Artikel 1. Voor de toepassing van onderhavig besluit wordt verstaan onder :
1° " de wet " : de wet van 10 juli 2006 betreffende de analyse van de dreiging;
2° " het OCAD " : het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse ingesteld in het artikel 5 van de wet;
3° " de ondersteunende diensten " : de ondersteunende diensten bedoeld in artikel 2 van de wet;
4° " de politiediensten " : de politiediensten zoals bedoeld in de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus;
5° " de ANG " : de algemene nationale gegevensbank bedoeld in artikel 44/4 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
28 NOVEMBER 2006. - Koninklijk besluit tot uitvoering van de wet van 10 juli 2006 betreffende de analyse van de dreiging(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 01-12-2006 en tekstbijwerking tot 17-09-2015)
Titre
28 NOVEMBRE 2006. - Arrêté royal portant exécution de la loi du 10 juillet 2006 relative à l'analyse de la menace(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 01-12-2006 et mise à jour au 17-09-2015)
Dokumentinformationen
Info du document
Inhoud
Tekst (23)
Texte (23)
Article 1. Pour l'application du présent arrêté, on entend par :
1° " la loi " : la loi du 10 juillet 2006 relative à l'analyse de la menace;
2° " l'OCAM " : l'Organe de coordination pour l'analyse de la menace institué à l'article 5 de la loi;
3° " les services d'appui " : les services d'appui visés à l'article 2 de la loi;
4° " les services de police " : les services de police tels que visés dans la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux;
5° " la BNG " : la banque de données nationale générale visée à l'article 44/4 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police.
1° " la loi " : la loi du 10 juillet 2006 relative à l'analyse de la menace;
2° " l'OCAM " : l'Organe de coordination pour l'analyse de la menace institué à l'article 5 de la loi;
3° " les services d'appui " : les services d'appui visés à l'article 2 de la loi;
4° " les services de police " : les services de police tels que visés dans la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux;
5° " la BNG " : la banque de données nationale générale visée à l'article 44/4 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police.
HOOFDSTUK I. - Prioritaire assen van het OCAD.
CHAPITRE Ier. - Axes prioritaires de l'OCAM.
Art. 2. De prioritaire assen van de evaluatieopdracht van het OCAD hebben betrekking op de dreiging die ontstaat uit het terrorisme en het extremisme wanneer zij gericht is tegen :
1° de fysieke integriteit van de personen in België en van de Belgische onderdanen in het buitenland, ongeacht of ze al dan niet beschouwd wordt als kritiek;
2° de kritieke nationale infrastructuur, voor zover zij beantwoordt aan een of meerdere volgende criteria :
a) de vitale punten, waarvan de stopzetting, neutralisering of vernietiging ernstige uitwerkingen kan hebben op het economisch en sociaal leven van de Natie en op de werking van de overheid;
b) de gevoelige punten, essentieel voor de handhaving van de openbare orde, voor de algemene veiligheid van de bevolking en voor het nationaal of internationaal reactiepotentieel bij crisis of conflict;
c) de gevaarlijke punten waarvan de fysich-chemische aard of hoeveelheid dusdanig is dat de accidentele of uitgelokte beschadiging of vernietiging onmiddellijk of in de toekomst, ernstige gevolgen voor de bevolking of voor het milieu zou hebben;
d) de andere kritieke punten, voor zover zij overeenstemmen met de goederen en instellingen aangewezen door of krachtens de richtlijnen van de Minister van Binnenlandse Zaken in toepassing van het artikel 62, 5°, 6° of 9°, van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus;
3° de gebeurtenissen of de groeperingen zoals gedefinieerd in onderhavig besluit;
4° de instellingen en Belgische belangen in het buitenland.
1° de fysieke integriteit van de personen in België en van de Belgische onderdanen in het buitenland, ongeacht of ze al dan niet beschouwd wordt als kritiek;
2° de kritieke nationale infrastructuur, voor zover zij beantwoordt aan een of meerdere volgende criteria :
a) de vitale punten, waarvan de stopzetting, neutralisering of vernietiging ernstige uitwerkingen kan hebben op het economisch en sociaal leven van de Natie en op de werking van de overheid;
b) de gevoelige punten, essentieel voor de handhaving van de openbare orde, voor de algemene veiligheid van de bevolking en voor het nationaal of internationaal reactiepotentieel bij crisis of conflict;
c) de gevaarlijke punten waarvan de fysich-chemische aard of hoeveelheid dusdanig is dat de accidentele of uitgelokte beschadiging of vernietiging onmiddellijk of in de toekomst, ernstige gevolgen voor de bevolking of voor het milieu zou hebben;
d) de andere kritieke punten, voor zover zij overeenstemmen met de goederen en instellingen aangewezen door of krachtens de richtlijnen van de Minister van Binnenlandse Zaken in toepassing van het artikel 62, 5°, 6° of 9°, van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus;
3° de gebeurtenissen of de groeperingen zoals gedefinieerd in onderhavig besluit;
4° de instellingen en Belgische belangen in het buitenland.
Art. 2. Les axes prioritaires de la mission d'évaluation de l'OCAM portent sur la menace issue du terrorisme et de l'extrémisme lorsqu'elle est dirigée vers :
1° l'intégrité physique des personnes en Belgique et des ressortissants belges à l'étranger, qu'elle soit considérée ou non comme critique;
2° l'infrastructure critique nationale, pour autant qu'elle réponde à un ou plusieurs des critères suivants :
a) les points vitaux, dont l'arrêt, la neutralisation ou la destruction peut avoir de graves incidences sur la vie économique et sociale de la Nation et sur le fonctionnement des pouvoirs publics;
b) les points sensibles, essentiels au maintien de l'ordre public, à la sécurité générale de la population et au potentiel national ou international de réaction en cas de crise ou de conflit;
c) les points dangereux dont la nature physico-chimique ou la quantité présente est telle que la dégradation ou la destruction, accidentelle ou provoquée, aurait des conséquences graves, immédiates ou futures, pour la population ou pour l'environnement;
d) les autres points critiques, pour autant qu'ils correspondent aux biens et institutions désignées par ou en vertu des lignes directrices du Ministre de l'Intérieur en application de l'article 62, 5°, 6° ou 9°, de la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux;
3° les événements ou les groupements tels que définis au présent arrêté;
4° les institutions et les intérêts belges à l'étranger.
1° l'intégrité physique des personnes en Belgique et des ressortissants belges à l'étranger, qu'elle soit considérée ou non comme critique;
2° l'infrastructure critique nationale, pour autant qu'elle réponde à un ou plusieurs des critères suivants :
a) les points vitaux, dont l'arrêt, la neutralisation ou la destruction peut avoir de graves incidences sur la vie économique et sociale de la Nation et sur le fonctionnement des pouvoirs publics;
b) les points sensibles, essentiels au maintien de l'ordre public, à la sécurité générale de la population et au potentiel national ou international de réaction en cas de crise ou de conflit;
c) les points dangereux dont la nature physico-chimique ou la quantité présente est telle que la dégradation ou la destruction, accidentelle ou provoquée, aurait des conséquences graves, immédiates ou futures, pour la population ou pour l'environnement;
d) les autres points critiques, pour autant qu'ils correspondent aux biens et institutions désignées par ou en vertu des lignes directrices du Ministre de l'Intérieur en application de l'article 62, 5°, 6° ou 9°, de la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux;
3° les événements ou les groupements tels que définis au présent arrêté;
4° les institutions et les intérêts belges à l'étranger.
HOOFDSTUK II. - De gegevensbank van het OCAD.
CHAPITRE II. - La banque de données de l'OCAM.
Art. 3. De specifieke doeleinden van de gegevensbank bestaat in het :
1° te gepasten tijde evalueren van de dreiging;
2° identificeren of lokaliseren van de dreiging alsook de personen, de groeperingen, de voorwerpen of de gebeurtenissen die mogelijk een dreiging inhouden;
3° identificeren of lokaliseren van de personen, de groeperingen of de voorwerpen die mogelijk het doelwit of het slachtoffer van een dreiging kunnen zijn;
4° voorstellen van de historiek van de antecedenten van de personen, de groeperingen en de voorwerpen die mogelijk een dreiging inhouden;
5° voorstellen van de historiek van de antecedenten van de personen, de groeperingen en de voorwerpen die het doelwit of het slachtoffer van een dreiging kunnen zijn;
6° vergemakkelijken van het nemen van beschermingsmaatregelen door de bevoegde autoriteiten voor de potentiële doelwitten of slachtoffers van dreigingen;
7° vergemakkelijken van de analyse van het beheer van de crisis wanneer de dreiging is uitgevoerd of op het punt staat om te worden uitgevoerd;
8° toelaten aan het OCAD om, onverwijld, de ondersteunende diensten te verwittigen betreffende de waarschijnlijkheid en de aard van de dreiging.
1° te gepasten tijde evalueren van de dreiging;
2° identificeren of lokaliseren van de dreiging alsook de personen, de groeperingen, de voorwerpen of de gebeurtenissen die mogelijk een dreiging inhouden;
3° identificeren of lokaliseren van de personen, de groeperingen of de voorwerpen die mogelijk het doelwit of het slachtoffer van een dreiging kunnen zijn;
4° voorstellen van de historiek van de antecedenten van de personen, de groeperingen en de voorwerpen die mogelijk een dreiging inhouden;
5° voorstellen van de historiek van de antecedenten van de personen, de groeperingen en de voorwerpen die het doelwit of het slachtoffer van een dreiging kunnen zijn;
6° vergemakkelijken van het nemen van beschermingsmaatregelen door de bevoegde autoriteiten voor de potentiële doelwitten of slachtoffers van dreigingen;
7° vergemakkelijken van de analyse van het beheer van de crisis wanneer de dreiging is uitgevoerd of op het punt staat om te worden uitgevoerd;
8° toelaten aan het OCAD om, onverwijld, de ondersteunende diensten te verwittigen betreffende de waarschijnlijkheid en de aard van de dreiging.
Art. 3. Les finalités spécifiques de la banque de données sont :
1° évaluer la menace en temps utile;
2° identifier ou localiser la menace ainsi que les personnes, les groupements, les objets ou les événements susceptibles de représenter une menace;
3° identifier ou localiser les personnes, les groupements ou les objets susceptibles d'être la cible ou les victimes d'une menace;
4° présenter l'historique des antécédents des personnes, des groupements et des objets susceptibles de représenter une menace;
5° présenter l'historique des antécédents des personnes, des groupements et des objets susceptibles d'être la cible ou la victime d'une menace;
6° faciliter la prise de mesures de protection des cibles ou des victimes potentielles de menaces par les autorités compétentes;
7° faciliter l'analyse de la gestion de la crise lorsque la menace s'est réalisée ou est sur le point de se réaliser;
8° permettre à l'OCAM d'alerter les services d'appui, sans délai, sur la probabilité et la nature d'une menace.
1° évaluer la menace en temps utile;
2° identifier ou localiser la menace ainsi que les personnes, les groupements, les objets ou les événements susceptibles de représenter une menace;
3° identifier ou localiser les personnes, les groupements ou les objets susceptibles d'être la cible ou les victimes d'une menace;
4° présenter l'historique des antécédents des personnes, des groupements et des objets susceptibles de représenter une menace;
5° présenter l'historique des antécédents des personnes, des groupements et des objets susceptibles d'être la cible ou la victime d'une menace;
6° faciliter la prise de mesures de protection des cibles ou des victimes potentielles de menaces par les autorités compétentes;
7° faciliter l'analyse de la gestion de la crise lorsque la menace s'est réalisée ou est sur le point de se réaliser;
8° permettre à l'OCAM d'alerter les services d'appui, sans délai, sur la probabilité et la nature d'une menace.
Art. 4. § 1. De gegevensbank van het OCAD laat de verwerking toe van de volgende gegevens en informatie :
1° " de personen " : iedere natuurlijke persoon, al dan niet geïdentificeerd, die mogelijk een dreiging inhoudt of ervan het doelwit is;
2° " de groeperingen " : iedere instelling of vereniging, feitelijk of in rechte, al dan niet gestructureerd, al dan niet in de tijd gevestigd, die mogelijk een dreiging inhoudt of ervan het doelwit is;
3° " de voorwerpen " : ieder goed dat mogelijk :
a) gebruikt wordt ter gelegenheid van een activiteit die een dreiging inhoudt of
b) het voorwerp uitmaakt van een activiteit die een dreiging inhoudt of
c) een belangstellingspunt vormt voor een persoon of een groepering bedoeld in onderhavig artikel;
4° " de gebeurtenissen " : iedere willekeurig daad van een persoon of een groepering die een dreiging inhoudt, er mogelijk een veroorzaakt of er het doelwit van is.
§ 2. De gegevens en informatie met betrekking tot personen die het voorwerp uitmaken van een verwerking in de gegevensbank van het OCAD zijn :
1° de naam, de voornamen, de aliassen;
2° in voorkomend geval, het identificatienummer van het Rijksregister van de natuurlijke personen;
3° het geslacht, de datum en de plaats van geboorte, de nationaliteit;
4° het beroep;
5° de elementen verbonden aan hun lokalisatie;
6° de hoedanigheid waarin de betreffende gegevens het onderwerp zijn van een verwerking als dader, als verdachte of als doelwit van een dreiging;
7° in voorkomend geval, de dwangmiddelen waarvan de persoon het voorwerp dient te zijn ter gelegenheid van een controle door de politiediensten.
§ 3. De gegevens en informatie met betrekking tot groeperingen die het voorwerp uitmaken van een verwerking in de gegevensbank van het OCAD zijn :
1° de naam, en in voorkomend geval, het letterwoord of logo;
2° het land van oorsprong;
3° het soort activiteiten gepleegd door de groepering;
4° de elementen met betrekking tot de lokalisatie ervan;
5° de hoedanigheid waarin de betreffende gegevens het voorwerp uitmaken van een verwerking als dader, als verdachte of als doelwit van een dreiging.
1° " de personen " : iedere natuurlijke persoon, al dan niet geïdentificeerd, die mogelijk een dreiging inhoudt of ervan het doelwit is;
2° " de groeperingen " : iedere instelling of vereniging, feitelijk of in rechte, al dan niet gestructureerd, al dan niet in de tijd gevestigd, die mogelijk een dreiging inhoudt of ervan het doelwit is;
3° " de voorwerpen " : ieder goed dat mogelijk :
a) gebruikt wordt ter gelegenheid van een activiteit die een dreiging inhoudt of
b) het voorwerp uitmaakt van een activiteit die een dreiging inhoudt of
c) een belangstellingspunt vormt voor een persoon of een groepering bedoeld in onderhavig artikel;
4° " de gebeurtenissen " : iedere willekeurig daad van een persoon of een groepering die een dreiging inhoudt, er mogelijk een veroorzaakt of er het doelwit van is.
§ 2. De gegevens en informatie met betrekking tot personen die het voorwerp uitmaken van een verwerking in de gegevensbank van het OCAD zijn :
1° de naam, de voornamen, de aliassen;
2° in voorkomend geval, het identificatienummer van het Rijksregister van de natuurlijke personen;
3° het geslacht, de datum en de plaats van geboorte, de nationaliteit;
4° het beroep;
5° de elementen verbonden aan hun lokalisatie;
6° de hoedanigheid waarin de betreffende gegevens het onderwerp zijn van een verwerking als dader, als verdachte of als doelwit van een dreiging;
7° in voorkomend geval, de dwangmiddelen waarvan de persoon het voorwerp dient te zijn ter gelegenheid van een controle door de politiediensten.
§ 3. De gegevens en informatie met betrekking tot groeperingen die het voorwerp uitmaken van een verwerking in de gegevensbank van het OCAD zijn :
1° de naam, en in voorkomend geval, het letterwoord of logo;
2° het land van oorsprong;
3° het soort activiteiten gepleegd door de groepering;
4° de elementen met betrekking tot de lokalisatie ervan;
5° de hoedanigheid waarin de betreffende gegevens het voorwerp uitmaken van een verwerking als dader, als verdachte of als doelwit van een dreiging.
Art. 4. § 1er. La banque de données de l'OCAM permet le traitement des catégories suivantes de données et informations :
1° " les personnes " : toute personne physique, identifiée ou non, qui est susceptible de représenter une menace ou d'en être la cible;
2° " les groupements " : toute institution ou association de fait ou de droit, structurée ou non, établie dans le temps ou non, qui est susceptible de représenter une menace ou d'en être la cible;
3° " les objets " : tout bien susceptible :
a) d'être utilisé à l'occasion d'une activité constituant une menace ou
b) de faire l'objet d'une activité constituant une menace ou
c) de représenter un centre d'intérêt d'une personne ou d'un groupement visé au présent article;
4° " les événements " : tout fait quelconque d'une personne ou d'un groupement constituant une menace, susceptible d'en induire une ou d'en être la cible.
§ 2. Les données et informations relatives aux personnes qui font l'objet d'un traitement au sein de la banque de données de l'OCAM sont :
1° le nom, les prénoms, les alias;
2° s'il échet, le numéro d'identification du Registre national des personnes physiques;
3° le sexe, la date et le lieu de naissance, la nationalité;
4° la profession;
5° les éléments liés à leur localisation;
6° la qualité à raison de laquelle les données qui la concernent font l'objet d'un traitement au titre d'auteur, de suspect ou de cible d'une menace;
7° s'il échet, les mesures de contrainte dont la personne doit faire l'objet à l'occasion d'un contrôle par les services de police.
§ 3. Les données et informations relatives aux groupements qui font l'objet d'un traitement au sein de la banque de données de l'OCAM sont :
1° le nom et, s'il échet, le sigle;
2° le pays d'origine;
3° le type d'activités du groupement;
4° les éléments liés à sa localisation;
5° la qualité à raison de la quelle les données qui le concernent font l'objet d'un traitement au titre d'auteur, de suspect ou de cible d'une menace.
1° " les personnes " : toute personne physique, identifiée ou non, qui est susceptible de représenter une menace ou d'en être la cible;
2° " les groupements " : toute institution ou association de fait ou de droit, structurée ou non, établie dans le temps ou non, qui est susceptible de représenter une menace ou d'en être la cible;
3° " les objets " : tout bien susceptible :
a) d'être utilisé à l'occasion d'une activité constituant une menace ou
b) de faire l'objet d'une activité constituant une menace ou
c) de représenter un centre d'intérêt d'une personne ou d'un groupement visé au présent article;
4° " les événements " : tout fait quelconque d'une personne ou d'un groupement constituant une menace, susceptible d'en induire une ou d'en être la cible.
§ 2. Les données et informations relatives aux personnes qui font l'objet d'un traitement au sein de la banque de données de l'OCAM sont :
1° le nom, les prénoms, les alias;
2° s'il échet, le numéro d'identification du Registre national des personnes physiques;
3° le sexe, la date et le lieu de naissance, la nationalité;
4° la profession;
5° les éléments liés à leur localisation;
6° la qualité à raison de laquelle les données qui la concernent font l'objet d'un traitement au titre d'auteur, de suspect ou de cible d'une menace;
7° s'il échet, les mesures de contrainte dont la personne doit faire l'objet à l'occasion d'un contrôle par les services de police.
§ 3. Les données et informations relatives aux groupements qui font l'objet d'un traitement au sein de la banque de données de l'OCAM sont :
1° le nom et, s'il échet, le sigle;
2° le pays d'origine;
3° le type d'activités du groupement;
4° les éléments liés à sa localisation;
5° la qualité à raison de la quelle les données qui le concernent font l'objet d'un traitement au titre d'auteur, de suspect ou de cible d'une menace.
Art. 5. § 1. De gegevens en informatie van de gegevensbank van het OCAD worden bewaard gedurende een termijn van 30 jaar te dateren vanaf de dag van hun registratie.
§ 2. Na afloop van de termijn bedoeld in § 1, wordt de noodzaak van hun verder bewaring onderzocht op basis van een evaluatie van het directe verband dat zij nog dienen te vertonen met de doeleinden bedoeld in artikel 3.
Dit onderzoek wordt om de 5 jaar, zo dikwijls als nodig, uitgevoerd.
§ 3. De noodzaak van hun verder bewaring wordt echter onderzocht voor het verstrijken van de termijn bedoeld in § 1 :
1° indien ter kennis gebracht wordt van het OCAD dat hun aanvankelijke registratie klaarblijkelijk niet gegrond was;
2° indien het gaat om gegevens en informatie betreffende een, sinds de datum van hun registratie, overleden persoon;
3° indien het gaat om gegevens en informatie betreffende een groepering waarvan een van de leidinggevende personen of een van de ideologische referenten is overleden sinds de datum van hun registratie;
4° indien het gaat om gegevens en informatie betreffende een groepering waarvan de ontbinding, sinds de datum van hun registratie ter kennis werd gebracht van het OCAD;
5° indien het gaat om gegevens en informatie betreffende een persoon, een groepering of een gebeurtenis verbonden met een Staat waarvan de institutionele structuur een significante wijziging heeft gekend sinds hun registratie.
§ 4. De directeur van het OCAD beslist over de uitwissing op basis van de evaluatie bedoeld in § 2.
§ 2. Na afloop van de termijn bedoeld in § 1, wordt de noodzaak van hun verder bewaring onderzocht op basis van een evaluatie van het directe verband dat zij nog dienen te vertonen met de doeleinden bedoeld in artikel 3.
Dit onderzoek wordt om de 5 jaar, zo dikwijls als nodig, uitgevoerd.
§ 3. De noodzaak van hun verder bewaring wordt echter onderzocht voor het verstrijken van de termijn bedoeld in § 1 :
1° indien ter kennis gebracht wordt van het OCAD dat hun aanvankelijke registratie klaarblijkelijk niet gegrond was;
2° indien het gaat om gegevens en informatie betreffende een, sinds de datum van hun registratie, overleden persoon;
3° indien het gaat om gegevens en informatie betreffende een groepering waarvan een van de leidinggevende personen of een van de ideologische referenten is overleden sinds de datum van hun registratie;
4° indien het gaat om gegevens en informatie betreffende een groepering waarvan de ontbinding, sinds de datum van hun registratie ter kennis werd gebracht van het OCAD;
5° indien het gaat om gegevens en informatie betreffende een persoon, een groepering of een gebeurtenis verbonden met een Staat waarvan de institutionele structuur een significante wijziging heeft gekend sinds hun registratie.
§ 4. De directeur van het OCAD beslist over de uitwissing op basis van de evaluatie bedoeld in § 2.
Art. 5. § 1er. Les données et informations de la banque de données de l'OCAM sont conservées durant un délai de 30 ans à dater du jour de leur enregistrement.
§ 2. A l'expiration du délai visé au § 1er, la nécessité de leur conservation ultérieure est examinée sur la base d'une évaluation du lien direct qu'elles doivent encore présenter avec les finalités visées à l'article 3.
Cet examen s'opère, autant de fois que nécessaire, tous les 5 ans.
§ 3. Toutefois, la nécessité de leur conservation ultérieure est examinée avant l'expiration du délai visé au § 1er :
1° s'il est porté à la connaissance de l'OCAM que leur enregistrement initial était manifestement non fondé;
2° s'il s'agit de données et d'informations concernant une personne décédée depuis la date de leur enregistrement;
3° s'il s'agit de données et d'informations concernant un groupement dont un des membres dirigeant ou un des référents idéologiques est décédé depuis la date de leur enregistrement;
4° s'il s'agit de données et informations concernant un groupement dont la dissolution a été portée à la connaissance de l'OCAM depuis leur enregistrement;
5° s'il s'agit de données et informations concernant une personne, un groupement ou un événement lié à un Etat dont la structure institutionnelle a connu un changement significatif depuis leur enregistrement.
§ 4. Le directeur de l'OCAM décide de l'effacement sur la base de l'évaluation visée au § 2.
§ 2. A l'expiration du délai visé au § 1er, la nécessité de leur conservation ultérieure est examinée sur la base d'une évaluation du lien direct qu'elles doivent encore présenter avec les finalités visées à l'article 3.
Cet examen s'opère, autant de fois que nécessaire, tous les 5 ans.
§ 3. Toutefois, la nécessité de leur conservation ultérieure est examinée avant l'expiration du délai visé au § 1er :
1° s'il est porté à la connaissance de l'OCAM que leur enregistrement initial était manifestement non fondé;
2° s'il s'agit de données et d'informations concernant une personne décédée depuis la date de leur enregistrement;
3° s'il s'agit de données et d'informations concernant un groupement dont un des membres dirigeant ou un des référents idéologiques est décédé depuis la date de leur enregistrement;
4° s'il s'agit de données et informations concernant un groupement dont la dissolution a été portée à la connaissance de l'OCAM depuis leur enregistrement;
5° s'il s'agit de données et informations concernant une personne, un groupement ou un événement lié à un Etat dont la structure institutionnelle a connu un changement significatif depuis leur enregistrement.
§ 4. Le directeur de l'OCAM décide de l'effacement sur la base de l'évaluation visée au § 2.
Art. 6. § 1. De in de gegevensbank van het OCAD geregistreerde gegevens en informatie zijn uitsluitend toegankelijk voor de leden van het OCAD die hun behoefte om er te weten staven in het kader van de uitoefening van een van hun opdrachten.
§ 2. De draagwijdte van de toegang van ieder lid van het OCAD tot de gegevensbank wordt gemoduleerd in functie van de hoedanigheid van de functie die hij bekleedt in de schoot van het OCAD.
De directeur van het OCAD bepaalt voor zijn personeel de gebruiksprofielen van de gegevensbank van het OCAD.
§ 3. De machtigingen voor toegang bedoeld in onderhavig artikel worden toegekend aan ieder lid van het OCAD door de directeur van het OCAD en onder zijn verantwoordelijkheid.
§ 4. De registratie van iedere toegang tot de gegevensbank door een personeelslid wordt, onder meer met het oog van interne controle, bewaard gedurende een periode van 30 jaar.
§ 2. De draagwijdte van de toegang van ieder lid van het OCAD tot de gegevensbank wordt gemoduleerd in functie van de hoedanigheid van de functie die hij bekleedt in de schoot van het OCAD.
De directeur van het OCAD bepaalt voor zijn personeel de gebruiksprofielen van de gegevensbank van het OCAD.
§ 3. De machtigingen voor toegang bedoeld in onderhavig artikel worden toegekend aan ieder lid van het OCAD door de directeur van het OCAD en onder zijn verantwoordelijkheid.
§ 4. De registratie van iedere toegang tot de gegevensbank door een personeelslid wordt, onder meer met het oog van interne controle, bewaard gedurende een periode van 30 jaar.
Art. 6. § 1er. Les données et informations enregistrées dans la banque de données de l'OCAM sont exclusivement accessibles aux membres de l'OCAM qui justifient de leur besoin d'en connaître dans le cadre de l'exercice d'une de leurs missions.
§ 2. L'étendue de l'accès de chaque membre de l'OCAM à la banque de données est modulée en fonction de la qualification de la fonction qu'il occupe au sein de l'OCAM.
Le directeur de l'OCAM détermine, pour son personnel, les profils d'utilisateurs de la banque de données de l'OCAM.
§ 3. Les autorisations d'accès visées au présent article sont attribuées à chaque membre du personnel de l'OCAM par le directeur de l'OCAM et sous sa responsabilité.
§ 4. L'enregistrement de chaque accès à la banque de données par un membre du personnel est conservé, à des fins, notamment, de contrôle interne, pendant une durée de 30 ans.
§ 2. L'étendue de l'accès de chaque membre de l'OCAM à la banque de données est modulée en fonction de la qualification de la fonction qu'il occupe au sein de l'OCAM.
Le directeur de l'OCAM détermine, pour son personnel, les profils d'utilisateurs de la banque de données de l'OCAM.
§ 3. Les autorisations d'accès visées au présent article sont attribuées à chaque membre du personnel de l'OCAM par le directeur de l'OCAM et sous sa responsabilité.
§ 4. L'enregistrement de chaque accès à la banque de données par un membre du personnel est conservé, à des fins, notamment, de contrôle interne, pendant une durée de 30 ans.
HOOFDSTUK III. - De mededeling van informatie tussen het OCAD of de ondersteunende diensten en de regeringsautoriteiten.
CHAPITRE III. - La communication d'informations entre l'OCAM ou les services d'appui et les autorités gouvernementales.
Art. 7. Wanneer een evaluatie zoals bedoeld in artikel 8, 1°, van de wet gevraagd wordt door een lid van de regering, levert het OCAD deze binnen de maand van de aanvraag, behoudens indien de aanvrager een andere termijn preciseert.
Art. 7. Lorsqu'une évaluation visée à l'article 8, 1°, de la loi est demandée par un membre du gouvernement, l'OCAM la fournit dans le mois de la demande sauf si le demandeur a précisé un autre délai.
Art. 8. Overeenkomstig het niveau van dringendheid toegekend door het OCAD of door de regeringsautoriteit, zullen de evaluaties bedoeld in artikel 10, § 2, van de wet zo vlug mogelijk meegedeeld worden en binnen een maximale termijn van 24 uur indien zij voorzien zijn van de vermelding " FLASH ", binnen een maximale termijn van 3 dagen indien zij voorzien zijn van de vermelding " DRINGEND ", binnen een maximale termijn van 10 dagen indien zij voorzien zijn van de vermelding " ROUTINE " en binnen een maximale termijn van 30 dagen indien zij voorzien zijn van de vermelding " NIET DRINGEND ".
Art. 8. Conformément au niveau d'urgence attribué par l'OCAM ou par l'autorité gouvernementale, les évaluations visées à l'article 10, § 2, de la loi seront communiquées au plus vite et dans un délai maximal de 24 heures si elles sont revêtues de la mention " FLASH ", dans un délai maximal de 3 jours si elles sont revêtues de la mention " URGENT ", dans un délai maximal de 10 jours si elles sont revêtues de la mention " ROUTINE " et dans un délai maximal de 30 jours si elles sont revêtues de la mention " NON URGENT ".
Art. 9. Het halfjaarlijks evaluatieverslag bedoeld in artikel 10, § 4, van de wet evalueert de activiteiten en de strategische doelstellingen van het OCAD en slaat minstens op de volgende aspecten :
1° het organigram van het OCAD met de aanduiding van zijn effectief aan personeel;
2° een verslag van de uitgevoerde activiteiten;
3° de te overwegen verbeteringen, met name op het vlak van de werkingsprincipes en -methodes;
4° in voorkomend geval, voorstellen inzake de uitbreiding van de opdrachten of inzake de aanduiding van nieuwe ondersteunende diensten.
1° het organigram van het OCAD met de aanduiding van zijn effectief aan personeel;
2° een verslag van de uitgevoerde activiteiten;
3° de te overwegen verbeteringen, met name op het vlak van de werkingsprincipes en -methodes;
4° in voorkomend geval, voorstellen inzake de uitbreiding van de opdrachten of inzake de aanduiding van nieuwe ondersteunende diensten.
Art. 9. Le rapport d'évaluation semestriel visé à l'article 10, § 4, de la loi évalue les activités et les objectifs stratégiques de l'OCAM et porte au moins sur les aspects suivants :
1° l'organigramme de l'OCAM avec l'indication de son effectif en personnel;
2° un compte-rendu des activités accomplies;
3° les améliorations à envisager, notamment sur le plan des principes et des méthodes de fonctionnement;
4° s'il échet, des propositions sur l'extension des missions ou sur la désignation de nouveaux services d'appui.
1° l'organigramme de l'OCAM avec l'indication de son effectif en personnel;
2° un compte-rendu des activités accomplies;
3° les améliorations à envisager, notamment sur le plan des principes et des méthodes de fonctionnement;
4° s'il échet, des propositions sur l'extension des missions ou sur la désignation de nouveaux services d'appui.
Art. 10. Iedere ondersteunende dienst maakt aan [1 de Nationale Veiligheidsraad]1 de lijst over van de internationale rechtsnormen die betrekking hebben op zijn verplichting om informatie mede te delen of uit te wisselen in de uitvoering van zijn opdrachten.
Art. 10. Chaque service d'appui transmet au [1 Conseil national de sécurité]1 la liste des normes juridiques internationales ayant trait à ses obligations de communiquer ou d'échanger des informations dans l'exercice de ces missions.
Änderungen
HOOFDSTUK IV. - De uitwisseling van gegevens en informatie, van inlichtingen en van evaluaties tussen het OCAD en de ondersteunende diensten.
CHAPITRE IV. - L'échange de données et d'informations, de renseignements et d'évaluations entre l'OCAM et les services d'appui.
Art. 11. § 1. Iedere ondersteunende dienst duidt in zijn schoot een centraal contactpunt aan dat belast is met :
1° de uitwisseling van inlichtingen met het OCAD;
2° de efficiënte verspreiding van deze inlichtingen binnen de ondersteunende dienst waarvan het afhangt;
3° het waken over de ambtshalve mededeling en binnen de kortste termijn aan het OCAD van alle inlichtingen waarover de ondersteunende dienst waarvan het afhangt beschikt in het kader van de wettelijke opdrachten en dat relevant blijkt voor de goede uitvoering van de opdrachten van het OCAD.
§ 2. Iedere aanvraag, bedoeld in onderhavige artikel, tussen het OCAD en een ondersteunende dienst is systematisch het voorwerp van een automatische bevestiging of van een ontvangstbevestiging die de antwoordtermijnen, bedoeld in onderhavig artikel, doet lopen.
§ 3. Ieder centraal contactpunt van de ondersteunende diensten deelt aan het OCAD alle relevante inlichtingen mee waarover het beschikt, binnen een maximale termijn van 24 uur voor de aanvragen die voorzien zijn van de vermelding " FLASH ", van 3 dagen voor de aanvragen voorzien van de vermelding " DRINGEND ", van 10 dagen voor de aanvragen voorzien van de vermelding " ROUTINE " en van 30 dagen voor de aanvragen voorzien van de vermelding " NIET DRINGEND ".
§ 4. De door de ondersteunende diensten, op vraag van het OCAD, meegedeelde inlichtingen slaan op :
1° de persoon, de groepering, het voorwerp of de gebeurtenis die het voorwerp is van de analyse;
2° de historiek van de feiten of incidenten met nationale of internationale draagwijdte, die betrekking hebben gehad op de persoon, de groepering, het voorwerp of de gebeurtenis die het voorwerp is van de analyse;
3° de actuele plaatselijke situatie of, eventueel, de door opposanten geuite dreigingen of de geplande acties ten aanzien van de persoon, de groepering, het voorwerp of de gebeurtenis die het voorwerp is van de analyse.
§ 5. Overeenkomstig het niveau van dringendheid toegekend door het OCAD in het geval van de evaluaties bedoeld in artikel 10, § 2, van de wet en door de betrokken ondersteunende diensten in het geval van de evaluaties bedoeld in artikel 10, § 3, van de wet, zullen de voornoemde evaluaties zo vlug mogelijk meegedeeld worden en binnen een maximale termijn van 24 uur indien zij voorzien zijn van de vermelding " FLASH ", binnen een maximale termijn van 3 dagen indien zij voorzien zijn van de vermelding " DRINGEND ", binnen een maximale termijn van 10 dagen indien zij voorzien zijn van de vermelding " ROUTINE " en binnen een maximale termijn van 30 dagen indien zij voorzien zijn van de vermelding " NIET DRINGEND ".
De onderhavige paragraaf is niet van toepassing op de informatie onder embargo overeenkomstig de procedure bedoeld in artikelen 11 en 12 van de wet.
§ 6. Iedere evaluatie zal het niveau van de dreiging bepalen door zich te steunen op een beschrijving van de ernst en de waarschijnlijkheid van het gevaar of van de dreiging.
De verschillende dreigingsniveaus zijn :
1° het " Niveau 1 of LAAG " indien blijkt dat de persoon, de groepering of de gebeurtenis die het voorwerp uitmaakt van de analyse niet bedreigd is;
2° het " Niveau 2 of GEMIDDELD " indien blijkt dat de dreiging tegen de persoon, de groepering of de gebeurtenis die het voorwerp uitmaakt van de analyse weinig waarschijnlijk is;
3° het " Niveau 3 of ERNSTIG " indien blijkt dat de dreiging tegen de persoon, de groepering of de gebeurtenis die het voorwerp uitmaakt van de analyse mogelijk en waarschijnlijk is;
4° het " Niveau 4 of ZEER ERNSTIG " indien blijkt dat de dreiging tegen de persoon, de groepering of de gebeurtenis die het voorwerp uitmaakt van de analyse ernstig en zeer nabij is.
§ 7. Een beveiligd en gecodeerd communicatie- en informatiesysteem wordt ingevoerd ten einde de communicatiesnelheid tussen het OCAD en de ondersteunende diensten te vergemakkelijken.
De functionele autoriteit van dit systeem die de verantwoordelijkheid van haar beveiliging waarneemt, is de Algemene Dienst inlichting en veiligheid van de Krijgsmacht.
De Algemene Dienst inlichting en veiligheid van de Krijgsmacht duidt een verantwoordelijke aan belast met het :
1° waken over het dagelijkse beheer van de veiligheid van het systeem;
2° opstellen van een veiligheidsplan voor het informatiesysteem die gehomologeerd moet worden door de Nationale Veiligheidsoverheid.
Iedere ondersteunende dienst duidt een veiligheidsofficier aan, beslast met het dagelijkse beheer van het lokale deel van het systeem, overeenkomstig de regels voorgeschreven in het plan bedoeld in derde lid.
§ 8. Iedere mededeling van geclassificeerde inlichtingen tussen het OCAD en de ondersteunende diensten gebeurt overeenkomstig de vereisten voorzien in de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen.
1° de uitwisseling van inlichtingen met het OCAD;
2° de efficiënte verspreiding van deze inlichtingen binnen de ondersteunende dienst waarvan het afhangt;
3° het waken over de ambtshalve mededeling en binnen de kortste termijn aan het OCAD van alle inlichtingen waarover de ondersteunende dienst waarvan het afhangt beschikt in het kader van de wettelijke opdrachten en dat relevant blijkt voor de goede uitvoering van de opdrachten van het OCAD.
§ 2. Iedere aanvraag, bedoeld in onderhavige artikel, tussen het OCAD en een ondersteunende dienst is systematisch het voorwerp van een automatische bevestiging of van een ontvangstbevestiging die de antwoordtermijnen, bedoeld in onderhavig artikel, doet lopen.
§ 3. Ieder centraal contactpunt van de ondersteunende diensten deelt aan het OCAD alle relevante inlichtingen mee waarover het beschikt, binnen een maximale termijn van 24 uur voor de aanvragen die voorzien zijn van de vermelding " FLASH ", van 3 dagen voor de aanvragen voorzien van de vermelding " DRINGEND ", van 10 dagen voor de aanvragen voorzien van de vermelding " ROUTINE " en van 30 dagen voor de aanvragen voorzien van de vermelding " NIET DRINGEND ".
§ 4. De door de ondersteunende diensten, op vraag van het OCAD, meegedeelde inlichtingen slaan op :
1° de persoon, de groepering, het voorwerp of de gebeurtenis die het voorwerp is van de analyse;
2° de historiek van de feiten of incidenten met nationale of internationale draagwijdte, die betrekking hebben gehad op de persoon, de groepering, het voorwerp of de gebeurtenis die het voorwerp is van de analyse;
3° de actuele plaatselijke situatie of, eventueel, de door opposanten geuite dreigingen of de geplande acties ten aanzien van de persoon, de groepering, het voorwerp of de gebeurtenis die het voorwerp is van de analyse.
§ 5. Overeenkomstig het niveau van dringendheid toegekend door het OCAD in het geval van de evaluaties bedoeld in artikel 10, § 2, van de wet en door de betrokken ondersteunende diensten in het geval van de evaluaties bedoeld in artikel 10, § 3, van de wet, zullen de voornoemde evaluaties zo vlug mogelijk meegedeeld worden en binnen een maximale termijn van 24 uur indien zij voorzien zijn van de vermelding " FLASH ", binnen een maximale termijn van 3 dagen indien zij voorzien zijn van de vermelding " DRINGEND ", binnen een maximale termijn van 10 dagen indien zij voorzien zijn van de vermelding " ROUTINE " en binnen een maximale termijn van 30 dagen indien zij voorzien zijn van de vermelding " NIET DRINGEND ".
De onderhavige paragraaf is niet van toepassing op de informatie onder embargo overeenkomstig de procedure bedoeld in artikelen 11 en 12 van de wet.
§ 6. Iedere evaluatie zal het niveau van de dreiging bepalen door zich te steunen op een beschrijving van de ernst en de waarschijnlijkheid van het gevaar of van de dreiging.
De verschillende dreigingsniveaus zijn :
1° het " Niveau 1 of LAAG " indien blijkt dat de persoon, de groepering of de gebeurtenis die het voorwerp uitmaakt van de analyse niet bedreigd is;
2° het " Niveau 2 of GEMIDDELD " indien blijkt dat de dreiging tegen de persoon, de groepering of de gebeurtenis die het voorwerp uitmaakt van de analyse weinig waarschijnlijk is;
3° het " Niveau 3 of ERNSTIG " indien blijkt dat de dreiging tegen de persoon, de groepering of de gebeurtenis die het voorwerp uitmaakt van de analyse mogelijk en waarschijnlijk is;
4° het " Niveau 4 of ZEER ERNSTIG " indien blijkt dat de dreiging tegen de persoon, de groepering of de gebeurtenis die het voorwerp uitmaakt van de analyse ernstig en zeer nabij is.
§ 7. Een beveiligd en gecodeerd communicatie- en informatiesysteem wordt ingevoerd ten einde de communicatiesnelheid tussen het OCAD en de ondersteunende diensten te vergemakkelijken.
De functionele autoriteit van dit systeem die de verantwoordelijkheid van haar beveiliging waarneemt, is de Algemene Dienst inlichting en veiligheid van de Krijgsmacht.
De Algemene Dienst inlichting en veiligheid van de Krijgsmacht duidt een verantwoordelijke aan belast met het :
1° waken over het dagelijkse beheer van de veiligheid van het systeem;
2° opstellen van een veiligheidsplan voor het informatiesysteem die gehomologeerd moet worden door de Nationale Veiligheidsoverheid.
Iedere ondersteunende dienst duidt een veiligheidsofficier aan, beslast met het dagelijkse beheer van het lokale deel van het systeem, overeenkomstig de regels voorgeschreven in het plan bedoeld in derde lid.
§ 8. Iedere mededeling van geclassificeerde inlichtingen tussen het OCAD en de ondersteunende diensten gebeurt overeenkomstig de vereisten voorzien in de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen.
Art. 11. § 1er. Chaque service d'appui désigne, en son sein, un point de contact central qui sera chargé de :
1° l'échange de renseignements avec l'OCAM;
2° la diffusion efficace de ces renseignements au sein du service d'appui dont il dépend;
3° veiller à la communication d'office et dans les meilleurs délais vers l'OCAM de tout renseignement dont le service d'appui dont il dépend dispose dans le cadre de ses missions légales et qui se révèle pertinent pour la bonne exécution des missions de l'OCAM.
§ 2. Toute demande, visée au présent article, entre l'OCAM et un service d'appui fait systématiquement l'objet d'une confirmation automatique ou d'un accusé de réception qui fait courir les délais de réponse visés au présent article.
§ 3. Chaque point de contact central des services d'appui communique à l'OCAM tous les renseignements pertinents dont il dispose, dans un délai maximal de 24 heures pour les demandes revêtues de la mention " FLASH ", de 3 jours pour les demandes revêtues de la mention " URGENT ", de 10 jours pour les demandes revêtues de la mention " ROUTINE " et de 30 jours pour les demandes revêtues de la mention " NON URGENT ".
§ 4. Les renseignements communiqués par les services d'appui à la demande de l'OCAM portent sur :
1° la personne, le groupement, l'objet ou l'événement qui fait à l'objet de l'analyse;
2° l'historique des faits ou des incidents, de portée nationale ou internationale, qui ont eu trait à la personne, au groupement, à l'objet ou à l'événement qui fait l'objet de l'analyse;
3° la situation locale actuelle ou, éventuellement, les menaces proférées ou les actions planifiées par des opposants vis-à-vis de la personne, du groupement, de l'objet ou de l'événement qui fait l'objet de l'analyse.
§ 5. Conformément au niveau d'urgence attribué par l'OCAM dans le cas des évaluations visées à l'article 10, § 2, de la loi et par le service d'appui concerné dans le cas des évaluations visées à l'article 10, § 3, de la loi, les évaluations précitées seront communiquées au plus vite et dans un délai maximal de 24 heures si elles sont revêtues de la mention " FLASH ", dans un délai maximal de 3 jours si elles sont revêtues de la mention " URGENT ", dans un délai maximal de 10 jours si elles sont revêtues de la mention " ROUTINE " et dans un délai maximal de 30 jours si elles sont revêtues de la mention " NON URGENT ".
Le présent paragraphe ne s'applique pas aux informations placées sous embargo conformément à la procédure visée aux articles 11 et 12 de la loi.
§ 6. Chaque évaluation déterminera le niveau de la menace en s'appuyant sur une description de la gravité et de la vraisemblance du danger ou de la menace.
Les différents niveaux de la menace sont :
1° le " Niveau 1 ou FAIBLE " lorsqu'il apparaît que la personne, le groupement ou l'événement qui fait l'objet de l'analyse n'est pas menacé;
2° le " Niveau 2 ou MOYEN " lorsqu'il apparaît que la menace à l'égard de la personne, du groupement, ou de l'événement qui fait l'objet de l'analyse est peu vraisemblable;
3° le " Niveau 3 ou GRAVE " lorsqu'il apparaît que la menace à l'égard de la personne, du groupement ou de l'événement qui fait l'objet de l'analyse est possible et vraisemblable;
4° le " Niveau 4 ou TRES GRAVE " lorsqu'il apparaît que la menace à l'égard de la personne, du groupement ou de l'événement qui fait l'objet de l'analyse est sérieuse et imminente.
§ 7. Un système de communication et d'informations sécurisé et crypté est instauré afin de faciliter la vitesse de communication entre l'OCAM et les services d'appui.
L'autorité fonctionnelle de ce système, qui assure la responsabilité de sa sécurité, est le Service général du renseignement et de la sécurité des Forces armées.
Le Service général du renseignement et de la sécurité des Forces armées désigne un responsable chargé :
1° de veiller à la gestion journalière de la sécurité du système;
2° d'établir un plan de sécurité du système d'information devant être homologué par l'Autorité Nationale de Sécurité.
Chaque service d'appui désigne un officier de sécurité, chargé de la gestion journalière de la partie locale du système, conformément aux règles prescrites dans le plan visé à l'alinéa 3.
§ 8. Chaque communication de renseignements classifiés entre l'OCAM et les services d'appui s'effectue conformément aux exigences de la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification et aux habilitations attentions et avis de sécurité.
1° l'échange de renseignements avec l'OCAM;
2° la diffusion efficace de ces renseignements au sein du service d'appui dont il dépend;
3° veiller à la communication d'office et dans les meilleurs délais vers l'OCAM de tout renseignement dont le service d'appui dont il dépend dispose dans le cadre de ses missions légales et qui se révèle pertinent pour la bonne exécution des missions de l'OCAM.
§ 2. Toute demande, visée au présent article, entre l'OCAM et un service d'appui fait systématiquement l'objet d'une confirmation automatique ou d'un accusé de réception qui fait courir les délais de réponse visés au présent article.
§ 3. Chaque point de contact central des services d'appui communique à l'OCAM tous les renseignements pertinents dont il dispose, dans un délai maximal de 24 heures pour les demandes revêtues de la mention " FLASH ", de 3 jours pour les demandes revêtues de la mention " URGENT ", de 10 jours pour les demandes revêtues de la mention " ROUTINE " et de 30 jours pour les demandes revêtues de la mention " NON URGENT ".
§ 4. Les renseignements communiqués par les services d'appui à la demande de l'OCAM portent sur :
1° la personne, le groupement, l'objet ou l'événement qui fait à l'objet de l'analyse;
2° l'historique des faits ou des incidents, de portée nationale ou internationale, qui ont eu trait à la personne, au groupement, à l'objet ou à l'événement qui fait l'objet de l'analyse;
3° la situation locale actuelle ou, éventuellement, les menaces proférées ou les actions planifiées par des opposants vis-à-vis de la personne, du groupement, de l'objet ou de l'événement qui fait l'objet de l'analyse.
§ 5. Conformément au niveau d'urgence attribué par l'OCAM dans le cas des évaluations visées à l'article 10, § 2, de la loi et par le service d'appui concerné dans le cas des évaluations visées à l'article 10, § 3, de la loi, les évaluations précitées seront communiquées au plus vite et dans un délai maximal de 24 heures si elles sont revêtues de la mention " FLASH ", dans un délai maximal de 3 jours si elles sont revêtues de la mention " URGENT ", dans un délai maximal de 10 jours si elles sont revêtues de la mention " ROUTINE " et dans un délai maximal de 30 jours si elles sont revêtues de la mention " NON URGENT ".
Le présent paragraphe ne s'applique pas aux informations placées sous embargo conformément à la procédure visée aux articles 11 et 12 de la loi.
§ 6. Chaque évaluation déterminera le niveau de la menace en s'appuyant sur une description de la gravité et de la vraisemblance du danger ou de la menace.
Les différents niveaux de la menace sont :
1° le " Niveau 1 ou FAIBLE " lorsqu'il apparaît que la personne, le groupement ou l'événement qui fait l'objet de l'analyse n'est pas menacé;
2° le " Niveau 2 ou MOYEN " lorsqu'il apparaît que la menace à l'égard de la personne, du groupement, ou de l'événement qui fait l'objet de l'analyse est peu vraisemblable;
3° le " Niveau 3 ou GRAVE " lorsqu'il apparaît que la menace à l'égard de la personne, du groupement ou de l'événement qui fait l'objet de l'analyse est possible et vraisemblable;
4° le " Niveau 4 ou TRES GRAVE " lorsqu'il apparaît que la menace à l'égard de la personne, du groupement ou de l'événement qui fait l'objet de l'analyse est sérieuse et imminente.
§ 7. Un système de communication et d'informations sécurisé et crypté est instauré afin de faciliter la vitesse de communication entre l'OCAM et les services d'appui.
L'autorité fonctionnelle de ce système, qui assure la responsabilité de sa sécurité, est le Service général du renseignement et de la sécurité des Forces armées.
Le Service général du renseignement et de la sécurité des Forces armées désigne un responsable chargé :
1° de veiller à la gestion journalière de la sécurité du système;
2° d'établir un plan de sécurité du système d'information devant être homologué par l'Autorité Nationale de Sécurité.
Chaque service d'appui désigne un officier de sécurité, chargé de la gestion journalière de la partie locale du système, conformément aux règles prescrites dans le plan visé à l'alinéa 3.
§ 8. Chaque communication de renseignements classifiés entre l'OCAM et les services d'appui s'effectue conformément aux exigences de la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification et aux habilitations attentions et avis de sécurité.
Art. 12. § 1. Met het oog op de uitvoering van een opdracht voorzien door of krachtens de wet, zijn de personeelsleden van het OCAD die afkomstig zijn uit de politiediensten en die het behoeven te weten aantonen, toegelaten inzage te hebben tot de informatie geregistreerd in de ANG.
De toegang tot de informatie geregistreerd in de ANG wordt toegezegd aan de andere personeelsleden van het OCAD in functie van de dienstnoodwendigheid, voorafgaandelijk gedefinieerd door de directeur van het OCAD en nadat zij de noodzakelijke kennis hebben verworven.
De lijst van de personeelsleden van het OCAD, aangewezen overeenkomstig onderhavig artikel, evenals zijn latere wijzigingen, worden systematisch overgemaakt aan de politieambtenaren belast met het beheer van de ANG.
§ 2. De informatie van de ANG tot welke de personeelsleden van het OCAD toegang hebben zijn deze, die toegankelijk zijn voor de personeelsleden die opzoekingen kunnen uitvoeren zowel met een gerechtelijke politie finaliteit, als met een finaliteit van bestuurlijke politie.
§ 3. De toegang tot de informatie bedoeld in onderhavig artikel gebeurt via een geautomatiseerde verbinding tot de ANG.
De registratie van iedere toegang tot de ANG door een personeelslid van het OCAD wordt, met het oog op interne controle, bewaard bij de dienst belast met het beheer van de ANG gedurende een periode van 5 jaar.
§ 4. Iedere latere mededeling van de informatie bedoeld in onderhavig artikel is verboden behoudens aan de politiediensten, de gerechtelijke autoriteiten en de autoriteiten van bestuurlijke politie.
De toegang tot de informatie geregistreerd in de ANG wordt toegezegd aan de andere personeelsleden van het OCAD in functie van de dienstnoodwendigheid, voorafgaandelijk gedefinieerd door de directeur van het OCAD en nadat zij de noodzakelijke kennis hebben verworven.
De lijst van de personeelsleden van het OCAD, aangewezen overeenkomstig onderhavig artikel, evenals zijn latere wijzigingen, worden systematisch overgemaakt aan de politieambtenaren belast met het beheer van de ANG.
§ 2. De informatie van de ANG tot welke de personeelsleden van het OCAD toegang hebben zijn deze, die toegankelijk zijn voor de personeelsleden die opzoekingen kunnen uitvoeren zowel met een gerechtelijke politie finaliteit, als met een finaliteit van bestuurlijke politie.
§ 3. De toegang tot de informatie bedoeld in onderhavig artikel gebeurt via een geautomatiseerde verbinding tot de ANG.
De registratie van iedere toegang tot de ANG door een personeelslid van het OCAD wordt, met het oog op interne controle, bewaard bij de dienst belast met het beheer van de ANG gedurende een periode van 5 jaar.
§ 4. Iedere latere mededeling van de informatie bedoeld in onderhavig artikel is verboden behoudens aan de politiediensten, de gerechtelijke autoriteiten en de autoriteiten van bestuurlijke politie.
Art. 12. § 1er. En vue de l'accomplissement d'une mission prévue par ou en vertu de la loi, les membres du personnel de l'OCAM, issus des services de police, qui justifient la nécessité d'en connaître, sont autorisés à accéder aux informations enregistrées dans la BNG.
L'accès aux informations enregistrées dans la BNG est reconnu aux autres membres du personnel de l'OCAM, en fonction de nécessités du service définies préalablement par le directeur de l'OCAM, après qu'ils aient acquis les connaissances nécessaires.
La liste des membres du personnel de l'OCAM désignés conformément au présent article, ainsi que ses modifications ultérieures, sont systématiquement transmises aux fonctionnaires de police chargés de la gestion de la BNG.
§ 2. Les informations de la BNG auxquelles les membres du personnel de l'OCAM ont accès sont celles qui sont accessibles aux membres du personnel susceptibles d'effectuer des recherches tant à des fins de police judiciaire qu'à des fins de police administrative.
§ 3. L'accès aux informations visées au présent article se fait par un raccordement automatisé à la BNG.
L'enregistrement de chaque accès à la BNG par un membre du personnel de l'OCAM est conservé, auprès du service chargé de la gestion de la BNG, à des fins de contrôle interne, pendant une durée de 5 ans.
§ 4. Toute communication ultérieure des informations visées au présent article est interdite à l'exception des services de police, des autorités judiciaires et des autorités de police administrative.
L'accès aux informations enregistrées dans la BNG est reconnu aux autres membres du personnel de l'OCAM, en fonction de nécessités du service définies préalablement par le directeur de l'OCAM, après qu'ils aient acquis les connaissances nécessaires.
La liste des membres du personnel de l'OCAM désignés conformément au présent article, ainsi que ses modifications ultérieures, sont systématiquement transmises aux fonctionnaires de police chargés de la gestion de la BNG.
§ 2. Les informations de la BNG auxquelles les membres du personnel de l'OCAM ont accès sont celles qui sont accessibles aux membres du personnel susceptibles d'effectuer des recherches tant à des fins de police judiciaire qu'à des fins de police administrative.
§ 3. L'accès aux informations visées au présent article se fait par un raccordement automatisé à la BNG.
L'enregistrement de chaque accès à la BNG par un membre du personnel de l'OCAM est conservé, auprès du service chargé de la gestion de la BNG, à des fins de contrôle interne, pendant une durée de 5 ans.
§ 4. Toute communication ultérieure des informations visées au présent article est interdite à l'exception des services de police, des autorités judiciaires et des autorités de police administrative.
Art. 13. De eventuele modaliteiten betreffende de toegang, door de personeelsleden van het OCAD afkomstig uit een andere ondersteunende dienst bedoeld in artikel 2, 2°, van de wet, tot de geregistreerde informatie in de informatiesystemen van de diensten waarvan zij afkomstig zijn, worden gezamelijk bepaald door de Minister van Justitie, de Minister van Binnenlandse Zaken en de Minister die het gezag uitoefent over de voornoemde ondersteunende dienst.
Art. 13. Les éventuelles modalités d'accès des membres du personnel de l'OCAM issu d'un autre service d'appui visé à l'article 2, 2°, de la loi aux informations enregistrées au sein des systèmes d'informations du service d'appui dont ils sont issus sont déterminées conjointement entre le Ministre de la Justice, le Ministre de l'Intérieur et le Ministre qui a l'autorité sur le service d'appui précité.
Art. 14. Onverminderd de bevoegdheden van de gerechtelijke autoriteiten om maatregelen van gerechtelijke politie te treffen, worden de beschermingsmaatregelen bedoeld in artikel 8, 1° en 2°, van de wet die, in voorkomend geval, noodzakelijk blijken, beslist in de schoot van de Algemene Directie Crisiscentrum.
De toegang tot de gegevensbank betreffende de kritieke nationale infrastructuur [1 ...]1 wordt toegekend aan het OCAD overeenkomstig de modaliteiten bepaald bij een protocolakkoord afgesloten tussen de directeur-generaal van de Algemene Directie Crisiscentrum en de directeur van het OCAD.
De toegang tot de gegevensbank betreffende de kritieke nationale infrastructuur [1 ...]1 wordt toegekend aan het OCAD overeenkomstig de modaliteiten bepaald bij een protocolakkoord afgesloten tussen de directeur-generaal van de Algemene Directie Crisiscentrum en de directeur van het OCAD.
Art. 14. Sans préjudice des compétences des autorités judiciaires pour prendre des mesures de police judiciaire, les mesures de protection visées à l'article 8, 1° et 2°, de la loi qui, le cas échéant, s'avèrent nécessaires sont décidées au sein de la Direction générale du Centre de crise.
L'accès à la banque de données relative à l'infrastructure critique nationale [1 ...]1 est accordé à l'OCAM conformément aux modalités définies par un protocole d'accord conclu entre le directeur général de la Direction générale du Centre de crise et le directeur de l'OCAM.
L'accès à la banque de données relative à l'infrastructure critique nationale [1 ...]1 est accordé à l'OCAM conformément aux modalités définies par un protocole d'accord conclu entre le directeur général de la Direction générale du Centre de crise et le directeur de l'OCAM.
Änderungen
HOOFDSTUK V. - Modaliteiten van de embargoprocedures.
CHAPITRE V. - Modalités des procédures d'embargo.
Art. 15. De toepassing van de procedure bedoeld in artikelen 11 en 12 van de wet maakt formeel het voorwerp uit van een verklaring tijdens de mededeling van de inlichtingen bedoeld in de artikelen 11, eerste lid en 12, eerste lid, van de wet.
Met het oog op de gezamenlijke beslissing bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de wet, worden de inlichtingen waarvan de verspreiding onderworpen is aan een voorbehoud, krachtens de internationale rechtsnormen bedoeld in het artikel 6 van de wet enkel in aanmerking genomen in de evaluatie indien de brondienst geraadpleegd door het betrokken diensthoofd, uitdrukkelijk zijn akkoord verleent omtrent de vorm, de inhoud, de verspreiding en de classificatiegraad van zijn zending.
Wanneer de brondienst zijn akkoord verleent mogen de in beschouwing genomen inlichtingen hun oorsprong niet onthullen.
Indien de brondienst na raadpleging zijn akkoord niet heeft gegeven, worden de inlichtingen enkel en alleen geïntegreerd in de evaluatie bestemd voor de ondersteunende dienst die de inlichtingen leverde aan de directeur van het OCAD.
Iedere latere mededeling van deze inlichtingen aan een andere autoriteit of dienst is verboden.
De andere geadresseerde autoriteiten ontvangen enkel een gemoduleerde evaluatie in functie van wat noodzakelijk is voor de uitvoering van hun wettelijke opdrachten.
Met het oog op de gezamenlijke beslissing bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de wet, worden de inlichtingen waarvan de verspreiding onderworpen is aan een voorbehoud, krachtens de internationale rechtsnormen bedoeld in het artikel 6 van de wet enkel in aanmerking genomen in de evaluatie indien de brondienst geraadpleegd door het betrokken diensthoofd, uitdrukkelijk zijn akkoord verleent omtrent de vorm, de inhoud, de verspreiding en de classificatiegraad van zijn zending.
Wanneer de brondienst zijn akkoord verleent mogen de in beschouwing genomen inlichtingen hun oorsprong niet onthullen.
Indien de brondienst na raadpleging zijn akkoord niet heeft gegeven, worden de inlichtingen enkel en alleen geïntegreerd in de evaluatie bestemd voor de ondersteunende dienst die de inlichtingen leverde aan de directeur van het OCAD.
Iedere latere mededeling van deze inlichtingen aan een andere autoriteit of dienst is verboden.
De andere geadresseerde autoriteiten ontvangen enkel een gemoduleerde evaluatie in functie van wat noodzakelijk is voor de uitvoering van hun wettelijke opdrachten.
Art. 15. L'application de la procédure visée aux articles 11 et 12 de la loi fait formellement l'objet d'une déclaration lors de la communication des renseignements visés aux articles 11, alinéa 1er et 12, alinéa 1er, de la loi.
En vue de la décision conjointe visée à l'article 12, alinéa 2, de la loi, les renseignements dont la diffusion est soumise à restriction en vertu des normes juridiques internationales visées à l'article 6 de la loi ne sont pris en compte dans l'évaluation que si le service émetteur consulté par le chef de service concerné marque expressément son accord sur la forme, le contenu, la diffusion et le degré de classification de sa transmission.
Lorsque le service émetteur marque son accord, les renseignements pris en compte ne peuvent dévoiler leur origine.
Si le service émetteur n'a pas donné son accord après consultation, les renseignements ne sont intégrés que dans la seule évaluation destinée au service d'appui qui a fourni les renseignements au directeur de l'OCAM.
Toute communication ultérieure de ces renseignements à une autre autorité ou service est interdite.
Les autres autorités destinataires ne reçoivent qu'une évaluation modulée en fonction de ce qui est nécessaire à l'accomplissement de leurs missions légales.
En vue de la décision conjointe visée à l'article 12, alinéa 2, de la loi, les renseignements dont la diffusion est soumise à restriction en vertu des normes juridiques internationales visées à l'article 6 de la loi ne sont pris en compte dans l'évaluation que si le service émetteur consulté par le chef de service concerné marque expressément son accord sur la forme, le contenu, la diffusion et le degré de classification de sa transmission.
Lorsque le service émetteur marque son accord, les renseignements pris en compte ne peuvent dévoiler leur origine.
Si le service émetteur n'a pas donné son accord après consultation, les renseignements ne sont intégrés que dans la seule évaluation destinée au service d'appui qui a fourni les renseignements au directeur de l'OCAM.
Toute communication ultérieure de ces renseignements à une autre autorité ou service est interdite.
Les autres autorités destinataires ne reçoivent qu'une évaluation modulée en fonction de ce qui est nécessaire à l'accomplissement de leurs missions légales.
HOOFDSTUK VI. - Slotbepalingen.
CHAPITRE VI. - Dispositions finales.
Art. 16. Onderhavig besluit treedt in werking op 1 december 2006.
Art. 16. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er décembre 2006.
Art. 17. Onze Eerste Minister, Onze Minister van Justitie, Onze Minister van Binnenlandse Zaken, Onze Minister van Financiën, Onze Minister van Buitenlandse Zaken, Onze Minister van Landsverdediging en Onze Minister van Mobiliteit zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 17. Notre Premier Ministre, Notre Ministre de la Justice, Notre Ministre de l'Intérieur, Notre Ministre des Finances, Notre Ministre des Affaires Etrangères, Notre Ministre de la Défense et Notre Ministre de la Mobilité sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.