Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
19 SEPTEMBER 2005. - Samenwerkingsakkoord tussen de Staat, de Vlaamse Gemeenschap, het Vlaams Gewest, de Franse Gemeenschap, het Waals Gewest, de Duitstalige Gemeenschap, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Franse Gemeenschapscommissie inzake de oprichting van een Nationale Commissie voor de rechten van het kind.
Titre
19 SEPTEMBRE 2005. - Accord de coopération entre l'Etat, la Communauté flamande, la Région flamande, la Communauté française, la Région wallonne, la Communauté germanophone, la Région de Bruxelles-Capitale, la Commission communautaire commune et la Commission communautaire française portant création d'une Commission nationale pour les droits de l'enfant.
Dokumentinformationen
Numac: 2005A03262
Datum: 2005-09-19
Info du document
Numac: 2005A03262
Date: 2005-09-19
Inhoud
Tekst (24)
Texte (24)
HOOFDSTUK I. - Structuur en samenstelling van de Nationale Commissie voor de rechten van het kind.
CHAPITRE Ier. - Structure et composition de la Commission nationale pour les droits de l'enfant.
Artikel 1. Er wordt een Nationale Commissie voor de rechten van het kind opgericht, hierna Commissie genaamd.
Article 1. Il est créé une Commission nationale pour les droits de l'enfant, ci-après appelée la Commission.
Art. 2. 1. De Commissie heeft een dubbele opdracht ten opzichte van de toepassing van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind :
a) Zij draagt bij tot de uitwerking van het vijfjaarlijks verslag dat België moet opstellen overeenkomstig artikel 44 van het Verdrag inzake de rechten van het kind.
Daartoe voert zij een coördinatieopdracht uit bij de uitwerking van het verslag op basis van de bijdragen, aangeleverd door de regeringen. Zij hecht haar goedkeuring aan het verslag opgesteld in de drie landstalen en zendt het aldus goedgekeurde verslag toe aan de Minister van Buitenlandse Zaken die het in naam van de Regering en door toedoen van de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties bezorgt aan het Comité van de rechten van het kind. De leden met raadgevende stem kunnen hun eventueel andersluidende mening vermelden in het rapport betreffende de goedkeuring dat als bijlage bij het verslag is gevoegd.
b) Ze zorgt in naam van de Belgische Staat voor de voorstelling van het verslag bij het Comité van de rechten van het kind. Daartoe stelt zij aan de stemgerechtigde leden een samenstelling van afvaardiging voor. Ze maakt het rapport over aan het federaal Parlement en aan de Parlementen van de deelgebieden.
2. De Commissie draagt tevens bij tot de uitwerking van andere documenten in verband met de rechten van het kind die de Belgische Staat gehouden is voor te leggen aan internationale instanties (bijvoorbeeld de actieplannen). In voorkomend geval stelt zij ze voor bij de betrokken internationale instanties en maakt zij ze over aan het federaal Parlement en aan de Parlementen van de deelgebieden.
3. De Commissie neemt de nodige maatregelen om de verzameling, de analyse en de verwerking te coördineren van een minimum aan gegevens ten behoeve van het Comité van de rechten van het kind, zulks teneinde de situatie van de kinderen op het nationale grondgebied te kunnen beoordelen. Zij maakt het resultaat van die verwerking bekend. In de uitvoering van deze taak eerbiedigt de Commissie de Wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer, ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens. Voorafgaandelijk aan het bepalen van haar werkwijze in dit verband, moet de Commissie het advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer inwinnen.
4. De Commissie heeft ook een opdracht op het vlak van de bevordering van het overleg en de permanente gegevensuitwisseling tussen de verschillende autoriteiten en instanties die zich bezig houden met de rechten van het kind, zulks ten einde een maximale afstemming van het op elk niveau gevoerde beleid te bewerkstelligen. Te dien einde houdt zij rekening met de aanbevelingen van het Comité van de rechten van het kind.
5. De Commissie onderzoekt en ziet toe op de uitvoeringsmaatregelen die nog nodig zijn om te voldoen aan de voorstellen en aanbevelingen van het Comité voor de rechten van het kind. In dit verband kan zij voorstellen of aanbevelingen doen, die niet bindend zijn voor de bevoegde overheden.
6. De Commissie kan advies verstrekken met betrekking tot ontwerpen van internationaal Verdrag en Protocol, zodra deze invloed hebben op de rechten van het kind.
7. De hierboven geformuleerde opdrachten worden steeds uitgevoerd rekening houdend met de respectieve bevoegdheden van de verschillende betrokken overheden en met respect voor de autonomie van deze overheden.
a) Zij draagt bij tot de uitwerking van het vijfjaarlijks verslag dat België moet opstellen overeenkomstig artikel 44 van het Verdrag inzake de rechten van het kind.
Daartoe voert zij een coördinatieopdracht uit bij de uitwerking van het verslag op basis van de bijdragen, aangeleverd door de regeringen. Zij hecht haar goedkeuring aan het verslag opgesteld in de drie landstalen en zendt het aldus goedgekeurde verslag toe aan de Minister van Buitenlandse Zaken die het in naam van de Regering en door toedoen van de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties bezorgt aan het Comité van de rechten van het kind. De leden met raadgevende stem kunnen hun eventueel andersluidende mening vermelden in het rapport betreffende de goedkeuring dat als bijlage bij het verslag is gevoegd.
b) Ze zorgt in naam van de Belgische Staat voor de voorstelling van het verslag bij het Comité van de rechten van het kind. Daartoe stelt zij aan de stemgerechtigde leden een samenstelling van afvaardiging voor. Ze maakt het rapport over aan het federaal Parlement en aan de Parlementen van de deelgebieden.
2. De Commissie draagt tevens bij tot de uitwerking van andere documenten in verband met de rechten van het kind die de Belgische Staat gehouden is voor te leggen aan internationale instanties (bijvoorbeeld de actieplannen). In voorkomend geval stelt zij ze voor bij de betrokken internationale instanties en maakt zij ze over aan het federaal Parlement en aan de Parlementen van de deelgebieden.
3. De Commissie neemt de nodige maatregelen om de verzameling, de analyse en de verwerking te coördineren van een minimum aan gegevens ten behoeve van het Comité van de rechten van het kind, zulks teneinde de situatie van de kinderen op het nationale grondgebied te kunnen beoordelen. Zij maakt het resultaat van die verwerking bekend. In de uitvoering van deze taak eerbiedigt de Commissie de Wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer, ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens. Voorafgaandelijk aan het bepalen van haar werkwijze in dit verband, moet de Commissie het advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer inwinnen.
4. De Commissie heeft ook een opdracht op het vlak van de bevordering van het overleg en de permanente gegevensuitwisseling tussen de verschillende autoriteiten en instanties die zich bezig houden met de rechten van het kind, zulks ten einde een maximale afstemming van het op elk niveau gevoerde beleid te bewerkstelligen. Te dien einde houdt zij rekening met de aanbevelingen van het Comité van de rechten van het kind.
5. De Commissie onderzoekt en ziet toe op de uitvoeringsmaatregelen die nog nodig zijn om te voldoen aan de voorstellen en aanbevelingen van het Comité voor de rechten van het kind. In dit verband kan zij voorstellen of aanbevelingen doen, die niet bindend zijn voor de bevoegde overheden.
6. De Commissie kan advies verstrekken met betrekking tot ontwerpen van internationaal Verdrag en Protocol, zodra deze invloed hebben op de rechten van het kind.
7. De hierboven geformuleerde opdrachten worden steeds uitgevoerd rekening houdend met de respectieve bevoegdheden van de verschillende betrokken overheden en met respect voor de autonomie van deze overheden.
Art. 2. 1. La Commission a une double mission relative à l'application de la Convention des Nations unies sur les droits de l'enfant :
a) Elle contribue à la rédaction du rapport quinquennal que la Belgique est tenue d'établir conformément à l'article 44 de la Convention relative aux droits de l'enfant.
Dans ce cadre, elle assure une mission de coordination lors de la rédaction du rapport sur base des contributions fournies par les Gouvernements. Elle approuve celui-ci dans les trois versions linguistiques et elle remet le rapport approuvé au Ministre des Affaires étrangères qui, au nom de la Belgique, le fera parvenir au Comité des droits de l'enfant par l'entremise du Secrétaire général des Nations unies. Les membres avec voix consultative ont la possibilité de mentionner leur éventuel avis divergent dans le compte-rendu de l'approbation qui est annexé au rapport.
b) Elle se charge, au nom de l'Etat belge, de la présentation du rapport devant le Comité des droits de l'enfant. A cet effet, elle propose aux membres avec voix délibérative une composition de délégation. Elle transmet le rapport au Parlement fédéral et aux Conseils des entités fédérées.
2. La Commission contribue également à la rédaction d'autres documents en lien avec les droits de l'enfant que l'Etat belge est tenu de déposer auprès des instances internationales (par exemple les plans d'actions). Le cas échéant, elle les présente aux instances internationales concernées et les transmet au Parlement fédéral et aux Parlements des entités fédérées.
3. La Commission prend les mesures nécessaires pour coordonner la collecte, l'analyse et le traitement d'un minimum de données pour le Comité des droits de l'enfant afin de pouvoir évaluer la situation des enfants sur le territoire national. Elle publie le résultat de ce traitement. Lors de l'exécution de cette tâche, la Commission respecte la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel. A cet effet, la Commission prendra avis, préalablement à la détermination du mode de travail en cette matière, auprès de la Commission pour la protection de la vie privée.
4. La Commission a également pour mission de stimuler une concertation et un échange d'informations permanent entre les différentes autorités et instances s'occupant des droits de l'enfant afin de veiller à une synergie maximale des politiques menées. A cet effet, elle tient compte des recommandations du Comité des droits de l'enfant.
5. La Commission examine et surveille les mesures d'exécutions qui sont nécessaires afin de satisfaire aux suggestions et recommandations du Comité des droits de l'enfant. A cet égard, elle peut faire des propositions ou des recommandations non contraignantes aux autorités compétentes.
6. La Commission peut donner des avis sur des projets de conventions et protocoles internationaux, dès lors que ceux-ci touchent aux droits des enfants.
7. Les missions formulées ci-dessus sont systématiquement exercées compte tenu des compétences respectives des différentes autorités concernées et tout en respectant l'autonomie de ces autorités.
a) Elle contribue à la rédaction du rapport quinquennal que la Belgique est tenue d'établir conformément à l'article 44 de la Convention relative aux droits de l'enfant.
Dans ce cadre, elle assure une mission de coordination lors de la rédaction du rapport sur base des contributions fournies par les Gouvernements. Elle approuve celui-ci dans les trois versions linguistiques et elle remet le rapport approuvé au Ministre des Affaires étrangères qui, au nom de la Belgique, le fera parvenir au Comité des droits de l'enfant par l'entremise du Secrétaire général des Nations unies. Les membres avec voix consultative ont la possibilité de mentionner leur éventuel avis divergent dans le compte-rendu de l'approbation qui est annexé au rapport.
b) Elle se charge, au nom de l'Etat belge, de la présentation du rapport devant le Comité des droits de l'enfant. A cet effet, elle propose aux membres avec voix délibérative une composition de délégation. Elle transmet le rapport au Parlement fédéral et aux Conseils des entités fédérées.
2. La Commission contribue également à la rédaction d'autres documents en lien avec les droits de l'enfant que l'Etat belge est tenu de déposer auprès des instances internationales (par exemple les plans d'actions). Le cas échéant, elle les présente aux instances internationales concernées et les transmet au Parlement fédéral et aux Parlements des entités fédérées.
3. La Commission prend les mesures nécessaires pour coordonner la collecte, l'analyse et le traitement d'un minimum de données pour le Comité des droits de l'enfant afin de pouvoir évaluer la situation des enfants sur le territoire national. Elle publie le résultat de ce traitement. Lors de l'exécution de cette tâche, la Commission respecte la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel. A cet effet, la Commission prendra avis, préalablement à la détermination du mode de travail en cette matière, auprès de la Commission pour la protection de la vie privée.
4. La Commission a également pour mission de stimuler une concertation et un échange d'informations permanent entre les différentes autorités et instances s'occupant des droits de l'enfant afin de veiller à une synergie maximale des politiques menées. A cet effet, elle tient compte des recommandations du Comité des droits de l'enfant.
5. La Commission examine et surveille les mesures d'exécutions qui sont nécessaires afin de satisfaire aux suggestions et recommandations du Comité des droits de l'enfant. A cet égard, elle peut faire des propositions ou des recommandations non contraignantes aux autorités compétentes.
6. La Commission peut donner des avis sur des projets de conventions et protocoles internationaux, dès lors que ceux-ci touchent aux droits des enfants.
7. Les missions formulées ci-dessus sont systématiquement exercées compte tenu des compétences respectives des différentes autorités concernées et tout en respectant l'autonomie de ces autorités.
Art. 3. De Commissie is samengesteld uit stemgerechtigde leden en leden met raadgevende stem. Bij hun aanwijzing wordt rekening gehouden met hun kennis van, hun ervaring in en hun belang bij de materie van de rechten van de mens en van de rechten van het kind.
1. Stemgerechtigde leden :
Uiterlijk drie maanden na hun vorming wijzen de Franse Gemeenschapsregering, de Duitstalige Gemeenschapsregering, de Waalse Gewestregering, het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en het College van de Franse Gemeenschapscommissie telkens een stemgerechtigd lid en diens plaatsvervanger aan. Binnen dezelfde termijn wijzen de federale Regering en de Vlaamse Regering telkens twee stemgerechtigde leden en hun plaatsvervangers aan.
2. Leden met raadgevende stem :
a) alle ministers belast met federale, gemeenschaps- of gewestelijke aangelegenheden. Uiterlijk drie maanden na hun aanstelling mogen deze zich laten vertegenwoordigen en een plaatsvervanger aanduiden;
b) de vertegenwoordiger van het College van Procureurs-generaal die bevoegd is voor jeugdbescherming;
c) een vertegenwoordiger aangeduid door de Unie der Nederlandstalige Jeugdmagistraten en een vertegenwoordiger aangeduid door de "Union francophone des magistrats de la jeunesse";
d) een vertegenwoordiger van de "Union des Conseillers et Directeurs de l'aide à la jeunesse" en een vertegenwoordiger van de comités voor bijzondere jeugdzorg;
e) een vertegenwoordiger van de Vereniging van de Vlaamse Provincies en een vertegenwoordiger van "l'Association des provinces wallonnes", aangewezen door deze verenigingen;
f) een vertegenwoordiger van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten en een vertegenwoordiger van de "Union des Villes et Communes de Wallonie" en een vertegenwoordiger van de "Association de la Ville et des Communes" van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, aangewezen door deze verenigingen;
g) zes vertegenwoordigers van de niet-gouvernementele organisaties, van wie drie aangewezen door de Kinderrechtencoalitie Vlaanderen en drie door de "Coordination des ONG pour les droits de l'enfant";
h) twee vertegenwoordigers van Vlaamse universiteiten en twee van Franstalige universiteiten, aangewezen door de Vlaamse Interuniversitaire Raad en door de "Conseil interuniversitaire francophone" van de Franse Gemeenschap;
i) vijf vertegenwoordigers van de erkende administraties en instellingen die zich inzonderheid bezighouden met het welzijn van kinderen, waarvan twee aangewezen door de Vlaamse Regering, twee door de Franse Gemeenschapsregering en een door de Duitstalige Gemeenschapsregering;
j) de Kinderrechtencommissaris, de "Délégué général aux droits de l'enfant" en een persoon met de functie van bemiddelaar, aangeduid door de Duitstalige Gemeenschap;
k) een vertegenwoordiger van het Belgisch Comité voor UNICEF en een vertegenwoordiger van het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding;
l) een vertegenwoordiger van de Orde van Vlaamse Balies en een vertegenwoordiger van de "Ordre des barreaux francophones et germanophone", die ervaring hebben in familie- en/of jeugdaangelegenheden;
m) vijf vertegenwoordigers van de kinderen en jongeren zelf, zijnde een vertegenwoordiger van de Jeugdraad van de Vlaamse Gemeenschap, een vertegenwoordiger van de Vlaamse Scholierenkoepel, twee vertegenwoordigers van de "Conseil de la jeunesse d'expression française" van de Franse Gemeenschap en een vertegenwoordiger van de "Rat der Deutschsprachigen Jugend".
1. Stemgerechtigde leden :
Uiterlijk drie maanden na hun vorming wijzen de Franse Gemeenschapsregering, de Duitstalige Gemeenschapsregering, de Waalse Gewestregering, het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en het College van de Franse Gemeenschapscommissie telkens een stemgerechtigd lid en diens plaatsvervanger aan. Binnen dezelfde termijn wijzen de federale Regering en de Vlaamse Regering telkens twee stemgerechtigde leden en hun plaatsvervangers aan.
2. Leden met raadgevende stem :
a) alle ministers belast met federale, gemeenschaps- of gewestelijke aangelegenheden. Uiterlijk drie maanden na hun aanstelling mogen deze zich laten vertegenwoordigen en een plaatsvervanger aanduiden;
b) de vertegenwoordiger van het College van Procureurs-generaal die bevoegd is voor jeugdbescherming;
c) een vertegenwoordiger aangeduid door de Unie der Nederlandstalige Jeugdmagistraten en een vertegenwoordiger aangeduid door de "Union francophone des magistrats de la jeunesse";
d) een vertegenwoordiger van de "Union des Conseillers et Directeurs de l'aide à la jeunesse" en een vertegenwoordiger van de comités voor bijzondere jeugdzorg;
e) een vertegenwoordiger van de Vereniging van de Vlaamse Provincies en een vertegenwoordiger van "l'Association des provinces wallonnes", aangewezen door deze verenigingen;
f) een vertegenwoordiger van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten en een vertegenwoordiger van de "Union des Villes et Communes de Wallonie" en een vertegenwoordiger van de "Association de la Ville et des Communes" van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, aangewezen door deze verenigingen;
g) zes vertegenwoordigers van de niet-gouvernementele organisaties, van wie drie aangewezen door de Kinderrechtencoalitie Vlaanderen en drie door de "Coordination des ONG pour les droits de l'enfant";
h) twee vertegenwoordigers van Vlaamse universiteiten en twee van Franstalige universiteiten, aangewezen door de Vlaamse Interuniversitaire Raad en door de "Conseil interuniversitaire francophone" van de Franse Gemeenschap;
i) vijf vertegenwoordigers van de erkende administraties en instellingen die zich inzonderheid bezighouden met het welzijn van kinderen, waarvan twee aangewezen door de Vlaamse Regering, twee door de Franse Gemeenschapsregering en een door de Duitstalige Gemeenschapsregering;
j) de Kinderrechtencommissaris, de "Délégué général aux droits de l'enfant" en een persoon met de functie van bemiddelaar, aangeduid door de Duitstalige Gemeenschap;
k) een vertegenwoordiger van het Belgisch Comité voor UNICEF en een vertegenwoordiger van het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding;
l) een vertegenwoordiger van de Orde van Vlaamse Balies en een vertegenwoordiger van de "Ordre des barreaux francophones et germanophone", die ervaring hebben in familie- en/of jeugdaangelegenheden;
m) vijf vertegenwoordigers van de kinderen en jongeren zelf, zijnde een vertegenwoordiger van de Jeugdraad van de Vlaamse Gemeenschap, een vertegenwoordiger van de Vlaamse Scholierenkoepel, twee vertegenwoordigers van de "Conseil de la jeunesse d'expression française" van de Franse Gemeenschap en een vertegenwoordiger van de "Rat der Deutschsprachigen Jugend".
Art. 3. La Commission est composée de membres avec voix délibérative et de membres avec voix consultative. Ils sont désignés en tenant compte de leurs connaissances, de leurs expériences et de leur intérêt dans les matières des droits de l'homme et des droits de l'enfant.
1. Membres avec voix délibérative :
Au plus tard trois mois après leur formation, le Gouvernement de la Communauté française, le Gouvernement de la Communauté germanophone, le Gouvernement de la Région wallonne, le Collège réuni de la Commission communautaire commune et le Collège de la Commission communautaire française désignent chacun un représentant avec voix délibérative ainsi que son suppléant. Dans le même délai, le Gouvernement fédéral et le Gouvernement flamand désignent chacun deux représentants avec voix délibérative ainsi que leurs suppléants.
2. Membres avec voix consultative :
a) tous les Ministres en charge des matières fédérales, communautaires et régionales. Au plus tard trois mois après leur désignation, ceux-ci peuvent se faire représenter et désigner un suppléant;
b) le représentant du Collège des Procureurs généraux, ayant la protection de la jeunesse dans ses attributions;
c) un représentant désigné par l'Union francophone des magistrats de la jeunesse et un représentant désigné par "l'Unie der Nederlandstalige Jeugdmagistraten";
d) un représentant de l'Union des Conseillers et Directeurs de l'aide à la jeunesse et un représentant des "comités voor bijzondere jeugdzorg";
e) un représentant de la "Vereniging van de Vlaamse Provincies" et un de l'Association des provinces wallonnes, désignés par ces associations;
f) un représentant de l'Union des Villes et Communes de Wallonie, un de la "Vereniging van de Vlaamse Steden en Gemeenten" et un de l'Association de la Ville et des Communes de la Région de Bruxelles-Capitale, désignés par ces associations;
g) six représentants des organisations non gouvernementales dont trois sont désignés par la Coordination des ONG pour les droits de l'enfant et trois par la "Kinderrechtencoalitie Vlaanderen";
h) deux représentants d'universités francophones et deux représentants d'universités néerlandophones, désignés par le Conseil interuniversitaire francophone de la Communauté française d'une part et le "Vlaamse Interuniversitaire Raad" d'autre part;
i) cinq représentants d'administrations et d'institutions reconnues, s'occupant étroitement du bien-être des enfants dont deux sont désignés par le Gouvernement flamand, deux par le Gouvernement de la Communauté française et un par le Gouvernement de la Communauté germanophone;
j) le Délégué général aux droits de l'enfant, le "Kinderrechtencommissaris" et une personne ayant des fonctions de médiateur, désigné par la Communauté germanophone;
k) un représentant du Comité belge pour l'UNICEF et un représentant du Centre pour l'égalité des chances et la lutte contre le racisme;
l) un représentant de l'Ordre des barreaux francophones et germanophone et un représentant de l' "Orde van Vlaamse Balies", chacun ayant une expérience en matière familiale et/ou de jeunesse;
m) cinq représentants des enfants et des jeunes, dont un représentant du "Jeugdraad van de Vlaamse gemeenschap ", un représentant de la "Vlaamse Scholierenkoepel", deux représentants du Conseil de la Jeunesse d'expression française de la Communauté française et un représentant du "Rat der Deutschsprachigen Jugend".
1. Membres avec voix délibérative :
Au plus tard trois mois après leur formation, le Gouvernement de la Communauté française, le Gouvernement de la Communauté germanophone, le Gouvernement de la Région wallonne, le Collège réuni de la Commission communautaire commune et le Collège de la Commission communautaire française désignent chacun un représentant avec voix délibérative ainsi que son suppléant. Dans le même délai, le Gouvernement fédéral et le Gouvernement flamand désignent chacun deux représentants avec voix délibérative ainsi que leurs suppléants.
2. Membres avec voix consultative :
a) tous les Ministres en charge des matières fédérales, communautaires et régionales. Au plus tard trois mois après leur désignation, ceux-ci peuvent se faire représenter et désigner un suppléant;
b) le représentant du Collège des Procureurs généraux, ayant la protection de la jeunesse dans ses attributions;
c) un représentant désigné par l'Union francophone des magistrats de la jeunesse et un représentant désigné par "l'Unie der Nederlandstalige Jeugdmagistraten";
d) un représentant de l'Union des Conseillers et Directeurs de l'aide à la jeunesse et un représentant des "comités voor bijzondere jeugdzorg";
e) un représentant de la "Vereniging van de Vlaamse Provincies" et un de l'Association des provinces wallonnes, désignés par ces associations;
f) un représentant de l'Union des Villes et Communes de Wallonie, un de la "Vereniging van de Vlaamse Steden en Gemeenten" et un de l'Association de la Ville et des Communes de la Région de Bruxelles-Capitale, désignés par ces associations;
g) six représentants des organisations non gouvernementales dont trois sont désignés par la Coordination des ONG pour les droits de l'enfant et trois par la "Kinderrechtencoalitie Vlaanderen";
h) deux représentants d'universités francophones et deux représentants d'universités néerlandophones, désignés par le Conseil interuniversitaire francophone de la Communauté française d'une part et le "Vlaamse Interuniversitaire Raad" d'autre part;
i) cinq représentants d'administrations et d'institutions reconnues, s'occupant étroitement du bien-être des enfants dont deux sont désignés par le Gouvernement flamand, deux par le Gouvernement de la Communauté française et un par le Gouvernement de la Communauté germanophone;
j) le Délégué général aux droits de l'enfant, le "Kinderrechtencommissaris" et une personne ayant des fonctions de médiateur, désigné par la Communauté germanophone;
k) un représentant du Comité belge pour l'UNICEF et un représentant du Centre pour l'égalité des chances et la lutte contre le racisme;
l) un représentant de l'Ordre des barreaux francophones et germanophone et un représentant de l' "Orde van Vlaamse Balies", chacun ayant une expérience en matière familiale et/ou de jeunesse;
m) cinq représentants des enfants et des jeunes, dont un représentant du "Jeugdraad van de Vlaamse gemeenschap ", un représentant de la "Vlaamse Scholierenkoepel", deux représentants du Conseil de la Jeunesse d'expression française de la Communauté française et un représentant du "Rat der Deutschsprachigen Jugend".
Art. 4. De Koning wijst bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, na advies van de Gemeenschappen, de voorzitter van de Commissie aan.
Op voorstel van de Gemeenschappen wijst de Koning onder de leden van de Commissie eveneens twee ondervoorzitters aan.
De voorzitter is tweetalig en oefent zijn ambt voltijds uit. Bij zijn aanwijzing wordt rekening gehouden met zijn interesse voor, zijn kennis van en ervaring met de materie van de rechten van de mens en van de rechten van het kind.
De ondervoorzitters worden gekozen uit de leden met raadgevende stem, met uitzondering van de personen vermeld in punt 2. a) van artikel 3.
Het mandaat van de voorzitter en van de ondervoorzitters heeft een duur van vijf jaar en kan worden hernieuwd.
Op voorstel van de Gemeenschappen wijst de Koning onder de leden van de Commissie eveneens twee ondervoorzitters aan.
De voorzitter is tweetalig en oefent zijn ambt voltijds uit. Bij zijn aanwijzing wordt rekening gehouden met zijn interesse voor, zijn kennis van en ervaring met de materie van de rechten van de mens en van de rechten van het kind.
De ondervoorzitters worden gekozen uit de leden met raadgevende stem, met uitzondering van de personen vermeld in punt 2. a) van artikel 3.
Het mandaat van de voorzitter en van de ondervoorzitters heeft een duur van vijf jaar en kan worden hernieuwd.
Art. 4. Le Roi désigne, par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres, après avis des communautés, le Président de la Commission.
Le Roi désigne également deux Vice-Présidents parmi les membres de la Commission, sur proposition des communautés.
Le président est bilingue et exerce ses fonctions à temps plein. Il est désigné en tenant compte de son intérêt, de sa connaissance et de son expérience acquise dans la matière des droits de l'homme et des droits de l'enfant.
Les Vice-Présidents sont choisis parmi les membres avec voix consultative, à l'exception de ceux mentionnés au point 2.a) de l'article 3.
Le mandat du Président et des Vice-Présidents est d'une durée de cinq ans, renouvelable.
Le Roi désigne également deux Vice-Présidents parmi les membres de la Commission, sur proposition des communautés.
Le président est bilingue et exerce ses fonctions à temps plein. Il est désigné en tenant compte de son intérêt, de sa connaissance et de son expérience acquise dans la matière des droits de l'homme et des droits de l'enfant.
Les Vice-Présidents sont choisis parmi les membres avec voix consultative, à l'exception de ceux mentionnés au point 2.a) de l'article 3.
Le mandat du Président et des Vice-Présidents est d'une durée de cinq ans, renouvelable.
Art. 5. Een Uitvoerend Bureau (hierna Bureau genaamd) wordt belast met het dagelijks bestuur van de Commissie. Daartoe zorgt het onder meer voor de voorbereiding en de follow-up van de vergaderingen van de Commissie. Het brengt bij de Commissie ook verslag uit omtrent haar werkzaamheden.
Het Bureau, dat onder leiding staat van de voorzitter van de Commissie, bestaat uit zeven leden, aangeduid door de stemgerechtigde leden op voorstel van de Commissie.
Het Bureau wordt samengeroepen op initiatief van de voorzitter of op verzoek van tenminste drie leden van het Bureau.
Het Bureau, dat onder leiding staat van de voorzitter van de Commissie, bestaat uit zeven leden, aangeduid door de stemgerechtigde leden op voorstel van de Commissie.
Het Bureau wordt samengeroepen op initiatief van de voorzitter of op verzoek van tenminste drie leden van het Bureau.
Art. 5. Un Bureau exécutif (ci-après le Bureau) est chargé de la gestion journalière de la Commission. A cet effet, il assure notamment la préparation et le suivi des réunions de la Commission. Il fait également rapport de ses activités à la Commission.
Le Bureau est présidé par le Président de la Commission et composé de sept membres de la Commission désignés par les membres avec voix délibérative sur proposition de la Commission.
Le Bureau est convoqué sur l'initiative du Président ou lorsque trois membres du Bureau le demandent.
Le Bureau est présidé par le Président de la Commission et composé de sept membres de la Commission désignés par les membres avec voix délibérative sur proposition de la Commission.
Le Bureau est convoqué sur l'initiative du Président ou lorsque trois membres du Bureau le demandent.
Art. 6. Bij de Commissie en bij het Bureau wordt een Secretariaat opgericht, dat door de voorzitter wordt belast met technische en administratieve taken. Het Secretariaat is samengesteld uit tenminste een medewerker van de Franse taalrol en een medewerker van de Nederlandse taalrol. Het secretariaat functioneert voltijds.
Art. 6. Il est institué auprès de la Commission et du Bureau un Secrétariat chargé des tâches techniques et administratives que lui confie le Président. Ce Secrétariat est composé au moins d'un collaborateur du rôle linguistique francophone et d'un collaborateur du rôle linguistique néerlandophone. Ce Secrétariat fonctionne à temps plein.
Art. 7. De voorzitters van het federale Parlement en van de parlementen van de gefedereerde entiteiten kunnen, indien zij zulks nodig achten, een waarnemer aanwijzen die de vergaderingen kan bijwonen en aldus een voortgangscontrole kan uitoefenen op de werkzaamheden van de Commissie in de verschillende parlementen.
Art. 7. Les Présidents du Parlement fédéral et des Parlements des entités fédérées peuvent, s'ils le jugent utile, désigner un observateur qui pourra assister aux réunions et assurer ainsi le suivi des travaux de la Commission au sein des différentes assemblées parlementaires.
Art. 8. De Commissie kan een beroep doen op externe deskundigen om een bepaald onderwerp toe te lichten of nader uiteen te zetten.
Binnen de grenzen van de beschikbare kredieten en na akkoord van de voorzitter kan hen een vergoeding worden toegekend. Deze vergoeding wordt betaald op voorlegging van een kostenstaat.
Binnen de grenzen van de beschikbare kredieten en na akkoord van de voorzitter kan hen een vergoeding worden toegekend. Deze vergoeding wordt betaald op voorlegging van een kostenstaat.
Art. 8. La Commission peut inviter des experts externes afin d'expliciter ou d'approfondir un sujet particulier.
Une indemnité peut leur être allouée, dans les limites des crédits disponibles, après accord du Président. Cette indemnité est payée sur présentation d'un état de frais.
Une indemnité peut leur être allouée, dans les limites des crédits disponibles, après accord du Président. Cette indemnité est payée sur présentation d'un état de frais.
Art. 9. De Commissie komt ten minste tweemaal per jaar bijeen in plenaire vergadering.
Art. 9. La Commission se réunit au moins deux fois par an en assemblée plénière.
Art. 10. Kinderen moeten, op structurele en aangepaste wijze, betrokken worden bij het werk van de Commissie in overeenstemming met artikel 12 en volgende van het Verdrag van de Verenigde Naties voor de Rechten van het Kind. In het vijfjaarlijkse rapport wordt telkens een overzicht gegeven van de inspanningen die hiertoe werden geleverd.
Art. 10. Les enfants doivent être impliqués de manière structurelle et adaptée dans le travail de la Commission conformément aux articles 12 et suivants de la Convention des Nations unies sur les Droits de l'enfant. Dans le rapport quinquennal, il est donné un aperçu des initiatives qui ont été développées à ce sujet.
Art. 11. De Commissie kan in haar midden werkgroepen oprichten die worden belast met bepaalde onderwerpen die in het verslag aan bod kunnen komen.
Art. 11. La Commission peut constituer en son sein des groupes de travail autour de thèmes susceptibles d'être abordés dans le rapport.
Art. 12. De Commissie stelt haar huishoudelijk reglement op.
Art. 12. La Commission établit son règlement d'ordre intérieur.
Art. 13. De Commissie publiceert jaarlijks een verslag betreffende haar werkzaamheden en de aanwending van de haar ter beschikking gestelde middelen. Dit wordt opgemaakt in de drie landstalen en door de Minister van Justitie overgemaakt aan de verscheidene regeringen, aan het federaal Parlement en aan de parlementen van de deelgebieden.
Art. 13. La Commission publie annuellement un rapport sur ses activités et l'utilisation du budget mis à sa disposition. Celui-ci est établi dans les trois langues nationales et transmis aux différents gouvernements, au Parlement fédéral et aux Parlements des entités fédérées.
Art. 14. 1. De Commissie kan slechts op geldige wijze beraadslagen indien tenminste de helft van haar stemgerechtigde leden aanwezig zijn.
Voor elke materie worden de beslissingen genomen bij wijze van consensus onder de stemgerechtigde leden.
2. De beslissingen van het Bureau worden genomen bij gewone meerderheid. Bij staking van stemmen, is de stem van de voorzitter doorslaggevend.
Voor elke materie worden de beslissingen genomen bij wijze van consensus onder de stemgerechtigde leden.
2. De beslissingen van het Bureau worden genomen bij gewone meerderheid. Bij staking van stemmen, is de stem van de voorzitter doorslaggevend.
Art. 14. 1. La Commission ne peut délibérer valablement que si la moitié au moins de ses membres avec voix délibérative est présente.
Pour toute matière, ses décisions sont prises par consensus parmi les membres présents avec voix délibérative.
2. Les décisions au sein du Bureau sont prises à la majorité simple. En cas d'égalité des voix, celle du Président est prépondérante.
Pour toute matière, ses décisions sont prises par consensus parmi les membres présents avec voix délibérative.
2. Les décisions au sein du Bureau sont prises à la majorité simple. En cas d'égalité des voix, celle du Président est prépondérante.
Art. 15. De Commissie wordt gesubsidieerd door alle partners. Elk jaar wordt het budget voorgesteld door de voorzitter, na goedkeuring ervan door de stemgerechtigde leden.
De bedragen worden op volgende wijze verdeeld :
50 % ten laste van de Federale Staat;
25 % ten laste van de Vlaamse Gemeenschap;
12,3 % ten laste van de Franse Gemeenschap;
6,7 % ten laste van het Waals Gewest;
1 % ten laste van de Duitstalige Gemeenschap;
2 % ten laste van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie;
2 % ten laste van de Franse Gemeenschapscommissie;
1 % ten laste van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
De bedragen worden uitbetaald aan de instelling die de Commissie huisvest, vóór 15 januari van het jaar waarop ze betrekking hebben.
De bedragen worden op volgende wijze verdeeld :
50 % ten laste van de Federale Staat;
25 % ten laste van de Vlaamse Gemeenschap;
12,3 % ten laste van de Franse Gemeenschap;
6,7 % ten laste van het Waals Gewest;
1 % ten laste van de Duitstalige Gemeenschap;
2 % ten laste van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie;
2 % ten laste van de Franse Gemeenschapscommissie;
1 % ten laste van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
De bedragen worden uitbetaald aan de instelling die de Commissie huisvest, vóór 15 januari van het jaar waarop ze betrekking hebben.
Art. 15. La Commission est subsidiée par tous les partenaires. Chaque année, le budget est présenté, après approbation des membres avec voix délibératives, par le Président.
Les montants sont répartis de la manière suivante :
50 % à charge de l'Etat fédéral;
25 % à charge de la Communauté flamande;
12,3 % à charge de la Communauté française;
6,7 % à charge de la Région wallonne;
1 % à charge de la Communauté germanophone;
2 % à charge de la Commission communautaire commune;
2 % à charge de la Commission communautaire française;
1 % à charge de la Région de Bruxelles-Capitale.
Les montants sont versés à l'institution qui héberge la Commission pour le 15 janvier de l'année à laquelle ils se rapportent.
Les montants sont répartis de la manière suivante :
50 % à charge de l'Etat fédéral;
25 % à charge de la Communauté flamande;
12,3 % à charge de la Communauté française;
6,7 % à charge de la Région wallonne;
1 % à charge de la Communauté germanophone;
2 % à charge de la Commission communautaire commune;
2 % à charge de la Commission communautaire française;
1 % à charge de la Région de Bruxelles-Capitale.
Les montants sont versés à l'institution qui héberge la Commission pour le 15 janvier de l'année à laquelle ils se rapportent.
HOOFDSTUK II. - Overgangsbepaling.
CHAPITRE II. - Disposition transitoire.
Art. 16. De eerste aanstelling van de leden zoals vermeld in de artikelen 3.1. en 3.2.a) zal gebeuren uiterlijk vier maanden na de inwerkingtreding van dit Samenwerkingsakkoord.
Art. 16. La première désignation des membres mentionnés aux articles 3, 1° et 3, 2°, a) ainsi que de leur suppléant se fera au plus tard quatre mois après l'entrée en vigueur du présent accord.
Art. 17. De eerste betaling overeenkomstig de verdeelsleutel van artikel 15 zal worden verricht voor 1 september 2005 en dit ten belope van een derde van het jaarlijkse budget.
Art. 17. Le premier paiement conformément à la clé de répartition prévue à l'article 15 sera effectué pour le 1er septembre 2005, ce à concurrence d'un tiers du budget annuel.
HOOFDSTUK III. - Slotbepalingen.
CHAPITRE III. - Dispositions finales.
Art. 18. Dit Samenwerkingsakkoord wordt gesloten voor onbepaalde duur.
Art. 18. Le présent accord est conclu pour une durée indéterminée.
Art. 19. Dit Samenwerkingsakkoord treedt in werking op de dag van publicatie in het Belgisch Staatsblad van de laatste goedkeurende akte uitgaande van de contracterende partijen.
Brussel, 19 september 2005, in 8 originele exemplaren in de Nederlandse, de Franse en de Duitse taal.
Voor de Federale Staat :
De Minister van Justitie,
Mevr. L. ONKELINX
Voor de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaams Gewest :
De minister-president,
Y. LETERME
De Vlaamse minister van Cultuur, Jeugd, Sport en Brussel,
B. ANCIAUX
De Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin,
I. VERVOTTE
Voor de Franse Gemeenschap :
De Minister-president,
Mevr. M. ARENA
De Minister van het Cultuur, het Audiovisuele en Jeugd,
Mevr. F. LAANAN
De Minister van Gezondheid, het Kind en Jeugdhulp,
Mevr. C. FONCK
Voor de Duitstalige Gemeenschap :
De Minister-President,
K.-H. LAMBERTZ
De Vice-Minister-President, Minister van Onderwijs, Werkgelegenheid, Sociale Aangelegenheden en Toerisme,
B. GENTGES
De Minister van Cultuur en Media, Monumentenzorg, Jeugd en Sport,
I. WEYKMANS
Voor het Waals Gewest :
De Minister-President,
J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE
De Minister van Gezondheid, Sociale Aangelegenheden en Gelijke Kansen,
Ch. VIENNE
Voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest :
De Minister-President,
Ch. PICQUE
Voor de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie :
De Voorzitter van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie,
Ch. PICQUE
Lid van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, bevoegd voor het Beleid inzake Bijstand aan Personen en het Openbaar Ambt,
P. SMET
Lid van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, bevoegd voor het Beleid inzake Bijstand aan Personen, Financiën, Budget en Buitenlandse Betrekkingen,
Mevr. E. HUYTEBROECK
Voor de Franse Gemeenschapscommissie :
De Minister-Voorzitter van het College van de Franse Gemeenschapscommissie,
B. CEREXHE
Lid van het College van de Franse Gemeenschapscommissie, bevoegd voor Beroepsvorming, Onderwijs, Cultuur en Schoolvervoer,
Mevr. F. DUPUIS
Lid van het College van de Franse Gemeenschapscommissie, bevoegd voor Sociale Actie, Gezin en Sport,
E. KIR
Brussel, 19 september 2005, in 8 originele exemplaren in de Nederlandse, de Franse en de Duitse taal.
Voor de Federale Staat :
De Minister van Justitie,
Mevr. L. ONKELINX
Voor de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaams Gewest :
De minister-president,
Y. LETERME
De Vlaamse minister van Cultuur, Jeugd, Sport en Brussel,
B. ANCIAUX
De Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin,
I. VERVOTTE
Voor de Franse Gemeenschap :
De Minister-president,
Mevr. M. ARENA
De Minister van het Cultuur, het Audiovisuele en Jeugd,
Mevr. F. LAANAN
De Minister van Gezondheid, het Kind en Jeugdhulp,
Mevr. C. FONCK
Voor de Duitstalige Gemeenschap :
De Minister-President,
K.-H. LAMBERTZ
De Vice-Minister-President, Minister van Onderwijs, Werkgelegenheid, Sociale Aangelegenheden en Toerisme,
B. GENTGES
De Minister van Cultuur en Media, Monumentenzorg, Jeugd en Sport,
I. WEYKMANS
Voor het Waals Gewest :
De Minister-President,
J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE
De Minister van Gezondheid, Sociale Aangelegenheden en Gelijke Kansen,
Ch. VIENNE
Voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest :
De Minister-President,
Ch. PICQUE
Voor de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie :
De Voorzitter van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie,
Ch. PICQUE
Lid van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, bevoegd voor het Beleid inzake Bijstand aan Personen en het Openbaar Ambt,
P. SMET
Lid van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, bevoegd voor het Beleid inzake Bijstand aan Personen, Financiën, Budget en Buitenlandse Betrekkingen,
Mevr. E. HUYTEBROECK
Voor de Franse Gemeenschapscommissie :
De Minister-Voorzitter van het College van de Franse Gemeenschapscommissie,
B. CEREXHE
Lid van het College van de Franse Gemeenschapscommissie, bevoegd voor Beroepsvorming, Onderwijs, Cultuur en Schoolvervoer,
Mevr. F. DUPUIS
Lid van het College van de Franse Gemeenschapscommissie, bevoegd voor Sociale Actie, Gezin en Sport,
E. KIR
Art. 19. Le présent Accord de coopération entre en vigueur le jour de la publication au Moniteur belge du dernier des actes d'assentiment des parties contractantes.
Bruxelles, le 19 septembre 2005, en 8 exemplaires originaux en français, en allemand et en néerlandais.
Pour l'Etat fédéral :
La Ministre de la Justice,
Mme L. ONKELINX
Pour la Communauté flamande et la Région flamande :
Le Ministre-Président,
Y. LETERME
Le Ministre flamand de la Culture, de la Jeunesse, du Sport et de Bruxelles,
B. ANCIAUX
La Ministre flamande du Bien-être, de la Santé publique et de la Famille,
Mme I. VERVOTTE
Pour la Communauté française :
La Ministre-Présidente,
Mme M. ARENA
La Ministre de la Culture, de l'Audiovisuel et de la Jeunesse,
Mme F. LAANAN
La Ministre de la Santé, de l'Enfance et de l'Aide à la Jeunesse,
Mme C. FONCK
Pour la Communauté germanophone :
Le Ministre-Président,
K.-H. LAMBERTZ
Le Ministre-Vice-Président, le Ministre de la Formation et de l'Emploi, des Affaires sociales et du Tourisme,
B. GENTGES
La Ministre de la Culture et des Médias, des Monuments et Sites, de la Jeunesse et du Sport,
Mme I. WEYKMANS
Pour la Région wallonne :
Le Ministre-Président,
J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE
La Ministre de la Santé, de l'Action sociale et de l'Egalité des chances,
Mme Ch. VIENNE
Pour la Région de Bruxelles-Capitale :
Le Ministre-Président,
Ch. PICQUE
Pour la Commission communautaire commune :
Le Ministre-Président du Collège réuni de la Commission communautaire commune,
Ch. PICQUE
Le Membre du Collège réuni de la Commission communautaire commune, chargé de la Politique d'Aide aux Personnes et la Fonction publique,
P. SMET
La Membre du Collège réuni de la Commission communautaire commune, chargée de la Politique d'Aide aux Personnes, des Finances, du Budget et des Relations extérieures,
Mme E. HUYTEBROECK
Pour la Commission communautaire française :
Le Ministre-Président du Collège de la Commission communautaire française,
B. CEREXHE
La Membre du Collège de la Commission communautaire française, chargée de la Formation professionnelle, de l'Enseignement, de la Culture et du Transport scolaire,
Mme F. DUPUIS
Le Membre du Collège de la Commission communautaire française, chargé de l'Action sociale, de la Famille et du Sport,
E. KIR
Bruxelles, le 19 septembre 2005, en 8 exemplaires originaux en français, en allemand et en néerlandais.
Pour l'Etat fédéral :
La Ministre de la Justice,
Mme L. ONKELINX
Pour la Communauté flamande et la Région flamande :
Le Ministre-Président,
Y. LETERME
Le Ministre flamand de la Culture, de la Jeunesse, du Sport et de Bruxelles,
B. ANCIAUX
La Ministre flamande du Bien-être, de la Santé publique et de la Famille,
Mme I. VERVOTTE
Pour la Communauté française :
La Ministre-Présidente,
Mme M. ARENA
La Ministre de la Culture, de l'Audiovisuel et de la Jeunesse,
Mme F. LAANAN
La Ministre de la Santé, de l'Enfance et de l'Aide à la Jeunesse,
Mme C. FONCK
Pour la Communauté germanophone :
Le Ministre-Président,
K.-H. LAMBERTZ
Le Ministre-Vice-Président, le Ministre de la Formation et de l'Emploi, des Affaires sociales et du Tourisme,
B. GENTGES
La Ministre de la Culture et des Médias, des Monuments et Sites, de la Jeunesse et du Sport,
Mme I. WEYKMANS
Pour la Région wallonne :
Le Ministre-Président,
J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE
La Ministre de la Santé, de l'Action sociale et de l'Egalité des chances,
Mme Ch. VIENNE
Pour la Région de Bruxelles-Capitale :
Le Ministre-Président,
Ch. PICQUE
Pour la Commission communautaire commune :
Le Ministre-Président du Collège réuni de la Commission communautaire commune,
Ch. PICQUE
Le Membre du Collège réuni de la Commission communautaire commune, chargé de la Politique d'Aide aux Personnes et la Fonction publique,
P. SMET
La Membre du Collège réuni de la Commission communautaire commune, chargée de la Politique d'Aide aux Personnes, des Finances, du Budget et des Relations extérieures,
Mme E. HUYTEBROECK
Pour la Commission communautaire française :
Le Ministre-Président du Collège de la Commission communautaire française,
B. CEREXHE
La Membre du Collège de la Commission communautaire française, chargée de la Formation professionnelle, de l'Enseignement, de la Culture et du Transport scolaire,
Mme F. DUPUIS
Le Membre du Collège de la Commission communautaire française, chargé de l'Action sociale, de la Famille et du Sport,
E. KIR
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. Het personeel van het Secretariaat zal worden aangeworven op federaal niveau.
Het Secretariaat zal worden gehuisvest in de lokalen van de federale overheid. De federale overheid draagt de kosten van deze huisvesting, onverminderd haar tussenkomst in het kader van art. 15 van het Samenwerkingsakkoord.
Het Secretariaat zal worden gehuisvest in de lokalen van de federale overheid. De federale overheid draagt de kosten van deze huisvesting, onverminderd haar tussenkomst in het kader van art. 15 van het Samenwerkingsakkoord.
Art. N. Le personnel du Secrétariat sera engagé au niveau fédéral.
Le Secrétariat sera installé dans les locaux relevant de l'autorité fédérale. L'autorité fédérale prendra sur elle les coûts de cet hébergement, sans préjudice de son intervention visée à l'article 15 du présent l'accord.
Le Secrétariat sera installé dans les locaux relevant de l'autorité fédérale. L'autorité fédérale prendra sur elle les coûts de cet hébergement, sans préjudice de son intervention visée à l'article 15 du présent l'accord.