Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
1° de minister : de Vlaamse minister bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid;
2° de administratie : de v.z.w. ESF-agentschap;
3° kansengroepen : laaggeschoolden, vijfenveertig-plussers, personen met een handicap en/of allochtonen.
4° sectorale opleidingsinstellingen : paritair beheerde sectorale opleidingsinstellingen en fondsen voor bestaanszekerheid;
5° de SERV : de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen;
6° ICT : informatie- en communicatietechnologie;
7° ESF : Europees Sociaal Fonds;
8° HRM : Human Resources Management.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
28 SEPTEMBER 2001. - Besluit tot vaststelling van de nadere voorwaarden en regels volgens welke subsidies worden verleend voor permanente vorming en opleiding voor werkenden en bedrijven, luik " hefboomkrediet - vernieuwende arbeidsorganisatie ". (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 15-02-2002 en tekstbijwerking tot 15-07-2005).
Titre
28 SEPTEMBRE 2001. - Arrêté établissant les conditions et les modalités d'octroi de subventions à la formation et l'éducation permanentes pour les travailleurs et entreprises, volet " crédit levier - organisations du travail innovatrices " (TRADUCTION). (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 15-02-2002 et mise à jour au 15-07-2005).
Dokumentinformationen
Info du document
Inhoud
Tekst (17)
Texte (17)
HOOFDSTUK I. - Begrippen.
CHAPITRE I. - Définitions.
Article 1. Pour l'application du présent arrêté, on entend par :
1° le Ministre : le Ministre flamand qui a la politique de l'emploi dans ses attributions;
2° l'administration : l'a.s.b.l. Agence FSE;
3° les groupes à risques : les personnes peu scolarisées, les personnes ayant plus de 45 ans, les personnes handicapées et/ou les allochtones;
4° les établissements de formation sectoriels : les établissements de formation sectoriels et les fonds de sécurité d'existence qui sont gérés paritairement;
5° le SERV : de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (Conseil socio-économique de la Flandre);
6° la TIC : la technologie d'information et de communication;
7° le FSE : le Fonds social européen.
8° la GRH : Gestion des Ressources humaines.
1° le Ministre : le Ministre flamand qui a la politique de l'emploi dans ses attributions;
2° l'administration : l'a.s.b.l. Agence FSE;
3° les groupes à risques : les personnes peu scolarisées, les personnes ayant plus de 45 ans, les personnes handicapées et/ou les allochtones;
4° les établissements de formation sectoriels : les établissements de formation sectoriels et les fonds de sécurité d'existence qui sont gérés paritairement;
5° le SERV : de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (Conseil socio-économique de la Flandre);
6° la TIC : la technologie d'information et de communication;
7° le FSE : le Fonds social européen.
8° la GRH : Gestion des Ressources humaines.
HOOFDSTUK II. - Organisatie.
CHAPITRE II. - Organisation.
Art. 2. De administratie stelt de diensten, uitrusting, installaties en personeelsleden ter beschikking, die noodzakelijk zijn om een efficiënte uitvoering van dit besluit te verzekeren.
Art. 2. L'administration met à disposition les services, équipements, installations et membres du personnel nécessaires à la mise en oeuvre efficace du présent arrêté.
Art. 3. De minister stelt een strategische werkgroep samen, bestaande uit :
1° een vertegenwoordiger van het secretariaat van de SERV, die de werkgroep voorzit;
2° zes vertegenwoordigers van de Vlaamse sociale partners, voorgedragen door de SERV;
3° een vertegenwoordiger voorgedragen door de administratie;
4° een vertegenwoordiger voorgedragen door de administratie Werkgelegenheid van het departement Economie, Binnenlandse Aangelegenheden en Landbouw;
5° een vertegenwoordiger van de minister;
6° een vertegenwoordiger voorgedragen door de minister bevoegd voor het onderwijs;
7° een vertegenwoordiger voorgedragen door de minister bevoegd voor het economisch beleid.
De voordragende instanties dragen tezelfdertijd een plaatsvervangend lid voor die dezelfde rechten uitoefent als het lid dat hij/zij vervangt.
De strategische werkgroep heeft als opdracht :
1° bindende adviezen te verstrekken over de aanvragen die ingediend worden in het kader van dit besluit. De adviezen worden genomen met een drie vierde meerderheid. Het advies is evenwel negatief indien de vertegenwoordigers van de ministers met unanimiteit een negatieve stem uitbrengen;
2° jaarlijks één of meerdere thema's te bepalen in het kader van de subsidies voor de ondersteuning van wijzigingen die bedrijven doorvoeren in hun arbeidsorganisatie, dit met dezelfde meerderheid en hetzelfde vetorecht voor de vertegenwoordigers van de ministers;
3° het jaarlijks evalueren van de toepassing van dit besluit en het onderzoeken van mogelijke wijzigingen of vernieuwingen ervan.
De SERV staat in voor :
1° het secretariaat van de strategische werkgroep;
2° het opmaken van de in artikel 8, derde lid, bedoelde adviezen;
3° het opmaken van een verslag aan de administratie van de adviezen van de strategische werkgroep, dit voor elke indieningsronde en uiterlijk dertig dagen nadat de strategische werkgroep een advies heeft uitgebracht over alle ontvankelijke aanvragen.
1° een vertegenwoordiger van het secretariaat van de SERV, die de werkgroep voorzit;
2° zes vertegenwoordigers van de Vlaamse sociale partners, voorgedragen door de SERV;
3° een vertegenwoordiger voorgedragen door de administratie;
4° een vertegenwoordiger voorgedragen door de administratie Werkgelegenheid van het departement Economie, Binnenlandse Aangelegenheden en Landbouw;
5° een vertegenwoordiger van de minister;
6° een vertegenwoordiger voorgedragen door de minister bevoegd voor het onderwijs;
7° een vertegenwoordiger voorgedragen door de minister bevoegd voor het economisch beleid.
De voordragende instanties dragen tezelfdertijd een plaatsvervangend lid voor die dezelfde rechten uitoefent als het lid dat hij/zij vervangt.
De strategische werkgroep heeft als opdracht :
1° bindende adviezen te verstrekken over de aanvragen die ingediend worden in het kader van dit besluit. De adviezen worden genomen met een drie vierde meerderheid. Het advies is evenwel negatief indien de vertegenwoordigers van de ministers met unanimiteit een negatieve stem uitbrengen;
2° jaarlijks één of meerdere thema's te bepalen in het kader van de subsidies voor de ondersteuning van wijzigingen die bedrijven doorvoeren in hun arbeidsorganisatie, dit met dezelfde meerderheid en hetzelfde vetorecht voor de vertegenwoordigers van de ministers;
3° het jaarlijks evalueren van de toepassing van dit besluit en het onderzoeken van mogelijke wijzigingen of vernieuwingen ervan.
De SERV staat in voor :
1° het secretariaat van de strategische werkgroep;
2° het opmaken van de in artikel 8, derde lid, bedoelde adviezen;
3° het opmaken van een verslag aan de administratie van de adviezen van de strategische werkgroep, dit voor elke indieningsronde en uiterlijk dertig dagen nadat de strategische werkgroep een advies heeft uitgebracht over alle ontvankelijke aanvragen.
Art. 3. Le Ministre constitue un groupe de travail stratégique composé des membres suivants :
1° un représentant du secrétariat du SERV, qui préside le groupe de travail;
2° six représentants des partenaires sociaux flamands proposés par le SERV;
3° un représentant proposé par l'administration;
4° un représentant proposé par l'administration de l'Emploi du département de l'Economie, de l'Emploi, des Affaires intérieures et de l'Agriculture;
5° un représentant du Ministre;
6° un représentant proposé par le Ministre chargé de l'Enseignement;
7° un représentant proposé par le Ministre chargé de la Politique économique.
Les instances proposantes proposent en même temps un membre suppléant qui exerce les mêmes droits que le membre qu'il/elle remplace.
Le groupe de travail stratégique a les missions suivantes :
1° formuler des avis impératifs relatifs aux demandes qui sont introduites dans le cadre du présent arrêté. Les avis sont émis par une majorité des trois quarts des membres présents. Pourtant, l'avis est négatif lorsque les représentants des Ministres émettent une voix négative à l'unanimité;
2° déterminer annuellement un ou plusieurs thèmes dans le cadre des subventions pour l'appui de modifications apportées par des entreprises à leur organisation du travail, par la même majorité et le même droit de veto pour les représentants des Ministres;
3° évaluer annuellement l'application du présent arrêté et examiner ses modifications ou actualisations éventuelles.
Le SERV assure :
1° le secrétariat du groupe de travail stratégique;
2° la rédaction des avis visés à l'article 8, troisième alinéa;
3° l'établissement d'un rapport à l'administration des avis du groupe de travail stratégique, pour chaque tour d'introduction, et au plus tard trente jours après l'émission par le groupe de travail stratégique d'un avis sur toutes les demandes recevables.
1° un représentant du secrétariat du SERV, qui préside le groupe de travail;
2° six représentants des partenaires sociaux flamands proposés par le SERV;
3° un représentant proposé par l'administration;
4° un représentant proposé par l'administration de l'Emploi du département de l'Economie, de l'Emploi, des Affaires intérieures et de l'Agriculture;
5° un représentant du Ministre;
6° un représentant proposé par le Ministre chargé de l'Enseignement;
7° un représentant proposé par le Ministre chargé de la Politique économique.
Les instances proposantes proposent en même temps un membre suppléant qui exerce les mêmes droits que le membre qu'il/elle remplace.
Le groupe de travail stratégique a les missions suivantes :
1° formuler des avis impératifs relatifs aux demandes qui sont introduites dans le cadre du présent arrêté. Les avis sont émis par une majorité des trois quarts des membres présents. Pourtant, l'avis est négatif lorsque les représentants des Ministres émettent une voix négative à l'unanimité;
2° déterminer annuellement un ou plusieurs thèmes dans le cadre des subventions pour l'appui de modifications apportées par des entreprises à leur organisation du travail, par la même majorité et le même droit de veto pour les représentants des Ministres;
3° évaluer annuellement l'application du présent arrêté et examiner ses modifications ou actualisations éventuelles.
Le SERV assure :
1° le secrétariat du groupe de travail stratégique;
2° la rédaction des avis visés à l'article 8, troisième alinéa;
3° l'établissement d'un rapport à l'administration des avis du groupe de travail stratégique, pour chaque tour d'introduction, et au plus tard trente jours après l'émission par le groupe de travail stratégique d'un avis sur toutes les demandes recevables.
HOOFDSTUK III. - Subsidies voor de ondersteuning van acties die bedrijven doorvoeren naar aanleiding van een vernieuwende arbeidsorganisatie.
CHAPITRE III. - Subventions pour l'appui des actions menées par des entreprises à l'occasion d'une organisation du travail innovatrice.
Art. 4. Binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten, bestemd voor de toekenning van subsidies voor de ondersteuning van acties die bedrijven doorvoeren naar aanleiding van een vernieuwende arbeidsorganisatie, kunnen subsidies worden toegekend aan opleidingsprojecten die voldoen aan de in dit hoofdstuk gestelde voorwaarden.
Art. 4. Dans les limites des crédits budgétaires disponibles, qui sont destinés à l'octroi de subventions pour l'appui des actions menées par des entreprises à l'occasion d'une organisation du travail innovatrice, des subventions peuvent être octroyées aux projets de formation répondant aux conditions prescrites par le présent chapitre.
Art. 5. § 1. Natuurlijke personen kunnen geen aanvraag indienen.
§ 2. De aanvragers kunnen een subsidie krijgen voor opleidingsprojecten die :
1° gericht zijn op de ondersteuning van bedrijven in het doorvoeren van wijzigingen in hun arbeidsorganisatie, onder meer :
a) projecten die werkzoekenden laten instromen terwijl zittende werknemers van het bedrijf opleiding volgen;
b) projecten die een HRM-beleid invoeren dat geënt is op een integrale benadering;
c) projecten die plaatsvinden naar aanleiding van arbeidsherverdeling, de introductie van een gezinsvriendelijke arbeidsorganisatie en/of die in verband staan met de invoering van ICT;
2° gericht zijn op de behoeften van :
a) de werknemers wiens arbeidsplaats zich voornamelijk bevindt in het Vlaamse Gewest en die :
1) vallen onder de wetgeving op de arbeidsovereenkomsten of onder een soortgelijk wettelijk of reglementair statuut;
2) tewerkgesteld zijn in bedrijven, instellingen of organisaties, die vallen onder de privé-sector of genieten van een vermindering van patronale bijdragen overeenkomstig het koninklijk besluit van 5 februari 1997 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit-sector;
b) de personen die een zelfstandig beroep uitoefenen in het Vlaamse Gewest;
c) de werkzoekenden die hun woonplaats hebben in het Nederlandse taalgebied en het tweetalig gebied Brussel- Hoofdstad;
3° voorzien in de verspreiding van de resultaten aan een breder publiek dan de direct betrokkenen bij de aanvragers.
Onverminderd de voorwaarden zoals bepaald in het eerste lid, kan de aanvrager slechts subsidies krijgen voor projecten die kaderen binnen de in het betrokken jaar door de strategische werkgroep vastgestelde thema's.
§ 2. De aanvragers kunnen een subsidie krijgen voor opleidingsprojecten die :
1° gericht zijn op de ondersteuning van bedrijven in het doorvoeren van wijzigingen in hun arbeidsorganisatie, onder meer :
a) projecten die werkzoekenden laten instromen terwijl zittende werknemers van het bedrijf opleiding volgen;
b) projecten die een HRM-beleid invoeren dat geënt is op een integrale benadering;
c) projecten die plaatsvinden naar aanleiding van arbeidsherverdeling, de introductie van een gezinsvriendelijke arbeidsorganisatie en/of die in verband staan met de invoering van ICT;
2° gericht zijn op de behoeften van :
a) de werknemers wiens arbeidsplaats zich voornamelijk bevindt in het Vlaamse Gewest en die :
1) vallen onder de wetgeving op de arbeidsovereenkomsten of onder een soortgelijk wettelijk of reglementair statuut;
2) tewerkgesteld zijn in bedrijven, instellingen of organisaties, die vallen onder de privé-sector of genieten van een vermindering van patronale bijdragen overeenkomstig het koninklijk besluit van 5 februari 1997 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit-sector;
b) de personen die een zelfstandig beroep uitoefenen in het Vlaamse Gewest;
c) de werkzoekenden die hun woonplaats hebben in het Nederlandse taalgebied en het tweetalig gebied Brussel- Hoofdstad;
3° voorzien in de verspreiding van de resultaten aan een breder publiek dan de direct betrokkenen bij de aanvragers.
Onverminderd de voorwaarden zoals bepaald in het eerste lid, kan de aanvrager slechts subsidies krijgen voor projecten die kaderen binnen de in het betrokken jaar door de strategische werkgroep vastgestelde thema's.
Art. 5. § 1er. Les personnes physiques ne peuvent introduire une demande.
§ 2. Les demandeurs peuvent bénéficier d'une subvention pour des projets de formation qui :
1° visent l'appui des entreprises dans les modifications qu'elles apportent à leur organisation du travail, entre autres :
a) projets faisant entrer des demandeurs d'emploi pendant que des travailleurs en exercice de l'entreprise suivent une formation;
b) projets introduisant une politique GRH basée sur une approche intégrale;
c) projets ayant lieu à l'occasion d'une redistribution du travail, l'introduction d'une organisation du travail favorable à la famille, et/ou des projets qui sont liés à l'introduction de la TIC;
2° visent les besoins des :
a) travailleurs dont le lieu de travail se situe principalement en Région flamande et qui :
1) sont régis par la législation sur les contrats de travail ou par un statut légal ou réglementaire similaire;
2) sont occupés par des entreprises, institutions ou organisations actives dans le secteur privé ou qui bénéficient d'une réduction des cotisations patronales conformément à l'arrêté royal du 5 février 1997 portant des mesures visant à promouvoir l'emploi dans le secteur non marchand;
b) personnes exerçant un métier indépendant en Région flamande;
c) demandeurs d'emploi dont la résidence se situe dans la région néerlandophone et la région bilingue de Bruxelles-Capitale;
3° assurent la distribution des résultats à un public plus large que les personnes directement associées aux demandeurs.
Sans préjudice des conditions telles que fixées au premier alinéa, le demandeur ne peut obtenir des subventions que pour des projets qui rentrent dans le cadre des thèmes déterminés par le groupe de travail stratégique au cours de l'année concernée.
§ 2. Les demandeurs peuvent bénéficier d'une subvention pour des projets de formation qui :
1° visent l'appui des entreprises dans les modifications qu'elles apportent à leur organisation du travail, entre autres :
a) projets faisant entrer des demandeurs d'emploi pendant que des travailleurs en exercice de l'entreprise suivent une formation;
b) projets introduisant une politique GRH basée sur une approche intégrale;
c) projets ayant lieu à l'occasion d'une redistribution du travail, l'introduction d'une organisation du travail favorable à la famille, et/ou des projets qui sont liés à l'introduction de la TIC;
2° visent les besoins des :
a) travailleurs dont le lieu de travail se situe principalement en Région flamande et qui :
1) sont régis par la législation sur les contrats de travail ou par un statut légal ou réglementaire similaire;
2) sont occupés par des entreprises, institutions ou organisations actives dans le secteur privé ou qui bénéficient d'une réduction des cotisations patronales conformément à l'arrêté royal du 5 février 1997 portant des mesures visant à promouvoir l'emploi dans le secteur non marchand;
b) personnes exerçant un métier indépendant en Région flamande;
c) demandeurs d'emploi dont la résidence se situe dans la région néerlandophone et la région bilingue de Bruxelles-Capitale;
3° assurent la distribution des résultats à un public plus large que les personnes directement associées aux demandeurs.
Sans préjudice des conditions telles que fixées au premier alinéa, le demandeur ne peut obtenir des subventions que pour des projets qui rentrent dans le cadre des thèmes déterminés par le groupe de travail stratégique au cours de l'année concernée.
Art. 6. § 1. De aanvragers dienen een gestandaardiseerd aanvraagformulier, zoals opgesteld door de administratie, in bij de administratie.
Dit aanvraagformulier bevat volgende gegevens :
1° de behoeften waarop het project inspeelt;
2° de deelnemers,
3° het inhoudelijk programma;
4° het tijdpad van het project en, in voorkomend geval, de verschillende fasen;
5° het beoogde resultaat;
6° de methodiek.
§ 2. Indien het project ingediend wordt door één of meerdere bedrijven wordt het project, alvorens de aanvraag ingediend wordt, ter goedkeuring voorgelegd aan de betrokken ondernemingsraad of -raden of, bij ontstentenis hiervan, aan de betrokken syndicale afvaardigingen. Bij gebrek aan een ondernemingsraad of een syndicale afvaardiging legt de aanvrager het project ter goedkeuring voor aan (de Sociaal-Economische Raad van de Regio) of de paritair beheerde rectorale opleidingsinstelling of de sectorcommissie van de SERV of bij afwezigheid van deze laatste aan het bevoegde paritair comité.
Indien een project wordt ingediend door één van de sociale partners van een sector legt de aanvrager het project ter goedkeuring voor aan de paritair beheerde rectorale opleidingsinstelling of de sectorcommissie van de SERV of bij afwezigheid van deze laatste aan het bevoegde paritair comité.
§ 3. In de gevallen waarbij een (Sociaal-Economische Raad van de Regio), een paritair beheerde sectorale opleidingsinstelling, de sectorcommissie van de SERV of een paritair comité zijn goedkeuring verleent aan het project, doet zij dit binnen de dertig kalenderdagen na ontvangst ervan.
De strategische werkgroep neemt de beslissing in de plaats van het betrokken comité of de betrokken instelling in die gevallen waarbij deze geen beslissing neemt binnen de in het vorige lid bepaalde termijn.
De in het eerste lid bedoelde beslissingen zijn niet bindend voor de strategische werkgroep, in die zin dat deze werkgroep een andersluidende beslissing kan nemen conform de procedure bepaald in artikel 3, derde lid.
Dit aanvraagformulier bevat volgende gegevens :
1° de behoeften waarop het project inspeelt;
2° de deelnemers,
3° het inhoudelijk programma;
4° het tijdpad van het project en, in voorkomend geval, de verschillende fasen;
5° het beoogde resultaat;
6° de methodiek.
§ 2. Indien het project ingediend wordt door één of meerdere bedrijven wordt het project, alvorens de aanvraag ingediend wordt, ter goedkeuring voorgelegd aan de betrokken ondernemingsraad of -raden of, bij ontstentenis hiervan, aan de betrokken syndicale afvaardigingen. Bij gebrek aan een ondernemingsraad of een syndicale afvaardiging legt de aanvrager het project ter goedkeuring voor aan (de Sociaal-Economische Raad van de Regio) of de paritair beheerde rectorale opleidingsinstelling of de sectorcommissie van de SERV of bij afwezigheid van deze laatste aan het bevoegde paritair comité.
Indien een project wordt ingediend door één van de sociale partners van een sector legt de aanvrager het project ter goedkeuring voor aan de paritair beheerde rectorale opleidingsinstelling of de sectorcommissie van de SERV of bij afwezigheid van deze laatste aan het bevoegde paritair comité.
§ 3. In de gevallen waarbij een (Sociaal-Economische Raad van de Regio), een paritair beheerde sectorale opleidingsinstelling, de sectorcommissie van de SERV of een paritair comité zijn goedkeuring verleent aan het project, doet zij dit binnen de dertig kalenderdagen na ontvangst ervan.
De strategische werkgroep neemt de beslissing in de plaats van het betrokken comité of de betrokken instelling in die gevallen waarbij deze geen beslissing neemt binnen de in het vorige lid bepaalde termijn.
De in het eerste lid bedoelde beslissingen zijn niet bindend voor de strategische werkgroep, in die zin dat deze werkgroep een andersluidende beslissing kan nemen conform de procedure bepaald in artikel 3, derde lid.
Art. 6. § 1er. Les demandeurs introduisent un formulaire de demande standardisé, tel que rédigé par l'administration, auprès de celle-ci.
Ce formulaire de demande contient les informations suivantes :
1° les besoins de formation auxquels le projet répond;
2° les participants;
3° le programme sur le plan du contenu;
4° l'échelonnement du projet et, le cas échéant, les différentes phases;
5° le résultat visé;
6° la méthode.
§ 2. Si le projet est introduit par une ou plusieurs entreprises, il est soumis pour approbation, avant l'introduction de la demande, au(x) conseil(s) d'entreprise concerné(s) ou, à défaut, aux délégations syndicales concernées. A défaut d'un conseil d'entreprise ou d'une délégation syndicale, le demandeur soumet le projet pour approbation au (Conseil socio-économique de la Région) ou à l'établissement de formation sectoriel qui est géré paritairement, ou à la commission sectorielle du SERV ou, à défaut de cette dernière, au comité paritaire compétent.
Lorsqu'un des partenaires sociaux d'un secteur introduit un projet, le demandeur soumet le projet pour approbation à l'établissement de formation sectoriel qui est géré paritairement, ou à la commission sectorielle du SERV ou, à défaut de cette dernière, au comité paritaire compétent.
§ 3. Dans les cas où un (Conseil socio-économique de la Région), un établissement de formation sectoriel qui est géré paritairement, la commission sectorielle du SERV ou un comité paritaire donne son approbation au projet, il/elle le fait dans les trente jours calendaires de la réception de la demande.
Le groupe de travail stratégique prend la décision au lieu du comité ou de l'établissement concerné dans les cas où celui-ci ne prend pas de décision dans le délai fixé à l'alinéa précédent.
Les décisions visées au premier alinéa ne sont pas contraignantes pour le groupe de travail stratégique, dans le sens que ce groupe de travail peut prendre une décision différente conformément à la procédure fixée à l'article 3, troisième alinéa.
Ce formulaire de demande contient les informations suivantes :
1° les besoins de formation auxquels le projet répond;
2° les participants;
3° le programme sur le plan du contenu;
4° l'échelonnement du projet et, le cas échéant, les différentes phases;
5° le résultat visé;
6° la méthode.
§ 2. Si le projet est introduit par une ou plusieurs entreprises, il est soumis pour approbation, avant l'introduction de la demande, au(x) conseil(s) d'entreprise concerné(s) ou, à défaut, aux délégations syndicales concernées. A défaut d'un conseil d'entreprise ou d'une délégation syndicale, le demandeur soumet le projet pour approbation au (Conseil socio-économique de la Région) ou à l'établissement de formation sectoriel qui est géré paritairement, ou à la commission sectorielle du SERV ou, à défaut de cette dernière, au comité paritaire compétent.
Lorsqu'un des partenaires sociaux d'un secteur introduit un projet, le demandeur soumet le projet pour approbation à l'établissement de formation sectoriel qui est géré paritairement, ou à la commission sectorielle du SERV ou, à défaut de cette dernière, au comité paritaire compétent.
§ 3. Dans les cas où un (Conseil socio-économique de la Région), un établissement de formation sectoriel qui est géré paritairement, la commission sectorielle du SERV ou un comité paritaire donne son approbation au projet, il/elle le fait dans les trente jours calendaires de la réception de la demande.
Le groupe de travail stratégique prend la décision au lieu du comité ou de l'établissement concerné dans les cas où celui-ci ne prend pas de décision dans le délai fixé à l'alinéa précédent.
Les décisions visées au premier alinéa ne sont pas contraignantes pour le groupe de travail stratégique, dans le sens que ce groupe de travail peut prendre une décision différente conformément à la procédure fixée à l'article 3, troisième alinéa.
Art. 7. § 1. De minister bepaalt de periode van de indieningsrondes en het daaraan gekoppelde gedeelte van de in artikel 4 bedoelde kredieten.
De vereisten waaraan een aanvraag voldoet, bepaald in de artikelen 5, §§ 1 en 2, eerste lid, 2° en 3° en 6, §§ 1 en 2, zijn ontvankelijkheidscriteria.
§ 2. De dossiers die ontvankelijk worden verklaard en waarvoor een positief advies van de strategische werkgroep werd gegeven worden gerangschikt volgens het aantal bonuspunten. Cumulatief worden volgende bonuspunten toegekend aan :
1° projecten die gericht zijn op het bevorderen van de aanwezigheid van personen uit kansengroepen (twee punten);
2° projecten waarbij het verhogen van de intrinsieke leermogelijkheden van functies centraal staat (een punt);
3° projecten die gebruik maken van ICT (een punt).
§ 3. De subsidie bedraagt maximaal 250.000 EUR per aanvrager, inclusief de eventuele subsidiëring verkregen vanuit het ESF, zelfs in die gevallen waarbij deze in de loop van dezelfde indieningsronde meerdere aanvragen in het kader van deze afdeling indient.
Enkel de eerste vierentwintig maanden, volgend op de dag van het opstarten van een project, zijn subsidiabel. Voorzover de dag van het opstarten van een project gelegen is voor het begin van de periode van de betrokken indieningsronde, zijn enkel de kosten die gemaakt worden vanaf het begin van deze periode subsidiabel en wordt de begindatum van de betrokken indieningsronde tevens als begindatum genomen voor de berekening van de vierentwintig maanden. Voor de eerste indieningsronde zijn de kosten vanaf 1 januari 2001 subsidiabel.
Op schriftelijk verzoek van de aanvrager kan de strategische werkgroep beslissen om de subsidiabele periode te verlengen met maximaal zes maanden. Het gemotiveerd verzoek dient, op straffe van onontvankelijkheid, bij de administratie te worden ingediend uiterlijk twee maanden voor het verstrijken van de termijn van vierentwintig maanden.
De vereisten waaraan een aanvraag voldoet, bepaald in de artikelen 5, §§ 1 en 2, eerste lid, 2° en 3° en 6, §§ 1 en 2, zijn ontvankelijkheidscriteria.
§ 2. De dossiers die ontvankelijk worden verklaard en waarvoor een positief advies van de strategische werkgroep werd gegeven worden gerangschikt volgens het aantal bonuspunten. Cumulatief worden volgende bonuspunten toegekend aan :
1° projecten die gericht zijn op het bevorderen van de aanwezigheid van personen uit kansengroepen (twee punten);
2° projecten waarbij het verhogen van de intrinsieke leermogelijkheden van functies centraal staat (een punt);
3° projecten die gebruik maken van ICT (een punt).
§ 3. De subsidie bedraagt maximaal 250.000 EUR per aanvrager, inclusief de eventuele subsidiëring verkregen vanuit het ESF, zelfs in die gevallen waarbij deze in de loop van dezelfde indieningsronde meerdere aanvragen in het kader van deze afdeling indient.
Enkel de eerste vierentwintig maanden, volgend op de dag van het opstarten van een project, zijn subsidiabel. Voorzover de dag van het opstarten van een project gelegen is voor het begin van de periode van de betrokken indieningsronde, zijn enkel de kosten die gemaakt worden vanaf het begin van deze periode subsidiabel en wordt de begindatum van de betrokken indieningsronde tevens als begindatum genomen voor de berekening van de vierentwintig maanden. Voor de eerste indieningsronde zijn de kosten vanaf 1 januari 2001 subsidiabel.
Op schriftelijk verzoek van de aanvrager kan de strategische werkgroep beslissen om de subsidiabele periode te verlengen met maximaal zes maanden. Het gemotiveerd verzoek dient, op straffe van onontvankelijkheid, bij de administratie te worden ingediend uiterlijk twee maanden voor het verstrijken van de termijn van vierentwintig maanden.
Art. 7. § 1er. Le Ministre détermine la période des tours d'introduction et la part des crédits visés à l'article 4 dont elle est assortie.
Les conditions auxquelles répond une demande, qui sont fixées aux articles 5, §§ 1er et 2, premier alinéa, 2° et 3°, et 6, §§ 1et 2, sont des critères de recevabilité.
§ 2. Les dossiers qui sont déclarés recevables et pour lesquels le groupe de travail stratégique a émis un avis positif, sont classés selon le nombre de points boni. Les points boni suivants sont accordés à titre cumulatif à :
1° des projets visant la promotion de la présence de personnes appartenant à des groupes à risques (deux points);
2° projets visant l'augmentation des possibilités intrinsèques d'apprentissage de fonctions (un point);
3° projets utilisant la TIC (un point).
§ 3. La subvention s'élève au maximum à 250.000 EUR par demandeur, y compris la subvention éventuelle obtenue du FSE, même dans les cas où celui-ci introduit plusieurs demandes dans le cadre de cette section au cours du même tour d'introduction.
Seuls les vingt-quatre premiers mois suivant le jour de la mise en oeuvre du projet sont subventionnables. Pour autant que le jour de la mise en oeuvre d'un projet se situe avant le début de la période du tour d'introduction concerné, seuls les frais exposés dès le début de la période du tour d'introduction concerné sont subventionnables et la date de début du tour d'introduction concerné est également pris comme date de début pour le calcul des vingt-quatre mois. Pour le premier tour d'introduction, les frais sont subventionnables à partir du 1 janvier 2001.
Sur demande écrite du demandeur, le groupe de travail stratégique peut décider de prolonger la période subventionnable de six mois au maximum. La demande motivée est introduite, sous peine d'irrecevabilité, auprès de l'administration au plus tard deux mois avant l'expiration du délai de vingt-quatre mois.
Les conditions auxquelles répond une demande, qui sont fixées aux articles 5, §§ 1er et 2, premier alinéa, 2° et 3°, et 6, §§ 1et 2, sont des critères de recevabilité.
§ 2. Les dossiers qui sont déclarés recevables et pour lesquels le groupe de travail stratégique a émis un avis positif, sont classés selon le nombre de points boni. Les points boni suivants sont accordés à titre cumulatif à :
1° des projets visant la promotion de la présence de personnes appartenant à des groupes à risques (deux points);
2° projets visant l'augmentation des possibilités intrinsèques d'apprentissage de fonctions (un point);
3° projets utilisant la TIC (un point).
§ 3. La subvention s'élève au maximum à 250.000 EUR par demandeur, y compris la subvention éventuelle obtenue du FSE, même dans les cas où celui-ci introduit plusieurs demandes dans le cadre de cette section au cours du même tour d'introduction.
Seuls les vingt-quatre premiers mois suivant le jour de la mise en oeuvre du projet sont subventionnables. Pour autant que le jour de la mise en oeuvre d'un projet se situe avant le début de la période du tour d'introduction concerné, seuls les frais exposés dès le début de la période du tour d'introduction concerné sont subventionnables et la date de début du tour d'introduction concerné est également pris comme date de début pour le calcul des vingt-quatre mois. Pour le premier tour d'introduction, les frais sont subventionnables à partir du 1 janvier 2001.
Sur demande écrite du demandeur, le groupe de travail stratégique peut décider de prolonger la période subventionnable de six mois au maximum. La demande motivée est introduite, sous peine d'irrecevabilité, auprès de l'administration au plus tard deux mois avant l'expiration du délai de vingt-quatre mois.
HOOFDSTUK IV. - Algemene bepalingen.
CHAPITRE IV. - Dispositions générales.
Art. 8. De administratie onderzoekt de overeenkomstig dit besluit ingediende aanvragen binnen maximaal dertig kalenderdagen, volgend op de uiterste indieningsdatum, op haar ontvankelijkheid.
Indien de aanvraag ontvankelijk is, stuurt zij het dossier onmiddellijk door naar de SERV en onderzoekt zij vervolgens de inhoudelijke en financiële conformiteit volgens de criteria van deze afdeling binnen maximaal zestig kalenderdagen, volgend op de uiterste indieningsdatum, en stuurt binnen dezelfde termijn haar conformiteitsadvies, alsmede een verslag over de niet- ontvankelijk ingediende dossiers, door naar de SERV.
De SERV onderzoekt binnen maximaal zeventig kalenderdagen, volgend op de uiterste indieningsdatum van de aanvraag, de inhoudelijke conformiteit volgens de criteria van dit besluit, en stuurt binnen deze termijn de ontvankelijke aanvragen met haar gemotiveerd advies door naar de strategische werkgroep. In de mate dat dit advies afwijkt van het advies van de administratie vermeldt het tevens de motieven hiertoe.
Binnen maximaal dertig kalenderdagen na ontvangst van de in het vorige lid vermelde documenten geeft de strategische werkgroep een advies, maakt zij de gemotiveerde rangschikking van de weerhouden projecten op en stuurt zij de aanvragen, de adviezen, haar advies en de rangschikking door naar de administratie die deze beslissing bekrachtigt.
Indien de aanvraag ontvankelijk is, stuurt zij het dossier onmiddellijk door naar de SERV en onderzoekt zij vervolgens de inhoudelijke en financiële conformiteit volgens de criteria van deze afdeling binnen maximaal zestig kalenderdagen, volgend op de uiterste indieningsdatum, en stuurt binnen dezelfde termijn haar conformiteitsadvies, alsmede een verslag over de niet- ontvankelijk ingediende dossiers, door naar de SERV.
De SERV onderzoekt binnen maximaal zeventig kalenderdagen, volgend op de uiterste indieningsdatum van de aanvraag, de inhoudelijke conformiteit volgens de criteria van dit besluit, en stuurt binnen deze termijn de ontvankelijke aanvragen met haar gemotiveerd advies door naar de strategische werkgroep. In de mate dat dit advies afwijkt van het advies van de administratie vermeldt het tevens de motieven hiertoe.
Binnen maximaal dertig kalenderdagen na ontvangst van de in het vorige lid vermelde documenten geeft de strategische werkgroep een advies, maakt zij de gemotiveerde rangschikking van de weerhouden projecten op en stuurt zij de aanvragen, de adviezen, haar advies en de rangschikking door naar de administratie die deze beslissing bekrachtigt.
Art. 8. L'administration examine la recevabilité des demandes introduites conformément au présent arrêté dans un délai maximum de trente jours calendaires suivant la date limite d'introduction.
En cas de demande recevable, elle transmet le dossier immédiatement au SERV et elle examine ensuite la conformité financière et au niveau du contenu selon les critères de cette section dans un délai d'au maximum soixante jours calendaires suivant la date limite d'introduction, et elle envoie, dans le même délai, son avis de conformité ainsi qu'un rapport sur les dossiers introduits non recevables au SERV.
Le SERV examine dans un délai maximum de septante jours calendaires suivant la date limite d'introduction de la demande, la conformité au niveau du contenu selon les critères du présent arrêté, et envoie dans ce délai les demandes recevables, avec avis motivé au groupe de travail stratégique. Dans la mesure où cet avis déroge à l'avis de l'administration, il en précise également les motifs.
Dans un délai maximum de trente jours calendaires après la réception des documents visés à l'alinéa précédent, le groupe de travail stratégique émet un avis, établit le classement motivé des projets retenus et transmet les demandes, les avis, son avis et le classement à l'administration qui ratifie cette décision.
En cas de demande recevable, elle transmet le dossier immédiatement au SERV et elle examine ensuite la conformité financière et au niveau du contenu selon les critères de cette section dans un délai d'au maximum soixante jours calendaires suivant la date limite d'introduction, et elle envoie, dans le même délai, son avis de conformité ainsi qu'un rapport sur les dossiers introduits non recevables au SERV.
Le SERV examine dans un délai maximum de septante jours calendaires suivant la date limite d'introduction de la demande, la conformité au niveau du contenu selon les critères du présent arrêté, et envoie dans ce délai les demandes recevables, avec avis motivé au groupe de travail stratégique. Dans la mesure où cet avis déroge à l'avis de l'administration, il en précise également les motifs.
Dans un délai maximum de trente jours calendaires après la réception des documents visés à l'alinéa précédent, le groupe de travail stratégique émet un avis, établit le classement motivé des projets retenus et transmet les demandes, les avis, son avis et le classement à l'administration qui ratifie cette décision.
Art. 9. De betoelaagbare basis omvat alle kosten die toegelaten zijn door de Verordening (EG) nr. 68/2001 van de Commissie van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op opleidingssteun (2) en de regelgeving inzake het ESF, in voorkomend geval verminderd met het betaald educatief verlof.
De loonkosten van de deelnemers worden tot een bedrag van maximaal vijftig procent van de totale kostprijs opgenomen in de betoelaagbare basis, doch zij komen niet in aanmerking voor subsidiëring.
Voor projecten die ingediend worden in het kader van dit besluit omvat de privaatrechtelijke inbreng minimaal dertig procent van de totale projectkosten.
Voorzover een sectorale opleidingsinstelling een aanvraag indient, financieren deze aanvragers bovenop het in het vorig lid vermelde bedrag minimaal twintig procent van de projectkosten.
Op het resterende bedrag van de betoelaagbare basis kunnen Vlaamse en ESF-subsidies worden toegestaan, voorzover deze de in de Verordening (EG) nr. 6812001 van de Commissie van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op opleidingssteun (3) vermelde percentages inzake publieke co-financiering niet overschrijden en deze beantwoorden aan de regelgeving inzake het ESF.
In de mate dat het budget ontoereikend is om de projecten met een gelijk aantal bonuspunten te subsidiëren, wordt het resterende budget pondsgewijs verdeeld onder deze aanvragers.
De loonkosten van de deelnemers worden tot een bedrag van maximaal vijftig procent van de totale kostprijs opgenomen in de betoelaagbare basis, doch zij komen niet in aanmerking voor subsidiëring.
Voor projecten die ingediend worden in het kader van dit besluit omvat de privaatrechtelijke inbreng minimaal dertig procent van de totale projectkosten.
Voorzover een sectorale opleidingsinstelling een aanvraag indient, financieren deze aanvragers bovenop het in het vorig lid vermelde bedrag minimaal twintig procent van de projectkosten.
Op het resterende bedrag van de betoelaagbare basis kunnen Vlaamse en ESF-subsidies worden toegestaan, voorzover deze de in de Verordening (EG) nr. 6812001 van de Commissie van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op opleidingssteun (3) vermelde percentages inzake publieke co-financiering niet overschrijden en deze beantwoorden aan de regelgeving inzake het ESF.
In de mate dat het budget ontoereikend is om de projecten met een gelijk aantal bonuspunten te subsidiëren, wordt het resterende budget pondsgewijs verdeeld onder deze aanvragers.
Art. 9. La base subventionnable comprend tous les frais admis par le Règlement (CE) n° 68/2001 de la Commission du 12 janvier 2001 concernant l'application des articles 87 et 88 du traité CE aux aides à la formation (2) et la réglementation relative au FSE, le cas échéant diminué du congé-éducation payé.
Les frais salariaux des participants sont repris à concurrence d'un montant d'au maximum cinquante pour cent du coût total repris dans la base subventionnable, mais ils n'entrent pas en ligne de compte pour le subventionnement.
Pour des projets introduits dans le cadre du présent arrêté, l'apport de droit privé comporte au moins trente pour cent du coût total du projet.
Dans la mesure où un établissement de formation sectoriel introduit une demande, ces demandeurs financent au minimum trente pour cent du coût total du projet outre le montant mentionné à l'alinéa précédent.
Pour le montant restant de la base subventionnable, des subventions flamandes et du FSE peuvent être admises dans la mesure où celles-ci ne dépassent pas les pourcentages en matière de cofinancement public, visés au Règlement (CE) n° 68/2001 de la Commission du 12 janvier 2001 concernant l'application des articles 87 et 88 du traité CE aux aides à la formation (3), et celles-ci répondent à la réglementation relative au FSE.
Dans la mesure où le budget est insuffisant pour subventionner les projets disposant d'un nombre égal de points boni, le budget restant est réparti au prorata parmi ces demandeurs.
Les frais salariaux des participants sont repris à concurrence d'un montant d'au maximum cinquante pour cent du coût total repris dans la base subventionnable, mais ils n'entrent pas en ligne de compte pour le subventionnement.
Pour des projets introduits dans le cadre du présent arrêté, l'apport de droit privé comporte au moins trente pour cent du coût total du projet.
Dans la mesure où un établissement de formation sectoriel introduit une demande, ces demandeurs financent au minimum trente pour cent du coût total du projet outre le montant mentionné à l'alinéa précédent.
Pour le montant restant de la base subventionnable, des subventions flamandes et du FSE peuvent être admises dans la mesure où celles-ci ne dépassent pas les pourcentages en matière de cofinancement public, visés au Règlement (CE) n° 68/2001 de la Commission du 12 janvier 2001 concernant l'application des articles 87 et 88 du traité CE aux aides à la formation (3), et celles-ci répondent à la réglementation relative au FSE.
Dans la mesure où le budget est insuffisant pour subventionner les projets disposant d'un nombre égal de points boni, le budget restant est réparti au prorata parmi ces demandeurs.
Art. 10. De aanvrager dient halfjaarlijks en uiterlijk twee maanden na het verstrijken van de subsidiabele uitvoeringstermijn van het project bij de administratie een rapport in dat onder meer een inhoudelijke en budgettaire beschrijving van de uitvoering van het project, de projectresultaten en de op het project betrekking hebbende uitgaven omvat, waardoor hij uitbetaling kan krijgen van de subsidie binnen de in het subsidiebesluit opgenomen maximaal bepaalde grenzen.
Art. 10. Tous les six mois et au plus tard deux mois après l'expiration du délai d'exécution subventionnable du projet, le demandeur soumet à l'administration un rapport contenant entre autres une description budgétaire et du contenu de l'exécution du projet, les résultats du projet, et les dépenses relatives au projet, ce qui lui permet d'obtenir le paiement de la subvention dans les limites maximales fixées qui sont reprises dans l'arrêté de subvention.
HOOFDSTUK V. - Slot- en opheffingsbepalingen.
CHAPITRE V. - Dispositions finales et abrogatoires.
Art. 11. De personeelsleden van de afdeling inspectie Werkgelegenheid van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap zijn gerechtigd om ter plaatse controle uit te oefenen op de aanwending van de toegekende gelden overeenkomstig artikel 56 van de wetten op de rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991.
Art. 11. Les membres du personnel de la Division de l'Inspection de l'Emploi du Ministère de la Communauté flamande sont habilités à contrôler sur place l'affectation des fonds octroyés, conformément à l'article 56 des lois sur la comptabilité de l'Etat, coordonnées le 1 juillet 1991.
Art. 12. De Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Brussel, 28 september 2001.
De minister-president van de Vlaamse regering,
P. DEWAEL
De Vlaamse minister van Werkgelegenheid en Toerisme,
R. LANDUYT
Brussel, 28 september 2001.
De minister-president van de Vlaamse regering,
P. DEWAEL
De Vlaamse minister van Werkgelegenheid en Toerisme,
R. LANDUYT
Art. 12. Le Ministre flamand qui a la Politique de l'emploi dans ses attributions, est chargé de l'exécution du présent arrêté.
Bruxelles, le 28 septembre 2001.
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
P. DEWAEL
Le Ministre flamand de l'Emploi et du Tourisme,
R. LANDUYT
Bruxelles, le 28 septembre 2001.
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
P. DEWAEL
Le Ministre flamand de l'Emploi et du Tourisme,
R. LANDUYT