Zum Hauptinhalt

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
4 MAART 1997. - Samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat en de Gewesten betreffende doorstromingsprogramma's. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 09-08-1997 en tekstbijwerking tot 01-08-1998)
Titre
4 MARS 1997. - Accord de coopération entre l'Etat fédéral et les Régions relatif au programme de transition professionnelle. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 09-08-1997 et mis à jour au 01-08-1998)
Tekst (16)
Texte (16)
Artikel 1. De ondertekende partijen verbinden er zich toe, elk binnen hun bevoegdheid, de nodige maatregelen te nemen voor de creatie van doorstromingsprogramma's.
Article 1. Les parties contractantes s'engagent à prendre, chacune dans le cadre de ses compétences, les mesures nécessaires à la création de programmes de transition professionnelle.
Art. 2. De doorstromingsprogramma's dienen erkend te worden door de Gewestminister bevoegd voor tewerstelling, met uizondering van de programma's in de besturen of diensten van de Federale overheid of in de besturen of diensten die onder het toezicht van deze overheid ressorteren voor dewelke de erkenning gebeurt door de Federale Minister bevoegd voor tewerkstelling.
Art. 2. Les programmes de transition professionnelle doivent être reconnus par le Ministre régional compétent pour l'Emploi, à l'exception des programmes dans les administrations et services de l'autorité fédérale ou placés sous sa tutelle pour lesquels la reconnaissance est accordée par le Ministre fédéral qui a l'Emploi dans ses attributions.
Art. 3. Om erkend te kunnen worden door de bevoegde Minister bedoeld in artikel 2, dient het programma tegemoet te komen aan collectieve maatschappelijke noden waaraan niet of onvoldoende wordt tegemoetgekomen via het reguliere arbeidscircuit.
  De doorstromingsprogramma's zijn niet van toepassing in de sectoren die het voordeel van de " sociale Maribel "-maatregel genieten. (Deze bepaling wordt opgeheven op 1 juli 1998, na wijziging van artikel 4, § 2, van het koninklijk besluit van 5 februari 1997 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector, opdat een in het kader van het doorstromingsprogramma tewerkgestelde werknemer niet kan worden beschouwd als een werknemer die onlangs in dienst werd genomen op grond van de "sociale Maribel"-maatregel en na de instelling van de procedure voor de controle op de naleving van deze bepaling door de bevoegde besturen.)
  De arbeidsplaatsen in de doorstromingsprogramma's dienen bijkomende arbeidsplaatsen te zijn in verhouding tot het aantal werknemers uitgedrukt in voltijdse equivalenten tewerkgesteld in de wedertewerkstellingsprogramma's voor dewelke de Gewesten trekkingsrechten ontvangen. De Gewesten verbinden er zich toe deze wedertewerkstellingsprogramma's niet om te vormen naar de doorstromingsprogramma's.
  De arbeidsplaatsen in de doorstromingsprogramma's dienen eveneens bijkomende arbeidsplaatsen te zijn in verhouding tot het aantal werknemers, uitgedrukt in voltijdse equivalenten, tewerkgesteld bij elke betrokken werkgever. Het dient voor de werkgever te gaan om bijkomende arbeidsplaatsen ten opzichte van de regulieren arbeidsplaatsen, de stage der jongeren en gelijkgestelde maatregelen en de arbeidsplaatsen gesubsidieerd via de trekkingsrechten.
Art. 3. Pour être reconnu par le Ministre compétent visé à l'article 2, le programme de transition professionnelle doit rencontrer des besoins collectifs de société qui ne sont pas ou pas suffisamment rencontrés par le circuit de travail régulier.
  Les programmes de transition professionnelle ne sont pas applicables dans les secteurs qui bénéficient de la mesure " Maribel-social ". (Cette disposition sera levée à partir du 1er juillet 1998, après modification de l'article 4, § 2, de l'arrêté royal du 5 février 1997 portant des mesures visant à promouvoir l'emploi dans le secteur non marchand de manière à ne pas pouvoir considérer un travailleur engagé dans un programme de transition professionnelle comme travailleur nouvellement engagé en application du Maribel social et après mise en place de la procédure de contrôle du respect de cette disposition par les administrations compétentes.)
  Les emplois dans les programmes de transition professionnelle doivent être des emplois supplémentaires par rapport au nombre de travailleurs exprimé en équivalents temps plein occupés dans les programmes de remise au travail et pour lesquels les Régions percoivent des droits de tirage. Les Régions s'engagent à ne pas transformer ces programmes de remise au travail en programmes de transition professionnelle.
  Les emplois dans les programmes de transition professionnelle doivent également être des emplois supplémentaires par rapport au nombre de travailleurs exprimé en équivalents temps plein occupés par chacun des employeurs concernés. Il doit s'agir, pour l'employeur, d'emplois supplémentaires par rapport aux emplois réguliers, aux stages des jeunes et mesures assimilées et aux emplois subventionnés au moyen des droits de tirage.
Art. 4. De volgende werkgevers kunnen de personen bedoeld in artikel 6 tewerkstellen in een doorstromingsprogramma, op voorwaarde dat zij hun wettelijke verplichtingen inzake tewerkstelling en sociale zekerheid naleven :
  - de gemeenten, de verenigingen en de agglomeraties en federaties van gemeenten, de aan de gemeenten ondergeschikte instellingen, de instellingen van openbaar nut die van deze verenigingen, agglomeraties en federaties van gemeenten afhangen, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de intercommunale openbare centra voor maatschappelijk welzijn, en ook de verenigingen van centra voor maatschappelijk welzijn, de provincies, de verenigingen van provincies en de aan de provincie ondergeschikte instellingen;
  - de Federale Staat, de Gewesten, de Gemeenschappen, de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de Franse Gemeenschapscommissie, de gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de instellingen van openbaar nut die van voornoemden afhangen;
  - de verenigingen zonder winstoogmerk, en de andere niet-commerciële verenigingen.
Art. 4. Peuvent occuper les personnes visées à l'article 6 dans un programme de transition professionnelle, les employeurs suivants, à la conditions qu'ils respectent leurs obligations légales en matière d'emploi et de sécurité sociale :
  - les communes, les associations, les agglomérations et fédérations de communes, les établissements subordonnés aux communes, les organismes d'intérêt public qui dépendent des associations, agglomérations et fédérations de communes, les centres publics d'aide sociale, les centres publics intercommunaux d'aide sociale ainsi que les associations de centres publics d'aide sociale, les provinces, les associations de provinces et les établissements subordonnés aux provinces;
  - l'Etat fédéral, les Régions, les Communautés, la Commission communautaire flamande, la Commission communautaire française et la Commission communautaire commune, et les organismes d'intérêt public qui en dépendent;
  - les associations sans but lucratif et les autres associations non commerciales.
Art. 5. De werkgevers dienen bij de Minister bedoeld in artikel 2 een project in dat minimum de volgende gegevens bevat :
  - een beschrijving van het project;
  - de voorziene duur van het project;
  - het voorziene aantal werknemers dat zal worden tewerkgesteld in het project en hun arbeidsregime;
  - het aantal buiten het project reeds tewerkgestelde werknemers en hun arbeidsregime;
  - de verbintenis om de tewerkstelling te behouden tijdens de duur van het project, zonder rekening te houden met de werknemers tewerkgesteld binnen het project.
  Dit project moet goedgekeurd worden door de Minister bedoeld in artikel 2.
Art. 5. Les employeurs introduisent auprès du Ministre compétent visé à l'article 2, un projet contenant au minimum les données suivantes :
  - une description du projet;
  - la durée prévue du projet;
  - le nombre de travailleurs qu'il est prévu d'occuper dans le projet et leur régime de travail;
  - le nombre de travailleurs déjà occupés en dehors du projet et leur régime de travail;
  - l'engagement de maintenir l'emploi pendant la durée du projet, sans tenir compte des travailleurs occupés dans le cadre du projet.
  Ce projet doit être approuvé par le Ministre compétent visé à l'article 2.
Art. 6. De volledig werklozen die wachtuitkeringen genieten en ingeschreven zijn als werkzoekende sinds ten minste 12 maanden, de volledig werklozen die werkloosheidsuitkeringen genieten sedert ten minste 24 maanden, waaronder de werklozen die effectief prestaties geleverd hebben in het kader van het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap en de werkzoekende die op de dag voor zijn indiensttreding sedert minstens 12 maanden het bestaansminimum geniet, kunnen aangeworven worden in een doorstromingsprogramma.
  (Voor de toepassing van dit samenwerkingsakkoord worden de in het bevolkingsregister ingeschreven begunstigden van sociale hulp die wegens hun nationaliteit geen recht hebben op het bestaansminimum, gelijkgesteld met bestaansminimumtrekkers.)
Art. 6. Les chômeurs complets qui bénéficient d'allocations d'attente et qui sont inscrits comme demandeurs d'emploi depuis au moins 12 mois, les chômeurs complets qui bénéficient d'allocations de chômage depuis au moins 24 mois, dont les chômeurs qui ont effectué des prestations dans le cadre des agences locales pour l'emploi, et les demandeurs d'emploi qui bénéficient du minimum de moyens d'existence depuis au moins 12 mois peuvent être engagés dans un programme de transition professionnelle.
  (Pour l'application du présent accord de coopération, les bénéficiaires de l'aide sociale inscrits au registre de la population et qui n'ont pas droit au minimum de moyens d'existence en raison de leur nationalité, sont assimilés aux bénéficiaires du minimex.)
Art. 7. § 1. (De Federale overheid verbindt er zich toe onder de voorwaarden van dit akkoord een forfaitaire vergoeding van 10.000 BEF per maand toe te kennen aan elke werknemer die de voorwaarden van artikel 6 vervult en aangeworven is in het kader van een erkend programma, indien hij ten minste halftijds tewerkgesteld is, en van 13.000 BEF per maand indien hij ten minste 4/5 tijds tewerkgesteld is.)
  (Voor de werknemers die diensten hebben verstrekt in het kader van het Plaatselijk Werkgelegenheidsagentschap wordt deze forfaitaire vergoeding verhoogd met 2.000 BEF.
  Voor de werknemers die doorgaans woonachtig zijn in gemeenten met een werkloosheidscijfer dat jaarlijks op 30 juni ten minste 20% hoger is dan het gemiddelde werkloosheidscijfer van hun Gewest, bedraagt de forfaitaire vergoeding 17.500 BEF per maand indien de werknemer ten minste halftijds tewerkgesteld is, en 22.000 BEF per maand indien hij ten minste 4/5 tijds tewerkgesteld is. Het bedrag van de forfaitaire vergoeding wordt vastgesteld de dag waarop de arbeidsovereenkomst begint te lopen en blijft geldig gedurende de hele tewerkstellingsperiode, onverminderd de in artikel 9 bedoelde maximale duur waarvoor de betrekking in aanmerking wordt genomen in het kader van de doorstromingsprogramma's.
  De in dit lid bedoelde verhoogde bijdragen mogen niet gecumuleerd worden. Ze mogen in principe geen aanleiding geven tot een vermindering van de bijdrage van de Gewesten en komen dus, in principe, in mindering van het eventuele aandeel van de werkgever.)
  Deze vergoeding wordt voor de toepassing van de sociale en fiscale wetgeving beschouwd als loon.
  De Federale overheid verbindt er zich eveneens toe, binnen de voorwaarden van dit akkoord, voor de werkgevers de toepassing van het banenplan ter bevordering van de tewerkstelling van werkzoekenden, zoals ingevoerd door het hoofdstuk II van Titel IV van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen, te verzekeren, indien de in het programma aangeworven werknemers, de voorwaarden voldoen ingesteld bij of in uitvoering van voornoemde wet.
  § 2. De voordelen bedoeld in § 1 van dit artikel worden enkel bekomen na mededeling door het Gewest aan de Federale Minister van Tewerkstelling en Arbeid van het engagement van de werkgever betreffende de creatie van bijkomende tewerkstelling in het kader van de doorstromingsprogramma's in verhouding tot het aantal werknemers zoals vermeld in artikel 3, vierde lid van dit akkoord.
  § 3. Het saldo van de financiering van de in een doorstromingsprogramma tewerkgestelde werknemers wordt, voor de programma's erkend door de Gewestminister bevoegd voor tewerkstelling ten laste genomen door het Gewest en/of de bevoegde Gemeenschap en/of de werkgever, en wordt, voor de programma's erkend door de Federale Minister bevoegd voor tewerkstelling ten laste genomen door de Federale overheid en/of de werkgever.
  De Gewesten, in voorkomend geval samen met de Gemeenschappen of de Gemeenschapscommissies, investeren in de doorstromingsprogramma's tenminste evenveel financiële middelen als de Federale Staat via de forfaitaire uitkeringen.
  (Indien de Gewesten een lagere bijdrage toekennen voor de werknemers die doorgaans woonachtig zijn in gemeenten met een werkloosheidscijfer dat minstens 20% hoger is dan het gemiddelde werkloosheidscijfer van hun Gewest, verbinden zij er zich toe de alzo vrijgemaakte middelen te gebruiken voor de financiering van bijkomende banen in het kader van de doorstromingsprogramma's.)
  § 4. De Federale Staat en de Gewesten verbinden er zich toe, elk binnen hun bevoegdheid, de nodige maatregelen te nemen opdat de betrokken werknemers op het einde van hun tewerkstelling in het kader van de doorstromingsprogramma's nog toegang zouden hebben tot het stelsel van de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen, tot de wedertewerkstellingsprogramma's, en nog recht zouden geven tot het voordeel voorzien in het banenplan ter bevordering van de tewerkstelling van werkzoekenden, zoals ingevoerd door het hoofdstuk II van Titel IV van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen, onder de voorwaarden ingesteld bij of in uitvoering van voornoemde wet.
  (§ 5. De lijst van de gemeenten met een werkloosheidscijfer dat jaarlijks op 30 juni ten minste 20 % hoger is dan het gemiddelde werkloosheidscijfer van hun Gewest wordt jaarlijks door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening vastgesteld en geldt van 1 september tot 31 augustus van het volgende jaar.
  De lijst van de betrokken gemeenten wordt voor het eerst opgemaakt op grond van de werkloosheidscijfers op 30 juni 1997.)
Art. 7. § 1er. (L'Etat fédéral s'engage dans les conditions de cet accord, à garantir pour chaque travailleur remplissant les conditions de l'article 6, occupé dans un programme reconnu, l'octroi d'une allocation de 10.000 F par mois si le travailleur est occupé au moins à mi-temps et de 13.000 F par mois si le travailleur est occupé au moins à 4/5 temps.)
  (Pour les travailleurs qui ont effectué précédemment des prestations dans le cadre des agences locales pour l'emploi, cette allocation forfaitaire est majorée de 2.000 F.
  Pour les travailleurs qui résident habituellement dans les communes ayant le 30 juin de chaque année un taux de chômage qui dépasse de 20 % au moins le taux de chômage moyen de la Région, l'allocation forfaitaire s'élève à 17.500 F par mois si le travailleur est occupé au moins à mi-temps et à 22.000 F par mois s'il est occupé au moins à 4/5 temps. Le montant de l'allocation forfaitaire est fixé à la date du début de l'exécution du contrat de travail et reste valable pour toute la durée d'occupation dans les liens de ce contrat de travail, sans préjudice de la durée maximale de prise en compte de l'emploi dans le cadre du programme de transition professionnelle prévue à l'article 9.
  Les interventions majorées visées au présent alinéa ne sont pas cumulables. Elles ne peuvent, en principe, entraîner de réduction de l'intervention des Régions et viennent par conséquent, en principe, en déduction de la quote-part éventuelle de l'employeur.)
  Cette allocation est considérée comme une rémunération pour l'application de la législation sociale et fiscale.
  L'Etat fédéral s'engage également, dans les conditions de cet accord, à garantir aux employeurs l'application du plan d'embauche pour la promotion du recrutement des demandeurs d'emploi, institué par le Chapitre II de la loi du 21 décembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses, si les travailleurs engagés dans le programme remplissent les conditions fixées par/ou en application de la législation précitée.
  § 2. Les avantages visés au § 1er du présent article ne sont accordés qu'après communication par la Région au Ministre fédéral de l'Emploi et du Travail de l'engagement de l'employeur concernant la création d'emplois supplémentaires dans le cadre des programmes de transition professionnelle par rapport au nombre de travailleurs comme visé dans l'alinéa 4 de l'article 3 de cet accord.
  § 3. Le solde du financement de l'emploi des travailleurs dans le cadre des programmes de transition professionnelle est pris en charge par la Région et/ou la Communauté compétente et/ou par l'employeur, pour les programmes reconnus par le Ministre régional compétent pour l'emploi et par l'Etat fédéral et/ou l'employeur, pour les programmes reconnus par le Ministre fédéral ayant l'Emploi dans ses attributions.
  Les Régions, le cas échéant conjointement avec les Communautés ou les Commissions communautaires, investissent dans les programmes de transition professionnelle, des moyens financiers au moins équivalents à ceux mis en oeuvre par l'Etat fédéral via les allocations forfaitaires.
  (Les Régions s'engagent, si elles réduisent le montant de leur intervention pour les travailleurs qui résident habituellement dans les communes ayant un taux de chômage dépassant de 20 % au moins le taux de chômage moyen de la Région, à investir les moyens financiers ainsi dégagés au financement d'emplois supplémentaires dans le cadre des programmes de transition professionnelle.)
  § 4. L'Etat fédéral et les Régions s'engagent à prendre, chacun dans le cadre de ses compétences, les dispositions nécessaires afin qu'au terme de leur emploi dans les programmes de transition professionnelle, les travailleurs concernés aient encore accès au régime des agences locales pour l'emploi et aux programmes de résorption du chômage, et donner encore droit aux avantages du plan d'embauche pour la promotion du recrutement des demandeurs d'emploi, institué par le Chapitre II de la loi du 21 décembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses, sous les conditions fixées par/ou en application de la législation précitée.
  (§ 5. La liste des communes ayant le 30 juin de chaque année un taux de chômage dépassant de 20 % au moins le taux de chômage moyen de la Région est fixée annuellement par l'Office national de l'Emploi et est valable pour la période du 1er septembre au 31 août de l'année suivante. La liste des communes concernées est établie pour la première fois sur base des données de chômage au 30 juin 1997.)
Art. 8. In het kader van hun opdracht voor arbeidsbemiddeling zullen de gewestelijke diensten voor arbeidsbemiddeling erover waken rekening te houden met de bekwaamheden van de werknemers, zodanig dat de activiteit in het professioneel doorstromingsprogramma hen helpt om bij het einde van deze activiteit vlotter toegang te krijgen tot het klassieke arbeidscircuit. Ze zullen er ook over waken de in het kader van deze herinschakeling nuttig geachte begeleidingsmaatregelen, waaronder het oriënteren naar opleiding, te ontwikkelen.
  Een kopie van de arbeidsovereenkomst wordt overgemaakt aan de gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling en ook aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening.
Art. 8. Dans le cadre de leur mission de placement, les services régionaux de placement veilleront à tenir compte des caractéristiques des travailleurs, de manière à ce que l'emploi dans le programme de transition professionnelle les aide à accéder, à l'issue de cet emploi, aux circuits classiques d'emploi. Ils veilleront également à développer les actions d'accompagnement, entre autres à les orienter vers les formations, qui s'avéreraient utiles dans le cadre de cette réinsertion.
  Une copie du contrat de travail est transmise aux services régionaux de l'emploi ainsi qu'à l'Office national de l'Emploi.
Art. 9. De werknemers worden aangeworven bij een arbeidsovereenkomst die ten minste een halftijdse baan betreft.
  Hun tewerkstelling in het kader van een doorstromingsprogramma duurt maximum twee jaar.
  De tewerkstellingsduur in het kader van een doorstromingsprogramma kan verhoogd worden tot maximum drie jaar voor de werknemers die vroeger diensten hebben verstrekt in het kader van de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen en voor de werknemers die doorgaans woonachtig zijn in gemeenten met een werkloosheidscijfer dat jaarlijks op 30 juni, en voor het eerst op 30 juni 1997, ten minste 20 % hoger is dan het gemiddelde werkloosheidscijfer van hun Gewest.
  De arbeidsovereenkomsten die lopen op het moment dat het gemeentelijke werkloosheidscijfer ophoudt het gemiddelde werkloosheidscijfer van het Gewest met ten minste 20 % te overschrijden, kunnen uitgevoerd worden tot ze vervallen.
Art. 9. Les travailleurs sont engagés dans les liens d'un contrat de travail dont le régime de travail est au moins égal à un mi-temps.
  Leur emploi est pris en compte dans le programme de transition professionnelle pendant deux ans maximum.
  Pour les travailleurs qui ont effectué précédemment des prestations dans le cadre des agences locales pour l'emploi et pour les travailleurs qui résident habituellement dans les communes ayant le 30 juin de chaque année et, pour la première fois, le 30 juin 1997 un taux de chômage dépassant de 20 % au moins le taux de chômage moyen de la Région, la période d'emploi prise en compte dans le cadre d'un programme de transition professionnelle peut être portée à trois ans maximum.
  Les contrats de travail en cours au moment où le taux de chômage communal cesse de dépasser de 20 % au moins le taux de chômage moyen de la Région peuvent être exécutés jusqu'à leur terme.
Art. 10. De werkgevers dienen aan de RVA het bewijs te leveren dat het voor de werknemers die zij tewerkstellen in een doorstromingsprogramma over bijkomende tewerkstelling gaat.
  Indien deze voorwaarde niet is vervuld, dienen de werkgevers aan de RVA een forfaitaire schadevergoeding te betalen, en aan de subsidiërende overheden de ontvangen subsidies terug te storten.
Art. 10. Les employeurs doivent fournir à l'ONEm la preuve que les travailleurs qu'ils occupent dans le programme de transition professionnelle sont des travailleurs supplémentaires.
  Si cette condition n'est pas remplie, les employeurs sont tenus de payer un dédommagement forfaitaire à l'ONEm et de rembourser aux autorités subsidiantes l'intervention qui leur a été accordée.
Art. 11. De Gewestministers bevoegd voor tewerkstelling bezorgen aan de Federale Minister van Tewerkstelling en Arbeid, uiterlijk op 1 juli van elk jaar, het aantal in het voorbije burgerlijke jaar in de wedertewerkstellingsprogramma's die onder hun bevoegdheid vallen tewerkgestelde werknemers, in voltijds equivalenten uitgedrukt, zoals voorzien in uitvoering van de wetgeving op de trekkingsrechten.
  (Zij moeten uiterlijk 1 juli eveneens de volgende gegevens verstrekken :
  1° het in voltijdse equivalenten uitgedrukte aantal werknemers die tijdens het afgelopen burgerlijk jaar in het kader van de doorstromingsprogramma's waren tewerkgesteld;
  2° een gedetailleerde lijst van de geldmiddelen die het afgelopen burgerlijk jaar werkelijk werden aangewend in het kader van de doorstromingsprogramma's, in voorkomend geval, samen met de Gemeenschappen of de Gemeenschappelijke Commissies.)
Art. 11. Les Ministres régionaux compétents pour l'Emploi communiquent au Ministre fédéral de l'Emploi et du Travail, au plus tard le 1er juillet de chaque année, le nombre en équivalents temps plein de travailleurs occupés, au cours de l'année civile écoulée, dans les programmes de remise au travail relevant de leur compétence, comme prévu en exécution de la législation sur les droits de tirage.
  (Ils communiquent également, au plus tard le 1er juillet :
  1° le nombre exprimé en équivalents temps plein de travailleurs occupés au cours de l'année civile écoulée dans les programmes de transition professionnelle;
  2° un relevé détaillé reprenant les moyens financiers mis en oeuvre effectivement au cours de l'année civile écoulée dans les programmes de transition professionnelle, le cas échéant conjointement avec les Communautés ou les Commissions communautaires.)
Art. 12. Het tewerkstellingsvolume, uitgedrukt in voltijdse equivalenten, van het aantal werknemers tewerkgesteld in de wedertewerkstellingsprogramma's voor dewelke de Gewesten trekkingsrechten ontvangen, moet tijdens de duur van het huidige samenwerkingsakkoord ten minste gelijk blijven aan het tewerkstellingsvolume in het burgerlijk jaar 1995.
  De Federale overheid kan dit samenwerkingsakkoord opzeggen ten opzichte van het Gewest dat de beschikkingen van het eerste lid van dit artikel, of de beschikkingen van artikel 3, tweede lid, of de beschikkingen van artikel 14, niet respecteert.
Art. 12. Le volume de l'emploi, exprimé en équivalents temps plein, du nombre de travailleurs occupés dans les programmes de remise au travail pour lesquels les Régions bénéficient des droits de tirage, doit, au cours de la durée de validité du présent accord de coopération, rester au moins égal au volume de l'emploi dans l'année civile 1995.
  L'Etat fédéral peut dénoncer le présent accord de coopération vis-à-vis de la Région qui ne respecterait pas les dispositions de l'alinéa 1er ou de l'article 3, alinéa 2, ou de l'article 14 de présent accord.
Art. 13. De Gewesten verwachten gemiddeld het volgende aantal werknemers tewerk te stellen in het kader van de doorstromingsprogramma's :
Art. 13. Les Régions prévoient d'occuper, en moyenne, dans le programme de transition professionnelle, le nombre de travailleurs suivant :
                                              1998         1999
                                       1998         1999
  - Vlaams Gewest :                          6.000        6.000
  - Waals Gewest :                           3.000        3.000
  - Brussels Hoofdstedelijk Gewest :           800        1.000
  - Region flamande :                 6.000        6.000
  - Region wallonne :                 3.000        3.000
  - Region de Bruxelles-Capitale :      800        1.000
Art. 14. De ondertekende partijen verbinden er zich toe de regels betreffende de trekkingsrechten te blijven toepassen zoals dit momenteel gebeurt.
Art. 14. Les parties contractantes s'engagent à continuer à appliquer les règles relatives aux droits de tirage comme elles le sont actuellement.
Art. 15. De ondertekende partijen zullen de uitvoering van dit samenwerkingsakkoord jaarlijks evalueren.
  De forfaitaire vergoeding ten laste van de Federale overheid, voorzien in artikel 7, eerste lid van deze overeenkomst, zal, in overleg tussen de ondertekende partijen, tweejaarlijks worden herbekeken in functie van de evolutie van de werkloosheidsuitkering en van het bestaansminimum.
Art. 15. Les parties contractantes évalueront annuellement l'exécution de cet accord de coopération.
  L'allocation forfaitaire à charge de l'Etat fédéral, prévue à l'article 7, alinéa premier du présent accord, sera réexaminée tous les deux ans, en concertation entre les parties contractantes, en fonction de l'évolution de l'allocation de chômage et du minimum de moyens d'existence.
Art. 16. <INGEVOEGD bij VARIA 1998-05-15/31, art. 7; Inwerkingtreding : 15-05-1998> Overgangs- en slotbepalingen.
  De ondertekende partijen verbinden er zich toe, ieder in het kader van haar bevoegdheden, de nodige maatregelen te nemen om dit samenwerkingsakkoord zo spoedig mogelijk uit te voeren. Dit samenwerkingsakkoord treedt in werking uiterlijk 15 mei 1998.
  De forfaitaire vergoeding van 12.000 BEF per maand, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van het samenwerkingsakkoord van 4 maart 1997 tussen de Federale Staat en de Gewesten betreffende doorstromingsprogramma's vóór de wijziging ervan bij dit samenwerkingsakkoord, blijft van toepassing in geval van ten minste : tijdse tewerkstelling krachtens een arbeidsovereenkomst die aanvangt op 1 januari 1999 en tot de einddatum ervan.
  Brussel, op 4 maart 1997 in 10 originele exemplaren.
  Voor de Federale Staat :
  Mevr. M. SMET,
  Minister van Tewerkstelling en Arbeid
  J. PEETERS,
  Staatssecretaris voor Maatschappelijk Integratie
  Voor het Vlaamse Gewest :
  L. VAN DEN BRANDE,
  Minister-President
  Th. KELCHTERMANS,
  Vlaams minister van Leefmilieu en Tewerkstelling
  Voor het Waalse Gewest :
  R. COLLIGNON,
  Minister-President
  J.-C. VAN CAUWENBERGHE,
  Minister van Begroting, Financiën, Tewerkstelling en Opleiding
  Voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest :
  Ch. PICQUE,
  Minister-President, bevoegd voor Ondergeschikte Besturen, Werkgelegenheid, Monumenten en Landschappen
Art. 16. Dispositions transitoires et finales.
  Les parties contractantes s'engagent à prendre, chacune dans le cadre de ses compétences, les mesures nécessaires à l'exécution du présent accord de coopération modificatif dans les meilleurs délais. Cet accord de coopération entre en vigueur au plus tard le 15 mai 1998.
  L'allocation forfaitaire de 12.000 F par mois prévue à l'article 7, § 1er, de l'accord de coopération du 4 mars 1997 entre l'Etat fédéral et les Régions relatif au programme de transition professionnelle avant qu'il ait été modifié par le présent accord de coopération, reste d'application en cas d'occupation à 3/4 temps au moins dans les liens d'un contrat de travail qui a commencé à être exécuté avant le 1er janvier 1999 et aussi longtemps que ce contrat de travail n'a pas pris fin.
  (Pour le décret, voir %%1997-07-18/36%%).
  Bruxelles, le 4 mars 1997 en 10 exemplaires originaux.
  Pour l'Etat fédéral :
  Mme M. SMET,
  Ministre de l'Emploi et du Travail
  J. PEETERS,
  Secrétaire d'Etat à l'Intégration sociale
  Pour la Région flamande :
  L. VAN DEN BRANDE,
  Ministre-Président
  Th. KELCHTERMANS,
  Ministre flamand de l'Environnement et de l'Emploi
  Pour la Région wallonne :
  R. COLLIGNON,
  Ministre-Président
  J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE,
  Ministre du Budget et des Finances, de l'Emploi et de la Formation
  Pour la Région de Bruxelles-Capitale :
  Ch. PIQUE,
  Ministre-Président, chargé des Pouvoirs subordonnés, de l'Emploi et des Monuments et Sites