Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
20 JULI 2005. - Wet tot wijziging van de faillissementswet van 8 augustus 1997, en houdende diverse fiscale bepalingen.
Titre
20 JUILLET 2005. - Loi modifiant la loi du 8 août 1997 sur les faillites, et portant des dispositions fiscales diverses.
Dokumentinformationen
Info du document
Inhoud
Tekst (20)
Texte (20)
HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling.
CHAPITRE Ier. - Disposition générale.
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Article 1. La présente loi règle une matière visée à l'article 78 de la Constitution.
HOOFDSTUK II. - Wijzigingen van de faillissementswet van 8 augustus 1997.
CHAPITRE II. - Modifications de la loi du 8 août 1997 sur les faillites.
Art. 2. Artikel 10, eerste lid, van de faillissementswet van 8 augustus 1997, gewijzigd bij de wet van 4 september 2002 en de programmawet van 8 april 2003, wordt aangevuld als volgt :
" 5° de lijst met naam en adres van de natuurlijke personen die zich kosteloos persoonlijk zeker gesteld hebben voor de koopman. "
" 5° de lijst met naam en adres van de natuurlijke personen die zich kosteloos persoonlijk zeker gesteld hebben voor de koopman. "
Art. 2. L'article 10, alinéa 1er, de la loi du 8 août 1997 sur les faillites, modifié par la loi du 4 septembre 2002 et la loi-programme du 8 avril 2003, est complété comme suit :
" 5° la liste mentionnant le nom et l'adresse des personnes physiques qui, à titre gratuit, se sont constituées sûreté personnelle du commerçant. "
" 5° la liste mentionnant le nom et l'adresse des personnes physiques qui, à titre gratuit, se sont constituées sûreté personnelle du commerçant. "
Art. 3. In dezelfde wet wordt een artikel 24bis ingevoegd, luidende :
" Art. 24bis. Vanaf hetzelfde vonnis worden, tot de sluiting van het faillissement, de middelen van tenuitvoerlegging ten laste van de natuurlijke persoon die zich kosteloos persoonlijk zeker stelde voor de gefailleerde, opgeschort. "
" Art. 24bis. Vanaf hetzelfde vonnis worden, tot de sluiting van het faillissement, de middelen van tenuitvoerlegging ten laste van de natuurlijke persoon die zich kosteloos persoonlijk zeker stelde voor de gefailleerde, opgeschort. "
Art. 3. Un article 24bis, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
" Art. 24bis. A compter du même jugement, sont suspendues jusqu'à la clôture de la faillite les voies d'exécution à charge de la personne physique qui, à titre gratuit, s'est constituée sûreté personnelle du failli. "
" Art. 24bis. A compter du même jugement, sont suspendues jusqu'à la clôture de la faillite les voies d'exécution à charge de la personne physique qui, à titre gratuit, s'est constituée sûreté personnelle du failli. "
Art. 4. In artikel 63 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 4 september 2002, wordt tussen het eerste en het tweede lid, het volgende lid ingevoegd :
" Elke schuldeiser die geniet van een persoonlijke zekerheidstelling vermeldt dit in zijn aangifte van schuldvordering of uiterlijk binnen zes maanden vanaf de datum van het vonnis van faillietverklaring, tenzij het faillissement eerder werd afgesloten, en vermeldt naam, voornaam en adres van de natuurlijke persoon die zich kosteloos persoonlijk zeker heeft gesteld voor de gefailleerde, bij gebrek waaraan deze bevrijd is. "
" Elke schuldeiser die geniet van een persoonlijke zekerheidstelling vermeldt dit in zijn aangifte van schuldvordering of uiterlijk binnen zes maanden vanaf de datum van het vonnis van faillietverklaring, tenzij het faillissement eerder werd afgesloten, en vermeldt naam, voornaam en adres van de natuurlijke persoon die zich kosteloos persoonlijk zeker heeft gesteld voor de gefailleerde, bij gebrek waaraan deze bevrijd is. "
Art. 4. Dans l'article 63 de la même loi, modifié par la loi du 4 septembre 2002, l'alinéa suivant est inséré entre les alinéas 1er et 2 :
" Tout créancier jouissant d'une sûreté personnelle l'énonce dans sa déclaration de créance ou, au plus tard, dans les six mois de la date du jugement déclaratif de faillite, sauf si la faillite est clôturée plus tôt, et mentionne les nom, prénom et adresse de la personne physique qui, à titre gratuit, s'est constituée sûreté personnelle du failli, faute de quoi cette personne est déchargée. "
" Tout créancier jouissant d'une sûreté personnelle l'énonce dans sa déclaration de créance ou, au plus tard, dans les six mois de la date du jugement déclaratif de faillite, sauf si la faillite est clôturée plus tôt, et mentionne les nom, prénom et adresse de la personne physique qui, à titre gratuit, s'est constituée sûreté personnelle du failli, faute de quoi cette personne est déchargée. "
Art. 5. In Titel II van dezelfde wet wordt een Hoofdstuk IVbis ingevoegd, luidende :
" Hoofdstuk IVbis. Over de verklaring van de personen die zich persoonlijk zeker hebben gesteld voor de gefailleerde.
Art. 72bis. Om te kunnen genieten van de bevrijding, moeten de natuurlijke personen die zich kosteloos persoonlijk zeker hebben gesteld voor de gefailleerde ter griffie van de rechtbank van koophandel een verklaring neerleggen, waarin zij bevestigen dat hun verbintenis niet in verhouding met hun inkomsten en hun patrimonium is.
Hiertoe worden de personen verwittigd via bekendmaking in het Belgisch Staatsblad en via een aangetekende brief tegen ontvangstmelding die de curators hen sturen zodra deze personen bekend zijn en die de tekst van dit artikel en van de artikelen 72ter en 80 bevat.
Art. 72ter. De verklaring van elke persoon vermeldt zijn identiteit, zijn beroep en zijn woonplaats.
De persoon voegt bij zijn verklaring :
1° de kopie van zijn laatste aangifte in de personenbelasting;
2° het overzicht van alle activa of passiva die zijn patrimonium vormen;
3° elk ander stuk dat van aard is om precies de staat weer te geven van zijn bestaansmiddelen en lasten.
Ze wordt bij het faillissementsdossier gevoegd. "
" Hoofdstuk IVbis. Over de verklaring van de personen die zich persoonlijk zeker hebben gesteld voor de gefailleerde.
Art. 72bis. Om te kunnen genieten van de bevrijding, moeten de natuurlijke personen die zich kosteloos persoonlijk zeker hebben gesteld voor de gefailleerde ter griffie van de rechtbank van koophandel een verklaring neerleggen, waarin zij bevestigen dat hun verbintenis niet in verhouding met hun inkomsten en hun patrimonium is.
Hiertoe worden de personen verwittigd via bekendmaking in het Belgisch Staatsblad en via een aangetekende brief tegen ontvangstmelding die de curators hen sturen zodra deze personen bekend zijn en die de tekst van dit artikel en van de artikelen 72ter en 80 bevat.
Art. 72ter. De verklaring van elke persoon vermeldt zijn identiteit, zijn beroep en zijn woonplaats.
De persoon voegt bij zijn verklaring :
1° de kopie van zijn laatste aangifte in de personenbelasting;
2° het overzicht van alle activa of passiva die zijn patrimonium vormen;
3° elk ander stuk dat van aard is om precies de staat weer te geven van zijn bestaansmiddelen en lasten.
Ze wordt bij het faillissementsdossier gevoegd. "
Art. 5. Il est inséré dans le Titre II de la même loi un Chapitre IVbis, rédigé comme suit :
" Chapitre IVbis. De la déclaration des personnes qui se sont constituées sûreté personnelle du failli.
Art. 72bis. Pour bénéficier de la décharge, les personnes physiques qui, à titre gratuit, se sont constituées sûreté personnelle du failli sont tenues de déposer au greffe du tribunal de commerce une déclaration attestant que leur obligation est disproportionnée à leurs revenus et à leur patrimoine.
A cette fin, les personnes sont averties par la publication au Moniteur belge et par une lettre recommandée avec accusé de réception que les curateurs leur adressent aussitôt que ces personnes sont connues, contenant le texte du présent article et celui des articles 72ter et 80.
Art. 72ter. La déclaration de chaque personne mentionne son identité, sa profession et son domicile.
La personne joint à sa déclaration :
1° la copie de sa dernière déclaration à l'impôt des personnes physiques;
2° le relevé de l'ensemble des éléments actifs ou passifs qui composent son patrimoine;
3° toute autre pièce de nature à établir avec précision l'état de ses ressources et les charges qui sont siennes.
Elle est versée au dossier de la faillite. "
" Chapitre IVbis. De la déclaration des personnes qui se sont constituées sûreté personnelle du failli.
Art. 72bis. Pour bénéficier de la décharge, les personnes physiques qui, à titre gratuit, se sont constituées sûreté personnelle du failli sont tenues de déposer au greffe du tribunal de commerce une déclaration attestant que leur obligation est disproportionnée à leurs revenus et à leur patrimoine.
A cette fin, les personnes sont averties par la publication au Moniteur belge et par une lettre recommandée avec accusé de réception que les curateurs leur adressent aussitôt que ces personnes sont connues, contenant le texte du présent article et celui des articles 72ter et 80.
Art. 72ter. La déclaration de chaque personne mentionne son identité, sa profession et son domicile.
La personne joint à sa déclaration :
1° la copie de sa dernière déclaration à l'impôt des personnes physiques;
2° le relevé de l'ensemble des éléments actifs ou passifs qui composent son patrimoine;
3° toute autre pièce de nature à établir avec précision l'état de ses ressources et les charges qui sont siennes.
Elle est versée au dossier de la faillite. "
Art. 6. In artikel 73, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 4 september 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de tweede zin wordt vervangen als volgt :
" De gefailleerde, de personen die de verklaring bedoeld in artikel 72ter aflegden en de schuldeisers beoogd in artikel 63, tweede lid, worden opgeroepen met een gerechtsbrief die de tekst van dit artikel bevat. ";
2° in de derde zin worden de woorden " , over de bevrijding van de personen die zich persoonlijk zeker hebben gesteld voor de gefailleerde " ingevoegd tussen de woorden " over de verschoonbaarheid " en de woorden " en over de sluiting ";
3° het lid wordt aangevuld als volgt :
" De rechtbank bevrijdt de natuurlijke personen die zich kosteloos persoonlijk zeker stelden voor de gefailleerde indien zij beantwoorden aan de voorwaarden bepaald in artikel 80, derde lid. "
1° de tweede zin wordt vervangen als volgt :
" De gefailleerde, de personen die de verklaring bedoeld in artikel 72ter aflegden en de schuldeisers beoogd in artikel 63, tweede lid, worden opgeroepen met een gerechtsbrief die de tekst van dit artikel bevat. ";
2° in de derde zin worden de woorden " , over de bevrijding van de personen die zich persoonlijk zeker hebben gesteld voor de gefailleerde " ingevoegd tussen de woorden " over de verschoonbaarheid " en de woorden " en over de sluiting ";
3° het lid wordt aangevuld als volgt :
" De rechtbank bevrijdt de natuurlijke personen die zich kosteloos persoonlijk zeker stelden voor de gefailleerde indien zij beantwoorden aan de voorwaarden bepaald in artikel 80, derde lid. "
Art. 6. A l'article 73, alinéa 1er, de la même loi, modifié par la loi du 4 septembre 2002, sont apportées les modifications suivantes :
1° la 2e phrase est remplacée par la disposition suivante :
" Le failli, les personnes qui ont fait la déclaration visée à l'article 72ter et les créanciers visés à l'article 63, alinéa 2, sont convoqués par pli judiciaire contenant le texte du présent article. ";
2° dans la troisième phrase, les mots " , sur la décharge des personnes qui se sont constituées sûreté personnelle du failli " sont insérées entre les mots " sur l'excusabilité " et " et la clôture ";
3° l'alinéa est complété comme suit :
" Le tribunal décharge les personnes physiques qui, à titre gratuit, se sont constituées sûreté personnelle du failli si elles répondent aux conditions prévues à l'article 80, alinéa 3. "
1° la 2e phrase est remplacée par la disposition suivante :
" Le failli, les personnes qui ont fait la déclaration visée à l'article 72ter et les créanciers visés à l'article 63, alinéa 2, sont convoqués par pli judiciaire contenant le texte du présent article. ";
2° dans la troisième phrase, les mots " , sur la décharge des personnes qui se sont constituées sûreté personnelle du failli " sont insérées entre les mots " sur l'excusabilité " et " et la clôture ";
3° l'alinéa est complété comme suit :
" Le tribunal décharge les personnes physiques qui, à titre gratuit, se sont constituées sûreté personnelle du failli si elles répondent aux conditions prévues à l'article 80, alinéa 3. "
Art. 7. In artikel 80 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 4 september 2002 en 7 april 2005, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden " behoorlijk is opgeroepen " vervangen door de woorden " , de personen die de verklaring bedoeld in artikel 72ter aflegden en de schuldeisers beoogd in artikel 63, tweede lid, behoorlijk zijn opgeroepen ";
2° tussen het tweede en het derde lid worden de volgende leden ingevoegd :
" De gefailleerde, de personen die de verklaring bedoeld in artikel 72ter aflegden en de schuldeisers bedoeld in artikel 63, tweede lid, worden in de raadkamer gehoord over de bevrijding. Tenzij hij zijn onvermogen frauduleus organiseerde, bevrijdt de rechtbank geheel of gedeeltelijk elke natuurlijke persoon die zich kosteloos persoonlijk zeker stelde voor de gefailleerde, wanneer zij vaststelt dat diens verbintenis niet in verhouding met zijn inkomsten en met zijn patrimonium is.
Indien er meer dan 12 maanden zijn verlopen sedert de verklaring bedoeld in artikel 72ter, legt de persoon die deze verklaring aflegde bij de griffie van de rechtbank van koophandel een kopie neer van zijn meest recente aangifte in de personenbelasting, een bijgewerkte opgave van de activa en passiva die zijn patrimonium vormen en elk ander stuk dat van aard is om precies de staat weer te geven van zijn bestaansmiddelen en lasten.
De gefailleerde kan vanaf zes maanden na de datum van het vonnis van faillietverklaring de rechtbank verzoeken om uitspraak te doen over de verschoonbaarheid. Er wordt gehandeld zoals bepaald in het tweede lid.
De schuldeisers bedoeld in artikel 63, tweede lid, en de personen die de verklaring bedoeld in artikel 72ter aflegden, kunnen vanaf zes maanden na de datum van het vonnis van faillietverklaring de rechtbank verzoeken om uitspraak te doen over de bevrijding van deze laatsten. Er wordt gehandeld zoals bepaald in het derde en vierde lid. "
1° in het eerste lid worden de woorden " behoorlijk is opgeroepen " vervangen door de woorden " , de personen die de verklaring bedoeld in artikel 72ter aflegden en de schuldeisers beoogd in artikel 63, tweede lid, behoorlijk zijn opgeroepen ";
2° tussen het tweede en het derde lid worden de volgende leden ingevoegd :
" De gefailleerde, de personen die de verklaring bedoeld in artikel 72ter aflegden en de schuldeisers bedoeld in artikel 63, tweede lid, worden in de raadkamer gehoord over de bevrijding. Tenzij hij zijn onvermogen frauduleus organiseerde, bevrijdt de rechtbank geheel of gedeeltelijk elke natuurlijke persoon die zich kosteloos persoonlijk zeker stelde voor de gefailleerde, wanneer zij vaststelt dat diens verbintenis niet in verhouding met zijn inkomsten en met zijn patrimonium is.
Indien er meer dan 12 maanden zijn verlopen sedert de verklaring bedoeld in artikel 72ter, legt de persoon die deze verklaring aflegde bij de griffie van de rechtbank van koophandel een kopie neer van zijn meest recente aangifte in de personenbelasting, een bijgewerkte opgave van de activa en passiva die zijn patrimonium vormen en elk ander stuk dat van aard is om precies de staat weer te geven van zijn bestaansmiddelen en lasten.
De gefailleerde kan vanaf zes maanden na de datum van het vonnis van faillietverklaring de rechtbank verzoeken om uitspraak te doen over de verschoonbaarheid. Er wordt gehandeld zoals bepaald in het tweede lid.
De schuldeisers bedoeld in artikel 63, tweede lid, en de personen die de verklaring bedoeld in artikel 72ter aflegden, kunnen vanaf zes maanden na de datum van het vonnis van faillietverklaring de rechtbank verzoeken om uitspraak te doen over de bevrijding van deze laatsten. Er wordt gehandeld zoals bepaald in het derde en vierde lid. "
Art. 7. A l'article 80 de la même loi, modifié par les lois des 4 septembre 2002 et 7 avril 2005, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans l'alinéa 1er, les mots " dûment appelé " sont remplacés par les mots " , les personnes qui ont fait la déclaration visée à l'article 72ter et les créanciers visés à l'article 63, alinéa 2, dûment appelés ";
2° les alinéas suivants sont insérés entre les alinéas 2 et 3 :
" Le failli, les personnes qui ont fait la déclaration visée à l'article 72ter et les créanciers visés à l'article 63, alinéa 2, sont entendus en chambre du conseil sur la décharge. Sauf lorsqu'elle a frauduleusement organisé son insolvabilité, le tribunal décharge en tout ou en partie la personne physique qui, à titre gratuit, s'est constituée sûreté personnelle du failli lorsqu'il constate que son obligation est disproportionnée à ses revenus et à son patrimoine.
Si plus de 12 mois se sont écoulés depuis la déclaration visée à l'article 72ter, la personne qui a effectué celle-ci dépose au greffe du tribunal de commerce une copie de sa plus récente déclaration à l'impôt des personnes physiques, un relevé à jour des éléments actifs et passifs qui composent son patrimoine et toute autre pièce de nature à établir avec précision l'état de ses ressources et les charges qui sont siennes.
Six mois après la date du jugement déclaratif de faillite, le failli peut demander au tribunal de statuer sur l'excusabilité. Il est procédé comme prévu à l'alinéa 2.
Les créanciers visés à l'article 63, alinéa 2, et les personnes qui ont fait la déclaration visée à l'article 72ter, peuvent, six mois après la date du jugement déclaratif de faillite, demander au tribunal de statuer sur la décharge de ces dernières. Il est procédé comme prévu aux alinéas 3 et 4. "
1° dans l'alinéa 1er, les mots " dûment appelé " sont remplacés par les mots " , les personnes qui ont fait la déclaration visée à l'article 72ter et les créanciers visés à l'article 63, alinéa 2, dûment appelés ";
2° les alinéas suivants sont insérés entre les alinéas 2 et 3 :
" Le failli, les personnes qui ont fait la déclaration visée à l'article 72ter et les créanciers visés à l'article 63, alinéa 2, sont entendus en chambre du conseil sur la décharge. Sauf lorsqu'elle a frauduleusement organisé son insolvabilité, le tribunal décharge en tout ou en partie la personne physique qui, à titre gratuit, s'est constituée sûreté personnelle du failli lorsqu'il constate que son obligation est disproportionnée à ses revenus et à son patrimoine.
Si plus de 12 mois se sont écoulés depuis la déclaration visée à l'article 72ter, la personne qui a effectué celle-ci dépose au greffe du tribunal de commerce une copie de sa plus récente déclaration à l'impôt des personnes physiques, un relevé à jour des éléments actifs et passifs qui composent son patrimoine et toute autre pièce de nature à établir avec précision l'état de ses ressources et les charges qui sont siennes.
Six mois après la date du jugement déclaratif de faillite, le failli peut demander au tribunal de statuer sur l'excusabilité. Il est procédé comme prévu à l'alinéa 2.
Les créanciers visés à l'article 63, alinéa 2, et les personnes qui ont fait la déclaration visée à l'article 72ter, peuvent, six mois après la date du jugement déclaratif de faillite, demander au tribunal de statuer sur la décharge de ces dernières. Il est procédé comme prévu aux alinéas 3 et 4. "
Art. 8. Artikel 81 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 4 september 2002, waarvan het 1° vernietigd is bij arrest nr. 114/2004 van het Arbitragehof van 30 juni 2004, en waarvan het 2° vernietigd is bij arrest nr. 28/2004 van het Arbitragehof van 11 februari 2004, wordt hersteld in de volgende lezing :
" Art. 81. De gefailleerde rechtspersoon kan niet verschoonbaar worden verklaard. "
" Art. 81. De gefailleerde rechtspersoon kan niet verschoonbaar worden verklaard. "
Art. 8. L'article 81 de la même loi, remplacé par la loi du 4 septembre 2002, dont le 1° est annulé par l'arrêt n° 114/2004 de la Cour d'arbitrage du 30 juin 2004, et dont le 2° est annulé par l'arrêt n° 28/2004 de la Cour d'arbitrage du 11 février 2004, est rétabli dans la rédaction suivante :
" Art. 81. La personne morale faillie ne peut pas être déclarée excusable. "
" Art. 81. La personne morale faillie ne peut pas être déclarée excusable. "
Art. 9. Artikel 82, eerste lid, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 4 september 2002, wordt vervangen als volgt :
" Indien de gefailleerde verschoonbaar wordt verklaard, kan hij niet meer vervolgd worden door zijn schuldeisers. "
" Indien de gefailleerde verschoonbaar wordt verklaard, kan hij niet meer vervolgd worden door zijn schuldeisers. "
Art. 9. L'article 82, alinéa 1er, de la même loi, remplacé par la loi du 4 septembre 2002, est remplacé par l'alinéa suivant :
" Si le failli est déclaré excusable, il ne peut plus être poursuivi par ses créanciers. "
" Si le failli est déclaré excusable, il ne peut plus être poursuivi par ses créanciers. "
Art. 10. Voor de lopende faillissementen die nog niet afgesloten zijn op het moment dat deze wet in werking treedt, gelden de volgende overgangsbepalingen :
1° de schuldeiser die geniet van een persoonlijke zekerstelling dient binnen drie maanden na de inwerkingtreding van deze wet bij de griffie van de rechtbank van koophandel een bijkomende verklaring in met vermelding van de naam, voornaam en het adres van de persoonlijke zekersteller. Bij gebrek hieraan is die zekersteller bevrijd;
2° de curator verwittigt, na het vooraf horen van de gefailleerde, de persoonlijke zekersteller zodra die bekend is, en uiterlijk binnen vier maanden na de inwerkingtreding van deze wet, per aangetekende brief tegen ontvangstmelding, waarin de tekst van de artikelen 72bis, 72ter en 80 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 is opgenomen;
3° de verklaring van de natuurlijke persoon die zich kosteloos persoonlijk zeker stelde voor de gefailleerde wordt, samen met de stukken bedoeld in artikel 72ter van dezelfde wet, ingediend bij de griffie van de rechtbank van koophandel, binnen vijf maanden na de inwerkingtreding van deze wet. Bij gebrek hieraan kan deze persoon niet worden bevrijd;
4° indien het vonnis van sluiting van de faillissementsverrichtingen uitgesproken wordt voor het verstrijken van de vijf maanden bedoeld bij 3°, zal de rechtbank, na het horen van de partijen in de zin van artikel 80, derde lid, van dezelfde wet, en het verstrijken van de termijn van vijf maanden bedoeld in 3°, binnen zes maanden na de inwerkingtreding van deze wet uitspraak doen over de bevrijding van de personen die de verklaring indienden die bewijst dat hun verbintenis niet in verhouding met hun inkomsten en hun patrimonium is.
Tenzij hij zijn onvermogen frauduleus organiseerde, bevrijdt de rechtbank geheel of gedeeltelijk de natuurlijke persoon die zich kosteloos persoonlijk zeker stelde voor de gefailleerde, wanneer zij vaststelt dat zijn verbintenis niet in verhouding met zijn inkomsten en zijn patrimonium is.
1° de schuldeiser die geniet van een persoonlijke zekerstelling dient binnen drie maanden na de inwerkingtreding van deze wet bij de griffie van de rechtbank van koophandel een bijkomende verklaring in met vermelding van de naam, voornaam en het adres van de persoonlijke zekersteller. Bij gebrek hieraan is die zekersteller bevrijd;
2° de curator verwittigt, na het vooraf horen van de gefailleerde, de persoonlijke zekersteller zodra die bekend is, en uiterlijk binnen vier maanden na de inwerkingtreding van deze wet, per aangetekende brief tegen ontvangstmelding, waarin de tekst van de artikelen 72bis, 72ter en 80 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 is opgenomen;
3° de verklaring van de natuurlijke persoon die zich kosteloos persoonlijk zeker stelde voor de gefailleerde wordt, samen met de stukken bedoeld in artikel 72ter van dezelfde wet, ingediend bij de griffie van de rechtbank van koophandel, binnen vijf maanden na de inwerkingtreding van deze wet. Bij gebrek hieraan kan deze persoon niet worden bevrijd;
4° indien het vonnis van sluiting van de faillissementsverrichtingen uitgesproken wordt voor het verstrijken van de vijf maanden bedoeld bij 3°, zal de rechtbank, na het horen van de partijen in de zin van artikel 80, derde lid, van dezelfde wet, en het verstrijken van de termijn van vijf maanden bedoeld in 3°, binnen zes maanden na de inwerkingtreding van deze wet uitspraak doen over de bevrijding van de personen die de verklaring indienden die bewijst dat hun verbintenis niet in verhouding met hun inkomsten en hun patrimonium is.
Tenzij hij zijn onvermogen frauduleus organiseerde, bevrijdt de rechtbank geheel of gedeeltelijk de natuurlijke persoon die zich kosteloos persoonlijk zeker stelde voor de gefailleerde, wanneer zij vaststelt dat zijn verbintenis niet in verhouding met zijn inkomsten en zijn patrimonium is.
Art. 10. Pour les faillites en cours et non encore clôturées au moment de l'entrée en vigueur de la présente loi, les dispositions transitoires suivantes sont d'application :
1° le créancier qui jouit d'une sûreté personnelle dépose au greffe du tribunal de commerce dans les trois mois de l'entrée en vigueur de la présente loi une déclaration complémentaire mentionnant le nom, prénom et adresse de celle-ci, faute de quoi elle est déchargée;
2° le curateur, le failli préalablement entendu, avertit la sûreté personnelle aussitôt que celle-ci est connue et au plus tard dans les quatre mois de l'entrée en vigueur de la présente loi par une lettre recommandée avec accusé de réception, contenant le texte des articles 72bis, 72ter et 80 de la loi du 8 août 1997 sur les faillites;
3° la déclaration de la personne physique qui, à titre gratuit, s'est constituée sûreté personnelle du failli, assortie des pièces visées à l'article 72ter de la même loi, est déposée au greffe du tribunal de commerce dans les cinq mois de l'entrée en vigueur de la présente loi, faute de quoi elle ne peut être déchargée;
4° si le jugement de clôture est prononcé avant l'expiration du délai de cinq mois visé au 3° le tribunal, les parties au sens de l'article 80, alinéa 3, de la même loi préalablement entendues et le délai de cinq mois visé au 3° expiré, statue dans les six mois de l'entrée en vigueur de la présente loi sur la décharge des personnes qui ont fait la déclaration attestant que leur obligation est disproportionnée à leurs revenus et à leur patrimoine.
Sauf lorsqu'elle a frauduleusement organisé son insolvabilité, le tribunal décharge en tout ou en partie la personne physique qui, à titre gratuit, s'est constituée sûreté personnelle du failli lorsqu'il constate que son obligation est disproportionnée à ses revenus et à son patrimoine.
1° le créancier qui jouit d'une sûreté personnelle dépose au greffe du tribunal de commerce dans les trois mois de l'entrée en vigueur de la présente loi une déclaration complémentaire mentionnant le nom, prénom et adresse de celle-ci, faute de quoi elle est déchargée;
2° le curateur, le failli préalablement entendu, avertit la sûreté personnelle aussitôt que celle-ci est connue et au plus tard dans les quatre mois de l'entrée en vigueur de la présente loi par une lettre recommandée avec accusé de réception, contenant le texte des articles 72bis, 72ter et 80 de la loi du 8 août 1997 sur les faillites;
3° la déclaration de la personne physique qui, à titre gratuit, s'est constituée sûreté personnelle du failli, assortie des pièces visées à l'article 72ter de la même loi, est déposée au greffe du tribunal de commerce dans les cinq mois de l'entrée en vigueur de la présente loi, faute de quoi elle ne peut être déchargée;
4° si le jugement de clôture est prononcé avant l'expiration du délai de cinq mois visé au 3° le tribunal, les parties au sens de l'article 80, alinéa 3, de la même loi préalablement entendues et le délai de cinq mois visé au 3° expiré, statue dans les six mois de l'entrée en vigueur de la présente loi sur la décharge des personnes qui ont fait la déclaration attestant que leur obligation est disproportionnée à leurs revenus et à leur patrimoine.
Sauf lorsqu'elle a frauduleusement organisé son insolvabilité, le tribunal décharge en tout ou en partie la personne physique qui, à titre gratuit, s'est constituée sûreté personnelle du failli lorsqu'il constate que son obligation est disproportionnée à ses revenus et à son patrimoine.
HOOFDSTUK III. - Diverse fiscale bepalingen.
CHAPITRE III. - Dispositions fiscales diverses.
Art. 11. Artikel 221 van de algemene wet inzake douane en accijnzen van 18 juli 1977, wordt aangevuld met een § 4, luidende :
" § 4. In afwijking van § 1 wordt teruggave verleend van de verbeurd verklaarde goederen aan de persoon die eigenaar was van de goederen op het ogenblik van de inbeslagneming en die aantoont dat hij vreemd is aan het misdrijf.
In geval van teruggave blijven de eventuele kosten verbonden aan de inbeslagneming, de bewaring en het behoud van de goederen ten laste van de eigenaar. "
" § 4. In afwijking van § 1 wordt teruggave verleend van de verbeurd verklaarde goederen aan de persoon die eigenaar was van de goederen op het ogenblik van de inbeslagneming en die aantoont dat hij vreemd is aan het misdrijf.
In geval van teruggave blijven de eventuele kosten verbonden aan de inbeslagneming, de bewaring en het behoud van de goederen ten laste van de eigenaar. "
Art. 11. L'article 221 de la loi générale relative aux douanes et accises du 18 juillet 1977, est complété par un §4, rédigé comme suit :
" § 4. Par dérogation au § 1er, la restitution des biens confisqués est accordée à la personne qui était propriétaire des biens au moment de la saisie et qui démontre qu'elle est étrangère à l'infraction.
En cas de restitution, les coûts éventuels liés à la saisie, la conservation et le maintien en état des biens restent à charge du propriétaire. "
" § 4. Par dérogation au § 1er, la restitution des biens confisqués est accordée à la personne qui était propriétaire des biens au moment de la saisie et qui démontre qu'elle est étrangère à l'infraction.
En cas de restitution, les coûts éventuels liés à la saisie, la conservation et le maintien en état des biens restent à charge du propriétaire. "
Art. 12. Artikel 222 van dezelfde wet wordt aangevuld met een § 4, luidende :
" § 4. In afwijking van § 1 worden de vervoermiddelen niet verbeurd verklaard indien de eigenaar ervan aantoont dat hij vreemd is aan het misdrijf.
In het geval dat de vervoermiddelen niet verbeurd verklaard worden, blijven de eventuele kosten verbonden aan de inbeslagneming, de bewaring en het behoud van de in § 1 bedoelde vervoermiddelen ten laste van de eigenaar. "
" § 4. In afwijking van § 1 worden de vervoermiddelen niet verbeurd verklaard indien de eigenaar ervan aantoont dat hij vreemd is aan het misdrijf.
In het geval dat de vervoermiddelen niet verbeurd verklaard worden, blijven de eventuele kosten verbonden aan de inbeslagneming, de bewaring en het behoud van de in § 1 bedoelde vervoermiddelen ten laste van de eigenaar. "
Art. 12. L'article 222 de la même loi est complété par un § 4, rédigé comme suit :
" § 4. Par dérogation au § 1er, les moyens de transport ne sont pas confisqués si leur propriétaire démontre qu'il est étranger à l'infraction.
Dans le cas où les moyens de transport ne seraient pas confisqués, les coûts éventuels associés à la saisie, la conservation et le maintien en état des moyens de transport visés au § 1er restent à charge du propriétaire. "
" § 4. Par dérogation au § 1er, les moyens de transport ne sont pas confisqués si leur propriétaire démontre qu'il est étranger à l'infraction.
Dans le cas où les moyens de transport ne seraient pas confisqués, les coûts éventuels associés à la saisie, la conservation et le maintien en état des moyens de transport visés au § 1er restent à charge du propriétaire. "
Art. 13. Artikel 265 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 27 december 1993, wordt vervangen als volgt :
" Art. 265. De natuurlijke personen of de rechtspersonen zijn burgerlijk en hoofdelijk aansprakelijk voor de geldboeten en kosten die het gevolg zijn van de veroordelingen die ingevolge de wetten inzake douane en accijnzen tegen hun gemachtigden of bestuurders, zaakvoerders of vereffenaars zijn uitgesproken wegens misdrijven die zij in die hoedanigheid hebben begaan. "
" Art. 265. De natuurlijke personen of de rechtspersonen zijn burgerlijk en hoofdelijk aansprakelijk voor de geldboeten en kosten die het gevolg zijn van de veroordelingen die ingevolge de wetten inzake douane en accijnzen tegen hun gemachtigden of bestuurders, zaakvoerders of vereffenaars zijn uitgesproken wegens misdrijven die zij in die hoedanigheid hebben begaan. "
Art. 13. L'article 265 de la même loi, modifié par la loi du 27 décembre 1993, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 265. Les personnes physiques ou morales sont civilement et solidairement responsables des amendes et frais résultant des condamnations prononcées en vertu des lois en matière de douanes et accises contre leurs préposés ou leurs administrateurs, gérants ou liquidateurs du chef des infractions qu'ils ont commises en cette qualité. "
" Art. 265. Les personnes physiques ou morales sont civilement et solidairement responsables des amendes et frais résultant des condamnations prononcées en vertu des lois en matière de douanes et accises contre leurs préposés ou leurs administrateurs, gérants ou liquidateurs du chef des infractions qu'ils ont commises en cette qualité. "
Art. 14. In artikel 1 van de wetsbepalingen inzake de slijterijen van gegiste dranken, samengeordend op 3 april 1953, vervangen bij de wet van 6 juli 1967, worden de woorden " Mogen, hetzij zelf, " vervangen door de woorden " Onverminderd artikel 634, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering, mogen, hetzij zelf, ".
Art. 14. A l'article 1er des dispositions légales concernant les débits de boissons fermentées, coordonnées le 3 avril 1953, remplacé par la loi du 6 juillet 1967, les mots " Ne peuvent être, " sont remplacés par les mots " Sous réserve de l'article 634, alinéa 1er, du Code d'instruction criminelle, ne peuvent être, ".
Art. 15. In artikel 2 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 6 juli 1967, worden de woorden " Mogen op generlei wijze " vervangen door de woorden " Onverminderd artikel 634, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering, mogen op generlei wijze ".
Art. 15. A l'article 2 de la même loi, remplacé par la loi du 6 juillet 1967, les mots " Ne peuvent participer, " sont remplacés par les mots " Sous réserve de l'article 634, alinéa 1er, du Code d'instruction criminelle, ne peuvent participer, ".
Art. 16. In artikel 11 van de wet van 28 december 1983 betreffende de vergunning voor het verstrekken van sterke drank, gewijzigd bij de wetten van 22 december 1998 en 17 mei 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in de §§ 1 en 2 worden de woorden " Mogen geen " telkens vervangen door de woorden " Onverminderd artikel 634, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering, mogen geen ".
2° in § 3 worden de woorden " De in § 1, 2° tot 7°, vermelde personen mogen " vervangen door de woorden " Onverminderd artikel 634, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering, mogen de in § 1, 2° tot 7°, vermelde personen ".
1° in de §§ 1 en 2 worden de woorden " Mogen geen " telkens vervangen door de woorden " Onverminderd artikel 634, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering, mogen geen ".
2° in § 3 worden de woorden " De in § 1, 2° tot 7°, vermelde personen mogen " vervangen door de woorden " Onverminderd artikel 634, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering, mogen de in § 1, 2° tot 7°, vermelde personen ".
Art. 16. A l'article 11 de la loi du 28 décembre 1983 sur la patente pour le débit des boissons spiritueuses, modifié par les lois des 22 décembre 1998 et 17 mai 2004, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans les §§ 1er et 2, les mots " Ne peuvent être " sont à chaque fois remplacés par les mots " Sous réserve de l'article 634, alinéa 1er, du Code d'instruction criminelle, ne peuvent être ".
2° au § 3, les mots " Les personnes mentionnées au § 1er, 2° à 7°, ne peuvent " sont remplacés par les mots " Sous réserve de l'article 634, alinéa 1er, du Code d'instruction criminelle, les personnes mentionnées au § 1er, 2° à 7°, ne peuvent ".
1° dans les §§ 1er et 2, les mots " Ne peuvent être " sont à chaque fois remplacés par les mots " Sous réserve de l'article 634, alinéa 1er, du Code d'instruction criminelle, ne peuvent être ".
2° au § 3, les mots " Les personnes mentionnées au § 1er, 2° à 7°, ne peuvent " sont remplacés par les mots " Sous réserve de l'article 634, alinéa 1er, du Code d'instruction criminelle, les personnes mentionnées au § 1er, 2° à 7°, ne peuvent ".
Art. 17. In artikel 12 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 17 mei 2004, worden de woorden " Rechtspersonen mogen " vervangen door de woorden " Onverminderd artikel 634, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering, mogen rechtspersonen ".
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 20 juli 2005.
ALBERT
Van Koningswege :
De Eerste Minister,
G. VERHOFSTADT
De Minister van Justitie,
Mevr. L. ONKELINX
De Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën,
D. REYNDERS
De Vice-Eerste Minister en Minister van Begroting en Overheidsbedrijven,
J. VANDE LANOTTE
Met 's Lands zegel gezegeld :
Voor de Minister van Justitie, afwezig :
De Minister van Landsverdediging,
A. FLAHAUT.
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 20 juli 2005.
ALBERT
Van Koningswege :
De Eerste Minister,
G. VERHOFSTADT
De Minister van Justitie,
Mevr. L. ONKELINX
De Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën,
D. REYNDERS
De Vice-Eerste Minister en Minister van Begroting en Overheidsbedrijven,
J. VANDE LANOTTE
Met 's Lands zegel gezegeld :
Voor de Minister van Justitie, afwezig :
De Minister van Landsverdediging,
A. FLAHAUT.
Art. 17. Dans l'article 12 de la même loi, modifié par la loi du 17 mai 2004, les mots " Les personnes morales " sont remplacés par les mots " Sous réserve de l'article 634, alinéa 1er, du Code d'instruction criminelle, les personnes morales ".
Promulguons la présente loi, ordonnons qu'elle soit revêtue du sceau de l'Etat et publiée par le Moniteur belge.
Donné à Bruxelles, le 20 juillet 2005.
ALBERT
Par le Roi :
Le Premier Ministre,
G. VERHOFSTADT
La Ministre de la Justice,
Mme L. ONKELINX
Le Vice-Premier Ministre et Ministre des Finances,
D. REYNDERS
Le Vice-Premier Ministre et Ministre du Budget et des Entreprises publiques,
J. VANDE LANOTTE
Scellé du sceau de l'Etat :
Pour la Ministre de la Justice, absente :
Le Ministre de la Défense,
A. FLAHAUT.
Promulguons la présente loi, ordonnons qu'elle soit revêtue du sceau de l'Etat et publiée par le Moniteur belge.
Donné à Bruxelles, le 20 juillet 2005.
ALBERT
Par le Roi :
Le Premier Ministre,
G. VERHOFSTADT
La Ministre de la Justice,
Mme L. ONKELINX
Le Vice-Premier Ministre et Ministre des Finances,
D. REYNDERS
Le Vice-Premier Ministre et Ministre du Budget et des Entreprises publiques,
J. VANDE LANOTTE
Scellé du sceau de l'Etat :
Pour la Ministre de la Justice, absente :
Le Ministre de la Défense,
A. FLAHAUT.