Artikel 1. In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 augustus 2004 betreffende de erkenning en subsidiëring van centra voor loopbaandienstverlening worden punten 2°, 4°, 5°, 6°, 7° en 11°, vervangen door wat volgt :
" 2° het ESF-Agentschap : het privaatrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap ESF-Agentschap Vlaanderen, vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 8 november 2002 houdende de oprichting van de VZW ESF-Agentschap;
4° loopbaandienstverlening : loopbaandienstverlening als bedoeld in artikel 102, derde lid, van het decreet, zijnde de professionele ondersteuning van de werkende bij het nemen van loopbaankeuzen en -beslissingen tijdens een proces waarbij het ontdekken, het versterken of het ontwikkelen van de competenties die nodig zijn om de loopbaan actief te beheren, centraal staan met als doelstelling de arbeidsmarktpositie van de werkende te versterken;
5° de werkende : de werkende, vermeld in artikel 102 van het decreet;
6° kansengroepen : personen die behoren tot een van de volgende groepen :
a) allochtoon :
1) personen met een sociaal-culturele herkomst van een ander land die legaal in België verblijven, die al dan niet Belg zijn geworden en die bovendien aan een van de volgende voorwaarden voldoen :
i) zij of hun ouders zijn in het kader van gastarbeid en volgmigratie naar ons land gekomen;
ii) ze hebben de status van ontvankelijk verklaarde asielzoeker of van vluchteling verkregen;
iii) ze hebben door regularisatie recht op verblijf in België verworven;
2) personen die geen burger van de Europese Economische Ruimte zijn of van wie minstens een van de ouders of twee van de grootouders geen burger van de Europese Unie zijn;
b) personen met een arbeidshandicap : mensen met een aantasting van hun mentale, psychische, lichamelijke of zintuiglijke mogelijkheden, voor wie het uitzicht op het verwerven en behouden van een arbeidsplaats en op vooruitgang op die plaats, langdurig en in belangrijke mate beperkt is of bedreigd wordt;
c) ervaren werknemers : werknemers als vermeld in artikel 2, 2°, van het decreet van 8 mei 2002 houdende evenredige participatie op de arbeidsmarkt, die ouder zijn dan 50 jaar en jonger dan 65 jaar;
d) kortgeschoolden : personen die aan een van de volgende voorwaarden voldoen :
1) ze zijn houder van ten hoogste een diploma van het lager secundair onderwijs;
2) ze zijn houder van een getuigschrift van een middenstandsopleiding;
3) ze zijn houder van een niet erkend buitenlands diploma;
e) middengeschoolden : personen die houder zijn van ten hoogste een diploma van het hoger secundair onderwijs;
7° sociale partners : de werkgevers-, middenstands-, landbouw- en werknemersorganisaties vertegenwoordigd in de SERV;
11° de regels van het Europees Sociaal Fonds : de subsidiabiliteitsregels, vermeld in Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1260/1999, in Verordening (EG) nr. 1081/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1784/1999 en in Verordening (EG) nr. 1828/2006 van de Commissie van 8 december 2006 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds, en van Verordening (EG) nr. 1080/2006 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en opgenomen in de criteria voor Vlaanderen, bepaald door het Vlaams Monitoringscomité, vermeld in artikel 5bis van dit besluit. "
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
5 OKTOBER 2007. - Besluit tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 augustus 2004 betreffende de erkenning en subsidiëring van centra voor loopbaandienstverlening en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 september 2005 tot uitvoering van het decreet van 30 april 2004 betreffende het verwerven van een titel van beroepsbekwaamheid.
Titre
5 OCTOBRE 2007. - Arrêté modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 août 2004 relatif à l'agrément et au subventionnement de centres de services carrière et modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 septembre 2005 pris en exécution du décret du 30 avril 2004 relatif à l'obtention d'un titre de compétence professionnelle (TRADUCTION).
Dokumentinformationen
Info du document
Inhoud
Tekst (30)
Texte (30)
HOOFDSTUK I. - Wijzigingsbepalingen aan het besluit van de Vlaamse Regering van 27 augustus 2004 betreffende de erkenning en subsidiëring van centra voor loopbaandienstverlening.
CHAPITRE Ier. - Dispositions modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 août 2004 relatif à l'agrément et au subventionnement de centres de services carrière.
Article 1. Dans l'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 août 2004 relatif à l'agrément et au subventionnement de centres de services carrière, les points 2°, 4°, 5°, 6°, 7° et 11° sont remplacés par ce qui suit :
" 2° l'Agence FSE : l'agence autonomisée externe de droit privé "ESF-Agentschap Vlaanderen", visée à l'article 2, § 1er, du décret du 8 novembre 2002 portant création de l'ASBL "ESF-Agentschap" (Agence FSE);
4° services carrière : la prestation de services carrière au sens de l'article 102, troisième alinéa du décret, étant le soutien professionnel au travailleur lorsque celui-ci doit faire un choix de carrière et prendre des décisions dans un processus où un rôle primordial est dévolu à la découverte, au renforcement ou au développement des compétences nécessaires à une gestion active de la carrière avec comme objectif d'améliorer la position du travailleur sur le marche de l'emploi;
5° travailleur : le travailleur visé à l'article 102 du décret;
6° groupes à potentiel : les personnes appartenant aux groupes de population suivants :
a) allochtones :
1) les personnes d'origine socioculturelle différente issues de l'immigration et séjournant légalement en Belgique, qui sont devenues belges ou non et qui remplissent en outre l'une des conditions suivantes :
i) ces personnes ou leurs parents sont venus à notre pays en tant que travailleurs étrangers ou dans le cadre d'un regroupement familial;
ii) ces personnes ont obtenu le statut de demandeur d'asile déclaré recevable ou de réfugié;
iii) ces personnes ont acquis le droit de séjour en Belgique par la régularisation;
2) les personnes qui ne sont pas citoyens de l'Espace économique européen ou dont au moins un des parents ou deux des grands-parents ne sont pas citoyens de l'Union européenne;
b) personnes handicapées du travail : les personnes dont les possibilités mentales, psychiques ou sensorielles sont diminuées, ce qui réduit ou menace pour une durée prolongée et dans une mesure importante leurs perspectives d'obtenir et de maintenir un emploi et de progresser dans cet emploi;
c) travailleurs expérimentés : les travailleurs tels que visés à l'article 2, 2°, du décret du 8 mai 2002 relatif à la participation proportionnelle au marché de l'emploi, âgés de 50 à 65 ans;
d) peu scolarisés : les personnes qui remplissent une des conditions suivantes :
1) être titulaire au plus d'un diplôme de l'enseignement secondaire inférieur;
2) être titulaire d'un certificat d'une formation des classes moyennes;
3) être titulaire d'un diplôme étranger non agréé;
e) personnes de moyenne scolarisation : les personnes qui sont titulaires au plus d'un diplôme de l'enseignement secondaire supérieur;
7° partenaires sociaux : les organisations des employeurs, des classes moyennes, de l'agriculture et des travailleurs représentées au sein du SERV;
11° les règles du Fonds social européen : les règles d'éligibilité, visées au Règlement (CE) n° 1083/2006 du Conseil du 11 juillet 2006 portant dispositions générales sur le Fonds européen de développement régional, le Fonds social européen et le Fonds de Cohésion, et abrogeant le Règlement (CE) n° 1260/1999, au Règlement (CE) n° 1081/2006 du Parlement européen et du Conseil du 5 juillet 2006 relatif au Fonds social européen et abrogeant le Règlement (CE) n° 1784/1999, et au Règlement (CE) n° 1828/2006 de la Commission du 8 décembre 2006 établissant les modalités d'exécution du Règlement (CE) n° 1083/2006 du Conseil portant dispositions générales sur le Fonds européen de Développement régional, le Fonds social européen et le Fonds de Cohésion, et du Règlement (CE) n° 1080/2006 du Parlement européen et du Conseil relatif au Fonds européen de Développement régional et reprises dans les critères pour la Flandre fixés par le "Vlaams Monitoringscomité" (Comité flamand de Monitoring FSE), visé à l'article 5bis du présent arrêté. "
" 2° l'Agence FSE : l'agence autonomisée externe de droit privé "ESF-Agentschap Vlaanderen", visée à l'article 2, § 1er, du décret du 8 novembre 2002 portant création de l'ASBL "ESF-Agentschap" (Agence FSE);
4° services carrière : la prestation de services carrière au sens de l'article 102, troisième alinéa du décret, étant le soutien professionnel au travailleur lorsque celui-ci doit faire un choix de carrière et prendre des décisions dans un processus où un rôle primordial est dévolu à la découverte, au renforcement ou au développement des compétences nécessaires à une gestion active de la carrière avec comme objectif d'améliorer la position du travailleur sur le marche de l'emploi;
5° travailleur : le travailleur visé à l'article 102 du décret;
6° groupes à potentiel : les personnes appartenant aux groupes de population suivants :
a) allochtones :
1) les personnes d'origine socioculturelle différente issues de l'immigration et séjournant légalement en Belgique, qui sont devenues belges ou non et qui remplissent en outre l'une des conditions suivantes :
i) ces personnes ou leurs parents sont venus à notre pays en tant que travailleurs étrangers ou dans le cadre d'un regroupement familial;
ii) ces personnes ont obtenu le statut de demandeur d'asile déclaré recevable ou de réfugié;
iii) ces personnes ont acquis le droit de séjour en Belgique par la régularisation;
2) les personnes qui ne sont pas citoyens de l'Espace économique européen ou dont au moins un des parents ou deux des grands-parents ne sont pas citoyens de l'Union européenne;
b) personnes handicapées du travail : les personnes dont les possibilités mentales, psychiques ou sensorielles sont diminuées, ce qui réduit ou menace pour une durée prolongée et dans une mesure importante leurs perspectives d'obtenir et de maintenir un emploi et de progresser dans cet emploi;
c) travailleurs expérimentés : les travailleurs tels que visés à l'article 2, 2°, du décret du 8 mai 2002 relatif à la participation proportionnelle au marché de l'emploi, âgés de 50 à 65 ans;
d) peu scolarisés : les personnes qui remplissent une des conditions suivantes :
1) être titulaire au plus d'un diplôme de l'enseignement secondaire inférieur;
2) être titulaire d'un certificat d'une formation des classes moyennes;
3) être titulaire d'un diplôme étranger non agréé;
e) personnes de moyenne scolarisation : les personnes qui sont titulaires au plus d'un diplôme de l'enseignement secondaire supérieur;
7° partenaires sociaux : les organisations des employeurs, des classes moyennes, de l'agriculture et des travailleurs représentées au sein du SERV;
11° les règles du Fonds social européen : les règles d'éligibilité, visées au Règlement (CE) n° 1083/2006 du Conseil du 11 juillet 2006 portant dispositions générales sur le Fonds européen de développement régional, le Fonds social européen et le Fonds de Cohésion, et abrogeant le Règlement (CE) n° 1260/1999, au Règlement (CE) n° 1081/2006 du Parlement européen et du Conseil du 5 juillet 2006 relatif au Fonds social européen et abrogeant le Règlement (CE) n° 1784/1999, et au Règlement (CE) n° 1828/2006 de la Commission du 8 décembre 2006 établissant les modalités d'exécution du Règlement (CE) n° 1083/2006 du Conseil portant dispositions générales sur le Fonds européen de Développement régional, le Fonds social européen et le Fonds de Cohésion, et du Règlement (CE) n° 1080/2006 du Parlement européen et du Conseil relatif au Fonds européen de Développement régional et reprises dans les critères pour la Flandre fixés par le "Vlaams Monitoringscomité" (Comité flamand de Monitoring FSE), visé à l'article 5bis du présent arrêté. "
Art. 2. Aan artikel 1 van hetzelfde besluit worden punt 13° tot en met 24° toegevoegd, die luiden als volgt :
" 13° verkort traject loopbaandienstverlening : de korte begeleiding waarbij de werkende bewust wordt gemaakt van zijn loopbaanperspectief en waarbij zijn loopbaancompetenties worden versterkt;
14° traject nazorg : de korte begeleiding die op zijn vroegst 6 maanden en uiterlijk 15 maanden na de afloop van een traject loopbaandienstverlening plaatsvindt, met als doelstelling de realisatiegraad van het persoonlijk ontwikkelingsplan van de werkende te versterken;
15° het Departement Werk en Sociale Economie : het Departement Werk en Sociale Economie van de Vlaamse overheid;
16° het Departement Economie, Wetenschap en Innovatie : het Departement Economie, Wetenschap en Innovatie van de Vlaamse overheid;
17° het Departement Onderwijs : het Departement Onderwijs en Vorming van de Vlaamse overheid;
18° SERV : de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, opgericht bij het decreet van 7 mei 2004 inzake de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen;
19° RESOC : het regionaal sociaal-economisch overlegcomité vermeld in artikel 1, 6°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 oktober 2004 betreffende de erkenning en subsidiëring van regionale samenwerkingsverbanden;
20° SERR : de Sociaal-Economische Raad van de Regio, vermeld in artikel 12 van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 mei 2004 betreffende het statuut, de werking, de taken en de bevoegdheden van de erkende regionale samenwerkingsverbanden, de sociaal-economische raden van de regio en de regionale sociaal-economische overlegcomités;
21° ERSV : het Erkend Regionaal Samenwerkingsverband, vermeld in artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 mei 2004 betreffende het statuut, de werking, de taken en de bevoegdheden van de erkende regionale samenwerkingsverbanden, de sociaal-economische raden van de regio en de regionale sociaal-economische overlegcomités;
22° VDAB : het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding, opgericht bij artikel 3 van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding;
23° het Subsidieagentschap : het Vlaams Subsidieagentschap voor Werk en Sociale Economie, opgericht bij artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 oktober 2005 tot oprichting van het Vlaams Subsidieagentschap voor Werk en Sociale Economie;
24° Syntra Vlaanderen : het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming Syntra Vlaanderen, opgericht bij het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen. "
" 13° verkort traject loopbaandienstverlening : de korte begeleiding waarbij de werkende bewust wordt gemaakt van zijn loopbaanperspectief en waarbij zijn loopbaancompetenties worden versterkt;
14° traject nazorg : de korte begeleiding die op zijn vroegst 6 maanden en uiterlijk 15 maanden na de afloop van een traject loopbaandienstverlening plaatsvindt, met als doelstelling de realisatiegraad van het persoonlijk ontwikkelingsplan van de werkende te versterken;
15° het Departement Werk en Sociale Economie : het Departement Werk en Sociale Economie van de Vlaamse overheid;
16° het Departement Economie, Wetenschap en Innovatie : het Departement Economie, Wetenschap en Innovatie van de Vlaamse overheid;
17° het Departement Onderwijs : het Departement Onderwijs en Vorming van de Vlaamse overheid;
18° SERV : de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, opgericht bij het decreet van 7 mei 2004 inzake de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen;
19° RESOC : het regionaal sociaal-economisch overlegcomité vermeld in artikel 1, 6°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 oktober 2004 betreffende de erkenning en subsidiëring van regionale samenwerkingsverbanden;
20° SERR : de Sociaal-Economische Raad van de Regio, vermeld in artikel 12 van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 mei 2004 betreffende het statuut, de werking, de taken en de bevoegdheden van de erkende regionale samenwerkingsverbanden, de sociaal-economische raden van de regio en de regionale sociaal-economische overlegcomités;
21° ERSV : het Erkend Regionaal Samenwerkingsverband, vermeld in artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 mei 2004 betreffende het statuut, de werking, de taken en de bevoegdheden van de erkende regionale samenwerkingsverbanden, de sociaal-economische raden van de regio en de regionale sociaal-economische overlegcomités;
22° VDAB : het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding, opgericht bij artikel 3 van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding;
23° het Subsidieagentschap : het Vlaams Subsidieagentschap voor Werk en Sociale Economie, opgericht bij artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 oktober 2005 tot oprichting van het Vlaams Subsidieagentschap voor Werk en Sociale Economie;
24° Syntra Vlaanderen : het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming Syntra Vlaanderen, opgericht bij het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen. "
Art. 2. A l'article 1er du même arrêté sont ajoutés des points 13° à 24° inclus ainsi rédigés :
" 13° parcours réduit de services carrière : l'accompagnement de courte durée visant à rendre le travailleur conscient de ses perspectives de carrière et à renforcer ses compétences professionnelles;
14° parcours de suivi : l'accompagnement de courte durée mis en oeuvre au plus tôt 6 mois et au plus tard 15 mois après expiration d'un parcours de services carrière, avec comme objectif d'améliorer le taux de réalisation du plan de développement individuel du travailleur;
15° Département de l'Emploi et de l'Economie sociale : le Département de l'Emploi et de l'Economie sociale de l'Autorité flamande;
16° Département de l'Economie, des Sciences et de l'Innovation : le Département de l'Economie, des Sciences et de l'Innovation de l'Autorité flamande;
17° Département de l'Enseignement : le Département de l'Enseignement et de la Formation de l'Autorité flamande;
18° SERV : le "Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen" (Conseil socio-économique de la Flandre), créé par le décret du 7 mai 2004 sur le Conseil socio-économique de la Flandre;
19° RESOC : le Comité de Concertation socio-économique régional, cité à l'article 1er, 6° de l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 octobre 2004 relatif à l'agrément et au subventionnement de partenariats régionaux;
20° SERR : le Conseil socio-économique de la Région, cité à l'article 12 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 mai 2004 relatif au statut, au fonctionnement, aux tâches et aux compétences des partenariats régionaux agréés, des conseils socio-économiques de la région et des comités de concertation socio-économiques régionaux;
21° ERSV : le Partenariat régional agréé, cité à l'article 3 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 mai 2004 relatif au statut, au fonctionnement, aux tâches et aux compétences des partenariats régionaux agréés, des conseils socio-économiques de la région et des comités de concertation socio-économiques régionaux;
22° VDAB : l'agence autonomisée externe de droit public "Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding" (Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle), créée par l'article 3 du décret du 7 mai 2004 relatif à la création de l'agence autonomisée externe de droit public "Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding";
23° l'Agence de subventionnement : la "Vlaams Subsidieagentschap voor Werk en Sociale Economie", créée par l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 octobre 2005 portant création de l'agence "Vlaams Subsidieagentschap voor Werk en Sociale Economie";
24° Syntra Vlaanderen : l'agence autonomisée externe de droit public "Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen" (Agence flamande de formation d'entrepreneurs - Syntra Vlaanderen), créée par le décret du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée externe de droit public "Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen" (Agence flamande pour la formation d'entrepreneurs - Syntra Flandre). "
" 13° parcours réduit de services carrière : l'accompagnement de courte durée visant à rendre le travailleur conscient de ses perspectives de carrière et à renforcer ses compétences professionnelles;
14° parcours de suivi : l'accompagnement de courte durée mis en oeuvre au plus tôt 6 mois et au plus tard 15 mois après expiration d'un parcours de services carrière, avec comme objectif d'améliorer le taux de réalisation du plan de développement individuel du travailleur;
15° Département de l'Emploi et de l'Economie sociale : le Département de l'Emploi et de l'Economie sociale de l'Autorité flamande;
16° Département de l'Economie, des Sciences et de l'Innovation : le Département de l'Economie, des Sciences et de l'Innovation de l'Autorité flamande;
17° Département de l'Enseignement : le Département de l'Enseignement et de la Formation de l'Autorité flamande;
18° SERV : le "Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen" (Conseil socio-économique de la Flandre), créé par le décret du 7 mai 2004 sur le Conseil socio-économique de la Flandre;
19° RESOC : le Comité de Concertation socio-économique régional, cité à l'article 1er, 6° de l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 octobre 2004 relatif à l'agrément et au subventionnement de partenariats régionaux;
20° SERR : le Conseil socio-économique de la Région, cité à l'article 12 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 mai 2004 relatif au statut, au fonctionnement, aux tâches et aux compétences des partenariats régionaux agréés, des conseils socio-économiques de la région et des comités de concertation socio-économiques régionaux;
21° ERSV : le Partenariat régional agréé, cité à l'article 3 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 mai 2004 relatif au statut, au fonctionnement, aux tâches et aux compétences des partenariats régionaux agréés, des conseils socio-économiques de la région et des comités de concertation socio-économiques régionaux;
22° VDAB : l'agence autonomisée externe de droit public "Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding" (Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle), créée par l'article 3 du décret du 7 mai 2004 relatif à la création de l'agence autonomisée externe de droit public "Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding";
23° l'Agence de subventionnement : la "Vlaams Subsidieagentschap voor Werk en Sociale Economie", créée par l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 octobre 2005 portant création de l'agence "Vlaams Subsidieagentschap voor Werk en Sociale Economie";
24° Syntra Vlaanderen : l'agence autonomisée externe de droit public "Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen" (Agence flamande de formation d'entrepreneurs - Syntra Vlaanderen), créée par le décret du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée externe de droit public "Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen" (Agence flamande pour la formation d'entrepreneurs - Syntra Flandre). "
Art. 3. In artikel 2, § 2, van hetzelfde besluit worden de woorden " bepaalt de periodes voor het indienen van aanvragen tot erkenning en " geschrapt.
Art. 3. Dans l'article 2, § 2, du même arrêté, les mots "arrête les périodes de l'introduction des demandes d'agrément et" sont supprimés.
Art. 4. In artikel 4 van hetzelfde besluit wordt de zin " Binnen de grenzen van de daartoe goedgekeurde begrotingskredieten kan een subsidie worden toegekend aan de erkende centra voor loopbaandienstverlening " vervangen door de zin : " Binnen de grenzen van de daartoe goedgekeurde begrotingskredieten kan aan de erkende centra voor loopbaandienstverlening een subsidie worden toegekend voor projecten in verband met loopbaandienstverlening ".
Art. 4. Dans l'article 4 du même arrêté, la phrase "Dans les limites des crédits budgétaires approuvés à cette fin, une subvention peut être octroyée aux centres agréés de services carrière" est remplacée par la phrase : "Dans les limites des crédits budgétaires approuvés à cette fin, une subvention peut être octroyée aux centres agréés de services carrière pour des projets visant la fourniture de services carrière".
Art. 5. Aan artikel 4, 8°, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
" 1° het woord " tweehonderd " wordt vervangen door het woord " tweehonderd vijftig ";
2° de woorden " uiterlijk na twee jaar werking " worden vervangen door de woorden " uiterlijk na één jaar werking ". "
" 1° het woord " tweehonderd " wordt vervangen door het woord " tweehonderd vijftig ";
2° de woorden " uiterlijk na twee jaar werking " worden vervangen door de woorden " uiterlijk na één jaar werking ". "
Art. 5. A l'article 4, 8°, du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
" 1° les mots "deux cents" sont remplacés par les mots "deux cent cinquante";
2° les mots "Après deux ans d'activité au plus tard" sont remplacés par les mots "Après une année d'activité au plus tard". "
" 1° les mots "deux cents" sont remplacés par les mots "deux cent cinquante";
2° les mots "Après deux ans d'activité au plus tard" sont remplacés par les mots "Après une année d'activité au plus tard". "
Art. 6. Aan artikel 4 van hetzelfde besluit wordt een punt 9° toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 9° het opmaken van een portfolio tijdens een verkort traject loopbaandienstverlening en het opmaken van een persoonlijk ontwikkelingsplan tijdens een volledig traject van loopbaandienstverlening. Tijdens het traject nazorg wordt het persoonlijk ontwikkelingsplan geactualiseerd. "
" 9° het opmaken van een portfolio tijdens een verkort traject loopbaandienstverlening en het opmaken van een persoonlijk ontwikkelingsplan tijdens een volledig traject van loopbaandienstverlening. Tijdens het traject nazorg wordt het persoonlijk ontwikkelingsplan geactualiseerd. "
Art. 6. A l'article 4 du même arrêté, il est ajouté un point 9° ainsi rédigé :
" 9° l'établissement d'un portfolio pendant un parcours réduit de services carrière et l'établissement d'un plan de développement individuel pendant un parcours complet de services carrière. Pendant le parcours de suivi, le plan de développement individuel est actualisé. "
" 9° l'établissement d'un portfolio pendant un parcours réduit de services carrière et l'établissement d'un plan de développement individuel pendant un parcours complet de services carrière. Pendant le parcours de suivi, le plan de développement individuel est actualisé. "
Art. 7. Aan artikel 5, § 1, van hetzelfde besluit worden een punt 5° en 6° toegevoegd, die luiden als volgt :
" 5° voor het verkort traject loopbaandienstverlening een vergoeding van maximaal 150 euro betalen. Kansengroepen betalen maximaal 25 euro;
6° voor de werkende die behoort tot een van de kansengroepen, wordt het traject nazorg gratis aangeboden. "
" 5° voor het verkort traject loopbaandienstverlening een vergoeding van maximaal 150 euro betalen. Kansengroepen betalen maximaal 25 euro;
6° voor de werkende die behoort tot een van de kansengroepen, wordt het traject nazorg gratis aangeboden. "
Art. 7. A l'article 5, § 1er, du même arrêté sont ajoutés des points 5° et 6° ainsi rédigés :
5° payer, pour un parcours réduit de services carrière, une indemnité de 150 euros au maximum. Les groupes à potentiel payent 25 euros au maximum;
6° pour le travailleur appartenant à un des groupes à potentiel, le parcours de suivi est offert gratuitement. "
5° payer, pour un parcours réduit de services carrière, une indemnité de 150 euros au maximum. Les groupes à potentiel payent 25 euros au maximum;
6° pour le travailleur appartenant à un des groupes à potentiel, le parcours de suivi est offert gratuitement. "
Art. 8. Aan artikel 5 van hetzelfde besluit worden een § 4 en een § 5 toegevoegd, die luiden als volgt :
" § 4. Voor de aanvraag van de subsidie dienen de erkende centra voor loopbaandienstverlening een gestandaardiseerd aanvraagformulier in bij het ESF-Agentschap. De nadere voorwaarden voor de inhoud en de indiening van dat aanvraagformulier worden door het ESF-Agentschap vastgelegd.
§ 5. Het ESF-Agentschap onderzoekt de subsidieaanvragen voor de projecten, vermeld in artikel 4 op hun overeenstemming met de ontvankelijkheidscriteria, vermeld in dit artikel 4. "
" § 4. Voor de aanvraag van de subsidie dienen de erkende centra voor loopbaandienstverlening een gestandaardiseerd aanvraagformulier in bij het ESF-Agentschap. De nadere voorwaarden voor de inhoud en de indiening van dat aanvraagformulier worden door het ESF-Agentschap vastgelegd.
§ 5. Het ESF-Agentschap onderzoekt de subsidieaanvragen voor de projecten, vermeld in artikel 4 op hun overeenstemming met de ontvankelijkheidscriteria, vermeld in dit artikel 4. "
Art. 8. A l'article 5 du même arrêté sont ajoutés un § 4 et un § 5 ainsi rédigés :
" § 4. Pour la demande de subvention, les centres de services carrière agréés déposent un formulaire de demande standardisé auprès de l'Agence FSE. Les modalités relatives au contenu et au dépôt de ce formulaire de demande sont fixées par l'Agence FSE.
§ 5. L'Agence FSE vérifie si les demandes de subvention pour les projets, visés à l'article 4, satisfont aux critères d'éligibilité prévus par le présent article 4. "
" § 4. Pour la demande de subvention, les centres de services carrière agréés déposent un formulaire de demande standardisé auprès de l'Agence FSE. Les modalités relatives au contenu et au dépôt de ce formulaire de demande sont fixées par l'Agence FSE.
§ 5. L'Agence FSE vérifie si les demandes de subvention pour les projets, visés à l'article 4, satisfont aux critères d'éligibilité prévus par le présent article 4. "
Art. 9. In hetzelfde besluit wordt een artikel 5bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 5bis. § 1. Er wordt een ad hoc commissie opgericht, genaamd Vlaams monitoringscomité. Het Vlaams Monitoringscomité bestaat uit :
1° zes vertegenwoordigers van de Vlaamse sociale partners, voorgedragen door de SERV;
2° een vertegenwoordiger van het Departement Werk en Sociale Economie;
3° een vertegenwoordiger van het Departement Onderwijs en Vorming;
4° een vertegenwoordiger van het Departement Economie, Wetenschap en Innovatie;
5° een vertegenwoordiger van het Subsidieagentschap;
6° een vertegenwoordiger van de SERV;
7° een vertegenwoordiger van Syntra Vlaanderen;
8° twee vertegenwoordigers van de VDAB;
9° twee vertegenwoordigers van de administratie;
10° een vertegenwoordiger van de niet-gouvernementele organisaties die beschikken over expertise met betrekking tot het arbeidsmarktbeleid;
11° een vertegenwoordiger van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten;
12° een vertegenwoordiger van de minister, bevoegd voor het Onderwijs;
13° een vertegenwoordiger van de minister, bevoegd voor de Werkgelegenheid;
14° een vertegenwoordiger van de minister, bevoegd voor de Sociale Economie;
15° een vertegenwoordiger van de minister, bevoegd voor de Economie;
16° een vertegenwoordiger van de minister, bevoegd voor het Buitenlands Beleid;
17° een vertegenwoordiger van de minister-president van de Vlaamse Regering.
Aan de vergaderingen kunnen een vertegenwoordiger van de Europese Commissie, van de certificiëringsautoriteit, van de auditautoriteit, en deskundigen deelnemen met raadgevende stem.
§ 2. Het Vlaams monitoringscomité heeft als opdracht de beslissingen en rangschikkingen die overeenkomstig artikel 6 van dit besluit worden verstrekt, te bekrachtigen of, indien het evaluatiecollege, vermeld in artikel 6 van dit besluit, geen overeenstemming bereikt, zelf een rangschikking en besluit te formuleren over de ontvankelijk verklaarde aanvragen.
§ 3. Het Vlaams monitoringscomité beslist bij consensus.
§ 4. Het Vlaams monitoringscomité stelt een huishoudelijk reglement op, dat door de minister wordt bekrachtigd.
§ 5. Het Vlaams monitoringscomité kan een of meerdere van zijn taken delegeren aan werkgroepen die zijn samengesteld uit zijn leden en worden thematische, horizontale, evaluatie- of geschillencommissies genoemd. "
" Art. 5bis. § 1. Er wordt een ad hoc commissie opgericht, genaamd Vlaams monitoringscomité. Het Vlaams Monitoringscomité bestaat uit :
1° zes vertegenwoordigers van de Vlaamse sociale partners, voorgedragen door de SERV;
2° een vertegenwoordiger van het Departement Werk en Sociale Economie;
3° een vertegenwoordiger van het Departement Onderwijs en Vorming;
4° een vertegenwoordiger van het Departement Economie, Wetenschap en Innovatie;
5° een vertegenwoordiger van het Subsidieagentschap;
6° een vertegenwoordiger van de SERV;
7° een vertegenwoordiger van Syntra Vlaanderen;
8° twee vertegenwoordigers van de VDAB;
9° twee vertegenwoordigers van de administratie;
10° een vertegenwoordiger van de niet-gouvernementele organisaties die beschikken over expertise met betrekking tot het arbeidsmarktbeleid;
11° een vertegenwoordiger van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten;
12° een vertegenwoordiger van de minister, bevoegd voor het Onderwijs;
13° een vertegenwoordiger van de minister, bevoegd voor de Werkgelegenheid;
14° een vertegenwoordiger van de minister, bevoegd voor de Sociale Economie;
15° een vertegenwoordiger van de minister, bevoegd voor de Economie;
16° een vertegenwoordiger van de minister, bevoegd voor het Buitenlands Beleid;
17° een vertegenwoordiger van de minister-president van de Vlaamse Regering.
Aan de vergaderingen kunnen een vertegenwoordiger van de Europese Commissie, van de certificiëringsautoriteit, van de auditautoriteit, en deskundigen deelnemen met raadgevende stem.
§ 2. Het Vlaams monitoringscomité heeft als opdracht de beslissingen en rangschikkingen die overeenkomstig artikel 6 van dit besluit worden verstrekt, te bekrachtigen of, indien het evaluatiecollege, vermeld in artikel 6 van dit besluit, geen overeenstemming bereikt, zelf een rangschikking en besluit te formuleren over de ontvankelijk verklaarde aanvragen.
§ 3. Het Vlaams monitoringscomité beslist bij consensus.
§ 4. Het Vlaams monitoringscomité stelt een huishoudelijk reglement op, dat door de minister wordt bekrachtigd.
§ 5. Het Vlaams monitoringscomité kan een of meerdere van zijn taken delegeren aan werkgroepen die zijn samengesteld uit zijn leden en worden thematische, horizontale, evaluatie- of geschillencommissies genoemd. "
Art. 9. Dans le même arrêté, il est inséré un article 5bis ainsi rédigé :
" Art. 5bis. § 1er. Une commission ad hoc, dénommée "Vlaams monitoringscomité" (Comité flamand de monitoring FSE) est créée. Le Comité flamand de monitoring FSE se compose de :
1° six représentants des partenaires sociaux flamands proposés par le SERV;
2° un représentant du Département de l'Emploi et de l'Economie sociale;
3° un représentant du Département de l'Enseignement et de la Formation;
4° un représentant du Département de l'Economie, des Sciences et de l'Innovation;
5° un représentant de l'Agence de subventionnement;
6° un représentant du SERV;
7° un représentant de "Syntra Vlaanderen";
8° deux représentants du VDAB;
9° deux représentants de l'administration;
10° un représentant des organisations non gouvernementales ayant une expertise en matière de la politique du marché du travail;
11° un représentant de la "Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten" (Association des Villes et Communes flamandes);
12° un représentant du Ministre chargé de l'Enseignement;
13° un représentant du Ministre chargé de l'Emploi;
14° un représentant du Ministre chargé de l'Economie sociale;
15° un représentant du Ministre chargé de l'Economie;
16° un représentant du Ministre flamand chargé de la Politique extérieure;
17° un représentant du Ministre-Président du Gouvernement flamand.
Un représentant de la Commission européenne, de l'autorité de certification, de l'autorité d'audit et des experts peuvent assister avec voix consultative aux réunions.
§ 2. Le Comité flamand de monitoring FSE a pour mission d'approuver les décisions prises et les classifications attribuées conformément à l'article 6 du présent arrêté ou, si le collège d'évaluation, visé à l'article 6 du présent arrêté, ne parvient pas à un accord, de proposer une classification et de décider lui-même sur les demandes déclarées éligibles.
§ 3. Le Comité flamand de monitoring FSE décide par consensus.
§ 4. Le Comité flamand de monitoring FSE établit un règlement d'ordre intérieur et le soumet à l'approbation du Ministre.
§ 5. Le Comité flamand de monitoring FSE peut déléguer une ou plusieurs de ses tâches aux groupes de travail qui sont composés de ses membres et sont dénommés commissions thématiques, horizontales, d'évaluation ou des litiges. "
" Art. 5bis. § 1er. Une commission ad hoc, dénommée "Vlaams monitoringscomité" (Comité flamand de monitoring FSE) est créée. Le Comité flamand de monitoring FSE se compose de :
1° six représentants des partenaires sociaux flamands proposés par le SERV;
2° un représentant du Département de l'Emploi et de l'Economie sociale;
3° un représentant du Département de l'Enseignement et de la Formation;
4° un représentant du Département de l'Economie, des Sciences et de l'Innovation;
5° un représentant de l'Agence de subventionnement;
6° un représentant du SERV;
7° un représentant de "Syntra Vlaanderen";
8° deux représentants du VDAB;
9° deux représentants de l'administration;
10° un représentant des organisations non gouvernementales ayant une expertise en matière de la politique du marché du travail;
11° un représentant de la "Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten" (Association des Villes et Communes flamandes);
12° un représentant du Ministre chargé de l'Enseignement;
13° un représentant du Ministre chargé de l'Emploi;
14° un représentant du Ministre chargé de l'Economie sociale;
15° un représentant du Ministre chargé de l'Economie;
16° un représentant du Ministre flamand chargé de la Politique extérieure;
17° un représentant du Ministre-Président du Gouvernement flamand.
Un représentant de la Commission européenne, de l'autorité de certification, de l'autorité d'audit et des experts peuvent assister avec voix consultative aux réunions.
§ 2. Le Comité flamand de monitoring FSE a pour mission d'approuver les décisions prises et les classifications attribuées conformément à l'article 6 du présent arrêté ou, si le collège d'évaluation, visé à l'article 6 du présent arrêté, ne parvient pas à un accord, de proposer une classification et de décider lui-même sur les demandes déclarées éligibles.
§ 3. Le Comité flamand de monitoring FSE décide par consensus.
§ 4. Le Comité flamand de monitoring FSE établit un règlement d'ordre intérieur et le soumet à l'approbation du Ministre.
§ 5. Le Comité flamand de monitoring FSE peut déléguer une ou plusieurs de ses tâches aux groupes de travail qui sont composés de ses membres et sont dénommés commissions thématiques, horizontales, d'évaluation ou des litiges. "
Art. 10. Artikel 6 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 6. § 1. Het Vlaams monitoringscomité stelt een evaluatiecollege aan dat bestaat uit minstens twee onafhankelijke beoordelaars en een vertegenwoordiger van de administratie. Dat evaluatiecollege beoordeelt de aanvragen voor subsidies die overeenkomstig artikel 5, § 5, ontvankelijk werden verklaard op hun inhoudelijke en financiële kwaliteiten op basis van de volgende criteria :
1° de relevantie van het project ten aanzien van het beleid en de belanghebbenden, waaronder de aandacht voor de tewerkstelling van kansengroepen;
2° de haalbaarheid van het project ten aanzien van de doelen, het werkprogramma en de duurzaamheid;
3° het beheer van het project ten aanzien van management, voortgang en evaluatie, waarbij onder meer rekening kan worden gehouden met de aanwezigheid van een cliëntvolgsysteem.
Het evaluatiecollege rangschikt de ontvankelijk verklaarde aanvragen op basis van de bovenvermelde criteria, stelt een gemotiveerd advies op en legt die rangschikking en dat advies ter bekrachtiging voor aan het Vlaams monitoringscomité. Indien het evaluatiecollege geen overeenstemming bereikt over de rangschikking en het gemotiveerde advies van de ontvankelijk verklaarde aanvragen, beslist het Vlaams monitoringscomité, overeenkomstig artikel 5bis, § 2, van dit besluit.
§ 2. De termijn tussen het indienen van de aanvraag bij de administratie en de beslissing van het Vlaams monitoringscomité overeenkomstig artikel 5bis, § 2, bedraagt maximaal drie maanden. "
" Art. 6. § 1. Het Vlaams monitoringscomité stelt een evaluatiecollege aan dat bestaat uit minstens twee onafhankelijke beoordelaars en een vertegenwoordiger van de administratie. Dat evaluatiecollege beoordeelt de aanvragen voor subsidies die overeenkomstig artikel 5, § 5, ontvankelijk werden verklaard op hun inhoudelijke en financiële kwaliteiten op basis van de volgende criteria :
1° de relevantie van het project ten aanzien van het beleid en de belanghebbenden, waaronder de aandacht voor de tewerkstelling van kansengroepen;
2° de haalbaarheid van het project ten aanzien van de doelen, het werkprogramma en de duurzaamheid;
3° het beheer van het project ten aanzien van management, voortgang en evaluatie, waarbij onder meer rekening kan worden gehouden met de aanwezigheid van een cliëntvolgsysteem.
Het evaluatiecollege rangschikt de ontvankelijk verklaarde aanvragen op basis van de bovenvermelde criteria, stelt een gemotiveerd advies op en legt die rangschikking en dat advies ter bekrachtiging voor aan het Vlaams monitoringscomité. Indien het evaluatiecollege geen overeenstemming bereikt over de rangschikking en het gemotiveerde advies van de ontvankelijk verklaarde aanvragen, beslist het Vlaams monitoringscomité, overeenkomstig artikel 5bis, § 2, van dit besluit.
§ 2. De termijn tussen het indienen van de aanvraag bij de administratie en de beslissing van het Vlaams monitoringscomité overeenkomstig artikel 5bis, § 2, bedraagt maximaal drie maanden. "
Art. 10. L'article 6 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 6. § 1er. Le Comité flamand de monitoring FSE désigne un collège d'évaluation qui se compose d'au moins deux évaluateurs indépendants et d'un représentant de l'administration. Ce collège d'évaluation a pour mission d'évaluer les demandes de subvention qui, conformément à l'article 5, § 5, ont été déclarées éligibles grâce à leurs qualités de fond et financières sur la base des critères suivants :
1° la pertinence du projet à l'égard de la politique et des intéressés, notamment en accordant une attention particulière aux groupes à potentiel;
2° la faisabilité du projet au regard des objectifs, du programme de travail et de la durabilité;
3° la gestion du projet au niveau du management, de l'avancement et de l'évaluation, tout en tenant compte éventuellement de la présence d'un système de suivi des clients.
Le collège d'évaluation établit une classification des demandes déclarées éligibles sur la base des critères susmentionnés, formule un avis motivé et soumet cette classification et cet avis à l'approbation du Comité flamand de monitoring FSE. Si le collège d'évaluation ne parvient pas à un accord sur la classification et l'avis motivé des demandes déclarées éligibles, c'est le Comité flamand de monitoring FSE qui prend une décision conformément à l'article 5bis, § 2, du présent arrêté.
§ 2. Le délai entre le dépôt de la demande auprès de l'administration et la décision du Comité flamand de monitoring FSE conformément à l'article 5bis, § 2, est de trois mois au maximum. "
" Art. 6. § 1er. Le Comité flamand de monitoring FSE désigne un collège d'évaluation qui se compose d'au moins deux évaluateurs indépendants et d'un représentant de l'administration. Ce collège d'évaluation a pour mission d'évaluer les demandes de subvention qui, conformément à l'article 5, § 5, ont été déclarées éligibles grâce à leurs qualités de fond et financières sur la base des critères suivants :
1° la pertinence du projet à l'égard de la politique et des intéressés, notamment en accordant une attention particulière aux groupes à potentiel;
2° la faisabilité du projet au regard des objectifs, du programme de travail et de la durabilité;
3° la gestion du projet au niveau du management, de l'avancement et de l'évaluation, tout en tenant compte éventuellement de la présence d'un système de suivi des clients.
Le collège d'évaluation établit une classification des demandes déclarées éligibles sur la base des critères susmentionnés, formule un avis motivé et soumet cette classification et cet avis à l'approbation du Comité flamand de monitoring FSE. Si le collège d'évaluation ne parvient pas à un accord sur la classification et l'avis motivé des demandes déclarées éligibles, c'est le Comité flamand de monitoring FSE qui prend une décision conformément à l'article 5bis, § 2, du présent arrêté.
§ 2. Le délai entre le dépôt de la demande auprès de l'administration et la décision du Comité flamand de monitoring FSE conformément à l'article 5bis, § 2, est de trois mois au maximum. "
Art. 11. Artikel 8 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 8. Het erkende centrum waarvan de aanvraag voor subsidiëring overeenkomstig artikel 5bis, § 2, werd goedgekeurd, ontvangt jaarlijks een basisfinanciering van 50.000 euro om een kwaliteitsvolle loopbaandienstverlening uit te bouwen en de inhoudelijke uitwerking, promotie of sensibiliseringsactiviteiten en administratieve voortgangscontrole inzake loopbaandienstverlening te realiseren en uit te bouwen.
Het volledige traject loopbaandienstverlening wordt per werkende voor minimaal zes contacturen en maximaal achttien contacturen gesubsidieerd. Het volledige traject loopbaandienstverlening van de werkenden, die behoren tot de kansengroepen, wordt voor maximaal 25 contacturen gesubsidieerd. Het erkende centrum voor loopbaandienstverlening ontvangt een subsidie van maximaal 800 euro per werkende van wie de loopbaan door het desbetreffende centrum volwaardig wordt begeleid overeenkomstig dit besluit voor het hierboven vermelde maximum aantal contacturen van respectievelijk 18 en 25 uren. Indien die werkende al een verkort traject volgde, wordt de maximale subsidie van 800 euro verminderd met 200 euro. De werkende behoudt in dat geval zijn recht op het maximumaantal contacturen.
Tijdens het kalenderjaar van het zesde uur begeleiding ontvangt het erkende centrum voor loopbaandienstverlening eveneens een eenmalige subsidie van 800 euro voor de werkende die wordt begeleid via het volledige traject loopbaandienstverlening, vermeld in artikel 8, tweede lid, van dit besluit.
Het verkort traject loopbaandienstverlening wordt per werkende voor minimaal twee contacturen en maximaal vijf contacturen gesubsidieerd voor een totaal maximumbedrag van 200 euro. Die verkorte trajecten mogen maximaal vijftien procent uitmaken van de volledige werking van het erkende centrum voor loopbaandienstverlening. Het erkend centrum voor loopbaandienstverlening mag bovendien voor de verkorte trajecten geen promotie voeren.
Het traject nazorg wordt per werkende, die behoort tot de kansengroepen voor minimaal twee contacturen en maximaal vier contacturen gesubsidieerd voor een totaal maximumbedrag van 200 euro.
De gesubsidieerde basis omvat alle kosten die toegestaan zijn volgens de regels van het Europees Sociaal Fonds. "
" Art. 8. Het erkende centrum waarvan de aanvraag voor subsidiëring overeenkomstig artikel 5bis, § 2, werd goedgekeurd, ontvangt jaarlijks een basisfinanciering van 50.000 euro om een kwaliteitsvolle loopbaandienstverlening uit te bouwen en de inhoudelijke uitwerking, promotie of sensibiliseringsactiviteiten en administratieve voortgangscontrole inzake loopbaandienstverlening te realiseren en uit te bouwen.
Het volledige traject loopbaandienstverlening wordt per werkende voor minimaal zes contacturen en maximaal achttien contacturen gesubsidieerd. Het volledige traject loopbaandienstverlening van de werkenden, die behoren tot de kansengroepen, wordt voor maximaal 25 contacturen gesubsidieerd. Het erkende centrum voor loopbaandienstverlening ontvangt een subsidie van maximaal 800 euro per werkende van wie de loopbaan door het desbetreffende centrum volwaardig wordt begeleid overeenkomstig dit besluit voor het hierboven vermelde maximum aantal contacturen van respectievelijk 18 en 25 uren. Indien die werkende al een verkort traject volgde, wordt de maximale subsidie van 800 euro verminderd met 200 euro. De werkende behoudt in dat geval zijn recht op het maximumaantal contacturen.
Tijdens het kalenderjaar van het zesde uur begeleiding ontvangt het erkende centrum voor loopbaandienstverlening eveneens een eenmalige subsidie van 800 euro voor de werkende die wordt begeleid via het volledige traject loopbaandienstverlening, vermeld in artikel 8, tweede lid, van dit besluit.
Het verkort traject loopbaandienstverlening wordt per werkende voor minimaal twee contacturen en maximaal vijf contacturen gesubsidieerd voor een totaal maximumbedrag van 200 euro. Die verkorte trajecten mogen maximaal vijftien procent uitmaken van de volledige werking van het erkende centrum voor loopbaandienstverlening. Het erkend centrum voor loopbaandienstverlening mag bovendien voor de verkorte trajecten geen promotie voeren.
Het traject nazorg wordt per werkende, die behoort tot de kansengroepen voor minimaal twee contacturen en maximaal vier contacturen gesubsidieerd voor een totaal maximumbedrag van 200 euro.
De gesubsidieerde basis omvat alle kosten die toegestaan zijn volgens de regels van het Europees Sociaal Fonds. "
Art. 11. L'article 8 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 8. Le centre agréé dont la demande de subvention a été approuvée conformément à l'article 5bis, § 2, reçoit chaque année un financement de base de 50.000 euros pour développer des services carrière de qualité ainsi que pour réaliser et développer le contenu, la promotion ou les activités de sensibilisation et le suivi administratif des services carrière.
Le parcours complet de services carrière est subventionné par travailleur, à raison de six heures de contact au minimum et de dix-huit heures de contact au maximum. Le parcours complet de services carrière des travailleurs qui appartiennent aux groupes à potentiel est subventionné à raison de 25 heures de contact au maximum. Le centre de services carrière agréé reçoit une subvention de 800 euros au maximum par travailleur dont la carrière est accompagnée par le centre en question conformément au présent arrêté, et ce à raison des nombres d'heures de contact susvisés de 18 et de 25 heures au maximum. Si ce travailleur a déjà suivi un parcours réduit, la subvention maximale de 800 euros est réduit de 200 euros. Dans ce cas le travailleur garde son droit au nombre maximum d'heures de contact.
Pendant l'année calendaire de la sixième heure d'accompagnement, le centre de services carrière agréé reçoit également une subvention unique de 800 euros pour le travailleur qui est accompagné via le parcours complet de services carrière, visé à l'article 8, deuxième alinéa du présent arrêté.
Le parcours réduit de services carrière est subventionné par travailleur, à raison de deux heures de contact au minimum et de cinq heures de contact au maximum pour un montant maximum de 200 euros. Ces parcours réduits ne peuvent dépasser quinze pour cent du fonctionnement global du centre de services carrière agréé. De plus, le centre de services carrière agréé ne peut pas promouvoir ces parcours réduits.
Le parcours de suivi est subventionné par travailleur appartenant aux groupes à potentiel, à raison de deux heures de contact au minimum et de quatre heures de contact au maximum pour un montant maximum de 200 euros.
La base subventionnable comprend tous les frais admis par les règles du Fonds social européen.
" Art. 8. Le centre agréé dont la demande de subvention a été approuvée conformément à l'article 5bis, § 2, reçoit chaque année un financement de base de 50.000 euros pour développer des services carrière de qualité ainsi que pour réaliser et développer le contenu, la promotion ou les activités de sensibilisation et le suivi administratif des services carrière.
Le parcours complet de services carrière est subventionné par travailleur, à raison de six heures de contact au minimum et de dix-huit heures de contact au maximum. Le parcours complet de services carrière des travailleurs qui appartiennent aux groupes à potentiel est subventionné à raison de 25 heures de contact au maximum. Le centre de services carrière agréé reçoit une subvention de 800 euros au maximum par travailleur dont la carrière est accompagnée par le centre en question conformément au présent arrêté, et ce à raison des nombres d'heures de contact susvisés de 18 et de 25 heures au maximum. Si ce travailleur a déjà suivi un parcours réduit, la subvention maximale de 800 euros est réduit de 200 euros. Dans ce cas le travailleur garde son droit au nombre maximum d'heures de contact.
Pendant l'année calendaire de la sixième heure d'accompagnement, le centre de services carrière agréé reçoit également une subvention unique de 800 euros pour le travailleur qui est accompagné via le parcours complet de services carrière, visé à l'article 8, deuxième alinéa du présent arrêté.
Le parcours réduit de services carrière est subventionné par travailleur, à raison de deux heures de contact au minimum et de cinq heures de contact au maximum pour un montant maximum de 200 euros. Ces parcours réduits ne peuvent dépasser quinze pour cent du fonctionnement global du centre de services carrière agréé. De plus, le centre de services carrière agréé ne peut pas promouvoir ces parcours réduits.
Le parcours de suivi est subventionné par travailleur appartenant aux groupes à potentiel, à raison de deux heures de contact au minimum et de quatre heures de contact au maximum pour un montant maximum de 200 euros.
La base subventionnable comprend tous les frais admis par les règles du Fonds social européen.
Art. 12. In artikel 10 van hetzelfde besluit wordt de zin " De minister bepaalt de periodes voor het indienen van aanvragen voor subsidies " geschrapt.
Art. 12. Dans l'article 10 du même arrêté, la phrase " Le Ministre fixe les périodes de l'introduction des demandes de subventions " est supprimée.
Art. 13. In hetzelfde besluit wordt een artikel 12bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 12bis. § 1. De subsidies binnen dit hoofdstuk worden toegekend binnen de voorwaarden en de grenzen vermeld in de Verordening (EG) nr. 68/2001 van de Commissie van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op de opleidingssteun (gepubliceerd in PB L 10 van 13 januari 2001, blz. 20). "
" Art. 12bis. § 1. De subsidies binnen dit hoofdstuk worden toegekend binnen de voorwaarden en de grenzen vermeld in de Verordening (EG) nr. 68/2001 van de Commissie van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op de opleidingssteun (gepubliceerd in PB L 10 van 13 januari 2001, blz. 20). "
Art. 13. Dans le même arrêté, il est inséré un article 12bis ainsi rédigé :
" Art. 12bis. § 1er. Les subventions visées au présent chapitre sont accordées dans les conditions et limites définies par le Règlement (CE) n° 68/2001 de la Commission du 12 janvier 2001 concernant l'application des articles 87 et 88 du traité CE aux aides à la formation (publiées au JO L10 du 13 janvier 2001, p. 20). "
" Art. 12bis. § 1er. Les subventions visées au présent chapitre sont accordées dans les conditions et limites définies par le Règlement (CE) n° 68/2001 de la Commission du 12 janvier 2001 concernant l'application des articles 87 et 88 du traité CE aux aides à la formation (publiées au JO L10 du 13 janvier 2001, p. 20). "
Art. 14. Artikel 13 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt :
" Art.13. Het ESF-Agentschap en de afdeling Inspectie Werk en Sociale Economie van het Departement Werk en Sociale Economie zijn gerechtigd om controle uit te oefenen op de naleving van dit besluit en op de aanwending van de toegekende gelden overeenkomstig artikel 56 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991. "
" Art.13. Het ESF-Agentschap en de afdeling Inspectie Werk en Sociale Economie van het Departement Werk en Sociale Economie zijn gerechtigd om controle uit te oefenen op de naleving van dit besluit en op de aanwending van de toegekende gelden overeenkomstig artikel 56 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991. "
Art. 14. L'article 13 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 13. L'Agence FSE et la Division de l'Inspection de l'Emploi et de l'Economie sociale du Département de l'Emploi et de l'Economie sociale sont habilitées à exercer un contrôle du respect des dispositions du présent arrêté et de l'affectation des fonds attribués conformément à l'article 56 des lois sur la Comptabilité de l'Etat, coordonnées le 17 juillet 1991. "
" Art. 13. L'Agence FSE et la Division de l'Inspection de l'Emploi et de l'Economie sociale du Département de l'Emploi et de l'Economie sociale sont habilitées à exercer un contrôle du respect des dispositions du présent arrêté et de l'affectation des fonds attribués conformément à l'article 56 des lois sur la Comptabilité de l'Etat, coordonnées le 17 juillet 1991. "
Art. 15. In artikel 14 van hetzelfde besluit worden tussen de woorden " de sociaalrechtelijke inspecteurs " en de woorden " nemen de nodige maatregelen " de woorden " en het ESF-Agentschap " ingevoegd.
Art. 15. Dans l'article 14 du même arrêté, les mots "et l'Agence FSE" sont insérés entre les mots "Les inspecteurs des lois sociales" et les mots "prennent les mesures qui s'imposent".
Art. 16. Aan artikel 15 van hetzelfde besluit worden de woorden " en aan het ESF-Agentschap " toegevoegd.
Art. 16. A l'article 15 du même arrêté, les mots "et à l'Agence FSE" sont ajoutés.
HOOFDSTUK II. - Wijzigingsbepalingen aan het besluit van de Vlaamse Regering van 23 september 2005 tot uitvoering van het decreet van 30 april 2004 betreffende het verwerven van een titel van beroepsbekwaamheid.
CHAPITRE II. - Dispositions modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 septembre 2005 portant exécution du décret du 30 avril 2004 relatif à l'obtention d'un titre de compétence professionnelle.
Art. 17. In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 september 2005 tot uitvoering van het decreet van 30 april 2004 betreffende het verwerven van een titel van beroepsbekwaamheid, worden punten 5°, 9°, 17° en 18° vervangen door wat volgt :
" 5° kansengroepen : personen die behoren tot een van de volgende groepen :
a) allochtoon :
1) personen met een sociaal-culturele herkomst van een ander land die legaal in België verblijven, die al dan niet Belg zijn geworden en die bovendien aan een van de volgende voorwaarden voldoen :
i) zij of hun ouders zijn in het kader van gastarbeid en volgmigratie naar ons land gekomen;
ii) ze hebben de status van ontvankelijk verklaarde asielzoeker of van vluchteling verkregen;
iii) ze hebben door regularisatie recht op verblijf in België verworven;
2) personen die geen burger van de Europese Economische Ruimte zijn of van wie minstens een van de ouders of twee van de grootouders geen burger van de Europese Unie zijn;
b) personen met een arbeidshandicap : mensen met een aantasting van hun mentale, psychische, lichamelijke of zintuiglijke mogelijkheden, voor wie het uitzicht op het verwerven en behouden van een arbeidsplaats en op vooruitgang op die plaats, langdurig en in belangrijke mate beperkt is of bedreigd wordt;
c) ervaren werknemers : werknemers als vermeld in artikel 2, 2°, van het decreet van 8 mei 2002 houdende evenredige participatie op de arbeidsmarkt, die ouder zijn dan 50 jaar en jonger dan 65 jaar;
d) kortgeschoolden : personen die aan een van de volgende voorwaarden voldoen :
1) ze zijn houder van ten hoogste een diploma van het lager secundair onderwijs;
2) ze zijn houder van een getuigschrift van een middenstandsopleiding;
3) ze zijn houder van een niet-erkend buitenlands diploma;
e) middengeschoolden : personen die houder zijn van ten hoogste een diploma van het hoger secundair onderwijs;
9° het Departement Werk en Sociale Economie : het Departement Werk en Sociale Economie van de Vlaamse overheid;
17° het ESF-Agentschap : het privaatrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap ESF-Agentschap Vlaanderen, vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 8 november 2002 houdende de oprichting van de VZW ESF-Agentschap;
18° de regels van het Europees Sociaal Fonds : de subsidiabiliteitsregels, vermeld in Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1260/1999, in Verordening (EG) nr. 1081/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1784/1999 en in Verordening (EG) nr. 1828/2006 van de Commissie van 8 december 2006 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds, en van Verordening (EG) nr. 1080/2006 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling. "
" 5° kansengroepen : personen die behoren tot een van de volgende groepen :
a) allochtoon :
1) personen met een sociaal-culturele herkomst van een ander land die legaal in België verblijven, die al dan niet Belg zijn geworden en die bovendien aan een van de volgende voorwaarden voldoen :
i) zij of hun ouders zijn in het kader van gastarbeid en volgmigratie naar ons land gekomen;
ii) ze hebben de status van ontvankelijk verklaarde asielzoeker of van vluchteling verkregen;
iii) ze hebben door regularisatie recht op verblijf in België verworven;
2) personen die geen burger van de Europese Economische Ruimte zijn of van wie minstens een van de ouders of twee van de grootouders geen burger van de Europese Unie zijn;
b) personen met een arbeidshandicap : mensen met een aantasting van hun mentale, psychische, lichamelijke of zintuiglijke mogelijkheden, voor wie het uitzicht op het verwerven en behouden van een arbeidsplaats en op vooruitgang op die plaats, langdurig en in belangrijke mate beperkt is of bedreigd wordt;
c) ervaren werknemers : werknemers als vermeld in artikel 2, 2°, van het decreet van 8 mei 2002 houdende evenredige participatie op de arbeidsmarkt, die ouder zijn dan 50 jaar en jonger dan 65 jaar;
d) kortgeschoolden : personen die aan een van de volgende voorwaarden voldoen :
1) ze zijn houder van ten hoogste een diploma van het lager secundair onderwijs;
2) ze zijn houder van een getuigschrift van een middenstandsopleiding;
3) ze zijn houder van een niet-erkend buitenlands diploma;
e) middengeschoolden : personen die houder zijn van ten hoogste een diploma van het hoger secundair onderwijs;
9° het Departement Werk en Sociale Economie : het Departement Werk en Sociale Economie van de Vlaamse overheid;
17° het ESF-Agentschap : het privaatrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap ESF-Agentschap Vlaanderen, vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 8 november 2002 houdende de oprichting van de VZW ESF-Agentschap;
18° de regels van het Europees Sociaal Fonds : de subsidiabiliteitsregels, vermeld in Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1260/1999, in Verordening (EG) nr. 1081/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1784/1999 en in Verordening (EG) nr. 1828/2006 van de Commissie van 8 december 2006 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds, en van Verordening (EG) nr. 1080/2006 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling. "
Art. 17. Dans l'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 septembre 2005 portant exécution du décret du 30 avril 2004 relatif à l'obtention d'un titre de compétence professionnelle, les points 5°, 9°, 17° et 18° sont remplacés par ce qui suit :
" 5° groupes à potentiel : les personnes appartenant aux groupes de population suivants :
a) allochtones :
1) les personnes d'origine socioculturelle différente issues de l'immigration et séjournant légalement en Belgique, qui sont devenues belges ou non et qui remplissent en outre l'une des conditions suivantes :
i) ces personnes ou leurs parents sont venus à notre pays en tant que travailleurs étrangers ou dans le cadre d'un regroupement familial;
ii) ces personnes ont obtenu le statut de demandeur d'asile déclaré recevable ou de réfugié;
iii) ces personnes ont acquis le droit de séjour en Belgique par la régularisation;
2) les personnes qui ne sont pas citoyens de l'Espace économique européen ou dont au moins un des parents ou deux des grands-parents ne sont pas citoyens de l'Union européenne;
b) personnes handicapées du travail : les personnes dont les possibilités mentales, psychiques ou sensorielles sont diminuées, ce qui réduit ou menace pour une durée prolongée et dans une mesure importante leurs perspectives d'obtenir et de maintenir un emploi et de progresser dans cet emploi;
c) travailleurs expérimentés : les travailleurs tels que visés à l'article 2, 2°, du décret du 8 mai 2002 relatif à la participation proportionnelle au marché de l'emploi, âgés de 50 à 65 ans;
d) peu scolarisés : les personnes qui remplissent une des conditions suivantes :
1) être titulaire au plus d'un diplôme de l'enseignement secondaire inférieur;
2) être titulaire d'un certificat d'une formation des classes moyennes;
3) être titulaire d'un diplôme étranger non agréé;
e) personnes de moyenne scolarisation : les personnes qui sont titulaires au plus d'un diplôme de l'enseignement secondaire supérieur;
9° Département de l'Emploi et de l'Economie sociale; le Département de l'Emploi et de l'Economie sociale de l'Autorité flamande;
17° Agence FSE : l'agence autonomisée externe de droit privé "ESF-Agentschap Vlaanderen", visée à l'article 2, § 1er, du décret du 8 novembre 2002 portant création de l'ASBL "ESF-Agentschap" (Agence FSE);
18° les règles du Fonds social européen : les règles d'éligibilité, visées au Règlement (CE) n° 1083/2006 du Conseil du 11 juillet 2006 portant dispositions générales sur le Fonds européen de développement régional, le Fonds social européen et le Fonds de Cohésion, et abrogeant le Règlement (CE) n° 1260/1999, au Règlement (CE) n° 1081/2006 du Parlement européen et du Conseil du 5 juillet 2006 relatif au Fonds social européen et abrogeant le Règlement (CE) n° 1784/1999, et au Règlement (CE) n° 1828/2006 de la Commission du 8 décembre 2006 établissant les modalités d'exécution du Règlement (CE) n° 1083/2006 du Conseil portant dispositions générales sur le Fonds européen de Développement régional, le Fonds social européen et le Fonds de Cohésion, et du Règlement (CE) n° 1080/2006 du Parlement européen et du Conseil relatif au Fonds européen de Développement régional. "
" 5° groupes à potentiel : les personnes appartenant aux groupes de population suivants :
a) allochtones :
1) les personnes d'origine socioculturelle différente issues de l'immigration et séjournant légalement en Belgique, qui sont devenues belges ou non et qui remplissent en outre l'une des conditions suivantes :
i) ces personnes ou leurs parents sont venus à notre pays en tant que travailleurs étrangers ou dans le cadre d'un regroupement familial;
ii) ces personnes ont obtenu le statut de demandeur d'asile déclaré recevable ou de réfugié;
iii) ces personnes ont acquis le droit de séjour en Belgique par la régularisation;
2) les personnes qui ne sont pas citoyens de l'Espace économique européen ou dont au moins un des parents ou deux des grands-parents ne sont pas citoyens de l'Union européenne;
b) personnes handicapées du travail : les personnes dont les possibilités mentales, psychiques ou sensorielles sont diminuées, ce qui réduit ou menace pour une durée prolongée et dans une mesure importante leurs perspectives d'obtenir et de maintenir un emploi et de progresser dans cet emploi;
c) travailleurs expérimentés : les travailleurs tels que visés à l'article 2, 2°, du décret du 8 mai 2002 relatif à la participation proportionnelle au marché de l'emploi, âgés de 50 à 65 ans;
d) peu scolarisés : les personnes qui remplissent une des conditions suivantes :
1) être titulaire au plus d'un diplôme de l'enseignement secondaire inférieur;
2) être titulaire d'un certificat d'une formation des classes moyennes;
3) être titulaire d'un diplôme étranger non agréé;
e) personnes de moyenne scolarisation : les personnes qui sont titulaires au plus d'un diplôme de l'enseignement secondaire supérieur;
9° Département de l'Emploi et de l'Economie sociale; le Département de l'Emploi et de l'Economie sociale de l'Autorité flamande;
17° Agence FSE : l'agence autonomisée externe de droit privé "ESF-Agentschap Vlaanderen", visée à l'article 2, § 1er, du décret du 8 novembre 2002 portant création de l'ASBL "ESF-Agentschap" (Agence FSE);
18° les règles du Fonds social européen : les règles d'éligibilité, visées au Règlement (CE) n° 1083/2006 du Conseil du 11 juillet 2006 portant dispositions générales sur le Fonds européen de développement régional, le Fonds social européen et le Fonds de Cohésion, et abrogeant le Règlement (CE) n° 1260/1999, au Règlement (CE) n° 1081/2006 du Parlement européen et du Conseil du 5 juillet 2006 relatif au Fonds social européen et abrogeant le Règlement (CE) n° 1784/1999, et au Règlement (CE) n° 1828/2006 de la Commission du 8 décembre 2006 établissant les modalités d'exécution du Règlement (CE) n° 1083/2006 du Conseil portant dispositions générales sur le Fonds européen de Développement régional, le Fonds social européen et le Fonds de Cohésion, et du Règlement (CE) n° 1080/2006 du Parlement européen et du Conseil relatif au Fonds européen de Développement régional. "
Art. 18. In hetzelfde besluit wordt een artikel 6bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 6bis. Een erkende beoordelingsinstantie kan bij de uitvoering van het project, een beroep doen op personen die geen werknemers zijn van de beoordelingsinstanties, op voorwaarde dat die personen aan de volgende voorwaarden voldoen :
1° het zijn natuurlijke personen;
2° ze beschikken over expertise met betrekking tot het beoordelen van competenties, namelijk :
(a) ze zijn vertrouwd met de beroepsuitoefening die verbonden is aan de titel van beroepsbekwaamheid;
(b) ze beschikken over bewezen kennis en effectieve ervaring van minstens een jaar met betrekking tot het beoordelen van verworven competenties. De minister kan nadere ervaring gelijkstellen met bovengenoemde ervaring in het beoordelen van verworven competenties aan de hand van een curriculum vitae waarin de relevante ervaring wordt bewezen. Bij minder dan een jaar ervaring dient de beoordelaar onder rechtstreekse supervisie van een meer ervaren beoordelaar te werken. De meer ervaren beoordelaar draagt in dat geval ook de eindverantwoordelijkheid voor het verloop van de beoordeling;
(c) ze hebben voor de dienstverlening inzake het beoordelen van competenties, een training gevolgd die gericht is op de ontwikkeling van de eigen deskundigheid met betrekking tot het vervullen van de dienstverlening, vermeld in artikel 7;
3° ze oefenen alleen de taken uit, vermeld in artikel 7, 4°;
4° ze ontvangen voor de uitoefening van de taken, vermeld in artikel 7, 4°, maximaal 125 euro per uur van de beoordelingsinstantie, zonder dat de totaal uitgekeerde vergoeding voor de uitoefening van die taken meer mag bedragen dan dertig procent van de totale subsidie, vermeld in artikel 9 van dit besluit;
4° ze leveren zelf geen doelpubliek aan voor de beoordeling. "
" Art. 6bis. Een erkende beoordelingsinstantie kan bij de uitvoering van het project, een beroep doen op personen die geen werknemers zijn van de beoordelingsinstanties, op voorwaarde dat die personen aan de volgende voorwaarden voldoen :
1° het zijn natuurlijke personen;
2° ze beschikken over expertise met betrekking tot het beoordelen van competenties, namelijk :
(a) ze zijn vertrouwd met de beroepsuitoefening die verbonden is aan de titel van beroepsbekwaamheid;
(b) ze beschikken over bewezen kennis en effectieve ervaring van minstens een jaar met betrekking tot het beoordelen van verworven competenties. De minister kan nadere ervaring gelijkstellen met bovengenoemde ervaring in het beoordelen van verworven competenties aan de hand van een curriculum vitae waarin de relevante ervaring wordt bewezen. Bij minder dan een jaar ervaring dient de beoordelaar onder rechtstreekse supervisie van een meer ervaren beoordelaar te werken. De meer ervaren beoordelaar draagt in dat geval ook de eindverantwoordelijkheid voor het verloop van de beoordeling;
(c) ze hebben voor de dienstverlening inzake het beoordelen van competenties, een training gevolgd die gericht is op de ontwikkeling van de eigen deskundigheid met betrekking tot het vervullen van de dienstverlening, vermeld in artikel 7;
3° ze oefenen alleen de taken uit, vermeld in artikel 7, 4°;
4° ze ontvangen voor de uitoefening van de taken, vermeld in artikel 7, 4°, maximaal 125 euro per uur van de beoordelingsinstantie, zonder dat de totaal uitgekeerde vergoeding voor de uitoefening van die taken meer mag bedragen dan dertig procent van de totale subsidie, vermeld in artikel 9 van dit besluit;
4° ze leveren zelf geen doelpubliek aan voor de beoordeling. "
Art. 18. Dans le même arrêté, il est inséré un article 6bis, rédigé ainsi qu'il suit :
" Art. 6bis. Lors de l'exécution du projet, une instance d'évaluation agréée peut faire appel aux personnes qui ne sont pas des travailleurs des instances d'évaluation à la condition que ces personnes remplissent les conditions suivantes :
1° ce sont des personnes physiques;
2° elles ont l'expertise nécessaire pour évaluer les compétences, notamment :
(a) elles se sont familiarisées avec la pratique professionnelle liée au titre de compétence professionnelle;
(b) elles ont déjà justifié des connaissances requises et une expérience effective d'au moins un an sur le plan de l'évaluation de compétences acquises. Le Ministre peut assimiler une expérience spécifique à l'expérience susvisée pour ce qui est de l'évaluation de compétences acquises, par le biais d'un curriculum vitae démontrant l'expérience pertinente. En cas d'une expérience inférieure à un an, l'évaluateur doit travailler sous la supervision directe d'un évaluateur plus expérimenté. L'évaluateur plus expérimenté est de ce fait responsable final du déroulement de l'évaluation;
(c) elles ont suivi, pour fournir des services d'évaluation des compétences, une formation axée sur le développement de la propre expertise dans la prestation des services visés à l'article 7;
3° elles n'exercent que les tâches prévues à l'article 7, 4°;
4° pour l'exercice des tâches visées à l'article 7, 4°, elles obtiennent au maximum 125 euros par heure de l'instance d'évaluation, sans que le total de l'indemnité versée pour l'exercice de ces tâches ne puisse excéder trente pour cent de la subvention globale, visée à l'article 9 du présent arrêté;
4° elles ne fournissent pas elles-mêmes un public-cible pour l'évaluation. "
" Art. 6bis. Lors de l'exécution du projet, une instance d'évaluation agréée peut faire appel aux personnes qui ne sont pas des travailleurs des instances d'évaluation à la condition que ces personnes remplissent les conditions suivantes :
1° ce sont des personnes physiques;
2° elles ont l'expertise nécessaire pour évaluer les compétences, notamment :
(a) elles se sont familiarisées avec la pratique professionnelle liée au titre de compétence professionnelle;
(b) elles ont déjà justifié des connaissances requises et une expérience effective d'au moins un an sur le plan de l'évaluation de compétences acquises. Le Ministre peut assimiler une expérience spécifique à l'expérience susvisée pour ce qui est de l'évaluation de compétences acquises, par le biais d'un curriculum vitae démontrant l'expérience pertinente. En cas d'une expérience inférieure à un an, l'évaluateur doit travailler sous la supervision directe d'un évaluateur plus expérimenté. L'évaluateur plus expérimenté est de ce fait responsable final du déroulement de l'évaluation;
(c) elles ont suivi, pour fournir des services d'évaluation des compétences, une formation axée sur le développement de la propre expertise dans la prestation des services visés à l'article 7;
3° elles n'exercent que les tâches prévues à l'article 7, 4°;
4° pour l'exercice des tâches visées à l'article 7, 4°, elles obtiennent au maximum 125 euros par heure de l'instance d'évaluation, sans que le total de l'indemnité versée pour l'exercice de ces tâches ne puisse excéder trente pour cent de la subvention globale, visée à l'article 9 du présent arrêté;
4° elles ne fournissent pas elles-mêmes un public-cible pour l'évaluation. "
Art. 19. Aan artikel 7 van hetzelfde besluit wordt een punt 9° toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 9° het registreren van de begeleidings- en beoordelingsacties van de aanvragers door middel van een cliëntvolgsysteem. "
" 9° het registreren van de begeleidings- en beoordelingsacties van de aanvragers door middel van een cliëntvolgsysteem. "
Art. 19. A l'article 7 du même arrêté, il est ajouté un point 9° ainsi rédigé :
" 9° l'enregistrement des actions d'accompagnement et d'évaluation des demandeurs par la voie d'un système de suivi des clients. "
" 9° l'enregistrement des actions d'accompagnement et d'évaluation des demandeurs par la voie d'un système de suivi des clients. "
Art. 20. In artikel 12 van hetzelfde besluit worden volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 1 wordt vervangen door wat volgt :
" § 1. Om een kwaliteitsvolle dienstverlening uit te bouwen overeenkomstig artikel 6 en 7, alsook om de inhoudelijke uitwerking, promotie en sensibiliseringsactiviteiten en de administratieve voortgangscontrole ervan te realiseren, ontvangt de erkende beoordelingsinstantie een eenmalige opstartvergoeding ten bedrage van 15.000 euro, vermeerderd met een bedrag van 5.000 euro per extra titel waarvoor de erkende beoordelingsinstantie optreedt. "
2° in § 2 wordt het getal " 200 " vervangen door het getal " 240 ";
3° in § 3 worden de getallen " 800 ", " 1 000 ", en " 1 200 " respectievelijk vervangen door de getallen " 960 ", " 1 200 " en " 1 440 ".
1° § 1 wordt vervangen door wat volgt :
" § 1. Om een kwaliteitsvolle dienstverlening uit te bouwen overeenkomstig artikel 6 en 7, alsook om de inhoudelijke uitwerking, promotie en sensibiliseringsactiviteiten en de administratieve voortgangscontrole ervan te realiseren, ontvangt de erkende beoordelingsinstantie een eenmalige opstartvergoeding ten bedrage van 15.000 euro, vermeerderd met een bedrag van 5.000 euro per extra titel waarvoor de erkende beoordelingsinstantie optreedt. "
2° in § 2 wordt het getal " 200 " vervangen door het getal " 240 ";
3° in § 3 worden de getallen " 800 ", " 1 000 ", en " 1 200 " respectievelijk vervangen door de getallen " 960 ", " 1 200 " en " 1 440 ".
Art. 20. A l'article 12 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
1° le § 1er est remplacé par les dispositions suivantes :
" § 1er. Dans le but de développer des services carrière de qualité conformément aux articles 6 et 7, de réaliser l'élaboration du contenu, la promotion ou les activités de sensibilisation ainsi que le suivi administratif de ces services carrière, l'instance d'évaluation agréée reçoit une indemnité initiale unique à concurrence de 15.000 euros, majorée d'un montant de 5.000 euros par titre supplémentaire pour lequel l'instance d'évaluation agréée intervient. "
2° au § 2, le nombre "200" est remplacé par le nombre "240";
3° au § 3, les nombres "800", "1 000" et "1 200" sont remplacés par les nombres "960", "1 200" et "1 440".
1° le § 1er est remplacé par les dispositions suivantes :
" § 1er. Dans le but de développer des services carrière de qualité conformément aux articles 6 et 7, de réaliser l'élaboration du contenu, la promotion ou les activités de sensibilisation ainsi que le suivi administratif de ces services carrière, l'instance d'évaluation agréée reçoit une indemnité initiale unique à concurrence de 15.000 euros, majorée d'un montant de 5.000 euros par titre supplémentaire pour lequel l'instance d'évaluation agréée intervient. "
2° au § 2, le nombre "200" est remplacé par le nombre "240";
3° au § 3, les nombres "800", "1 000" et "1 200" sont remplacés par les nombres "960", "1 200" et "1 440".
Art. 21. Aan artikel 12 van hetzelfde besluit wordt een § 4 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 4. De subsidieerbare basis omvat alle kosten die zijn toegestaan volgens de regels van het Europees Sociaal Fonds. Indien de aanvrager een sectoraal opleidingsfonds is, is er geen verplichting tot een sectorale inbreng van twintig procent. "
" § 4. De subsidieerbare basis omvat alle kosten die zijn toegestaan volgens de regels van het Europees Sociaal Fonds. Indien de aanvrager een sectoraal opleidingsfonds is, is er geen verplichting tot een sectorale inbreng van twintig procent. "
Art. 21. A l'article 12 du même arrêté, il est ajouté un § 4, rédigé comme suit :
" § 4. La base subventionnable comprend tous les frais admis par les règles du Fonds social européen. Si le demandeur est un fonds sectoriel de formation, une cotisation sectorielle de vingt pour cent n'est pas requise. "
" § 4. La base subventionnable comprend tous les frais admis par les règles du Fonds social européen. Si le demandeur est un fonds sectoriel de formation, une cotisation sectorielle de vingt pour cent n'est pas requise. "
Art. 22. Artikel 13 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 13. Jaarlijks kan op verzoek van de erkende beoordelingsinstantie een voorschot van één vijfde van de totale goedgekeurde subsidie worden uitbetaald overeenkomstig de regels van het Europees Sociaal Fonds. Het saldo van de toegekende subsidie wordt uitgekeerd overeenkomstig de regels van het Europees Sociaal Fonds. "
" Art. 13. Jaarlijks kan op verzoek van de erkende beoordelingsinstantie een voorschot van één vijfde van de totale goedgekeurde subsidie worden uitbetaald overeenkomstig de regels van het Europees Sociaal Fonds. Het saldo van de toegekende subsidie wordt uitgekeerd overeenkomstig de regels van het Europees Sociaal Fonds. "
Art. 22. L'article 13 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 13. A la demande de l'instance d'évaluation agréée, une avance d'un cinquième de la subvention globale approuvée peut être payée annuellement conformément aux règles du Fonds social européen. Le solde de la subvention octroyée est liquidé conformément aux règles du Fonds social européen. "
" Art. 13. A la demande de l'instance d'évaluation agréée, une avance d'un cinquième de la subvention globale approuvée peut être payée annuellement conformément aux règles du Fonds social européen. Le solde de la subvention octroyée est liquidé conformément aux règles du Fonds social européen. "
Art. 23. In hetzelfde besluit wordt een artikel 15bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 15bis. § 1. De subsidies binnen dit hoofdstuk worden toegekend binnen de voorwaarden en de grenzen vermeld in de Verordening (EG) nr. 68/2001 van de Commissie van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op de opleidingssteun (gepubliceerd in PB L 10 van 13 januari 2001, blz. 20). "
" Art. 15bis. § 1. De subsidies binnen dit hoofdstuk worden toegekend binnen de voorwaarden en de grenzen vermeld in de Verordening (EG) nr. 68/2001 van de Commissie van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op de opleidingssteun (gepubliceerd in PB L 10 van 13 januari 2001, blz. 20). "
Art. 23. Dans le même arrêté, il est inséré un article 15bis ainsi rédigé :
" Art. 15bis. § 1er. Les subventions visées au présent chapitre sont accordées dans les conditions et limites définies par le Règlement (CE) n° 68/2001 de la Commission du 12 janvier 2001 concernant l'application des articles 87 et 88 du traité CE aux aides à la formation (publiées au JO L10 du 13 janvier 2001, p. 20). "
" Art. 15bis. § 1er. Les subventions visées au présent chapitre sont accordées dans les conditions et limites définies par le Règlement (CE) n° 68/2001 de la Commission du 12 janvier 2001 concernant l'application des articles 87 et 88 du traité CE aux aides à la formation (publiées au JO L10 du 13 janvier 2001, p. 20). "
HOOFDSTUK III. - Slot- en overgangsbepalingen.
CHAPITRE III. - Dispositions finales et transitoires.
Art. 24. De subsidies die voor de inwerkingtreding van dit besluit op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 augustus 2004 betreffende de erkenning en subsidiëring van centra voor beroepsopleiding aan de erkende centra voor loopbaandienstverlening werden toegekend, kunnen verder worden uitgekeerd voor de resterende termijnen.
Art. 24. Les subventions qui sont accordées avant l'entrée en vigueur du présent arrêté aux centres de services carrière agréés en application de l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 août 2004 relatif à l'agrément et au subventionnement de centres de services carrière, peuvent continuer à être octroyées pour les périodes restantes.
Art. 25. De subsidies die voor de inwerkingtreding van dit besluit op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 september 2005 tot uitvoering van het decreet van 30 april 2004 betreffende het verwerven van een titel van beroepsbekwaamheid werden toegekend, kunnen verder worden uitgekeerd voor de resterende termijnen.
Art. 25. Les subventions qui sont accordées avant l'entrée en vigueur du présent arrêté aux centres de services carrière agréés en application de l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 septembre 2005 portant exécution du décret du 30 avril 2004 relatif à l'obtention d'un titre de compétence professionnelle, peuvent continuer à être octroyées pour les périodes restantes.
Art. 26. Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
Art. 26. Le présent arrêté entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge.
Art. 27. De Vlaamse minister, bevoegd voor de Beroepsomscholing en -bijscholing is belast met de uitvoering van dit besluit.
Brussel, 5 oktober 2007.
De minister-president van de Vlaamse Regering,
K. PEETERS
De Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming,
F. VANDENBROUCKE.
Brussel, 5 oktober 2007.
De minister-president van de Vlaamse Regering,
K. PEETERS
De Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming,
F. VANDENBROUCKE.
Art. 27. Le Ministre flamand ayant la Reconversion et le Recyclage professionnels dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.
Bruxelles, le 5 octobre 2007.
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
K. PEETERS
Le Ministre flamand de l'Emploi, de l'Enseignement et de la Formation,
F. VANDENBROUCKE.
Bruxelles, le 5 octobre 2007.
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
K. PEETERS
Le Ministre flamand de l'Emploi, de l'Enseignement et de la Formation,
F. VANDENBROUCKE.