Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
24 FEBRUARI 2005. - Ordonnantie tot vermindering van de registratierechten op de schenkingen van roerende goederen.
Titre
24 FEVRIER 2005. - Ordonnance portant réduction des droits d'enregistrement sur les donations de biens meubles.
Dokumentinformationen
Info du document
Tekst (9)
Texte (9)
Artikel 1. Deze ordonnantie regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 39 van de Grondwet.
Article 1. La présente ordonnance règle une matière visée à l'article 39 de la Constitution.
Art. 2. § 1. De huidige tekst van artikel 131 van het Wetboek van registratie-, hypotheek- en griffierechten, gewijzigd bij de ordonnantie van 20 december 2002, wordt de eerste paragraaf, beginnend met het teken " § 1. " en de woorden " roerende of onroerende " worden er vervangen door het woord " onroerende ".
§ 2. Aan artikel 131 van hetzelfde Wetboek, wordt een tweede paragraaf toegevoegd, luidend :
" § 2. Voor de schenkingen onder de levenden van roerende goederen wordt over het bruto-aandeel van elk der begiftigden een recht geheven van :
1° 3 % voor schenkingen in de rechte lijn, tussen echtgenoten en tussen samenwonenden;
2° 7 % voor schenkingen aan andere personen.
Dit tarief is evenwel niet van toepassing op de schenkingen onder de levenden van roerende goederen gedaan onder een opschortende voorwaarde die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker, en die krachtens artikel 4, 3°, van het Wetboek van successierechten als legaten worden beschouwd voor de heffing van het recht van successie. "
§ 2. Aan artikel 131 van hetzelfde Wetboek, wordt een tweede paragraaf toegevoegd, luidend :
" § 2. Voor de schenkingen onder de levenden van roerende goederen wordt over het bruto-aandeel van elk der begiftigden een recht geheven van :
1° 3 % voor schenkingen in de rechte lijn, tussen echtgenoten en tussen samenwonenden;
2° 7 % voor schenkingen aan andere personen.
Dit tarief is evenwel niet van toepassing op de schenkingen onder de levenden van roerende goederen gedaan onder een opschortende voorwaarde die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker, en die krachtens artikel 4, 3°, van het Wetboek van successierechten als legaten worden beschouwd voor de heffing van het recht van successie. "
Art. 2. § 1er. Le texte actuel de l'article 131 du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, modifié par l'ordonnance du 20 décembre 2002, devient le premier paragraphe, commençant par le signe " § 1er. " et les mots " meubles ou immeubles " y sont remplacés par le mot " immeubles ".
§ 2. A l'article 131 du même Code, il est ajouté un paragraphe 2 libellé comme suit :
" § 2. Pour les donations entre vifs de biens meubles, il est perçu, sur l'émolument brut (de chacun) des donataires, un droit de :
1° 3 % pour les donations en ligne directe, entre époux et entre cohabitants;
2° 7 % pour les donations à d'autres personnes.
Toutefois, ce tarif n'est pas applicable aux donations entre vifs de biens meubles faites sous une condition suspensive qui se réalise par suite du décès du donateur, et qui, en vertu de l'article 4, 3°, du Code des droits de succession, sont assimilées aux legs pour la perception du droit de succession. "
§ 2. A l'article 131 du même Code, il est ajouté un paragraphe 2 libellé comme suit :
" § 2. Pour les donations entre vifs de biens meubles, il est perçu, sur l'émolument brut (de chacun) des donataires, un droit de :
1° 3 % pour les donations en ligne directe, entre époux et entre cohabitants;
2° 7 % pour les donations à d'autres personnes.
Toutefois, ce tarif n'est pas applicable aux donations entre vifs de biens meubles faites sous une condition suspensive qui se réalise par suite du décès du donateur, et qui, en vertu de l'article 4, 3°, du Code des droits de succession, sont assimilées aux legs pour la perception du droit de succession. "
Art. 3. Artikel 133 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 133. Het recht wordt vereffend op de verkoopwaarde van de geschonken goederen, zonder aftrek van lasten.
Evenwel, voor schenkingen van ter beurze genoteerde publieke effecten geldt als belastinggrondslag de waarde volgens de laatste prijscourant op last van de regering bekendgemaakt vóór de datum waarop het recht opeisbaar is geworden.
Voor de schenking van het vruchtgebruik of de blote eigendom van een onroerend goed wordt de belastinggrondslag vastgesteld zoals in de artikelen 47 tot 50 is bepaald.
Voor de schenkingen van het op het leven van de schenker, een begiftigde of een derde gevestigde vruchtgebruik van roerende goederen geldt als heffingsgrondslag het bedrag verkregen door de vermenigvuldiging van de jaarlijkse opbrengst van de goederen, forfaitair vastgesteld op 4 % van de volle eigendom van de goederen, met het getal dat in artikel 47, eerste lid, wordt aangegeven tegenover de leeftijdsklasse waartoe diegene op wiens leven het vruchtgebruik gevestigd is, behoort op de datum van de schenking.
Voor de schenkingen van het voor een bepaalde tijd gevestigde vruchtgebruik van roerende goederen geldt als (heffingsgrondslag) het bedrag verkregen door kapitalisatie van de jaarlijkse opbrengst tegen 4 % over de duur van het vruchtgebruik bepaald in de schenkingsakte. De jaarlijkse opbrengst van de roerende goederen wordt forfaitair vastgesteld op 4 % van de volle eigendom van die goederen. Het aldus verkregen bedrag van de heffinfsgrondslag mag evenwel niet gaan boven de waarde berekend volgens het vierde lid indien het vrichtgebruik gevestigd is ten bate van een natuurlijk persoon.
Voor de schenkingen van de blote eigendom van roerende goederen waarvan het vruchtgebruik door de schenker is voorbehouden, is de heffingsgrondslag de verkoopwaarde van de volle eigendom van de goederen.
Voor de schenkingen van de blote eigendom van roerende goederen waarvan het vrichtgebruik door de schenker niet is voorbehouden, is de heffingsgrondslag de verkoopwaarde van de volle eigendom van de goederen, verminderd met de waarde van het (vruchtgebruik), berekend volgens het vierde of vijfde lid.
Voor schenkingen van een lijfrente of een levenslang pensioen wordt het recht berekend over het jaarlijkse bedrag van de uitkering, (vermenigvuldig) met de leeftijdscoëfficiënt die volgens de tabel in artikel 47 op de begiftigde moet worden toegepast.
Voor schenkingen van een altijddurende rente wordt het recht berekend over het jaarlijkse bedrag van de rente vermenigvuldigd met twintig. ".
" Art. 133. Het recht wordt vereffend op de verkoopwaarde van de geschonken goederen, zonder aftrek van lasten.
Evenwel, voor schenkingen van ter beurze genoteerde publieke effecten geldt als belastinggrondslag de waarde volgens de laatste prijscourant op last van de regering bekendgemaakt vóór de datum waarop het recht opeisbaar is geworden.
Voor de schenking van het vruchtgebruik of de blote eigendom van een onroerend goed wordt de belastinggrondslag vastgesteld zoals in de artikelen 47 tot 50 is bepaald.
Voor de schenkingen van het op het leven van de schenker, een begiftigde of een derde gevestigde vruchtgebruik van roerende goederen geldt als heffingsgrondslag het bedrag verkregen door de vermenigvuldiging van de jaarlijkse opbrengst van de goederen, forfaitair vastgesteld op 4 % van de volle eigendom van de goederen, met het getal dat in artikel 47, eerste lid, wordt aangegeven tegenover de leeftijdsklasse waartoe diegene op wiens leven het vruchtgebruik gevestigd is, behoort op de datum van de schenking.
Voor de schenkingen van het voor een bepaalde tijd gevestigde vruchtgebruik van roerende goederen geldt als (heffingsgrondslag) het bedrag verkregen door kapitalisatie van de jaarlijkse opbrengst tegen 4 % over de duur van het vruchtgebruik bepaald in de schenkingsakte. De jaarlijkse opbrengst van de roerende goederen wordt forfaitair vastgesteld op 4 % van de volle eigendom van die goederen. Het aldus verkregen bedrag van de heffinfsgrondslag mag evenwel niet gaan boven de waarde berekend volgens het vierde lid indien het vrichtgebruik gevestigd is ten bate van een natuurlijk persoon.
Voor de schenkingen van de blote eigendom van roerende goederen waarvan het vruchtgebruik door de schenker is voorbehouden, is de heffingsgrondslag de verkoopwaarde van de volle eigendom van de goederen.
Voor de schenkingen van de blote eigendom van roerende goederen waarvan het vrichtgebruik door de schenker niet is voorbehouden, is de heffingsgrondslag de verkoopwaarde van de volle eigendom van de goederen, verminderd met de waarde van het (vruchtgebruik), berekend volgens het vierde of vijfde lid.
Voor schenkingen van een lijfrente of een levenslang pensioen wordt het recht berekend over het jaarlijkse bedrag van de uitkering, (vermenigvuldig) met de leeftijdscoëfficiënt die volgens de tabel in artikel 47 op de begiftigde moet worden toegepast.
Voor schenkingen van een altijddurende rente wordt het recht berekend over het jaarlijkse bedrag van de rente vermenigvuldigd met twintig. ".
Art. 3. L'article 133 du même Code est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 133. Le droit est liquidé sur la valeur vénale des biens donnés, sans distraction de charges.
Toutefois, si la donation a pour objet des effets publics cotés en bourse, la base imposable est déterminée par la valeur résultant du dernier prix courant publié par ordre du gouvernement avant la date où le droit est devenu exigible.
Si la donation a pour objet l'usufruit ou la nue-propriété d'un immeuble, la base imposable est déterminée de la manière indiquée aux articles 47 à 50.
Si la donation a pour objet l'usufruit de biens meubles établi sur la tête du donateur, du donataire ou d'un tiers, la base imposable est le montant obtenu en multipliant le montant annuel de la prestation, fixé de manière forfaitaire à 4 % de la pleine propriété des biens, par le coefficent mentionné à l'article 47, alinéa premier, en regard de la catégorie d'âge à laquelle appartient, à la date de la donation, celui sur la tête duquel l'usufruit a été établi.
Si l'usufruit de biens meubles est établi pour un temps limité, la base imposable est représentée par la somme (obtenue) en capitalisant aux taux de 4 % le revenu annuel pour la durée assignée à l'usufruit par la convention. Le revenu annuel des biens meubles est fixé de manière forfaitaire à 4 % de la pleine propriété de ces biens. Le montant ainsi obtenu de la base imposable ne peut toutefois excéder la valeur déterminée selon l'alinéa 4, s'il s'agit d'un usufruit constitué au profit d'une personne physique.
En ce qui concerne les donations de la nue-propriété de biens meubles dont l'usufruit est réservé par le donateur, la base imposable est la valeur vénale de la pleine propriété des biens.
En ce qui concerne les donations de la nue-propriété de biens meubles dont l'usufruit n'est pas réservé par le donateur, la base imposable est la valeur vénale de la pleine propriété des biens, déduction faite de la valeur de l'usufruit déterminée selon l'alinéa 4 ou 5.
Si (la donation) a pour objet une rente ou une pension viagère, le droit est liquidé sur le montant annuel de la prestation (multiplié par le coefficient) indiqué, selon l'âge du bénéficiaire, au tableau à l'article 47.
Pour les donations d'une rente perpétuelle, le droit est liquidé sur le montant annuel de la rente multiplié par vingt. "
" Art. 133. Le droit est liquidé sur la valeur vénale des biens donnés, sans distraction de charges.
Toutefois, si la donation a pour objet des effets publics cotés en bourse, la base imposable est déterminée par la valeur résultant du dernier prix courant publié par ordre du gouvernement avant la date où le droit est devenu exigible.
Si la donation a pour objet l'usufruit ou la nue-propriété d'un immeuble, la base imposable est déterminée de la manière indiquée aux articles 47 à 50.
Si la donation a pour objet l'usufruit de biens meubles établi sur la tête du donateur, du donataire ou d'un tiers, la base imposable est le montant obtenu en multipliant le montant annuel de la prestation, fixé de manière forfaitaire à 4 % de la pleine propriété des biens, par le coefficent mentionné à l'article 47, alinéa premier, en regard de la catégorie d'âge à laquelle appartient, à la date de la donation, celui sur la tête duquel l'usufruit a été établi.
Si l'usufruit de biens meubles est établi pour un temps limité, la base imposable est représentée par la somme (obtenue) en capitalisant aux taux de 4 % le revenu annuel pour la durée assignée à l'usufruit par la convention. Le revenu annuel des biens meubles est fixé de manière forfaitaire à 4 % de la pleine propriété de ces biens. Le montant ainsi obtenu de la base imposable ne peut toutefois excéder la valeur déterminée selon l'alinéa 4, s'il s'agit d'un usufruit constitué au profit d'une personne physique.
En ce qui concerne les donations de la nue-propriété de biens meubles dont l'usufruit est réservé par le donateur, la base imposable est la valeur vénale de la pleine propriété des biens.
En ce qui concerne les donations de la nue-propriété de biens meubles dont l'usufruit n'est pas réservé par le donateur, la base imposable est la valeur vénale de la pleine propriété des biens, déduction faite de la valeur de l'usufruit déterminée selon l'alinéa 4 ou 5.
Si (la donation) a pour objet une rente ou une pension viagère, le droit est liquidé sur le montant annuel de la prestation (multiplié par le coefficient) indiqué, selon l'âge du bénéficiaire, au tableau à l'article 47.
Pour les donations d'une rente perpétuelle, le droit est liquidé sur le montant annuel de la rente multiplié par vingt. "
Art. 4. Aan artikel 134 van hetzelfde Wetboek wordt de volgende zin toegevoegd :
" In de mate dat de schenking betrekking heeft op onroerende goederen, wordt de last in hoofde van de derde als schenking belast volgens de in artikel 131, § 1, geldende tarieven. "
" In de mate dat de schenking betrekking heeft op onroerende goederen, wordt de last in hoofde van de derde als schenking belast volgens de in artikel 131, § 1, geldende tarieven. "
Art. 4. A l'article 134 du même Code, la phrase suivante est ajoutée :
" Dans la mesure où la donation a pour objet des biens immeubles, la charge est imposée à titre de donation dans le chef du tiers selon les tarifs fixés à l'article 131, § 1er. "
" Dans la mesure où la donation a pour objet des biens immeubles, la charge est imposée à titre de donation dans le chef du tiers selon les tarifs fixés à l'article 131, § 1er. "
Art. 5. In de eerste zin van artikel 135, eerste lid, van hetzelfde Wetboek worden de woorden " bij artikel 131, § 1, vastgestelde " ingevoegd tussen de woorden " (Het bedrag) van het " en " recht ".
Art. 5. Dans la première phrase de l'article 135, alinéa 1er, du même Code, les mots " fixé à l'article 131, § 1er, " sont insérés entre les mots " droit " et " liquidé ".
Art. 6. In artikel 137 van hetzelfde Wetboek worden de woorden " van onroerende goederen " ingevoegd tussen de woorden " schenking " en " toepasselijk tarief " en tussen de woorden " heffing op de schenkingen " en " welke reeds ".
Art. 6. A l'article 137 du même Code, les mots " de biens immeubles " sont insérés entre les mots " donation " et ", la base imposable " et entre les mots " base de perception sur les donations " et " déjà intervenues ".
Art. 7. In artikel 138/1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek worden de woorden " van onroerende goederen " ingevoegd tussen de woorden " de akten van schenking " en " vermelding " en tussen de woorden " één of meer schenkingen " en " zijn voorgekomen ".
Art. 7. A l'article 138/1, alinéa 1er, du même Code, les mots " de biens immeubles " sont insérés entre les mots " les actes de donations " et ", qu'ils soient " et entre les mots " une ou des donations " et " constatées par actes ".
Art. 8. Artikel 140, eerste lid, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 140. De bij artikel 131 vastgestelde rechten worden beperkt tot :
1° 6,6 % voor schenkingen aan gemeenten gelegen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en hun openbare instellingen (,) aan de door de Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij erkende maatschappijen, aan de coöperatieve (vennootschap) met beperkte aansprakelijkheid Woningfonds van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, aan de intercommunales van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en aan stichtingen van openbaar nut;
2° 7 % voor de schenkingen, inclusief inbrengen om niet, van onroerende goederen aan verenigingen zonder winstoogmerk, aan ziekenfondsen en landsbonden van ziekenfondsen, aan beroepsverenigingen, aan internationale verenigingen zonder winstoogmerk en aan private stichtingen;
3° 100 EUR voor schenkingen, inclusief inbrengen om niet, gedaan aan stichtingen van openbaar nut of aan rechtspersonen bedoeld in 2°, zo de schenker zelf een dezer stichtingen of rechtspersonen is;
4° 1,10 % voor de schenkingen met inbegrip van de inbrengen om niet, gedaan door de gemeenten aan de pensioenfondsen die zij onder de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk hebben opgericht in uitvoering van een door de voogdijoverheid goedgekeurd saneringsplan. "
" Art. 140. De bij artikel 131 vastgestelde rechten worden beperkt tot :
1° 6,6 % voor schenkingen aan gemeenten gelegen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en hun openbare instellingen (,) aan de door de Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij erkende maatschappijen, aan de coöperatieve (vennootschap) met beperkte aansprakelijkheid Woningfonds van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, aan de intercommunales van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en aan stichtingen van openbaar nut;
2° 7 % voor de schenkingen, inclusief inbrengen om niet, van onroerende goederen aan verenigingen zonder winstoogmerk, aan ziekenfondsen en landsbonden van ziekenfondsen, aan beroepsverenigingen, aan internationale verenigingen zonder winstoogmerk en aan private stichtingen;
3° 100 EUR voor schenkingen, inclusief inbrengen om niet, gedaan aan stichtingen van openbaar nut of aan rechtspersonen bedoeld in 2°, zo de schenker zelf een dezer stichtingen of rechtspersonen is;
4° 1,10 % voor de schenkingen met inbegrip van de inbrengen om niet, gedaan door de gemeenten aan de pensioenfondsen die zij onder de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk hebben opgericht in uitvoering van een door de voogdijoverheid goedgekeurd saneringsplan. "
Art. 8. L'article 140, alinéa 1er, du même Code est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 140. Les droits fixés à l'article 131 sont réduits à :
1° 6,6 % pour les donations faites aux communes situées en région de Bruxelles-Capitale et à leurs établissements publics, aux sociétés agréées par la Société du Logement de la Région de Bruxelles-Capitale, à la société coopérative à responsabilité limitée Fonds du Logement de la Région de Bruxelles-Capitale, aux intercommunales de la région de Bruxelles-Capitale et aux fondations d'utilité publique;
2° 7 % pour les donations, y compris les apports à titre gratuit, de biens immeubles faites aux associations sans but lucratif, aux mutualités ou unions nationales de mutualités, aux unions professionnelles, aux associations internationales sans but lucratif et aux fondations privées;
3° 100 EUR pour les donations, y compris les apports à titre gratuit, faites aux fondations d'utilité publique ou aux personnes morales visées au 2°, lorsque le donateur est lui-même l'une de ces fondations ou personnes morales;
4° 1,10 % pour les donations, y compris les apports à titre gratuit, faites par les communes aux fonds de pension créés par elles sous forme d'associations sans but lucratif en exécution d'un plan d'assainissement financier approuvé par l'autorité de tutelle. "
" Art. 140. Les droits fixés à l'article 131 sont réduits à :
1° 6,6 % pour les donations faites aux communes situées en région de Bruxelles-Capitale et à leurs établissements publics, aux sociétés agréées par la Société du Logement de la Région de Bruxelles-Capitale, à la société coopérative à responsabilité limitée Fonds du Logement de la Région de Bruxelles-Capitale, aux intercommunales de la région de Bruxelles-Capitale et aux fondations d'utilité publique;
2° 7 % pour les donations, y compris les apports à titre gratuit, de biens immeubles faites aux associations sans but lucratif, aux mutualités ou unions nationales de mutualités, aux unions professionnelles, aux associations internationales sans but lucratif et aux fondations privées;
3° 100 EUR pour les donations, y compris les apports à titre gratuit, faites aux fondations d'utilité publique ou aux personnes morales visées au 2°, lorsque le donateur est lui-même l'une de ces fondations ou personnes morales;
4° 1,10 % pour les donations, y compris les apports à titre gratuit, faites par les communes aux fonds de pension créés par elles sous forme d'associations sans but lucratif en exécution d'un plan d'assainissement financier approuvé par l'autorité de tutelle. "
Art. 9. Deze ordonnantie treedt in werking op de dag van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
Kondigen deze ordonnantie af, bevelen dat ze in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
De Minister-President van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Plaatselijke Besturen, Ruimtelijke Ordening, Monumenten en Landschappen, Stadsvernieuwing, Huisvesting, Openbare Netheid en Ontwikkelingssamenwerking,
Ch. PICQUE
De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Financiën, Begroting, Openbaar Ambt en Externe Betrekkingen,
G. VANHENGEL
De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Tewerkstelling, Economie, Wetenschappelijk Onderzoek, Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp,
B. CEREXHE
De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Mobiliteit en Openbare Werken,
P. SMET
De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Leefmilieu, Energie en Waterbeleid,
Mevr. E. HUYTEBROECK.
Kondigen deze ordonnantie af, bevelen dat ze in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
De Minister-President van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Plaatselijke Besturen, Ruimtelijke Ordening, Monumenten en Landschappen, Stadsvernieuwing, Huisvesting, Openbare Netheid en Ontwikkelingssamenwerking,
Ch. PICQUE
De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Financiën, Begroting, Openbaar Ambt en Externe Betrekkingen,
G. VANHENGEL
De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Tewerkstelling, Economie, Wetenschappelijk Onderzoek, Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp,
B. CEREXHE
De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Mobiliteit en Openbare Werken,
P. SMET
De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Leefmilieu, Energie en Waterbeleid,
Mevr. E. HUYTEBROECK.
Art. 9. La présente ordonnance entre en vigueur à la date de sa publication au Moniteur belge.
Promulguons la présente ordonnance, ordonnons qu'elle soit publiée au Moniteur belge.
Le Ministre-Président du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale, chargé des Pouvoirs locaux, de l'Aménagement du Territoire, des Monuments et Sites, de la Rénovation urbaine, du Logement, de la Propreté publique et de la Coopération au développement,
Ch. PICQUE
Le Ministre du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale, chargé des Finances, du Budget, de la Fonction publique et des Relations extérieures,
G. VANHENGEL
Le Ministre du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale, chargé de l'Emploi, de l'Economie, de la Recherche scientifique et de la Lutte contre l'Incendie et l'Aide médicale urgente,
B. CEREXHE
Le Ministre du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale, chargé de la Mobilité et des Travaux publics,
P. SMET
La Ministre du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale, chargée de l'Environnement, de l'Energie et de la Politique de l'Eau,
Mme E. HUYTEBROECK.
Promulguons la présente ordonnance, ordonnons qu'elle soit publiée au Moniteur belge.
Le Ministre-Président du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale, chargé des Pouvoirs locaux, de l'Aménagement du Territoire, des Monuments et Sites, de la Rénovation urbaine, du Logement, de la Propreté publique et de la Coopération au développement,
Ch. PICQUE
Le Ministre du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale, chargé des Finances, du Budget, de la Fonction publique et des Relations extérieures,
G. VANHENGEL
Le Ministre du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale, chargé de l'Emploi, de l'Economie, de la Recherche scientifique et de la Lutte contre l'Incendie et l'Aide médicale urgente,
B. CEREXHE
Le Ministre du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale, chargé de la Mobilité et des Travaux publics,
P. SMET
La Ministre du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale, chargée de l'Environnement, de l'Energie et de la Politique de l'Eau,
Mme E. HUYTEBROECK.