Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
10 JUNI 2006. - Wet tot bescherming van de economische mededinging. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 29-06-2006 en tekstbijwerking tot 26-04-2013)
Titre
10 JUIN 2006. - Loi sur la protection de la concurrence économique. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 29-06-2006 et mise à jour au 26-04-2013)
Dokumentinformationen
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling.
HOOFDSTUK II. - Definities.
HOOFDSTUK III. - Mededingingspraktijken.
Afdeling I. - Restrictieve mededingingspraktijken.
Afdeling II. - Concentraties.
HOOFDSTUK IV. - Organen.
Afdeling I. - Dienst voor de Mededinging.
Afdeling II. - Het beroepsgeheim.
Afdeling III. - Onverenigbaarheden.
Afdeling IV. - De Commissie voor de Mededinging.
HOOFDSTUK V. - Procedures.
Afdeling I. - Onderzoeksprocedure.
Afdeling II. - Specifieke onderzoeksregels betr...
Afdeling III. - Beslissing inzake restrictieve ...
Afdeling IV. - Onderzoek inzake concentratie.
Afdeling V. - Beslissing inzake concentratie.
Afdeling VI. - Onderzoek en beslissing tijdens ...
Afdeling VII. - Voorlopige maatregelen.
Afdeling VIII. - Geldboeten en dwangsommen.
Afdeling IX. - Bekendmaking en kennisgeving.
Afdeling X. - Samenwerking met de Europese Comm...
HOOFDSTUK VI. - Strafbepalingen.
HOOFDSTUK VII. - Andere bepalingen.
HOOFDSTUK VIII. - Overgangsbepalingen.
HOOFDSTUK IX. - Slotbepalingen.
Inhoud
CHAPITRE Ier. - Disposition générale.
CHAPITRE II. - Définitions.
CHAPITRE III. - Pratiques de concurrence.
Section 1re. - Pratiques restrictives de concur...
Section II. - Concentrations.
CHAPITRE IV. - Organes.
Section 1re. - Du Service de la concurrence.
Section II. - Du secret professionnel.
Section III. - Des incompatibilités.
Section IV. - La Commission de la concurrence.
CHAPITRE V. - Procédures.
Section 1re. - Procédure d'instruction.
Section II. - Règles d'instruction spécifiques ...
Section III. - Décision en matière de pratiques...
Section IV. - Instruction en matière de concent...
Section V. - Décision en matière de concentration.
Section VI. - Instruction et décision au cours ...
Section VII. - Mesures provisoires.
Section VIII. - Amendes et astreintes.
Section IX. - Publication et notification.
Section X. - Coopération avec la Commission eur...
CHAPITRE VI. - Dispositions pénales.
CHAPITRE VII. - Autres dispositions.
CHAPITRE VIII. - Dispositions transitoires.
CHAPITRE IX. - Dispositions finales.
Tekst (89)
Texte (89)
HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling.
CHAPITRE Ier. - Disposition générale.
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Article 1. La présente loi règle une matière visée à l'article 78 de la Constitution.
HOOFDSTUK II. - Definities.
CHAPITRE II. - Définitions.
Art. 2. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder :
1° onderneming : alle natuurlijke of rechtspersonen, die op duurzame wijze een economisch doel nastreven;
2° machtspositie : de positie die een onderneming in staat stelt om de instandhouding van een daadwerkelijke mededinging te verhinderen en het haar mogelijk maakt zich, jegens haar concurrenten, afnemers of leveranciers, in belangrijke mate onafhankelijk te gedragen;
3° minister : de Minister die de Economie onder zijn bevoegdheid heeft;
4° Belgische mededingingsautoriteit : de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 en de Dienst voor de Mededinging bij de Federale Overheidsdienst Economie, KMO, Middenstand en Energie, elk overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden bepaald in deze wet.
De Belgische mededingingsautoriteit is de mededingingsautoriteit die bevoegd is om de artikelen 81 en 82 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap toe te passen bedoeld in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag.
1° onderneming : alle natuurlijke of rechtspersonen, die op duurzame wijze een economisch doel nastreven;
2° machtspositie : de positie die een onderneming in staat stelt om de instandhouding van een daadwerkelijke mededinging te verhinderen en het haar mogelijk maakt zich, jegens haar concurrenten, afnemers of leveranciers, in belangrijke mate onafhankelijk te gedragen;
3° minister : de Minister die de Economie onder zijn bevoegdheid heeft;
4° Belgische mededingingsautoriteit : de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 en de Dienst voor de Mededinging bij de Federale Overheidsdienst Economie, KMO, Middenstand en Energie, elk overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden bepaald in deze wet.
De Belgische mededingingsautoriteit is de mededingingsautoriteit die bevoegd is om de artikelen 81 en 82 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap toe te passen bedoeld in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag.
Art. 2. Pour l'application de la présente loi, on entend par :
1° entreprise : toute personne physique ou morale poursuivant de manière durable un but économique;
2° position dominante : la position permettant à une entreprise de faire obstacle au maintien d'une concurrence effective en lui fournissant la possibilité de comportements indépendants dans une mesure appréciable vis-à-vis de ses concurrents, clients ou fournisseurs;
3° ministre : le Ministre qui a l'Economie dans ses attributions;
4° Autorité belge de concurrence : [1 l'Autorité belge de la concurrence]1 et le Service de la concurrence auprès du Service public fédéral Economie, PME, Classes moyennes et Energie, chacun agissant selon ses compétences définies dans la présente loi.
L'Autorité belge de concurrence est l'autorité de concurrence compétente pour l'application des articles 81 et 82 du Traité instituant la Communauté européenne, visée à l'article 35 du Règlement (CE) n° 1/2003 du Conseil du 16 décembre 2002 relatif à la mise en oeuvre des règles de concurrence prévues aux articles 81 et 82 du traité.
1° entreprise : toute personne physique ou morale poursuivant de manière durable un but économique;
2° position dominante : la position permettant à une entreprise de faire obstacle au maintien d'une concurrence effective en lui fournissant la possibilité de comportements indépendants dans une mesure appréciable vis-à-vis de ses concurrents, clients ou fournisseurs;
3° ministre : le Ministre qui a l'Economie dans ses attributions;
4° Autorité belge de concurrence : [1 l'Autorité belge de la concurrence]1 et le Service de la concurrence auprès du Service public fédéral Economie, PME, Classes moyennes et Energie, chacun agissant selon ses compétences définies dans la présente loi.
L'Autorité belge de concurrence est l'autorité de concurrence compétente pour l'application des articles 81 et 82 du Traité instituant la Communauté européenne, visée à l'article 35 du Règlement (CE) n° 1/2003 du Conseil du 16 décembre 2002 relatif à la mise en oeuvre des règles de concurrence prévues aux articles 81 et 82 du traité.
HOOFDSTUK III. - Mededingingspraktijken.
CHAPITRE III. - Pratiques de concurrence.
Afdeling I. - Restrictieve mededingingspraktijken.
Section 1re. - Pratiques restrictives de concurrence.
Art. 3. § 1. Zijn verboden, zonder dat hiertoe een voorafgaande beslissing vereist is, alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemingsverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging op de Belgische betrokken markt of op een wezenlijk deel ervan merkbaar wordt verhinderd, beperkt of vervalst en met name die welke bestaan in :
1° het rechtstreeks of zijdelings bepalen van de aan- of verkoopprijzen of van andere contractuele voorwaarden;
2° het beperken of controleren van de productie, de afzet, de technische ontwikkeling of de investeringen;
3° het verdelen van de markten of van de voorzieningsbronnen;
4° het ten opzichte van handelspartners toepassen van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties, hen daarmee nadeel berokkenend bij de mededinging;
5° het afhankelijk stellen van het sluiten van overeenkomsten, van de aanvaarding door de handelspartners van bijkomende prestaties welke naar hun aard of volgens het handelsgebruik geen verband houden met het onderwerp van deze overeenkomsten.
§ 2. De krachtens dit artikel verboden overeenkomsten of besluiten zijn van rechtswege nietig.
§ 3. De bepalingen van § 1 zijn niet van toepassing op :
1° elke overeenkomst of groep van overeenkomsten tussen ondernemingen,
2° elk besluit of groep van besluiten van ondernemingsverenigingen, en
3° elke onderling afgestemde feitelijke gedraging of groep van gedragingen die bijdragen tot verbetering van de productie of van de verdeling of tot verbetering van de technische of economische vooruitgang of die de kleine en middelgrote ondernemingen de mogelijkheid bieden om hun concurrentiepositie op de betrokken markt of op de internationale markt te verstevigen, mits een billijk aandeel in de daaruit voortvloeiende voordelen de gebruikers ten goede komt, en zonder nochtans aan de betrokken ondernemingen :
a) beperkingen op te leggen welke voor het bereiken van deze doelstellingen niet onmisbaar zijn;
b) de mogelijkheid te geven, voor een wezenlijk deel van de betrokken producten de mededinging uit te schakelen.
1° het rechtstreeks of zijdelings bepalen van de aan- of verkoopprijzen of van andere contractuele voorwaarden;
2° het beperken of controleren van de productie, de afzet, de technische ontwikkeling of de investeringen;
3° het verdelen van de markten of van de voorzieningsbronnen;
4° het ten opzichte van handelspartners toepassen van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties, hen daarmee nadeel berokkenend bij de mededinging;
5° het afhankelijk stellen van het sluiten van overeenkomsten, van de aanvaarding door de handelspartners van bijkomende prestaties welke naar hun aard of volgens het handelsgebruik geen verband houden met het onderwerp van deze overeenkomsten.
§ 2. De krachtens dit artikel verboden overeenkomsten of besluiten zijn van rechtswege nietig.
§ 3. De bepalingen van § 1 zijn niet van toepassing op :
1° elke overeenkomst of groep van overeenkomsten tussen ondernemingen,
2° elk besluit of groep van besluiten van ondernemingsverenigingen, en
3° elke onderling afgestemde feitelijke gedraging of groep van gedragingen die bijdragen tot verbetering van de productie of van de verdeling of tot verbetering van de technische of economische vooruitgang of die de kleine en middelgrote ondernemingen de mogelijkheid bieden om hun concurrentiepositie op de betrokken markt of op de internationale markt te verstevigen, mits een billijk aandeel in de daaruit voortvloeiende voordelen de gebruikers ten goede komt, en zonder nochtans aan de betrokken ondernemingen :
a) beperkingen op te leggen welke voor het bereiken van deze doelstellingen niet onmisbaar zijn;
b) de mogelijkheid te geven, voor een wezenlijk deel van de betrokken producten de mededinging uit te schakelen.
Art. 3. § 1er. Sont interdits, sans qu'une décision préalable soit nécessaire à cet effet, tous accords entre entreprises, toutes décisions d'associations d'entreprises et toutes pratiques concertées qui ont pour objet ou pour effet d'empêcher, de restreindre ou de fausser de manière sensible la concurrence sur le marché belge concerné ou dans une partie substantielle de celui-ci et notamment ceux qui consistent à :
1° fixer de façon directe ou indirecte les prix d'achat ou de vente ou d'autres conditions de transaction;
2° limiter ou contrôler la production, les débouchés, le développement technique ou les investissements;
3° répartir les marchés ou les sources d'approvisionnement;
4° appliquer, à l'égard de partenaires commerciaux, des conditions inégales à des prestations équivalentes en leur infligeant de ce fait un désavantage dans la concurrence;
5° subordonner la conclusion de contrats à l'acceptation, par les partenaires, de prestations supplémentaires qui, par leur nature ou selon les usages commerciaux, n'ont pas de lien avec l'objet de ces contrats.
§ 2. Les accords ou décisions interdits en vertu du présent article sont nuls de plein droit.
§ 3. Toutefois, les dispositions du § 1er ne s'appliquent pas :
1° à tout accord ou catégorie d'accords entre entreprises,
2° à toute décision ou catégorie de décisions d'associations d'entreprises, et
3° à toute pratique concertée ou catégorie de pratiques concertées qui contribuent à améliorer la production ou la distribution ou à promouvoir le progrès technique ou économique ou qui permettent aux petites et moyennes entreprises d'affermir leur position concurrentielle sur le marché concerné ou sur le marché international, tout en réservant aux utilisateurs une partie équitable du profit qui en résulte et sans toutefois :
a) imposer aux entreprises intéressées des restrictions qui ne sont pas indispensables pour atteindre ces objectifs;
b) donner à ces entreprises la possibilité, pour une partie substantielle des produits en cause, d'éliminer la concurrence.
1° fixer de façon directe ou indirecte les prix d'achat ou de vente ou d'autres conditions de transaction;
2° limiter ou contrôler la production, les débouchés, le développement technique ou les investissements;
3° répartir les marchés ou les sources d'approvisionnement;
4° appliquer, à l'égard de partenaires commerciaux, des conditions inégales à des prestations équivalentes en leur infligeant de ce fait un désavantage dans la concurrence;
5° subordonner la conclusion de contrats à l'acceptation, par les partenaires, de prestations supplémentaires qui, par leur nature ou selon les usages commerciaux, n'ont pas de lien avec l'objet de ces contrats.
§ 2. Les accords ou décisions interdits en vertu du présent article sont nuls de plein droit.
§ 3. Toutefois, les dispositions du § 1er ne s'appliquent pas :
1° à tout accord ou catégorie d'accords entre entreprises,
2° à toute décision ou catégorie de décisions d'associations d'entreprises, et
3° à toute pratique concertée ou catégorie de pratiques concertées qui contribuent à améliorer la production ou la distribution ou à promouvoir le progrès technique ou économique ou qui permettent aux petites et moyennes entreprises d'affermir leur position concurrentielle sur le marché concerné ou sur le marché international, tout en réservant aux utilisateurs une partie équitable du profit qui en résulte et sans toutefois :
a) imposer aux entreprises intéressées des restrictions qui ne sont pas indispensables pour atteindre ces objectifs;
b) donner à ces entreprises la possibilité, pour une partie substantielle des produits en cause, d'éliminer la concurrence.
Art. 4. Het is verboden, zonder dat hiertoe een voorafgaande beslissing nodig is, dat één of meer ondernemingen misbruik maken van een machtspositie op de betrokken Belgische markt of op een wezenlijk deel daarvan.
Dit misbruik kan met name bestaan in :
1° het rechtstreeks of zijdelings opleggen van onbillijke aan- of verkoopprijzen of van andere onbillijke contractuele voorwaarden;
2° het beperken van de productie, de afzet of de technische ontwikkeling ten nadele van de verbruikers;
3° het toepassen ten opzichte van handelspartners van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties, hun daarmede nadeel berokkenend bij de mededinging;
4° het feit dat het sluiten van overeenkomsten afhankelijk wordt gesteld van het aanvaarden door de handelspartners van bijkomende prestaties, welke naar hun aard of volgens het handelsgebruik geen verband houden met het onderwerp van deze overeenkomsten.
Dit misbruik kan met name bestaan in :
1° het rechtstreeks of zijdelings opleggen van onbillijke aan- of verkoopprijzen of van andere onbillijke contractuele voorwaarden;
2° het beperken van de productie, de afzet of de technische ontwikkeling ten nadele van de verbruikers;
3° het toepassen ten opzichte van handelspartners van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties, hun daarmede nadeel berokkenend bij de mededinging;
4° het feit dat het sluiten van overeenkomsten afhankelijk wordt gesteld van het aanvaarden door de handelspartners van bijkomende prestaties, welke naar hun aard of volgens het handelsgebruik geen verband houden met het onderwerp van deze overeenkomsten.
Art. 4. Est interdit, sans qu'une décision préalable soit nécessaire à cet effet, le fait pour une ou plusieurs entreprises d'exploiter de façon abusive une position dominante sur le marché belge concerné ou dans une partie substantielle de celui-ci.
Ces pratiques abusives peuvent notamment consister à :
1° imposer de façon directe ou indirecte des prix d'achat ou de vente ou d'autres conditions de transaction non équitables;
2° limiter la production, les débouchés ou le développement technique au préjudice des consommateurs;
3° appliquer à l'égard de partenaires commerciaux des conditions inégales à des prestations équivalentes, en leur infligeant de ce fait un désavantage dans la concurrence;
4° subordonner la conclusion de contrats à l'acceptation, par les partenaires, de prestations supplémentaires, qui, par leur nature ou selon les usages commerciaux, n'ont pas de lien avec l'objet de ces contrats.
Ces pratiques abusives peuvent notamment consister à :
1° imposer de façon directe ou indirecte des prix d'achat ou de vente ou d'autres conditions de transaction non équitables;
2° limiter la production, les débouchés ou le développement technique au préjudice des consommateurs;
3° appliquer à l'égard de partenaires commerciaux des conditions inégales à des prestations équivalentes, en leur infligeant de ce fait un désavantage dans la concurrence;
4° subordonner la conclusion de contrats à l'acceptation, par les partenaires, de prestations supplémentaires, qui, par leur nature ou selon les usages commerciaux, n'ont pas de lien avec l'objet de ces contrats.
Art. 5. De bij de artikel 3, § 1, en artikel 4 bedoelde praktijken worden hierna restrictieve mededingingspraktijken genoemd.
Art. 5. Les pratiques visées à l'article 3, § 1er, et à l'article 4 sont qualifiées ci-après de pratiques restrictives de concurrence.
Art. 6. Het verbod van artikel 3, § 1, geldt niet voor overeenkomsten, besluiten van ondernemingsverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen waarvoor door een verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen of een verordening of een beschikking van de Europese Commissie artikel 81, lid 3, van het EG-verdrag van toepassing is verklaard.
Het verbod van artikel 3, § 1, geldt niet voor overeenkomsten, besluiten van ondernemingsverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen, die de handel tussen de lidstaten niet ongunstig beïnvloeden of de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt niet beperken, verhinderen of vervalsen, doch die zouden genieten van de bescherming door een verordening als bedoeld in het eerste lid ingeval zij deze handel wel zouden beïnvloeden of deze mededinging wel zouden beperken, verhinderen of vervalsen.
Het verbod van artikel 3, § 1, is niet van toepassing op categorieën van overeenkomsten, besluiten van ondernemingsverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen van ondernemingen die binnen de werkingssfeer vallen van een koninklijk besluit genomen op grond van artikel 28.
Het verbod van artikel 3, § 1, geldt niet voor overeenkomsten, besluiten van ondernemingsverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen, die de handel tussen de lidstaten niet ongunstig beïnvloeden of de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt niet beperken, verhinderen of vervalsen, doch die zouden genieten van de bescherming door een verordening als bedoeld in het eerste lid ingeval zij deze handel wel zouden beïnvloeden of deze mededinging wel zouden beperken, verhinderen of vervalsen.
Het verbod van artikel 3, § 1, is niet van toepassing op categorieën van overeenkomsten, besluiten van ondernemingsverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen van ondernemingen die binnen de werkingssfeer vallen van een koninklijk besluit genomen op grond van artikel 28.
Art. 6. L'interdiction de l'article 3, § 1er, ne s'applique pas aux accords, décisions d'associations d'entreprises et pratiques concertées pour lesquelles l'article 81, paragraphe 3, du traité CE a été déclaré d'application par un règlement du Conseil des Communautés européennes ou un règlement ou une décision de la Commission européenne.
L'interdiction de l'article 3, § 1er, ne s'applique pas aux accords, décisions d'associations d'entreprises et pratiques concertées qui n'affectent pas le commerce entre Etats membres ou qui ne restreignent pas, n'empêchent pas ou ne faussent pas la concurrence dans le marché commun et qui auraient bénéficié de la protection d'un règlement au sens de l'alinéa premier, dans le cas où ils auraient affecté ce commerce ou restreint, empêché ou faussé cette concurrence.
L'interdiction de l'article 3, § 1er, ne s'applique pas aux catégories d'accords, décisions d'associations d'entreprises et pratiques concertées qui entrent dans le champ d'application d'un arrêté royal pris en application de l'article 28.
L'interdiction de l'article 3, § 1er, ne s'applique pas aux accords, décisions d'associations d'entreprises et pratiques concertées qui n'affectent pas le commerce entre Etats membres ou qui ne restreignent pas, n'empêchent pas ou ne faussent pas la concurrence dans le marché commun et qui auraient bénéficié de la protection d'un règlement au sens de l'alinéa premier, dans le cas où ils auraient affecté ce commerce ou restreint, empêché ou faussé cette concurrence.
L'interdiction de l'article 3, § 1er, ne s'applique pas aux catégories d'accords, décisions d'associations d'entreprises et pratiques concertées qui entrent dans le champ d'application d'un arrêté royal pris en application de l'article 28.
Afdeling II. - Concentraties.
Section II. - Concentrations.
Art. 7. § 1. Voor de toepassing van deze wet komt een concentratie tot stand indien er een duurzame wijziging van zeggenschap voortvloeit uit :
1° de fusie van twee of meer voorheen onafhankelijke ondernemingen of delen van ondernemingen, of
2° het verkrijgen, door één of meer personen die reeds de zeggenschap over ten minste één onderneming bezitten of door één of meer ondernemingen, van de zeggenschap - door de verwerving van participaties in het kapitaal of vermogensbestanddelen, bij overeenkomst of op elke andere wijze -, rechtstreeks of onrechtstreeks, over één of meer andere ondernemingen of delen daarvan.
§ 2. De oprichting van een gemeenschappelijke onderneming die duurzaam alle functies van een zelfstandige economische eenheid vervult, vormt een concentratie in de zin van § 1, 2°.
§ 3. Voor de toepassing van deze wet berust de zeggenschap op rechten, overeenkomsten of andere middelen die afzonderlijk of gezamenlijk met inachtneming van alle feitelijke en juridische omstandigheden, het mogelijk maken een bepalende invloed uit te oefenen op de activiteiten van een onderneming, met name :
1° eigendoms- of gebruiksrechten op alle vermogensbestanddelen van een onderneming of delen daarvan;
2° rechten of overeenkomsten die een bepalende invloed verschaffen op de samenstelling, het stemgedrag of de besluiten van de ondernemingsorganen.
§ 4. De zeggenschap wordt verkregen door de persoon/personen of de onderneming/ondernemingen :
1° die zelf rechthebbenden zijn of aan deze overeenkomsten rechten ontlenen, of
2° die, hoewel zij zelf geen rechthebbenden zijn, noch aan deze overeenkomsten rechten ontlenen, de bevoegdheid hebben de daaruit ontstane rechten uit te oefenen.
§ 5. Geen concentratie in de zin van § 1 komt tot stand :
1° indien kredietinstellingen, andere financiële instellingen, of verzekeringsmaatschappijen tot wier normale werkzaamheden de verhandeling van effecten voor eigen rekening of voor rekening van derden behoort, tijdelijke deelnemingen houden die zij in een onderneming hebben verworven ten einde deze deelnemingen weer te verkopen, mits zij de aan deze deelnemingen verbonden stemrechten niet uitoefenen om het concurrentiegedrag van deze ondernemingen te bepalen of mits zij deze stemrechten slechts uitoefenen om de verkoop van deze onderneming of van haar activa, geheel of gedeeltelijk, of de verkoop van deze deelnemingen voor te bereiden, en deze verkoop plaatsvindt binnen één jaar na de verwerving; deze termijn bedraagt twee jaar wanneer de deelnemingen verworven werden als bewijs van dubieuze of onbetaald gebleven vorderingen.
2° indien de zeggenschap wordt verworven door een gerechtelijke of overheidsmandataris, op grond van een gerechtelijke beslissing of een andere procedure van gedwongen vereffening.
3° indien de in § 1, 2°, bedoelde handelingen worden uitgevoerd door participatiemaatschappijen zoals bedoeld in artikel 5, 3, van de vierde Richtlijn 78/660/EEG van de Raad van 25 juli 1978 gebaseerd op artikel 54, lid 3, punt g) van het Verdrag en betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen, met dien verstande echter dat de stemrechten die aan de in bezit zijnde deelnemingen zijn verbonden, slechts worden uitgeoefend om, met name door de benoeming van de leden van de raden van bestuur en van toezicht van de ondernemingen waarin zij deelnemingen houden, de volledige waarde van deze investeringen veilig te stellen en niet om rechtstreeks of onrechtstreeks het concurrentiegedrag van die ondernemingen te bepalen.
1° de fusie van twee of meer voorheen onafhankelijke ondernemingen of delen van ondernemingen, of
2° het verkrijgen, door één of meer personen die reeds de zeggenschap over ten minste één onderneming bezitten of door één of meer ondernemingen, van de zeggenschap - door de verwerving van participaties in het kapitaal of vermogensbestanddelen, bij overeenkomst of op elke andere wijze -, rechtstreeks of onrechtstreeks, over één of meer andere ondernemingen of delen daarvan.
§ 2. De oprichting van een gemeenschappelijke onderneming die duurzaam alle functies van een zelfstandige economische eenheid vervult, vormt een concentratie in de zin van § 1, 2°.
§ 3. Voor de toepassing van deze wet berust de zeggenschap op rechten, overeenkomsten of andere middelen die afzonderlijk of gezamenlijk met inachtneming van alle feitelijke en juridische omstandigheden, het mogelijk maken een bepalende invloed uit te oefenen op de activiteiten van een onderneming, met name :
1° eigendoms- of gebruiksrechten op alle vermogensbestanddelen van een onderneming of delen daarvan;
2° rechten of overeenkomsten die een bepalende invloed verschaffen op de samenstelling, het stemgedrag of de besluiten van de ondernemingsorganen.
§ 4. De zeggenschap wordt verkregen door de persoon/personen of de onderneming/ondernemingen :
1° die zelf rechthebbenden zijn of aan deze overeenkomsten rechten ontlenen, of
2° die, hoewel zij zelf geen rechthebbenden zijn, noch aan deze overeenkomsten rechten ontlenen, de bevoegdheid hebben de daaruit ontstane rechten uit te oefenen.
§ 5. Geen concentratie in de zin van § 1 komt tot stand :
1° indien kredietinstellingen, andere financiële instellingen, of verzekeringsmaatschappijen tot wier normale werkzaamheden de verhandeling van effecten voor eigen rekening of voor rekening van derden behoort, tijdelijke deelnemingen houden die zij in een onderneming hebben verworven ten einde deze deelnemingen weer te verkopen, mits zij de aan deze deelnemingen verbonden stemrechten niet uitoefenen om het concurrentiegedrag van deze ondernemingen te bepalen of mits zij deze stemrechten slechts uitoefenen om de verkoop van deze onderneming of van haar activa, geheel of gedeeltelijk, of de verkoop van deze deelnemingen voor te bereiden, en deze verkoop plaatsvindt binnen één jaar na de verwerving; deze termijn bedraagt twee jaar wanneer de deelnemingen verworven werden als bewijs van dubieuze of onbetaald gebleven vorderingen.
2° indien de zeggenschap wordt verworven door een gerechtelijke of overheidsmandataris, op grond van een gerechtelijke beslissing of een andere procedure van gedwongen vereffening.
3° indien de in § 1, 2°, bedoelde handelingen worden uitgevoerd door participatiemaatschappijen zoals bedoeld in artikel 5, 3, van de vierde Richtlijn 78/660/EEG van de Raad van 25 juli 1978 gebaseerd op artikel 54, lid 3, punt g) van het Verdrag en betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen, met dien verstande echter dat de stemrechten die aan de in bezit zijnde deelnemingen zijn verbonden, slechts worden uitgeoefend om, met name door de benoeming van de leden van de raden van bestuur en van toezicht van de ondernemingen waarin zij deelnemingen houden, de volledige waarde van deze investeringen veilig te stellen en niet om rechtstreeks of onrechtstreeks het concurrentiegedrag van die ondernemingen te bepalen.
Art. 7. § 1er. Pour l'application de la présente loi, une concentration est réalisée lorsqu'un changement durable du contrôle résulte :
1° de la fusion de deux ou de plusieurs entreprises antérieurement indépendantes ou parties de telles entreprises, ou
2° de l'acquisition, par une ou plusieurs personnes détenant déjà le contrôle d'une entreprise au moins ou par une ou plusieurs entreprises, du contrôle direct ou indirect de l'ensemble ou de parties d'une ou de plusieurs autres entreprises, que ce soit par prise de participations au capital ou achat d'éléments d'actifs, contrat ou tout autre moyen.
§ 2. La création d'une entreprise commune accomplissant de manière durable toutes les fonctions d'une entité économique autonome constitue une opération de concentration au sens du § 1er, 2°.
§ 3. Pour l'application de la présente loi, le contrôle découle des droits, contrats ou autres moyens qui confèrent seuls ou conjointement et compte tenu des circonstances de fait ou de droit, la possibilité d'exercer une influence déterminante sur l'activité d'une entreprise et notamment :
1° des droits de propriété ou de jouissance sur tout ou partie des biens d'une entreprise;
2° des droits ou des contrats qui confèrent une influence déterminante sur la composition, les délibérations ou les décisions des organes d'une entreprise.
§ 4. Le contrôle est acquis par la ou les personnes ou entreprises, qui :
1° sont titulaires de ces droits ou bénéficiaires de ces contrats, ou
2° n'étant pas titulaires de ces droits ou bénéficiaires de ces contrats, ont le pouvoir d'exercer les droits qui en découlent.
§ 5. Une opération de concentration au sens du § 1er n'est pas réalisée :
1° lorsque des établissements de crédit, d'autres établissements financiers ou des sociétés d'assurances, dont l'activité normale inclut la transaction et la négociation de titres pour compte propre ou pour compte d'autrui, détiennent, à titre temporaire, des participations qu'ils ont acquises dans une entreprise en vue de leur revente, pour autant qu'ils n'exercent pas les droits de vote attachés à ces participations en vue de déterminer le comportement concurrentiel de cette entreprise ou pour autant qu'ils n'exercent ces droits de vote qu'en vue de préparer la réalisation de tout ou partie de cette entreprise ou de ses actifs ou la réalisation de ces participations et que cette réalisation intervient dans un délai d'un an à compter de la date d'acquisition, ce délai étant de deux ans lorsque les participations ont été acquises en représentation de créances douteuses ou en souffrance.
2° lorsque le contrôle est acquis par un mandataire judiciaire ou public, en vertu d'une décision judiciaire ou d'une autre procédure de liquidation forcée.
3° lorsque les opérations visées au § 1er, 2°, sont réalisées par des sociétés de participation financière visées à l'article 5, 3, de la quatrième directive 78/660/CEE du Conseil du 25 juillet 1978 fondée sur l'article 54, paragraphe 3, point g), du Traité et concernant les comptes annuels de certaines formes de sociétés, sous la restriction toutefois que les droits de vote attachés aux participations détenues ne soient exercés, notamment par la voie de la nomination des membres des organes de direction et de surveillance des entreprises dont elles détiennent des participations, que pour sauvegarder la pleine valeur de ces investissements et non pour déterminer directement ou indirectement le comportement concurrentiel de ces entreprises.
1° de la fusion de deux ou de plusieurs entreprises antérieurement indépendantes ou parties de telles entreprises, ou
2° de l'acquisition, par une ou plusieurs personnes détenant déjà le contrôle d'une entreprise au moins ou par une ou plusieurs entreprises, du contrôle direct ou indirect de l'ensemble ou de parties d'une ou de plusieurs autres entreprises, que ce soit par prise de participations au capital ou achat d'éléments d'actifs, contrat ou tout autre moyen.
§ 2. La création d'une entreprise commune accomplissant de manière durable toutes les fonctions d'une entité économique autonome constitue une opération de concentration au sens du § 1er, 2°.
§ 3. Pour l'application de la présente loi, le contrôle découle des droits, contrats ou autres moyens qui confèrent seuls ou conjointement et compte tenu des circonstances de fait ou de droit, la possibilité d'exercer une influence déterminante sur l'activité d'une entreprise et notamment :
1° des droits de propriété ou de jouissance sur tout ou partie des biens d'une entreprise;
2° des droits ou des contrats qui confèrent une influence déterminante sur la composition, les délibérations ou les décisions des organes d'une entreprise.
§ 4. Le contrôle est acquis par la ou les personnes ou entreprises, qui :
1° sont titulaires de ces droits ou bénéficiaires de ces contrats, ou
2° n'étant pas titulaires de ces droits ou bénéficiaires de ces contrats, ont le pouvoir d'exercer les droits qui en découlent.
§ 5. Une opération de concentration au sens du § 1er n'est pas réalisée :
1° lorsque des établissements de crédit, d'autres établissements financiers ou des sociétés d'assurances, dont l'activité normale inclut la transaction et la négociation de titres pour compte propre ou pour compte d'autrui, détiennent, à titre temporaire, des participations qu'ils ont acquises dans une entreprise en vue de leur revente, pour autant qu'ils n'exercent pas les droits de vote attachés à ces participations en vue de déterminer le comportement concurrentiel de cette entreprise ou pour autant qu'ils n'exercent ces droits de vote qu'en vue de préparer la réalisation de tout ou partie de cette entreprise ou de ses actifs ou la réalisation de ces participations et que cette réalisation intervient dans un délai d'un an à compter de la date d'acquisition, ce délai étant de deux ans lorsque les participations ont été acquises en représentation de créances douteuses ou en souffrance.
2° lorsque le contrôle est acquis par un mandataire judiciaire ou public, en vertu d'une décision judiciaire ou d'une autre procédure de liquidation forcée.
3° lorsque les opérations visées au § 1er, 2°, sont réalisées par des sociétés de participation financière visées à l'article 5, 3, de la quatrième directive 78/660/CEE du Conseil du 25 juillet 1978 fondée sur l'article 54, paragraphe 3, point g), du Traité et concernant les comptes annuels de certaines formes de sociétés, sous la restriction toutefois que les droits de vote attachés aux participations détenues ne soient exercés, notamment par la voie de la nomination des membres des organes de direction et de surveillance des entreprises dont elles détiennent des participations, que pour sauvegarder la pleine valeur de ces investissements et non pour déterminer directement ou indirectement le comportement concurrentiel de ces entreprises.
Art. 8. § 1. De bepalingen van deze afdeling zijn slechts van toepassing wanneer de betrokken ondernemingen samen in België een omzet, bepaald volgens de in artikel 52 bedoelde criteria, van meer dan 100 miljoen euro totaliseren en minstens twee van de betrokken ondernemingen elk in België een omzet realiseren van minstens 40 miljoen euro.
§ 2. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en na raadpleging van de algemene vergadering van de Raad en de Commissie voor de Mededinging, de drempels bedoeld in § 1 verhogen.
§ 3. Om de drie jaar gaat de algemene vergadering van de Raad over tot een toetsing van de drempels bedoeld in § 1, daarbij onder andere rekening houdende met de economische impact en de administratieve last voor de ondernemingen.
Met het oog op deze toetsing brengt het Auditoraat aan de algemene vergadering van de Raad een advies uit.
§ 2. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en na raadpleging van de algemene vergadering van de Raad en de Commissie voor de Mededinging, de drempels bedoeld in § 1 verhogen.
§ 3. Om de drie jaar gaat de algemene vergadering van de Raad over tot een toetsing van de drempels bedoeld in § 1, daarbij onder andere rekening houdende met de economische impact en de administratieve last voor de ondernemingen.
Met het oog op deze toetsing brengt het Auditoraat aan de algemene vergadering van de Raad een advies uit.
Art. 8. § 1er. Les dispositions de la présente section ne s'appliquent que lorsque les entreprises concernées totalisent ensemble en Belgique un chiffre d'affaires, déterminé selon les critères visés à l'article 52, de plus de 100 millions d'euros, et qu'au moins deux des entreprises concernées réalisent chacune en Belgique un chiffre d'affaires d'au moins 40 millions d'euros.
§ 2. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, et après consultation de l'assemblée générale du Conseil et de la Commission de la concurrence, majorer les seuils visés au § 1er.
§ 3. Tous les trois ans, l'assemblée générale du Conseil procède à une évaluation des seuils visés au § 1er, en tenant compte entre autres de l'incidence économique et de la charge administrative pour les entreprises.
L'Auditorat remet un avis à l'assemblée générale du Conseil en vue de cette évaluation.
§ 2. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, et après consultation de l'assemblée générale du Conseil et de la Commission de la concurrence, majorer les seuils visés au § 1er.
§ 3. Tous les trois ans, l'assemblée générale du Conseil procède à une évaluation des seuils visés au § 1er, en tenant compte entre autres de l'incidence économique et de la charge administrative pour les entreprises.
L'Auditorat remet un avis à l'assemblée générale du Conseil en vue de cette évaluation.
Art. 9. § 1. Voor de concentraties is de voorafgaande goedkeuring nodig van de kamer van de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 die gevat werd, hierna de kamer van de Raad genoemd, die vaststelt of ze al of niet toelaatbaar zijn.
§ 2. Bij de in § 1 bedoelde beslissing wordt rekening gehouden met :
1° de noodzaak een daadwerkelijke mededinging op de nationale markt te handhaven en te ontwikkelen in het licht van met name de structuur van alle betrokken markten en van de bestaande of potentiële mededinging van binnen of buiten het Koninkrijk gevestigde ondernemingen;
2° de positie op de markt van de betrokken ondernemingen, hun economische en financiële macht, de keuzemogelijkheden van leveranciers en afnemers, hun toegang tot voorzieningsbronnen en afzetmarkten, het bestaan van juridische of feitelijke hinderpalen voor de toegang tot de markt, de ontwikkeling van vraag naar en aanbod van de betrokken producten en diensten, de belangen van de tussen- en eindverbruikers, alsmede de ontwikkeling van de technische en economische vooruitgang, voorzover deze in het voordeel van de consument is en geen belemmering vormt voor de mededinging.
§ 3. Concentraties die niet tot gevolg hebben dat een daadwerkelijke mededinging op de Belgische markt of een wezenlijk deel daarvan op significante wijze wordt belemmerd, onder andere door het in het leven roepen of versterken van een machtspositie, worden toelaatbaar verklaard.
§ 4. Concentraties die tot gevolg hebben dat een daadwerkelijke mededinging op de Belgische markt of een wezenlijk deel daarvan op significante wijze wordt belemmerd, onder andere door het in het leven roepen of versterken van een machtspositie, worden ontoelaatbaar verklaard.
§ 5. Indien de oprichting van een gemeenschappelijke onderneming die een concentratie vormt in de zin van artikel 7, § 2, de coördinatie beoogt of tot stand brengt van het concurrentiegedrag van ondernemingen die onafhankelijk blijven, dan wordt die coördinatie beoordeeld overeenkomstig de criteria van artikel 3, teneinde vast te stellen of de transactie al dan niet toelaatbaar is.
Bij die beoordeling wordt onder meer rekening gehouden met :
1° het significant en gelijktijdig actief blijven van twee of meer oprichtende ondernemingen op dezelfde markt als die van de gemeenschappelijke onderneming, op een downstream- of upstreammarkt van laatstgenoemde markt of op een nauw met die markt verbonden markt;
2° de mogelijkheid die aan de betrokken ondernemingen wordt gegeven om, via de coördinatie die het rechtstreekse gevolg is van de oprichting van de gemeenschappelijke onderneming, de mededinging voor een wezenlijk deel van de betrokken producten en diensten uit te schakelen.
§ 6. Wanneer het algemeen belang dit rechtvaardigt, mag de Ministerraad ambtshalve of op verzoek van de partijen, de oprichting toestaan van een concentratie die door de Raad als ontoelaatbaar wordt beschouwd, volgens de nadere regels vervat in artikel 38.
§ 2. Bij de in § 1 bedoelde beslissing wordt rekening gehouden met :
1° de noodzaak een daadwerkelijke mededinging op de nationale markt te handhaven en te ontwikkelen in het licht van met name de structuur van alle betrokken markten en van de bestaande of potentiële mededinging van binnen of buiten het Koninkrijk gevestigde ondernemingen;
2° de positie op de markt van de betrokken ondernemingen, hun economische en financiële macht, de keuzemogelijkheden van leveranciers en afnemers, hun toegang tot voorzieningsbronnen en afzetmarkten, het bestaan van juridische of feitelijke hinderpalen voor de toegang tot de markt, de ontwikkeling van vraag naar en aanbod van de betrokken producten en diensten, de belangen van de tussen- en eindverbruikers, alsmede de ontwikkeling van de technische en economische vooruitgang, voorzover deze in het voordeel van de consument is en geen belemmering vormt voor de mededinging.
§ 3. Concentraties die niet tot gevolg hebben dat een daadwerkelijke mededinging op de Belgische markt of een wezenlijk deel daarvan op significante wijze wordt belemmerd, onder andere door het in het leven roepen of versterken van een machtspositie, worden toelaatbaar verklaard.
§ 4. Concentraties die tot gevolg hebben dat een daadwerkelijke mededinging op de Belgische markt of een wezenlijk deel daarvan op significante wijze wordt belemmerd, onder andere door het in het leven roepen of versterken van een machtspositie, worden ontoelaatbaar verklaard.
§ 5. Indien de oprichting van een gemeenschappelijke onderneming die een concentratie vormt in de zin van artikel 7, § 2, de coördinatie beoogt of tot stand brengt van het concurrentiegedrag van ondernemingen die onafhankelijk blijven, dan wordt die coördinatie beoordeeld overeenkomstig de criteria van artikel 3, teneinde vast te stellen of de transactie al dan niet toelaatbaar is.
Bij die beoordeling wordt onder meer rekening gehouden met :
1° het significant en gelijktijdig actief blijven van twee of meer oprichtende ondernemingen op dezelfde markt als die van de gemeenschappelijke onderneming, op een downstream- of upstreammarkt van laatstgenoemde markt of op een nauw met die markt verbonden markt;
2° de mogelijkheid die aan de betrokken ondernemingen wordt gegeven om, via de coördinatie die het rechtstreekse gevolg is van de oprichting van de gemeenschappelijke onderneming, de mededinging voor een wezenlijk deel van de betrokken producten en diensten uit te schakelen.
§ 6. Wanneer het algemeen belang dit rechtvaardigt, mag de Ministerraad ambtshalve of op verzoek van de partijen, de oprichting toestaan van een concentratie die door de Raad als ontoelaatbaar wordt beschouwd, volgens de nadere regels vervat in artikel 38.
Art. 9. § 1er. Les opérations de concentration sont soumises à l'approbation préalable de la chambre saisie de [1 l'Autorité belge de la concurrence]1, ci-après dénommée la chambre du Conseil, qui constate si elles sont ou ne sont pas admissibles.
§ 2. Pour prendre la décision visée au § 1er, il est tenu compte :
1° de la nécessité de préserver et de développer une concurrence effective dans le marché national au vu notamment de la structure de tous les marchés en cause et de la concurrence réelle ou potentielle d'entreprises situées à l'intérieur ou à l'extérieur du Royaume;
2° de la position sur le marché des entreprises concernées et de leur puissance économique et financière, des possibilités de choix des fournisseurs et des utilisateurs, de leur accès aux sources d'approvisionnement ou aux débouchés, de l'existence d'entraves juridiques ou factuelles à l'entrée sur le marché, de l'évolution de l'offre et de la demande des produits et services concernés, des intérêts des consommateurs intermédiaires et finaux ainsi que de l'évolution du progrès technique et économique, pour autant que celle-ci soit à l'avantage des consommateurs et ne constitue pas un obstacle à la concurrence.
§ 3. Les opérations de concentration qui n'ont pas pour conséquence qu'une concurrence effective serait entravée de manière significative dans le marché belge ou une partie substantielle de celui-ci, notamment par la création ou le renforcement d'une position dominante, sont déclarées admissibles.
§ 4. Les opérations de concentration qui ont pour conséquence qu'une concurrence effective serait entravée de manière significative dans le marché belge ou une partie substantielle de celui-ci, notamment par la création ou le renforcement d'une position dominante, sont déclarées inadmissibles.
§ 5. Pour autant que la création d'une entreprise commune, constituant une opération de concentration au sens de l'article 7, § 2, ait pour objet ou pour effet la coordination du comportement concurrentiel d'entreprises qui restent indépendantes, cette coordination est appréciée selon les critères de l'article 3, en vue d'établir si l'opération est admissible ou non.
Dans cette appréciation, il est tenu compte notamment :
1° de la présence significative et simultanée de deux entreprises fondatrices ou plus sur le même marché que celui de l'entreprise commune, sur un marché situé en amont ou en aval de ce marché ou sur un marché étroitement lié à ce marché;
2° de la possibilité donnée aux entreprises concernées par leur coordination résultant directement de la création de l'entreprise commune d'éliminer la concurrence pour une partie substantielle des produits et services en cause.
§ 6. Lorsque l'intérêt général le justifie, le Conseil des ministres peut autoriser d'office ou à la demande des parties, la réalisation d'une concentration déclarée inadmissible par le Conseil, selon les modalités visées à l'article 38.
§ 2. Pour prendre la décision visée au § 1er, il est tenu compte :
1° de la nécessité de préserver et de développer une concurrence effective dans le marché national au vu notamment de la structure de tous les marchés en cause et de la concurrence réelle ou potentielle d'entreprises situées à l'intérieur ou à l'extérieur du Royaume;
2° de la position sur le marché des entreprises concernées et de leur puissance économique et financière, des possibilités de choix des fournisseurs et des utilisateurs, de leur accès aux sources d'approvisionnement ou aux débouchés, de l'existence d'entraves juridiques ou factuelles à l'entrée sur le marché, de l'évolution de l'offre et de la demande des produits et services concernés, des intérêts des consommateurs intermédiaires et finaux ainsi que de l'évolution du progrès technique et économique, pour autant que celle-ci soit à l'avantage des consommateurs et ne constitue pas un obstacle à la concurrence.
§ 3. Les opérations de concentration qui n'ont pas pour conséquence qu'une concurrence effective serait entravée de manière significative dans le marché belge ou une partie substantielle de celui-ci, notamment par la création ou le renforcement d'une position dominante, sont déclarées admissibles.
§ 4. Les opérations de concentration qui ont pour conséquence qu'une concurrence effective serait entravée de manière significative dans le marché belge ou une partie substantielle de celui-ci, notamment par la création ou le renforcement d'une position dominante, sont déclarées inadmissibles.
§ 5. Pour autant que la création d'une entreprise commune, constituant une opération de concentration au sens de l'article 7, § 2, ait pour objet ou pour effet la coordination du comportement concurrentiel d'entreprises qui restent indépendantes, cette coordination est appréciée selon les critères de l'article 3, en vue d'établir si l'opération est admissible ou non.
Dans cette appréciation, il est tenu compte notamment :
1° de la présence significative et simultanée de deux entreprises fondatrices ou plus sur le même marché que celui de l'entreprise commune, sur un marché situé en amont ou en aval de ce marché ou sur un marché étroitement lié à ce marché;
2° de la possibilité donnée aux entreprises concernées par leur coordination résultant directement de la création de l'entreprise commune d'éliminer la concurrence pour une partie substantielle des produits et services en cause.
§ 6. Lorsque l'intérêt général le justifie, le Conseil des ministres peut autoriser d'office ou à la demande des parties, la réalisation d'une concentration déclarée inadmissible par le Conseil, selon les modalités visées à l'article 38.
Art. 10. § 1. De concentraties bedoeld in deze wet worden bij het Auditoraat aangemeld vóór hun totstandbrenging en na de sluiting van de overeenkomst, de openbaarmaking van het aanbod tot aankoop of ruil, of de verwerving van een zeggenschapsdeelneming. De partijen kunnen echter een ontwerpovereenkomst aanmelden mits alle partijen uitdrukkelijk verklaren dat zij de intentie hebben om een overeenkomst te sluiten die op alle mededingingsrechtelijk relevante punten niet merkbaar verschilt van het aangemelde ontwerp. In het geval van een openbaar aanbod tot aankoop of ruil, kunnen de partijen eveneens een ontwerp aanmelden wanneer zij hun voornemen tot het doen van een dergelijk bod publiekelijk hebben aangekondigd.
§ 2. Concentraties door fusie in de zin van artikel 7, § 1, 1°, of door totstandkoming van een gezamenlijke zeggenschap in de zin van artikel 7, § 1, 2°, worden gezamenlijk aangemeld door de partijen bij de fusie of door de partijen die de gezamenlijke zeggenschap verkrijgen. In alle andere gevallen vindt de aanmelding plaats door de persoon of de onderneming die de zeggenschap over één of meer ondernemingen of een gedeelte daarvan verwerft.
§ 3. De modaliteiten van de aanmeldingen bedoeld bij § 1 worden bepaald door de Koning. De algemene vergadering van de Raad kan de nadere regels voor een vereenvoudigde aanmelding bepalen.
§ 4. Tot de kamer van de Raad een beslissing neemt betreffende de toelaatbaarheid van de concentratie, mogen de betrokken ondernemingen de concentratie niet tot uitvoering brengen.
§ 5. De voorgaande paragraaf belet evenwel niet de tenuitvoerlegging van een openbaar aanbod tot aankoop of ruil of van een reeks transacties met financiële instrumenten, inclusief met deze converteerbaar in andere financiële instrumenten, die ter verhandeling worden toegelaten tot een markt zoals een effectenbeurs en waardoor de zeggenschap in de zin van artikel 7 wordt verkregen door tussenkomst van meerdere verkopers, mits :
1° de concentratie overeenkomstig dit artikel onverwijld bij het Auditoraat wordt aangemeld, en
2° de verkrijger de aan de betrokken effecten verbonden stemrechten niet uitoefent dan wel slechts uitoefent om de volle waarde van zijn belegging te handhaven en op basis van een door de kamer van de Raad overeenkomstig § 6 verleende ontheffing.
§ 6. Onverminderd het bepaalde in § 5, kan de kamer van de Raad op verzoek van de partijen, op elk ogenblik ontheffing verlenen van de in § 4 bepaalde verplichting. In dat geval vraagt de kamer van de Raad dat de auditeur binnen twee weken na de indiening van het verzoek een verslag neerlegt, bevattende de noodzakelijke appreciatie-elementen om tot de in deze paragraaf bedoelde beslissing te komen.
§ 7. De kamer van de Raad kan zijn beslissing vergezeld laten gaan van bepaalde voorwaarden en lasten.
§ 2. Concentraties door fusie in de zin van artikel 7, § 1, 1°, of door totstandkoming van een gezamenlijke zeggenschap in de zin van artikel 7, § 1, 2°, worden gezamenlijk aangemeld door de partijen bij de fusie of door de partijen die de gezamenlijke zeggenschap verkrijgen. In alle andere gevallen vindt de aanmelding plaats door de persoon of de onderneming die de zeggenschap over één of meer ondernemingen of een gedeelte daarvan verwerft.
§ 3. De modaliteiten van de aanmeldingen bedoeld bij § 1 worden bepaald door de Koning. De algemene vergadering van de Raad kan de nadere regels voor een vereenvoudigde aanmelding bepalen.
§ 4. Tot de kamer van de Raad een beslissing neemt betreffende de toelaatbaarheid van de concentratie, mogen de betrokken ondernemingen de concentratie niet tot uitvoering brengen.
§ 5. De voorgaande paragraaf belet evenwel niet de tenuitvoerlegging van een openbaar aanbod tot aankoop of ruil of van een reeks transacties met financiële instrumenten, inclusief met deze converteerbaar in andere financiële instrumenten, die ter verhandeling worden toegelaten tot een markt zoals een effectenbeurs en waardoor de zeggenschap in de zin van artikel 7 wordt verkregen door tussenkomst van meerdere verkopers, mits :
1° de concentratie overeenkomstig dit artikel onverwijld bij het Auditoraat wordt aangemeld, en
2° de verkrijger de aan de betrokken effecten verbonden stemrechten niet uitoefent dan wel slechts uitoefent om de volle waarde van zijn belegging te handhaven en op basis van een door de kamer van de Raad overeenkomstig § 6 verleende ontheffing.
§ 6. Onverminderd het bepaalde in § 5, kan de kamer van de Raad op verzoek van de partijen, op elk ogenblik ontheffing verlenen van de in § 4 bepaalde verplichting. In dat geval vraagt de kamer van de Raad dat de auditeur binnen twee weken na de indiening van het verzoek een verslag neerlegt, bevattende de noodzakelijke appreciatie-elementen om tot de in deze paragraaf bedoelde beslissing te komen.
§ 7. De kamer van de Raad kan zijn beslissing vergezeld laten gaan van bepaalde voorwaarden en lasten.
Art. 10. § 1er. Les concentrations visées par la présente loi sont notifiées à l'Auditorat avant leur réalisation et après la conclusion de l'accord, de la publication de l'offre d'achat ou d'échange, ou de l'acquisition d'une participation de contrôle. Les parties peuvent toutefois notifier un projet d'accord à condition qu'elles déclarent explicitement qu'elles ont l'intention de conclure un accord qui ne diffère pas de façon significative du projet notifié en ce qui concerne tous les points pertinents du droit de la concurrence. Dans le cas d'une offre publique d'achat ou d'échange, les parties peuvent également notifier un projet lorsqu'elles ont annoncé publiquement leur intention de faire une telle offre.
§ 2. Les concentrations qui consistent en une fusion au sens de l'article 7, § 1er, 1°, ou dans l'acquisition d'un contrôle en commun au sens de l'article 7, § 1er, 2°, sont notifiées conjointement par les parties à la fusion ou à l'acquisition du contrôle en commun. Dans tous les autres cas, la notification est présentée par la personne ou l'entreprise qui acquiert le contrôle de l'ensemble ou d'une partie d'une ou plusieurs entreprises.
§ 3. Les modalités des notifications visées au § 1er sont fixées par le Roi. L'assemblée générale du Conseil peut fixer les règles spécifiques d'une notification simplifiée.
§ 4. Jusqu'à ce que la chambre du Conseil rende une décision sur l'admissibilité de la concentration, les entreprises concernées ne peuvent mettre en oeuvre la concentration.
§ 5. Le paragraphe précédent ne fait toutefois pas obstacle à la réalisation d'une offre publique d'achat ou d'échange ou d'opérations par lesquelles le contrôle au sens de l'article 7 est acquis par l'intermédiaire de plusieurs vendeurs au moyen d'une série de transactions sur instruments financiers, y compris sur ceux qui sont convertibles en d'autres instruments financiers, admis à être négociés sur un marché tel qu'une bourse de valeurs, pour autant :
1° que la concentration soit notifiée sans délai à l'Auditorat conformément à cet article, et
2° que l'acquéreur n'exerce pas les droits de vote attachés aux participations concernées ou ne les exerce qu'en vue de sauvegarder la pleine valeur de son investissement et sur la base d'une dérogation octroyée par la chambre du Conseil conformément au § 6.
§ 6. Sans préjudice des dispositions prévues au § 5, la chambre du Conseil peut, à tout moment, sur demande des parties, octroyer une dérogation à l'obligation prévues au § 4. Dans ce cas, la chambre du Conseil demande que l'auditeur dépose, dans les deux semaines suivant le dépôt de la requête, un rapport mentionnant les éléments d'appréciation nécessaires à la prise de décision visée au présent paragraphe.
§ 7. La chambre du Conseil peut assortir sa décision de conditions et de charges.
§ 2. Les concentrations qui consistent en une fusion au sens de l'article 7, § 1er, 1°, ou dans l'acquisition d'un contrôle en commun au sens de l'article 7, § 1er, 2°, sont notifiées conjointement par les parties à la fusion ou à l'acquisition du contrôle en commun. Dans tous les autres cas, la notification est présentée par la personne ou l'entreprise qui acquiert le contrôle de l'ensemble ou d'une partie d'une ou plusieurs entreprises.
§ 3. Les modalités des notifications visées au § 1er sont fixées par le Roi. L'assemblée générale du Conseil peut fixer les règles spécifiques d'une notification simplifiée.
§ 4. Jusqu'à ce que la chambre du Conseil rende une décision sur l'admissibilité de la concentration, les entreprises concernées ne peuvent mettre en oeuvre la concentration.
§ 5. Le paragraphe précédent ne fait toutefois pas obstacle à la réalisation d'une offre publique d'achat ou d'échange ou d'opérations par lesquelles le contrôle au sens de l'article 7 est acquis par l'intermédiaire de plusieurs vendeurs au moyen d'une série de transactions sur instruments financiers, y compris sur ceux qui sont convertibles en d'autres instruments financiers, admis à être négociés sur un marché tel qu'une bourse de valeurs, pour autant :
1° que la concentration soit notifiée sans délai à l'Auditorat conformément à cet article, et
2° que l'acquéreur n'exerce pas les droits de vote attachés aux participations concernées ou ne les exerce qu'en vue de sauvegarder la pleine valeur de son investissement et sur la base d'une dérogation octroyée par la chambre du Conseil conformément au § 6.
§ 6. Sans préjudice des dispositions prévues au § 5, la chambre du Conseil peut, à tout moment, sur demande des parties, octroyer une dérogation à l'obligation prévues au § 4. Dans ce cas, la chambre du Conseil demande que l'auditeur dépose, dans les deux semaines suivant le dépôt de la requête, un rapport mentionnant les éléments d'appréciation nécessaires à la prise de décision visée au présent paragraphe.
§ 7. La chambre du Conseil peut assortir sa décision de conditions et de charges.
Art. 11. De concentraties die onderworpen zijn aan het toezicht van de Europese Commissie, met inbegrip van concentraties die bij toepassing van artikel 22 van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van de Europese Unie van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen zijn verwezen naar de Europese Commissie, zijn niet onderworpen aan het toezicht ingesteld bij deze wet.
Zijn echter wel onderworpen aan het toezicht ingesteld door deze wet, de concentraties die door de Europese Commissie naar de Belgische mededingingsautoriteit werden verwezen krachtens de artikelen 4, vierde en vijfde lid, en 9, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van de Europese Unie van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen. In dit geval dienen de partijen de concentratie opnieuw aan te melden bij het Auditoraat overeenkomstig artikel 10.
Zijn echter wel onderworpen aan het toezicht ingesteld door deze wet, de concentraties die door de Europese Commissie naar de Belgische mededingingsautoriteit werden verwezen krachtens de artikelen 4, vierde en vijfde lid, en 9, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van de Europese Unie van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen. In dit geval dienen de partijen de concentratie opnieuw aan te melden bij het Auditoraat overeenkomstig artikel 10.
Art. 11. Les concentrations qui sont soumises au contrôle de la Commission européenne, en ce compris celles qui lui sont renvoyées en vertu de l'article 22 du Règlement (CE) n° 139/2004 du Conseil de l'Union européenne, du 20 janvier 2004, relatif au contrôle des concentrations entre entreprises ne sont pas soumises au contrôle instauré par la présente loi.
Néanmoins, sont soumises au contrôle instauré par la présente loi, les concentrations renvoyées à l'autorité belge de concurrence par la Commission européenne en application des articles 4, paragraphes 4 et 5, et 9, paragraphe 1er, du Règlement (CE) n° 139/2004 du Conseil de l'Union européenne, du 20 janvier 2004, relatif au contrôle des concentrations entre entreprises. Dans ces cas, les parties notifient de nouveau la concentration à l'Auditorat conformément à l'article 10.
Néanmoins, sont soumises au contrôle instauré par la présente loi, les concentrations renvoyées à l'autorité belge de concurrence par la Commission européenne en application des articles 4, paragraphes 4 et 5, et 9, paragraphe 1er, du Règlement (CE) n° 139/2004 du Conseil de l'Union européenne, du 20 janvier 2004, relatif au contrôle des concentrations entre entreprises. Dans ces cas, les parties notifient de nouveau la concentration à l'Auditorat conformément à l'article 10.
HOOFDSTUK IV. - Organen.
CHAPITRE IV. - Organes.
Afdeling I. - Dienst voor de Mededinging.
Section 1re. - Du Service de la concurrence.
Art. 12. De Dienst voor de Mededinging wordt onder meer belast met :
1° het opsporen en het onderzoek van de praktijken bedoeld in hoofdstuk II, onder het gezag van het Auditoraat;
2° het vertegenwoordigen, op aanwijzing van de minister en onder voorbehoud van artikel 12 van de wet van 10 juni 2006 tot oprichting van een [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1, van België in de Europese en internationale mededingingsorganisaties;
3° het voorbereiden, uitvoeren en evalueren van het beleid inzake economische mededinging in België;
4° het voorbereiden van de Belgische wetgeving en reglementering met betrekking tot de economische mededinging.
1° het opsporen en het onderzoek van de praktijken bedoeld in hoofdstuk II, onder het gezag van het Auditoraat;
2° het vertegenwoordigen, op aanwijzing van de minister en onder voorbehoud van artikel 12 van de wet van 10 juni 2006 tot oprichting van een [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1, van België in de Europese en internationale mededingingsorganisaties;
3° het voorbereiden, uitvoeren en evalueren van het beleid inzake economische mededinging in België;
4° het voorbereiden van de Belgische wetgeving en reglementering met betrekking tot de economische mededinging.
Art. 12. Le Service de la concurrence est chargé notamment :
1° de la recherche et de l'examen des pratiques visées au chapitre II, sous l'autorité de l'Auditorat;
2° d'assurer, sur délégation du ministre, et sous réserve de l'article 12 de la loi du 10 juin 2006 instituant un [1 Autorité belge de la concurrence]1, la représentation de la Belgique dans les organisations européennes et internationales de concurrence;
3° de préparer, d'exécuter et d'évaluer la politique de la concurrence économique en Belgique;
4° de préparer la législation et la réglementation belges relatives à la concurrence économique.
1° de la recherche et de l'examen des pratiques visées au chapitre II, sous l'autorité de l'Auditorat;
2° d'assurer, sur délégation du ministre, et sous réserve de l'article 12 de la loi du 10 juin 2006 instituant un [1 Autorité belge de la concurrence]1, la représentation de la Belgique dans les organisations européennes et internationales de concurrence;
3° de préparer, d'exécuter et d'évaluer la politique de la concurrence économique en Belgique;
4° de préparer la législation et la réglementation belges relatives à la concurrence économique.
Art. 13. De middelen die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van deze wet worden ter beschikking gesteld van de Federale Overheidsdienst Economie, KMO, Middenstand en Energie, die zijn logistieke en materiële bijstand verleent aan de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1.
De administratieve bijstand aan de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 wordt verstrekt door personeel dat ter beschikking wordt gesteld door de Federale Overheidsdienst Economie, KMO, Middenstand en Energie.
De administratieve bijstand aan de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 wordt verstrekt door personeel dat ter beschikking wordt gesteld door de Federale Overheidsdienst Economie, KMO, Middenstand en Energie.
Art. 13. Les moyens nécessaires à la mise en oeuvre de la présente loi sont mis à la disposition du Service public fédéral Economie, PME, Classes moyennes et Energie, qui apporte son aide logistique et matérielle à [1 l'Autorité belge de la concurrence]1.
L'assistance administrative à [1 l'Autorité belge de la concurrence]1 est fournie par du personnel mis à disposition par le Service public fédéral Economie, PME, Classes moyennes et Energie.
L'assistance administrative à [1 l'Autorité belge de la concurrence]1 est fournie par du personnel mis à disposition par le Service public fédéral Economie, PME, Classes moyennes et Energie.
Afdeling II. - Het beroepsgeheim.
Section II. - Du secret professionnel.
Art. 14. De raadsleden van de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1, de leden van het Auditoraat, de griffiers en de ambtenaren van de Dienst voor de Mededinging, alsmede iedereen die onder hun gezag werkt, zijn gebonden door het beroepsgeheim en mogen, onverminderd de bepalingen van Afdeling X van Hoofdstuk V, van artikel 55 en van de koninklijke besluiten uitgevaardigd met toepassing van artikel 24, tweede lid, de vertrouwelijke gegevens waarvan zij wegens hun functie kennis hebben gekregen aan geen enkele persoon of autoriteit bekendmaken, behalve wanneer zij worden opgeroepen om in rechte te getuigen.
Art. 14. Les conseillers de [1 l'Autorité belge de la concurrence]1, les membres de l'Auditorat, les greffiers et les fonctionnaires du Service de la concurrence, ainsi que toute autre personne travaillant sous leur autorité, sont soumis au secret professionnel et ne peuvent divulguer, sans préjudice des dispositions de la Section X du Chapitre V, de l'article 55 et des arrêtés royaux pris en vertu de l'article 24, alinéa 2, à quelque personne ou autorité que ce soit, les informations confidentielles dont ils ont eu connaissance en raison de leurs fonctions, hormis le cas où ils sont appelés à rendre témoignage en justice.
Art. 15. Onverminderd de bepalingen van Afdeling X van Hoofdstuk V en van de koninklijke besluiten uitgevaardigd met toepassing van artikel, 24, tweede lid, mag de informatie waarover de raadsleden van de Raad, de leden van het Auditoraat, de griffiers en de ambtenaren van de Dienst voor de Mededinging, alsmede iedereen die onder hun gezag werkt, beschikken, enkel worden gebruikt voor het doel waarvoor zij werd ingewonnen.
Onverminderd de uitwisseling en het gebruik van de informatie bedoeld in Afdeling X van Hoofdstuk V mogen de raadsleden van de Raad, de leden van het Auditoraat, de griffiers en de ambtenaren van de Dienst voor de Mededinging, alsmede iedereen die onder hun gezag werkt, de informatie niet verspreiden waarvan zij kennis hebben wegens hun functie en die, omwille van haar aard, beschermd is door het beroepsgeheim. Deze verplichting geldt ook voor de vertegenwoordigers van de mededingingsautoriteit en voor de deskundigen die deelnemen aan de vergaderingen van het adviescomité bedoeld in artikel 14 van de Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag, en in artikel 19 van de Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen.
Onverminderd de uitwisseling en het gebruik van de informatie bedoeld in Afdeling X van Hoofdstuk V mogen de raadsleden van de Raad, de leden van het Auditoraat, de griffiers en de ambtenaren van de Dienst voor de Mededinging, alsmede iedereen die onder hun gezag werkt, de informatie niet verspreiden waarvan zij kennis hebben wegens hun functie en die, omwille van haar aard, beschermd is door het beroepsgeheim. Deze verplichting geldt ook voor de vertegenwoordigers van de mededingingsautoriteit en voor de deskundigen die deelnemen aan de vergaderingen van het adviescomité bedoeld in artikel 14 van de Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag, en in artikel 19 van de Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen.
Art. 15. Sans préjudice des dispositions de la Section X du Chapitre V et des arrêtés royaux pris en vertu de l'article 24, alinéa 2, les informations détenues par les conseillers du Conseil, les membres de l'Auditorat, les greffiers et les fonctionnaires du Service de la concurrence, ainsi que toute autre personne travaillant sous leur autorité, ne peuvent être utilisées qu'aux fins pour lesquelles elles ont été recueillies.
Sans préjudice de l'échange et de l'utilisation des informations visées à la Section X du Chapitre V, les conseillers du Conseil, les membres de l'Auditorat, les greffiers et les fonctionnaires du Service de la concurrence, ainsi que toute autre personne travaillant sous leur autorité, ne peuvent divulguer les informations dont ils ont connaissance en raison de leurs fonctions et qui, de par leur nature, sont couvertes par le secret professionnel. Cette obligation s'impose également aux représentants de l'autorité de concurrence et aux experts qui participent aux réunions du comité consultatif visé à l'article 14 du Règlement (CE) n° 1/2003 du Conseil du 16 décembre 2002 relatif à la mise en oeuvre des règles de concurrence prévues aux articles 81 et 82 du Traité et à l'article 19 du Règlement (CE) n° 139/2004 du Conseil du 20 janvier 2004 relatif au contrôle des concentrations entre entreprises.
Sans préjudice de l'échange et de l'utilisation des informations visées à la Section X du Chapitre V, les conseillers du Conseil, les membres de l'Auditorat, les greffiers et les fonctionnaires du Service de la concurrence, ainsi que toute autre personne travaillant sous leur autorité, ne peuvent divulguer les informations dont ils ont connaissance en raison de leurs fonctions et qui, de par leur nature, sont couvertes par le secret professionnel. Cette obligation s'impose également aux représentants de l'autorité de concurrence et aux experts qui participent aux réunions du comité consultatif visé à l'article 14 du Règlement (CE) n° 1/2003 du Conseil du 16 décembre 2002 relatif à la mise en oeuvre des règles de concurrence prévues aux articles 81 et 82 du Traité et à l'article 19 du Règlement (CE) n° 139/2004 du Conseil du 20 janvier 2004 relatif au contrôle des concentrations entre entreprises.
Art. 16. Alle overtredingen van de artikelen 14 en 15 worden bestraft met de straffen bepaald in artikel 458 van het Strafwetboek.
De voorschriften van het eerste boek van het Strafwetboek, met inbegrip van Hoofdstuk VII en artikel 85, zijn van toepassing op de overtredingen bedoeld in artikel 15.
De voorschriften van het eerste boek van het Strafwetboek, met inbegrip van Hoofdstuk VII en artikel 85, zijn van toepassing op de overtredingen bedoeld in artikel 15.
Art. 16. Toute infraction aux articles 14 et 15 est punie des peines prévues par l'article 458 du Code pénal.
Les dispositions du livre Ier du Code pénal, y compris le Chapitre VII et l'article 85, sont applicables aux infractions prévues par l'article 15.
Les dispositions du livre Ier du Code pénal, y compris le Chapitre VII et l'article 85, sont applicables aux infractions prévues par l'article 15.
Afdeling III. - Onverenigbaarheden.
Section III. - Des incompatibilités.
Art. 17. De functies van voltijds lid van de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1, lid van het Auditoraat en de griffie zijn onverenigbaar met de gerechtelijke functies, met de uitoefening van een openbaar mandaat toegekend door verkiezing, met elke bezoldigde functie of openbaar ambt van politieke of administratieve aard, met de ambten van notaris en gerechtsdeurwaarder, met het beroep van advocaat, met de militaire status en met de functie van bedienaar van een erkende eredienst.
Van het eerste lid mag enkel worden afgeweken :
1° wanneer het de uitoefening betreft van het ambt van professor, docent, lector of assistent in de instellingen voor hoger onderwijs, voor zover dat ambt niet wordt uitgeoefend gedurende meer dan twee halve dagen per week;
2° wanneer het de uitoefening betreft van de functie van lid van een examencommissie;
3° wanneer het de deelname betreft aan een commissie, een raad of een adviescomité, voorzover het aantal opdrachten of functies beperkt is tot twee en het gaat om opdrachten of functies die onbezoldigd worden uitgeoefend.
Deze afwijkingen worden toegekend door de minister.
Van het eerste lid mag enkel worden afgeweken :
1° wanneer het de uitoefening betreft van het ambt van professor, docent, lector of assistent in de instellingen voor hoger onderwijs, voor zover dat ambt niet wordt uitgeoefend gedurende meer dan twee halve dagen per week;
2° wanneer het de uitoefening betreft van de functie van lid van een examencommissie;
3° wanneer het de deelname betreft aan een commissie, een raad of een adviescomité, voorzover het aantal opdrachten of functies beperkt is tot twee en het gaat om opdrachten of functies die onbezoldigd worden uitgeoefend.
Deze afwijkingen worden toegekend door de minister.
Art. 17. Les fonctions de membre à temps plein de [1 l'Autorité belge de la concurrence]1, de membre de l'Auditorat et du greffe sont incompatibles avec les fonctions judiciaires, avec l'exercice d'un mandat public conféré par élection, avec toute fonction ou charge publique rémunérée d'ordre politique ou administratif, avec les charges de notaire et d'huissier de justice, avec la profession d'avocat, avec l'état de militaire et avec la fonction de ministre d'un culte reconnu.
Il ne peut être dérogé à l'alinéa 1er :
1° que lorsqu'il s'agit de l'exercice de fonctions de professeur, chargé de cours, maître de conférence ou assistant dans les établissements d'enseignement supérieur, pour autant que ces fonctions ne s'exercent pas pendant plus de deux demi-journées par semaine;
2° que lorsqu'il s'agit de l'exercice de fonctions de membre d'un jury d'examen;
3° que lorsqu'il s'agit de la participation à une commission, à un conseil ou comité consultatif, pour autant que le nombre de missions ou de fonctions soit limité à deux et qu'il s'agisse de charges ou fonctions non rémunérées.
Ces dérogations sont accordées par le ministre.
Il ne peut être dérogé à l'alinéa 1er :
1° que lorsqu'il s'agit de l'exercice de fonctions de professeur, chargé de cours, maître de conférence ou assistant dans les établissements d'enseignement supérieur, pour autant que ces fonctions ne s'exercent pas pendant plus de deux demi-journées par semaine;
2° que lorsqu'il s'agit de l'exercice de fonctions de membre d'un jury d'examen;
3° que lorsqu'il s'agit de la participation à une commission, à un conseil ou comité consultatif, pour autant que le nombre de missions ou de fonctions soit limité à deux et qu'il s'agisse de charges ou fonctions non rémunérées.
Ces dérogations sont accordées par le ministre.
Art. 18. De functie van deeltijds lid van de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 is onverenigbaar met de uitoefening van een openbaar mandaat toegekend door verkiezing, met de militaire status en met de functie van bedienaar van een erkende eredienst.
De raadsheer in het Hof van beroep te Brussel, die deeltijds lid van de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 is, mag, tijdens de duur van zijn mandaat, geen kennis nemen van hoger beroep tegen beslissingen van de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 of van zijn voorzitter, en mag, ook na afloop van zijn mandaat, geen kennis nemen van hoger beroep tegen beslissingen in zaken waarin hij zitting heeft gehouden, een en ander op straffe van nietigheid van het arrest.
De raadsheer in het Hof van beroep te Brussel, die deeltijds lid van de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 is, mag, tijdens de duur van zijn mandaat, geen kennis nemen van hoger beroep tegen beslissingen van de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 of van zijn voorzitter, en mag, ook na afloop van zijn mandaat, geen kennis nemen van hoger beroep tegen beslissingen in zaken waarin hij zitting heeft gehouden, een en ander op straffe van nietigheid van het arrest.
Art. 18. La fonction de membre à temps partiel de [1 l'Autorité belge de la concurrence]1 est incompatible avec l'exercice d'un mandat public conféré par élection, avec l'état de militaire et avec la fonction de ministre d'un culte reconnu.
Le conseiller à la Cour d'appel de Bruxelles, membre à temps partiel de [1 l'Autorité belge de la concurrence]1, ne peut, pendant la durée de son mandat, prendre connaissance des appels contre les décisions de [1 l'Autorité belge de la concurrence]1 ou de son président, et ne peut, également après la fin de son mandat, prendre connaissance des appels contre des décisions concernant des affaires dans lesquelles il a siégé, à peine de nullité de l'arrêt dans chacun des cas.
Le conseiller à la Cour d'appel de Bruxelles, membre à temps partiel de [1 l'Autorité belge de la concurrence]1, ne peut, pendant la durée de son mandat, prendre connaissance des appels contre les décisions de [1 l'Autorité belge de la concurrence]1 ou de son président, et ne peut, également après la fin de son mandat, prendre connaissance des appels contre des décisions concernant des affaires dans lesquelles il a siégé, à peine de nullité de l'arrêt dans chacun des cas.
Art. 19. De raadsleden van de Raad, de leden van het Auditoraat, de griffiers, de personeelsleden van de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 en de ambtenaren van de Dienst voor de Mededinging, alsmede iedereen die onder hun gezag werkt, mogen mondeling noch schriftelijk de belangen van de betrokkenen verdedigen; zij mogen hen ook geen consult geven.
De raadsleden van de Raad, met uitzondering van die welke hun functie niet voltijds uitoefenen, de leden van het Auditoraat en de griffiers mogen de volgende activiteiten niet uitoefenen :
1° bezoldigde arbitrage doen;
2° hetzij persoonlijk, hetzij via een tussenpersoon enige vorm van handel drijven, zaakwaarnemer zijn of deelnemen aan de leiding of het bestuur van of het toezicht op handelsvennootschappen of nijverheids- of handelsvestigingen.
De raadsleden van de Raad, met uitzondering van die welke hun functie niet voltijds uitoefenen, de leden van het Auditoraat en de griffiers mogen de volgende activiteiten niet uitoefenen :
1° bezoldigde arbitrage doen;
2° hetzij persoonlijk, hetzij via een tussenpersoon enige vorm van handel drijven, zaakwaarnemer zijn of deelnemen aan de leiding of het bestuur van of het toezicht op handelsvennootschappen of nijverheids- of handelsvestigingen.
Art. 19. Les conseillers du Conseil, les membres de l'Auditorat, les greffiers, les membres du personnel de [1 l'Autorité belge de la concurrence]1 et les fonctionnaires du Service de la concurrence ainsi que toute personne travaillant sous leur autorité, ne peuvent assumer la défense des intéressés, ni verbalement ni par écrit, ni leur donner des consultations.
Les conseillers du Conseil, à l'exception de ceux n'exerçant pas leur fonction à temps plein, les membres de l'Auditorat et les greffiers ne peuvent :
1° faire de l'arbitrage rémunéré;
2° soit personnellement, soit par personne interposée, exercer aucune espèce de commerce, être agent d'affaires ou participer à la direction, à l'administration ou à la surveillance de sociétés commerciales ou d'établissements industriels ou commerciaux.
Les conseillers du Conseil, à l'exception de ceux n'exerçant pas leur fonction à temps plein, les membres de l'Auditorat et les greffiers ne peuvent :
1° faire de l'arbitrage rémunéré;
2° soit personnellement, soit par personne interposée, exercer aucune espèce de commerce, être agent d'affaires ou participer à la direction, à l'administration ou à la surveillance de sociétés commerciales ou d'établissements industriels ou commerciaux.
Afdeling IV. - De Commissie voor de Mededinging.
Section IV. - La Commission de la concurrence.
Art. 20. Er wordt in de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven een paritaire raadgevende commissie opgericht die Commissie voor de Mededinging wordt genoemd en die een adviserende bevoegdheid heeft voor alle algemene kwesties in verband met het mededingingsbeleid; zij oefent die bevoegdheid uit op eigen initiatief of op verzoek van de minister.
Art. 20. Il est institué, au sein du Conseil central de l'économie, une commission paritaire consultative dénommée Commission de la concurrence et ayant une compétence d'avis sur toutes les questions générales de politique de concurrence, qu'elle exerce de sa propre initiative ou à la demande du ministre.
Art. 21. De Koning bepaalt de samenstelling en de werking van de Commissie voor de Mededinging alsook van haar secretariaat.
Hij benoemt de leden bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
Hij bepaalt eveneens het bedrag van de vergoedingen toegekend aan de voorzitter en de leden van de Commissie alsook aan elke persoon die met de Commissie dient samen te werken.
Hij benoemt de leden bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
Hij bepaalt eveneens het bedrag van de vergoedingen toegekend aan de voorzitter en de leden van de Commissie alsook aan elke persoon die met de Commissie dient samen te werken.
Art. 21. Le Roi détermine la composition et le fonctionnement de la Commission de la concurrence ainsi que de son secrétariat.
Il en nomme les membres par arrêté délibéré en Conseil des Ministres.
Il fixe également le montant des allocations attribuées au président et aux membres de la Commission ainsi qu'à toute personne appelée à collaborer avec la Commission.
Il en nomme les membres par arrêté délibéré en Conseil des Ministres.
Il fixe également le montant des allocations attribuées au président et aux membres de la Commission ainsi qu'à toute personne appelée à collaborer avec la Commission.
HOOFDSTUK V. - Procedures.
CHAPITRE V. - Procédures.
Afdeling I. - Onderzoeksprocedure.
Section 1re. - Procédure d'instruction.
Art. 22. § 1. Het onderzoek van de zaken door het Auditoraat gebeurt :
1° op verzoek van de betrokkenen bedoeld bij artikel 10 in het geval van een aangemelde concentratie;
2° ambtshalve of op verzoek van de minister wanneer daartoe ernstige aanwijzingen bestaan of na een klacht van een natuurlijke of rechtspersoon die aantoont daarbij een rechtstreeks en dadelijk belang te hebben, in het geval van een inbreuk op de artikelen 3, § 1, 4, 10, § 1, of in geval van niet-naleving van een beslissing genomen krachtens de artikelen 10, § 5, 31, 36 of 37;
3° op verzoek van de minister van Middenstand, van een geëigende openbare instelling of ander overheidslichaam, belast met het toezicht of de controle op een economische sector in het geval van een inbreuk op artikel 3, § 1, op artikel 4 of op artikel 10, § 1;
4° ambtshalve, op verzoek van de minister of de algemene vergadering van de Raad met het oog op een koninklijk besluit tot groepsgewijze ontheffing van overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen op grond van artikel 28;
5° op verzoek van het Hof van beroep te Brussel in geval van toepassing van artikel 29, § 2, van de voornoemde wet van 10 juni 2006.
§ 2. Ter vervulling van de hen opgedragen taken, kunnen de auditeurs alle noodzakelijke inlichtingen inwinnen bij de ondernemingen en ondernemingsverenigingen. Zij bepalen de termijn binnen welke deze inlichtingen hen moeten worden medegedeeld.
Wanneer de auditeurs tot een onderneming of een ondernemingsvereniging een verzoek om inlichtingen richten, duiden zij de rechtsgrond en het doel van hun verzoek aan.
Indien een onderneming of vereniging van ondernemingen de gevraagde inlichtingen niet binnen de door de auditeur gestelde termijn verstrekt of indien de verstrekte inlichtingen onvolledig, onjuist of verdraaid zijn, kan de auditeur de inlichtingen bij een met redenen omklede beslissing eisen.
Deze beslissing omschrijft de gevraagde inlichtingen en bepaalt binnen welke termijn ze moeten worden verstrekt. Als de beslissing tot verzoek om inlichtingen gericht is tot een van de aanmeldende ondernemingen, schorst zij bovendien de in artikel 36 bedoelde termijn tot de dag waarop de inlichtingen worden verstrekt of uiterlijk tot de dag waarop de termijn, bepaald door de auditeur, verstrijkt.
De beslissing wordt door de auditeur ter kennis gebracht van de ondernemingen waarvan de inlichtingen worden geëist.
§ 3. Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie, zijn de auditeurs en de door de minister gemachtigde ambtenaren van de Dienst voor de Mededinging bevoegd om overtredingen van deze wet op te sporen en om deze overtredingen vast te stellen bij processen-verbaal die gelden als bewijs tot het tegendeel is bewezen.
Zij zijn eveneens bevoegd om alle inlichtingen op te sporen en om alle noodzakelijke vaststellingen te doen met het oog op de toepassing van de artikelen 7 tot 11.
Bij de uitvoering van de hun toevertrouwde opdrachten, zijn zij onderworpen aan het toezicht van de procureur-generaal.
Zij verzamelen alle inlichtingen, nemen alle geschreven of mondelinge verklaringen of getuigenissen af, doen zich alle documenten of inlichtingen, wie ook de houder ervan is, mededelen, die zij nodig achten ter vervulling van hun opdracht en waarvan zij kopie mogen nemen, en doen ter plaatse de nodige vaststellingen.
Zij mogen een huiszoeking verrichten :
1° in de woning van de ondernemingshoofden, bestuurders, zaakvoerders, directeurs, en andere personeelsleden alsook in de woning en in de lokalen die gebruikt worden voor professionele doeleinden van natuurlijke en rechtspersonen, intern of extern, belast met het commercieel, boekhoudkundig, administratief, fiscaal en financieel beheer, en zulks tussen 8 en 18 uur, en met voorafgaande machtiging door een onderzoeksrechter;
2° in de lokalen, vervoermiddelen en andere plaatsen van de ondernemingen waar zij redelijkerwijze vermoeden bescheiden of gegevens te kunnen vinden, welke zij voor het vervullen van hun opdracht nodig achten en waarvan zij kopie mogen nemen, en zulks tussen 8 en 18 uur en met een voorafgaande machtiging door de voorzitter van de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1.
Bij het volbrengen van hun opdracht kunnen zij ter plaatse beslag leggen en verzegelen voor de duur van, en voor zover nodig voor, hun opdracht maar niet langer dan 72 uur in andere lokalen dan deze van de ondernemingen of ondernemingsverenigingen. Deze maatregelen worden vastgesteld in een proces-verbaal. Een kopie van dit proces-verbaal wordt bezorgd aan de persoon ten aanzien van wie deze maatregelen zijn genomen.
Bij het volbrengen van hun opdracht kunnen zij een beroep doen op de openbare macht.
Om over te gaan tot een huiszoeking, een beslaglegging of een verzegeling, moeten de in het eerste lid bedoelde ambtenaren bovendien houder zijn van een specifiek opdrachtbevel afgegeven door de auditeur. Dit bevel vermeldt het voorwerp en het doel van hun opdracht.
De auditeurs kunnen deskundigen aanstellen wier raadgevende opdracht zij bepalen. De auditeurs kunnen ook een beroep doen op de ambtenaren van de Algemene Directie Controle en Bemiddeling van de Federale Overheidsdienst Economie, KMO, Middenstand en Energie.
§ 4. Ongeacht de bijzondere wetten, die de geheimhouding van de mededelingen waarborgen, zijn de openbare besturen de auditeurs en de ambtenaren van de Dienst voor de Mededinging bij de uitvoering van hun opdracht behulpzaam.
§ 5. Bij de uitoefening van hun onderzoeksbevoegdheid houden de auditeurs, de ambtenaren van de Dienst voor de Mededinging en de ambtenaren van de Algemene Directie Controle en Bemiddeling zich voor :
1° het verhoor van personen aan de bepalingen van artikel 31, uitgezonderd het derde lid, van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;
2° de opstelling van de oproepingen, processen-verbaal en rapporten, aan de bepalingen van artikel 11 van dezelfde wet. Wanneer meerdere personen het voorwerp uitmaken van het onderzoek, zal het rapport van de auditeur bedoeld in artikel 23, § 4, opgesteld worden in de taal van de meerderheid, rekening houdend met de bepalingen van voornoemd artikel 11. Wanneer er pariteit is, wordt gebruik gemaakt van één der landstalen volgens de noodwendigheden van de zaak.
§ 6. Alvorens het met redenen omkleed verslag zoals bepaald in de artikelen 23, § 4, 33, § 4, 37, § 2, of 40, § 5, bij de Raad neer te leggen, stelt het Auditoraat of de auditeur een inventaris op van alle documenten en gegevens verzameld tijdens het onderzoek en spreekt zich uit over hun vertrouwelijkheid.
De vertrouwelijkheid van de gegevens en documenten wordt beoordeeld ten aanzien van elke natuurlijke of rechtspersoon die kennis krijgt van het met redenen omkleed verslag.
§ 7. Wanneer het Auditoraat of de auditeur van oordeel is dat ten aanzien van de betrokken onderneming gegevens die door de natuurlijke of rechtspersoon die deze gegevens heeft verstrekt als vertrouwelijk zijn aangemerkt, niet als vertrouwelijk kunnen worden beschouwd, stelt hij deze natuurlijke of rechtspersoon hiervan per brief, fax of via e-mail op de hoogte en nodigt hen uit om hierover per brief, fax of via e-mail een standpunt mee te delen binnen de door hem bepaalde termijn.
Het Auditoraat of de auditeur spreekt zich vervolgens uit. Het Auditoraat of de auditeur kan beslissen dat het belang van een effectieve toepassing van deze wet zwaarder weegt dan de bescherming van het vertrouwelijke karakter van de verstrekte gegevens. Het Auditoraat of de auditeur deelt zijn beslissing mee aan de natuurlijke of rechtspersoon die de gegevens heeft verstrekt.
Wanneer het Auditoraat of de auditeur de vertrouwelijkheid van de gegevens aanvaardt, verzoekt hij, binnen de termijn die hij bepaalt, de natuurlijke of rechtspersoon die de vertrouwelijke gegevens heeft verstrekt om een niet-vertrouwelijke samenvatting of versie van het betreffende document, voorzover zulke samenvatting of versie zich nog niet in het dossier bevindt. De vertrouwelijke documenten worden vervolgens uit het onderzoeksdossier verwijderd en vervangen door de niet-vertrouwelijke samenvatting of versie.
Wanneer het Auditoraat of de auditeur de vertrouwelijkheid van de gegevens niet aanvaardt, deelt hij dit mee aan de natuurlijke of rechtspersoon die de gegevens heeft verstrekt met vermelding van de redenen waarom de gegevens niet als vertrouwelijk kunnen worden aangemerkt. Deze mededeling gebeurt per brief, fax of via e-mail.
§ 8. De natuurlijke of rechtspersoon die de gegevens heeft verstrekt, kan, binnen een termijn van tien dagen nadat de beslissing van het Auditoraat of van de auditeur werd meegedeeld, een beroep tegen deze beslissing instellen bij de Raad. Deze termijn wordt herleid tot twee werkdagen bij onderzoek of beslissing inzake concentraties.
Een raadslid van de Raad, aangewezen door de voorzitter, dat vervolgens geen zitting zal hebben in de kamer die de zaak behandelt, spreekt zich binnen een termijn van tien dagen uit over het beroep. Deze termijn bedraagt twee werkdagen bij onderzoek of beslissingen inzake concentraties. Deze beslissing is niet vatbaar voor een afzonderlijk hoger beroep bij het Hof van beroep te Brussel.
§ 9. Het Auditoraat of de auditeur deelt geen vertrouwelijke gegevens mee zolang het raadslid van de Raad zich niet heeft uitgesproken over het beroep.
1° op verzoek van de betrokkenen bedoeld bij artikel 10 in het geval van een aangemelde concentratie;
2° ambtshalve of op verzoek van de minister wanneer daartoe ernstige aanwijzingen bestaan of na een klacht van een natuurlijke of rechtspersoon die aantoont daarbij een rechtstreeks en dadelijk belang te hebben, in het geval van een inbreuk op de artikelen 3, § 1, 4, 10, § 1, of in geval van niet-naleving van een beslissing genomen krachtens de artikelen 10, § 5, 31, 36 of 37;
3° op verzoek van de minister van Middenstand, van een geëigende openbare instelling of ander overheidslichaam, belast met het toezicht of de controle op een economische sector in het geval van een inbreuk op artikel 3, § 1, op artikel 4 of op artikel 10, § 1;
4° ambtshalve, op verzoek van de minister of de algemene vergadering van de Raad met het oog op een koninklijk besluit tot groepsgewijze ontheffing van overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen op grond van artikel 28;
5° op verzoek van het Hof van beroep te Brussel in geval van toepassing van artikel 29, § 2, van de voornoemde wet van 10 juni 2006.
§ 2. Ter vervulling van de hen opgedragen taken, kunnen de auditeurs alle noodzakelijke inlichtingen inwinnen bij de ondernemingen en ondernemingsverenigingen. Zij bepalen de termijn binnen welke deze inlichtingen hen moeten worden medegedeeld.
Wanneer de auditeurs tot een onderneming of een ondernemingsvereniging een verzoek om inlichtingen richten, duiden zij de rechtsgrond en het doel van hun verzoek aan.
Indien een onderneming of vereniging van ondernemingen de gevraagde inlichtingen niet binnen de door de auditeur gestelde termijn verstrekt of indien de verstrekte inlichtingen onvolledig, onjuist of verdraaid zijn, kan de auditeur de inlichtingen bij een met redenen omklede beslissing eisen.
Deze beslissing omschrijft de gevraagde inlichtingen en bepaalt binnen welke termijn ze moeten worden verstrekt. Als de beslissing tot verzoek om inlichtingen gericht is tot een van de aanmeldende ondernemingen, schorst zij bovendien de in artikel 36 bedoelde termijn tot de dag waarop de inlichtingen worden verstrekt of uiterlijk tot de dag waarop de termijn, bepaald door de auditeur, verstrijkt.
De beslissing wordt door de auditeur ter kennis gebracht van de ondernemingen waarvan de inlichtingen worden geëist.
§ 3. Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie, zijn de auditeurs en de door de minister gemachtigde ambtenaren van de Dienst voor de Mededinging bevoegd om overtredingen van deze wet op te sporen en om deze overtredingen vast te stellen bij processen-verbaal die gelden als bewijs tot het tegendeel is bewezen.
Zij zijn eveneens bevoegd om alle inlichtingen op te sporen en om alle noodzakelijke vaststellingen te doen met het oog op de toepassing van de artikelen 7 tot 11.
Bij de uitvoering van de hun toevertrouwde opdrachten, zijn zij onderworpen aan het toezicht van de procureur-generaal.
Zij verzamelen alle inlichtingen, nemen alle geschreven of mondelinge verklaringen of getuigenissen af, doen zich alle documenten of inlichtingen, wie ook de houder ervan is, mededelen, die zij nodig achten ter vervulling van hun opdracht en waarvan zij kopie mogen nemen, en doen ter plaatse de nodige vaststellingen.
Zij mogen een huiszoeking verrichten :
1° in de woning van de ondernemingshoofden, bestuurders, zaakvoerders, directeurs, en andere personeelsleden alsook in de woning en in de lokalen die gebruikt worden voor professionele doeleinden van natuurlijke en rechtspersonen, intern of extern, belast met het commercieel, boekhoudkundig, administratief, fiscaal en financieel beheer, en zulks tussen 8 en 18 uur, en met voorafgaande machtiging door een onderzoeksrechter;
2° in de lokalen, vervoermiddelen en andere plaatsen van de ondernemingen waar zij redelijkerwijze vermoeden bescheiden of gegevens te kunnen vinden, welke zij voor het vervullen van hun opdracht nodig achten en waarvan zij kopie mogen nemen, en zulks tussen 8 en 18 uur en met een voorafgaande machtiging door de voorzitter van de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1.
Bij het volbrengen van hun opdracht kunnen zij ter plaatse beslag leggen en verzegelen voor de duur van, en voor zover nodig voor, hun opdracht maar niet langer dan 72 uur in andere lokalen dan deze van de ondernemingen of ondernemingsverenigingen. Deze maatregelen worden vastgesteld in een proces-verbaal. Een kopie van dit proces-verbaal wordt bezorgd aan de persoon ten aanzien van wie deze maatregelen zijn genomen.
Bij het volbrengen van hun opdracht kunnen zij een beroep doen op de openbare macht.
Om over te gaan tot een huiszoeking, een beslaglegging of een verzegeling, moeten de in het eerste lid bedoelde ambtenaren bovendien houder zijn van een specifiek opdrachtbevel afgegeven door de auditeur. Dit bevel vermeldt het voorwerp en het doel van hun opdracht.
De auditeurs kunnen deskundigen aanstellen wier raadgevende opdracht zij bepalen. De auditeurs kunnen ook een beroep doen op de ambtenaren van de Algemene Directie Controle en Bemiddeling van de Federale Overheidsdienst Economie, KMO, Middenstand en Energie.
§ 4. Ongeacht de bijzondere wetten, die de geheimhouding van de mededelingen waarborgen, zijn de openbare besturen de auditeurs en de ambtenaren van de Dienst voor de Mededinging bij de uitvoering van hun opdracht behulpzaam.
§ 5. Bij de uitoefening van hun onderzoeksbevoegdheid houden de auditeurs, de ambtenaren van de Dienst voor de Mededinging en de ambtenaren van de Algemene Directie Controle en Bemiddeling zich voor :
1° het verhoor van personen aan de bepalingen van artikel 31, uitgezonderd het derde lid, van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;
2° de opstelling van de oproepingen, processen-verbaal en rapporten, aan de bepalingen van artikel 11 van dezelfde wet. Wanneer meerdere personen het voorwerp uitmaken van het onderzoek, zal het rapport van de auditeur bedoeld in artikel 23, § 4, opgesteld worden in de taal van de meerderheid, rekening houdend met de bepalingen van voornoemd artikel 11. Wanneer er pariteit is, wordt gebruik gemaakt van één der landstalen volgens de noodwendigheden van de zaak.
§ 6. Alvorens het met redenen omkleed verslag zoals bepaald in de artikelen 23, § 4, 33, § 4, 37, § 2, of 40, § 5, bij de Raad neer te leggen, stelt het Auditoraat of de auditeur een inventaris op van alle documenten en gegevens verzameld tijdens het onderzoek en spreekt zich uit over hun vertrouwelijkheid.
De vertrouwelijkheid van de gegevens en documenten wordt beoordeeld ten aanzien van elke natuurlijke of rechtspersoon die kennis krijgt van het met redenen omkleed verslag.
§ 7. Wanneer het Auditoraat of de auditeur van oordeel is dat ten aanzien van de betrokken onderneming gegevens die door de natuurlijke of rechtspersoon die deze gegevens heeft verstrekt als vertrouwelijk zijn aangemerkt, niet als vertrouwelijk kunnen worden beschouwd, stelt hij deze natuurlijke of rechtspersoon hiervan per brief, fax of via e-mail op de hoogte en nodigt hen uit om hierover per brief, fax of via e-mail een standpunt mee te delen binnen de door hem bepaalde termijn.
Het Auditoraat of de auditeur spreekt zich vervolgens uit. Het Auditoraat of de auditeur kan beslissen dat het belang van een effectieve toepassing van deze wet zwaarder weegt dan de bescherming van het vertrouwelijke karakter van de verstrekte gegevens. Het Auditoraat of de auditeur deelt zijn beslissing mee aan de natuurlijke of rechtspersoon die de gegevens heeft verstrekt.
Wanneer het Auditoraat of de auditeur de vertrouwelijkheid van de gegevens aanvaardt, verzoekt hij, binnen de termijn die hij bepaalt, de natuurlijke of rechtspersoon die de vertrouwelijke gegevens heeft verstrekt om een niet-vertrouwelijke samenvatting of versie van het betreffende document, voorzover zulke samenvatting of versie zich nog niet in het dossier bevindt. De vertrouwelijke documenten worden vervolgens uit het onderzoeksdossier verwijderd en vervangen door de niet-vertrouwelijke samenvatting of versie.
Wanneer het Auditoraat of de auditeur de vertrouwelijkheid van de gegevens niet aanvaardt, deelt hij dit mee aan de natuurlijke of rechtspersoon die de gegevens heeft verstrekt met vermelding van de redenen waarom de gegevens niet als vertrouwelijk kunnen worden aangemerkt. Deze mededeling gebeurt per brief, fax of via e-mail.
§ 8. De natuurlijke of rechtspersoon die de gegevens heeft verstrekt, kan, binnen een termijn van tien dagen nadat de beslissing van het Auditoraat of van de auditeur werd meegedeeld, een beroep tegen deze beslissing instellen bij de Raad. Deze termijn wordt herleid tot twee werkdagen bij onderzoek of beslissing inzake concentraties.
Een raadslid van de Raad, aangewezen door de voorzitter, dat vervolgens geen zitting zal hebben in de kamer die de zaak behandelt, spreekt zich binnen een termijn van tien dagen uit over het beroep. Deze termijn bedraagt twee werkdagen bij onderzoek of beslissingen inzake concentraties. Deze beslissing is niet vatbaar voor een afzonderlijk hoger beroep bij het Hof van beroep te Brussel.
§ 9. Het Auditoraat of de auditeur deelt geen vertrouwelijke gegevens mee zolang het raadslid van de Raad zich niet heeft uitgesproken over het beroep.
Art. 22. § 1er. L'instruction des affaires par l'Auditorat se fait :
1° sur demande des intéressés visés à l'article 10 dans le cas d'une concentration notifiée;
2° d'office ou à la demande du ministre lorsque des indications sérieuses le justifient ou sur plainte d'une personne physique ou morale démontrant un intérêt direct et actuel dans le cas d'une infraction aux articles 3, § 1er, 4, 10, § 1er, ou en cas de non respect d'une décision prise en vertu des articles 10, § 5, 31, 36 ou 37;
3° sur demande du ministre des Classes moyennes, d'un organisme public ou d'une autre institution publique spécifique, chargés du contrôle ou de la surveillance d'un secteur économique dans le cas d'une infraction à l'article 3, § 1er, à l'article 4 ou à l'article 10, § 1er;
4° d'office, sur demande du ministre ou de l'assemblée générale du Conseil en vue d'un arrêté royal d'exemption par catégorie d'accords, de décisions et de pratiques concertées sur la base de l'article 28;
5° sur demande de la Cour d'appel de Bruxelles dans le cas de l'application de l'article 29, § 2, de la loi du 10 juin 2006 précitée.
§ 2. Dans l'accomplissement des tâches qui leur sont assignées, les auditeurs peuvent recueillir tous les renseignements nécessaires auprès des entreprises et des associations d'entreprises. Ils fixent le délai dans lequel ces renseignements doivent leur être communiqués.
Lorsque les auditeurs adressent une demande de renseignements à une entreprise ou une association d'entreprises, ils indiquent la base juridique et le but de leur demande.
Si une entreprise ou une association d'entreprises ne fournit pas les renseignements dans le délai imparti par l'auditeur ou les fournit de façon incomplète, inexacte ou dénaturée, l'auditeur peut exiger les renseignements par décision motivée.
Cette décision précise les renseignements demandés et fixe le délai dans lequel les renseignements doivent être fournis. Lorsque la décision de demande de renseignements est adressée à l'une des entreprises notifiantes, elle suspend en outre les délais visés à l'article 36 jusqu'au jour de la fourniture des renseignements ou au plus tard le jour de l'expiration du délai fixé par l'auditeur.
L'auditeur notifie sa décision aux entreprises desquelles les renseignements sont exigés.
§ 3. Sans préjudice des pouvoirs des officiers de police judiciaire, les auditeurs et les fonctionnaires du Service de la concurrence commissionnés par le ministre sont compétents pour rechercher les infractions à la présente loi et pour constater ces infractions par des procès-verbaux faisant foi jusqu'à preuve du contraire.
Ils sont aussi compétents pour rechercher toute information utile et pour faire toute constatation nécessaire en vue de l'application des articles 7 à 11.
Dans l'exercice des missions qui leur sont confiées, ils sont soumis à la surveillance du procureur général.
Ils recueillent tous renseignements, reçoivent toutes dépositions ou tous témoignages écrits ou oraux, se font communiquer, quel qu'en soit le détenteur, tous documents ou éléments d'information qu'ils estiment nécessaires à l'accomplissement de leur mission et dont ils peuvent prendre copie et procèdent sur place aux constatations nécessaires.
Ils peuvent procéder à des perquisitions :
1° au domicile des chefs d'entreprise, administrateurs, gérants, directeurs, et autres membres du personnel ainsi qu'au domicile et dans les locaux professionnels des personnes physiques ou morales, internes ou externes, chargées de la gestion commerciale, comptable, administrative, fiscale et financière, entre 8 et 18 heures, avec l'autorisation préalable d'un juge d'instruction;
2° dans les locaux, moyens de transport et autres lieux des entreprises où ils ont des raisons de croire qu'ils trouveront des documents ou éléments d'information qu'ils estiment nécessaires à l'accomplissement de leur mission et dont ils peuvent prendre copie, entre 8 et 18 heures, avec l'autorisation préalable du président de [1 l'Autorité belge de la concurrence]1.
Dans l'accomplissement de leur mission, ils peuvent saisir sur place et apposer des scellés pour la durée de leur mission et dans la mesure où cela est nécessaire aux fins de celle-ci, sans pouvoir excéder 72 heures, dans des locaux autres que ceux des entreprises ou d'associations d'entreprises. Ces mesures sont constatées dans un procès-verbal. Une copie de ce procès-verbal est remise à la personne qui a fait l'objet de ces mesures.
Dans l'accomplissement de leur mission, ils peuvent requérir la force publique.
Pour procéder à une perquisition, une saisie ou une apposition de scellés, les fonctionnaires visés à l'alinéa 1er doivent en outre être porteurs d'un ordre de mission spécifique délivré par l'auditeur. Cet ordre de mission précise l'objet et le but de leur mission.
Les auditeurs peuvent commettre des experts dont ils déterminent la mission consultative. Les auditeurs peuvent aussi avoir recours aux fonctionnaires de la Direction générale du Contrôle et de la Médiation du Service public fédéral Economie, PME, Classes moyennes et Energie.
§ 4. Nonobstant les lois particulières qui garantissent le secret des déclarations, les administrations publiques prêtent leur concours aux auditeurs et aux fonctionnaires du Service de la concurrence dans l'exécution de leur mission.
§ 5. Dans l'exercice de leur mission d'instruction, les auditeurs, les fonctionnaires du Service de la concurrence et les fonctionnaires de la Direction générale du Contrôle et de la Médiation se conforment pour :
1° l'audition des personnes, aux dispositions de l'article 31, alinéa 3 excepté, de la loi du 15 juin 1935 concernant l'emploi des langues en matière judiciaire;
2° la rédaction des convocations, procès-verbaux et rapports, aux dispositions de l'article 11 de la même loi. Lorsque plusieurs personnes font l'objet de l'instruction, le rapport de l'auditeur visé à l'article 23, § 4, sera rédigé dans la langue de la majorité établie en tenant compte des dispositions dudit article 11. En cas de parité, il sera fait usage de l'une des langues nationales suivant les besoins de la cause.
§ 6. Avant de transmettre au Conseil le rapport motivé visé aux articles 23, § 4, 33, § 4, 37, § 2, ou 40, § 5, l'Auditorat ou l'auditeur établit un inventaire de tous les documents et données rassemblés au cours de l'instruction, et se prononce sur leur confidentialité.
Le caractère confidentiel des données et documents est déterminé à l'égard de chaque personne physique ou morale qui prend connaissance du rapport motivé.
§ 7. Lorsque l'Auditorat ou l'auditeur est d'avis que des données qui ont été qualifiées de confidentielles par les personnes physiques ou morales qui les ont fournies, n'ont pas de caractère confidentiel vis-à-vis de l'entreprise concernée, il en avertit par lettre, télécopie ou courrier électronique les personnes physiques ou morales ayant fourni ces données et les invite à prendre position sur ce point par lettre, télécopie ou courrier électronique dans le délai fixé par lui.
L'Auditorat ou l'auditeur se prononce ensuite. L'Auditorat ou l'auditeur peut décider que l'intérêt d'une application effective de la présente loi l'emporte sur la protection du caractère confidentiel des données en cause. L'Auditorat ou l'auditeur notifie sa décision aux personnes physiques ou morales ayant fourni ces données.
Lorsque l'Auditorat ou l'auditeur accepte le caractère confidentiel des données, il demande, dans le délai qu'il fixe, à la personne physique ou morale ayant fourni les données, d'établir un résumé ou une version non-confidentiel du document en cause, pour autant qu'un tel résumé ou version ne se trouve pas déjà au dossier. Les documents confidentiels sont ensuite retirés du dossier et remplacés par le résumé ou version non-confidentiel.
Lorsque l'Auditorat ou l'auditeur n'accepte pas le caractère confidentiel des données, il en informe la personne physique ou morale ayant fourni les données en mentionnant les raisons pour lesquelles ces données ne peuvent être considérées comme confidentielles. Cette communication se fait par lettre, télécopie ou courrier électronique.
§ 8. La personne physique ou morale ayant fourni lesdites données peut, dans un délai de dix jours suivant la communication de la décision de l'Auditorat ou de l'auditeur, former un recours contre cette décision auprès du Conseil. Le délai est de deux jours ouvrables dans l'hypothèse d'une instruction ou décision en matière de concentration.
Un conseiller du Conseil, désigné par le président, qui ne siégera pas par la suite au sein de la chambre qui connaît de l'affaire, se prononce dans un délai de dix jours sur le recours. Le délai est de deux jours ouvrables dans l'hypothèse d'une instruction ou décision en matière de concentration. Un appel distinct ne peut être interjeté devant la Cour d'appel de Bruxelles contre pareille décision.
§ 9. L'Auditorat ou l'auditeur ne peut communiquer aucune donnée confidentielle tant que le conseiller du Conseil ne s'est pas prononcé sur le recours.
1° sur demande des intéressés visés à l'article 10 dans le cas d'une concentration notifiée;
2° d'office ou à la demande du ministre lorsque des indications sérieuses le justifient ou sur plainte d'une personne physique ou morale démontrant un intérêt direct et actuel dans le cas d'une infraction aux articles 3, § 1er, 4, 10, § 1er, ou en cas de non respect d'une décision prise en vertu des articles 10, § 5, 31, 36 ou 37;
3° sur demande du ministre des Classes moyennes, d'un organisme public ou d'une autre institution publique spécifique, chargés du contrôle ou de la surveillance d'un secteur économique dans le cas d'une infraction à l'article 3, § 1er, à l'article 4 ou à l'article 10, § 1er;
4° d'office, sur demande du ministre ou de l'assemblée générale du Conseil en vue d'un arrêté royal d'exemption par catégorie d'accords, de décisions et de pratiques concertées sur la base de l'article 28;
5° sur demande de la Cour d'appel de Bruxelles dans le cas de l'application de l'article 29, § 2, de la loi du 10 juin 2006 précitée.
§ 2. Dans l'accomplissement des tâches qui leur sont assignées, les auditeurs peuvent recueillir tous les renseignements nécessaires auprès des entreprises et des associations d'entreprises. Ils fixent le délai dans lequel ces renseignements doivent leur être communiqués.
Lorsque les auditeurs adressent une demande de renseignements à une entreprise ou une association d'entreprises, ils indiquent la base juridique et le but de leur demande.
Si une entreprise ou une association d'entreprises ne fournit pas les renseignements dans le délai imparti par l'auditeur ou les fournit de façon incomplète, inexacte ou dénaturée, l'auditeur peut exiger les renseignements par décision motivée.
Cette décision précise les renseignements demandés et fixe le délai dans lequel les renseignements doivent être fournis. Lorsque la décision de demande de renseignements est adressée à l'une des entreprises notifiantes, elle suspend en outre les délais visés à l'article 36 jusqu'au jour de la fourniture des renseignements ou au plus tard le jour de l'expiration du délai fixé par l'auditeur.
L'auditeur notifie sa décision aux entreprises desquelles les renseignements sont exigés.
§ 3. Sans préjudice des pouvoirs des officiers de police judiciaire, les auditeurs et les fonctionnaires du Service de la concurrence commissionnés par le ministre sont compétents pour rechercher les infractions à la présente loi et pour constater ces infractions par des procès-verbaux faisant foi jusqu'à preuve du contraire.
Ils sont aussi compétents pour rechercher toute information utile et pour faire toute constatation nécessaire en vue de l'application des articles 7 à 11.
Dans l'exercice des missions qui leur sont confiées, ils sont soumis à la surveillance du procureur général.
Ils recueillent tous renseignements, reçoivent toutes dépositions ou tous témoignages écrits ou oraux, se font communiquer, quel qu'en soit le détenteur, tous documents ou éléments d'information qu'ils estiment nécessaires à l'accomplissement de leur mission et dont ils peuvent prendre copie et procèdent sur place aux constatations nécessaires.
Ils peuvent procéder à des perquisitions :
1° au domicile des chefs d'entreprise, administrateurs, gérants, directeurs, et autres membres du personnel ainsi qu'au domicile et dans les locaux professionnels des personnes physiques ou morales, internes ou externes, chargées de la gestion commerciale, comptable, administrative, fiscale et financière, entre 8 et 18 heures, avec l'autorisation préalable d'un juge d'instruction;
2° dans les locaux, moyens de transport et autres lieux des entreprises où ils ont des raisons de croire qu'ils trouveront des documents ou éléments d'information qu'ils estiment nécessaires à l'accomplissement de leur mission et dont ils peuvent prendre copie, entre 8 et 18 heures, avec l'autorisation préalable du président de [1 l'Autorité belge de la concurrence]1.
Dans l'accomplissement de leur mission, ils peuvent saisir sur place et apposer des scellés pour la durée de leur mission et dans la mesure où cela est nécessaire aux fins de celle-ci, sans pouvoir excéder 72 heures, dans des locaux autres que ceux des entreprises ou d'associations d'entreprises. Ces mesures sont constatées dans un procès-verbal. Une copie de ce procès-verbal est remise à la personne qui a fait l'objet de ces mesures.
Dans l'accomplissement de leur mission, ils peuvent requérir la force publique.
Pour procéder à une perquisition, une saisie ou une apposition de scellés, les fonctionnaires visés à l'alinéa 1er doivent en outre être porteurs d'un ordre de mission spécifique délivré par l'auditeur. Cet ordre de mission précise l'objet et le but de leur mission.
Les auditeurs peuvent commettre des experts dont ils déterminent la mission consultative. Les auditeurs peuvent aussi avoir recours aux fonctionnaires de la Direction générale du Contrôle et de la Médiation du Service public fédéral Economie, PME, Classes moyennes et Energie.
§ 4. Nonobstant les lois particulières qui garantissent le secret des déclarations, les administrations publiques prêtent leur concours aux auditeurs et aux fonctionnaires du Service de la concurrence dans l'exécution de leur mission.
§ 5. Dans l'exercice de leur mission d'instruction, les auditeurs, les fonctionnaires du Service de la concurrence et les fonctionnaires de la Direction générale du Contrôle et de la Médiation se conforment pour :
1° l'audition des personnes, aux dispositions de l'article 31, alinéa 3 excepté, de la loi du 15 juin 1935 concernant l'emploi des langues en matière judiciaire;
2° la rédaction des convocations, procès-verbaux et rapports, aux dispositions de l'article 11 de la même loi. Lorsque plusieurs personnes font l'objet de l'instruction, le rapport de l'auditeur visé à l'article 23, § 4, sera rédigé dans la langue de la majorité établie en tenant compte des dispositions dudit article 11. En cas de parité, il sera fait usage de l'une des langues nationales suivant les besoins de la cause.
§ 6. Avant de transmettre au Conseil le rapport motivé visé aux articles 23, § 4, 33, § 4, 37, § 2, ou 40, § 5, l'Auditorat ou l'auditeur établit un inventaire de tous les documents et données rassemblés au cours de l'instruction, et se prononce sur leur confidentialité.
Le caractère confidentiel des données et documents est déterminé à l'égard de chaque personne physique ou morale qui prend connaissance du rapport motivé.
§ 7. Lorsque l'Auditorat ou l'auditeur est d'avis que des données qui ont été qualifiées de confidentielles par les personnes physiques ou morales qui les ont fournies, n'ont pas de caractère confidentiel vis-à-vis de l'entreprise concernée, il en avertit par lettre, télécopie ou courrier électronique les personnes physiques ou morales ayant fourni ces données et les invite à prendre position sur ce point par lettre, télécopie ou courrier électronique dans le délai fixé par lui.
L'Auditorat ou l'auditeur se prononce ensuite. L'Auditorat ou l'auditeur peut décider que l'intérêt d'une application effective de la présente loi l'emporte sur la protection du caractère confidentiel des données en cause. L'Auditorat ou l'auditeur notifie sa décision aux personnes physiques ou morales ayant fourni ces données.
Lorsque l'Auditorat ou l'auditeur accepte le caractère confidentiel des données, il demande, dans le délai qu'il fixe, à la personne physique ou morale ayant fourni les données, d'établir un résumé ou une version non-confidentiel du document en cause, pour autant qu'un tel résumé ou version ne se trouve pas déjà au dossier. Les documents confidentiels sont ensuite retirés du dossier et remplacés par le résumé ou version non-confidentiel.
Lorsque l'Auditorat ou l'auditeur n'accepte pas le caractère confidentiel des données, il en informe la personne physique ou morale ayant fourni les données en mentionnant les raisons pour lesquelles ces données ne peuvent être considérées comme confidentielles. Cette communication se fait par lettre, télécopie ou courrier électronique.
§ 8. La personne physique ou morale ayant fourni lesdites données peut, dans un délai de dix jours suivant la communication de la décision de l'Auditorat ou de l'auditeur, former un recours contre cette décision auprès du Conseil. Le délai est de deux jours ouvrables dans l'hypothèse d'une instruction ou décision en matière de concentration.
Un conseiller du Conseil, désigné par le président, qui ne siégera pas par la suite au sein de la chambre qui connaît de l'affaire, se prononce dans un délai de dix jours sur le recours. Le délai est de deux jours ouvrables dans l'hypothèse d'une instruction ou décision en matière de concentration. Un appel distinct ne peut être interjeté devant la Cour d'appel de Bruxelles contre pareille décision.
§ 9. L'Auditorat ou l'auditeur ne peut communiquer aucune donnée confidentielle tant que le conseiller du Conseil ne s'est pas prononcé sur le recours.
Afdeling II. - Specifieke onderzoeksregels betreffende restrictieve mededingingspraktijken.
Section II. - Règles d'instruction spécifiques aux pratiques restrictives de concurrence.
Art. 23. § 1. De klachten en verzoeken betreffende de restrictieve mededingingspraktijken worden ingediend bij het Auditoraat.
§ 2. Indien het Auditoraat tot het besluit komt dat een klacht of een verzoek niet ontvankelijk of ongegrond is, seponeert het de klacht of het verzoek bij met redenen omklede beslissing. Deze beslissing wordt bij aangetekend schrijven betekend aan de indiener van de klacht of het verzoek; daarbij wordt aan de indiener meegedeeld dat hij het dossier op de griffie kan raadplegen, tegen betaling een kopie ervan kan krijgen en tegen de beslissing tot sepot een beroep kan instellen bij de Raad.
§ 3. Het beroep bedoeld in § 2 wordt, op straffe van nietigheid, ingesteld door middel van een met redenen omkleed en ondertekend verzoekschrift dat wordt ingediend bij de griffie binnen een termijn van dertig dagen na de kennisgeving van de beslissing. Het verzoekschrift beantwoordt, op straffe van nietigheid, aan de vereisten van artikel 29, § 2, derde lid, 1° tot 3°, 5° en 7°, van de voornoemde wet van 10 juni 2006. De kamer van de Raad doet uitspraak op stukken. Deze uitspraak van de kamer is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet. Indien de kamer het beroep gegrond acht, wordt het dossier terug overgemaakt aan het Auditoraat voor onderzoek en verslag aan de kamer.
§ 4. Indien het Auditoraat de klacht of het verzoek of desgevallend een ambtshalve onderzoek, gegrond acht, legt de auditeur het met redenen omkleed verslag namens het Auditoraat neer bij de kamer van de Raad. Dit verslag omvat het onderzoeksverslag, de punten van bezwaar en een voorstel tot beslissing; het is vergezeld van het onderzoeksdossier en van de inventaris van de stukken van dit dossier. De inventaris bepaalt de vertrouwelijkheid van de stukken ten aanzien van elke partij die toegang heeft tot het dossier.
Het verslag omvat eveneens een met redenen omkleed voorstel tot reglementering zoals bepaald in het tweede lid van artikel 28, § 1, indien de auditeur meent dat de concrete feiten een algemene reglementering noodzakelijk maken.
§ 2. Indien het Auditoraat tot het besluit komt dat een klacht of een verzoek niet ontvankelijk of ongegrond is, seponeert het de klacht of het verzoek bij met redenen omklede beslissing. Deze beslissing wordt bij aangetekend schrijven betekend aan de indiener van de klacht of het verzoek; daarbij wordt aan de indiener meegedeeld dat hij het dossier op de griffie kan raadplegen, tegen betaling een kopie ervan kan krijgen en tegen de beslissing tot sepot een beroep kan instellen bij de Raad.
§ 3. Het beroep bedoeld in § 2 wordt, op straffe van nietigheid, ingesteld door middel van een met redenen omkleed en ondertekend verzoekschrift dat wordt ingediend bij de griffie binnen een termijn van dertig dagen na de kennisgeving van de beslissing. Het verzoekschrift beantwoordt, op straffe van nietigheid, aan de vereisten van artikel 29, § 2, derde lid, 1° tot 3°, 5° en 7°, van de voornoemde wet van 10 juni 2006. De kamer van de Raad doet uitspraak op stukken. Deze uitspraak van de kamer is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet. Indien de kamer het beroep gegrond acht, wordt het dossier terug overgemaakt aan het Auditoraat voor onderzoek en verslag aan de kamer.
§ 4. Indien het Auditoraat de klacht of het verzoek of desgevallend een ambtshalve onderzoek, gegrond acht, legt de auditeur het met redenen omkleed verslag namens het Auditoraat neer bij de kamer van de Raad. Dit verslag omvat het onderzoeksverslag, de punten van bezwaar en een voorstel tot beslissing; het is vergezeld van het onderzoeksdossier en van de inventaris van de stukken van dit dossier. De inventaris bepaalt de vertrouwelijkheid van de stukken ten aanzien van elke partij die toegang heeft tot het dossier.
Het verslag omvat eveneens een met redenen omkleed voorstel tot reglementering zoals bepaald in het tweede lid van artikel 28, § 1, indien de auditeur meent dat de concrete feiten een algemene reglementering noodzakelijk maken.
Art. 23. § 1er. Les plaintes et les demandes relatives aux pratiques restrictives de concurrence sont introduites devant l'Auditorat.
§ 2. S'il conclut à l'irrecevabilité ou au non-fondement de la plainte ou de la demande, l'Auditorat classe la plainte ou la demande par décision motivée. Cette décision est notifiée, par voie de lettre recommandée, au plaignant ou au requérant en lui indiquant qu'il peut consulter le dossier auprès du greffe, en obtenir copie contre paiement et qu'il peut intenter un recours contre la décision de classement auprès du Conseil.
§ 3. Le recours visé au § 2, est intenté, à peine de nullité, par requête motivée et signée, déposée auprès du greffe dans les trente jours de la notification de la décision. La requête remplit, à peine de nullité, les conditions prévues à l'article 29, § 2, alinéa 3, 1° à 3°, 5° et 7°, de la loi du 10 juin 2006 précitée. La chambre du Conseil se prononce sur pièces. La décision de la chambre du Conseil n'est pas susceptible de recours ou d'opposition. Si la chambre estime que le recours est fondé, le dossier est renvoyé à l'Auditorat pour instruction et rapport à la chambre.
§ 4. Lorsque l'Auditorat estime que la plainte ou la demande ou, le cas échéant, une enquête d'office, est fondée, l'auditeur dépose au nom de l'Auditorat, un rapport motivé auprès de la chambre du Conseil. Ce rapport comprend le rapport d'instruction, les griefs et une proposition de décision; il est accompagné du dossier d'instruction et d'un inventaire des pièces le composant. L'inventaire détermine la confidentialité des pièces à l'égard de chacune des parties ayant accès au dossier.
Le rapport comprend également une proposition motivée de réglementation au sens du deuxième alinéa de l'article 28, § 1er, si l'auditeur estime que les faits concrets nécessitent une réglementation générale.
§ 2. S'il conclut à l'irrecevabilité ou au non-fondement de la plainte ou de la demande, l'Auditorat classe la plainte ou la demande par décision motivée. Cette décision est notifiée, par voie de lettre recommandée, au plaignant ou au requérant en lui indiquant qu'il peut consulter le dossier auprès du greffe, en obtenir copie contre paiement et qu'il peut intenter un recours contre la décision de classement auprès du Conseil.
§ 3. Le recours visé au § 2, est intenté, à peine de nullité, par requête motivée et signée, déposée auprès du greffe dans les trente jours de la notification de la décision. La requête remplit, à peine de nullité, les conditions prévues à l'article 29, § 2, alinéa 3, 1° à 3°, 5° et 7°, de la loi du 10 juin 2006 précitée. La chambre du Conseil se prononce sur pièces. La décision de la chambre du Conseil n'est pas susceptible de recours ou d'opposition. Si la chambre estime que le recours est fondé, le dossier est renvoyé à l'Auditorat pour instruction et rapport à la chambre.
§ 4. Lorsque l'Auditorat estime que la plainte ou la demande ou, le cas échéant, une enquête d'office, est fondée, l'auditeur dépose au nom de l'Auditorat, un rapport motivé auprès de la chambre du Conseil. Ce rapport comprend le rapport d'instruction, les griefs et une proposition de décision; il est accompagné du dossier d'instruction et d'un inventaire des pièces le composant. L'inventaire détermine la confidentialité des pièces à l'égard de chacune des parties ayant accès au dossier.
Le rapport comprend également une proposition motivée de réglementation au sens du deuxième alinéa de l'article 28, § 1er, si l'auditeur estime que les faits concrets nécessitent une réglementation générale.
Art. 24. De Koning kan alle formaliteiten voorschrijven met het oog op de samenstelling en de indiening van de dossiers, alsook de nadere regels betreffende de procedure voor de Dienst voor de Mededinging en het Auditoraat vastleggen.
Voor de economische sectoren die onder het toezicht of de controle van een geëigende openbare instelling of ander overheidslichaam zijn geplaatst, kan de Koning, na raadpleging van die instellingen of lichamen, de samenwerking tussen de Dienst voor de Mededinging en het Auditoraat en die instellingen of lichamen regelen, wat het onderzoek betreft evenals de wederzijdse uitwisseling van vertrouwelijke inlichtingen.
Voor de economische sectoren die onder het toezicht of de controle van een geëigende openbare instelling of ander overheidslichaam zijn geplaatst, kan de Koning, na raadpleging van die instellingen of lichamen, de samenwerking tussen de Dienst voor de Mededinging en het Auditoraat en die instellingen of lichamen regelen, wat het onderzoek betreft evenals de wederzijdse uitwisseling van vertrouwelijke inlichtingen.
Art. 24. Le Roi peut prescrire toute formalité en vue de la constitution et de l'introduction des dossiers ainsi que fixer les modalités de la procédure devant le Service de la concurrence et l'Auditorat.
Dans les secteurs économiques placés sous le contrôle ou la surveillance d'un organisme public ou autre institution publique spécifique, le Roi peut, après consultation de ces organismes ou institutions, régler la coopération entre le Service de la concurrence et l'Auditorat et ces organismes ou institutions en ce qui concerne l'instruction et l'échange réciproque d'informations confidentielles.
Dans les secteurs économiques placés sous le contrôle ou la surveillance d'un organisme public ou autre institution publique spécifique, le Roi peut, après consultation de ces organismes ou institutions, régler la coopération entre le Service de la concurrence et l'Auditorat et ces organismes ou institutions en ce qui concerne l'instruction et l'échange réciproque d'informations confidentielles.
Art. 25. Het Auditoraat kan, ambtshalve of op verzoek van de minister of van de minister die de betrokken sector onder zijn bevoegdheid heeft, algemene of sectoriële onderzoeken instellen of doen instellen indien er ernstige aanwijzingen zijn van het bestaan van de door de artikelen 3, § 1, en 4 en de artikelen 81 en 82 van het EG-verdrag verboden praktijken. De bepalingen van artikel 22 zijn van overeenkomstige toepassing, uitgezonderd het vijfde tot het achtste lid van § 3.
Art. 25. L'Auditorat peut, d'office ou à la demande du ministre ou du ministre compétent selon le secteur concerné, procéder ou faire procéder à des enquêtes générales ou sectorielles s'il y a des indices sérieux de l'existence de pratiques prohibées par les articles 3, § 1er, et 4 et les articles 81 et 82 du Traité CE. Les dispositions de l'article 22 sont applicables par analogie, à l'exception des alinéas 5 à 8 du § 3.
Afdeling III. - Beslissing inzake restrictieve praktijken.
Section III. - Décision en matière de pratiques restrictives.
Art. 26. § 1. Gelijktijdig met het indienen van het in artikel 23, § 4, bedoelde verslag brengt de auditeur de ondernemingen op wier activiteit het onderzoek betrekking had hiervan op de hoogte en stuurt hen een kopie van het verslag. Hij brengt hen ter kennis dat zij op de griffie inzage kunnen nemen van het dossier en tegen betaling een kopie ervan kunnen krijgen.
De griffie brengt de natuurlijke of rechtspersonen die een klacht hebben ingediend op de hoogte van het indienen van het verslag. Zo de kamer van de Raad die de zaak behandelt dit nodig acht, kunnen de natuurlijke of rechtspersonen die een klacht hebben ingediend evenals de andere personen die de Raad zal horen overeenkomstig § 5, tweede en derde lid, een niet-vertrouwelijke versie van het in artikel 23, § 4, bedoelde verslag krijgen.
§ 2. De voorzitter van de kamer van de Raad die de zaak behandelt, nodigt dan de ondernemingen op wier activiteit het onderzoek betrekking had uit om de in het verslag opgenomen vertrouwelijke passages aan te stippen met het oog op het toezenden van een niet-vertrouwelijke versie van het verslag aan de natuurlijke of rechtspersonen die een klacht hebben ingediend alsook ten aanzien van andere personen die de Raad overeenkomstig § 5, tweede en derde lid, zal horen. De voorzitter van de kamer van de Raad die de zaak behandelt, neemt hiertoe een beslissing. Deze beslissing is niet vatbaar voor een afzonderlijk hoger beroep.
De personen die een klacht hebben ingediend en alle andere natuurlijke of rechtspersonen die de Raad overeenkomstig § 5, tweede en derde lid, zal horen, hebben in principe geen toegang tot het dossier, tenzij de voorzitter van de kamer van de Raad die de zaak behandelt hiertoe een andersluidende beslissing neemt.
Indien andere personen dan de ondernemingen die het voorwerp van het onderzoek uitmaken, vertrouwelijke informatie aan de Raad wensen mee te delen, zal een raadslid van de Raad dat geen deel uitmaakt van de kamer die de zaak behandelt, zich, zoals de auditeur, over de vertrouwelijkheid uitspreken volgens de procedure bedoeld in artikel 22, §§ 6 en 7. De vertrouwelijke documenten maken vervolgens geen deel uit van het dossier en worden vervangen door de niet-vertrouwelijke samenvatting of versie die zal verstrekt worden door de partijen die de gegevens hebben meegedeeld, binnen de termijn bepaald door het raadslid van de Raad. Deze beslissing is niet vatbaar voor een afzonderlijk hoger beroep.
§ 3. Zodra de partijen met toepassing van §§ 1 en 2 toegang hebben gekregen tot het dossier, stelt de kamervoorzitter de termijnen vast waarbinnen de auditeur en de betrokken partijen hun schriftelijke opmerkingen en replieken dienen neer te leggen. Hij verlengt deze termijnen op met redenen omklede vraag van de partijen of de auditeur.
Indien de kamer van de Raad bij toepassing van § 5, tweede of derde lid, natuurlijke of rechtspersonen heeft toegelaten tot de zitting, kan de kamervoorzitter een termijn bepalen waarbinnen zij schriftelijke opmerkingen mogen indienen, zodanig dat de auditeur en de betrokken partijen nog een schriftelijke repliek kunnen indienen.
De Raad brengt de Commissie voor de Mededinging op de hoogte van elke zaak die hem door een auditeur wordt overgezonden, na ontvangst van het verslag van die auditeur. Hij deelt haar bovendien de naam mede van de ondernemingen op wier activiteit het onderzoek betrekking had evenals de bepalingen van de wet waarop het dossier gebaseerd is.
§ 4. Indien de kamer van de Raad die de zaak behandelt van oordeel is dat andere punten van bezwaar of elementen dan die welke de auditeur in aanmerking neemt, moeten worden onderzocht, gelast hij de auditeur over te gaan tot een bijkomend onderzoek. In dergelijk geval vult de auditeur zijn verslag aan en legt het neer bij de kamer van de Raad die de zaak behandelt. De griffie zendt een kopie van dit bijkomend verslag aan de betrokken partijen over.
§ 5. De kamer van de Raad behandelt elke zaak ter zitting. Zij hoort de auditeur, evenals de ondernemingen, op wier activiteit het onderzoek betrekking had, alsook de klager, wanneer deze erom vraagt.
Wanneer zij het nodig acht, kan zij elke natuurlijke of rechtspersoon horen.
Indien natuurlijke of rechtspersonen, die blijk geven van een voldoende belang, vragen om gehoord te worden, wordt aan hun vraag tegemoet gekomen. Voor de economische sectoren die onder de controle of het toezicht van een openbare instelling of een andere geëigende overheidsinstelling zijn geplaatst, worden deze instellingen of overheidslichamen geacht een voldoende belang te hebben. In alle gevallen wordt de minister geacht een voldoende belang te hebben.
Het niet verschijnen van de opgeroepen partijen of van hun mandataris doet geen afbreuk aan de geldigheid van de procedure.
§ 6. Na afloop van het bijkomend onderzoek bedoeld in § 4 legt de auditeur zijn verslag neer bij de kamer van de Raad en de procedure beschreven in §§ 1, 2 en 3 wordt hernomen.
§ 7. De beslissing van de Raad over de grond van de zaak kan niet steunen op de stukken die door derden werden aangebracht en als vertrouwelijk werden erkend zodat de ondernemingen die het voorwerp van het onderzoek uitmaken er geen kennis hebben kunnen van nemen.
§ 8. De Koning stelt de regels vast wat de procedure voor de Raad betreft alsook de voorwaarden voor het verkrijgen van kopies.
De griffie brengt de natuurlijke of rechtspersonen die een klacht hebben ingediend op de hoogte van het indienen van het verslag. Zo de kamer van de Raad die de zaak behandelt dit nodig acht, kunnen de natuurlijke of rechtspersonen die een klacht hebben ingediend evenals de andere personen die de Raad zal horen overeenkomstig § 5, tweede en derde lid, een niet-vertrouwelijke versie van het in artikel 23, § 4, bedoelde verslag krijgen.
§ 2. De voorzitter van de kamer van de Raad die de zaak behandelt, nodigt dan de ondernemingen op wier activiteit het onderzoek betrekking had uit om de in het verslag opgenomen vertrouwelijke passages aan te stippen met het oog op het toezenden van een niet-vertrouwelijke versie van het verslag aan de natuurlijke of rechtspersonen die een klacht hebben ingediend alsook ten aanzien van andere personen die de Raad overeenkomstig § 5, tweede en derde lid, zal horen. De voorzitter van de kamer van de Raad die de zaak behandelt, neemt hiertoe een beslissing. Deze beslissing is niet vatbaar voor een afzonderlijk hoger beroep.
De personen die een klacht hebben ingediend en alle andere natuurlijke of rechtspersonen die de Raad overeenkomstig § 5, tweede en derde lid, zal horen, hebben in principe geen toegang tot het dossier, tenzij de voorzitter van de kamer van de Raad die de zaak behandelt hiertoe een andersluidende beslissing neemt.
Indien andere personen dan de ondernemingen die het voorwerp van het onderzoek uitmaken, vertrouwelijke informatie aan de Raad wensen mee te delen, zal een raadslid van de Raad dat geen deel uitmaakt van de kamer die de zaak behandelt, zich, zoals de auditeur, over de vertrouwelijkheid uitspreken volgens de procedure bedoeld in artikel 22, §§ 6 en 7. De vertrouwelijke documenten maken vervolgens geen deel uit van het dossier en worden vervangen door de niet-vertrouwelijke samenvatting of versie die zal verstrekt worden door de partijen die de gegevens hebben meegedeeld, binnen de termijn bepaald door het raadslid van de Raad. Deze beslissing is niet vatbaar voor een afzonderlijk hoger beroep.
§ 3. Zodra de partijen met toepassing van §§ 1 en 2 toegang hebben gekregen tot het dossier, stelt de kamervoorzitter de termijnen vast waarbinnen de auditeur en de betrokken partijen hun schriftelijke opmerkingen en replieken dienen neer te leggen. Hij verlengt deze termijnen op met redenen omklede vraag van de partijen of de auditeur.
Indien de kamer van de Raad bij toepassing van § 5, tweede of derde lid, natuurlijke of rechtspersonen heeft toegelaten tot de zitting, kan de kamervoorzitter een termijn bepalen waarbinnen zij schriftelijke opmerkingen mogen indienen, zodanig dat de auditeur en de betrokken partijen nog een schriftelijke repliek kunnen indienen.
De Raad brengt de Commissie voor de Mededinging op de hoogte van elke zaak die hem door een auditeur wordt overgezonden, na ontvangst van het verslag van die auditeur. Hij deelt haar bovendien de naam mede van de ondernemingen op wier activiteit het onderzoek betrekking had evenals de bepalingen van de wet waarop het dossier gebaseerd is.
§ 4. Indien de kamer van de Raad die de zaak behandelt van oordeel is dat andere punten van bezwaar of elementen dan die welke de auditeur in aanmerking neemt, moeten worden onderzocht, gelast hij de auditeur over te gaan tot een bijkomend onderzoek. In dergelijk geval vult de auditeur zijn verslag aan en legt het neer bij de kamer van de Raad die de zaak behandelt. De griffie zendt een kopie van dit bijkomend verslag aan de betrokken partijen over.
§ 5. De kamer van de Raad behandelt elke zaak ter zitting. Zij hoort de auditeur, evenals de ondernemingen, op wier activiteit het onderzoek betrekking had, alsook de klager, wanneer deze erom vraagt.
Wanneer zij het nodig acht, kan zij elke natuurlijke of rechtspersoon horen.
Indien natuurlijke of rechtspersonen, die blijk geven van een voldoende belang, vragen om gehoord te worden, wordt aan hun vraag tegemoet gekomen. Voor de economische sectoren die onder de controle of het toezicht van een openbare instelling of een andere geëigende overheidsinstelling zijn geplaatst, worden deze instellingen of overheidslichamen geacht een voldoende belang te hebben. In alle gevallen wordt de minister geacht een voldoende belang te hebben.
Het niet verschijnen van de opgeroepen partijen of van hun mandataris doet geen afbreuk aan de geldigheid van de procedure.
§ 6. Na afloop van het bijkomend onderzoek bedoeld in § 4 legt de auditeur zijn verslag neer bij de kamer van de Raad en de procedure beschreven in §§ 1, 2 en 3 wordt hernomen.
§ 7. De beslissing van de Raad over de grond van de zaak kan niet steunen op de stukken die door derden werden aangebracht en als vertrouwelijk werden erkend zodat de ondernemingen die het voorwerp van het onderzoek uitmaken er geen kennis hebben kunnen van nemen.
§ 8. De Koning stelt de regels vast wat de procedure voor de Raad betreft alsook de voorwaarden voor het verkrijgen van kopies.
Art. 26. § 1er. Simultanément au dépôt du rapport vise à l'article 23, § 4, l'auditeur en avise les entreprises dont l'activité a fait l'objet de l'instruction et leur transmet une copie du rapport. Il porte à leur connaissance qu'elles peuvent consulter le dossier auprès du greffe et en obtenir copie contre paiement.
Le greffe porte le dépôt du rapport à la connaissance des personnes physiques ou morales ayant introduit la plainte. Si la chambre du Conseil qui connaît de l'affaire l'estime nécessaire, les personnes physiques ou morales ayant introduit la plainte ainsi que les autres personnes que le Conseil entendra conformément au § 5, alinéas 2 et 3, peuvent recevoir une version non-confidentielle du rapport visé à l'article 23, § 4.
§ 2. Le président de la chambre du Conseil qui connaît de l'affaire invite alors les entreprises dont les activités ont fait l'objet de l'enquête à indiquer les passages confidentiels du rapport en vue de la transmission d'une version non-confidentielle du rapport aux personnes physiques ou morales ayant introduit la plainte ainsi qu'aux autres personnes que le Conseil entendra conformément au § 5, alinéas 2 et 3. Le président de la chambre du Conseil qui connaît de l'affaire prend une décision à cet égard, laquelle n'est pas susceptible d'appel distinct.
Les personnes ayant introduit la plainte et toutes les autres personnes physiques ou morales entendues par le Conseil conformément au § 5, alinéas 2 et 3, n'ont en principe pas accès au dossier, à moins que le président de la chambre du Conseil qui connaît de l'affaire n'en décide autrement.
Lorsque des personnes autres que les entreprises qui font l'objet de l'enquête, souhaitent communiquer des informations confidentielles au Conseil, un conseiller du Conseil qui ne fait pas partie de la chambre qui connaît de l'affaire se prononce sur la confidentialité, comme le fait l'auditeur, selon la procédure prévue à l'article 22, §§ 6 et 7. Les documents confidentiels ne font, par conséquent, pas partie du dossier et sont remplacés par une version ou un résumé non confidentiel à procurer par les parties ayant fourni les données dans le délai fixé par le conseiller du Conseil. Cette décision n'est pas susceptible d'appel distinct.
§ 3. Dès que les parties ont reçu accès au dossier en application des §§ 1er et 2, le président de chambre fixe les délais dans lesquels l'auditeur et les parties concernées déposent leurs observations écrites et leurs répliques. Il prolonge ces délais à la demande motivée des parties ou de l'auditeur.
Lorsque la chambre du Conseil, en application du § 5, alinéa 2 ou 3, a donné accès à l'audience à des personnes physiques ou morales, le président de la chambre peut fixer un délai dans lequel celles-ci peuvent déposer leurs observations écrites, en manière telle que l'auditeur et les parties concernées puissent encore déposer leurs répliques écrites.
Le Conseil informe la Commission de la concurrence de toute affaire qui lui est soumise par un auditeur, après réception du rapport de ce dernier. Il lui communique en outre le nom des entreprises dont l'activité a fait l'objet de l'instruction ainsi que les dispositions de la loi sur lesquelles le dossier est basé.
§ 4. Lorsque la chambre du Conseil qui connaît de l'affaire est d'avis que d'autres griefs ou éléments que ceux qui ont été pris en considération par l'auditeur doivent être examinés, elle charge l'auditeur de procéder à une instruction complémentaire. En pareil cas, l'auditeur complète son rapport et le dépose auprès de la chambre du Conseil qui connaît de l'affaire. Le greffe transmet aux parties concernées une copie du rapport complémentaire.
§ 5. La chambre du Conseil instruit chaque affaire à l'audience. Elle entend l'auditeur et les entreprises dont l'activité a fait l'objet de l'instruction, ainsi que le plaignant, à la demande de ce dernier.
Quand elle l'estime nécessaire, elle entend toute personne physique ou morale.
Si des personnes physiques ou morales justifiant d'un intérêt suffisant demandent à être entendues, il est fait droit à leur demande. Dans les secteurs économiques placés sous le contrôle ou la surveillance d'un organisme public ou autre institution publique spécifique, ces organismes ou institutions sont à considérer comme justifiant d'un intérêt suffisant. Dans tous les cas, le ministre est à considérer comme justifiant d'un intérêt suffisant.
Le défaut de comparution des parties convoquées ou de leur mandataire n'affecte pas la validité de la procédure.
§ 6. A l'issue de l'instruction complémentaire visée au § 4, l'auditeur dépose son rapport auprès de la chambre du Conseil et la procédure prévue aux §§ 1er, 2 et 3 est reprise.
§ 7. La décision du Conseil sur le fond de l'affaire ne peut s'appuyer sur les pièces qui ont été apportées par des tiers et dont le caractère confidentiel a été accepté, de sorte que les entreprises qui font l'objet de l'instruction n'ont pu en prendre connaissance.
§ 8. Le Roi fixe les règles de la procédure devant le Conseil ainsi que les conditions d'obtention de copies.
Le greffe porte le dépôt du rapport à la connaissance des personnes physiques ou morales ayant introduit la plainte. Si la chambre du Conseil qui connaît de l'affaire l'estime nécessaire, les personnes physiques ou morales ayant introduit la plainte ainsi que les autres personnes que le Conseil entendra conformément au § 5, alinéas 2 et 3, peuvent recevoir une version non-confidentielle du rapport visé à l'article 23, § 4.
§ 2. Le président de la chambre du Conseil qui connaît de l'affaire invite alors les entreprises dont les activités ont fait l'objet de l'enquête à indiquer les passages confidentiels du rapport en vue de la transmission d'une version non-confidentielle du rapport aux personnes physiques ou morales ayant introduit la plainte ainsi qu'aux autres personnes que le Conseil entendra conformément au § 5, alinéas 2 et 3. Le président de la chambre du Conseil qui connaît de l'affaire prend une décision à cet égard, laquelle n'est pas susceptible d'appel distinct.
Les personnes ayant introduit la plainte et toutes les autres personnes physiques ou morales entendues par le Conseil conformément au § 5, alinéas 2 et 3, n'ont en principe pas accès au dossier, à moins que le président de la chambre du Conseil qui connaît de l'affaire n'en décide autrement.
Lorsque des personnes autres que les entreprises qui font l'objet de l'enquête, souhaitent communiquer des informations confidentielles au Conseil, un conseiller du Conseil qui ne fait pas partie de la chambre qui connaît de l'affaire se prononce sur la confidentialité, comme le fait l'auditeur, selon la procédure prévue à l'article 22, §§ 6 et 7. Les documents confidentiels ne font, par conséquent, pas partie du dossier et sont remplacés par une version ou un résumé non confidentiel à procurer par les parties ayant fourni les données dans le délai fixé par le conseiller du Conseil. Cette décision n'est pas susceptible d'appel distinct.
§ 3. Dès que les parties ont reçu accès au dossier en application des §§ 1er et 2, le président de chambre fixe les délais dans lesquels l'auditeur et les parties concernées déposent leurs observations écrites et leurs répliques. Il prolonge ces délais à la demande motivée des parties ou de l'auditeur.
Lorsque la chambre du Conseil, en application du § 5, alinéa 2 ou 3, a donné accès à l'audience à des personnes physiques ou morales, le président de la chambre peut fixer un délai dans lequel celles-ci peuvent déposer leurs observations écrites, en manière telle que l'auditeur et les parties concernées puissent encore déposer leurs répliques écrites.
Le Conseil informe la Commission de la concurrence de toute affaire qui lui est soumise par un auditeur, après réception du rapport de ce dernier. Il lui communique en outre le nom des entreprises dont l'activité a fait l'objet de l'instruction ainsi que les dispositions de la loi sur lesquelles le dossier est basé.
§ 4. Lorsque la chambre du Conseil qui connaît de l'affaire est d'avis que d'autres griefs ou éléments que ceux qui ont été pris en considération par l'auditeur doivent être examinés, elle charge l'auditeur de procéder à une instruction complémentaire. En pareil cas, l'auditeur complète son rapport et le dépose auprès de la chambre du Conseil qui connaît de l'affaire. Le greffe transmet aux parties concernées une copie du rapport complémentaire.
§ 5. La chambre du Conseil instruit chaque affaire à l'audience. Elle entend l'auditeur et les entreprises dont l'activité a fait l'objet de l'instruction, ainsi que le plaignant, à la demande de ce dernier.
Quand elle l'estime nécessaire, elle entend toute personne physique ou morale.
Si des personnes physiques ou morales justifiant d'un intérêt suffisant demandent à être entendues, il est fait droit à leur demande. Dans les secteurs économiques placés sous le contrôle ou la surveillance d'un organisme public ou autre institution publique spécifique, ces organismes ou institutions sont à considérer comme justifiant d'un intérêt suffisant. Dans tous les cas, le ministre est à considérer comme justifiant d'un intérêt suffisant.
Le défaut de comparution des parties convoquées ou de leur mandataire n'affecte pas la validité de la procédure.
§ 6. A l'issue de l'instruction complémentaire visée au § 4, l'auditeur dépose son rapport auprès de la chambre du Conseil et la procédure prévue aux §§ 1er, 2 et 3 est reprise.
§ 7. La décision du Conseil sur le fond de l'affaire ne peut s'appuyer sur les pièces qui ont été apportées par des tiers et dont le caractère confidentiel a été accepté, de sorte que les entreprises qui font l'objet de l'instruction n'ont pu en prendre connaissance.
§ 8. Le Roi fixe les règles de la procédure devant le Conseil ainsi que les conditions d'obtention de copies.
Art. 27. Er kan een volledige of gedeeltelijke vrijstelling van geldboeten worden toegekend aan een onderneming of een ondernemingsvereniging die samen met anderen bij een door artikel 3 verboden praktijk betrokken was, indien deze onderneming er toe heeft bijgedragen het bestaan van deze verboden praktijk te bewijzen en de deelnemers eraan te identificeren, onder andere door inlichtingen te verstrekken waarover de mededingingsautoriteit voorheen niet beschikte, door het bewijs te leveren van een door artikel 3 verboden praktijk waarvan het bestaan nog niet vaststond, of door de verboden praktijk te erkennen. Als gevolg van het optreden van deze onderneming of ondernemingsvereniging neemt de kamer van de Raad die de zaak behandelt, op verzoek van de auditeur-generaal, daartoe een clementieverklaring aan, waarin de voorwaarden worden bepaald waaraan de beoogde vrijstelling is onderworpen, nadat de betrokken onderneming of ondernemingsvereniging hun bemerkingen hebben voorgelegd. Deze verklaring wordt aan de onderneming of ondernemingsvereniging overgezonden, en wordt niet gepubliceerd.
Op het ogenblik van de beslissing genomen met toepassing van dit artikel, kan de kamer die de zaak behandelt, indien de voorwaarden aangeduid in de clementieverklaring werden nageleefd, een vrijstelling van geldboeten toekennen in verhouding tot de bijdrage die geleverd werd om de inbreuk te bewijzen.
Op het ogenblik van de beslissing genomen met toepassing van dit artikel, kan de kamer die de zaak behandelt, indien de voorwaarden aangeduid in de clementieverklaring werden nageleefd, een vrijstelling van geldboeten toekennen in verhouding tot de bijdrage die geleverd werd om de inbreuk te bewijzen.
Art. 27. Une exonération totale ou partielle des sanctions pécuniaires peut être accordée à une entreprise ou à une association d'entreprises qui, avec d'autres, à mis en oeuvre une pratique prohibée par l'article 3, si elle a contribué à établir la réalité de la pratique prohibée et à identifier ses auteurs, notamment en apportant des éléments d'information dont l'autorité de concurrence ne disposait pas antérieurement, en apportant la preuve d'une pratique prohibée par l'article 3 dont l'existence n'était pas encore établie, ou en reconnaissant l'existence de la pratique prohibée. A la suite de la démarche de l'entreprise ou de l'association d'entreprises, la chambre du Conseil qui connaît de l'affaire, à la demande de l'auditeur général, adopte à cette fin un avis de clémence, qui précise les conditions auxquelles est subordonnée l'exonération envisagée après que l'entreprise ou l'association d'entreprises concernée ont présenté leurs observations. Cet avis est transmis à l'entreprise ou à l'association d'entreprises et n'est pas publié.
Lors de la décision prise en application du présent article, la chambre qui connaît de l'affaire peut, si les conditions précisées dans l'avis de clémence ont été respectées, accorder une exonération de sanctions pécuniaires proportionnée à la contribution apportée à l'établissement de l'infraction.
Lors de la décision prise en application du présent article, la chambre qui connaît de l'affaire peut, si les conditions précisées dans l'avis de clémence ont été respectées, accorder une exonération de sanctions pécuniaires proportionnée à la contribution apportée à l'établissement de l'infraction.
Art. 28. § 1. De Koning kan, na raadpleging van de Commissie voor de Mededinging en van de algemene vergadering van de Raad, bij besluit verklaren dat artikel 3, § 1, niet van toepassing is op categorieën overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde praktijken.
De Koning kan een dergelijk besluit ook uitvaardigen op verzoek van de algemene vergadering van de Raad. De algemene vergadering van de Raad kan onder meer beslissen om een dergelijk besluit te verzoeken na ontvangst van een met redenen omkleed voorstel tot reglementering van het Auditoraat.
In het geval bedoeld in artikel 23, § 4, tweede lid, legt de auditeur, na afloop van het onderzoek, aan de algemene vergadering van de Raad ter advies een verslag voor dat het voorstel tot regeling bij koninklijk besluit bevat.
Het besluit wordt met redenen omkleed. Er wordt overleg gepleegd in de Ministerraad, wanneer het afwijkt van het advies of het verzoek van de algemene vergadering van de Raad.
§ 2. Het koninklijk besluit omschrijft de categorieën van overeenkomsten, van besluiten en van onderling afgestemde feitelijke gedragingen waarop het van toepassing is en geeft met name aan :
1° de beperkingen of de bepalingen die er niet in mogen voorkomen;
2° de bepalingen die erin moeten voorkomen of de andere voorwaarden waaraan moet worden voldaan.
Dit koninklijk besluit wordt voor een beperkte tijdsduur genomen. Het kan worden opgeheven of gewijzigd wanneer de omstandigheden gewijzigd zijn met betrekking tot een punt van wezenlijk belang voor zijn vaststelling; in dit geval wordt voorzien in een overgangsregeling voor de overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen bedoeld door het voorafgaande besluit.
De Koning kan een dergelijk besluit ook uitvaardigen op verzoek van de algemene vergadering van de Raad. De algemene vergadering van de Raad kan onder meer beslissen om een dergelijk besluit te verzoeken na ontvangst van een met redenen omkleed voorstel tot reglementering van het Auditoraat.
In het geval bedoeld in artikel 23, § 4, tweede lid, legt de auditeur, na afloop van het onderzoek, aan de algemene vergadering van de Raad ter advies een verslag voor dat het voorstel tot regeling bij koninklijk besluit bevat.
Het besluit wordt met redenen omkleed. Er wordt overleg gepleegd in de Ministerraad, wanneer het afwijkt van het advies of het verzoek van de algemene vergadering van de Raad.
§ 2. Het koninklijk besluit omschrijft de categorieën van overeenkomsten, van besluiten en van onderling afgestemde feitelijke gedragingen waarop het van toepassing is en geeft met name aan :
1° de beperkingen of de bepalingen die er niet in mogen voorkomen;
2° de bepalingen die erin moeten voorkomen of de andere voorwaarden waaraan moet worden voldaan.
Dit koninklijk besluit wordt voor een beperkte tijdsduur genomen. Het kan worden opgeheven of gewijzigd wanneer de omstandigheden gewijzigd zijn met betrekking tot een punt van wezenlijk belang voor zijn vaststelling; in dit geval wordt voorzien in een overgangsregeling voor de overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen bedoeld door het voorafgaande besluit.
Art. 28. § 1er. Le Roi peut, après consultation de la Commission de la concurrence et de l'assemblée générale du Conseil, déclarer par arrêté que l'article 3, § 1er, n'est pas applicable à des catégories d'accords, de décisions et de pratiques concertées.
Le Roi peut également prendre un tel arrêté à la demande de l'assemblée générale du Conseil. L'assemblée générale du Conseil peut notamment décider de demander un tel arrêté après réception d'une proposition motivée de réglementation de l'Auditorat.
Dans le cas visé à l'article 23, § 4, alinéa 2, l'auditeur, soumet à l'assemblée générale du Conseil pour avis, au terme de l'instruction, un rapport contenant la proposition de règlement par arrêté royal.
L'arrêté est motivé. Il est délibéré en Conseil des Ministres lorsqu'il s'écarte de l'avis ou de la demande de l'assemblée générale du Conseil.
§ 2. L'arrêté royal comprend une définition des catégories d'accords, de décisions et de pratiques concertées auxquels il s'applique et précise notamment :
1° les restrictions ou les clauses qui ne peuvent y figurer;
2° les clauses qui doivent y figurer ou les autres conditions qui doivent être remplies.
Cet arrêté royal est pris pour une durée limitée. Il peut être abrogé ou modifié lorsque les circonstances se sont modifiées à l'égard d'un élément qui a été essentiel pour l'arrêter; dans ce cas, des mesures transitoires pour les accords, décisions et pratiques concertées visés par l'arrêté antérieur sont prévues.
Le Roi peut également prendre un tel arrêté à la demande de l'assemblée générale du Conseil. L'assemblée générale du Conseil peut notamment décider de demander un tel arrêté après réception d'une proposition motivée de réglementation de l'Auditorat.
Dans le cas visé à l'article 23, § 4, alinéa 2, l'auditeur, soumet à l'assemblée générale du Conseil pour avis, au terme de l'instruction, un rapport contenant la proposition de règlement par arrêté royal.
L'arrêté est motivé. Il est délibéré en Conseil des Ministres lorsqu'il s'écarte de l'avis ou de la demande de l'assemblée générale du Conseil.
§ 2. L'arrêté royal comprend une définition des catégories d'accords, de décisions et de pratiques concertées auxquels il s'applique et précise notamment :
1° les restrictions ou les clauses qui ne peuvent y figurer;
2° les clauses qui doivent y figurer ou les autres conditions qui doivent être remplies.
Cet arrêté royal est pris pour une durée limitée. Il peut être abrogé ou modifié lorsque les circonstances se sont modifiées à l'égard d'un élément qui a été essentiel pour l'arrêter; dans ce cas, des mesures transitoires pour les accords, décisions et pratiques concertées visés par l'arrêté antérieur sont prévues.
Art. 29. De kamer van de Raad kan na ontvangst van het verslag van de auditeur betreffende een klacht, een verzoek of een ambtshalve onderzoek bij een met redenen omklede beslissing verklaren dat op grond van de gegevens die haar bekend zijn er voor haar geen aanleiding bestaat om op te treden.
Art. 29. La chambre du Conseil peut, après réception du rapport de l'auditeur concernant une plainte, une demande ou une instruction d'office, déclarer, par décision motivée, qu'en fonction des éléments dont elle a connaissance, il n'y a pas lieu pour elle d'intervenir.
Art. 30. Na ontvangst van het verslag van de auditeur kan de kamer van de Raad die de zaak behandelt, bij een met redenen omklede beslissing vaststellen :
1° dat er een restrictieve mededingingspraktijk bestaat en bevelen dat deze beëindigd wordt, indien nodig volgens de door haar voorgeschreven modaliteiten;
2° dat er geen restrictieve mededingingspraktijk bestaat, voor zover er geen enkele beïnvloeding van de handel tussen de lidstaten van de Europese Gemeenschap bestaat;
3° dat de werking van artikel 6, tweede lid, of de werking van een koninklijk besluit in de zin van de artikelen 6, derde lid, en 28 in een individueel geval vervalt, indien de betrokken restrictieve mededingingspraktijk met artikel 3, § 3, onverenigbare gevolgen heeft;
4° dat de werking van een verordening in de zin van artikel 6, eerste lid, in een individueel geval vervalt, indien de betrokken restrictieve mededingingspraktijk met artikel 81, § 3, van het EG-verdrag onverenigbare gevolgen heeft op het nationale grondgebied of een gedeelte daarvan, welk gebied alle kenmerken vertoont van een afzonderlijke geografische markt.
1° dat er een restrictieve mededingingspraktijk bestaat en bevelen dat deze beëindigd wordt, indien nodig volgens de door haar voorgeschreven modaliteiten;
2° dat er geen restrictieve mededingingspraktijk bestaat, voor zover er geen enkele beïnvloeding van de handel tussen de lidstaten van de Europese Gemeenschap bestaat;
3° dat de werking van artikel 6, tweede lid, of de werking van een koninklijk besluit in de zin van de artikelen 6, derde lid, en 28 in een individueel geval vervalt, indien de betrokken restrictieve mededingingspraktijk met artikel 3, § 3, onverenigbare gevolgen heeft;
4° dat de werking van een verordening in de zin van artikel 6, eerste lid, in een individueel geval vervalt, indien de betrokken restrictieve mededingingspraktijk met artikel 81, § 3, van het EG-verdrag onverenigbare gevolgen heeft op het nationale grondgebied of een gedeelte daarvan, welk gebied alle kenmerken vertoont van een afzonderlijke geografische markt.
Art. 30. Après réception du rapport de l'auditeur, la chambre du Conseil qui connaît de l'affaire peut constater, par décision motivée :
1° qu'il existe une pratique restrictive de concurrence et ordonner la cessation de celle-ci, s'il y a lieu, suivant les modalités qu'elle prescrit;
2° qu'il n'existe pas de pratique restrictive de concurrence, pour autant qu'il n'y ait pas d'affectation du commerce entre états membres de la Communauté européenne;
3° que l'article 6, alinéa 2, ou un arrêté royal au sens des articles 6, alinéa 3 et 28 n'a pas d'effet dans un cas individuel, lorsque la pratique restrictive de concurrence en cause produit des effets incompatibles avec l'article 3, § 3;
4° qu'un règlement au sens de l'article 6, alinéa 1er, n'a pas d'effet dans un cas individuel, lorsque la pratique restrictive de concurrence produit des effets incompatibles avec l'article 81, paragraphe 3, du Traité CE sur le territoire national ou une partie de celui-ci, qui présente toutes les caractéristiques d'un marché géographique distinct.
1° qu'il existe une pratique restrictive de concurrence et ordonner la cessation de celle-ci, s'il y a lieu, suivant les modalités qu'elle prescrit;
2° qu'il n'existe pas de pratique restrictive de concurrence, pour autant qu'il n'y ait pas d'affectation du commerce entre états membres de la Communauté européenne;
3° que l'article 6, alinéa 2, ou un arrêté royal au sens des articles 6, alinéa 3 et 28 n'a pas d'effet dans un cas individuel, lorsque la pratique restrictive de concurrence en cause produit des effets incompatibles avec l'article 3, § 3;
4° qu'un règlement au sens de l'article 6, alinéa 1er, n'a pas d'effet dans un cas individuel, lorsque la pratique restrictive de concurrence produit des effets incompatibles avec l'article 81, paragraphe 3, du Traité CE sur le territoire national ou une partie de celui-ci, qui présente toutes les caractéristiques d'un marché géographique distinct.
Art. 31. § 1. Wanneer de kamer van de Raad die de zaak behandelt voornemens is een beslissing te nemen waarbij de beëindiging van een inbreuk wordt gelast, en de betrokken ondernemingen toezeggingen doen om aan zijn bezorgdheden tegemoet te komen, kan zij ten aanzien van deze ondernemingen bij beslissing die toezeggingen een verbindend karakter verlenen. Zij kan de auditeur vragen een verslag in te dienen betreffende de voorstellen van toezeggingen binnen de termijn die zij bepaalt. De beslissing kan voor een bepaalde periode worden gegeven en bevat de conclusie dat er niet langer gronden voor een optreden van de Raad bestaan. Deze beslissing laat de bevoegdheid van de nationale rechterlijke instanties om het bestaan van restrictieve praktijken voor het verleden vast te stellen onverlet en kan niet worden uitgelegd als een nadelige erkenning door de betrokken onderneming.
§.
2. De Raad kan de procedure bedoeld in de artikelen 22 tot 26 heropenen op verzoek of op eigen initiatief :
1° indien er een wezenlijke verandering optreedt in één van de feiten waarop de beslissing steunt;
2° indien de betrokken ondernemingen in strijd met de door hen gedane toezeggingen handelen, of
3° indien de beslissing op door de partijen verstrekte onvolledige, onjuiste of verdraaide inlichtingen berust.
§.
2. De Raad kan de procedure bedoeld in de artikelen 22 tot 26 heropenen op verzoek of op eigen initiatief :
1° indien er een wezenlijke verandering optreedt in één van de feiten waarop de beslissing steunt;
2° indien de betrokken ondernemingen in strijd met de door hen gedane toezeggingen handelen, of
3° indien de beslissing op door de partijen verstrekte onvolledige, onjuiste of verdraaide inlichtingen berust.
Art. 31. § 1er. Lorsque la chambre du Conseil qui connaît de l'affaire envisage d'adopter une décision exigeant la cessation d'une infraction et que les entreprises concernées offrent des engagements de nature à répondre à ses préoccupations, elle peut, par voie de décision, rendre les engagements obligatoires pour les entreprises. Elle peut demander à l'auditeur de déposer un rapport sur les propositions d'engagements dans le délai qu'elle détermine. La décision peut être adoptée pour une durée déterminée et conclure qu'il n'y a plus lieu que le Conseil agisse. Cette décision est sans préjudice de la faculté des juridictions nationales de constater l'existence de pratiques restrictives pour le passé et n'implique aucune reconnaissance préjudiciable de la part de l'entreprise concernée.
§ 2. Le Conseil peut rouvrir la procédure prévue aux articles 22 à 26, sur demande ou de sa propre initiative :
1° si l'un des faits sur lesquels la décision repose subit un changement important;
2° si les entreprises concernées contreviennent à leurs engagements, ou
3° si la décision repose sur des informations incomplètes, inexactes ou dénaturées fournies par les parties.
§ 2. Le Conseil peut rouvrir la procédure prévue aux articles 22 à 26, sur demande ou de sa propre initiative :
1° si l'un des faits sur lesquels la décision repose subit un changement important;
2° si les entreprises concernées contreviennent à leurs engagements, ou
3° si la décision repose sur des informations incomplètes, inexactes ou dénaturées fournies par les parties.
Art. 32. Indien de overeenkomst, het besluit of de onderling afgestemde feitelijke gedraging waarop het onderzoek betrekking had het voorwerp uitmaakt van een verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen of een verordening van de Europese Commissie waarbij artikel 81, § 1, van het EG-verdrag buiten toepassing is verklaard of van een koninklijk besluit in de zin van artikel 28, stelt de kamer van de Raad die de zaak behandelt dit vast en vaardigt een beslissing tot seponering uit.
Art. 32. Si l'accord, la décision ou la pratique concertée sur lequel a porté l'instruction fait l'objet d'un règlement du Conseil des Communautés européennes ou de la Commission européenne déclarant l'article 81, paragraphe 1er, du Traité CE inapplicable ou d'un arrêté royal au sens de l'article 28, la chambre du Conseil qui connaît de l'affaire le constate et rend une décision de classement.
Afdeling IV. - Onderzoek inzake concentratie.
Section IV. - Instruction en matière de concentration.
Art. 33. § 1. De door de auditeur-generaal aangewezen auditeur zendt een exemplaar van de aanmeldingen van concentraties verricht op grond van artikel 10, onverwijld over aan de Raad. Hij stelt het onderzoek van de zaak in zodra hij de aanmelding heeft ontvangen of, indien de te verstrekken inlichtingen onvolledig zijn, zodra hij de volledige inlichtingen heeft ontvangen.
§ 2. De auditeur kan onderzoekstaken opdragen aan de ambtenaren van de Dienst voor de Mededinging, aangewezen krachtens artikel 20, § 3, eerste lid, van de voornoemde wet van 10 juni 2006.
§ 3. De auditeur aangewezen krachtens artikel 18 van de voornoemde wet van 10 juni 2006 dient het gemotiveerd verslag in bij de Raad, samen met het dossier. Dit verslag omvat het onderzoeksverslag en een voorstel tot beslissing; het is vergezeld van het onderzoeksdossier en van de inventaris van de stukken van dit dossier. Deze inventaris bepaalt de vertrouwelijkheid van de stukken ten aanzien van elke partij die toegang heeft tot het dossier.
§ 4. Het verslag wordt neergelegd binnen een termijn van vijfentwintig werkdagen vanaf de dag volgend op de dag van de indiening van de aanmelding bij het Auditoraat. Ingeval de inlichtingen die bij de aanmelding werden verstrekt niet volledig waren, loopt deze termijn vanaf de dag volgend op de dag waarop de volledige inlichtingen werden ontvangen. De termijn van vijfentwintig werkdagen wordt verlengd met vijf werkdagen indien verbintenissen worden aangeboden overeenkomstig artikel 34, tweede lid.
§ 5. Bij de indiening bedoeld in § 4, deelt de auditeur een kopie van het verslag mede aan de aanmeldende partijen. Hij deelt tevens een kopie van het verslag, na verwijdering van de zakengeheimen en de vertrouwelijke gegevens, mede aan de vertegenwoordigers van de meest representatieve organisaties van werknemers van deze ondernemingen of aan degenen die zij aanwijzen.
Hij deelt de in het eerste lid bedoelde personen mee dat zij op de griffie inzage kunnen nemen van het dossier, met uitzondering van de stukken die ten aanzien van hen vertrouwelijk zijn, en tegen betaling een kopie ervan kunnen krijgen.
§ 2. De auditeur kan onderzoekstaken opdragen aan de ambtenaren van de Dienst voor de Mededinging, aangewezen krachtens artikel 20, § 3, eerste lid, van de voornoemde wet van 10 juni 2006.
§ 3. De auditeur aangewezen krachtens artikel 18 van de voornoemde wet van 10 juni 2006 dient het gemotiveerd verslag in bij de Raad, samen met het dossier. Dit verslag omvat het onderzoeksverslag en een voorstel tot beslissing; het is vergezeld van het onderzoeksdossier en van de inventaris van de stukken van dit dossier. Deze inventaris bepaalt de vertrouwelijkheid van de stukken ten aanzien van elke partij die toegang heeft tot het dossier.
§ 4. Het verslag wordt neergelegd binnen een termijn van vijfentwintig werkdagen vanaf de dag volgend op de dag van de indiening van de aanmelding bij het Auditoraat. Ingeval de inlichtingen die bij de aanmelding werden verstrekt niet volledig waren, loopt deze termijn vanaf de dag volgend op de dag waarop de volledige inlichtingen werden ontvangen. De termijn van vijfentwintig werkdagen wordt verlengd met vijf werkdagen indien verbintenissen worden aangeboden overeenkomstig artikel 34, tweede lid.
§ 5. Bij de indiening bedoeld in § 4, deelt de auditeur een kopie van het verslag mede aan de aanmeldende partijen. Hij deelt tevens een kopie van het verslag, na verwijdering van de zakengeheimen en de vertrouwelijke gegevens, mede aan de vertegenwoordigers van de meest representatieve organisaties van werknemers van deze ondernemingen of aan degenen die zij aanwijzen.
Hij deelt de in het eerste lid bedoelde personen mee dat zij op de griffie inzage kunnen nemen van het dossier, met uitzondering van de stukken die ten aanzien van hen vertrouwelijk zijn, en tegen betaling een kopie ervan kunnen krijgen.
Art. 33. § 1er. L'auditeur désigné par l'auditeur général transmet sans délai au Conseil un exemplaire des notifications de concentrations faites en vertu de l'article 10. Il procède à l'instruction de l'affaire dès réception de la notification ou, si les renseignements à fournir sont incomplets, dès réception des renseignements complets.
§ 2. L'auditeur peut charger les fonctionnaires du Service de la concurrence désignés en vertu de l'article 20, § 3, alinéa 1er, de la loi du 10 juin 2006 précitée de devoirs d'instruction.
§ 3. L'auditeur désigné en vertu de l'article 18 de la loi du 10 juin 2006 précitée dépose le rapport motivé ainsi que le dossier au Conseil. Ce rapport contient le rapport d'instruction et une proposition de décision; il est accompagné du dossier d'instruction et d'un inventaire des pièces le composant. Cet inventaire détermine la confidentialité des pièces à l'égard de chacune des parties ayant accès au dossier.
§ 4. Le rapport est déposé dans un délai de vingt-cinq jours ouvrables à compter du jour suivant celui du dépôt de la notification auprès de l'Auditorat. Lorsque les informations fournies dans la notification ne sont pas complètes, ce délai court à partir du lendemain du jour de la réception des renseignements complets. Le délai de vingt-cinq jours ouvrables est prolongé de cinq jours ouvrables lorsque des engagements ont été offerts conformément à l'article 34, alinéa 2.
§ 5. L'auditeur communique, lors du dépôt visé au § 4, une copie du rapport aux parties notifiantes. Il communique également, après suppression des secrets d'affaires et des éléments confidentiels, une copie du rapport aux représentants des organisations les plus représentatives des travailleurs de ces entreprises ou à ceux qu'ils désignent.
Il porte à la connaissance des personnes visées au premier alinéa qu'elles peuvent consulter le dossier auprès du greffe, à l'exclusion des pièces qui sont confidentielles à leur égard, et en obtenir une copie contre paiement.
§ 2. L'auditeur peut charger les fonctionnaires du Service de la concurrence désignés en vertu de l'article 20, § 3, alinéa 1er, de la loi du 10 juin 2006 précitée de devoirs d'instruction.
§ 3. L'auditeur désigné en vertu de l'article 18 de la loi du 10 juin 2006 précitée dépose le rapport motivé ainsi que le dossier au Conseil. Ce rapport contient le rapport d'instruction et une proposition de décision; il est accompagné du dossier d'instruction et d'un inventaire des pièces le composant. Cet inventaire détermine la confidentialité des pièces à l'égard de chacune des parties ayant accès au dossier.
§ 4. Le rapport est déposé dans un délai de vingt-cinq jours ouvrables à compter du jour suivant celui du dépôt de la notification auprès de l'Auditorat. Lorsque les informations fournies dans la notification ne sont pas complètes, ce délai court à partir du lendemain du jour de la réception des renseignements complets. Le délai de vingt-cinq jours ouvrables est prolongé de cinq jours ouvrables lorsque des engagements ont été offerts conformément à l'article 34, alinéa 2.
§ 5. L'auditeur communique, lors du dépôt visé au § 4, une copie du rapport aux parties notifiantes. Il communique également, après suppression des secrets d'affaires et des éléments confidentiels, une copie du rapport aux représentants des organisations les plus représentatives des travailleurs de ces entreprises ou à ceux qu'ils désignent.
Il porte à la connaissance des personnes visées au premier alinéa qu'elles peuvent consulter le dossier auprès du greffe, à l'exclusion des pièces qui sont confidentielles à leur égard, et en obtenir une copie contre paiement.
Art. 34. Indien de auditeur meent dat een daadwerkelijke mededinging op de Belgische markt of een wezenlijk deel daarvan op significante wijze wordt belemmerd, oa door het in het leven roepen of versterken van een machtspositie, zoals bedoeld in artikel 9, § 4, brengt hij hiervan de ondernemingen die aan de concentratie deelnemen op de hoogte, ten minste vijf werkdagen voor de indiening van het verslag bij de Raad overeenkomstig artikel 33, § 3.
De ondernemingen die aan de concentratie deelnemen, beschikken in dat geval over een termijn van vijf werkdagen om aan de auditeur verbintenissen aan te bieden die bedoeld zijn om een beslissing op grond van artikel 36, § 2, eerste lid,1° te verkrijgen.
De auditeur hoort de ondernemingen die aan de concentratie deelnemen, over de aangeboden verbintenissen, en formuleert in het verslag een standpunt over de aangeboden verbintenissen.
De ondernemingen die aan de concentratie deelnemen, beschikken in dat geval over een termijn van vijf werkdagen om aan de auditeur verbintenissen aan te bieden die bedoeld zijn om een beslissing op grond van artikel 36, § 2, eerste lid,1° te verkrijgen.
De auditeur hoort de ondernemingen die aan de concentratie deelnemen, over de aangeboden verbintenissen, en formuleert in het verslag een standpunt over de aangeboden verbintenissen.
Art. 34. Lorsque l'auditeur estime qu'une concurrence effective sur le marché belge ou une partie substantielle de celui-ci serait entravée de manière significative, notamment par la création ou le renforcement d'une position dominante, conformément à l'article 9, § 4, il en informe les entreprises qui participent à la concentration, au moins cinq jours ouvrables avant le dépôt du rapport auprès du Conseil, prévu à l'article 33, § 3.
Les entreprises parties à la concentration disposent en pareil cas d'un délai de cinq jours ouvrables pour présenter à l'auditeur des engagements visant à obtenir une décision sur pied de l'article 36, § 2, alinéa 1er, 1°.
L'auditeur entend les entreprises parties à la concentration au sujet des engagements présentés et prend position sur lesdits engagements dans le rapport.
Les entreprises parties à la concentration disposent en pareil cas d'un délai de cinq jours ouvrables pour présenter à l'auditeur des engagements visant à obtenir une décision sur pied de l'article 36, § 2, alinéa 1er, 1°.
L'auditeur entend les entreprises parties à la concentration au sujet des engagements présentés et prend position sur lesdits engagements dans le rapport.
Afdeling V. - Beslissing inzake concentratie.
Section V. - Décision en matière de concentration.
Art. 35. § 1. De kamer van de Raad behandelt elke zaak ter zitting. De zitting vindt plaats ten minste tien werkdagen na de mededeling van het verslag aan de aanmeldende partijen.
§ 2. De kamer van de Raad hoort de ondernemingen die aan de concentratie deelnemen. Deze ondernemingen voegen hun eventuele schriftelijke opmerkingen bij het dossier uiterlijk de dag voor de zitting en bezorgen daarvan een kopie aan de auditeur.
Indien zij het nodig acht, hoort de kamer van de Raad die de zaak behandelt elke natuurlijke of rechtspersoon die zij oproept.
Zij hoort tevens de derden die een voldoende belang doen blijken. Voor de economische sectoren die onder de controle of het toezicht van een geëigende openbare instelling of ander overheidslichaam zijn geplaatst, worden deze instellingen of overheidslichamen geacht een voldoende belang te hebben.
De leden van de bestuursorganen of van de directieorganen van de ondernemingen die deelnemen aan de concentratie, alsook de vertegenwoordigers van de meest representatieve werknemersorganisaties van deze ondernemingen, of de personen die zij aanwijzen, worden geacht een voldoende belang te hebben.
De minister kan, ten laatste drie werkdagen voor de zitting, aan de Raad een nota richten waarbij hij in de betrokken zaak de elementen aanduidt die het algemeen belang aangaan, alsook die welke het algemeen beleid inzake economische mededinging kunnen beïnvloeden. Het indienen van deze nota verleent hem niet de hoedanigheid van partij in de zaak. De griffie deelt zonder verwijl de nota mede aan de aanmeldende partijen.
Het niet verschijnen van de opgeroepen partijen of van hun mandataris doet geen afbreuk aan de geldigheid van de procedure.
§ 3. Andere personen dan de ondernemingen die aan de concentratie deelnemen, kunnen ten laatste drie werkdagen voor de hoorzitting informatie meedelen aan de kamer van de Raad die de zaak behandelt. De griffier deelt deze informatie onmiddellijk mee aan de aanmeldende partijen en aan het Auditoraat.
Indien andere personen dan de ondernemingen die aan de concentratie deelnemen, vertrouwelijke informatie aan de Raad wensen mee te delen, zal een raadslid van de Raad dat geen deel uitmaakt van de kamer die de beslissing neemt, met toepassing van de procedure bedoeld in artikel 22, §§ 6 en 7, zich over de vertrouwelijkheid uitspreken. De vertrouwelijke documenten worden vervolgens niet bij het dossier gevoegd en worden vervangen door de niet-vertrouwelijke samenvatting of versie. Deze beslissing is niet vatbaar voor een afzonderlijk hoger beroep.
§ 4. De beslissing van de Raad over de grond van de zaak kan niet steunen op de stukken die door derden werden aangebracht en als vertrouwelijk werden erkend zodat de aanmeldende partijen er geen kennis hebben kunnen van nemen.
§ 5. De Koning bepaalt de regels van de procedure voor de Raad evenals de voorwaarden voor het verkrijgen van kopieën.
§ 2. De kamer van de Raad hoort de ondernemingen die aan de concentratie deelnemen. Deze ondernemingen voegen hun eventuele schriftelijke opmerkingen bij het dossier uiterlijk de dag voor de zitting en bezorgen daarvan een kopie aan de auditeur.
Indien zij het nodig acht, hoort de kamer van de Raad die de zaak behandelt elke natuurlijke of rechtspersoon die zij oproept.
Zij hoort tevens de derden die een voldoende belang doen blijken. Voor de economische sectoren die onder de controle of het toezicht van een geëigende openbare instelling of ander overheidslichaam zijn geplaatst, worden deze instellingen of overheidslichamen geacht een voldoende belang te hebben.
De leden van de bestuursorganen of van de directieorganen van de ondernemingen die deelnemen aan de concentratie, alsook de vertegenwoordigers van de meest representatieve werknemersorganisaties van deze ondernemingen, of de personen die zij aanwijzen, worden geacht een voldoende belang te hebben.
De minister kan, ten laatste drie werkdagen voor de zitting, aan de Raad een nota richten waarbij hij in de betrokken zaak de elementen aanduidt die het algemeen belang aangaan, alsook die welke het algemeen beleid inzake economische mededinging kunnen beïnvloeden. Het indienen van deze nota verleent hem niet de hoedanigheid van partij in de zaak. De griffie deelt zonder verwijl de nota mede aan de aanmeldende partijen.
Het niet verschijnen van de opgeroepen partijen of van hun mandataris doet geen afbreuk aan de geldigheid van de procedure.
§ 3. Andere personen dan de ondernemingen die aan de concentratie deelnemen, kunnen ten laatste drie werkdagen voor de hoorzitting informatie meedelen aan de kamer van de Raad die de zaak behandelt. De griffier deelt deze informatie onmiddellijk mee aan de aanmeldende partijen en aan het Auditoraat.
Indien andere personen dan de ondernemingen die aan de concentratie deelnemen, vertrouwelijke informatie aan de Raad wensen mee te delen, zal een raadslid van de Raad dat geen deel uitmaakt van de kamer die de beslissing neemt, met toepassing van de procedure bedoeld in artikel 22, §§ 6 en 7, zich over de vertrouwelijkheid uitspreken. De vertrouwelijke documenten worden vervolgens niet bij het dossier gevoegd en worden vervangen door de niet-vertrouwelijke samenvatting of versie. Deze beslissing is niet vatbaar voor een afzonderlijk hoger beroep.
§ 4. De beslissing van de Raad over de grond van de zaak kan niet steunen op de stukken die door derden werden aangebracht en als vertrouwelijk werden erkend zodat de aanmeldende partijen er geen kennis hebben kunnen van nemen.
§ 5. De Koning bepaalt de regels van de procedure voor de Raad evenals de voorwaarden voor het verkrijgen van kopieën.
Art. 35. § 1er. La chambre du Conseil instruit chaque affaire à l'audience. L'audience se déroule au moins dix jours ouvrables après la communication du rapport aux parties notifiantes.
§ 2. La chambre du Conseil entend les entreprises parties à la concentration. Celles-ci versent leurs observations écrites éventuelles au dossier au plus tard le jour précédant l'audience et en fournissent une copie à l'auditeur.
Quand elle l'estime nécessaire, la chambre du Conseil qui connaît de l'affaire entend toute personne physique ou morale qu'elle convoque.
Elle entend également les tiers qui justifient d'un intérêt suffisant. Dans les secteurs économiques placés sous le contrôle ou la surveillance d'un organisme public ou une autre institution publique spécifique, ces organismes ou institutions sont à considérer comme justifiant d'un intérêt suffisant.
Les membres des organes d'administration ou de direction des entreprises participant à la concentration, ainsi que les représentants des organisations les plus représentatives des travailleurs de ces entreprises, ou ceux qu'ils désignent, sont à considérer comme justifiant d'un intérêt suffisant.
Le ministre, au plus tard trois jours ouvrables avant l'audience, peut adresser au Conseil une note dans laquelle il expose les éléments de l'affaire concernée qui ont trait à la politique générale ainsi que ceux qui sont susceptibles d'influencer la politique générale en matière de concurrence économique. Le dépôt de cette note ne lui confère pas la qualité de partie à la cause. Le greffe communique, sans délai, la note aux parties notifiantes.
Le défaut de comparution des parties convoquées ou de leur mandataire, n'affecte pas la validité de la procédure.
§ 3. D'autres personnes que les parties à la concentration peuvent communiquer des informations à la chambre du Conseil qui connaît de l'affaire au plus tard trois jours ouvrables avant l'audience. Le greffier communique immédiatement ces informations aux parties notifiantes et à l'Auditorat.
Lorsque d'autres personnes que les entreprises parties à la concentration souhaitent communiquer au Conseil des informations confidentielles, un conseiller du Conseil qui ne fait pas partie de la chambre qui prend la décision se prononce sur la confidentialité, en application de la procédure prévue à l'article 22, §§ 6 et 7. Les documents confidentiels ne sont ensuite pas joints au dossier et sont remplacés par une version ou résumé non-confidentiel. Cette décision n'est pas susceptible d'appel distinct.
§ 4. La décision du Conseil sur le fond de l'affaire ne peut s'appuyer sur les pièces qui ont été apportées par des tiers et dont le caractère confidentiel a été accepté, de sorte que les parties notifiantes n'ont pu en prendre connaissance.
§ 5. Le Roi fixe les règles de la procédure devant le Conseil ainsi que les conditions d'obtention des copies.
§ 2. La chambre du Conseil entend les entreprises parties à la concentration. Celles-ci versent leurs observations écrites éventuelles au dossier au plus tard le jour précédant l'audience et en fournissent une copie à l'auditeur.
Quand elle l'estime nécessaire, la chambre du Conseil qui connaît de l'affaire entend toute personne physique ou morale qu'elle convoque.
Elle entend également les tiers qui justifient d'un intérêt suffisant. Dans les secteurs économiques placés sous le contrôle ou la surveillance d'un organisme public ou une autre institution publique spécifique, ces organismes ou institutions sont à considérer comme justifiant d'un intérêt suffisant.
Les membres des organes d'administration ou de direction des entreprises participant à la concentration, ainsi que les représentants des organisations les plus représentatives des travailleurs de ces entreprises, ou ceux qu'ils désignent, sont à considérer comme justifiant d'un intérêt suffisant.
Le ministre, au plus tard trois jours ouvrables avant l'audience, peut adresser au Conseil une note dans laquelle il expose les éléments de l'affaire concernée qui ont trait à la politique générale ainsi que ceux qui sont susceptibles d'influencer la politique générale en matière de concurrence économique. Le dépôt de cette note ne lui confère pas la qualité de partie à la cause. Le greffe communique, sans délai, la note aux parties notifiantes.
Le défaut de comparution des parties convoquées ou de leur mandataire, n'affecte pas la validité de la procédure.
§ 3. D'autres personnes que les parties à la concentration peuvent communiquer des informations à la chambre du Conseil qui connaît de l'affaire au plus tard trois jours ouvrables avant l'audience. Le greffier communique immédiatement ces informations aux parties notifiantes et à l'Auditorat.
Lorsque d'autres personnes que les entreprises parties à la concentration souhaitent communiquer au Conseil des informations confidentielles, un conseiller du Conseil qui ne fait pas partie de la chambre qui prend la décision se prononce sur la confidentialité, en application de la procédure prévue à l'article 22, §§ 6 et 7. Les documents confidentiels ne sont ensuite pas joints au dossier et sont remplacés par une version ou résumé non-confidentiel. Cette décision n'est pas susceptible d'appel distinct.
§ 4. La décision du Conseil sur le fond de l'affaire ne peut s'appuyer sur les pièces qui ont été apportées par des tiers et dont le caractère confidentiel a été accepté, de sorte que les parties notifiantes n'ont pu en prendre connaissance.
§ 5. Le Roi fixe les règles de la procédure devant le Conseil ainsi que les conditions d'obtention des copies.
Art. 36. § 1. De kamer van de Raad stelt bij gemotiveerde beslissing vast dat :
1° de concentratie binnen het toepassingsgebied valt van deze wet;
2° de concentratie niet binnen het toepassingsgebied valt van deze wet.
§ 2. Als de concentratie binnen het toepassingsgebied van deze wet valt, neemt de kamer van de Raad één van de volgende gemotiveerde beslissingen :
1° zij kan beslissen dat de concentratie toelaatbaar is.
Aan die beslissing kan hij voorwaarden en/of verplichtingen verbinden die moeten waarborgen dat de betrokken ondernemingen de verbintenissen nakomen die zij hebben aangeboden teneinde de concentratie toelaatbaar te horen verklaren. Indien de kamer van de Raad voorwaarden en/of verplichtingen in overweging wenst te nemen die niet in het verslag besproken zijn, worden de betrokken ondernemingen en de auditeur hierover gehoord, en beschikken zij over minimaal twee werkdagen om zich hierover uit te spreken. De aanmeldende partijen kunnen de voorwaarden van de concentratie wijzigen, tot op het ogenblik waarop de kamer van de Raad die de zaak behandelt een beslissing heeft genomen. In dat geval slaat de beslissing van toelaatbaarheid op de aldus gewijzigde concentratie;
2° ofwel verklaart zij de concentratie toelaatbaar wanneer de betrokken ondernemingen samen niet meer dan 25 % controleren van welke voor de transactie relevante markt ook, ongeacht of het gaat om horizontale dan wel verticale relaties;
3° ofwel kan hij vaststellen dat er ernstige twijfels bestaan omtrent de toelaatbaarheid van de concentratie en beslissen de procedure van bijkomend onderzoek bedoeld in artikel 37 in te zetten.
De beslissingen van de Raad bedoeld in het eerste lid worden genomen binnen een termijn van veertig werkdagen te rekenen vanaf de dag volgend op de dag van ontvangst van de aanmelding, in voorkomend geval verlengd bij toepassing van artikel 33, § 1. Deze termijn wordt met vijftien werkdagen verlengd indien de betrokken ondernemingen verbintenissen aanbieden teneinde de concentratie toelaatbaar te horen verklaren.
De concentratie wordt toelaatbaar geacht wanneer de Raad geen beslissing heeft genomen binnen de in het tweede lid bedoelde termijn.
§ 3. De termijn bedoeld in § 2 kan niet worden verlengd tenzij op uitdrukkelijk verzoek van de aanmeldende partijen, en slechts voor de duur die zij voorstellen. De kamer van de Raad die de zaak behandelt staat in ieder geval een verlenging toe van vijftien werkdagen alsmede een nieuwe zitting indien de aanmeldende partijen daarom verzoeken.
§ 4. De Koning kan, na raadpleging van de algemene vergadering van de Raad, de in § 2 bedoelde termijn wijzigen.
Hij kan eveneens de voorwaarden van schorsing van deze termijnen bepalen ingeval de vertaling van bepaalde documenten nodig blijkt te zijn.
1° de concentratie binnen het toepassingsgebied valt van deze wet;
2° de concentratie niet binnen het toepassingsgebied valt van deze wet.
§ 2. Als de concentratie binnen het toepassingsgebied van deze wet valt, neemt de kamer van de Raad één van de volgende gemotiveerde beslissingen :
1° zij kan beslissen dat de concentratie toelaatbaar is.
Aan die beslissing kan hij voorwaarden en/of verplichtingen verbinden die moeten waarborgen dat de betrokken ondernemingen de verbintenissen nakomen die zij hebben aangeboden teneinde de concentratie toelaatbaar te horen verklaren. Indien de kamer van de Raad voorwaarden en/of verplichtingen in overweging wenst te nemen die niet in het verslag besproken zijn, worden de betrokken ondernemingen en de auditeur hierover gehoord, en beschikken zij over minimaal twee werkdagen om zich hierover uit te spreken. De aanmeldende partijen kunnen de voorwaarden van de concentratie wijzigen, tot op het ogenblik waarop de kamer van de Raad die de zaak behandelt een beslissing heeft genomen. In dat geval slaat de beslissing van toelaatbaarheid op de aldus gewijzigde concentratie;
2° ofwel verklaart zij de concentratie toelaatbaar wanneer de betrokken ondernemingen samen niet meer dan 25 % controleren van welke voor de transactie relevante markt ook, ongeacht of het gaat om horizontale dan wel verticale relaties;
3° ofwel kan hij vaststellen dat er ernstige twijfels bestaan omtrent de toelaatbaarheid van de concentratie en beslissen de procedure van bijkomend onderzoek bedoeld in artikel 37 in te zetten.
De beslissingen van de Raad bedoeld in het eerste lid worden genomen binnen een termijn van veertig werkdagen te rekenen vanaf de dag volgend op de dag van ontvangst van de aanmelding, in voorkomend geval verlengd bij toepassing van artikel 33, § 1. Deze termijn wordt met vijftien werkdagen verlengd indien de betrokken ondernemingen verbintenissen aanbieden teneinde de concentratie toelaatbaar te horen verklaren.
De concentratie wordt toelaatbaar geacht wanneer de Raad geen beslissing heeft genomen binnen de in het tweede lid bedoelde termijn.
§ 3. De termijn bedoeld in § 2 kan niet worden verlengd tenzij op uitdrukkelijk verzoek van de aanmeldende partijen, en slechts voor de duur die zij voorstellen. De kamer van de Raad die de zaak behandelt staat in ieder geval een verlenging toe van vijftien werkdagen alsmede een nieuwe zitting indien de aanmeldende partijen daarom verzoeken.
§ 4. De Koning kan, na raadpleging van de algemene vergadering van de Raad, de in § 2 bedoelde termijn wijzigen.
Hij kan eveneens de voorwaarden van schorsing van deze termijnen bepalen ingeval de vertaling van bepaalde documenten nodig blijkt te zijn.
Art. 36. § 1er. La chambre du Conseil constate, par une décision motivée :
1° soit que la concentration tombe dans le champ d'application de la présente loi;
2° soit que la concentration ne tombe pas dans le champ d'application de la présente loi.
§ 2. Si la concentration tombe dans le champ d'application de la présente loi, la chambre du Conseil prend l'une des décisions motivées suivantes :
1° soit elle peut décider que la concentration est admissible.
Elle peut assortir sa décision de conditions et/ou charges visant à garantir que les entreprises concernées respectent les engagements qu'elles ont présentés afin d'entendre déclarer la concentration admissible. Lorsque la chambre du Conseil souhaite prendre en considération des conditions et/ou charges qui ne sont pas discutées dans le rapport, les entreprises concernées et l'auditeur sont entendus sur ce point et ont au moins deux jours ouvrables pour se prononcer à cet égard. Les parties notifiantes peuvent modifier les conditions de la concentration, jusqu'au moment où la chambre du Conseil qui connaît de l'affaire a pris sa décision. Dans ce cas, la décision d'admissibilité porte sur la concentration ainsi modifiée;
2° soit elle déclare la concentration admissible lorsque les entreprises concernées ne contrôlent ensemble pas plus de 25 % d'un quelconque marche pertinent pour la transaction qu'il s'agisse de relations horizontales ou verticales;
3° soit elle peut constater qu'il y a des doutes sérieux à propos de l'admissibilité de la concentration et décider d'engager la procédure d'instruction complémentaire visée à l'article 37.
Les décisions du Conseil visées à l'alinéa 1er sont rendues dans un délai de quarante jours ouvrables à compter du jour suivant le jour de la réception de la notification, prolongé le cas échéant, en application de l'article 33, § 1er. Ce délai est prolongé de quinze jours ouvrables lorsque les entreprises concernées présentent des engagements afin d'entendre déclarer la concentration admissible.
La concentration est réputée admissible lorsque le Conseil n'a pas rendu sa décision dans le délai prévu à l'alinéa 2.
§ 3. Le délai visé au § 2 du présent article ne peut être prorogé qu'à la demande expresse des parties notifiantes, et seulement pour la durée que celles-ci proposent. La chambre du Conseil qui connaît de l'affaire autorise en tout cas une prolongation de quinze jours ouvrables et une nouvelle audience si les parties notifiantes le demandent.
§ 4. Le Roi peut, après consultation de l'assemblée générale du Conseil, modifier le délai visé au § 2.
Il peut également déterminer les conditions de suspension de ces délais au cas où la traduction de certains documents s'avère nécessaire.
1° soit que la concentration tombe dans le champ d'application de la présente loi;
2° soit que la concentration ne tombe pas dans le champ d'application de la présente loi.
§ 2. Si la concentration tombe dans le champ d'application de la présente loi, la chambre du Conseil prend l'une des décisions motivées suivantes :
1° soit elle peut décider que la concentration est admissible.
Elle peut assortir sa décision de conditions et/ou charges visant à garantir que les entreprises concernées respectent les engagements qu'elles ont présentés afin d'entendre déclarer la concentration admissible. Lorsque la chambre du Conseil souhaite prendre en considération des conditions et/ou charges qui ne sont pas discutées dans le rapport, les entreprises concernées et l'auditeur sont entendus sur ce point et ont au moins deux jours ouvrables pour se prononcer à cet égard. Les parties notifiantes peuvent modifier les conditions de la concentration, jusqu'au moment où la chambre du Conseil qui connaît de l'affaire a pris sa décision. Dans ce cas, la décision d'admissibilité porte sur la concentration ainsi modifiée;
2° soit elle déclare la concentration admissible lorsque les entreprises concernées ne contrôlent ensemble pas plus de 25 % d'un quelconque marche pertinent pour la transaction qu'il s'agisse de relations horizontales ou verticales;
3° soit elle peut constater qu'il y a des doutes sérieux à propos de l'admissibilité de la concentration et décider d'engager la procédure d'instruction complémentaire visée à l'article 37.
Les décisions du Conseil visées à l'alinéa 1er sont rendues dans un délai de quarante jours ouvrables à compter du jour suivant le jour de la réception de la notification, prolongé le cas échéant, en application de l'article 33, § 1er. Ce délai est prolongé de quinze jours ouvrables lorsque les entreprises concernées présentent des engagements afin d'entendre déclarer la concentration admissible.
La concentration est réputée admissible lorsque le Conseil n'a pas rendu sa décision dans le délai prévu à l'alinéa 2.
§ 3. Le délai visé au § 2 du présent article ne peut être prorogé qu'à la demande expresse des parties notifiantes, et seulement pour la durée que celles-ci proposent. La chambre du Conseil qui connaît de l'affaire autorise en tout cas une prolongation de quinze jours ouvrables et une nouvelle audience si les parties notifiantes le demandent.
§ 4. Le Roi peut, après consultation de l'assemblée générale du Conseil, modifier le délai visé au § 2.
Il peut également déterminer les conditions de suspension de ces délais au cas où la traduction de certains documents s'avère nécessaire.
Art. 37. § 1. Indien de kamer van de Raad de beslissing neemt bedoeld in artikel 36, § 2, eerste lid, 3°, voert de auditeur een bijkomend onderzoek en dient hij een bijkomend verslag in bij de kamer van de Raad die de zaak behandelt. De bepalingen van artikel 33, met uitzondering van de §§ 1 en 4, zijn van toepassing op het bijkomend onderzoek en het bijkomend verslag.
Ten laatste twintig werkdagen na de datum van de beslissing om de procedure in te zetten overeenkomstig artikel 36, § 2, 3°, kunnen de aanmeldende partijen aan de auditeur verbintenissen voorstellen met het oog op het verkrijgen van een beslissing tot toelaatbaarheid.
§ 2. De auditeur dient het bijkomend verslag in bij de kamer van de Raad die de zaak behandelt binnen een termijn van dertig werkdagen na de beslissing om de procedure in te stellen. Deze termijn wordt verlengd met dezelfde duur als die welke de partijen gebruikt hebben om hun verbintenissen voor te stellen overeenkomstig § 1. Dit aanvullend verslag wordt meegedeeld overeenkomstig artikel 33, § 5.
Indien de auditeur van oordeel is dat de concentratie overeenkomstig artikel 9, § 3, toelaatbaar moet worden verklaard, vermeldt het bijkomend verslag de redenen waarom de concentratie niet tot gevolg heeft dat een daadwerkelijke mededinging op de Belgische markt of een wezenlijk deel daarvan op significante wijze wordt belemmerd met name door het in het leven roepen of de versterking van een machtspositie.
Indien de auditeur van oordeel is dat de concentratie overeenkomstig artikel 9, § 4, ontoelaatbaar moet worden verklaard of onderworpen moet worden aan voorwaarden en/of verplichtingen, vermeldt het bijkomend verslag de redenen waarom de concentratie moet worden verboden of onderworpen aan de voorwaarden en verplichtingen die de auditeur voorstelt.
§ 3. De ondernemingen die aan de concentratie deelnemen en de personen die overeenkomstig artikel 35, § 2, tussenkomen, dienen hun eventuele schriftelijke opmerkingen in binnen een termijn van tien werkdagen na de neerlegging van het bijkomend verslag, met kopie aan de auditeur en de andere bij de zaak betrokken partijen.
§ 4. Ingeval schriftelijke opmerkingen met toepassing van § 3 ingediend worden, kan de auditeur een aanvullend verslag neerleggen bij de kamer van de Raad die de zaak behandelt binnen een termijn van vijf werkdagen na het verstrijken van de termijn bepaald in § 3. Dit aanvullend verslag wordt medegedeeld overeenkomstig artikel 33, § 5. De ondernemingen die aan de concentratie deelnemen voegen hun eventuele schriftelijke opmerkingen toe aan het dossier uiterlijk op de dag voor de hoorzitting, met kopie aan de auditeur. Eventuele bijkomende schriftelijke opmerkingen van tussenkomende partijen worden uit de debatten geweerd.
§ 5. De kamer van de Raad behandelt de zaak overeenkomstig artikel 35.
§ 6. De beslissing van de kamer betreffende de toelaatbaarheid van een concentratie wordt genomen binnen zestig werkdagen na de beslissing om de procedure in te stellen, desgevallend verlengd overeenkomstig § 2. Aan die beslissing kunnen voorwaarden en/of verplichtingen gekoppeld worden die waarborgen dat de betrokken ondernemingen de verbintenissen nakomen die zij hebben aangeboden teneinde de concentratie toelaatbaar te horen verklaren. Indien de kamer van de Raad die de zaak behandelt voorwaarden en/of verplichtingen in overweging wenst te nemen die niet in het verslag besproken zijn, worden de betrokken ondernemingen en de auditeur hierover gehoord en krijgen zij minimaal twee werkdagen om zich hierover uit te spreken.
De beslissing over de concentratie wordt geacht gunstig te zijn wanneer de Raad geen beslissing heeft genomen binnen de termijn van zestig werkdagen, desgevallend verlengd zoals bepaald in § 2, indien de betrokken ondernemingen verbintenissen aanbieden overeenkomstig § 2.
De termijn kan niet worden verlengd tenzij op uitdrukkelijk verzoek van de partijen, en ten hoogste voor de duur die zij voorstellen. De kamer van de Raad die de zaak behandelt, staat in ieder geval een verlenging toe van twintig werkdagen alsmede een nieuwe zitting indien de aanmeldende partijen daarom verzoeken teneinde hen toe te laten nieuwe verbintenissen voor te stellen.
De Koning kan, na raadpleging van de algemene vergadering van de Raad, de termijn bedoeld in het eerste lid wijzigen.
§ 7. Wanneer de kamer van de Raad die de zaak behandelt in haar beslissing vaststelt dat de concentratie niet toelaatbaar is, beveelt zij met het oog op het herstellen van een daadwerkelijke mededinging, de splitsing van de gegroepeerde ondernemingen of activa, het stopzetten van de gemeenschappelijke controle of elke andere geëigende maatregel.
Ten laatste twintig werkdagen na de datum van de beslissing om de procedure in te zetten overeenkomstig artikel 36, § 2, 3°, kunnen de aanmeldende partijen aan de auditeur verbintenissen voorstellen met het oog op het verkrijgen van een beslissing tot toelaatbaarheid.
§ 2. De auditeur dient het bijkomend verslag in bij de kamer van de Raad die de zaak behandelt binnen een termijn van dertig werkdagen na de beslissing om de procedure in te stellen. Deze termijn wordt verlengd met dezelfde duur als die welke de partijen gebruikt hebben om hun verbintenissen voor te stellen overeenkomstig § 1. Dit aanvullend verslag wordt meegedeeld overeenkomstig artikel 33, § 5.
Indien de auditeur van oordeel is dat de concentratie overeenkomstig artikel 9, § 3, toelaatbaar moet worden verklaard, vermeldt het bijkomend verslag de redenen waarom de concentratie niet tot gevolg heeft dat een daadwerkelijke mededinging op de Belgische markt of een wezenlijk deel daarvan op significante wijze wordt belemmerd met name door het in het leven roepen of de versterking van een machtspositie.
Indien de auditeur van oordeel is dat de concentratie overeenkomstig artikel 9, § 4, ontoelaatbaar moet worden verklaard of onderworpen moet worden aan voorwaarden en/of verplichtingen, vermeldt het bijkomend verslag de redenen waarom de concentratie moet worden verboden of onderworpen aan de voorwaarden en verplichtingen die de auditeur voorstelt.
§ 3. De ondernemingen die aan de concentratie deelnemen en de personen die overeenkomstig artikel 35, § 2, tussenkomen, dienen hun eventuele schriftelijke opmerkingen in binnen een termijn van tien werkdagen na de neerlegging van het bijkomend verslag, met kopie aan de auditeur en de andere bij de zaak betrokken partijen.
§ 4. Ingeval schriftelijke opmerkingen met toepassing van § 3 ingediend worden, kan de auditeur een aanvullend verslag neerleggen bij de kamer van de Raad die de zaak behandelt binnen een termijn van vijf werkdagen na het verstrijken van de termijn bepaald in § 3. Dit aanvullend verslag wordt medegedeeld overeenkomstig artikel 33, § 5. De ondernemingen die aan de concentratie deelnemen voegen hun eventuele schriftelijke opmerkingen toe aan het dossier uiterlijk op de dag voor de hoorzitting, met kopie aan de auditeur. Eventuele bijkomende schriftelijke opmerkingen van tussenkomende partijen worden uit de debatten geweerd.
§ 5. De kamer van de Raad behandelt de zaak overeenkomstig artikel 35.
§ 6. De beslissing van de kamer betreffende de toelaatbaarheid van een concentratie wordt genomen binnen zestig werkdagen na de beslissing om de procedure in te stellen, desgevallend verlengd overeenkomstig § 2. Aan die beslissing kunnen voorwaarden en/of verplichtingen gekoppeld worden die waarborgen dat de betrokken ondernemingen de verbintenissen nakomen die zij hebben aangeboden teneinde de concentratie toelaatbaar te horen verklaren. Indien de kamer van de Raad die de zaak behandelt voorwaarden en/of verplichtingen in overweging wenst te nemen die niet in het verslag besproken zijn, worden de betrokken ondernemingen en de auditeur hierover gehoord en krijgen zij minimaal twee werkdagen om zich hierover uit te spreken.
De beslissing over de concentratie wordt geacht gunstig te zijn wanneer de Raad geen beslissing heeft genomen binnen de termijn van zestig werkdagen, desgevallend verlengd zoals bepaald in § 2, indien de betrokken ondernemingen verbintenissen aanbieden overeenkomstig § 2.
De termijn kan niet worden verlengd tenzij op uitdrukkelijk verzoek van de partijen, en ten hoogste voor de duur die zij voorstellen. De kamer van de Raad die de zaak behandelt, staat in ieder geval een verlenging toe van twintig werkdagen alsmede een nieuwe zitting indien de aanmeldende partijen daarom verzoeken teneinde hen toe te laten nieuwe verbintenissen voor te stellen.
De Koning kan, na raadpleging van de algemene vergadering van de Raad, de termijn bedoeld in het eerste lid wijzigen.
§ 7. Wanneer de kamer van de Raad die de zaak behandelt in haar beslissing vaststelt dat de concentratie niet toelaatbaar is, beveelt zij met het oog op het herstellen van een daadwerkelijke mededinging, de splitsing van de gegroepeerde ondernemingen of activa, het stopzetten van de gemeenschappelijke controle of elke andere geëigende maatregel.
Art. 37. § 1er. Si la chambre du Conseil prend la décision visée à l'article 36, § 2, alinéa 1er, 3°, l'auditeur procède à une instruction complémentaire et dépose un rapport complémentaire auprès de la chambre du Conseil qui connaît de l'affaire. Les dispositions de l'article 33, à l'exception des §§ 1er et 4, sont d'application à l'instruction et au rapport complémentaires.
Au plus tard vingt jours ouvrables après la date de la décision d'engager la procédure conformément à l'article 36, § 2, 3°, les entreprises notifiantes peuvent présenter à l'auditeur des engagements destinés à obtenir une décision d'admissibilité.
§ 2. L'auditeur dépose le rapport complémentaire auprès de la chambre du Conseil qui connaît de l'affaire dans un délai de trente jours ouvrables suivant la décision d'engager la procédure. Ce délai est prolongé d'une durée égale à celle utilisée par les parties notifiantes en vue de présenter des engagements conformément au § 1er. Ce rapport complémentaire est communiqué conformément à l'article 33, § 5.
Lorsque l'auditeur est d'avis que la concentration doit être déclarée admissible conformément à l'article 9, § 3, le rapport complémentaire mentionne les raisons pour lesquelles la concentration n'a pas pour conséquence qu'une concurrence effective serait entravée de manière significative dans le marché belge ou une partie substantielle de celui-ci, notamment par la création ou le renforcement d'une position dominante.
Lorsque l'auditeur est d'avis que la concentration doit être déclarée inadmissible conformément à l'article 9, § 4, ou doit être soumise à des conditions et/ou charges, le rapport complémentaire mentionne les raisons pour lesquelles la concentration doit être interdite ou doit être soumise aux conditions ou charges que l'auditeur propose.
§ 3. Les entreprises parties à la concentration et les personnes qui interviennent dans la procédure conformément à l'article 35, § 2, déposent leurs observations écrites éventuelles dans les dix jours ouvrables du dépôt du rapport complémentaire, avec copie à l'auditeur et aux autres parties à l'affaire.
§ 4. Lorsque des observations écrites sont déposées conformément au § 3, l'auditeur peut déposer un rapport supplémentaire auprès de la chambre du Conseil qui connaît de l'affaire dans un délai de cinq jours ouvrables après l'expiration du délai prévu au § 3. Ce rapport supplémentaire est communiqué conformément à l'article 33, § 5. Les entreprises qui participent à la concentration versent leurs observations écrites éventuelles au dossier au plus tard le jour précédant l'audience, avec copie à l'auditeur. Les éventuelles observations écrites complémentaires des parties intervenantes sont écartées des débats.
§ 5. La chambre du Conseil instruit l'affaire conformément à l'article 35.
§ 6. La décision de la chambre relative à l'admissibilité de la concentration est formulée dans les soixante jours ouvrables de la décision d'engager la procédure, le cas échéant prolongés conformément au § 2. Cette décision peut être assortie de conditions et/ou charges qui garantissent que les entreprises concernées respectent les engagements qu'elles ont présentés afin d'entendre déclarer admissible la concentration. Lorsque la chambre du Conseil qui connaît de l'affaire souhaite prendre en considération des conditions et/ou charges qui ne sont pas discutées dans le rapport, les entreprises concernées et l'auditeur sont entendus sur ce point et ont au moins deux jours ouvrables pour se prononcer à cet égard.
La concentration est réputée faire l'objet d'une décision favorable lorsque le Conseil n'a pas rendu sa décision dans le délai de soixante jours ouvrables, le cas échéant prolongé comme prévu au § 2, lorsque les entreprises concernées présentent des engagements, conformément au § 2.
Le délai ne peut être prolongé que sur demande expresse des parties, et pour une durée qui ne peut excéder la durée proposée par les parties. La chambre du Conseil qui connaît de l'affaire accorde en tout cas une prolongation de vingt jours ouvrables ainsi qu'une nouvelle audition sur demande des parties notifiantes afin de leur permettre de présenter de nouveaux engagements.
Le Roi peut, après consultation de l'assemblée générale du Conseil, modifier le délai visé à l'alinéa 1er.
§ 7. Lorsque la chambre du Conseil qui connaît de l'affaire constate dans sa décision que la concentration n'est pas admissible, elle ordonne, en vue de rétablir une concurrence effective, la scission des entreprises ou des actifs groupés, la fin du contrôle en commun ou toute autre mesure appropriée.
Au plus tard vingt jours ouvrables après la date de la décision d'engager la procédure conformément à l'article 36, § 2, 3°, les entreprises notifiantes peuvent présenter à l'auditeur des engagements destinés à obtenir une décision d'admissibilité.
§ 2. L'auditeur dépose le rapport complémentaire auprès de la chambre du Conseil qui connaît de l'affaire dans un délai de trente jours ouvrables suivant la décision d'engager la procédure. Ce délai est prolongé d'une durée égale à celle utilisée par les parties notifiantes en vue de présenter des engagements conformément au § 1er. Ce rapport complémentaire est communiqué conformément à l'article 33, § 5.
Lorsque l'auditeur est d'avis que la concentration doit être déclarée admissible conformément à l'article 9, § 3, le rapport complémentaire mentionne les raisons pour lesquelles la concentration n'a pas pour conséquence qu'une concurrence effective serait entravée de manière significative dans le marché belge ou une partie substantielle de celui-ci, notamment par la création ou le renforcement d'une position dominante.
Lorsque l'auditeur est d'avis que la concentration doit être déclarée inadmissible conformément à l'article 9, § 4, ou doit être soumise à des conditions et/ou charges, le rapport complémentaire mentionne les raisons pour lesquelles la concentration doit être interdite ou doit être soumise aux conditions ou charges que l'auditeur propose.
§ 3. Les entreprises parties à la concentration et les personnes qui interviennent dans la procédure conformément à l'article 35, § 2, déposent leurs observations écrites éventuelles dans les dix jours ouvrables du dépôt du rapport complémentaire, avec copie à l'auditeur et aux autres parties à l'affaire.
§ 4. Lorsque des observations écrites sont déposées conformément au § 3, l'auditeur peut déposer un rapport supplémentaire auprès de la chambre du Conseil qui connaît de l'affaire dans un délai de cinq jours ouvrables après l'expiration du délai prévu au § 3. Ce rapport supplémentaire est communiqué conformément à l'article 33, § 5. Les entreprises qui participent à la concentration versent leurs observations écrites éventuelles au dossier au plus tard le jour précédant l'audience, avec copie à l'auditeur. Les éventuelles observations écrites complémentaires des parties intervenantes sont écartées des débats.
§ 5. La chambre du Conseil instruit l'affaire conformément à l'article 35.
§ 6. La décision de la chambre relative à l'admissibilité de la concentration est formulée dans les soixante jours ouvrables de la décision d'engager la procédure, le cas échéant prolongés conformément au § 2. Cette décision peut être assortie de conditions et/ou charges qui garantissent que les entreprises concernées respectent les engagements qu'elles ont présentés afin d'entendre déclarer admissible la concentration. Lorsque la chambre du Conseil qui connaît de l'affaire souhaite prendre en considération des conditions et/ou charges qui ne sont pas discutées dans le rapport, les entreprises concernées et l'auditeur sont entendus sur ce point et ont au moins deux jours ouvrables pour se prononcer à cet égard.
La concentration est réputée faire l'objet d'une décision favorable lorsque le Conseil n'a pas rendu sa décision dans le délai de soixante jours ouvrables, le cas échéant prolongé comme prévu au § 2, lorsque les entreprises concernées présentent des engagements, conformément au § 2.
Le délai ne peut être prolongé que sur demande expresse des parties, et pour une durée qui ne peut excéder la durée proposée par les parties. La chambre du Conseil qui connaît de l'affaire accorde en tout cas une prolongation de vingt jours ouvrables ainsi qu'une nouvelle audition sur demande des parties notifiantes afin de leur permettre de présenter de nouveaux engagements.
Le Roi peut, après consultation de l'assemblée générale du Conseil, modifier le délai visé à l'alinéa 1er.
§ 7. Lorsque la chambre du Conseil qui connaît de l'affaire constate dans sa décision que la concentration n'est pas admissible, elle ordonne, en vue de rétablir une concurrence effective, la scission des entreprises ou des actifs groupés, la fin du contrôle en commun ou toute autre mesure appropriée.
Art. 38. § 1. Binnen een termijn van dertig werkdagen te rekenen van de kennisgeving van de beslissing van de Raad aan de aanmeldende partijen en de kanselarij van de eerste minister, kan de Ministerraad de verwezenlijking van een concentratie toestaan om redenen van algemeen belang, die zwaarder wegen dan het risico van aantasting van de mededinging vastgesteld door de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1. De Ministerraad kan eveneens de voorwaarden en verplichtingen die eventueel door de Raad zijn uitgesproken, geheel of gedeeltelijk opheffen.
In zijn beoordeling en motivering houdt de Ministerraad rekening met onder meer het algemeen belang, de veiligheid van het land en de mededingingskracht van de betrokken sectoren gelet op de internationale concurrentie, de consumentenbelangen en de werkgelegenheid.
§ 2. De Ministerraad doet ambtshalve uitspraak of op verzoek van de aanmeldende partijen.
§ 3. De beslissing van de Ministerraad wordt genomen binnen dertig werkdagen te rekenen van de kennisgeving van de beslissing van de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 en enkel op grond van deze beslissing. Bij ontstentenis van beslissing binnen die termijn wordt de Ministerraad geacht geen toelating te hebben verleend.
In zijn beoordeling en motivering houdt de Ministerraad rekening met onder meer het algemeen belang, de veiligheid van het land en de mededingingskracht van de betrokken sectoren gelet op de internationale concurrentie, de consumentenbelangen en de werkgelegenheid.
§ 2. De Ministerraad doet ambtshalve uitspraak of op verzoek van de aanmeldende partijen.
§ 3. De beslissing van de Ministerraad wordt genomen binnen dertig werkdagen te rekenen van de kennisgeving van de beslissing van de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 en enkel op grond van deze beslissing. Bij ontstentenis van beslissing binnen die termijn wordt de Ministerraad geacht geen toelating te hebben verleend.
Art. 38. § 1er. Dans un délai de trente jours ouvrables à compter de la notification de la décision du Conseil aux parties notifiantes et à la chancellerie du premier ministre, le Conseil des ministres peut autoriser la réalisation d'une concentration pour des raisons d'intérêt général qui l'emportent sur le risque d'atteinte à la concurrence constaté par [1 l'Autorité belge de la concurrence]1. Le Conseil des Ministres peut également lever totalement ou partiellement les conditions et charges éventuellement prononcées par [1 l'Autorité belge de la concurrence]1.
Dans son appréciation et sa motivation, le Conseil des Ministres tient compte notamment de l'intérêt général, de la sécurité nationale, de la compétitivité des secteurs concernés au regard de la concurrence internationale, ainsi que de l'intérêt des consommateurs et de l'emploi.
§ 2. Le Conseil des Ministres statue d'office ou à la demande des parties notifiantes.
§ 3. La décision du Conseil des Ministres est prise dans les trente jours ouvrables à partir de la notification de la décision de [2 l'Autorité belge de la concurrence]2 et sur la seule base de cette décision. A défaut de décision du Conseil des ministres dans ce délai, le Conseil des ministres est réputé ne pas accorder l'autorisation.
Dans son appréciation et sa motivation, le Conseil des Ministres tient compte notamment de l'intérêt général, de la sécurité nationale, de la compétitivité des secteurs concernés au regard de la concurrence internationale, ainsi que de l'intérêt des consommateurs et de l'emploi.
§ 2. Le Conseil des Ministres statue d'office ou à la demande des parties notifiantes.
§ 3. La décision du Conseil des Ministres est prise dans les trente jours ouvrables à partir de la notification de la décision de [2 l'Autorité belge de la concurrence]2 et sur la seule base de cette décision. A défaut de décision du Conseil des ministres dans ce délai, le Conseil des ministres est réputé ne pas accorder l'autorisation.
Afdeling VI. - Onderzoek en beslissing tijdens een vereenvoudigde procedure bij concentraties.
Section VI. - Instruction et décision au cours d'une procédure simplifiée en matière de concentrations.
Art. 39. § 1. De aanmeldende partijen kunnen om de toepassing van de vereenvoudigde procedure verzoeken. In dat geval gelden de hiernavolgende bepalingen in afwijking van de bepalingen van de artikelen 33, § 1 en §§ 3 tot 5, en 34 tot en met 37.
§ 2. De auditeur stelt het onderzoek van de zaak in zodra hij de aanmelding bedoeld in artikel 10 heeft ontvangen of, indien de te verstrekken inlichtingen onvolledig zijn, zodra hij de volledige inlichtingen heeft ontvangen.
§ 3. Indien de auditeur tot de vaststelling komt dat aan de voorwaarden voor toepassing van de vereenvoudigde procedure is voldaan en dat de aangemelde concentratie geen aanleiding geeft tot verzet, stelt hij dit vast in een brief die hij toestuurt aan de aanmeldende partijen. De auditeur stuurt tevens een afschrift van deze brief naar de Raad met het oog op de publicatie ervan.
§ 4. De brief van de auditeur bedoeld in § 3 geldt voor de toepassing van deze wet als een beslissing van de Raad in de zin van artikel 36, § 2, 1°.
§ 5. Indien de auditeur tot de vaststelling komt dat naar zijn oordeel niet aan de voorwaarden voor toepassing van de vereenvoudigde procedure is voldaan of dat er twijfels bestaan over de toelaatbaarheid van de concentratie, stelt hij dit met een summiere toelichting vast in een brief die hij toestuurt aan de aanmeldende partijen, met een afschrift voor de Raad.
Deze brief is niet vatbaar voor afzonderlijk beroep.
Door deze brief van de auditeur vervalt de vereenvoudigde procedure zodat de artikelen 33 tot 37 terug onverminderd van toepassing worden. De aanmelding wordt geacht vanaf het begin onvolledig te zijn geweest in de zin van artikel 33, § 1. De aanmelding wordt geacht volledig te zijn op de dag die volgt op die waarop de aanmeldende partijen de ontbrekende informatie verstrekken die in de brief van de auditeur is vermeld.
§ 6. Binnen twintig werkdagen stuurt de auditeur de brief bedoeld in § 3 of § 5 toe aan de aanmeldende partijen. De concentratie wordt geacht te zijn goedgekeurd wanneer de auditeur binnen de vermelde termijn de bedoelde brief niet heeft verstuurd.
§ 2. De auditeur stelt het onderzoek van de zaak in zodra hij de aanmelding bedoeld in artikel 10 heeft ontvangen of, indien de te verstrekken inlichtingen onvolledig zijn, zodra hij de volledige inlichtingen heeft ontvangen.
§ 3. Indien de auditeur tot de vaststelling komt dat aan de voorwaarden voor toepassing van de vereenvoudigde procedure is voldaan en dat de aangemelde concentratie geen aanleiding geeft tot verzet, stelt hij dit vast in een brief die hij toestuurt aan de aanmeldende partijen. De auditeur stuurt tevens een afschrift van deze brief naar de Raad met het oog op de publicatie ervan.
§ 4. De brief van de auditeur bedoeld in § 3 geldt voor de toepassing van deze wet als een beslissing van de Raad in de zin van artikel 36, § 2, 1°.
§ 5. Indien de auditeur tot de vaststelling komt dat naar zijn oordeel niet aan de voorwaarden voor toepassing van de vereenvoudigde procedure is voldaan of dat er twijfels bestaan over de toelaatbaarheid van de concentratie, stelt hij dit met een summiere toelichting vast in een brief die hij toestuurt aan de aanmeldende partijen, met een afschrift voor de Raad.
Deze brief is niet vatbaar voor afzonderlijk beroep.
Door deze brief van de auditeur vervalt de vereenvoudigde procedure zodat de artikelen 33 tot 37 terug onverminderd van toepassing worden. De aanmelding wordt geacht vanaf het begin onvolledig te zijn geweest in de zin van artikel 33, § 1. De aanmelding wordt geacht volledig te zijn op de dag die volgt op die waarop de aanmeldende partijen de ontbrekende informatie verstrekken die in de brief van de auditeur is vermeld.
§ 6. Binnen twintig werkdagen stuurt de auditeur de brief bedoeld in § 3 of § 5 toe aan de aanmeldende partijen. De concentratie wordt geacht te zijn goedgekeurd wanneer de auditeur binnen de vermelde termijn de bedoelde brief niet heeft verstuurd.
Art. 39. § 1er. Les parties notifiantes peuvent demander l'application de la procédure simplifiée. Dans ce cas, les dispositions suivantes sont d'application par dérogation aux dispositions des articles 33, § 1er et §§ 3 à 5, et 34 à 37.
§ 2. L'auditeur procède à l'instruction de l'affaire dès qu'il reçoit la notification prévue à l'article 10 ou, lorsque les informations à fournir sont incomplètes, dès qu'il reçoit les informations complètes.
§ 3. Lorsque l'auditeur parvient à la conclusion que les conditions d'application de la procédure simplifiée sont remplies et que la concentration notifiée ne soulève pas d'opposition, il le constate dans une lettre qu'il communique aux parties notifiantes. L'auditeur transmet en même temps une copie de cette lettre au Conseil en vue de sa publication.
§ 4. La lettre de l'auditeur visée au § 3 est considérée, aux fins de l'application de la présente loi, comme une décision du Conseil au sens de l'article 36, § 2, 1°.
§ 5. Lorsque l'auditeur parvient à la conclusion que les conditions d'application de la procédure simplifiée ne sont à son avis pas remplies ou qu'il y a des doutes au sujet de l'admissibilité de la concentration, il le constate dans une lettre contenant une motivation sommaire, qu'il communique aux parties notifiantes, avec copie au Conseil.
Cette lettre n'est pas susceptible de recours distinct.
Cette lettre de l'auditeur met fin à la procédure simplifiée, de sorte que les articles 33 à 37 sont à nouveau intégralement applicables. La notification est considérée avoir été incomplète depuis le début au sens de l'article 33, § 1er. La notification est réputée complète le jour suivant celui où les parties notifiantes fournissent l'information manquante mentionnée dans la lettre de l'auditeur.
§ 6. L'auditeur communique la lettre visée au § 3 ou § 5 aux parties notifiantes dans un délai de vingt jours ouvrables. La concentration est réputée approuvée lorsque l'auditeur n'a pas communiqué ladite lettre dans le délai mentionné.
§ 2. L'auditeur procède à l'instruction de l'affaire dès qu'il reçoit la notification prévue à l'article 10 ou, lorsque les informations à fournir sont incomplètes, dès qu'il reçoit les informations complètes.
§ 3. Lorsque l'auditeur parvient à la conclusion que les conditions d'application de la procédure simplifiée sont remplies et que la concentration notifiée ne soulève pas d'opposition, il le constate dans une lettre qu'il communique aux parties notifiantes. L'auditeur transmet en même temps une copie de cette lettre au Conseil en vue de sa publication.
§ 4. La lettre de l'auditeur visée au § 3 est considérée, aux fins de l'application de la présente loi, comme une décision du Conseil au sens de l'article 36, § 2, 1°.
§ 5. Lorsque l'auditeur parvient à la conclusion que les conditions d'application de la procédure simplifiée ne sont à son avis pas remplies ou qu'il y a des doutes au sujet de l'admissibilité de la concentration, il le constate dans une lettre contenant une motivation sommaire, qu'il communique aux parties notifiantes, avec copie au Conseil.
Cette lettre n'est pas susceptible de recours distinct.
Cette lettre de l'auditeur met fin à la procédure simplifiée, de sorte que les articles 33 à 37 sont à nouveau intégralement applicables. La notification est considérée avoir été incomplète depuis le début au sens de l'article 33, § 1er. La notification est réputée complète le jour suivant celui où les parties notifiantes fournissent l'information manquante mentionnée dans la lettre de l'auditeur.
§ 6. L'auditeur communique la lettre visée au § 3 ou § 5 aux parties notifiantes dans un délai de vingt jours ouvrables. La concentration est réputée approuvée lorsque l'auditeur n'a pas communiqué ladite lettre dans le délai mentionné.
Afdeling VII. - Voorlopige maatregelen.
Section VII. - Mesures provisoires.
Art. 40. § 1. De voorzitter van de Raad of het raadslid dat hij afvaardigt kan, onder de in dit artikel bepaalde voorwaarden, voorlopige maatregelen nemen teneinde de restrictieve mededingingspraktijken die het voorwerp van het onderzoek uitmaken te schorsen, indien het dringend is een toestand te vermijden die een ernstig, onmiddellijk en onherstelbaar nadeel kan veroorzaken voor de ondernemingen waarvan de belangen aangetast worden door deze praktijken of die schadelijk kan zijn voor het algemeen economisch belang.
§ 2. Verzoeken om voorlopige maatregelen kunnen door een klager, de minister of de minister bevoegd voor de betrokken sector worden ingediend bij het Auditoraat. Het Auditoraat brengt de ondernemingen of ondernemingsverenigingen waartegen voorlopige maatregelen werden gevraagd, op de hoogte van dit verzoek en zendt een kopie van dit verzoek over aan de voorzitter van de Raad.
§ 3. Indien de auditeur tot het besluit komt dat een verzoek om voorlopige maatregelen niet ontvankelijk is of ongegrond is, seponeert hij zulk verzoek bij een met redenen omklede beslissing. Deze beslissing wordt bij aangetekend schrijven ter kennis gebracht van de indiener van de klacht of van de minister, waarbij hem wordt meegedeeld dat hij het dossier op de griffie kan raadplegen, tegen betaling een kopie ervan kan krijgen en tegen de beslissing tot sepot beroep kan instellen bij de voorzitter van de Raad.
§ 4. Tegen een beslissing tot sepot kan bij de voorzitter van de Raad beroep worden ingesteld door middel van een ondertekend en met redenen omkleed verzoekschrift dat op straffe van nietigheid wordt ingediend bij de griffie binnen een termijn van dertig dagen na de kennisgeving van de beslissing. Dit verzoek voldoet op straffe van nietigheid aan de voorwaarden bedoeld in artikel 29, § 2, derde lid, 1° tot 3°, 5° en 7°, van de voornoemde wet van 10 juni 2006. De voorzitter van de Raad doet uitspraak op stukken. Deze beslissingen van de voorzitter zijn niet vatbaar voor hoger beroep. Indien de voorzitter van de Raad het beroep gegrond acht, wordt het dossier teruggezonden aan het Auditoraat voor onderzoek en verslag aan de voorzitter.
§ 5. Indien de auditeur het verzoek ontvankelijk en gegrond acht, dient hij een met redenen omkleed verslag in bij de voorzitter van de Raad. Dit verslag vermeldt de maatregelen die de auditeur nodig acht om de in § 1 bedoelde praktijken te schorsen.
§ 6. Na de indiening van het in § 5 bedoelde verslag is de procedure bedoeld in artikel 26 eveneens van toepassing op de verzoeken om voorlopige maatregelen.
§ 2. Verzoeken om voorlopige maatregelen kunnen door een klager, de minister of de minister bevoegd voor de betrokken sector worden ingediend bij het Auditoraat. Het Auditoraat brengt de ondernemingen of ondernemingsverenigingen waartegen voorlopige maatregelen werden gevraagd, op de hoogte van dit verzoek en zendt een kopie van dit verzoek over aan de voorzitter van de Raad.
§ 3. Indien de auditeur tot het besluit komt dat een verzoek om voorlopige maatregelen niet ontvankelijk is of ongegrond is, seponeert hij zulk verzoek bij een met redenen omklede beslissing. Deze beslissing wordt bij aangetekend schrijven ter kennis gebracht van de indiener van de klacht of van de minister, waarbij hem wordt meegedeeld dat hij het dossier op de griffie kan raadplegen, tegen betaling een kopie ervan kan krijgen en tegen de beslissing tot sepot beroep kan instellen bij de voorzitter van de Raad.
§ 4. Tegen een beslissing tot sepot kan bij de voorzitter van de Raad beroep worden ingesteld door middel van een ondertekend en met redenen omkleed verzoekschrift dat op straffe van nietigheid wordt ingediend bij de griffie binnen een termijn van dertig dagen na de kennisgeving van de beslissing. Dit verzoek voldoet op straffe van nietigheid aan de voorwaarden bedoeld in artikel 29, § 2, derde lid, 1° tot 3°, 5° en 7°, van de voornoemde wet van 10 juni 2006. De voorzitter van de Raad doet uitspraak op stukken. Deze beslissingen van de voorzitter zijn niet vatbaar voor hoger beroep. Indien de voorzitter van de Raad het beroep gegrond acht, wordt het dossier teruggezonden aan het Auditoraat voor onderzoek en verslag aan de voorzitter.
§ 5. Indien de auditeur het verzoek ontvankelijk en gegrond acht, dient hij een met redenen omkleed verslag in bij de voorzitter van de Raad. Dit verslag vermeldt de maatregelen die de auditeur nodig acht om de in § 1 bedoelde praktijken te schorsen.
§ 6. Na de indiening van het in § 5 bedoelde verslag is de procedure bedoeld in artikel 26 eveneens van toepassing op de verzoeken om voorlopige maatregelen.
Art. 40. § 1er. Le président du Conseil ou le conseiller qu'il délègue peut, selon les conditions prévues au présent article, prendre des mesures provisoires destinées à suspendre les pratiques restrictives de concurrence faisant l'objet de l'instruction, s'il est urgent d'éviter une situation susceptible de provoquer un préjudice grave, imminent et irréparable aux entreprises dont les intérêts sont affectés par ces pratiques ou de nuire à l'intérêt économique général.
§ 2. Les demandes de prise de mesures provisoires peuvent être introduites auprès de l'Auditorat par le plaignant, le ministre ou le ministre compétent selon le secteur concerné. L'Auditorat informe de cette demande les entreprises ou associations d'entreprises à l'encontre desquelles des mesures provisoires sont demandées et transmet copie des demandes au président du Conseil.
§ 3. Lorsque l'auditeur conclut que la demande de mesures provisoires est irrecevable ou non fondée, il la classe par décision motivée. Cette décision est notifiée, par voie de lettre recommandée, au plaignant ou au ministre en lui indiquant qu'il peut consulter le dossier au greffe, en obtenir copie contre paiement, et qu'il peut intenter un recours contre la décision de classement auprès du président du Conseil.
§ 4. Un recours contre une décision de classement peut être intenté devant le président du Conseil par requête signée et motivée, déposée auprès du greffe, à peine de nullité, dans les trente jours de la notification de la décision. Cette requête remplit, à peine de nullité, les conditions prévues à l'article 29, § 2, alinéa 3, 1° à 3°, 5° et 7°, de la loi du 10 juin 2006 précitée. Le président du Conseil se prononce sur pièces. Ces décisions du président ne sont pas susceptibles de recours. Si le président du Conseil estime que le recours est fondé, le dossier est renvoyé à l'Auditorat pour instruction et rapport au président.
§ 5. Lorsque l'auditeur estime que la demande est recevable et fondée, il dépose un rapport motivé auprès du président du Conseil. Ce rapport mentionne les mesures que l'auditeur estime nécessaires pour suspendre les pratiques visées au § 1er.
§ 6. Après le dépôt du rapport visé au § 5, la procédure visée à l'article 26 s'applique également pour les demandes de mesures provisoires.
§ 2. Les demandes de prise de mesures provisoires peuvent être introduites auprès de l'Auditorat par le plaignant, le ministre ou le ministre compétent selon le secteur concerné. L'Auditorat informe de cette demande les entreprises ou associations d'entreprises à l'encontre desquelles des mesures provisoires sont demandées et transmet copie des demandes au président du Conseil.
§ 3. Lorsque l'auditeur conclut que la demande de mesures provisoires est irrecevable ou non fondée, il la classe par décision motivée. Cette décision est notifiée, par voie de lettre recommandée, au plaignant ou au ministre en lui indiquant qu'il peut consulter le dossier au greffe, en obtenir copie contre paiement, et qu'il peut intenter un recours contre la décision de classement auprès du président du Conseil.
§ 4. Un recours contre une décision de classement peut être intenté devant le président du Conseil par requête signée et motivée, déposée auprès du greffe, à peine de nullité, dans les trente jours de la notification de la décision. Cette requête remplit, à peine de nullité, les conditions prévues à l'article 29, § 2, alinéa 3, 1° à 3°, 5° et 7°, de la loi du 10 juin 2006 précitée. Le président du Conseil se prononce sur pièces. Ces décisions du président ne sont pas susceptibles de recours. Si le président du Conseil estime que le recours est fondé, le dossier est renvoyé à l'Auditorat pour instruction et rapport au président.
§ 5. Lorsque l'auditeur estime que la demande est recevable et fondée, il dépose un rapport motivé auprès du président du Conseil. Ce rapport mentionne les mesures que l'auditeur estime nécessaires pour suspendre les pratiques visées au § 1er.
§ 6. Après le dépôt du rapport visé au § 5, la procédure visée à l'article 26 s'applique également pour les demandes de mesures provisoires.
Afdeling VIII. - Geldboeten en dwangsommen.
Section VIII. - Amendes et astreintes.
Art. 41. Wanneer zij een beslissing neemt zoals bedoeld in artikel 30, 1°, kan de kamer van de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 die de zaak behandelt, aan elk van de betrokken ondernemingen en ondernemingsverenigingen, geldboeten opleggen van maximum 10 % van hun omzet, bepaald volgens de in artikel 52 bedoelde criteria. Bovendien kan zij bij dezelfde beslissing, op vraag van de auditeur, wegens niet-naleving van haar beslissing dwangsommen opleggen aan elk van de betrokken ondernemingen en ondernemingsverenigingen, tot beloop van 5 % van de gemiddelde dagelijkse omzet, bepaald volgens de criteria bedoeld in artikel 52, per dag vertraging te rekenen van de dag die zij in de beslissing bepaalt.
Deze geldboeten en dwangsommen kunnen tevens worden opgelegd in geval van toepassing van de artikelen 30, 1°, 3° en 4°, en 31, § 2, en bij niet-naleving van de beslissingen bedoeld bij artikelen 36, § 2, 1°, en 37, § 7.
Deze geldboeten en dwangsommen kunnen tevens worden opgelegd in geval van toepassing van de artikelen 30, 1°, 3° en 4°, en 31, § 2, en bij niet-naleving van de beslissingen bedoeld bij artikelen 36, § 2, 1°, en 37, § 7.
Art. 41. Lorsqu'elle prend une décision visée à l'article 30, 1°, la chambre de [1 l'Autorité belge de la concurrence]1 qui connaît de l'affaire peut infliger, à chacune des entreprises et associations d'entreprises concernées, des amendes ne dépassant pas 10 % de leur chiffre d'affaires, déterminé selon les critères visés à l'article 52. En outre, elle peut, par la même décision, à la demande de l'auditeur, infliger à chacune des entreprises et associations d'entreprises concernées, des astreintes pour non-respect de sa décision, jusqu'à concurrence de 5 % du chiffre d'affaires journalier moyen, déterminé selon les critères visés à l'article 52, par jour de retard à compter de la date qu'elle fixe dans la décision.
Ces amendes et astreintes peuvent en outre être infligées en cas d'application des articles 30, 1°, 3° et 4°, et 31, § 2, et en cas de non-respect des décisions visées aux articles 36, § 2, 1°, et 37, § 7.
Ces amendes et astreintes peuvent en outre être infligées en cas d'application des articles 30, 1°, 3° et 4°, et 31, § 2, et en cas de non-respect des décisions visées aux articles 36, § 2, 1°, et 37, § 7.
Art. 42. § 1. De kamer van de Raad die de zaak behandelt kan aan personen, ondernemingen of ondernemingsverenigingen geldboeten opleggen tot beloop van 1 % van de omzet bepaald volgens de criteria bedoeld in artikel 52, wanneer zij opzettelijk of uit onachtzaamheid :
1° bij een aanmelding of een verzoek om inlichtingen onjuiste of verdraaide gegevens verstrekken;
2° de inlichtingen op onvolledige wijze verstrekken;
3° de inlichtingen niet binnen de gestelde termijn verstrekken;
4° de onderzoeken bedoeld in de artikelen 22 en 25 beletten of hinderen.
§ 2. Dezelfde geldboeten kunnen worden opgelegd ingeval dat een onderneming is overgegaan tot een concentratie zonder deze vooraf aan te melden overeenkomstig artikel 10, zelfs indien zou blijken dat de concentratie toelaatbaar is.
1° bij een aanmelding of een verzoek om inlichtingen onjuiste of verdraaide gegevens verstrekken;
2° de inlichtingen op onvolledige wijze verstrekken;
3° de inlichtingen niet binnen de gestelde termijn verstrekken;
4° de onderzoeken bedoeld in de artikelen 22 en 25 beletten of hinderen.
§ 2. Dezelfde geldboeten kunnen worden opgelegd ingeval dat een onderneming is overgegaan tot een concentratie zonder deze vooraf aan te melden overeenkomstig artikel 10, zelfs indien zou blijken dat de concentratie toelaatbaar is.
Art. 42. § 1er. La chambre du Conseil qui connaît de l'affaire peut infliger aux personnes, entreprises ou associations d'entreprises, des amendes jusqu'à concurrence d'1 % du chiffre d'affaires déterminé selon les critères visés à l'article 52 lorsque, de propos délibéré ou par négligence :
1° elles donnent des indications inexactes ou dénaturées à l'occasion d'une notification ou d'une demande de renseignements;
2° elles fournissent les renseignements de façon incomplète;
3° elles ne fournissent pas les renseignements dans le délai imparti;
4° elles empêchent ou entravent les instructions prévues à l'article 22 ainsi que les enquêtes visées à l'article 25.
§ 2. Les mêmes amendes peuvent être infligées lorsqu'une entreprise a procédé à une concentration sans la notifier préalablement conformément à l'article 10, même s'il s'avère que la concentration est admissible.
1° elles donnent des indications inexactes ou dénaturées à l'occasion d'une notification ou d'une demande de renseignements;
2° elles fournissent les renseignements de façon incomplète;
3° elles ne fournissent pas les renseignements dans le délai imparti;
4° elles empêchent ou entravent les instructions prévues à l'article 22 ainsi que les enquêtes visées à l'article 25.
§ 2. Les mêmes amendes peuvent être infligées lorsqu'une entreprise a procédé à une concentration sans la notifier préalablement conformément à l'article 10, même s'il s'avère que la concentration est admissible.
Art. 43. In geval van inbreuk op artikel 10, § 4, kan de kamer van de Raad die de zaak behandelt de bij artikel 41, § 1, bedoelde geldboeten opleggen.
Hij kan bovendien de dwangsommen bedoeld bij artikel 41, § 1, opleggen om het bevel bedoeld in artikel 37, § 7 te doen naleven.
Hij kan bovendien de dwangsommen bedoeld bij artikel 41, § 1, opleggen om het bevel bedoeld in artikel 37, § 7 te doen naleven.
Art. 43. En cas d'infraction à l'article 10, § 4, la chambre du Conseil qui connaît de l'affaire peut infliger les amendes visées à l'article 41, § 1er.
Elle peut, en outre, infliger les astreintes visées à l'article 41, § 1er, pour faire respecter l'ordre visé à l'article 37, § 7.
Elle peut, en outre, infliger les astreintes visées à l'article 41, § 1er, pour faire respecter l'ordre visé à l'article 37, § 7.
Art. 44. De voorzitter van de Raad kan de in artikel 41, § 1, bedoelde dwangsom opleggen teneinde de voorlopige maatregelen die hij overeenkomstig artikel 40 heeft getroffen en de in artikel 22, § 2, derde lid, bedoelde beslissing te doen naleven.
Art. 44. Le président du Conseil peut infliger l'astreinte visée à l'article 41, § 1er, en vue d'assurer le respect des mesures provisoires qu'il a prises conformément à l'article 40 et le respect de la décision visée à l'article 22, § 2, alinéa 3.
Afdeling IX. - Bekendmaking en kennisgeving.
Section IX. - Publication et notification.
Art. 45. De beslissingen van de Raad en van zijn voorzitter worden door de griffie bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs ter kennis gebracht van de partijen, de klagers en de minister alsook van elke persoon die overeenkomstig artikel 26, § 5, derde lid, of artikel 35, § 2, een belang kan doen gelden en die aan de Raad gevraagd heeft te worden gehoord.
De voorzitter van de kamer van de Raad die de beslissing neemt, houdt rekening met het rechtmatige belang van de ondernemingen dat hun zakengeheimen en andere vertrouwelijke gegevens niet openbaar worden gemaakt.
De beslissingen bedoeld in het eerste lid vermelden de partijen aan wie de kennisgeving moet worden gestuurd.
Op straffe van nietigheid vermeldt de kennisgevingbrief de termijn inzake beroep alsook de wijze waarop dit beroep kan worden ingesteld. De brief omvat als bijlage de namen, hoedanigheden en adressen van de partijen aan wie de beslissing ter kennis is gebracht.
De voorzitter van de kamer van de Raad die de beslissing neemt, houdt rekening met het rechtmatige belang van de ondernemingen dat hun zakengeheimen en andere vertrouwelijke gegevens niet openbaar worden gemaakt.
De beslissingen bedoeld in het eerste lid vermelden de partijen aan wie de kennisgeving moet worden gestuurd.
Op straffe van nietigheid vermeldt de kennisgevingbrief de termijn inzake beroep alsook de wijze waarop dit beroep kan worden ingesteld. De brief omvat als bijlage de namen, hoedanigheden en adressen van de partijen aan wie de beslissing ter kennis is gebracht.
Art. 45. Les décisions du Conseil et de son président sont notifiées par le greffe par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception, aux parties, aux plaignants et au ministre, ainsi qu'à toute personne qui peut justifier d'un intérêt conformément à l'article 26, § 5, alinéa 3 ou l'article 35, § 2 et qui a demandé d'être entendue par le Conseil.
Le président de la chambre du Conseil qui prend la décision tient compte de l'intérêt légitime des entreprises à ce que leurs secrets d'affaires et autres informations confidentielles ne soient pas divulgués.
Les décisions visées au premier alinéa mentionnent les parties auxquelles la notification doit être effectuée.
A peine de nullité, la lettre de notification indique le délai de recours ainsi que les modalités selon lesquelles celui-ci peut être exercé. La lettre comporte en annexe les noms, qualités et adresses des parties auxquelles la décision a été notifiée.
Le président de la chambre du Conseil qui prend la décision tient compte de l'intérêt légitime des entreprises à ce que leurs secrets d'affaires et autres informations confidentielles ne soient pas divulgués.
Les décisions visées au premier alinéa mentionnent les parties auxquelles la notification doit être effectuée.
A peine de nullité, la lettre de notification indique le délai de recours ainsi que les modalités selon lesquelles celui-ci peut être exercé. La lettre comporte en annexe les noms, qualités et adresses des parties auxquelles la décision a été notifiée.
Art. 46. § 1. Zodra het Auditoraat de aanmelding van een concentratie heeft ontvangen, stuurt het deze voor bekendmaking bij uittreksel naar het Belgisch Staatsblad en op de website van de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1. Deze bekendmaking omvat de namen van de ondernemingen die deel uitmaken van de concentratie. De bekendmaking geeft aan of de toepassing van de vereenvoudigde procedure wordt gevraagd.
§ 2. De beslissingen van de Raad of van zijn voorzitter, met inbegrip van de beslissingen bedoeld in de Afdelingen III tot VIII van dit hoofdstuk, worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en op de website van de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1.
De beslissingen van het Hof van beroep, van het Hof van Cassatie, van de Raad van State en van de Ministerraad worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en ter kennis gebracht van de partijen door toedoen van de betrokken griffie of de minister, naar gelang het geval, bij ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs.
Ook de berichten waardoor bij ontstentenis van een beslissing de concentratie wordt geacht toegelaten te zijn, worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en ter kennis gebracht van de partijen die aan de concentratie hebben deelgenomen, alsook aan elke persoon die overeenkomstig artikel 35, § 2, een belang kan doen gelden en die aan de Raad gevraagd heeft te worden gehoord.
De beslissingen bedoeld in de vorige leden worden onmiddellijk, in de vorm bestemd voor de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, aan de Commissie voor de Mededinging meegedeeld.
Bij deze bekendmaking en mededeling houdt de voorzitter van de kamer die de beslissing nam rekening met het rechtmatig belang van de ondernemingen dat hun zakengeheimen en andere vertrouwelijke gegevens niet openbaar worden gemaakt.
De kennisgeving van de beslissing van de Raad of van zijn voorzitter vermeldt dat tegen die beslissing beroep kan worden ingesteld bij het Hof van beroep te Brussel binnen dertig dagen te rekenen van de kennisgeving.
In het kader van deze beroepsprocedure worden niet als definitieve beslissing beschouwd, die waarbij bepaald wordt dat een concentratie binnen het toepassingsgebied van deze wet valt en die waarbij beslist wordt de procedure bepaald in artikel 37 in te stellen.
De kennisgeving van de beslissing van de Ministerraad inzake concentratie, vermeldt dat, wanneer die beslissing definitief is, bij de Raad van State daartegen beroep kan worden ingesteld binnen dertig dagen te rekenen van de kennisgeving.
§ 2. De beslissingen van de Raad of van zijn voorzitter, met inbegrip van de beslissingen bedoeld in de Afdelingen III tot VIII van dit hoofdstuk, worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en op de website van de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1.
De beslissingen van het Hof van beroep, van het Hof van Cassatie, van de Raad van State en van de Ministerraad worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en ter kennis gebracht van de partijen door toedoen van de betrokken griffie of de minister, naar gelang het geval, bij ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs.
Ook de berichten waardoor bij ontstentenis van een beslissing de concentratie wordt geacht toegelaten te zijn, worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en ter kennis gebracht van de partijen die aan de concentratie hebben deelgenomen, alsook aan elke persoon die overeenkomstig artikel 35, § 2, een belang kan doen gelden en die aan de Raad gevraagd heeft te worden gehoord.
De beslissingen bedoeld in de vorige leden worden onmiddellijk, in de vorm bestemd voor de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, aan de Commissie voor de Mededinging meegedeeld.
Bij deze bekendmaking en mededeling houdt de voorzitter van de kamer die de beslissing nam rekening met het rechtmatig belang van de ondernemingen dat hun zakengeheimen en andere vertrouwelijke gegevens niet openbaar worden gemaakt.
De kennisgeving van de beslissing van de Raad of van zijn voorzitter vermeldt dat tegen die beslissing beroep kan worden ingesteld bij het Hof van beroep te Brussel binnen dertig dagen te rekenen van de kennisgeving.
In het kader van deze beroepsprocedure worden niet als definitieve beslissing beschouwd, die waarbij bepaald wordt dat een concentratie binnen het toepassingsgebied van deze wet valt en die waarbij beslist wordt de procedure bepaald in artikel 37 in te stellen.
De kennisgeving van de beslissing van de Ministerraad inzake concentratie, vermeldt dat, wanneer die beslissing definitief is, bij de Raad van State daartegen beroep kan worden ingesteld binnen dertig dagen te rekenen van de kennisgeving.
Art. 46. § 1er. L'Auditorat communique, dès réception, toute notification de concentration pour publication par extrait au Moniteur belge et sur le website de [1 l'Autorité belge de la concurrence]1. Cette publication comprend les noms des entreprises qui sont parties à la concentration. La publication indique si l'application de la procédure simplifiée est demandée.
§ 2. Les décisions du Conseil ou de son président, en ce compris celles visées aux Sections III à VIII du présent chapitre, sont publiées au Moniteur belge et sur le website de [1 l'Autorité belge de la concurrence]1.
Les décisions de la Cour d'appel, de la Cour de cassation, du Conseil des ministres et du Conseil d'Etat sont publiées au Moniteur belge et sont notifiées aux parties, par le greffe concerné ou le ministre, selon le cas, par lettre recommandée à la poste, avec accusé de réception.
Les avis selon lesquels la concentration est censée, à défaut de décision, être autorisée, sont aussi publiés au Moniteur belge et notifiés aux parties qui ont participé à la concentration, ainsi qu'à toute personne qui peut justifier d'un intérêt conformément à l'article 35, § 2 et qui a demandé à être entendue par le Conseil.
Les décisions visées aux alinéas précédents sont communiquées sans délai, sous la forme destinée à la publication au Moniteur belge, à la Commission de la concurrence.
Lors de cette publication et communication, le président de la chambre qui a pris la décision tient compte de l'intérêt légitime des entreprises à ce que leurs secrets d'affaires et autres informations confidentielles ne soient pas divulgués.
La notification de la décision du Conseil ou de son président mentionne que celle-ci est susceptible de recours auprès de la Cour d'appel de Bruxelles dans les trente jours à compter de la notification.
Ne sont pas considérées comme décisions définitives dans le cadre de cette procédure de recours, les décisions selon lesquelles une concentration relève du champ d'application de la présente loi et celles qui prévoient d'engager la procédure prévue à l'article 37.
La notification de la décision du Conseil des ministres en matière de concentration, mentionne que celle-ci est susceptible, lorsqu'elle est définitive, de recours auprès du Conseil d'Etat dans les trente jours à compter de la notification.
§ 2. Les décisions du Conseil ou de son président, en ce compris celles visées aux Sections III à VIII du présent chapitre, sont publiées au Moniteur belge et sur le website de [1 l'Autorité belge de la concurrence]1.
Les décisions de la Cour d'appel, de la Cour de cassation, du Conseil des ministres et du Conseil d'Etat sont publiées au Moniteur belge et sont notifiées aux parties, par le greffe concerné ou le ministre, selon le cas, par lettre recommandée à la poste, avec accusé de réception.
Les avis selon lesquels la concentration est censée, à défaut de décision, être autorisée, sont aussi publiés au Moniteur belge et notifiés aux parties qui ont participé à la concentration, ainsi qu'à toute personne qui peut justifier d'un intérêt conformément à l'article 35, § 2 et qui a demandé à être entendue par le Conseil.
Les décisions visées aux alinéas précédents sont communiquées sans délai, sous la forme destinée à la publication au Moniteur belge, à la Commission de la concurrence.
Lors de cette publication et communication, le président de la chambre qui a pris la décision tient compte de l'intérêt légitime des entreprises à ce que leurs secrets d'affaires et autres informations confidentielles ne soient pas divulgués.
La notification de la décision du Conseil ou de son président mentionne que celle-ci est susceptible de recours auprès de la Cour d'appel de Bruxelles dans les trente jours à compter de la notification.
Ne sont pas considérées comme décisions définitives dans le cadre de cette procédure de recours, les décisions selon lesquelles une concentration relève du champ d'application de la présente loi et celles qui prévoient d'engager la procédure prévue à l'article 37.
La notification de la décision du Conseil des ministres en matière de concentration, mentionne que celle-ci est susceptible, lorsqu'elle est définitive, de recours auprès du Conseil d'Etat dans les trente jours à compter de la notification.
Afdeling X. - Samenwerking met de Europese Commissie en de mededingingsautoriteiten van de andere lidstaten van de Europese Unie.
Section X. - Coopération avec la Commission européenne et les autorités de concurrence des autres Etats membres de l'Union européenne.
Art. 47. Wanneer de Belgische mededingingsautoriteit zich, bij toepassing van artikel 84 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, uitspreekt over de toelaatbaarheid van afspraken of over het misbruik maken van een machtspositie op de gemeenschappelijke markt, wordt de beslissing genomen in overeenstemming met de artikelen 81, 1, en 82 van het Verdrag, volgens de procedure en de sancties bepaald door deze wet.
Wanneer de Belgische mededingingsautoriteit zich, met toepassing van verordeningen of richtlijnen genomen op basis van artikel 83 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, uitspreekt over de toepassing van de beginselen neergelegd in de artikelen 81 en 82 van hetzelfde Verdrag, wordt de beslissing genomen in overeenstemming met deze verordeningen of richtlijnen, volgens de procedure en de sancties bepaald door deze wet.
Wanneer de Belgische mededingingsautoriteit zich, met toepassing van verordeningen of richtlijnen genomen op basis van artikel 83 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, uitspreekt over de toepassing van de beginselen neergelegd in de artikelen 81 en 82 van hetzelfde Verdrag, wordt de beslissing genomen in overeenstemming met deze verordeningen of richtlijnen, volgens de procedure en de sancties bepaald door deze wet.
Art. 47. Lorsque l'Autorité belge de concurrence statue, en application de l'article 84 du Traité instituant la Communauté européenne, sur l'admissibilité d'ententes et sur l'exploitation abusive d'une position dominante sur le marché commun, la décision est rendue en conformité avec les articles 81, 1, et 82 du Traité, selon la procédure et les sanctions prévues par la présente loi.
Lorsque l'Autorité belge de concurrence statue, en application de règlements ou de directives pris sur la base de l'article 83 du Traité instituant la Communauté européenne, sur l'application des principes inscrits aux articles 81 et 82 de ce Traité, la décision est rendue en conformité avec ces règlements ou directives, selon la procédure et les sanctions prévues par la présente loi.
Lorsque l'Autorité belge de concurrence statue, en application de règlements ou de directives pris sur la base de l'article 83 du Traité instituant la Communauté européenne, sur l'application des principes inscrits aux articles 81 et 82 de ce Traité, la décision est rendue en conformité avec ces règlements ou directives, selon la procédure et les sanctions prévues par la présente loi.
Art. 48. De auditeurs en de Dienst voor de Mededinging worden, met toepassing van artikel 20, lid 5, van Verordening (EG) nr 1/2003 van de Raad belast met het vervullen bij de ondernemingen van bijstands-, verificatie- of andere opdrachten in het kader van het toezicht op de naleving van de mededingingsregels van de verdragen van de Europese Gemeenschappen, die zij ambtshalve, op verzoek van de Europese Commissie, of op verzoek van een nationale mededingingsautoriteit van een andere lidstaat van de Europese Unie uit hoofde van hun mededingingsregels uitvoeren.
De auditeurs en de daartoe gemachtigde ambtenaren hebben dezelfde bevoegdheden en verplichtingen als die van de in artikel 22 bedoelde gemandateerde personeelsleden wanneer zij optreden op verzoek van een mededingingsautoriteit uit een andere lidstaat, en als die van de in artikel 20, lid 2, van de verordening (EG) nr. 1/2003 bedoelde gemandateerde personeelsleden wanneer zij optreden op verzoek van de Europese Commissie.
De auditeurs en de daartoe gemachtigde ambtenaren hebben dezelfde bevoegdheden en verplichtingen als die van de in artikel 22 bedoelde gemandateerde personeelsleden wanneer zij optreden op verzoek van een mededingingsautoriteit uit een andere lidstaat, en als die van de in artikel 20, lid 2, van de verordening (EG) nr. 1/2003 bedoelde gemandateerde personeelsleden wanneer zij optreden op verzoek van de Europese Commissie.
Art. 48. Les auditeurs et le Service de la concurrence sont chargés, en application de l'article 20, § 5, du Règlement (CE) n° 1/2003 du Conseil, d'accomplir auprès des entreprises, des missions d'assistance, de vérification ou autres dans le cadre du contrôle du respect des règles de concurrence des traités des Communautés européennes, de leur propre initiative, à la demande de la Commission européenne ou à la demande d'une autorité nationale de concurrence d'un autre Etat membre de l'Union européenne conformément à leurs règles de concurrence.
Les auditeurs et les fonctionnaires habilités à cet effet ont les mêmes pouvoirs et obligations que ceux des agents mandatés visés à l'article 22 lorsqu'ils interviennent à la demande d'une autorité de concurrence d'un autre Etat membre, et que ceux des agents mandatés visés à l'article 20, alinéa 2, du Règlement (CE) n° 1/2003 lorsqu'ils interviennent à la demande de la Commission européenne.
Les auditeurs et les fonctionnaires habilités à cet effet ont les mêmes pouvoirs et obligations que ceux des agents mandatés visés à l'article 22 lorsqu'ils interviennent à la demande d'une autorité de concurrence d'un autre Etat membre, et que ceux des agents mandatés visés à l'article 20, alinéa 2, du Règlement (CE) n° 1/2003 lorsqu'ils interviennent à la demande de la Commission européenne.
Art. 49. Voor de toepassing van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, hebben de Dienst voor de Mededinging, het Auditoraat en de Raad de bevoegdheid om alle gegevens, zowel van feitelijke als van juridische aard, met inbegrip van vertrouwelijke inlichtingen, mee te delen aan de Europese Commissie en aan de mededingingsautoriteiten van de andere lidstaten, alsook in voorkomend geval zulke informatie die werd bekomen van de Europese Commissie of van de mededingingsautoriteiten van de andere lidstaten als bewijsmiddel te gebruiken.
Art. 49. Aux fins de l'application des articles 81 et 82 du Traité instituant la Communauté européenne, le Service de la concurrence, l'Auditorat et le Conseil peuvent communiquer à la Commission européenne et aux autorités de concurrence des Etats membres tout élément de fait ou de droit, en ce compris des informations confidentielles, ainsi que, le cas échéant utiliser comme moyen de preuve de telles informations obtenues de la Commission européenne ou des autorités de concurrence des autres Etats membres.
HOOFDSTUK VI. - Strafbepalingen.
CHAPITRE VI. - Dispositions pénales.
Art. 50. Het gebruik of de openbaarmaking van de met toepassing van de bepalingen van deze wet verkregen bescheiden of inlichtingen voor andere doeleinden dan de toepassing van deze wet en de artikelen 81 en 82 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschappen, wordt met een geldboete van 100 tot 10 000 euro en met een gevangenisstraf van twee maanden tot vijf jaar gestraft of met één van deze straffen alleen.
Elke inbreuk op artikel 22, § 3, zesde lid, en op het besluit bedoeld bij artikel 56, wordt eveneens gestraft met een geldboete van 100 tot 10 000 euro en met een gevangenisstraf van twee maanden tot vijf jaar of met één van deze straffen alleen.
Elke inbreuk op artikel 22, § 3, zesde lid, en op het besluit bedoeld bij artikel 56, wordt eveneens gestraft met een geldboete van 100 tot 10 000 euro en met een gevangenisstraf van twee maanden tot vijf jaar of met één van deze straffen alleen.
Art. 50. L'utilisation ou la divulgation de documents ou de renseignements reçus en application des dispositions de la présente loi à des fins autres que celles de l'application de la présente loi et des articles 81 et 82 du Traité instituant la Communauté européenne, est punie d'une amende de 100 à 10 000 euros et d'un emprisonnement de deux mois à cinq ans ou d'une de ces peines seulement.
Toute infraction à l'article 22, § 3, alinéa 6, et à l'arrêté visé à l'article 56 est également punie d'une amende de 100 à 10 000 euros et d'un emprisonnement de deux mois à cinq ans ou d'une de ces peines seulement.
Toute infraction à l'article 22, § 3, alinéa 6, et à l'arrêté visé à l'article 56 est également punie d'une amende de 100 à 10 000 euros et d'un emprisonnement de deux mois à cinq ans ou d'une de ces peines seulement.
Art. 51. De bepalingen van boek I van het Strafwetboek, Hoofdstuk VII en artikel 85 inbegrepen, zijn van toepassing op de in artikel 50 bedoelde inbreuken.
Art. 51. Les dispositions du livre premier du Code pénal, y compris le Chapitre VII et l'article 85, sont applicables aux infractions visées à l'article 50.
HOOFDSTUK VII. - Andere bepalingen.
CHAPITRE VII. - Autres dispositions.
Art. 52. § 1. De omzet bedoeld in artikelen 41 en 42 is de totale omzet gerealiseerd tijdens het vorige boekjaar op de nationale markt en bij de export. Hij moet worden begrepen in de zin van titel VI van Boek IV van het Wetboek van vennootschappen over de geconsolideerde jaarrekening van de ondernemingen.
De omzet bedoeld bij artikel 8 is de totale omzet gerealiseerd tijdens het vorig boekjaar in België. Hij moet worden begrepen in de zin van Titel VI van Boek IV van het Wetboek van vennootschappen over de geconsolideerde jaarrekening van de ondernemingen.
§ 2. Als een concentratie bestaat uit de verwerving van delen - die al dan niet rechtspersoonlijkheid bezitten - van één of meer ondernemingen of van een groep ondernemingen, wordt in afwijking van § 1 alleen het omzetcijfer dat betrekking heeft op de delen, die aldus het voorwerp van de transactie zijn, in hoofde van de vervreemder of vervreemders, in aanmerking genomen.
Twee of meer transacties als bedoeld in het eerste lid, die binnen een periode van twee jaar plaatsvinden tussen dezelfde personen of ondernemingen, moeten evenwel worden beschouwd als één concentratie die plaatsvindt op de datum van de laatste transactie.
§ 3. De omzet wordt vervangen :
a) bij kredietinstellingen en andere financiële instellingen, door de som van de onderstaande batenposten, omschreven in het koninklijk besluit van 23 september 1992 op de jaarrekening van de kredietinstellingen, in voorkomend geval na aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde en van andere rechtstreeks met de betrokken baten samenhangende belastingen :
1° rente en soortgelijke baten;
2° opbrengsten uit waardepapieren :
a) opbrengsten uit aandelen en andere niet-vastrentende waardepapieren;
b) opbrengsten uit deelnemingen;
c) opbrengsten uit aandelen in verbonden ondernemingen;
3° ontvangen provisies;
4° nettobaten uit financiële transacties;
5° overige bedrijfsopbrengsten.
De omzet in België van een kredietinstelling of een financiële instelling omvat de hierboven omschreven batenposten van het bijkantoor of de afdeling van deze instelling dat of die in België gevestigd is.
b) bij verzekeringsmaatschappijen : de waarde van de bruto geboekte premies, die alle uit hoofde van de door of namens de verzekeringsonderneming gesloten verzekeringsovereenkomsten ontvangen en te ontvangen bedragen omvatten, met inbegrip van de aan herverzekering afgestane premies en na aftrek van belastingen en parafiscale bijdragen of heffingen over het bedrag van de afzonderlijke premies of het totale premievolume. Er wordt rekening gehouden met de brutopremies gestort door de ingezetenen in België.
§ 4. Wat betreft de toepassing van de artikelen 8 en 41 en onverminderd § 2 van dit artikel, wordt het omzetcijfer van elk der ondernemingen bekomen door de som te maken van de omzetcijfers van alle ondernemingen die tot dezelfde groep behoren.
Worden beschouwd als deel uitmakend van dezelfde groep, de ondernemingen die verbonden zijn in de zin van Titel VI van Boek IV van het Wetboek van Vennootschappen over de geconsolideerde jaarrekeningen van de ondernemingen.
§ 5. Voor de openbare ondernemingen bedoeld in artikel 53, is de in aanmerking te nemen omzet deze van alle ondernemingen die een economisch geheel vormen met een zelfstandige beslissingsbevoegdheid, ongeacht de vraag wie het kapitaal ervan bezit of welke administratieve voogdijregels daarop van toepassing zijn.
De omzet bedoeld bij artikel 8 is de totale omzet gerealiseerd tijdens het vorig boekjaar in België. Hij moet worden begrepen in de zin van Titel VI van Boek IV van het Wetboek van vennootschappen over de geconsolideerde jaarrekening van de ondernemingen.
§ 2. Als een concentratie bestaat uit de verwerving van delen - die al dan niet rechtspersoonlijkheid bezitten - van één of meer ondernemingen of van een groep ondernemingen, wordt in afwijking van § 1 alleen het omzetcijfer dat betrekking heeft op de delen, die aldus het voorwerp van de transactie zijn, in hoofde van de vervreemder of vervreemders, in aanmerking genomen.
Twee of meer transacties als bedoeld in het eerste lid, die binnen een periode van twee jaar plaatsvinden tussen dezelfde personen of ondernemingen, moeten evenwel worden beschouwd als één concentratie die plaatsvindt op de datum van de laatste transactie.
§ 3. De omzet wordt vervangen :
a) bij kredietinstellingen en andere financiële instellingen, door de som van de onderstaande batenposten, omschreven in het koninklijk besluit van 23 september 1992 op de jaarrekening van de kredietinstellingen, in voorkomend geval na aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde en van andere rechtstreeks met de betrokken baten samenhangende belastingen :
1° rente en soortgelijke baten;
2° opbrengsten uit waardepapieren :
a) opbrengsten uit aandelen en andere niet-vastrentende waardepapieren;
b) opbrengsten uit deelnemingen;
c) opbrengsten uit aandelen in verbonden ondernemingen;
3° ontvangen provisies;
4° nettobaten uit financiële transacties;
5° overige bedrijfsopbrengsten.
De omzet in België van een kredietinstelling of een financiële instelling omvat de hierboven omschreven batenposten van het bijkantoor of de afdeling van deze instelling dat of die in België gevestigd is.
b) bij verzekeringsmaatschappijen : de waarde van de bruto geboekte premies, die alle uit hoofde van de door of namens de verzekeringsonderneming gesloten verzekeringsovereenkomsten ontvangen en te ontvangen bedragen omvatten, met inbegrip van de aan herverzekering afgestane premies en na aftrek van belastingen en parafiscale bijdragen of heffingen over het bedrag van de afzonderlijke premies of het totale premievolume. Er wordt rekening gehouden met de brutopremies gestort door de ingezetenen in België.
§ 4. Wat betreft de toepassing van de artikelen 8 en 41 en onverminderd § 2 van dit artikel, wordt het omzetcijfer van elk der ondernemingen bekomen door de som te maken van de omzetcijfers van alle ondernemingen die tot dezelfde groep behoren.
Worden beschouwd als deel uitmakend van dezelfde groep, de ondernemingen die verbonden zijn in de zin van Titel VI van Boek IV van het Wetboek van Vennootschappen over de geconsolideerde jaarrekeningen van de ondernemingen.
§ 5. Voor de openbare ondernemingen bedoeld in artikel 53, is de in aanmerking te nemen omzet deze van alle ondernemingen die een economisch geheel vormen met een zelfstandige beslissingsbevoegdheid, ongeacht de vraag wie het kapitaal ervan bezit of welke administratieve voogdijregels daarop van toepassing zijn.
Art. 52. § 1er. Le chiffre d'affaires visé aux articles 41 et 42 est le chiffre d'affaires total réalisé au cours de l'exercice social précédent sur le marché national et à l'exportation. Il s'entend au sens du titre VI du Livre IV du Code des sociétés relatif aux comptes annuels consolidés des entreprises.
Le chiffre d'affaires visé à l'article 8 est le chiffre d'affaires total réalisé au cours de l'exercice social précédent en Belgique. Il s'entend au sens du Titre VI du Livre IV du Code des sociétés relatif aux comptes annuels consolidés des entreprises.
§ 2. Par dérogation au § 1er, lorsqu'une concentration consiste en l'acquisition de parties - constituées ou non en entités juridiques - d'une ou plusieurs entreprises ou d'un groupe d'entreprises, seul le chiffre d'affaires se rapportant aux parties qui sont ainsi l'objet de la transaction est pris en considération dans le chef du ou des cédants.
Toutefois, deux ou plusieurs transactions visées au premier alinéa, qui ont lieu au cours d'une période de deux années entre les mêmes personnes ou entreprises, sont à considérer comme une seule opération de concentration intervenant à la date de la dernière transaction.
§ 3. Le chiffre d'affaires est remplacé :
a) pour les établissements de crédit et autres établissements financiers, par la somme des postes de produits suivants, décrits dans l'arrêté royal du 23 septembre 1992, relatif aux comptes annuels de l'établissement de crédit, déduction faite, le cas échéant, de la taxe sur la valeur ajoutée et d'autres impôts directement lies auxdits produits;
1° intérêts et produits assimilés;
2° revenus de titres :
a) revenus d'actions, de parts et d'autres titres à revenu variable;
b) revenus de participations;
c) revenus de parts dans des entreprises liées;
3° commissions perçues;
4° bénéfice net provenant d'opérations financières;
5° autres produits d'exploitation.
Le chiffre d'affaires d'un établissement de crédit ou d'un établissement financier en Belgique comprend les postes de produits, définis ci-dessus, de la succursale ou de la division dudit établissement, établie en Belgique.
b) pour les entreprises d'assurances, par la valeur des primes brutes émises qui comprennent tous les montants reçus et à recevoir au titre de contrats d'assurances établis par elles ou pour leur compte, y compris les primes cédées aux réassureurs et après déduction des impôts ou des taxes parafiscales perçus sur la base du montant des primes ou du volume total de celui-ci. Il est tenu compte des primes brutes versées par les résidents en Belgique.
§ 4. En ce qui concerne l'application des articles 8 et 41, et sans préjudice du § 2 du présent article, le chiffre d'affaires de chacune des entreprises résulte de la somme des chiffres d'affaires de toutes les entreprises appartenant au même groupe.
Sont considérées comme appartenant au même groupe, les entreprises liées au sens du Titre VI du Livre IV du Code des sociétés relatif aux comptes annuels consolidés des entreprises.
§ 5. Pour les entreprises publiques visées à l'article 53, le chiffre d'affaires à prendre en considération est celui de toutes les entreprises qui constituent un ensemble économique doté d'un pouvoir de décision autonome, indépendamment de la détention de leur capital ou des règles de tutelle administrative qui leur sont applicables.
Le chiffre d'affaires visé à l'article 8 est le chiffre d'affaires total réalisé au cours de l'exercice social précédent en Belgique. Il s'entend au sens du Titre VI du Livre IV du Code des sociétés relatif aux comptes annuels consolidés des entreprises.
§ 2. Par dérogation au § 1er, lorsqu'une concentration consiste en l'acquisition de parties - constituées ou non en entités juridiques - d'une ou plusieurs entreprises ou d'un groupe d'entreprises, seul le chiffre d'affaires se rapportant aux parties qui sont ainsi l'objet de la transaction est pris en considération dans le chef du ou des cédants.
Toutefois, deux ou plusieurs transactions visées au premier alinéa, qui ont lieu au cours d'une période de deux années entre les mêmes personnes ou entreprises, sont à considérer comme une seule opération de concentration intervenant à la date de la dernière transaction.
§ 3. Le chiffre d'affaires est remplacé :
a) pour les établissements de crédit et autres établissements financiers, par la somme des postes de produits suivants, décrits dans l'arrêté royal du 23 septembre 1992, relatif aux comptes annuels de l'établissement de crédit, déduction faite, le cas échéant, de la taxe sur la valeur ajoutée et d'autres impôts directement lies auxdits produits;
1° intérêts et produits assimilés;
2° revenus de titres :
a) revenus d'actions, de parts et d'autres titres à revenu variable;
b) revenus de participations;
c) revenus de parts dans des entreprises liées;
3° commissions perçues;
4° bénéfice net provenant d'opérations financières;
5° autres produits d'exploitation.
Le chiffre d'affaires d'un établissement de crédit ou d'un établissement financier en Belgique comprend les postes de produits, définis ci-dessus, de la succursale ou de la division dudit établissement, établie en Belgique.
b) pour les entreprises d'assurances, par la valeur des primes brutes émises qui comprennent tous les montants reçus et à recevoir au titre de contrats d'assurances établis par elles ou pour leur compte, y compris les primes cédées aux réassureurs et après déduction des impôts ou des taxes parafiscales perçus sur la base du montant des primes ou du volume total de celui-ci. Il est tenu compte des primes brutes versées par les résidents en Belgique.
§ 4. En ce qui concerne l'application des articles 8 et 41, et sans préjudice du § 2 du présent article, le chiffre d'affaires de chacune des entreprises résulte de la somme des chiffres d'affaires de toutes les entreprises appartenant au même groupe.
Sont considérées comme appartenant au même groupe, les entreprises liées au sens du Titre VI du Livre IV du Code des sociétés relatif aux comptes annuels consolidés des entreprises.
§ 5. Pour les entreprises publiques visées à l'article 53, le chiffre d'affaires à prendre en considération est celui de toutes les entreprises qui constituent un ensemble économique doté d'un pouvoir de décision autonome, indépendamment de la détention de leur capital ou des règles de tutelle administrative qui leur sont applicables.
Art. 53. De openbare ondernemingen en de ondernemingen waaraan de overheid bijzondere of exclusieve rechten verleent zijn onderworpen aan de bepalingen van deze wet voorzover de toepassing daarvan de vervulling, in feite of in rechte, van de hun door of krachtens de wet toevertrouwde bijzondere taak niet verhindert.
Art. 53. Les entreprises publiques et les entreprises auxquelles les autorités publiques accordent des droits spéciaux ou exclusifs sont soumises aux dispositions de la présente loi dans la mesure où cette application ne fait pas échec, en droit ou en fait, à la mission particulière qui leur a été impartie par ou en vertu de la loi.
Art. 54. § 1. Het onderzoek bedoeld in artikel 22 mag slechts betrekking hebben op feiten die zich niet langer dan vijf jaar geleden voordeden. De termijn wordt berekend vanaf de datum van de beslissing van het Auditoraat om ambtshalve een onderzoek in te stellen of vanaf de datum van het aanhangig maken van de zaak bij het Auditoraat overeenkomstig artikel 22, § 1.
§ 2. De verjaringstermijn met betrekking tot de procedure van onderzoek en beslissing is vijf jaar te rekenen van de datum bedoeld in § 1.
De verjaring wordt slechts gestuit door daden van onderzoek of daden van beslissing verricht binnen de termijn bepaald in het eerste lid of door een met redenen omkleed verzoek gericht aan de Raad door de klager of de verzoeker; met die daden begint een nieuwe termijn van gelijke duur te lopen.
§ 3. De verjaringstermijn met betrekking tot de oplegging van geldboeten en dwangsommen is :
1° drie jaar voor inbreuken op de bepalingen betreffende het inwinnen van inlichtingen en het verrichten van inspecties;
2° vijf jaar voor de overige inbreuken.
De verjaringstermijn gaat in op de dag waarop de inbreuk is gepleegd. Bij voortdurende of voortgezette inbreuken gaat de verjaringstermijn echter pas in op de dag waarop de inbreuk is beëindigd.
De verjaring wordt, voor wat de geldboeten en de dwangsommen betreft, slechts gestuit door elke handeling van de Dienst voor de Mededinging, het Auditoraat of de Raad of, als het de toepassing van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag betreft, van de mededingingsautoriteit van een lidstaat met het oog op het onderzoek of vervolging van de inbreuk. De stuiting van de verjaring treedt in op de dag waarop van de handeling kennis wordt gegeven aan ten minste één onderneming of ondernemingsvereniging die aan de inbreuk heeft deelgenomen.
Handelingen die de verjaring stuiten, zijn met name :
1° een schriftelijk verzoek om inlichtingen van het Auditoraat of de mededingingsautoriteit van een lidstaat;
2° een door het Auditoraat of de mededingingsautoriteit van een lidstaat aan haar functionarissen verstrekte schriftelijke opdracht tot inspectie;
3° het instellen van een procedure door het Auditoraat of de mededingingsautoriteit van een lidstaat;
4° het indienen van het verslag houdende punten van bezwaar overeenkomstig de artikelen 23, § 4, of 26, §§ 4 en 6, door het Auditoraat of de mededeling van punten van bezwaar door een mededingingsautoriteit van een lidstaat.
De stuiting van de verjaring geldt ten aanzien van alle ondernemingen en ondernemingsverenigingen die aan de inbreuk hebben deelgenomen.
Na iedere stuiting begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen. De verjaring treedt echter ten laatste in op de dag waarop een termijn gelijk aan tweemaal de verjaringstermijn is verstreken zonder dat de Raad een geldboete of een dwangsom heeft opgelegd. Deze termijn wordt verlengd met de periode gedurende dewelke de verjaring overeenkomstig het volgende lid wordt geschorst.
De verjaring inzake de oplegging van geldboeten en dwangsommen wordt geschorst zolang de beslissing van de Raad het voorwerp vormt van een procedure aanhangig bij het Hof van beroep te Brussel.
§ 4. De bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van beslissingen genomen in toepassing van de artikelen 22 en 23 verjaart na vijf jaar.
De verjaringstermijn gaat in op de dag waarop de beslissing definitief is geworden.
De verjaring inzake tenuitvoerlegging van sancties wordt gestuit :
1° door de kennisgeving van een beschikking waarbij het oorspronkelijk bedrag van de geldboete of de dwangsom wordt gewijzigd of waarbij een daartoe strekkend verzoek wordt afgewezen;
2° door elke handeling van het bevoegde orgaan of van een lidstaat dat handelt op verzoek van dat bevoegde orgaan, tot inning van de geldboete of de dwangsom.
Na iedere stuiting begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen.
De verjaring inzake de tenuitvoerlegging van sancties wordt geschorst :
1° zolang uitstel van betaling wordt verleend;
2° zolang de gedwongen tenuitvoerlegging van de betaling krachtens een beslissing van het Hof van beroep te Brussel is opgeschort.
§ 2. De verjaringstermijn met betrekking tot de procedure van onderzoek en beslissing is vijf jaar te rekenen van de datum bedoeld in § 1.
De verjaring wordt slechts gestuit door daden van onderzoek of daden van beslissing verricht binnen de termijn bepaald in het eerste lid of door een met redenen omkleed verzoek gericht aan de Raad door de klager of de verzoeker; met die daden begint een nieuwe termijn van gelijke duur te lopen.
§ 3. De verjaringstermijn met betrekking tot de oplegging van geldboeten en dwangsommen is :
1° drie jaar voor inbreuken op de bepalingen betreffende het inwinnen van inlichtingen en het verrichten van inspecties;
2° vijf jaar voor de overige inbreuken.
De verjaringstermijn gaat in op de dag waarop de inbreuk is gepleegd. Bij voortdurende of voortgezette inbreuken gaat de verjaringstermijn echter pas in op de dag waarop de inbreuk is beëindigd.
De verjaring wordt, voor wat de geldboeten en de dwangsommen betreft, slechts gestuit door elke handeling van de Dienst voor de Mededinging, het Auditoraat of de Raad of, als het de toepassing van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag betreft, van de mededingingsautoriteit van een lidstaat met het oog op het onderzoek of vervolging van de inbreuk. De stuiting van de verjaring treedt in op de dag waarop van de handeling kennis wordt gegeven aan ten minste één onderneming of ondernemingsvereniging die aan de inbreuk heeft deelgenomen.
Handelingen die de verjaring stuiten, zijn met name :
1° een schriftelijk verzoek om inlichtingen van het Auditoraat of de mededingingsautoriteit van een lidstaat;
2° een door het Auditoraat of de mededingingsautoriteit van een lidstaat aan haar functionarissen verstrekte schriftelijke opdracht tot inspectie;
3° het instellen van een procedure door het Auditoraat of de mededingingsautoriteit van een lidstaat;
4° het indienen van het verslag houdende punten van bezwaar overeenkomstig de artikelen 23, § 4, of 26, §§ 4 en 6, door het Auditoraat of de mededeling van punten van bezwaar door een mededingingsautoriteit van een lidstaat.
De stuiting van de verjaring geldt ten aanzien van alle ondernemingen en ondernemingsverenigingen die aan de inbreuk hebben deelgenomen.
Na iedere stuiting begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen. De verjaring treedt echter ten laatste in op de dag waarop een termijn gelijk aan tweemaal de verjaringstermijn is verstreken zonder dat de Raad een geldboete of een dwangsom heeft opgelegd. Deze termijn wordt verlengd met de periode gedurende dewelke de verjaring overeenkomstig het volgende lid wordt geschorst.
De verjaring inzake de oplegging van geldboeten en dwangsommen wordt geschorst zolang de beslissing van de Raad het voorwerp vormt van een procedure aanhangig bij het Hof van beroep te Brussel.
§ 4. De bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van beslissingen genomen in toepassing van de artikelen 22 en 23 verjaart na vijf jaar.
De verjaringstermijn gaat in op de dag waarop de beslissing definitief is geworden.
De verjaring inzake tenuitvoerlegging van sancties wordt gestuit :
1° door de kennisgeving van een beschikking waarbij het oorspronkelijk bedrag van de geldboete of de dwangsom wordt gewijzigd of waarbij een daartoe strekkend verzoek wordt afgewezen;
2° door elke handeling van het bevoegde orgaan of van een lidstaat dat handelt op verzoek van dat bevoegde orgaan, tot inning van de geldboete of de dwangsom.
Na iedere stuiting begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen.
De verjaring inzake de tenuitvoerlegging van sancties wordt geschorst :
1° zolang uitstel van betaling wordt verleend;
2° zolang de gedwongen tenuitvoerlegging van de betaling krachtens een beslissing van het Hof van beroep te Brussel is opgeschort.
Art. 54. § 1er. L'instruction visée à l'article 22 ne peut porter que sur des faits ne remontant pas à plus de cinq ans. Ce délai se compte à partir de la date de la décision de l'Auditorat de procéder à une instruction d'office ou de la date de saisine de l'Auditorat conformément à l'article 22, § 1er.
§ 2. Le délai de prescription en ce qui concerne la procédure d'instruction et de décision est de cinq ans à partir de la date visée au § 1er.
Le délai de prescription ne sera interrompu que par des actes d'instruction ou de décision faits dans le délai déterminé à l'alinéa 1er ou par une demande motivée adressée au Conseil par le plaignant ou le demandeur; ces actes font courir un nouveau délai d'égale durée.
§ 3. Le délai de prescription en ce qui concerne l'imposition d'amendes ou d'astreintes est de :
1° trois ans en ce qui concerne les infractions aux dispositions relatives aux demandes de renseignements ou à l'exécution d'inspections;
2° cinq ans en ce qui concerne les autres infractions.
Le délai de prescription court à compter du jour où l'infraction a été commise. Toutefois, pour les infractions continues ou répétées, ce délai ne court qu'à compter du jour où l'infraction a pris fin.
Le délai de prescription en matière d'imposition d'amendes ou d'astreintes est interrompu par tout acte du Service de la concurrence, de l'Auditorat ou du Conseil ou, s'agissant de l'application des articles 81 et 82 du Traité, d'une autorité de concurrence d'un Etat membre visant à l'instruction ou à la poursuite de l'infraction. L'interruption du délai de prescription prend effet le jour où l'acte est notifiée à au moins une entreprise ou association d'entreprises ayant participé à l'infraction.
Constituent notamment des actes interrompant ce délai :
1° les demandes écrites de renseignements de l'Auditorat ou de l'autorité de concurrence d'un Etat membre;
2° les mandats écrits d'inspection délivrés à ses fonctionnaires par l'Auditorat ou par l'autorité de concurrence d'un Etat membre;
3° l'engagement d'une procédure par l'Auditorat ou par une autorité de concurrence d'un Etat membre;
4° le dépôt du rapport contenant les griefs conformément aux articles 23, § 4 ou 26, §§ 4 et 6, par l'Auditorat ou la communication des griefs par une autorité de concurrence d'un Etat membre.
L'interruption du délai de prescription vaut à l'égard de toutes les entreprises et associations d'entreprises ayant participé à l'infraction.
Le délai de prescription court à nouveau à partir de chaque interruption. Toutefois, la prescription est acquise au plus tard le jour où un délai égal au double du délai de prescription arrive à expiration sans que le Conseil ait prononcé une amende ou astreinte. Ce délai est prorogé de la période pendant laquelle la prescription est suspendue conformément à l'alinéa suivant.
Le délai de prescription en matière d'imposition d'amendes ou d'astreintes est suspendu aussi longtemps que la décision du Conseil fait l'objet d'une procédure pendante devant la Cour d'appel de Bruxelles.
§ 4. Le pouvoir d'exécuter les décisions prises en application des articles 22 et 23 se prescrit par cinq ans.
Ce délai court à compter du jour où la décision est devenue définitive.
Le délai de prescription en matière d'exécution des sanctions est interrompu :
1° par la notification d'une décision modifiant le montant initial de l'amende ou de l'astreinte ou rejetant une demande tendant à obtenir une telle modification;
2° par tout acte de l'organe compétent ou d'un Etat membre, agissant à la demande de cet organe compétent, visant au recouvrement de l'amende ou de l'astreinte.
Le délai de prescription court à nouveau à partir de chaque interruption.
Le délai de prescription en matière d'exécution des sanctions est suspendu :
1° aussi longtemps qu'un délai de paiement est accordé;
2° aussi longtemps que l'exécution forcée du paiement est suspendue en vertu d'une décision de la Cour d'appel de Bruxelles.
§ 2. Le délai de prescription en ce qui concerne la procédure d'instruction et de décision est de cinq ans à partir de la date visée au § 1er.
Le délai de prescription ne sera interrompu que par des actes d'instruction ou de décision faits dans le délai déterminé à l'alinéa 1er ou par une demande motivée adressée au Conseil par le plaignant ou le demandeur; ces actes font courir un nouveau délai d'égale durée.
§ 3. Le délai de prescription en ce qui concerne l'imposition d'amendes ou d'astreintes est de :
1° trois ans en ce qui concerne les infractions aux dispositions relatives aux demandes de renseignements ou à l'exécution d'inspections;
2° cinq ans en ce qui concerne les autres infractions.
Le délai de prescription court à compter du jour où l'infraction a été commise. Toutefois, pour les infractions continues ou répétées, ce délai ne court qu'à compter du jour où l'infraction a pris fin.
Le délai de prescription en matière d'imposition d'amendes ou d'astreintes est interrompu par tout acte du Service de la concurrence, de l'Auditorat ou du Conseil ou, s'agissant de l'application des articles 81 et 82 du Traité, d'une autorité de concurrence d'un Etat membre visant à l'instruction ou à la poursuite de l'infraction. L'interruption du délai de prescription prend effet le jour où l'acte est notifiée à au moins une entreprise ou association d'entreprises ayant participé à l'infraction.
Constituent notamment des actes interrompant ce délai :
1° les demandes écrites de renseignements de l'Auditorat ou de l'autorité de concurrence d'un Etat membre;
2° les mandats écrits d'inspection délivrés à ses fonctionnaires par l'Auditorat ou par l'autorité de concurrence d'un Etat membre;
3° l'engagement d'une procédure par l'Auditorat ou par une autorité de concurrence d'un Etat membre;
4° le dépôt du rapport contenant les griefs conformément aux articles 23, § 4 ou 26, §§ 4 et 6, par l'Auditorat ou la communication des griefs par une autorité de concurrence d'un Etat membre.
L'interruption du délai de prescription vaut à l'égard de toutes les entreprises et associations d'entreprises ayant participé à l'infraction.
Le délai de prescription court à nouveau à partir de chaque interruption. Toutefois, la prescription est acquise au plus tard le jour où un délai égal au double du délai de prescription arrive à expiration sans que le Conseil ait prononcé une amende ou astreinte. Ce délai est prorogé de la période pendant laquelle la prescription est suspendue conformément à l'alinéa suivant.
Le délai de prescription en matière d'imposition d'amendes ou d'astreintes est suspendu aussi longtemps que la décision du Conseil fait l'objet d'une procédure pendante devant la Cour d'appel de Bruxelles.
§ 4. Le pouvoir d'exécuter les décisions prises en application des articles 22 et 23 se prescrit par cinq ans.
Ce délai court à compter du jour où la décision est devenue définitive.
Le délai de prescription en matière d'exécution des sanctions est interrompu :
1° par la notification d'une décision modifiant le montant initial de l'amende ou de l'astreinte ou rejetant une demande tendant à obtenir une telle modification;
2° par tout acte de l'organe compétent ou d'un Etat membre, agissant à la demande de cet organe compétent, visant au recouvrement de l'amende ou de l'astreinte.
Le délai de prescription court à nouveau à partir de chaque interruption.
Le délai de prescription en matière d'exécution des sanctions est suspendu :
1° aussi longtemps qu'un délai de paiement est accordé;
2° aussi longtemps que l'exécution forcée du paiement est suspendue en vertu d'une décision de la Cour d'appel de Bruxelles.
Art. 55. Niettegenstaande de bepalingen van artikel 50, kan de Belgische mededingingsautoriteit, in het kader van de wederkerigheidsovereenkomsten inzake onderlinge bijstand aangaande de mededingingspraktijken, ook de nodige bescheiden en inlichtingen aan de buitenlandse instanties bevoegd inzake mededinging mededelen.
Art. 55. Nonobstant les dispositions de l'article 50, dans le cadre des accords de réciprocité en matière d'assistance mutuelle relative aux pratiques de concurrence, l'Autorité belge de concurrence peut également communiquer les documents et informations indispensables aux autorités étrangères compétentes en matière de concurrence.
Art. 56. Onverminderd de bepalingen van de wet van 27 maart 1969 betreffende de reglementering van het zee- en luchtvervoer en behoudens de uitzonderingen die Hij bepaalt, kan de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en na raadpleging van de Raad en de Commissie voor de Mededinging, maatregelen treffen waarbij het de ondernemingen verboden wordt niet bekendgemaakte inlichtingen of bescheiden met betrekking tot hun mededingingspraktijken aan een buitenlandse Staat of aan een daarvan afhangende instelling te geven.
Art. 56. Sans préjudice des dispositions de la loi du 27 mars 1969 relative à la réglementation des transports maritimes et aériens et sauf les exceptions qu'Il détermine, le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, et après consultation du Conseil et de la Commission de la concurrence, prendre des mesures pour interdire aux entreprises de donner à un Etat étranger ou à un organisme relevant de celui-ci des renseignements ou des documents qui n'ont pas été publiés et portant sur leurs pratiques de concurrence.
Art. 57. Indien de onderneming in gebreke blijft de geldboete of de dwangsom te betalen, wordt de beslissing van de Raad of van zijn voorzitter of de in kracht van gewijsde gegane beslissing van het Hof van beroep te Brussel toegezonden aan de administratie van de Belasting op de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, met het oog op de inning van het bedrag van de administratieve geldboete.
De vervolgingen die de voornoemde administratie moet instellen, gebeuren overeenkomstig artikel 3 van de domaniale wet van 22 december 1949.
De Koning stelt de termijnen en de nadere regels inzake de betaling van de in artikelen 41 tot en met 44 bedoelde geldboeten en dwangsommen vast.
De vervolgingen die de voornoemde administratie moet instellen, gebeuren overeenkomstig artikel 3 van de domaniale wet van 22 december 1949.
De Koning stelt de termijnen en de nadere regels inzake de betaling van de in artikelen 41 tot en met 44 bedoelde geldboeten en dwangsommen vast.
Art. 57. Si l'entreprise demeure en défaut de payer l'amende ou l'astreinte, la décision du Conseil ou de son président ou la décision de la Cour d'appel de Bruxelles passée en force de chose jugée est transmise à l'administration de la Taxe sur la valeur ajoutée, de l'Enregistrement et des Domaines en vue du recouvrement de l'amende administrative.
Les poursuites à intenter par l'administration précitée se déroulent conformément à l'article 3 de la loi domaniale du 22 décembre 1949.
Le Roi détermine les délais et les modalités du payement des amendes et astreintes visées aux articles 41 à 44.
Les poursuites à intenter par l'administration précitée se déroulent conformément à l'article 3 de la loi domaniale du 22 décembre 1949.
Le Roi détermine les délais et les modalités du payement des amendes et astreintes visées aux articles 41 à 44.
Art. 58. De kosten verbonden aan de toepassing van deze wet komen ten laste van de Federale Overheidsdienst Economie, KMO, Middenstand en Energie.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de lijst vastleggen van de proceshandelingen, met inbegrip van de onderzoeksmaatregelen, waarvan de kosten ten laste worden gelegd van de aanmeldende partijen of van de partijen die een inbreuk hebben gepleegd op deze wet.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het bedrag, de voorwaarden en de wijze van inning van de kosten bedoeld in de voorgaande leden vaststellen.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de lijst vastleggen van de proceshandelingen, met inbegrip van de onderzoeksmaatregelen, waarvan de kosten ten laste worden gelegd van de aanmeldende partijen of van de partijen die een inbreuk hebben gepleegd op deze wet.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het bedrag, de voorwaarden en de wijze van inning van de kosten bedoeld in de voorgaande leden vaststellen.
Art. 58. Les frais inhérents à l'application de la présente loi sont à imputer au Service public fédéral Economie, PME, Classes moyennes et Energie.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, fixer la liste des actes de procédure, en ce compris notamment les mesures d'instruction, dont les frais sont mis à charge des parties notifiantes ou des parties ayant commis une infraction à la présente loi.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, déterminer le montant, les conditions et les modalités de perception des frais vises aux alinéas précédents.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, fixer la liste des actes de procédure, en ce compris notamment les mesures d'instruction, dont les frais sont mis à charge des parties notifiantes ou des parties ayant commis une infraction à la présente loi.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, déterminer le montant, les conditions et les modalités de perception des frais vises aux alinéas précédents.
Art. 59. Het onderzoek wordt gevoerd en het verslag van het Auditoraat wordt opgesteld in de taal van het Gewest waarin de onderneming die het voorwerp van het onderzoek is, gevestigd is. Gaat het om meerdere ondernemingen, dan wordt de taal gebruikt van het Gewest waarin de meerderheid van die ondernemingen gevestigd is. In geval van pariteit wordt gebruik gemaakt van één der landstalen naar gelang van de behoeften die eigen zijn aan de zaak.
Is de onderneming in het Brusselse Gewest gevestigd, dan wordt de taal (Nederlands of Frans) gekozen door de klager of door het orgaan dat het onderzoek initieel vordert.
De onderneming die het voorwerp van het onderzoek is en die in het Brusselse Gewest gevestigd is, kan evenwel vragen dat het onderzoek gevoerd wordt en de rechtspleging voortgezet wordt in de andere taal (Frans of Nederlands).
Een concentratie wordt aangemeld in het Nederlands of het Frans, naar keuze van de aanmeldende partijen.
Is de onderneming in het Brusselse Gewest gevestigd, dan wordt de taal (Nederlands of Frans) gekozen door de klager of door het orgaan dat het onderzoek initieel vordert.
De onderneming die het voorwerp van het onderzoek is en die in het Brusselse Gewest gevestigd is, kan evenwel vragen dat het onderzoek gevoerd wordt en de rechtspleging voortgezet wordt in de andere taal (Frans of Nederlands).
Een concentratie wordt aangemeld in het Nederlands of het Frans, naar keuze van de aanmeldende partijen.
Art. 59. L'instruction est effectuée et le rapport de l'Auditorat est rédigé dans la langue de la Région dans laquelle l'entreprise qui fait l'objet de l'instruction est établie. En cas de pluralité d'entreprises, la langue utilisée est celle de la Région dans laquelle est établie la majorité d'entre elles. En cas de parité, il sera fait usage de l'une des langues nationales selon les besoins de la cause.
Si l'entreprise est établie dans la Région bruxelloise, la langue (néerlandais ou français) est choisie par le plaignant ou par l'organe qui est à l'origine de l'instruction.
L'entreprise qui fait l'objet de l'instruction et qui est établie en Région bruxelloise peut néanmoins demander que l'instruction soit effectuée et que la procédure soit poursuivie dans l'autre langue (français ou néerlandais).
Une concentration est notifiée en néerlandais ou en français, au choix des parties notifiantes.
Si l'entreprise est établie dans la Région bruxelloise, la langue (néerlandais ou français) est choisie par le plaignant ou par l'organe qui est à l'origine de l'instruction.
L'entreprise qui fait l'objet de l'instruction et qui est établie en Région bruxelloise peut néanmoins demander que l'instruction soit effectuée et que la procédure soit poursuivie dans l'autre langue (français ou néerlandais).
Une concentration est notifiée en néerlandais ou en français, au choix des parties notifiantes.
HOOFDSTUK VIII. - Overgangsbepalingen.
CHAPITRE VIII. - Dispositions transitoires.
Art. 60. § 1. De krachtens artikel 6, § 1, van de wet tot bescherming van de economische mededinging, gecoördineerd op 1 juli 1999, ingediende verzoeken en de krachtens artikel 7, § 1, van genoemde wet verrichte aanmeldingen vervallen op de datum waarop deze wet in werking treedt.
§ 2. De overeenkomstig de wet tot bescherming van de economische mededinging, gecoördineerd op 1 juli 1999, verrichte procedurehandelingen blijven van kracht met het oog op de toepassing van deze wet.
§ 3. Artikel 29, § 2, tweede lid, van de wet tot bescherming van de economische mededinging, gecoördineerd op 1 juli 1999, blijft van toepassing op de beslissingen tot vrijstelling die door de Raad krachtens artikel 2, § 3, van dezelfde wet zijn genomen vóór de datum van de inwerkingtreding van deze wet, tot de datum waarop die beslissingen vervallen.
§ 2. De overeenkomstig de wet tot bescherming van de economische mededinging, gecoördineerd op 1 juli 1999, verrichte procedurehandelingen blijven van kracht met het oog op de toepassing van deze wet.
§ 3. Artikel 29, § 2, tweede lid, van de wet tot bescherming van de economische mededinging, gecoördineerd op 1 juli 1999, blijft van toepassing op de beslissingen tot vrijstelling die door de Raad krachtens artikel 2, § 3, van dezelfde wet zijn genomen vóór de datum van de inwerkingtreding van deze wet, tot de datum waarop die beslissingen vervallen.
Art. 60. § 1er. Les demandes introduites en vertu de l'article 6, § 1er, de la loi sur la protection de la concurrence économique, coordonnée le 1er juillet 1999, ainsi que les notifications effectuées en vertu de l'article 7, § 1er, de la même loi sont caduques à la date à laquelle la présente loi entre en vigueur.
§ 2. Les actes de procédure effectués conformément à la loi sur la protection de la concurrence économique, coordonnée le 1er juillet 1999, continuent à produire leurs effets pour l'application de la présente loi.
§ 3. L'article 29, § 2, deuxième alinéa, de la loi sur la protection de la concurrence économique, coordonnée le 1er juillet 1999, reste applicable aux décisions d'exonération qui ont été adoptées par le Conseil, au titre de l'article 2, § 3, de la même loi, avant la date d'entrée en vigueur de la présente loi, jusqu'à la date à laquelle ces décisions deviennent caduques.
§ 2. Les actes de procédure effectués conformément à la loi sur la protection de la concurrence économique, coordonnée le 1er juillet 1999, continuent à produire leurs effets pour l'application de la présente loi.
§ 3. L'article 29, § 2, deuxième alinéa, de la loi sur la protection de la concurrence économique, coordonnée le 1er juillet 1999, reste applicable aux décisions d'exonération qui ont été adoptées par le Conseil, au titre de l'article 2, § 3, de la même loi, avant la date d'entrée en vigueur de la présente loi, jusqu'à la date à laquelle ces décisions deviennent caduques.
Art. 61. Aan het mandaat van de voorzitter, van de ondervoorzitter, van de twee leden die hun ambt voltijds uitoefenen en van de andere leden van de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1, die benoemd werden overeenkomstig de bepalingen van de wet tot bescherming van de economische mededinging, gecoördineerd op 1 juli 1999, wordt van rechtswege een eind gemaakt op de dag waarop deze wet in werking treedt.
De in het eerste lid bedoelde leden van de Raad blijven echter hun ambt uitoefenen zolang niet in hun vervanging werd voorzien.
De in het eerste lid bedoelde leden van de Raad blijven echter hun ambt uitoefenen zolang niet in hun vervanging werd voorzien.
Art. 61. Il est mis fin de plein droit, à la date de l'entrée en vigueur de la présente loi, aux mandats du président, du vice-président, des deux membres exerçant leur fonction à temps plein et des autres membres de [1 l'Autorité belge de la concurrence]1 qui ont été nommés en vertu des dispositions de la loi sur la protection de la concurrence économique, coordonnée le 1er juillet 1999.
Les membres visés à l'alinéa 1er continuent toutefois à exercer leur mandat aussi longtemps qu'il n'a pas été pourvu à leur remplacement.
Les membres visés à l'alinéa 1er continuent toutefois à exercer leur mandat aussi longtemps qu'il n'a pas été pourvu à leur remplacement.
Art. 62. De verslaggevers bij de Dienst voor de Mededinging worden ambtshalve benoemd tot auditeur.
De secretaris en de adjunct-secretaris van de Raad worden ambtshalve benoemd tot griffier en adjunct-griffier.
De secretaris en de adjunct-secretaris van de Raad worden ambtshalve benoemd tot griffier en adjunct-griffier.
Art. 62. Les rapporteurs auprès du Service de la concurrence sont d'office nommés auditeurs.
Le secrétaire et le secrétaire adjoint du Conseil sont d'office nommés greffier et greffier adjoint.
Le secrétaire et le secrétaire adjoint du Conseil sont d'office nommés greffier et greffier adjoint.
HOOFDSTUK IX. - Slotbepalingen.
CHAPITRE IX. - Dispositions finales.
Art. 63. De wet tot bescherming van de economische mededinging, gecoördineerd op 1 juli 1999, gewijzigd bij de wetten van 15 maart en 26 juni 2000, de koninklijke besluiten van 20 juli 2000 en 10 augustus 2001, de wet van 3 mei 2003 en de koninklijke besluiten van 25 april 2004 en 3 juli 2005, wordt opgeheven.
Art. 63. La loi sur la protection de la concurrence économique, coordonnée le 1er juillet 1999, modifiée par les lois des 15 mars et 26 juin 2000, les arrêtés royaux des 20 juillet 2000 et 10 août 2001, la loi du 3 mai 2003 et les arrêtés royaux des 25 avril 2004 et 3 juillet 2005, est abrogée.
Art. 64. Deze wet treedt in werking op de eerste dag van de vierde maand na die waarin zij is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 10 juni 2006.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Economie,
M. VERWILGHEN
De Minister van Justitie,
Mevr. L. ONKELINX
De Minister van Binnenlandse Zaken,
P. DEWAEL
De Minister van Middenstand,
Mevr. S. LARUELLE
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
Mevr. L. ONKELINX
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 10 juni 2006.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Economie,
M. VERWILGHEN
De Minister van Justitie,
Mevr. L. ONKELINX
De Minister van Binnenlandse Zaken,
P. DEWAEL
De Minister van Middenstand,
Mevr. S. LARUELLE
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
Mevr. L. ONKELINX
Art. 64. La présente loi entre en vigueur le premier jour du quatrième mois qui suit celui au cours duquel elle aura été publiée au Moniteur belge.
Promulguons la présent loi, ordonnons qu'elle soit revêtue du sceau de l'Etat et publiée par le Moniteur belge.
Donné à Bruxelles, le 10 juin 2006.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de l'Economie,
M. VERWILGHEN
La Ministre de la Justice,
Mme L. ONKELINX
Le Ministre de l'Intérieur,
P. DEWAEL
La Ministre des Classes moyennes,
Mme S. LARUELLE
Scellé du sceau de l'Etat :
La Ministre de la Justice,
Mme L. ONKELINX
Promulguons la présent loi, ordonnons qu'elle soit revêtue du sceau de l'Etat et publiée par le Moniteur belge.
Donné à Bruxelles, le 10 juin 2006.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de l'Economie,
M. VERWILGHEN
La Ministre de la Justice,
Mme L. ONKELINX
Le Ministre de l'Intérieur,
P. DEWAEL
La Ministre des Classes moyennes,
Mme S. LARUELLE
Scellé du sceau de l'Etat :
La Ministre de la Justice,
Mme L. ONKELINX