Artikel 1. § 1. De persoon, die een kermisattractie of een vestiging van kermisgastronomie met bediening aan tafel uitbaat voor eigen rekening of als verantwoordelijke voor het dagelijks bestuur van een rechtspersoon, dient over een machtiging, voorzien in Bijlage Ia van dit besluit te beschikken. Deze machtiging, " machtiging als werkgever " genoemd, is persoonlijk en onoverdraagbaar. Zij is geldig voor de duur van de activiteit en zolang de natuurlijke of rechtspersoon aan de voorwaarden tot uitoefening van deze activiteit voldoet.
Zij wordt toegekend aan de verantwoordelijke(n) voor het dagelijks bestuur van een rechtspersoon, voor rekening van deze.
§ 2. De persoon die, voor eigen rekening of als verantwoordelijke voor het dagelijks bestuur van een rechtspersoon, op een kermis een vestiging van kermisgastronomie zonder bediening aan tafel uitbaat, moet over de " machtiging als werkgever " voor de uitoefening van ambulante activiteiten beschikken, bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 24 september 2006 betreffende de uitoefening en de organisatie van ambulante activiteiten.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
24 SEPTEMBER 2006. - Koninklijk besluit betreffende de uitoefening en de organisatie van kermisactiviteiten en ambulante activiteiten in kermisgastronomie(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 29-09-2006 en tekstbijwerking tot 02-05-2025)
Titre
24 SEPTEMBRE 2006. - Arrêté royal relatif à l'exercice et a l'organisation des activités foraines et des activités ambulantes de gastronomie foraine(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 29-09-2006 et mise à jour au 02-05-2025)
Dokumentinformationen
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK I. - Betreffende de uitoefening van k...
HOOFDSTUK II. - Betreffende de organisatie van ...
Afdeling I. - Betreffende de organisatie van ke...
Onderafdeling I. - Betreffende de standplaatsen...
Onderafdeling II. - Betreffende de personen aan...
Onderafdeling III. - Betreffende de abonnementen.
Onderafdeling IV. - Betreffende de voorwaarden ...
Onderafdeling V. - Betreffende de overdracht va...
Afdeling II. - Betreffende de organisatie van k...
Afdeling III. - Betreffende de personen belast ...
HOOFDSTUK III. - Betreffende het onderzoek en d...
HOOFDSTUK IV. - Betreffende de minnelijke schik...
HOOFDSTUK V. - Overgangs- en slotbepalingen.
BIJLAGEN.
Inhoud
CHAPITRE Ier. - De l'exercice des activités for...
CHAPITRE II. - De l'organisation des activités ...
Section Ire. - De l'organisation des activités ...
Sous-section Ire. - Des emplacements sur les fê...
Sous-section II. - Des personnes auxquelles les...
Sous-section III. - Des abonnements.
Sous-section IV. - Des conditions et des modali...
Sous-section V. - De la cession des emplacement...
Section II. - De l'organisation des activités f...
Section III. - Des personnes chargées de l'orga...
CHAPITRE III. - De la recherche et de la consta...
CHAPITRE IV. - Du règlement transactionnel.
CHAPITRE V. - Dispositions transitoires et fina...
ANNEXES.
Tekst (85)
Texte (85)
HOOFDSTUK I. - Betreffende de uitoefening van kermisactiviteiten en ambulante activiteiten in kermisgastronomie.
CHAPITRE Ier. - De l'exercice des activités foraines et des activités ambulantes de gastronomie foraine.
Article 1. § 1er. La personne qui exploite une attraction foraine ou un établissement de gastronomie foraine avec service à table pour son propre compte ou en qualité de responsable de la gestion journalière d'une personne morale doit disposer de l'autorisation prévue a l'annexe Ia du présent arrêté. Cette autorisation, dénommée " autorisation patronale ", est personnelle et incessible. Elle est émise pour la durée de l'activité et tant que la personne physique ou morale satisfait aux conditions d'exercice de cette activité.
Elle est attribuée au(x) responsable(s) de la gestion journalière de la personne morale pour compte de celle-ci.
§ 2. La personne qui exploite, sur une fete foraine, un établissement de gastronomie foraine sans service à table pour son propre compte ou en qualité de responsable de la gestion journalière d'une personne morale doit disposer de l' " autorisation patronale " d'activités ambulantes, prévue à l'article 13 de l'arrêté royal du 24 septembre 2006 relatif à l'exercice et à l'organisation des activités ambulantes.
Elle est attribuée au(x) responsable(s) de la gestion journalière de la personne morale pour compte de celle-ci.
§ 2. La personne qui exploite, sur une fete foraine, un établissement de gastronomie foraine sans service à table pour son propre compte ou en qualité de responsable de la gestion journalière d'une personne morale doit disposer de l' " autorisation patronale " d'activités ambulantes, prévue à l'article 13 de l'arrêté royal du 24 septembre 2006 relatif à l'exercice et à l'organisation des activités ambulantes.
Art. 2. § 1. De persoon die een kermisattractie of een vestiging van kermisgastronomie met bediening aan tafel uitbaat voor rekening of in dienst van een persoon bedoeld in artikel 1, § 1, dient over een machtiging voorzien in Bijlage Ib van dit besluit te beschikken. Deze machtiging, " machtiging als aangestelde-verantwoordelijke " genoemd, wordt uitgereikt op naam van de natuurlijk persoon of rechtspersoon waarvoor hij de activiteit uitoefent voor de duur van de activiteit zonder de geldigheidsduur van de " machtiging als werkgever ", waaraan zij verbonden is, te kunnen overstijgen.
De " aangestelden " die een kermisactiviteit uitoefenen voor rekening of in dienst van een persoon bedoeld in artikel 1, § 1, andere dan deze bedoeld in het eerste lid, zijn vrijgesteld van de verplichting over een machtiging te beschikken in zoverre zij hun activiteit uitoefenen in het bijzijn en onder de controle van deze persoon of van een aangestelde-verantwoordelijke bedoeld in het eerste lid.
§ 2. De persoon die op een kermis een vestiging van kermisgastronomie zonder bediening aan tafel uitbaat, voor rekening of in dienst van een persoon bedoeld in het artikel 1, § 2, " aangestelde-verantwoordelijke " genoemd, moet over de " machtiging als aangestelde A " of over de " machtiging als aangestelde B " beschikken, bedoeld in artikel 14, §§ 1 of 2, van het koninklijk besluit van 24 september 2006 betreffende de uitoefening en de organisatie van ambulante activiteiten.
§ 3. In afwijking op artikel 14 van het bovenvermeld koninklijk besluit van 24 september 2006, worden de " aangestelden ", andere dan bedoeld in § 2, die een ambulante activiteit in kermisgastronomie zonder bediening aan tafel uitoefenen voor rekening of in dienst van een persoon bedoeld in artikel 1, § 2, vrijgesteld van de verplichting over een machtiging te beschikken indien zij hun activiteit uitoefenen in het bijzijn en onder controle van deze persoon of een " aangestelde " bedoeld in § 2, van dit artikel.
De " aangestelden " die een kermisactiviteit uitoefenen voor rekening of in dienst van een persoon bedoeld in artikel 1, § 1, andere dan deze bedoeld in het eerste lid, zijn vrijgesteld van de verplichting over een machtiging te beschikken in zoverre zij hun activiteit uitoefenen in het bijzijn en onder de controle van deze persoon of van een aangestelde-verantwoordelijke bedoeld in het eerste lid.
§ 2. De persoon die op een kermis een vestiging van kermisgastronomie zonder bediening aan tafel uitbaat, voor rekening of in dienst van een persoon bedoeld in het artikel 1, § 2, " aangestelde-verantwoordelijke " genoemd, moet over de " machtiging als aangestelde A " of over de " machtiging als aangestelde B " beschikken, bedoeld in artikel 14, §§ 1 of 2, van het koninklijk besluit van 24 september 2006 betreffende de uitoefening en de organisatie van ambulante activiteiten.
§ 3. In afwijking op artikel 14 van het bovenvermeld koninklijk besluit van 24 september 2006, worden de " aangestelden ", andere dan bedoeld in § 2, die een ambulante activiteit in kermisgastronomie zonder bediening aan tafel uitoefenen voor rekening of in dienst van een persoon bedoeld in artikel 1, § 2, vrijgesteld van de verplichting over een machtiging te beschikken indien zij hun activiteit uitoefenen in het bijzijn en onder controle van deze persoon of een " aangestelde " bedoeld in § 2, van dit artikel.
Art. 2. § 1er. La personne qui exploite une attraction foraine ou un établissement de gastronomie foraine avec service à table pour le compte ou au service d'une personne visée à l'article 1er, § 1er, doit disposer de l'autorisation prévue à l'annexe Ib de l'arrêté. Cette autorisation, dénommée " autorisation de préposé-responsable " est émise au nom de la personne physique ou de la personne morale pour le compte de laquelle ou au service de laquelle exerce le " prépose-responsable ". Sa durée de validité correspond à celle de l' " autorisation patronale " à laquelle elle est rattachée.
Les " préposés ", autres que ceux visés à l'alinéa 1er, qui exercent une activité foraine pour le compte ou au service d'une personne visée à l'article 1er, § 1er, sont dispensés de l'obligation de disposer d'une autorisation pour autant qu'ils exercent leur activité en la présence et sous le contrôle de cette personne ou d'un " préposé-responsable " visé à l'alinéa 1er.
§ 2. La personne qui exploite, sur une fête foraine, un établissement de gastronomie foraine sans service à table, pour le compte ou au service d'une personne visée à l'article 1er, § 2, dénommée " préposé-responsable ", doit disposer de l' " autorisation de préposé A " ou de l' " autorisation de préposé B " prévues à l'article 14, §§ 1er ou 2, de l'arrêté royal du 24 septembre 2006 relatif à l'exercice et à l'organisation des activités ambulantes.
§ 3. Par dérogation à l'article 14 de l'arrêté royal du 24 septembre 2006, précité, les " préposés ", autres que ceux visés au § 2, qui exercent une activité ambulante de gastronomie foraine sans service à table pour le compte ou au service d'une personne visée à l'article 1er, § 2, sont dispensés de l'obligation de disposer d'une autorisation pour autant qu'ils exercent leur activité en la présence et sous le contrôle de cette personne ou d'un " préposé " visé au § 2 du présent article.
Les " préposés ", autres que ceux visés à l'alinéa 1er, qui exercent une activité foraine pour le compte ou au service d'une personne visée à l'article 1er, § 1er, sont dispensés de l'obligation de disposer d'une autorisation pour autant qu'ils exercent leur activité en la présence et sous le contrôle de cette personne ou d'un " préposé-responsable " visé à l'alinéa 1er.
§ 2. La personne qui exploite, sur une fête foraine, un établissement de gastronomie foraine sans service à table, pour le compte ou au service d'une personne visée à l'article 1er, § 2, dénommée " préposé-responsable ", doit disposer de l' " autorisation de préposé A " ou de l' " autorisation de préposé B " prévues à l'article 14, §§ 1er ou 2, de l'arrêté royal du 24 septembre 2006 relatif à l'exercice et à l'organisation des activités ambulantes.
§ 3. Par dérogation à l'article 14 de l'arrêté royal du 24 septembre 2006, précité, les " préposés ", autres que ceux visés au § 2, qui exercent une activité ambulante de gastronomie foraine sans service à table pour le compte ou au service d'une personne visée à l'article 1er, § 2, sont dispensés de l'obligation de disposer d'une autorisation pour autant qu'ils exercent leur activité en la présence et sous le contrôle de cette personne ou d'un " préposé " visé au § 2 du présent article.
Art. 3. De machtigingen bedoeld in de artikelen 1, § 1, en 2, § 1, vermelden de attracties en uitgebate vestigingen met de nauwkeurige vermelding van de aard en de identificatie, indien zij zich op eigen kracht voortbewegen, door middel van hun nummer van de kentekenplaat of, in het andere geval, door dit van de kentekenplaat van het voertuig welke hen vervoert.
Wanneer de attractie onder het toepassingsgebied valt van het koninklijk besluit van 18 juni 2003 betreffende de uitbating van kermistoestellen, bepaalt de machtiging die de attractie dekt de categorie waartoe deze behoort, overeenkomstig het onderscheid uitgevoerd door het voornoemde besluit.
Wanneer de attractie onder het toepassingsgebied valt van het koninklijk besluit van 18 juni 2003 betreffende de uitbating van kermistoestellen, bepaalt de machtiging die de attractie dekt de categorie waartoe deze behoort, overeenkomstig het onderscheid uitgevoerd door het voornoemde besluit.
Art. 3. Les autorisations visées aux articles 1er, § 1er et 2, § 1er, mentionnent les attractions et les établissements exploités, en précisent le genre et les identifient, si elles sont autotractantes, par leur numéro de plaque minéralogique ou, dans le cas contraire, par celui de la plaque minéralogique du vehicule qui les transportent.
Lorsque l'attraction relève du champ d'application de l'arrêté royal du 18 juin 2003 relatif à l'exploitation des attractions foraines, l'autorisation qui la couvre stipule la catégorie à laquelle elle appartient, conformément à la distinction opérée par l'arrêté précité.
Lorsque l'attraction relève du champ d'application de l'arrêté royal du 18 juin 2003 relatif à l'exploitation des attractions foraines, l'autorisation qui la couvre stipule la catégorie à laquelle elle appartient, conformément à la distinction opérée par l'arrêté précité.
Art. 4. § 1. Elke persoon, bedoeld in de artikelen 1 en 2, §§ 1 en 2 dient wanneer hij zijn activiteit uitoefent in het bezit te zijn van zijn machtiging of desgevallend, van een document dat dit vervangt, voorzien in artikel 6, § 4, van het besluit of artikel 17 § 4, van het bovenvermeld koninklijk besluit van 24 september 2006.
§ 2. De machtiging is slechts geldig indien ze vergezeld is van :
1° een identiteitsbewijs van haar houder of voor de niet-ingezetenen en de buitenlandse onderdanen van een identiteitsbewijs dat dit vervangt;
2° een bewijs waaruit blijkt dat de uitbater van de attractie of van de vestiging van kermisgastronomie met of zonder bediening aan tafel behoorlijk gedekt wordt door verzekeringspolissen inzake burgerlijke aansprakelijkheid en tegen brandrisico's;
3° het bewijs, wanneer het een kermisattractie met voortbeweging van personen, aangedreven door een niet-menselijke energiebron betreft :
a) dat de attractie voldoet aan de bepalingen van artikel 10 van het koninklijk besluit van 18 juni 2003 betreffende de uitbating van kermistoestellen;
b) dat de attractie beschikt over een ontvangstmelding van het document bedoeld in § 3;
4° het bewijs dat de uitbating van de kermisattractie met dieren voldoet aan de reglementaire voorschriften betreffende deze materie;
5° het bewijs dat de vestiging van kermisgastronomie met of zonder bediening aan tafel en de personen die er werkzaam zijn voldoen aan de reglementaire voorwaarden inzake volksgezondheid.
§ 3. Alvorens de attractie voor de consumenten open te stellen, moet de uitbater of de " aangestelde-verantwoordelijke " van een kermisattractie met voortbeweging van personen aangedreven door een niet-menselijke energiebron, een kopie van het document dat bevestigt dat de inspectie van de opstelling van de attractie voorzien in artikel 5 van het bovenvermelde koninklijk besluit van 18 juni 2003 werd verwezenlijkt, tegen ontvangstmelding, aan de burgemeester, aan zijn afgevaardigde of aan de concessionaris afleveren.
§ 4. De machtiging alsook de documenten bedoeld in dit artikel dienen op elk verzoek van een van de personen belast met de controle op de kermisactiviteiten, bij de wet of dit besluit, voorgelegd te worden.
§ 2. De machtiging is slechts geldig indien ze vergezeld is van :
1° een identiteitsbewijs van haar houder of voor de niet-ingezetenen en de buitenlandse onderdanen van een identiteitsbewijs dat dit vervangt;
2° een bewijs waaruit blijkt dat de uitbater van de attractie of van de vestiging van kermisgastronomie met of zonder bediening aan tafel behoorlijk gedekt wordt door verzekeringspolissen inzake burgerlijke aansprakelijkheid en tegen brandrisico's;
3° het bewijs, wanneer het een kermisattractie met voortbeweging van personen, aangedreven door een niet-menselijke energiebron betreft :
a) dat de attractie voldoet aan de bepalingen van artikel 10 van het koninklijk besluit van 18 juni 2003 betreffende de uitbating van kermistoestellen;
b) dat de attractie beschikt over een ontvangstmelding van het document bedoeld in § 3;
4° het bewijs dat de uitbating van de kermisattractie met dieren voldoet aan de reglementaire voorschriften betreffende deze materie;
5° het bewijs dat de vestiging van kermisgastronomie met of zonder bediening aan tafel en de personen die er werkzaam zijn voldoen aan de reglementaire voorwaarden inzake volksgezondheid.
§ 3. Alvorens de attractie voor de consumenten open te stellen, moet de uitbater of de " aangestelde-verantwoordelijke " van een kermisattractie met voortbeweging van personen aangedreven door een niet-menselijke energiebron, een kopie van het document dat bevestigt dat de inspectie van de opstelling van de attractie voorzien in artikel 5 van het bovenvermelde koninklijk besluit van 18 juni 2003 werd verwezenlijkt, tegen ontvangstmelding, aan de burgemeester, aan zijn afgevaardigde of aan de concessionaris afleveren.
§ 4. De machtiging alsook de documenten bedoeld in dit artikel dienen op elk verzoek van een van de personen belast met de controle op de kermisactiviteiten, bij de wet of dit besluit, voorgelegd te worden.
Art. 4. § 1er. Toute personne visée aux articles 1er et 2, §§ 1er et 2, doit, lorsqu'elle exerce son activité, être en possession de son autorisation ou, le cas échéant, du document la remplaçant prévu à l'article 6, § 4, de l'arrêté ou de l'article 17, § 4, de l'arrêté royal du 24 septembre 2006, précite.
§ 2. L'autorisation n'est valable que si elle est accompagnée :
1° du titre d'identité de son détenteur ou, pour les non-résidents et les ressortissants étrangers, du titre d'identité qui en tient lieu;
2° de la preuve que l'exploitant de l'attraction ou de l'établissement de gastronomie foraine avec ou sans service à table est dûment couvert par des polices d'assurance en responsabilité civile et contre les risques d'incendie;
3° de la preuve, lorsqu'il s'agit d'une attraction foraine à propulsion de personnes actionnee par une source d'énergie non humaine :
a) que l'attraction satisfait aux dispositions de l'article 10 de l'arrêté royal du 18 juin 2003 relatif à l'exploitation des attractions foraines,
b) que l'attraction dispose de l'accusé de réception du document visé au § 3;
4° de la preuve que l'attraction foraine, exploitée au moyen d'animaux, satisfait aux prescriptions réglementaires en la matière;
5° de la preuve que l'établissement de gastronomie foraine avec ou sans service à table et les personnes qui y sont occupées satisfont aux conditions réglementaires en matière de santé publique.
§ 3. Avant de mettre l'attraction à la disposition des consommateurs, l'exploitant ou le " préposé-responsable " d'une attraction foraine à propulsion de personnes actionnée par une source d'énergie non humaine doit remettre, contre-accusé de réception, au bourgmestre, à son délégué ou au concessionnaire, Une copie du document attestant que l'inspection de mise en place de l'attraction, prévue à l'article 5 de l'arrêté royal du 18 juin 2003 précité, a été réalisée.
§ 4. L'autorisation ainsi que les documents visés au présent article doivent être produits à toute réquisition de l'une des personnes chargées, par la loi ou le présent arrêté, du contrôle des activités foraines.
§ 2. L'autorisation n'est valable que si elle est accompagnée :
1° du titre d'identité de son détenteur ou, pour les non-résidents et les ressortissants étrangers, du titre d'identité qui en tient lieu;
2° de la preuve que l'exploitant de l'attraction ou de l'établissement de gastronomie foraine avec ou sans service à table est dûment couvert par des polices d'assurance en responsabilité civile et contre les risques d'incendie;
3° de la preuve, lorsqu'il s'agit d'une attraction foraine à propulsion de personnes actionnee par une source d'énergie non humaine :
a) que l'attraction satisfait aux dispositions de l'article 10 de l'arrêté royal du 18 juin 2003 relatif à l'exploitation des attractions foraines,
b) que l'attraction dispose de l'accusé de réception du document visé au § 3;
4° de la preuve que l'attraction foraine, exploitée au moyen d'animaux, satisfait aux prescriptions réglementaires en la matière;
5° de la preuve que l'établissement de gastronomie foraine avec ou sans service à table et les personnes qui y sont occupées satisfont aux conditions réglementaires en matière de santé publique.
§ 3. Avant de mettre l'attraction à la disposition des consommateurs, l'exploitant ou le " préposé-responsable " d'une attraction foraine à propulsion de personnes actionnée par une source d'énergie non humaine doit remettre, contre-accusé de réception, au bourgmestre, à son délégué ou au concessionnaire, Une copie du document attestant que l'inspection de mise en place de l'attraction, prévue à l'article 5 de l'arrêté royal du 18 juin 2003 précité, a été réalisée.
§ 4. L'autorisation ainsi que les documents visés au présent article doivent être produits à toute réquisition de l'une des personnes chargées, par la loi ou le présent arrêté, du contrôle des activités foraines.
Art.4_WAALS_GEWEST. [1 Iedere persoon die een kermisactiviteit of ambulante activiteit in kermisgastronomie uitoefent voor rekening van een onderneming, een natuurlijke persoon of een rechtspersoon, beschikt over de volgende documenten:
1° een identiteitsbewijs;
2° het bewijs waaruit blijkt dat de onderneming behoorlijk gedekt wordt door verzekeringspolissen inzake burgerlijke aansprakelijkheid en tegen brandrisico's;
3° het bewijs, wanneer het een kermisattractie met voortbeweging van personen, aangedreven door een niet-menselijke energiebron betreft:
a) dat de attractie voldoet aan de bepalingen van artikel 10 van het koninklijk besluit van 18 juni 2003 betreffende de uitbating van kermistoestellen;
b) dat de attractie beschikt over een ontvangstmelding van het document bedoeld in het tweede lid;
4° het bewijs dat de uitbating van de kermisattractie met dieren voldoet aan de reglementaire voorschriften inzake dierenwelzijn;
5° het bewijs dat de vestiging van kermisgastronomie met of zonder bediening aan tafel en de personen die er werkzaam zijn voldoen aan de reglementaire voorwaarden inzake volksgezondheid.
Alvorens de attractie voor de consumenten open te stellen, bezorgt de persoon die voor rekening van een onderneming, natuurlijke persoon of rechtspersoon, een kermisattractie uitbaat met voortbeweging van personen aangedreven door een niet-menselijke energiebron, een kopie van het document dat bevestigt dat de inspectie van de opstelling van de attractie voorzien in artikel 5 van het bovenvermelde koninklijk besluit van 18 juni 2003 werd verwezenlijkt, tegen ontvangstmelding, aan de burgemeester, aan zijn afgevaardigde of aan de concessiehouder.
De documenten bedoeld in dit artikel worden op elk verzoek van een van de personen belast met de controle op de kermisactiviteiten, bij de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening van ambulante activiteiten en de organisatie van openbare markten, voorgelegd.]1
1° een identiteitsbewijs;
2° het bewijs waaruit blijkt dat de onderneming behoorlijk gedekt wordt door verzekeringspolissen inzake burgerlijke aansprakelijkheid en tegen brandrisico's;
3° het bewijs, wanneer het een kermisattractie met voortbeweging van personen, aangedreven door een niet-menselijke energiebron betreft:
a) dat de attractie voldoet aan de bepalingen van artikel 10 van het koninklijk besluit van 18 juni 2003 betreffende de uitbating van kermistoestellen;
b) dat de attractie beschikt over een ontvangstmelding van het document bedoeld in het tweede lid;
4° het bewijs dat de uitbating van de kermisattractie met dieren voldoet aan de reglementaire voorschriften inzake dierenwelzijn;
5° het bewijs dat de vestiging van kermisgastronomie met of zonder bediening aan tafel en de personen die er werkzaam zijn voldoen aan de reglementaire voorwaarden inzake volksgezondheid.
Alvorens de attractie voor de consumenten open te stellen, bezorgt de persoon die voor rekening van een onderneming, natuurlijke persoon of rechtspersoon, een kermisattractie uitbaat met voortbeweging van personen aangedreven door een niet-menselijke energiebron, een kopie van het document dat bevestigt dat de inspectie van de opstelling van de attractie voorzien in artikel 5 van het bovenvermelde koninklijk besluit van 18 juni 2003 werd verwezenlijkt, tegen ontvangstmelding, aan de burgemeester, aan zijn afgevaardigde of aan de concessiehouder.
De documenten bedoeld in dit artikel worden op elk verzoek van een van de personen belast met de controle op de kermisactiviteiten, bij de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening van ambulante activiteiten en de organisatie van openbare markten, voorgelegd.]1
Art.4_REGION_WALLONNE. [1 Toute personne qui exerce une activité foraine ou une activité ambulante de gastronomie foraine pour le compte d'une entreprise, personne physique ou personne morale, possède les documents suivants :
1° un titre d'identité ;
2° la preuve que l'entreprise est dûment couverte par des polices d'assurance en responsabilité civile et contre les risques d'incendie ;
3° lorsqu'il s'agit d'une attraction foraine à propulsion de personnes, actionnée par une source d'énergie non humaine, la preuve que :
a) l'attraction satisfait aux dispositions de l'article 10 de l'arrêté royal du 18 juin 2003 relatif à l'exploitation des attractions foraines ;
b) l'attraction dispose de l'accusé de réception du document visé à l'alinéa 2 ;
4° la preuve que l'attraction foraine, exploitée au moyen d'animaux, satisfait aux prescriptions réglementaires en matière de bien-être animal ;
5° la preuve que l'établissement de gastronomie foraine, avec ou sans service à table, et les personnes qui y sont occupées satisfont aux conditions réglementaires en matière de santé publique.
Avant de mettre l'attraction à la disposition des consommateurs, la personne qui exploite une attraction foraine à propulsion de personnes, actionnée par une source d'énergie non humaine, pour le compte d'une entreprise, personne physique ou personne morale, remet, contre accusé de réception, au bourgmestre, à son délégué ou au concessionnaire, une copie du document attestant que l'inspection de mise en place de l'attraction, prévue à l'article 5 de l'arrêté royal du 18 juin 2003 précité, a été réalisée.
Les documents visés au présent article sont produits à toute réquisition de l'une des personnes chargées, par la loi du 25 juin 1993 sur l'exercice et l'organisation des activités ambulantes et foraines ou le présent arrêté, du contrôle des activités foraines.]1
1° un titre d'identité ;
2° la preuve que l'entreprise est dûment couverte par des polices d'assurance en responsabilité civile et contre les risques d'incendie ;
3° lorsqu'il s'agit d'une attraction foraine à propulsion de personnes, actionnée par une source d'énergie non humaine, la preuve que :
a) l'attraction satisfait aux dispositions de l'article 10 de l'arrêté royal du 18 juin 2003 relatif à l'exploitation des attractions foraines ;
b) l'attraction dispose de l'accusé de réception du document visé à l'alinéa 2 ;
4° la preuve que l'attraction foraine, exploitée au moyen d'animaux, satisfait aux prescriptions réglementaires en matière de bien-être animal ;
5° la preuve que l'établissement de gastronomie foraine, avec ou sans service à table, et les personnes qui y sont occupées satisfont aux conditions réglementaires en matière de santé publique.
Avant de mettre l'attraction à la disposition des consommateurs, la personne qui exploite une attraction foraine à propulsion de personnes, actionnée par une source d'énergie non humaine, pour le compte d'une entreprise, personne physique ou personne morale, remet, contre accusé de réception, au bourgmestre, à son délégué ou au concessionnaire, une copie du document attestant que l'inspection de mise en place de l'attraction, prévue à l'article 5 de l'arrêté royal du 18 juin 2003 précité, a été réalisée.
Les documents visés au présent article sont produits à toute réquisition de l'une des personnes chargées, par la loi du 25 juin 1993 sur l'exercice et l'organisation des activités ambulantes et foraines ou le présent arrêté, du contrôle des activités foraines.]1
Art.4_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 De natuurlijke personen die voor rekening van een onderneming een kermisactiviteit of ambulante activiteit in kermisgastronomie uitoefenen, beschikken over de volgende documenten:
1° een identiteitsbewijs;
2° een bewijs waaruit blijkt dat de onderneming behoorlijk gedekt wordt door verzekeringspolissen inzake burgerlijke aansprakelijkheid en tegen brandrisico's;
3° het bewijs, wanneer het een kermisattractie met voortbeweging van personen, aangedreven door een niet-menselijke energiebron betreft:
a) dat de attractie voldoet aan de bepalingen van artikel 10 van het koninklijk besluit van 18 juni 2003 betreffende de uitbating van kermistoestellen;
b) dat de attractie beschikt over een ontvangstmelding van het document bedoeld in het tweede lid;
4° het bewijs dat de uitbating van de kermisattractie met dieren voldoet aan de reglementaire voorschriften betreffende deze materie;
5° het bewijs dat de vestiging van kermisgastronomie met of zonder bediening aan tafel en de personen die er werkzaam zijn voldoen aan de reglementaire voorwaarden inzake volksgezondheid.
Alvorens de attractie voor de consumenten open te stellen, bezorgt de onderneming die een kermisattractie uitbaat met voortbeweging van personen aangedreven door een niet-menselijke energiebron, een kopie van het document dat bevestigt dat de inspectie van de opstelling van de attractie voorzien in artikel 5 van het bovenvermelde koninklijk besluit van 18 juni 2003 werd verwezenlijkt, tegen ontvangstmelding, aan de burgemeester, aan zijn afgevaardigde of aan de concessionaris.
De documenten bedoeld in dit artikel worden op elk verzoek van een van de personen belast met de controle op de kermisactiviteiten, bij de wet of dit besluit, voorgelegd.]1
1° een identiteitsbewijs;
2° een bewijs waaruit blijkt dat de onderneming behoorlijk gedekt wordt door verzekeringspolissen inzake burgerlijke aansprakelijkheid en tegen brandrisico's;
3° het bewijs, wanneer het een kermisattractie met voortbeweging van personen, aangedreven door een niet-menselijke energiebron betreft:
a) dat de attractie voldoet aan de bepalingen van artikel 10 van het koninklijk besluit van 18 juni 2003 betreffende de uitbating van kermistoestellen;
b) dat de attractie beschikt over een ontvangstmelding van het document bedoeld in het tweede lid;
4° het bewijs dat de uitbating van de kermisattractie met dieren voldoet aan de reglementaire voorschriften betreffende deze materie;
5° het bewijs dat de vestiging van kermisgastronomie met of zonder bediening aan tafel en de personen die er werkzaam zijn voldoen aan de reglementaire voorwaarden inzake volksgezondheid.
Alvorens de attractie voor de consumenten open te stellen, bezorgt de onderneming die een kermisattractie uitbaat met voortbeweging van personen aangedreven door een niet-menselijke energiebron, een kopie van het document dat bevestigt dat de inspectie van de opstelling van de attractie voorzien in artikel 5 van het bovenvermelde koninklijk besluit van 18 juni 2003 werd verwezenlijkt, tegen ontvangstmelding, aan de burgemeester, aan zijn afgevaardigde of aan de concessionaris.
De documenten bedoeld in dit artikel worden op elk verzoek van een van de personen belast met de controle op de kermisactiviteiten, bij de wet of dit besluit, voorgelegd.]1
Art.4_REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE. [1 La personne physique qui exerce une activité foraine ou une activité ambulante de gastronomie foraine pour le compte d'une entreprise dispose des documents suivants :
1° un titre d'identité ;
2° une preuve que l'entreprise est dûment couverte par des polices d'assurance responsabilité civile et contre les risques d'incendie ;
3° la preuve, lorsqu'il s'agit d'une attraction foraine à propulsion de personnes actionnée par une source d'énergie non humaine :
a) que l'attraction satisfait aux dispositions de l'article 10 de l'arrêté royal du 18 juin 2003 relatif à l'exploitation des attractions foraines ;
b) que l'attraction dispose de l'accusé de réception du document visé à l'alinéa 2 ;
4° la preuve que l'attraction foraine, exploitée au moyen d'animaux, satisfait aux prescriptions réglementaires en la matière ;
5° la preuve que l'établissement de gastronomie foraine avec ou sans service à table et les personnes qui y sont occupées satisfont aux conditions réglementaires en matière de santé publique.
Avant de mettre l'attraction à la disposition des consommateurs, l'entreprise exploitant une attraction foraine à propulsion de personnes actionnée par une source d'énergie non humaine remet, contre accusé de réception, au bourgmestre, à son délégué ou au concessionnaire, une copie du document attestant que l'inspection de mise en place de l'attraction, prévue à l'article 5 de l'arrêté royal du 18 juin 2003 précité, a été réalisée.
Les documents visés au présent article sont produits à toute réquisition de l'une des personnes chargées, par la loi ou le présent arrêté, du contrôle des activités foraines.]1
1° un titre d'identité ;
2° une preuve que l'entreprise est dûment couverte par des polices d'assurance responsabilité civile et contre les risques d'incendie ;
3° la preuve, lorsqu'il s'agit d'une attraction foraine à propulsion de personnes actionnée par une source d'énergie non humaine :
a) que l'attraction satisfait aux dispositions de l'article 10 de l'arrêté royal du 18 juin 2003 relatif à l'exploitation des attractions foraines ;
b) que l'attraction dispose de l'accusé de réception du document visé à l'alinéa 2 ;
4° la preuve que l'attraction foraine, exploitée au moyen d'animaux, satisfait aux prescriptions réglementaires en la matière ;
5° la preuve que l'établissement de gastronomie foraine avec ou sans service à table et les personnes qui y sont occupées satisfont aux conditions réglementaires en matière de santé publique.
Avant de mettre l'attraction à la disposition des consommateurs, l'entreprise exploitant une attraction foraine à propulsion de personnes actionnée par une source d'énergie non humaine remet, contre accusé de réception, au bourgmestre, à son délégué ou au concessionnaire, une copie du document attestant que l'inspection de mise en place de l'attraction, prévue à l'article 5 de l'arrêté royal du 18 juin 2003 précité, a été réalisée.
Les documents visés au présent article sont produits à toute réquisition de l'une des personnes chargées, par la loi ou le présent arrêté, du contrôle des activités foraines.]1
Art. 5. Het verkrijgen van een machtiging tot het uitoefenen van een kermisactiviteit bedoeld in de artikelen 1, § 1, en 2, § 1, is aan volgende voorwaarden onderworpen :
1° onverminderd de bepalingen van internationale verdragen en overeenkomsten :
- ofwel Belg zijn of echtgenoot van een Belg of, op voorwaarde dat zij zich met één van hen vestigen of komen vestigen :
a) de bloedverwanten in nederdalende lijn van een Belg of die van zijn echtgenoot, beneden de 21 jaar of die te hunnen laste zijn;
b) de bloedverwanten in opgaande lijn van een Belg of die van zijn echtgenoot, die te hunnen laste zijn;
c) de echtgenoot van de persoon bedoeld in a en b;
- ofwel onderdaan van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte zijn of, op voorwaarde dat zij zich met hem vestigen of komen vestigen :
a) zijn echtgenoot;
b) zijn bloedverwanten in nederdalende lijn, of die van zijn echtgenoot, beneden 21 jaar of die te hunnen laste zijn;
c) zijn bloedverwanten in opgaande lijn of die van zijn echtgenoot, die te hunnen laste zijn met uitzondering van de bloedverwanten in opgaande lijn van een student of die van zijn echtgenoot;
d) de echtgenoot van de personen bedoeld in b en c;
- ofwel gemachtigd of toegelaten zijn tot onbeperkt verblijf of vestiging;
- ofwel erkend vluchteling in België zijn;
2° indien de kermisactiviteit uitgeoefend wordt in een gereglementeerd gebied, voorafgaand voldoen aan de bepalingen terzake tenzij een wettelijke of reglementaire bepaling er anders over beschikt.
3° het kunnen voorleggen, voor de kermisattracties met voortbeweging van personen aangedreven door een niet-menselijke energiebron, van het bewijs van risicoanalyse bedoeld in artikel 3, § 2, van het bovenvermeld koninklijk besluit van 18 juni 2003, of van het bewijs dat de attractie voldoet aan de algemene verplichting betreffende de veiligheid en/of aan de veiligheidsbeginsels krachtens de bepalingen van artikel 3, §§ 3 en 4, van hetzelfde koninklijk besluit.
1° onverminderd de bepalingen van internationale verdragen en overeenkomsten :
- ofwel Belg zijn of echtgenoot van een Belg of, op voorwaarde dat zij zich met één van hen vestigen of komen vestigen :
a) de bloedverwanten in nederdalende lijn van een Belg of die van zijn echtgenoot, beneden de 21 jaar of die te hunnen laste zijn;
b) de bloedverwanten in opgaande lijn van een Belg of die van zijn echtgenoot, die te hunnen laste zijn;
c) de echtgenoot van de persoon bedoeld in a en b;
- ofwel onderdaan van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte zijn of, op voorwaarde dat zij zich met hem vestigen of komen vestigen :
a) zijn echtgenoot;
b) zijn bloedverwanten in nederdalende lijn, of die van zijn echtgenoot, beneden 21 jaar of die te hunnen laste zijn;
c) zijn bloedverwanten in opgaande lijn of die van zijn echtgenoot, die te hunnen laste zijn met uitzondering van de bloedverwanten in opgaande lijn van een student of die van zijn echtgenoot;
d) de echtgenoot van de personen bedoeld in b en c;
- ofwel gemachtigd of toegelaten zijn tot onbeperkt verblijf of vestiging;
- ofwel erkend vluchteling in België zijn;
2° indien de kermisactiviteit uitgeoefend wordt in een gereglementeerd gebied, voorafgaand voldoen aan de bepalingen terzake tenzij een wettelijke of reglementaire bepaling er anders over beschikt.
3° het kunnen voorleggen, voor de kermisattracties met voortbeweging van personen aangedreven door een niet-menselijke energiebron, van het bewijs van risicoanalyse bedoeld in artikel 3, § 2, van het bovenvermeld koninklijk besluit van 18 juni 2003, of van het bewijs dat de attractie voldoet aan de algemene verplichting betreffende de veiligheid en/of aan de veiligheidsbeginsels krachtens de bepalingen van artikel 3, §§ 3 en 4, van hetzelfde koninklijk besluit.
Art. 5. L'obtention de l'autorisation d'activités foraines visée aux articles 1er, § 1er et 2, § 1er, est subordonnée aux conditions suivantes :
1° sans préjudice des dispositions des conventions et des traités internationaux :
- soit être Belge ou être le conjoint d'un Belge ou, à condition qu'ils viennent s'installer ou s'installent avec l'un d'eux, être :
a) les descendants, âgés de moins de 21 ans ou à charge, du Belge ou de son conjoint;
b) les ascendants, à charge, du Belge ou de son conjoint;
c) le conjoint des personnes visées aux a et b;
- soit être ressortissant d'un Etat membre de l'Espace économique européen ou, à condition qu'ils viennent s'installer ou s'installent avec lui, être :
a) son conjoint;
b) ses descendants ou ceux de son conjoint, agés de moins de 21 ans ou qui sont à leur charge;
c) ses ascendants ou ceux de son conjoint qui sont à leur charge, à l'exception des ascendants d'un étudiant ou ceux de son conjoint;
d) le conjoint des personnes visées aux b et au c;
- soit être autorisé ou admis au séjour illimité ou à l'établissement;
- soit être réfugié reconnu en Belgique.
2° lorsque l'activité foraine s'exerce dans un domaine réglementé, satisfaire préalablement aux dispositions en la matière, à moins qu'une disposition légale ou réglementaire n'en dispose autrement.
3° produire, pour les attractions foraines à propulsion de personnes actionnées par une source d'énergie non humaine, la preuve de l'analyse du risque prévue à l'article 3, § 2, de l'arrêté royal du 18 juin 2003, précité ou la preuve que l'attraction satisfait à l'obligation générale de sécurité et/ou aux principes de sécurité en vertu des dispositions de l'article 3, §§ 3, et 4, du même arrêté royal.
1° sans préjudice des dispositions des conventions et des traités internationaux :
- soit être Belge ou être le conjoint d'un Belge ou, à condition qu'ils viennent s'installer ou s'installent avec l'un d'eux, être :
a) les descendants, âgés de moins de 21 ans ou à charge, du Belge ou de son conjoint;
b) les ascendants, à charge, du Belge ou de son conjoint;
c) le conjoint des personnes visées aux a et b;
- soit être ressortissant d'un Etat membre de l'Espace économique européen ou, à condition qu'ils viennent s'installer ou s'installent avec lui, être :
a) son conjoint;
b) ses descendants ou ceux de son conjoint, agés de moins de 21 ans ou qui sont à leur charge;
c) ses ascendants ou ceux de son conjoint qui sont à leur charge, à l'exception des ascendants d'un étudiant ou ceux de son conjoint;
d) le conjoint des personnes visées aux b et au c;
- soit être autorisé ou admis au séjour illimité ou à l'établissement;
- soit être réfugié reconnu en Belgique.
2° lorsque l'activité foraine s'exerce dans un domaine réglementé, satisfaire préalablement aux dispositions en la matière, à moins qu'une disposition légale ou réglementaire n'en dispose autrement.
3° produire, pour les attractions foraines à propulsion de personnes actionnées par une source d'énergie non humaine, la preuve de l'analyse du risque prévue à l'article 3, § 2, de l'arrêté royal du 18 juin 2003, précité ou la preuve que l'attraction satisfait à l'obligation générale de sécurité et/ou aux principes de sécurité en vertu des dispositions de l'article 3, §§ 3, et 4, du même arrêté royal.
Art. 6. § 1. De aanvraag tot verkrijging van een machtiging tot het uitoefenen van kermisactiviteiten, tot wijziging van de gegevens die op de machtiging voorkomen of tot vervanging hiervan wordt, door middel van het formulier weergegeven in Bijlage II van dit besluit, ingediend bij één van de ondernemingsloketten opgericht door de wet van 16 januari 2003 houdende oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen.
Deze wordt ingediend, voor zichzelf of voor zijn " aangestelden-verantwoordelijken ", door de persoon die de attractie of vestiging uitbaat voor eigen rekening of die het dagelijks bestuur van de rechtspersoon waarneemt.
Na controle van de voorwaarden tot verkrijging van de gevraagde machtiging, levert het ondernemingsloket de machtiging of een document met motivatie naar rechte en in feite van weigering tot toekenning van de machtiging, af.
§ 2. De weigering van de aflevering van de machtiging of de ongegronde afwezigheid van een beslissing binnen een termijn van tien dagen volgend op het verstrijken van de termijn van drie maanden voorzien in artikel 3, vijfde lid, van de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening en de organisatie van ambulante en kermisactiviteiten, is vatbaar voor beroep bij de Minister.
Wordt beschouwd als ongegronde afwezigheid van beslissing, het gebrek aan een beslissing binnen de termijn voorzien in het vorige lid in het kader van een aanvraag van machtiging die alle nodige stukken bevat om een beslissing te kunnen nemen.
Het beroep moet ingediend worden bij een ter post aangetekend schrijven met ontvangstbewijs of op een duurzame drager tegen ontvangstbewijs, binnen een termijn van dertig dagen vanaf de dag volgend op kennisneming door de aanvrager van de beslissing van weigering afgeleverd door het ondernemingsloket of bij afwezigheid van de beslissing, de dag volgend op het verstrijken van de vervaltermijn bedoeld in het eerste lid.
De Minister of de ambtenaar aan wie hij deze bevoegdheid gedelegeerd heeft, deelt zijn beslissing aan de aanvrager mede bij een ter post aangetekend schrijven met ontvangstmelding of op een duurzame drager tegen ontvangstmelding, binnen een termijn van dertig dagen vanaf de dag volgend op de ontvangst van het beroep. Hij informeert tevens het loket dat zich naar zijn beslissing moet voegen.
Wanneer de termijnen bedoeld in deze paragraaf vervallen op een zaterdag of een zondag, worden ze verlengd tot de daaropvolgende werkdag.
§ 3. Bij aanvraag tot vervanging van een machtiging levert het loket aan de aanvrager een verklaring af voorzien in Bijlage III bij dit besluit. Dit document laat de voortzetting van de activiteit toe tot aan de verkrijging van de vervangende machtiging.
§ 4. Bij ontvangst van een machtiging als gevolg van een aanvraag tot wijziging, moet de vorige machtiging aan het ondernemingsloket terug bezorgd worden.
Bij stopzetting van de kermisactiviteiten of indien de houder van de machtiging of de onderneming op definitieve wijze niet langer voldoet aan de voorwaarden tot het uitoefenen van de activiteit en/of aan de voorwaarden bedoeld in artikel 4, § 2, 2° tot en met 5°, voor één of het geheel van de uitbatingen of vestigingen, moet de machtiging eveneens aan het ondernemingsloket terugbezorgd worden.
De machtiging moet niet terugbezorgd worden wanneer tijdelijk niet meer voldaan wordt aan de voorwaarden bedoeld in artikel 4, § 2, 2° tot en met 5°. De desbetreffende attractie of vestiging mag echter niet worden uitgebaat gedurende deze periode.
§ 5. Het ondernemingsloket informeert de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie over de machtigingen en de weigeringen die het aflevert.
Deze wordt ingediend, voor zichzelf of voor zijn " aangestelden-verantwoordelijken ", door de persoon die de attractie of vestiging uitbaat voor eigen rekening of die het dagelijks bestuur van de rechtspersoon waarneemt.
Na controle van de voorwaarden tot verkrijging van de gevraagde machtiging, levert het ondernemingsloket de machtiging of een document met motivatie naar rechte en in feite van weigering tot toekenning van de machtiging, af.
§ 2. De weigering van de aflevering van de machtiging of de ongegronde afwezigheid van een beslissing binnen een termijn van tien dagen volgend op het verstrijken van de termijn van drie maanden voorzien in artikel 3, vijfde lid, van de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening en de organisatie van ambulante en kermisactiviteiten, is vatbaar voor beroep bij de Minister.
Wordt beschouwd als ongegronde afwezigheid van beslissing, het gebrek aan een beslissing binnen de termijn voorzien in het vorige lid in het kader van een aanvraag van machtiging die alle nodige stukken bevat om een beslissing te kunnen nemen.
Het beroep moet ingediend worden bij een ter post aangetekend schrijven met ontvangstbewijs of op een duurzame drager tegen ontvangstbewijs, binnen een termijn van dertig dagen vanaf de dag volgend op kennisneming door de aanvrager van de beslissing van weigering afgeleverd door het ondernemingsloket of bij afwezigheid van de beslissing, de dag volgend op het verstrijken van de vervaltermijn bedoeld in het eerste lid.
De Minister of de ambtenaar aan wie hij deze bevoegdheid gedelegeerd heeft, deelt zijn beslissing aan de aanvrager mede bij een ter post aangetekend schrijven met ontvangstmelding of op een duurzame drager tegen ontvangstmelding, binnen een termijn van dertig dagen vanaf de dag volgend op de ontvangst van het beroep. Hij informeert tevens het loket dat zich naar zijn beslissing moet voegen.
Wanneer de termijnen bedoeld in deze paragraaf vervallen op een zaterdag of een zondag, worden ze verlengd tot de daaropvolgende werkdag.
§ 3. Bij aanvraag tot vervanging van een machtiging levert het loket aan de aanvrager een verklaring af voorzien in Bijlage III bij dit besluit. Dit document laat de voortzetting van de activiteit toe tot aan de verkrijging van de vervangende machtiging.
§ 4. Bij ontvangst van een machtiging als gevolg van een aanvraag tot wijziging, moet de vorige machtiging aan het ondernemingsloket terug bezorgd worden.
Bij stopzetting van de kermisactiviteiten of indien de houder van de machtiging of de onderneming op definitieve wijze niet langer voldoet aan de voorwaarden tot het uitoefenen van de activiteit en/of aan de voorwaarden bedoeld in artikel 4, § 2, 2° tot en met 5°, voor één of het geheel van de uitbatingen of vestigingen, moet de machtiging eveneens aan het ondernemingsloket terugbezorgd worden.
De machtiging moet niet terugbezorgd worden wanneer tijdelijk niet meer voldaan wordt aan de voorwaarden bedoeld in artikel 4, § 2, 2° tot en met 5°. De desbetreffende attractie of vestiging mag echter niet worden uitgebaat gedurende deze periode.
§ 5. Het ondernemingsloket informeert de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie over de machtigingen en de weigeringen die het aflevert.
Art. 6. § 1er. La demande en obtention de l'autorisation d'activités foraines, en modification des informations figurant à l'autorisation ou en remplacement de celle-ci est introduite au moyen du formulaire reproduit à l'Annexe II du présent arrêté auprès de l'un des guichets d'entreprises institues par la loi du 16 janvier 2003 portant création d'une Banque-Carrefour des Entreprises, modernisation du registre du commerce, création de guichets-entreprises agréés et portant diverses dispositions.
Elle est introduite, pour soi-même ou pour ses " préposés-responsables ", par la personne qui exploite l'attraction ou l'établissement pour son propre compte ou qui assume la responsabilité journalière de la personne morale.
Après vérification des conditions d'obtention de l'autorisation sollicitée, le guichet délivre l'autorisation ou un document indiquant la motivation en faits et en droit du refus d'octroi de l'autorisation.
§ 2. Le refus d'octroi de l'autorisation ou l'absence injustifiée de décision, dans un délai de dix jours suivant l'expiration du terme de trois mois prévu à l'article 3, alinéa 5, de la loi du 25 juin 1993 sur l'exercice et l'organisation des activités ambulantes et foraines, est susceptible de recours auprès du Ministre.
Est considérée comme absence injustifiée de décision, le défaut de décision dans le délai prévu à l'alinéa précédent dans le cadre d'une demande d'autorisation comportant toutes les pieces nécessaires à la prise de decision.
Le recours doit être introduit par envoi recommandé à la poste avec accusé de réception ou sur support durable contre accusé de réception, dans un délai de trente jours à dater du jour suivant la prise de connaissance par le demandeur de la décision de refus émise par le guichet ou, en l'absence de décision, du jour suivant l'expiration du délai prévu à l'alinéa 1er.
Le Ministre ou le fonctionnaire auquel il délègue cette compétence notifie sa décision au demandeur, par envoi recommandé à la poste avec accusé de réception ou sur support durable contre accusé de réception, dans un délai de trente jours à dater du jour qui suit la reception du recours. Il en informe également le guichet qui doit se conformer à sa décision.
Lorsque les délais prévus au présent paragraphe expirent un samedi ou un dimanche, ils sont prolongés jusqu'au jour ouvrable suivant.
§ 3. A la demande de remplacement d'une autorisation, le guichet délivre au requérant l'attestation prévue à l'Annexe III de l'arrêté. Ce document permet la poursuite de l'activité jusqu'à obtention de l'autorisation remplacée.
§ 4. A la réception d'une autorisation résultant d'une demande de modification, l'autorisation antérieure doit être remise au guichet d'entreprises.
A la cessation des activités foraines ou lorsque le titulaire de l'autorisation ou l'entreprise ne satisfait plus aux conditions d'exercice de l'activité et/ou aux conditions prévues à l'article 4, § 2, 2° à 5°, de manière définitive, pour l'un ou l'ensemble des manèges ou établissements, l'autorisation doit également être remise au guichet d'entreprises.
L'autorisation ne doit cependant pas être rentrée s'il n'est plus satisfait de manière temporaire aux conditions prévues à l'article 4, § 2, 2° à 5°. L'attraction ou l'établissement concerné ne peut néanmoins être exploité pendant cette période.
§ 5. Le guichet d'entreprises informe le Service Public Fédéral Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie des autorisations et des refus qu'il délivre.
Elle est introduite, pour soi-même ou pour ses " préposés-responsables ", par la personne qui exploite l'attraction ou l'établissement pour son propre compte ou qui assume la responsabilité journalière de la personne morale.
Après vérification des conditions d'obtention de l'autorisation sollicitée, le guichet délivre l'autorisation ou un document indiquant la motivation en faits et en droit du refus d'octroi de l'autorisation.
§ 2. Le refus d'octroi de l'autorisation ou l'absence injustifiée de décision, dans un délai de dix jours suivant l'expiration du terme de trois mois prévu à l'article 3, alinéa 5, de la loi du 25 juin 1993 sur l'exercice et l'organisation des activités ambulantes et foraines, est susceptible de recours auprès du Ministre.
Est considérée comme absence injustifiée de décision, le défaut de décision dans le délai prévu à l'alinéa précédent dans le cadre d'une demande d'autorisation comportant toutes les pieces nécessaires à la prise de decision.
Le recours doit être introduit par envoi recommandé à la poste avec accusé de réception ou sur support durable contre accusé de réception, dans un délai de trente jours à dater du jour suivant la prise de connaissance par le demandeur de la décision de refus émise par le guichet ou, en l'absence de décision, du jour suivant l'expiration du délai prévu à l'alinéa 1er.
Le Ministre ou le fonctionnaire auquel il délègue cette compétence notifie sa décision au demandeur, par envoi recommandé à la poste avec accusé de réception ou sur support durable contre accusé de réception, dans un délai de trente jours à dater du jour qui suit la reception du recours. Il en informe également le guichet qui doit se conformer à sa décision.
Lorsque les délais prévus au présent paragraphe expirent un samedi ou un dimanche, ils sont prolongés jusqu'au jour ouvrable suivant.
§ 3. A la demande de remplacement d'une autorisation, le guichet délivre au requérant l'attestation prévue à l'Annexe III de l'arrêté. Ce document permet la poursuite de l'activité jusqu'à obtention de l'autorisation remplacée.
§ 4. A la réception d'une autorisation résultant d'une demande de modification, l'autorisation antérieure doit être remise au guichet d'entreprises.
A la cessation des activités foraines ou lorsque le titulaire de l'autorisation ou l'entreprise ne satisfait plus aux conditions d'exercice de l'activité et/ou aux conditions prévues à l'article 4, § 2, 2° à 5°, de manière définitive, pour l'un ou l'ensemble des manèges ou établissements, l'autorisation doit également être remise au guichet d'entreprises.
L'autorisation ne doit cependant pas être rentrée s'il n'est plus satisfait de manière temporaire aux conditions prévues à l'article 4, § 2, 2° à 5°. L'attraction ou l'établissement concerné ne peut néanmoins être exploité pendant cette période.
§ 5. Le guichet d'entreprises informe le Service Public Fédéral Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie des autorisations et des refus qu'il délivre.
Art. 7. Bij aanvraag van een machtiging tot het uitoefenen van kermisactiviteiten ontvangt het ondernemingsloket een recht waarvan het bedrag als volgt is vastgesteld :
1° voor een " machtiging als werkgever ", bedoeld in artikel 1 : 150 euro;
2° voor een machtiging als " aangestelde - verantwoordelijke ", bedoeld in artikel 2 : 100 euro.
Bij aanvraag tot wijziging of vervanging van een machtiging tot het uitoefenen van kermisactiviteiten ontvangt het ondernemingsloket een recht waarvan het bedrag als volgt is vastgesteld :
1° voor een " machtiging als werkgever ", bedoeld in artikel 1 : 50 euro;
2° voor een " machtiging als aangestelde - verantwoordelijke " bedoeld in artikel 2 : 100 euro.
Deze rechten worden geïnd tegen ontvangstbewijs afgeleverd door het ondernemingsloket.
1° voor een " machtiging als werkgever ", bedoeld in artikel 1 : 150 euro;
2° voor een machtiging als " aangestelde - verantwoordelijke ", bedoeld in artikel 2 : 100 euro.
Bij aanvraag tot wijziging of vervanging van een machtiging tot het uitoefenen van kermisactiviteiten ontvangt het ondernemingsloket een recht waarvan het bedrag als volgt is vastgesteld :
1° voor een " machtiging als werkgever ", bedoeld in artikel 1 : 50 euro;
2° voor een " machtiging als aangestelde - verantwoordelijke " bedoeld in artikel 2 : 100 euro.
Deze rechten worden geïnd tegen ontvangstbewijs afgeleverd door het ondernemingsloket.
Art. 7. A la demande d'une autorisation d'activités foraines, le guichet d'entreprises perçoit un droit dont le montant est fixé comme suit :
1° pour l' " autorisation patronale ", visée à l'article 1er : 150 euros;
2° pour l' " autorisation de préposé-responsable ", visée à l'article 2 : 100 euros.
A la demande de modification ou de remplacement d'une autorisation d'activités foraines, le guichet d'entreprises perçoit un droit dont le montant est fixé comme suit :
1° pour l' " autorisation patronale ", visée à l'article 1er : 50 euros;
2° pour l' " autorisation de préposé-responsable ", visée à l'article 2 : 100 euros.
Ces droits sont perçus contre reçu délivré par le guichet d'entreprises.
1° pour l' " autorisation patronale ", visée à l'article 1er : 150 euros;
2° pour l' " autorisation de préposé-responsable ", visée à l'article 2 : 100 euros.
A la demande de modification ou de remplacement d'une autorisation d'activités foraines, le guichet d'entreprises perçoit un droit dont le montant est fixé comme suit :
1° pour l' " autorisation patronale ", visée à l'article 1er : 50 euros;
2° pour l' " autorisation de préposé-responsable ", visée à l'article 2 : 100 euros.
Ces droits sont perçus contre reçu délivré par le guichet d'entreprises.
HOOFDSTUK II. - Betreffende de organisatie van de kermisactiviteiten en ambulante activiteiten in kermisgastronomie op openbare kermissen en op het openbaar domein.
CHAPITRE II. - De l'organisation des activités foraines et ambulantes de gastronomie foraine sur les fêtes foraines publiques et sur le domaine public.
Afdeling I. - Betreffende de organisatie van kermisactiviteiten en ambulante activiteiten in kermisgastronomie op de openbare kermissen.
Section Ire. - De l'organisation des activités foraines et ambulantes de gastronomie foraine sur les fêtes foraines publiques et sur le domaine public.
Onderafdeling I. - Betreffende de standplaatsen op de openbare kermissen.
Sous-section Ire. - Des emplacements sur les fêtes foraines publiques.
Art. 8. De standplaatsen op de openbare kermissen worden toegewezen hetzij voor de duur van de kermis, hetzij per abonnement.
Art. 8. Les emplacements sur les fêtes foraines publiques sont attribués soit pour la durée de celles-ci, soit par abonnement.
Art. 9. § 1. Buiten een geval van absolute noodzaak en de verplichtingen onafscheidelijk verbonden aan de hernieuwing van de kermis, worden de standplaatsen toegewezen per abonnement aan de uitbater die een zelfde standplaats heeft verkregen gedurende drie opeenvolgende jaren. Het gemeentelijk reglement kan deze termijn verminderen.
Voor de berekening van de termijn, worden de opeenvolgende jaren van verkrijging van de standplaats door de overlater verrekend in het voordeel van de overnemer.
Echter, wanneer de standplaats is verkregen naar aanleiding van de opschorting van het abonnement, is de regel bedoeld in het eerste lid niet van toepassing, behalve indien de verkrijging het resultaat is van de opschorting van het abonnement door de overlater.
§ 2. Het plan van de kermis bepaalt de standplaatsen en hun wijze van toekenning. Het kan geraadpleegd worden overeenkomstig de wettelijke bepalingen betreffende de openbaarheid van bestuur in de provincies en gemeenten.
Voor de berekening van de termijn, worden de opeenvolgende jaren van verkrijging van de standplaats door de overlater verrekend in het voordeel van de overnemer.
Echter, wanneer de standplaats is verkregen naar aanleiding van de opschorting van het abonnement, is de regel bedoeld in het eerste lid niet van toepassing, behalve indien de verkrijging het resultaat is van de opschorting van het abonnement door de overlater.
§ 2. Het plan van de kermis bepaalt de standplaatsen en hun wijze van toekenning. Het kan geraadpleegd worden overeenkomstig de wettelijke bepalingen betreffende de openbaarheid van bestuur in de provincies en gemeenten.
Art. 9. § 1er. Sauf cas d'absolue nécessité et d'obligations inhérentes au renouvellement de la foire, les emplacements sont accordés par abonnement à l'exploitant qui a obtenu un même emplacement pendant trois années consecutives. Le règlement communal peut réduire ce délai.
Pour le calcul du délai prévu à l'alinéa précédent, les années consécutives d'obtention de l'emplacement par le cédant sont comptabilisées au profit du cessionnaire.
Toutefois, lorsque l'emplacement est obtenu à la suite de la suspension de l'abonnement, la règle visée à l'alinéa 1er n'est pas applicable, sauf si l'obtention résulte de la suspension de l'abonnement par le cédant.
§ 2. Le plan de la foire détermine les emplacements et leur mode d'attribution. Il peut être consulté conformément aux dispositions légales relatives à la publicité de l'administration dans les provinces et les communes.
Pour le calcul du délai prévu à l'alinéa précédent, les années consécutives d'obtention de l'emplacement par le cédant sont comptabilisées au profit du cessionnaire.
Toutefois, lorsque l'emplacement est obtenu à la suite de la suspension de l'abonnement, la règle visée à l'alinéa 1er n'est pas applicable, sauf si l'obtention résulte de la suspension de l'abonnement par le cédant.
§ 2. Le plan de la foire détermine les emplacements et leur mode d'attribution. Il peut être consulté conformément aux dispositions légales relatives à la publicité de l'administration dans les provinces et les communes.
Onderafdeling II. - Betreffende de personen aan wie de standplaatsen op kermissen kunnen toegewezen worden alsook zij die deze kunnen innemen.
Sous-section II. - Des personnes auxquelles les emplacements peuvent être attribués sur les fêtes foraines ainsi que de celles qui peuvent les occuper.
Art. 10. De standplaatsen worden toegewezen hetzij aan de natuurlijke personen die voor eigen rekening een kermisactiviteit of een ambulante activiteit in de sector van de kermisgastronomie uitoefenen, houders van een " machtiging als werkgever " in kermisactiviteiten bedoeld in artikel 1 of van een " machtiging als werkgever " in ambulante activiteiten bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 24 september 2006 betreffende de uitoefening en de organisatie van ambulante activiteiten, hetzij aan rechtspersonen die één van deze activiteiten uitoefenen. De standplaatsen worden aan deze rechtspersonen toegekend door tussenkomst van de persoon verantwoordelijk voor hun dagelijks bestuur, houder van de " machtiging als werkgever " in kermisactiviteiten bedoeld in artikel 1 of van de " machtiging als werkgever " in ambulante activiteiten bedoeld in artikel 13 van het voornoemd koninklijk besluit van 24 september 2006.
Om een standplaats te verkrijgen dient de houder van de " machtiging als werkgever " in kermisactiviteiten het bewijs te leveren dat hij voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 4, § 2, 2°, 3°a, 4° en 5°, voor de aard van de attractie of de uitgebate vestiging en de houder van de " machtiging als werkgever " in ambulante activiteiten dat zijn vestiging van kermisgastronomie voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 4, § 2, 2° en 5°.
Om een standplaats te verkrijgen dient de houder van de " machtiging als werkgever " in kermisactiviteiten het bewijs te leveren dat hij voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 4, § 2, 2°, 3°a, 4° en 5°, voor de aard van de attractie of de uitgebate vestiging en de houder van de " machtiging als werkgever " in ambulante activiteiten dat zijn vestiging van kermisgastronomie voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 4, § 2, 2° en 5°.
Art. 10. Les emplacements sont attribués soit aux personnes physiques qui exercent une activité foraine ou une activité ambulante dans le secteur de la gastronomie foraine pour leur propre compte et qui sont titulaires de l' " autorisation patronale " d'activités foraines, prévue à l'article 1er ou de l' " autorisation patronale " d'activités ambulantes, prévue à l'article 13 de l'arrêté royal du 24 septembre 2006 relatif à l'exercice et l'organisation des activités ambulantes, soit aux personnes morales qui exercent l'une de ces activités. Les emplacements sont attribués à ces personnes morales par l'intermédiaire du responsable de leur gestion journalière, titulaire de l' " autorisation patronale " d'activités foraines, prévue à l'article 1er ou de l' " autorisation patronale " d'activités ambulantes, prévue à l'article 13 de l'arrêté royal du 24 septembre 2006 précité.
Pour obtenir un emplacement, le titulaire d' " une autorisation patronale " d'activités foraines doit apporter la preuve qu'il satisfait aux conditions prévues à l'article 4, § 2, 2°, 3° a, 4° et 5°, pour le genre d'attraction ou d'établissement exploité et le titulaire d' " une autorisation patronale " d'activités ambulantes, que son établissement de gastronomie foraine satisfait aux conditions prévues à l'article 4, § 2, 2° et 5°.
Pour obtenir un emplacement, le titulaire d' " une autorisation patronale " d'activités foraines doit apporter la preuve qu'il satisfait aux conditions prévues à l'article 4, § 2, 2°, 3° a, 4° et 5°, pour le genre d'attraction ou d'établissement exploité et le titulaire d' " une autorisation patronale " d'activités ambulantes, que son établissement de gastronomie foraine satisfait aux conditions prévues à l'article 4, § 2, 2° et 5°.
Art.10_WAALS_GEWEST. [1 Standplaatsen worden toegewezen aan natuurlijke personen en rechtspersonen die een kermisactiviteit of ambulante activiteit in kermisgastronomie uitoefenen en die aan de burgemeester, aan zijn afgevaardigde of aan de concessiehouder kunnen aantonen dat ze voldoen aan artikel 4. De standplaatsen worden aan rechtspersonen toegewezen door tussenkomst van de persoon verantwoordelijk voor hun dagelijks bestuur.]1
Art.10_REGION_WALLONNE. [1 Les emplacements sont attribués aux personnes physiques et aux personnes morales, qui exercent une activité foraine ou une activité ambulante de gastronomie foraine pour leur propre compte et qui fournissent la preuve au Bourgmestre, à son délégué ou au concessionnaire qu'elles satisfont à l'article 4. Les emplacements sont attribués aux personnes morales par l'intermédiaire d'un responsable de leur gestion journalière.]1
Art.10_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 De standplaatsen worden toegewezen aan ondernemingen die ingeschreven zijn in de Kruispuntbank van Ondernemingen en die het bewijs leveren dat zij voldoen aan artikel 4 van dit besluit.]1
Art.10_REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE. [1 Les emplacements sont attribués aux entreprises qui sont inscrites à la Banque-Carrefour des Entreprises et qui fournissent la preuve qu'elles satisfont à l'article 4 du présent arrêté.]1
Art. 11. § 1. De standplaatsen toegewezen aan de personen bedoeld in artikel 10, die een kermisactiviteit uitoefenen, kunnen ingenomen worden :
1° door deze personen zelf;
2° door de verantwoordelijke(n) van het dagelijks bestuur van een rechtspersoon aan wie de standplaats is toegewezen, houder(s) van de " machtiging als werkgever " bedoeld in artikel 1;
3° door de echtgeno(o)t(e) of wettelijke samenwonende van de natuurlijke persoon aan wie de standplaats werd toegewezen, houder van de " machtiging als werkgever " voor de uitoefening van de kermisactiviteit voor eigen rekening bedoeld in artikel 1;
4° door de feitelijke vennoten van de natuurlijke persoon aan wie de standplaats werd toegewezen, houders van de " machtiging als werkgever " voor de uitoefening van de kermisactiviteit voor eigen rekening, bedoeld in artikel 1;
5° door de personen die beschikken over de " machtiging als aangestelde-verantwoordelijke " bedoeld in artikel 2, die de kermisactiviteit uitoefenen voor rekening of in dienst van de personen bedoeld in 1° tot en met 4°;
6° door de aangestelden die de kermisactiviteit uitoefenen voor rekening of in dienst van de personen bedoeld in 1° tot en met 4°, onder het gezag en in aanwezigheid van deze of van een " aangestelde-verantwoordelijke " bedoeld in 5°.
De personen bedoeld in 2° tot en met 5° kunnen deze standplaatsen innemen voor zover hun machtiging geldig is voor de attractie of vestiging die erop uitgebaat worden.
Zij kunnen deze standplaatsen innemen buiten de aanwezigheid van de personen aan wie of door middel van wie ze werden toegewezen.
§ 2. De standplaatsen toegewezen aan de personen bedoeld in artikel 10, die een ambulante activiteit in kermisgastronomie uitoefenen, kunnen ingenomen worden :
1° door deze personen zelf;
2° door deze bedoeld in artikel 26, § 1, 2° tot en met 4° en 6° van het koninklijk besluit van 24 september 2006 betreffende de uitoefening en de organisatie van ambulante activiteiten, houders van de machtiging bedoeld in de artikelen 12 of 13 van hetzelfde besluit die de uitoefening van de activiteit op de toegekende standplaats toelaat;
3° door de personen vrijgesteld krachtens artikel 2, § 3, van de machtiging tot het uitoefenen van ambulante activiteiten, die de activiteit uitoefenen voor rekening of in dienst van de personen bedoeld in § 1 1° tot en met 4°, onder het gezag en in aanwezigheid van deze of van een persoon houder van de " machtiging als aangestelde A " of van de " machtiging als aangestelde B " bedoeld in § 1 6°, die de verantwoordelijkheid van de vestiging op zich neemt.
De personen opgesomd in § 2, eerste lid, 2°, kunnen de standplaatsen innemen buiten de aanwezigheid van de personen aan wie of door middel van wie ze werden toegewezen.
1° door deze personen zelf;
2° door de verantwoordelijke(n) van het dagelijks bestuur van een rechtspersoon aan wie de standplaats is toegewezen, houder(s) van de " machtiging als werkgever " bedoeld in artikel 1;
3° door de echtgeno(o)t(e) of wettelijke samenwonende van de natuurlijke persoon aan wie de standplaats werd toegewezen, houder van de " machtiging als werkgever " voor de uitoefening van de kermisactiviteit voor eigen rekening bedoeld in artikel 1;
4° door de feitelijke vennoten van de natuurlijke persoon aan wie de standplaats werd toegewezen, houders van de " machtiging als werkgever " voor de uitoefening van de kermisactiviteit voor eigen rekening, bedoeld in artikel 1;
5° door de personen die beschikken over de " machtiging als aangestelde-verantwoordelijke " bedoeld in artikel 2, die de kermisactiviteit uitoefenen voor rekening of in dienst van de personen bedoeld in 1° tot en met 4°;
6° door de aangestelden die de kermisactiviteit uitoefenen voor rekening of in dienst van de personen bedoeld in 1° tot en met 4°, onder het gezag en in aanwezigheid van deze of van een " aangestelde-verantwoordelijke " bedoeld in 5°.
De personen bedoeld in 2° tot en met 5° kunnen deze standplaatsen innemen voor zover hun machtiging geldig is voor de attractie of vestiging die erop uitgebaat worden.
Zij kunnen deze standplaatsen innemen buiten de aanwezigheid van de personen aan wie of door middel van wie ze werden toegewezen.
§ 2. De standplaatsen toegewezen aan de personen bedoeld in artikel 10, die een ambulante activiteit in kermisgastronomie uitoefenen, kunnen ingenomen worden :
1° door deze personen zelf;
2° door deze bedoeld in artikel 26, § 1, 2° tot en met 4° en 6° van het koninklijk besluit van 24 september 2006 betreffende de uitoefening en de organisatie van ambulante activiteiten, houders van de machtiging bedoeld in de artikelen 12 of 13 van hetzelfde besluit die de uitoefening van de activiteit op de toegekende standplaats toelaat;
3° door de personen vrijgesteld krachtens artikel 2, § 3, van de machtiging tot het uitoefenen van ambulante activiteiten, die de activiteit uitoefenen voor rekening of in dienst van de personen bedoeld in § 1 1° tot en met 4°, onder het gezag en in aanwezigheid van deze of van een persoon houder van de " machtiging als aangestelde A " of van de " machtiging als aangestelde B " bedoeld in § 1 6°, die de verantwoordelijkheid van de vestiging op zich neemt.
De personen opgesomd in § 2, eerste lid, 2°, kunnen de standplaatsen innemen buiten de aanwezigheid van de personen aan wie of door middel van wie ze werden toegewezen.
Art. 11. § 1er. Les emplacements attribués aux personnes désignées à l'article 10, qui exercent une activité foraine, peuvent être occupés :
1° par ces personnes elles-mêmes;
2° par le (ou les) responsable(s) de la gestion journalière de la personne morale à laquelle l'emplacement est attribué, titulaire(s) de l' " autorisation patronale " prevue à l'article 1er;
3° par le (ou la) conjoint(e) ou le (ou la) cohabitant(e) légal(e) de la personne physique à laquelle l'emplacement est attribué, titulaire de l' " autorisation patronale " pour l'exercice de l'activité foraine en propre compte, prévue à l'article 1er;
4° par les associés de fait de la personne physique à laquelle l'emplacement est attribué, titulaires de l' " autorisation patronale " pour l'exercice de l'activité foraine en propre compte, prévue à l'article 1er;
5° par les personnes titulaires de l' " autorisation de préposé-responsable " prévue à l'article 2, qui exercent l'activité foraine pour le compte ou au service des personnes visées aux 1° à 4°;
6° par les préposés qui exercent l'activité foraine pour le compte ou au service des personnes visées aux 1° à 4°, sous le contrôle et en la présence de celles-ci ou d'un " préposé-responsable " visé au 5°.
Les personnes visées aux 2° a 5° peuvent occuper ces emplacements pour autant que leur autorisation soit valable pour l'attraction ou l'établissement exploité sur ceux-ci.
Elles peuvent occuper ces emplacements en dehors de la presence des personnes auxquelles ou par lesquelles ils ont été attribués.
§ 2. Les emplacements attribués aux personnes désignées à l'article 10, qui exercent une activité ambulante de gastronomie foraine, peuvent être occupés :
1° par ces personnes elles-mêmes;
2° par celles visées à l'article 26, § 1er, 2° à 4° et 6°, de l'arrêté royal du 24 septembre 2006 relatif à l'exercice et à l'organisation des activités ambulantes, titulaires d'une autorisation prévue aux articles 12 ou 13 du même arrêté, permettant l'exercice de l'activité réalisée sur l'emplacement accordé;
3° par les personnes dispensées en vertu de l'article 2, § 3, de l'autorisation d'activités ambulantes, qui exercent l'activité pour le compte ou au service des personnes visées au § 1er 1° à 4°, sous le contrôle et en la présence de celles-ci ou d'une personne titulaire de l' " autorisation de préposé A " ou de l' " autorisation de préposé B ", visée au § 1er 6°, qui assume la responsabilité de l'établissement.
Les personnes énumérées au § 2, alinéa 1er, 2°, peuvent occuper les emplacements en dehors de la présence des personnes auxquelles ou par lesquelles ils ont été attribués.
1° par ces personnes elles-mêmes;
2° par le (ou les) responsable(s) de la gestion journalière de la personne morale à laquelle l'emplacement est attribué, titulaire(s) de l' " autorisation patronale " prevue à l'article 1er;
3° par le (ou la) conjoint(e) ou le (ou la) cohabitant(e) légal(e) de la personne physique à laquelle l'emplacement est attribué, titulaire de l' " autorisation patronale " pour l'exercice de l'activité foraine en propre compte, prévue à l'article 1er;
4° par les associés de fait de la personne physique à laquelle l'emplacement est attribué, titulaires de l' " autorisation patronale " pour l'exercice de l'activité foraine en propre compte, prévue à l'article 1er;
5° par les personnes titulaires de l' " autorisation de préposé-responsable " prévue à l'article 2, qui exercent l'activité foraine pour le compte ou au service des personnes visées aux 1° à 4°;
6° par les préposés qui exercent l'activité foraine pour le compte ou au service des personnes visées aux 1° à 4°, sous le contrôle et en la présence de celles-ci ou d'un " préposé-responsable " visé au 5°.
Les personnes visées aux 2° a 5° peuvent occuper ces emplacements pour autant que leur autorisation soit valable pour l'attraction ou l'établissement exploité sur ceux-ci.
Elles peuvent occuper ces emplacements en dehors de la presence des personnes auxquelles ou par lesquelles ils ont été attribués.
§ 2. Les emplacements attribués aux personnes désignées à l'article 10, qui exercent une activité ambulante de gastronomie foraine, peuvent être occupés :
1° par ces personnes elles-mêmes;
2° par celles visées à l'article 26, § 1er, 2° à 4° et 6°, de l'arrêté royal du 24 septembre 2006 relatif à l'exercice et à l'organisation des activités ambulantes, titulaires d'une autorisation prévue aux articles 12 ou 13 du même arrêté, permettant l'exercice de l'activité réalisée sur l'emplacement accordé;
3° par les personnes dispensées en vertu de l'article 2, § 3, de l'autorisation d'activités ambulantes, qui exercent l'activité pour le compte ou au service des personnes visées au § 1er 1° à 4°, sous le contrôle et en la présence de celles-ci ou d'une personne titulaire de l' " autorisation de préposé A " ou de l' " autorisation de préposé B ", visée au § 1er 6°, qui assume la responsabilité de l'établissement.
Les personnes énumérées au § 2, alinéa 1er, 2°, peuvent occuper les emplacements en dehors de la présence des personnes auxquelles ou par lesquelles ils ont été attribués.
Art.11_WAALS_GEWEST. [1 De standplaatsen toegewezen aan de personen bedoeld in artikel 10 kunnen ingenomen worden:
1° door de natuurlijke persoon aan wie de standplaats is toegewezen;
2° door de verantwoordelijke(n) van het dagelijks bestuur van een rechtspersoon aan wie de standplaats is toegewezen;
3° door de echtgeno(o)t(e) of wettelijk samenwonende van de natuurlijke persoon aan wie de standplaats is toegewezen;
4° door de feitelijke venno(o)t(en) van de natuurlijke persoon aan wie de standplaats is toegewezen;
5° door aangestelden die de activiteit uitoefenen voor rekening of in dienst van de natuurlijke personen en rechtspersonen bedoeld in 1° tot 4°.
De personen vermeld in het eerste lid, 2° tot 5°, kunnen de standplaatsen innemen die toegewezen zijn aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon voor wiens rekening of wiens dienst ze de kermisactiviteit uitoefenen, buiten de aanwezigheid van de persoon aan wie of door middel van wie de standplaats is toegewezen.]1
1° door de natuurlijke persoon aan wie de standplaats is toegewezen;
2° door de verantwoordelijke(n) van het dagelijks bestuur van een rechtspersoon aan wie de standplaats is toegewezen;
3° door de echtgeno(o)t(e) of wettelijk samenwonende van de natuurlijke persoon aan wie de standplaats is toegewezen;
4° door de feitelijke venno(o)t(en) van de natuurlijke persoon aan wie de standplaats is toegewezen;
5° door aangestelden die de activiteit uitoefenen voor rekening of in dienst van de natuurlijke personen en rechtspersonen bedoeld in 1° tot 4°.
De personen vermeld in het eerste lid, 2° tot 5°, kunnen de standplaatsen innemen die toegewezen zijn aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon voor wiens rekening of wiens dienst ze de kermisactiviteit uitoefenen, buiten de aanwezigheid van de persoon aan wie of door middel van wie de standplaats is toegewezen.]1
Art.11_REGION_WALLONNE. [1 Les emplacements attribués aux personnes désignées à l'article 10 peuvent être occupés :
1° par la personne physique à laquelle l'emplacement est attribué ;
2° par le ou les responsables de la gestion journalière de la personne morale à laquelle l'emplacement est attribué ;
3° par le conjoint ou le cohabitant légal de la personne physique à laquelle l'emplacement est attribué ;
4° par les associés de fait de la personne physique à laquelle l'emplacement est attribué ;
5° par les préposés exerçant l'activité pour le compte ou au service des personnes physiques et morales visées aux 1° à 4°.
Les personnes énumérées à l'alinéa 1er, 2° à 5°, peuvent occuper les emplacements attribués à la personne physique ou morale pour le compte ou au service de laquelle elles exercent l'activité, en dehors de la présence de la personne à laquelle ou par l'intermédiaire de laquelle l'emplacement a été attribué.]1
1° par la personne physique à laquelle l'emplacement est attribué ;
2° par le ou les responsables de la gestion journalière de la personne morale à laquelle l'emplacement est attribué ;
3° par le conjoint ou le cohabitant légal de la personne physique à laquelle l'emplacement est attribué ;
4° par les associés de fait de la personne physique à laquelle l'emplacement est attribué ;
5° par les préposés exerçant l'activité pour le compte ou au service des personnes physiques et morales visées aux 1° à 4°.
Les personnes énumérées à l'alinéa 1er, 2° à 5°, peuvent occuper les emplacements attribués à la personne physique ou morale pour le compte ou au service de laquelle elles exercent l'activité, en dehors de la présence de la personne à laquelle ou par l'intermédiaire de laquelle l'emplacement a été attribué.]1
Art.11_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 De standplaatsen kunnen worden ingenomen door de natuurlijke personen die de kermisactiviteit of de ambulante activiteit in kermisgastronomie voor rekening van de onderneming uitoefenen.]1
Art.11_REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE. [1 Les emplacements peuvent être occupés par les personnes physiques qui exercent l'activité foraine ou ambulante de gastronomie foraine pour le compte de l'entreprise.]1
Onderafdeling III. - Betreffende de abonnementen.
Sous-section III. - Des abonnements.
Art. 12. § 1. Het abonnement heeft een duur van vijf jaar. Na afloop wordt het stilzwijgend verlengd behalve in de gevallen bedoeld in §§ 3 en 4.
§ 2. De houder van het abonnement die de activiteit uitoefent voor eigen rekening of de verantwoordelijke belast met het dagelijks bestuur van de rechtspersoon door wie het abonnement werd toegewezen, kan, op gemotiveerd verzoek, het abonnement voor een kortere duur verkrijgen. Deze aanvraag wordt ingewilligd wanneer ze gewettigd wordt bij de stopzetting van de activiteiten aan het einde van de loopbaan. Ze hangt af van de beoordeling van de burgemeester, van zijn afgevaardigde of van de concessionaris indien zij omwille van andere motieven aangevraagd wordt.
§ 3. De persoon bedoeld in § 2 kan zijn abonnement opschorten wanneer hij tijdelijk ongeschikt is om zijn activiteit uit te oefenen, hetzij in geval van ziekte of ongeval met een medisch attest, hetzij in een aangetoond geval van overmacht. De opschorting gaat in op de dertigste dag volgend op de bekendmaking van de ongeschiktheid en houdt op de dertigste dag volgend op de bekendmaking van het hernemen van de activiteiten, tenzij het gemeentelijk reglement een andere termijn bepaalt. Indien zij eén jaar overschrijdt, moet zij minstens dertig dagen voor het begin van de kermis hernieuwd worden, tenzij het gemeentelijk reglement een andere termijn bepaalt.
De persoon bedoeld in § 2 verkrijgt eveneens de opschorting van het abonnement indien hij over een abonnement beschikt voor een andere kermis die op hetzelfde ogenblik plaats heeft. De opschorting moet worden bekendgemaakt tenminste drie maanden voor de begindatum van de kermis, tenzij het gemeentelijk reglement een andere termijn bepaalt. Zij mag geen drie opeenvolgende jaren overschrijden.
De wederzijdse verplichtingen ontstaan uit het contract van het abonnement worden opgeschort voor de duur van de opschorting.
§ 4. De persoon bedoeld in § 2 kan van het abonnement, wanneer het vervalt, afstand doen mits een opzegtermijn van tenminste drie maanden. Hij kan eveneens hiervan afstand doen, mits eenzelfde opzegtermijn, bij de stopzetting van zijn activiteiten als natuurlijke persoon of als rechtspersoon.
De persoon bedoeld in § 2 kan van het abonnement afstand doen indien hij definitief ongeschikt is om zijn activiteit uit te oefenen, hetzij in geval van ziekte of ongeval op grond van een medisch attest, hetzij in geval van overmacht op een verantwoorde wijze aangetoond. De opzegging gaat in op de dertigste dag volgend op de bekendmaking van de ongeschiktheid, tenzij het gemeentelijk reglement een andere termijn bepaalt.
De persoon bedoeld in § 2 kan een vervroegde beëindiging van zijn abonnement aanvragen voor andere motieven dan deze bedoeld in de vorige leden. Het gevolg te geven aan deze aanvraag hangt af van de beoordeling van de burgemeester, zijn afgevaardigde of de concessionaris.
De rechthebbenden van de natuurlijke persoon die voor eigen rekening zijn activiteit uitoefent, kunnen bij zijn overlijden, zonder vooropzeg, afstand doen van het abonnement waarvan hij de houder was.
§ 5. De aanvraag en de bekendmaking bedoeld in §§ 2, 3 en 4 worden gericht, naar gelang het geval, tot de burgemeester, tot zijn afgevaardigde of tot de concessionaris. Deze bevestigen onmiddellijk de ontvangst ervan.
§ 6. De burgemeester, zijn afgevaardigde of de concessionaris kan het abonnement intrekken of opschorten, hetzij omdat de titularis van de standplaats niet langer aan de verplichtingen voldoet betreffende de uitoefening van ambulante of kermisactiviteiten voorzien door dit besluit of deze die van toepassing zijn op de betrokken attractie of vestiging, hetzij om redenen vermeld in het reglement. De intrekking of de opschorting van het abonnement gebeurt overeenkomstig de bepalingen hierin vastgelegd.
§ 2. De houder van het abonnement die de activiteit uitoefent voor eigen rekening of de verantwoordelijke belast met het dagelijks bestuur van de rechtspersoon door wie het abonnement werd toegewezen, kan, op gemotiveerd verzoek, het abonnement voor een kortere duur verkrijgen. Deze aanvraag wordt ingewilligd wanneer ze gewettigd wordt bij de stopzetting van de activiteiten aan het einde van de loopbaan. Ze hangt af van de beoordeling van de burgemeester, van zijn afgevaardigde of van de concessionaris indien zij omwille van andere motieven aangevraagd wordt.
§ 3. De persoon bedoeld in § 2 kan zijn abonnement opschorten wanneer hij tijdelijk ongeschikt is om zijn activiteit uit te oefenen, hetzij in geval van ziekte of ongeval met een medisch attest, hetzij in een aangetoond geval van overmacht. De opschorting gaat in op de dertigste dag volgend op de bekendmaking van de ongeschiktheid en houdt op de dertigste dag volgend op de bekendmaking van het hernemen van de activiteiten, tenzij het gemeentelijk reglement een andere termijn bepaalt. Indien zij eén jaar overschrijdt, moet zij minstens dertig dagen voor het begin van de kermis hernieuwd worden, tenzij het gemeentelijk reglement een andere termijn bepaalt.
De persoon bedoeld in § 2 verkrijgt eveneens de opschorting van het abonnement indien hij over een abonnement beschikt voor een andere kermis die op hetzelfde ogenblik plaats heeft. De opschorting moet worden bekendgemaakt tenminste drie maanden voor de begindatum van de kermis, tenzij het gemeentelijk reglement een andere termijn bepaalt. Zij mag geen drie opeenvolgende jaren overschrijden.
De wederzijdse verplichtingen ontstaan uit het contract van het abonnement worden opgeschort voor de duur van de opschorting.
§ 4. De persoon bedoeld in § 2 kan van het abonnement, wanneer het vervalt, afstand doen mits een opzegtermijn van tenminste drie maanden. Hij kan eveneens hiervan afstand doen, mits eenzelfde opzegtermijn, bij de stopzetting van zijn activiteiten als natuurlijke persoon of als rechtspersoon.
De persoon bedoeld in § 2 kan van het abonnement afstand doen indien hij definitief ongeschikt is om zijn activiteit uit te oefenen, hetzij in geval van ziekte of ongeval op grond van een medisch attest, hetzij in geval van overmacht op een verantwoorde wijze aangetoond. De opzegging gaat in op de dertigste dag volgend op de bekendmaking van de ongeschiktheid, tenzij het gemeentelijk reglement een andere termijn bepaalt.
De persoon bedoeld in § 2 kan een vervroegde beëindiging van zijn abonnement aanvragen voor andere motieven dan deze bedoeld in de vorige leden. Het gevolg te geven aan deze aanvraag hangt af van de beoordeling van de burgemeester, zijn afgevaardigde of de concessionaris.
De rechthebbenden van de natuurlijke persoon die voor eigen rekening zijn activiteit uitoefent, kunnen bij zijn overlijden, zonder vooropzeg, afstand doen van het abonnement waarvan hij de houder was.
§ 5. De aanvraag en de bekendmaking bedoeld in §§ 2, 3 en 4 worden gericht, naar gelang het geval, tot de burgemeester, tot zijn afgevaardigde of tot de concessionaris. Deze bevestigen onmiddellijk de ontvangst ervan.
§ 6. De burgemeester, zijn afgevaardigde of de concessionaris kan het abonnement intrekken of opschorten, hetzij omdat de titularis van de standplaats niet langer aan de verplichtingen voldoet betreffende de uitoefening van ambulante of kermisactiviteiten voorzien door dit besluit of deze die van toepassing zijn op de betrokken attractie of vestiging, hetzij om redenen vermeld in het reglement. De intrekking of de opschorting van het abonnement gebeurt overeenkomstig de bepalingen hierin vastgelegd.
Art. 12. § 1er. L'abonnement a une durée de cinq ans. Il est renouvelé tacitement à son terme, sauf dans les cas prévus aux §§ 3 et 4.
§ 2. Le titulaire de l'abonnement qui exerce l'activite pour son propre compte ou le responsable de la gestion journalière de la personne morale par lequel l'abonnement a été attribué peut, sur demande motivée, demander l'obtention de l'abonnement pour une durée plus courte. Cette demande est honorée lorsqu'elle est justifiée par la cessation des activités en fin de carrière. Elle est laissée à l'appréciation du bourgmestre, de son délégué ou du concessionnaire, lorsqu'elle est sollicitée pour d'autres motifs.
§ 3. La personne visée au § 2 peut suspendre son abonnement lorsqu'elle se trouve dans l'incapacité temporaire d'exercer son activité, soit pour maladie ou accident, attesté par un certificat médical, soit pour cas de force majeure dûment démontré. La suspension prend effet le trentième jour suivant la notification de l'incapacité; elle cesse le trentième jour suivant la notification de la reprise d'activités, à moins que le règlement communal ne fixe d'autres délais. Si elle excède un an, elle doit être renouvelée au moins trente jours avant la date de début de la foire, à moins que le règlement communal ne fixe un autre délai.
La personne visée au § 2 obtient également la suspension de l'abonnement lorsqu'elle dispose d'un abonnement pour une autre fête foraine qui se déroule à une même période. La suspension doit être notifiée au moins trois mois avant le début de la foire, à moins que le règlement communal ne fixe d'autres délais. Elle ne peut excéder trois années consécutives.
Les obligations réciproques nées du contrat d'abonnement sont suspendues pour la durée de la suspension.
§ 4. La personne visée au § 2 peut renoncer à l'abonnement, à son terme, moyennant un préavis d'au moins trois mois. Elle peut également y renoncer, moyennant un préavis de même durée, à la cessation de ses activités en qualité de personne physique ou de celles de la personne morale.
La personne visée au § 2 peut renoncer a l'abonnement, si elle est dans l'incapacité définitive d'exercer son activité, soit pour raison de maladie ou d'accident, attestée par un certificat médical, soit pour cas de force majeure, dûment démontré. Le renon prend effet le trentième jour suivant la notification de l'incapacité, à moins que le règlement communal ne fixe d'autres délais.
La personne visée au § 2 peut solliciter la fin anticipée de son abonnement pour d'autres motifs que ceux prévus aux alinéas précédents. La suite à donner à cette demande est laissée à l'appréciation du bourgmestre, de son délégué ou du concessionnaire.
Les ayants-droits de la personne physique exerçant son activité pour son propre compte peuvent, au décès de celle-ci, renoncer, sans préavis, à l'abonnement dont elle était titulaire.
§ 5. La demande et la notification visées aux §§ 2, 3 et 4 sont adressées, selon le cas, au bourgmestre, à son délégué ou au concessionnaire. Celui-ci en accuse réception sans délai.
§ 6. Le bourgmestre, son délégué ou le concessionnaire peut retirer ou suspendre l'abonnement, soit parce que le titulaire de l'emplacement ne satisfait plus aux obligations relatives à l'exercice des activités foraines ou ambulantes prévues par le présent arrêté ou celles relatives à l'attraction ou à l'établissement concerné, soit pour les raisons prescrites par le règlement. Le retrait ou la suspension de l'abonnement s'effectue selon les modalités stipulees dans celui-ci.
§ 2. Le titulaire de l'abonnement qui exerce l'activite pour son propre compte ou le responsable de la gestion journalière de la personne morale par lequel l'abonnement a été attribué peut, sur demande motivée, demander l'obtention de l'abonnement pour une durée plus courte. Cette demande est honorée lorsqu'elle est justifiée par la cessation des activités en fin de carrière. Elle est laissée à l'appréciation du bourgmestre, de son délégué ou du concessionnaire, lorsqu'elle est sollicitée pour d'autres motifs.
§ 3. La personne visée au § 2 peut suspendre son abonnement lorsqu'elle se trouve dans l'incapacité temporaire d'exercer son activité, soit pour maladie ou accident, attesté par un certificat médical, soit pour cas de force majeure dûment démontré. La suspension prend effet le trentième jour suivant la notification de l'incapacité; elle cesse le trentième jour suivant la notification de la reprise d'activités, à moins que le règlement communal ne fixe d'autres délais. Si elle excède un an, elle doit être renouvelée au moins trente jours avant la date de début de la foire, à moins que le règlement communal ne fixe un autre délai.
La personne visée au § 2 obtient également la suspension de l'abonnement lorsqu'elle dispose d'un abonnement pour une autre fête foraine qui se déroule à une même période. La suspension doit être notifiée au moins trois mois avant le début de la foire, à moins que le règlement communal ne fixe d'autres délais. Elle ne peut excéder trois années consécutives.
Les obligations réciproques nées du contrat d'abonnement sont suspendues pour la durée de la suspension.
§ 4. La personne visée au § 2 peut renoncer à l'abonnement, à son terme, moyennant un préavis d'au moins trois mois. Elle peut également y renoncer, moyennant un préavis de même durée, à la cessation de ses activités en qualité de personne physique ou de celles de la personne morale.
La personne visée au § 2 peut renoncer a l'abonnement, si elle est dans l'incapacité définitive d'exercer son activité, soit pour raison de maladie ou d'accident, attestée par un certificat médical, soit pour cas de force majeure, dûment démontré. Le renon prend effet le trentième jour suivant la notification de l'incapacité, à moins que le règlement communal ne fixe d'autres délais.
La personne visée au § 2 peut solliciter la fin anticipée de son abonnement pour d'autres motifs que ceux prévus aux alinéas précédents. La suite à donner à cette demande est laissée à l'appréciation du bourgmestre, de son délégué ou du concessionnaire.
Les ayants-droits de la personne physique exerçant son activité pour son propre compte peuvent, au décès de celle-ci, renoncer, sans préavis, à l'abonnement dont elle était titulaire.
§ 5. La demande et la notification visées aux §§ 2, 3 et 4 sont adressées, selon le cas, au bourgmestre, à son délégué ou au concessionnaire. Celui-ci en accuse réception sans délai.
§ 6. Le bourgmestre, son délégué ou le concessionnaire peut retirer ou suspendre l'abonnement, soit parce que le titulaire de l'emplacement ne satisfait plus aux obligations relatives à l'exercice des activités foraines ou ambulantes prévues par le présent arrêté ou celles relatives à l'attraction ou à l'établissement concerné, soit pour les raisons prescrites par le règlement. Le retrait ou la suspension de l'abonnement s'effectue selon les modalités stipulees dans celui-ci.
Onderafdeling IV. - Betreffende de voorwaarden en de modaliteiten van de toewijzing van standplaatsen.
Sous-section IV. - Des conditions et des modalités d'attribution des emplacements.
Art. 13. § 1. Wanneer een standplaats ter beschikking komt, maakt de burgemeester, zijn afgevaardigde of de concessionaris de vacature bekend door publicatie van een kennisgeving.
De wijze waarop de publicatie wordt verwezenlijkt wordt in het gemeentelijk reglement vastgelegd.
§ 2. Deze kennisgeving vermeldt minstens :
1° indien nodig, het attractietype of de vestiging welke gewenst is;
2°de nuttige technische specificaties;
3° de situering van de standplaats;
4°de wijze en de duur van de toewijzing;
5°de prijs en, desgevallend, de modaliteiten tot herziening;
6° de voorwaarden inzake verkrijging van de standplaats en de criteria inzake toewijzing;
7°de plaats en termijn van indiening van de kandidaturen;
8°de termijn van de bekendmaking van de toewijzing van de standplaats.
Desgevallend verwijst de kennisgeving naar het gemeentelijk reglement.
De wijze waarop de publicatie wordt verwezenlijkt wordt in het gemeentelijk reglement vastgelegd.
§ 2. Deze kennisgeving vermeldt minstens :
1° indien nodig, het attractietype of de vestiging welke gewenst is;
2°de nuttige technische specificaties;
3° de situering van de standplaats;
4°de wijze en de duur van de toewijzing;
5°de prijs en, desgevallend, de modaliteiten tot herziening;
6° de voorwaarden inzake verkrijging van de standplaats en de criteria inzake toewijzing;
7°de plaats en termijn van indiening van de kandidaturen;
8°de termijn van de bekendmaking van de toewijzing van de standplaats.
Desgevallend verwijst de kennisgeving naar het gemeentelijk reglement.
Art. 13. § 1er. Lorsqu'un emplacement est à pourvoir, le bourgmestre, son délégué ou le concessionnaire en annonce la vacance par la publication d'un avis.
Le règlement communal détermine la manière dont la publicité est réalisée.
§ 2. L'avis mentionne au moins :
1° s'il y a lieu, le type d'attraction ou d'établissement souhaité;
2° les spécifications techniques utiles;
3° la situation de l'emplacement;
4° le mode et la durée d'attribution;
5° le prix et, s'il y a lieu, ses modalités de révision;
6° les conditions d'obtention de l'emplacement et les critères d'attribution;
7° le lieu et le délai d'introduction des candidatures.
8° le délai de notification de l'attribution de l'emplacement.
Le cas échéant, l'avis renvoie au règlement communal.
Le règlement communal détermine la manière dont la publicité est réalisée.
§ 2. L'avis mentionne au moins :
1° s'il y a lieu, le type d'attraction ou d'établissement souhaité;
2° les spécifications techniques utiles;
3° la situation de l'emplacement;
4° le mode et la durée d'attribution;
5° le prix et, s'il y a lieu, ses modalités de révision;
6° les conditions d'obtention de l'emplacement et les critères d'attribution;
7° le lieu et le délai d'introduction des candidatures.
8° le délai de notification de l'attribution de l'emplacement.
Le cas échéant, l'avis renvoie au règlement communal.
Art. 14. De kandidaturen worden, naargelang het geval, overgemaakt hetzij bij een ter post aangetekend schrijven met ontvangstmelding, hetzij door een schrijven neergelegd op de plaats aangeduid in de kennisgeving van de vacature met ontvangstbewijs, hetzij per duurzame drager tegen ontvangstbewijs aan de burgemeester, zijn afgevaardigde of de concessionaris.
Om geldig te zijn, dienen ze in de voorgeschreven vormen en binnen de gestelde termijn voorzien in de kennisgeving van de vacature ingediend te worden en de gegevens bevatten vereist door deze kennisgeving of door het gemeentelijk reglement.
Om geldig te zijn, dienen ze in de voorgeschreven vormen en binnen de gestelde termijn voorzien in de kennisgeving van de vacature ingediend te worden en de gegevens bevatten vereist door deze kennisgeving of door het gemeentelijk reglement.
Art. 14. Les candidatures sont adressées, selon le cas, au bourgmestre, à son délégué ou au concessionnaire, soit par courrier recommandé à la poste avec accusé de réception, soit par courrier déposé, contre accusé de réception, à l'endroit indiqué dans l'avis de vacance, soit sur support durable contre accusé de réception.
Pour être valables, elles doivent être introduites dans les formes prescrites et dans le délai prévu à l'avis de vacance et comporter les informations et les documents requis par cet avis ou par le règlement communal.
Pour être valables, elles doivent être introduites dans les formes prescrites et dans le délai prévu à l'avis de vacance et comporter les informations et les documents requis par cet avis ou par le règlement communal.
Art. 15. § 1. De standplaatsen worden toegewezen volgens de modaliteiten en de criteria bepaald in §§ 2 en 3.
§ 2. Voor de vergelijking van de kandidaturen onderzoekt de burgemeester, zijn afgevaardigde of de concessionaris de volgende elementen :
1° de machtiging en de identiteit van de kandidaat;
2° het naleven van de voorwaarden bedoeld in artikel 4, § 2, 2°, 3°a, 4° en 5°.
§ 3. De standplaatsen worden toegewezen op basis van de volgende criteria :
a) de aard van de attractie of van de vestiging;
b) de technische specificaties van de attractie of van de vestiging;
c) de graad van veiligheid van de attractie of van de vestiging;
d) de aantrekkingskracht van de attractie of van de vestiging;
e) de deskundigheid van de uitbater, van de " aangestelden-verantwoordelijken " en van het tewerkgesteld personeel;
f) desgevallend, de nuttige ervaring;
g) de ernst en het zedelijk gedrag van de kandidaat.
§ 4. Het openen van de kandidaturen, hun vergelijkend onderzoek, de controle van de voorwaarden voorzien in § 2, de gemotiveerde beslissing tot toewijzing van de standplaats worden opgenomen in een proces-verbaal.
Deze kan geraadpleegd worden overeenkomstig de bepalingen van de wet van 12 november 1997 betreffende de openbaarheid van bestuur in de provincies en gemeenten.
§ 5. De burgemeester, zijn afgevaardigde of de concessionaris deelt zowel aan de kandidaat die de standplaats toegewezen kreeg als aan elke niet weerhouden kandidaat de beslissing die hem aanbelangt mede hetzij bij ter post aangetekend schrijven met ontvangstmelding, hetzij bij persoonlijk overhandigde brief tegen ontvangstmelding, hetzij per duurzame drager met ontvangstmelding.
§ 2. Voor de vergelijking van de kandidaturen onderzoekt de burgemeester, zijn afgevaardigde of de concessionaris de volgende elementen :
1° de machtiging en de identiteit van de kandidaat;
2° het naleven van de voorwaarden bedoeld in artikel 4, § 2, 2°, 3°a, 4° en 5°.
§ 3. De standplaatsen worden toegewezen op basis van de volgende criteria :
a) de aard van de attractie of van de vestiging;
b) de technische specificaties van de attractie of van de vestiging;
c) de graad van veiligheid van de attractie of van de vestiging;
d) de aantrekkingskracht van de attractie of van de vestiging;
e) de deskundigheid van de uitbater, van de " aangestelden-verantwoordelijken " en van het tewerkgesteld personeel;
f) desgevallend, de nuttige ervaring;
g) de ernst en het zedelijk gedrag van de kandidaat.
§ 4. Het openen van de kandidaturen, hun vergelijkend onderzoek, de controle van de voorwaarden voorzien in § 2, de gemotiveerde beslissing tot toewijzing van de standplaats worden opgenomen in een proces-verbaal.
Deze kan geraadpleegd worden overeenkomstig de bepalingen van de wet van 12 november 1997 betreffende de openbaarheid van bestuur in de provincies en gemeenten.
§ 5. De burgemeester, zijn afgevaardigde of de concessionaris deelt zowel aan de kandidaat die de standplaats toegewezen kreeg als aan elke niet weerhouden kandidaat de beslissing die hem aanbelangt mede hetzij bij ter post aangetekend schrijven met ontvangstmelding, hetzij bij persoonlijk overhandigde brief tegen ontvangstmelding, hetzij per duurzame drager met ontvangstmelding.
Art. 15. § 1er. Les emplacements sont attribués selon les modalités et les critères déterminés aux §§ 2 et 3.
§ 2. Avant la comparaison des candidatures, le bourgmestre, son délégué ou le concessionnaire procède à la vérification des éléments suivants :
1° l'autorisation et l'identité du candidat;
2° le respect des conditions prévues à l'article 4, § 2, 2°, 3°a, 4° et 5°.
§ 3. Les emplacements sont attribués sur la base des critères suivants :
a) le genre d'attraction ou d'établissement;
b) les spécifications techniques de l'attraction ou de l'établissement;
c) le degré de sécurité de l'attraction ou de l'établissement;
d) l'attrait de l'attraction ou de l'établissement;
e) la compétence de l'exploitant, des " préposés-responsables " et du personnel employé;
f) s'il y a lieu, l'expérience utile;
g) le sérieux et la moralité du candidat.
§ 4. L'ouverture des candidatures et leur examen comparatif, la vérification des conditions prévues au § 2 et la décision motivée d'attribution de l'emplacement sont actees dans un procès-verbal.
Celui-ci peut être consulté conformément aux dispositions de la loi du 12 novembre 1997 relative à la publicité de l'administration dans les provinces et les communes.
§ 5. Le bourgmestre, son délégué ou le concessionnaire notifie à l'attributaire et à chaque candidat non-retenu la décision le concernant, soit par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception, soit par lettre remise de la main à la main contre accusé de réception, soit sur support durable avec accusé de réception.
§ 2. Avant la comparaison des candidatures, le bourgmestre, son délégué ou le concessionnaire procède à la vérification des éléments suivants :
1° l'autorisation et l'identité du candidat;
2° le respect des conditions prévues à l'article 4, § 2, 2°, 3°a, 4° et 5°.
§ 3. Les emplacements sont attribués sur la base des critères suivants :
a) le genre d'attraction ou d'établissement;
b) les spécifications techniques de l'attraction ou de l'établissement;
c) le degré de sécurité de l'attraction ou de l'établissement;
d) l'attrait de l'attraction ou de l'établissement;
e) la compétence de l'exploitant, des " préposés-responsables " et du personnel employé;
f) s'il y a lieu, l'expérience utile;
g) le sérieux et la moralité du candidat.
§ 4. L'ouverture des candidatures et leur examen comparatif, la vérification des conditions prévues au § 2 et la décision motivée d'attribution de l'emplacement sont actees dans un procès-verbal.
Celui-ci peut être consulté conformément aux dispositions de la loi du 12 novembre 1997 relative à la publicité de l'administration dans les provinces et les communes.
§ 5. Le bourgmestre, son délégué ou le concessionnaire notifie à l'attributaire et à chaque candidat non-retenu la décision le concernant, soit par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception, soit par lettre remise de la main à la main contre accusé de réception, soit sur support durable avec accusé de réception.
Art.15_WAALS_GEWEST.
§ 1. De standplaatsen worden toegewezen volgens de modaliteiten en de criteria bepaald in §§ 2 en 3.
§ 2. Voor de vergelijking van de kandidaturen onderzoekt de burgemeester, zijn afgevaardigde of de concessionaris de volgende elementen :
1° [1 ...]1 de identiteit van de kandidaat;
2° het naleven van de voorwaarden bedoeld in [1 artikel 4]1.
§ 3. De standplaatsen worden toegewezen op basis van de volgende criteria :
a) de aard van de attractie of van de vestiging;
b) de technische specificaties van de attractie of van de vestiging;
c) de graad van veiligheid van de attractie of van de vestiging;
d) de aantrekkingskracht van de attractie of van de vestiging;
e) de deskundigheid van de uitbater, van de "[1 aangestelden]1" en van het tewerkgesteld personeel;
f) desgevallend, de nuttige ervaring;
g) de ernst en het zedelijk gedrag van de kandidaat.
§ 4. Het openen van de kandidaturen, hun vergelijkend onderzoek, de controle van de voorwaarden voorzien in § 2, de gemotiveerde beslissing tot toewijzing van de standplaats worden opgenomen in een proces-verbaal.
Deze kan geraadpleegd worden overeenkomstig de bepalingen van de wet van 12 november 1997 betreffende de openbaarheid van bestuur in de provincies en gemeenten.
§ 5. De burgemeester, zijn afgevaardigde of de concessionaris deelt zowel aan de kandidaat die de standplaats toegewezen kreeg als aan elke niet weerhouden kandidaat de beslissing die hem aanbelangt mede hetzij bij ter post aangetekend schrijven met ontvangstmelding, hetzij bij persoonlijk overhandigde brief tegen ontvangstmelding, hetzij per duurzame drager met ontvangstmelding.
§ 1. De standplaatsen worden toegewezen volgens de modaliteiten en de criteria bepaald in §§ 2 en 3.
§ 2. Voor de vergelijking van de kandidaturen onderzoekt de burgemeester, zijn afgevaardigde of de concessionaris de volgende elementen :
1° [1 ...]1 de identiteit van de kandidaat;
2° het naleven van de voorwaarden bedoeld in [1 artikel 4]1.
§ 3. De standplaatsen worden toegewezen op basis van de volgende criteria :
a) de aard van de attractie of van de vestiging;
b) de technische specificaties van de attractie of van de vestiging;
c) de graad van veiligheid van de attractie of van de vestiging;
d) de aantrekkingskracht van de attractie of van de vestiging;
e) de deskundigheid van de uitbater, van de "[1 aangestelden]1" en van het tewerkgesteld personeel;
f) desgevallend, de nuttige ervaring;
g) de ernst en het zedelijk gedrag van de kandidaat.
§ 4. Het openen van de kandidaturen, hun vergelijkend onderzoek, de controle van de voorwaarden voorzien in § 2, de gemotiveerde beslissing tot toewijzing van de standplaats worden opgenomen in een proces-verbaal.
Deze kan geraadpleegd worden overeenkomstig de bepalingen van de wet van 12 november 1997 betreffende de openbaarheid van bestuur in de provincies en gemeenten.
§ 5. De burgemeester, zijn afgevaardigde of de concessionaris deelt zowel aan de kandidaat die de standplaats toegewezen kreeg als aan elke niet weerhouden kandidaat de beslissing die hem aanbelangt mede hetzij bij ter post aangetekend schrijven met ontvangstmelding, hetzij bij persoonlijk overhandigde brief tegen ontvangstmelding, hetzij per duurzame drager met ontvangstmelding.
Art.15_REGION_WALLONNE.
§ 1er. Les emplacements sont attribués selon les modalités et les critères déterminés aux §§ 2 et 3.
§ 2. Avant la comparaison des candidatures, le bourgmestre, son délégué ou le concessionnaire procède à la vérification des éléments suivants :
1° [1 ...]1 l'identité du candidat;
2° le respect des conditions prévues à l'[1 article 4]1.
§ 3. Les emplacements sont attribués sur la base des critères suivants :
a) le genre d'attraction ou d'établissement;
b) les spécifications techniques de l'attraction ou de l'établissement;
c) le degré de sécurité de l'attraction ou de l'établissement;
d) l'attrait de l'attraction ou de l'établissement;
e) la compétence de l'exploitant, des "[1 préposés]1" et du personnel employé;
f) s'il y a lieu, l'expérience utile;
g) le sérieux et la moralité du candidat.
§ 4. L'ouverture des candidatures et leur examen comparatif, la vérification des conditions prévues au § 2 et la décision motivée d'attribution de l'emplacement sont actees dans un procès-verbal.
Celui-ci peut être consulté conformément aux dispositions de la loi du 12 novembre 1997 relative à la publicité de l'administration dans les provinces et les communes.
§ 5. Le bourgmestre, son délégué ou le concessionnaire notifie à l'attributaire et à chaque candidat non-retenu la décision le concernant, soit par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception, soit par lettre remise de la main à la main contre accusé de réception, soit sur support durable avec accusé de réception.
§ 1er. Les emplacements sont attribués selon les modalités et les critères déterminés aux §§ 2 et 3.
§ 2. Avant la comparaison des candidatures, le bourgmestre, son délégué ou le concessionnaire procède à la vérification des éléments suivants :
1° [1 ...]1 l'identité du candidat;
2° le respect des conditions prévues à l'[1 article 4]1.
§ 3. Les emplacements sont attribués sur la base des critères suivants :
a) le genre d'attraction ou d'établissement;
b) les spécifications techniques de l'attraction ou de l'établissement;
c) le degré de sécurité de l'attraction ou de l'établissement;
d) l'attrait de l'attraction ou de l'établissement;
e) la compétence de l'exploitant, des "[1 préposés]1" et du personnel employé;
f) s'il y a lieu, l'expérience utile;
g) le sérieux et la moralité du candidat.
§ 4. L'ouverture des candidatures et leur examen comparatif, la vérification des conditions prévues au § 2 et la décision motivée d'attribution de l'emplacement sont actees dans un procès-verbal.
Celui-ci peut être consulté conformément aux dispositions de la loi du 12 novembre 1997 relative à la publicité de l'administration dans les provinces et les communes.
§ 5. Le bourgmestre, son délégué ou le concessionnaire notifie à l'attributaire et à chaque candidat non-retenu la décision le concernant, soit par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception, soit par lettre remise de la main à la main contre accusé de réception, soit sur support durable avec accusé de réception.
Art.15_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
§ 1. De standplaatsen worden toegewezen volgens de modaliteiten en de criteria bepaald in §§ 2 en 3.
§ 2. Voor de vergelijking van de kandidaturen onderzoekt de burgemeester, zijn afgevaardigde of de concessionaris de volgende elementen :
1° [1 ...]1 de identiteit van de kandidaat;
2° [1 de naleving van de voorwaarden bepaald in artikel 4 van dit besluit.]1.
§ 3. De standplaatsen worden toegewezen op basis van de volgende criteria :
a) de aard van de attractie of van de vestiging;
b) de technische specificaties van de attractie of van de vestiging;
c) de graad van veiligheid van de attractie of van de vestiging;
d) de aantrekkingskracht van de attractie of van de vestiging;
e) de deskundigheid van de uitbater, van de " aangestelden-verantwoordelijken " en van het tewerkgesteld personeel;
f) desgevallend, de nuttige ervaring;
g) de ernst en het zedelijk gedrag van de kandidaat.
§ 4. Het openen van de kandidaturen, hun vergelijkend onderzoek, de controle van de voorwaarden voorzien in § 2, de gemotiveerde beslissing tot toewijzing van de standplaats worden opgenomen in een proces-verbaal.
Deze kan geraadpleegd worden overeenkomstig de bepalingen van [1 het gezamenlijk decreet en ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Franse Gemeenschapscommissie van 16 mei 2019 betreffende de openbaarheid van bestuur bij de Brusselse instellingen]1.
§ 5. De burgemeester, zijn afgevaardigde of de concessionaris deelt zowel aan de kandidaat die de standplaats toegewezen kreeg als aan elke niet weerhouden kandidaat de beslissing die hem aanbelangt mede hetzij bij ter post aangetekend schrijven met ontvangstmelding, hetzij bij persoonlijk overhandigde brief tegen ontvangstmelding, hetzij per duurzame drager met ontvangstmelding.
§ 1. De standplaatsen worden toegewezen volgens de modaliteiten en de criteria bepaald in §§ 2 en 3.
§ 2. Voor de vergelijking van de kandidaturen onderzoekt de burgemeester, zijn afgevaardigde of de concessionaris de volgende elementen :
1° [1 ...]1 de identiteit van de kandidaat;
2° [1 de naleving van de voorwaarden bepaald in artikel 4 van dit besluit.]1.
§ 3. De standplaatsen worden toegewezen op basis van de volgende criteria :
a) de aard van de attractie of van de vestiging;
b) de technische specificaties van de attractie of van de vestiging;
c) de graad van veiligheid van de attractie of van de vestiging;
d) de aantrekkingskracht van de attractie of van de vestiging;
e) de deskundigheid van de uitbater, van de " aangestelden-verantwoordelijken " en van het tewerkgesteld personeel;
f) desgevallend, de nuttige ervaring;
g) de ernst en het zedelijk gedrag van de kandidaat.
§ 4. Het openen van de kandidaturen, hun vergelijkend onderzoek, de controle van de voorwaarden voorzien in § 2, de gemotiveerde beslissing tot toewijzing van de standplaats worden opgenomen in een proces-verbaal.
Deze kan geraadpleegd worden overeenkomstig de bepalingen van [1 het gezamenlijk decreet en ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Franse Gemeenschapscommissie van 16 mei 2019 betreffende de openbaarheid van bestuur bij de Brusselse instellingen]1.
§ 5. De burgemeester, zijn afgevaardigde of de concessionaris deelt zowel aan de kandidaat die de standplaats toegewezen kreeg als aan elke niet weerhouden kandidaat de beslissing die hem aanbelangt mede hetzij bij ter post aangetekend schrijven met ontvangstmelding, hetzij bij persoonlijk overhandigde brief tegen ontvangstmelding, hetzij per duurzame drager met ontvangstmelding.
Art.15_REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
§ 1er. Les emplacements sont attribués selon les modalités et les critères déterminés aux §§ 2 et 3.
§ 2. Avant la comparaison des candidatures, le bourgmestre, son délégué ou le concessionnaire procède à la vérification des éléments suivants :
1° [1 ...]1 l'identité du candidat;
2° [1 le respect des conditions prévues à l'article 4 du présent arrêté. ]1
§ 3. Les emplacements sont attribués sur la base des critères suivants :
a) le genre d'attraction ou d'établissement;
b) les spécifications techniques de l'attraction ou de l'établissement;
c) le degré de sécurité de l'attraction ou de l'établissement;
d) l'attrait de l'attraction ou de l'établissement;
e) la compétence de l'exploitant, des " préposés-responsables " et du personnel employé;
f) s'il y a lieu, l'expérience utile;
g) le sérieux et la moralité du candidat.
§ 4. L'ouverture des candidatures et leur examen comparatif, la vérification des conditions prévues au § 2 et la décision motivée d'attribution de l'emplacement sont actees dans un procès-verbal.
Celui-ci peut être consulté conformément aux dispositions [1 des décret et ordonnance conjoints de la Région de Bruxelles-Capitale, la Commission communautaire commune et la Commission communautaire française du 16 mai 2019 relatifs à la publicité de l'administration dans les institutions bruxelloises]1.
§ 5. Le bourgmestre, son délégué ou le concessionnaire notifie à l'attributaire et à chaque candidat non-retenu la décision le concernant, soit par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception, soit par lettre remise de la main à la main contre accusé de réception, soit sur support durable avec accusé de réception.
§ 1er. Les emplacements sont attribués selon les modalités et les critères déterminés aux §§ 2 et 3.
§ 2. Avant la comparaison des candidatures, le bourgmestre, son délégué ou le concessionnaire procède à la vérification des éléments suivants :
1° [1 ...]1 l'identité du candidat;
2° [1 le respect des conditions prévues à l'article 4 du présent arrêté. ]1
§ 3. Les emplacements sont attribués sur la base des critères suivants :
a) le genre d'attraction ou d'établissement;
b) les spécifications techniques de l'attraction ou de l'établissement;
c) le degré de sécurité de l'attraction ou de l'établissement;
d) l'attrait de l'attraction ou de l'établissement;
e) la compétence de l'exploitant, des " préposés-responsables " et du personnel employé;
f) s'il y a lieu, l'expérience utile;
g) le sérieux et la moralité du candidat.
§ 4. L'ouverture des candidatures et leur examen comparatif, la vérification des conditions prévues au § 2 et la décision motivée d'attribution de l'emplacement sont actees dans un procès-verbal.
Celui-ci peut être consulté conformément aux dispositions [1 des décret et ordonnance conjoints de la Région de Bruxelles-Capitale, la Commission communautaire commune et la Commission communautaire française du 16 mai 2019 relatifs à la publicité de l'administration dans les institutions bruxelloises]1.
§ 5. Le bourgmestre, son délégué ou le concessionnaire notifie à l'attributaire et à chaque candidat non-retenu la décision le concernant, soit par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception, soit par lettre remise de la main à la main contre accusé de réception, soit sur support durable avec accusé de réception.
Art. 16. De burgemeester, zijn afgevaardigde of de concessionaris houdt een plan of register bij die minstens voor elke toegewezen standplaats vermeldt :
a) de situering van de standplaats;
b) de toewijzingsmodaliteiten van de standplaats;
c) de duur van het gebruiksrecht of het abonnement;
d) de naam, voornaam, adres van de persoon aan wie of door tussenkomst van wie de standplaats toegewezen werd;
e) desgevallend, het maatschappelijk doel van de rechtspersoon aan wie de standplaats toegewezen werd en het adres van haar maatschappelijke zetel;
f) het ondernemingsnummer;
g) de aard van de attractie of van de vestiging die de standplaats inneemt of die op de standplaats toegelaten is;
h) de prijs van de standplaats behalve wanneer deze uniform werd vastgesteld;
i) desgevallend, de identificatie van de overlater en de datum van de overdracht.
Buiten de bepalingen vermeld onder a, b, f en g kan het plan of het register verwijzen naar een gegevensbestand dat de overige informatie overneemt.
Het plan of het register en desgevallend het gegevensbestand kunnen geraadpleegd worden overeenkomstig de wettelijke bepalingen betreffende de openbaarheid van bestuur in de provincies en gemeenten.
a) de situering van de standplaats;
b) de toewijzingsmodaliteiten van de standplaats;
c) de duur van het gebruiksrecht of het abonnement;
d) de naam, voornaam, adres van de persoon aan wie of door tussenkomst van wie de standplaats toegewezen werd;
e) desgevallend, het maatschappelijk doel van de rechtspersoon aan wie de standplaats toegewezen werd en het adres van haar maatschappelijke zetel;
f) het ondernemingsnummer;
g) de aard van de attractie of van de vestiging die de standplaats inneemt of die op de standplaats toegelaten is;
h) de prijs van de standplaats behalve wanneer deze uniform werd vastgesteld;
i) desgevallend, de identificatie van de overlater en de datum van de overdracht.
Buiten de bepalingen vermeld onder a, b, f en g kan het plan of het register verwijzen naar een gegevensbestand dat de overige informatie overneemt.
Het plan of het register en desgevallend het gegevensbestand kunnen geraadpleegd worden overeenkomstig de wettelijke bepalingen betreffende de openbaarheid van bestuur in de provincies en gemeenten.
Art. 16. Le bourgmestre, son délégué ou le concessionnaire tient un plan ou un registre qui mentionne au moins pour chaque emplacement accordé :
a) la situation de l'emplacement;
b) ses modalités d'attribution;
c) la durée du droit d'usage ou de l'abonnement;
d) le nom, le prénom, l'adresse de la personne à laquelle ou par l'intermédiaire de laquelle l'emplacement a été attribué;
e) s'il y a lieu, la raison sociale de la personne morale à laquelle l'emplacement a été attribué et l'adresse de son siège social;
f) le numéro d'entreprise;
g) le genre d'attraction ou d'établissement occupé ou admis sur l'emplacement;
h) le prix de l'emplacement, sauf s'il est fixé de manière uniforme;
i) s'il y a lieu, l'identification du cédant et la date de la cession.
Hormis les indications mentionnees sous a, b, f, et g, le plan ou le registre peut renvoyer à un fichier reprenant les autres informations.
Le plan ou le registre et, le cas échéant, le fichier annexe, peuvent être consultés, conformément aux dispositions légales relatives à la publicité de l'administration dans les provinces et les communes.
a) la situation de l'emplacement;
b) ses modalités d'attribution;
c) la durée du droit d'usage ou de l'abonnement;
d) le nom, le prénom, l'adresse de la personne à laquelle ou par l'intermédiaire de laquelle l'emplacement a été attribué;
e) s'il y a lieu, la raison sociale de la personne morale à laquelle l'emplacement a été attribué et l'adresse de son siège social;
f) le numéro d'entreprise;
g) le genre d'attraction ou d'établissement occupé ou admis sur l'emplacement;
h) le prix de l'emplacement, sauf s'il est fixé de manière uniforme;
i) s'il y a lieu, l'identification du cédant et la date de la cession.
Hormis les indications mentionnees sous a, b, f, et g, le plan ou le registre peut renvoyer à un fichier reprenant les autres informations.
Le plan ou le registre et, le cas échéant, le fichier annexe, peuvent être consultés, conformément aux dispositions légales relatives à la publicité de l'administration dans les provinces et les communes.
Art. 17. § 1. Indien, in de vijftien dagen voorafgaand aan de opening van de kermis, de standplaatsen vacant blijven, hetzij omdat zij niet konden worden toegewezen na afloop van de procedure bedoeld in de artikelen 13 tot 15, hetzij omdat ze dit in die tussentijd zijn geworden, hetzij tengevolge van hun niet-bezetting resulterend uit de afwezigheid van hun houder, kan er voorzien worden, in afwijking van de artikelen 13, 14, 15, §§ 1 en 4, overeenkomstig de spoedprocedure bepaald als volgt :
1° de burgemeester of zijn afgevaardigde of de concessionaris raadpleegt de door hem gekozen kandidaten. Hij richt zich, in de mate van het mogelijke, tot verscheidene kandidaten per voorziene standplaats;
2° de kandidaturen worden ingediend hetzij per duurzame drager tegen ontvangstbewijs, hetzij schriftelijk tegen ontvangstbewijs;
3° de burgemeester of zijn afgevaardigde of de concessionaris gaat over tot de toewijzing van de standplaatsen overeenkomstig artikel 15, §§ 2 en 3;
4° hij stelt een proces-verbaal op dat per vacature of onbezette standplaats de kandidaten vermeld die hun kandidatuur hebben ingediend;
5° indien meerdere kandidaten naar eenzelfde standplaats dingen, geeft hij in het proces-verbaal de motivatie van zijn keuze aan;
6° hij deelt aan iedere kandidaat, overeenkomstig artikel 15, § 5, de beslissing mede die hem aanbelangt.
§ 2. Het plaatsen van uitbaters van kermisattracties of vestigingen waaraan een standplaats werd toegewezen op basis van de spoedprocedure, bedoeld in § 1, kan leiden tot aanpassingen aan het plan van de kermis, voor zover deze beperkt blijven en nauwkeurig worden gemotiveerd door de technische noodzakelijkheden van de toevoeging van de nieuwkomers op het kermisterrein.
De aanpassingen bedoeld in het eerste lid moeten onderworpen worden aan de goedkeuring van de eerstvolgende gemeenteraad of college van burgemeester en schepenen, al naargelang het geval.
1° de burgemeester of zijn afgevaardigde of de concessionaris raadpleegt de door hem gekozen kandidaten. Hij richt zich, in de mate van het mogelijke, tot verscheidene kandidaten per voorziene standplaats;
2° de kandidaturen worden ingediend hetzij per duurzame drager tegen ontvangstbewijs, hetzij schriftelijk tegen ontvangstbewijs;
3° de burgemeester of zijn afgevaardigde of de concessionaris gaat over tot de toewijzing van de standplaatsen overeenkomstig artikel 15, §§ 2 en 3;
4° hij stelt een proces-verbaal op dat per vacature of onbezette standplaats de kandidaten vermeld die hun kandidatuur hebben ingediend;
5° indien meerdere kandidaten naar eenzelfde standplaats dingen, geeft hij in het proces-verbaal de motivatie van zijn keuze aan;
6° hij deelt aan iedere kandidaat, overeenkomstig artikel 15, § 5, de beslissing mede die hem aanbelangt.
§ 2. Het plaatsen van uitbaters van kermisattracties of vestigingen waaraan een standplaats werd toegewezen op basis van de spoedprocedure, bedoeld in § 1, kan leiden tot aanpassingen aan het plan van de kermis, voor zover deze beperkt blijven en nauwkeurig worden gemotiveerd door de technische noodzakelijkheden van de toevoeging van de nieuwkomers op het kermisterrein.
De aanpassingen bedoeld in het eerste lid moeten onderworpen worden aan de goedkeuring van de eerstvolgende gemeenteraad of college van burgemeester en schepenen, al naargelang het geval.
Art. 17. § 1er. Lorsque, dans les quinze jours précédant l'ouverture de la fête foraine, des emplacements demeurent vacants, soit parce qu'ils n'ont pu être attribués a l'issue de la procédure visée aux articles 13 à 15, soit parce qu'ils le sont devenus entre-temps, soit en raison de leur inoccupation résultant de l'absence de leur titulaire, il peut y être pourvu, par dérogation aux articles 13, 14, 15, §§ 1er et 4, selon la procédure d'urgence fixée comme suit :
1° le bourgmestre ou son délégué ou le concessionnaire consulte les candidats de son choix. Il s'adresse, dans la mesure du possible, à plusieurs candidats par emplacement à pourvoir;
2° les candidatures sont introduites soit sur support durable avec accusé de réception, soit par écrit contre accusé de réception;
3° le bourgmestre ou son délégué ou le concessionnaire procède à l'attribution des emplacements conformément à l'article 15, §§ 2 et 3;
4° il établit un procès-verbal mentionnant, par vacance ou emplacement inoccupé, les candidats qui ont fait acte de candidature;
5° lorsque plusieurs candidats postulent un même emplacement, il indique au procès-verbal la motivation de son choix;
6° il notifie à chaque candidat la décision qui le concerne, conformément à l'article 15, § 5.
§ 2. Le placement des exploitants d'attractions ou d'établissements forains auxquels un emplacement a été attribué sur la base de la procédure d'urgence, visée au § 1er, peut donner lieu à des aménagements du plan de la fête foraine, pour autant que ceux-ci demeurent limités et strictement motivés par les nécessités techniques d'incorporation des nouveaux arrivants dans le champ de foire.
Les amenagements visés à l'alinéa 1er doivent être soumis à l'approbation du plus prochain conseil communal ou collège des bourgmestre et échevins, selon le cas.
1° le bourgmestre ou son délégué ou le concessionnaire consulte les candidats de son choix. Il s'adresse, dans la mesure du possible, à plusieurs candidats par emplacement à pourvoir;
2° les candidatures sont introduites soit sur support durable avec accusé de réception, soit par écrit contre accusé de réception;
3° le bourgmestre ou son délégué ou le concessionnaire procède à l'attribution des emplacements conformément à l'article 15, §§ 2 et 3;
4° il établit un procès-verbal mentionnant, par vacance ou emplacement inoccupé, les candidats qui ont fait acte de candidature;
5° lorsque plusieurs candidats postulent un même emplacement, il indique au procès-verbal la motivation de son choix;
6° il notifie à chaque candidat la décision qui le concerne, conformément à l'article 15, § 5.
§ 2. Le placement des exploitants d'attractions ou d'établissements forains auxquels un emplacement a été attribué sur la base de la procédure d'urgence, visée au § 1er, peut donner lieu à des aménagements du plan de la fête foraine, pour autant que ceux-ci demeurent limités et strictement motivés par les nécessités techniques d'incorporation des nouveaux arrivants dans le champ de foire.
Les amenagements visés à l'alinéa 1er doivent être soumis à l'approbation du plus prochain conseil communal ou collège des bourgmestre et échevins, selon le cas.
Onderafdeling V. - Betreffende de overdracht van standplaatsen met abonnementen.
Sous-section V. - De la cession des emplacements avec abonnement.
Art. 18. § 1. De natuurlijk persoon of rechtspersoon die één of meerdere attracties of één of meerdere vestigingen van kermisgastronomie met of zonder bediening aan tafel uitbaat, is gemachtigd om zijn standplaatsen over te laten wanneer hij de uitbating van zijn attractie(s) of zijn vestiging(en) stopzet op voorwaarde dat de overnemer(s) de attractie(s) of vestiging(en) uitgebaat op de overgedragen standplaatsen overneemt/overnemen en voldoet/voldoen aan de voorwaarden van artikel 10.
De rechthebbenden van de natuurlijk persoon bedoeld in de vorige paragraaf zijn gemachtigd om bij zijn overlijden de standplaats(en) waarvan hij houder was over te laten op voorwaarde dat de overnemer(s) de attractie(s) of vestiging(en) uitgebaat op de overgedragen standplaatsen overneemt/overnemen en voldoet/voldoen aan de voorwaarden van artikel 10.
§ 2. De overdracht is slechts geldig wanneer de burgemeester, zijn afgevaardigde of de concessionaris vastgesteld heeft dat de overnemer voldoet aan de voorwaarden tot overdracht.
De rechthebbenden van de natuurlijk persoon bedoeld in de vorige paragraaf zijn gemachtigd om bij zijn overlijden de standplaats(en) waarvan hij houder was over te laten op voorwaarde dat de overnemer(s) de attractie(s) of vestiging(en) uitgebaat op de overgedragen standplaatsen overneemt/overnemen en voldoet/voldoen aan de voorwaarden van artikel 10.
§ 2. De overdracht is slechts geldig wanneer de burgemeester, zijn afgevaardigde of de concessionaris vastgesteld heeft dat de overnemer voldoet aan de voorwaarden tot overdracht.
Art. 18. § 1er. La personne physique ou la personne morale exploitant une ou plusieurs attractions ou un ou plusieurs établissements de gastronomie foraine avec ou sans service à table est autorisée à céder ses emplacements lorsqu'elle cesse l'exploitation de son ou de ses attractions ou de son ou de ses établissements, a condition que le ou les cessionnaires reprennent la ou les attractions ou le ou les établissement exploites sur les emplacements cédés et qu'ils satisfassent aux conditions de l'article 10.
Les ayants-droits de la personne physique visée à l'alinéa précédent sont autorises au décès de cette personne à ceder le ou les emplacements dont elle etait titulaire, à condition que le ou les cessionnaires reprennent la ou les attractions ou le ou les établissements exploités sur les emplacements cédés et qu'ils satisfassent aux conditions de l'article 10.
§ 2. La cession n'est valable que lorsque le bourgmestre, son délégué ou le concessionnaire a constaté que le cessionnaire satisfait aux conditions de la cession.
Les ayants-droits de la personne physique visée à l'alinéa précédent sont autorises au décès de cette personne à ceder le ou les emplacements dont elle etait titulaire, à condition que le ou les cessionnaires reprennent la ou les attractions ou le ou les établissements exploités sur les emplacements cédés et qu'ils satisfassent aux conditions de l'article 10.
§ 2. La cession n'est valable que lorsque le bourgmestre, son délégué ou le concessionnaire a constaté que le cessionnaire satisfait aux conditions de la cession.
Art.18_WAALS_GEWEST. [1 De overdracht van een via abonnement toegewezen standplaats is toegelaten wanneer de overnemer:
1° ingeschreven is bij de Kruispuntbank van Ondernemingen voor de uitbating van een kermisattractie of een vestiging van kermisgastronomie;
2° en de specialisatie met dezelfde technische specificaties van de overlater voortzet op de overgedragen standplaats, behalve als de burgemeester, zijn afgevaardigde of de concessiehouder een wijziging van specialisatie of technische specificatie toestaat
De standplaats mag ten vroegste één jaar na de overdracht opnieuw worden overgedragen, behalve na de expliciete goedkeuring van de burgemeester, van zijn afgevaardigde of van de concessiehouder.
De overnemer mag de overgedragen standplaats alleen gebruiken wanneer de burgemeester, zijn afgevaardigde of de concessiehouder heeft vastgesteld dat aan de voorwaarden bedoeld in de eerste twee leden en in artikel 10 is voldaan.]1
1° ingeschreven is bij de Kruispuntbank van Ondernemingen voor de uitbating van een kermisattractie of een vestiging van kermisgastronomie;
2° en de specialisatie met dezelfde technische specificaties van de overlater voortzet op de overgedragen standplaats, behalve als de burgemeester, zijn afgevaardigde of de concessiehouder een wijziging van specialisatie of technische specificatie toestaat
De standplaats mag ten vroegste één jaar na de overdracht opnieuw worden overgedragen, behalve na de expliciete goedkeuring van de burgemeester, van zijn afgevaardigde of van de concessiehouder.
De overnemer mag de overgedragen standplaats alleen gebruiken wanneer de burgemeester, zijn afgevaardigde of de concessiehouder heeft vastgesteld dat aan de voorwaarden bedoeld in de eerste twee leden en in artikel 10 is voldaan.]1
Art.18_REGION_WALLONNE. [1 La cession d'un emplacement attribué par abonnement est autorisée lorsque le cessionnaire :
1° est inscrit dans la Banque-Carrefour des Entreprises pour l'exploitation d'une attraction foraine ou d'un établissement de gastronomie foraine ;
2° et poursuit la spécialisation du cédant avec les mêmes spécifications techniques sur l'emplacement cédé, sauf si le bourgmestre, son délégué ou le concessionnaire autorise un changement de spécialisation ou de spécification technique.
L'emplacement peut être cédé une nouvelle fois uniquement au plus tôt un an à partir de la cession, sauf moyennant accord explicite du bourgmestre, de son délégué ou du concessionnaire.
Le cessionnaire peut occuper l'emplacement cédé uniquement lorsque le bourgmestre, son délégué ou le concessionnaire a constaté que les conditions visées aux deux premiers alinéas et à l'article 10 sont remplies.]1
1° est inscrit dans la Banque-Carrefour des Entreprises pour l'exploitation d'une attraction foraine ou d'un établissement de gastronomie foraine ;
2° et poursuit la spécialisation du cédant avec les mêmes spécifications techniques sur l'emplacement cédé, sauf si le bourgmestre, son délégué ou le concessionnaire autorise un changement de spécialisation ou de spécification technique.
L'emplacement peut être cédé une nouvelle fois uniquement au plus tôt un an à partir de la cession, sauf moyennant accord explicite du bourgmestre, de son délégué ou du concessionnaire.
Le cessionnaire peut occuper l'emplacement cédé uniquement lorsque le bourgmestre, son délégué ou le concessionnaire a constaté que les conditions visées aux deux premiers alinéas et à l'article 10 sont remplies.]1
Afdeling II. - Betreffende de organisatie van kermisactiviteiten op het openbaar domein buiten openbare kermissen.
Section II. - De l'organisation des activités foraines sur le domaine public en dehors des fêtes foraines publiques.
Art. 19. De burgemeester, zijn afgevaardigde of de concessionaris kan, op aanvraag van een kermisuitbater, de uitbating van een attractie of vestiging van kermisgastronomie met bediening aan tafel toelaten op een standplaats gelegen op het openbaar domein.
De vraag dient overeenkomstig de door het gemeentelijk reglement voorgeschreven modaliteiten geadresseerd te worden en de hierin voorziene documenten te bevatten.
De vraag dient overeenkomstig de door het gemeentelijk reglement voorgeschreven modaliteiten geadresseerd te worden en de hierin voorziene documenten te bevatten.
Art. 19. Le bourgmestre, son délégué ou le concessionnaire peut, sur demande d'un exploitant forain, autoriser l'exploitation d'une attraction ou d'un établissement de gastronomie foraine avec service à table sur un emplacement déterminé du domaine public.
La demande doit être adressée selon les modalités prescrites par le règlement communal et comporter les documents prévus par celui-ci.
La demande doit être adressée selon les modalités prescrites par le règlement communal et comporter les documents prévus par celui-ci.
Art. 20. Indien de burgemeester, zijn afgevaardigde of de concessionaris een standplaats op het openbaar domein wenst toe te kennen, moet hij zich voegen naar de bepalingen van de artikelen 13 tot 15.
Art. 20. Lorsque le bourgmestre, son délégué ou le concessionnaire souhaite attribuer un emplacement sur le domaine public, il doit se conformer aux dispositions des articles 13 à 15.
Art. 21. Enkel de personen die een kermisactiviteit, bedoeld in artikel 10, uitoefenen kunnen een standplaats verkrijgen in toepassing van de artikelen 19 en 20 en deze bedoeld in artikel 11, § 1, kunnen ze innemen.
Art. 21. Seules les personnes exerçant une activité foraine, visées à l'article 10, peuvent obtenir un emplacement en application des articles 19 et 20 et celles visées à l'article 11, § 1er, l'occuper.
Art.21_WAALS_GEWEST.
Enkel de personen die een kermisactiviteit, bedoeld in artikel 10, uitoefenen kunnen een standplaats verkrijgen in toepassing van de artikelen 19 en 20 en deze bedoeld in artikel 11, [1 ...]1 kunnen ze innemen.
Enkel de personen die een kermisactiviteit, bedoeld in artikel 10, uitoefenen kunnen een standplaats verkrijgen in toepassing van de artikelen 19 en 20 en deze bedoeld in artikel 11, [1 ...]1 kunnen ze innemen.
Art.21_REGION_WALLONNE.
Seules les personnes exerçant une activité foraine, visées à l'article 10, peuvent obtenir un emplacement en application des articles 19 et 20 et celles visées à l'article 11, [1 ...]1 l'occuper.
Seules les personnes exerçant une activité foraine, visées à l'article 10, peuvent obtenir un emplacement en application des articles 19 et 20 et celles visées à l'article 11, [1 ...]1 l'occuper.
Art.21_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
Enkel de personen die een kermisactiviteit, bedoeld in artikel 10, uitoefenen kunnen een standplaats verkrijgen in toepassing van de artikelen 19 en 20 en deze bedoeld in artikel 11 [1 ...]1 kunnen ze innemen.
Enkel de personen die een kermisactiviteit, bedoeld in artikel 10, uitoefenen kunnen een standplaats verkrijgen in toepassing van de artikelen 19 en 20 en deze bedoeld in artikel 11 [1 ...]1 kunnen ze innemen.
Art.21_REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
Seules les personnes exerçant une activité foraine, visées à l'article 10, peuvent obtenir un emplacement en application des articles 19 et 20 et celles visées à l'article 11 [1 ...]1 l'occuper.
Seules les personnes exerçant une activité foraine, visées à l'article 10, peuvent obtenir un emplacement en application des articles 19 et 20 et celles visées à l'article 11 [1 ...]1 l'occuper.
Art. 22. De machtiging wordt door de burgemeester, zijn afgevaardigde of concessionaris, voor een bepaalde periode of per abonnement, toegekend.
Art. 22. L'autorisation est accordée, à la discretion du bourgmestre, de son délégué ou du concessionnaire, pour une période déterminée ou par abonnement.
Art. 23. Een abonnement kan toegekend worden van zodra de kermisuitbater gedurende drie opeenvolgende jaren een zelfde standplaats heeft verkregen. Het gemeentelijk reglement kan deze termijn verminderen.
Voor de berekening van de termijn voorzien in het voorgaande lid worden de opeenvolgende jaren van verkrijging van een standplaats door de overlater ten gunste van de overnemer verrekend.
Echter, wanneer de standplaats is verkregen naar aanleiding van de opschorting van het abonnement, is de regel bedoeld in het eerste lid niet van toepassing, behalve indien de verkrijging het resultaat is van de opschorting van het abonnement door de overlater.
De bepalingen van de artikelen 12 en 18 zijn van toepassing op de abonnementen toegekend krachtens deze afdeling.
Voor de berekening van de termijn voorzien in het voorgaande lid worden de opeenvolgende jaren van verkrijging van een standplaats door de overlater ten gunste van de overnemer verrekend.
Echter, wanneer de standplaats is verkregen naar aanleiding van de opschorting van het abonnement, is de regel bedoeld in het eerste lid niet van toepassing, behalve indien de verkrijging het resultaat is van de opschorting van het abonnement door de overlater.
De bepalingen van de artikelen 12 en 18 zijn van toepassing op de abonnementen toegekend krachtens deze afdeling.
Art. 23. Un abonnement peut être attribué dès que l'exploitant forain a obtenu un même emplacement pendant trois années consécutives. Le règlement communal peut réduire ce délai.
Pour le calcul du délai prévu à l'alinéa précédent, les années consécutives d'obtention de l'emplacement par le cédant sont comptabilisées au profit du cessionnaire.
Toutefois, lorsque l'emplacement est obtenu à la suite de la suspension de l'abonnement, la règle visée à l'alinéa 1er n'est pas applicable, sauf si l'obtention résulte de la suspension de l'abonnement par le cédant.
Les dispositions des articles 12 et 18 sont applicables aux abonnements accordés en vertu de la présente section.
Pour le calcul du délai prévu à l'alinéa précédent, les années consécutives d'obtention de l'emplacement par le cédant sont comptabilisées au profit du cessionnaire.
Toutefois, lorsque l'emplacement est obtenu à la suite de la suspension de l'abonnement, la règle visée à l'alinéa 1er n'est pas applicable, sauf si l'obtention résulte de la suspension de l'abonnement par le cédant.
Les dispositions des articles 12 et 18 sont applicables aux abonnements accordés en vertu de la présente section.
Afdeling III. - Betreffende de personen belast met de praktische organisatie van de openbare kermissen en de kermisactiviteiten op het openbaar domein.
Section III. - Des personnes chargées de l'organisation pratique des fêtes foraines publiques et des activités foraines sur le domaine public.
Art. 24. De personen belast met de praktische organisatie van de openbare kermissen en de kermisactiviteiten op het openbaar domein, hiertoe aangesteld door de burgemeester, zijn afgevaardigde of de concessionaris, zijn gemachtigd om, op het grondgebied van de gemeente waaronder zij ressorteren en in de uitoefening van hun opdracht, de documenten die de personen die een kermisactiviteit of een ambulante activiteit uitoefenen op een kermis in het bezit moeten hebben, zoals voorzien in artikel 4, te controleren.
Art. 24. Les personnes chargées de l'organisation pratique des fetes foraines publiques et des activités foraines sur le domaine public, dûment commissionnées par le bourgmestre, son délégué ou le concessionnaire, sont habilitées, sur le territoire de la commune dont ils relèvent et dans l'exercice de leur mission, à vérifier les documents visés à l'article 4, que doivent détenir les personnes qui exercent une activité foraine ou une activité ambulante sur une fête.
HOOFDSTUK III. - Betreffende het onderzoek en de vaststelling van overtredingen.
CHAPITRE III. - De la recherche et de la constatation des infractions.
Art. 25. De ambtenaren en beambten aangesteld door de Algemene Directie Controle en Bemiddeling van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie worden belast met het onderzoeken en vaststellen van de overtredingen van de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening en de organisatie van ambulante en kermisactiviteiten en haar uitvoeringsbesluiten.
Art. 25. Les fonctionnaires et agents commissionnés de la Direction générale du Contrôle et de la Médiation du Service Public Fédéral Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie sont chargés de rechercher et de constater les infractions à la loi du 25 juin 1993 sur l'exercice et l'organisation des activités ambulantes et foraines et à ses arrêtés d'exécution.
Art. 25. (BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST)
[1 De ambtenaren van de Directie Economische Inspectie en de Directie Gewestelijke Werkgelegenheidsinspectie van Brussel Economie en Werkgelegenheid van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest die aangesteld worden voor de uitvoering van inspectieopdrachten]1 worden belast met het onderzoeken en vaststellen van de overtredingen van de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening en de organisatie van ambulante en kermisactiviteiten en haar uitvoeringsbesluiten.
[1 De ambtenaren van de Directie Economische Inspectie en de Directie Gewestelijke Werkgelegenheidsinspectie van Brussel Economie en Werkgelegenheid van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest die aangesteld worden voor de uitvoering van inspectieopdrachten]1 worden belast met het onderzoeken en vaststellen van de overtredingen van de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening en de organisatie van ambulante en kermisactiviteiten en haar uitvoeringsbesluiten.
Art. 25. (REGION DE BRUXELLES-CAPITALE)
[1 Les fonctionnaires de la Direction de l'Inspection Economique et de la Direction de l'Inspection régionale de l'Emploi de Bruxelles Economie et Emploi du Ministère de la Région de Bruxelles-Capitale affectés à l'exercice de fonctions d'inspection]1 sont chargés de rechercher et de constater les infractions à la loi du 25 juin 1993 sur l'exercice et l'organisation des activités ambulantes et foraines et à ses arrêtés d'exécution.
[1 Les fonctionnaires de la Direction de l'Inspection Economique et de la Direction de l'Inspection régionale de l'Emploi de Bruxelles Economie et Emploi du Ministère de la Région de Bruxelles-Capitale affectés à l'exercice de fonctions d'inspection]1 sont chargés de rechercher et de constater les infractions à la loi du 25 juin 1993 sur l'exercice et l'organisation des activités ambulantes et foraines et à ses arrêtés d'exécution.
Art.25_VLAAMS_GEWEST.
[1 De ambtenaren van de dienst Inspectie van het Agentschap Innoveren en Ondernemen]1 worden belast met het onderzoeken en vaststellen van de overtredingen van de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening en de organisatie van ambulante en kermisactiviteiten en haar uitvoeringsbesluiten.
[1 De ambtenaren van de dienst Inspectie van het Agentschap Innoveren en Ondernemen]1 worden belast met het onderzoeken en vaststellen van de overtredingen van de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening en de organisatie van ambulante en kermisactiviteiten en haar uitvoeringsbesluiten.
Art.25_REGION_FLAMANDE.
[1 Les fonctionnaires du Service de l'Inspection de l'"Agentschap Innoveren en Ondernemen"]1 sont chargés de rechercher et de constater les infractions à la loi du 25 juin 1993 sur l'exercice et l'organisation des activités ambulantes et foraines et à ses arrêtés d'exécution.
[1 Les fonctionnaires du Service de l'Inspection de l'"Agentschap Innoveren en Ondernemen"]1 sont chargés de rechercher et de constater les infractions à la loi du 25 juin 1993 sur l'exercice et l'organisation des activités ambulantes et foraines et à ses arrêtés d'exécution.
HOOFDSTUK IV. - Betreffende de minnelijke schikking.
CHAPITRE IV. - Du règlement transactionnel.
Art. 26. De processen-verbaal houdende vaststelling van de overtredingen voorzien in artikel 13, § 1, 1° tot en met 5° van de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening en de organisatie van ambulante en kermisactiviteiten, opgemaakt door de ambtenaren bedoeld in artikel 11, § 1, van dezelfde wet, worden doorgestuurd naar de door de Minister bevoegd voor de middenstand aangestelde ambtenaren.
Art. 26. Les procès-verbaux constatant des infractions visées à l'article 13, § 1er, 1° à 5°, de la loi du 25 juin 1993 sur l'exercice et l'organisation des activités ambulantes et foraines, dressés par les agents visés par l'article 11, § 1er, de la même loi sont transmis aux agents commissionnés par le Ministre qui a les classes moyennes dans ses attributions.
Art. 27. De bedragen die aan de overtreder bij wijze van minnelijke schikking ter betaling worden voorgesteld in de zin van artikel 13, § 3, van de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening en de organisatie van ambulante en kermisactiviteiten, mogen niet lager zijn dan 65 euro en niet hoger dan 5 000 euro.
In geval van samenloop van verscheidene overtredingen worden de bedragen opgeteld, waarbij hun bedrag de 12 500 euro niet mag te boven gaan.
In geval van samenloop van verscheidene overtredingen worden de bedragen opgeteld, waarbij hun bedrag de 12 500 euro niet mag te boven gaan.
Art. 27. Les sommes qu'il est proposé au contrevenant de payer à titre de transaction au sens de l'article 13, § 3, de la loi du 25 juin 1993 sur l'exercice et l'organisation des activités ambulantes et foraines ne peuvent être inférieures à 65 euros ni supérieures à 5.000 euros.
En cas de concours de plusieurs de ces infractions, les sommes sont cumulées, sans que leur montant puisse excéder 12.500 euros.
En cas de concours de plusieurs de ces infractions, les sommes sont cumulées, sans que leur montant puisse excéder 12.500 euros.
Art. 28. Geen voorstel van betaling kan worden gedaan dan nadat een afschrift van het proces-verbaal, waarbij de overtreding wordt vastgesteld bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs, aan de overtreder ter kennis is gebracht.
Art. 28. Une proposition de paiement ne peut intervenir qu'après notification au contrevenant, par lettre recommandée à la poste avec accuse de réception, d'une copie du procès-verbal constatant l'infraction.
Art. 29. Elk voorstel tot betaling wordt samen met een stortings- of overschrijvingsformulier aan de overtreder toegestuurd bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs, binnen een termijn van zes maanden vanaf de datum van het proces-verbaal.
Dit voorstel vermeldt de termijn waarbinnen de betaling dient te gebeuren. Deze termijn bedraagt minimum vijftien dagen en maximum drie maanden.
De betaling dient te gebeuren bij de administratie van de belasting op de toegevoegde waarde, registratie en domeinen die daartoe de door de Minister bevoegd voor middenstand aangestelde ambtenaren hierover informeert.
Dit voorstel vermeldt de termijn waarbinnen de betaling dient te gebeuren. Deze termijn bedraagt minimum vijftien dagen en maximum drie maanden.
De betaling dient te gebeuren bij de administratie van de belasting op de toegevoegde waarde, registratie en domeinen die daartoe de door de Minister bevoegd voor middenstand aangestelde ambtenaren hierover informeert.
Art. 29. Toute proposition de paiement accompagnée d'un bulletin de versement ou de virement est envoyée au contrevenant par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception, dans un délai de six mois à partir de la date du procès-verbal.
La proposition mentionne le délai dans lequel le paiement doit être effectué. Ce délai est de quinze jours au moins et de trois mois au plus.
Le paiement doit être effectué à l'administration de la taxe sur la valeur ajoutée, de l'enregistrement et des domaines, qui en informe les agents commissionnés à cette fin par le Ministre qui a les classes moyennes dans ses attributions.
La proposition mentionne le délai dans lequel le paiement doit être effectué. Ce délai est de quinze jours au moins et de trois mois au plus.
Le paiement doit être effectué à l'administration de la taxe sur la valeur ajoutée, de l'enregistrement et des domaines, qui en informe les agents commissionnés à cette fin par le Ministre qui a les classes moyennes dans ses attributions.
Art. 29. (BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST)
Elk voorstel tot betaling wordt samen met een stortings- of overschrijvingsformulier aan de overtreder toegestuurd bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs, binnen een termijn van zes maanden vanaf de datum van het proces-verbaal.
Dit voorstel vermeldt de termijn waarbinnen de betaling dient te gebeuren. Deze termijn bedraagt minimum vijftien dagen en maximum drie maanden.
[1 ...]1
Elk voorstel tot betaling wordt samen met een stortings- of overschrijvingsformulier aan de overtreder toegestuurd bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs, binnen een termijn van zes maanden vanaf de datum van het proces-verbaal.
Dit voorstel vermeldt de termijn waarbinnen de betaling dient te gebeuren. Deze termijn bedraagt minimum vijftien dagen en maximum drie maanden.
[1 ...]1
Art. 29. (REGION DE BRUXELLES-CAPITALE)
Toute proposition de paiement accompagnée d'un bulletin de versement ou de virement est envoyée au contrevenant par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception, dans un délai de six mois à partir de la date du procès-verbal.
La proposition mentionne le délai dans lequel le paiement doit être effectué. Ce délai est de quinze jours au moins et de trois mois au plus.
[1 ...]1
Toute proposition de paiement accompagnée d'un bulletin de versement ou de virement est envoyée au contrevenant par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception, dans un délai de six mois à partir de la date du procès-verbal.
La proposition mentionne le délai dans lequel le paiement doit être effectué. Ce délai est de quinze jours au moins et de trois mois au plus.
[1 ...]1
Art.29_VLAAMS_GEWEST.
Elk voorstel tot betaling wordt samen met een stortings- of overschrijvingsformulier aan de overtreder toegestuurd bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs, binnen een termijn van zes maanden vanaf de datum van het proces-verbaal.
Dit voorstel vermeldt de termijn waarbinnen de betaling dient te gebeuren. Deze termijn bedraagt minimum vijftien dagen en maximum drie maanden.
[1 ...]1
Elk voorstel tot betaling wordt samen met een stortings- of overschrijvingsformulier aan de overtreder toegestuurd bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs, binnen een termijn van zes maanden vanaf de datum van het proces-verbaal.
Dit voorstel vermeldt de termijn waarbinnen de betaling dient te gebeuren. Deze termijn bedraagt minimum vijftien dagen en maximum drie maanden.
[1 ...]1
Art.29_REGION_FLAMANDE.
Toute proposition de paiement accompagnée d'un bulletin de versement ou de virement est envoyée au contrevenant par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception, dans un délai de six mois à partir de la date du procès-verbal.
La proposition mentionne le délai dans lequel le paiement doit être effectué. Ce délai est de quinze jours au moins et de trois mois au plus.
[1 ...]1
Toute proposition de paiement accompagnée d'un bulletin de versement ou de virement est envoyée au contrevenant par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception, dans un délai de six mois à partir de la date du procès-verbal.
La proposition mentionne le délai dans lequel le paiement doit être effectué. Ce délai est de quinze jours au moins et de trois mois au plus.
[1 ...]1
Art. 30. Indien tijdens de in artikel 29, 1e lid, voorziene termijn geen voorstel tot betaling werd gedaan, wordt het proces-verbaal uiterlijk bij het verstrijken van die termijn overgemaakt aan de procureur des Konings.
Art. 30. Si aucune proposition de paiement n'a été faite dans un délai prévu par l'article 29, alinéa 1er, le procès-verbal est transmis au procureur du Roi au plus tard à l'expiration de ce délai.
Art. 31. In geval van niet-betaling binnen de in het betalingsvoorstel vermelde termijn, wordt het proces-verbaal aan de procureur des Konings overgemaakt.
Art. 31. En cas de non-paiement dans le délai mentionné dans la proposition de paiement, le procès-verbal est transmis au procureur du Roi.
HOOFDSTUK V. - Overgangs- en slotbepalingen.
CHAPITRE V. - Dispositions transitoires et finales.
Art. 32. De kermisuitbaters of ambulante handelaars die bij de inwerkingtreding van dit besluit voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 10 en over een abonnement beschikken, bekomen op hun vraag de verlenging hiervan, overeenkomstig de bepalingen van artikel 12.
Zo ook, onverminderd de bepalingen van artikel 9, § 1, kunnen de kermisuitbaters of ambulante handelaars, die voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 10 en die eenzelfde standplaats, persoonlijk of als gevolg van een overdracht, gedurende drie opeenvolgende jaren hebben verkregen, op hun verzoek een abonnement voor deze standplaats verkrijgen.
Zo ook, onverminderd de bepalingen van artikel 9, § 1, kunnen de kermisuitbaters of ambulante handelaars, die voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 10 en die eenzelfde standplaats, persoonlijk of als gevolg van een overdracht, gedurende drie opeenvolgende jaren hebben verkregen, op hun verzoek een abonnement voor deze standplaats verkrijgen.
Art. 32. A l'entrée en vigueur du présent arrêté, les exploitants forains ou ambulants qui satisfont aux conditions prevues à l'article 10 et disposent d'un abonnement obtiennent à leur demande la prorogation de celui-ci, conformément aux dispositions de l'article 12.
De même, sans préjudice aux dispositions de l'article 9, § 1er, les exploitants forains ou ambulants qui satisfont aux conditions prévues à l'article 10 et qui ont obtenu, durant les trois années précédentes, un même emplacement, personnellement ou à la suite d'une cession, obtiennent à leur demande un abonnement pour cet emplacement.
De même, sans préjudice aux dispositions de l'article 9, § 1er, les exploitants forains ou ambulants qui satisfont aux conditions prévues à l'article 10 et qui ont obtenu, durant les trois années précédentes, un même emplacement, personnellement ou à la suite d'une cession, obtiennent à leur demande un abonnement pour cet emplacement.
Art. 33. Treden in werking op 1 oktober 2006 :
1° de bepalingen betreffende de uitoefening en de organisatie van kermisactiviteiten bedoeld in de artikelen 1 tot 24 van de wet van 4 juli 2005 tot wijziging van de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening van ambulante activiteiten en de organisatie van openbare markten, gewijzigd door de wet van 20 juli 2006;
2° dit besluit.
1° de bepalingen betreffende de uitoefening en de organisatie van kermisactiviteiten bedoeld in de artikelen 1 tot 24 van de wet van 4 juli 2005 tot wijziging van de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening van ambulante activiteiten en de organisatie van openbare markten, gewijzigd door de wet van 20 juli 2006;
2° dit besluit.
Art. 33. Entrent en vigueur le 1er octobre 2006 :
1° les dispositions relatives à l'exercice et à l'organisation des activités foraines contenues dans les articles 1 à 24 de la loi du 4 juillet 2005, modifiant la loi du 25 juin 1993 sur l'exercice d'activités ambulantes et l'organisation des marchés publics, modifiée par la loi du 20 juillet 2006;
2° le présent arrêté.
1° les dispositions relatives à l'exercice et à l'organisation des activités foraines contenues dans les articles 1 à 24 de la loi du 4 juillet 2005, modifiant la loi du 25 juin 1993 sur l'exercice d'activités ambulantes et l'organisation des marchés publics, modifiée par la loi du 20 juillet 2006;
2° le présent arrêté.
Art. 34. Onze Minister van Middenstand, Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Onze Minister van Economie zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 34. Notre Ministre des Classes moyennes, Notre Ministre de l'Intérieur et Notre Ministre de l'Economie sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. BIJLAGE Ia. - " Machtiging kermisactiviteiten als werkgever ".
(Formulier niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 29-09-2006, p. 50559).
(Formulier niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 29-09-2006, p. 50559).
Art. N1. ANNEXE Ia. - " Autorisation patronale d'activités foraines ".
(Formulaire non repris pour motifs techniques. Voir M.B. 29-09-2006, p. 50560).
(Formulaire non repris pour motifs techniques. Voir M.B. 29-09-2006, p. 50560).
Art. N2. BIJLAGE Ib. - " Machtiging kermisactiviteiten als aangestelde-verantwoordelijke ".
(Formulier niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 29-09-2006, p. 50561).
(Formulier niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 29-09-2006, p. 50561).
Art. N2. ANNEXE Ib. - " Autorisation de préposé-responsable d'activités foraines ".
(Formulaire non repris pour motifs techniques. Voir M.B. 29-09-2006, p. 50562).
(Formulaire non repris pour motifs techniques. Voir M.B. 29-09-2006, p. 50562).
Art. N3. Bijlage II. - Aanvraag machtiging(en).
(Formulier niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 29-09-2006, p. 50563-50564).
(Formulier niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 29-09-2006, p. 50563-50564).
Art. N3. Annexe II. - Demande d'autorisation(s) d'activités foraines.
(Formulaire non repris pour motifs techniques. Voir M.B. 29-09-2006, p. 50565-50566).
(Formulaire non repris pour motifs techniques. Voir M.B. 29-09-2006, p. 50565-50566).
Art. N4. Bijlage III. - Attest ter voorlopige vervanging van de machtiging van Kermisactiviteiten.
(Formulier niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 29-09-2006, p. 50567).
(Formulier niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 29-09-2006, p. 50567).
Art. N4. Annexe III. - Attestation provisoire tenant lieu d'autorisation d'activités foraines.
(Formulaire non repris pour motifs techniques. Voir M.B. 29-09-2006, p. 50568).
(Formulaire non repris pour motifs techniques. Voir M.B. 29-09-2006, p. 50568).