Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
21 FEBRUARI 2005. - Wet tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek in verband met de bemiddeling.
Titre
21 FEVRIER 2005. - Loi modifiant le Code judiciaire en ce qui concerne la médiation.
Dokumentinformationen
Info du document
Tekst (25)
Texte (25)
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Article 1. La présente loi règle une matière visée à l'article 78 de la Constitution.
Art. 2. Artikel 665, 5°, van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 februari 2001, wordt vervangen als volgt :
" 5° voor procedures van vrijwillige of gerechtelijke bemiddeling, die geleid worden door een bemiddelaar die erkend is door de in artikel 1727 bedoelde commissie. "
" 5° voor procedures van vrijwillige of gerechtelijke bemiddeling, die geleid worden door een bemiddelaar die erkend is door de in artikel 1727 bedoelde commissie. "
Art. 2. L'article 665, 5°, du Code judiciaire, inséré par la loi du 19 février 2001, est remplacé par le texte suivant :
" 5° aux procédures de médiation, volontaires ou judiciaires, menées par un médiateur agréé par la commission visée à l'article 1727. "
" 5° aux procédures de médiation, volontaires ou judiciaires, menées par un médiateur agréé par la commission visée à l'article 1727. "
Art. 3. In artikel 671, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 19 februari 2001, worden de woorden " Rechtsbijstand dekt eveneens de kosten in het kader van de procedure van de bemiddeling in familiezaken " vervangen door de woorden " Rechtsbijstand dekt eveneens de kosten en het ereloon van de bemiddelaar in het kader van een gerechtelijke of vrijwillige bemiddeling die geleid wordt door een bemiddelaar die erkend is door de in artikel 1727 bedoelde commissie. "
Art. 3. A l'article 671, alinéa 1er, du même Code, modifié par la loi du 19 février 2001, les mots " L'assistance judiciaire couvre également les frais dans le cadre de la procédure de médiation en matière familiale " sont remplacés par les mots " L'assistance judiciaire couvre également les frais et honoraires du médiateur dans le cadre d'une procédure de médiation judiciaire ou volontaire, menée par un médiateur agréé par la commission visée à l'article 1727. "
Art. 4. In artikel 692 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 19 februari 2001, worden de woorden " de kosten en het ereloon van de bemiddelaar in familiezaken aangewezen krachtens artikel 734bis " vervangen door de woorden " de kosten en het ereloon van de bemiddelaar in het kader van een gerechtelijke of vrijwillige bemiddeling die geleid wordt door een bemiddelaar die erkend is door de in artikel 1727 bedoelde commissie ".
Art. 4. A l'article 692 du même Code, modifié par la loi du 19 février 2001, les mots " les frais et honoraires du médiateur en matière familiale désigné conformément à l'article 734bis " sont remplacés par les mots " les frais et honoraires du médiateur dans le cadre d'une procédure de médiation judiciaire ou volontaire, menée par un médiateur agréé par la commission visée à l'article 1727 ".
Art. 5. In artikel 696 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 19 februari 2001, worden de woorden ", de bemiddelaar in familiezaken aangewezen krachtens artikel 734bis " vervangen door de woorden ", de bemiddelaars die erkend zijn door de in artikel 1727 bedoelde commissie ".
Art. 5. Dans l'article 696 du même Code, modifié par la loi du 19 février 2001, les mots ", au médiateur en matière familiale désigné conformément à l'article 734bis " sont remplacés par les mots ", aux médiateurs agréés par la commission visée à l'article 1727 ".
Art. 6. In artikel 731 van hetzelfde Wetboek worden de woorden " Iedere inleidende hoofdvordering tussen partijen die bekwaam zijn om een dading aan te gaan en betreffende zaken welke voor dading vatbaar zijn, kan " vervangen door de woorden " Onverminderd het bepaalde in de artikelen 1724 tot 1737 kan iedere inleidende hoofdvordering tussen partijen die bekwaam zijn om een dading aan te gaan en betreffende zaken welke voor dading vatbaar zijn, ".
Art. 6. A l'article 731 du même Code, les mots " Toute demande principale " sont remplacés par les mots " Sans préjudice des dispositions des articles 1724 à 1737, toute demande principale ".
Art. 7. Artikel 1018, eerste lid, 7°, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 19 februari 2001, wordt vervangen als volgt :
" 7° het ereloon, de emolumenten en de kosten van de bemiddelaar die aangewezen is overeenkomstig artikel 1734. "
" 7° het ereloon, de emolumenten en de kosten van de bemiddelaar die aangewezen is overeenkomstig artikel 1734. "
Art. 7. L'article 1018, alinéa 1er, 7°, du même Code, modifié par la loi du 19 février 2001, est remplacé par le texte suivant :
" 7° les honoraires, les émoluments et les frais du médiateur désigné conformément à l'article 1734. "
" 7° les honoraires, les émoluments et les frais du médiateur désigné conformément à l'article 1734. "
Art. 8. In een zevende deel van hetzelfde Wetboek met als opschrift " Bemiddeling ", wordt onder een hoofdstuk I met als opschrift " Algemene beginselen ", een artikel 1724 ingevoegd, luidende :
" Art. 1724. Elk geschil dat vatbaar is om te worden geregeld via een dading, kan het voorwerp zijn van een bemiddeling, evenals :
1° de geschillen betreffende de materies bedoeld in de hoofdstukken V en VI van titel V, in hoofdstuk IV van titel VI en in titel IX van boek I van het Burgerlijk Wetboek;
2° De geschillen betreffende de materies bedoeld in titel Vbis van boek III van dit Wetboek;
3° de geschillen ingesteld overeenkomstig de afdelingen I tot IV van hoofdstuk XI van boek IV van het vierde deel van dit Wetboek;
4° De geschillen voortvloeiend uit de feitelijke samenwoning.
De publiekrechtelijke rechtspersonen kunnen partij zijn bij een bemiddeling in de bij wet of bij een in de Ministerraad overlegd koninklijk besluit bepaalde gevallen. ".
" Art. 1724. Elk geschil dat vatbaar is om te worden geregeld via een dading, kan het voorwerp zijn van een bemiddeling, evenals :
1° de geschillen betreffende de materies bedoeld in de hoofdstukken V en VI van titel V, in hoofdstuk IV van titel VI en in titel IX van boek I van het Burgerlijk Wetboek;
2° De geschillen betreffende de materies bedoeld in titel Vbis van boek III van dit Wetboek;
3° de geschillen ingesteld overeenkomstig de afdelingen I tot IV van hoofdstuk XI van boek IV van het vierde deel van dit Wetboek;
4° De geschillen voortvloeiend uit de feitelijke samenwoning.
De publiekrechtelijke rechtspersonen kunnen partij zijn bij een bemiddeling in de bij wet of bij een in de Ministerraad overlegd koninklijk besluit bepaalde gevallen. ".
Art. 8. Il est inséré, dans une septième partie du même Code intitulée " La médiation ", sous un chapitre Ier intitulé " Principes généraux ", un article 1724, rédigé comme suit :
" Art. 1724. Tout différend susceptible d'être réglé par transaction peut faire l'objet d'une médiation, de même que :
1° les différends relatifs aux matières visées aux chapitres V et VI du titre V, au chapitre IV du titre VI et au titre IX du livre Ier du Code civil;
2° les différends relatifs aux matières visées au titre Vbis du livre III du même Code;
3° les différends introduits conformément aux sections Ire à IV du chapitre XI du livre IV de la quatrième partie du présent Code;
4° les différends découlant de la cohabitation de fait.
Les personnes morales de droit public peuvent être parties à une médiation dans les cas prévus par la loi ou par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres. "
" Art. 1724. Tout différend susceptible d'être réglé par transaction peut faire l'objet d'une médiation, de même que :
1° les différends relatifs aux matières visées aux chapitres V et VI du titre V, au chapitre IV du titre VI et au titre IX du livre Ier du Code civil;
2° les différends relatifs aux matières visées au titre Vbis du livre III du même Code;
3° les différends introduits conformément aux sections Ire à IV du chapitre XI du livre IV de la quatrième partie du présent Code;
4° les différends découlant de la cohabitation de fait.
Les personnes morales de droit public peuvent être parties à une médiation dans les cas prévus par la loi ou par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres. "
Art. 9. In hetzelfde hoofdstuk wordt een artikel 1725 ingevoegd, luidende :
" Art. 1725. § 1. Elke overeenkomst kan een bemiddelingsbeding bevatten, waarbij de partijen zich ertoe verbinden voor eventuele geschillen in verband met de geldigheid, totstandkoming, uitlegging, uitvoering of verbreking van de overeenkomst eerst een beroep te doen op bemiddeling en pas dan op elke andere vorm van geschillenbeslechting.
§ 2. De rechter of de arbiter bij wie een aan een bemiddelingsbeding onderworpen geschil aanhangig is gemaakt, schort, op verzoek van een partij, de behandeling van de zaak op, tenzij er ten aanzien van dat geschil geen geldig beding is of dit is geëindigd. De exceptie moet vóór enige andere exceptie of verweer worden voorgedragen. De behandeling van de zaak wordt voortgezet zodra de partijen of een van hen aan de griffie en aan de andere partijen hebben meegedeeld dat de bemiddeling beëindigd is.
§ 3. Het bemiddelingsbeding vormt geen beletsel voor verzoeken tot het treffen van voorlopige of bewarende maatregelen. De indiening van dergelijke verzoeken brengt niet mee dat men van de bemiddeling afziet. "
" Art. 1725. § 1. Elke overeenkomst kan een bemiddelingsbeding bevatten, waarbij de partijen zich ertoe verbinden voor eventuele geschillen in verband met de geldigheid, totstandkoming, uitlegging, uitvoering of verbreking van de overeenkomst eerst een beroep te doen op bemiddeling en pas dan op elke andere vorm van geschillenbeslechting.
§ 2. De rechter of de arbiter bij wie een aan een bemiddelingsbeding onderworpen geschil aanhangig is gemaakt, schort, op verzoek van een partij, de behandeling van de zaak op, tenzij er ten aanzien van dat geschil geen geldig beding is of dit is geëindigd. De exceptie moet vóór enige andere exceptie of verweer worden voorgedragen. De behandeling van de zaak wordt voortgezet zodra de partijen of een van hen aan de griffie en aan de andere partijen hebben meegedeeld dat de bemiddeling beëindigd is.
§ 3. Het bemiddelingsbeding vormt geen beletsel voor verzoeken tot het treffen van voorlopige of bewarende maatregelen. De indiening van dergelijke verzoeken brengt niet mee dat men van de bemiddeling afziet. "
Art. 9. Dans le même chapitre, il est inséré un article 1725, rédigé comme suit :
" Art. 1725. § 1er. Tout contrat peut contenir une clause de médiation, par laquelle les parties s'engagent à recourir à la médiation préalablement à tout autre mode de résolution des éventuels différends que la validité, la formation, l'interprétation, l'exécution ou la rupture du contrat pourrait susciter.
§ 2. Le juge ou l'arbitre saisi d'un différend faisant l'objet d'une clause de médiation suspend l'examen de la cause à la demande d'une partie, à moins qu'en ce qui concerne ce différend, la clause ne soit pas valable ou ait pris fin. L'exception doit être proposée avant tout autre moyen de défense et exception. L'examen de la cause est poursuivi dès que les parties ou l'une d'elles, ont notifié au greffe et aux autres parties que la médiation a pris fin.
§ 3. La clause de médiation ne fait pas obstacle aux demandes de mesures provisoires et conservatoires. L'introduction de telles demandes n'entraîne pas renonciation à la médiation. "
" Art. 1725. § 1er. Tout contrat peut contenir une clause de médiation, par laquelle les parties s'engagent à recourir à la médiation préalablement à tout autre mode de résolution des éventuels différends que la validité, la formation, l'interprétation, l'exécution ou la rupture du contrat pourrait susciter.
§ 2. Le juge ou l'arbitre saisi d'un différend faisant l'objet d'une clause de médiation suspend l'examen de la cause à la demande d'une partie, à moins qu'en ce qui concerne ce différend, la clause ne soit pas valable ou ait pris fin. L'exception doit être proposée avant tout autre moyen de défense et exception. L'examen de la cause est poursuivi dès que les parties ou l'une d'elles, ont notifié au greffe et aux autres parties que la médiation a pris fin.
§ 3. La clause de médiation ne fait pas obstacle aux demandes de mesures provisoires et conservatoires. L'introduction de telles demandes n'entraîne pas renonciation à la médiation. "
Art. 10. In hetzelfde Hoofdstuk wordt een artikel 1726 ingevoegd, luidende :
" Art. 1726. § 1. Door de in artikel 1727 bedoelde commissie kunnen worden erkend de bemiddelaars die minstens voldoen aan de volgende voorwaarden :
1° op grond van een in het heden of in het verleden uitgeoefende activiteit doen blijken van een bekwaamheid die door de aard van het geschil wordt vereist;
2° naargelang van het geval, doen blijken van de voor de bemiddelingspraktijk passende vorming of ervaring;
3° de met het oog op de uitoefening van de bemiddeling noodzakelijke waarborgen bieden inzake onafhankelijkheid en onpartijdigheid;
4° niet het voorwerp zijn geweest van een in het strafregister opgenomen veroordeling die onverenigbaar is met de uitoefening van de functie van erkend bemiddelaar;
5° geen tuchtsanctie of administratieve sanctie hebben opgelopen die onverenigbaar is met de uitoefening van de functie van erkend bemiddelaar noch het voorwerp zijn geweest van een intrekking van een erkenning.
§ 2. De erkende bemiddelaars volgen een permanente vorming waarvan het programma erkend is door de in artikel 1727 bedoelde commissie.
§ 3. Dit artikel is eveneens van toepassing ingeval een beroep wordt gedaan op een college van bemiddelaars. "
" Art. 1726. § 1. Door de in artikel 1727 bedoelde commissie kunnen worden erkend de bemiddelaars die minstens voldoen aan de volgende voorwaarden :
1° op grond van een in het heden of in het verleden uitgeoefende activiteit doen blijken van een bekwaamheid die door de aard van het geschil wordt vereist;
2° naargelang van het geval, doen blijken van de voor de bemiddelingspraktijk passende vorming of ervaring;
3° de met het oog op de uitoefening van de bemiddeling noodzakelijke waarborgen bieden inzake onafhankelijkheid en onpartijdigheid;
4° niet het voorwerp zijn geweest van een in het strafregister opgenomen veroordeling die onverenigbaar is met de uitoefening van de functie van erkend bemiddelaar;
5° geen tuchtsanctie of administratieve sanctie hebben opgelopen die onverenigbaar is met de uitoefening van de functie van erkend bemiddelaar noch het voorwerp zijn geweest van een intrekking van een erkenning.
§ 2. De erkende bemiddelaars volgen een permanente vorming waarvan het programma erkend is door de in artikel 1727 bedoelde commissie.
§ 3. Dit artikel is eveneens van toepassing ingeval een beroep wordt gedaan op een college van bemiddelaars. "
Art. 10. Dans le même Chapitre, il est inséré un article 1726, rédigé comme suit :
" Art. 1726. § 1er. Peuvent être agréés par la commission visée à l'article 1727 les médiateurs qui répondent au moins aux conditions suivantes :
1° posséder, par l'exercice présent ou passé d'une activité, la qualification requise eu égard à la nature du différend;
2° justifier, selon le cas, d'une formation ou d'une expérience adaptée à la pratique de la médiation;
3° présenter les garanties d'indépendance et d'impartialité nécessaires à l'exercice de la médiation;
4° ne pas avoir fait l'objet d'une condamnation inscrite au casier judiciaire et incompatible avec l'exercice de la fonction de médiateur agréé;
5° ne pas avoir encouru de sanction disciplinaire ou administrative, incompatible avec l'exercice de la fonction de médiateur agréé, ni avoir fait l'objet de retrait d'agrément.
§ 2. Les médiateurs agréés se soumettent à une formation continue dont le programme est agréé par la commission visée à l'article 1727.
§ 3. Cet article s'applique également lorsqu'il est fait appel à un collège de médiateurs. "
" Art. 1726. § 1er. Peuvent être agréés par la commission visée à l'article 1727 les médiateurs qui répondent au moins aux conditions suivantes :
1° posséder, par l'exercice présent ou passé d'une activité, la qualification requise eu égard à la nature du différend;
2° justifier, selon le cas, d'une formation ou d'une expérience adaptée à la pratique de la médiation;
3° présenter les garanties d'indépendance et d'impartialité nécessaires à l'exercice de la médiation;
4° ne pas avoir fait l'objet d'une condamnation inscrite au casier judiciaire et incompatible avec l'exercice de la fonction de médiateur agréé;
5° ne pas avoir encouru de sanction disciplinaire ou administrative, incompatible avec l'exercice de la fonction de médiateur agréé, ni avoir fait l'objet de retrait d'agrément.
§ 2. Les médiateurs agréés se soumettent à une formation continue dont le programme est agréé par la commission visée à l'article 1727.
§ 3. Cet article s'applique également lorsqu'il est fait appel à un collège de médiateurs. "
Art. 11. In hetzelfde Hoofdstuk wordt een artikel 1727 ingevoegd, luidende :
" Art. 1727. § 1. Er wordt een federale bemiddelingscommissie ingesteld, bestaande uit een algemene commissie en bijzondere commissies.
§ 2. De algemene commissie bestaat uit zes in bemiddeling gespecialiseerde leden, namelijk : twee notarissen, twee advocaten en twee vertegenwoordigers van de bemiddelaars die noch het beroep van advocaat, noch dat van notaris uitoefenen.
Bij de samenstelling van de algemene commissie wordt gezorgd voor een evenwichtige vertegenwoordiging van de vakgebieden.
De algemene commissie telt evenveel Nederlandstalige als Franstalige leden.
Voor elk vast lid wordt een plaatsvervangend lid aangewezen.
De nadere regels voor de bekendmaking van de vacatures, voor de indiening van de kandidaturen en voor de voordracht van de leden worden bepaald bij ministerieel besluit.
De vaste en plaatsvervangende leden worden door de Minister van Justitie aangewezen op de met redenen omklede voordracht :
- van de Orde van Vlaamse balies voor de advocaat die tot die Orde behoort;
- van de Ordre des barreaux francophones et germanophone voor de advocaat die tot die Orde behoort;
- van de koninklijk federatie van notarissen, voor de notarissen;
- van de representatieve instanties voor de bemiddelaars die noch het beroep van advocaat, noch dat van notaris uitoefenen.
Het mandaat van vast lid duurt vier jaar en is hernieuwbaar.
§ 3. De algemene commissie wijst uit haar midden en voor een periode van twee jaar haar voorzitter en haar ondervoorzitter aan, die de voorzitter zo nodig vervangt, evenals een secretaris, waarbij die ambten afwisselend door een Nederlandstalige en een Franstalige worden bekleed. Het voorzitterschap en het ondervoorzitterschap worden bovendien afwisselend uitgeoefend door notarissen, door advocaten en door bemiddelaars die noch het beroep van advocaat, noch dat van notaris uitoefenen.
De algemene commissie stelt haar huishoudelijk reglement op.
Om rechtsgeldig te beraadslagen en te beslissen, moet de meerderheid van de leden van de commissie aanwezig zijn. Indien een vast lid afwezig of verhinderd is, vervangt zijn plaatsvervanger hem. De beslissingen worden bij gewone meerderheid van stemmen genomen. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter of van de ondervoorzitter die hem vervangt, doorslaggevend.
§ 4. Er worden drie bijzondere commissies opgericht om advies te verstrekken aan de algemene commissie :
- een bijzondere commissie voor familiezaken;
- een bijzondere commissie voor burgerlijke en handelszaken;
- een bijzondere commissie voor sociale zaken.
Deze bijzondere commissies bestaan uit specialisten en practici van al deze soorten bemiddeling, namelijk :
twee notarissen, twee advocaten en twee vertegenwoordigers van de bemiddelaars die noch het beroep van advocaat, noch dat van notaris uitoefenen.
De bijzondere commissies tellen evenveel Nederlandstalige als Franstalige leden.
Voor elk vast lid wordt een plaatsvervangend lid aangewezen.
De nadere regels voor de bekendmaking van de vacatures en voor de indiening van de kandidaturen worden bepaald bij ministerieel besluit.
De vaste en plaatsvervangende leden worden door de minister van Justitie aangewezen op de met redenen omklede voordracht :
- van de Orde van Vlaamse balies voor de advocaat die tot die Orde behoort;
- van de Ordre des barreaux francophones et germanophone voor de advocaat die tot die Orde behoort;
- van de koninklijk federatie van notarissen, voor de notarissen;
- van de representatieve instanties voor de bemiddelaars die noch het beroep van advocaat, noch dat van notaris uitoefenen.
Het mandaat van vast lid duurt vier jaar en is hernieuwbaar.
§ 5. Elke bijzondere commissie wijst uit haar midden en voor een periode van twee jaar haar voorzitter en haar ondervoorzitter aan, die de voorzitter zo nodig vervangt, evenals een secretaris, waarbij die ambten afwisselend door een Nederlandstalige en een Franstalige worden bekleed.
Ze stelt haar huishoudelijk reglement op.
Om rechtsgeldig te beraadslagen en te beslissen, moet de meerderheid van de leden van de bijzondere commissie aanwezig zijn. Indien een vast lid afwezig of verhinderd is, vervangt zijn plaatsvervanger hem. De beslissingen worden bij gewone meerderheid van stemmen genomen. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter of van de ondervoorzitter die hem vervangt, doorslaggevend.
§ 6. De opdrachten van de algemene commissie zijn de volgende :
1° de instanties voor de vorming van bemiddelaars en de vormingen die zij organiseren, erkennen;
2° de criteria voor de erkenning van de bemiddelaars per soort bemiddeling bepalen;
3° de bemiddelaars erkennen;
4° tijdelijk of definitief de erkenning intrekken van de bemiddelaars die niet meer zouden voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 1726;
5° de procedure voor de erkenning en de tijdelijke of definitieve intrekking van de titel van bemiddelaar bepalen;
6° de lijst van de bemiddelaars opstellen en verspreiden bij de hoven en rechtbanken;
7° een gedragscode opstellen en de eruit voortvloeiende sancties bepalen.
De beslissingen van de commissie zijn gemotiveerd.
§ 7. De Minister van Justitie stelt aan de federale bemiddelingscommissie het personeel alsook de middelen ter beschikking die nodig zijn voor haar werking.
De Koning bepaalt welk presentiegeld aan de leden van de federale bemiddelingscommissie kan worden toegekend. "
" Art. 1727. § 1. Er wordt een federale bemiddelingscommissie ingesteld, bestaande uit een algemene commissie en bijzondere commissies.
§ 2. De algemene commissie bestaat uit zes in bemiddeling gespecialiseerde leden, namelijk : twee notarissen, twee advocaten en twee vertegenwoordigers van de bemiddelaars die noch het beroep van advocaat, noch dat van notaris uitoefenen.
Bij de samenstelling van de algemene commissie wordt gezorgd voor een evenwichtige vertegenwoordiging van de vakgebieden.
De algemene commissie telt evenveel Nederlandstalige als Franstalige leden.
Voor elk vast lid wordt een plaatsvervangend lid aangewezen.
De nadere regels voor de bekendmaking van de vacatures, voor de indiening van de kandidaturen en voor de voordracht van de leden worden bepaald bij ministerieel besluit.
De vaste en plaatsvervangende leden worden door de Minister van Justitie aangewezen op de met redenen omklede voordracht :
- van de Orde van Vlaamse balies voor de advocaat die tot die Orde behoort;
- van de Ordre des barreaux francophones et germanophone voor de advocaat die tot die Orde behoort;
- van de koninklijk federatie van notarissen, voor de notarissen;
- van de representatieve instanties voor de bemiddelaars die noch het beroep van advocaat, noch dat van notaris uitoefenen.
Het mandaat van vast lid duurt vier jaar en is hernieuwbaar.
§ 3. De algemene commissie wijst uit haar midden en voor een periode van twee jaar haar voorzitter en haar ondervoorzitter aan, die de voorzitter zo nodig vervangt, evenals een secretaris, waarbij die ambten afwisselend door een Nederlandstalige en een Franstalige worden bekleed. Het voorzitterschap en het ondervoorzitterschap worden bovendien afwisselend uitgeoefend door notarissen, door advocaten en door bemiddelaars die noch het beroep van advocaat, noch dat van notaris uitoefenen.
De algemene commissie stelt haar huishoudelijk reglement op.
Om rechtsgeldig te beraadslagen en te beslissen, moet de meerderheid van de leden van de commissie aanwezig zijn. Indien een vast lid afwezig of verhinderd is, vervangt zijn plaatsvervanger hem. De beslissingen worden bij gewone meerderheid van stemmen genomen. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter of van de ondervoorzitter die hem vervangt, doorslaggevend.
§ 4. Er worden drie bijzondere commissies opgericht om advies te verstrekken aan de algemene commissie :
- een bijzondere commissie voor familiezaken;
- een bijzondere commissie voor burgerlijke en handelszaken;
- een bijzondere commissie voor sociale zaken.
Deze bijzondere commissies bestaan uit specialisten en practici van al deze soorten bemiddeling, namelijk :
twee notarissen, twee advocaten en twee vertegenwoordigers van de bemiddelaars die noch het beroep van advocaat, noch dat van notaris uitoefenen.
De bijzondere commissies tellen evenveel Nederlandstalige als Franstalige leden.
Voor elk vast lid wordt een plaatsvervangend lid aangewezen.
De nadere regels voor de bekendmaking van de vacatures en voor de indiening van de kandidaturen worden bepaald bij ministerieel besluit.
De vaste en plaatsvervangende leden worden door de minister van Justitie aangewezen op de met redenen omklede voordracht :
- van de Orde van Vlaamse balies voor de advocaat die tot die Orde behoort;
- van de Ordre des barreaux francophones et germanophone voor de advocaat die tot die Orde behoort;
- van de koninklijk federatie van notarissen, voor de notarissen;
- van de representatieve instanties voor de bemiddelaars die noch het beroep van advocaat, noch dat van notaris uitoefenen.
Het mandaat van vast lid duurt vier jaar en is hernieuwbaar.
§ 5. Elke bijzondere commissie wijst uit haar midden en voor een periode van twee jaar haar voorzitter en haar ondervoorzitter aan, die de voorzitter zo nodig vervangt, evenals een secretaris, waarbij die ambten afwisselend door een Nederlandstalige en een Franstalige worden bekleed.
Ze stelt haar huishoudelijk reglement op.
Om rechtsgeldig te beraadslagen en te beslissen, moet de meerderheid van de leden van de bijzondere commissie aanwezig zijn. Indien een vast lid afwezig of verhinderd is, vervangt zijn plaatsvervanger hem. De beslissingen worden bij gewone meerderheid van stemmen genomen. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter of van de ondervoorzitter die hem vervangt, doorslaggevend.
§ 6. De opdrachten van de algemene commissie zijn de volgende :
1° de instanties voor de vorming van bemiddelaars en de vormingen die zij organiseren, erkennen;
2° de criteria voor de erkenning van de bemiddelaars per soort bemiddeling bepalen;
3° de bemiddelaars erkennen;
4° tijdelijk of definitief de erkenning intrekken van de bemiddelaars die niet meer zouden voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 1726;
5° de procedure voor de erkenning en de tijdelijke of definitieve intrekking van de titel van bemiddelaar bepalen;
6° de lijst van de bemiddelaars opstellen en verspreiden bij de hoven en rechtbanken;
7° een gedragscode opstellen en de eruit voortvloeiende sancties bepalen.
De beslissingen van de commissie zijn gemotiveerd.
§ 7. De Minister van Justitie stelt aan de federale bemiddelingscommissie het personeel alsook de middelen ter beschikking die nodig zijn voor haar werking.
De Koning bepaalt welk presentiegeld aan de leden van de federale bemiddelingscommissie kan worden toegekend. "
Art. 11. Dans le même Chapitre, il est inséré un article 1727, rédigé comme suit :
" Art. 1727. § 1er. Il est institué une commission fédérale de médiation, composée d'une commission générale et de commissions spéciales.
§ 2. La commission générale est composée de six membres spécialisés en médiation, à savoir : deux notaires, deux avocats et deux représentants des médiateurs qui n'exercent ni la profession d'avocat, ni celle de notaire.
Il est veillé, dans la composition de la commission générale, à une représentation équilibrée des domaines d'intervention.
La commission générale comporte autant de membres d'expression française que de membres d'expression néerlandaise.
Pour chaque membre effectif il est désigné un membre suppléant.
Les modalités de la publication des vacances, du dépôt des candidatures et de la présentation des membres sont fixés par arrêté ministériel.
Les membres effectifs et suppléants sont désignés par le Ministre de Justice, sur présentation motivée :
- de l'Ordre des barreaux francophones et germanophone pour l'avocat appartenant à cet Ordre;
- de l'Ordre van Vlaamse balies pour l'avocat appartenant à cet Ordre;
- de la fédération royale des notaires, pour les notaires;
- des instances représentatives pour les médiateurs qui n'exercent ni la profession d'avocat, ni celle de notaire.
Le mandat de membre effectif a une durée de quatre ans et est renouvelable.
§ 3. La commission générale désigne en son sein et pour une période de deux ans son président et son vice-président, qui remplace le président le cas échéant, ainsi qu'un secrétaire, ces fonctions étant attribuées alternativement à un francophone et un néerlandophone. La présidence et la vice-présidence sont, en outre, exercées alternativement par des notaires, des avocats et par des médiateurs qui n'exercent ni la profession d'avocat, ni celle de notaire.
La commission générale établit son règlement d'ordre intérieur.
Pour délibérer valablement, la majorité des membres de la commission doit être présente. En cas d'absence ou d'empêchement d'un membre effectif, son suppléant le remplace. Les décisions sont prises à la majorité simple des voix. En cas de parité, la voix du président ou du vice-président qui le remplace est prépondérante.
§ 4. Trois commissions spéciales, sont instituées pour donner des avis à la commission générale.
- une commission spéciale en matière familiale;
- une commission spéciale en matière civile et commerciale;
- une commission spéciale en matière sociale.
Ces commissions spéciales sont composées de spécialistes et de praticiens de chacun de ces types de médiation, à savoir :
deux notaires, deux avocats et deux représentants des médiateurs qui n'exercent ni la profession d'avocat, ni celle de notaire.
Les commissions spéciales comportent autant de membres d'expression française que de membres d'expression néerlandaise.
Pour chaque membre effectif il est désigné un membre suppléant.
Les modalités de la publication des vacances et du dépôt des candidatures sont fixées par arrêté ministériel.
Les membres effectifs et suppléants sont désignés par le ministre de la Justice sur présentation motivée :
- de l'Ordre des barreaux francophones et germanophone pour l'avocat appartenant à cet Ordre;
- de l'Orde van Vlaamse balies pour l'avocat appartenant à cet Ordre;
- de la fédération royale des notaires, pour les notaires;
- des instances représentatives pour les médiateurs qui n'exercent ni la profession d'avocat, ni celle de notaire.
Le mandat du membre effectif a une durée de quatre ans et est renouvelable.
§ 5. Chaque commission spéciale désigne en son sein et pour une période de deux ans son président et son vice-président, qui remplace le président le cas échéant, ainsi qu'un secrétaire, ces fonctions étant attribuées alternativement à un francophone et un néerlandophone.
Elle établit son règlement d'ordre intérieur.
Pour délibérer valablement, la majorité des membres de la commission spéciale doit être présente. En cas d'absence ou d'empêchement d'un membre effectif, son suppléant le remplace. Les décisions sont prises à la majorité simple des voix. En cas de parité, la voix du président ou du vice-président qui le remplace est prépondérante.
§ 6. Les missions de la commission générale sont les suivantes :
1° agréer les organes de formation des médiateurs et les formations qu'ils organisent;
2° déterminer les critères d'agrément des médiateurs par type de médiation;
3° agréer les médiateurs;
4° retirer, temporairement ou définitivement, l'agrément accordé aux médiateurs qui ne satisfont plus aux conditions prévues à l'article 1726;
5° fixer la procédure d'agrément et de retrait, temporaire ou définitif du titre de médiateur;
6° dresser et diffuser la liste des médiateurs auprès des cours et tribunaux;
7° établir un code de bonne de conduite et déterminer les sanctions qui en découlent.
Les décisions de la commission sont motivées.
§ 7. Le Ministre de la Justice met à disposition de la commission fédérale de médiation le personnel et les moyens nécessaires à son fonctionnement.
Le Roi détermine le jeton de présence qui peut être alloué aux membres de la Commission fédérale de médiation. "
" Art. 1727. § 1er. Il est institué une commission fédérale de médiation, composée d'une commission générale et de commissions spéciales.
§ 2. La commission générale est composée de six membres spécialisés en médiation, à savoir : deux notaires, deux avocats et deux représentants des médiateurs qui n'exercent ni la profession d'avocat, ni celle de notaire.
Il est veillé, dans la composition de la commission générale, à une représentation équilibrée des domaines d'intervention.
La commission générale comporte autant de membres d'expression française que de membres d'expression néerlandaise.
Pour chaque membre effectif il est désigné un membre suppléant.
Les modalités de la publication des vacances, du dépôt des candidatures et de la présentation des membres sont fixés par arrêté ministériel.
Les membres effectifs et suppléants sont désignés par le Ministre de Justice, sur présentation motivée :
- de l'Ordre des barreaux francophones et germanophone pour l'avocat appartenant à cet Ordre;
- de l'Ordre van Vlaamse balies pour l'avocat appartenant à cet Ordre;
- de la fédération royale des notaires, pour les notaires;
- des instances représentatives pour les médiateurs qui n'exercent ni la profession d'avocat, ni celle de notaire.
Le mandat de membre effectif a une durée de quatre ans et est renouvelable.
§ 3. La commission générale désigne en son sein et pour une période de deux ans son président et son vice-président, qui remplace le président le cas échéant, ainsi qu'un secrétaire, ces fonctions étant attribuées alternativement à un francophone et un néerlandophone. La présidence et la vice-présidence sont, en outre, exercées alternativement par des notaires, des avocats et par des médiateurs qui n'exercent ni la profession d'avocat, ni celle de notaire.
La commission générale établit son règlement d'ordre intérieur.
Pour délibérer valablement, la majorité des membres de la commission doit être présente. En cas d'absence ou d'empêchement d'un membre effectif, son suppléant le remplace. Les décisions sont prises à la majorité simple des voix. En cas de parité, la voix du président ou du vice-président qui le remplace est prépondérante.
§ 4. Trois commissions spéciales, sont instituées pour donner des avis à la commission générale.
- une commission spéciale en matière familiale;
- une commission spéciale en matière civile et commerciale;
- une commission spéciale en matière sociale.
Ces commissions spéciales sont composées de spécialistes et de praticiens de chacun de ces types de médiation, à savoir :
deux notaires, deux avocats et deux représentants des médiateurs qui n'exercent ni la profession d'avocat, ni celle de notaire.
Les commissions spéciales comportent autant de membres d'expression française que de membres d'expression néerlandaise.
Pour chaque membre effectif il est désigné un membre suppléant.
Les modalités de la publication des vacances et du dépôt des candidatures sont fixées par arrêté ministériel.
Les membres effectifs et suppléants sont désignés par le ministre de la Justice sur présentation motivée :
- de l'Ordre des barreaux francophones et germanophone pour l'avocat appartenant à cet Ordre;
- de l'Orde van Vlaamse balies pour l'avocat appartenant à cet Ordre;
- de la fédération royale des notaires, pour les notaires;
- des instances représentatives pour les médiateurs qui n'exercent ni la profession d'avocat, ni celle de notaire.
Le mandat du membre effectif a une durée de quatre ans et est renouvelable.
§ 5. Chaque commission spéciale désigne en son sein et pour une période de deux ans son président et son vice-président, qui remplace le président le cas échéant, ainsi qu'un secrétaire, ces fonctions étant attribuées alternativement à un francophone et un néerlandophone.
Elle établit son règlement d'ordre intérieur.
Pour délibérer valablement, la majorité des membres de la commission spéciale doit être présente. En cas d'absence ou d'empêchement d'un membre effectif, son suppléant le remplace. Les décisions sont prises à la majorité simple des voix. En cas de parité, la voix du président ou du vice-président qui le remplace est prépondérante.
§ 6. Les missions de la commission générale sont les suivantes :
1° agréer les organes de formation des médiateurs et les formations qu'ils organisent;
2° déterminer les critères d'agrément des médiateurs par type de médiation;
3° agréer les médiateurs;
4° retirer, temporairement ou définitivement, l'agrément accordé aux médiateurs qui ne satisfont plus aux conditions prévues à l'article 1726;
5° fixer la procédure d'agrément et de retrait, temporaire ou définitif du titre de médiateur;
6° dresser et diffuser la liste des médiateurs auprès des cours et tribunaux;
7° établir un code de bonne de conduite et déterminer les sanctions qui en découlent.
Les décisions de la commission sont motivées.
§ 7. Le Ministre de la Justice met à disposition de la commission fédérale de médiation le personnel et les moyens nécessaires à son fonctionnement.
Le Roi détermine le jeton de présence qui peut être alloué aux membres de la Commission fédérale de médiation. "
Art. 12. In hetzelfde Hoofdstuk wordt een artikel 1728 ingevoegd, luidende :
" Art. 1728. § 1. De documenten die worden opgemaakt en de mededelingen die worden gedaan in de loop en ten behoeve van een bemiddelingsprocedure zijn vertrouwelijk. Zij mogen niet worden aangevoerd in een gerechtelijke, administratieve of arbitrale procedure of in enige andere procedure voor het oplossen van conflicten en zijn niet toelaatbaar als bewijs, zelfs niet als buitengerechtelijke bekentenis. De geheimhoudingsplicht kan slechts worden opgeheven met instemming van de partijen om onder meer de rechter in staat te stellen de bemiddelingsakkoorden te homologeren.
Bij schending van die geheimhoudingsplicht door een van de partijen doet de rechter of de arbiter uitspraak over de eventuele toekenning van schadevergoeding. Vertrouwelijke documenten die toch zijn meegedeeld of waarop een partij steunt in strijd met de geheimhoudingsplicht, worden ambtshalve buiten de debatten gehouden.
Onverminderd de verplichtingen die hem bij wet worden opgelegd, mag de bemiddelaar de feiten waarvan hij uit hoofde van zijn ambt kennis krijgt, niet openbaar maken. Hij mag door de partijen niet worden opgeroepen als getuige in een burgerrechtelijke of administratieve procedure met betrekking tot de feiten waarvan hij in de loop van zijn bemiddeling kennis heeft genomen. Artikel 458 van het Strafwetboek is van toepassing op de bemiddelaar.
§ 2. In het raam en ten behoeve van zijn opdracht kan de bemiddelaar, met instemming van de partijen, de derden horen die daarmee instemmen of, wanneer de complexiteit van de zaak zulks vereist, een beroep doen op een deskundige inzake het behandelde vakgebied. Zij zijn gehouden tot de geheimhoudingsplicht bedoeld in § 1, eerste lid. Paragraaf 1, derde lid, is van toepassing op de deskundige. "
" Art. 1728. § 1. De documenten die worden opgemaakt en de mededelingen die worden gedaan in de loop en ten behoeve van een bemiddelingsprocedure zijn vertrouwelijk. Zij mogen niet worden aangevoerd in een gerechtelijke, administratieve of arbitrale procedure of in enige andere procedure voor het oplossen van conflicten en zijn niet toelaatbaar als bewijs, zelfs niet als buitengerechtelijke bekentenis. De geheimhoudingsplicht kan slechts worden opgeheven met instemming van de partijen om onder meer de rechter in staat te stellen de bemiddelingsakkoorden te homologeren.
Bij schending van die geheimhoudingsplicht door een van de partijen doet de rechter of de arbiter uitspraak over de eventuele toekenning van schadevergoeding. Vertrouwelijke documenten die toch zijn meegedeeld of waarop een partij steunt in strijd met de geheimhoudingsplicht, worden ambtshalve buiten de debatten gehouden.
Onverminderd de verplichtingen die hem bij wet worden opgelegd, mag de bemiddelaar de feiten waarvan hij uit hoofde van zijn ambt kennis krijgt, niet openbaar maken. Hij mag door de partijen niet worden opgeroepen als getuige in een burgerrechtelijke of administratieve procedure met betrekking tot de feiten waarvan hij in de loop van zijn bemiddeling kennis heeft genomen. Artikel 458 van het Strafwetboek is van toepassing op de bemiddelaar.
§ 2. In het raam en ten behoeve van zijn opdracht kan de bemiddelaar, met instemming van de partijen, de derden horen die daarmee instemmen of, wanneer de complexiteit van de zaak zulks vereist, een beroep doen op een deskundige inzake het behandelde vakgebied. Zij zijn gehouden tot de geheimhoudingsplicht bedoeld in § 1, eerste lid. Paragraaf 1, derde lid, is van toepassing op de deskundige. "
Art. 12. Dans le même Chapitre, il est inséré un article 1728, rédigé comme suit :
" Art. 1728. § 1er. Les documents établis et les communications faites au cours d'une procédure de médiation et pour les besoins de celle-ci sont confidentiels. Ils ne peuvent être utilisés dans une procédure judiciaire, administrative ou arbitrale ou dans toute autre procédure visant à résoudre des conflits et ne sont pas admissibles comme preuve, même comme aveu extrajudiciaire. L'obligation de secret ne peut être levée qu'avec l'accord des parties pour permettre notamment au juge d'homologuer les accords de médiation.
En cas de violation de cette obligation de secret par une des parties, le juge ou l'arbitre se prononce sur l'octroi éventuel de dommages-intérêts. Les documents confidentiels qui sont malgré tout communiqués ou sur lesquels une partie se base en violation de l'obligation de secret sont d'office écartés des débats.
Sans préjudice des obligations que la loi lui impose, le médiateur ne peut rendre publics les faits dont il prend connaissance du fait de sa fonction. Il ne peut être appelé comme témoin par les parties dans une procédure civile ou administrative relative aux faits dont il a pris connaissance au cours de la médiation. L'article 458 du Code pénal s'applique au médiateur.
§ 2. Dans le cadre de sa mission et pour les besoins de celle-ci, le médiateur peut, avec l'accord des parties, entendre les tiers qui y consentent ou lorsque la complexité de l'affaire l'exige, recourir aux services d'un expert, spécialiste du domaine traité. Ceux-ci sont tenus à l'obligation de secret visée au § 1er, alinéa 1er. Le § 1er, alinéa 3, s'applique à l'expert. "
" Art. 1728. § 1er. Les documents établis et les communications faites au cours d'une procédure de médiation et pour les besoins de celle-ci sont confidentiels. Ils ne peuvent être utilisés dans une procédure judiciaire, administrative ou arbitrale ou dans toute autre procédure visant à résoudre des conflits et ne sont pas admissibles comme preuve, même comme aveu extrajudiciaire. L'obligation de secret ne peut être levée qu'avec l'accord des parties pour permettre notamment au juge d'homologuer les accords de médiation.
En cas de violation de cette obligation de secret par une des parties, le juge ou l'arbitre se prononce sur l'octroi éventuel de dommages-intérêts. Les documents confidentiels qui sont malgré tout communiqués ou sur lesquels une partie se base en violation de l'obligation de secret sont d'office écartés des débats.
Sans préjudice des obligations que la loi lui impose, le médiateur ne peut rendre publics les faits dont il prend connaissance du fait de sa fonction. Il ne peut être appelé comme témoin par les parties dans une procédure civile ou administrative relative aux faits dont il a pris connaissance au cours de la médiation. L'article 458 du Code pénal s'applique au médiateur.
§ 2. Dans le cadre de sa mission et pour les besoins de celle-ci, le médiateur peut, avec l'accord des parties, entendre les tiers qui y consentent ou lorsque la complexité de l'affaire l'exige, recourir aux services d'un expert, spécialiste du domaine traité. Ceux-ci sont tenus à l'obligation de secret visée au § 1er, alinéa 1er. Le § 1er, alinéa 3, s'applique à l'expert. "
Art. 13. In hetzelfde Hoofdstuk wordt een artikel 1729 ingevoegd, luidende :
" Art. 1729. Elke partij kan te allen tijde een einde maken aan de bemiddeling, zonder dat dit tot haar nadeel kan strekken. "
" Art. 1729. Elke partij kan te allen tijde een einde maken aan de bemiddeling, zonder dat dit tot haar nadeel kan strekken. "
Art. 13. Dans le même Chapitre, il est inséré un article 1729, rédigé comme suit :
" Art. 1729. Chacune des parties peut à tout moment mettre fin à la médiation, sans que cela puisse lui porter préjudice. "
" Art. 1729. Chacune des parties peut à tout moment mettre fin à la médiation, sans que cela puisse lui porter préjudice. "
Art. 14. In hetzelfde deel wordt onder een Hoofdstuk II met als opschrift " De vrijwillige bemiddeling " een artikel 1730 ingevoegd, luidende :
" Art. 1730. § 1. Elke partij mag, onverminderd elke gerechtelijke of arbitrale procedure, voor, tijdens of na een rechtspleging aan de andere partijen voorstellen om een beroep te doen op de bemiddelingsprocedure. De partijen wijzen in onderlinge overeenstemming de bemiddelaar aan of belasten een derde met die aanwijzing.
§ 2. Zo het voorstel bij aangetekende brief wordt verzonden en een aanspraak bevat op een recht, wordt het gelijkgesteld met de ingebrekestelling bedoeld in artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek.
§ 3. In dezelfde omstandigheden schorst het voorstel gedurende een maand de verjaring van de aan dat recht verbonden vordering. "
" Art. 1730. § 1. Elke partij mag, onverminderd elke gerechtelijke of arbitrale procedure, voor, tijdens of na een rechtspleging aan de andere partijen voorstellen om een beroep te doen op de bemiddelingsprocedure. De partijen wijzen in onderlinge overeenstemming de bemiddelaar aan of belasten een derde met die aanwijzing.
§ 2. Zo het voorstel bij aangetekende brief wordt verzonden en een aanspraak bevat op een recht, wordt het gelijkgesteld met de ingebrekestelling bedoeld in artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek.
§ 3. In dezelfde omstandigheden schorst het voorstel gedurende een maand de verjaring van de aan dat recht verbonden vordering. "
Art. 14. Il est inséré dans la même partie sous un Chapitre II intitulé " La médiation volontaire ", un article 1730, rédigé comme suit :
" Art. 1730. § 1er. Toute partie peut proposer aux autres parties, indépendamment de toute procédure judiciaire ou arbitrale, avant, pendant ou après le déroulement d'une procédure judiciaire, de recourir au processus de médiation. Les parties désignent le médiateur de commun accord ou chargent un tiers de cette désignation.
§ 2. Si la proposition est adressée par envoi recommandé et qu'elle contient la réclamation d'un droit, elle est assimilée à la mise en demeure visée à l'article 1153 du Code civil.
§ 3. Dans les mêmes conditions, la proposition suspend le cours de la prescription de l'action attachée à ce droit pendant un mois. "
" Art. 1730. § 1er. Toute partie peut proposer aux autres parties, indépendamment de toute procédure judiciaire ou arbitrale, avant, pendant ou après le déroulement d'une procédure judiciaire, de recourir au processus de médiation. Les parties désignent le médiateur de commun accord ou chargent un tiers de cette désignation.
§ 2. Si la proposition est adressée par envoi recommandé et qu'elle contient la réclamation d'un droit, elle est assimilée à la mise en demeure visée à l'article 1153 du Code civil.
§ 3. Dans les mêmes conditions, la proposition suspend le cours de la prescription de l'action attachée à ce droit pendant un mois. "
Art. 15. In hetzelfde hoofdstuk wordt een artikel 1731 ingevoegd, luidende :
" Art. 1731. § 1. De partijen bepalen onderling, in samenspraak met de bemiddelaar, de nadere regels van het verloop van de bemiddeling, alsmede de duur ervan. Die overeenkomst wordt schriftelijk vastgelegd in een bemiddelingsprotocol dat wordt ondertekend door de partijen en de bemiddelaar. De bemiddelingskosten en erelonen komen gelijkelijk ten laste van de partijen, tenzij die er anders over beslissen.
§ 2. Het bemiddelingsprotocol bevat :
1° de naam en de woonplaats van de partijen en hun raadslieden;
2° de naam, de hoedanigheid en het adres van de bemiddelaar, en in voorkomend geval de vermelding dat de bemiddelaar erkend is door de in artikel 1727 bedoelde commissie;
3° de herinnering aan het principe dat bemiddeling op vrijwillige basis geschiedt;
4° een beknopt overzicht van het geschil;
5° de herinnering aan het principe van vertrouwelijkheid van de mededelingen die tijdens de bemiddeling worden uitgewisseld;
6° de wijze waarop het ereloon van de bemiddelaar, het tarief ervan, alsook de betalingsvoorwaarden worden bepaald;
7° de datum;
8° de ondertekening door de partijen en de bemiddelaar.
§ 3. De ondertekening van het protocol schorst de verjaringstermijn voor de duur van de bemiddeling.
§ 4. Behoudens uitdrukkelijk akkoord van de partijen, eindigt de schorsing van de verjaringstermijn één maand na kennisgeving door een van de partijen, of door de bemiddelaar aan de andere partij of partijen, van hun wil om een einde te maken aan de bemiddeling. Deze kennisgeving gebeurt bij aangetekende brief. "
" Art. 1731. § 1. De partijen bepalen onderling, in samenspraak met de bemiddelaar, de nadere regels van het verloop van de bemiddeling, alsmede de duur ervan. Die overeenkomst wordt schriftelijk vastgelegd in een bemiddelingsprotocol dat wordt ondertekend door de partijen en de bemiddelaar. De bemiddelingskosten en erelonen komen gelijkelijk ten laste van de partijen, tenzij die er anders over beslissen.
§ 2. Het bemiddelingsprotocol bevat :
1° de naam en de woonplaats van de partijen en hun raadslieden;
2° de naam, de hoedanigheid en het adres van de bemiddelaar, en in voorkomend geval de vermelding dat de bemiddelaar erkend is door de in artikel 1727 bedoelde commissie;
3° de herinnering aan het principe dat bemiddeling op vrijwillige basis geschiedt;
4° een beknopt overzicht van het geschil;
5° de herinnering aan het principe van vertrouwelijkheid van de mededelingen die tijdens de bemiddeling worden uitgewisseld;
6° de wijze waarop het ereloon van de bemiddelaar, het tarief ervan, alsook de betalingsvoorwaarden worden bepaald;
7° de datum;
8° de ondertekening door de partijen en de bemiddelaar.
§ 3. De ondertekening van het protocol schorst de verjaringstermijn voor de duur van de bemiddeling.
§ 4. Behoudens uitdrukkelijk akkoord van de partijen, eindigt de schorsing van de verjaringstermijn één maand na kennisgeving door een van de partijen, of door de bemiddelaar aan de andere partij of partijen, van hun wil om een einde te maken aan de bemiddeling. Deze kennisgeving gebeurt bij aangetekende brief. "
Art. 15. Dans le même chapitre, il est inséré un article 1731, rédigé comme suit :
" Art. 1731. § 1er. Les parties définissent entre elles, avec l'aide du médiateur, les modalités d'organisation de la médiation et la durée du processus. Cette convention est consignée par écrit dans un protocole de médiation signé par les parties et par le médiateur. Les frais et honoraires de la médiation sont à charge des parties par parts égales, sauf si elles en décident autrement.
§ 2. Le protocole de médiation contient :
1° le nom et le domicile des parties et de leurs conseils;
2° le nom, la qualité et l'adresse du médiateur, et le cas échéant, la mention que le médiateur est agréé par la commission visée à l'article 1727;
3° le rappel du principe volontaire de la médiation;
4° un exposé succinct du différend;
5° le rappel du principe de la confidentialité des communications échangées dans le cours de la médiation;
6° le mode de fixation et le taux des honoraires du médiateur, ainsi que les modalités de leur paiement;
7° la date;
8° la signature des parties et du médiateur.
§ 3. La signature du protocole suspend le cours de la prescription durant la médiation.
§ 4. Sauf accord exprès des parties, la suspension de la prescription prend fin un mois après la notification faite par l'une des parties ou par le médiateur à l'autre ou aux autres parties de leur volonté de mettre fin à la médiation. Cette notification a lieu par lettre recommandée. "
" Art. 1731. § 1er. Les parties définissent entre elles, avec l'aide du médiateur, les modalités d'organisation de la médiation et la durée du processus. Cette convention est consignée par écrit dans un protocole de médiation signé par les parties et par le médiateur. Les frais et honoraires de la médiation sont à charge des parties par parts égales, sauf si elles en décident autrement.
§ 2. Le protocole de médiation contient :
1° le nom et le domicile des parties et de leurs conseils;
2° le nom, la qualité et l'adresse du médiateur, et le cas échéant, la mention que le médiateur est agréé par la commission visée à l'article 1727;
3° le rappel du principe volontaire de la médiation;
4° un exposé succinct du différend;
5° le rappel du principe de la confidentialité des communications échangées dans le cours de la médiation;
6° le mode de fixation et le taux des honoraires du médiateur, ainsi que les modalités de leur paiement;
7° la date;
8° la signature des parties et du médiateur.
§ 3. La signature du protocole suspend le cours de la prescription durant la médiation.
§ 4. Sauf accord exprès des parties, la suspension de la prescription prend fin un mois après la notification faite par l'une des parties ou par le médiateur à l'autre ou aux autres parties de leur volonté de mettre fin à la médiation. Cette notification a lieu par lettre recommandée. "
Art. 16. In hetzelfde Hoofdstuk wordt een artikel 1732 ingevoegd, luidende :
" Wanneer de partijen tot een bemiddelingsakkoord komen, wordt dat in een gedateerd en door hen en de bemiddelaar ondertekend geschrift vastgelegd. In voorkomend geval wordt melding gemaakt van de erkenning van de bemiddelaar.
Die akte bevat de precieze verbintenissen van elk van de partijen. "
" Wanneer de partijen tot een bemiddelingsakkoord komen, wordt dat in een gedateerd en door hen en de bemiddelaar ondertekend geschrift vastgelegd. In voorkomend geval wordt melding gemaakt van de erkenning van de bemiddelaar.
Die akte bevat de precieze verbintenissen van elk van de partijen. "
Art. 16. Dans le même Chapitre, il est inséré un article 1732, rédigé comme suit :
" Lorsque les parties parviennent à un accord de médiation, celui-ci fait l'objet d'un écrit daté et signé par elles et le médiateur. Le cas échéant, il est fait mention de l'agrément du médiateur.
Cet écrit contient les engagements précis pris par chacune d'elles. "
" Lorsque les parties parviennent à un accord de médiation, celui-ci fait l'objet d'un écrit daté et signé par elles et le médiateur. Le cas échéant, il est fait mention de l'agrément du médiateur.
Cet écrit contient les engagements précis pris par chacune d'elles. "
Art. 17. In hetzelfde Hoofdstuk wordt een artikel 1733 ingevoegd, luidende :
" Art. 1733. In geval van akkoord en indien de bemiddelaar die de bemiddeling leidde erkend is door de commissie bedoeld in artikel 1727, kunnen de partijen of één van hen het bemiddelingsakkoord dat tot stand kwam overeenkomstig de artikelen 1731 en 1732 ter homologatie voorleggen aan de bevoegde rechter. Dit gebeurt overeenkomstig de artikelen 1025 tot 1034. Het verzoek kan echter ondertekend worden door de partijen zelf, indien het uitgaat van alle bij de bemiddeling betrokken partijen. Het bemiddelingsprotocol wordt bij het verzoek gevoegd.
De rechter kan de homologatie van het akkoord alleen weigeren indien het strijdig is met de openbare orde of indien het akkoord dat werd bereikt na een bemiddeling in familiezaken strijdig is met de belangen van de minderjarige kinderen.
De homologatiebeschikking heeft de gevolgen van een vonnis, in de zin van artikel 1043. "
" Art. 1733. In geval van akkoord en indien de bemiddelaar die de bemiddeling leidde erkend is door de commissie bedoeld in artikel 1727, kunnen de partijen of één van hen het bemiddelingsakkoord dat tot stand kwam overeenkomstig de artikelen 1731 en 1732 ter homologatie voorleggen aan de bevoegde rechter. Dit gebeurt overeenkomstig de artikelen 1025 tot 1034. Het verzoek kan echter ondertekend worden door de partijen zelf, indien het uitgaat van alle bij de bemiddeling betrokken partijen. Het bemiddelingsprotocol wordt bij het verzoek gevoegd.
De rechter kan de homologatie van het akkoord alleen weigeren indien het strijdig is met de openbare orde of indien het akkoord dat werd bereikt na een bemiddeling in familiezaken strijdig is met de belangen van de minderjarige kinderen.
De homologatiebeschikking heeft de gevolgen van een vonnis, in de zin van artikel 1043. "
Art. 17. Dans le même Chapitre, il est inséré un article 1733, rédigé comme suit :
" Art. 1733. En cas d'accord, et si le médiateur qui a mené la médiation est agréé par la commission visée à l'article 1727, les parties ou l'une d'elles peuvent soumettre l'accord de médiation obtenu conformément aux articles 1731 et 1732 pour homologation au juge compétent. Il est procédé conformément aux articles 1025 à 1034. La requête peut cependant être signée par les parties elles-mêmes si celle-ci émane de toutes les parties à la médiation. Le protocole de médiation est joint à la requête.
Le juge ne peut refuser l'homologation de l'accord que si celui-ci est contraire à l'ordre public ou si l'accord obtenu à l'issue d'une médiation familiale est contraire à l'intérêt des enfants mineurs.
L'ordonnance d'homologation a les effets d'un jugement au sens de l'article 1043. "
" Art. 1733. En cas d'accord, et si le médiateur qui a mené la médiation est agréé par la commission visée à l'article 1727, les parties ou l'une d'elles peuvent soumettre l'accord de médiation obtenu conformément aux articles 1731 et 1732 pour homologation au juge compétent. Il est procédé conformément aux articles 1025 à 1034. La requête peut cependant être signée par les parties elles-mêmes si celle-ci émane de toutes les parties à la médiation. Le protocole de médiation est joint à la requête.
Le juge ne peut refuser l'homologation de l'accord que si celui-ci est contraire à l'ordre public ou si l'accord obtenu à l'issue d'une médiation familiale est contraire à l'intérêt des enfants mineurs.
L'ordonnance d'homologation a les effets d'un jugement au sens de l'article 1043. "
Art. 18. In hetzelfde deel wordt onder een Hoofdstuk III met als opschrift " De gerechtelijke bemiddeling " een artikel 1734 ingevoegd, luidende :
" Art. 1734. § 1. In elke stand van het geding, alsook in kort geding, behalve voor het Hof van Cassatie en voor de arrondissementsrechtbank, kan de reeds geadieerde rechter, op gezamenlijk verzoek van de partijen, of op eigen initiatief maar met instemming van de partijen, een bemiddeling bevelen, zolang de zaak niet in beraad is genomen. De partijen komen overeen over de naam van de bemiddelaar, die moet erkend zijn door de in artikel 1727 bedoelde commissie.
In afwijking van het vorige lid, kunnen de partijen gemeenschappelijk en op gemotiveerde wijze aan de rechter vragen dat hij een niet-erkende bemiddelaar aanwijst. Tenzij de bemiddelaar die de partijen voorstellen klaarblijkelijk niet voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 1726, willigt de rechter dit verzoek in, indien de partijen aantonen dat geen enkele erkende bemiddelaar beschikbaar is die over de vereiste bekwaamheden beschikt voor die bemiddeling.
§ 2. De beslissing die een bemiddeling beveelt, vermeldt uitdrukkelijk het akkoord van de partijen, de naam, de hoedanigheid en het adres van de bemiddelaar, legt de aanvankelijke duur vast van zijn opdracht, zonder dat die drie maanden kan overschrijden en vermeldt de datum waarop de zaak is verdaagd, die de eerste nuttige datum na het verstrijken van deze termijn is.
§ 3. Uiterlijk tijdens de in § 2 bedoelde zitting informeren de partijen de rechter over de afloop van de bemiddeling. Indien ze niet tot een akkoord zijn gekomen, kunnen ze om een nieuwe termijn verzoeken of vragen dat de procedure wordt voortgezet.
§ 4. De partijen kunnen om een bemiddeling verzoeken, hetzij in de akte van rechtsingang, hetzij tijdens de zitting, hetzij bij een eenvoudig schriftelijk verzoek dat wordt neergelegd bij of gericht is aan de griffie. In dat laatste geval wordt de rechtsdag bepaald binnen vijftien dagen na het verzoek.
De griffier roept de partijen bij gerechtsbrief op en in voorkomend geval hun raadsman bij gewone brief. Indien het over een gezamenlijk verzoek van de partijen gaat, worden zij, en in voorkomend geval hun raadsman, bij gewone brief opgeroepen.
§ 5. Wanneer de partijen er gezamenlijk om verzoeken dat een bemiddeling wordt bevolen, worden de proceduretermijnen die hen werden verleend geschorst vanaf de dag dat zij dat verzoek doen.
In voorkomend geval kunnen de partijen of één van hen om nieuwe termijnen verzoeken voor de instaatstelling van de zaak tijdens de in § 2 of in artikel 1735, § 5, bedoelde zitting. "
" Art. 1734. § 1. In elke stand van het geding, alsook in kort geding, behalve voor het Hof van Cassatie en voor de arrondissementsrechtbank, kan de reeds geadieerde rechter, op gezamenlijk verzoek van de partijen, of op eigen initiatief maar met instemming van de partijen, een bemiddeling bevelen, zolang de zaak niet in beraad is genomen. De partijen komen overeen over de naam van de bemiddelaar, die moet erkend zijn door de in artikel 1727 bedoelde commissie.
In afwijking van het vorige lid, kunnen de partijen gemeenschappelijk en op gemotiveerde wijze aan de rechter vragen dat hij een niet-erkende bemiddelaar aanwijst. Tenzij de bemiddelaar die de partijen voorstellen klaarblijkelijk niet voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 1726, willigt de rechter dit verzoek in, indien de partijen aantonen dat geen enkele erkende bemiddelaar beschikbaar is die over de vereiste bekwaamheden beschikt voor die bemiddeling.
§ 2. De beslissing die een bemiddeling beveelt, vermeldt uitdrukkelijk het akkoord van de partijen, de naam, de hoedanigheid en het adres van de bemiddelaar, legt de aanvankelijke duur vast van zijn opdracht, zonder dat die drie maanden kan overschrijden en vermeldt de datum waarop de zaak is verdaagd, die de eerste nuttige datum na het verstrijken van deze termijn is.
§ 3. Uiterlijk tijdens de in § 2 bedoelde zitting informeren de partijen de rechter over de afloop van de bemiddeling. Indien ze niet tot een akkoord zijn gekomen, kunnen ze om een nieuwe termijn verzoeken of vragen dat de procedure wordt voortgezet.
§ 4. De partijen kunnen om een bemiddeling verzoeken, hetzij in de akte van rechtsingang, hetzij tijdens de zitting, hetzij bij een eenvoudig schriftelijk verzoek dat wordt neergelegd bij of gericht is aan de griffie. In dat laatste geval wordt de rechtsdag bepaald binnen vijftien dagen na het verzoek.
De griffier roept de partijen bij gerechtsbrief op en in voorkomend geval hun raadsman bij gewone brief. Indien het over een gezamenlijk verzoek van de partijen gaat, worden zij, en in voorkomend geval hun raadsman, bij gewone brief opgeroepen.
§ 5. Wanneer de partijen er gezamenlijk om verzoeken dat een bemiddeling wordt bevolen, worden de proceduretermijnen die hen werden verleend geschorst vanaf de dag dat zij dat verzoek doen.
In voorkomend geval kunnen de partijen of één van hen om nieuwe termijnen verzoeken voor de instaatstelling van de zaak tijdens de in § 2 of in artikel 1735, § 5, bedoelde zitting. "
Art. 18. Il est inséré dans la même partie sous un Chapitre III intitulé " La médiation judiciaire ", un article 1734, rédigé comme suit :
" Art. 1734. § 1er. Sauf devant la Cour de cassation et le tribunal d'arrondissement, en tout état de la procédure et ainsi qu'en référé, le juge déjà saisi d'un litige peut, à la demande conjointe des parties ou de sa propre initiative mais avec l'accord de celles-ci, ordonner une médiation, tant que la cause n'a pas été prise en délibéré. Les parties s'accordent sur le nom du médiateur, qui doit être agréé par la commission visée à l'article 1727.
Par dérogation à l'alinéa précédent, les parties peuvent, conjointement et de manière motivée, demander au juge qu'il désigne un médiateur non agréé. Sauf si le médiateur proposé par les parties ne répond manifestement pas aux conditions visées à l'article 1726, le juge fait droit à cette demande si les parties démontrent qu'aucun médiateur agréé présentant les compétences requises pour les besoins de la médiation n'est disponible.
§ 2. La décision qui ordonne une médiation mentionne expressément l'accord des parties, le nom, la qualité et l'adresse du médiateur, fixe la durée initiale de sa mission, sans que celle-ci puisse excéder trois mois, et indique la date à laquelle l'affaire est remise, qui est la première date utile après l'expiration de ce délai.
§ 3. Au plus tard lors de l'audience visée au § 2, les parties informent le juge de l'issue de la médiation. Si elles ne sont pas parvenues à un accord, elles peuvent solliciter un nouveau délai ou demander que la procédure soit poursuivie.
§ 4. Les parties peuvent solliciter une médiation soit dans l'acte introductif d'instance, soit à l'audience, soit par simple demande écrite déposée ou adressée au greffe. Dans cette dernière hypothèse, la cause est fixée dans les quinze jours de la demande.
Le greffier convoque les parties par pli judiciaire, et, le cas échéant, leur conseil par simple pli. S'il s'agit d'une demande conjointe des parties, celles-ci et, le cas échéant, leur conseil, sont convoqués par simple pli.
§ 5. Lorsque les parties sollicitent conjointement qu'une médiation soit ordonnée, les délais de procédure qui leur sont impartis sont suspendus à dater du jour où elles formulent cette demande.
Le cas échéant, les parties ou l'une d'elle peuvent solliciter de nouveaux délais pour la mise en état de la cause à l'audience visée au § 2 ou à l'article 1735, § 5. "
" Art. 1734. § 1er. Sauf devant la Cour de cassation et le tribunal d'arrondissement, en tout état de la procédure et ainsi qu'en référé, le juge déjà saisi d'un litige peut, à la demande conjointe des parties ou de sa propre initiative mais avec l'accord de celles-ci, ordonner une médiation, tant que la cause n'a pas été prise en délibéré. Les parties s'accordent sur le nom du médiateur, qui doit être agréé par la commission visée à l'article 1727.
Par dérogation à l'alinéa précédent, les parties peuvent, conjointement et de manière motivée, demander au juge qu'il désigne un médiateur non agréé. Sauf si le médiateur proposé par les parties ne répond manifestement pas aux conditions visées à l'article 1726, le juge fait droit à cette demande si les parties démontrent qu'aucun médiateur agréé présentant les compétences requises pour les besoins de la médiation n'est disponible.
§ 2. La décision qui ordonne une médiation mentionne expressément l'accord des parties, le nom, la qualité et l'adresse du médiateur, fixe la durée initiale de sa mission, sans que celle-ci puisse excéder trois mois, et indique la date à laquelle l'affaire est remise, qui est la première date utile après l'expiration de ce délai.
§ 3. Au plus tard lors de l'audience visée au § 2, les parties informent le juge de l'issue de la médiation. Si elles ne sont pas parvenues à un accord, elles peuvent solliciter un nouveau délai ou demander que la procédure soit poursuivie.
§ 4. Les parties peuvent solliciter une médiation soit dans l'acte introductif d'instance, soit à l'audience, soit par simple demande écrite déposée ou adressée au greffe. Dans cette dernière hypothèse, la cause est fixée dans les quinze jours de la demande.
Le greffier convoque les parties par pli judiciaire, et, le cas échéant, leur conseil par simple pli. S'il s'agit d'une demande conjointe des parties, celles-ci et, le cas échéant, leur conseil, sont convoqués par simple pli.
§ 5. Lorsque les parties sollicitent conjointement qu'une médiation soit ordonnée, les délais de procédure qui leur sont impartis sont suspendus à dater du jour où elles formulent cette demande.
Le cas échéant, les parties ou l'une d'elle peuvent solliciter de nouveaux délais pour la mise en état de la cause à l'audience visée au § 2 ou à l'article 1735, § 5. "
Art. 19. In hetzelfde Hoofdstuk wordt een artikel 1735 ingevoegd, luidende :
" Art. 1735. § 1. Binnen acht dagen na uitspraak van de beslissing bezorgt de griffie de bemiddelaar bij gerechtsbrief een voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis. Binnen acht dagen brengt de bemiddelaar de rechter en de partijen bij brief op de hoogte van de plaats, de dag en het uur waarop hij zijn opdracht zal aanvatten.
§ 2. De bemiddeling kan betrekking hebben op het hele geschil of op een gedeelte ervan.
§ 3. Gedurende de bemiddeling blijft de rechter geadieerd en kan hij op elk ogenblik elke door hem noodzakelijk geachte maatregel treffen. Op verzoek van de bemiddelaar of van een van de partijen kan hij ook vóór het verstrijken van de vastgestelde termijn een einde maken aan de bemiddeling.
§ 4. Op elk ogenblik van de procedure kan de aangewezen bemiddelaar door een andere erkende bemiddelaar worden vervangen, bij overeenkomst tussen de partijen, die door hen ondertekend wordt en bij het dossier van de procedure wordt gevoegd.
§ 5. De zaak kan vóór de vastgestelde dag weer voor de rechter worden gebracht bij eenvoudige, schriftelijke en ter griffie neergelegde of aan de griffie gerichte verklaring door de partijen of door een van hen. De rechtsdag wordt bepaald binnen vijftien dagen na het verzoek.
De griffier roept de partijen bij gerechtsbrief op en in voorkomend geval hun raadsman bij gewone brief. Indien het over een gezamenlijk verzoek van de partijen gaat, worden zij, en in voorkomend geval hun raadsman, bij gewone brief opgeroepen. "
" Art. 1735. § 1. Binnen acht dagen na uitspraak van de beslissing bezorgt de griffie de bemiddelaar bij gerechtsbrief een voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis. Binnen acht dagen brengt de bemiddelaar de rechter en de partijen bij brief op de hoogte van de plaats, de dag en het uur waarop hij zijn opdracht zal aanvatten.
§ 2. De bemiddeling kan betrekking hebben op het hele geschil of op een gedeelte ervan.
§ 3. Gedurende de bemiddeling blijft de rechter geadieerd en kan hij op elk ogenblik elke door hem noodzakelijk geachte maatregel treffen. Op verzoek van de bemiddelaar of van een van de partijen kan hij ook vóór het verstrijken van de vastgestelde termijn een einde maken aan de bemiddeling.
§ 4. Op elk ogenblik van de procedure kan de aangewezen bemiddelaar door een andere erkende bemiddelaar worden vervangen, bij overeenkomst tussen de partijen, die door hen ondertekend wordt en bij het dossier van de procedure wordt gevoegd.
§ 5. De zaak kan vóór de vastgestelde dag weer voor de rechter worden gebracht bij eenvoudige, schriftelijke en ter griffie neergelegde of aan de griffie gerichte verklaring door de partijen of door een van hen. De rechtsdag wordt bepaald binnen vijftien dagen na het verzoek.
De griffier roept de partijen bij gerechtsbrief op en in voorkomend geval hun raadsman bij gewone brief. Indien het over een gezamenlijk verzoek van de partijen gaat, worden zij, en in voorkomend geval hun raadsman, bij gewone brief opgeroepen. "
Art. 19. Dans le même Chapitre, il est inséré un article 1735, rédigé comme suit :
" Art. 1735. § 1er. Dans les huit jours du prononcé de la décision, le greffe envoie au médiateur sous pli judiciaire une copie certifiée conforme du jugement. Dans les huit jours, le médiateur avise par lettre le juge et les parties des lieu, jour et heure où il commencera sa mission.
§ 2. La médiation peut porter sur tout ou partie du litige.
§ 3. Le juge reste saisi durant la médiation et peut, à tout moment, prendre toute mesure qui lui paraît nécessaire. Il peut aussi, à la demande du médiateur ou de l'une des parties, mettre fin à la médiation avant l'expiration du délai fixé.
§ 4. De l'accord des parties, le médiateur désigné peut, à tout moment de la procédure, être remplacé par un autre médiateur agréé. Cet accord est signé par les parties et versé au dossier de la procédure.
§ 5. La cause peut être ramenée devant le juge avant le jour fixé par simple déclaration écrite déposée ou adressée au greffe par les parties ou l'une d'elles. La cause est fixée dans les quinze jours de la demande.
Le greffier convoque les parties par pli judiciaire, et, le cas échéant, leur conseil par simple pli. S'il s'agit d'une demande conjointe des parties, celles-ci et le cas échéant, leur conseil, sont convoqués par simple pli. "
" Art. 1735. § 1er. Dans les huit jours du prononcé de la décision, le greffe envoie au médiateur sous pli judiciaire une copie certifiée conforme du jugement. Dans les huit jours, le médiateur avise par lettre le juge et les parties des lieu, jour et heure où il commencera sa mission.
§ 2. La médiation peut porter sur tout ou partie du litige.
§ 3. Le juge reste saisi durant la médiation et peut, à tout moment, prendre toute mesure qui lui paraît nécessaire. Il peut aussi, à la demande du médiateur ou de l'une des parties, mettre fin à la médiation avant l'expiration du délai fixé.
§ 4. De l'accord des parties, le médiateur désigné peut, à tout moment de la procédure, être remplacé par un autre médiateur agréé. Cet accord est signé par les parties et versé au dossier de la procédure.
§ 5. La cause peut être ramenée devant le juge avant le jour fixé par simple déclaration écrite déposée ou adressée au greffe par les parties ou l'une d'elles. La cause est fixée dans les quinze jours de la demande.
Le greffier convoque les parties par pli judiciaire, et, le cas échéant, leur conseil par simple pli. S'il s'agit d'une demande conjointe des parties, celles-ci et le cas échéant, leur conseil, sont convoqués par simple pli. "
Art. 20. In hetzelfde Hoofdstuk wordt een artikel 1736 ingevoegd, luidende :
" Art. 1736. De bemiddeling verloopt overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 1731 en 1732.
Bij afloop van zijn opdracht meldt de bemiddelaar de rechter schriftelijk of de partijen al dan niet tot een akkoord zijn gekomen.
Zo de bemiddeling tot een, zelfs gedeeltelijk bemiddelingsakkoord leidt, kunnen de partijen of één van hen overeenkomstig artikel 1043 de rechter verzoeken dat akkoord te homologeren.
De rechter kan de homologatie van het akkoord alleen weigeren indien het strijdig is met de openbare orde of indien het akkoord dat bekomen werd na een bemiddeling in familiezaken strijdig is met het belang van de minderjarige kinderen.
Zo de bemiddeling niet tot een volledig bemiddelingsakkoord heeft geleid, wordt de procedure op de vastgestelde dag voortgezet, maar behoudt de rechter de mogelijkheid om, zo hij dat opportuun acht en alle partijen ermee instemmen, de opdracht van de bemiddelaar voor een door hem bepaalde termijn te verlengen. "
" Art. 1736. De bemiddeling verloopt overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 1731 en 1732.
Bij afloop van zijn opdracht meldt de bemiddelaar de rechter schriftelijk of de partijen al dan niet tot een akkoord zijn gekomen.
Zo de bemiddeling tot een, zelfs gedeeltelijk bemiddelingsakkoord leidt, kunnen de partijen of één van hen overeenkomstig artikel 1043 de rechter verzoeken dat akkoord te homologeren.
De rechter kan de homologatie van het akkoord alleen weigeren indien het strijdig is met de openbare orde of indien het akkoord dat bekomen werd na een bemiddeling in familiezaken strijdig is met het belang van de minderjarige kinderen.
Zo de bemiddeling niet tot een volledig bemiddelingsakkoord heeft geleid, wordt de procedure op de vastgestelde dag voortgezet, maar behoudt de rechter de mogelijkheid om, zo hij dat opportuun acht en alle partijen ermee instemmen, de opdracht van de bemiddelaar voor een door hem bepaalde termijn te verlengen. "
Art. 20. Dans le même Chapitre, il est inséré un article 1736, rédigé comme suit :
" Art. 1736. La médiation se déroule conformément aux dispositions des articles 1731 et 1732.
A l'expiration de sa mission, le médiateur informe par écrit le juge de ce que les parties sont ou non parvenues à trouver un accord.
Si la médiation a donné lieu à la conclusion d'un accord de médiation, fût-il partiel, les parties ou l'une d'elles peuvent, conformément à l'article 1043, demander au juge de l'homologuer.
Le juge ne peut refuser l'homologation de l'accord que si celui-ci est contraire à l'ordre public ou si l'accord obtenu à l'issue d'une médiation familiale est contraire à l'intérêt des enfants mineur.
Si la médiation n'a pas donné lieu à la conclusion d'un accord de médiation complet, la procédure est poursuivie au jour fixé, sans préjudice de la faculté pour le juge, s'il l'estime opportun et moyennant l'accord de toutes les parties, de prolonger la mission du médiateur pour un délai qu'il détermine. "
" Art. 1736. La médiation se déroule conformément aux dispositions des articles 1731 et 1732.
A l'expiration de sa mission, le médiateur informe par écrit le juge de ce que les parties sont ou non parvenues à trouver un accord.
Si la médiation a donné lieu à la conclusion d'un accord de médiation, fût-il partiel, les parties ou l'une d'elles peuvent, conformément à l'article 1043, demander au juge de l'homologuer.
Le juge ne peut refuser l'homologation de l'accord que si celui-ci est contraire à l'ordre public ou si l'accord obtenu à l'issue d'une médiation familiale est contraire à l'intérêt des enfants mineur.
Si la médiation n'a pas donné lieu à la conclusion d'un accord de médiation complet, la procédure est poursuivie au jour fixé, sans préjudice de la faculté pour le juge, s'il l'estime opportun et moyennant l'accord de toutes les parties, de prolonger la mission du médiateur pour un délai qu'il détermine. "
Art. 21. In hetzelfde hoofdstuk wordt een artikel 1737 ingevoegd, luidende :
" Art. 1737. Er is geen voorziening mogelijk tegen de beslissing waarbij de bemiddeling wordt bevolen, verlengd of beëindigd. "
" Art. 1737. Er is geen voorziening mogelijk tegen de beslissing waarbij de bemiddeling wordt bevolen, verlengd of beëindigd. "
Art. 21. Dans le même chapitre, il est inséré un article 1737, rédigé comme suit :
" Art. 1737. La décision ordonnant, prolongeant ou mettant fin à la médiation n'est pas susceptible de recours. "
" Art. 1737. La décision ordonnant, prolongeant ou mettant fin à la médiation n'est pas susceptible de recours. "
Art. 22. Hoofdstuk Ibis, van Titel II, Boek II, deel IV, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 februari 2001, wordt opgeheven.
Art. 22. Le chapitre Ierbis du Titre II, Livre II, partie IV, du même Code, inséré par la loi du 19 février 2001, est abrogé.
Art. 23. Artikel 1017, vierde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 februari 2001, wordt opgeheven.
Art. 23. L'article 1017, alinéa 4, du même Code, inséré par la loi du 19 février 2001, est abrogé.
Art. 24. De artikelen 4, tweede lid, en 11 van de wet van 19 februari 2001 betreffende de proceduregebonden bemiddeling in familiezaken, worden opgeheven.
Art. 24. Les articles 4, alinéa 2, et 11 de la loi du 19 février 2001 relative à la médiation en matière familiale dans le cadre d'une procédure judiciaire, sont abrogés.
Art. 25. § 1. De Koning bepaalt de datum waarop deze wet in werking zal treden. Dit laatste zal uiterlijk gebeuren de laatste dag van de zesde maand die volgt op de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad.
In afwijking van het vorige lid, zullen de artikelen 1, 11 en 25 in werking treden op de dag van de bekendmaking van de wet in het Belgisch Staatsblad.
(NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 2 tot 10 en van 12 tot 25, vastgesteld op 30-09-2005 door KB %%2005-09-22/30, art. 1)
§ 2. Gedurende een periode van één jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van de wet, kunnen de bemiddelaars van de instanties die erkend zijn door de in artikel 11 bedoelde commissie een tijdelijke erkenning bekomen.
Deze tijdelijke erkenning vervangt de erkenning door de in artikel 11 bedoelde commissie en is geldig voor een periode van twee jaar vanaf de datum waarop ze wordt verleend.
Van bij haar oprichting erkent de commissie de instanties die een tijdelijke erkenning kunnen toestaan. De instanties die er om verzoeken en van wie de commissie van oordeel is dat ze voldoende waarborgen bieden om alleen bemiddelaars te erkennen die beantwoorden aan de voorwaarden voorzien in artikel 10 kunnen het voorwerp zijn van een erkenning.
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 21 februari 2005.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Justitie,
Mevr. L. ONKELINX
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
Mevr. L. ONKELINX.
In afwijking van het vorige lid, zullen de artikelen 1, 11 en 25 in werking treden op de dag van de bekendmaking van de wet in het Belgisch Staatsblad.
(NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 2 tot 10 en van 12 tot 25, vastgesteld op 30-09-2005 door KB %%2005-09-22/30, art. 1)
§ 2. Gedurende een periode van één jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van de wet, kunnen de bemiddelaars van de instanties die erkend zijn door de in artikel 11 bedoelde commissie een tijdelijke erkenning bekomen.
Deze tijdelijke erkenning vervangt de erkenning door de in artikel 11 bedoelde commissie en is geldig voor een periode van twee jaar vanaf de datum waarop ze wordt verleend.
Van bij haar oprichting erkent de commissie de instanties die een tijdelijke erkenning kunnen toestaan. De instanties die er om verzoeken en van wie de commissie van oordeel is dat ze voldoende waarborgen bieden om alleen bemiddelaars te erkennen die beantwoorden aan de voorwaarden voorzien in artikel 10 kunnen het voorwerp zijn van een erkenning.
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 21 februari 2005.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Justitie,
Mevr. L. ONKELINX
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
Mevr. L. ONKELINX.
Art. 25. § 1er. Le Roi fixe la date d'entrée en vigueur de la présente loi. Celle-ci a lieu au plus tard le dernier jour du sixième mois qui suit celui de la publication de la présente loi au Moniteur belge.
Par dérogation à l'alinéa précédent, les articles 1er, 11 et 25 entrent en vigueur le jour de la publication de la loi au Moniteur belge.
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 2 à 10 et 12 à 25, fixée le 30-09-2005 par AR 2005-09-22/30, art. 1)
§ 2. Pendant une période d'un an à dater de l'entrée en vigueur de la loi, les médiateurs peuvent recevoir un agrément temporaire des instances reconnues par la commission visée à l'article 11.
Cet agrément temporaire remplace l'agrément de la commission visée à l'article 11 et est valable pour une période de deux années à dater du jour où il est octroyé.
Dès sa constitution, la commission reconnaît les instances qui peuvent accorder un agrément temporaire. Peuvent faire l'objet d'une reconnaissance les instances qui le sollicitent et dont la commission estime qu'elles présentent des garanties suffisantes pour agréer uniquement des médiateurs qui répondent aux conditions prévues à l'article 10.
Promulguons la présente loi, ordonnons qu'elle soi revêtue du sceau au de l'Etat et publiée par le Moniteur belge.
Donné à Bruxelles, le 21 février 2005.
ALBERT
Par le Roi :
La Ministre de la Justice,
Mme L. ONKELINX
Scellé du sceau de l'Etat :
La Ministre de la Justice,
Mme L. ONKELINX.
Par dérogation à l'alinéa précédent, les articles 1er, 11 et 25 entrent en vigueur le jour de la publication de la loi au Moniteur belge.
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 2 à 10 et 12 à 25, fixée le 30-09-2005 par AR 2005-09-22/30, art. 1)
§ 2. Pendant une période d'un an à dater de l'entrée en vigueur de la loi, les médiateurs peuvent recevoir un agrément temporaire des instances reconnues par la commission visée à l'article 11.
Cet agrément temporaire remplace l'agrément de la commission visée à l'article 11 et est valable pour une période de deux années à dater du jour où il est octroyé.
Dès sa constitution, la commission reconnaît les instances qui peuvent accorder un agrément temporaire. Peuvent faire l'objet d'une reconnaissance les instances qui le sollicitent et dont la commission estime qu'elles présentent des garanties suffisantes pour agréer uniquement des médiateurs qui répondent aux conditions prévues à l'article 10.
Promulguons la présente loi, ordonnons qu'elle soi revêtue du sceau au de l'Etat et publiée par le Moniteur belge.
Donné à Bruxelles, le 21 février 2005.
ALBERT
Par le Roi :
La Ministre de la Justice,
Mme L. ONKELINX
Scellé du sceau de l'Etat :
La Ministre de la Justice,
Mme L. ONKELINX.