Zum Hauptinhalt

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
27 DECEMBER 2004. - Wet houdende diverse bepalingen. (NOTA : raadpleging van vroegere versies vanaf 31-12-2004 en tekstbijwerking tot 14-03-2007)
Titre
27 DECEMBRE 2004. - Loi portant des dispositions diverses. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 31-12-2004 et mise à jour au 14-03-2007)
Dokumentinformationen
Numac: 2004021169
Datum: 2004-12-27
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2004021169
Date: 2004-12-27
Moniteur: Voir
Tekst (36)
Texte (36)
TITEL I. - Algemene bepaling.
TITRE Ier. - Disposition générale.
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
Article 1. La présente loi règle une matière visée à l'article 77 de la Constitution.
TITEL II. - Justitie.
TITRE II. - Justice.
HOOFDSTUK I. - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek.
CHAPITRE Ier. - Modifications du Code judiciaire.
Art. 2. In artikel 129, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, gewijzigd bij de wet van 22 december 1998, wordt het woord " vier " vervangen door het woord " zes ".
Art. 2. A l'article 129, alinéa 2, du Code judiciaire, modifié par la loi du 22 décembre 1998, le mot " quatre " est remplacé par le mot " six ".
Art. 3. In artikel 326, § 4, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 12 april 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het 1° worden de woorden " in het parket-generaal bij het Hof van Cassatie, " ingevoegd tussen de woorden " waar te nemen " en de woorden ", in een parket-generaal bij een ander hof van beroep ";
  2° in het 2° worden de woorden " in het parket-generaal bij het Hof van Cassatie, " ingevoegd tussen de woorden " waar te nemen " en de woorden ", in een ander arbeidsauditoraat-generaal ".
Art. 3. A l'article 326, § 4, du même Code, remplacé par la loi du 12 avril 2004, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au 1°, les mots " au parquet général près la Cour de cassation, " sont insérés entre les mots " fonctions du ministère public " et les mots " au parquet général près d'une autre cour d'appel ";
  2° au 2°, les mots " au parquet général près la Cour de cassation, " sont insérés entre les mots " fonctions du ministère public " et les mots " dans un autre auditorat général du travail ".
Art. 4. In artikel 327 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 25 juli 1974, 17 juli 2000 en 10 april 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden ", beleidsorganen en secretariaten, " ingevoegd tussen de woorden " federale overheidsdiensten " en de woorden " of bij regeringscommissies ";
  2° in het tweede lid worden de woorden ", beleidsorganen en secretariaten " ingevoegd na de woorden " federale overheidsdiensten ".
Art. 4. A l'article 327 du même Code, modifié par les lois des 25 juillet 1974, 17 juillet 2000 et 10 avril 2003, sont apportées les modifications suivantes :
  1° à l'alinéa 1er, les mot ", organes stratégiques et secrétariats " sont insérés entre les mots " des services publics fédéraux " et les mots " pour les commissions ";
  2° à l'alinéa 2, les mots ", organes stratégiques et secrétariats " sont insérés après les mots " services publics fédéraux ".
Art. 5. In artikel 330 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 17 februari 1997 en gewijzigd bij de wetten van 20 mei 1997, 24 maart 1999, 26 maart, 10 april en 3 mei 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden " in federale overheidsdiensten, in regeringscommissies, -instellingen of -diensten " vervangen door de woorden " in federale overheidsdiensten, beleidsorganen en secretariaten, in ministeriële kabinetten, in regeringscommissies, -instellingen of -diensten of bij het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring ";
  2° in het tweede lid worden de woorden ", beleidsorganen en secretariaten, in ministeriële kabinetten " ingevoegd tussen de woorden " federale overheidsdiensten " en de woorden " of bij het Centraal Orgaan "
Art. 5. A l'article 330 du même Code, remplacé par la loi du 17 février 1997 et modifié par les lois du 20 mai 1997, 24 mars 1999, 26 mars, 10 avril et 3 mai 2003, sont apportées les modifications suivantes :
  1° à l'alinéa 1er, les mots " ou dans des services publics fédéraux ou dans des commissions, organismes ou offices gouvernementaux " sont remplacés par les mots " ou dans des services publics fédéraux, organes stratégiques et secrétariats, dans des cabinets ministériels, dans des commissions, organismes ou offices gouvernementaux ou auprès de l'Organe Central pour la Saisie et la Confiscation ";
  2° à l'alinéa 2, les mots ", organes stratégiques et secrétariats, dans des cabinets ministériels " sont insérés entre les mots " services publics fédéraux " et les mots " ou auprès de l'Organe Central ".
Art. 6. In artikel 330bis, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 februari 1997 en gewijzigd bij de wetten van 10 april 2003 en 3 mei 2003, worden de woorden " in federale overheidsdiensten, in regeringscommissies, -instellingen of -diensten " vervangen door de woorden " in federale overheidsdiensten, beleidsorganen en secretariaten, in ministeriële kabinetten, in regeringscommissies, -instellingen of -diensten of bij het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring ".
Art. 6. A l'article 330bis, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 17 février 1997 et modifié par les lois du 10 avril 2003 et 3 mai 2003, les mots " ou dans des services publics fédéraux ou dans des commissions, organismes ou offices gouvernementaux " sont remplacés par les mots " ou dans des services publics fédéraux, organes stratégiques et secrétariats, dans des cabinets ministériels, dans des commissions, organismes ou offices gouvernementaux ou auprès de l'Organe Central pour la Saisie et la Confiscation ".
Art. 7. In artikel 355 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 27 december 2002, wordt in de onderverdeling " Hof van Cassatie " het woord " Advocaat-generaal " vervangen door de woorden " Afdelingsvoorzitter en advocaat-generaal ".
Art. 7. A l'article 355 du même Code, remplacé par la loi du 27 décembre 2002, les mots " Avocat général " sont remplacés par les mots " Président de section et avocat général " dans la subdivision " Cour de cassation ".
Art. 8. Artikel 357, § 1, 1°, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 29 april 1999 en gewijzigd het koninklijk besluit van 13 juli 2001, bekrachtigd bij de wet van 26 juni 2002, wordt opgeheven.
Art. 8. L'article 357, § 1er, 1°, du même Code, remplacé par la loi du 29 avril 1999 et modifié par l'arrêté royal du 13 juillet 2001, confirmé par la loi du 26 juin 2002, est abrogé.
Art. 9. In artikel 358 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 29 april 1999 en 17 juli 2000, worden de woorden " die de titel van auditeur voert, de substituut-procureurs des Konings gespecialiseerd in fiscale aangelegenheden en de afdelingsvoorzitter in het Hof van Cassatie " vervangen door de woorden " die de titel van auditeur voert en de substituut-procureurs des Konings gespecialiseerd in fiscale aangelegenheden ".
Art. 9. A l'article 358 du même Code, modifié par les lois des 29 avril 1999 et 17 juillet 2000, les mots " portant le titre d'auditeur, de substitut du procureur du Roi spécialisé en matière fiscale et de président de section à la Cour de cassation " sont remplacés par les mots " portant le titre d'auditeur et de substitut du procureur du Roi spécialisé en matière fiscale ".
Art. 10. Artikel 365, § 2, eerste lid, a), van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 2 augustus 1974 en gewijzigd bij de wet van 20 juli 1991, wordt vervangen als volgt :
  " a) de tijd van inschrijving bij de balie, evenals de uitoefening van het ambt van notaris door een doctor, licentiaat of master in de rechten; ".
Art. 10. L'article 365, § 2, l'alinéa 1er, a), du même Code, remplacé par la loi du 2 août 1974 et modifié par la loi du 20 juillet 1991, est remplacé par la disposition suivante :
  " a) le temps de l'inscription au barreau, ainsi que l'exercice de la charge de notaire par un docteur, un licencié ou un master en droit; ".
Art. 11. In artikel 428bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij koninklijk besluit van 2 mei 1996 en gewijzigd bij de wet van 4 juli 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste lid, 2°, d), wordt vervangen als volgt :
  " d) de lijst van de onderwerpen waarover de gegadigde is ondervraagd teneinde zijn diploma, getuigschrift of een andere in 1° bedoelde titel te behalen, evenals het bewijs van eventuele beroepservaring; ";
  2° het eerste lid, 3°, wordt aangevuld als volgt :
  ", tenzij de kennis die de betrokkene heeft verworven tijdens zijn beroepservaring van dien aard is dat ze deze wezenlijke verschillen geheel of gedeeltelijk ondervangen. ".
Art. 11. A l'article 428bis du même Code, inséré par l'arrêté royal du 2 mai 1996 et modifié par la loi du 4 juillet 2001, sont apportées les modifications suivantes :
  1° l'alinéa 1er, 2°, d), est remplacé comme suit :
  " d) le relevé des matières sur lesquelles le candidat a été interrogé pour obtenir son diplôme, certificat ou autre titre mentionné au 1°, ainsi que la preuve d'une expérience professionnelle éventuelle; ";
  2° l'alinéa 1er, 3°, est complété comme suit :
  ", à moins que les connaissances que l'intéressé a acquises pendant son expérience professionnelle ne soient de nature à pallier, en tout ou partie, ces différences substantielles. ".
Art. 12. Artikel 428ter, § 1, 3°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij koninklijk besluit van 2 mei 1996 en gewijzigd bij koninklijk besluit van 27 maart 1998, wordt vervangen als volgt :
  " 3° op grond van de lijst bedoeld in artikel 428bis, eerste lid, 2°, d), en de lijst vermeld in artikel 428quater, § 2, te besluiten of de opleiding die de gegadigde heeft genoten of zijn beroepservaring betrekking heeft op vakgebieden die wezenlijk verschillen van die waarop het Belgische diploma van licentiaat of master in de rechten betrekking heeft; ".
Art. 12. L'article 428ter, § 1er, 3°, du même Code, inséré par l'arrêté royal du 2 mai 1996 et modifié par l'arrêté royal du 27 mars 1998, est remplacé par la disposition suivante :
  " 3° décider, à la lumière des documents visés à l'article 428bis, alinéa 1er, 2°, d), et de la liste figurant à l'article 428quater, § 2, si la formation que le candidat a reçue ou son expérience professionnelle porte sur des matières substantiellement différentes de celles couvertes par le diplôme belge de licencié ou de master en droit; ".
Art. 13. Artikel 627 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld als volgt :
  " 17° de rechtbank van eerste aanleg van Brussel wanneer het gaat om een beroep tegen de beslissing van de centrale federale autoriteit, zoals bepaald in artikel 367-3 van het Burgerlijk Wetboek; ".
Art. 13. L'article 627 du même Code est complété comme suit :
  " 17° le tribunal de première instance de Bruxelles lorsqu'il s'agit de recours contre la décision de l'autorité centrale fédérale, prévus à l'article 367-3 du Code civil; ".
Art. 14. Artikel 633 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 28 februari en 22 april 1999 en 8 april 2003, wordt aangevuld met het volgende lid :
  " De beslagrechter van het arrondissement Antwerpen is eveneens bevoegd voor de vorderingen die betrekking hebben op een beslag op zeeschip gelegd op het grondgebied van de Antwerpse haven gelegen binnen het arrondissement Dendermonde. ".
Art. 14. L'article 633 du même Code, modifié par les lois des 28 février et 22 avril 1999 et 8 avril 2003, est complété par l'alinéa suivant :
  " Le juge des saisies de l'arrondissement d'Anvers est aussi compétent pour les demandes relatives à une saisie sur navire dans la partie du territoire du port d'Anvers qui est située dans l'arrondissement de Termonde. ".
HOOFDSTUK II. - Wijzigingen van het Wetboek van strafvordering.
CHAPITRE II. - Modifications du Code d'instruction criminelle.
Art. 16. In artikel 88bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 juni 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het derde lid van § 1 wordt vervangen als volgt :
  " De onderzoeksrechter doet in een gemotiveerd bevel dat hij meedeelt aan de procureur des Konings opgave van de feitelijke omstandigheden van de zaak die de maatregel rechtvaardigen, van de proportionaliteit met inachtneming van de persoonlijke levenssfeer en de subsidiariteit ten opzichte van elke andere onderzoeksdaad. ".
  2° in § 1, vierde lid, worden de woorden " twee maanden " vervangen door de woorden " een maand ";
  3° § 2 wordt vervangen als volgt :
  " § 2. De operator van een telecommunicatienetwerk of de verstrekker van een telecommunicatiedienst deelt, na ontvangst van de in § 1 bedoelde vordering, onverwijld de schatting van de kostprijs mee van de gevraagde inlichtingen aan de onderzoeksrechter of aan de procureur des Konings, wanneer deze handelt met het oog op het vaststellen van een strafbaar feit bedoeld in artikel 114, § 8, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven.
  Na ontvangst van de bevestiging van het bevel van de onderzoeksrechter of van de vordering van de procureur des Konings verschaffen de in het eerste lid bedoelde operator en verstrekker, de gevraagde gegevens binnen een door de Koning, op voorstel van de minister van Justitie en de minister bevoegd voor Telecommunicatie, te bepalen termijn.
  Ingeval de door de gevorderde operator van het telecommunicatienetwerk of verstrekker van de telecommunicatiedienst meegedeelde kostprijs hoger is dan het door de Koning bepaalde bedrag kan de procureur des Konings de vordering alleen bevestigen na gunstig advies van de procureur-generaal tot wiens rechtsgebied hij behoort.
  Ingeval de door de gevorderde operator van het telecommunicatienetwerk of verstrekker van de telecommunicatiedienst meegedeelde kostprijs hoger is dan het door de Koning bepaalde bedrag kan de onderzoeksrechter zijn bevel alleen bevestigen na gunstig advies van de eerste voorzitter van het hof van beroep tot wiens rechtsgebied hij behoort. ";
  4° de §§ 3 tot 6 worden ingevoegd, luidende :
  " § 3. Het bevel uitgaande van de onderzoeksrechter houdende hernieuwing van een eerdere maatregel is onderworpen aan de regeling bedoeld in § 2.
  § 4. Ingeval de procureur des Konings handelt ingevolge een ontdekking op heterdaad of ingeval de onderzoeksrechter vorderingen, uitdrukkelijk door hoogdringendheid gemotiveerd, neemt, verschaffen de operator van het telecommunicatienetwerk en de verstrekker van de telecommunicatiedienst onverwijld de gevraagde gegevens binnen een door de Koning, op voorstel van de minister van Justitie en de minister bevoegd voor Telecommunicatie, te bepalen termijn.
  Bij deze hypothese informeren de procureur des Konings en de onderzoeksrechter, onverwijld, respectievelijk de procureur-generaal en de eerste voorzitter van het hof van beroep van de schatting van de kostprijs van hun aanvragen.
  § 5. Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening kennis krijgt van de maatregel of daaraan zijn medewerking verleent, is tot geheimhouding verplicht. Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.
  Iedere persoon die zijn technische medewerking weigert aan de vorderingen bedoeld in dit artikel, medewerking waarvan de nadere regels vastgesteld worden door de Koning, op voorstel van de Minister van Justitie en de Minister bevoegd voor Telecommunicatie, wordt gestraft met geldboete van zesentwintig euro tot tienduizend euro.
  § 6. Op het einde van elk gerechtelijk jaar brengt de procureur des Konings bij de procureur-generaal tot wiens rechtsgebied hij behoort, verslag uit omtrent de omvang, de opportuniteit en het nut van de gerechtskosten die door of op vordering van zijn parket werden gemaakt op grond van dit artikel.
  De federale procureur brengt verslag uit bij het College van procureurs-generaal.
  Op het einde van elk jaar brengt het College van procureurs-generaal verslag uit bij de minister van Justitie omtrent de gerechtskosten die door of op vordering van het openbaar ministerie werden gemaakt op grond van huidig artikel tijdens het laatste afgesloten gerechtelijk jaar en doet daarbij de aanbevelingen die het nodig acht.
  Dezelfde verplichting rust op de eerste voorzitters van de hoven van beroep voor wat betreft de gerechtskosten die gemaakt worden, door de onderzoeksrechters van hun rechtsgebied, op grond van dit artikel. ".
Art. 16. A l'article 88bis du même Code, inséré par la loi du 10 juin 1998, sont apportées les modifications suivantes :
  1° l'alinéa 3 du § 1er est remplacé comme suit :
  " Le juge d'instruction indique les circonstances de fait de la cause qui justifient la mesure, son caractère proportionnel eu égard au respect de la vie privée et subsidiaire à tout autre devoir d'enquête, dans une ordonnance motivée qu'il communique au procureur du Roi. ".
  2° au § 1er, alinéa 4, les mots " deux mois " sont remplacés par les mots " un mois ";
  3° le § 2 est remplacé comme suit :
  " § 2. L'opérateur d'un réseau de télécommunication ou le fournisseur d'un service de télécommunication communique sans délai une estimation du coût des renseignements demandés, après réception des réquisitions visées au § 1er, au juge d'instruction ou au procureur du Roi, lorsque celui-ci opère en vue de constater un fait punissable visé à l'article 114, § 8, de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques.
  Après réception de la confirmation de l'ordonnance du juge d'instruction ou des réquisitions du procureur du roi, l'opérateur et le fournisseur visés à l'alinéa 1er donnent les données demandées dans un délai à fixer par le Roi, sur proposition du ministre de la Justice et du ministre compétent en matière de Télécommunication.
  Si le coût communiqué par l'opérateur requis du réseau de télécommunication ou le fournisseur du service de télécommunication est supérieur au montant fixé par le Roi, le procureur du Roi ne peut confirmer ses réquisitions que s'il reçoit un avis favorable du procureur général du ressort auquel il appartient.
  Si le coût communiqué par l'opérateur requis du réseau de télécommunication ou le fournisseur du service de télécommunication est supérieur au montant fixé par le Roi, le juge d'instruction ne peut confirmer son ordonnance que s'il reçoit un avis favorable du premier président de la cour d'appel du ressort auquel il appartient. ";
  4° les §§ 3 à 6, rédigés comme suit, sont insérés :
  " § 3. L'ordonnance émanant du juge d'instruction portant renouvellement d'une mesure antérieure est soumise à la réglementation visée au § 2.
  § 4. Au cas où le procureur du Roi agit à la suite de la découverte d'un flagrant délit ou que le juge d'instruction est amené à prendre des réquisitions motivées spécialement par l'extrême urgence, l'opérateur du réseau de télécommunication ou le fournisseur du service de télécommunication transmettent immédiatement les données demandées dans un délai à fixer par le Roi, sur proposition du ministre de la Justice et le ministre compétent en matière de Télécommunication.
  Dans cette hypothèse, le procureur du Roi et le juge d'instruction informent respectivement, dans les plus brefs délais, le procureur général et le premier président de la Cour d'appel de l'estimation du coût de leurs demandes.
  § 5. Toute personne qui, du chef de sa fonction, a connaissance de la mesure ou y prête son concours, est tenue de garder le secret. Toute violation du secret est punie conformément à l'article 458 du Code pénal.
  Toute personne qui refuse de prêter son concours technique aux réquisitions visées dans cet article, concours dont les modalités sont déterminées par le Roi, sur la proposition du Ministre de la Justice et du Ministre compétent pour les Télécommunications, est punie d'une amende de vingt-six euros à dix mille euros.
  § 6. A la fin de chaque année judiciaire, le procureur du Roi fait, au procureur général du ressort auquel il appartient, un rapport sur l'étendue, l'opportunité et l'utilité des frais de justice exposés par son parquet ou à la requête de celui-ci, sur la base du présent article.
  Le procureur fédéral fait un rapport au Collège des procureurs généraux.
  A la fin de chaque année, le Collège des procureurs Généraux fait au ministre de la Justice un rapport sur les frais de justice exposés par le ministère public ou à la requête de celui-ci, sur la base du présent article, pendant la dernière année judiciaire clôturée et fait les recommandations qu'il estime nécessaires.
  La même obligation incombe aux premiers présidents des cours d'appel pour les frais de justice exposés par les juges d'instruction de leur ressort, en vertu du présent article. ".
HOOFDSTUK III. - Wijzigingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.
CHAPITRE III. - Modifications de la loi du 15 juin 1935 relative à l'emploi des langues en matière judiciaire.
Art. 17. In artikel 43quater, vijfde lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, ingevoegd bij de wet van 10 oktober 1967 en gewijzigd bij de wetten van 3 januari 1980, 23 september 1985, 6 mei 1997 en 22 december 1998, wordt het woord " twee " telkens vervangen door het woord " drie ".
Art. 17. A l'article 43quater, alinéa 5, de la loi du 15 juin 1935 concernant l'emploi des langues en matière judiciaire, inséré par la loi du 10 octobre 1967 et modifié par les lois des 3 janvier 1980, 23 septembre 1985, 6 mai 1997 et 22 décembre 1998, le mot " deux " est chaque fois remplacé par le mot " trois ".
Art. 18. In artikel 43quinquies, § 1, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 10 oktober 1967 en vervangen bij de wet van 18 juli 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in de Franse tekst van het eerste lid, wordt het woord " active " ingevoegd tussen de woorden " connaissance écrite " en de woorden " de la langue ";
  2° in het vierde lid worden de woorden " 43quater, derde lid " vervangen door de woorden " 43quater, vierde lid ".
Art. 18. A l'article 43quinquies, § 1er, de la même loi, inséré par la loi du 10 octobre 1967 et remplacé par la loi du 18 juillet 2002, sont apportées les modifications suivantes :
  1° à l'alinéa 1er, le mot " active " est inséré entre les mots " connaissance écrite " et " de la langue ";
  2° à l'alinéa 4, les mots " 43quater, alinéa 3 " sont remplacés par les mots " 43quater, alinéa 4 ".
HOOFDSTUK IV. - Slotbepalingen.
CHAPITRE IV. - Dispositions finales.
Art. 19. Artikel 3 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2004.
  De artikelen 4, 5 en 6 hebben uitwerking met ingang van 2 juni 2003.
  Artikel 10 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2003.
  (Artikel 16 treedt) in werking op de door de Koning bepaalde datum. <W 2007-01-23/35, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 24-03-2007>
Art. 19. L'article 3 produit ses effets au 1er septembre 2004.
  Les articles 4, 5 et 6 produisent leurs effets le 2 juin 2003.
  L'article 10 produit ses effets le 1er janvier 2003.
  (L'article 16 entre) en vigueur à la date fixée par le Roi. <L 2007-01-23/35, art. 3, 002; En vigueur : 24-03-2007>
TITEL III. - Diverse bepalingen.
TITRE III. - Dispositions diverses.
HOOFDSTUK I. - Wijziging van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private veiligheid.
CHAPITRE Ier. - Modification de la loi du 10 avril 1990 réglementant la sécurité privée.
Art. 20. In artikel 19 van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private veiligheid, gewijzigd door de wetten van 18 juli 1997, 9 juni 1999, 10 juni 2001, 25 april en 7 mei 2004 worden tussen het zesde en het zevende lid de volgende leden ingevoegd :
  " Het beroep waarbij de toepassing van de administratieve geldboete wordt betwist, is slechts ontvankelijk indien een kopie van het verzoekschrift uiterlijk op de datum van neerlegging van het verzoekschrift bij de rechtbank tevens bij ter post aangetekende brief wordt gezonden aan de bevoegde ambtenaar, bedoeld in § 2, eerste lid.
  Tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg is geen hoger beroep mogelijk. ".
Art. 20. Dans l'article 19 de la loi du 10 avril 1990 réglementant la sécurité privée, modifié par les lois des 18 juillet 1997, 9 juin 1999, 10 juin 2001, 25 avril et 7 mai 2004, les alinéas suivants sont insérés entre les alinéas 6 et 7 :
  " Le recours, par lequel l'application de l'amende administrative est contestée, est uniquement recevable si une copie de la requête est envoyée par lettre recommandée à la poste au fonctionnaire compétent, visé au § 2, alinéa 1er, au plus tard à la date du dépôt de la requête au tribunal.
  Aucun appel n'est possible contre la décision du tribunal de première instance. ".
HOOFDSTUK II. - Wijziging van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.
CHAPITRE II. - Modification de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités.
Art. 21. Artikel 140 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, gewijzigd bij de wetten van 14 januari 2002 en 24 december 2002 wordt vervangen als volgt :
  " Art. 140. § 1. De Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle wordt bestuurd door een Comité dat samengesteld is uit :
  1° een voorzitter, raadsheer in een hof van beroep of arbeidshof of lid van het parket-generaal bij een hof van beroep of lid van het auditoraat-generaal bij een arbeidshof; deze wordt bijgestaan door twee werkende ondervoorzitters en twee plaatsvervangende ondervoorzitters, raadsheren in een hof van beroep of arbeidshof;
  2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, doctor in de geneeskunde, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten, worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen; ter bepaling van de vertegenwoordiging der verzekeringsinstellingen wordt rekening gehouden met hun respectieve getalsterkte, met dien verstande dat iedere verzekeringsinstelling recht heeft op ten minste één mandaat;
  3° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, doctor in de geneeskunde, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve organisaties van het geneesherenkorps;
  Om de vertegenwoordiging van de representatieve organisaties van het geneesherenkorps te bepalen, wordt rekening gehouden met eventuele minderheden;
  4° vier werkende en vier plaatsvervangende leden, lid van de Raden van de Orde der geneesheren, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten, worden voorgedragen door de Nationale raad van de Orde der geneesheren;
  5° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, tandheelkundigen, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve organisaties van de tandheelkundigen;
  6° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, apothekers, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve organisaties van het apothekerskorps;
  7° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve verenigingen van de verplegingsinrichtingen;
  8° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve verenigingen van de vroedvrouwen;
  9° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve verenigingen van de verpleegkundigen;
  10° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve verenigingen van de kinesitherapeuten;
  11° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve verenigingen van de bandagisten;
  12° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve verenigingen van de orthopedisten;
  13° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve verenigingen van de gehoorprothesisten;
  14° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve verenigingen van de opticiens;
  15° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve verenigingen van de logopedisten;
  16° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve verenigingen van de orthoptisten;
  17° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve verenigingen van de verstrekkers van implantaten;
  18° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve verenigingen van de licentiaten in de wetenschap, die door de minister bevoegd voor de Volksgezondheid zijn erkend om verstrekkingen uit te voeren als bedoeld in deze gecoördineerde wet;
  19° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve verenigingen van de revalidatiecentra;
  20° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve verenigingen van de zorgverleners gemachtigd om de in artikel 34, 11°, bedoelde verstrekkingen uit te voeren;
  21° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve verenigingen van de zorgverleners gemachtigd om de in artikel 34, 12°, bedoelde verstrekkingen uit te voeren.
  De leden, bedoeld onder 2° tot en met 21°, bestaan voor de helft uit Nederlandstaligen en voor de helft uit Franstaligen.
  De Koning benoemt de voorzitter, de ondervoorzitters en de leden.
  Twee regeringscommissarissen van verschillende taalrol, die de Koning benoemt op voordracht van respectievelijk de minister bevoegd voor Sociale Zaken en de minister bevoegd voor de Volksgezondheid, wonen de vergaderingen van het Comité bij.
  Ze zijn onder andere belast met het toezien op de eenheid van de administratieve rechtspraak van de twee taalgroepen, wanneer het Comité de bevoegdheden bedoeld in artikel 141, § 1, 16°, uitoefent.
  § 2. Het Comité wordt in vergadering bijeengeroepen door zijn voorzitter, hetzij op diens initiatief, hetzij op verzoek van de minister, hetzij op verzoek van ten minste drie leden.
  Het Comité houdt op geldige wijze zitting wanneer naast de voorzitter of een ondervoorzitter, tenminste de helft van de leden per categorie bedoeld onder § 1, 2°, 3° en 4°, aanwezig zijn, alsook de helft van de leden per categorie bedoeld onder § 1, 5° tot 21°, bij het onderzoek van de vragen die rechtstreeks de categorie die hen heeft voorgedragen, aanbelangen. Om na te gaan of het quorum bereikt is, wordt ieder regelmatig opgeroepen lid, dat zonder rechtvaardiging aangenomen door de voorzitter van de zitting, afwezig is, bij het aantal deelnemers meegeteld. Hij wordt geacht zich te onthouden bij de stemming over de beslissingen.
  De vergaderingen van het Comité zijn niet openbaar. De leden moeten het vertrouwelijk karakter van de debatten en van de uitgedeelde documenten eerbiedigen. De Koning kan de toepasselijke sancties bepalen bij niet-eerbiediging van deze verplichting.
  § 3. Wanneer het Comité de bevoegdheden uitoefent bedoeld in artikel 141, § 1, 1° tot 15°, 17° en 18°, en § 4, worden alle leden bedoeld in § 1, eerste lid, en de twee regeringscommissarissen uitgenodigd voor elke vergadering.
  De voorzitter en de leden bedoeld in § 1, eerste alinea, 2°, 3° en 4°, zijn stemgerechtigd. Zij beschikken elk over één stem.
  De beslissingen worden genomen bij gewone meerderheid van de deelnemers aan de stemming, zonder rekening te houden met de onthoudingen.
  § 4. De leden van de taalgroep die betrokken zijn bij de te behandelen zaken, alsook de twee regeringscommissarissen, worden uitgenodigd op de vergaderingen van het Comité gedurende dewelke dit de bevoegdheden bedoeld in artikel 141, § 1, 16° uitoefent.
  § 5. Voor het uitoefenen van de bevoegdheid bedoeld in artikel 141, § 1, 16°, worden de leden bedoeld in § 1, ingedeeld in taalgroepen. Een taalgroep neemt kennis van alle zaken die in het Nederlands moeten worden behandeld, een andere taalgroep neemt kennis van alle zaken die in het Frans en in het Duits moeten worden behandeld. Voor de zaken die in het Duits moeten worden behandeld kan, indien nodig, een beroep worden gedaan op tolken of vertalers.
  De taalaanhorigheid van de leden wordt bepaald overeenkomstig de criteria bedoeld in de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken of in de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken.
  De taal waarin de zaak moet worden onderzocht, wordt gekozen door de zorgverlener op de eerste hoorzitting door de ambtenaren bedoeld in artikel 146, eerste lid, van deze wet. Deze keuze is definitief.
  Zijn in alle zaken stemgerechtigd op basis van de volgende modaliteiten :
  - de Voorzitter, of bij diens ontstentenis, de ondervoorzitter die het Comité voorzit : hij beschikt over één stem;
  - alle leden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen : zij beschikken elk over één stem, uitgezonderd wanneer zaken onderzocht worden betreffende zorgverstrekkers behorend tot één van de categorieën opgesomd in § 1, 5° tot 21°. In die gevallen beschikt de categorie, samengesteld uit vertegenwoordigers van de verzekeringsinstellingen, over één stem.
  De leden bedoeld in § 1, 3° tot 21°, beslissen slechts in de zaken die rechtstreeks de categorie aanbelangen die hen heeft voorgedragen. Zij zijn stemgerechtigd op basis van de volgende modaliteiten :
  - elk lid bedoeld in § 1, 3° en 4°, beschikt over één stem;
  - de leden bedoeld in § 1, 5° tot 21°, beschikken per categorie over één stem.
  De beslissingen worden genomen bij gewone meerderheid van de deelnemers aan de stemming, zonder rekening te houden met de onthoudingen. Na kennisgeving ervan aan de betrokken zorgverstrekker, worden de beslissingen overgemaakt aan de andere taalgroep. ".
Art. 21. L'article 140 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, modifié par les lois du 14 janvier 2002 et du 24 décembre 2002 est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 140. § 1er. Le Service d'évaluation et de contrôle médicaux est dirigé par un Comité composé :
  1° d'un président, conseiller à la cour d'appel ou à la cour du travail ou membre du parquet général près la cour d'appel ou de l'auditorat général près la cour du travail; il est assisté de deux vice-présidents effectifs et de deux vice-présidents suppléants, conseillers à la cour d'appel ou à la cour du travail;
  2° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, docteurs en médecine, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs, en nombre double de celui des mandats à attribuer; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chacun ayant droit à un mandat au moins;
  3° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, docteurs en médecine, choisis parmi les candidats présentés par les organisations représentatives du corps médical, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  Pour déterminer la représentation des organisations représentatives du corps médical, il est tenu compte d'éventuelles minorités;
  4° de quatre membres effectifs et de quatre membres suppléants, membres des Conseils de l'Ordre des médecins choisis parmi les candidats présentés par le Conseil national de l'Ordre des médecins, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  5° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, praticiens de l'art dentaire, choisis parmi les candidats présentés par les organisations représentatives des praticiens de l'art dentaire, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  6° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, pharmaciens, choisis parmi les candidats présentés par les organisations représentatives du corps pharmaceutique, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  7° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les associations représentatives des établissements hospitaliers, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  8° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les associations représentatives des accoucheuses, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  9° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les associations représentatives des praticiens de l'art infirmier, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  10° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les associations représentatives des kinésithérapeutes, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  11° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les associations représentatives des bandagistes, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  12° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les associations représentatives des orthopédistes, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  13° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les associations représentatives des audiciens, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  14° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les associations représentatives des opticiens, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  15° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les associations représentatives des logopèdes, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  16° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les associations représentatives des orthoptistes, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  17° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les associations représentatives des fournisseurs d'implants, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  18° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les associations représentatives des licenciés en science habilités par le ministre qui a la Santé publique dans ses attributions à fournir des prestations au sens de la présente loi coordonnée, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  19° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les associations représentatives des centres de rééducation, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  20° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les associations représentatives des dispensateurs des prestations visées à l'article 34, 11°, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  21° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les associations représentatives des dispensateurs des prestations visées à l'article 34, 12°, en nombre double de celui des mandats à attribuer.
  Les membres visés aux points 2° à 21° sont pour moitié néerlandophones et pour moitié francophones.
  Le Roi nomme le président, les vice-présidents et les membres.
  Deux commissaires du gouvernement, de rôle linguistique distinct, nommés par le Roi sur présentation respectivement du ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions et du ministre qui a la Santé publique dans ses attributions, assistent aux réunions du Comité.
  Ils sont notamment chargés de veiller à l'unité de jurisprudence administrative des deux groupes linguistiques lorsque le Comité exerce les compétences visées à l'article 141, § 1er, 16°.
  § 2. Le Comité se réunit sur convocation de son président soit d'initiative, soit à la requête du ministre, soit à la demande de trois membres au moins.
  Le Comité délibère valablement lorsque, outre le président ou un vice-président, au moins la moitié des membres de chaque catégorie visée au § 1er, 2°, 3° et 4°, sont présents ainsi que la moitié des membres de chaque catégorie visée au § 1er, 5° à 21°, lors de l'examen des questions qui intéressent directement la catégorie qui les a présentés. Pour vérifier que le quorum est atteint, tout membre régulièrement convoqué et absent sans justification admise par le président de séance est compté au nombre des participants. Il est réputé s'abstenir lors du vote des décisions.
  Les réunions du Comité ne sont pas publiques. Les membres doivent veiller à respecter le caractère confidentiel des débats et des documents distribués. Le Roi peut définir les sanctions applicables en cas de non-respect de cette obligation.
  § 3. Tous les membres visés au § 1er, alinéa 1er, et les deux commissaires du Gouvernement, sont invités à chaque réunion du Comité au cours de laquelle il exerce les attributions visées à l'article 141, § 1er, 1° à 15°, 17° et 18°, et § 4.
  Le président et les membres visés au § 1er, alinéa 1er, 2°, 3° et 4°, ont voix délibérative. Ils disposent chacun d'une voix.
  Les décisions sont prises à la majorité simple des participants au vote, compte non tenu des abstentions.
  § 4. Les membres du groupe linguistique concernés par les affaires à traiter, ainsi que les deux commissaires du gouvernement, sont invités aux réunions du Comité au cours desquelles il exerce les compétences visées à l'article 141, § 1er, 16°.
  § 5. Pour l'exercice de l'attribution visée à l'article 141, § 1er, 16°, les membres visés au § 1er, sont répartis en groupes linguistiques. Un groupe linguistique connaît de toutes les affaires devant être examinées en langue néerlandaise, l'autre groupe linguistique connaît de toutes les affaires devant être examinées en langues française et allemande. Pour les affaires devant être examinées en langue allemande recours peut être fait, si besoin est, aux interprètes ou aux traducteurs.
  L'appartenance linguistique des membres est déterminée selon les critères visés à la loi du 15 juin 1935 concernant l'emploi des langues en matière judiciaire ou les lois coordonnées du 18 juillet 1966 sur l'emploi des langues en matière administrative.
  La langue dans laquelle l'affaire doit être examinée, est choisie par le dispensateur de soins lors de sa première audition par les fonctionnaires visés à l'article 146, alinéa 1er, de la présente loi. Ce choix est définitif.
  Ont voix délibérative dans toutes les affaires selon les modalités suivantes :
  - le président ou, en son absence, le vice-président qui préside le Comité : il dispose d'une voix;
  - tous les membres représentants les organismes assureurs : ils disposent chacun d'une voix, sauf lorsque sont examinées des affaires concernant des dispensateurs de soins appartenant à une des catégories énoncées au § 1er, 5° à 21°. Dans ces cas, le groupe constitué par les représentants des organismes assureurs dispose d'une seule voix.
  Les membres visés au § 1er, 3° à 21°, ne décident qu'à propos des affaires qui intéressent directement la catégorie qui les a présentés. Ils ont voix délibérative selon les modalités suivantes :
  - chaque membre visé au § 1er, 3° et 4°, dispose d'une voix;
  - les membres visés au § 1er, 5° à 21°, disposent par catégorie d'une voix.
  Les décisions sont prises à la majorité simple des participants au vote, compte non tenu des abstentions. Après notification au dispensateur de soins concerné, les décisions sont transmises à l'autre groupe linguistique. ".
HOOFDSTUK III. - Wijziging van de wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten.
CHAPITRE III. - Modification de la loi du 30 juin 1971 relative aux amendes administratives applicables en cas d'infractions à certaines lois sociales.
Art. 22. Artikel 1quater van de wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten, ingevoegd door de programmawet van 27 december 2004 wordt aangevuld met een § 9, luidende :
  " § 9. In geval van beroep tegen de beslissing van de bevoegde ambtenaren hebben de arbeidsgerechten dezelfde bevoegdheden als deze ambtenaren wat betreft het uitstel.
  Alle voornoemde nadere regels betreffende het uitstel zijn van toepassing. ".
Art. 22. L'article 1erquater de la loi du 30 juin 1971 relative aux amendes administratives applicables en cas d'infractions à certaines lois sociales, inséré par la loi-programme du 27 décembre 2004 est complété par un § 9, rédigé comme suit :
  " § 9. En cas de recours contre la décision des fonctionnaires compétents, les juridictions du travail ont les mêmes pouvoirs que ces fonctionnaires en matière de sursis.
  Toutes les modalités précitées relatives au sursis sont d'application. ".
HOOFDSTUK IV. - Instemming met de avenant van 12 februari 2004 aan het samenwerkingsakkoord tussen de Staat, de Gewesten en de Duitstalige Gemeenschap betreffende de sociale economie van 4 juli 2000.
CHAPITRE IV. - Assentiment à l'avenant du 12 février 2004 à l'accord de coopération entre l'Etat, les Régions et la Communauté germanophone relatif à l'économie sociale du 4 juillet 2000.
Art. 23. Instemming wordt betuigd met de avenant van 12 februari 2004 aan het samenwerkingsakkoord tussen de Staat, de Gewesten en de Duitstalige Gemeenschap betreffende de sociale economie van 4 juli 2000, bekrachtigd door de wet van 26 juni 2001 en gewijzigd door de wet van 6 mei 2003.
  Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
  Gegeven te Châteauneuf-de-Grasse, 27 december 2004.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Eerste Minister,
  G. VERHOFSTADT
  De Minister van Justitie,
  Mevr. L. ONKELINX
  De Minister van Financiën,
  D. REYNDERS
  De Minister van Begroting en Overheidsbedrijven,
  J. VANDE LANOTTE
  De Minister van Binnenlandse Zaken,
  P. DEWAEL
  Voor de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, afwezig :
  De Vice-Eerste Minister en Minister van Justitie,
  Mevr. L. ONKELINX
  Voor de Minister van Werk, afwezig :
  De Vice-Eerste Minister en Minister van Begroting en Overheidsbedrijven,
  J. VANDE LANOTTE
  Voor de Staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, afwezig :
  De Vice-Eerste Minister en Minister van Begroting en Overheidsbedrijven,
  J. VANDE LANOTTE
  Met 's Lands zegel gezegeld :
  Voor de Minister van Justitie, afwezig :
  De Minister van Landsverdediging,
  A. FLAHAUT
Art. 23. Assentiment est donné à l'avenant du 12 février 2004 à l'accord de coopération entre l'Etat, les Régions et la Communauté germanophone relatif à l'économie sociale du 4 juillet 2000, approuvé par la loi du 26 juin 2001 et modifié par la loi du 6 mai 2003.
  Promulguons la présente loi, ordonnons qu'elle soit revêtue du sceau de l'Etat et publiée par le Moniteur belge.
  Donné à Châteauneuf-de-Grasse, le 27 décembre 2004.
  ALBERT
  Par le Roi :
  Le Premier Ministre,
  G. VERHOFSTADT
  La Ministre de la Justice,
  Mme L. ONKELINX
  Le Ministre des Finances,
  D. REYNDERS
  Le Ministre du Budget et des Entreprises publiques,
  J. VANDE LANOTTE
  Le Ministre de l'Intérieur,
  P. DEWAEL
  Pour le Ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, absent :
  La Vice-Première Ministre et Ministre de la Justice,
  Mme L. ONKELINX
  Pour la Ministre de l'Emploi, absente :
  Le Vice-Premier Ministre et Ministre du Budget et des Entreprises publiques,
  J. VANDE LANOTTE
  Pour la Secrétaire d'Etat au Développement durable et à l'Economie sociale, absente :
  Le Vice-Premier Ministre et Ministre du Budget et des Entreprises publiques,
  J. VANDE LANOTTE
  Scellé du sceau de l'Etat :
  Pour la Ministre de la Justice, absente :
  Le Ministre de la Défense,
  A. FLAHAUT
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. Avenant aan het samenwerkingsakkoord tussen de Staat, de Gewesten en de Duitstalige Gemeenschap van 4 juli 2000 betreffende de sociale economie, bekrachtigd door de wet van 26 juni 2001, gewijzigd door de wet van 6 mei 2003 houdende instemming met de avenant van 15 augustus 2002 aan het Samenwerkingsakkoord tussen de Staat, de Gewesten en de Duitstalige Gemeenschap van 4 juli 2000 betreffende de sociale economie..
  (Voor het Avenant, zie 2004-02-12/59).
Art. N. Avenant à l'accord de coopération entre l'Etat, les Régions et la Communauté germanophone du 4 juillet 2000 relatif à l'économie sociale, approuvé par la loi du 26 juin 2001, modifié par la loi du 6 mai 2003 approuvant l'avenant du 15 août 2002 à l'accord de coopération entre l'Etat, les Régions et la Communauté germanophone du 4 juillet 2000 relatif à l'économie sociale.
  (Pour l'Avenant, voir 2004-02-12/59).