
Datum: 2007-10-05
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2007037029
Date: 2007-10-05
Moniteur: Voir
Tekst (25)
Texte (25)
HOOFDSTUK I. - Begrippen.
CHAPITRE Ier. - Définitions.
Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
  1° de minister : de Vlaamse minister bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid;
  2° de administratie : het privaatrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap ESF-Agentschap, vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 8 november 2002 houdende de oprichting van de vzw ESF-Agentschap;
  3° kansengroepen : personen die behoren tot een van de volgende groepen :
  a) allochtoon :
  1) personen met een sociaal-culturele herkomst van een ander land die legaal in België verblijven, die al dan niet Belg zijn geworden en die bovendien aan een van de volgende voorwaarden voldoen :
  i) zij of hun ouders zijn in het kader van gastarbeid en volgmigratie naar ons land gekomen;
  ii) ze hebben de status van ontvankelijk verklaarde asielzoeker of van vluchteling verkregen;
  iii) ze hebben door regularisatie recht op verblijf in België verworven;
  2) personen die geen burger van de Europese Economische Ruimte zijn of van wie minstens een van de ouders of twee van de grootouders geen burger van de Europese Unie zijn;
  b) personen met een arbeidshandicap : mensen met een aantasting van hun mentale, psychische, lichamelijke of zintuiglijke mogelijkheden, voor wie het uitzicht op het verwerven en behouden van een arbeidsplaats en op vooruitgang op die plaats, langdurig en in belangrijke mate beperkt is of bedreigd wordt;
  c) ervaren werknemers : werknemers als vermeld in artikel 2, 2°, van het decreet van 8 mei 2002 houdende evenredige participatie op de arbeidsmarkt, die ouder zijn dan 50 jaar en jonger dan 65 jaar;
  d) kortgeschoolden : personen die aan een van de volgende voorwaarden voldoen :
  1) ze zijn houder van ten hoogste een diploma van het lager secundair onderwijs;
  2) ze zijn houder van een getuigschrift van een middenstandsopleiding;
  3) ze zijn houder van een niet erkend buitenlands diploma;
  e) middengeschoolden : personen die houder zijn van ten hoogste een diploma van het hoger secundair onderwijs;
  4° sectorale opleidingsinstellingen : paritair beheerde sectorale opleidingsinstellingen en fondsen voor bestaanszekerheid;
  5° ESF : Europees Sociaal Fonds;
  6° RESOC : het regionaal sociaal-economisch overlegcomité, vermeld in artikel 1, 6°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 oktober 2004 betreffende de erkenning en subsidiëring van regionale samenwerkingsverbanden;
  7° SERR : de Sociaal-Economische Raad van de Regio, vermeld in artikel 12 van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 mei 2004 betreffende het statuut, de werking, de taken en de bevoegdheden van de erkende regionale samenwerkingsverbanden, de sociaal-economische raden van de regio en de regionale sociaal-economische overlegcomités;
  8° ERSV : het Erkend Regionaal Samenwerkingsverband, vermeld in artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 mei 2004 betreffende het statuut, de werking, de taken en de bevoegdheden van de erkende regionale samenwerkingsverbanden, de sociaal-economische raden van de regio en de regionale sociaal-economische overlegcomités;
  9° SERV : de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, opgericht bij het decreet van 7 mei 2004 inzake de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen;
  10° het Departement Werk en Sociale Economie : het Departement Werk en Sociale Economie van de Vlaamse overheid;
  11° het Departement Onderwijs : het Departement Onderwijs van de Vlaamse overheid;
  12° het Departement Economie, Wetenschap en Innovatie : het Departement Economie, Wetenschap en Innovatie van de Vlaamse overheid;
  13° onderneming : de natuurlijke personen die koopman zijn of een zelfstandig beroep uitoefenen, handelsvennootschappen met rechtspersoonlijkheid, verenigingen zonder winstoogmerk met rechtspersoonlijkheid, de Europese economische samenwerkingsverbanden en de economische samenwerkingsverbanden;
  14° sociale partners : de werkgevers-, middenstands-, landbouw- en werknemersorganisaties vertegenwoordigd in de SERV;
  15° VDAB : het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding, opgericht bij artikel 3 van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding;
  16° [1 ...]1
  17° [2 Agentschap Innoveren en Ondernemen: het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid opgericht bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 oktober 2005 aangaande het Agentschap Innoveren en Ondernemen;]2
  18° beroepsvereniging : een professionele vereniging opgericht overeenkomstig de wet van 31 maart 1898 op de beroepsverenigingen of overeenkomstig de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk;
  19° de regels van het Europees Sociaal Fonds : de subsidiabiliteitsregels, vermeld in Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1260/1999, in Verordening (EG) nr. 1081/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1784/1999 en in Verordening (EG) nr. 1828/2006 van de Commissie van 8 december 2006 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds, en van Verordening (EG) nr. 1080/2006 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en opgenomen in de criteria voor Vlaanderen, bepaald door het Vlaams Monitoringscomité, vermeld in artikel 3 van dit besluit. "
  
Article 1. Pour l'application du présent arrêté, on entend par :
  1° le Ministre : le Ministre flamand chargé de la politique de l'emploi;
  2° l'administration : l'agence autonomisée externe de droit privé 'ESF-Agentschap', visée à l'article 2, § 1er, du décret du 8 novembre 2002 portant création de l'a.s.b.l. ESF-Agentschap (Agence FSE);
  3° groupes à potentiel : les personnes appartenant à un des groupes de population suivants :
  a) allochtone :
  a) les personnes ayant une provenance socioculturelle d'un autre pays et séjournant légalement en Belgique, qui sont devenus belges ou non et qui remplissent en outre l'une des conditions suivantes :
  i) ces personnes ou leurs parents sont venus à notre pays en tant que travailleurs étrangers ou dans le cadre d'un regroupement familial;
  ii) ont obtenu le statut de demandeur d'asile déclaré recevable ou de réfugié;
  iii) elles ont acquis le droit de séjour en Belgique par la régularisation;
  2) les personnes qui ne sont pas citoyens de l'Espace économique européen ou dont au moins un des parents ou deux des grands-parents ne sont pas citoyens de l'Union européenne;
  b) personnes handicapées du travail : les personnes dont les possibilités mentales, psychiques, physiques ou sensorielles sont diminuées, ce qui réduit ou menace pour une durée prolongée et dans une mesure importante leurs perspectives d'obtenir et de maintenir un emploi et de progresser dans cet emploi;
  6° travailleurs expérimentés : les travailleurs tels que visés à l'article 2, 2° du décret du 8 mai 2002 relatif à la participation proportionnelle au marché de l'emploi, âgés de 50 à 65 ans;
  d) de courte scolarisation : les personnes qui remplissent une des conditions suivantes :
  1) être titulaire au plus d'un diplôme de l'enseignement secondaire inférieur;
  2) être titulaire d'un certificat d'une formation des classes moyennes;
  3) être titulaire d'un diplôme étranger non agréé;
  e) de moyenne scolarisation : les personnes qui sont titulaires au plus d'un diplôme de l'enseignement secondaire supérieur;
  4° les établissements de formation sectoriels : les établissements de formation sectoriels et les fonds de sécurité d'existence qui sont gérés paritairement;
  5° FSE : le Fonds social européen;
  6° RESOC : le Comité de Concertation socio-économique régional, cité à l'article 1er, 6°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 octobre 2004 relatif à l'agrément et au subventionnement de partenariats régionaux;
  7° SERR : le Conseil socio-économique de la Région, cité à l'article 12 de l'arrêté du Gouvernement flamand 7 mai 2004 relatif au statut, au fonctionnement, aux tâches et aux compétences des partenariats régionaux agréés, des conseils socio-économiques de la région et des comités de concertation socio-économiques régionaux;
  8° ERSV : le Partenariat régional agréé, cité à l'article 3 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 mai 2004 relatif au statut, au fonctionnement, aux tâches et aux compétences des partenariats régionaux agréés, des conseils socio-économiques de la région et des comités de concertation socio-économiques régionaux;
  9° SERV : le " Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen " (Conseil socio-économique de la Flandre), créé par le décret du 7 mai 2004 sur le Conseil socio-économique de la Flandre;
  10° le Département de l'Emploi et de l'Economie sociale; le Département de l'Emploi et de l'Economie sociale de l'Autorité flamande;
  11° le Département de l'Enseignement : le Département de l'Enseignement de l'Autorité flamande;
  12° le Département de l'Economie, des Sciences et de l'Innovation : le Département de l'Economie, des Sciences et de l'Innovation de l'Autorité flamande;
  13° entreprise : les personnes physiques ayant la qualité de commerçant ou exerçant une profession indépendante, les sociétés commerciales dotées de la personnalité juridique, les associations sans but lucratif à responsabilité juridique, les groupements européens d'intérêt économique et les groupements d'intérêt économique;
  14° partenaires sociaux : les organisations des employeurs, des classes moyennes, de l'agriculture et des travailleurs représentées au sein du SERV;
  15° VDAB : l'agence autonomisée externe de droit public " Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding ", créée par l'article 3 du décret du 7 mai 2004 relatif à la création de l'agence autonomisée externe de droit public 'Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding';
  16° [1 ...]1
  17° [2 " Agentschap Innoveren en Ondernemen " (Agence de l'Innovation et de l'Entrepreneuriat) : l'agence autonomisée interne sans personnalité juridique établie par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 octobre 2005 relatif à l'" Agentschap Innoveren en Ondernemen " (Agence de l'Innovation et de l'Entrepreneuriat) ;]2
  18° association professionnelle : une association professionnelle créée conformément à la loi du 31 mars 1898 sur les unions professionnelles ou conformément à la loi du 27 juin 1921 sur les associations sans but lucratif;
  19° les règles du Fonds social européen : les règles d'éligibilité, visées au Règlement (CE) n° 1083/2006 du Conseil du 11 juillet 2006 portant dispositions générales sur le Fonds européen de développement régional, le Fonds social européen et le Fonds de cohésion, et abrogeant le Règlement (CE) n° 1260/1999, au Règlement (CE) n° 1081/2006 du Parlement européen et du Conseil du 5 juillet 2006 relatif au Fonds social européen et abrogeant le Règlement (CE) n° 1784/1999, et au Règlement (CE) n° 1828/2006 de la Commission du 8 décembre 2006 portant modalités d'application du Règlement (CE) n° 1083/2006 du Conseil portant dispositions générales sur le Fonds européen de développement régional, le Fonds social européen et le Fonds de cohésion, et du Règlement (CE) n° 1080/2006 du Parlement européen et du Conseil relatif au Fonds européen de développement régional et reprises dans les critères pour la Flandre fixés par le 'Vlaams Monitoringscomité' (Comité flamand de monitoring), visé à l'article 3 du présent arrêté. "
  
HOOFDSTUK II. - Organisatie.
CHAPITRE II. - Organisation.
Art. 2. De administratie stelt de diensten, uitrusting, installaties en personeelsleden ter beschikking, die noodzakelijk zijn om een efficiënte uitvoering van dit besluit te verzekeren.
Art. 2. L'administration met à disposition les services, équipements, installations et membres du personnel nécessaires à la mise en oeuvre efficace du présent arrêté.
Art. 3. § 1. Er wordt een ad hoc commissie opgericht, genaamd Vlaams monitoringscomité. Het Vlaams Monitoringscomité bestaat uit :
  1° zes vertegenwoordigers van de Vlaamse sociale partners, voorgedragen door de SERV;
  2° [1 twee vertegenwoordigers]1 van het Departement Werk en Sociale Economie;
  3° een vertegenwoordiger van het Departement Onderwijs en Vorming;
  4° een vertegenwoordiger van het Departement Economie, Wetenschap en Innovatie;
  5° [1 ...]1
  6° een vertegenwoordiger van de SERV;
  7° [2 een vertegenwoordiger van het Agentschap Innoveren en Ondernemen;]2
  8° twee vertegenwoordigers van de VDAB;
  9° twee vertegenwoordigers van de administratie;
  10° een vertegenwoordiger van de niet-gouvernementele organisaties die beschikken over expertise met betrekking tot het arbeidsmarktbeleid;
  11° een vertegenwoordiger van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten;
  12° een vertegenwoordiger van de minister, bevoegd voor het Onderwijs;
  13° een vertegenwoordiger van de minister, bevoegd voor de Werkgelegenheid;
  14° een vertegenwoordiger van de minister, bevoegd voor de Sociale economie;
  15° een vertegenwoordiger van de minister, bevoegd voor de Economie;
  16° een vertegenwoordiger van de minister, bevoegd voor het Buitenlands beleid;
  17° een vertegenwoordiger van de minister-president van de Vlaamse Regering.
  Aan de vergaderingen kunnen een vertegenwoordiger van de Europese Commissie, van de certificiëringsautoriteit, van de auditautoriteit, en deskundigen deelnemen met raadgevende stem.
  § 2. Het Vlaams monitoringscomité heeft als opdracht de beslissingen en rangschikkingen die overeenkomstig artikel 8 van dit besluit worden verstrekt te bekrachtigen of, indien het evaluatiecollege, vermeld in artikel 8 van dit besluit, geen overeenstemming bereikt, zelf een rangschikking en besluit te formuleren over de ontvankelijk verklaarde aanvragen.
  § 3. Het Vlaams monitoringscomité beslist bij consensus.
  § 4. Het Vlaams monitoringscomité stelt een huishoudelijk reglement op, dat wordt bekrachtigd door de minister.
  § 5. Het Vlaams monitoringscomité kan één of meer van zijn taken delegeren aan werkgroepen die zijn samengesteld uit zijn leden, en die thematische, horizontale, evaluatie- of geschillencommissies genoemd worden.
  
Art. 3. § 1er. Une commission ad hoc, dénommée 'Vlaams monitoringscomité' (Comité flamand de monitoring) est créée. Le Comité flamand de monitoring se compose de :
  1° six représentants des partenaires sociaux flamands proposés par le SERV;
  2° [1 deux représentants]1 du Département de l'Emploi et de l'Economie sociale;
  3° un représentant du Département de l'Enseignement et de la Formation;
  4° un représentant du Département de l'Economie, des Sciences et de l'Innovation;
  5° [1 ...]1
  6° un représentant du SERV;
  7° [2 un représentant de l'" Agence de l'Innovation et de l'Entrepreneuriat " ;]2
  8° deux représentants du VDAB;
  9° deux représentants de l'administration;
  10° un représentant des organisations non gouvernementales ayant une expertise en matière de la politique du marché du travail;
  11° un représentant de la 'Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten' (Association des Villes et Communes flamandes);
  12° un représentant du Ministre chargé de l'Enseignement;
  13° un représentant du Ministre chargé de l'Emploi;
  14° un représentant du Ministre chargé de l'Economie sociale;
  15° un représentant du Ministre chargé de l'Economie;
  16° un représentant du Ministre chargé de la Politique extérieure;
  17° un représentant du Ministre-Président du Gouvernement flamand.
  Un représentant de la Commission européenne, de l'autorité de certification, de l'autorité d'audit et des experts peuvent assister avec voix consultative aux réunions.
  § 2. Le Comité flamand de monitoring a pour mission d'approuver les décisions prises et les classifications attribuées conformément à l'article 8 du présent arrêté ou, si le collège d'évaluation, visé à l'article 8 du présent arrêté, ne parvient pas à un accord, de proposer une classification et de décider lui-même sur les demandes déclarées éligibles.
  § 3. Le Comité flamand de monitoring décide par consensus.
  § 4. Le Comité flamand de monitoring établit un règlement d'ordre intérieur et le soumet à l'approbation du Ministre.
  § 5. Le Comité flamand de monitoring peut déléguer une ou plusieurs de ses tâches aux groupes de travail qui sont composés de ses membres et sont dénommés commissions thématiques, horizontales, d'évaluation ou des litiges.
  
HOOFDSTUK III. - Subsidies inzake opleidingen.
CHAPITRE III. - Subventions en matière de formations.
Art. 4. Binnen de beschikbare begrotingskredieten, die bestemd zijn voor de toekenning van subsidies inzake opleidingsprojecten, kunnen subsidies worden toegekend aan projecten die voldoen aan de in dit hoofdstuk gestelde voorwaarden.
Art. 4. Dans les limites des crédits budgétaires disponibles, qui sont destinés à l'octroi de subventions à des projets de formation, des subventions peuvent être octroyées aux projets répondant aux conditions prescrites par le présent chapitre.
Afdeling 1. - Ontvankelijkheidscriteria.
Section 1re. - Critères d'éligibilité.
Art. 5. De administratie onderzoekt de ingediende aanvragen op hun overeenstemming met de ontvankelijkheidscriteria, vermeld in artikelen 6 en 7 van dit besluit.
Art. 5. L'administration vérifie si les demandes introduites satisfont aux critères d'éligibilité prévus par les articles 6 et 7 du présent arrêté.
Art. 6. De aanvragers dienen een gestandaardiseerd aanvraagformulier in bij de administratie. De administratie stelt de nadere voorwaarden voor de inhoud en de indiening van dit aanvraagformulier vast.
  Dit aanvraagformulier bevat onder meer volgende gegevens :
  1° de behoeften waarop het project inspeelt;
  2° in voorkomend geval, de partners;
  3° het inhoudelijk programma;
  4° het tijdspad van het project en, in voorkomend geval, de verschillende fasen;
  5° het beoogde resultaat;
  6° de methodiek;
  7° het budget.
Art. 6. Les demandeurs introduisent un formulaire de demande standardisé auprès de l'administration. Les modalités relatives au contenu et au dépôt de ce formulaire de demande sont fixées par l'administration.
  Ce formulaire de demande contient les informations suivantes :
  1° les besoins auxquels le projet répond;
  2° le cas échéant, les partenaires;
  3° le programme sur le plan du contenu;
  4° l'échelonnement du projet et, le cas échéant, les différentes phases;
  5° le résultat escompté;
  6° la méthode;
  7° le budget.
Art. 7. § 1. Ondernemingen, andere dan natuurlijke personen, kunnen een aanvraag indienen voor de subsidiëring van opleidingsprojecten binnen de eigen onderneming. Voor die sectoren die met de Vlaamse Regering een sectorconvenant hebben afgesloten kunnen sectorale organen met rechtspersoonlijkheid, zoals sectorale opleidingsinstellingen en beroepsverenigingen, eveneens een aanvraag indienen voor de subsidiëring van opleidingsprojecten binnen ondernemingen, op voorwaarde dat deze organen of beroepsverenigingen deze opleidingsprojecten begeleiden en coördineren. Voor sectorale organen die niet paritair zijn samengesteld geldt de voorwaarde dat zij voor het indienen van deze aanvraag de instemming voorleggen van het paritair comité van de desbetreffende sector.
  § 2. De projecten dienen gericht te zijn op de opleidingsbehoeften van werknemers die vallen onder het toepassingsgebied van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités of op de opleidingsbehoeften van zelfstandigen.
  De projecten dienen betrekking te hebben op algemene opleidingen zoals gedefinieerd in de Verordening (EG) nr. 68/2001 van de Commissie van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op opleidingssteun en dienen betrekking te hebben op minstens tien deelnemers, waarbij per deelnemer wordt voorzien in een opleiding van ten minste zes uur.
  § 3. De aanvrager beschikt over het kwaliteitslabel, vermeld in artikel 6, § 3, van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2001 betreffende de voorwaarden en de procedure tot toewijzing, wijziging en intrekking van projectgebonden subsidies uit het Europees Sociaal Fonds met betrekking tot doelstelling 3, zwaartepunten 1 en 2, of behaalt dat kwaliteitslabel onder de door de administratie vastgestelde voorwaarden.
  § 4. De aanvrager verbindt zich ertoe de resultaten van het goedgekeurde project ter beschikking te stellen van het publiek, onder de door het Vlaams monitoringscomité vastgestelde voorwaarden.
  § 5. De aanvrager verbindt zich ertoe aan elke deelnemer van elke opleidingsactie een leerbewijs uit te reiken waarin de gevolgde opleidingen naar competenties worden vertaald.
  § 6. In het project moet minstens tachtig procent van de deelnemers tot een kansengroep behoren ofwel moet per opleidingsactie minstens vijftig procent van de deelnemers tot een kansengroep behoren.
  § 7. Indien de aanvrager een onderneming is, beschikt die over een strategisch opleidingsplan voor de onderneming, waarbij wordt aangetoond dat het opleidingsproject past binnen dat strategisch opleidingsplan. Indien de aanvrager een sectoraal orgaan met rechtspersoonlijkheid is, beschikt hij over een uitgewerkt strategisch plan voor de opleidingsbehoeften binnen de sector. Daarbij wordt aangetoond dat de opleidingsactiviteiten van dit project passen binnen die analyse.
  § 8. Indien de aanvraag wordt ingediend door een onderneming, dient bij de aanvraag de goedkeuring van het project door de ondernemingsraad of, bij ontstentenis daarvan, van de betrokken syndicale afvaardiging, of bij ontstentenis daarvan, van het bevoegde SERR, worden gevoegd.
Art. 7. § 1er. Des entreprises, autres que des personnes physiques, peuvent introduire une demande de subventionnement de projets de formation à l'intérieur de leur entreprise. Pour les secteurs ayant conclu avec le Gouvernement flamand un accord de secteur, les organes sectoriels dotés de la personnalité juridique tels que les établissements de formation sectoriels et les associations professionnelles, peuvent également introduire une demande de subventionnement de projets de formation à l'intérieur d'entreprises, à condition que ces organes ou associations professionnelles encadrent et coordonnent ces projets de formation. Les organes sectoriels n'étant pas composés paritairement sont subordonnés à la condition qu'ils doivent, avant l'introduction de leur demande, soumettre l'approbation du comité paritaire du secteur concerné.
  § 2. Les projets doivent être axés sur les besoins de formation de travailleurs qui relèvent du champ d'application de la loi du 5 décembre 1968 relative aux conventions collectives du travail et aux comités paritaires ou sur les besoins de formation d'indépendants.
  Les projets doivent concerner des formations générales telles que définies par le Règlement (CE) n° 68/2001 de la Commission du 12 janvier 2001 concernant l'application des articles 87 et 88 du traité CE aux aides à la formation et doivent porter sur au moins dix participants, chacun bénéficiant d'une formation d'au moins six heures.
  § 3. Le demandeur dispose du label de qualité visé à l'article 6, § 3, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juillet 2001 relatif aux conditions et à la procédure d'octroi, de modification et de retrait de subventions de projet du Fonds social européen en ce qui concerne l'objectif n° 3, axes prioritaires 1 et 2, ou obtient ce label de qualité aux conditions fixées par l'administration.
  § 4. Le demandeur s'engage à mettre les résultats du projet approuvé à la disposition du public, aux conditions fixées par le Comité flamand de monitoring.
  § 5. Le demandeur s'engage à délivrer à chaque participant de chaque action de formation une attestation d'apprentissage, traduisant les formations suivies en des compétences acquises.
  § 6. Au moins quatre-vingt pour cent des participants au projet doivent appartenir à un groupe à potentiel, ou bien au moins cinquante pour cent des participants par action de formation doivent appartenir à un groupe à potentiel.
  § 7. Si le demandeur est une entreprise, celle-ci dispose d'un plan de formation stratégique pour l'entreprise, démontrant que le projet de formation cadre parfaitement dans le plan de formation stratégique. Si le demandeur est un organe sectoriel doté de la personnalité juridique, il dispose d'un plan stratégique développé pour les besoins de formation au sein du secteur, démontrant que les activités de formation du projet en question s'inscrivent dans cette analyse.
  § 8. Si la demande est introduite par une entreprise, la demande doit être assortie de l'approbation du projet par le conseil d'entreprise ou, à défaut de celui-ci, par la délégation syndicale intéressée ou, à défaut de celle-ci, par le SERR compétent.
Afdeling 2. - Beoordelingscriteria.
Section 2. - Critères d'appréciation.
Art. 8. § 1. Het Vlaams monitoringscomité stelt een evaluatiecollege aan dat bestaat uit minstens twee onafhankelijke beoordelaars en een vertegenwoordiger van de administratie. Dat evaluatiecollege beoordeelt de ontvankelijk verklaarde aanvragen op hun inhoudelijke en financiële kwaliteiten op basis van de volgende criteria :
  1° de relevantie van het project ten aanzien van het beleid en de belanghebbenden, waaronder de aandacht voor de tewerkstelling van kansengroepen.
  2° de haalbaarheid van het project ten aanzien van de doelen, het werkprogramma en de duurzaamheid.
  3° het beheer van het project ten aanzien van management, opvolging en evaluatie, waarbij onder meer rekening kan worden gehouden met de aanwezigheid van een cliënt opvolgingssysteem.
  Het evaluatiecollege rangschikt de ontvankelijk verklaarde aanvragen op basis van de bovenvermelde criteria, stelt een gemotiveerd advies op en legt deze rangschikking en dat advies ter bekrachtiging voor aan het Vlaams monitoringscomité. Indien het evaluatiecollege geen overeenstemming bereikt over de rangschikking en het gemotiveerd advies van de ontvankelijk verklaarde aanvragen, beslist het Vlaams monitoringscomité, overeenkomstig artikel 3, § 2, van dit besluit.
  § 2. De termijn tussen het indienen van de aanvraag bij de administratie en de beslissing van het Vlaams monitoringscomité overeenkomstig artikel 3, § 2, bedraagt maximaal drie maanden.
Art. 8. § 1er. Le Comité flamand de monitoring désigne un collège d'évaluation qui se compose d'au moins deux évaluateurs indépendants et d'un représentant de l'administration. Ce collège d'évaluation apprécie les demandes déclarées éligibles sur leurs qualités de fond et financières, au vu des critères suivants :
  1° la pertinence du projet à l'égard de la politique et des intéressés, notamment en accordant une attention particulière à l'emploi des groupes à potentiel.
  2° la faisabilité du projet au regard des objectifs, du programme de travail et de la durabilité.
  3° la gestion du projet au niveau du management, du suivi et de l'évaluation, tout en tenant compte éventuellement de la présence d'un système de suivi des clients.
  Le collège d'évaluation établit une classification des demandes déclarées éligibles sur la base des critères susmentionnés, formule un avis motivé et soumet cette classification et cet avis à l'approbation du Comité flamand de monitoring. Si le collège d'évaluation ne parvient pas à un accord sur la classification et l'avis motivé des demandes déclarées éligibles, c'est le Comité flamand de monitoring qui prend une décision conformément à l'article 3, § 2, du présent arrêté.
  § 2. Le délai entre le dépôt de la demande auprès de l'administration et la décision du Comité flamand de monitoring conformément à l'article 3, § 2, est de trois mois au maximum.
Afdeling 3. - Subsidiëringsbedragen.
Section 3. - Montants des subventions.
Art. 9. De subsidie, vermeld in artikel 7 van dit besluit, bedraagt maximaal 500.000 euro per aanvrager, inclusief de eventuele subsidiëring, verkregen vanuit het ESF, zelfs als de aanvrager in de loop van dezelfde indieningsronde meerdere aanvragen in het kader van deze afdeling indient.
Art. 9. La subvention visée à l'article 7 du présent arrêté s'élève au maximum à 500.000 euros par demandeur, y compris la subvention éventuelle obtenue du FSE, même dans les cas où celui-ci introduit plusieurs demandes dans le cadre de la présente section au cours du même tour d'introduction.
Art. 10. Alleen de eerste vierentwintig maanden die volgen op de dag van het opstarten van een project, zijn subsidiabel.
  Op schriftelijk verzoek van de aanvrager kan het Vlaams monitoringscomité beslissen om de subsidiabele periode te verlengen met maximaal zes maanden. Het gemotiveerde verzoek moet, op straffe van onontvankelijkheid, bij de administratie te worden ingediend uiterlijk twee maanden voor het verstrijken van de termijn van vierentwintig maanden.
Art. 10. Seuls les vingt-quatre premiers mois suivant le jour de démarrage d'un projet sont subventionnables.
  Sur demande écrite du demandeur, le Comité flamand de monitoring peut décider de prolonger la période subventionnable de six mois au maximum. La demande motivée est introduite, sous peine d'irrecevabilité, auprès de l'administration au plus tard deux mois avant l'expiration du délai de vingt-quatre mois.
Art. 11. De subsidieerbare basis omvat alle kosten die toegestaan zijn door de Verordening (EG) nr. 68/2001 van de Commissie van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op de opleidingssteun (gepubliceerd in PB L 10 van 13 januari 2001, blz. 20) en door de regels van het Europees Sociaal Fonds.
  Voor projecten, ingediend door aanvragers waarop de Verordening (EG) nr. 68/2001 van de Commissie van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op de opleidingssteun (gepubliceerd in PB L 10 van 13 januari 2001, blz. 20) van toepassing is, bevat de privaatrechtelijke inbreng minimaal het percentage, berekend ten opzichte van de totale projectkosten, dat van toepassing is overeenkomstig artikel 4, derde lid, van die Verordening.
  De loonkosten van de aanvragers worden tot een bedrag van maximaal vijftig procent van de totale kostprijs opgenomen in de subsidieerbare basis, maar ze komen zelf niet in aanmerking voor subsidiëring.
  Als een sectoraal orgaan met rechtspersoonlijkheid, zoals een sectorale opleidingsinstelling, een aanvraag indient, financiert deze aanvrager minimaal twintig procent van de projectkosten.
  Op het resterende bedrag van de subsidieerbare basis kunnen Vlaamse en ESF-subsidies worden toegestaan, voor zover deze beantwoorden aan de regelgeving inzake het ESF.
  Indien twee of meer projecten of aanvragers een gelijke rangschikking verkrijgen en het budget ontoereikend is om al deze gelijk gerangschikte projecten te subsidiëren, wordt het resterende budget pondspondsgewijs verdeeld onder die projecten of aanvragers.
Art. 11. La base subventionnable comprend tous les frais admis par le Règlement (CE) n° 68/2001 de la Commission du 12 janvier 2001 concernant l'application des articles 87 et 88 du traité CE aux aides à la formation (publiées au JO L10 du 13 janvier 2001, p. 20) et par les règles du Fonds social européen.
  Pour les projets introduits par des demandeurs auxquels s'applique le Règlement (CE) n° 68/2001 de la Commission du 12 janvier 2001 concernant l'application des articles 87 et 88 du traité CE aux aides à la formation (publiées au JO L10 du 13 janvier 2001, p. 20), l'apport de droit privé comprend au moins le pourcentage, calculé par rapport aux frais de projet globaux, qui s'applique conformément à l'article 4, troisième alinéa, dudit Règlement.
  Les frais salariaux des demandeurs sont repris à concurrence d'un montant d'au maximum cinquante pour cent du coût total repris dans la base subventionnable, mais ne sont pas admissibles aux subventions.
  Dans la mesure où un organe sectoriel doté de la personnalité juridique, tel qu'un établissement de formation sectoriel, introduit une demande, ce demandeur finance au minimum vingt pour cent des frais de projet.
  Pour le montant restant de la base subventionnable, des subventions flamandes et du FSE peuvent être admises, dans la mesure où celles-ci sont conformes à la réglementation relative au FSE.
  Si deux ou plusieurs projets ou demandeurs obtiennent un classement égal et le budget est insuffisant pour subventionner tous ces projets également classés, le budget restant est réparti au prorata parmi ces projets ou demandeurs.
Art. 12. De aanvrager dient minstens jaarlijks en uiterlijk drie maanden na het verstrijken van de subsidiabele uitvoeringstermijn van het project bij de administratie een rapport in dat onder meer een inhoudelijke en budgettaire beschrijving van de uitvoering van het project, de projectresultaten en de uitgaven die op het project betrekking hebben, omvat, waardoor hij uitbetaling kan krijgen van de subsidie binnen de in het subsidiebesluit opgenomen maximaal vastgesteld grenzen.
Art. 12. Au moins tous les ans et au plus tard trois mois après l'expiration du délai d'exécution subventionnable du projet, le demandeur soumet à l'administration un rapport contenant entre autres une description budgétaire et du contenu de l'exécution du projet, les résultats du projet et les dépenses relatives au projet, ce qui lui permet d'obtenir le paiement de la subvention dans les limites maximales fixées qui sont reprises dans l'arrêté de subvention.
Art. 13. § 1. De administratie kan overgaan tot een reductie van de toegekende projectsubsidie als tijdens de uitvoering van het project niet aan de criteria, vermeld in artikel 8, wordt voldaan.
  § 2. De administratie kan de aan de aanvrager toegekende projectsubsidie opschorten of terugvorderen indien :
  1° de aanvrager het kwaliteitslabel, vermeld in artikel 7, § 3, niet behaalt;
  2° de aanvrager de projectsubsidies aanwendt voor andere doeleinden dan die waarvoor ze werden toegekend;
  3° de aanvrager de overige criteria, verbonden aan de goedkeuring van het project, niet naleeft;
  4° de aanvrager de controle, vermeld in artikel 14, verhindert.
Art. 13. § 1er. L'administration peut procéder à une réduction de la subvention de projet octroyée si les critères cités à l'article 8 n'ont pas été remplis au cours de l'exécution du projet.
  § 2. L'administration peut suspendre ou réclamer la subvention de projet octroyée au demandeur, dans les cas suivants :
  1° si le demandeur n'obtient pas le label de qualité visé à l'article 7, § 3;
  2° si le demandeur utilise les subventions de projet à d'autres fins que pour lesquelles elles étaient accordées;
  3° si le demandeur n'observe pas les critères régissant l'approbation du projet;
  4° si le demandeur empêche le contrôle visé à l'article 14.
HOOFDSTUK IV. - Slot-, opheffings- en overgangsbepalingen.
CHAPITRE IV. - Dispositions finales, abrogatoires et transitoires.
Art. 14. De administratie en de afdeling Inspectie Werk en Sociale Economie van het Departement Werk en Sociale Economie zijn gerechtigd om controle uit te oefenen op de naleving van dit besluit en op de aanwending van de toegekende gelden overeenkomstig artikel 56 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991.
Art. 14. L'administration et la Division de l'Inspection de l'Emploi et de l'Economie sociale du Département de l'Emploi et de l'Economie sociale sont habilitées à exercer un contrôle du respect des dispositions du présent arrêté et de l'affectation des fonds attribués conformément à l'article 56 des lois sur la Comptabilité de l'Etat, coordonnées le 17 juillet 1991.
Art. 15. Het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2003 tot vaststelling van de nadere voorwaarden en regels volgens welke subsidies worden verleend voor permanente vorming en opleiding voor werkenden en bedrijven, luik " Hefboomkrediet - Opleidingen ", wordt opgeheven.
Art. 15. L'arrêté du Gouvernement flamand du 19 décembre 2003 établissant les conditions et les modalités d'octroi de subventions à la formation et l'éducation permanentes pour les travailleurs et entreprises, volet " Crédit levier - Formations " est abrogé.
Art. 16. Het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2003 tot vaststelling van de nadere voorwaarden en regels volgens welke subsidies worden verleend voor permanente vorming en opleiding voor werkenden en bedrijven, luik " Hefboomkrediet - Opleidingen " blijft echter gelden voor die projecten die op basis van dat besluit werden goedgekeurd en nog niet zijn afgelopen op de datum van inwerkingtreding van dit besluit.
Art. 16. L'arrêté du Gouvernement flamand du 19 décembre 2003 établissant les conditions et les modalités d'octroi de subventions à la formation et l'éducation permanentes pour les travailleurs et entreprises, volet " Crédit levier - Formations " reste cependant applicable aux projets ayant été approuvés sur la base de cet arrêté et n'étant pas encore terminés à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté.
Art. 17. Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
Art. 17. Le présent arrêté entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge.
Art. 18. De Vlaamse minister, bevoegd voor het Tewerkstellingsbeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 18. Le Ministre flamand qui a la Politique de l'Emploi dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.