Zum Hauptinhalt

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
27 JANUARI 2006. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het stambesluit VOI van 30 juni 2000, wat betreft de klokkenluiders, het bevallingsverlof, de pensioenleeftijd en andere bepalingen.
Titre
27 JANVIER 2006. - Arrêté du Gouvernement flamand modifiant l'arrêté de base VOI du 30 juin 2000 en ce qui concerne les dénonciateurs, le congé de maternité, l'âge de la retraite et d'autres dispositions (TRADUCTION).
Dokumentinformationen
Numac: 2006035307
Datum: 2006-01-27
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2006035307
Date: 2006-01-27
Moniteur: Voir
Inhoud
Inhoud
Tekst (37)
Texte (37)
Artikel 1. In artikel I 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 juni 2000 houdende de regeling van de rechtspositie van het personeel van sommige Vlaamse openbare instellingen, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 1 juni 2001, 5 oktober 2001, 29 maart 2002, 31 januari 2003 en 19 november 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° punt 15° wordt opgeheven;
  2° in punt 17° wordt het woord " ambtenarenzaken " vervangen door de woorden " algemeen beleid inzake personeel ";
  3° er wordt een punt 24° toegevoegd, dat luidt als volgt :
  " 24° : een onregelmatigheid : een nalatigheid, misbruik of misdrijf als bedoeld in artikel 3, § 2, eerste lid, van het decreet van 7 juli 1998 houdende instelling van de Vlaamse Ombudsdienst. "
Article 1. A l'article I.er 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 30 juin 2000 réglant le statut du personnel de certains organismes publics flamands, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 1er juin 2001, 5 octobre 2001, 29 mars 2002, 31 janvier 2003 et 19 novembre 2004 sont apportées les modifications suivantes :
  1° le point 15° est abrogé;
  2° au point 17°, les mots " fonction publique " sont remplacés par les mots " politique générale en matière de personnel ";
  3° il est ajouté un point 24°, rédigé comme suit :
  " 24° : une irrégularité : une négligence, un abus ou un délit tels que visés à l'article 3, § 2, alinéa premier du décret du 7 juillet 1998 instaurant le service de médiation flamand. "
Art. 2. In artikel II 25, § 2 van hetzelfde besluit wordt een tweede lid ingevoegd, dat luidt als volgt :
  " In afwijking van het eerste lid, kan een definitief vacante betrekking van leidend ambtenaar van een instelling waarvan de Vlaamse Regering beslist heeft om de verdere bestaansreden te onderzoeken, via een tijdelijke aanstelling waargenomen worden tot aan de herplaatsing van de leidinggevenden ter uitvoering van artikel 39, § 2, van het kaderdecreet bestuurlijk beleid van 18 juli 2003. "
Art. 2. A l'article II 25, § 2, du même arrêté, il est inséré un deuxième alinéa, rédigé comme suit :
  " Par dérogation au premier alinéa, un emploi définitivement vacant de fonctionnaire dirigeant d'un établissement, dont le Gouvernement flamand a décidé d'examiner la raison d'existence, peut être assumé temporairement, jusqu'à la réaffectation des dirigeants en exécution de l'article 39, § 2 du décret cadre sur la politique administrative du 18 juillet 2003. "
Art. 3. In artikel III 2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 maart 2002, wordt § 2, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 maart 2002, vervangen door wat volgt :
  " § 2. De ambtenaar, die bij de uitoefening van zijn ambt, onregelmatigheden vaststelt, brengt zijn hiërarchische meerdere hiervan onmiddellijk op de hoogte. Hij kan ook rechtstreeks de entiteit Interne Audit hiervan op de hoogte brengen overeenkomstig artikel 34, § 3, van het kaderdecreet bestuurlijk beleid van 18 juli 2003.
  Indien hij op basis van gegronde redenen vermoedt of vaststelt dat zijn hiërarchische meerdere hem zal verbieden of verhinderen om misdrijven bekend te maken brengt hij rechtstreeks de procureur des Konings hiervan op de hoogte.
  De ambtenaar kan, buiten de gevallen van kwade trouw, persoonlijk voordeel, foutieve of valse aangifte die een dienst of persoon schade toebrengen, niet onderworpen worden aan een tuchtstraf of een andere vorm van openlijke of verdoken maatregel, om de enkele reden dat hij onregelmatigheden aangeeft of bekendmaakt. "
Art. 3. A l'article III 2 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 mars 2002, le § 2, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 mars 2002, est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. Si, dans l'exercice de sa fonction, le fonctionnaire constate des irrégularités, il en avise immédiatement son supérieur hiérarchique. Il peut en aviser aussi l'entité d'Audit interne conformément à l'article 34, § 3, du décret cadre sur la politique administrative du 18 juillet 2003.
  Si, pour des raisons légitimes, il présume ou constate que son supérieur hiérarchique lui interdira ou l'empêchera de rendre publics des délits, il en avise directement le procureur du Roi.
  Sauf dans les cas de mauvaise foi, bénéfice personnel, ou de déclaration fausse, qui nuisent à un service ou à une personne, le fonctionnaire ne peut pas être soumis à une sanction disciplinaire ou toute autre forme de mesure publique ou cachée, pour la seule raison qu'il dénonce ou publie des irrégularités.
Art. 4. In deel III, hoofdstuk I van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 maart 2002, wordt een artikel III 2bis en III 2ter ingevoegd, die luiden als volgt:
  " Art. III 2bis. § 1. De ambtenaar kan schriftelijk of mondeling melding doen van een onregelmatigheid bij de Vlaamse ombudsman onder de voorwaarden in artikel 3, § 2, van het decreet van 7 juli 1998 houdende instelling van de Vlaamse Ombudsdienst.
  De ambtenaar kan aan de Vlaamse ombudsman vragen om onder zijn bescherming te worden geplaatst op het ogenblik van de melding of in de loop van het onderzoek door de Vlaamse ombudsman. Indien uit het preliminair onderzoek door de Vlaamse ombudsman blijkt dat de melding van de onregelmatigheid ontvankelijk en niet kennelijk ongegrond is, deelt de Vlaamse ombudsman aan de ambtenaar mee dat hij hem onder zijn bescherming plaatst. Tevens brengt hij de leidend ambtenaar hiervan op de hoogte.
  § 2. De bescherming heeft uitwerking vanaf de eerste vastgestelde melding van de onregelmatigheid door de ambtenaar, met uitzondering van de schorsing van tuchtprocedures die uitwerking hebben vanaf het verzoek van de ambtenaar om onder de bescherming van de Vlaamse ombudsman te worden geplaatst.
  De bescherming neemt een einde twee jaar na het afsluiten van het onderzoek naar de gemelde onregelmatigheid door de Vlaamse ombudsman.
  In afwijking van het eerste lid wordt de bescherming door de Vlaamse ombudsman onmiddellijk opgeheven indien tijdens of na het resultaat van het onderzoek blijkt dat de melding van de onregelmatigheid is gebeurd op basis van een foutieve of valse aangifte, die schade toebrengt aan een persoon of dienst. De Vlaamse ombudsman brengt de ambtenaar en de leidend ambtenaar hiervan onmiddellijk op de hoogte.
  De Vlaamse ombudsman deelt de begindatum en de einddatum van de beschermingsperiode mee aan de ambtenaar en de leidend ambtenaar.
  Art. III 2ter. § 1. Tijdens de beschermingsperiode, vermeld in artikel III 2bis, § 2, kan de ambtenaar niet onderworpen worden aan een tuchtstraf of een andere open of verdoken maatregel om redenen die verband houden met de melding van de onregelmatigheid. De bewijslast hiervoor berust bij de bevoegde overheid.
  § 2. Als de ambtenaar vermoedt dat een maatregel als vermeld in § 1 toch verband houdt met de melding van de onregelmatigheid, kan hij aan de Vlaamse ombudsman vragen om dat mogelijke verband te onderzoeken. De bewijslast hiervoor berust bij de bevoegde overheid.
  De Vlaamse ombudsman deelt het resultaat van zijn onderzoek mee aan de ambtenaar en de leidend ambtenaar.
  Als de Vlaamse ombudsman van oordeel is dat er een mogelijk verband is tussen de maatregel, vermeld in § 1 en de melding van de onregelmatigheid, richt hij aan de bevoegde overheid een verzoek om de maatregel te herzien.
  De bevoegde overheid deelt binnen een termijn van 20 werkdagen na ontvangst van het verzoek aan de Vlaamse ombudsman mee of ze al dan niet akkoord gaat met dat verzoek.
  Als de bevoegde overheid niet akkoord gaat met het verzoek van de Vlaamse ombudsman of weigert uitvoering te geven aan zijn verzoek of niet antwoordt aan de Vlaamse ombudsman binnen de voormelde termijn van 20 werkdagen, brengt de Vlaamse ombudsman hierover verslag uit bij de Vlaamse minister, bevoegd voor het algemeen beleid inzake personeel en organisatieontwikkeling, die in overleg met de minister een standpunt bepaalt en dat standpunt meedeelt aan de Vlaamse ombudsman en aan de leidend ambtenaar. "
Art. 4. Dans la partie III, chapitre Ier du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 mars 2002, il est inséré un article III 2bis et un article III 2ter, rédigés comme suit :
  " Art. III 2bis. § 1er. Le fonctionnaire peut dénoncer par écrit ou oralement auprès du médiateur flamand, une irrégularité aux conditions fixées à l'article 3, § 2, du décret du 7 juillet 1998 instaurant le service de médiation flamand.
  Le fonctionnaire peut demander au médiateur flamand d'être mis sous sa protection, soit au moment de la dénonciation, soit au cours de l'examen par le médiateur flamand. S'il résulte de l'examen préliminaire du médiateur flamand que la dénonciation de l'irrégularité est recevable et n'est pas manifestement mal fondée, le médiateur flamand communique au fonctionnaire qu'il le met sous sa protection. Il en informe également le fonctionnaire dirigeant.
  § 2. La protection produit ses effets dès la première dénonciation constatée de l'irrégularité par le fonctionnaire, sauf en ce qui concerne la suspension de procédures disciplinaires qui produisent leurs effets dès la demande du fonctionnaire d'être mis sous la protection du médiateur flamand.
  La protection prend fin deux ans après la conclusion de l'examen par le médiateur flamand de l'irrégularité dénoncée.
  Par dérogation à l'alinéa premier, la protection par le médiateur flamand est immédiatement levée si, au cours du ou après le résultat de l'enquête, il paraît que la dénonciation de l'irrégularité s'est faite sur la base d'une déclaration fautive ou fausse qui nuit à une personne ou à un service. Le médiateur flamand en informe immédiatement le fonctionnaire et le fonctionnaire dirigeant.
  Le médiateur flamand communique la date de début et la date de fin de la période de protection au fonctionnaire et au fonctionnaire dirigeant.
  Art. III 2ter. § 1er. Pendant la période de protection, visée à l'article III 2bis, § 2, le fonctionnaire ne peut pas être soumis à une peine disciplinaire ou à une autre mesure publique ou cachée pour des raisons liées à la dénonciation de l'irrégularité. Dans cette matière, la charge de la preuve repose sur l'autorité compétente.
  § 2. Si le fonctionnaire présume qu'une mesure telle que visée au § 1er, est effectivement liée à la dénonciation de l'irrégularité, il peut demander au médiateur flamand d'examiner ce lien éventuel. Dans cette matière, la charge de la preuve repose sur l'autorité compétente.
  Le médiateur flamand communique le résultat de son examen au fonctionnaire et au fonctionnaire dirigeant.
  Si le médiateur flamand estime, qu'il est possible qu'il existe un lien causal entre la mesure, visée au § 1er, et la dénonciation de l'irrégularité, il adresse à l'autorité compétente la demande de revoir la mesure.
  L'autorité compétente communique, dans les vingt jours ouvrables après la réception de la demande faite au médiateur flamand, si elle est d'accord ou non avec la demande.
  Lorsque l'autorité compétente n'est pas d'accord avec la demande du médiateur flamand ou refuse de donner suite à sa demande ou ne fournit pas de réponse au médiateur flamand dans le délai précité de vingt jours ouvrables, le médiateur flamand en fait rapport au Ministre flamand ayant la Politique générale en matière de personnel et de développement organisationnel dans ses attributions, qui décide ensuite de sa position, en concertation avec le ministre fonctionnellement compétent, et la communique au médiateur flamand et au fonctionnaire dirigeant.
Art. 5. In artikel III 7ter, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2001, worden de woorden " de Vlaamse minister, bevoegd voor de Ambtenarenzaken " vervangen door de woorden " de Vlaamse minister, bevoegd voor het Algemeen Beleid Inzake Personeel en Organisatieontwikkeling ".
Art. 5. Dans l'article III 7ter, § 2 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 octobre 2001, les mots " le Ministre flamand chargé de la fonction publique " sont remplacés par les mots " le Ministre flamand chargé de la Politique générale en matière de personnel et d'ingénierie d'organisation ".
Art. 6. In artikel V 2, § 2, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2004, wordt het tweede lid vervangen door wat volgt :
  " Als de vacante betrekking wordt ingevuld via een algemeen wervingsexamen, wordt terzelfder tijd ook een beroep gedaan op de procedures van de interne arbeidsmarkt en de bevordering via examen of bekwaamheidsproef. De vacature wordt ingevuld op de wijze, bepaald in § 3. "
Art. 6. Dans l'article 8, § 2, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2004, le deuxième alinéa est remplacé par la disposition suivante :
  " S'il est pourvu à la vacance d'emploi par un concours de recrutement général, il est simultanément fait appel aux procédures du marché interne de l'emploi et de la promotion, par le biais d'un concours ou d'une épreuve des capacités. Il est pourvu à la vacance d'emploi de la façon fixée au § 3. "
Art. 7. In artikel V 9, § 2, tweede lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2004, worden de woorden ", in afwijking van artikel V 8, § 1, " geschrapt.
Art. 7. A l'article IV 9, § 2, alinéa deux, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2004, les mots " par dérogation à l'article V 8, § 1er " sont supprimés.
Art. 8. In artikel V 16 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 1 juni 2001 en van 19 november 2004, wordt het woord " andere " tussen het woord " een " en de woorden " Vlaamse openbare instelling " geschrapt.
Art. 8. Dans l'article V 16 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 1er juin 2001 et 19 novembre 2004, le mot " autre " entre le mot " un " et les mots " organisme public flamand " est supprimé.
Art. 9. Aan deel V van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 1 juni 2001, 5 oktober 2001, 8 maart 2002, 31 januari 2003 en 19 november 2004 wordt een titel V, bestaande uit artikel V 28, toegevoegd die luidt als volgt :
  " Titel V. Overgangsbepalingen
  Art. V 28. De lopende procedures die aangevat waren voor de datum van goedkeuring van het besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het stambesluit VOI van 30 juni 2000, wat betreft de klokkenluiders, het bevallingsverlof, de pensioenleeftijd en andere bepalingen, en waarbij tezelfdertijd een beroep werd gedaan op de procedures van de aanwerving, de interne arbeidsmarkt en de bevordering, worden voortgezet overeenkomstig artikel V 2, § 3, met de in aanmerking komende kandidaten van voor die datum van goedkeuring. "
Art. 9. A la partie V du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 1er juin 2001, 5 octobre 2001, 8 mars 2002, 31 janvier 2003 et 19 novembre 2004, il est ajouté un titre V, comprenant l'article V 28, rédigé comme suit :
  " Titre V. Dispositions transitoires
  Art. V 28. Les procédures en cours, entamées avant la date de l'approbation de l'arrêté du Gouvernement flamand du 30.06.00, en ce qui concerne les dénonciateurs, le congé de maternité, l'âge de la retraite et autres dispositions, et faisant appel aux procédures de recrutement, du marché interne de l'emploi et de la promotion, sont poursuivies conformément à l'article V 2, § 3, avec les candidats retenus avant la date d'approbation. "
Art. 10. In artikel VIII 4 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 maart 2002, wordt het eerste lid vervangen door wat volgt :
  " De vier niveaus die overeenstemmen met de ernaast vermelde vereiste diploma's of getuigschriften zijn :
  1° niveau A : academisch gericht masterdiploma;
  2° niveau B : bachelordiploma of diploma van een afdeling van het hoger onderwijs voor sociale promotie van één cyclus;
  3° niveau C : diploma of getuigschrift van secundair onderwijs of van daarmee gelijkgesteld onderwijs;
  4° niveau D : geen diploma. "
Art. 10. A l'article VIII 4 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 mars 2002, le premier alinéa est remplacé par la disposition suivante :
  " Les quatre niveaux correspondant aux diplômes ou certificats mentionnés en regard sont les suivants :
  1° niveau A : diplôme de master à orientation académique;
  2° niveau B : diplôme de bachelor ou diplôme d'une division de l'enseignement supérieur de promotion sociale d'un cycle;
  3° niveau C : diplôme ou certificat de l'enseignement secondaire ou assimilé;
  4° niveau D : pas de diplôme. "
Art. 11. In artikel VIII 51 van hetzelfde besluit wordt het tweede lid opgeheven.
Art. 11. Dans l'article VIII 51 du même arrêté, l'alinéa deux est abrogé.
Art. 12. In artikel VIII 93 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 3 wordt de zinsnede " § 1bis houdt op uitwerking te hebben op 1 januari 2005 " vervangen door de zinsnede " § 1bis houdt op uitwerking te hebben op datum van de inwerkingtreding van de herstructurering in het kader van Beter bestuurlijk Beleid ";
  2° een § 5 wordt toegevoegd, die luidt als volgt :
  " § 5. Dit artikel is niet van toepassing op de agentschappen, vermeld in artikel I 1, 1°, c, d en e. Voor de agentschappen, vermeld in artikel I 1, 1°, c, d en e stelt de leidend ambtenaar de personeelsformatie, vermeld in artikel VIII 1, of het personeelsplan vast.
Art. 12. A l'article VIII 93 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2004, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au § 3, la phrase " le § 1bis cesse de produire ses effets le 1er janvier 2005 " est remplacée par la phrase " le § 1bis cesse de produire ses effets à la date d'entrée en vigueur de la restructuration dans le cadre de " Beter Bestuurlijk Beleid ";
  2° il est ajouté un § 5 rédigé comme suit :
  " § 5. Le présent article n'est pas applicable aux agences mentionnées à l'article I.er 1, 1°, c, d et e. En ce qui concerne les agences mentionnées à l'article I.er 1, 1°, c, d et e, le fonctionnaire dirigeant fixe le cadre du personnel visé à l'article VIII 1, ou le plan du personnel.
Art. 13. In deel IX, titel II, hoofdstuk IV van hetzelfde besluit wordt een artikel IX 24bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
  " Art. IX 24bis. § 1. De tuchtprocedure wordt van rechtswege opgeschort vanaf het verzoek van de ambtenaar om onder de bescherming van de Vlaamse ombudsman te worden geplaatst tot na het onderzoek door de Vlaamse ombudsman naar het mogelijke verband tussen de tuchtprocedure en de melding van de onregelmatigheid. De bewijslast hiervoor berust bij de bevoegde overheid.
  § 2. De Vlaamse ombudsman deelt het resultaat van zijn onderzoek mee aan de ambtenaar en aan de leidend ambtenaar.
  § 3. Als de Vlaamse ombudsman van oordeel is dat er geen verband is tussen de tuchtprocedure en de melding van de onregelmatigheid, kan de bevoegde overheid de tuchtprocedure voortzetten.
  § 4. Als de Vlaamse ombudsman meent dat er een mogelijk verband bestaat tussen de tuchtprocedure en de melding van de onregelmatigheid, richt hij aan de bevoegde overheid een verzoek om de tuchtprocedure te beëindigen.
  De bevoegde overheid deelt binnen een termijn van 20 werkdagen na ontvangst van het verzoek aan de Vlaamse ombudsman mee of ze al dan niet akkoord gaat met dat verzoek.
  Als de bevoegde overheid niet akkoord gaat met het verzoek van de Vlaamse ombudsman of weigert uitvoering te geven aan zijn verzoek of niet antwoordt aan de Vlaamse ombudsman binnen de voormelde termijn van 20 werkdagen, brengt de Vlaamse ombudsman hierover verslag uit bij de Vlaamse minister, bevoegd voor het algemeen beleid inzake personeel en organisatieontwikkeling, die in overleg met de minister zijn standpunt bepaalt en dat meedeelt aan de Vlaamse ombudsman en aan de leidend ambtenaar.
  § 5. Dit artikel is niet van toepassing in het geval van opheffing van de bescherming, ingevolge artikel III 2bis, § 2. "
Art. 13. Un article IX 24bis, rédigé comme suit, est inséré dans la partie IX, titre II, chapitre IV du même arrêté :
  " Art. IX 24bis. § 1er. La procédure disciplinaire est suspendue d'office à partir de la requête du fonctionnaire d'être mis sous protection du médiateur flamand, jusqu'à ce que celui-ci ait terminé son examen sur le rapport éventuel entre la procédure disciplinaire et la dénonciation de l'irrégularité. Dans cette matière, la charge de la preuve repose sur l'autorité compétente.
  § 2. Le médiateur flamand communique le résultat de son examen au fonctionnaire et au fonctionnaire dirigeant.
  § 3. Si le médiateur flamand estime, qu'il n'existe pas de lien entre la procédure disciplinaire et la dénonciation de l'irrégularité, l'autorité compétente peut poursuivre la procédure disciplinaire.
  § 4. Si le médiateur flamand estime, qu'il est possible qu'il existe un lien causal entre la procédure disciplinaire et la dénonciation de l'irrégularité, il adresse à l'autorité compétente une demande de mettre fin à la procédure disciplinaire.
  L'autorité compétente communique, dans les vingt jours ouvrables après la réception de la demande faite au médiateur flamand, si elle est d'accord ou non avec la demande.
  Lorsque l'autorité compétente n'est pas d'accord avec la demande du médiateur flamand ou refuse de donner suite à sa demande ou ne fournit pas de réponse au médiateur flamand dans le délai précité de vingt jours ouvrables, le médiateur flamand en fait rapport au Ministre flamand ayant la politique générale en matière de personnel et de développement organisationnel dans ses attributions, qui décide ensuite de sa position, en concertation avec le ministre fonctionnellement compétent, et la communique au médiateur flamand et au fonctionnaire dirigeant.
  § 5. Le présent article ne s'applique pas lorsque la protection est révoquée conformément à l'article III 2bis, § 2. "
Art. 14. Aan artikel XI 16 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2004, wordt de volgende zin toegevoegd :
  " Bij verlenging van de postnatale rustperiode overeenkomstig artikel 39, vijfde lid, van de Arbeidswet van 16 maart 1971, wordt de bezoldiging voor de duur van die verlenging, en maximaal gedurende 24 weken, doorbetaald. "
Art. 14. A l'article XI 16 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2004, est ajoutée la phrase suivante :
  " En cas de prolongation de la période de repos postnatal conformément à l'article 39, cinquième alinéa, de la loi sur le travail du 16 mars 1971, la rémunération continue à être payée pendant la durée de ladite prolongation, et au maximum pendant 24 semaines. "
Art. 15. In artikel XI 32, § 1, tweede lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2004, worden de woorden " van 666 werkdagen " geschrapt.
Art. 15. A l'article XI 32, § 1er, alinéa deux du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2004, les mots " de 666 jours ouvrables " sont supprimés.
Art. 16. In artikel XI 42, § 1, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003, wordt het vierde lid ingetrokken.
Art. 16. Dans l'article XI 42, § 1er, du même arrêté, ajouté à l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 décembre 2003, l'alinéa quatre est supprimé.
Art. 17. In artikel XII 1 van hetzelfde besluit worden de woorden " vóór de normale leeftijd van de pensionering " vervangen door de woorden " vóór de leeftijd van 65 jaar ".
Art. 17. A l'article XII 1 du même statut, les mots " avant l'âge normal de la retraite " sont remplacés par les mots " avant l'âge de 65 ans ".
Art. 18. In deel XII, titel I, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 14 december 2001, 29 maart 2002 en 19 november 2004, wordt een artikel XII 1bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
  " Art. XII 1bis. § 1. Ambtshalve wordt een einde gemaakt aan de hoedanigheid van ambtenaar op diens 65e verjaardag.
  § 2. In afwijking van § 1 kan een ambtenaar, wegens uitzonderlijke redenen, na zijn 65e verjaardag in dienst gehouden worden.
  Het in dienst houden boven de leeftijdsgrens kan maximaal voor zes maanden toegestaan worden, zonder de mogelijkheid tot verlenging.
  De beslissing wordt gemotiveerd; ze wordt genomen door de benoemende overheid voor de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar. Voor de andere ambtenaren wordt de beslissing genomen door de raad van bestuur op voorstel van de leidend ambtenaar.
Art. 18. A la partie XII, titre Ier du même statut, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 14 décembre 2001, 29 mars 2002 et 19 novembre 2004, il est inséré un article XII 1bis, rédigé comme suit :
  " Art. XII 1bis. § 1er. Il est mis fin d'office à la qualité de fonctionnaire à son 65e anniversaire.
  § 2. Par dérogation au § 1er, un fonctionnaire peut être maintenu en service, pour des raisons exceptionnelles, après son 65e anniversaire.
  Le maintien en service au-delà de la limite d'âge peut être autorisé pour six mois au maximum, sans possibilité de prolongation.
  La décision est motivée; elle est prise par l'autorité ayant compétence de nomination pour le fonctionnaire dirigeant et le fonctionnaire dirigeant adjoint. La décision pour les autres fonctionnaires est prise par le conseil d'administration, sur la proposition du fonctionnaire dirigeant. "
Art. 19. § 1. In artikel XIII 9, § 1, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2004, wordt een punt 4bis ° ingevoegd, dat luidt als volgt :
  " 4bis ° de periodes van schorsing van de arbeidsovereenkomst van het zwanger of borstvoedend contractueel personeelslid met toepassing van artikel 42, 3°, van de Arbeidswet van 16 maart 1971, nadat werd vastgesteld dat overplaatsing technisch of objectief niet mogelijk is of om gegronde redenen redelijkerwijs niet kan worden verlangd; ".
Art. 19. § 1er. A l'article XIII 9, § 1er du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2004, il est inséré un point 4bis °, rédigé comme suit :
  " 4bis ° les périodes de suspension du contrat de travail de la femme membre du personnel contractuel enceinte ou allaitant son enfant en application de l'article 42, 3°, de la Loi sur le travail du 16 mars 1971, lorsqu'il a été constaté qu'un transfert n'est pas possible pour des raisons techniques ou objectives, ou ne peut raisonnablement être attendu pour des raisons bien fondées. "
Art. 20. Artikel XIII 13 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt :
  " Art. XIII 13. § 1. Voorzover ze ten minste de helft van een normale beroepsbezigheid in beslag nemen, worden verrichte deeltijdse prestaties in een instelling als vermeld in artikel XIII 10 en XIII 11, in aanmerking genomen zoals hieronder vastgesteld :
  1° verrichte prestaties tussen 1 januari 1994 en 30 juni 2002 :
  a) voor 50 % : de prestaties met een arbeidsduur gelijk aan of meer dan 50 % van een voltijdse arbeidsduur en minder dan 80 %;
  b) voor 80 % : de prestaties met een arbeidsduur gelijk aan of meer dan 80 % van een voltijdse arbeidsduur en minder dan 90 %;
  c) voor 90 % : de prestaties met een arbeidsduur gelijk aan of meer dan 90 % van een voltijdse arbeidsduur en minder dan 100 %;
  2° verrichte prestaties vanaf 1 juli 2002 : de verrichte deeltijdse prestaties worden in aanmerking genomen a rato van het prestatieregime.
  § 2. Behoudens in geval van verlof voor deeltijdse prestaties, worden de prestaties in de administratieve toestand " non-activiteit " niet in aanmerking genomen voor de berekening van de geldelijke anciënniteit.
Art. 20. L'article XIII 13 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. XIII 13. § 1er. Les services prestés à temps partiel dans un organisme visé aux articles XIII 10 et XIII 11, sont admissibles comme fixé ci-dessous, pour autant qu'ils absorbent au moins la moitié d'une activité professionnelle normale :
  1° services prestés entre le 1er janvier 1994 et le 30 juin 2002 :
  a) pour 50 % : les prestations dont la durée est égale ou supérieure à 50 % d'une durée du travail à temps plein et inférieure à 80 %;
  b) pour 80 % : les prestations dont la durée est égale ou supérieure à 80 % d'une durée du travail à temps plein et inférieure à 90 %;
  c) pour 90 % : les prestations dont la durée est égale ou supérieure à 90 % d'une durée du travail à temps plein et inférieure à 100 %;
  2° services prestés à partir du 1er juillet 2002 : les prestations à temps partiel fournies sont prises en compte au prorata du régime de prestations.
  § 2. Sauf en cas de congé pour prestations partielles, les services prestés dans la position administrative de non-activité ne sont pas pris en compte pour le calcul de l'ancienneté pécuniaire.
Art. 21. In artikel XIII 19 § 2, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2001, wordt het woord " overgeplaatst " vervangen door het woord " herplaatst " en worden de woorden " artikel V 7, § 2 " vervangen door de woorden " artikel V 9, § 2 ".
Art. 21. Dans l'article XIII 19, § 2 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 octobre 2001, le mot " transféré " est remplacé par le mot " réaffecté ", et les mots " l'article V 7, § 2 " sont remplacés par les mots " l'article V 9, § 2 ".
Art. 22. In artikel XIII 33bis worden de vermeldingen : " A124 " en " A114 " respectievelijk vervangen door : " A129 " en " A119 "
Art. 22. Dans l'article XIII 33bis, les mentions : " A124 " et " A114 " sont remplacés respectivement par: " A129 " et " A119 "
Art. 23. In artikel XIII 104novies van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2003, worden de woorden " eerste klasse " vervangen door de woorden " tweede klasse ".
Art. 23. A l'article XIII 104novies du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 24.10.03, les mots " première classe " sont remplacés par les mots " seconde classe ".
Art. 24. Artikel XIV 20 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt :
  " Art. XIV 20. Het contractuele personeelslid heeft dezelfde deontologische rechten als de ambtenaar. "
Art. 24. L'article XIV 20 du même arrêté est remplacé par la disposition
  suivante :
  " Art. XIV 20. Le membre du personnel contractuel a les mêmes droits déontologiques que le fonctionnaire. "
Art. 25. Artikel XIV 21 van hetzelfde besluit wordt opgeheven.
Art. 25. L'article XIV 21 du même arrêté est abrogé.
Art. 26. Artikel XIV 22 van hetzelfde besluit wordt opgeheven.
Art. 26. L'article XIV 22 du même arrêté est abrogé.
Art. 27. In artikel XIV 25ter van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1 wordt de tweede zin vervangen door wat volgt :
  " Als die herplaatsing niet mogelijk is, of als het gaat om een contractuele betrekking met een salarisschaal of beginsalarisschaal hoger dan rang A2, wordt de contractuele betrekking ingevuld op een van de volgende wijzen :
  1° via de interne arbeidsmarkt;
  2° via de interne arbeidsmarkt in combinatie met een oproep tot kandidaatstelling, gericht aan :
  a) de laureaten van bevorderingsexamens en vergelijkende bekwaamheidsproeven voor statutaire functies van hetzelfde niveau als de vacante contractuele betrekking;
  b) de ambtenaren in herplaatsing van dat niveau;
  3° via aanwerving vanuit de externe arbeidsmarkt in combinatie met de interne arbeidsmarkt en een oproep tot kandidaatstelling, gericht aan de personen, vermeld in punt 2°, a) en b).
  Bij combinatie van procedures worden de kandidaten onderworpen aan dezelfde functiespecifieke selectie.
  Voor de volgende contractuele indienstnemingen is de combinatie van procedures niet van toepassing :
  1° vervangingsopdrachten;
  2° hernieuwing of verlenging van bestaande arbeidsovereenkomsten zonder wijziging van betrekking;
  3° vervanging van een bestaande arbeidsovereenkomst door een andere;
  4° personeel met buitenlandfuncties;
  5° startbanen;
  6° indienstnemingen in functies waarvoor de statutaire aanwervingen niet verlopen via een algemeen wervingsexamen.
  2° in § 2 wordt tussen het eerste en het tweede lid een nieuw lid ingevoegd, dat luidt als volgt :
  " Als contractuelen met werkzekerheid worden beschouwd, de contractuelen aan wie op grond van een wettelijke of decretale bepaling of een bepaling in een besluit van de Vlaamse Regering, werkzekerheid werd gegarandeerd. "
  3° § 4 wordt opgeheven.
Art. 27. A l'article XIV 25ter du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2004, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au § 1, la deuxième phrase est remplacée par ce qui suit :
  Si cette réaffectation est impossible ou s'il s'agit d'un emploi contractuel d'une échelle de traitement ou d'une échelle de traitement initiale supérieure au rang A2, l'emploi contractuel est attribué d'une des façons suivantes :
  1° via le marché interne de l'emploi;
  2° via le marché interne de l'emploi en combinaison avec un appel aux candidatures, adressé :
  a) aux lauréats d'examens de promotion et d'épreuves comparatives des capacités pour les fonctions statutaires du même niveau que l'emploi vacant contractuel
  b) aux fonctionnaires en voie de réaffectation de ce niveau
  3° par le recrutement du marché externe de l'emploi, en combinaison avec le marché interne de l'emploi et avec un appel aux candidatures adressé aux personnes visées au point 2°, a) et b).
  En cas de combinaison de procédures, les candidats sont soumis à la même sélection spécifique de la fonction.
  La combinaison de procédures ne s'applique pas aux engagements contractuels suivants :
  1° missions de remplacement;
  2° renouvellement ou prorogation de contrats de travail sans changement d'emploi;
  3° remplacement d'un contrat de travail existant par un autre;
  4° personnel exerçant leurs fonctions à l'étranger;
  5° premiers emplois;
  6° engagements aux fonctions pour lesquelles les recrutements statutaires ne se déroulent pas par un concours de recrutement général.
  2° dans le § 2, il est inséré entre les alinéas premier et deux, un nouvel alinéa, rédigé comme suit :
  Sont considérés comme des contractuels qui ont de la sécurité d'emploi, les contractuels auxquels la sécurité d'emploi a été garantie sur la base d'une disposition légale ou décrétale ou d'une disposition d'un arrêté du Gouvernement flamand.
  3° le § 4 est abrogé.
Art. 28. Aan artikel XIV 51, § 4, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 31 januari 2003 en 19 november 2004, wordt de volgende zin toegevoegd :
  " Bij verlenging van de postnatale rustperiode overeenkomstig artikel 39, vijfde lid, van de Arbeidswet van 16 maart 1971, wordt het supplement voor de duur van de verlenging, en maximaal gedurende 24 weken, doorbetaald. "
Art. 28. A l'article XIV 51, § 4, du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 31 mars 2003 et 19 novembre 2004, il est ajouté la phrase suivante :
  " En cas de prolongation de la période de repos postnatal conformément à l'article 39, cinquième alinéa, de la loi sur le travail du 16 mars 1971, le complément continue à être payée pendant la durée de ladite prolongation, et au maximum pendant 24 semaines.
Art. 29. Aan deel XIV, titel IV van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2004, wordt een artikel XIV 58 toegevoegd, dat luidt als volgt :
  " Art. XIV 58. In geval van organisatie van een bijzonder vergelijkend overgangsexamen overeenkomstig artikel VIII 94 kunnen de contractuele personeelsleden die als groep de functie uitoefenen, die naar het andere niveau is overgebracht, in afwijking van artikel XIV 25ter contractueel in dienst worden genomen in de betrekking die in het ander niveau overeenstemt met deze functie, op voorwaarde dat ze een diploma bezitten dat overeenstemt met dit niveau en slagen voor een proef, waarvan de inhoud gelijk is aan die van het bijzonder vergelijkend overgangsexamen voor de ambtenaren en waaraan ze tweemaal mogen deelnemen. De vereiste van het diplomabezit geldt niet in geval van schaarste op de arbeidsmarkt. "
Art. 29. A la partie XIV, titre IV du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2004, il est ajouté un article XIV 58, rédigé comme suit :
  " Art. XIV 58. En cas d'organisation d'un concours spécial d'accession au niveau supérieur conformément à l'article VIII 94, les fonctionnaires qui exercent en tant que groupe une fonction qui est uniquement conférée dans le niveau supérieur, peuvent, par dérogation à l'article XIV 25ter, être recrutés en tant que contractuels au grade de l'autre niveau dans lequel se situe la fonction, à condition qu'ils sont titulaires d'un diplôme correspondant à ce niveau, et qu'ils réussissent une épreuve dont le contenu est égal à celui du concours spécial d'accession au niveau supérieur des fonctionnaires, et auquel ils peuvent participer deux fois. La détention d'un diplôme n'est pas requise en cas de pénurie sur le marché du travail. "
Art. 30. Aan deel XIV, titel IV van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2004, wordt een artikel XIV 59 toegevoegd, dat luidt als volgt :
  " Art. XIV 59. De lopende procedures die aangevat waren voor de datum van goedkeuring van het besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het stambesluit VOI van 30 juni 2000, wat betreft de klokkenluiders, het bevallingsverlof, de pensioenleeftijd en andere bepalingen, en waarbij hetzij gebruik werd gemaakt van de interne arbeidsmarkt in combinatie met de uitnodiging van andere personen, hetzij tezelfdertijd een beroep werd gedaan op de procedures van de aanwerving en de interne arbeidsmarkt in combinatie met de uitnodiging van andere personen, worden voortgezet overeenkomstig de reglementering van kracht bij de aanvang van deze procedures. "
Art. 30. A la partie XIV, titre IV du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2004, il est ajouté un article XIV 59, rédigé comme suit :
  " Art. XIV 59. Les procédures en cours, entamées avant la date de l'approbation de l'arrêté de base VOI du 30 juin 2000, en ce qui concerne les dénonciateurs, le congé de maternité, l'âge de la retraite et autres dispositions, et faisant appel aux procédures de recrutement, au marché interne de l'emploi en combinaison à l'invitation d'autres personnes, sont poursuivies conformément à la réglementation en vigueur lors du départ des procédures. "
Art. 31. In artikel XIV 46 § 1 wordt de vermelding " XIII 16 " geschrapt.
Art. 31. A l'article XIV 46 § 1er, la mention " XIII 16 " est supprimée.
Art. 32. In hetzelfde besluit wordt bijlage III, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2004, vervangen door bijlage III bij dit besluit.
Art. 32. Dans le même arrêté, l'annexe III, remplacée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2004, est remplacée par l'annexe III au présent arrêté.
Art. 33. In bijlage V van hetzelfde besluit worden bij de graad van informaticus in kolom V (bijzondere voorwaarden) de woorden " bij aanwerving " ingevoegd.
Art. 33. A l'annexe V du même arrêté, il est inséré, dans la colonne V au grade d'informaticien, les mots " au recrutement ".
Art. 34. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 december 2005 met uitzondering van :
  1° artikel 1, 2°, dat uitwerking heeft op 22 juli 2004;
  2° artikel 1, 3°, 3, 4, 13, 23, 24 en 25, die uitwerking hebben op 15 juni 2005;
  3° artikel 2, dat uitwerking heeft op 1 januari 2003;
  4° artikel 5, dat uitwerking heeft op 22 juli 2004;
  5° artikel 8 en 21, die uitwerking hebben op 19 november 2004;
  6° artikel 12, dat uitwerking heeft op 1 januari 2005;
  7° artikel 14 en 27, die uitwerking hebben op 1 juli 2004;
  8° artikel 15, dat uitwerking heeft op 1 juni 2004;
  9° artikel 17 en 18, die uitwerking hebben op 1 juni 2005;
  10° artikel 20, dat uitwerking heeft op 1 januari 2005;
  11° artikel 22, dat uitwerking heeft op 1 juli 2000;
  12° artikel 23 dat in werking treedt op 1 januari 2006;
  13° artikel 31 dat in werking treedt op 1 juni 2001;
  14° artikel 33 dat uitwerking heeft op 1 oktober 2000.
Art. 34. Le présent arrêté produit ses effets le 1er décembre 2005, à l'exception :
  1° de l'article 1, 2°, qui produit ses effets le 22 juillet 2004;
  2° des articles 1, 3°, 3, 4, 13, 23, 24 et 25, qui produisent leurs effets le 15 juin 2005;
  3° de l'article 2, qui produit ses effets le 1er janvier 2003;
  4° de l'article 5, qui produit ses effets le 22 juillet 2004;
  5° des articles 8 et 21, qui produisent leurs effets le 19 novembre 2004;
  6° de l'article 12, qui produit ses effets le 1er janvier 2005;
  7° des articles 14 et 27, qui produisent leurs effets le 1er juillet 2004;
  8° de l'article 15, qui produit ses effets le 1er juin 2004;
  9° des articles 17 et 18, qui produisent leurs effets le 1er juin 2005;
  10° de l'article 20, qui produit ses effets le 1er janvier 2005;
  11° de l'article 22, qui produit ses effets le 1 juillet 2000;
  12° de l'article 23, qui entre en vigueur le 1er janvier 2006;
  13° de l'article 31, qui entre en vigueur le 1er janvier 2006;
  14° de l'article 33, qui produit ses effets le 1er octobre 2000.
Art. 35. De leden van de Regering zijn, ieder wat hem of haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
  Brussel, 27 januari 2006.
  De minister-president van de Vlaamse Regering,
  Y. LETERME
  De Vlaamse minister van Economie, Ondernemen, Wetenschap, Innovatie en Buitenlandse Handel,
  F. MOERMAN
  De Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming,
  F. VANDENBROUCKE
  De Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin,
  I. VERVOTTE
  De Vlaamse minister van Cultuur, Jeugd, Sport en Brussel,
  B. ANCIAUX
  De Vlaamse minister van Bestuurszaken, Buitenlands Beleid, Media en Toerisme,
  G. BOURGEOIS
  De Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur,
  K. PEETERS
  De Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering,
  M. KEULEN
Art. 35. Les membres du Gouvernement sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.
  Bruxelles, le 27 janvier 2006.
  Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
  Y. LETERME
  La Ministre flamande de l'Economie, de l'Entreprise, des Sciences, de l'Innovation et du Commerce extérieur,
  F. MOERMAN
  Le Ministre flamand de l'Emploi, de l'Enseignement et de la Formation,
  F. VANDENBROUCKE
  La Ministre flamande du Bien-être, de la Santé publique et de la Famille,
  I. VERVOTTE
  Le Ministre flamand de la Culture, de la Jeunesse, des Sports et des Affaires bruxelloises,
  B. ANCIAUX
  Le Ministre flamand des Affaires administratives, de la Politique extérieure, des Médias et du Tourisme,
  G. BOURGEOIS
  Le Ministre flamand des Travaux publics, de l'Energie, de l'Energie, de l'Environnement et de la Nature,
  K. PEETERS
  Le Ministre flamand des Affaires intérieures, de la Politique des Villes, du Logement et de l'Intégration civique,
  M. KEULEN
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. BIJLAGE III. - KOPPELING DIPLOMA - ADMINISTRATIEF NIVEAU.
  1. De volgende diploma's of getuigschriften worden, naar gelang het administratieve niveau, in aanmerking genomen voor aanwerving :
  Niveau A :
  academisch gerichte masterdiploma's, uitgereikt door :
  - de Belgische universiteiten met inbegrip van de aan die universiteiten verbonden scholen, of de bij de wet of bij decreet daarmee gelijkgestelde instellingen;
  - een door de Staat of door een van de Gemeenschappen opgerichte, gesubsidieerde of erkende instelling voor hoger onderwijs;
  - een door de Staat of door een van de Gemeenschappen ingestelde examencommissie.
  Niveau A (overgangsmaatregel) :
  a) diploma's van licentiaat, doctor, apotheker, burgerlijk ingenieur, landbouwkundig ingenieur, ingenieur voor de scheikunde en de landbouwindustrieën, handelsingenieur, burgerlijk ingenieur-architect, bio-ingenieur, arts, tandarts of dierenarts, uitgereikt door de Belgische universiteiten met inbegrip van de aan die universiteiten verbonden scholen, of door de bij de wet of bij decreet daarmee gelijkgestelde instellingen, indien de studies ten minste vier jaar hebben omvat, zelfs als een gedeelte van die studies niet in een van de voormelde onderwijsinstellingen werd volbracht of door een door de Staat of een van de Gemeenschappen ingestelde examencommissie;
  b) diploma's van licentiaat in de handelswetenschappen, van handelsingenieur, van licentiaat in de bestuurskunde, van licentiaat-vertaler, van licentiaat-tolk, van licentiaat in de nautische wetenschappen, van industrieel ingenieur, van architect of van licentiaat in de toegepaste communicatie, van licentiaat in de kinesitherapie en van licentiaat in de arbeidsorganisatie en gezondheid, uitgereikt door een door de Staat of door een van de Gemeenschappen opgerichte, gesubsidieerde of erkende instelling voor hoger onderwijs van twee cycli of door een door de Staat of door een van de Gemeenschappen ingestelde examencommissie;
  c) diploma's van interieurarchitect, licentiaat in de productontwikkeling, meester in de muziek of in de beeldende kunst of in de dramatische kunst of in de audiovisuele kunst of in de productdesign of in de conservatie-restauratie uitgereikt door een door de Vlaamse Gemeenschap opgerichte, gesubsidieerde of erkende instelling van het hoger onderwijs van twee cycli of door een door deze Gemeenschap ingestelde examencommissie;
  d) getuigschriften uitgereikt aan degenen die geslaagd zijn voor de studies aan de polytechnische afdeling of aan de afdeling " Alle Wapens " van de Koninklijke Militaire School en die krachtens de wet van 11 september 1933 op de bescherming van de titels van het hoger onderwijs gerechtigd zijn tot het voeren van de titel van burgerlijk ingenieur of van licentiaat, met de door de Koning bepaalde kwalificatie.
  e) diploma uitgereikt door de Koloniale Hogeschool van België te Antwerpen of licentiaatsdiploma uitgereikt door het Universitair Instituut voor Overzeese Gebieden te Antwerpen indien de studies ten minste vier jaar hebben omvat;
  f) diploma van licentiaat in de handelswetenschappen, in de bestuurswetenschappen, van handelsingenieur, van licentiaat-vertaler of van licentiaat-tolk, uitgereikt door instellingen van hoger technisch onderwijs van de derde graad of door instellingen van technisch onderwijs - gerangschikt als handelshogescholen categorie A5 - of door een door de Staat ingestelde examencommissie;
  g) diploma of eindgetuigschrift uitgereikt na een cyclus van vijf jaar door de afdeling bestuurswetenschappen van het " Institut d'Enseignement supérieur Lucien Cooremans " te Brussel of door het Hoger Instituut voor Bestuurs- en Handelswetenschappen te Elsene of door het Provinciaal Hoger Instituut voor Bestuurswetenschappen te Antwerpen.
  Niveau B :
  a) bachelordiploma's, uitgereikt door :
  - een door de Staat of door een van de gemeenschappen opgerichte, gesubsidieerde of erkende instelling voor hoger onderwijs;
  - een door de Staat of door een van de gemeenschappen ingestelde examencommissie.
  b) diploma van een afdeling van het hoger onderwijs voor sociale promotie van één cyclus, uitgereikt door een instelling opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat of door een van de gemeenschappen;
  Niveau B (overgangsmaatregel) :
  a) getuigschrift, diploma of brevet van het zeevaartonderwijs van de hogere cyclus;
  b) diploma van meetkundig schatter van onroerende goederen;
  c) diploma van mijnmeter;
  d) een diploma uitgereikt in een basisopleiding van één cyclus of in een initiële lerarenopleiding van één cyclus door een hogeschool opgericht, erkend of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap of door een examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap;
  e) kandidaatsdiploma of -getuigschrift uitgereikt na een cyclus van ten minste twee jaar studie ofwel door de Belgische universiteiten met inbegrip van de aan die universiteiten verbonden scholen, de bij de wet ermee gelijkgestelde instellingen of de instellingen voor hoger onderwijs van twee cycli, opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat of door een van de Gemeenschappen ofwel door een door de Staat of door een van de Gemeenschappen ingestelde examencommissie;
  f) diploma van technisch ingenieur uitgereikt na hogere technische leergangen van de tweede graad;
  g) getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie, uitgereikt door een instelling opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Vlaamse Gemeenschap of door een examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap;
  h) getuigschrift na het slagen voor de eerste twee studiejaren van de polytechnische afdeling of van de afdeling "Alle Wapens" van de Koninklijke Militaire School;
  i) diploma van hoger kunst- of technisch onderwijs van de 3e, 2e of 1e graad uitgereikt door een instelling opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat of door een der Gemeenschappen.
  j) diploma uitgereikt na een cyclus van ten minste twee jaar studie, door de Koloniale Hogeschool van België te Antwerpen of kandidaatsdiploma uitgereikt door het Universitair Instituut voor Overzeese Gebieden te Antwerpen;
  k) kandidaatsdiploma uitgereikt na een cyclus van ten minste twee jaar studie door een instelling van hoger technisch onderwijs van de derde graad of door een instelling van technisch onderwijs, gerangschikt als handelshogescholen in de categorie A5;
  l) diploma van burgerlijk conducteur, uitgereikt door een Belgische universiteit;
  m) diploma van technisch ingenieur afgeleverd door een hogere technische school van de tweede graad;
  n) diploma van geaggregeerde voor het lager secundair onderwijs, van lager onderwijzer, lagere onderwijzeres of bewaarschoolonderwijzeres;
  o) diploma van gegradueerde in de landbouwwetenschappen, uitgereikt overeenkomstig de bepalingen van artikel 8 van het koninklijk besluit van 31 oktober 1934 tot vaststelling van de voorwaarden voor het toekennen der diploma's van landbouwkundig ingenieur, van scheikundig landbouwingenieur, van ingenieur voor waters en bossen, van koloniaal landbouwkundig ingenieur, van tuinbouwkundig ingenieur, van boerderijbouwkundig ingenieur, van ingenieur der landbouwbedrijven, zoals het werd gewijzigd bij het koninklijk besluit van 16 juli 1936;
  p) diploma uitgereikt door een instelling voor het hoger technisch onderwijs van de eerste graad met volledig leerplan opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat of door een van regeringswege samengestelde examencommissie;
  q) diploma uitgereikt door een instelling voor hoger technisch onderwijs, opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat of door een van regeringswege samengestelde examencommissie en gerangschikt in een van navolgende categorieën : A1, A6/A1, A7/A1, C1/A1, A8/A1, A1/D, A2/An, C1/D, C5/C1/D, C1/An of door een van regeringswege samengestelde examencommissie;
  r) diploma gerangschikt in de categorie B3/B1, uitgereikt na een cyclus van ten minste zevenhonderd vijftig lestijden door een instelling voor technisch onderwijs opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat en die, bij de toelating, een diploma eist van volledige hogere secundaire studies of het welslagen voor een daarmede gelijkgesteld toelatingsexamen of een diploma van een afdeling gerangschikt in de categorie B3/B2, uitgereikt door een instelling voor technisch onderwijs, opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat en die bij de toelating een diploma eist van lagere secundaire studies of het welslagen voor een daarmede gelijkgesteld toelatingsexamen;
  s) diploma van het hoger onderwijs van één cyclus met volledig leerplan, uitgereikt door de instellingen opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat of door een van de Gemeenschappen of door een door de Staat of door een van de Gemeenschappen ingestelde examencommissie.
  Niveau C :
  a) gehomologeerd of door de examencommissie van de Staat of van een van de Gemeenschappen voor het secundair onderwijs uitgereikt getuigschrift van hoger secundair onderwijs;
  b) gehomologeerd of door de examencommissie van de Staat of van een van de Gemeenschappen voor het secundair onderwijs uitgereikt bekwaamheidsdiploma dat toegang verleent tot het hoger onderwijs;
  c) diploma uitgereikt na het examen bedoeld in artikel 5 van de wetten op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens, gecoördineerd op 31 december 1949;
  d) brevet van verpleeg- of ziekenhuisassistent(e) of van verpleger of verpleegster, uitgereikt hetzij door een door de Staat in de categorie van de aanvullende secundaire beroepsscholen opgerichte, gesubsidieerde of erkende verplegingsafdeling, hetzij door een door de Staat of een der Gemeenschappen ingestelde examencommissie;
  e) diploma van secundair onderwijs, uitgereikt in het algemeen, het technisch, het kunst- of het beroepssecundair onderwijs door een door de Staat of door een van de Gemeenschappen opgerichte, erkende of gesubsidieerde instelling of door de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap;
  f) studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, uitgereikt door een door de Staat of door een van de Gemeenschappen opgerichte, erkende of gesubsidieerde instelling;
  g) getuigschrift, diploma of brevet van het zeevaartonderwijs van de hogere secundaire cyclus;
  h) diploma van een tot de groep handel, administratie en organisatie behorende afdeling van een hogere secundaire technische leergang van een instelling voor technisch onderwijs, opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat of door een van de Gemeenschappen, uitgereikt na een cyclus van ten minste zevenhonderd vijftig lestijden.
  Niveau C (Overgangsmaatregelen) :
  a) getuigschrift uitgereikt na een van de voorbereidende proeven voorgeschreven in de artikelen 10, 10bis en 12 van de op 31 december 1949 gecoördineerde wetten op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens, zoals die bepalingen bestonden vóór 8 juni 1964;
  b) gehomologeerd of door de examencommissie van de Staat voor het hoger middelbaar onderwijs afgeleverd diploma of getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs;
  c) erkend of aanvaard diploma van middelbare studies van de hogere graad (handelsafdeling);
  d) diploma of eindgetuigschrift van hoger middelbaar onderwijs behaald met vrucht;
  e) gehomologeerd diploma van de hogere secundaire technische school of eindgetuigschrift van studies in een hogere secundaire technische school, uitgereikt na een cyclus van drie jaren hogere secundaire studies, met vrucht, door een instelling van technisch onderwijs, opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat of diploma van de hogere secundaire technische school uitgereikt door de examencommissie van de Staat;
  f) diploma of eindgetuigschrift van de hogere secundaire technische school - vroegere categorieën A2, A6/A2, A6/C1/A2, A7/A2, A8/A2, A2A, C1, C1A, C5/C1, C1/A2 - uitgereikt na een cyclus van drie jaren hogere secundaire studies, met vrucht, door een instelling van technisch onderwijs, opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat of door een examencommissie van de Staat;
  g) gehomologeerd diploma van hogere secundair kunstonderwijs met volledig leerplan, uitgereikt overeenkomstig de voorwaarden bepaald bij het koninklijk besluit van 10 februari 1971 tot vaststelling van de gelijkwaardigheid van het studiepeil van de instellingen voor kunstonderwijs met dat van de hogere secundaire technische school en waarbij de voorwaarden voor het uitreiken van de diploma's bepaald worden en het koninklijk besluit van 25 juni 1976 tot regeling van de studies van sommige hogere secundaire afdelingen van de instellingen voor kunstonderwijs met volledig leerplan;
  h) einddiploma, eindgetuigschrift, studieattest of brevet van het zesde jaar van het kunst- of beroepssecundair onderwijs met volledig leerplan, uitgereikt door een instelling opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat;
  i) brevet of eindgetuigschrift uitgereikt na afloop van de hogere cyclus van een beroepsafdeling verbonden aan een instelling voor technisch onderwijs opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat en gerangschikt in één van de categorieën A4, C3, C2, C5;
  j) diploma uitgereikt na een cyclus van ten minste zevenhonderd vijftig lestijden door een instelling voor technisch onderwijs gerangschikt in de categorie B3/B1, opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat;
  k) einddiploma of -getuigschrift uitgereikt na een cyclus van ten minste zevenhonderd vijftig lestijden door een instelling voor technisch onderwijs gerangschikt in de categorie B3/B2, opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat en die bij de toelating een diploma eist van lagere secundaire studies of het welslagen voor een daarmede gelijkgesteld toelatingsexamen;
  l) einddiploma, studiegetuigschrift of getuigschrift uitgereikt na het volgen, met vrucht, van het zesde leerjaar van het algemeen, het technisch, het kunst- of het beroepssecundair onderwijs met volledig leerplan, uitgereikt door een instelling opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat of door een van de Gemeenschappen.
  Niveau D :
  Geen diploma of studiegetuigschrift vereist.
  2. De in overeenstemming met een buitenlandse regeling behaalde diploma's en studiegetuigschriften die, krachtens verdragen of internationale overeenkomsten of met toepassing van de procedure voor het verlenen van de gelijkwaardigheid, voorgeschreven bij de wet van 19 maart 1971 betreffende de gelijkwaardigheid van de buitenlandse diploma's en getuigschriften, gelijkwaardig worden verklaard met één van de in deze lijst bedoelde diploma's of studiegetuigschriften worden eveneens in aanmerking genomen.
  3. In afwijking van punt 2 en in toepassing van de richtlijn van de Raad van de EEG van 21 december 1988 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hoger-onderwijsdiploma's waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten, worden in aanmerking genomen voor de toelating tot de instelling of agentschap :
  a) het diploma, getuigschrift of brevet, behaald na een postsecundaire studiecyclus, dat door een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen is voorgeschreven voor de toelating tot een overeenkomstige functie op zijn grondgebied of voor de uitoefening van die functie en dat werd behaald in een lidstaat van de Europese Gemeenschappen;
  b) het feit dat gedurende ten minste twee jaar tijdens de voorafgaande tien jaar de overeenkomstige functie voltijds werd uitgeoefend in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen, waar de toegang tot de bewuste functie niet is gereglementeerd, voorzover dat de betrokkene één of meer opleidingstitels bezit :
  - die werden uitgereikt door een bevoegde overheid in een lidstaat van de Europese Gemeenschappen, die werd aangewezen overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechterlijke bepalingen van die Staat
  - waaruit blijkt, dat de houder met succes een postsecundaire studiecyclus van ten minste drie jaar of een gelijkwaardige deeltijdse studie heeft gevolgd aan een universiteit of een instelling van hoger onderwijs of een andere instelling van hetzelfde opleidingsniveau in een lidstaat van de Europese Gemeenschappen, en, in voorkomend geval, dat hij met succes de beroepsopleiding heeft gevolgd die in aanvulling op de postsecundaire studiecyclus wordt vereist
  - en die hem op de uitoefening van dat beroep heeft voorbereid.
  In het raam van een bepaald vergelijkend wervingsexamen is SELOR of een andere instantie belast met de werving en selectie van personeel ermee belast de kandidaatstellingen in ontvangst te nemen van de houders van de in punt 3, littera a en b bedoelde titels.
  Teneinde de waarde van de voorgestelde titels te kennen, legt de afgevaardigd bestuurder van SELOR of een andere instantie belast met de werving en selectie van personeel die titels voor advies voor aan de bevoegde onderwijsoverheden.
  Daarna treft hij de bij het artikel 8, § 2 van de richtlijnen voorgeschreven beslissingen, met inbegrip van de eventuele toepassing van de bij artikel 4 ervan voorziene compensatiebepalingen.
  4. In afwijking van punt 2, gelden voor de toelating tot de instelling of agentschap, ook de bepalingen van de richtlijn van de Raad van de EEG van 18 juni 1992 betreffende een tweede algemeen stelsel voor de erkenning van beroepsopleidingen in het hoger onderwijs van minder drie jaar en van de beroepsopleidingen in het secundair onderwijs.
  In het raam van een bepaald vergelijkend wervingsexamen is Selor of een andere instantie belast met de werving en selectie van personeel ermee belast de kandidaatstellingen in ontvangst te nemen van de houders van de in de artikelen 3, 5 en 6 van de richtlijn bedoelde titels.
  Teneinde de waarde van de voorgestelde titels te kennen, legt de afgevaardigd bestuurder van SELOR of een andere instantie belast met de werving en selectie van personeel die titels voor advies voor aan de bevoegde onderwijsoverheden.
  Daarna treft hij de bij het artikel 12, § 2 van de richtlijnen voorgeschreven beslissingen, met inbegrip van de eventuele toepassing van de bij artikel 4, 5 en 7 ervan voorziene compensatiebepalingen.
  5. De richtlijnen die de in de punten 3 en 4 opgesomde richtlijnen zouden aanvullen of vervangen, zijn voor wat betreft de toelaatbaarheid van personen tot de in artikel I 1 vermelde instellingen en agentschappen van rechtswege van toepassing, behalve indien ze bepalingen beïnvloeden die aanpassingsmaatregelen moeten ondergaan of de bevoegdheden zouden wijzigen die aan SELOR of een andere instantie belast met de werving en selectie van personeel zijn toegekend.
  Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 januari 2006 tot wijziging van het stambesluit VOI van 30 juni 2000, wat betreft de klokkenluiders, het bevallingsverlof, de pensioenleeftijd en andere bepalingen.
  Brussel, 27 januari 2006.
  De minister-president van de Vlaamse Regering,
  Y. LETERME
  De Vlaamse minister van Economie, Ondernemen, Wetenschap, Innovatie en Buitenlandse Handel,
  F. MOERMAN
  De Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming,
  F. VANDENBROUCKE
  De Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin,
  I. VERVOTTE
  De Vlaamse minister van Cultuur, Jeugd, Sport en Brussel,
  B. ANCIAUX
  De Vlaamse minister van Bestuurszaken, Buitenlands Beleid, Media en Toerisme,
  G. BOURGEOIS
  De Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur,
  K. PEETERS
  De Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering,
  M. KEULEN.
Art. N. ANNEXE III. - LIAISON DIPLOME - NIVEAU ADMINISTRATIF.
  1. Les diplômes ou certificats suivants sont, selon le niveau administratif, pris en considération pour le recrutement :
  Niveau A :
  diplômes de master à orientation académique, délivrés par :
  - les universités belges, y compris les écoles rattachées à ces universités ou les établissements y assimilés par la loi ou par décret;
  - un établissement d'enseignement supérieur créé, subventionné ou agréé par l'Etat ou par l'une des Communautés;
  - un jury institué par l'Etat ou l'une des Communautés.
  Niveau A (mesure transitoire) :
  a) diplômes de licencié, de docteur, de pharmacien, d'ingénieur civil, d'ingénieur agricole, d'ingénieur commercial, d'ingénieur en chimie et en industries agricoles, d'ingénieur civil-architecte, de bio-ingénieur, de médecin, de dentiste ou de vétérinaire, délivrés par les universités belges, y compris les écoles rattachées à ces universités, ou par les établissements y assimilés par la loi ou par le décret, si les études ont comporté au moins quatre années, même si une partie de ces études n'a pas été accomplie dans un des établissements d'enseignement précités, ou par un jury institué par l'Etat ou l'une des Communautés;
  b) diplômes de licencié en sciences commerciales, d'ingénieur commercial, de licencié en sciences administratives, de licencié-traducteur, de licencié-interprète, de licencié en sciences nautiques, d'ingénieur industriel, d'architecte ou de licencié en communication appliquée, de licencié en kinésithérapie et de licencié en organisation du travail et santé, délivrés par un établissement d'enseignement supérieur de deux cycles créé, subventionné ou agréé par l'Etat ou par l'une des Communautés ou par un jury institué par l'Etat ou l'une des Communautés;
  c) diplômes d'architecte d'intérieur, de licencié en développement de produits, de maître de musique, d'arts plastiques, d'art dramatique, d'art audiovisuel, de design de produits ou en conservation-restauration, délivrés par un établissement d'enseignement supérieur de deux cycles créé, subventionne ou agréé par la Communauté flamande ou par un jury institué par cette Communauté;
  d) certificats délivrés à ceux qui ont terminé avec fruit les études de la section polytechnique ou de la section " Toutes Armes " de l'Ecole royale militaire et qui sont habilités à porter le titre d'ingénieur civil ou celui de licencié, avec la qualification déterminée par le Roi, en vertu de la loi du 11 septembre 1933 sur la protection des titres de l'enseignement supérieur.
  e) diplôme délivré par l'Université coloniale de Belgique à Anvers ou diplôme de licencié délivré par l'Institut universitaire des Territoires d'outre-mer à Anvers, si les études ont comporté au moins quatre années;
  f) diplôme de licencié en sciences commerciales, de licencié en sciences administratives, d'ingénieur commercial, de licencié-traducteur ou de licencie-interprète, délivrés par des établissements d'enseignement technique supérieur du troisième degré ou par des établissements d'enseignement technique - classés comme instituts supérieurs de commerce A5 - ou par un jury institué par l'Etat;
  g) diplôme ou certificat de fin d'études délivré après un cycle de cinq ans par la section des sciences administratives de l'Institut d'enseignement supérieur Lucien Cooremans à Bruxelles ou par le " Hoger Instituut voor Bestuurs- en Handelswetenschappen " à Ixelles ou par le " Provinciaal Hoger Instituut voor Bestuurswetenschappen " à Anvers.
  Niveau B :
  a) diplômes de bachelor, délivrés par :
  - un etablissement d'enseignement supérieur créé, subventionné ou agréé par l'Etat ou par l'une des Communautés;
  - un jury institué par l'Etat ou l'une des Communautés.
  b) diplôme d'une section de l'enseignement supérieur d'un cycle et de promotion sociale, délivré par un établissement créé, subventionné ou agréé par l'Etat ou par une des Communautés;
  Niveau B (mesure transitoire) :
  a) certificat, diplôme ou brevet d'enseignement maritime du cycle supérieur;
  b) diplôme de géomètre-expert immobilier;
  c) diplôme de géomètre des mines;
  d) un diplôme délivré dans une formation initiale d'un cycle ou dans une formation initiale des enseignants d'un cycle par un institut supérieur créé, agréé ou subventionné par la Communauté flamande ou par un jury de la Communauté flamande;
  e) diplôme ou certificat de candidature délivré après un cycle d'au moins deux années d'études, soit par les universités belges, y compris les écoles rattachées à ces universités, les établissements y assimilés par la loi ou les établissements d'enseignement supérieur de deux cycles créés, subventionnés ou agreés par l'Etat ou l'une des Communautés, soit par un jury institué par l'Etat ou l'une des Communautés;
  f) diplôme d'ingénieur-technicien délivré après des cours supérieurs techniques du deuxième degré;
  g) certificat de l'enseignement supérieur pédagogique de type court de promotion sociale, délivré par un établissement créé, subventionné ou agréé par la Communauté flamande ou par un jury de la Communauté flamande;
  h) certificat attestant la réussite des deux premières années d'études de la section polytechnique ou de la section " Toutes Armes " de l'Ecole royale militaire;
  i) diplôme de l'enseignement supérieur artistique ou technique du 3e, 2e ou 1er degré délivré par un établissement créé, subventionné ou agréé par l'Etat ou par une des Communautes.
  j) diplôme délivré après un cycle d'au moins deux années d'études par l'Université coloniale de Belgique à Anvers ou diplôme de candidature délivré par l'Institut universitaire des Territoires d'outre-mer à Anvers;
  k) diplôme de candidature délivré après un cycle d'au moins deux années d'études par une école d'enseignement technique supérieur du troisième degré ou par un établissement d'enseignement technique, classé comme institut supérieur de commerce dans la catégorie A5;
  l) diplôme de conducteur civil délivré par une université belge;
  m) diplôme d'ingénieur technicien délivré par une école supérieure technique du deuxième degré;
  n) diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire inférieur, d'instituteur primaire, d'institutrice primaire ou d'institutrice gardienne;
  o) diplôme de gradué en sciences agronomiques, délivré conformément aux dispositions de l'article 8 de l'arrêté royal du 31 octobre 1934 fixant les conditions de collation des diplômes d'ingénieur agronome, d'ingénieur-chimiste agricole, d'ingénieur des eaux et forêts, d'ingénieur agronome colonial, d'ingénieur horticole, d'ingénieur du génie rural, d'ingénieur des industries agricoles, tel qu'il a été modifié par l'arrêté royal du 16 juillet 1936;
  p) diplôme délivré par un établissement d'enseignement technique supérieur du premier degré et de plein exercice, créé, subventionné ou agréé par l'Etat ou par un jury constitué par le Gouvernement;
  q) diplôme délivré par un établissement d'enseignement supérieur technique créé, subventionné ou agréé par l'Etat ou par un jury constitué par le Gouvernement et classé dans une des catégories suivantes : A1, A6/A1, A7/A1, C1/A1, A8/A1, A1/D, A2/An, C1/D, C5/C1/D, C1/An ou par un jury constitué par le Gouvernement;
  r) diplôme classé dans la catégorie B3/B1, délivré après un cycle d'au moins sept cent cinquante périodes, par un établissement d'enseignement technique créé subventionné ou agréé par l'Etat et exigeant, lors de l'admission, un diplôme d'études secondaires supérieures complètes ou la réussite d'un examen d'entrée y assimilé ou un diplôme d'une section classée en catégorie B3/B2, délivré par un établissement d'enseignement technique créé subventionné ou agréé par l'Etat et exigeant, lors de l'admission, un diplôme d'études secondaires inférieures complètes ou la réussite d'un examen d'entrée y assimilé;
  s) diplôme de l'enseignement supérieur d'un cycle et de plein exercice, délivré par les établissements créés, subventionnés ou agréés par l'Etat ou l'une des Communautés ou par un jury institué par l'Etat ou l'une des Communautés.
  Niveau C :
  a) certificat d'enseignement secondaire supérieur, homologué ou délivré par le jury de l'Etat ou d'une des Communautés pour l'enseignement secondaire;
  b) diplôme d'aptitude donnant accès à l'enseignement supérieur, homologué ou délivré par le jury de l'Etat ou d'une des Communautés pour l'enseignement secondaire;
  c) diplôme délivré à la suite de l'examen prévu à l'article 5 des lois sur la collation des grades académiques et le programme des examens universitaires, coordonnées le 31 décembre 1949;
  d) brevet d'hospitalier ou hospitalière, d'assistant ou assistante en soins hospitaliers ou d'infirmier ou infirmière, délivré, soit par une section de nursing créée, subventionnée ou agréée par l'Etat ou l'une des Communautés dans la catégorie des écoles professionnelles secondaires complémentaires, soit par un jury institué par l'Etat ou l'une des Communautés;
  e) diplôme de l'enseignement secondaire, délivré dans l'enseignement secondaire général, technique, artistique ou professionnel par un établissement créé, agréé ou subventionné par l'Etat ou une des Communautés ou par le jury de la Communauté flamande;
  f) certificat de fin d'étude de la deuxième année du troisième degré de l'enseignement secondaire professionnel, délivré par un établissement créé, agréé ou subventionné par l'Etat ou une des Communautés;
  g) certificat, diplôme ou brevet d'enseignement maritime du cycle secondaire supérieur;
  h) diplôme d'une section appartenant au groupe commerce, administration et organisation d'un cours technique secondaire supérieur d'un établissement d'enseignement technique, créé, subventionné ou agréé par l'Etat ou l'une des Communautés, délivre après un cycle d'au moins sept cent cinquante periodes.
  Niveau C (Mesures transitoires) :
  a) certificat délivré à la suite d'une des épreuves préparatoires prévues aux articles 10, 10bis et 12 des lois sur la collation des grades académiques et le programme des examens universitaires, coordonnees le 31 décembre 1949, telles que ces dispositions étaient rédigées avant le 8 juin 1964;
  b) diplôme ou certificat de l'enseignement moyen supérieur, homologué ou délivré par le jury de l'Etat pour l'enseignement moyen supérieur;
  c) diplôme agréé ou accepté de fin d'études moyennes du degré supérieur (section commerciale);
  d) diplôme ou certificat de fin d'études de l'enseignement moyen supérieur obtenu avec fruit;
  e) diplôme homologue d'école technique secondaire supérieure ou certificat de fin d'études d'une école technique secondaire supérieure, délivré après un cycle de trois années d'études secondaires supérieures, terminées avec fruit, par un etablissement d'enseignement technique créé, subventionné ou agréé par l'Etat ou diplôme d'école technique secondaire supérieure, délivré par le jury de l'Etat;
  f) diplôme ou certificat de fin d'études d'école technique secondaire supérieure - anciennes catégories A2, A6/A2, A6/C1/A2, A7/A2, A8/A2, A2A, C1, C1A, C5/C1, C1/A2 -, délivré après un cycle de trois années d'études secondaires superieures, terminées avec fruit, par un établissement d'enseignement technique créé, subventionne ou agréé par l'Etat ou par un jury de l'Etat;
  g) diplôme homologué d'enseignement artistique secondaire supérieur de plein exercice, délivré conformément aux dispositions de l'arrêté royal du 10 fevrier 1971 fixant l'équivalence du niveau des études des établissements d'enseignement artistique à celui de l'école technique secondaire supérieure et déterminant les conditions dans lesquelles les diplômes sont délivrés et de l'arrêté royal du 25 juin 1976 réglant les études de certaines divisions secondaires supérieures des établissements d'enseignement artistique de plein exercice;
  h) diplôme ou certificat de fin d'études, brevet ou attestation d'études de la sixième année de l'enseignement artistique ou professionnel secondaire supérieur de plein exercice, délivré par un établissement créé, subventionne ou agréé par l'Etat;
  i) brevet ou certificat de fin d'études délivré après la fréquentation du cycle secondaire supérieur d'une section professionnelle d'un établissement d'enseignement technique créé, subventionné ou agréé par l'Etat et classé dans l'une des catégories A4, C3, C2 ou C5;
  j) diplôme délivre après un cycle d'au moins sept cent cinquante périodes, par un établissement d'enseignement technique classé dans la catégorie B3/B1, créé, subventionné ou agréé par l'Etat;
  k) diplôme ou certificat de fin d'études délivré après un cycle d'au moins sept cent cinquante périodes par un établissement d'enseignement technique classé dans la catégorie B3/B2, créé, subventionné ou agréé par l'Etat et exigeant lors de l'admission un diplôme d'études secondaires inférieures ou la réussite d'un examen d'entrée y assimilé;
  l) diplôme de fin d'études, certificat d'études ou attestation de fréquentation avec fruit de la sixième année d'enseignement général, technique, artistique ou professionnel secondaire de plein exercice, délivré par un établissement créé, subventionné ou agréé par l'Etat ou par l'une des Communautés.
  Niveau D :
  Aucun diplôme ou certificat d'etudes n'est requis.
  2. Sont admis également les diplômes et certificats d'études obtenus selon un régime étranger qui, en vertu de traités ou de conventions internationales ou en application de la procédure d'octroi de l'équivalence prévue par la loi du 19 mars 1971 relative à l'équivalence des diplômes et certificats d'études étrangers, sont declares équivalents à l'un des diplômes ou certificats d'études visés dans la présente liste.
  3. Par dérogation au point 2 et par application de la directive du Conseil de la CEE du 21 décembre 1988 relative a un système général de reconnaissance des diplômes d'enseignement supérieur qui sanctionnent des formations professionnelles d'une durée minimale de trois ans, sont pris en considération pour l'admission à l'organisme ou à l'agence :
  a) le diplôme, certificat ou brevet délivré à l'issue d'un cycle, d'études postsecondaire, qui est prescrit par un autre Etat membre des Communautés européennes pour l'admission à une fonction correspondante sur son territoire ou pour l'exercice de cette fonction et qui a été obtenu dans un Etat membre des Communautés européennes;
  b) le fait que la fonction correspondante a été exercée à temps plein pendant deux ans au moins au cours des dix années précédentes dans un autre Etat membre des Communautés européennes où l'acces a cette fonction n'est pas réglementé, pour autant que l'intéressé est titulaire d'un ou de plusieurs titres de formation :
  - qui ont été délivrés par une autorité compétente dans un Etat membre des Communautés européennes qui a été désignée conformément aux dispositions légales et du droit administratif de cet Etat
  - attestant que le titulaire a suivi avec fruit un cycle d'études postsecondaire de trois ans au moins ou des études équivalentes à temps partiel auprès d'une université ou d'un établissement d'enseignement supérieur ou d'un autre établissement du même niveau de formation dans un Etat membre des Communautés européennes et, le cas échéant, qu'il a suivi avec fruit la formation professionnelle requise en complément du cycle d'études postsecondaire
  - et qui l'ont préparé à l'exercice de cette profession.
  Dans le cadre d'un concours de recrutement déterminé, Selor ou une autre instance chargée du recrutement et de la sélection de personnels est chargé de réceptionner les candidatures des porteurs des titres visés au point 3, lettres a et b.
  Afin de connaître la valeur des titres proposés, l'administrateur délégué ou une autre instance chargée du recrutement et de la sélection de personnels soumet les titres à l'avis des autorités d'enseignement compétentes.
  Il prend ensuite les décisions prescrites par l'article 8, § 2, des directives, y compris celles relatives à l'application éventuelle des dispositions compensatoires prévues a l'article 4.
  4. Par dérogation au point 2, l'admission à l'organisme ou à l'agence est également régie par les dispositions de la directive du Conseil de la CEE du 18 juin 1992 relative à un deuxième système général de reconnaissance des formations professionnelles dans l'enseignement supérieur de moins de trois ans et des formations professionnelles dans l'enseignement secondaire.
  Dans le cadre d'un concours de recrutement déterminé, Selor ou une autre instance chargée du recrutement et de la sélection de personnels est chargé de réceptionner les candidatures des porteurs des titres visés aux articles 3, 5 et 6 de la directive.
  Afin de connaître la valeur des titres proposés, l'administrateur délégué ou une autre instance chargée du recrutement et de la sélection de personnels soumet les titres à l'avis des autorités d'enseignement compétentes.
  Il prend ensuite les décisions prescrites par l'article 12, § 2, des directives, y compris celles relatives à l'application éventuelle des dispositions compensatoires prévues par les articles 4, 5 et 7.
  5. Les directives qui compléteraient ou remplaceraient les directives énoncées aux points 3 et 4, sont applicables de plein droit pour ce qui concerne l'admissibilité de personnes aux organismes et agences cités à l'article I 1, sauf au cas où elles auraient une répercussion sur des dispositions auxquelles des mesures d'adaptation doivent être appliquées ou qui changeraient les compétences conférées à Selor ou une autre instance chargée du recrutement et de la sélection de personnels.
  Vu pour être annexé à l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 janvier 2006 modifiant l'arrêté de base VOI du 30 juin 2000 en ce qui concerne les dénonciateurs, le congé de maternité, l'âge de la retraite et d'autres dispositions
  Bruxelles, le 27 janvier 2006.
  Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
  Y. LETERME
  La Ministre flamande de l'Economie, de l'Entreprise, des Sciences, de l'Innovation et du Commerce extérieur,
  F. MOERMAN
  Le Ministre flamand de l'Emploi, de l'Enseignement et de la Formation,
  F. VANDENBROUCKE
  La Ministre flamande du Bien-être, de la Santé publique et de la Famille,
  I. VERVOTTE
  Le Ministre flamand de la Culture, de la Jeunesse, des Sports et des Affaires bruxelloises,
  B. ANCIAUX
  Le Ministre flamand des Affaires administratives, de la Politique extérieure, des Médias et du Tourisme,
  G. BOURGEOIS
  Le Ministre flamand des Travaux publics, de l'Energie, de l'Environnement et de la Nature,
  K. PEETERS
  Le Ministre flamand des Affaires intérieures, de la Politique des Villes, du Logement et de l'Intégration civique,
  M. KEULEN.