Artikel 1. Oprichting van de installatie.
De bouw en exploitatie van de Europese Synchrotronstralingsinstallatie worden toevertrouwd aan een Burgerlijke Vennootschap, hierna te noemen " de Vennootschap " naar Frans recht, voor zover hiervan niet wordt afgeweken in de Overeenkomst en de daaraan gehechte Statuten. De Vennootschap verricht uitsluitend activiteiten van vredelievende aard. De toetredende leden van de Vennootschap, hierna te noemen " de Leden ", zijn rechtspersonen, en wel de geëigende instellingen die met dat doel aangewezen worden door elke Overeenkomstsluitende Partij.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
16 DECEMBER 1988. - Overeenkomst betreffende de bouw en exploitatie van een Europese Synchrotronstralingsinstallatie. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 11-08-2004 en tekstbijwerking tot 08-10-2019)
Titre
16 DECEMBRE 1988. - Convention relative à la construction et à l'exploitation d'une installation européenne de rayonnement synchrotron. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 11-08-2004 et mise à jour au 08-10-2019)
Dokumentinformationen
Numac: 2004A15109
Datum: 1988-12-16
Info du document
Numac: 2004A15109
Date: 1988-12-16
Tekst (19)
Texte (19)
Article 1. Création de l'installation.
La construction et l'exploitation de l'Installation européenne de Rayonnement Synchrotron sont confiées à une société civile ci-après dénommée " la Société " relevant de la loi française, sous réserve des dispositions particulières de la présente Convention et des Statuts qui lui sont annexés. La Société n'entreprend que des activités à des fins pacifiques. Les membres de la Société, appelés ci-après " les Membres ", sont les organismes appropriés, désignés à cet effet par chacune des Parties Contractantes.
La construction et l'exploitation de l'Installation européenne de Rayonnement Synchrotron sont confiées à une société civile ci-après dénommée " la Société " relevant de la loi française, sous réserve des dispositions particulières de la présente Convention et des Statuts qui lui sont annexés. La Société n'entreprend que des activités à des fins pacifiques. Les membres de la Société, appelés ci-après " les Membres ", sont les organismes appropriés, désignés à cet effet par chacune des Parties Contractantes.
Art. 2. Benaming en maatschappelijke zetel.
De Vennootschap draagt de benaming " Europese Synchrotronstralingsinstallatie " (European Synchrotron Radiation Facility), in het kort ESRF, en de maatschappelijke zetel is gevestigd te Grenoble.
De Vennootschap draagt de benaming " Europese Synchrotronstralingsinstallatie " (European Synchrotron Radiation Facility), in het kort ESRF, en de maatschappelijke zetel is gevestigd te Grenoble.
Art. 2. Dénomination et siège.
La Société a pour dénomination " Installation européenne de Rayonnement Synchrotron " (European Synchrotron Radiation Facility) et son siège social est établi à Grenoble.
La Société a pour dénomination " Installation européenne de Rayonnement Synchrotron " (European Synchrotron Radiation Facility) et son siège social est établi à Grenoble.
Art. 3. Organen.
1. De organen van de Vennootschap zijn de Raad en de Directeur-generaal.
2. Vertegenwoordigers bij de Raad worden benoemd en van hun mandaat ontheven overeenkomstig een procedure die zal worden vastgelegd door elke betrokken Overeenkomstsluitende Partij. Deze procedure moet waarborgen dat de Raad kan optreden als de algemene vergadering van de Leden van de Vennootschap. Elke Overeenkomstsluitende Partij doet het nodige om het Secretariaat van de Raad schriftelijk in kennis te stellen van elke benoeming of ontheffing van mandaat.
3. Een eminent wetenschapper wordt door de Raad benoemd tot Directeur-generaal van de Vennootschap.
1. De organen van de Vennootschap zijn de Raad en de Directeur-generaal.
2. Vertegenwoordigers bij de Raad worden benoemd en van hun mandaat ontheven overeenkomstig een procedure die zal worden vastgelegd door elke betrokken Overeenkomstsluitende Partij. Deze procedure moet waarborgen dat de Raad kan optreden als de algemene vergadering van de Leden van de Vennootschap. Elke Overeenkomstsluitende Partij doet het nodige om het Secretariaat van de Raad schriftelijk in kennis te stellen van elke benoeming of ontheffing van mandaat.
3. Een eminent wetenschapper wordt door de Raad benoemd tot Directeur-generaal van de Vennootschap.
Art. 3. Organes.
1. Les organes de la Société sont le Conseil et le Directeur général.
2. Les délégués au Conseil sont nommés et révoqués, conformément à une procédure qui sera déterminée par chaque Partie Contractante concernée. Cette procédure doit être telle que le Conseil puisse agir en tant qu'assemblée générale des Membres de la Société. Chaque Partie Contractante prend les dispositions nécessaires pour informer le secrétariat du Conseil par écrit de toute nomination ou révocation.
3. La Société a pour directeur général un scientifique éminent nommé par le Conseil.
1. Les organes de la Société sont le Conseil et le Directeur général.
2. Les délégués au Conseil sont nommés et révoqués, conformément à une procédure qui sera déterminée par chaque Partie Contractante concernée. Cette procédure doit être telle que le Conseil puisse agir en tant qu'assemblée générale des Membres de la Société. Chaque Partie Contractante prend les dispositions nécessaires pour informer le secrétariat du Conseil par écrit de toute nomination ou révocation.
3. La Société a pour directeur général un scientifique éminent nommé par le Conseil.
Art. 4. Verkeer van personen en wetenschappelijke uitrusting.
1. Met inachtneming van de vereisten inzake openbare orde en veiligheid, verbindt elke Overeenkomstsluitende Partij er zich toe op haar rechtsgebied het verkeer en verblijf te vergemakkelijken van onderdanen uit de landen van de Overeenkomstsluitende Partijen, die zijn tewerkgesteld of gedetacheerd bij de Vennootschap of die voor hun onderzoek gebruik maken van de installaties van de Vennootschap.
2. Elke Overeenkomstsluitende Partij verbindt er zich toe op haar rechtsgebied de aflevering te vergemakkelijken van documenten nodig voor de tijdelijke invoer van wetenschappelijke uitrusting en monsters voor onderzoek waarbij gebruik wordt gemaakt van de installaties van de Vennootschap.
1. Met inachtneming van de vereisten inzake openbare orde en veiligheid, verbindt elke Overeenkomstsluitende Partij er zich toe op haar rechtsgebied het verkeer en verblijf te vergemakkelijken van onderdanen uit de landen van de Overeenkomstsluitende Partijen, die zijn tewerkgesteld of gedetacheerd bij de Vennootschap of die voor hun onderzoek gebruik maken van de installaties van de Vennootschap.
2. Elke Overeenkomstsluitende Partij verbindt er zich toe op haar rechtsgebied de aflevering te vergemakkelijken van documenten nodig voor de tijdelijke invoer van wetenschappelijke uitrusting en monsters voor onderzoek waarbij gebruik wordt gemaakt van de installaties van de Vennootschap.
Art. 4. Circulation des personnes et des équipements scientifiques.
1. Sous réserve des exigences de l'ordre public et de la sécurité, chaque Partie Contractante s'engage, dans les limites de sa compétence, à faciliter la circulation et le séjour des nationaux des Etats des Parties Contractantes employés par la Société ou détachés auprès d'elle, ou faisant des recherches en utilisant les installations de la Société.
2. Chaque Partie Contractante s'engage, dans la limite de sa compétence, à faciliter la délivrance des documents de transit nécessaires pour l'importation temporaire d'équipements scientifiques et d'échantillons destinés à être utilisés dans des recherches utilisant les installations de la Société.
1. Sous réserve des exigences de l'ordre public et de la sécurité, chaque Partie Contractante s'engage, dans les limites de sa compétence, à faciliter la circulation et le séjour des nationaux des Etats des Parties Contractantes employés par la Société ou détachés auprès d'elle, ou faisant des recherches en utilisant les installations de la Société.
2. Chaque Partie Contractante s'engage, dans la limite de sa compétence, à faciliter la délivrance des documents de transit nécessaires pour l'importation temporaire d'équipements scientifiques et d'échantillons destinés à être utilisés dans des recherches utilisant les installations de la Société.
Art. 5. Financiering.
1. Elke Overeenkomstsluitende Partij verbindt er zich toe de Leden voor wie ze verantwoordelijk is een jaarlijkse toelage beschikbaar te stellen die hun bijdrage in de uitgaven van de Vennootschap dekt.
2. De bouwkosten zoals bepaald in punt 3 hieronder, betreffen een installatie met dertig bundellijnen waarvan de specifieke kenmerken werden uiteengezet in Bijlage 2. De bouwperiode is in twee fases verdeeld. Tijdens de eerste fase bouwt en stelt de Vennootschap de synchrotronstralingsbron en minstens zeven bundellijnen in werking. Tijdens de tweede fase exploiteert de Vennootschap de bron en stelt geleidelijk de overige bundellijnen in werking. De eerste fase mag normaal niet meer dan zes en een half jaar in beslag nemen, te rekenen vanaf de begindatum van de bouwwerken. Ze zal eindigen op de datum vastgelegd door de Raad, overeenkomstig de specificaties die zijn uiteengezet in Bijlagen 2, of op de datum waarop de maximumuitgaven zijn bereikt waarvan sprake in punt 4 (a) hieronder naargelang welke datum het eerst voorkomt. De tweede fase moet normaal nog eens vier en een half jaar duren, te rekenen vanaf het einde van de eerste fase.
3. De " bouwkosten " vormen de som van :
(a) alle uitgaven tijdens de eerste fase;
(b) dat gedeelte van de uitgaven tijdens de tweede fase die verschuldigd zijn ingevolge de voltooiing van de inwerkingstelling van de bron, de bouw van de overige bundellijnen en de hiermee samenhangende aanpassing van de bron.
4. De bouwkosten mogen gerekend tegen de op 1 januari 1987 geldende prijzen, niet meer bedragen dan :
(a) 2,2 miljard Franse frank tijdens de eerste fase;
(b) 400 miljoen Franse frank tijdens de tweede fase.
5. In Bijlage 3 is een tabel opgenomen met de begrote jaarlijkse uitgaven.
6. De Raad evalueert ten minste eenmaal per jaar de reële en geplande bouwkosten. Indien op onverschillig welk ogenblik de Raad meent dat de bron en de bundellijnen mogelijkerwijs niet naar behoren zullen zijn voltooid, rekening houdend met de maximumuitgaven gedefinieerd in punt 4 en de specifieke kenmerken uiteengezet in Bijlage 2, moet de Raad, op advies van de Directeur-generaal, kostenbeperkende maatregelen nemen om zeker te zijn dat aldus deze maximumuitgaven niet worden overschreden.
7. In uitzonderlijke omstandigheden mag de Raad eenparig een wijziging goedkeuren van de bouwkosten.
1. Elke Overeenkomstsluitende Partij verbindt er zich toe de Leden voor wie ze verantwoordelijk is een jaarlijkse toelage beschikbaar te stellen die hun bijdrage in de uitgaven van de Vennootschap dekt.
2. De bouwkosten zoals bepaald in punt 3 hieronder, betreffen een installatie met dertig bundellijnen waarvan de specifieke kenmerken werden uiteengezet in Bijlage 2. De bouwperiode is in twee fases verdeeld. Tijdens de eerste fase bouwt en stelt de Vennootschap de synchrotronstralingsbron en minstens zeven bundellijnen in werking. Tijdens de tweede fase exploiteert de Vennootschap de bron en stelt geleidelijk de overige bundellijnen in werking. De eerste fase mag normaal niet meer dan zes en een half jaar in beslag nemen, te rekenen vanaf de begindatum van de bouwwerken. Ze zal eindigen op de datum vastgelegd door de Raad, overeenkomstig de specificaties die zijn uiteengezet in Bijlagen 2, of op de datum waarop de maximumuitgaven zijn bereikt waarvan sprake in punt 4 (a) hieronder naargelang welke datum het eerst voorkomt. De tweede fase moet normaal nog eens vier en een half jaar duren, te rekenen vanaf het einde van de eerste fase.
3. De " bouwkosten " vormen de som van :
(a) alle uitgaven tijdens de eerste fase;
(b) dat gedeelte van de uitgaven tijdens de tweede fase die verschuldigd zijn ingevolge de voltooiing van de inwerkingstelling van de bron, de bouw van de overige bundellijnen en de hiermee samenhangende aanpassing van de bron.
4. De bouwkosten mogen gerekend tegen de op 1 januari 1987 geldende prijzen, niet meer bedragen dan :
(a) 2,2 miljard Franse frank tijdens de eerste fase;
(b) 400 miljoen Franse frank tijdens de tweede fase.
5. In Bijlage 3 is een tabel opgenomen met de begrote jaarlijkse uitgaven.
6. De Raad evalueert ten minste eenmaal per jaar de reële en geplande bouwkosten. Indien op onverschillig welk ogenblik de Raad meent dat de bron en de bundellijnen mogelijkerwijs niet naar behoren zullen zijn voltooid, rekening houdend met de maximumuitgaven gedefinieerd in punt 4 en de specifieke kenmerken uiteengezet in Bijlage 2, moet de Raad, op advies van de Directeur-generaal, kostenbeperkende maatregelen nemen om zeker te zijn dat aldus deze maximumuitgaven niet worden overschreden.
7. In uitzonderlijke omstandigheden mag de Raad eenparig een wijziging goedkeuren van de bouwkosten.
Art. 5. Financement.
1. Chaque Partie Contractante s'engage à mettre à la disposition des Membres dont elle est responsable une subvention annuelle couvrant leurs contributions aux dépenses de la Société.
2. Les coûts de construction, tels que définis au paragraphe 3 ci-après, couvrent une installation avec trente lignes de lumière, dont les spécifications techniques escomptées sont exposées à l'annexe 2. La période de construction est divisée en deux phases. Pendant la phase 1, la Société construit et met en service la source de rayonnement synchrotron et au moins sept lignes de lumière. Pendant la phase 2, la Société exploite la source et met progressivement en service les autres lignes de lumière. La phase 1 ne doit normalement pas dépasser six ans et demi à partir de la date de début de la construction. Elle prendra fin à la date décidée par le Conseil par référence aux objectifs dont les spécifications techniques escomptées sont exposées en annexe 2 ou à la date à laquelle le plafond des coûts de construction spécifiés au paragraphe 4 (a) ci-après a été atteint si celle-ci intervient la première. La phase 2 doit normalement s'étendre sur quatre ans et demi supplémentaires à partir de la fin de la phase 1.
3. Les " coûts de construction " sont la somme de :
(a) toutes les dépenses exposées pendant la phase 1;
(b) la partie des dépenses exposées pendant la phase 2 qui sont due à l'achèvement de la mise en service de la source, à la construction des lignes de lumière complémentaires et à la modification correspondante de la justice.
4. Les coûts de construction ne doivent pas excéder, en prix de référence au 1er janvier 1987 :
(a) pendant la phase 1 : 2,2 milliards de francs français;
(b) pendant la phase 2 : 400 millions de francs français.
5. Un tableau montrant la répartition annuelle estimée des dépenses est joint en annexe 3.
6. Le Conseil procède au moins une fois par an à la révision des coûts de construction. S'il apparaît au Conseil à quelque moment que ce soit que la source et les lignes de lumière peuvent ne pas être achevées de manière satisfaisante et prenant en compte les limites de coûts définis au paragraphe 4 ci-dessous, et les spécifications escomptées exposées en annexe 2, alors le Conseil détermine, après avis du Directeur Général, les mesures visant à restreindre les coûts pour s'assurer que ces limites ne seront pas dépassées.
7. En cas de circonstances exceptionnelles, le Conseil, statuant à l'unanimité, peut approuver une modification des coûts de construction.
1. Chaque Partie Contractante s'engage à mettre à la disposition des Membres dont elle est responsable une subvention annuelle couvrant leurs contributions aux dépenses de la Société.
2. Les coûts de construction, tels que définis au paragraphe 3 ci-après, couvrent une installation avec trente lignes de lumière, dont les spécifications techniques escomptées sont exposées à l'annexe 2. La période de construction est divisée en deux phases. Pendant la phase 1, la Société construit et met en service la source de rayonnement synchrotron et au moins sept lignes de lumière. Pendant la phase 2, la Société exploite la source et met progressivement en service les autres lignes de lumière. La phase 1 ne doit normalement pas dépasser six ans et demi à partir de la date de début de la construction. Elle prendra fin à la date décidée par le Conseil par référence aux objectifs dont les spécifications techniques escomptées sont exposées en annexe 2 ou à la date à laquelle le plafond des coûts de construction spécifiés au paragraphe 4 (a) ci-après a été atteint si celle-ci intervient la première. La phase 2 doit normalement s'étendre sur quatre ans et demi supplémentaires à partir de la fin de la phase 1.
3. Les " coûts de construction " sont la somme de :
(a) toutes les dépenses exposées pendant la phase 1;
(b) la partie des dépenses exposées pendant la phase 2 qui sont due à l'achèvement de la mise en service de la source, à la construction des lignes de lumière complémentaires et à la modification correspondante de la justice.
4. Les coûts de construction ne doivent pas excéder, en prix de référence au 1er janvier 1987 :
(a) pendant la phase 1 : 2,2 milliards de francs français;
(b) pendant la phase 2 : 400 millions de francs français.
5. Un tableau montrant la répartition annuelle estimée des dépenses est joint en annexe 3.
6. Le Conseil procède au moins une fois par an à la révision des coûts de construction. S'il apparaît au Conseil à quelque moment que ce soit que la source et les lignes de lumière peuvent ne pas être achevées de manière satisfaisante et prenant en compte les limites de coûts définis au paragraphe 4 ci-dessous, et les spécifications escomptées exposées en annexe 2, alors le Conseil détermine, après avis du Directeur Général, les mesures visant à restreindre les coûts pour s'assurer que ces limites ne seront pas dépassées.
7. En cas de circonstances exceptionnelles, le Conseil, statuant à l'unanimité, peut approuver une modification des coûts de construction.
Art. 6. 1. De Franse Overeenkomstsluitende Partij stelt het terrein in Grenoble, zoals aangegeven op de plattegrond opgenomen in bijlage 4, volledig kosteloos en bouwrijp ter beschikking van de Vennootschap.
2. De Leden dragen bij in de bouwkosten, exclusief BTW, in de volgende verhoudingen :
- 33 % voor Leden van de Franse Republiek (inclusief een terreinpremie van 10 %);
- 23 % voor Leden van de Bondsrepubliek Duitsland;
- 14 % voor Leden van de Italiaanse Republiek;
- 12 % voor Leden van het Verenigd Koninkrijk;
- 6 % in totaal voor Leden van het Koninkrijk België en het Koninkrijk der Nederlanden;
- 4 % voor Leden van het Koninkrijk Spanje;
- 4 % in totaal voor Leden van het Koninkrijk Denemarken, de Republiek Finland, het Koninkrijk Noorwegen en het Koninkrijk Zweden;
- 4 % voor Leden van de Zwitserse Bondsstaat.
Verhogingen van bijdragen van de Overeenkomstsluitende Partijen of bijdragen van Regeringen die tot deze Overeenkomst toetreden overeenkomstig artikel 12, worden gebruikt om de bijdrage van Leden van iedere Overeenkomstsluitende Partij die meer bedraagt dan 4 %, te verminderen met een bedrag evenredig aan hun bijdrage op dat ogenblik, de terreinpremie van 10 % buiten beschouwing gelaten.
3. [1 De Leden zullen bijdragen in de operationele kosten, exclusief BTW, en wel in de volgende verhoudingen:
27,5 procent voor de Leden van de Franse Republiek (inclusief een vestigingspremie van 2 procent),
24 procent voor de Leden van de Bondsrepubliek Duitsland,
13,2 procent voor de Leden van de Italiaanse Republiek;
10,5 procent voor de Leden van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,
6 procent voor de Leden van de Russische Federatie;
5,8 procent voor de Leden van het Koninkrijk België en het Koninkrijk der Nederlanden;
5 procent voor de Leden van het Koninkrijk Denemarken, de Republiek Finland, het Koninkrijk Noorwegen en het Koninkrijk Zweden;
4 procent voor de Leden van het Koninkrijk Spanje;
4 procent voor de Leden van de Zwitserse Bondsstaat.
Er zullen verhogingen van de bijdragen van de Overeenkomstsluitende Partijen of bijdragen van tot dit Verdrag toetredende Regeringen worden toegepast in overeenstemming met artikel 12, om de bijdrage van de Franse Leden naar evenredigheid te verlagen tot 26 procent, en nadat dit niveau is bereikt, om de bijdrage te verminderen van de Leden van elke Overeenkomstsluitende Partij, door het bijdragen van een bedrag dat evenredig is aan hun huidige bijdrage, onder dien verstande dat de bijdrage van de Leden van elke Overeenkomstsluitende Partij niet minder dan 4 procent zal bedragen.]1
4. Indien de Raad van oordeel is dat er een permanent en duidelijk gebrek aan evenwicht bestaat tussen de mate van gebruik van de installatie door wetenschappers van een bepaalde Overeenkomstsluitende Partij en de bijdrage van Leden van die Partij, kan de Raad maatregelen nemen om het gebruik van de installatie te beperken, tenzij de Overeenkomstsluitende Partijen het eens worden over een gepaste bijstelling van de in bovenvermeld punt 3 vastgestelde bijdragen.
2. De Leden dragen bij in de bouwkosten, exclusief BTW, in de volgende verhoudingen :
- 33 % voor Leden van de Franse Republiek (inclusief een terreinpremie van 10 %);
- 23 % voor Leden van de Bondsrepubliek Duitsland;
- 14 % voor Leden van de Italiaanse Republiek;
- 12 % voor Leden van het Verenigd Koninkrijk;
- 6 % in totaal voor Leden van het Koninkrijk België en het Koninkrijk der Nederlanden;
- 4 % voor Leden van het Koninkrijk Spanje;
- 4 % in totaal voor Leden van het Koninkrijk Denemarken, de Republiek Finland, het Koninkrijk Noorwegen en het Koninkrijk Zweden;
- 4 % voor Leden van de Zwitserse Bondsstaat.
Verhogingen van bijdragen van de Overeenkomstsluitende Partijen of bijdragen van Regeringen die tot deze Overeenkomst toetreden overeenkomstig artikel 12, worden gebruikt om de bijdrage van Leden van iedere Overeenkomstsluitende Partij die meer bedraagt dan 4 %, te verminderen met een bedrag evenredig aan hun bijdrage op dat ogenblik, de terreinpremie van 10 % buiten beschouwing gelaten.
3. [1 De Leden zullen bijdragen in de operationele kosten, exclusief BTW, en wel in de volgende verhoudingen:
27,5 procent voor de Leden van de Franse Republiek (inclusief een vestigingspremie van 2 procent),
24 procent voor de Leden van de Bondsrepubliek Duitsland,
13,2 procent voor de Leden van de Italiaanse Republiek;
10,5 procent voor de Leden van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,
6 procent voor de Leden van de Russische Federatie;
5,8 procent voor de Leden van het Koninkrijk België en het Koninkrijk der Nederlanden;
5 procent voor de Leden van het Koninkrijk Denemarken, de Republiek Finland, het Koninkrijk Noorwegen en het Koninkrijk Zweden;
4 procent voor de Leden van het Koninkrijk Spanje;
4 procent voor de Leden van de Zwitserse Bondsstaat.
Er zullen verhogingen van de bijdragen van de Overeenkomstsluitende Partijen of bijdragen van tot dit Verdrag toetredende Regeringen worden toegepast in overeenstemming met artikel 12, om de bijdrage van de Franse Leden naar evenredigheid te verlagen tot 26 procent, en nadat dit niveau is bereikt, om de bijdrage te verminderen van de Leden van elke Overeenkomstsluitende Partij, door het bijdragen van een bedrag dat evenredig is aan hun huidige bijdrage, onder dien verstande dat de bijdrage van de Leden van elke Overeenkomstsluitende Partij niet minder dan 4 procent zal bedragen.]1
4. Indien de Raad van oordeel is dat er een permanent en duidelijk gebrek aan evenwicht bestaat tussen de mate van gebruik van de installatie door wetenschappers van een bepaalde Overeenkomstsluitende Partij en de bijdrage van Leden van die Partij, kan de Raad maatregelen nemen om het gebruik van de installatie te beperken, tenzij de Overeenkomstsluitende Partijen het eens worden over een gepaste bijstelling van de in bovenvermeld punt 3 vastgestelde bijdragen.
Art. 6. (1) La Partie contractante française met à la disposition de la Société, libre de toutes charges et prêt pour recevoir la construction, le site de Grenoble délimité sur le plan joint en Annexe 4.
(2) Les Membres contribuent aux coûts de construction, TVA exclue, dans les proportions suivantes :
- 33 % pour les Membres de la République française (prime de site de 10 % incluse),
- 23 % pour les Membres de la République fédérale d'Allemagne,
- 14 % pour les Membres de la République italienne,
- 12 % pour les Membres du Royaume-Uni,
- 6 % au total pour les Membres du Royaume de Belgique et du Royaume des Pays-Bas,
- 4 % pour les Membres du Royaume d'Espagne,
- 4 % au total pour les Membres du Royaume du Danemark, de la République de Finlande, du Royaume de Norvège et du Royaume de Suède,
- 4 % pour les Membres de la Confédération suisse.
Les augmentations de contributions des Parties contractantes ou les contributions des Gouvernements adhérant à la présente Convention conformément à l'article 12 doivent être affectées, d'un montant proportionnel à leur contribution du moment, à la réduction des contributions des Membres de chaque Partie contractante versant une contribution de plus de 4 %, la prime de site de 10 % n'étant pas prise en compte.
(3) [1 Les membres de la société contribuent aux coûts de fonctionnement, T.V.A. exclue, dans les proportions suivantes :
27,5 pour cent pour les membres de la République française (prime de site de 2 pour cent incluse) ;
24 pour cent pour les membres de la République fédérale d'Allemagne ;
13,2 pour cent pour les membres de la République italienne ;
10,5 pour cent pour les membres du Royaume-Uni de Grande-Bretagne et d'Irlande du Nord ;
6 pour cent pour les membres de la Fédération de Russie ;
5,8 pour cent pour les membres du Royaume de Belgique et du Royaume des Pays-Bas ;
5 pour cent pour les membres du Royaume du Danemark, de la République de Finlande, du Royaume de Norvège et du Royaume de Suède ;
4 pour cent pour les membres du Royaume d'Espagne ;
4 pour cent pour les membres de la Confédération suisse.
Les augmentations de contributions des Parties contractantes ou les contributions des gouvernements adhérant à la présente Convention conformément à l'article 12 doivent être affectées à la réduction de la contribution des membres de la République française jusqu'à 26 pour cent et, lorsque ce niveau aura été atteint, à la réduction de la contribution des membres de chaque Partie contractante d'un montant proportionnel à leur contribution du moment, sans que la contribution des membres d'une quelconque Partie contractante puisse devenir inférieure à 4 pour cent.]1
(4) S'il apparaît au Conseil qu'il existe un déséquilibre durable et significatif entre le pourcentage d'utilisation de l'installation par la communauté scientifique d'une Partie contractante et la contribution des Membres de cette Partie, alors le Conseil peut adopter des mesures pour limiter cette utilisation de l'Installation, à moins que les Parties contractantes ne conviennent d'un réajustement approprié des taux de contribution tels que définis au paragraphe 3 ci-dessus.
(2) Les Membres contribuent aux coûts de construction, TVA exclue, dans les proportions suivantes :
- 33 % pour les Membres de la République française (prime de site de 10 % incluse),
- 23 % pour les Membres de la République fédérale d'Allemagne,
- 14 % pour les Membres de la République italienne,
- 12 % pour les Membres du Royaume-Uni,
- 6 % au total pour les Membres du Royaume de Belgique et du Royaume des Pays-Bas,
- 4 % pour les Membres du Royaume d'Espagne,
- 4 % au total pour les Membres du Royaume du Danemark, de la République de Finlande, du Royaume de Norvège et du Royaume de Suède,
- 4 % pour les Membres de la Confédération suisse.
Les augmentations de contributions des Parties contractantes ou les contributions des Gouvernements adhérant à la présente Convention conformément à l'article 12 doivent être affectées, d'un montant proportionnel à leur contribution du moment, à la réduction des contributions des Membres de chaque Partie contractante versant une contribution de plus de 4 %, la prime de site de 10 % n'étant pas prise en compte.
(3) [1 Les membres de la société contribuent aux coûts de fonctionnement, T.V.A. exclue, dans les proportions suivantes :
27,5 pour cent pour les membres de la République française (prime de site de 2 pour cent incluse) ;
24 pour cent pour les membres de la République fédérale d'Allemagne ;
13,2 pour cent pour les membres de la République italienne ;
10,5 pour cent pour les membres du Royaume-Uni de Grande-Bretagne et d'Irlande du Nord ;
6 pour cent pour les membres de la Fédération de Russie ;
5,8 pour cent pour les membres du Royaume de Belgique et du Royaume des Pays-Bas ;
5 pour cent pour les membres du Royaume du Danemark, de la République de Finlande, du Royaume de Norvège et du Royaume de Suède ;
4 pour cent pour les membres du Royaume d'Espagne ;
4 pour cent pour les membres de la Confédération suisse.
Les augmentations de contributions des Parties contractantes ou les contributions des gouvernements adhérant à la présente Convention conformément à l'article 12 doivent être affectées à la réduction de la contribution des membres de la République française jusqu'à 26 pour cent et, lorsque ce niveau aura été atteint, à la réduction de la contribution des membres de chaque Partie contractante d'un montant proportionnel à leur contribution du moment, sans que la contribution des membres d'une quelconque Partie contractante puisse devenir inférieure à 4 pour cent.]1
(4) S'il apparaît au Conseil qu'il existe un déséquilibre durable et significatif entre le pourcentage d'utilisation de l'installation par la communauté scientifique d'une Partie contractante et la contribution des Membres de cette Partie, alors le Conseil peut adopter des mesures pour limiter cette utilisation de l'Installation, à moins que les Parties contractantes ne conviennent d'un réajustement approprié des taux de contribution tels que définis au paragraphe 3 ci-dessus.
Änderungen
Art. 7. Belastingen.
1. De Vennootschap is onderworpen aan het Franse BTW-stelsel. Bijdragen van buiten Frankrijk gevestigde Leden, zijn niet onderworpen aan het Franse BTW-stelsel. Deze ontheffing ontzegt de Vennootschap echter het recht op aftrek niet.
2. Goederen door de Vennootschap ingevoerd uit andere landen, genieten vrijstelling van douanerechten overeenkomstig de voorschriften van de Europese Gemeenschap.
1. De Vennootschap is onderworpen aan het Franse BTW-stelsel. Bijdragen van buiten Frankrijk gevestigde Leden, zijn niet onderworpen aan het Franse BTW-stelsel. Deze ontheffing ontzegt de Vennootschap echter het recht op aftrek niet.
2. Goederen door de Vennootschap ingevoerd uit andere landen, genieten vrijstelling van douanerechten overeenkomstig de voorschriften van de Europese Gemeenschap.
Art. 7. Taxes.
1. La Société est soumise à la taxe sur la valeur ajoutée en France. Les contributions des Membres dont le siège se trouve hors de France ne sont pas soumises à la taxe sur la valeur ajoutée en France. Cette exonération n'entraîne pas de réduction du droit à déduction de la Société.
2. Les marchandises importées de pays tiers par la Société bénéficient des exemptions de droits de douane, en application de la réglementation des Communautés européennes.
1. La Société est soumise à la taxe sur la valeur ajoutée en France. Les contributions des Membres dont le siège se trouve hors de France ne sont pas soumises à la taxe sur la valeur ajoutée en France. Cette exonération n'entraîne pas de réduction du droit à déduction de la Société.
2. Les marchandises importées de pays tiers par la Société bénéficient des exemptions de droits de douane, en application de la réglementation des Communautés européennes.
Art. 8. Regelingen met andere gebruikers.
Overeenkomsten betreffende het langdurig gebruik van synchrotronstraling door niet tot deze Overeenkomst toetredende Regeringen of groepen van Regeringen of instellingen of organisaties ervan, mogen gesloten worden door de Vennootschap, met de unanieme goedkeuring van haar Raad.
Overeenkomsten betreffende het langdurig gebruik van synchrotronstraling door niet tot deze Overeenkomst toetredende Regeringen of groepen van Regeringen of instellingen of organisaties ervan, mogen gesloten worden door de Vennootschap, met de unanieme goedkeuring van haar Raad.
Art. 8. Arrangements avec les autres utilisateurs.
Des arrangements pour l'utilisation de longue durée du rayonnement synchrotron par des gouvernements ou groupes de gouvernements non adhérents à la présente Convention, ou par leurs établissements ou organisations peuvent être conclus par la Société avec l'accord unanime de son Conseil.
Des arrangements pour l'utilisation de longue durée du rayonnement synchrotron par des gouvernements ou groupes de gouvernements non adhérents à la présente Convention, ou par leurs établissements ou organisations peuvent être conclus par la Société avec l'accord unanime de son Conseil.
Art. 9. School.
1. De Franse Overeenkomstsluitende Partij richt geleidelijk een school of scholen op en stelt deze gratis ter beschikking en verstrekt hierbij gratis onderwijs aan kinderen " anderen dan Fransen " dat hen in staat moet stellen zich opnieuw te integreren in het onderwijssysteem van hun land van herkomst.
2. Te dien einde zullen de andere betrokken Overeenkomstsluitende Partijen de mogelijkheid hebben om niet-Franse leerkrachten ter beschikking te stellen van de Franse Overeenkomstsluitende Partij.
3. Als de Raad beslist dat bovenvermelde regelingen op onvoldoende wijze in de behoeften van kinderen " ander dan Fransen " voorzien, zullen de Overeenkomstsluitende Partijen de nodige maatregelen treffen om een volledig bevredigend alternatief te vinden.
1. De Franse Overeenkomstsluitende Partij richt geleidelijk een school of scholen op en stelt deze gratis ter beschikking en verstrekt hierbij gratis onderwijs aan kinderen " anderen dan Fransen " dat hen in staat moet stellen zich opnieuw te integreren in het onderwijssysteem van hun land van herkomst.
2. Te dien einde zullen de andere betrokken Overeenkomstsluitende Partijen de mogelijkheid hebben om niet-Franse leerkrachten ter beschikking te stellen van de Franse Overeenkomstsluitende Partij.
3. Als de Raad beslist dat bovenvermelde regelingen op onvoldoende wijze in de behoeften van kinderen " ander dan Fransen " voorzien, zullen de Overeenkomstsluitende Partijen de nodige maatregelen treffen om een volledig bevredigend alternatief te vinden.
Art. 9. Ecole.
1. La Partie Contractante française installe progressivement et fait fonctionner gratuitement une ou des écoles fournissant aux enfants autres que français une éducation gratuite adaptée, leur permettant une réinsertion dans le système éducatif de leur pays d'origine.
2. A cette fin, les autres Parties Contractantes intéressées auront la possibilité de mettre des enseignants non français à la disposition de la Partie Contractante française.
3. Si le Conseil décide que les dispositions ci-dessus ne tiennent pas suffisamment compte des besoins des enfants autres que français, les Parties Contractantes prendront les mesures nécessaires pour trouver une alternative pleinement satisfaisante.
1. La Partie Contractante française installe progressivement et fait fonctionner gratuitement une ou des écoles fournissant aux enfants autres que français une éducation gratuite adaptée, leur permettant une réinsertion dans le système éducatif de leur pays d'origine.
2. A cette fin, les autres Parties Contractantes intéressées auront la possibilité de mettre des enseignants non français à la disposition de la Partie Contractante française.
3. Si le Conseil décide que les dispositions ci-dessus ne tiennent pas suffisamment compte des besoins des enfants autres que français, les Parties Contractantes prendront les mesures nécessaires pour trouver une alternative pleinement satisfaisante.
Art. 10. Geschillen.
1. De Overeenkomstsluitende Partijen streven ernaar om door onderhandelingen elk geschil betreffende de interpretatie of de toepassing van deze Overeenkomst te beslechten.
2. Als de Overeenkomstsluitende Partijen er niet in slagen het eens te worden over het oplossen van een geschil, zal ieder van de betrokken Overeenkomstsluitende Partijen het geschil voor beslissing kunnen voorleggen aan een scheidsgerecht.
3. Elke partij in het geschil stelt een scheidsrechter aan. Als het echter om een geschil gaat tussen een Overeenkomstsluitende Partij en twee of meer andere Overeenkomstsluitende Partijen, zullen deze laatste gezamenlijk een scheidsrechter aanstellen. De aldus aangewezen scheidsrechters kiezen een hoofdscheidsrechter, onderdaan uit een andere Staat dan de Staten van de bij het geschil betrokken Overeenkomstsluitende Partijen, om de functie van hoofdscheidsrechter en van Voorzitter van het scheidsgerecht waar te nemen; in geval van staking van stemmen van de scheidsrechters, zal de hoofdscheidsrechter over een beslissende stem beschikken. De scheidsrechters moeten worden aangesteld binnen twee maanden te rekenen vanaf de datum van het neerleggen van het verzoek het geschil te beslechten door arbitrage, en de Voorzitter binnen drie maanden vanaf die datum.
4. Als de in voorgaand punt gepreciseerde termijnen niet worden nageleefd en er geen andere regeling is getroffen, kan elke bij het geschil betrokken partij de Voorzitter van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen verzoeken de nodige aanstellingen te doen.
5. Het scheidsgerecht beslist bij gewone meerderheid.
6. Het scheidsgerecht neemt zijn beslissingen op basis van paragraaf 1 van Artikel 38 van het Statuut van het Internationaal Hof van Justitie. Zijn beslissingen zijn bindend.
7. Het scheidsgerecht stelt zijn procedureregels vast overeenkomstig de bepalingen van Hoofdstuk III Titel IV van het Verdrag van Den Haag van 18 oktober 1907 met betrekking tot de Vreedzame Regeling van Internationale Geschillen.
8. Elke partij in het geschil draagt haar eigen kosten en een gelijk deel in de kosten van de arbitrageprocedures.
9. De bepalingen van dit Artikel, behalve die van bovenstaand punt 6, gelden ook voor alle geschillen die rijzen tussen de Leden betreffende de werkzaamheden van de Vennootschap en welke volgens Artikel 26 van de Statuten voorgelegd moeten worden aan de Overeenkomstsluitende Partijen. Het scheidsgerecht beslist op basis van de rechtsregel die van toepassing zijn op het aan zijn oordeel onderworpen geschil.
1. De Overeenkomstsluitende Partijen streven ernaar om door onderhandelingen elk geschil betreffende de interpretatie of de toepassing van deze Overeenkomst te beslechten.
2. Als de Overeenkomstsluitende Partijen er niet in slagen het eens te worden over het oplossen van een geschil, zal ieder van de betrokken Overeenkomstsluitende Partijen het geschil voor beslissing kunnen voorleggen aan een scheidsgerecht.
3. Elke partij in het geschil stelt een scheidsrechter aan. Als het echter om een geschil gaat tussen een Overeenkomstsluitende Partij en twee of meer andere Overeenkomstsluitende Partijen, zullen deze laatste gezamenlijk een scheidsrechter aanstellen. De aldus aangewezen scheidsrechters kiezen een hoofdscheidsrechter, onderdaan uit een andere Staat dan de Staten van de bij het geschil betrokken Overeenkomstsluitende Partijen, om de functie van hoofdscheidsrechter en van Voorzitter van het scheidsgerecht waar te nemen; in geval van staking van stemmen van de scheidsrechters, zal de hoofdscheidsrechter over een beslissende stem beschikken. De scheidsrechters moeten worden aangesteld binnen twee maanden te rekenen vanaf de datum van het neerleggen van het verzoek het geschil te beslechten door arbitrage, en de Voorzitter binnen drie maanden vanaf die datum.
4. Als de in voorgaand punt gepreciseerde termijnen niet worden nageleefd en er geen andere regeling is getroffen, kan elke bij het geschil betrokken partij de Voorzitter van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen verzoeken de nodige aanstellingen te doen.
5. Het scheidsgerecht beslist bij gewone meerderheid.
6. Het scheidsgerecht neemt zijn beslissingen op basis van paragraaf 1 van Artikel 38 van het Statuut van het Internationaal Hof van Justitie. Zijn beslissingen zijn bindend.
7. Het scheidsgerecht stelt zijn procedureregels vast overeenkomstig de bepalingen van Hoofdstuk III Titel IV van het Verdrag van Den Haag van 18 oktober 1907 met betrekking tot de Vreedzame Regeling van Internationale Geschillen.
8. Elke partij in het geschil draagt haar eigen kosten en een gelijk deel in de kosten van de arbitrageprocedures.
9. De bepalingen van dit Artikel, behalve die van bovenstaand punt 6, gelden ook voor alle geschillen die rijzen tussen de Leden betreffende de werkzaamheden van de Vennootschap en welke volgens Artikel 26 van de Statuten voorgelegd moeten worden aan de Overeenkomstsluitende Partijen. Het scheidsgerecht beslist op basis van de rechtsregel die van toepassing zijn op het aan zijn oordeel onderworpen geschil.
Art. 10. Litiges.
1. Les Parties Contractantes s'efforcent de régler par la négociation tout litige relatif à l'interprétation ou à l'application de la présente Convention.
2. Si les Parties Contractantes ne peuvent parvenir à un accord sur le règlement d'un litige, chacune des Parties Contractantes concernées pourra soumettre celui-ci à la décision d'un tribunal arbitral.
3. Chaque partie au litige nomme un arbitre. Cependant, si le litige survient entre une Partie Contractante et deux ou plusieurs autres Parties Contractantes, ces dernières choisiront conjointement un arbitre. Les arbitres ainsi nommés choisissent un surarbitre ressortissant d'un Etat autre que les Etats des Parties Contractantes en litige pour exercer les fonctions de surarbitre et de président du tribunal arbitral; celui-ci disposera, en cas de partage des voix des arbitres d'une voix prépondérante. Les arbitres doivent être nommés dans un délai de deux mois à compter de la date du dépôt de la demande de règlement par voie d'arbitrage, le Président dans un délai de trois mois à compter de cette date.
4. Si les délais prévus au paragraphe précédent ne sont pas observés et à défaut d'un autre arrangement, chaque partie au litige pourra demander au Président de la Cour de Justice des Communautés européennes de procéder aux nominations nécessaires.
5. Le tribunal arbitral prend ses décisions à la majorité simple.
6. Le tribunal arbitral prend ses décisions sur la base des dispositions du paragraphe 1 de l'article 38 du Statut de la Cour internationale de Justice. Ses décisions lient les parties.
7. Le tribunal arbitral fixe ses règles de procédure selon les modalités prévues au chapitre III du titre VI de la Convention pour le règlement pacifique des conflits internationaux signée à La Haye le 18 octobre 1907.
8. Chaque partie au litige supporte ses propres frais et une part égale des frais de procédure arbitrale.
9. Les dispositions du présent article, à l'exception de celles mentionnées au paragraphe 6 ci-dessus sont également applicables lorsque des différends surviennent entre les Membres au sujet des activités de la Société et qu'ils doivent être soumis aux Parties Contractantes en vertu de l'article 26 des Statuts. Le tribunal délibère sur la base des règles de droit applicable au litige considéré.
1. Les Parties Contractantes s'efforcent de régler par la négociation tout litige relatif à l'interprétation ou à l'application de la présente Convention.
2. Si les Parties Contractantes ne peuvent parvenir à un accord sur le règlement d'un litige, chacune des Parties Contractantes concernées pourra soumettre celui-ci à la décision d'un tribunal arbitral.
3. Chaque partie au litige nomme un arbitre. Cependant, si le litige survient entre une Partie Contractante et deux ou plusieurs autres Parties Contractantes, ces dernières choisiront conjointement un arbitre. Les arbitres ainsi nommés choisissent un surarbitre ressortissant d'un Etat autre que les Etats des Parties Contractantes en litige pour exercer les fonctions de surarbitre et de président du tribunal arbitral; celui-ci disposera, en cas de partage des voix des arbitres d'une voix prépondérante. Les arbitres doivent être nommés dans un délai de deux mois à compter de la date du dépôt de la demande de règlement par voie d'arbitrage, le Président dans un délai de trois mois à compter de cette date.
4. Si les délais prévus au paragraphe précédent ne sont pas observés et à défaut d'un autre arrangement, chaque partie au litige pourra demander au Président de la Cour de Justice des Communautés européennes de procéder aux nominations nécessaires.
5. Le tribunal arbitral prend ses décisions à la majorité simple.
6. Le tribunal arbitral prend ses décisions sur la base des dispositions du paragraphe 1 de l'article 38 du Statut de la Cour internationale de Justice. Ses décisions lient les parties.
7. Le tribunal arbitral fixe ses règles de procédure selon les modalités prévues au chapitre III du titre VI de la Convention pour le règlement pacifique des conflits internationaux signée à La Haye le 18 octobre 1907.
8. Chaque partie au litige supporte ses propres frais et une part égale des frais de procédure arbitrale.
9. Les dispositions du présent article, à l'exception de celles mentionnées au paragraphe 6 ci-dessus sont également applicables lorsque des différends surviennent entre les Membres au sujet des activités de la Société et qu'ils doivent être soumis aux Parties Contractantes en vertu de l'article 26 des Statuts. Le tribunal délibère sur la base des règles de droit applicable au litige considéré.
Art. 11. Inwerkingtreding.
1. Deze Overeenkomst treedt in werking één maand nadat alle ondertekenende Regeringen de Regering van de Republiek Frankrijk in kennis hebben gesteld van de beëindiging van de nodige grondwettelijke procedures of twee maanden nadat de ondertekenende Regeringen die samen ten minste 80 % van de bouwkosten zoals gespecificeerd in Artikel 5 dragen, de Regering van de Republiek Frankrijk hebben in kennis gesteld van de beslissing het Overeenkomst tussen hen in werking te laten treden.
2. De Regering van de Republiek Frankrijk moet onmiddellijk aan alle ondertekenende Regeringen de datum meedelen van elke in voorafgaand punt bepaalde kennisgeving en de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst.
3. Vóór de inwerkingtreding van deze Overeenkomst, kan elke Overeenkomstsluitende Partij de bepalingen van artikelen 1 en 3 betreffende de aanwijzing van de Leden van de Vennootschap en de benoeming van hun vertegenwoordigers bij de Raad in werking stellen.
(NOTA : Inwerkingtreding vastgesteld op 09-07-2004 door Addendum, B.S. 04.11.2004, p. 74502)
1. Deze Overeenkomst treedt in werking één maand nadat alle ondertekenende Regeringen de Regering van de Republiek Frankrijk in kennis hebben gesteld van de beëindiging van de nodige grondwettelijke procedures of twee maanden nadat de ondertekenende Regeringen die samen ten minste 80 % van de bouwkosten zoals gespecificeerd in Artikel 5 dragen, de Regering van de Republiek Frankrijk hebben in kennis gesteld van de beslissing het Overeenkomst tussen hen in werking te laten treden.
2. De Regering van de Republiek Frankrijk moet onmiddellijk aan alle ondertekenende Regeringen de datum meedelen van elke in voorafgaand punt bepaalde kennisgeving en de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst.
3. Vóór de inwerkingtreding van deze Overeenkomst, kan elke Overeenkomstsluitende Partij de bepalingen van artikelen 1 en 3 betreffende de aanwijzing van de Leden van de Vennootschap en de benoeming van hun vertegenwoordigers bij de Raad in werking stellen.
(NOTA : Inwerkingtreding vastgesteld op 09-07-2004 door Addendum, B.S. 04.11.2004, p. 74502)
Art. 11. Entrée en vigueur.
1. La présente Convention entre en vigueur un mois après que tous les gouvernements signataires auront notifié au Gouvernement de la République française que les procédures constitutionnelles nécessaires ont été accomplies, ou deux mois après que des gouvernements signataires, supportant financièrement au moins 80 % des coûts de construction tels que spécifiés à l'article 5, auront notifié au Gouvernement de la République française qu'ils ont décidé de mettre la Convention en vigueur entre eux.
2. Le Gouvernement de la République française doit informer immédiatement tous les gouvernements signataires de la date de chaque notification prévue au paragraphe ci-dessus et de la date d'entrée en vigueur de la présente Convention.
3. Avant l'entrée en vigueur de la présente Convention, chaque Partie Contractante peut mettre en oeuvre les dispositions des articles 1er et 3 pour nommer les Membres de la Société et leurs délégués au Conseil.
(NOTE : Entrée en vigueur fixée le 09-07-2004 par Addendum, M.B. 04.11.2004, p. 74502)
1. La présente Convention entre en vigueur un mois après que tous les gouvernements signataires auront notifié au Gouvernement de la République française que les procédures constitutionnelles nécessaires ont été accomplies, ou deux mois après que des gouvernements signataires, supportant financièrement au moins 80 % des coûts de construction tels que spécifiés à l'article 5, auront notifié au Gouvernement de la République française qu'ils ont décidé de mettre la Convention en vigueur entre eux.
2. Le Gouvernement de la République française doit informer immédiatement tous les gouvernements signataires de la date de chaque notification prévue au paragraphe ci-dessus et de la date d'entrée en vigueur de la présente Convention.
3. Avant l'entrée en vigueur de la présente Convention, chaque Partie Contractante peut mettre en oeuvre les dispositions des articles 1er et 3 pour nommer les Membres de la Société et leurs délégués au Conseil.
(NOTE : Entrée en vigueur fixée le 09-07-2004 par Addendum, M.B. 04.11.2004, p. 74502)
Art. 12. Toetreding.
Na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst, kan elke Regering of groep van samen optredende Regeringen tot deze Overeenkomst toetreden met toestemming van alle Overeenkomstsluitende Partijen. De voorwaarden van toetreding zijn onderwerp van een akkoord tussen de Overeenkomstsluitende Partijen en de toetredende Regering of groep van Regeringen.
Na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst, kan elke Regering of groep van samen optredende Regeringen tot deze Overeenkomst toetreden met toestemming van alle Overeenkomstsluitende Partijen. De voorwaarden van toetreding zijn onderwerp van een akkoord tussen de Overeenkomstsluitende Partijen en de toetredende Regering of groep van Regeringen.
Art. 12. Adhésion.
Après l'entrée en vigueur de la présente Convention, tout gouvernement ou groupe de gouvernements agissant conjointement peut adhérer à celle-ci avec le consentement de toutes les Parties Contractantes. Les conditions de cette adhésion sont soumises à un accord entre les Parties Contractantes et le gouvernement ou le groupe de gouvernements demandant à adhérer.
Après l'entrée en vigueur de la présente Convention, tout gouvernement ou groupe de gouvernements agissant conjointement peut adhérer à celle-ci avec le consentement de toutes les Parties Contractantes. Les conditions de cette adhésion sont soumises à un accord entre les Parties Contractantes et le gouvernement ou le groupe de gouvernements demandant à adhérer.
Art. 13. Duur.
1. Deze Overeenkomst wordt initieel gesloten voor een periode die eindigt op 31 december 2007 en zal na deze datum van kracht blijven. De Overeenkomst kan worden opgezegd met een opzeggingstermijn van drie jaar, aan te zeggen aan de Regering van de Republiek Frankrijk. Een terugtrekking kan slechts vanaf 31 december 2007 of na het einde van elke opeenvolgende periode van drie jaar uitwerking hebben.
2. De voorwaarden en gevolgen van het terugtrekken uit of het stopzetten van de Vennootschap, in het bijzonder de kosten van ontmanteling van de installatie en de gebouwen van de Vennootschap en ter voldoening voor eventuele verliezen, moeten vóór deze terugtrekking of stopzetting worden geregeld in onderling overleg tussen de Overeenkomstsluitende Partijen.
Ten getuige waarvan de ondertekende vertegenwoordigers, die daartoe door hun respectieve Regeringen behoorlijk gemachtigd zijn, deze Overeenkomst hebben ondertekend.
Gedaan te Parijs op 16 december 1988 in de Franse, Engelse, Duitse, Italiaanse, Spaanse en Nederlandse taal, alle teksten gelijkelijk rechtsgeldig zijnde, in één enkel origineel dat neergelegd wordt in het archief van de Regering van de Republiek Frankrijk, die een eensluidend afschrift ervan stuurt naar alle Overeenkomstsluitende Partijen en toetredende Regeringen en hen nadien op de hoogte brengt van elke amendering.
1. Deze Overeenkomst wordt initieel gesloten voor een periode die eindigt op 31 december 2007 en zal na deze datum van kracht blijven. De Overeenkomst kan worden opgezegd met een opzeggingstermijn van drie jaar, aan te zeggen aan de Regering van de Republiek Frankrijk. Een terugtrekking kan slechts vanaf 31 december 2007 of na het einde van elke opeenvolgende periode van drie jaar uitwerking hebben.
2. De voorwaarden en gevolgen van het terugtrekken uit of het stopzetten van de Vennootschap, in het bijzonder de kosten van ontmanteling van de installatie en de gebouwen van de Vennootschap en ter voldoening voor eventuele verliezen, moeten vóór deze terugtrekking of stopzetting worden geregeld in onderling overleg tussen de Overeenkomstsluitende Partijen.
Ten getuige waarvan de ondertekende vertegenwoordigers, die daartoe door hun respectieve Regeringen behoorlijk gemachtigd zijn, deze Overeenkomst hebben ondertekend.
Gedaan te Parijs op 16 december 1988 in de Franse, Engelse, Duitse, Italiaanse, Spaanse en Nederlandse taal, alle teksten gelijkelijk rechtsgeldig zijnde, in één enkel origineel dat neergelegd wordt in het archief van de Regering van de Republiek Frankrijk, die een eensluidend afschrift ervan stuurt naar alle Overeenkomstsluitende Partijen en toetredende Regeringen en hen nadien op de hoogte brengt van elke amendering.
Art. 13. Durée.
1. La présente Convention est conclue pour une période initiale se terminant le 31 décembre 2007 et restera en vigueur après cette date. Elle peut être dénoncée moyennant un préavis de trois ans, préavis à notifier au Gouvernement de la République française. Un retrait ne peut prendre effet qu'au 31 décembre 2007 ou à la fin de chaque période successive de trois ans.
2. Les conditions et les effets du retrait ou l'expiration de la Convention, en particulier pour ce qui concerne les coûts de démantèlement de l'Installation et des immeubles de la Société et la compensation pour les pertes éventuelles doivent être réglés par accord entre les Parties Contractantes avant ce retrait ou l'expiration de la Convention.
En foi de quoi les représentants soussignés, dûment autorisés à cet effet par leurs gouvernements respectifs, ont signé la présente Convention.
Fait à Paris, le 16 décembre 1988 en langues française, anglaise, allemande, italienne, espagnole, néerlandaise, tous les textes faisant également foi, en un seul original qui est déposé dans les archives du Gouvernement de la République française, lequel en transmet une copie certifiée à toutes les Parties Contractantes et tous les gouvernements adhérents et leur notifiera ensuite tous les amendements à la Convention.
1. La présente Convention est conclue pour une période initiale se terminant le 31 décembre 2007 et restera en vigueur après cette date. Elle peut être dénoncée moyennant un préavis de trois ans, préavis à notifier au Gouvernement de la République française. Un retrait ne peut prendre effet qu'au 31 décembre 2007 ou à la fin de chaque période successive de trois ans.
2. Les conditions et les effets du retrait ou l'expiration de la Convention, en particulier pour ce qui concerne les coûts de démantèlement de l'Installation et des immeubles de la Société et la compensation pour les pertes éventuelles doivent être réglés par accord entre les Parties Contractantes avant ce retrait ou l'expiration de la Convention.
En foi de quoi les représentants soussignés, dûment autorisés à cet effet par leurs gouvernements respectifs, ont signé la présente Convention.
Fait à Paris, le 16 décembre 1988 en langues française, anglaise, allemande, italienne, espagnole, néerlandaise, tous les textes faisant également foi, en un seul original qui est déposé dans les archives du Gouvernement de la République française, lequel en transmet une copie certifiée à toutes les Parties Contractantes et tous les gouvernements adhérents et leur notifiera ensuite tous les amendements à la Convention.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Statuten van de Europese Synchrotronstralingsinstallatie Burgerlijke Vennootschap.
Statuts de l'Installation européenne de Rayonnement Synchrotron Société civile.
Art. N1. Bijlage 1 bij de Overeenkomst. - Statuten van de Europese Synchrotronstralingsinstallatie Burgerlijke Vennootschap.
(Ondergetekenden,
Het " Centre National de la Recherche Scientifique ", 15, quai Anatole France, F 75700 Paris, vertegenwoordigd door zijn Directeur-Generaal;
Het " Commissariat à l'Energie Atomique ", 31-33, rue de la Fédération, F 75752 Paris Cedex 15, vertegenwoordigd door zijn Administrateur-Generaal;
Het " Forschungszentrum Jülich GmbH ", Postfach 1913, D 5170 Jülich, vertegenwoordigd door zijn Raad van Bestuur;
Het " Consiglio Nazionale delle Richerche ", Piazzale Aldo Moro 7, I 0185 Roma, vertegenwoordigd door zijn Voorzitter;
Het " Instituto Nazionale di Fisica Nucleare ", Casella postale 56, I 00044 Frascati, vertegenwoordigd door zijn Voorzitter;
Het " Consorzio Interuniversitario Nazionale per la Fisica della Materia ", Via Dodecaneso 33, I 16146 Genova, vertegenwoordigd door zijn Directeur;
Het consortium Benesync gevormd door :
- De Diensten voor Programmatie van het Wetenschapsbeleid, Wetenschapsstraat 8, B-1040 Brussel, vertegenwoordigd door de Secretaris-Generaal;
- De Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek, Postbus 93138, 2509 AC Den Haag, vertegenwoordigd door haar Voorzitter;
Het consortium Nordsync gevormd door :
- " Statens Naturvidenskabelige Forskningsrad ", H.C. Andersens Boulevard 40, DK-1553 Kopenhagen V, vertegenwoordigd door zijn Voorzitter;
- " Suomen Akatemia ", PL 57, SF 00551 Helsinki, vertegenwoordigd door haar Voorzitter;
- " Norges Allmennvitenskapelige Forskningsrad ", Sandakerveien 99, N 0483 Oslo, vertegenwoordigd door zijn Directeur;
- " Naturvetenskapliga Forskningsradet ", Box 6711, S 113 85 Stockholm, vertegenwoordigd door zijn Secretaris-Generaal;
Het Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door de Voorzitter van de " Comisión Interministerial de Ciencia y Tecnologia ", Rosario Pino 14-16, E 28020 Madrid;
De Zwitserse Bondsstaat, vertegenwoordigd door de Directeur van het " Bundesamt für Bildung und Wissenschaft ", PO Box 2732, CH 3001 Bern;
De Science and Engineering Research Council, Polaris House, UK Swindon SN2 1ET, vertegenwoordigd door zijn Voorzitter;
hierna te noemen " de Leden ",
Nota nemend van het feit dat de Belgische organisatie en de Nederlandse organisatie het consortium Benesync hebben gevormd voor hun deelneming in de Vennootschap, en dat de vier Noordse organisaties het consortium Nordsync hebben gevormd voor hun deelneming in de Vennootschap, en dat, hoewel zij alle deze Statuten hebben ondertekend, alleen het consortium Benesync, vertegenwoordigd door de Diensten voor Programmatie van het Wetenschpasbeleid, en het consortium Nordsync, vertegenwoordigd door Statens Naturvidenskabelige Forskningsrad, Lid zijn van de Vennootschap;
Verwijzend naar de Overeenkomst betreffende de bouw en de exploitatie van een Europese installatie voor synchrotronstraling, hierna te noemen " de Overeenkomst ", ondertekend te Parijs op 16 december 1988 door de Overeenkomstsluitende Partijen, vermeld in de preambule van de Overeenkomst en hierna te noemen de " Overeenkomstsluitende Partijen ";
Komen hierbij overeen een " Société Civile ", een vennootschap naar Frans recht, op te richten overeenkomstig de artikelen 1832 tot en met 1873 van het Franse Burgerlijk Wetboek, hierna te noemen " de Vennootschap ", die onderworpen is aan de Overeenkomst en deze Statuten.)
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
Artikel 1. Benaming en maatschappelijke zetel.
1. De Vennootschap draagt de benaming " Europese Synchrotronstralingsinstallatie " (European Synchrotron Radiation Facility ESRF).
2. De maatschappelijke zetel van de Vennootschap is gevestigd in Grenoble, Frankrijk, Avenue des Martyrs.
Artikel 2. Doelstellingen.
De Vennootschap heeft, conform de Overeenkomst, tot doel :
(a) een Synchrotronstralingsbron en de daarmee samenhangende instrumenten te gebruiken door de wetenschappers van de Overeenkomstsluitende Partijen te ontwerpen, bouwen, exploiteren en ontwikkelen,
(b) het gebruik van de installatie door de wetenschappers van de Overeenkomstsluitende Partijen te ondersteunen,
(c) programma's voor wetenschappelijk onderzoek waarbij gebruik wordt gemaakt van synchrotronstraling op te stellen en uit te voeren,
(d) alle nodige R&D-werk inzake technieken die gebruik maken van synchrotronstraling te verrichten,
(e) elke taak met betrekking tot het bereiken van voorgaande doelstellingen tot een goed einde te brengen.
HOOFDSTUK II. - Bestuur van de Vennootschap.
Artikel 3. Organen. De organen van de Vennootschap zijn de Raad en de Directeur-generaal.
Artikel 4. De Raad.
1. Vertegenwoordigers bij de Raad worden benoemd en van hun mandaat ontheven overeenkomstig de voorschriften die worden vastgelegd door elke betrokken Overeenkomstsluitende Partij in overeenstemming met artikel 3 van de Overeenkomst. De Raad treedt op als de Algemene Vergadering van de Leden van de Vennootschap zoals voorzien bij artikel 1853 van het Franse Burgerlijk Wetboek.
2. De Raad stelt zijn reglement van inwendige orde op, met inachtneming van de bepalingen van de Overeenkomst en van deze Statuten.
3. Elke Overeenkomstsluitende Partij wijst voor de Raad een vertegenwoordiging aan bestaande uit ten hoogste 3 vertegenwoordigers.
4. De vertegenwoordigers mogen zich laten bijstaan door experts overeenkomstig het reglement van inwendige orde van de Raad.
Artikel 5. Voorzitter en Ondervoorzitter van de Raad.
De Raad kiest een Voorzitter en een Ondervoorzitter voor een periode van maximum twee jaar. De Voorzitter en Ondervoorzitter moeten behoren tot verschillende vertegenwoordigingen.
Artikel 6. Secretariaat van de Raad.
De Raad benoemt, met het akkoord van de Directeur-generaal, een secretaris die gekozen wordt onder de personeelsleden van de Vennootschap.
Artikel 7. Vergaderingen van de Raad.
1. De Raad komt ten minste tweemaal per jaar bijeen.
2. De vergaderingen van de Raad zijn niet openbaar. Tenzij de Raad er ander over beslist, mogen de Directeur-generaal en de door de Raad benoemde Voorzitters van de Comités en Commissies de vergaderingen bijwonen zonder stemrecht.
Artikel 8. Bevoegdheden van de Raad.
1. De Raad beslist over belangrijke kwesties aangaande de algemene beleidslijnen van de Vennootschap. De Raad mag instructies geven aan de Directeur-generaal.
2. De volgende aangelegenheden vereisen de unanieme goedkeuring van de Raad :
(a) de toelating van nieuwe Leden;
(b) de regelingen zoals voorzien in artikel 8 van de Overeenkomst;
(c) de overdracht van aandelen onder Leden van verschillende Overeenkomstsluitende Partijen en de kapitaalsverhogingen;
(d) het reglement van inwendige orde van de Raad;
(e) de geldelijke regels;
(f) de Statutenwijzigingen;
(g) de verhogingen van de bouwkosten zoals uiteengezet in artikel 5 van de Overeenkomst.
3. De volgende aangelegenheden vereisen de goedkeuring van de Raad met een gekwalificeerde meerderheid :
(a) de verkiezing van de Voorzitter en de Ondervoorzitter;
(b) het wetenschappelijk programma op middellange termijn;
(c) de jaarlijkse begroting en de financiële ramingen op middellange termijn;
(d) het sluiten van de jaarlijkse rekeningen;
(e) de benoeming en de ontheffing uit hun mandaat van de Directeur-generaal en de Directeurs;
(f) de oprichting en de bevoegdheden van de advies- of andere comités en commissies met name een Comité voor Administratie en Financiën;
(g) de benoeming van de Voorzitter en de Ondervoorzitter van elk advies- of ander comité en commissie;
(h) de bevoegdheden en de werkwijze van de Controlecommissie;
(i) het beleid inzake de verdeling van stralingstijd;
(j) regelingen op korte of middellange termijn voor het gebruik van de ESRF door nationale of internationale wetenschappelijke organisaties;
(k) de " Convention d'Entreprise " (Bedrijfsovereenkomst over de arbeidsvoorwaarden van het personeel).
4. De Raad beslist over de andere aangelegenheden met een gewone meerderheid.
Artikel 9. Stemmingsprocedure.
1. Elke Overeenkomstsluitende Partij beschikt over slechts een enkele ondeelbare stem die uitgebracht wordt door de vertegenwoordiger die voor dit doel door de Leden is aangewezen.
2. Een " gewone meerderheid " betekent de helft van het kapitaal, waarbij het aantal ongunstige stemmen niet hoger is dan de helft van de Overeenkomstsluitende Partijen.
3. Een " gekwalificeerde meerderheid " betekent twee derde (2/3) van het kapitaal, waarbij het aantal ongunstige stemmen niet hoger is dan de helft van de Overeenkomstsluitende Partijen.
4. " Unanimiteit " betekent ten minste twee derde (2/3) van het kapitaal zonder een enkele tegenstem van enige Overeenkomstsluitende Partij, waarbij alle Overeenkomstsluitende Partijen gelegenheid tot stemmen hebben gehad.
5. Bij hoogdringendheid of op verzoek van welke vertegenwoordiging ook, legt de Voorzitter een dringend voorstel ter beslissing voor aan de Raad door de vertegenwoordigers individueel per brief te raadplegen. Het voorstel zal zijn goedgekeurd als de vereiste meerderheid van de vertegenwoordigingen haar schriftelijke toestemming geeft. Als echter een vertegenwoordiger er onmiddellijk om verzoekt, zal het probleem worden uitgesteld tot de volgende vergadering van de Raad.
Artikel 10. Directeur-generaal.
1. De Directeur-generaal neemt de leiding waar van de Vennootschap en is haar wettelijk vertegenwoordiger. De Directeur-generaal wordt bijgestaan door de Directeurs. De Directeur-generaal betrekt de Directeurs van nabij in alle aspecten van zijn werk.
2. De Directeur-generaal en, na raadpleging van de Directeur-generaal, de Directeurs worden door de Raad benoemd voor een periode van ten hoogste vijf jaar. Hun arbeidsovereenkomst moet worden goedgekeurd door de Raad en wordt namens de Vennootschap door de Voorzitter van de Raad ondertekend.
Artikel 11. Verslagen en financiële werkwijze.
1. Het boekjaar van de Vennootschap valt samen met het kalenderjaar.
2. De Directeur-generaal legt het volgende regelmatig aan de Raad voor :
(a) een jaarverslag over de werkzaamheden van de Vennootschap;
(b) de rekeningen over het voorbije boekjaar met een verslag over de geografische verdeling van de contracten;
(c) een raming van de resultaten van het lopende boekjaar en een staat van de thesauriepositie van de Vennootschap;
(d) een voorgesteld begrotings- en personeelsplan voor het komende boekjaar in overeenstemming met de financiële regels;
(e) een wetenschappelijk programma en een financieel en personeelsplan op middellange termijn.
Artikel 12. Personeel.
1. Het door de Vennootschap tewerkgestelde personeel ontvangt een salaris dat overeenkomt met dat van het Franse " Commissariat à l'Energie Atomique " en daarenboven de ontheemdings- of andere toelagen analoog aan die van het " Institut Max von Laue Paul Langevin ". Tijdens de bouwperiode kan de Raad in uitzonderlijke individueel te bepalen gevallen extra toelagen toekennen. De organisaties die deze Statuten hebben ondertekend, kunnen ook bij hen in dienst zijnd personeel naar de Vennootschap detacheren.
2. Wetenschappers die deelnemen aan het experimentele programma, mogen voor niet langer dan vijf jaar door de Vennootschap aangeworven of ernaar gedetacheerd worden, tenzij de Raad anders beslist.
3. Ander hooggekwalificeerd personeel kan bij uitzondering voor een beperkte periode aangeworven worden.
4. De detachering van personeel wordt geregeld door een overeenkomst tussen de Vennootschap en de organisatie die personeel detacheert. Deze overeenkomst moet, in het bijzonder, bepalen dat het naar de Vennootschap gedetacheerde personeel onderworpen is aan haar reglementen betreffende discipline, veiligheid en beveiliging.
5. Bovendien mag de Vennootschap al dan niet door de Leden voorgestelde gastonderzoekers uitnodigen; deze onderzoekers zijn eveneens onderworpen aan de reglementen van de Vennootschap betreffende discipline, veiligheid en beveiliging. De uitnodiging van ieder van deze onderzoekers is onderwerp van een schriftelijke overeenkomst met de Vennootschap.
Artikel 13. Contracten.
1. De Raad stelt een Aanbestedingscommissie in, samengesteld uit ten hoogste twee door elke Overeenkomstsluitende Partij aangewezen experts.
2. De procedure voor het sluiten van contracten met een waarde van meer dan 300 000 FF of elk ander bedrag waartoe door de Raad beslist wordt, is de volgende :
(a) beslissingen betreffende het toekennen van contracten worden slechts genomen na evaluatie van de offertes waarvan er normaliter ten minste drie afkomstig zijn van op het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partijen gevestigde leveranciers. De Leden van de Aanbestedingscommissie worden ingelicht over aanstaande offerteaanvragen en mogen zelf leveranciers voorstellen die worden verzocht om offertes in te dienen,
(b) de contracten worden toegekend aan de leverancier die de gunstigste offerte heeft ingediend welke beantwoordt aan de technische en leveringsvereisten.
3. Geen enkel contract met een waarde van meer dan 3 miljoen FF of elk ander bedrag waartoe door de Raad beslist wordt, wordt zonder de voorafgaande goedkeuring van de Aanbestedingscommissie toegekend. Geen enkel contract met een waarde van meer dan 30 miljoen FF of elk ander bedrag waartoe door de Raad beslist wordt, wordt zonder de voorafgaande goedkeuring van de Raad zelf toegekend.
4. In uitzonderlijke gevallen kan de Raad een afwijking van voorafgaande procedure toestaan. De Directeur-generaal moet regelmatig verslag uitbrengen aan de Aanbestedingscommissie en de Raad over de verdeling van de contracten. In geval van een duidelijk gebrek aan evenwicht in de waarde van de contracten tussen de landen van de Overeenkomstsluitende Partijen in verhouding tot hun bijdrage, moet de Raad, op verzoek van welke Overeenkomstsluitende Partij ook, passende maatregelen in overweging nemen, die door de Aanbestedingscommissie en de Directeur-generaal ten uitvoer moeten worden gelegd, rekening houdend met het principe van de " juste retour ".
Artikel 14. Intellectuele eigendom.
1. De Vennootschap is eigenaar van alle rechten die voortvloeien uit de resultaten die door het personeel van de Vennootschap worden bereikt in het kader van zijn werkzaamheden. Als deze resultaten uitvindingen betreffen, mag de Vennootschap in eigen naam, voor eigen rekening en in eigen voordeel, intellectuele eigendomsrechten aanvragen in alle landen waar ze zulke bescherming nodig acht.
2. Als de Vennootschap beslist geen bescherming aan te vragen in een of meer landen, kan of kunnen de uitvinder(s), met toestemming van de Vennootschap, in eigen naam, voor eigen rekening en in eigen voordeel, dergelijke bescherming aanvragen. In voorkomend geval zal de eventueel toegekende octrooibescherming niet tegenstelbaar zijn aan de Vennootschap of aan haar Leden.
3. Door de Vennootschap tewerkgestelde personeelsleden die aan de basis liggen van een uitvinding kunnen een gratificatie ontvangen, waarvan het bedrag bepaald zal worden door de Directeur-generaal in overeenstemming met de door de Raad aangenomen regels.
4. Elk Lid heeft het recht de Vennootschap te verzoeken een licentie te krijgen voor onderzoek of voor andere doeleinden dan onderzoek. Deze licentie is kosteloos voor door dat Lid uitgevoerde onderzoekactiviteiten. Voor andere doeleinden dan onderzoek, kan de licentie toegekend worden tegen gunstiger voorwaarden dan die voor aan derde partijen toegekende licenties. Onder voorbehoud van het voorafgaande akkoord van het betrokken Lid, kent de Vennootschap aan iedere natuurlijke of rechtspersoon in het land of de landen van dat Lid tegen billijke en redelijke voorwaarden een licentie toe voor andere doeleinden dan onderzoek, behalve wanneer de Raad beslist dat de toekenning van een dergelijke licentie niet gewettigd is.
5. In het geval van personeel dat door een Lid naar de Vennootschap wordt gedetacheerd, zijn de volgende bepalingen van toepassing :
(a) Onder voorbehoud van de wettelijke bepalingen die van toepassing zijn op de uitvindingen gedaan door werknemers, is het Lid tot wie het gedetacheerde personeel behoort eigenaar van alle rechten op de resultaten die alleen door de onderzoeker bereikt zijn in de loop van zijn werk bij de Vennootschap. Als deze resultaten uitvindingen behelzen, zal het Lid tot wie het gedetacheerde personeel behoort het recht hebben om in elk land in eigen naam, voor eigen rekening en in eigen voordeel, de octrooien aan te vragen die nodig zijn voor de bescherming van dergelijke uitvindingen. Wat deze resultaten betreft, hebben de Vennootschap en de andere Leden het recht op gratis gebruik ervan, maar enkel voor onderzoekdoeleinden. De andere Leden hebben ook het recht op een licentie voor andere doeleinden dan onderzoek tegen gunstiger voorwaarden dan die voor aan derden toegekende licenties. Bovendien mag het Lid dat de rechten bezit niet weigeren een licentie voor andere doeleinden dan onderzoek tegen billijke en redelijke voorwaarden toe te kennen aan een natuurlijke of rechtspersoon in het land of de landen van de Leden op verzoek van een ander Lid.
(b) De Vennootschap ontvangt een deel van de netto-opbrengsten van alle door de bezitter van de rechten toegekende licenties voor andere doeleinden dan onderzoek; dit deel wordt bepaald met inachtneming van de respectieve bijdragen aan de uitvindingen van de Vennootschap en van de gedetacheerde persoon.
(c) Voor het aanvragen van de intellectuele eigendomsrechten en het toekennen van licenties, raadplegen de Vennootschap en de Leden elkaar in geval van twijfel en onthouden zich elke daad te stellen die de Vennootschap of de Leden schade zou kunnen berokkenen.
6. De voorwaarden voor het aanvragen van intellectuele eigendomsrechten en het eventueel verlenen van rechten op het gebruik van de informatie en van door ander gedetacheerd personeel tijdens de periode van detachering gedane uitvindingen, worden vastgelegd in schriftelijke overeenkomsten met dit personeel of de instellingen ter zake. Deze overeenkomsten zullen in overeenstemming zijn met de beginselen uiteengezet in punt 5 hierboven. In geval van resultaten die gezamenlijk bereikt zijn door een gastonderzoeker en een of meer gastonderzoekers van verschillende organisaties of met de medewerking van het personeel waarvan sprake in bovenstaande punten 1 en 5, worden de bepalingen die van toepassing zijn op de eigendom en het gebruik van dergelijke resultaten geval per geval door de Raad vastgelegd.
7. De beginselen van bovenstaand punt 5 zijn van toepassing op door de Vennootschap met derden gesloten overeenkomsten betreffende de uitvoering van studies of R&D-werk.
Artikel 15. Wetenschappelijk Adviescomité.
1. De Raad stelt een Wetenschappelijk Adviescomité in. De Leden van elke Overeenkomstsluitende Partij die samen ten minste 10 % van het in artikel 18 hieronder bepaalde kapitaal bezitten, mogen twee wetenschappers in het Comité benoemen. De Leden van elke Overeenkomstsluitende Partij die samen minder dan 10 % van het in artikel 18 hieronder bepaalde kapitaal bezitten, mogen één wetenschapper in het Comité benoemen. De Raad benoemt daarenboven tien wetenschappers in het Comité met het doel de wetenschappelijke thema's van de Vennootschap naar behoren te bestrijken. Vertegenwoordigers bij de Raad of andere door de Raad aangewezen personen kunnen als waarnemers de vergaderingen van het Wetenschappelijk Adviescomité bijwonen.
2. Na beraadslaging met het Wetenschappelijk Adviescomité benoemt de Raad de voorzitter en de ondervoorzitter van het comité overeenkomstig de in artikel 8 uiteengezette procedure.
3. Op verzoek van de Raad of de Directeur-generaal, of op eigen initiatief, geeft het Wetenschappelijke Adviescomité haar advies over relevant wetenschappelijk werk.
Artikel 16. Machine-Adviescommissie.
1. De Raad stelt voor de bouwperiode een uit ten hoogste 15 personen samengestelde Machine-Adviescommissie in.
2. Na beraadslaging met de Machine-Adviescommissie, benoemt de Raad de voorzitter en de ondervoorzitter van de Commissie overeenkomstig de in artikel 8 uiteengezette procedure.
3. Op verzoek van de Raad of de Directeur-generaal, of op eigen initiatief, geeft de Machine-Adviescommissie haar advies over relevante technische aangelegenheden.
Artikel 17. Controle.
De rekeningen van de Vennootschap worden gecontroleerd door een door de Raad aanvaarde audit firma. Haar verslag wordt aan een door de Raad ingestelde Controlecommissie voorgelegd. In de Controlecommissie zal ten minste één door elke Overeenkomstsluitende Partij voorgedragen persoon zitting hebben.
HOOFDSTUK III. - Lidmaatschap van de Vennootschap.
Artikel 18. (1. Het maatschappelijk kapitaal bedraagt ten minste honderdduizend Franse francs (100 000 FF), verdeeld in tienduizend (10 000) aandelen van elk tien Franse francs (10 FF). De Leden schrijven in voor het hieronder genoemde aantal aandelen op basis van hun bijdrage in de exploitatiekosten :
(Ondergetekenden,
Het " Centre National de la Recherche Scientifique ", 15, quai Anatole France, F 75700 Paris, vertegenwoordigd door zijn Directeur-Generaal;
Het " Commissariat à l'Energie Atomique ", 31-33, rue de la Fédération, F 75752 Paris Cedex 15, vertegenwoordigd door zijn Administrateur-Generaal;
Het " Forschungszentrum Jülich GmbH ", Postfach 1913, D 5170 Jülich, vertegenwoordigd door zijn Raad van Bestuur;
Het " Consiglio Nazionale delle Richerche ", Piazzale Aldo Moro 7, I 0185 Roma, vertegenwoordigd door zijn Voorzitter;
Het " Instituto Nazionale di Fisica Nucleare ", Casella postale 56, I 00044 Frascati, vertegenwoordigd door zijn Voorzitter;
Het " Consorzio Interuniversitario Nazionale per la Fisica della Materia ", Via Dodecaneso 33, I 16146 Genova, vertegenwoordigd door zijn Directeur;
Het consortium Benesync gevormd door :
- De Diensten voor Programmatie van het Wetenschapsbeleid, Wetenschapsstraat 8, B-1040 Brussel, vertegenwoordigd door de Secretaris-Generaal;
- De Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek, Postbus 93138, 2509 AC Den Haag, vertegenwoordigd door haar Voorzitter;
Het consortium Nordsync gevormd door :
- " Statens Naturvidenskabelige Forskningsrad ", H.C. Andersens Boulevard 40, DK-1553 Kopenhagen V, vertegenwoordigd door zijn Voorzitter;
- " Suomen Akatemia ", PL 57, SF 00551 Helsinki, vertegenwoordigd door haar Voorzitter;
- " Norges Allmennvitenskapelige Forskningsrad ", Sandakerveien 99, N 0483 Oslo, vertegenwoordigd door zijn Directeur;
- " Naturvetenskapliga Forskningsradet ", Box 6711, S 113 85 Stockholm, vertegenwoordigd door zijn Secretaris-Generaal;
Het Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door de Voorzitter van de " Comisión Interministerial de Ciencia y Tecnologia ", Rosario Pino 14-16, E 28020 Madrid;
De Zwitserse Bondsstaat, vertegenwoordigd door de Directeur van het " Bundesamt für Bildung und Wissenschaft ", PO Box 2732, CH 3001 Bern;
De Science and Engineering Research Council, Polaris House, UK Swindon SN2 1ET, vertegenwoordigd door zijn Voorzitter;
hierna te noemen " de Leden ",
Nota nemend van het feit dat de Belgische organisatie en de Nederlandse organisatie het consortium Benesync hebben gevormd voor hun deelneming in de Vennootschap, en dat de vier Noordse organisaties het consortium Nordsync hebben gevormd voor hun deelneming in de Vennootschap, en dat, hoewel zij alle deze Statuten hebben ondertekend, alleen het consortium Benesync, vertegenwoordigd door de Diensten voor Programmatie van het Wetenschpasbeleid, en het consortium Nordsync, vertegenwoordigd door Statens Naturvidenskabelige Forskningsrad, Lid zijn van de Vennootschap;
Verwijzend naar de Overeenkomst betreffende de bouw en de exploitatie van een Europese installatie voor synchrotronstraling, hierna te noemen " de Overeenkomst ", ondertekend te Parijs op 16 december 1988 door de Overeenkomstsluitende Partijen, vermeld in de preambule van de Overeenkomst en hierna te noemen de " Overeenkomstsluitende Partijen ";
Komen hierbij overeen een " Société Civile ", een vennootschap naar Frans recht, op te richten overeenkomstig de artikelen 1832 tot en met 1873 van het Franse Burgerlijk Wetboek, hierna te noemen " de Vennootschap ", die onderworpen is aan de Overeenkomst en deze Statuten.)
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
Artikel 1. Benaming en maatschappelijke zetel.
1. De Vennootschap draagt de benaming " Europese Synchrotronstralingsinstallatie " (European Synchrotron Radiation Facility ESRF).
2. De maatschappelijke zetel van de Vennootschap is gevestigd in Grenoble, Frankrijk, Avenue des Martyrs.
Artikel 2. Doelstellingen.
De Vennootschap heeft, conform de Overeenkomst, tot doel :
(a) een Synchrotronstralingsbron en de daarmee samenhangende instrumenten te gebruiken door de wetenschappers van de Overeenkomstsluitende Partijen te ontwerpen, bouwen, exploiteren en ontwikkelen,
(b) het gebruik van de installatie door de wetenschappers van de Overeenkomstsluitende Partijen te ondersteunen,
(c) programma's voor wetenschappelijk onderzoek waarbij gebruik wordt gemaakt van synchrotronstraling op te stellen en uit te voeren,
(d) alle nodige R&D-werk inzake technieken die gebruik maken van synchrotronstraling te verrichten,
(e) elke taak met betrekking tot het bereiken van voorgaande doelstellingen tot een goed einde te brengen.
HOOFDSTUK II. - Bestuur van de Vennootschap.
Artikel 3. Organen. De organen van de Vennootschap zijn de Raad en de Directeur-generaal.
Artikel 4. De Raad.
1. Vertegenwoordigers bij de Raad worden benoemd en van hun mandaat ontheven overeenkomstig de voorschriften die worden vastgelegd door elke betrokken Overeenkomstsluitende Partij in overeenstemming met artikel 3 van de Overeenkomst. De Raad treedt op als de Algemene Vergadering van de Leden van de Vennootschap zoals voorzien bij artikel 1853 van het Franse Burgerlijk Wetboek.
2. De Raad stelt zijn reglement van inwendige orde op, met inachtneming van de bepalingen van de Overeenkomst en van deze Statuten.
3. Elke Overeenkomstsluitende Partij wijst voor de Raad een vertegenwoordiging aan bestaande uit ten hoogste 3 vertegenwoordigers.
4. De vertegenwoordigers mogen zich laten bijstaan door experts overeenkomstig het reglement van inwendige orde van de Raad.
Artikel 5. Voorzitter en Ondervoorzitter van de Raad.
De Raad kiest een Voorzitter en een Ondervoorzitter voor een periode van maximum twee jaar. De Voorzitter en Ondervoorzitter moeten behoren tot verschillende vertegenwoordigingen.
Artikel 6. Secretariaat van de Raad.
De Raad benoemt, met het akkoord van de Directeur-generaal, een secretaris die gekozen wordt onder de personeelsleden van de Vennootschap.
Artikel 7. Vergaderingen van de Raad.
1. De Raad komt ten minste tweemaal per jaar bijeen.
2. De vergaderingen van de Raad zijn niet openbaar. Tenzij de Raad er ander over beslist, mogen de Directeur-generaal en de door de Raad benoemde Voorzitters van de Comités en Commissies de vergaderingen bijwonen zonder stemrecht.
Artikel 8. Bevoegdheden van de Raad.
1. De Raad beslist over belangrijke kwesties aangaande de algemene beleidslijnen van de Vennootschap. De Raad mag instructies geven aan de Directeur-generaal.
2. De volgende aangelegenheden vereisen de unanieme goedkeuring van de Raad :
(a) de toelating van nieuwe Leden;
(b) de regelingen zoals voorzien in artikel 8 van de Overeenkomst;
(c) de overdracht van aandelen onder Leden van verschillende Overeenkomstsluitende Partijen en de kapitaalsverhogingen;
(d) het reglement van inwendige orde van de Raad;
(e) de geldelijke regels;
(f) de Statutenwijzigingen;
(g) de verhogingen van de bouwkosten zoals uiteengezet in artikel 5 van de Overeenkomst.
3. De volgende aangelegenheden vereisen de goedkeuring van de Raad met een gekwalificeerde meerderheid :
(a) de verkiezing van de Voorzitter en de Ondervoorzitter;
(b) het wetenschappelijk programma op middellange termijn;
(c) de jaarlijkse begroting en de financiële ramingen op middellange termijn;
(d) het sluiten van de jaarlijkse rekeningen;
(e) de benoeming en de ontheffing uit hun mandaat van de Directeur-generaal en de Directeurs;
(f) de oprichting en de bevoegdheden van de advies- of andere comités en commissies met name een Comité voor Administratie en Financiën;
(g) de benoeming van de Voorzitter en de Ondervoorzitter van elk advies- of ander comité en commissie;
(h) de bevoegdheden en de werkwijze van de Controlecommissie;
(i) het beleid inzake de verdeling van stralingstijd;
(j) regelingen op korte of middellange termijn voor het gebruik van de ESRF door nationale of internationale wetenschappelijke organisaties;
(k) de " Convention d'Entreprise " (Bedrijfsovereenkomst over de arbeidsvoorwaarden van het personeel).
4. De Raad beslist over de andere aangelegenheden met een gewone meerderheid.
Artikel 9. Stemmingsprocedure.
1. Elke Overeenkomstsluitende Partij beschikt over slechts een enkele ondeelbare stem die uitgebracht wordt door de vertegenwoordiger die voor dit doel door de Leden is aangewezen.
2. Een " gewone meerderheid " betekent de helft van het kapitaal, waarbij het aantal ongunstige stemmen niet hoger is dan de helft van de Overeenkomstsluitende Partijen.
3. Een " gekwalificeerde meerderheid " betekent twee derde (2/3) van het kapitaal, waarbij het aantal ongunstige stemmen niet hoger is dan de helft van de Overeenkomstsluitende Partijen.
4. " Unanimiteit " betekent ten minste twee derde (2/3) van het kapitaal zonder een enkele tegenstem van enige Overeenkomstsluitende Partij, waarbij alle Overeenkomstsluitende Partijen gelegenheid tot stemmen hebben gehad.
5. Bij hoogdringendheid of op verzoek van welke vertegenwoordiging ook, legt de Voorzitter een dringend voorstel ter beslissing voor aan de Raad door de vertegenwoordigers individueel per brief te raadplegen. Het voorstel zal zijn goedgekeurd als de vereiste meerderheid van de vertegenwoordigingen haar schriftelijke toestemming geeft. Als echter een vertegenwoordiger er onmiddellijk om verzoekt, zal het probleem worden uitgesteld tot de volgende vergadering van de Raad.
Artikel 10. Directeur-generaal.
1. De Directeur-generaal neemt de leiding waar van de Vennootschap en is haar wettelijk vertegenwoordiger. De Directeur-generaal wordt bijgestaan door de Directeurs. De Directeur-generaal betrekt de Directeurs van nabij in alle aspecten van zijn werk.
2. De Directeur-generaal en, na raadpleging van de Directeur-generaal, de Directeurs worden door de Raad benoemd voor een periode van ten hoogste vijf jaar. Hun arbeidsovereenkomst moet worden goedgekeurd door de Raad en wordt namens de Vennootschap door de Voorzitter van de Raad ondertekend.
Artikel 11. Verslagen en financiële werkwijze.
1. Het boekjaar van de Vennootschap valt samen met het kalenderjaar.
2. De Directeur-generaal legt het volgende regelmatig aan de Raad voor :
(a) een jaarverslag over de werkzaamheden van de Vennootschap;
(b) de rekeningen over het voorbije boekjaar met een verslag over de geografische verdeling van de contracten;
(c) een raming van de resultaten van het lopende boekjaar en een staat van de thesauriepositie van de Vennootschap;
(d) een voorgesteld begrotings- en personeelsplan voor het komende boekjaar in overeenstemming met de financiële regels;
(e) een wetenschappelijk programma en een financieel en personeelsplan op middellange termijn.
Artikel 12. Personeel.
1. Het door de Vennootschap tewerkgestelde personeel ontvangt een salaris dat overeenkomt met dat van het Franse " Commissariat à l'Energie Atomique " en daarenboven de ontheemdings- of andere toelagen analoog aan die van het " Institut Max von Laue Paul Langevin ". Tijdens de bouwperiode kan de Raad in uitzonderlijke individueel te bepalen gevallen extra toelagen toekennen. De organisaties die deze Statuten hebben ondertekend, kunnen ook bij hen in dienst zijnd personeel naar de Vennootschap detacheren.
2. Wetenschappers die deelnemen aan het experimentele programma, mogen voor niet langer dan vijf jaar door de Vennootschap aangeworven of ernaar gedetacheerd worden, tenzij de Raad anders beslist.
3. Ander hooggekwalificeerd personeel kan bij uitzondering voor een beperkte periode aangeworven worden.
4. De detachering van personeel wordt geregeld door een overeenkomst tussen de Vennootschap en de organisatie die personeel detacheert. Deze overeenkomst moet, in het bijzonder, bepalen dat het naar de Vennootschap gedetacheerde personeel onderworpen is aan haar reglementen betreffende discipline, veiligheid en beveiliging.
5. Bovendien mag de Vennootschap al dan niet door de Leden voorgestelde gastonderzoekers uitnodigen; deze onderzoekers zijn eveneens onderworpen aan de reglementen van de Vennootschap betreffende discipline, veiligheid en beveiliging. De uitnodiging van ieder van deze onderzoekers is onderwerp van een schriftelijke overeenkomst met de Vennootschap.
Artikel 13. Contracten.
1. De Raad stelt een Aanbestedingscommissie in, samengesteld uit ten hoogste twee door elke Overeenkomstsluitende Partij aangewezen experts.
2. De procedure voor het sluiten van contracten met een waarde van meer dan 300 000 FF of elk ander bedrag waartoe door de Raad beslist wordt, is de volgende :
(a) beslissingen betreffende het toekennen van contracten worden slechts genomen na evaluatie van de offertes waarvan er normaliter ten minste drie afkomstig zijn van op het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partijen gevestigde leveranciers. De Leden van de Aanbestedingscommissie worden ingelicht over aanstaande offerteaanvragen en mogen zelf leveranciers voorstellen die worden verzocht om offertes in te dienen,
(b) de contracten worden toegekend aan de leverancier die de gunstigste offerte heeft ingediend welke beantwoordt aan de technische en leveringsvereisten.
3. Geen enkel contract met een waarde van meer dan 3 miljoen FF of elk ander bedrag waartoe door de Raad beslist wordt, wordt zonder de voorafgaande goedkeuring van de Aanbestedingscommissie toegekend. Geen enkel contract met een waarde van meer dan 30 miljoen FF of elk ander bedrag waartoe door de Raad beslist wordt, wordt zonder de voorafgaande goedkeuring van de Raad zelf toegekend.
4. In uitzonderlijke gevallen kan de Raad een afwijking van voorafgaande procedure toestaan. De Directeur-generaal moet regelmatig verslag uitbrengen aan de Aanbestedingscommissie en de Raad over de verdeling van de contracten. In geval van een duidelijk gebrek aan evenwicht in de waarde van de contracten tussen de landen van de Overeenkomstsluitende Partijen in verhouding tot hun bijdrage, moet de Raad, op verzoek van welke Overeenkomstsluitende Partij ook, passende maatregelen in overweging nemen, die door de Aanbestedingscommissie en de Directeur-generaal ten uitvoer moeten worden gelegd, rekening houdend met het principe van de " juste retour ".
Artikel 14. Intellectuele eigendom.
1. De Vennootschap is eigenaar van alle rechten die voortvloeien uit de resultaten die door het personeel van de Vennootschap worden bereikt in het kader van zijn werkzaamheden. Als deze resultaten uitvindingen betreffen, mag de Vennootschap in eigen naam, voor eigen rekening en in eigen voordeel, intellectuele eigendomsrechten aanvragen in alle landen waar ze zulke bescherming nodig acht.
2. Als de Vennootschap beslist geen bescherming aan te vragen in een of meer landen, kan of kunnen de uitvinder(s), met toestemming van de Vennootschap, in eigen naam, voor eigen rekening en in eigen voordeel, dergelijke bescherming aanvragen. In voorkomend geval zal de eventueel toegekende octrooibescherming niet tegenstelbaar zijn aan de Vennootschap of aan haar Leden.
3. Door de Vennootschap tewerkgestelde personeelsleden die aan de basis liggen van een uitvinding kunnen een gratificatie ontvangen, waarvan het bedrag bepaald zal worden door de Directeur-generaal in overeenstemming met de door de Raad aangenomen regels.
4. Elk Lid heeft het recht de Vennootschap te verzoeken een licentie te krijgen voor onderzoek of voor andere doeleinden dan onderzoek. Deze licentie is kosteloos voor door dat Lid uitgevoerde onderzoekactiviteiten. Voor andere doeleinden dan onderzoek, kan de licentie toegekend worden tegen gunstiger voorwaarden dan die voor aan derde partijen toegekende licenties. Onder voorbehoud van het voorafgaande akkoord van het betrokken Lid, kent de Vennootschap aan iedere natuurlijke of rechtspersoon in het land of de landen van dat Lid tegen billijke en redelijke voorwaarden een licentie toe voor andere doeleinden dan onderzoek, behalve wanneer de Raad beslist dat de toekenning van een dergelijke licentie niet gewettigd is.
5. In het geval van personeel dat door een Lid naar de Vennootschap wordt gedetacheerd, zijn de volgende bepalingen van toepassing :
(a) Onder voorbehoud van de wettelijke bepalingen die van toepassing zijn op de uitvindingen gedaan door werknemers, is het Lid tot wie het gedetacheerde personeel behoort eigenaar van alle rechten op de resultaten die alleen door de onderzoeker bereikt zijn in de loop van zijn werk bij de Vennootschap. Als deze resultaten uitvindingen behelzen, zal het Lid tot wie het gedetacheerde personeel behoort het recht hebben om in elk land in eigen naam, voor eigen rekening en in eigen voordeel, de octrooien aan te vragen die nodig zijn voor de bescherming van dergelijke uitvindingen. Wat deze resultaten betreft, hebben de Vennootschap en de andere Leden het recht op gratis gebruik ervan, maar enkel voor onderzoekdoeleinden. De andere Leden hebben ook het recht op een licentie voor andere doeleinden dan onderzoek tegen gunstiger voorwaarden dan die voor aan derden toegekende licenties. Bovendien mag het Lid dat de rechten bezit niet weigeren een licentie voor andere doeleinden dan onderzoek tegen billijke en redelijke voorwaarden toe te kennen aan een natuurlijke of rechtspersoon in het land of de landen van de Leden op verzoek van een ander Lid.
(b) De Vennootschap ontvangt een deel van de netto-opbrengsten van alle door de bezitter van de rechten toegekende licenties voor andere doeleinden dan onderzoek; dit deel wordt bepaald met inachtneming van de respectieve bijdragen aan de uitvindingen van de Vennootschap en van de gedetacheerde persoon.
(c) Voor het aanvragen van de intellectuele eigendomsrechten en het toekennen van licenties, raadplegen de Vennootschap en de Leden elkaar in geval van twijfel en onthouden zich elke daad te stellen die de Vennootschap of de Leden schade zou kunnen berokkenen.
6. De voorwaarden voor het aanvragen van intellectuele eigendomsrechten en het eventueel verlenen van rechten op het gebruik van de informatie en van door ander gedetacheerd personeel tijdens de periode van detachering gedane uitvindingen, worden vastgelegd in schriftelijke overeenkomsten met dit personeel of de instellingen ter zake. Deze overeenkomsten zullen in overeenstemming zijn met de beginselen uiteengezet in punt 5 hierboven. In geval van resultaten die gezamenlijk bereikt zijn door een gastonderzoeker en een of meer gastonderzoekers van verschillende organisaties of met de medewerking van het personeel waarvan sprake in bovenstaande punten 1 en 5, worden de bepalingen die van toepassing zijn op de eigendom en het gebruik van dergelijke resultaten geval per geval door de Raad vastgelegd.
7. De beginselen van bovenstaand punt 5 zijn van toepassing op door de Vennootschap met derden gesloten overeenkomsten betreffende de uitvoering van studies of R&D-werk.
Artikel 15. Wetenschappelijk Adviescomité.
1. De Raad stelt een Wetenschappelijk Adviescomité in. De Leden van elke Overeenkomstsluitende Partij die samen ten minste 10 % van het in artikel 18 hieronder bepaalde kapitaal bezitten, mogen twee wetenschappers in het Comité benoemen. De Leden van elke Overeenkomstsluitende Partij die samen minder dan 10 % van het in artikel 18 hieronder bepaalde kapitaal bezitten, mogen één wetenschapper in het Comité benoemen. De Raad benoemt daarenboven tien wetenschappers in het Comité met het doel de wetenschappelijke thema's van de Vennootschap naar behoren te bestrijken. Vertegenwoordigers bij de Raad of andere door de Raad aangewezen personen kunnen als waarnemers de vergaderingen van het Wetenschappelijk Adviescomité bijwonen.
2. Na beraadslaging met het Wetenschappelijk Adviescomité benoemt de Raad de voorzitter en de ondervoorzitter van het comité overeenkomstig de in artikel 8 uiteengezette procedure.
3. Op verzoek van de Raad of de Directeur-generaal, of op eigen initiatief, geeft het Wetenschappelijke Adviescomité haar advies over relevant wetenschappelijk werk.
Artikel 16. Machine-Adviescommissie.
1. De Raad stelt voor de bouwperiode een uit ten hoogste 15 personen samengestelde Machine-Adviescommissie in.
2. Na beraadslaging met de Machine-Adviescommissie, benoemt de Raad de voorzitter en de ondervoorzitter van de Commissie overeenkomstig de in artikel 8 uiteengezette procedure.
3. Op verzoek van de Raad of de Directeur-generaal, of op eigen initiatief, geeft de Machine-Adviescommissie haar advies over relevante technische aangelegenheden.
Artikel 17. Controle.
De rekeningen van de Vennootschap worden gecontroleerd door een door de Raad aanvaarde audit firma. Haar verslag wordt aan een door de Raad ingestelde Controlecommissie voorgelegd. In de Controlecommissie zal ten minste één door elke Overeenkomstsluitende Partij voorgedragen persoon zitting hebben.
HOOFDSTUK III. - Lidmaatschap van de Vennootschap.
Artikel 18. (1. Het maatschappelijk kapitaal bedraagt ten minste honderdduizend Franse francs (100 000 FF), verdeeld in tienduizend (10 000) aandelen van elk tien Franse francs (10 FF). De Leden schrijven in voor het hieronder genoemde aantal aandelen op basis van hun bijdrage in de exploitatiekosten :
Art. N1. Annexe 1re à la Convention. - Statuts de l'Installation européenne de Rayonnement Synchrotron Société civile.
(Les soussignés,
Le Centre national de la Recherche scientifique, 15, quai Anatole France, F 75700 Paris, représenté par son Directeur général,
Le Commissariat à l'Energie Atomique, 31-33, rue de la Fédération, F 75752 Paris Cedex 15, représenté par son Administrateur général,
Le Forschungszentrum Jülich GmbH, Postfach 1913, D 5170 Jülich, représenté par son Conseil d'Administration,
Le Consiglio Nazionale delle Richerche, Piazzale Aldo Moro 7, I 0185 Roma, représenté par son Président,
L'Instituto Nazionale di Fisica Nucleare, Casella postale 56, I 00044 Frascati, représenté par son Président,
Le Consorzio Interuniversitario Nazionale per la Fisica della Materia, Via Dodecaneso 33, I 16146 Genova, représenté par son Directeur,
Le Consortium Benesync formé par :
Les Services de Programmation de la Politique scientifique, rue de la Science 8, B-1040 Bruxelles, représenté par son Secrétaire Général,
De Nederlandse Organisatie voor wetenschappelijk Onderzoek, Postbus 93138, 2509 AC Den Haag, représenté par son Président,
Le Consortium Norsync, formé par :
Statens Naturvidenskabelige Forskningsrad, H.C. Andersens Boulevard 40, DK-1553 Kopenhavn V, représenté par son Président,
Suomen Akatemia, PL 57, SF 00551 Helsinki, représenté par son Président,
Norges Allmennvitenskapelige Forskningsrad, Sandakerveien 99, N 0483 Oslo, représenté par son Directeur,
Naturvetenskapliga Forskningsradet, Box 6711, S 113 85 Stockholm, représenté par son Secrétaire Général,
Le Royaume d'Espagne, représenté par le Président de la Comisión Interministerial de Ciencia y Tecnologia, Rosario Pino 14-16, E 28020 Madrid,
La Confédération suisse, représenté par le Directeur de l'Office fédéral de l'Education et de la Science, PO Box 2732, CH 3001 Berne,
Le Science and Engineering Research Council, Polaris House, UK Swindon SN2 1ET, représenté par son Président,
Ci-après dénommés comme " les Membres "
Prenant acte de ce que l'organisation belge et l'organisation néerlandaise ont formé un Consortium Benesync pour leur participation à la Société, et de ce que les quatre organisations nordiques ont formé un Consortium Nordsync pour leur participation à la Société, et de ce que, bien qu'elles aient toutes signé les présents Statuts, seuls le Consortium Benesync représenté par les services de Programmation de la Politique Scientifique et le Consortium Nordsync, représenté par Statens Naturvidenskabelige Forskningsrad, sont membres de la Société;
Se référant à la Convention ci-après dénommée " la Convention ", relative à la construction et à l'exploitation d'une Installation européenne de rayonnement synchrotron signée à Paris le 16 décembre 1988 entre les Parties contractantes, définies dans le préambule de la Convention et ci-après dénommées " les Parties contractantes ";
Conviennent de constituer une Société Civile soumise aux articles 1832 à 1873 du code civil français, ci-après dénommée " la Société ", qui sera régie par la Convention et les présents Statuts.)
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales.
Article 1er. Dénomination et siège.
1. La dénomination de la Société est " Installation européenne de Rayonnement Synchrotron " (European Synchrotron Radiation Facility ESRF).
2. La Société a son siège social avenue des Martyrs, Grenoble, France.
Article 2. Objet.
L'objet de la Société est, conformément à la Convention :
a) d'étudier, de construire, de faire fonctionner et développer une source de rayonnement synchrotron et ses dispositifs annexes à l'usage des communautés scientifiques des Parties Contractantes,
b) de favoriser l'utilisation de l'installation par les communautés scientifiques des Parties Contractantes,
c) d'établir et de réaliser des programmes de recherche scientifique utilisant le rayonnement synchrotron,
d) d'exécuter tous travaux de recherche et de développement nécessaires dans les techniques utilisant le rayonnement synchrotron,
e) d'effecteur les tâches liées à la réalisation de ces objectifs.
CHAPITRE II. - Administration de la Société.
Article 3. Organes de la Société.
Les organes de la Société sont le Conseil et le Directeur général.
Article 4. Le Conseil.
1. Les délégués au Conseil sont nommés et révoqués conformément aux règles fixées par chaque Partie contractante concernée conformément à l'article 3 de la Convention. Le conseil constitue l'Assemblée des Membres de la Société prévue à l'article 1853 du Code civil français.
2. Le Conseil établit ses propres règles de fonctionnement dans le respect des dispositions de la Convention et des présents statuts.
3. Chaque Partie contractante désigne pour la représenter au Conseil une délégation composée de trois délégués au plus.
4. Les délégués peuvent être assistés d'experts conformément aux règles de fonctionnement du Conseil.
Article 5. Président et Vice-Président du Conseil.
Le Conseil élit un Président et un Vice-Président pour une période n'excédant pas deux ans. Le Président et le Vice-Président doivent appartenir à des délégations différentes.
Article 6. Secrétariat du Conseil.
Le Conseil désigne, avec l'accord du Directeur général, un Secrétaire choisi parmi les agents de la Société.
Article 7. Réunions du Conseil.
1. Le Conseil se réunit au moins deux fois par an.
2. Les réunions du Conseil ne sont pas publiques. A moins que le Conseil n'en décide autrement, le Directeur général et les Présidents des Comités nommés par le Conseil peuvent assister aux réunions sans droit de vote.
Article 8. Pouvoirs du Conseil.
1. Le Conseil décide des questions importantes touchant la politique générale de la Société. Il peut donner des directives au Directeur général.
2. Les points suivants requièrent l'approbation unanime du Conseil :
(a) l'admission de nouveaux Membres,
(b) les arrangements prévus à l'article 8 de la Convention,
(c) les cessions de parts entre Membres de différentes Parties Contractantes et les augmentations de capital,
(d) les règles de fonctionnement du Conseil,
(e) les règles financières,
(f) la modification des présents Statuts,
(g) les majorations des coûts de construction établis à l'article 5 de la Convention.
3. Les points suivants requièrent l'approbation du Conseil à la majorité qualifiée :
(a) l'élection du Président et du Vice-Président,
(b) le programme scientifique à moyen terme,
(c) le budget annuel et les prévisions financières à moyen terme,
(d) l'arrêté des comptes annuels,
(e) la nomination et la révocation du Directeur général et des Directeurs,
(f) l'établissement et les attributions des Comités consultatifs et des autres Comités, notamment du Comité administratif et financier,
(g) la nomination du Président et du Vice-Président de chaque Comité Consultatif ou autre Comité,
(h) les attributions et les règles de fonctionnement du Comité d'Audit,
(i) la politique de répartition du temps de faisceau,
(j) les arrangements à court ou moyen terme pour l'utilisation de l'ESRF par les organisations scientifiques nationales ou internationales,
(k) la " Convention d'entreprise " (Accord de la Société sur les conditions de travail du personnel).
4. Le Conseil prend ses décisions à la majorité simple sur les autres points.
Article 9. Procédure de vote.
1. Chaque Partie Contractante ne dispose que d'un droit de vote unique indivisible, exercé par le délégué désigné à cet effet par les Membres concernés.
2. Une " majorité simple " signifie la moitié du capital, le nombre de voix défavorables n'excédant pas la moitié des Parties Contractantes.
3. Une " majorité qualifiée " signifie les deux tiers (2/3) du capital, le nombre de voix défavorables n'excédant pas la moitié des Parties Contractantes.
4. L' "unanimité" signifie les deux tiers (2/3) au moins du capital, sans vote contraire d'une quelconque Partie Contractante, toutes les Parties Contractantes ayant eu la possibilité de prendre part au vote.
5. En cas d'urgence ou à la demande de toute délégation, le Président soumet une proposition urgente pour décision du Conseil, en consultant les délégués individuellement par correspondance. La proposition sera approuvée si la majorité des délégations requise donne son accord écrit. Cependant, si un délégué en fait la demande immédiate, la question sera reportée à la réunion suivante du Conseil.
Article 10. Directeur général.
1. Le Directeur général assure la direction de la Société et sa représentation légale. Le Directeur général est assisté par les Directeurs. Le Directeur général associe d'une manière étroite les Directeurs à tous les domaines de sa fonction.
2. Le Directeur Général, et, après consultation du Directeur général, les Directeurs sont nommés par le Conseil pour une période maximum de cinq ans. Leurs contrats de travail doivent être approuvés par le Conseil, et sont signés par le Président du Conseil au nom de la Société.
Article 11. Rapports et procédure financière.
1. L'exercice financier de la Société est l'année civile.
2. Le Directeur général soumet régulièrement au Conseil :
(a) un rapport annuel sur les activités de la Société,
(b) les comptes de l'exercice financier précédent comprenant un rapport sur la répartition géographique des contrats,
(c) un tableau prévisionnel des dépenses de l'exercice financier en cours et une situation de la trésorerie courante de la Société,
(d) une proposition de budget et un plan d'effectifs pour l'exercice financier à venir en accord avec les règles financières,
(e) un programme scientifique et un plan financier et d'effectifs à moyen terme.
Article 12. Personnel.
1. Le personnel employé par la Société reçoit un salaire correspondant à celui des agents du Commissariat français à l'énergie atomique, auquel s'ajoutent les indemnités d'expatriation applicables et les autres indemnités analogues à celles existant à l'Institut Max von Laue Paul Langevin. Au cours de la période de construction, le Conseil peut autoriser des indemnités supplémentaires pour des cas individuels exceptionnels. Les organismes ayant signé les présents Statuts peuvent aussi détacher à la Société du personnel employé par eux.
2. Les scientifiques participant au programme expérimental ne peuvent pas être employés par la Société, ou détachés auprès d'elle, pour une période excédant cinq ans, à moins que le Conseil n'en décide autrement.
3. D'autre personnel hautement qualifié peut être exceptionnellement engagé pour une durée limitée.
4. Le détachement de personnel est régi par un contrat entre la Société et l'organisme détachant le personnel. Ce contrat doit, en particulier, stipuler que le personnel détaché est soumis aux règles de la Société régissant la discipline, la sûreté et la sécurité.
5. En outre, la Société peut recevoir des chercheurs invités proposés ou non par les Membres; ces chercheurs sont soumis également aux règles de la Société régissant la discipline, la sûreté et la sécurité. L'accueil de chacun de ces chercheurs est subordonné à un accord écrit avec la Société.
Article 13. Contrats.
1. Le Conseil nomme un Comité des Marchés composé de deux experts au plus désignés par chaque Partie Contractante.
2. La procédure d'attribution des contrats d'une valeur de plus de 300 000 francs français, ou de tout autre montant décidé par le Conseil, sera la suivante :
a) les décisions relatives à l'octroi des contrats seront prises seulement après évaluation des offres en compétition, incluant, en règle générale, au moins trois fournisseurs installés sur le territoire des Parties Contractantes. Les Membres du Comité des Marchés sont informés des appels d'offres à venir et peuvent proposer des fournisseurs qui sont invités à formuler des offres.
b) les contrats sont attribués au fournisseur qui aura soumis l'offre la meilleure au regard des exigences techniques et des délais.
3. Aucun contrat d'une valeur supérieure à 3 millions de francs français, ou de tout autre montant décidé par le Conseil, n'est attribué sans l'accord préalable de la Commission des Marchés. Aucun contrat d'une valeur de plus de 30 millions de francs français, ou de tout autre montant décidé par le Conseil, n'est attribué sans l'accord préalable du Conseil lui-même.
4. Dans des cas exceptionnels, le Conseil peut autoriser une dérogation à la procédure précédente. Le Directeur général doit présenter régulièrement à la Commission des Marchés et au Conseil un rapport sur la répartition des contrats. Au cas où un déséquilibre significatif apparaîtrait dans la valeur des contrats attribués aux pays des Parties Contractantes par rapport à leurs contributions, le Conseil doit, à la demande de l'une quelconque des Parties Contractantes, envisager les mesures appropriées à mettre en oeuvre par le Comité des Marchés et le Directeur général, prenant en considération le principe d'un " Juste retour ".
Article 14. Propriété intellectuelle.
1. La Société est propriétaire de tous les droits provenant des résultats obtenus par le personnel employé par la Société dans le cadre de ses activités. Si ces résultats constituent des inventions, la Société peut, en son nom propre, à ses frais et à son seul bénéfice, procéder au dépôt des demandes de droits de propriété intellectuelle, dans tous pays où elle considère cette protection nécessaire.
2. Si la Société décide de ne pas déposer de demande d'une telle protection dans un ou plusieurs pays, le ou les inventeurs peuvent, avec l'accord de la Société, procéder au dépôt de demandes d'une telle protection en leur propre nom, à leurs frais et pour leur propre bénéfice. Dans ce cas, la protection issue de brevets qui pourrait être accordée ne sera pas opposable à la Société ou à ses Membres.
3. Le personnel employé par la Société qui est à l'origine d'une invention peut recevoir une gratification dont le montant sera déterminé par le Directeur général en conformité avec les règles adoptées par le Conseil.
4. Chaque Membre à sa demande est en droit d'obtenir de la Société une licence pour la recherche ou pour d'autre fins que la recherche. Cette licence est gratuite pour les activités de recherche conduites par ce Membre. Pour d'autres fins que la recherche, la licence peut être accordée à des conditions plus favorables que celles qui sont consenties pour des licences accordées à des tiers. Sous réserve de l'accord préalable du Membre concerné, la Société accorde à toute personne physique ou morale du ou des pays de ce Membre une licence à des conditions justes et équitables pour des fins autres que la recherche, sauf si le Conseil décide que l'octroi d'une telle licence ne se justifie pas.
5. Dans le cas de personnel détaché à la Société par un Membre, les dispositions suivantes sont appliquées :
(a) Sous réserve des dispositions légales applicables aux inventions des salariés, le Membre dont relève le personnel détaché est propriétaire de tous les droits provenant des résultats obtenus uniquement par le chercheur dans le cadre de son travail à la Société. Si ces résultats constituent des inventions, le Membre dont relève le personnel détaché aura le droit de procéder, dans tout pays, sous son nom, à ses frais et pour son seul profit au dépôt des demandes de brevets nécessaires à la protection de telles inventions. Au regard de ces résultats, la Société et les autres Membres bénéficient d'un droit d'usage gratuit uniquement aux fins de recherche. Les autres Membres ont aussi un droit à licence pour des fins autres que la recherche à des conditions plus favorables que celles des licences accordées à des tiers. En outre, le Membre possédant des droits ne peut refuser d'accorder une licence à des fins autres que la recherche à des conditions justes et équitables à toute personne physique ou morale dans le ou les pays des Membres, à la demande d'un autre Membre.
(b) La Société reçoit une part des revenus nets de toutes les licences accordées par le propriétaire des droits à des fins autres que la recherche, ladite part est déterminee en prenant en considération les contributions respectives aux inventions de la Société et de la personne détachée.
(c) Pour les demandes de droits de propriété intellectuelle et l'octroi de licences, la Société et les Membres se consultent dans les cas de doute et s'abstiennent d'engager toute action qui pourrait provoquer des dommages à la Société et à ses Membres.
6. Les conditions régissant les demandes de droits de propriété intellectuelle et l'octroi éventuel des droits d'utilisation des informations et des inventions découvertes par d'autres personnels détachés durant la période de détachement sont arrêtées par contrat écrit avec ce personnel ou les institutions en cause. Ces contrats suivent les règles exposées au paragraphe 5 ci-dessus. Dans le cas de résultats obtenus en commun par un chercheur invité et un ou plusieurs chercheurs invités de plusieurs organismes ou avec la participation de personnel visé au paragraphes 1er et 5 ci-dessus, les dispositions applicables à la propriété et à l'utilisation de tels résultats sont fixées cas par cas par le Conseil.
7. Les principes exposés au paragraphe 5 ci-dessus s'appliquent aux contrats conclus par la Société avec des tiers relatifs à la réalisation d'études, ou de travaux de recherche et développement.
Article 15. Le Comité consultatif scientifique.
1. Le Conseil nomme un Comité Consultatif Scientifique. Les Membres de chaque Partie Contractante détenant ensemble au moins dix pour cent (10 %) du capital tel que défini à l'article 18 ci-dessous peuvent nommer deux personnalités scientifiques à ce Comité. Les Membres de chaque Partie Contractante détenant ensemble moins de dix pour cent (10 %) du capital tel que défini à l'article 18 ci-dessous peuvent nommer une personnalité scientifique à ce comité. Le Conseil designe en outre au Comité dix (10) personnalités scientifiques, dans le but de parvenir à une couverture des thèmes scientifiques satisfaisante pour la Société. Les délégués au Conseil ou d'autres personnes designées par lui peuvent participer aux réunions du Comité consultatif scientifique en qualité d'observateurs.
2. Après consultation avec le Comité Consultatif scientifique, le Président et le Vice-Président du Comité sont nommés par le Conseil selon la procédure fixée à l'article 8.
3. A la demande du Conseil ou du Directeur général, ou à sa propre initiative, le Comité consultatif scientifique donne son opinion sur les travaux scientifiques de sa compétence.
Article 16. Le Comité consultatif Machine.
1. Le Conseil nomme la période de construction un Comité consultatif Machine composé de quinze personnes au maximum.
2. Après consultation avec le Comité consultatif Machine, le Président et le Vice-Président du Comité sont nommés par le Conseil, selon la procédure fixée à l'article 8.
3. A la demande du Conseil ou du Directeur général ou à sa propre initiative, le Comité Consultatif Machine donne son opinion sur toute question technique de sa compétence.
Article 17. Audit. Les comptes de la Société sont vérifiés par une firme d'auditeurs professionnels dont la désignation est approuvée par le Conseil. Leur rapport est soumis à un Comité d'Audit nommé par le Conseil. Le Comité d'Audit comprend au moins une personne nommée par chaque Partie Contractante.
CHAPITRE III. - Membres de la Société.
Article 18. (1. Le capital social est au minimum de cent mille francs français (100 000 FF), divisé en dix mille (10 000) à parts de dix francs (10 FF) chacune. Les Membres souscrivent le nombre de parts indiqué ci-dessous, fondé sur leur contribution aux dépenses de fonctionnement :
(Les soussignés,
Le Centre national de la Recherche scientifique, 15, quai Anatole France, F 75700 Paris, représenté par son Directeur général,
Le Commissariat à l'Energie Atomique, 31-33, rue de la Fédération, F 75752 Paris Cedex 15, représenté par son Administrateur général,
Le Forschungszentrum Jülich GmbH, Postfach 1913, D 5170 Jülich, représenté par son Conseil d'Administration,
Le Consiglio Nazionale delle Richerche, Piazzale Aldo Moro 7, I 0185 Roma, représenté par son Président,
L'Instituto Nazionale di Fisica Nucleare, Casella postale 56, I 00044 Frascati, représenté par son Président,
Le Consorzio Interuniversitario Nazionale per la Fisica della Materia, Via Dodecaneso 33, I 16146 Genova, représenté par son Directeur,
Le Consortium Benesync formé par :
Les Services de Programmation de la Politique scientifique, rue de la Science 8, B-1040 Bruxelles, représenté par son Secrétaire Général,
De Nederlandse Organisatie voor wetenschappelijk Onderzoek, Postbus 93138, 2509 AC Den Haag, représenté par son Président,
Le Consortium Norsync, formé par :
Statens Naturvidenskabelige Forskningsrad, H.C. Andersens Boulevard 40, DK-1553 Kopenhavn V, représenté par son Président,
Suomen Akatemia, PL 57, SF 00551 Helsinki, représenté par son Président,
Norges Allmennvitenskapelige Forskningsrad, Sandakerveien 99, N 0483 Oslo, représenté par son Directeur,
Naturvetenskapliga Forskningsradet, Box 6711, S 113 85 Stockholm, représenté par son Secrétaire Général,
Le Royaume d'Espagne, représenté par le Président de la Comisión Interministerial de Ciencia y Tecnologia, Rosario Pino 14-16, E 28020 Madrid,
La Confédération suisse, représenté par le Directeur de l'Office fédéral de l'Education et de la Science, PO Box 2732, CH 3001 Berne,
Le Science and Engineering Research Council, Polaris House, UK Swindon SN2 1ET, représenté par son Président,
Ci-après dénommés comme " les Membres "
Prenant acte de ce que l'organisation belge et l'organisation néerlandaise ont formé un Consortium Benesync pour leur participation à la Société, et de ce que les quatre organisations nordiques ont formé un Consortium Nordsync pour leur participation à la Société, et de ce que, bien qu'elles aient toutes signé les présents Statuts, seuls le Consortium Benesync représenté par les services de Programmation de la Politique Scientifique et le Consortium Nordsync, représenté par Statens Naturvidenskabelige Forskningsrad, sont membres de la Société;
Se référant à la Convention ci-après dénommée " la Convention ", relative à la construction et à l'exploitation d'une Installation européenne de rayonnement synchrotron signée à Paris le 16 décembre 1988 entre les Parties contractantes, définies dans le préambule de la Convention et ci-après dénommées " les Parties contractantes ";
Conviennent de constituer une Société Civile soumise aux articles 1832 à 1873 du code civil français, ci-après dénommée " la Société ", qui sera régie par la Convention et les présents Statuts.)
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales.
Article 1er. Dénomination et siège.
1. La dénomination de la Société est " Installation européenne de Rayonnement Synchrotron " (European Synchrotron Radiation Facility ESRF).
2. La Société a son siège social avenue des Martyrs, Grenoble, France.
Article 2. Objet.
L'objet de la Société est, conformément à la Convention :
a) d'étudier, de construire, de faire fonctionner et développer une source de rayonnement synchrotron et ses dispositifs annexes à l'usage des communautés scientifiques des Parties Contractantes,
b) de favoriser l'utilisation de l'installation par les communautés scientifiques des Parties Contractantes,
c) d'établir et de réaliser des programmes de recherche scientifique utilisant le rayonnement synchrotron,
d) d'exécuter tous travaux de recherche et de développement nécessaires dans les techniques utilisant le rayonnement synchrotron,
e) d'effecteur les tâches liées à la réalisation de ces objectifs.
CHAPITRE II. - Administration de la Société.
Article 3. Organes de la Société.
Les organes de la Société sont le Conseil et le Directeur général.
Article 4. Le Conseil.
1. Les délégués au Conseil sont nommés et révoqués conformément aux règles fixées par chaque Partie contractante concernée conformément à l'article 3 de la Convention. Le conseil constitue l'Assemblée des Membres de la Société prévue à l'article 1853 du Code civil français.
2. Le Conseil établit ses propres règles de fonctionnement dans le respect des dispositions de la Convention et des présents statuts.
3. Chaque Partie contractante désigne pour la représenter au Conseil une délégation composée de trois délégués au plus.
4. Les délégués peuvent être assistés d'experts conformément aux règles de fonctionnement du Conseil.
Article 5. Président et Vice-Président du Conseil.
Le Conseil élit un Président et un Vice-Président pour une période n'excédant pas deux ans. Le Président et le Vice-Président doivent appartenir à des délégations différentes.
Article 6. Secrétariat du Conseil.
Le Conseil désigne, avec l'accord du Directeur général, un Secrétaire choisi parmi les agents de la Société.
Article 7. Réunions du Conseil.
1. Le Conseil se réunit au moins deux fois par an.
2. Les réunions du Conseil ne sont pas publiques. A moins que le Conseil n'en décide autrement, le Directeur général et les Présidents des Comités nommés par le Conseil peuvent assister aux réunions sans droit de vote.
Article 8. Pouvoirs du Conseil.
1. Le Conseil décide des questions importantes touchant la politique générale de la Société. Il peut donner des directives au Directeur général.
2. Les points suivants requièrent l'approbation unanime du Conseil :
(a) l'admission de nouveaux Membres,
(b) les arrangements prévus à l'article 8 de la Convention,
(c) les cessions de parts entre Membres de différentes Parties Contractantes et les augmentations de capital,
(d) les règles de fonctionnement du Conseil,
(e) les règles financières,
(f) la modification des présents Statuts,
(g) les majorations des coûts de construction établis à l'article 5 de la Convention.
3. Les points suivants requièrent l'approbation du Conseil à la majorité qualifiée :
(a) l'élection du Président et du Vice-Président,
(b) le programme scientifique à moyen terme,
(c) le budget annuel et les prévisions financières à moyen terme,
(d) l'arrêté des comptes annuels,
(e) la nomination et la révocation du Directeur général et des Directeurs,
(f) l'établissement et les attributions des Comités consultatifs et des autres Comités, notamment du Comité administratif et financier,
(g) la nomination du Président et du Vice-Président de chaque Comité Consultatif ou autre Comité,
(h) les attributions et les règles de fonctionnement du Comité d'Audit,
(i) la politique de répartition du temps de faisceau,
(j) les arrangements à court ou moyen terme pour l'utilisation de l'ESRF par les organisations scientifiques nationales ou internationales,
(k) la " Convention d'entreprise " (Accord de la Société sur les conditions de travail du personnel).
4. Le Conseil prend ses décisions à la majorité simple sur les autres points.
Article 9. Procédure de vote.
1. Chaque Partie Contractante ne dispose que d'un droit de vote unique indivisible, exercé par le délégué désigné à cet effet par les Membres concernés.
2. Une " majorité simple " signifie la moitié du capital, le nombre de voix défavorables n'excédant pas la moitié des Parties Contractantes.
3. Une " majorité qualifiée " signifie les deux tiers (2/3) du capital, le nombre de voix défavorables n'excédant pas la moitié des Parties Contractantes.
4. L' "unanimité" signifie les deux tiers (2/3) au moins du capital, sans vote contraire d'une quelconque Partie Contractante, toutes les Parties Contractantes ayant eu la possibilité de prendre part au vote.
5. En cas d'urgence ou à la demande de toute délégation, le Président soumet une proposition urgente pour décision du Conseil, en consultant les délégués individuellement par correspondance. La proposition sera approuvée si la majorité des délégations requise donne son accord écrit. Cependant, si un délégué en fait la demande immédiate, la question sera reportée à la réunion suivante du Conseil.
Article 10. Directeur général.
1. Le Directeur général assure la direction de la Société et sa représentation légale. Le Directeur général est assisté par les Directeurs. Le Directeur général associe d'une manière étroite les Directeurs à tous les domaines de sa fonction.
2. Le Directeur Général, et, après consultation du Directeur général, les Directeurs sont nommés par le Conseil pour une période maximum de cinq ans. Leurs contrats de travail doivent être approuvés par le Conseil, et sont signés par le Président du Conseil au nom de la Société.
Article 11. Rapports et procédure financière.
1. L'exercice financier de la Société est l'année civile.
2. Le Directeur général soumet régulièrement au Conseil :
(a) un rapport annuel sur les activités de la Société,
(b) les comptes de l'exercice financier précédent comprenant un rapport sur la répartition géographique des contrats,
(c) un tableau prévisionnel des dépenses de l'exercice financier en cours et une situation de la trésorerie courante de la Société,
(d) une proposition de budget et un plan d'effectifs pour l'exercice financier à venir en accord avec les règles financières,
(e) un programme scientifique et un plan financier et d'effectifs à moyen terme.
Article 12. Personnel.
1. Le personnel employé par la Société reçoit un salaire correspondant à celui des agents du Commissariat français à l'énergie atomique, auquel s'ajoutent les indemnités d'expatriation applicables et les autres indemnités analogues à celles existant à l'Institut Max von Laue Paul Langevin. Au cours de la période de construction, le Conseil peut autoriser des indemnités supplémentaires pour des cas individuels exceptionnels. Les organismes ayant signé les présents Statuts peuvent aussi détacher à la Société du personnel employé par eux.
2. Les scientifiques participant au programme expérimental ne peuvent pas être employés par la Société, ou détachés auprès d'elle, pour une période excédant cinq ans, à moins que le Conseil n'en décide autrement.
3. D'autre personnel hautement qualifié peut être exceptionnellement engagé pour une durée limitée.
4. Le détachement de personnel est régi par un contrat entre la Société et l'organisme détachant le personnel. Ce contrat doit, en particulier, stipuler que le personnel détaché est soumis aux règles de la Société régissant la discipline, la sûreté et la sécurité.
5. En outre, la Société peut recevoir des chercheurs invités proposés ou non par les Membres; ces chercheurs sont soumis également aux règles de la Société régissant la discipline, la sûreté et la sécurité. L'accueil de chacun de ces chercheurs est subordonné à un accord écrit avec la Société.
Article 13. Contrats.
1. Le Conseil nomme un Comité des Marchés composé de deux experts au plus désignés par chaque Partie Contractante.
2. La procédure d'attribution des contrats d'une valeur de plus de 300 000 francs français, ou de tout autre montant décidé par le Conseil, sera la suivante :
a) les décisions relatives à l'octroi des contrats seront prises seulement après évaluation des offres en compétition, incluant, en règle générale, au moins trois fournisseurs installés sur le territoire des Parties Contractantes. Les Membres du Comité des Marchés sont informés des appels d'offres à venir et peuvent proposer des fournisseurs qui sont invités à formuler des offres.
b) les contrats sont attribués au fournisseur qui aura soumis l'offre la meilleure au regard des exigences techniques et des délais.
3. Aucun contrat d'une valeur supérieure à 3 millions de francs français, ou de tout autre montant décidé par le Conseil, n'est attribué sans l'accord préalable de la Commission des Marchés. Aucun contrat d'une valeur de plus de 30 millions de francs français, ou de tout autre montant décidé par le Conseil, n'est attribué sans l'accord préalable du Conseil lui-même.
4. Dans des cas exceptionnels, le Conseil peut autoriser une dérogation à la procédure précédente. Le Directeur général doit présenter régulièrement à la Commission des Marchés et au Conseil un rapport sur la répartition des contrats. Au cas où un déséquilibre significatif apparaîtrait dans la valeur des contrats attribués aux pays des Parties Contractantes par rapport à leurs contributions, le Conseil doit, à la demande de l'une quelconque des Parties Contractantes, envisager les mesures appropriées à mettre en oeuvre par le Comité des Marchés et le Directeur général, prenant en considération le principe d'un " Juste retour ".
Article 14. Propriété intellectuelle.
1. La Société est propriétaire de tous les droits provenant des résultats obtenus par le personnel employé par la Société dans le cadre de ses activités. Si ces résultats constituent des inventions, la Société peut, en son nom propre, à ses frais et à son seul bénéfice, procéder au dépôt des demandes de droits de propriété intellectuelle, dans tous pays où elle considère cette protection nécessaire.
2. Si la Société décide de ne pas déposer de demande d'une telle protection dans un ou plusieurs pays, le ou les inventeurs peuvent, avec l'accord de la Société, procéder au dépôt de demandes d'une telle protection en leur propre nom, à leurs frais et pour leur propre bénéfice. Dans ce cas, la protection issue de brevets qui pourrait être accordée ne sera pas opposable à la Société ou à ses Membres.
3. Le personnel employé par la Société qui est à l'origine d'une invention peut recevoir une gratification dont le montant sera déterminé par le Directeur général en conformité avec les règles adoptées par le Conseil.
4. Chaque Membre à sa demande est en droit d'obtenir de la Société une licence pour la recherche ou pour d'autre fins que la recherche. Cette licence est gratuite pour les activités de recherche conduites par ce Membre. Pour d'autres fins que la recherche, la licence peut être accordée à des conditions plus favorables que celles qui sont consenties pour des licences accordées à des tiers. Sous réserve de l'accord préalable du Membre concerné, la Société accorde à toute personne physique ou morale du ou des pays de ce Membre une licence à des conditions justes et équitables pour des fins autres que la recherche, sauf si le Conseil décide que l'octroi d'une telle licence ne se justifie pas.
5. Dans le cas de personnel détaché à la Société par un Membre, les dispositions suivantes sont appliquées :
(a) Sous réserve des dispositions légales applicables aux inventions des salariés, le Membre dont relève le personnel détaché est propriétaire de tous les droits provenant des résultats obtenus uniquement par le chercheur dans le cadre de son travail à la Société. Si ces résultats constituent des inventions, le Membre dont relève le personnel détaché aura le droit de procéder, dans tout pays, sous son nom, à ses frais et pour son seul profit au dépôt des demandes de brevets nécessaires à la protection de telles inventions. Au regard de ces résultats, la Société et les autres Membres bénéficient d'un droit d'usage gratuit uniquement aux fins de recherche. Les autres Membres ont aussi un droit à licence pour des fins autres que la recherche à des conditions plus favorables que celles des licences accordées à des tiers. En outre, le Membre possédant des droits ne peut refuser d'accorder une licence à des fins autres que la recherche à des conditions justes et équitables à toute personne physique ou morale dans le ou les pays des Membres, à la demande d'un autre Membre.
(b) La Société reçoit une part des revenus nets de toutes les licences accordées par le propriétaire des droits à des fins autres que la recherche, ladite part est déterminee en prenant en considération les contributions respectives aux inventions de la Société et de la personne détachée.
(c) Pour les demandes de droits de propriété intellectuelle et l'octroi de licences, la Société et les Membres se consultent dans les cas de doute et s'abstiennent d'engager toute action qui pourrait provoquer des dommages à la Société et à ses Membres.
6. Les conditions régissant les demandes de droits de propriété intellectuelle et l'octroi éventuel des droits d'utilisation des informations et des inventions découvertes par d'autres personnels détachés durant la période de détachement sont arrêtées par contrat écrit avec ce personnel ou les institutions en cause. Ces contrats suivent les règles exposées au paragraphe 5 ci-dessus. Dans le cas de résultats obtenus en commun par un chercheur invité et un ou plusieurs chercheurs invités de plusieurs organismes ou avec la participation de personnel visé au paragraphes 1er et 5 ci-dessus, les dispositions applicables à la propriété et à l'utilisation de tels résultats sont fixées cas par cas par le Conseil.
7. Les principes exposés au paragraphe 5 ci-dessus s'appliquent aux contrats conclus par la Société avec des tiers relatifs à la réalisation d'études, ou de travaux de recherche et développement.
Article 15. Le Comité consultatif scientifique.
1. Le Conseil nomme un Comité Consultatif Scientifique. Les Membres de chaque Partie Contractante détenant ensemble au moins dix pour cent (10 %) du capital tel que défini à l'article 18 ci-dessous peuvent nommer deux personnalités scientifiques à ce Comité. Les Membres de chaque Partie Contractante détenant ensemble moins de dix pour cent (10 %) du capital tel que défini à l'article 18 ci-dessous peuvent nommer une personnalité scientifique à ce comité. Le Conseil designe en outre au Comité dix (10) personnalités scientifiques, dans le but de parvenir à une couverture des thèmes scientifiques satisfaisante pour la Société. Les délégués au Conseil ou d'autres personnes designées par lui peuvent participer aux réunions du Comité consultatif scientifique en qualité d'observateurs.
2. Après consultation avec le Comité Consultatif scientifique, le Président et le Vice-Président du Comité sont nommés par le Conseil selon la procédure fixée à l'article 8.
3. A la demande du Conseil ou du Directeur général, ou à sa propre initiative, le Comité consultatif scientifique donne son opinion sur les travaux scientifiques de sa compétence.
Article 16. Le Comité consultatif Machine.
1. Le Conseil nomme la période de construction un Comité consultatif Machine composé de quinze personnes au maximum.
2. Après consultation avec le Comité consultatif Machine, le Président et le Vice-Président du Comité sont nommés par le Conseil, selon la procédure fixée à l'article 8.
3. A la demande du Conseil ou du Directeur général ou à sa propre initiative, le Comité Consultatif Machine donne son opinion sur toute question technique de sa compétence.
Article 17. Audit. Les comptes de la Société sont vérifiés par une firme d'auditeurs professionnels dont la désignation est approuvée par le Conseil. Leur rapport est soumis à un Comité d'Audit nommé par le Conseil. Le Comité d'Audit comprend au moins une personne nommée par chaque Partie Contractante.
CHAPITRE III. - Membres de la Société.
Article 18. (1. Le capital social est au minimum de cent mille francs français (100 000 FF), divisé en dix mille (10 000) à parts de dix francs (10 FF) chacune. Les Membres souscrivent le nombre de parts indiqué ci-dessous, fondé sur leur contribution aux dépenses de fonctionnement :
Benesync, vertegenwoordigd door de Diensten voor
Programmatie van het Wetenschapsbeleid 600
Centre national de la Recherche scientifique 1 375
Commissariat a l'Energie atomique 1 375
Forschungszentrum Julich GmbH 2 550
Consiglio Nazionale delle Ricerche 500
Consorzio Interuniversitario Nazionale per la fisica
della Materia 500
Istituto Nazionale di Fisica Nucleare 500
Nordsync, vertegenwoordigd door Statens Naturvidenskabelige
Forskningsrad 400
Het Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door de
Voorzitter van de Comision interministerial de
Ciencia y Tecnologia 400
De Zwitserse Bondsstaat, vertegenwoordigd door
de Directeur van het Bundesamt fur Bildung und Wissenschaft 400
Science and Engineering Research Council 1 400
Programmatie van het Wetenschapsbeleid 600
Centre national de la Recherche scientifique 1 375
Commissariat a l'Energie atomique 1 375
Forschungszentrum Julich GmbH 2 550
Consiglio Nazionale delle Ricerche 500
Consorzio Interuniversitario Nazionale per la fisica
della Materia 500
Istituto Nazionale di Fisica Nucleare 500
Nordsync, vertegenwoordigd door Statens Naturvidenskabelige
Forskningsrad 400
Het Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door de
Voorzitter van de Comision interministerial de
Ciencia y Tecnologia 400
De Zwitserse Bondsstaat, vertegenwoordigd door
de Directeur van het Bundesamt fur Bildung und Wissenschaft 400
Science and Engineering Research Council 1 400
Benesync, represente par les Services de Programmation
de la Politique scientifique 600
Centre national de la Recherche scientifique 1 375
Commissariat a l'Energie atomique 1 375
Forschungszentrum Julich GmbH 2 550
Consiglio Nazionale delle Ricerche 500
Istituto Nazionale di Fisica Nucleare 500
Consorzio Interuniversitario Nazionale per la fisica
della Materia 500
Nordsync, represente par Statens Naturvidenskabelige
Forskningsrad 400
Le Royaume d'Espagne represente par le President
de la Comision interministerial de Ciencia y Tecnolgia 400
La Confederation suisse representee par le Directeur de
l'Office federal de l'Education et de la Science 400
Science and Engineering Research Council 1 400
de la Politique scientifique 600
Centre national de la Recherche scientifique 1 375
Commissariat a l'Energie atomique 1 375
Forschungszentrum Julich GmbH 2 550
Consiglio Nazionale delle Ricerche 500
Istituto Nazionale di Fisica Nucleare 500
Consorzio Interuniversitario Nazionale per la fisica
della Materia 500
Nordsync, represente par Statens Naturvidenskabelige
Forskningsrad 400
Le Royaume d'Espagne represente par le President
de la Comision interministerial de Ciencia y Tecnolgia 400
La Confederation suisse representee par le Directeur de
l'Office federal de l'Education et de la Science 400
Science and Engineering Research Council 1 400
)
Artikel 19. Overdracht van aandelen en kapitaalsverhoging.
1. Het aantal aandelen van het Lid of de Leden van een Overeenkomstsluitende Partij stemt overeen met haar financiële bijdrage aan de exploitatiekosten. Elk lid bezit ten minste 4 % van de aandelen.
2. In geval van welke wijziging ook in de financiële bijdragen, moet het betrokken Lid of moeten de betrokken Leden het overeenstemmend aantal aandelen overdragen.
3. De overdracht van aandelen onder Leden van verschillende Overeenkomstsluitende partijen, en elke kapitaalsverhoging, vereisen de unanieme goedkeuring van de Raad. Goedkeuring wordt verondersteld verkregen te zijn in geval van een overdracht van alle of sommige aandelen onder Leden van dezelfde Overeenkomstsluitende Partij of in geval van een overdracht van aandelen van een Lid aan een van overheidswege gefinancierd orgaan van dezelfde Overeenkomstsluitende Partij.
Artikel 20. Toetreding van nieuwe Leden.
1. De Vennootschap staat open voor de toetreding van nieuwe Leden, onder voorbehoud van de unanieme goedkeuring door de Raad. Goedkeuring wordt verondersteld verkregen te zijn in geval van een nieuw Lid van een Overeenkomstsluitende Partij.
2. De toetreding van een nieuw Lid is ondergeschikt aan de toetreding tot de Overeenkomst door de betrokken Regering of groep van Regeringen. Een nieuw lid verwerft aandelen van de bestaande Leden.
Artikel 21. Verplichtingen van de Leden.
Het kapitaal en de lopende uitgaven die nodig zijn voor het verwezenlijken van de doelstellingen van de Vennootschap, worden gedragen door ieder van de Leden in overeenstemming met de begroting volgens de in artikel 6 van de Overeenkomst vastgelegde verhoudingen. Wanneer tussen de Vennootschap en bepaalde Leden overeenkomsten worden gesloten voor de levering van goederen en diensten, verbinden de betrokken Leden er zich toe de goederen en diensten zonder winst voor henzelf te leveren.
Artikel 22. Terugtrekking.
Als een Overeenkomstsluitende Partij zich terugtrekt in overeenstemming met artikel 13 van de Overeenkomst, moeten ook haar Leden zich uit de Vennootschap terugtrekken en zijn ze op verzoek van de resterende Leden gehouden op passende wijze bij te dragen aan de toekomstige kosten voor de ontmanteling van de installaties en de gebouwen van de Vennootschap.
HOOFDSTUK IV. - Duur, Liquidatie, Geschillen.
Artikel 23. Duur.
De Vennootschap wordt voor een periode van 99 jaar opgericht. Ze zal echter ontbonden worden in geval van een vroegtijdige beëindiging van de Overeenkomst.
Artikel 24. Liquidatie van de Vennootschap.
1. De Leden verbinden zich ertoe bij ontbinding de installaties en gebouwen van de Vennootschap te laten ontmantelen en de desbetreffende kosten in verhouding tot hun aandeel in het kapitaal te dragen.
2. Tijdens de liquidatie verbinden de Leden er zich ook toe de Vennootschap verder te ondersteunen en in verhouding tot hun aandeel in het kapitaal de uitgaven voor onderhoud te dragen gedurende de periode dat de Installatie niet gebruikt wordt.
3. De Raad beslist over de te volgen procedure.
Artikel 25. Toepasbare wet.
Alle aangelegenheden die niet uitdrukkelijk door de Overeenkomst en deze Statuten geregeld worden, vallen onder de toepassing van de Franse wet.
Artikel 26. Geschillen.
1. De Leden trachten zoveel mogelijk geschillen bij de interpretatie of toepassing van deze Statuten in der minne te regelen.
2. Als geen minnelijke schikking kan worden bereikt, verbinden de Leden er zich toe het geschil ter regeling voor te leggen aan de Overeenkomstsluitende Partijen conform artikel 10 van de Overeenkomst.
Artikel 27. Inwerkingtreding.
Deze Statuten treden in werking na ondertekening door alle Leden.
Opgemaakt te Parijs op 16 december 1988 in vier originele exemplaren in het Frans en in een origineel exemplaar in het Engels, Duits, Italiaans, Nederlands en het Spaans. Bij strijdigheid heeft de Franse versie voorrang.
Artikel 19. Overdracht van aandelen en kapitaalsverhoging.
1. Het aantal aandelen van het Lid of de Leden van een Overeenkomstsluitende Partij stemt overeen met haar financiële bijdrage aan de exploitatiekosten. Elk lid bezit ten minste 4 % van de aandelen.
2. In geval van welke wijziging ook in de financiële bijdragen, moet het betrokken Lid of moeten de betrokken Leden het overeenstemmend aantal aandelen overdragen.
3. De overdracht van aandelen onder Leden van verschillende Overeenkomstsluitende partijen, en elke kapitaalsverhoging, vereisen de unanieme goedkeuring van de Raad. Goedkeuring wordt verondersteld verkregen te zijn in geval van een overdracht van alle of sommige aandelen onder Leden van dezelfde Overeenkomstsluitende Partij of in geval van een overdracht van aandelen van een Lid aan een van overheidswege gefinancierd orgaan van dezelfde Overeenkomstsluitende Partij.
Artikel 20. Toetreding van nieuwe Leden.
1. De Vennootschap staat open voor de toetreding van nieuwe Leden, onder voorbehoud van de unanieme goedkeuring door de Raad. Goedkeuring wordt verondersteld verkregen te zijn in geval van een nieuw Lid van een Overeenkomstsluitende Partij.
2. De toetreding van een nieuw Lid is ondergeschikt aan de toetreding tot de Overeenkomst door de betrokken Regering of groep van Regeringen. Een nieuw lid verwerft aandelen van de bestaande Leden.
Artikel 21. Verplichtingen van de Leden.
Het kapitaal en de lopende uitgaven die nodig zijn voor het verwezenlijken van de doelstellingen van de Vennootschap, worden gedragen door ieder van de Leden in overeenstemming met de begroting volgens de in artikel 6 van de Overeenkomst vastgelegde verhoudingen. Wanneer tussen de Vennootschap en bepaalde Leden overeenkomsten worden gesloten voor de levering van goederen en diensten, verbinden de betrokken Leden er zich toe de goederen en diensten zonder winst voor henzelf te leveren.
Artikel 22. Terugtrekking.
Als een Overeenkomstsluitende Partij zich terugtrekt in overeenstemming met artikel 13 van de Overeenkomst, moeten ook haar Leden zich uit de Vennootschap terugtrekken en zijn ze op verzoek van de resterende Leden gehouden op passende wijze bij te dragen aan de toekomstige kosten voor de ontmanteling van de installaties en de gebouwen van de Vennootschap.
HOOFDSTUK IV. - Duur, Liquidatie, Geschillen.
Artikel 23. Duur.
De Vennootschap wordt voor een periode van 99 jaar opgericht. Ze zal echter ontbonden worden in geval van een vroegtijdige beëindiging van de Overeenkomst.
Artikel 24. Liquidatie van de Vennootschap.
1. De Leden verbinden zich ertoe bij ontbinding de installaties en gebouwen van de Vennootschap te laten ontmantelen en de desbetreffende kosten in verhouding tot hun aandeel in het kapitaal te dragen.
2. Tijdens de liquidatie verbinden de Leden er zich ook toe de Vennootschap verder te ondersteunen en in verhouding tot hun aandeel in het kapitaal de uitgaven voor onderhoud te dragen gedurende de periode dat de Installatie niet gebruikt wordt.
3. De Raad beslist over de te volgen procedure.
Artikel 25. Toepasbare wet.
Alle aangelegenheden die niet uitdrukkelijk door de Overeenkomst en deze Statuten geregeld worden, vallen onder de toepassing van de Franse wet.
Artikel 26. Geschillen.
1. De Leden trachten zoveel mogelijk geschillen bij de interpretatie of toepassing van deze Statuten in der minne te regelen.
2. Als geen minnelijke schikking kan worden bereikt, verbinden de Leden er zich toe het geschil ter regeling voor te leggen aan de Overeenkomstsluitende Partijen conform artikel 10 van de Overeenkomst.
Artikel 27. Inwerkingtreding.
Deze Statuten treden in werking na ondertekening door alle Leden.
Opgemaakt te Parijs op 16 december 1988 in vier originele exemplaren in het Frans en in een origineel exemplaar in het Engels, Duits, Italiaans, Nederlands en het Spaans. Bij strijdigheid heeft de Franse versie voorrang.
)
Article 19.
Cessions de parts et augmentation de capital.
1. Le nombre de parts du ou des Membres d'une Partie Contractante correspond à sa contribution financière aux dépenses de fonctionnement. Chaque Membre doit détenir au moins 4 % des parts.
2. En cas de modification quelconque dans les contributions financières, le ou les Membres concernés sont tenus de procéder au transfert du nombre de parts correspondantes.
3. La cession de parts entre les Membres des différentes Parties Contractantes et toute augmentation de capital requièrent l'approbation unanime du Conseil. L'approbation est réputée acquise dans le cas d'une cession de tout ou partie des parts entre Membres d'une même Partie Contractante ou dans le cas d'une cession de parts détenues par un Membre à un organisme financé sur fonds publics dépendant de la même Partie Contractante.
Article 20. Admission de nouveau membres.
1. La Société est ouverte à l'admission de nouveaux Membres sous réserve de l'approbation unanime du Conseil. L'approbation est réputée acquise dans le cas d'un nouveau Membre d'une Partie Contractante.
2. L'admission d'un nouveau Membre est subordonnée à l'adhésion à la Convention du gouvernement ou du groupe de gouvernements dont il relève. Un nouveau Membre doit acquérir ses parts des Membres existants.
Article 21. Obligations des Membres.
Le capital et les depenses courantes nécessaires pour réaliser l'objet de la Société sont supportés par chacun des Membres en conformité avec le budget et dans les proportions fixées à l'article 6 de la Convention. Lorsque des contrats pour la fourniture de biens ou de services sont conclus entre la Société et certains de ses Membres, les Membres concernés s'engagent à fournir les biens ou services sans profit pour eux-mêmes.
Article 22. Retrait.
Si une Partie Contractante se retire conformément à l'article 13 de la Convention, les Membres qui en relèvent devront se retirer également de la Société et seront tenus à la demande des Membres restants de contribuer, selon la forme appropriée, aux coûts futurs du démantèlement des installations et constructions de la Société.
CHAPITRE IV. - Durée, Liquidation, Litiges.
Article 23. Durée. La Sociéte est créée pour une durée de 99 ans. Elle sera, toutefois, dissoute en cas d'expiration anticipée de la Convention.
Article 24. Liquidation de la Société.
1. Les Membres s'engagent à procéder au démantèlement de toutes les installations et constructions de la Société et à financer les coûts correspondants en proportion de leur participation dans le capital au moment de la dissolution.
2. Durant la liquidation, les Membres s'engagent également à maintenir la Société et à faire face, dans la proportion de leur participation au capital, aux dépenses entraînées par la maintenance de l'Installation pendant qu'elle n'est pas utilisée.
3. Le Conseil décide de la procédure a suivre pour la liquidation.
Article 25. Loi applicable.
La loi française régit tous les domaines qui ne sont pas expressément réglés par la Convention et les présents Statuts.
Article 26. Litiges.
1. Les Membres s'efforcent, dans la mesure du possible, de résoudre par voie amiable les litiges qui pourraient naître de l'interprétation ou de l'application des présents Statuts.
2. Au cas où un règlement amiable ne pourrait être obtenu, les Membres s'engagent à soumettre le litige aux Parties Contractantes aux fins de règlement conformément à l'article 10 de la Convention.
Article 27. Entrée en vigueur.
Les présents Statuts entrent en vigueur dès leur signature par tous les Membres.
Fait à Paris le 16 décembre 1988 en cinq originaux en français, et en un seul original en anglais, allemand, italien, espagnol, néerlandais. En cas de divergences d'interprétation, la version française prévaut.
Article 19.
Cessions de parts et augmentation de capital.
1. Le nombre de parts du ou des Membres d'une Partie Contractante correspond à sa contribution financière aux dépenses de fonctionnement. Chaque Membre doit détenir au moins 4 % des parts.
2. En cas de modification quelconque dans les contributions financières, le ou les Membres concernés sont tenus de procéder au transfert du nombre de parts correspondantes.
3. La cession de parts entre les Membres des différentes Parties Contractantes et toute augmentation de capital requièrent l'approbation unanime du Conseil. L'approbation est réputée acquise dans le cas d'une cession de tout ou partie des parts entre Membres d'une même Partie Contractante ou dans le cas d'une cession de parts détenues par un Membre à un organisme financé sur fonds publics dépendant de la même Partie Contractante.
Article 20. Admission de nouveau membres.
1. La Société est ouverte à l'admission de nouveaux Membres sous réserve de l'approbation unanime du Conseil. L'approbation est réputée acquise dans le cas d'un nouveau Membre d'une Partie Contractante.
2. L'admission d'un nouveau Membre est subordonnée à l'adhésion à la Convention du gouvernement ou du groupe de gouvernements dont il relève. Un nouveau Membre doit acquérir ses parts des Membres existants.
Article 21. Obligations des Membres.
Le capital et les depenses courantes nécessaires pour réaliser l'objet de la Société sont supportés par chacun des Membres en conformité avec le budget et dans les proportions fixées à l'article 6 de la Convention. Lorsque des contrats pour la fourniture de biens ou de services sont conclus entre la Société et certains de ses Membres, les Membres concernés s'engagent à fournir les biens ou services sans profit pour eux-mêmes.
Article 22. Retrait.
Si une Partie Contractante se retire conformément à l'article 13 de la Convention, les Membres qui en relèvent devront se retirer également de la Société et seront tenus à la demande des Membres restants de contribuer, selon la forme appropriée, aux coûts futurs du démantèlement des installations et constructions de la Société.
CHAPITRE IV. - Durée, Liquidation, Litiges.
Article 23. Durée. La Sociéte est créée pour une durée de 99 ans. Elle sera, toutefois, dissoute en cas d'expiration anticipée de la Convention.
Article 24. Liquidation de la Société.
1. Les Membres s'engagent à procéder au démantèlement de toutes les installations et constructions de la Société et à financer les coûts correspondants en proportion de leur participation dans le capital au moment de la dissolution.
2. Durant la liquidation, les Membres s'engagent également à maintenir la Société et à faire face, dans la proportion de leur participation au capital, aux dépenses entraînées par la maintenance de l'Installation pendant qu'elle n'est pas utilisée.
3. Le Conseil décide de la procédure a suivre pour la liquidation.
Article 25. Loi applicable.
La loi française régit tous les domaines qui ne sont pas expressément réglés par la Convention et les présents Statuts.
Article 26. Litiges.
1. Les Membres s'efforcent, dans la mesure du possible, de résoudre par voie amiable les litiges qui pourraient naître de l'interprétation ou de l'application des présents Statuts.
2. Au cas où un règlement amiable ne pourrait être obtenu, les Membres s'engagent à soumettre le litige aux Parties Contractantes aux fins de règlement conformément à l'article 10 de la Convention.
Article 27. Entrée en vigueur.
Les présents Statuts entrent en vigueur dès leur signature par tous les Membres.
Fait à Paris le 16 décembre 1988 en cinq originaux en français, et en un seul original en anglais, allemand, italien, espagnol, néerlandais. En cas de divergences d'interprétation, la version française prévaut.
Art. N2. Bijlage 2 bij de Overeenkomst. - Specificaties voor fase I.
1. Een positronen- of elektronenopslagring met een omtrek van 845 meter en met 32 rechtlijnige secties met voor elk een tussenruimte tussen de quadrupolen van meer dan 6 meter.
2. Een experimenteerhal die de gehele opslagring omvat en plaats biedt aan afgesplitste bundellijnen tot 75 meter lengte.
3. Bij 6 GeV, een stroomsterkte van ongeveer 100 mA bij werking met meerdere deeltjespakketten, en van 5 mA bij werking met een enkelvoudig pakket.
4. Een tijdsinterval van ongeveer 8 uur (of meer) gedurende welke de stroomsterkte van de bundel geleidelijk afneemt tot 1/e van de aanvangswaarde van ongeveer 100 mA, zodat de machine ononderbroken kan werken gedurende ongeveer één ploeg. De benodigde tijd voor het voorbereiden en het opbouwen van een bundel en de geschikte werkingsparameters zal in normale gevallen slechts een klein gedeelte van een normale ploeg in beslag mogen nemen.
5. Een lichtsterkte voor de ondulatoren van ten minste 1 x 10.17 fotonen sec-1 mrad-2 mm-2 per 0,1 % brandbreedte en per meter ondulator bij een fotonenergie van ongeveer 14 keV.
6. Uit de afbuigmagneten een flux van ten minste 8 x 10.12 fotonen sec-1 mrad-1 per 0,1 % bandbreedte bij de karakteristieke energie van de afbuigmagneten, wat zou moeten overeenkomen met ongeveer 19 keV in het hart van de magneten en met ongeveer 9,5 keV aan de " zachte uiteinden ".
7. Een X-stralenbundel waarvan de positie reproduceerbaar is van vulling tot vulling en die stabiel is gedurende een ploeg tot op ongeveer een tiende van zijn afmetingen en dit ten opzichte van de bundellijnen.
8. De afwerking van een eerste groep van ten minste zeven bundellijnen tot en met de controle op de calibratie van de optische elementen en de detectoren.
1. Een positronen- of elektronenopslagring met een omtrek van 845 meter en met 32 rechtlijnige secties met voor elk een tussenruimte tussen de quadrupolen van meer dan 6 meter.
2. Een experimenteerhal die de gehele opslagring omvat en plaats biedt aan afgesplitste bundellijnen tot 75 meter lengte.
3. Bij 6 GeV, een stroomsterkte van ongeveer 100 mA bij werking met meerdere deeltjespakketten, en van 5 mA bij werking met een enkelvoudig pakket.
4. Een tijdsinterval van ongeveer 8 uur (of meer) gedurende welke de stroomsterkte van de bundel geleidelijk afneemt tot 1/e van de aanvangswaarde van ongeveer 100 mA, zodat de machine ononderbroken kan werken gedurende ongeveer één ploeg. De benodigde tijd voor het voorbereiden en het opbouwen van een bundel en de geschikte werkingsparameters zal in normale gevallen slechts een klein gedeelte van een normale ploeg in beslag mogen nemen.
5. Een lichtsterkte voor de ondulatoren van ten minste 1 x 10.17 fotonen sec-1 mrad-2 mm-2 per 0,1 % brandbreedte en per meter ondulator bij een fotonenergie van ongeveer 14 keV.
6. Uit de afbuigmagneten een flux van ten minste 8 x 10.12 fotonen sec-1 mrad-1 per 0,1 % bandbreedte bij de karakteristieke energie van de afbuigmagneten, wat zou moeten overeenkomen met ongeveer 19 keV in het hart van de magneten en met ongeveer 9,5 keV aan de " zachte uiteinden ".
7. Een X-stralenbundel waarvan de positie reproduceerbaar is van vulling tot vulling en die stabiel is gedurende een ploeg tot op ongeveer een tiende van zijn afmetingen en dit ten opzichte van de bundellijnen.
8. De afwerking van een eerste groep van ten minste zeven bundellijnen tot en met de controle op de calibratie van de optische elementen en de detectoren.
Art. N2. Annexe 2 à la Convention. - Spécifications techniques escomptées pour la phase I.
1. Un anneau de stockage de positions ou d'électrons de 845 m de circonférence comprenant 32 sections droites, chacune d'entre elles laissant un intervalle d'au moins 6 m entre les quadrupoles.
2. Un hall expérimental abritant l'anneau et permettant l'installation de lignes de lumière d'une longueur maximale de 75 m.
3. A 6 Ge V, un courant d'environ 100 mA en fonctionnement avec plusieurs paquets et de 5 mA avec un seul paquet.
4. Une durée de vie du faisceau stocké superieure ou égale à 8 heures, correspondant à une décroissance régulière jusqu'à une valeur 1/e d'un courant initial d'environ 100 mA, et permettant l'utilisation de la machine, sans interruption pendant environ un poste de travail. Le temps consacré à l'obtention d'un faisceau et à la recherche de réglages satisfaisants ne doit en principe correspondre qu'à une faible partie d'un poste de travail.
5. Une brillance par mètre d'onduleur d'au moins 10.17 photons sec-1 mrad-2 mm-2 pour une largeur de bande de 0,1 %, à une énergie de photos voisine de 14 keV.
6. Un flux émis par les aimants de courbure d'au moins 8 x 10.12 photons sec-1 mrad-1 pour une largeur de bande de 0,1 %, à l'énergie caractéristique de ces aimants de courbure qui devrait être d'environ 19 keV dans la partie centrale de ces aimants et d'environ 9,5 keV pour le rayonnement X mou émis par leur extrémité.
7. Un faisceau de rayons X dont la position, par rapport aux lignes de lumière, est reproductible d'un remplissage de l'anneau à l'autre et stable pendant un poste de travail avec une précision égale à environ un dixième de ses dimensions.
8. La mise en service d'un premier ensemble d'au moins sept lignes de lumière après achèvement des tests de calibration des éléments optiques et des détecteurs.
1. Un anneau de stockage de positions ou d'électrons de 845 m de circonférence comprenant 32 sections droites, chacune d'entre elles laissant un intervalle d'au moins 6 m entre les quadrupoles.
2. Un hall expérimental abritant l'anneau et permettant l'installation de lignes de lumière d'une longueur maximale de 75 m.
3. A 6 Ge V, un courant d'environ 100 mA en fonctionnement avec plusieurs paquets et de 5 mA avec un seul paquet.
4. Une durée de vie du faisceau stocké superieure ou égale à 8 heures, correspondant à une décroissance régulière jusqu'à une valeur 1/e d'un courant initial d'environ 100 mA, et permettant l'utilisation de la machine, sans interruption pendant environ un poste de travail. Le temps consacré à l'obtention d'un faisceau et à la recherche de réglages satisfaisants ne doit en principe correspondre qu'à une faible partie d'un poste de travail.
5. Une brillance par mètre d'onduleur d'au moins 10.17 photons sec-1 mrad-2 mm-2 pour une largeur de bande de 0,1 %, à une énergie de photos voisine de 14 keV.
6. Un flux émis par les aimants de courbure d'au moins 8 x 10.12 photons sec-1 mrad-1 pour une largeur de bande de 0,1 %, à l'énergie caractéristique de ces aimants de courbure qui devrait être d'environ 19 keV dans la partie centrale de ces aimants et d'environ 9,5 keV pour le rayonnement X mou émis par leur extrémité.
7. Un faisceau de rayons X dont la position, par rapport aux lignes de lumière, est reproductible d'un remplissage de l'anneau à l'autre et stable pendant un poste de travail avec une précision égale à environ un dixième de ses dimensions.
8. La mise en service d'un premier ensemble d'au moins sept lignes de lumière après achèvement des tests de calibration des éléments optiques et des détecteurs.
Art. N3. Bijlage 3 bij de Overeenkomst. - Raming van de jaarlijkse uitgaven.
Miljoenen FF, Prijzen van januari 1987, belastingen niet inbegrepen.
Miljoenen FF, Prijzen van januari 1987, belastingen niet inbegrepen.
Art. N3. Annexe 3 à la Convention. - Estimation des dépenses annuelles.
Millions FF, Prix janvier 1987 hors taxes.
Millions FF, Prix janvier 1987 hors taxes.
Jaar Bouwkosten Exploitatiekosten Totaal
1988 105 105
1989 313 313
1990 369 369
1991 394 394
1992 424 424
1993 410 410
1994 185 185
(eerste helft)
Fase I 2 200 2 200
1994 110 75 185
(tweede helft)
1995 113 205 318
1996 88 235 323
1997 59 260 319
1998 28 285 313
Fase II 398 1 060 1 458
Totaal 2 598 1 060 3 658
Huisvesting wetenschappers-Optie 17
1988 105 105
1989 313 313
1990 369 369
1991 394 394
1992 424 424
1993 410 410
1994 185 185
(eerste helft)
Fase I 2 200 2 200
1994 110 75 185
(tweede helft)
1995 113 205 318
1996 88 235 323
1997 59 260 319
1998 28 285 313
Fase II 398 1 060 1 458
Totaal 2 598 1 060 3 658
Huisvesting wetenschappers-Optie 17
Annee Couts de Depenses de Total
construction fonctionnement
1988 105 105
1989 313 313
1990 369 369
1991 394 394
1992 424 424
1993 410 410
1994 (premier 185 185
semestre)
Phase I 2 200 2 200
1994 110 75 185
(second
semestre)
1995 113 205 318
1996 88 235 323
1997 59 260 319
1998 28 285 313
Phase II 398 1 060 1 458
Total general 2 598 1 060 3 658
Option " Maison des experimentateurs " 17
construction fonctionnement
1988 105 105
1989 313 313
1990 369 369
1991 394 394
1992 424 424
1993 410 410
1994 (premier 185 185
semestre)
Phase I 2 200 2 200
1994 110 75 185
(second
semestre)
1995 113 205 318
1996 88 235 323
1997 59 260 319
1998 28 285 313
Phase II 398 1 060 1 458
Total general 2 598 1 060 3 658
Option " Maison des experimentateurs " 17
Nota :
1. De " exploitatiekosten " omvatten exploitatie, onderhoud en lopende investeringen (kleine aankopen). Na het einde van Fase II worden de exploitatiekosten geraamd op 340 miljoen FF per jaar, tegen prijzen van 1 januari 1987.
2. De " bouwkosten " omvatten 153 miljoen FF voorzieningsreserve. Om de raming te vergemakkelijken, is deze reserve pro rata in de jaarlijkse kapitaaluitgaven opgenomen.
1. De " exploitatiekosten " omvatten exploitatie, onderhoud en lopende investeringen (kleine aankopen). Na het einde van Fase II worden de exploitatiekosten geraamd op 340 miljoen FF per jaar, tegen prijzen van 1 januari 1987.
2. De " bouwkosten " omvatten 153 miljoen FF voorzieningsreserve. Om de raming te vergemakkelijken, is deze reserve pro rata in de jaarlijkse kapitaaluitgaven opgenomen.
Notes :
1. Les " dépenses de fonctionnement " incluent le fonctionnement, l'entretien et les investissements courants. Les coûts d'exploitation à l'issue de la Phase II sont estimés à 340 MF par an, valeur au 1erjanvier 1987.
2. Les " coûts de construction " incluent une réserve de 153 MF au titre des aléas. Pour les nécessités de l'estimation, cette réserve est incluse au prorata dans les dépenses en capital pour chaque année.
1. Les " dépenses de fonctionnement " incluent le fonctionnement, l'entretien et les investissements courants. Les coûts d'exploitation à l'issue de la Phase II sont estimés à 340 MF par an, valeur au 1erjanvier 1987.
2. Les " coûts de construction " incluent une réserve de 153 MF au titre des aléas. Pour les nécessités de l'estimation, cette réserve est incluse au prorata dans les dépenses en capital pour chaque année.
Art. N4. Bijlage 4 bij de Overeenkomst. - Grondplan.
Op 17 mei 1988 werd een gemeenschappelijke huurovereenkomst gesloten voor de terreinen van de Vennootschap en het " Institut Max von Laue Paul Langevin (ILL) ".
Het gearceerde gebied zal beschikbaar worden gesteld voor gebruik door de Vennootschap of het " Institut Max von Laue Paul Langevin (ILL) " door middel van een overeenkomst tussen de Vennootschap en het " Institut ".
(Plan niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 11-08-2004, p. 59599).
Op 17 mei 1988 werd een gemeenschappelijke huurovereenkomst gesloten voor de terreinen van de Vennootschap en het " Institut Max von Laue Paul Langevin (ILL) ".
Het gearceerde gebied zal beschikbaar worden gesteld voor gebruik door de Vennootschap of het " Institut Max von Laue Paul Langevin (ILL) " door middel van een overeenkomst tussen de Vennootschap en het " Institut ".
(Plan niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 11-08-2004, p. 59599).
Art. N4. Annexe 4 à la Convention. - Plan du site.
Un bail commun pour les terrains de la Société et de l'Institut Max von Laue Paul Langevin a été signé le 17 mai 1988.
La partie hachurée est à la disposition de la Société ou de l'Institut Max von Laue Paul Langevin par accord entre la Société et l'Institut.
(Plan non repris pour des raisons techniques. Voir MB 11-08-2004, p. 59599).
Un bail commun pour les terrains de la Société et de l'Institut Max von Laue Paul Langevin a été signé le 17 mai 1988.
La partie hachurée est à la disposition de la Société ou de l'Institut Max von Laue Paul Langevin par accord entre la Société et l'Institut.
(Plan non repris pour des raisons techniques. Voir MB 11-08-2004, p. 59599).