Zum Hauptinhalt

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
24 SEPTEMBER 1996. - Verdrag inzake een alomvattend verbod op kernproeven. (vertaling).
Titre
24 SEPTEMBRE 1996. - Traité d'interdiction complète des essais nucléaires.
Tekst (21)
Texte (21)
Artikel 1. Basisverplichtingen.
  1. Elke Staat die Partij is neemt de verplichting op zich, geen enkele proefexplosie van een kernwapen of enige andere kernexplosie uit te voeren, en dergelijke kernexplosies te verbieden en te voorkomen op iedere plaats die onder zijn rechtsmacht valt of waarover hij feitelijk gezag uitoefent.
  2. Elke Staat die Partij is neemt bovendien de verplichting op zich, af te zien van het veroorzaken of bevorderen van, of het op enigerlei wijze deelnemen aan, het uitvoeren van proefexplosies van kernwapens of iedere andere kernexplosie.
Article 1. Obligations fondamentales.
  1. Chaque Etat partie s'engage à ne pas effectuer d'explosion expérimentale d'arme nucléaire ou d'autre explosion nucléaire et à interdire et empêcher toute explosion de cette nature en tout lieu placé sous sa juridiction ou son contrôle.
  2. Chaque Etat partie s'engage en outre à s'abstenir de provoquer ou d'encourager l'exécution - ou de participer de quelque manière que ce soit à l'exécution - de toute explosion expérimentale d'arme nucléaire ou de toute autre explosion nucléaire.
Art. 2. De Organisatie.
  A. Algemene bepalingen.
  1. De Staten die Partij zijn richten hierbij op de Verdragsorganisatie voor een alomvattend verbod op kernproeven (hierna te noemen : " de Organisatie "), die tot taak heeft voorwerp en doel van dit Verdrag te verwezenlijken, de toepassing van de hierin vervatte bepalingen te garanderen, met inbegrip van die welke betrekking hebben op de internationale verificatie op de naleving ervan, en een forum te bieden voor overleg en samenwerking tussen de Staten die Partij zijn.
  2. Alle Staten die Partij zijn, zijn lid van de Organisatie. Een Staat die Partij is mag het lidmaatschap van de Organisatie niet worden ontnomen.
  3. De Organisatie heeft haar zetel te Wenen, Republiek Oostenrijk.
  4. Hierbij worden ingesteld als organen van de Organisatie : de Conferentie van Staten die Partij zijn, de Uitvoerende Raad en het Technisch Secretariaat, waaronder het Internationaal Datacentrum valt.
  5. Elke Staat die Partij is werkt samen met de Organisatie bij de uitoefening van haar taken overeenkomstig dit Verdrag. Staten die Partij zijn plegen rechtstreeks onderling overleg, of via de Organisatie of andere geschikte internationale procedures, met inbegrip van procedures binnen het kader van de Verenigde Naties en overeenkomstig het VN-Handvest, ten aanzien van alle aangelegenheden die ter tafel worden gebracht met betrekking tot het voorwerp en doel, of de toepassing van de bepalingen, van dit Verdrag.
  6. De Organisatie verricht haar verificatie-activiteiten die in dit Verdrag zijn geregeld op de minst indringende wijze mogelijk die verenigbaar is met de tijdige en efficiënte verwezenlijking van de doelstellingen daarvan. De Organisatie verzoekt alleen om de informatie en gegevens die nodig zijn om zich te kunnen kwijten van de verantwoordelijkheden uit hoofde van dit Verdrag. De Organisatie neemt alle nodige voorzorgsmaatregelen ter bescherming van de vertrouwelijkheid van de informatie inzake civiele en militaire activiteiten en inrichtingen die haar bij de toepassing van dit Verdrag ter kennis komen en houdt zich, met name, aan de in dit Verdrag vermelde bepalingen inzake de vertrouwelijkheid.
  7. Elke Staat die Partij is behandelt de informatie en gegevens die hij met betrekking tot de toepassing van dit Verdrag in vertrouwen van de Organisatie ontvangt, vertrouwelijk en kent deze een bijzondere behandeling toe. Elke Staat die Partij is behandelt deze informatie en gegevens uitsluitend met betrekking tot zijn rechten en plichten uit hoofde van dit Verdrag.
  8. De Organisatie, in haar hoedanigheid van onafhankelijk lichaam, tracht, waar gepast, bestaande expertise en faciliteiten aan te wenden en de kosteneffectiviteit te maximaliseren, door samenwerkingsregelingen met andere internationale organisaties zoals de Internationale Organisatie voor Atoomenergie. Dergelijke regelingen, met uitzondering van die van ondergeschikte en normale commerciële en contractuele aard, worden vastgelegd in overeenkomsten die ter goedkeuring worden voorgelegd aan de Conferentie van de Staten die Partij zijn.
  9. De kosten van de werkzaamheden van de Organisatie worden jaarlijks door de Staten die Partij zijn betaald overeenkomstig de verdeelsleutel van de Verenigde Naties, aangepast om rekening te houden met het verschil in het aantal leden tussen de Verenigde Naties en de Organisatie.
  10. De financiële bijdragen van Staten die Partij zijn aan de Voorbereidende Commissie worden op gepaste wijze in mindering gebracht op hun bijdragen aan de gewone begroting.
  11. Een lid van de Organisatie dat een achterstand heeft in de betaling van zijn vastgestelde bijdrage aan de Organisatie, heeft geen stem in de Organisatie indien het achterstallige bedrag gelijk is aan of groter is dan het bedrag van de bijdrage die het lid verschuldigd is over de voorgaande twee volle jaren. De Conferentie van de Staten die Partij zijn kan een dergelijk lid evenwel toestaan zijn stem uit te brengen indien zij ervan overtuigd is dat het niet betalen te wijten is aan omstandigheden waarop het desbetreffende lid geen invloed heeft.
  B. De Conferentie van de Staten die Partij zijn.
  Samenstelling, procedures en besluitvorming.
  12. De Conferentie van de Staten die Partij zijn (hierna te noemen : " de Conferentie ") bestaat uit alle Staten die Partij zijn. Elke Staat die Partij is heeft één vertegenwoordiger in de Conferentie, die kan worden vergezeld van plaatsvervangers en adviseurs.
  13. De Eerste Vergadering van de Conferentie wordt uiterlijk 30 dagen na de inwerkingtreding van dit Verdrag door de depositaris bijeengeroepen.
  14. De Conferentie komt bijeen in gewone, jaarlijks te houden vergaderingen, tenzij de Conferentie anders besluit.
  15. Een buitengewone vergadering van de Conferentie wordt bijeengeroepen :
  a) Wanneer de Conferentie daartoe besluit;
  b) Wanneer de Uitvoerende Raad daarom verzoekt; of
  c) Wanneer daarom wordt verzocht door een Staat die Partij is en deze wordt gesteund door een meerderheid van de Staten die Partij zijn.
  De buitengewone vergadering wordt bijeengeroepen uiterlijk 30 dagen na het besluit van de Conferentie, het verzoek van de Uitvoerende Raad, of de verkrijging van de nodige steun, tenzij in het besluit of het verzoek anders is aangegeven.
  16. De Conferentie kan eveneens bijeen worden geroepen als Wijzigingsconferentie, overeenkomstig artikel VII.
  17. De Conferentie kan eveneens bijeen worden geroepen als Toetsingsconferentie, overeenkomstig artikel VIII.
  18. De vergaderingen worden gehouden ter plaatse van de zetel van de Organisatie, tenzij de Conferentie anders beslist.
  19. De Conferentie stelt haar eigen procedureregels vast. Bij aanvang van elke vergadering kiest de Conferentie haar voorzitter en de eventueel noodzakelijke andere functionarissen. Deze bekleden hun ambt totdat tijdens de volgende vergadering een nieuwe voorzitter en andere functionarissen worden gekozen.
  20. Een meerderheid van de Staten die Partij zijn vormt het quorum.
  21. Elke Staat die Partij is heeft één stem.
  22. De Conferentie neemt besluiten over aangelegenheden van procedurele aard bij meerderheid van de aanwezige leden die hun stem uitbrengen. Besluiten over aangelegenheden van inhoudelijke aard dienen zo veel mogelijk bij consensus te worden genomen. Indien geen consensus kan worden bereikt wanneer over een aangelegenheid moet worden beslist, stelt de Voorzitter elke stemming 24 uur uit en doet hij tijdens deze periode van uitstel alles wat in zijn vermogen ligt om het bereiken van consensus te vergemakkelijken, en brengt hij vóór het einde van genoemde periode aan de Conferentie verslag uit. Indien aan het einde van deze 24 uur geen consensus mogelijk is, neemt de Conferentie het besluit met een meerderheid van tweederde van de aanwezige leden die hun stem uitbrengen, tenzij in dit Verdrag anders is bepaald. Wanneer de vraag rijst of een aangelegenheid al dan niet van inhoudelijke aard is, wordt die zaak behandeld als een aangelegenheid van inhoudelijke aard, tenzij anders wordt beslist met de meerderheid vereist voor besluiten inzake aangelegenheden van inhoudelijke aard.
  23. Bij de uitvoering van haar taken uit hoofde van het zesentwintigste lid, letter k, neemt de Conferentie het besluit om een Staat aan de lijst van Staten opgenomen in Bijlage 1 bij dit Verdrag toe te voegen, in overeenstemming met de in het tweeëntwintigste lid genoemde procedure voor besluiten over inhoudelijke zaken. Onverminderd het bepaalde in het tweeëntwintigste lid, neemt de Conferentie besluiten ten aanzien van andere aanpassingen van Bijlage 1 bij dit Verdrag bij consensus.
  Bevoegdheden en taken.
  24. De Conferentie is het belangrijkste orgaan van de Organisatie. De Conferentie bestudeert alle kwesties, aangelegenheden of onderwerpen binnen de werkingssfeer van dit Verdrag, met inbegrip van die welke betrekking hebben op de bevoegdheden en taken van de Uitvoerende Raad en het Technisch Secretariaat, in overeenstemming met dit Verdrag. De Conferentie kan aanbevelingen doen en besluiten nemen ten aanzien van alle kwesties, aangelegenheden of onderwerpen binnen de werkingssfeer van dit Verdrag die naar voren worden gebracht door een Staat die Partij is of onder haar aandacht worden gebracht door de Uitvoerende Raad.
  25. De Conferentie ziet toe op de toepassing en inventariseert de naleving van dit Verdrag en bevordert de verwezenlijking van het voorwerp en het doel ervan. De Conferentie houdt eveneens toezicht op de werkzaamheden van de Uitvoerende Raad en het Technisch Secretariaat en kan richtlijnen uitvaardigen naar elk van hen voor de uitvoering van hun taken.
  26. De Conferentie :
  a) Draagt zorg voor de bestudering en aanneming van het verslag van de Organisatie betreffende de uitvoering van dit Verdrag en van het jaarlijkse programma en de begroting van de Organisatie, ingediend door de Uitvoerende Raad, alsmede voor de bestudering van andere verslagen;
  b) Besluit over de verdeelsleutel van de financiële bijdragen die de Staten die Partij zijn overeenkomstig het negende lid moeten betalen;
  c) Kiest de leden van de Uitvoerende Raad;
  d) Benoemt de directeur-generaal van het Technisch Secretariaat (hierna te noemen " de directeur-generaal ");
  e) Draagt zorg voor de bestudering en goedkeuring van de procedureregels van de Uitvoerende Raad dat door deze Raad aan de Conferentie wordt voorgelegd;
  f) Draagt zorg voor de bestudering en beoordeling van de wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen die de werking van dit Verdrag zouden kunnen benvloeden. In dit verband kan de Conferentie de Directeur-Generaal opdracht geven een Wetenschappelijke Adviesraad in te stellen om hem of haar, bij de uitoefening van zijn of haar taken, in staat te stellen gespecialiseerde adviezen uit te brengen op voor dit Verdrag relevante wetenschappelijke en technologische gebieden aan de Conferentie, de Uitvoerende Raad of aan de Staten die Partij zijn. Indien zulks geschiedt, wordt de Wetenschappelijke Adviesraad samengesteld uit onafhankelijke deskundigen die hun functie op persoonlijke titel vervullen en, overeenkomstig de door de Conferentie aangenomen regels, worden benoemd op basis van hun expertise en ervaring op specifieke wetenschappelijke gebieden die relevant zijn voor de toepassing van dit Verdrag;
  g) Treft de nodige maatregelen om toe te zien op de naleving van dit Verdrag en om situaties die in strijd zijn met de bepalingen van dit Verdrag recht te zetten en te verhelpen overeenkomstig artikel V;
  h) Draagt tijdens de Eerste Vergadering van de Conferentie zorg voor de bestudering en goedkeuring van ontwerp-overeenkomsten, regelingen, bepalingen, procedures, handleidingen, richtlijnen en andere door de Voorbereidende Commissie opgestelde en aanbevolen documenten;
  i) Draagt zorg voor de bestudering en goedkeuring van overeenkomsten of regelingen die door het Technisch Secretariaat met de Staten die Partij zijn, andere staten en internationale organisaties zijn uitonderhandeld en die namens de Organisatie in overeenstemming met het achtendertigste lid, letter h, door de Uitvoerende Raad moeten worden gesloten cq getroffen;
  j) Draagt zorg voor de oprichting van de subsidiaire organen die zij nodig acht voor de uitoefening van haar taken overeenkomstig dit Verdrag; en
  k) Werkt, waar nodig, Bijlage I bij dit Verdrag bij, overeenkomstig het drieëntwintigste lid.
  C. De Uitvoerende Raad.
  Samenstelling, procedures en besluitvorming.
  27. De Uitvoerende Raad bestaat uit 51 leden. Elke Staat die Partij is heeft het recht, overeenkomstig de bepalingen van dit artikel, zitting te hebben in de Uitvoerende Raad.
  28. Rekening houdend met de behoefte aan een billijke geografische verdeling, omvat de Uitvoerende Raad :
  a) Tien Staten die Partij zijn uit Afrika;
  b) Zeven Staten die Partij zijn uit Oost-Europa;
  c) Negen Staten die Partij zijn uit Latijns-Amerika en het Caribisch Gebied;
  d) Zeven Staten die Partij zijn uit het Midden-Oosten en Zuid-Azië;
  e) Tien Staten die Partij zijn uit Noord-Amerika en West-Europa; en
  f) Acht Staten die Partij zijn uit Zuid-Oost-Azië, uit de regio Stille Oceaan en het Verre Oosten.
  Alle Staten in elk van de bovengenoemde geografische regio's zijn opgenomen in Bijlage 1 bij dit Verdrag. Bijlage 1 bij dit Verdrag wordt, zo nodig, bijgewerkt door de Conferentie overeenkomstig het drieëntwintigste en zesentwintigste lid, letter k. De Bijlage kan niet worden aangepast of gewijzigd uit hoofde van de procedures genoemd in artikel VII.
  29. De Leden van de Uitvoerende Raad worden gekozen door de Conferentie. In dit verband wijst elke geografische regio op de volgende wijze Staten die Partij zijn aan uit de desbetreffende regio, ter verkiezing als Leden van de Uitvoerende Raad :
  a) Ten minste een derde van de aan elke geografische regio toegewezen zetels worden bezet, rekening houdend met politieke en veiligheidsbelangen, door Staten die Partij zijn in die regio aangewezen op basis van de nucleaire capaciteiten die voor het Verdrag van belang zijn, zoals wordt vastgesteld op grond van internationale gegevens alsmede de volgende criteria, in de volgorde van belangrijkheid die door elke regio wordt bepaald :
  (i) Aantal controle-inrichtingen van het Internationaal Toezicht-systeem;
  (ii) Expertise en ervaring in controletechniek; en
  (iii) Bijdrage aan de jaarlijkse begroting van de Organisatie;
  b) Eén van de aan elke geografische regio toegewezen zetels wordt bij toerbeurt bezet door de eerste Staat die Partij is in Engelse alfabetische volgorde van de Staten die Partij zijn in de desbetreffende regio die gedurende de langste tijdspanne geen leden zijn geweest van de Uitvoerende Raad sinds zij Staten die Partij zijn, zijn geworden of sinds hun laatste zittingstermijn, naar gelang van welke termijn korter is. Een Staat die Partij is die op deze basis is aangewezen kan besluiten afstand te doen van zijn zetel. Indien zulks het geval is, legt de desbetreffende Staat die Partij is de Directeur-Generaal een akte van afstand voor, en wordt de zetel bezet door de eerstvolgende Staat die Partij is in de in deze letter genoemde volgorde; en
  c) De resterende zetels die aan elke geografische regio worden toegekend, worden bezet door Staten die Partij zijn die door middel van toerbeurt of verkiezingen in de desbetreffende regio worden aangewezen onder alle Staten die Partij zijn.
  30. Elk lid van de Uitvoerende Raad heeft één vertegenwoordiger in de Uitvoerende Raad, die kan worden vergezeld van plaatsvervangers en adviseurs.
  31. Elk lid van de Uitvoerende Raad blijft in functie vanaf het einde van de vergadering van de Conferentie gedurende welke het genoemde lid is gekozen tot aan het einde van de tweede gewone jaarlijkse vergadering van de Conferentie daarop volgend, behalve dat bij de eerste verkiezing van de Uitvoerende Raad, 26 leden worden gekozen die in functie blijven tot het einde van de derde gewone vergadering van de Conferentie, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met de vastgestelde getalsverhoudingen zoals omschreven in het achtentwintigste lid.
  32. De Uitvoerende Raad stelt zijn procedureregels vast en legt deze ter goedkeuring voor aan de Conferentie.
  33. De Uitvoerende Raad kiest zijn Voorzitter uit zijn leden.
  34. De Uitvoerende Raad komt in gewone vergaderingen bijeen. Tussen de gewone vergaderingen in komt de Raad zo vaak bijeen als nodig is voor de uitoefening van zijn bevoegdheden en taken.
  35. Elk lid van de Uitvoerende Raad heeft één stem.
  36. Inzake aangelegenheden van procedurele aard neemt de Uitvoerende Raad besluiten bij meerderheid van al zijn leden. Inzake aangelegenheden van inhoudelijke aard neemt de Raad besluiten met een meerderheid van twee derde van al zijn leden, tenzij in dit Verdrag anders is bepaald. Wanneer de vraag rijst of een aangelegenheid al dan niet van inhoudelijke aard is, wordt die zaak behandeld als een aangelegenheid van inhoudelijke aard, tenzij anders wordt beslist met de meerderheid vereist voor besluiten inzake aangelegenheden van inhoudelijke aard.
  Bevoegdheden en taken.
  37. De Uitvoerende Raad is het uitvoerend orgaan van de Organisatie. De Raad is verantwoording verschuldigd aan de Conferentie. De Raad oefent de bevoegdheden en taken uit die hem uit hoofde van dit Verdrag zijn opgedragen. Hierbij handelt de Raad in overeenstemming met de aanbevelingen, besluiten en richtlijnen van de Conferentie en ziet hij erop toe dat de goede en voortdurende toepassing daarvan plaatsvindt.
  38. De uitvoerende Raad.
  a) Bevordert de effectieve toepassing en naleving van dit Verdrag;
  b) Houdt toezicht op de werkzaamheden van het Technisch Secretariaat;
  c) Doet de nodige aanbevelingen aan de Conferentie ter bestudering van verdere voorstellen ter bevordering van het voorwerp en doel van dit Verdrag;
  d) Werkt samen met de Nationale Autoriteit van elke Staat die Partij is;
  e) Bestudeert en legt aan de Conferentie voor het ontwerp van het jaarlijkse programma en de begroting van de Organisatie, het ontwerp-rapport van de Organisatie inzake de uitvoering van dit Verdrag, het rapport inzake de resultaten van zijn eigen activiteiten alsmede van alle overige rapporten die de Uitvoerende Raad nodig acht of waartoe de Conferentie verzoekt;
  f) Treft regelingen voor de vergaderingen van de Conferentie, met inbegrip van de opstelling van de ontwerp-agenda;
  g) Bestudeert voorstellen tot wijziging betreffende administratieve of technische aangelegenheden, van het Protocol of van de Bijlagen daarbij, overeenkomstig artikel VII, en doet aanbevelingen voor de Staten die Partij zijn met betrekking tot de aanneming hiervan;
  h) Sluit overeenkomsten of treft regelingen, na voorafgaande goedkeuring door de Conferentie, met de Staten die Partij zijn, andere staten en internationale organisaties namens de Organisatie, en houdt toezicht op de toepassing daarvan, met uitzondering van overeenkomsten of regelingen genoemd in letter i;
  i) Draagt zorg voor de goedkeuring van en het toezicht op de werking van overeenkomsten of regelingen met de Staten die Partij zijn en andere staten met betrekking tot de uitvoering van verificatie-activiteiten; en
  j) Draagt zorg voor de goedkeuring van nieuwe handleidingen en wijzigingen van bestaande handleidingen die eventueel worden voorgesteld door het Technisch Secretariaat.
  39. De Uitvoerende Raad kan om een buitengewone vergadering van de Conferentie verzoeken.
  40. De Uitvoerende Raad :
  a) Vergemakkelijkt de samenwerking tussen de Staten die Partij zijn onderling en tussen de Staten die Partij zijn en het Technisch Secretariaat, met betrekking tot de toepassing van dit Verdrag, door middel van uitwisselingen van informatie;
  b) Bevordert overleg en opheldering tussen de Staten die Partij zijn onderling overeenkomstig artikel IV; en
  c) Ontvangt, bestudeert en onderneemt actie op verzoeken inzake en rapporten over inspecties ter plaatse, overeenkomstig artikel IV.
  41. De Uitvoerende Raad bestudeert elke uiting van bezorgdheid van een Staat die Partij is omtrent een mogelijke niet-naleving van dit Verdrag en misbruik van de door dit Verdrag in het leven geroepen rechten. Hierbij pleegt de Uitvoerende Raad overleg met de betrokken Staten die Partij zijn en, waar nodig, verzoekt hij een Staat die Partij is maatregelen te treffen om de situatie binnen een aangegeven tijd te herstellen. Voor zover de Uitvoerende Raad verdere maatregelen nodig acht, neemt hij, onder andere, een of meer van de volgende maatregelen :
  a) hij brengt het onderwerp of de aangelegenheid ter kennis van alle Staten die Partij zijn;
  b) hij brengt het onderwerp of de aangelegenheid onder de aandacht van de Conferentie;
  c) hij doet de Conferentie aanbevelingen of, onderneemt waar nodig, actie, betreffende maatregelen om de situatie te herstellen en naleving te waarborgen in overeenstemming met artikel V.
  D. Het Technisch Secretariaat.
  42. Het Technisch Secretariaat staat de Staten die Partij zijn bij in de toepassing van dit Verdrag. Het Technisch Secretariaat staat de Conferentie en de Uitvoerende Raad bij in de uitoefening van hun taken. Het Technisch Secretariaat draagt zorg voor de hem ingevolge dit Verdrag opgedragen verificaties en andere taken, alsook de taken die door de Conferentie of de Uitvoerende Raad in overeenstemming met dit Verdrag aan hem zijn overgedragen. Het Technisch Secretariaat omvat, als een integrerend deel, het Internationaal Datacentrum.
  43. De taken van het Technisch Secretariaat met betrekking tot de controle op de naleving van dit Verdrag, omvatten, ingevolge artikel IV en het Protocol, onder andere :
  a) Het verantwoordelijk zijn voor het toezicht op en de coördinatie van de werking van het Internationaal Toezichtsysteem;
  b) Het exploiteren van het Internationaal Datacentrum;
  c) Het routinematig ontvangen, verwerken, analyseren en rapporteren van gegevens van het Internationaal Toezichtsysteem;
  d) Het bieden van technische bijstand aan, en ondersteuning van, de installatie en exploitatie van controlestations;
  e) Het bijstaan van de Uitvoerende Raad bij het vergemakkelijken van overleg en opheldering tussen Staten die Partij zijn onderling;
  f) Het ontvangen van verzoeken voor inspecties ter plaatse en deze verwerken, het vergemakkelijken van de bestudering van deze verzoeken door de Uitvoerende Raad, het treffen van voorbereidingen voor en het leveren van technische ondersteuning tijdens de uitvoering van inspecties ter plaatse, en het uitbrengen van verslagen aan de Uitvoerende Raad;
  g) Het voeren van onderhandelingen over overeenkomsten of regelingen met de Staten die Partij zijn, overige staten en internationale organisaties en het sluiten cq treffen, na voorafgaande goedkeuring door de Uitvoerende Raad, van dergelijke overeenkomsten of regelingen die betrekking hebben op verificatie-activiteiten met de Staten die Partij zijn of andere staten; en
  h) Het bijstaan van de Staten die Partij zijn, via hun nationale autoriteiten, bij andere verificatiekwesties uit hoofde van dit Verdrag.
  44. Behoudens goedkeuring door de Uitvoerende Raad, ontwikkelt en onderhoudt het Technisch Secretariaat exploitatiehandleidingen om richting te geven aan de uitvoering van de diverse onderdelen van het verificatiestelsel, in overeenstemming met artikel IV en met het Protocol. Deze handleidingen vormen geen integrerend deel van dit Verdrag of het Protocol en kunnen, behoudens goedkeuring door de Uitvoerende Raad, door het Technisch Secretariaat worden gewijzigd. Het Technisch Secretariaat stelt onverwijld de Staten die Partij zijn in kennis van veranderingen in de exploitatiehandleidingen.
  45. De taken van het Technisch Secretariaat betreffende administratieve aangelegenheden omvatten :
  a) Het opstellen en aan de Uitvoerende Raad voorleggen van het ontwerp-programma en de ontwerp-begroting van de Organisatie;
  b) Het opstellen en aan de Uitvoerende Raad voorleggen van het ontwerp-rapport van de Organisatie betreffende de uitvoering van dit Verdrag en de andere rapporten waar de Conferentie of de Uitvoerende raad om verzoekt;
  c) Het bieden van administratieve en technische ondersteuning aan de Conferentie, de Uitvoerende Raad en aan andere subsidiaire organen;
  d) Het verzenden en ontvangen van mededelingen namens de Organisatie betreffende de toepassing van dit Verdrag; en
  e) Het uitvoeren van de administratieve taken betreffende overeenkomsten tussen de Organisatie en andere internationale organisaties.
  46. Alle verzoeken en kennisgevingen door Staten die Partij zijn aan de Organisatie worden via hun nationale autoriteiten doorgezonden naar de Directeur-Generaal. Verzoeken en kennisgevingen worden gesteld in één van de officiële talen van dit Verdrag. In het antwoord gebruikt de Directeur-Generaal de taal waarin het verzoek of de kennisgeving is gesteld.
  47. Ten aanzien van de taken van het Technisch Secretariaat inzake het opstellen en voorleggen aan de Uitvoerende Raad van het ontwerp-programma en de ontwerp-begroting van de Organisatie, stelt het Technisch Secretariaat een duidelijke boekhouding vast en houdt deze bij, voor alle kosten betreffende elke inrichting die als onderdeel van het Internationaal Toezichtsysteem wordt gecreëerd. Aan alle andere werkzaamheden van de Organisatie wordt een gelijksoortige behandeling toegekend als die welke geldt ten aanzien van het ontwerp-programma en de ontwerp-begroting.
  48. Het Technisch Secretariaat stelt de Uitvoerende Raad onverwijld in kennis van eventuele problemen die zich voordoen bij de vervulling van zijn taken en die hem ter kennis zijn gekomen tijdens de uitvoering van zijn activiteiten, en die het niet heeft kunnen oplossen door middel van overleg met de desbetreffende Staat die Partij is.
  49. Het Technisch Secretariaat bestaat uit een Directeur-Generaal, die het hoofd en de hoogste bestuursfunctionaris is, en het vereiste wetenschappelijke, technische en overige personeel. De Directeur-Generaal wordt op aanbeveling van de Uitvoerende Raad door de Conferentie benoemd voor een termijn van vier jaar; deze termijn kan slechts eenmaal worden verlengd. De eerste Directeur-Generaal wordt op aanbeveling van de Voorbereidende Commissie benoemd door de Conferentie tijdens de Eerste Vergadering.
  50. De Directeur-Generaal is verantwoording verschuldigd tegenover de Conferentie en de Uitvoerende Raad voor de aanstelling van het personeel en voor de organisatie en het functioneren van het Technisch Secretariaat. De belangrijkste overweging bij de werving van personeel en bij de vaststelling van de arbeidsvoorwaarden is de noodzaak te waarborgen dat aan de hoogste normen voor professionele expertise, ervaring, efficiëntie, bekwaamheid en integriteit wordt voldaan. Alleen onderdanen van Staten die Partij zijn kunnen een functie bekleden als Directeur-Generaal, inspecteur of lid van het technische/wetenschappelijke en administratieve personeel. Er dient naar behoren aandacht te worden besteed aan het belang van een zo ruim mogelijke geografische spreiding bij de werving van personeel. Het leidende beginsel bij de werving van personeel is het principe dat het personeelsbestand dient te worden beperkt tot het minimum dat noodzakelijk is voor de goede uitvoering van de taken van het Technisch Secretariaat.
  51. De Directeur-Generaal kan, waar nodig, na overleg met de Uitvoerende Raad, tijdelijke werkgroepen instellen bestaande uit wetenschappelijke deskundigen die aanbevelingen over specifieke kwesties kunnen uitbrengen.
  52. Bij de uitoefening van hun taken vragen noch ontvangen de Directeur-Generaal, de inspecteurs, de inspectie-assistenten en de personeelsleden instructies van een Regering of van andere instanties buiten de Organisatie. Zij onthouden zich van elk optreden dat afbreuk zou kunnen doen aan hun positie als internationale ambtenaren die alleen verantwoording verschuldigd zijn aan de Organisatie. De Directeur-Generaal is verantwoordelijk voor de activiteiten van een inspectieteam.
  53. Elke Staat die Partij is eerbiedigt de uitsluitend internationale aard van de verantwoordelijkheden van de Directeur-Generaal, de inspecteurs, de inspectie-assistenten en de personeelsleden en zal niet trachten hen te beïnvloeden bij de uitoefening van hun taken.
  E. Voorrechten en immuniteiten.
  54. De Organisatie geniet op het grondgebied en op alle andere plaatsen die onder de rechtsmacht of het toezicht van een Staat die Partij is vallen de rechtsbevoegdheid en de voorrechten en immuniteiten die vereist zijn voor de uitoefening van haar taken.
  55. De afgevaardigden van Staten die Partij zijn, alsmede hun plaatsvervangers en adviseurs, de vertegenwoordigers van leden van de Uitvoerende Raad, alsmede hun plaatsvervangers en hun adviseurs, de Directeur-Generaal, de inspecteurs, de inspectie-assistenten en de personeelsleden van de Organisatie genieten de voorrechten en immuniteiten die vereist zijn voor de onafhankelijke uitoefening van hun taken in verband met de Organisatie.
  56. De in dit artikel bedoelde rechtsbevoegdheid, de voorrechten en de immuniteiten worden omschreven in overeenkomsten tussen de Organisatie en de Staten die Partij zijn alsmede in een overeenkomst tussen de Organisatie en de Staat waar de Organisatie haar zetelt heeft. Genoemde overeenkomsten worden overeenkomstig lid 26, letters h en i, bestudeerd en goedgekeurd.
  57. Onverminderd het bepaalde in het vierenvijftigste en vijfenvijftigste lid, genieten de Directeur-Generaal, de inspecteurs, de inspectie-assistenten en de personeelsleden van het Technisch Secretariaat bij het verrichten van verificatie-activiteiten de voorrechten en immuniteiten die zijn vervat in het Protocol.
Art. 2. L'Organisation.
  A. Dispositions générales.
  1. Les Etats parties établissent par les présentes l'Organisation du Traité d'interdiction complète des essais nucléaires (ci-après dénommée " l'Organisation "), afin de réaliser l'objet et le but du Traité, d'assurer l'application de ses dispositions, y compris celles qui s'appliquent à la vérification internationale du respect du Traité, et de ménager un cadre dans lequel ils puissent se consulter et coopérer entre eux.
  2. Tous les Etats parties sont membres de l'Organisation. Un Etat partie ne peut être privé de sa qualité de membre de l'Organisation.
  3. L'Organisation a son siège à Vienne (République d'Autriche).
  4. Sont créés par les présentes la Conférence des Etats parties, le Conseil exécutif et le secrétariat technique, lequel comprend le Centre international de données, qui constituent les organes de l'Organisation.
  5. Chaque Etat partie coopère avec l'Organisation dans l'accomplissement de ses fonctions, conformément au présent Traité. Les Etats parties tiennent des consultations directement entre eux ou par l'intermédiaire de l'Organisation ou encore suivant d'autres procédures internationales appropriées, notamment des procédures établies dans le cadre de l'Organisation des Nations unies et conformément à la Charte des Nations unies, sur toute question qui serait soulevée touchant l'objet et le but du Traité ou l'exécution de ses dispositions.
  6. L'Organisation exécute les activités de vérification prévues par le présent Traité de la manière la moins intensive possible, compatible avec l'accomplissement de leurs objectifs dans les délais et avec l'efficacité voulus. Elle ne demande que les informations et les données qui lui sont nécessaires pour s'acquitter des responsabilités qui lui sont confiées par le Traité. Elle prend toutes les précautions qui s'imposent pour protéger la confidentialité des informations relatives à des activités et des installations civiles et militaires dont elle a connaissance dans le cadre de l'application du Traité et, en particulier, elle se conforme aux dispositions de celui-ci touchant la confidentialité.
  7. Chaque Etat partie traite d'une façon confidentielle et particulière les informations et les données qu'il reçoit confidentiellement de l'Organisation concernant l'application du présent Traité. Il traite ces informations et ces données exclusivement dans le cadre des droits et obligations qui sont les siens aux termes du Traité.
  8. L'Organisation, en tant qu'entité indépendante, s'efforce d'utiliser selon qu'il convient les compétences techniques et les installations existantes et de maximiser le rapport coût-efficacité en prenant des arrangements de coopération avec d'autres organisations internationales telles que l'Agence internationale de l'énergie atomique. Les arrangements pris à cet effet, excepté les arrangements courants d'importance secondaire qui sont de nature purement commerciale ou contractuelle, doivent être stipulés dans des accords qui sont ensuite soumis à la Conférence des Etats parties pour approbation.
  9. Les coûts des activités de l'Organisation sont couverts annuellement par les Etats parties selon le barème des quotes-parts de l'Organisation des Nations unies, ajusté compte tenu des différences entre le nombre des Etats membres de l'Organisation des Nations unies et celui des Etats membres de l'Organisation.
  10. Les contributions financières des Etats parties à la Commission préparatoire sont déduites d'une manière appropriée de leurs contributions au budget ordinaire.
  11. Un membre de l'Organisation en retard dans le paiement de sa contribution aux dépenses de celle-ci ne peut pas participer au vote à l'Organisation si le montant de ses arriérés est égal ou supérieur à la contribution due par lui pour les deux années complètes écoulées. La Conférence des Etats parties peut néanmoins autoriser ce membre à voter si elle constate que le manquement est dû à des circonstances indépendantes de sa volonté.
  B. Conférence des Etats parties.
  Composition, procédure et prise de décisions.
  12. La Conférence des Etats parties (ci-après dénommée " la Conférence ") se compose de tous les Etats parties. Chaque Etat partie a un représentant à la Conférence, qui peut être accompagné de suppléants et de conseillers.
  13. La session initiale de la Conférence est convoquée par le dépositaire au plus tard 30 jours après l'entrée en vigueur du présent Traité.
  14. La Conférence tient des sessions ordinaires, qui ont lieu chaque année, à moins qu'elle n'en décide autrement.
  15. Une session extraordinaire de la Conférence est convoquée :
  a) Sur décision de la Conférence;
  b) A la demande du Conseil exécutif; ou
  c) A la demande de tout Etat partie appuyée par la majorité des Etats parties.
  La session extraordinaire est convoquée dans les 30 jours qui suivent la décision de la Conférence, la demande du Conseil exécutif ou l'obtention de l'appui requis, sauf indication contraire figurant dans la décision ou la demande.
  16. La Conférence peut aussi se réunir en conférence d'amendement, conformément à l'article VII.
  17. La Conférence peut aussi se réunir en conférence d'examen, conformément à l'article VIII.
  18. Les sessions de la Conférence ont lieu au siège de l'Organisation, à moins que la Conférence n'en décide autrement.
  19. La Conférence adopte son règlement intérieur. Au début de chaque session, elle élit son président et d'autres membres du bureau en tant que de besoin. Les membres du bureau exercent leurs fonctions jusqu'à ce qu'un nouveau président et d'autres membres soient élus, lors de la session suivante.
  20. Le quorum pour la Conférence est constitué par la majorité des Etats parties.
  21. Chaque Etat partie dispose d'une voix.
  22. La Conférence prend les décisions relatives aux questions de procédure à la majorité des membres présents et votants. Les décisions relatives aux questions de fond doivent être prises autant que possible par consensus. S'il ne se dégage aucun consensus lorsqu'il faut se prononcer sur une telle question, le président ajourne le vote pendant 24 heures, ne ménage aucun effort entre-temps pour faciliter l'obtention du consensus et fait rapport à la Conférence avant l'expiration du délai d'ajournement. S'il n'est pas possible d'arriver au consensus au terme de ces 24 heures, la Conférence prend la décision à la majorité des deux tiers des membres présents et votants, à moins que le présent Traité n'en dispose autrement. En cas de doute sur le point de savoir s'il s'agit ou non d'une question de fond, la question visée est traitée comme une question de fond, à moins qu'il n'en soit décidé autrement à la majorité requise pour les décisions sur les questions de fond.
  23. Dans l'exercice des fonctions qui lui sont attribuées en vertu du paragraphe 26, alinéa k), la Conférence décide de l'inscription du nom de tout Etat sur la liste qui figure à l'Annexe 1 du présent Traité suivant la procédure énoncée au paragraphe 22 pour la prise de décisions sur les questions de fond. Nonobstant les dispositions du paragraphe 22, la Conférence décide par consensus de toute autre modification à apporter à l'Annexe 1 du Traité.
  Pouvoirs et fonctions.
  24. La Conférence est le principal organe de l'Organisation. Elle examine, conformément au présent Traité, tous points, toutes questions et tous problèmes entrant dans le champ d'application du Traité, y compris ceux qui ont trait aux pouvoirs et fonctions du Conseil exécutif et du secrétariat technique. Elle peut faire des recommandations et se prononcer sur tous points, toutes questions et tous problèmes entrant dans le champ d'application du Traité qui seraient soulevés par un Etat partie ou portés à son attention par le Conseil exécutif.
  25. La Conférence supervise l'application du présent Traité, fait le point de la situation en ce qui concerne le respect de ses dispositions et oeuvre à la réalisation de son objet et de son but. En outre, elle supervise les activités du Conseil exécutif et du secrétariat technique et peut adresser des directives à l'un ou l'autre de ces organes dans l'accomplissement de leurs fonctions.
  26. La Conférence :
  a) Examine et adopte le rapport de l'Organisation sur l'application du présent Traité ainsi que le budget-programme annuel de l'Organisation, que lui présente le Conseil exécutif, et examine d'autres rapports;
  b) Décide du barème des quotes-parts revenant aux Etats parties conformément au paragraphe 9;
  c) Elit les membres du Conseil exécutif;
  d) Nomme le directeur général du secrétariat technique (ci-après dénommé le " directeur général ");
  e) Examine et approuve le règlement intérieur du Conseil exécutif que lui présente ce dernier;
  f) Examine et passe en revue les innovations scientifiques et techniques qui pourraient avoir des répercussions sur le fonctionnement du présent Traité. Dans ce contexte, la Conférence peut charger le directeur général de créer un conseil scientifique consultatif qui permette à celui-ci, dans l'exercice de ses fonctions, de fournir à la Conférence, au Conseil exécutif ou aux Etats parties des avis spécialisés dans des domaines scientifiques et techniques ayant un rapport avec le Traité. Le conseil scientifique consultatif ainsi créé est composé d'experts indépendants siégeant à titre personnel et désignés conformément au mandat donné par la Conférence, sur la base de leurs compétences et de leur expérience dans les domaines scientifiques particuliers ayant un rapport avec l'application du Traité;
  g) Prend les mesures nécessaires pour assurer le respect du présent Traité et pour redresser et corriger toute situation qui contreviendrait aux dispositions de l'instrument, conformément à l'article V;
  h) Examine et approuve à sa session initiale tous projets d'accord, d'arrangement, de disposition, de procédure, de manuel opérationnel ou de directive ainsi que tous autres documents élaborés et recommandés par la Commission préparatoire;
  i) Examine et approuve les accords ou arrangements que le secrétariat technique négocie avec des Etats parties, d'autres Etats et des organisations internationales et que le Conseil exécutif est appelé à conclure ou à prendre au nom de l'Organisation conformément au paragraphe 38, alinéa h);
  j) Etablit les organes subsidiaires qu'elle juge nécessaires à l'accomplissement des fonctions qui lui sont attribuées par le présent Traité;
  k) Met à jour l'Annexe 1 du présent Traité selon les besoins, conformément au paragraphe 23.
  C. Le Conseil Exécutif.
  Composition, procédure et prise de décisions.
  27. Le Conseil exécutif se compose de 51 membres. Chaque Etat partie a le droit, conformément aux dispositions du présent article, de siéger au Conseil.
  28. Compte tenu de la nécessité d'une répartition géographique équitable des sièges, le Conseil exécutif comprend :
  a) Dix Etats parties d'Afrique;
  b) Sept Etats parties d'Europe orientale;
  c) Neuf Etats parties d'Amérique latine et des Caraïbes;
  d) Sept Etats parties du Moyen-Orient et d'Asie du Sud;
  e) Dix Etats parties d'Amérique du Nord et d'Europe occidentale;
  f) Huit Etats parties d'Asie du Sud-Est, du Pacifique et d'Extrême-Orient.
  Tous les Etats des régions géographiques susmentionnées sont énumérés dans l'Annexe 1 du présent Traité. L'Annexe 1 est mise à jour par la Conférence selon les besoins, conformément au paragraphe 23 et au paragraphe 26, alinéa k). Il ne peut pas lui être apporté d'amendements ou de modifications suivant les procédures énoncées à l'article VII.
  29. Les membres du Conseil exécutif sont élus par la Conférence. Pour cela, chaque groupe régional désigne des Etats parties de la région considérée aux fins de leur élection au Conseil, comme suit :
  a) Au moins un tiers des sièges attribués à chaque région géographique sont pourvus, compte tenu des intérêts politiques et de sécurité, par des Etats parties de la région considérée qui sont désignés sur la base des capacités nucléaires ayant un rapport avec le Traité telles qu'elles sont déterminées par les données internationales ainsi que de l'ensemble ou d'un quelconque des critères indicatifs ci-après, dans l'ordre de priorité que fixe chaque groupe régional :
  (i) Le nombre d'installations de surveillance du Système de surveillance international;
  (ii) Les compétences et l'expérience dans les domaines que recouvrent les techniques de surveillance;
  (iii) La contribution au budget annuel de l'Organisation;
  b) L'un des sièges attribués à chaque région géographique est pourvu suivant le principe de la rotation par l'Etat partie qui, selon l'ordre alphabétique anglais, vient en tête parmi les Etats parties de la région considérée qui n'ont pas siégé au Conseil exécutif pendant le plus grand nombre d'années à compter de la date d'expiration de leur dernier mandat ou, à défaut, à compter de la date à laquelle ils sont devenus parties. L'Etat partie désigné sur cette base peut décider de passer son tour, auquel cas il remet au Directeur général une lettre de renonciation; est alors désigné l'Etat partie qui occupe le deuxième rang, établi suivant les dispositions du présent alinéa;
  c) Le reste des sièges attribués à chaque région géographique sont pourvus par des Etats parties désignés parmi tous ceux de la région considérée, suivant le principe de la rotation ou par des élections.
  30. Chaque membre du Conseil exécutif a un représentant à cet organe, qui peut être accompagné de suppléants et de conseillers.
  31. Chaque membre du Conseil exécutif exerce ses fonctions de la fin de la session de la Conférence à laquelle il est élu à la fin de la deuxième session annuelle ordinaire que la Conférence tient par la suite, si ce n'est que, lors de la première élection du Conseil, 26 Etats parties seront élus qui exerceront leurs fonctions jusqu'à la fin de la troisième session annuelle ordinaire de la Conférence, compte dûment tenu des proportions numériques énoncées au paragraphe 28.
  32. Le Conseil exécutif élabore son règlement intérieur et le soumet à l'approbation de la Conférence.
  33. Le Conseil exécutif élit son président parmi ses membres.
  34. Le Conseil exécutif tient des sessions ordinaires. Entre les sessions ordinaires, il se réunit aussi souvent que l'exige l'exercice de ses pouvoirs et fonctions.
  35. Chaque membre du Conseil exécutif dispose d'une voix.
  36. Le Conseil exécutif prend les décisions relatives aux questions de procédure à la majorité de l'ensemble de ses membres. Il prend les décisions sur les questions de fond à la majorité des deux tiers de l'ensemble de ses membres, sauf disposition contraire du présent Traité. En cas de doute sur le point de savoir s'il s'agit ou non d'une question de fond, la question visée est traitée comme une question de fond, à moins qu'il n'en soit décidé autrement à la majorité requise pour les décisions sur les questions de fond.
  37. Le Conseil exécutif est l'organe exécutif de l'Organisation. Il relève de la Conférence. Il exerce les pouvoirs et fonctions qui lui sont conférés par le présent Traité. Ce faisant, il agit en conformité avec les recommandations, les décisions et les directives de la Conférence et veille à ce qu'elles soient appliquées comme il se doit et de manière suivie.
  38. Le Conseil exécutif :
  a) OEuvre à l'application effective et au respect des dispositions du présent Traité;
  b) Supervise les activités du Secrétariat technique;
  c) Fait à la Conférence des recommandations, selon que de besoin, relatives à l'examen de nouvelles propositions visant à la réalisation de l'objet et du but du Traité;
  d) Coopère avec l'autorité nationale de chaque Etat partie;
  e) Examine et présente à la Conférence le projet de budget-programme annuel de l'Organisation, le projet de rapport de l'Organisation sur l'application du Traité, le rapport sur l'exécution de ses propres activités et les autres rapports qu'il juge nécessaires ou que la Conférence demanderait;
  f) Prend les dispositions nécessaires pour l'organisation des sessions de la Conférence et notamment pour l'établissement du projet d'ordre du jour;
  g) Examine des propositions tendant à apporter des modifications d'ordre administratif ou technique au Protocole ou à ses Annexes, en application de l'article VII, et fait aux Etats parties des recommandations concernant leur adoption;
  h) Conclut au nom de l'Organisation, sous réserve de l'approbation préalable de la Conférence, les accords ou arrangements avec les Etats parties, les autres Etats et les organisations internationales, hormis ceux qui sont visés à l'alinéa i), et supervise leur application;
  i) Approuve les accords ou les arrangements avec les Etats parties et les autres Etats concernant l'exécution des activités de vérification et supervise leur fonctionnement;
  j) Approuve tous nouveaux manuels opérationnels que proposerait le Secrétariat technique et toutes modifications que celui-ci suggérerait d'apporter aux manuels opérationnels existants.
  39. Le Conseil exécutif peut demander la tenue d'une session extraordinaire de la Conférence.
  40. Le Conseil exécutif :
  a) Facilite, par des échanges d'informations, la coopération entre les Etats parties, et entre les Etats parties et le Secrétariat technique, concernant l'application du présent Traité;
  b) Facilite la consultation et la clarification entre les Etats parties conformément à l'article IV;
  c) Recoit et examine les demandes d'inspection sur place ainsi que les rapports d'inspection et arrête son action au sujet des premières et des seconds, conformément à l'article IV.
  41. Le Conseil exécutif examine tout motif de préoccupation d'un Etat partie concernant l'inexécution possible du présent Traité et l'usage abusif des droits établis par celui-ci. Pour ce faire, il consulte les Etats parties impliqués et, selon qu'il convient, demande à un Etat partie de prendre des mesures pour redresser la situation dans des délais fixés. Pour autant que le Conseil exécutif juge nécessaire de poursuivre l'affaire, il prend notamment une ou plusieurs des mesures suivantes :
  a) Il informe tous les Etats parties du problème ou de la question;
  b) Il porte le problème ou la question à l'attention de la Conférence;
  c) Il fait à la Conférence des recommandations ou prend une décision, selon qu'il convient, touchant des mesures pour redresser la situation et assurer le respect des dispositions du Traité conformément à l'article V.
  D. Le Secrétariat technique.
  42. Le Secrétariat technique aide les Etats parties à appliquer le présent Traité. Il aide la Conférence et le Conseil exécutif dans l'accomplissement de leurs fonctions. Le Secrétariat technique exerce les fonctions de vérification et les autres fonctions qui lui sont attribuées par le Traité ainsi que celles qui lui sont déléguées par la Conférence ou le Conseil exécutif conformément aux dispositions du Traité. Il comprend le Centre international de données, qui en fait partie intégrante.
  43. En ce qui concerne la vérification du respect des dispositions du présent Traité, le Secrétariat technique, conformément à l'article IV et au Protocole, entre autres fonctions :
  a) Est chargé de superviser et de coordonner l'exploitation du Système de surveillance international;
  b) Exploite le Centre international de données;
  c) Recoit, traite et analyse régulièrement les données du Système de surveillance international et fait régulièrement rapport sur ces données;
  d) Fournit une assistance et un appui techniques pour l'installation et l'exploitation de stations de surveillance;
  e) Aide le Conseil exécutif à faciliter la consultation et la clarification entre les Etats parties;
  f) Recoit les demandes d'inspection sur place et les examine, facilite l'examen de ces demandes par le Conseil exécutif, assure la préparation des inspections sur place et fournit un soutien technique pendant qu'elles se déroulent, et fait rapport au Conseil exécutif;
  g) Négocie et, sous réserve de l'approbation préalable du Conseil exécutif, conclut avec les Etats parties, les autres Etats et les organisations internationales des accords ou des arrangements concernant les activités de vérification;
  h) Aide les Etats parties, par l'intermédiaire de leur autorité nationale, relativement à d'autres problèmes que pose la vérification de l'exécution du Traité.
  44. Le Secrétariat technique élabore et tient à jour, sous réserve de l'approbation du Conseil exécutif, des manuels opérationnels concus pour guider l'exploitation des diverses composantes du régime de vérification, conformément à l'article IV et au Protocole. Lesdits manuels ne font pas partie intégrante du Traité ni du Protocole et peuvent être modifiés par le Secrétariat technique, sous réserve de l'approbation du Conseil exécutif. Le Secrétariat technique informe sans retard les Etats parties de tous changements apportés aux manuels opérationnels.
  45. En ce qui concerne les questions d'ordre administratif, le Secrétariat technique, entre autres fonctions :
  a) Etablit et présente au Conseil exécutif le projet de budget-programme de l'Organisation;
  b) Etablit et présente au Conseil exécutif le projet de rapport de l'Organisation sur l'application du Traité et tous autres rapports que la Conférence ou le Conseil exécutif demanderaient;
  c) Fournit un appui administratif et technique à la Conférence, au Conseil exécutif et aux organes subsidiaires;
  d) Adresse et reçoit au nom de l'Organisation des communications portant sur l'application du Traité;
  e) Accomplit les tâches administratives en rapport avec tous accords conclus entre l'Organisation et d'autres organisations internationales.
  46. Toutes les demandes et notifications adressées à l'Organisation par les Etats parties sont envoyées au Directeur général par l'intermédiaire des autorités nationales. Les demandes et notifications doivent être rédigées dans l'une des langues officielles du Traité. La réponse du Directeur général est formulée dans la même langue.
  47. Aux fins de l'établissement du projet de budget-programme de l'Organisation et de la présentation de celui-ci au Conseil exécutif, le Secrétariat technique arrête et tient une comptabilité claire de tous les coûts afférents à chaque installation du Système de surveillance international. Il procède d'une manière analogue pour toutes les autres activités de l'Organisation qui sont reflétées dans le projet de budget-programme.
  48. Le Secrétariat technique informe sans retard le Conseil exécutif de tous problèmes qu'il a pu rencontrer dans l'exercice de ses fonctions qu'il a constatés dans l'exécution de ses activités et qu'il n'a pu lever par des consultations avec l'Etat partie intéressé.
  49. Le Secrétariat technique comprend un directeur général, qui en est le chef et en dirige l'administration, ainsi qu'un personnel scientifique, technique et autre, selon les besoins. Le Directeur général est nommé par la Conférence sur recommandation du Conseil exécutif pour quatre ans; son mandat peut être renouvelé une seule fois. Le premier directeur général est nommé par la Conférence à sa session initiale sur la recommandation de la Commission préparatoire.
  50. Le Directeur général est chargé de la nomination des membres du personnel ainsi que de l'organisation et du fonctionnement du Secrétariat technique, et en répond auprès de la Conférence et du Conseil exécutif. La considération dominante dans le recrutement et la définition des conditions d'emploi du personnel est la nécessité d'assurer les plus hautes qualités de connaissance professionnelle, d'expérience, d'efficacité, de compétence et d'intégrité. Seuls des nationaux des Etats parties peuvent être nommés directeur général ou engagés comme inspecteurs, cadres ou employés d'administration. Est dûment prise en considération l'importance d'un recrutement effectué sur une base géographique aussi large que possible. Aux fins du recrutement, il est tenu compte du principe suivant lequel les effectifs doivent être maintenus au minimum nécessaire pour que le Secrétariat technique puisse s'acquitter convenablement de ses responsabilités.
  51. Le Directeur général peut, après consultation du Conseil exécutif, établir à titre temporaire et selon que de besoin des groupes de travail d'experts scientifiques pour faire des recommandations concernant des problèmes particuliers.
  52. Dans l'exercice de leurs fonctions, le Directeur général, les inspecteurs, les assistants d'inspection et les membres du personnel ne sollicitent ni ne reçoivent d'instructions d'aucun gouvernement ni d'aucune autre entité extérieure à l'Organisation. Ils s'abstiennent de tout acte qui pourrait nuire à leur statut de fonctionnaires internationaux relevant uniquement de l'Organisation. Le Directeur général assume la responsabilité des activités d'une équipe d'inspection.
  53. Chaque Etat partie respecte le caractère exclusivement international des responsabilités confiées au Directeur général, aux inspecteurs, aux assistants d'inspection et aux membres du personnel et ne cherche pas à les influencer dans l'accomplissement de leurs fonctions.
  E. Privilèges et immunités.
  54. L'Organisation jouit, sur le territoire et en tout autre lieu placé sous la juridiction ou le contrôle d'un Etat partie, de la capacité juridique et des privilèges et immunités qui lui sont nécessaires pour exercer ses fonctions.
  55. Les représentants des Etats parties ainsi que leurs suppléants et conseillers, les représentants des membres élus au Conseil exécutif ainsi que leurs suppléants et conseillers, le Directeur général, les inspecteurs, les assistants d'inspection et les membres du personnel de l'Organisation jouissent des privilèges et immunités qui leur sont nécessaires pour exercer en toute indépendance leurs fonctions en rapport avec l'Organisation.
  56. La capacité juridique et les privilèges et immunités mentionnés dans le présent article sont définis dans des accords entre l'Organisation et les Etats parties ainsi que dans un accord entre l'Organisation et le pays dans lequel est situé le siège de l'Organisation. Ces accords sont examinés et approuvés conformément au paragraphe 26, alinéas h) et i).
  57. Nonobstant les paragraphes 54 et 55, le Directeur général, les inspecteurs, les assistants d'inspection et les membres du personnel du Secrétariat technique jouissent, durant l'exécution des activités de vérification, des privilèges et immunités énoncés dans le Protocole.
Art. 3. Nationale uitvoeringsmaatregelen.
  1. Elke Staat die Partij is neemt, overeenkomstig zijn constitutionele procedures, de nodige maatregelen ter nakoming van de ingevolge dit Verdrag door hem aangegane verplichtingen. In het bijzonder neemt elke Staat de nodige maatregelen teneinde :
  a) Natuurlijke personen en rechtspersonen waar ook op zijn grondgebied of op een andere plaats die ingevolge het internationale recht onder zijn rechtsmacht valt, te verbieden activiteiten te ondernemen die uit hoofde van dit Verdrag voor een Staat die Partij is verboden zijn;
  b) Natuurlijke personen en rechtspersonen te verbieden dergelijke activiteiten te ondernemen op plaatsen onder zijn toezicht; en
  c) Natuurlijke personen die zijn nationaliteit bezitten, overeenkomstig het internationale recht, te verbieden waar ook dergelijke activiteiten te ondernemen.
  2. Elke Staat die Partij is werkt samen met andere Staten die Partij zijn en biedt de passende vorm van rechtshulp ter vergemakkelijking van de nakoming van de in het eerste lid genoemde verplichtingen.
  3. Elke Staat die Partij is brengt de Organisatie op de hoogte van de ingevolge dit artikel getroffen maatregelen.
  4. Teneinde zijn verplichtingen uit hoofde van dit Verdrag na te komen, wijst elke Staat die Partij is een Nationale Autoriteit aan, of stelt deze in, en doet hiervan bij de inwerkingtreding van het Verdrag voor hem, mededeling aan de Organisatie. De Nationale Autoriteit fungeert als het nationale centrum voor het contact met de Organisatie en met de andere Staten die Partij zijn.
Art. 3. Mesures d'application nationales.
  1. Chaque Etat partie prend, conformément aux procédures prévues par sa Constitution, toutes mesures requises pour s'acquitter des obligations qu'il a contractées en vertu du présent Traité. En particulier, il fait le nécessaire :
  a) Pour interdire aux personnes physiques et morales se trouvant en quelque lieu de son territoire ou en tout autre lieu placé sous sa juridiction telle qu'elle est reconnue par le droit international d'entreprendre quelque activité que ce soit qui est interdite à un Etat partie par le présent Traité;
  b) Pour interdire aux personnes physiques et morales d'entreprendre quelque activité de cette nature en quelque lieu qui soit placé sous son contrôle;
  c) Pour interdire aux personnes physiques possédant sa nationalité, conformément au droit international, d'entreprendre quelque activité de cette nature en quelque lieu que ce soit.
  2. Chaque Etat partie coopère avec les autres Etats parties et procure l'assistance juridique voulue pour faciliter l'exécution des obligations énoncées au paragraphe 1.
  3. Chaque Etat partie informe l'Organisation des mesures qu'il a prises en application du présent article.
  4. Afin de s'acquitter des obligations qu'il a contractées en vertu du Traité, chaque Etat partie désigne ou établit une autorité nationale et en avise l'Organisation au moment où le Traité entre en vigueur à son égard. L'autorité nationale sert de centre national en vue d'assurer la liaison avec l'Organisation et les autres Etats parties.
Art. 4. Verificatie.
  A. Algemene bepalingen.
  1. Teneinde de naleving van dit Verdrag te controleren, wordt een verificatiestelsel in het leven geroepen, dat is opgebouwd uit de volgende elementen :
  a) Een Internationaal Toezichtsysteem;
  b) Overleg en opheldering;
  c) Inspecties ter plaatse; en
  d) Vertrouwenbevorderende maatregelen.
  Bij de inwerkingtreding van dit Verdrag is het verificatiestelsel in staat de ingevolge dit Verdrag vereiste verificatietaken uit te voeren.
  2. De verificatie-activiteiten moeten gebaseerd zijn op objectieve informatie, moeten beperkt blijven tot het onderwerp van dit Verdrag en moeten worden uitgevoerd op basis van de volledige eerbiediging van de soevereiniteit van de Staten die Partij zijn en op de minst indringende wijze mogelijk die verenigbaar is met de doeltreffende en tijdige verwezenlijking van de doelstellingen ervan. Elke Staat die Partij is onthoudt zich van misbruik van het recht op verificatie.
  3. Elke Staat die Partij is verplicht zich ertoe, overeenkomstig dit Verdrag, via de ingevolge artikel III, vierde lid, opgerichte Nationale Autoriteit, samen te werken met de Organisatie en met de andere Staten die Partij zijn ter vergemakkelijking van de verificatie van de naleving van dit Verdrag, onder andere door :
  a) Het creëren van de nodige inrichtingen om te kunnen deelnemen aan genoemde verificatie-activiteiten en het tot stand brengen van de nodige communicatie;
  b) Het aanleveren van gegevens afkomstig van nationale stations die deel uitmaken van het Internationaal Toezichtsysteem;
  c) Het participeren, waar nodig, in de overleg- en ophelderingsprocedures;
  d) Het toestaan van inspecties ter plaatse; en
  e) Het participeren, waar nodig, in de vertrouwenbevorderende maatregelen.
  4. Alle Staten die Partij zijn, ongeacht hun technische en financiële capaciteiten, hebben evenveel recht verificaties te verrichten en zijn in dezelfde mate verplicht verificaties toe te staan.
  5. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt geen enkele Staat die Partij is belet informatie die via nationale technische verificatiemiddelen is verkregen, te gebruiken op een wijze die in overeenstemming is met de algemeen erkende beginselen van internationaal recht, met inbegrip van het beginsel van de eerbiediging van de soevereiniteit van Staten.
  6. Niettegenstaande het recht van de Staten die Partij zijn gevoelige installaties, activiteiten of locaties die geen verband houden met dit Verdrag, te beschermen, mogen Staten die Partij zijn de elementen van het verificatiestelsel van dit Verdrag of de nationale technische verificatiemiddelen die overeenkomstig het vijfde lid worden aangewend, niet hinderen.
  7. Elke Staat die Partij is heeft het recht maatregelen te nemen om de gevoelige installaties te beschermen en de bekendmaking van vertrouwelijke informatie en gegevens die geen betrekking hebben op dit Verdrag, te voorkomen.
  8. Voorts worden alle nodige maatregelen genomen om de vertrouwelijkheid van informatie te beschermen die betrekking heeft op civiele en militaire activiteiten en inrichtingen en die is verkregen gedurende de verificatie-activiteiten.
  9. Onverminderd het bepaalde in het achtste lid, wordt informatie die door de Organisatie wordt verkregen ingevolge het bij dit Verdrag gecreëerde verificatiestelsel beschikbaar gesteld aan alle Staten die Partij zijn overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van dit Verdrag en het Protocol.
  10. De bepalingen van dit Verdrag worden niet zodanig uitgelegd dat daardoor de internationale uitwisseling van gegevens voor wetenschappelijke doeleinden wordt beperkt.
  11. Elke Staat die Partij is verbindt zich ertoe samen te werken met de Organisatie en met de andere Staten die Partij zijn bij de verbetering van het verificatiestelsel, alsmede bij het bestuderen van de verificatiemogelijkheden van aanvullende controletechnieken zoals de detectie van elektromagnetische pulsen of toezicht via satellieten, met het oog op de ontwikkeling van, waar nodig, specifieke maatregelen ter verbetering van de doeltreffendheid en de kosteneffectiviteit van de verificatie ingevolge dit Verdrag. Deze maatregelen worden, wanneer daarover overeenstemming wordt bereikt, opgenomen in de bepalingen van dit Verdrag, het Protocol of als aanvullende afdelingen van het Protocol, in overeenstemming met artikel VII, of worden, indien van toepassing, weergegeven in de handleidingen, overeenkomstig artikel II, vierenveertigste lid.
  12. De Staten die Partij zijn verbinden zich ertoe de onderlinge samenwerking te bevorderen voor de vergemakkelijking van en de deelname aan een zo volledig mogelijke uitwisseling betreffende technologieën die worden gebruikt bij de controle van de naleving van dit Verdrag om alle Staten die Partij zijn in staat te stellen hun nationale uitvoering van verificatiemaatregelen kracht bij te zetten en van de toepassing van deze technologieën gebruik te kunnen maken voor vreedzame doeleinden.
  13. De bepalingen van dit Verdrag worden zodanig toegepast dat hierdoor de economische en technologische ontwikkeling van de Staten die Partij zijn ten behoeve van de verdere ontwikkeling van de toepassing van kernenergie voor vreedzame doeleinden niet wordt gehinderd.
  Verificatietaken van het Technisch Secretariaat.
  14. Bij de uitvoering van de in dit Verdrag en het Protocol genoemde verificatietaken draagt het Technisch Secretariaat, in samenwerking met de Staten die Partij zijn, ten behoeve van dit Verdrag, zorg voor :
  a) Het maken van afspraken voor het ontvangen en verspreiden van gegevens en verslagen betreffende de controle van de toepassing van dit Verdrag, in overeenstemming met de bepalingen hiervan, en voor het onderhouden van een op deze taak toegesneden internationale communicatie-infrastructuur;
  b) Als onderdeel van de reguliere werkzaamheden, via het Internationaal Datacentrum, dat in beginsel het centrum binnen het Technisch Secretariaat is voor de opslag en verwerking van gegevens :
  (i) Het ontvangen en voorleggen van aanvragen voor gegevens uit het Internationaal Toezichtsysteem;
  (ii) Het ontvangen, waar gepast, van gegevens voortkomende uit het overleg- en ophelderingsproces, uit inspecties ter plaatse alsmede uit de vertrouwenbevorderende maatregelen; en
  (iii) Het ontvangen van andere relevante gegevens van Staten die Partij zijn en internationale organisaties overeenkomstig dit Verdrag en het Protocol;
  c) Het superviseren, coördineren en zorg dragen voor de werking van het Internationaal Toezichtsysteem en de samenstellende delen daarvan, en van het Internationaal Datacentrum, in overeenstemming met de desbetreffende handleidingen;
  d) Het routinematig verwerken en analyseren van en verslag uitbrengen over gegevens uit het Internationaal Toezichtsysteem volgens overeengekomen procedures om effectieve internationale controle van de toepassing van dit Verdrag mogelijk te maken en bij te dragen aan het tijdig wegnemen van de zorgen over de naleving van dit Verdrag;
  e) Het beschikbaar stellen van alle gegevens, zowel verwerkt als onverwerkt, en verslagen aan alle Staten die Partij zijn, waarbij elke Staat die Partij is de verantwoordelijkheid draagt voor het gebruik van de gegevens van het Internationaal Toezichtsysteem, in overeenstemming met artikel II, zevende lid, en met het achtste en dertiende lid van dit artikel;
  f) Het geven, op voet van gelijkheid, van een vrije, eenvoudige en tijdige toegang tot alle opgeslagen gegevens;
  g) Het opslaan van alle gegevens, zowel verwerkt als onverwerkt, en verslagen;
  h) Het coördineren en vergemakkelijken van verzoeken tot aanvullende gegevens uit het Internationaal Toezichtsysteem;
  i) Het coördineren van verzoeken tot aanvullende gegevens van de ene Staat die Partij is aan de andere;
  j) Het geven van technische bijstand en ondersteuning bij de installatie en werking van controle-inrichtingen en de overeenkomstige communicatiemiddelen, indien om deze bijstand en ondersteuning wordt verzocht door de desbetreffende Staat;
  k) Het op verzoek beschikbaar stellen aan elke Staat die Partij is van technieken die door het Technisch Secretariaat en het Internationaal Datacentrum worden gebruikt bij het verzamelen, opslaan, verwerken, analyseren en rapporteren van gegevens uit het verificatiestelsel; en
  l) Het controleren, beoordelen en rapporteren van de globale prestaties van het Internationaal Toezichtsysteem en het Internationaal Datacentrum.
  15. De overeengekomen procedures die door het Technisch Secretariaat moeten worden gevolgd bij de uitvoering van zijn verificatietaken zoals genoemd in het veertiende lid en nauwkeurig omschreven in het Protocol, worden uitgewerkt in de desbetreffende handleidingen.
  B. Het Internationaal Toezichtsysteem.
  16. Het Internationaal Toezichtsysteem omvat inrichtingen voor seismologische metingen, voor metingen van radionucliden, met inbegrip van gecertificeerde laboratoria, hydro-akoestische metingen, infra-geluidmetingen en overeenkomstige communicatiemiddelen, en wordt ondersteund door het Internationaal Datacentrum van het Technisch Secretariaat.
  17. Het Internationaal Toezichtsysteem wordt geplaatst onder het gezag van het Technisch Secretariaat. Alle controle-inrichtingen van het Internationaal Toezichtsysteem zijn eigendom van en worden geëxploiteerd door de Staten die als gastheer optreden of, overeenkomstig het Protocol, anderszins verantwoordelijk zijn voor deze inrichtingen.
  18. Elke Staat die Partij is heeft het recht deel te nemen aan de internationale uitwisseling van gegevens en toegang te verkrijgen tot alle aan het Internationaal Datacentrum beschikbaar gestelde gegevens. Elke Staat die Partij is werkt met het Internationaal Datacentrum samen via zijn Nationale Autoriteit.
  Financiering van het Internationaal Toezichtsysteem.
  19. Ten behoeve van de inrichtingen van het Internationaal Toezichtsysteem die zijn aangegeven in de tabellen 1-A, 2-A, 3 en 4 van Bijlage 1 bij het Protocol, en voor de werking hiervan, voor zover deze inrichtingen zijn overeengekomen door de desbetreffende Staat en de Organisatie voor het verstrekken van gegevens aan het Internationaal Datacentrum in overeenstemming met de technische vereisten van het Protocol en de desbetreffende handleidingen, draagt de Organisatie, zoals bepaald in overeenkomsten of regelingen ingevolge het vierde lid van Deel I van het Protocol, de kosten van de volgende activiteiten :
  a) Het creëren van nieuwe inrichtingen en het verbeteren van de bestaande inrichtingen, tenzij de Staat die verantwoordelijk is voor die inrichtingen, deze kosten zelf draagt;
  b) Het exploiteren en onderhouden van inrichtingen ten behoeve van het Internationaal Toezichtsysteem, met inbegrip van de eventuele fysieke beveiliging van inrichtingen, en het toepassen van overeengekomen procedures voor het waarmerken van gegevens;
  c) Het verzenden van gegevens van het Internationaal Toezichtsysteem (verwerkt of onverwerkt) aan het Internationaal Datacentrum door middel van de meest directe en kosteneffectieve middelen die beschikbaar zijn, met inbegrip van, indien nodig via geschikte communicatieknooppunten, van gegevens van meetstations, laboratoria, analyse-inrichtingen of van nationale gegevenscentra; of het verzenden van deze gegevens (eventueel met inbegrip van monsters) van meetstations naar laboratoria en analyse-inrichtingen; en
  d) Het analyseren van monsters namens de Organisatie.
  20. Ten behoeve van de seismische stations van het aanvullende netwerk zoals aangegeven in tabel 1-B van Bijlage 1 bij het Protocol, draagt de Organisatie, zoals bepaald in overeenkomsten of regelingen ingevolge het vierde lid van Deel I van het Protocol, slechts de kosten van de volgende activiteiten :
  a) Het verzenden van gegevens aan het Internationaal Datacentrum;
  b) Het waarmerken van de gegevens afkomstig van genoemde stations;
  c) Het moderniseren van de stations zodat deze voldoen aan de vereiste technische normen, tenzij de Staat die verantwoordelijk is voor deze inrichtingen, deze kosten zelf draagt;
  d) Indien nodig het opzetten van nieuwe stations ten behoeve van dit Verdrag daar waar nog geen geschikte inrichtingen zijn, tenzij de Staat die voor deze inrichtingen verantwoordelijk is, deze kosten zelf draagt; en
  e) Alle andere kosten die betrekking hebben op het verstrekken van door de Organisatie gevraagde gegevens zoals weergegeven in de desbetreffende handleidingen.
  21. De Organisatie draagt eveneens de kosten voor de levering aan elke Staat die Partij is van de door hem verzochte verslagen en diensten uit het standaardpakket van het Internationaal Datacentrum, overeenkomstig Afdeling F van het Deel I van het Protocol. De voorbereidings- en verzendkosten van aanvullende gegevens of resultaten worden gedragen door de verzoekende Staat die Partij is.
  22. De overeenkomsten cq regelingen tussen Staten die Partij zijn of Staten die gastheer zijn of die anderszins verantwoordelijk zijn voor inrichtingen van het Internationaal Toezichtsysteem, bevatten bepalingen omtrent het dragen van deze kosten. Dergelijke bepalingen kunnen regelingen bevatten waarbij een Staat die Partij is ongeacht welk deel van de kosten bedoeld in het negentiende lid, letter a, en het twintigste lid, letters c) en d), draagt ten aanzien van de inrichtingen waarvan hij gastheer is of waarvoor hij verantwoordelijk is, in ruil voor een passende reductie van zijn verschuldigde financiële bijdrage aan de Organisatie. Een dergelijke reductie kan niet hoger zijn dan de helft van de jaarlijks verschuldigde bijdrage van een Staat die Partij is, maar mag over meerdere opeenvolgende jaren worden gespreid. Een Staat die Partij is kan een dergelijke reductie delen met een andere Staat die Partij is door middel van een onderlinge overeenkomst of regeling en met de instemming van de Uitvoerende Raad.
  De in dit lid genoemde overeenkomsten of regelingen worden goedgekeurd in overeenstemming met artikel II, zesentwintigste lid, letter h, en achtendertigste lid, letter i).
  Wijzigingen van het Internationaal Toezichtsysteem.
  23. Maatregelen bedoeld in het elfde lid die gevolgen hebben voor het Internationaal Toezichtsysteem in de vorm van een toevoeging of weglating van een controletechniek, worden, wanneer deze maatregelen zijn overeengekomen, in dit Verdrag en het Protocol opgenomen, overeenkomstig artikel VII, eerste tot en met zesde lid.
  24. Behoudens de goedkeuring van de rechtstreeks betrokken Staten, worden de volgende wijzigingen van het Internationaal Toezichtsysteem beschouwd als aangelegenheden van administratieve of technische aard ingevolge artikel VII, zevende en achtste lid :
  a) Wijziging van het aantal inrichtingen voor een bepaalde controletechniek, zoals aangegeven in het Protocol; en
  b) Wijziging van andere details voor specifieke inrichtingen zoals weergegeven in de tabellen in Bijlage 1 bij het Protocol (met inbegrip van, onder andere, de Staat die verantwoordelijk is voor de inrichting, de locatie, de naam of de soort inrichting en de toewijzing van een inrichting aan het seismische hoofdnetwerk of het aanvullende netwerk).
  Indien de Uitvoerende Raad ingevolge artikel VII, achtste lid, letter d), aanbeveelt dat dergelijke wijzigingen worden aangenomen, beveelt hij, ingevolge artikel VII, achtste lid, letter g), in beginsel tevens aan dat genoemde wijzigingen in werking treden nadat de Directeur-Generaal kennisgeving van de goedkeuring daarvan heeft gedaan.
  25. Ten aanzien van voorstellen gedaan ingevolge het vierentwintigste lid, doet de Directeur-Generaal aan de Uitvoerende Raad en de Staten die Partij zijn naast de informatie en evaluatie bedoeld in artikel VII, achtste lid, letter b), toekomen :
  a) Een technische evaluatie van het voorstel;
  b) Een verklaring betreffende de administratieve en financiële gevolgen van het voorstel; en
  c) Een verslag betreffende het overleg met de rechtstreeks bij het voorstel betrokken Staten, waarin wordt aangegeven of zij hun instemming geven.
  Tijdelijke regelingen.
  26. In geval van een ernstige of onherstelbare beschadiging van een controle-inrichting genoemd in de tabellen van Bijlage 1 bij het Protocol, of teneinde andere tijdelijke reducties van het gebied dat door controle-inrichtingen wordt bestreken op te vangen, treft de Directeur-Generaal, in overleg en in overeenstemming met de rechtstreeks betrokken Staten, en met de goedkeuring van de Uitvoerende Raad, tijdelijke regelingen van maximaal één jaar, die, indien nodig, met instemming van de Uitvoerende Raad en de direct betrokken Staten eenmaal met een jaar kunnen worden verlengd. Dergelijke regelingen mogen niet leiden tot een situatie waarin het aantal operationele inrichtingen van het Internationaal Toezichtsysteem het aantal inrichtingen overtreft dat is aangegeven voor het desbetreffende netwerk, moeten voor zover mogelijk voldoen aan de technische en operationele vereisten genoemd in de handleiding voor het desbetreffende netwerk en moeten worden uitgevoerd binnen de begroting van de Organisatie. De Directeur-Generaal neemt voorts de nodige stappen om de situatie te corrigeren en doet voorstellen om tot een permanente oplossing te komen. De Directeur-Generaal stelt alle Staten die Partij zijn in kennis van iedere ingevolge dit lid genomen beslissing.
  Samenwerkende nationale inrichtingen.
  27. Staten die Partij zijn mogen eveneens apart samenwerkingsregelingen treffen met de Organisatie om het Internationaal Datacentrum aanvullende gegevens beschikbaar te stellen van nationale meetstations die formeel geen onderdeel uitmaken van het Internationaal Toezichtsysteem.
  28. Genoemde samenwerkingsregelingen kunnen als volgt worden opgesteld :
  a) Op verzoek van een Staat die Partij is, en op kosten van die Staat, neemt het Technisch Secretariaat de nodige stappen om te garanderen dat een bepaalde controle-inrichting voldoet aan de technische en operationele eisen aangegeven in de desbetreffende handleidingen voor inrichtingen van het Internationaal Toezichtsysteem, en treft het regelingen voor de waarmerking van de hieruit voortkomende gegevens. Behoudens de toestemming van de Uitvoerende Raad, wijst het Technisch Secretariaat deze inrichting officieel aan als een samenwerkende nationale inrichting. Het Technisch Secretariaat neemt de vereiste maatregelen om, indien nodig, de certificering van de inrichting te herbevestigen;
  b) Het Technisch Secretariaat houdt een actuele lijst bij van samenwerkende nationale inrichtingen en doet deze toekomen aan alle Staten die Partij zijn; en
  c) Indien een Staat die Partij is hierom verzoekt, doet het Internationaal Datacentrum een beroep op gegevens afkomstig van samenwerkende nationale inrichtingen, ten behoeve van de vergemakkelijking van overleg- en ophelderingsactiviteiten en ter bestudering van verzoeken om inspecties ter plaatse; de kosten van het verzenden van gegevens worden gedragen door de desbetreffende Staat die Partij is.
  De voorwaarden die gelden voor de beschikbaarstelling van aanvullende gegevens van genoemde inrichtingen, en voor verzoeken om verdere of versnelde toezending van gegevens of opheldering van het Internationaal Datacentrum, worden uiteengezet in de handleiding voor het desbetreffende controlenetwerk.
  C. Overleg en opheldering.
  29. Onverminderd het recht van elke Staat die Partij is verzoeken te doen om inspecties ter plaatse, zouden de Staten die Partij zijn, indien mogelijk, eerst al het mogelijke in het werk moeten stellen om onderling ofwel met of via de Organisatie alle kwesties op te helderen en op te lossen die reden geven tot zorg omtrent de mogelijke niet-nakoming van de basisverplichtingen ingevolge dit Verdrag.
  30. Een Staat die Partij is die een verzoek ingevolge het negenentwintigste lid rechtstreeks van een andere Staat die Partij is ontvangt, doet de verzoekende Staat die Partij is de gevraagde opheldering zo spoedig mogelijk toekomen, maar in elk geval niet later dan 48 uur na het verzoek. De verzoekende en de aangezochte Staten die Partij zijn kunnen de Uitvoerende Raad en de Directeur-Generaal op de hoogte houden van het verzoek en het gevolg dat daaraan is gegeven.
  31. Een Staat die Partij is heeft het recht de Directeur-Generaal te verzoeken hem bij te staan bij de opheldering van zaken die reden kunnen geven tot zorg omtrent de mogelijke niet-nakoming van de basisverplichtingen ingevolge dit Verdrag. De Directeur-Generaal verstrekt de relevante informatie die het Technisch Secretariaat ter zake bezit. Op verzoek van de verzoekende Staat die Partij is brengt de Directeur-Generaal de Uitvoerende Raad op de hoogte van het verzoek en van de informatie die ingevolge dat verzoek is verstrekt.
  32. Een Staat die Partij is heeft het recht de Uitvoerende Raad te verzoeken om opheldering te verkrijgen van een andere Staat die Partij is ten aanzien van zaken die reden geven tot zorg omtrent de mogelijke niet-nakoming van de basisverplichtingen ingevolge dit Verdrag. In een dergelijk geval zijn de volgende bepalingen van toepassing :
  a) De Uitvoerende Raad verzendt het verzoek om opheldering uiterlijk 24 uur na ontvangst naar de aangezochte Staat die Partij is via de Directeur-Generaal;
  b) De aangezochte Staat die Partij is geeft de Uitvoerende Raad zo spoedig mogelijk opheldering, in elk geval uiterlijk 48 uur na ontvangst van het verzoek;
  c) De Uitvoerende Raad neemt kennis van de opheldering en verzendt deze uiterlijk 24 uur na ontvangst naar de verzoekende Staat die Partij is;
  d) Indien de verzoekende Staat die Partij is de opheldering onvoldoende acht, is hij bevoegd de Uitvoerende Raad te verzoeken om nadere opheldering door de aangezochte Staat die Partij is.
  De Uitvoerende Raad stelt onverwijld alle andere Staten die Partij zijn op de hoogte van alle verzoeken om opheldering ingevolge dit lid, alsmede van het gevolg dat hieraan door de aangezochte Staat die Partij is is gegeven.
  33. Indien de verzoekende Staat die Partij is oordeelt dat de ingevolge het tweeëndertigste lid, letter d, verkregen opheldering ontoereikend is, heeft hij het recht om een vergadering van de Uitvoerende Raad te verzoeken waaraan de betrokken Staten die Partij zijn die geen lid zijn van de Uitvoerende Raad deel mogen nemen. Bij een dergelijke vergadering bestudeert de Uitvoerende Raad de kwestie en kan hij elke maatregel overeenkomstig artikel V aanbevelen.
  D. Inspecties ter plaatse.
  Verzoek om inspectie ter plaatse.
  34. Elke Staat die Partij is heeft overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag en Deel II van het Protocol, het recht een verzoek in te dienen om inspectie ter plaatse op het grondgebied van een andere Staat die Partij is of op elke andere plaats onder diens rechtsmacht of toezicht, of in enig ander gebied dat onder de rechtsmacht of het toezicht van geen enkele Staat valt.
  35. Het enige doel van een inspectie ter plaatse is opheldering te verschaffen ten aanzien van de vraag of er al dan niet een proefexplosie van een kernwapen of een andere kernexplosie is uitgevoerd in strijd met artikel I en, voor zover mogelijk, feiten te verzamelen die kunnen bijdragen tot de vaststelling van de identiteit van een mogelijke overtreder.
  36. De verzoekende Staat die Partij is verplicht het verzoek om inspectie ter plaatse binnen de reikwijdte van dit Verdrag te houden en bij het verzoek de in het zevenendertigste lid bedoelde informatie te verschaffen. De verzoekende Staat die Partij is onthoudt zich van het doen van ongegronde of oneigenlijke verzoeken om inspectie.
  37. Het verzoek om inspectie ter plaatse is gebaseerd op de door het Internationaal Toezichtsysteem verzamelde informatie, op relevante technische informatie afkomstig van nationale technische verificatiemiddelen overeenkomstig de algemeen erkende beginselen van internationaal recht, of op een combinatie daarvan. Het verzoek bevat de informatie bedoeld in het eenenveertigste lid van Deel II van het Protocol.
  38. De verzoekende Staat die Partij is legt het verzoek om inspectie ter plaatse voor aan de Uitvoerende Raad en tegelijkertijd aan de Directeur-Generaal zodat deze laatste er onmiddellijk gevolg aan kan gaan geven.
  Gevolg dat wordt gegeven aan een verzoek om inspectie ter plaatse.
  39. De Uitvoerende Raad vangt onmiddellijk na ontvangst van het verzoek om inspectie ter plaatse aan met de bestudering daarvan.
  40. Na ontvangst van het verzoek om inspectie ter plaatse, bevestigt de Directeur-Generaal binnen twee uur de ontvangst van het verzoek aan de verzoekende Staat die Partij is en zendt dit verzoek binnen zes uur door naar de ter inspectie aangezochte Staat die Partij is. De Directeur-Generaal vergewist zichzelf ervan dat het verzoek voldoet aan de vereisten van het eenenveertigste lid van Deel II van het Protocol, en, indien nodig, helpt hij de verzoekende Staat die Partij is bij het naar behoren indienen van het verzoek, en zendt het verzoek binnen 24 uur door naar de Uitvoerende Raad en alle andere Staten die Partij zijn.
  41. Wanneer het verzoek om inspectie ter plaatse voldoet aan de vereisten, vangt het Technisch Secretariaat zonder oponthoud aan met de voorbereidingen voor de inspectie ter plaatse.
  42. Wanneer de Directeur-Generaal een verzoek om een inspectie ter plaatse ontvangt waarin wordt verwezen naar een inspectiegebied dat onder de rechtsmacht of het toezicht valt van een Staat die Partij is, vraagt hij de ter inspectie aangezochte Staat die Partij is onmiddellijk om opheldering teneinde de feiten op te helderen en de in het verzoek geuite zorg weg te nemen.
  43. Een Staat die Partij is die een verzoek om opheldering ontvangt ingevolge het tweeënveertigste lid, doet de Directeur-Generaal zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk 72 uur na ontvangst van het verzoek om opheldering, uitleg en andere beschikbare relevante informatie toekomen.
  44. Voordat de Uitvoerende Raad een besluit neemt ten aanzien van een verzoek om inspectie ter plaatse, zendt de Directeur-Generaal onmiddellijk alle beschikbare aanvullende informatie van het Internationaal Toezichtsysteem of informatie verstrekt door een Staat die Partij is betreffende de in het verzoek vermelde gebeurtenis, met inbegrip van ophelderingen gegeven ingevolge het tweeënveertigste en drieënveertigste lid, alsmede enige andere informatie afkomstig van het Technisch Secretariaat die de Directeur-Generaal relevant acht of waar door de Uitvoerende Raad om wordt verzocht.
  45. Tenzij de verzoekende Staat die Partij is van mening is dat de in het verzoek om inspectie ter plaatse geuite zorg weggenomen is en het verzoek intrekt, neemt de Uitvoerende Raad een besluit inzake het verzoek in overeenstemming met het zesenveertigste lid.
  Besluiten van de Uitvoerende Raad.
  46. De Uitvoerende Raad neemt binnen 96 uur na ontvangst van het verzoek om inspectie ter plaatse van de verzoekende Staat die Partij is een besluit. Het besluit tot goedkeuring van de inspectie ter plaatse wordt genomen met ten minste 30 bevestigende stemmen van leden van de Uitvoerende Raad. Indien de Uitvoerende Raad de inspectie niet goedkeurt, worden de voorbereidingen gestaakt en geen verdere stappen genomen met betrekking tot het verzoek.
  47. Uiterlijk 25 dagen na goedkeuring van de inspectie ter plaatse overeenkomstig het zesenveertigste lid, zendt het inspectieteam, via de Directeur-Generaal, een verslag inzake de voortgang van de inspectie naar de Uitvoerende Raad. De voortzetting van de inspectie wordt geacht te zijn goedgekeurd, tenzij de Uitvoerende Raad, uiterlijk 72 uur na ontvangst van het rapport inzake de voortgang van de inspectie, bij meerderheid van al zijn leden besluit de inspectie niet voort te zetten. Indien de Uitvoerende Raad besluit de inspectie niet voort te zetten, wordt deze beëindigd, en verlaat het inspectieteam het inspectiegebied en het grondgebied van de aan inspectie onderworpen Staat die Partij is zo spoedig mogelijk, in overeenstemming met paragrafen 109 en 110 van Deel II van het Protocol.
  48. Tijdens de inspectie ter plaatse kan het inspectieteam, via de Directeur-Generaal, de Uitvoerende Raad een voorstel doen tot het uitvoeren van boringen. De Uitvoerende Raad neemt ten aanzien van een dergelijk verzoek uiterlijk 72 uur na ontvangst van het voorstel een besluit. Het besluit tot goedkeuring van boringen wordt genomen bij meerderheid van alle leden van de Uitvoerende Raad.
  49. Het inspectieteam kan de Uitvoerende Raad, via de Directeur-Generaal, verzoeken de duur van de inspectie te verlengen met maximaal 70 dagen na de in paragraaf 4 van Deel II van het Protocol genoemde 60-dagentermijn, indien het inspectieteam zulks noodzakelijk acht voor de uitvoering van zijn taak. Het inspectieteam geeft in zijn verzoek aan welke van de in paragraaf 69 van Deel II van het Protocol genoemde activiteiten en technieken het van plan is uit te voeren en toe te passen in de verlengingstermijn. De Uitvoerende Raad neemt uiterlijk 72 uur na ontvangst van het verzoek een besluit ten aanzien van het verzoek tot verlenging. Het besluit een verlenging van de inspectietermijn goed te keuren wordt genomen bij meerderheid van alle leden van de Uitvoerende Raad.
  50. Op elk tijdstip na de goedkeuring van het vervolg van de inspectie ter plaatse in overeenstemming met het zevenenveertigste lid, kan het inspectieteam, via de Directeur-Generaal, de Uitvoerende Raad aanbevelen de inspectie te beëindigen. Een dergelijke aanbeveling wordt geacht te zijn goedgekeurd, tenzij de Uitvoerende Raad, uiterlijk 72 uur na ontvangst van de aanbeveling, bij tweederde meerderheid van al zijn leden besluit de beëindiging van de inspectie niet goed te keuren. In geval van beëindiging van de inspectie, verlaat het inspectieteam het inspectiegebied en het grondgebied van de aan inspectie onderworpen Staat die Partij is zo spoedig mogelijk, in overeenstemming met paragrafen 109 en 110 van Deel II van het Protocol.
  51. De verzoekende Staat die Partij is en de ter inspectie aangezochte Staat die Partij is kunnen zonder stemrecht deelnemen aan de beraadslagingen van de Uitvoerende Raad inzake het verzoek om inspectie ter plaatse. De verzoekende Staat die Partij is en de aan inspectie onderworpen Staat die Partij is kunnen eveneens zonder stemrecht deelnemen aan vervolgberaadslagingen van de Uitvoerende Raad met betrekking tot de inspectie.
  52. De Directeur-Generaal stelt de Staten die Partij zijn binnen 24 uur in kennis van alle besluiten van de Uitvoerende Raad en van alle verslagen, voorstellen, verzoeken en aanbevelingen die aan de Uitvoerende Raad zijn gericht ingevolge het zesenveertigste tot en met het vijftigste lid.
  Gevolg dat wordt gegeven aan de goedkeuring door de Uitvoerende Raad van een inspectie ter plaatse.
  53. Een door de Uitvoerende Raad goedgekeurde inspectie ter plaatse wordt onverwijld uitgevoerd door een inspectieteam aangewezen door de directeur-generaal overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag en het Protocol. Het inspectieteam arriveert op het punt van binnenkomst niet later dan zes dagen na ontvangst door de Uitvoerende Raad van het verzoek om inspectie ter plaatse van de verzoekende Staat die Partij is.
  54. De directeur-generaal verleent een inspectiemandaat voor de uitvoering van de inspectie ter plaatse. Het inspectiemandaat bevat de informatie genoemd in paragraaf 42 van Deel II van het Protocol.
  55. De directeur-generaal stelt de aan inspectie onderworpen Staat die Partij is uiterlijk 24 uur voor de geplande aankomst van het inspectieteam op het punt van binnenkomst in kennis van de inspectie, overeenkomstig paragraaf 43 van Deel II van het Protocol.
  Uitvoering van een inspectie ter plaatse.
  56. Elke Staat die Partij is staat de Organisatie toe een inspectie ter plaatse uit te voeren op zijn grondgebied of op plaatsen die onder zijn rechtsmacht of toezicht vallen, overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag en het Protocol. Geen enkele Staat die Partij is hoeft evenwel gelijktijdige inspecties toe te laten op zijn grondgebied of op plaatsen die onder zijn rechtsmacht of toezicht vallen.
  57. Overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag en het Protocol heeft de aan inspectie onderworpen Staat die Partij is de volgende rechten en verplichtingen :
  a) Het recht en de verplichting om al het redelijkerwijs mogelijke in het werk te stellen om aan te tonen dat hij dit Verdrag naleeft en hiertoe het inspectieteam in staat te stellen zijn taak uit te voeren;
  b) Het recht op het treffen van de maatregelen die hij nodig acht om de nationale-veiligheidsbelangen te beschermen en de verspreiding te voorkomen van vertrouwelijke informatie die geen betrekking heeft op het doel van de inspectie;
  c) De verplichting om toegang te geven tot het inspectiegebied uitsluitend met het doel feiten vast te stellen die betrekking hebben op het doel van de inspectie, rekening houdend met letter b, en eventuele constitutionele verplichtingen die hij zou kunnen hebben ten aanzien van eigendomsrechten of huiszoekingen en inbeslagnemingen;
  d) De verplichting tot inachtneming van het verbod zich te beroepen op dit lid of op paragraaf 88 van Deel II van het Protocol met het oogmerk niet-nakoming van zijn verplichtingen ingevolge artikel I te verhullen; en
  e) De verplichting om het inspectieteam niet te verhinderen zich binnen het inspectiegebied te verplaatsen en inspectie-activiteiten overeenkomstig dit Verdrag en het Protocol te verrichten.
  Toegang, in de context van een inspectie ter plaatse, houdt in zowel fysieke toegang van het inspectieteam en het inspectiematerieel tot het inspectiegebied als de uitvoering van inspectie-activiteiten binnen het inspectiegebied.
  58. De inspectie ter plaatse geschiedt op de minst indringende wijze mogelijk die verenigbaar is met de efficiënte en tijdige uitvoering van het inspectiemandaat, en in overeenstemming met de in het Protocol genoemde procedures. Telkens wanneer dat mogelijk is, vangt het inspectieteam aan met de minst indringende procedures en gaat pas over op meer indringende procedures wanneer dit nodig wordt geacht voor de verzameling van voldoende informatie om helderheid te verschaffen ten aanzien van de zorg omtrent een mogelijke niet-naleving van dit Verdrag. De inspecteurs zoeken alleen naar die informatie en gegevens welke nodig zijn voor het doel van de inspectie en trachten de normale werkzaamheden van de geïnspecteerde Staat die Partij is zo min mogelijk te storen.
  59. De geïnspecteerde Staat die Partij is assisteert het inspectieteam gedurende de inspectie ter plaatse en vergemakkelijkt diens taak.
  60. Indien de geïnspecteerde Staat die Partij is, handelend in overeenstemming met paragraaf 86 tot en met 96 lid van Deel II van het Protocol, de toegang binnen het inspectiegebied beperkt, doet hij, in overleg met het inspectieteam, alles wat redelijkerwijs mogelijk is om door andere middelen aan te tonen dat hij dit Verdrag naleeft.
  Waarnemer.
  61. Ten aanzien van de aanwezigheid van een waarnemer gelden de volgende bepalingen :
  a) Behoudens de instemming van de geïnspecteerde Staat die Partij is, kan de verzoekende Staat die Partij is een vertegenwoordiger sturen, die een ingezetene is van de verzoekende Staat die Partij is of van een derde Staat die Partij is, om de uitvoering van de inspectie ter plaatse waar te nemen;
  b) De geïnspecteerde Staat die Partij is stelt de directeur-generaal binnen 12 uur na goedkeuring van de inspectie ter plaatse door de Uitvoerende Raad in kennis van de aanvaarding of de afwijzing van de voorgestelde waarnemer;
  c) In geval van aanvaarding, verleent de geïnspecteerde Staat die Partij is de waarnemer toegang overeenkomstig het Protocol;
  d) In beginsel aanvaardt de geïnspecteerde Staat die Partij is de voorgestelde waarnemer, maar indien de geïnspecteerde Staat die Partij is dit weigert, dan wordt dit aangetekend in het inspectieverslag.
  Wordt door meerdere Staten die Partij zijn om een inspectie verzocht, dan kunnen er maximaal drie waarnemers deelnemen.
  Verslagen van de inspectie ter plaatse.
  62. Inspectieverslagen dienen de volgende gegevens te bevatten :
  a) Een omschrijving van de door het inspectieteam uitgevoerde activiteiten;
  b) De feitelijke bevindingen van het inspectieteam die betrekking hebben op het doel van de inspectie;
  c) Een verslag van de verleende medewerking gedurende de inspectie ter plaatse;
  d) Een feitelijke omschrijving van de mate waarin toegang is verstrekt, met name van de andere middelen die aan het team zijn verstrekt tijdens de inspectie ter plaatse; en
  e) Alle overige details die betrekking hebben op het doel van de inspectie.
  Indien er verschil is in de bevindingen van de inspecteurs, kan dit worden aangegeven in een bijlage bij het verslag.
  63. De directeur-generaal stelt aan de geïnspecteerde Staat die Partij is ontwerp-inspectieverslagen ter beschikking. De geïnspecteerde Staat die Partij is heeft het recht de directeur-generaal binnen 48 uur commentaar en uitleg te doen toekomen, en eventueel aan te geven welke informatie en gegevens, naar zijn mening, geen betrekking hebben op het doel van de inspectie en niet mogen worden verspreid buiten het Technisch Secretariaat. De directeur-generaal bestudeert de door de geïnspecteerde Staat die Partij is gedane voorstellen tot wijziging van het ontwerp-inspectieverslag en neemt deze zo veel mogelijk daarin op. De directeur-generaal voegt eveneens het commentaar en de uitleg die door de geïnspecteerde Staat die Partij is zijn gegeven, bij het inspectieverslag.
  64. De directeur-generaal verzendt het inspectieverslag onverwijld naar de verzoekende Staat die Partij is, de geïnspecteerde Staat die Partij is, de Uitvoerende Raad en naar alle andere Staten die Partij zijn. De directeur-generaal verzendt voorts onverwijld naar de Uitvoerende Raad en naar alle andere Staten die Partij zijn eventuele resultaten van monsteranalyse in aangewezen laboratoria overeenkomstig paragraaf 104 van Deel II van het Protocol, relevante gegevens van het Internationaal Toezichtsysteem, de beoordelingen van de verzoekende en de geïnspecteerde Staten die Partij zijn, alsmede eventuele andere door de directeur-generaal relevant geachte informatie. In geval van een verslag inzake de voortgang van de inspectie bedoeld in het zevenenveertigste lid, verzendt de directeur-generaal dit verslag binnen de in dat lid aangegeven termijn naar de Uitvoerende Raad.
  65. Overeenkomstig zijn bevoegdheden en taken beoordeelt de Uitvoerende Raad het inspectieverslag en alle ingevolge het vierenzestigste lid geleverde documenten, en gaat alle punten van zorg na om te bepalen of :
  a) dit Verdrag niet is nageleefd; en
  b) misbruik is gemaakt van het recht te verzoeken om inspectie ter plaatse.
  66. Indien de Uitvoerende Raad, handelend overeenkomstig zijn bevoegdheden en taken, tot de conclusie komt dat met betrekking tot het gestelde in het vijfenzestigste lid verdere actie nodig kan zijn, neemt hij de nodige maatregelen overeenkomstig artikel V.
  Oneigenlijk of ondoordacht verzoek om inspectie ter plaatse.
  67. Indien de Uitvoerende Raad het verzoek om inspectie ter plaatse niet goedkeurt op grond van het feit dat het verzoek oneigenlijk of ondoordacht is, of indien de inspectie om dezelfde reden wordt beëindigd, overweegt en beslist de Uitvoerende Raad of er passende maatregelen moeten worden getroffen om de situatie te herstellen en met name :
  a) van de verzoekende Staat die Partij is te verlangen dat deze de kosten draagt van alle voorbereidende werkzaamheden van het Technisch Secretariaat;
  b) het recht van de verzoekende Staat die Partij is een verzoek om een inspectie ter plaatse in te dienen, te schorsen voor een door de Uitvoerende Raad vast te stellen periode; en
  c) het recht van de verzoekende Staat die Partij is zitting te nemen in de Uitvoerende Raad voor een bepaalde periode te schorsen.
  E. Vertrouwenbevorderende maatregelen.
  68. Teneinde :
  a) een bijdrage te leveren aan de tijdige wegneming van zorgen omtrent de naleving die zouden kunnen rijzen uit mogelijke verkeerde interpretatie van verificatiegegevens betreffende chemische explosies; en
  b) een bijdrage te leveren aan de ijking van de stations die deel uitmaken van de netwerken waaruit het Internationaal Toezichtsysteem is opgebouwd;
  verbindt elke Staat die Partij is zich ertoe samen te werken met de Organisatie en met andere Staten die Partij zijn bij de uitvoering van de maatregelen bedoeld in Deel III van het Protocol.
Art. 4. Vérification.
  A. Dispositions générales.
  1. Afin de vérifier le respect des dispositions du présent Traité, il est établi un régime de vérification qui s'appuie sur les éléments suivants :
  a) Un système de surveillance international;
  b) La consultation et la clarification;
  c) Les inspections sur place;
  d) Les mesures de confiance.
  A l'entrée en vigueur du Traité, le régime de vérification est capable de satisfaire à ses exigences concernant la vérification.
  2. Les activités de vérification sont fondées sur des informations objectives, sont limitées à l'objet du présent Traité et sont menées dans le plein respect de la souveraineté des Etats parties et de la manière la moins intrusive possible, compatible avec la réalisation de leurs objectifs dans les délais et avec l'efficacité voulus. Chaque Etat partie s'abstient d'abuser de quelque façon que ce soit du droit de vérification.
  3. Chaque Etat parti s'engage, conformément au présent Traité, à coopérer, par l'entremise de l'autorité nationale établie en application du paragraphe 4 de l'article III, avec l'Organisation et d'autres Etats parties afin de faciliter la vérification du respect du Traité, notamment :
  a) En créant les dispositifs nécessaires pour participer à ces mesures de vérification et en établissant les communications nécessaires;
  b) En fournissant les données obtenues des stations nationales intégrées au Système de surveillance international;
  c) En participant, selon qu'il convient, à un processus de consultation et de clarification;
  d) En autorisant les inspections sur place;
  e) En participant, selon qu'il convient, à des mesures de confiance.
  4. Quels que soient leurs moyens techniques et financiers, les Etats parties ont tous, dans des conditions d'égalité, un droit de vérification et l'obligation d'accepter la vérification.
  5. Aux fins du présent Traité, il n'est interdit à aucun Etat partie d'utiliser l'information obtenue par les moyens techniques nationaux de vérification d'une manière compatible avec les principes généralement reconnus du droit international, y compris celui du respect de la souveraineté des Etats.
  6. Sans préjudice du droit des Etats parties à protéger des installations, des activités ou des lieux sensibles sans rapport avec le présent Traité, les Etats parties ne font pas obstacle à des éléments du régime de vérification du Traité ni aux moyens techniques nationaux de vérification qui sont exploités conformément au paragraphe 5.
  7. Chaque Etat partie a le droit de prendre des mesures pour protéger des installations sensibles et empêcher la divulgation d'informations et de données confidentielles sans rapport avec le présent Traité.
  8. En outre, toutes les mesures voulues sont prises pour protéger la confidentialité de toute information concernant les activités et les installations civiles et militaires qui a été obtenue au cours des activités de vérification.
  9. Sous réserve du paragraphe 8, les informations obtenues par l'Organisation dans le cadre du régime de vérification établi par le présent Traité sont mises à la disposition de tous les Etats parties conformément aux dispositions pertinentes du Traité et du Protocole.
  10. Les dispositions du présent Traité ne doivent pas être interprétées comme restreignant l'échange international de données à des fins scientifiques.
  11. Chaque Etat partie s'engage à coopérer avec l'Organisation et d'autres Etats parties à l'amélioration du régime de vérification et à l'étude des possibilités qu'offrent d'autres techniques de surveillance sur le plan de la vérification, comme la détection de l'impulsion électromagnétique ou la surveillance par satellite, en vue de mettre au point, le cas échéant, des mesures spécifiques visant à renforcer l'efficacité et la rentabilité des opérations de vérification de l'exécution du Traité. Lorsqu'elles sont convenues, ces mesures sont incorporées dans les dispositions existantes du Traité et dans celles du Protocole ou font l'objet de nouvelles sections du Protocole, conformément à l'article VII, ou encore, s'il y a lieu, sont reflétées dans les manuels opérationnels conformément au paragraphe 44 de l'article II.
  12. Les Etats parties s'engagent à promouvoir une coopération entre eux-mêmes pour aider et participer à l'échange le plus complet possible concernant les technologies utilisées dans la vérification du présent Traité afin de permettre à tous les Etats parties de renforcer leur mise en oeuvre nationale des mesures de vérification et de bénéficier de l'application de ces technologies à des fins pacifiques.
  13. Les dispositions du présent Traité doivent être mises en oeuvre de façon à éviter d'entraver le développement économique et technologique des Etats parties en vue du développement des applications de l'énergie atomique à des fins pacifiques.
  Tâches du Secrétariat technique en matière de vérification.
  14. Pour s'acquitter de ses tâches en matière de vérification telles qu'elles sont spécifiées dans le présent Traité et le Protocole, le Secrétariat technique, en coopération avec les Etats parties et pour les besoins du Traité :
  a) Prend des arrangements pour recevoir et distribuer les données et rapports intéressant la vérification de l'exécution du Traité, conformément à celui-ci, et pour disposer d'une infrastructure de télécommunications mondiale adaptée à cette tâche;
  b) Dans le cadre de ses activités régulières et par l'intermédiaire de son Centre international de données, qui est en principe l'élément central du Secrétariat technique pour le stockage des données et le traitement des données :
  (i) Recoit et présente des demandes de données issues du Système de surveillance international;
  (ii) Recoit, selon qu'il convient, les données résultant du processus de consultation et de clarification, des inspections sur place et des mesures de confiance;
  (iii) Recoit d'autres données pertinentes des Etats parties et des organisations internationales conformément au Traité et au Protocole;
  c) Supervise, coordonne et assure l'exploitation du Système de surveillance international et de ses composantes, ainsi que du Centre international de données, conformément aux manuels opérationnels pertinents;
  d) Dans le cadre de ses activités régulières, traite et analyse les données issues du Système de surveillance international et fait rapport à leur sujet selon les procedures convenues, afin de permettre une vérification internationale efficace de l'exécution du Traité et de faciliter la dissipation rapide des préoccupations quant au respect des dispositions du Traité;
  e) Met toutes les données, tant brutes que traitées, ainsi que tous rapports établis, à la disposition de tous les Etats parties, chaque Etat partie prenant la responsabilité de l'usage des données du Système de surveillance international conformément au paragraphe 7 de l'article II, et aux paragraphes 8 et 13 de cet article;
  f) Assure à tous les Etats parties, dans des conditions d'égalité et à temps, un accès libre et commode à toutes les données stockées;
  g) Stocke toutes les données, tant brutes que traitées, ainsi que tous les documents et rapports;
  h) Coordonne et facilite les demandes de données supplementaires issues du Système de surveillance international;
  i) Coordonne les demandes de données supplémentaires adressées par un Etat partie à un autre Etat partie;
  j) Fournit à l'Etat qui les requiert une assistance et un appui techniques pour l'installation et l'exploitation des installations de surveillance et des moyens de communication correspondants;
  k) Met à la disposition de tout Etat partie qui le demande les techniques que lui-même et son centre international de données utilisent pour rassembler, stocker, traiter et analyser les données recueillies dans le cadre du régime de vérification et faire rapport à leur sujet;
  l) Surveille et évalue le fonctionnement global du Système de surveillance international et du Centre international de données et fait rapport à ce sujet.
  15. Les procédures convenues que doit suivre le Secrétariat technique pour s'acquitter des tâches de vérification visées au paragraphe 14 et détaillées dans le Protocole sont précisées dans les manuels opérationnels pertinents.
  B. Le Système de surveillance international.
  16. Le Système de surveillance international comprend des installations pour la surveillance sismologique, pour la surveillance des radionucléides, y compris des laboratoires homologués, pour la surveillance hydroacoustique et pour la surveillance par détection des infrasons, ainsi que les moyens de communication correspondants; il est appuyé par le Centre international de données du Secrétariat technique.
  17. Le Système de surveillance international est placé sous l'autorité du Secrétariat technique. Toutes les installations de surveillance de ce système sont la propriété des Etats qui en sont les hôtes ou en assument la responsabilité d'une autre manière et sont exploitées par eux, conformément au Protocole.
  18. Chaque Etat partie a le droit de participer à l'échange international de données et d'avoir accès à toutes les données mises à la disposition du Centre international de données. Chaque Etat partie coopère avec le Centre international de données par l'entremise de son autorité nationale.
  Financement du Système de surveillance international.
  19. En ce qui concerne les installations incorporées dans le Système de surveillance international et inscrites aux tableaux 1-A, 2-A, 3 et 4 de l'Annexe 1 du Protocole ainsi que leur fonctionnement, dans la mesure ou l'Etat concerné et l'Organisation sont convenus qu'elles fourniraient des données au Centre international de données conformément aux exigences techniques enoncées dans le Protocole et les manuels pertinents, l'Organisation, comme il est spécifié dans les accords conclus ou les arrangements pris en application du paragraphe 4 de la première partie du Protocole, prend à sa charge le coût des operations suivantes :
  a) L'établissement de toutes nouvelles installations et la mise à niveau des installations existantes à moins que l'Etat qui en est responsable ne prenne lui-même à sa charge les coûts correspondants;
  b) L'exploitation et l'entretien des installations du Système de surveillance international, y compris le maintien de leur sécurité materielle, le cas échéant, et l'application des procédures convenues d'authentification des données;
  c) La transmission des données (brutes ou traitées) issues du Système de surveillance international au Centre international de données par les moyens les plus directs et les plus rentables disponibles, notamment, si nécessaire, via des noeuds de communication appropriés, à partir des stations de surveillance, des laboratoires, des installations d'analyse ou des centres nationaux de données; ou la transmission de ces données (y compris des échantillons, le cas échéant) aux laboratoires et installations d'analyse à partir des installations de surveillance;
  d) L'analyse d'échantillons pour le compte de l'Organisation.
  20. En ce qui concerne les stations sismiques du réseau auxiliaire inscrites au tableau 1-B de l'Annexe 1 du Protocole, l'Organisation, comme il est spécifié dans les accords conclus ou les arrangements pris en application du paragraphe 4 de la première partie du Protocole, ne prend à sa charge que le coût des opérations suivantes :
  a) La transmission des données au Centre international de données;
  b) L'authentification des données provenant de ces stations;
  c) La mise à niveau des stations afin que celles-ci satisfassent aux normes techniques requises, à moins que l'Etat qui en est responsable ne prenne lui-même à sa charge les coûts correspondants;
  d) Si nécessaire, l'établissement de nouvelles stations aux fins du Traité là où il n'en existe pas encore qui conviennent, à moins que l'Etat qui est appelé à en être responsable ne prenne lui-même à sa charge les coûts correspondants;
  e) Toutes autres dépenses relatives à la fourniture des données requises par l'Organisation comme il est spécifié dans les manuels opérationnels pertinents.
  21. En outre, l'Organisation prend à sa charge le coût de la fourniture, à chaque Etat partie, des rapports et services que celui-ci a choisis dans la gamme standard du Centre international de données, conformément à la section F de la première partie du Protocole. Le coût de la préparation et de la transmission de tous produits ou données supplémentaires est à la charge de l'Etat partie qui les demande.
  22. Les accords conclus ou, le cas échéant, les arrangements pris avec des Etats parties ou avec les Etats qui sont les hôtes d'installations du Système de surveillance international ou en assument la responsabilité d'une autre manière contiennent des dispositions relatives à la prise en charge de ces coûts. Ces dispositions peuvent prévoir des modalités au titre desquelles un Etat partie prend à sa charge une partie quelconque des coûts visés au paragraphe 19, alinéa a), et au paragraphe 20, alinéas c) et d), pour des installations dont il est l'hôte ou dont il est responsable et bénéficie en échange d'une réduction appropriée de la contribution financière qu'il doit à l'Organisation. Le montant de cette réduction ne peut pas être supérieur à la moitié de celui de la contribution financière annuelle due par cet Etat, mais peut être réparti sur plusieurs années consécutives. Un Etat partie peut partager une telle réduction avec un autre Etat partie par accord ou arrangement avec celui-ci et avec l'assentiment du Conseil exécutif.
  Les accords ou arrangements visés au présent paragraphe sont approuvés conformément au paragraphe 26, alinéa h), et au paragraphe 38, alinéa i), de l'article II.
  Modifications apportées au Système de surveillance international.
  23. Toute mesure visée au paragraphe 11 qui a une incidence sur le Système de surveillance international du fait qu'elle consiste à compléter celui-ci par d'autres techniques de surveillance ou à éliminer une ou plusieurs des techniques utilisées est incorporée, une fois convenue, dans les dispositions du présent Traité et du Protocole suivant la procédure énoncée aux paragraphes 1 à 6 de l'article VII.
  24. Les modifications suivantes qu'il serait proposé d'apporter au Système de surveillance international sont considérées, sous réserve de l'accord des Etats directement visés, comme se rapportant à des questions d'ordre administratif ou technique aux fins des paragraphes 7 et 8 de l'article VII :
  a) Les modifications du nombre d'installations utilisant une technique de surveillance donnée, tel qu'il est fixé dans le Protocole;
  b) Les modifications à apporter à d'autres indications concernant une installation donnée, telles qu'elles figurent dans les tableaux de l'Annexe 1 du Protocole (notamment l'Etat responsable de l'installation, l'emplacement de l'installation, son nom ou son type, ainsi que son affectation au réseau sismologique primaire ou auxiliaire).
  En principe, s'il recommande, conformément au paragraphe 8, alinéa d), de l'article VII, que de telles modifications soient adoptées, le Conseil executif recommande également que ces modifications entrent en vigueur dès que le Directeur général a donné notification de leur approbation, conformément au paragraphe 8, alinéa g), de cet article.
  25. En ce qui concerne toute proposition visée au paragraphe 24, le Directeur général remet au Conseil exécutif et aux Etats parties, outre les informations et l'évaluation prévues au paragraphe 8, alinéa b), de l'article VII :
  a) Une évaluation technique de la proposition;
  b) Un état des incidences administratives et financières de la proposition;
  c) Un rapport sur les consultations qu'il a tenues avec les Etats directement vises par la proposition, où est indiqué notamment l'accord éventuel de ceux-ci.
  Arrangements provisoires.
  26. En cas de panne importante dans une installation de surveillance inscrite aux tableaux de l'Annexe 1 du Protocole ou de détérioration irrémédiable d'une telle installation, ou encore afin de compenser la réduction temporaire du champ couvert par les installations de surveillance, le Directeur général prend, après consultation et avec l'accord des Etats directement visés ainsi qu'avec l'approbation du Conseil exécutif, des arrangements provisoires qui ne durent pas au-delà d'une année, mais qui peuvent être reconduits une seule fois au besoin, avec l'accord du Conseil exécutif et des Etats directement visés. Le nombre d'installations du Système de surveillance international en exploitation ne doit pas, du fait de tels arrangements, dépasser le chiffre fixé pour le réseau considéré. De tels arrangements satisfont autant que faire se peut aux exigences techniques et opérationnelles précisées dans le manuel opérationnel pour le réseau en question; ils sont exécutés sans dépassement des crédits budgétaires de l'Organisation. En outre, le Directeur général prend des mesures afin de redresser la situation et fait des propositions en vue de la régler définitivement. Il notifie à tous les Etats parties toute décision prise conformément au présent paragraphe.
  Installations nationales coopérantes.
  27. Les Etats parties peuvent aussi prendre séparément des arrangements de coopération avec l'Organisation afin de mettre à la disposition du Centre international de données des données complémentaires provenant de stations de surveillance nationales qui ne font pas officiellement partie du Système de surveillance international.
  28. Ces arrangements de coopération peuvent être établis comme suit :
  a) Sur demande d'un Etat partie et aux frais de celui-ci, le Secrétariat technique fait le nécessaire pour certifier qu'une installation de surveillance donnée satisfait aux exigences techniques et opérationnelles précisées dans les manuels opérationnels pertinents pour les installations du Système de surveillance international et prend des dispositions pour l'authentification de ses données. Sous réserve de l'accord du Conseil exécutif, il désigne alors officiellement cette installation comme installation nationale coopérante. Il fait le nécessaire pour reconfirmer, s'il y a lieu, sa certification;
  b) Le Secrétariat technique tient à jour une liste des installations nationales coopérantes et la communique à tous les Etats parties;
  c) Si un Etat partie le lui demande, le Centre international de données a recours aux données provenant d'installations nationales coopérantes pour faciliter les consultations et la clarification ainsi que l'examen des demandes d'inspection sur place, les coûts de transmission des données étant pris en charge par ledit Etat partie.
  Les conditions dans lesquelles les données complementaires provenant de ces installations sont mises à la disposition du Centre et dans lesquelles celui-ci peut demander communication de telles données ou leur transmission accélérée ou une clarification sont précisées dans le manuel opérationnel pour le réseau de surveillance correspondant.
  C. Consultation et clarification.
  29. Sans préjudice du droit de tout Etat partie de demander une inspection sur place, les Etats parties devraient, chaque fois que possible, commencer par tout mettre en oeuvre pour clarifier et régler entre eux ou avec l'Organisation ou encore par l'intermédiaire de celle-ci toute question qui susciterait des préoccupations au sujet d'une inexécution possible des obligations fondamentales établies par le présent Traité.
  30. L'Etat partie qui reçoit directement d'un autre Etat partie une demande en application du paragraphe 29 fournit des éclaircissements à l'Etat partie requerant dès que possible et en tout état de cause au plus tard 48 heures après réception de la demande. L'Etat partie requérant et l'Etat partie requis peuvent tenir le Conseil exécutif et le Directeur général informes de la demande et de la suite qui y a été donnée.
  31. L'Etat partie a le droit de demander au Directeur général de l'aider à clarifier toute question qui susciterait des preoccupations au sujet d'une inexécution possible des obligations fondamentales établies par le présent Traité. Le Directeur général fournit les informations pertinentes que le Secrétariat technique possède à ce sujet. Il fait part au Conseil exécutif de la demande, ainsi que des informations fournies pour y donner suite, si l'Etat partie requérant le demande.
  32. L'Etat partie a le droit de demander au Conseil exécutif d'obtenir d'un autre Etat partie une clarification de toute question qui susciterait des préoccupations au sujet d'une inexécution possible des obligations fondamentales établies par le présent Traité. En pareil cas, les dispositions suivantes s'appliquent :
  a) Le Conseil exécutif transmet la demande de clarification à l'Etat partie requis par l'intermédiaire du Directeur général au plus tard 24 heures après sa réception;
  b) L'Etat partie requis fournit des éclaircissements au Conseil exécutif dès que possible et en tout état de cause au plus tard 48 heures après réception de la demande;
  c) Le Conseil exécutif prend note des éclaircissements et les transmet à l'Etat partie requérant au plus tard 24 heures après leur réception;
  d) S'il juge ces éclaircissements insuffisants, l'Etat partie requérant a le droit de demander au Conseil exécutif d'obtenir de l'Etat partie requis des précisions supplémentaires.
  Le Conseil executif informe sans retard tous les autres Etats parties de toute demande de clarification faite conformément au présent paragraphe ainsi que de toute réponse apportée par l'Etat partie requis.
  33. Si l'Etat partie requérant estime que les précisions obtenues au titre du paragraphe 32, alinéa d), ne sont pas satisfaisantes, il a le droit de demander la convocation d'une réunion du Conseil exécutif, à laquelle les Etats parties impliqués qui ne sont pas membres du Conseil exécutif ont le droit de participer. A cette réunion, le Conseil exécutif examine la question et peut recommander toute mesure prévue à l'article V.
  D. Inspections sur place.
  Demande d'inspection sur place.
  34. Chaque Etat partie a le droit, conformément aux dispositions du présent article et à la deuxième partie du Protocole, de demander une inspection sur place sur le territoire ou en tout autre lieu placé sous la juridiction ou le contrôle de tout autre Etat partie, ou dans une zone ne relevant de la juridiction ou du contrôle d'aucun Etat.
  35. L'inspection sur place a pour seul but de déterminer si une explosion expérimentale d'arme nucléaire ou toute autre explosion nucléaire a été réalisée en violation des dispositions de l'article premier et, dans la mesure du possible, de recueillir toutes données factuelles susceptibles de concourir à l'identification d'un contrevenant éventuel.
  36. L'Etat partie requérant est tenu de veiller à ce que la demande d'inspection sur place ne sorte pas du cadre du présent Traité et de fournir dans cette demande les renseignements visés au paragraphe 37. Il s'abstient de demandes d'inspection sans fondement ou abusives.
  37. La demande d'inspection sur place repose sur les données recueillies par le Système de surveillance international, sur tous renseignements techniques pertinents obtenus d'une manière conforme aux principes de droit international généralement reconnus par des moyens de vérification techniques nationaux, ou sur une combinaison de ces deux types d'informations. La demande d'inspection sur place contient les renseignements visés au paragraphe 41 de la deuxième partie du Protocole.
  38. L'Etat partie requérant présente sa demande d'inspection sur place au Conseil exécutif et, simultanément, au Directeur général afin que ce dernier y donne immédiatement suite.
  Suite donnée à la demande d'inspection sur place.
  39. Le Conseil exécutif commence son examen dès réception de la demande d'inspection sur place.
  40. Le Directeur général accuse réception de la demande d'inspection sur place adressée par l'Etat partie requérant dans les deux heures et transmet celle-ci dans les six heures à l'Etat partie dont on requiert l'inspection. Il s'assure que la demande satisfait aux conditions énoncées au paragraphe 41 de la deuxième partie du Protocole et aide au besoin l'Etat partie requérant à présenter la demande en conséquence; il transmet celle-ci au Conseil exécutif et a tous les autres Etats parties dans les 24 heures.
  41. Lorsque la demande d'inspection satisfait à ces conditions, le Secrétariat technique commence sans tarder les préparatifs de l'inspection sur place.
  42. Lorsqu'il reçoit une demande d'inspection sur place visant une zone placee sous la juridiction ou le contrôle d'un Etat partie, le Directeur général demande immédiatement une clarification à ce dernier en vue d'élucider les faits et de dissiper les préoccupations qui sont exprimées dans la demande.
  43. L'Etat partie qui reçoit une demande de clarification en application du paragraphe 42 fournit au Directeur général des explications et tous autres éléments d'information pertinents disponibles dès que possible et au plus tard 72 heures après réception de ladite demande.
  44. Avant que le Conseil exécutif ne se prononce sur la demande d'inspection sur place, le Directeur général lui transmet immédiatement tous renseignements supplémentaires disponibles auprès du Système de surveillance international ou fournis par un Etat partie quel qu'il soit au sujet de l'événement indiqué dans la demande, notamment tous éclaircissements fournis conformément aux paragraphes 42 et 43, ainsi que toutes autres informations provenant du Secrétariat technique qu'il juge utiles ou qui sont demandées par le Conseil exécutif.
  45. A moins que l'Etat partie requérant ne considère que les préoccupations exprimées dans la demande d'inspection sur place ont été dissipées et ne retire celle-ci, le Conseil exécutif se prononce sur la demande conformément au paragraphe 46.
  Décisions du Conseil exécutif.
  46. Le Conseil exécutif se prononce sur la demande d'inspection sur place au plus tard 96 heures après l'avoir reçue de l'Etat partie requérant. Il prend la décision d'approuver l'inspection sur place par 30 voix au moins. Si le Conseil exécutif n'approuve pas l'inspection, les préparatifs sont interrompus et il n'est donné aucune autre suite à la demande.
  47. Au plus tard 25 jours après que l'inspection sur place a été approuvée conformément au paragraphe 46, l'équipe d'inspection fait rapport au Conseil exécutif par l'intermédiaire du Directeur général sur la marche de l'inspection. La poursuite de l'inspection est réputée approuvée à moins que le Conseil exécutif, au plus tard 72 heures après réception du rapport intérimaire, décide à la majorité de l'ensemble de ses membres que l'inspection ne doit pas continuer. Si le Conseil exécutif décide qu'elle ne doit pas continuer, il y est mis fin et l'équipe d'inspection quitte la zone d'inspection et le territoire de l'Etat partie inspecté, dès que faire se peut conformément aux paragraphes 109 et 110 de la deuxième partie du Protocole.
  48. Au cours de l'inspection sur place, l'équipe d'inspection peut proposer au Conseil exécutif par l'intermédiaire du Directeur général d'effectuer des forages. Le Conseil exécutif se prononce sur une telle proposition au plus tard 72 heures après l'avoir recue. Il prend la décision d'approuver des forages à la majorite de l'ensemble de ses membres.
  49. L'équipe d'inspection peut demander au Conseil exécutif par l'intermédiaire du Directeur général de prolonger l'inspection de 70 jours au maximum au-delà du délai de 60 jours fixé au paragraphe 4 de la deuxième partie du Protocole, si elle juge que cela est indispensable à l'exécution de son mandat. L'équipe d'inspection indique dans sa demande celles des activités et techniques énumerées au paragraphe 69 de la deuxième partie du Protocole qu'elle entend mener ou mettre en oeuvre pendant la période de prolongation. Le Conseil exécutif se prononce sur la demande de prolongation au plus tard 72 heures après l'avoir recue. Il prend la décision d'approuver une prolongation de l'inspection à la majorité de l'ensemble de ses membres.
  50. A tout moment après que la poursuite de l'inspection sur place a été approuvée conformément au paragraphe 47, l'équipe d'inspection peut recommander au Conseil exécutif par l'intermédiaire du Directeur général de mettre fin a l'inspection. Cette recommandation est réputée approuvée à moins que le Conseil exécutif, au plus tard 72 heures après l'avoir recue, décide à la majorité des deux tiers de l'ensemble de ses membres qu'il ne doit pas être mis fin à l'inspection. S'il est mis fin à l'inspection, l'equipe d'inspection quitte la zone d'inspection et le territoire de l'Etat partie inspecté dès que faire se peut conformément aux paragraphes 109 et 110 de la deuxième partie du Protocole.
  51. L'Etat partie requérant et l'Etat partie dont on requiert l'inspection peuvent participer aux délibérations du Conseil exécutif relatives à la demande d'inspection sur place sans prendre part au vote. L'Etat partie requérant et l'Etat partie inspecté peuvent aussi participer sans prendre part au vote à toutes délibérations ultérieures du Conseil exécutif relatives à l'inspection.
  52. Le Directeur général informe dans les 24 heures tous les Etats parties de toute décision prise par le Conseil exécutif conformément aux paragraphes 46 à 50 et de tous rapports, propositions, demandes et recommandations adressés à celui-ci conformément à ces mêmes paragraphes.
  Suite donnée à l'approbation par le Conseil exécutif d'une inspection sur place.
  53. Une inspection sur place approuvée par le Conseil exécutif est réalisée sans retard et conformément aux dispositions du présent Traité et du Protocole par une équipe d'inspection désignée par le directeur général. L'équipe d'inspection arrive au point d'entrée au plus tard six jours après que le Conseil exécutif a reçu de l'Etat partie requerant la demande d'inspection.
  54. Le directeur général délivre un mandat pour la conduite de l'inspection sur place. Ce mandat contient les renseignements visés au paragraphe 42 de la deuxième partie du Protocole.
  55. Le directeur général donne notification de l'inspection à l'Etat partie à inspecter au moins 24 heures avant l'arrivée prévue de l'équipe d'inspection au point d'entrée, conformément au paragraphe 43 de la deuxième partie du Protocole.
  Conduite de l'inspection sur place.
  56. Chaque Etat partie autorise l'Organisation à procéder à une inspection sur place sur son territoire ou en des lieux placés sous sa juridiction ou son contrôle, conformément aux dispositions du présent Traité et du Protocole. Toutefois, aucun Etat partie n'est tenu d'accepter des inspections simultanées sur son territoire ou en de tels lieux.
  57. L'Etat partie inspecté a, conformément aux dispositions du présent Traité et du Protocole :
  a) Le droit et l'obligation de faire tout ce qui lui est raisonnablement possible pour démontrer qu'il respecte le Traité et, à cette fin, de permettre à l'équipe d'inspection de remplir son mandat;
  b) Le droit de prendre les mesures qu'il juge nécessaires pour protéger des intérêts relevant de sa sécurité nationale et empêcher la divulgation d'informations confidentielles sans rapport avec le but de l'inspection;
  c) L'obligation de donner accès à l'intérieur de la zone d'inspection à seule fin d'établir les faits en rapport avec le but de l'inspection compte tenu des dispositions de l'alinéa b) et de toutes obligations constitutionnelles auxquelles il aurait à satisfaire en matière de droits exclusifs ou en matière de perquisition et de saisie;
  d) L'obligation de ne pas invoquer les dispositions du présent paragraphe ou du paragraphe 88 de la deuxième partie du Protocole pour couvrir un manquement quelconque aux obligations qui sont les siennes en vertu de l'article premier;
  e) L'obligation de ne pas empêcher l'équipe d'inspection de se déplacer à l'intérieur de la zone d'inspection et de mener des activités d'inspection conformément au présent Traité et au Protocole.
  Dans le contexte d'une inspection sur place, on entend par " accès " à la fois l'accès proprement dit de l'équipe d'inspection et de son matériel à la zone d'inspection et la conduite des activités d'inspection à l'intérieur de ladite zone.
  58. L'inspection sur place est effectuée de la manière la moins intrusive possible, compatible avec l'exécution du mandat d'inspection dans les délais et avec l'efficacité voulus et conformément aux procédures établies dans le Protocole. Chaque fois que possible, l'équipe d'inspection commence par les procédures les moins intrusives et ne passe à des procédures plus intrusives que dans la mesure où elle le juge nécessaire pour recueillir suffisamment de renseignements afin de dissiper les préoccupations quant à une inexécution possible du présent Traité. Les inspecteurs ne recherchent que les renseignements et données requis aux fins de l'inspection et s'efforcent de perturber le moins possible les opérations normales de l'Etat partie inspecté.
  59. L'Etat partie inspecté prête son concours à l'équipe d'inspection tout au long de l'inspection et facilite sa tâche.
  60. Si l'Etat partie inspecté, agissant conformément aux paragraphes 86 à 96 de la deuxième partie du Protocole, restreint l'accès à l'intérieur de la zone d'inspection, il fait tout ce qui lui est raisonnablement possible, en consultation avec l'équipe d'inspection, pour démontrer par d'autres moyens qu'il respecte le présent Traité.
  Observateur.
  61. La participation d'un observateur est régie par les dispositions suivantes :
  a) Sous réserve de l'accord de l'Etat partie inspecté, l'Etat partie requérant peut envoyer un représentant observer le déroulement de l'inspection sur place; celui-ci est un ressortissant soit de l'Etat partie requérant, soit d'un Etat partie tiers;
  b) L'Etat partie inspecté fait part au directeur général, dans un délai de 12 heures à compter de l'approbation de l'inspection sur place par le Conseil exécutif, de son acceptation ou de son refus de l'observateur proposé;
  c) En cas d'acceptation, l'Etat partie inspecté accorde à l'observateur l'accès, conformément au Protocole;
  d) En principe, l'Etat partie inspecté accepte l'observateur proposé, mais si cet Etat oppose son refus, le fait est consigné dans le rapport d'inspection.
  Lorsque les Etats parties sont plusieurs à demander l'inspection, les observateurs qui y participent ne sont pas plus de trois.
  Rapports de l'inspection sur place.
  62. Les rapports d'inspection comprennent :
  a) Une description des activités réalisées par l'équipe d'inspection;
  b) Les faits ayant un rapport avec le but de l'inspection qui ont été constatés par l'équipe d'inspection;
  c) Un compte rendu du concours prêté pendant l'inspection sur place;
  d) Une description factuelle de l'étendue de l'accès accordé, notamment les autres moyens donnés à l'équipe, pendant l'inspection sur place;
  e) Tous autres details ayant un rapport avec le but de l'inspection.
  S'il y a des observations divergentes de la part des inspecteurs, celles-ci peuvent être reproduites dans une annexe du rapport.
  63. Le directeur général met les projets de rapport d'inspection à la disposition de l'Etat partie inspecté. L'Etat partie inspecté a le droit de communiquer au directeur général, dans un délai de 48 heures, ses observations et explications et d'indiquer tous renseignements et données qui, à son avis, sont sans rapport avec le but de l'inspection et ne devraient pas être diffusés en dehors du secrétariat technique. Le directeur général examine les propositions de modification d'un projet de rapport faites par l'Etat partie inspecté et, autant que possible, les intègre au projet. Il fait aussi figurer les observations et explications communiquées par l'Etat partie inspecté dans une annexe du rapport d'inspection.
  64. Le directeur général transmet sans retard le rapport d'inspection à l'Etat partie requérant, à l'Etat partie inspecté, au Conseil exécutif et à tous les autres Etats parties. En outre, il transmet sans retard au Conseil exécutif et à tous les autres Etats parties les resultats de toutes analyses d'échantillons faites par des laboratoires désignés, conformément au paragraphe 104 de la deuxième partie du Protocole, les données pertinentes provenant du Système de surveillance international, l'évaluation de l'Etat partie requérant et celle de l'Etat partie inspecté, ainsi que tous autres renseignements qu'il jugerait pertinents. Le directeur général transmet le rapport intérimaire dont il est fait mention au paragraphe 47 au Conseil executif dans les délais indiqués dans ce même paragraphe.
  65. Le Conseil exécutif, agissant conformément à ses pouvoirs et fonctions, examine le rapport d'inspection et tout document fourni en application du paragraphe 64, et traite tout motif de préoccupation afin de déterminer :
  a) s'il y a eu inexécution du Traité;
  b) s'il y a eu abus du droit de demander une inspection sur place.
  66. Si le Conseil exécutif, agissant en conformité avec ses pouvoirs et fonctions, parvient à la conclusion qu'il peut être nécessaire de poursuivre l'affaire eu égard au paragraphe 65, il prend les mesures qui s'imposent conformément à l'article V.
  Demande d'inspection sur place téméraire ou abusive.
  67. S'il n'approuve pas l'inspection sur place au motif que la demande d'inspection est téméraire ou abusive, ou s'il met fin à l'inspection pour les mêmes raisons, le Conseil exécutif se penche et se prononce sur le point de savoir s'il convient de prendre des mesures en vue de redresser la situation et notamment :
  a) d'exiger de l'Etat partie requérant qu'il prenne à sa charge le coût de tous préparatifs qu'aurait faits le secrétariat technique;
  b) de suspendre, pour la période qu'il fixe lui-même, l'exercice par l'Etat partie requérant du droit de demander une inspection;
  c) de suspendre, pour une période déterminée, l'exercice par l'Etat partie requérant du droit de siéger au Conseil.
  E. Mesures de confiance.
  68. Afin :
  a) d'aider à dissiper rapidement toutes préoccupations au sujet du respect du Traite que pourrait faire naître une interprétation erronée de données enregistrées par les moyens de vérification, concernant les explosions chimiques,
  b) d'aider à l'étalonnage des stations qui font partie des reseaux constituant le Système de surveillance international;
  chaque Etat partie s'engage à coopérer avec l'Organisation et avec d'autres Etats parties à l'exécution des mesures voulues telles qu'elles sont énoncées dans la troisième partie du Protocole.
Art. 5. Maatregelen tot rechtzetting van een situatie en ter waarborging van de naleving van dit Verdrag, met inbegrip van sancties.
  1. De Conferentie, onder meer rekening houdend met de aanbevelingen van de Uitvoerende Raad, treft de nodige maatregelen, zoals wordt uiteengezet in het tweede en derde lid, om de naleving van dit Verdrag te waarborgen en situaties die strijdig zijn met de bepalingen van dit Verdrag te herstellen en te corrigeren.
  2. In de gevallen waarin een Staat die Partij is door de Conferentie of de Uitvoerende Raad wordt verzocht een situatie te herstellen die problemen oplevert met betrekking tot de naleving van dit Verdrag en deze Staat die Partij is niet binnen de aangegeven termijn gevolg geeft aan dit verzoek, kan de Conferentie, onder andere, besluiten de uitoefening van de rechten en privileges die deze Staat die Partij is ingevolge dit Verdrag geniet, te beperken of te schorsen, totdat de Conferentie anderszins besluit.
  3. In geval van aantasting van het voorwerp en doel van dit Verdrag als gevolg van de niet-naleving van de basisverplichtingen van dit Verdrag, kan de Conferentie de Staten die Partij zijn collectieve maatregelen aanbevelen die in overeenstemming zijn met het internationaal recht.
  4. De Conferentie of, indien de zaak spoedeisend is, de Uitvoerende Raad kan de kwestie, alsmede de relevante informatie en conclusies, onder de aandacht van de Verenigde Naties brengen.
Art. 5. Mesures propres à redresser une situation et à garantir le respect des dispositions du Traité, y compris les sanctions.
  1. La Conférence, tenant compte notamment des recommandations du Conseil exécutif, prend les mesures nécessaires, ainsi qu'il est prévu aux paragraphes 2 et 3, pour assurer le respect des dispositions du présent Traité et pour redresser et corriger toute situation contrevenant aux dispositions du Traité.
  2. Dans les cas où un Etat partie auquel la Conférence ou le Conseil exécutif a demandé de redresser une situation qui souleve des problèmes concernant son respect du présent Traité ne satisfait pas à cette demande dans les délais fixés, la Conférence peut notamment décider de restreindre ou suspendre l'exercice, par cet Etat, des droits et privilèges dont il jouit en vertu du Traité jusqu'à ce que la Conférence en décide autrement.
  3. Dans les cas où un préjudice risque d'être porté à l'objet et au but du présent Traité du fait d'un manquement aux obligations fondamentales établies par celui-ci, la Conférence peut recommander aux Etats parties des mesures collectives qui sont conformes au droit international.
  4. La Conférence ou, s'il y a urgence, le Conseil exécutif peut porter la question, y compris les informations et les conclusions pertinentes, à l'attention de l'Organisation des Nations Unies.
Art. 6. Beslechting van geschillen.
  1. Geschillen die ontstaan ten aanzien van de toepassing of de uitlegging van dit Verdrag worden beslecht overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van dit Verdrag en in overeenstemming met de bepalingen van het Handvest van de Verenigde Naties.
  2. Indien met betrekking tot de toepassing of de uitlegging van dit Verdrag een geschil ontstaat tussen twee of meer Staten die Partij zijn, of tussen een of meer Staten die Partij zijn en de Organisatie, plegen de betrokken partijen gezamenlijk overleg teneinde tot een spoedige beslechting van het geschil te komen door onderhandelingen of met andere vreedzame middelen naar keuze van de partijen, met inbegrip van een beroep op de daarvoor in aanmerking komende organen van dit Verdrag en, in onderlinge overeenstemming, voorlegging van het geschil aan het Internationaal Gerechtshof, overeenkomstig het Statuut van het Hof. De betrokken partijen houden de Uitvoerende Raad op de hoogte van de genomen maatregelen.
  3. De Uitvoerende Raad kan een bijdrage leveren aan de beslechting van een geschil betreffende de toepassing of de uitlegging van dit Verdrag met alle door hem geschikt geachte middelen, waaronder het aanbieden van goede diensten, het doen van een beroep op de Staten die Partij zijn bij een geschil om via de door hen gekozen procedure het geschil te beslechten, het geschil onder de aandacht brengen van de Conferentie en het aanbevelen van een termijn voor een overeengekomen procedure.
  4. De Conferentie bestudeert vraagstukken met betrekking tot geschillen die door de Staten die Partij zijn aan haar worden voorgelegd of door de Uitvoerende Raad onder haar aandacht zijn gebracht. Wanneer de Conferentie dit nodig acht, stelt zij organen in of belast zij organen met taken betrekking hebbend op de beslechting van deze geschillen overeenkomstig artikel II, zesentwintigste lid, letter j.
  5. De Conferentie en de Uitvoerende Raad zijn afzonderlijk bevoegd, behoudens goedkeuring door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, het Internationaal Gerechtshof te verzoeken advies uit te brengen ten aanzien van juridische kwesties die zich voordoen binnen de werkingssfeer van de activiteiten van de Organisatie voordoet. Hiertoe wordt tussen de Organisatie en de Verenigde Naties een overeenkomst gesloten, overeenkomstig artikel II, achtendertigste lid, letter h).
  6. Dit artikel laat de artikelen IV en V onverlet.
Art. R èglement des différends.
  1. Les différends qui naîtraient au sujet de l'application ou de l'interprétation du présent Traité sont réglés suivant les dispositions pertinentes du Traité et d'une manière conforme aux dispositions de la Charte des Nations Unies.
  2. En cas de différend entre deux ou plusieurs Etats parties, ou entre un ou plusieurs Etats parties et l'Organisation, quant à l'application ou à l'interprétation du présent Traité, les parties concernées se consultent en vue de régler rapidement ce différend par la voie de négociations ou par un autre moyen pacifique qui leur agrée, notamment en ayant recours aux organes appropriés du Traité et, par consentement mutuel, en saisissant la Cour internationale de Justice conformément au Statut de cette dernière. Les parties impliquées tiennent le Conseil exécutif informé des mesures prises.
  3. Le Conseil executif peut contribuer au règlement d'un différend portant sur l'application ou l'interprétation du présent Traité par tout moyen qu'il juge approprié, notamment en offrant ses bons offices, en invitant les Etats qui sont parties au differend à rechercher un règlement par la voie qui leur agrée, en portant la question à l'attention de la Conférence et en recommandant un délai d'exécution de toute procédure convenue.
  4. La Conférence examine, quant aux différends, les points qui sont soulevés par des Etats parties ou qui sont portés à son attention par le Conseil exécutif. Si elle le juge nécessaire, la Conférence crée des organes chargés de contribuer au règlement des différends ou confie cette tâche à des organes existants, conformément au paragraphe 26, alinéa j), de l'article II.
  5. La Conférence et le Conseil exécutif sont habilités séparément, sous réserve de l'autorisation de l'Assemblée générale des Nations Unies, à demander à la Cour internationale de Justice de donner un avis consultatif sur tout point de droit entrant dans le cadre des activités de l'Organisation. L'Organisation conclut un accord avec l'Organisation des Nations Unies à cette fin, conformément au paragraphe 38, alinéa h), de l'article II.
  6. Les dispositions du présent article sont sans préjudice de celles des articles IV et V.
Art. 7. Wijzigingen.
  1. Op elk tijdstip na de inwerkingtreding van dit Verdrag, kan elke Staat die Partij is voorstellen doen tot wijziging van dit Verdrag, het Protocol of de Bijlagen bij het Protocol. Iedere Staat die Partij is kan eveneens, overeenkomstig het zevende lid, voorstellen doen tot veranderingen van het Protocol of de Bijlagen daarvan. Voorstellen tot wijziging zijn onderworpen aan de procedures bedoeld in het tweede tot en met het zesde lid. Voorstellen voor veranderingen overeenkomstig het zevende lid, zijn onderworpen aan de procedures genoemd in het achtste lid.
  2. De voorgestelde wijziging wordt alleen bestudeerd en aangenomen door een Wijzigingsconferentie.
  3. Ieder wijzigingsvoorstel wordt gezonden naar de Directeur-Generaal, die het voorstel zendt aan alle Staten die Partij zijn en aan de Depositaris en hun vraagt of zij het opportuun achten een Wijzigingsconferentie bijeen te roepen ter bestudering van het voorstel. Indien een meerderheid van de Staten die Partij zijn de Directeur-Generaal uiterlijk 30 dagen na de verzending van het voorstel ervan in kennis stellen dat zij verdere bestudering van het voorstel steunen, roept de Directeur-Generaal een Wijzigingsconferentie bijeen waarvoor alle Staten die Partij zijn worden uitgenodigd.
  4. De Wijzigingsconferentie wordt onmiddellijk na een gewone vergadering van de Conferentie gehouden, tenzij alle Staten die Partij zijn die het bijeenroepen van een Wijzigingsconferentie steunen, verzoeken een eerdere bijeenkomst te houden. In geen geval wordt de Wijzigingsconferentie gehouden binnen 60 dagen na de toezending van de voorgestelde wijziging.
  5. Wijzigingen worden door de Wijzigingsconferentie aangenomen met de stemmen vóór van een meerderheid van de Staten die Partij zijn, terwijl geen enkele Staat die Partij is een stem tegen uitbrengt.
  6. Wijzigingen worden van kracht voor alle Staten die Partij zijn 30 dagen na de nederlegging van de akten van bekrachtiging of aanvaarding door alle Staten die Partij zijn die een stem vóór hebben uitgebracht op de Wijzigingsconferentie.
  7. Ter waarborging van de uitvoerbaarheid en de doeltreffendheid van dit Verdrag, zijn de Delen I en III van het Protocol en de Bijlagen 1 en 2 bij het Protocol onderworpen aan de manier van wijzigen overeenkomstig het achtste lid, indien de voorgestelde veranderingen slechts betrekking hebben op aangelegenheden van administratieve of technische aard. Alle andere bepalingen van het Protocol en de Bijlagen daarbij kunnen niet worden veranderd overeenkomstig het achtste lid.
  8. De in het zevende lid bedoelde voorgestelde veranderingen worden behandeld overeenkomstig de volgende procedure :
  a) De tekst van de voorgestelde veranderingen wordt samen met de vereiste informatie toegezonden aan de Directeur-Generaal. Elke Staat die Partij is en de Directeur-Generaal kunnen met het oog op de beoordeling van het voorstel deze aanvullende informatie verstrekken. De Directeur-Generaal deelt deze voorstellen en informatie onverwijld mede aan alle Staten die Partij zijn, de Uitvoerende Raad en de Depositaris;
  b) Uiterlijk 60 dagen na ontvangst van het voorstel, onderwerpt de Directeur-Generaal dit voorstel aan een beoordeling om vast te stellen wat de mogelijke gevolgen ervan zijn voor de bepalingen van dit Verdrag en de toepassing daarvan en deelt hij alle informatie mede aan alle Staten die Partij zijn en de Uitvoerende Raad;
  c) De Uitvoerende Raad bestudeert het voorstel aan de hand van alle informatie waarover hij beschikt, met inbegrip van de vraag of het voorstel voldoet aan de vereisten van het zevende lid. Uiterlijk 90 dagen na ontvangst van het voorstel legt de Uitvoerende Raad zijn aanbevelingen, met passende toelichtingen, ter bestudering voor aan alle Staten. De Staten die Partij zijn bevestigen de ontvangst binnen 10 dagen;
  d) Indien de Uitvoerende Raad alle Staten die Partij zijn aanbeveelt het voorstel aan te nemen, wordt het geacht te zijn goedgekeurd indien geen enkele Staat die Partij is hiertegen bezwaar maakt binnen 90 dagen na ontvangst van de aanbeveling. Indien de Uitvoerende Raad aanbeveelt het voorstel te verwerpen, wordt het geacht te zijn verworpen indien geen enkele Staat die Partij is binnen 90 dagen na ontvangst van de aanbeveling tegen de verwerping bezwaar maakt;
  e) Indien een aanbeveling van de Uitvoerende Raad niet wordt aanvaard zoals vereist ingevolge letter d, wordt door de Conferentie op haar volgende vergadering een besluit genomen inzake het voorstel als aangelegenheid van inhoudelijke aard, met inbegrip van de vraag of het voldoet aan de vereisten van het zevende lid;
  f) De Directeur-Generaal stelt alle Staten die Partij zijn alsmede de Depositaris in kennis van alle besluiten die ingevolge dit lid worden genomen.
  g) Ingevolge deze procedure goedgekeurde veranderingen worden voor alle Staten die Partij zijn van kracht 180 dagen na de datum van kennisgeving door de Directeur-Generaal dat zij zijn goedgekeurd tenzij een andere termijn wordt aanbevolen door de Uitvoerende Raad of bepaald door de Conferentie.
Art. 7. Amendements.
  1. A tout moment suivant l'entrée en vigueur du présent Traité, tout Etat partie peut proposer d'apporter des amendements au Traite, au Protocole ou aux Annexes du Protocole. Tout Etat partie peut aussi proposer d'apporter des modifications au Protocole ou aux Annexes y relatives en application du paragraphe 7. Les propositions d'amendement sont régies par la procédure énoncée aux paragraphes 2 à 6. Les propositions de modification faites en application du paragraphe 7 sont régies par la procédure énoncée au paragraphe 8.
  2. L'amendement proposé ne peut être examiné et adopté que par une conférence d'amendement.
  3. Toute proposition d'amendement est communiquée au Directeur général, qui la transmet à tous les Etats parties ainsi qu'au Dépositaire et demande aux Etats parties s'il y a lieu selon eux de convoquer une conférence d'amendement pour l'examiner. Si une majorité des Etats parties avisent le Directeur général, au plus tard 30 jours après la distribution du texte de la proposition, qu'ils sont favorables à la poursuite de l'examen de celle-ci, le Directeur général convoque une conférence d'amendement à laquelle tous les Etats parties sont invités.
  4. La conférence d'amendement se tient immédiatement après une session ordinaire de la Conférence, à moins que tous les Etats parties favorables à la convocation d'une conférence d'amendement ne demandent qu'elle se tienne à une date plus rapprochée. La conférence d'amendement ne se tient en aucun cas moins de 60 jours après la distribution du texte de l'amendement propose.
  5. Les amendements sont adoptés par la conférence d'amendement par un vote positif d'une majorité des Etats parties, sans vote négatif d'aucun Etat partie.
  6. Les amendements entrent en vigueur a l'égard de tous les Etats parties le trentième jour qui suit le dépôt des instruments de ratification ou d'acceptation par tous les Etats ayant exprimé un vote positif lors de la conférence d'amendement.
  7. Pour maintenir la viabilité et l'efficacité du présent Traité, les première et troisième parties du Protocole et les Annexes 1 et 2 du Protocole sont susceptibles d'être modifiées conformément au paragraphe 8 si les modifications proposées se rapportent uniquement à des questions d'ordre administratif ou technique. Aucune autre disposition du Protocole ou des Annexes y relatives n'est susceptible d'etre modifiee en vertu du paragraphe 8.
  8. Les propositions de modification visées au paragraphe 7 suivent la procédure ci-après :
  a) Le texte de la proposition de modification est transmis au Directeur général accompagné des renseignements nécessaires. Tout Etat partie et le Directeur général peuvent fournir un complément d'information aux fins de l'examen de la proposition. Le Directeur général transmet sans retard à tous les Etats parties, au Conseil exécutif et au Dépositaire cette proposition et ces informations;
  b) Au plus tard 60 jours après réception de la proposition, le Directeur général l'examine pour déterminer toutes les conséquences qu'elle pourrait avoir sur les dispositions du présent Traité et leur application et communique toutes informations à ce sujet à tous les Etats parties et au Conseil exécutif;
  c) Le Conseil exécutif étudie la proposition à la lumière de toutes les informations à sa disposition et détermine notamment si elle remplit les conditions énoncées au paragraphe 7. Au plus tard 90 jours après réception de la proposition, il notifie à tous les Etats parties sa recommandation, assortie des explications voulues, pour examen. Les Etats parties en accusent réception dans les 10 jours;
  d) Si le Conseil exécutif recommande à tous les Etats parties d'adopter la proposition, celle-ci est réputée approuvée si aucun Etat partie ne s'y oppose dans un délai de 90 jours à compter de la réception de la recommandation. Si le Conseil exécutif recommande de rejeter la proposition, celle-ci est réputée rejetée si aucun Etat partie ne s'oppose à son rejet dans un délai de 90 jours à compter de la réception de la recommandation;
  e) Si une recommandation du Conseil exécutif ne recueille pas l'approbation requise conformément aux dispositions de l'alinéa d), la Conférence se prononce à sa session suivante sur cette proposition quant au fond, notamment sur le point de savoir si elle satisfait aux conditions énoncées au paragraphe 7;
  f) Le Directeur général notifie à tous les Etats parties et au Dépositaire toute décision prise en vertu du présent paragraphe;
  g) Les modifications qui ont été approuvées conformément à la procédure énoncée ci-dessus entrent en vigueur à l'égard de tous les Etats parties le cent quatre-vingtième jour qui suit la date à laquelle le Directeur général a donné notification de leur approbation, à moins qu'un autre délai ne soit recommandé par le Conseil exécutif ou arrêté par la Conférence.
Art. 8. Toetsing van het Verdrag.
  1. Tenzij een meerderheid van de Staten die Partij zijn anders besluiten, vindt tien jaar na inwerkingtreding van dit Verdrag een Conferentie van Staten die Partij zijn plaats ter toetsing van de werking en doeltreffendheid van het Verdrag, teneinde zich ervan te verzekeren dat de in de Preambule en de bepalingen van het Verdrag genoemde voorwerpen en doelstellingen worden verwezenlijkt. Bij dergelijke toetsingen wordt rekening gehouden met voor dit Verdrag relevante nieuwe wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen. Op basis van een verzoek daartoe door een Staat die Partij is, overweegt de Toetsingsconferentie de mogelijkheid om ondergrondse kernexplosies voor vreedzame doeleinden toe te staan. Indien de Toetsingsconferentie bij consensus besluit dat dergelijke explosies kunnen worden toegestaan, vangt zij onverwijld met de werkzaamheden aan teneinde de Staten die Partij zijn voor te stellen het Verdrag zodanig te wijzigen dat militair voordeel uit deze kernexplosies wordt uitgesloten. Elk voorstel tot wijziging wordt door elke Staat die Partij is medegedeeld aan de Directeur-Generaal en wordt behandeld overeenkomstig het in artikel VII bepaalde.
  2. Met tussenpozen van tien jaar kunnen aanvullende Toetsingsconferenties bijeen worden geroepen voor hetzelfde doel, indien de Conferentie daartoe het voorgaande jaar besluit met de voor procedurele aangelegenheden vereiste meerderheid. Genoemde Conferenties mogen bijeen worden geroepen na een tijdsbestek van minder dan tien jaar, indien daartoe door de Conferentie wordt besloten volgens de procedure die geldt voor aangelegenheden van inhoudelijke aard.
  3. Normaliter worden Toetsingsconferenties gehouden onmiddellijk na de in artikel II bedoelde gewone jaarlijkse vergadering van de Conferentie.
Art. 8. Examen du Traité.
  1. Sauf si une majorité des Etats parties en décide autrement, 10 ans après l'entrée en vigueur du présent Traité, une conférence des Etats parties a lieu pour examiner le fonctionnement et l'efficacité du Traité, en vue de s'assurer que les objectifs et les buts énoncés dans le préambule et les dispositions du Traité sont en voie de réalisation. Cet examen tient compte de toutes innovations scientifiques et technologiques ayant un rapport avec le Traité. Sur la base d'une demande présentée par l'un quelconque des Etats parties, la conférence d'examen envisage la possibilité d'autoriser la réalisation d'explosions nucléaires souterraines a des fins pacifiques. Si la conférence d'examen décide par consensus que de telles explosions nucléaires peuvent être autorisées, elle commence sans attendre ses travaux en vue de recommander aux Etats parties un amendement approprié du Traité, qui empêche que des avantages militaires ne soient retirés de ces explosions nucléaires. Toute proposition d'amendement à cet effet est communiquée au Directeur général par l'un quelconque des Etats parties et suit la procédure énoncée dans les dispositions correspondantes de l'article VII.
  2. Par la suite, à des intervalles de 10 ans, d'autres conférences d'examen ayant le même objet peuvent être convoquées si la Conférence en décide ainsi l'année précédente à la majorite requise pour les questions de procédure. Une conférence ayant cet objet peut être convoquée après un intervalle de moins de 10 ans si la Conférence en décide ainsi selon la procédure prevue pour les questions de fond.
  3. Les conférences d'examen se tiennent normalement immédiatement après la session annuelle ordinaire de la Conférence prévue à l'article II.
Art. 9. Duur en opzegging.
  1. Dit Verdrag geldt voor onbeperkte duur.
  2. Elke Staat die Partij is heeft in de uitoefening van zijn nationale soevereiniteit, het recht dit Verdrag op te zeggen indien hij besluit dat uitzonderlijke gebeurtenissen die verband houden met het onderwerp van dit Verdrag zijn hoogste belangen in gevaar hebben gebracht.
  3. De opzegging geschiedt met inachtneming van een termijn van zes maanden door middel van een kennisgeving aan alle andere Staten die Partij zijn, de Uitvoerende Raad, de Depositaris en aan de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. Deze kennisgeving dient een uiteenzetting te omvatten van de uitzonderlijke gebeurtenis of gebeurtenissen die naar de mening van de Staat die Partij is zijn hoogste belangen in gevaar hebben gebracht.
Art. 9. Durée et retrait.
  1. Le présent Traité a une durée illimitée.
  2. Chaque Etat partie, dans l'exercice de sa souveraineté nationale, a le droit de se retirer du présent Traité s'il juge que des événements extraordinaires en rapport avec l'objet du Traité ont compromis ses intérêts suprêmes.
  3. Le retrait s'effectue en adressant avec un préavis de six mois une notification à tous les autres Etats parties, au Conseil exécutif, au Dépositaire et au Conseil de sécurité de l'Organisation des Nations Unies. Ladite notification contient un exposé de l'événement ou des événements extraordinaires que l'Etat partie considère comme ayant compromis ses intérêts suprêmes.
Art. 10. Status van het Protocol en de Bijlagen.
  De Bijlagen bij dit Verdrag, het Protocol en de Bijlagen bij het Protocol vormen een integrerend deel van het Verdrag. Verwijzingen naar dit Verdrag hebben tevens betrekking op de Bijlagen bij dit Verdrag, het Protocol en de Bijlagen bij het Protocol.
Art. 10. Statut du Protocole et des Annexes.
  Les Annexes du présent Traité, le Protocole et les Annexes du Protocole font partie intégrante du Traité. Toute référence au Traité renvoie également aux Annexes du Traité, au Protocole et aux Annexes du Protocole.
Art. 11. Ondertekening.
  Dit Verdrag staat vóór de inwerkingtreding open voor ondertekening voor alle Staten.
Art. 11. Signature. Le présent Traité est ouvert à la signature de tous les Etats avant son entrée en vigueur.
Art. 12. Bekrachtiging.
  Dit Verdrag dient door de ondertekenende Staten te worden bekrachtigd overeenkomstig hun respectieve constitutionele procedures.
Art. 12. Ratification.
  Le présent Traité est soumis à ratification par les Etats signataires suivant leurs règles constitutionnelles respectives.
Art. 13. Toetreding.
  Iedere Staat die dit Verdrag vóór de inwerkingtreding niet ondertekent, kan op elk tijdstip daarna ertoe toetreden.
Art. 13. Adhésion.
  Tout Etat qui n'a pas signé le présent Traité avant son entrée en vigueur peut y adhérer à tout moment par la suite.
Art. 14. Inwerkingtreding.
  1. Dit Verdrag treedt in werking 180 dagen na de datum van nederlegging van de akten van bekrachtiging door alle Staten genoemd in Bijlage 2 bij dit Verdrag, doch in geen geval eerder dan twee jaar nadat het is opengesteld voor ondertekening.
  2. Indien dit Verdrag niet in werking is getreden drie jaar na de datum waarop het is opengesteld voor ondertekening, roept de Depositaris een Conferentie bijeen van Staten die hun akten van bekrachtiging reeds hebben nedergelegd, op verzoek van een meerderheid van deze Staten. Deze Conferentie beoordeelt in hoeverre aan de vereisten van het eerste lid is voldaan en overweegt en besluit bij consensus welke maatregelen in overeenstemming met het internationale recht kunnen worden getroffen om de bekrachtigingsprocedure te versnellen teneinde de tijdige inwerkingtreding van dit Verdrag te vergemakkelijken.
  3. Tenzij anders wordt bepaald door de in het tweede lid bedoelde Conferentie of door andere soortgelijke conferenties, wordt deze procedure herhaald bij de daaropvolgende verjaardagen van de openstelling voor ondertekening van dit Verdrag, totdat het in werking is getreden.
  4. Alle ondertekenende Staten zullen worden uitgenodigd de in het tweede lid bedoelde Conferentie en de in het derde lid bedoelde latere conferenties als waarnemers bij te wonen.
  5. Ten aanzien van Staten waarvan de akten van bekrachtiging of toetreding zijn nedergelegd na de inwerkingtreding van dit Verdrag, treedt dit Verdrag in werking op de dertigste dag na de datum van nederlegging van hun akte van bekrachtiging of toetreding.
Art. 14. Entrée en vigueur.
  1. Le présent Traité entre en vigueur le cent quatre-vingtième jour qui suit la date de dépôt des instruments de ratification de tous les Etats indiqués à l'Annexe 2 du Traité, mais en aucun cas avant l'expiration d'un délai de deux ans à compter de la date de son ouverture à la signature.
  2. Si le présent Traité n'est pas entré en vigueur trois ans après la date de l'anniversaire de son ouverture à la signature, le Dépositaire convoque, à la demande de la majorité des Etats ayant déjà déposé leur instrument de ratification, une conférence desdits Etats. Ceux-ci déterminent à cette conférence dans quelle mesure la condition énoncée au paragraphe 1 a été remplie, puis se penchent et se prononcent par consensus sur les mesures qui pourraient être prises suivant le droit international en vue d'accélérer le processus de ratification et de faciliter ainsi l'entrée en vigueur du Traité à une date rapprochée.
  3. A moins qu'il n'en soit décidé autrement à la conférence visée au paragraphe 2 ou lors d'autres conférences de cette nature, cette procédure est engagée de nouveau à l'occasion des anniversaires ultérieurs de l'ouverture du présent Traité à la signature, jusqu'à ce que celui-ci entre en vigueur.
  4. Tous les Etats signataires sont invités à assister en qualité d'observateur à la conférence visée au paragraphe 2 et à toutes conférences ultérieures qui seraient tenues conformément au paragraphe 3.
  5. A l'égard des Etats dont l'instrument de ratification ou d'adhésion est déposé après l'entrée en vigueur du présent Traité, celui-ci entre en vigueur le trentième jour qui suit la date de dépôt de cet instrument.
Art. 15. Voorbehouden.
  Er kunnen ten aanzien van de artikelen van alsmede de Bijlagen bij dit Verdrag geen voorbehouden worden gemaakt. Ten aanzien van de bepalingen van het Protocol bij dit Verdrag en van de Bijlagen bij het Protocol kunnen geen voorbehouden worden gemaakt die strijdig zijn met het voorwerp en doel van dit Verdrag.
Art. 15. Réserves.
  Les articles et les Annexes du présent Traité ne peuvent pas donner lieu à des réserves. Les dispositions du Protocole et les Annexes du Protocole ne peuvent pas donner lieu à des réserves qui sont incompatibles avec l'objet et le but du Traite.
Art. 16. Depositaris.
  1. De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties is de Depositaris van dit Verdrag; hij doet de ondertekeningen registreren en neemt de akten van bekrachtiging en toetreding in ontvangst.
  2. De Depositaris doet onverwijld alle ondertekenende Staten en toetredende Staten kennisgeving van de datum van elke ondertekening, de datum van nederlegging van elke akte van bekrachtiging of toetreding, de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag alsmede van de wijzigingen en veranderingen hiervan, en van de ontvangst van andere kennisgevingen.
  3. De Depositaris doet voor eensluidend gewaarmerkte afschriften van dit Verdrag toekomen aan de regeringen van de ondertekenende Staten en van de toetredende Staten.
  4. Dit Verdrag wordt overeenkomstig artikel 102 van het Handvest van de Verenigde Naties geregistreerd door de Depositaris.
Art. 16. Dépositaire.
  1. Le Secrétaire général de l'Organisation des Nations Unies est le dépositaire du présent Traité; il enregistre les signatures et reçoit les instruments de ratification ou d'adhésion.
  2. Le Dépositaire informe sans retard tous les Etats qui ont signé le présent Traité ou qui y ont adhéré de la date de chaque signature, de la date de dépôt de chaque instrument de ratification ou d'adhésion et de la date d'entrée en vigueur du Traité et de tous amendements ou modifications y relatifs, ainsi que de la réception de toutes autres notifications.
  3. Le Dépositaire fait tenir aux gouvernements des Etats qui ont signé le présent Traité ou qui y ont adhére des copies certifiées conformes du texte du Traité.
  4. Le présent Traité est enregistré par le Dépositaire en application de l'Article 102 de la Charte des Nations Unies.
Art. 17. Authentieke teksten.
  Dit Verdrag, waarvan de Arabische, de Chinese, de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse tekst gelijkelijk authentiek zijn, wordt nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.
Art. 17. Textes faisant foi.
  Le présent Traité, dont les textes anglais, arabe, chinois, espagnol, français et russe font également foi, est deposé auprès du Secrétaire général de l'Organisation des Nations Unies.
Bijlagen.
Annexes.
Art. N1. Bijlage 1. Lijst van Staten ingevolge het achtentwintigste lid van artikel II.
  Afrika.
  Algerije, Angola, Benin, Botswana, Burkina Faso, Centraal-Afrikaanse Republiek, Comoren, Congo, Ivoorkust, Djibouti, Egypte, Equatoriaal-Guinea, Eritrea, Ethiopië, Gabon, Gambia, Ghana, Guinee, Guinee-Bissau, Kaapverdië, Kameroen, Kenia, Lesotho, Liberia, Libisch-Arabische Jamahiriya, Madagaskar, Malawi, Mali, Marokko, Mauritanië, Mauritius, Mozambique, Namibië, Niger, Nigeria, Rwanda, Sao Tomé en Principe, Senegal, de Seychellen, Siërra Leone, Somalië, Sudan, Swaziland, Togo, Tsjaad, Tunesië, Uganda, Verenigde Republiek Tanzania, Zaïre, Zambia, Zimbabwe, Zuid-Afrika.
  Oost-Europa.
  Albanië, Armenië, Azerbeidzjan, Bosnië-Herzegovina, Bulgarije, Estland, Georgië, Hongarije, Joegoslavië, Kroatië, Letland, Litouwen, Moldavië, Oekraïne, Polen, Roemenië, Russische Federatie, Slowakije, Slovenië, de Tsjechische Republiek, De Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Wit-Rusland.
  Latijns-Amerika en het Caribisch Gebied.
  Antigua en Barbuda, Argentinië, Bahamas, Barbados, Belize, Bolivia, Brazilië, Chili, Colombia, Costa Rica, Cuba, Dominica, de Dominicaanse Republiek, Ecuador, El Salvador, Grenada, Guatemala, Guyana, Haïti, Honduras, Jamaica, Mexico, Nicaragua, Panama, Paraguay, Peru, Saint Kitts en Nevis, Saint Lucia, Saint Vincent en de Grenadines, Suriname, Trinidad en Tobago, Uruguay, Venezuela.
  Midden-Oosten en Zuid-Azië.
  Afghanistan, Arabische Republiek Syrië, Bahrein, Bangladesh, Bhutan, India, Iran (Islamitische Republiek), Irak, Israël, Jemen, Jordanië, Kazachstan, Kyrgyzstan, Koeweit, Libanon, Maldiven, Oezbekistan, Oman, Nepal, Pakistan, Qatar, Saoedi-Arabië, Sri Lanka, Tadzjikistan, Turkmenistan, de Verenigde Arabische Emiraten.
  Noord-Amerika en West-Europa.
  Andorra, België, Canada, Cyprus, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Ierland, IJsland, Italië, Liechtenstein, Luxemburg, Malta, Monaco, Nederland, Noorwegen, Oostenrijk, Portugal, San Marino, Spanje, Turkije, Vaticaanstad, de Verenigde Staten van Amerika, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Zweden, Zwitserland.
  Zuid-Oost-Azië, de regio Stille Oceaan en het Verre Oosten.
  Australië, Brunei Durassalam, Cambodja, China, Cookeilanden, de Democratische Volksrepubliek Korea, de Democratische Volksrepubliek Laos, Fiji, de Filippijnen, Indonesië, Japan, Kiribati, Maleisië, de Marshalleilanden, Micronesia (de Federale Staten van), Mongolië, Myanmar, Nauru, Nieuw-Zeeland, Niue, Palau, Papoea-Nieuw-Guinea, de Republiek Korea, Samoa, Singapore, de Salomonseilanden, Thailand, Tonga, Tuvalu, Vanuatu, Vietnam.
Art. N1. Annexe 1. Liste d'Etats établie en application du paragraphe 28 de l'article II.
  Afrique.
  Afrique du Sud, Algérie, Angola, Bénin, Botswana, Burkina Faso, Burundi, Cameroun, Cap-Vert, Comores, Congo, Côte d'Ivoire, Djibouti, Egypte, Erythrée, Ethiopie, Gabon, Gambie, Ghana, Guinée, Guinée-Bissau, Guinée équatoriale, Jamahiriya arabe libyenne, Kenya, Lesotho, Libéria, Madagascar, Malawi, Mali, Maroc, Maurice, Mauritanie, Mozambique, Namibie, Niger, Nigéria, Ouganda, République Centrafricaine, République-Unie de Tanzanie, Rwanda, Sao Tomé-et-Principe, Sénégal, Seychelles, Sierra Leone, Somalie, Soudan, Swaziland, Tchad, Togo, Tunisie, Zaïre, Zambie, Zimbabwe.
  Europe orientale.
  Albanie, Arménie, Azerbaïdjan, Bélarus, Bosnie-Herzégovine, Bulgarie, Croatie, Estonie, ex-République yougoslave de Macedoine, Fédération de Russie, Georgie, Hongrie, Lettonie, Lituanie, Pologne, République de Moldova, République tchèque, Roumanie, Slovaquie, Slovénie, Ukraine, Yougoslavie.
  Amérique latine et Caraïbes.
  Antigua-et-Barbuda, Argentine, Bahamas, Barbade, Belize, Bolivie, Brésil, Chili, Colombie, Costa Rica, Cuba, Dominique, El Salvador, Equateur, Grenade, Guatemala, Guyane, Haïti, Honduras, Jamaïque, Mexique, Nicaragua, Panama, Paraguay, Pérou, République dominicaine, Sainte-Lucie, Saint-Kitts-et-Nevis, Saint-Vincent-et-les Grenadines, Suriname, Trinité-et-Tobago, Uruguay, Venezuela.
  Moyen-Orient et Asie du Sud.
  Afghanistan, Arabie saoudite, Bahreïn, Bangladesh, Bhoutan, Emirats arabes unis, Inde, Iran (République islamique d'), Iraq, Israël, Jordanie, Kazakstan, Kirghizistan, Koweït, Liban, Maldives, Népal, Oman, Ouzbékistan, Pakistan, Qatar, République arabe syrienne, Sri Lanka, Tadjikistan, Turkménistan, Yemen.
  Amérique du Nord et Europe occidentale.
  Allemagne, Andorre, Autriche, Belgique, Canada, Chypre, Danemark, Espagne, Etats-Unis d'Amérique, Finlande, France, Grèce, Irlande, Islande, Italie, Liechtenstein, Luxembourg, Malte, Monaco, Norvège, Pays-Bas, Portugal, Royaume-Uni de Grande-Bretagne et d'Irlande du Nord, Saint-Marin, Saint-Siège, Suède, Suisse, Turquie.
  Asie du Sud-Est, Pacifique et Extrême-Orient.
  Australie, Brunei Darussalam, Cambodge, Chine, Fidji, les Cook, les Marshall, les Salomon, Indonésie, Japon, Kiribati, Malaisie, Micronésie (Etats fédérés de), Mongolie, Myanmar, Nauru, Nioué, Nouvelle-Zelande, Palaos, Papouasie-Nouvelle-Guinée, Philippines, République de Corée, République démocratique populaire lao, République populaire démocratique de Corée, Samoa, Singapour, Thaïlande, Tonga, Tuvalu, Vanuatu, Viet Nam.
Art. N2. Bijlage 2. Lijst van Staten ingevolge artikel XIV.
  Lijst van Staten die op 18 juni 1996 lid zijn van de Ontwapeningsconferentie en officieel deel hebben genomen aan de werkzaamheden tijdens de zitting van 1996 van deze Conferentie en die zijn opgenomen in Tabel 1 van de uitgave van april 1996 van " Nuclear Power Reactors in the World " van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie, en van Staten die op 18 juni 1996 lid zijn van de Conferentie en die officieel hebben deelgenomen aan de werkzaamheden tijdens de zitting van 1996 van deze Conferentie en die zijn opgenomen in Tabel 1 van de uitgave van december 1995 van " Nuclear Research Reactors in the World " van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie :
  Algerije, Argentinië, Australië, Bangladesh, België, Brazilië, Bulgarije, Canada, Chili, China, Colombia, de Democratische Volksrepubliek Korea, Duitsland, Egypte, Finland, Frankrijk, Hongarije, India, Indonesië, Iran (Islamitische Republiek), Israël, Italië, Japan, Mexico, Nederland, Noorwegen, Oekraïne, Oostenrijk, Pakistan, Peru, Polen, Roemenië, Republiek Korea, de Russische Federatie, Slowakije, Spanje, Turkije, Zuid-Afrika, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, de Verenigde Staten van Amerika, Vietnam, Zweden, Zwitserland, Zaïre.
Art. N2. Annexe 2. Liste d'Etats établie en application de l'article XIV.
  Liste des Etats membres de la Conférence du désarmement au 18 juin 1996 qui ont participe officiellement aux travaux de la session de 1996 de cette instance et dont le nom figure au tableau 1 de la publication de l'Agence internationale de l'énergie atomique consacrée aux réacteurs de puissance nucléaires dans le monde (" Nuclear Power Reactors in the World ") (édition d'avril 1996), ainsi que des Etats membres de la Conférence du désarmement au 18 juin 1996 qui ont participé officiellement aux travaux de la session de 1996 de cette instance et dont le nom figure au tableau 1 de la publication de l'Agence internationale de l'énergie atomique consacrée aux réacteurs de recherche nucléaire dans le monde (" Nuclear Research Reactors in the World ") (édition de décembre 1995) :
  Afrique du Sud, Algérie, Allemagne, Argentine, Australie, Autriche, Bangladesh, Belgique, Brésil, Bulgarie, Canada, Chili, Chine, Colombie, Egypte, Espagne, Etats-Unis d'Amérique, Fédération de Russie, Finlande, France, Hongrie, Inde, Indonésie, Iran (République islamique d'), Israël, Italie, Japon, Mexique, Norvège, Pakistan, Pays-Bas, Pérou, Pologne, République de Corée, Republique populaire démocratique de Corée, Roumanie, Royaume-Uni de Grande-Bretagne et d'Irlande du Nord, Slovaquie, Suède, Suisse, Turquie, Ukraine, Viet Nam, Zaïre.
Art. N3. Bijlage 3. Gebonden Staten.
Art. N3. Annexe 3. Etats liés.
  Staten                           Ondertekening        Bekrachtiging
  Albanie                          27 september 1996
  Algerije                         15 oktober 1996
  Andorra                          24 september 1996
  Angola                           27 september 1996
  Antigua en Barbuda               16 april 1997
  Argentinie                       24 september 1996     4 december 1998
  Armenie                           1 oktober 1996
  Australie                        24 september 1996     9 juli 1998
  Azerbeidzjan                     28 juli 1997          2 februari 1999
  Bahrein                          24 september 1996
  Bangladesh                       24 oktober 1996
  Belarus                          24 september 1996
  Belgie                           24 september 1996    29 juni 1999
  Benin                            27 september 1996
  Bolivie                          24 september 1996
  Bosnie-Herzegovina               24 september 1996
  Brazilie                         24 september 1996    24 juli 1998
  Brunei Darussalam                22 januari 1997
  Bulgarije                        24 september 1996
  Burkina Faso                     27 september 1996
  Burundi                          24 september 1996
  Cambodja                         26 september 1996
  Canada                           24 september 1996
  Chili                            24 september 1996
  China                            24 september 1996
  Colombie                         24 september 1996
  Comoren                          12 december 1996
  Congo                            11 februari 1997
  Congo (Rep. Dem.)                 4 oktober 1996
  Cookeilanden                      5 december 1997
  Costa Rica                       24 september 1996
  Cyprus                           24 september 1996
  Denemarken                       24 september 1996    21 december 1998
  Djibouti                         21 oktober 1996
  Dominicaanse Rep.                 3 oktober 1996
  Duitsland                        24 september 1996    20 augustus 1998
  Ecuador                          24 september 1996
  Egypte                           14 oktober 1996
  El Salvador                      24 september 1996    11 september 1998
  Equatoriaal Guinea                9 oktober 1996
  Estonia                          20 november 1996
  Ethiopie                         25 september 1996
  Fidji                            24 september 1996    10 oktober 1996
  Filippijnen                      24 september 1996
  Finland                          24 september 1996    15 januari 1999
  Frankrijk                        24 september 1996     6 april 1998
  Gabon                             7 oktober 1996
  Georgie                          24 september 1996
  Ghana                             3 oktober 1996
  Grenada                          10 oktober 1996      19 augustus 1998
  Griekenland                      24 september 1996    21 april 1999
  Guinea                            3 oktober 1996
  Guinea-Bissau                    11 april 1997
  Haiti                            24 september 1996
  Heilige Stoel                    24 september 1996
  Honduras                         25 september 1996
  Hongarije                        25 september 1996
  Ierland                          24 september 1996
  Ijsland                          24 september 1996
  Indonesie                        24 september 1996
  Iran (Islam. Rep.)               24 september 1996
  Israel                           25 september 1996
  Italie                           24 september 1996     1 februari 1999
  Ivoorkust                        25 september 1996
  Jamaica                          11 november 1996
  Japan                            24 september 1996     8 juli 1997
  Jemen                            30 september 1996
  Jordanie                         26 september 1996    25 augustus 1998
  Kaapverdie                        1 oktober 1996
  Kazakhstan                       30 september 1996
  Kenya                            14 november 1996
  Koeweit                          24 september 1996
  Korea Republiek                  24 september 1996
  Kroatie                          24 september 1996
  Kyrgyzstan                        8 oktober 1996
  Laos (Dem. Volksrep.)            30 juli 1997
  Lesotho                          30 september 1996
  Letland                          24 september 1996
  Liberia                           1 oktober 1996
  Liechtenstein                    27 september 1996
  Litouwen                          7 oktober 1996
  Luxembourg                       24 september 1996    26 mei 1999
  Macedonie (voormalige            29 oktober 1998
   Joegoslavische Rep.)
  Madagascar                        9 oktober 1996
  Malawi                            9 oktober 1996
  Maldives                          1 oktober 1997
  Maleisie                         23 juli 1998
  Mali                             18 februari 1997
  Malta                            24 september 1996
  Marokko                          24 september 1996
  Marshalleilanden                 24 september 1996
  Mauritanie                       24 september 1996
  Mexico                           24 september 1996
  Micronesie (Fed. Staten)         24 september 1996    25 juli 1997
  Moldova (Rep.)                   24 september 1997
  Monaco                            1 oktober 1996      18 december 1998
  Mongolie                          1 oktober 1996       8 augustus 1997
  Mozambique                       26 september 1996
  Myanmar                          25 november 1996
  Namibie                          24 september 1996
  Nederland                        24 september 1996    23 maart 1999
  Nepal                             8 oktober 1996
  Nicaragua                        24 september 1996
  Nieuw-Zeeland                    27 september 1996    19 maart 1999
  Niger                            24 september 1996
  Noorwegen                         3 oktober 1996
  Oeganda                           7 november 1996
  Oekraine                         27 september 1996
  Oezbekistan                       3 oktober 1996      29 mei 1997
  Oostenrijk                       24 september 1996    13 maart 1998
  Panama                           24 september 1996    23 maart 1999
  Papua-Nieuw-Guinea               25 september 1996
  Paraguay                         25 september 1996
  Perou                            25 september 1996    12 november 1997
  Polen                            24 september 1996    25 mei 1999
  Portugal                         24 september 1996
  Qatar                            24 september 1996     3 maart 1997
  Roemenie                         24 september 1996
  Russische Fed.                   24 september 1996
  Samoa                             9 oktober 1996
  San-Marino                        7 oktober 1996
  Sao-Tome & Principe              26 september 1996
  Senegal                          26 september 1996     9 juni 1999
  Seychelles                       24 september 1996
  Singapour                        14 januari 1999
  Saint-Lucia                       4 oktober 1996
  Slovakije                        30 september 1996     3 maart 1998
  Slovenie                         24 september 1996
  Salomoneilanden                   3 oktober 1996
  Spanje                           24 september 1996    31 juli 1998
  Sri Lanka                        24 oktober 1996
  Suriname                         14 januari 1997
  Swaziland                        24 september 1996
  Tadjikistan                       7 oktober 1996      10 juni 1998
  Thailand                         12 november 1996
  Togo                              2 oktober 1996
  Tsjaad                            8 october 1996
  Tsjechische Republiek            12 november 1996     11 september 1997
  Tunesie                          16 oktober 1996
  Turkije                          24 september 1996
  Turkmenistan                     24 september 1996    20 februari 1998
  Uruguay                          24 september 1996
  Vanuatu                          24 september 1996
  Venezuela                         3 oktober 1996
  Verenigd Koninkrijk van          24 september 1996     6 april 1998
   Groot-Brittannie en
   Noord-Ierland
  Verenigde Arabische Emiraten     25 september 1996
  Verenigde Staten van Amerika     24 september 1996
  Vietnam                          24 september 1996
  Zambia                            3 december 1996
  Zuid-Afrika                      24 september 1996    30 maart 1999
  Zweden                           24 september 1996     2 december 1998
  Zwitserland                      24 september 1996
  Etats                            Signature            Ratification
  Albanie                          27 septembre 1996
  Afrique du sud                   24 septembre 1996    30 mars 1999
  Algerie                          15 octobre 1996
  Allemagne                        24 septembre 1996    20 août 1998
  Andorra                          24 septembre 1996
  Angola                           27 septembre 1996
  Antigua en Barbuda               16 avril 1997
  Argentine                        24 septembre 1996     4 décembre 1998
  Armenie                           1 octobre 1996
  Australie                        24 septembre 1996     9 juillet 1998
  Autriche                         24 septembre 1996    13 mars 1998
  Azerbaijdan                      28 juillet 1997       2 fevrier 1999
  Bahrein                          24 septembre 1996
  Bangladesh                       24 octobre 1996
  Belarus                          24 septembre 1996
  Belgique                         24 septembre 1996    29 juin 1999
  Benin                            27 septembre 1996
  Bolivie                          24 septembre 1996
  Bosnie-Herzegovine               24 septembre 1996
  Brasil                           24 septembre 1996    24 juillet 1998
  Brunei Darussalam                22 janvier 1997
  Bulgarie                         24 septembre 1996
  Burkina Faso                     27 septembre 1996
  Burundi                          24 septembre 1996
  Cambodge                         26 septembre 1996
  Canada                           24 septembre 1996
  Chili                            24 septembre 1996
  China                            24 septembre 1996
  Chypre                           24 septembre 1996
  Colombie                         24 septembre 1996
  Comoren                          12 décembre 1996
  Congo                            11 fevrier 1997
  Congo (Rep. Dem.)                 4 octobre 1996
  Coree (Rep.)                     24 septembre 1996
  Costa Rica                       24 septembre 1996
  Cote d'Ivoire                    25 septembre 1996
  Croatie                          24 septembre 1996
  Danemark                         24 septembre 1996    21 décembre 1998
  Djibouti                         21 octobre 1996
  Egypte                           14 octobre 1996
  El Salvador                      24 septembre 1996    11 septembre 1998
  Emirats Arabes Unis              25 septembre 1996
  Equateur                         24 septembre 1996
  Espagne                          24 septembre 1996    31 juillet 1998
  Estonie                          20 novembre 1996
  Etats-Unis d'Amerique            24 septembre 1996
  Ethiopie                         25 septembre 1996
  Fidji                            24 septembre 1996    10 octobre 1996
  Finlande                         24 septembre 1996    15 janvier 1999
  France                           24 septembre 1996     6 avril 1998
  Gabon                             7 octobre 1996
  Georgie                          24 septembre 1996
  Ghana                             3 octobre 1996
  Grece                            24 septembre 1996    21 avril 1999
  Grenade                          10 octobre 1996      19 août 1998
  Guinee                            3 octobre 1996
  Guinee equatoriale                9 octobre 1996
  Guinee-Bissau                    11 avril 1997
  Haiti                            24 septembre 1996
  Honduras                         25 septembre 1996
  Hongrie                          25 septembre 1996
  Iles Cook                         5 décembre 1997
  Iles Marshall                    24 septembre 1996
  Iles Salomon                      3 octobre 1996
  Indonesie                        24 septembre 1996
  Iran (Rep. Islam.)               24 septembre 1996
  Irlande                          24 septembre 1996
  Islande                          24 septembre 1996
  Israel                           25 septembre 1996
  Italie                           24 septembre 1996     1 fevrier 1999
  Jamaique                         11 novembre 1996
  Japon                            24 septembre 1996     8 juillet 1997
  Jordanie                         26 septembre 1996    25 août 1998
  Kaapverdie                        1 octobre 1996
  Kazakhstan                       30 septembre 1996
  Kenya                            14 novembre 1996
  Kirghistan                        8 octobre 1996
  Koweit                           24 septembre 1996
  Laos (Rep. dem. populaire)       30 juillet 1997
  Liberia                           1 octobre 1996
  Lesotho                          30 septembre 1996
  Lettonie                         24 septembre 1996
  Liechtenstein                    27 septembre 1996
  Lituanie                          7 octobre 1996
  Luxembourg                       24 septembre 1996    26 mai 1999
  Macedoine (ex-Rep. Yougoslave)   29 octobre 1998
  Madagascar                        9 octobre 1996
  Malaisie                         23 juillet 1998
  Malawi                            9 octobre 1996
  Maldives                          1 octobre 1997
  Mali                             18 fevrier 1997
  Malte                            24 septembre 1996
  Maroc                            24 septembre 1996
  Mauritanie                       24 septembre 1996
  Mexique                          24 septembre 1996
  Micronesie (Etats fed.)          24 septembre 1996    25 juillet 1997
  Moldova                          24 septembre 1997
  Monaco                            1 octobre 1996      18 décembre 1998
  Mongolie                          1 octobre 1996       8 août 1997
  Mozambique                       26 septembre 1996
  Myanmar                          25 novembre 1996
  Namibie                          24 septembre 1996
  Nepal                             8 octobre 1996
  Nicaragua                        24 septembre 1996
  Niger                             3 octobre 1996
  Norvege                          24 septembre 1996
  Nouvelle-Zelande                 27 septembre 1996    19 mars 1999
  Ouganda                           7 novembre 1996
  Ouzbekistan                       3 octobre 1996      29 mai 1997
  Panama                           24 septembre 1996    23 mars 1999
  Papouasie Nouvelle-Guinee        25 septembre 1996
  Paraguay                         25 septembre 1996
  Pays-Bas                         24 septembre 1996    23 mars 1999
  Perou                            25 septembre 1996    12 novembre 1997
  Philippines                      24 septembre 1996
  Pologne                          24 septembre 1996    25 mai 1999
  Portugal                         24 septembre 1996
  Qatar                            24 septembre 1996     3 mars 1997
  Republique Dominicaine            3 octobre 1996
  Republique Tcheque               12 novembre 1996     11 septembre 1997
  Roumanie                         24 septembre 1996
  Royaume-Unie du Grande-Bretagne  24 septembre 1996     6 avril 1998
   et d'Irlande du Nord
  Russie (Fed.)                    24 septembre 1996
  Saint-Lucie                       4 octobre 1996
  Saint-Marin                       7 octobre 1996
  Saint-Siege                      24 septembre 1996
  Samoa                             9 octobre 1996
  Sao-Tome & Principe              26 septembre 1996
  Senegal                          26 septembre 1996     9 juin 1999
  Seychelles                       24 septembre 1996
  Singapour                        14 janvier 1999
  Slovaquie                        30 septembre 1996     3 mars 1998
  Slovenie                         24 septembre 1996
  Sri Lanka                        24 octobre 1996
  Suede                            24 septembre 1996     2 décembre 1998
  Suisse                           24 septembre 1996
  Suriname                         14 janvier 1997
  Swaziland                        24 septembre 1996
  Tadjikistan                       7 octobre 1996      10 juin 1998
  Thailande                        12 novembre 1996
  Togo                              2 octobre 1996
  Tsjaad                            8 octobre 1996
  Turkmenistan                     24 septembre 1996    20 fevrier 1998
  Tunisie                          16 octobre 1996
  Turquie                          24 septembre 1996
  Ukraine                          27 septembre 1996
  Uruguay                          24 septembre 1996
  Vanuatu                          24 septembre 1996
  Venezuela                         3 octobre 1996
  Vietnam                          24 septembre 1996
  Yemen                            30 septembre 1996
  Zambie                            3 décembre 1996