Zum Hauptinhalt

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
20 OKTOBER 1994. - Besluit van het College van de Franse Gemeenschapscommissie houdende het statuut van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van de Franse Gemeenschapscommissie. <Vertaling> (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 20-08-1996 en tekstbijwerking tot 31-10-2024)
Titre
20 OCTOBRE 1994. - Arrêté du Collège de la Commission communautaire française portant le statut des fonctionnaires des organismes d'intérêt public de la Commission communautaire française. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 20-08-1996 et mise à jour au 31-10-2024)
Dokumentinformationen
Numac: 1994031504
Datum: 1994-10-20
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 1994031504
Date: 1994-10-20
Moniteur: Voir
Inhoud
DEEL I. - Toepassingsbereik en terminologie. DEEL II. - Algemene bepalingen. DEEL III. - Rechten en plichten. DEEL IIIbis. - [1 Selectiecommissies en evaluat... Art. 16/1. [1 § 1. Er wordt een bevoegde select... Art. 16/2. [1 Het College stelt, [2 ...]2, het ... Art. 16/3. [1 Om het even wie een belang zou he... Art. 16/4. [1 § 1. [2 Bij het Instituut]2 wordt... Art. 16/5. [1 Het College stelt, [2 ...]2, het ... Art. 16/6. [1 Om het even wie een belang zou he... DEEL IV. - Werving. TITEL I. - Toelaatbaarheidsvereisten. TITEL II. - Vergelijkende wervingsexamens. TITELl IIbis - [1 Toewijzing van mandaten [2 ..... TITEL III. - Stage. HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen. HOOFDSTUK II. - Verloop van de stage. TITEL IV. - Benoeming als ambtenaar. DEEL V. - Het onthaal en de vorming. HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen. HOOFDSTUK II. - Het onthaal. HOOFDSTUK III. - De opleiding. DEEL VI. - Loopbaan van de ambtenaren. DEEL VII. - Overplaatsing, wedertewerkstelling ... Afdeling 1. - Overplaatsing en wedertewerkstelling Afdeling 2. [1 - Intra-institutionele mobilitei... DEEL VIII. - Onverenigbaarheden. DEEL IX. - Directieraad. DEEL X. - Evaluatie. GEDEELTE Xbis. - [1 De evaluatie van de mandaat... DEEL XI. - Anciënniteit en rangschikking. DEEL XII. - Tuchtregeling. TITEL I. - Tuchtstraffen. TITEL II. - Bevoegde overheid. TITEL III. - Procedure. TITEL IV. - Doorhaling van de tuchtstraf. TITEL V. - Verjaring van de tuchtvordering. DEEL XIII. - Schorsing in het belang van de die... Afdeling 1. - Feiten. Afdeling 2. - Bevoegde overheid. Afdeling 3. - Procedure. Afdeling 4. - Duur en gevolgen van de schorsing... Afdeling 5. - Beroep. Afdeling 6. - Einde van de schorsing in het bel... DEEL XIV. - Raad van beroep. DEEL XV. - Persoonlijke aansprakelijkheid. DEEL XVI. - DEEL XVI. - Administratieve standen... HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen. HOOFDSTUK II. - Administratieve standen. Afdeling 1. - Algemene bepalingen. Afdeling 2. - Dienstactiviteit. Section 3. - Non-activiteit. Section 4. - Disponibiliteit. Onderafdeling 1. - Disponibiliteit wegens ambts... Onderafdeling 2. - Disponibiliteit wegens ziekte. Onderafdeling 3. - Disponibiliteit wegens perso... Onderafdeling 4. - Gemeenschappelijke bepalingen. HOOFDSTUK III. - Afwezigheden. HOOFDSTUK IV. [1 - De vierdagenweek en het half... Afdeling 1. [1 - De vierdagenweek]1 Afdeling 2. [1 - Halftijds werken vanaf 50 of 5... HOOFDSTUK V. - Verloven van korte duur. Afdeling 1. - Jaarlijks vakantieverlof. Afdeling 2. - Feestdagen. Afdeling 3. - Uitzonderlijk verlof. Afdeling 4. - Verlof om familiale redenen. Onderafdeling 1. - Omstandigheidsverlof. Onderafdeling 2. - Verlof om dwingende redenen ... Onderafdeling 3. - Ouderschapsverlof. Onderafdeling 4. - Opvangverlof met het oog op ... Onderafdeling 5. [1 - Geboorteverlof]1 Afdeling 5. [1 - Moederschapsbescherming]1 Afdeling 6. - Verlof wegens ziekte of humanitai... HOOFDSTUK Vbis. [1 - Het verlof voor detacherin... Hoofdstuk Vter. [1 - Verlof voor intra-institut... HOOFDSTUK VI. - Verloven om politieke redenen. Afdeling 1. - Algemene bepalingen. Afdeling 2. - Verlof om zich kandidaat te stell... Afdeling 3. - Verlof om een functie uit te oefe... Afdeling 4. - Verlof voor detachering bij een m... Afdeling 5. - Verlof om een politiek mandaat ui... DEEL XVII. - Verlies van de hoedanigheid van am... Bijlagen.
Inhoud
PARTIE I.- Champ d'application et terminologie. PARTIE II. - Dispositions générales. PARTIE III. - Des droits et des devoirs. PARTIE IIIbis. - [1 Des commissions de sélectio... Art. 16/1. [1 § 1er. Il est créé une commission... Art. 16/2. [1 Le Collège fixe, [2 ...]2], le rè... Art. 16/3. [1 Quiconque aurait un intérêt en qu... PARTIE IV. - Du recrutement. TITRE I. - Conditions d'admission. TITRE II. - Des concours de recrutement. TITRE IIbis. - [1 De l'attribution des mandats ... Art. 26/1. [1 Le mandat [3 ...]3 est déclaré va... TITRE III. - Du stage. CHAPITRE I. - Dispositions générales. CHAPITRE II. - Déroulement du stage. TITRE IV. - De la nomination en qualité de fonc... PARTIE V. - De l'accueil et de la formation. CHAPITRE Ier. - Des dispositions générales. CHAPITRE II. - De l'accueil. CHAPITRE III. - De la formation. PARTIE VI. - De la carrière des fonctionnaires. PARTIE VII. - De la mutation, de la réaffectati... Section 1. - Mutation et réaffectation. Section 2. [1 - Mobilité intra-institutionnelle]1 PARTIE VIII. - Des incompatibilités. PARTIE IX. - Du conseil de direction. PARTIE X. - De l'évaluation. PARTIE Xbis. - [1 De l'évaluation des mandatair... Art. 86/1. [1 L'évaluation du mandataire [2 ...... Art. 86/2. [1 § 1er. En préparation de chaque e... Art. 86/3. [1 § 1er. [3 Le mandataire [5 ...]5 ... Art. 86/4. [1 § 1er. Le mandataire [2 ...]2 qui... Art. 86/5. [1 Le Collège doit se prononcer dans... PARTIE XI. - De l'ancienneté et du classement. PARTIE XII. - Du régime disciplinaire. TITRE I. - Des sanctions disciplinaires. TITRE II. - De l'autorité compétente. TITRE III. - De la procédure. TITRE IV. - De la radiation de la sanction disc... TITRE V. - De la prescription de l'action disci... PARTIE XIII. - De la suspension dans l'intérêt ... Section 1. - Des faits. Section 2. - De l'autorité compétente. Section 3. - De la procédure. Section 4. - De la durée et des effets de la su... Section 5. - Du recours. Section 6. - Fin de la suspension dans l'intérê... PARTIE XIV. - Chambre de recours. PARTIE XV. - De la responsabilité personnelle. PARTIE XVI. - PARTIE XVI. - Des positions admin... CHAPITRE I. - Dispositions générales. CHAPITRE II. - Des positions administratives. Section 1re. - Dispositions générales. Section 2. - De l'activité de service. Section 3. - De la non-activité. Section 4. - De la disponibilité. Sous-section 1re. - De la disponibilité par ret... Sous-section 2. - De la disponibilité pour mala... Sous-section 3. - De la disponibilité pour conv... Sous-section 4. - Dispositions communes. CHAPITRE III. - Des absences. CHAPITRE IV. [1 - De la semaine de quatre jours... Section 1re. [1 - De la semaine de quatre jours]1 Section 2. [1 - Du travail à mi-temps à partir ... CHAPITRE V. - Des congés de courte durée. Section 1re. - Des vacances annuelles. Section 2. - Des jours fériés. Section 3. - Du congé exceptionnel. Section 4. - Du congé pour raisons familiales. Sous-section 1re. - Des congés de circonstance. Sous-section 2. - Du congé pour des motifs impé... Sous-section 3. - Du congé parental. Sous-section 4. - Du congé d'accueil en vue de ... Sous-section 5. [1 - Du congé de naissance]1 Section 5. [1 - Protection de la maternité]1 Section 6. - Du congé pour raisons médicales ou... CHAPITRE Vbis. [1 - Du congé pour détachement d... Chapitre Vter. [1 Du congé pour mobilité intra-... Art. 152septies. [1 § 1er. Le fonctionnaire qui... CHAPITRE VI. - Des congés pour raisons politiques. Section 1re. - Dispositions générales. Section 2. - Du congé pour présenter sa candida... Section 3. - Du congé pour l'exercice d'une fon... Section 4. - Du congé pour détachement auprès d... Section 5. - Du congé pour exercer un mandat po... PARTIE XVII. - De la perte de la qualité de fon... Annexes.
Tekst (368)
Texte (368)
DEEL I. - Toepassingsbereik en terminologie.
PARTIE I.- Champ d'application et terminologie.
Artikel 1. [1 Dit besluit regelt een aangelegenheid zoals bedoeld in de artikelen 127 en 128 van de Grondwet, krachtens artikel 138 ervan.]1
  
Article 1. [1 Le présent arrêté règle une matière visée aux articles 127 et 128 de la Constitution en vertu de l'article 138 de celle-ci.]1
  
Art. 2. [1 Zijn gebonden aan dit besluit, de ambtenaren en stagiairs van het Franstalig Brussels Instituut voor Beroepsopleiding]1
  
Art. 2. [1 Sont soumis au présent arrêté, les fonctionnaires et stagiaires de l'Institut bruxellois francophone pour la formation professionnelle.]1
  
Art. 3. Voor de toepassing van dit besluit moet worden verstaan onder :
  - [1 instelling: Franstalig Brussels Instituut voor Beroepsopleiding]1
  - representatieve vakorganistie : vakorganisatie waarvan de criteria van representativiteit zijn vastgesteld in artikel 7 en 8 van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel;
  - [2 benoemende overheid]2 : de instantie waaraan expliciet de benoemingsmacht werd verleend bij organiek decreet.
  [3 - het besluit van het College betreffende de loopbaan: het besluit van de Franse Gemeenschapscommissie van 21 februari 2019 betreffende de loopbaan van de ambtenaren van het Franstalig Brussels Instituut voor Beroepsopleiding;]3
  [4 - beroepscerticering: certificering bestaande uit een samenhangend en betekenisvol geheel van leerresultaten met het oog op opleiding, inschakeling of behoud op de arbeidsmarkt of beroepsspecialisatie, zoals gedefinieerd in het samenwerkingsakkoord gesloten op 26 februari 2015 tussen de Franstalige gemeenschap, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de oprichting en het beheer van een Franstalig certificeringskader, afgekort "CFC", goedgekeurd bij decreet van de Franse Gemeenschapscommissie op 15 juli 2015.]4
  [5 ...]5
  
Art. 3. Pour l'application du présent arrêté, il y a lieu d'entendre par :
  - [1 Institut : l'Institut bruxellois francophone pour la formation professionnelle]1
  - organisations syndicales représentatives : organisation syndicale dont les critères de représentativité sont fixés aux articles 7 et 8 de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités;
  - [2 autorité investie du pouvoir de nomination]2 : l'autorité à laquelle le pouvoir de nomination a été expressément conféré par le décret organique.
  - [3 l'arrêté du Collège relatif à la carrière : l'arrêté du Collège de la Commission communautaire française du 21 février 2019 relatif à la carrière des fonctionnaires de l'Institut bruxellois francophone pour la formation professionnelle.]3
  [4 - certification professionnelle : certification constituée d'un ensemble cohérent et significatif d'acquis d'apprentissage visant la poursuite de formation, l'insertion ou le maintien sur le marché de l'emploi ou la spécialisation professionnelle, telle que définie par l'accord de coopération conclu le 26 février 2015 entre la Communauté française, la Région wallonne et la Commission communautaire française relatif à la création et la gestion d'un cadre francophone des certifications, en abrégé " CFC ", approuvé par le décret de la commission communautaire française du 15 juillet 2015.]4
  [5 ...]5
  
DEEL II. - Algemene bepalingen.
PARTIE II. - Dispositions générales.
Art. 4. Ambtenaar is elkeen die, in vast dienstverband, benoemd is [1 bij het Instituut]1.
  Stagiair is elkeen die werd toegelaten tot een stage met het oog op een benoeming in vast dienstverband.
  Dit besluit stelt het statuut van de ambtenaren en de stagiaires [2 van het Instituut]2 vast.
  
Art. 4. La qualité de fonctionnaire est reconnue à toute personne nommée à titre définitif [1 au sein de l'Institut]1 .
  La qualité de stagiaire est reconnue à toute personne admise au stage en vue d'une nomination à titre définitif.
  Le présent arrêté fixe le statut des fonctionnaires et des stagiaires [2 de l'Institut]2.
  
Art. 5. § 1. [1 ...]1 [1 De personeelsformatie omvat]1 het totaal aantal toe te kennen betrekkingen, gerangschikt per niveau en per rang, en de benamingen van de hiermee overeenstemmende graden, zoals deze door het College werden vastgesteld met het oog op de permanente taken die, in het raam van het zichzelf vooropgestelde beleid, moeten worden uitgevoerd.
  § 2. Het organogram van de diensten wordt vastgesteld door de Directieraad van elke instelling.
  
Art. 5. § 1. [1 ...]1. [1 Le cadre du personnel reprend]1 l'ensemble des emplois à conférer classés par niveau et par rang et les dénominations de grades correspondants tel que fixé par le Collège en vue de l'exécution des tâches permanentes relatives à la politique qu'il souhaite mettre en oeuvre.
  § 2. L'organigramme des services est fixé par le Conseil de direction de chaque organisme.
  
Art.5/1. [1 Om het werk te organiseren, werkt de directieraad het personeelsplan en het organigram van het Institut uit.]1
  
Art.5/1. [1 A des fins d'organisation du travail, le Conseil de direction élabore le plan de personnel et l'organigramme de l'Institut.]1
  
Art.5/2. [1 § 1. Het personeelsplan is een plan waarin per niveau, per rang en per graad het aantal statutaire en contractuele personeelsleden, uitgedrukt in voltijdse equivalenten, vastgelegd wordt dat noodzakelijk geacht wordt om de opdrachten, toegewezen aan het Institut, uit te oefenen.
   De directieraad beveelt het College minstens één personeelsplan per begrotingsjaar aan en legt het het ten laatste voor op 28 februari van het jaar waarin het plan wordt uitgevoerd. Bij de aanbeveling van het personeelsplan wordt het advies van het Beheerscomité gevoegd in het kader van de goedkeuring van de begroting en van de gemotiveerde adviezen die het overleg over het personeelsplan met de vakbondsorganisaties afsluiten.
   De aanbeveling van het personeelsplan moet verenigbaar zijn met de beschikbare budgettaire middelen uitgedrukt in volledige jaren voor alle betrekkingen.
   § 2. Het College stelt het personeelsplan op.
   Bij ontstentenis van een aanbeveling van de directieraad binnen de daartoe vastgestelde termijnen kan het College op eigen initiatief een personeelsplan opstellen.
   Bij ontstentenis van een opstelling door het College van het personeelsplan blijft het laatste opgestelde plan van toepassing.
   § 3. Behalve voor de mandaatbetrekkingen houdt de vaststelling van het personeelsplan door het College de toestemming in van de bezetting van de betrekkingen die door aanwerving, promotie, mobiliteit of indienstneming worden voorzien.
   Het personeelsplan wordt meegedeeld aan alle personeelsleden en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.]1

  
Art.5/2. [1 § 1er. Le plan de personnel est un plan dans lequel est déterminé, par niveau, par rang et par grade, le nombre de membres du personnel statutaires et contractuels exprimé en équivalents temps plein jugés nécessaires à l'exécution des missions assignées à l'Institut.
   Le Conseil de direction recommande au Collège au moins un plan de personnel par année budgétaire et le lui soumet au plus tard le 28 février de l'année d'exécution dudit plan. La recommandation du plan de personnel est accompagnée de l'avis du Comité de gestion dans le cadre de l'adoption du budget et des avis motivés qui clôturent la concertation du plan de personnel avec les organisations syndicales.
   La recommandation de plan de personnel doit être compatible avec les moyens budgétaires disponibles exprimés en année complète pour tous les emplois.
   § 2. Le Collège fixe le plan de personnel.
   En l'absence de recommandation du Conseil de direction dans les délais impartis, le Collège peut d'initiative fixer un plan de personnel.
   En l'absence de fixation par le Collège du plan de personnel, le dernier plan fixé reste d'application.
   § 3. Hormis pour les emplois de mandataires, la fixation par le Collège du plan de personnel implique l'autorisation d'occupation des emplois y prévus par recrutement, promotion, mutation ou engagement.
   Le plan de personnel est communiqué à tous les membres du personnel et publié au Moniteur belge.]1

  
Art.5/3. [1 Het organigram geeft de functionele, organisatorische en hiërarchische verbanden binnen het Institut weer.
   De directieraad werkt het organigram uit, rekening houdend met de door het College toevertrouwde opdrachten, alsook met zijn aanbevelingen. Dit organigram, evenals elke wijziging ervan, wordt aan alle personeelsleden meegedeeld.]1

  
Art.5/3. [1 L'organigramme représente les liens fonctionnels, organisationnels et hiérarchiques au sein de l'Institut.
   Le Conseil de direction fixe l'organigramme en prenant en considération les missions confiées par le Collège ainsi que ses recommandations. Cet organigramme, ainsi que toutes les modifications qui y sont apportées, sont communiqués à tous les membres du personnel.]1

  
Art. 6. De ambtenaren worden benoemd in graden, hiërarchisch verdeeld in [1 vier]1 niveaus en in rangen die zijn vastgesteld bij besluit van het College.
  De [1 vier]1 niveaus telkens met het vereiste opleidingsniveau zijn de volgende :
  - niveau 1 : universitair onderwijs en hoger onderwijs van het lange type gelijkgesteld met universitair niveau;
  - niveau 2+ : hoger onderwijs van het korte type of daarmee gelijkgesteld onderwijs [1 of beroepscertificering]1;
  - niveau 2 : hoger secundair onderwijs of daarmee gelijkgesteld onderwijs [1 of beroepscertificering of instapkaart bekomen ten gevolge van proeven voor een kwalitatieve selectie die nagaan of de kandidaat beschikt over de basisvaardigheden en cognitieve vaardigheden die vereist worden op een hoger niveau dan datgene waar hij krachten zijn diploma(`s) of zijn studiegetuigschrift(en) aanspraak op kan maken.]1;
  - niveau 3 : [1 geen diploma of getuigschrift]1
  - [1 ...]1
  De lijst van diplima's die toegang geven tot de verscheidene niveaus werden als bijlage 2 aan dit besluit toegevoegd.
  [1 De lijst met in aanmerking komende beroepscertificeringen voor de toelating tot rang 20 (bestuursassistent en technisch assistent) van niveau 2 bij het Franstalig Brussels Instituut voor Beroepsopleiding en de lijst met in aanmerking komende beroepsopleidingscertificeringen voor de toelating tot rang 26 (administratief gegradueerde en technisch gegradueerde) van niveau 2+ bij het Franstalig Brussels Instituut voor Beroepsopleiding zijn opgenomen in bijlage 4 van dit besluit.]1
  
Art. 6. Les fonctionnaires sont nommés à des grades répartis hiérarchiquement en [1 quatre]1 niveaux et en rangs fixés par arrêté du Collège.
  Les [1 quatre]1 niveaux correspondant aux niveaux d'enseignement requis mentionnés en regard sont les suivants :
  - niveau 1 : enseignement universitaire et enseignement supérieur de type long assimilé au niveau universitaire;
  - niveau 2+ : enseignement supérieur de type court ou y assimilé [1 ou certification professionnelle]1;
  - niveau 2 : enseignement secondaire supérieur ou y assimilé [1 ou certification professionnelle ou carte d'accès obtenue suite à une série d'épreuve de sélection qualitative qui vérifie si le candidat dispose des compétences de base et aptitudes cognitives qui sont exigées au niveau supérieur à celui auquel il peut prétendre en vertu de son ou ses diplôme(s) ou de son ou ses certificat(s) d'études.]1;
  - niveau 3 : [1 aucun diplôme ou certificat ]1
  - [1 ...]1
  La liste des diplômes donnant accès aux différents niveaux figurent en annexe 2 du présent arrêté.
  [1 La liste des certifications professionnelles prises en considération pour l'admission au rang 20 (assistant administratif et assistant technique) du niveau 2 au sein de l'Institut bruxellois francophone pour la formation professionnelle et la liste des certifications professionnelles prises en considération pour l'admission au rang 26 (gradué administratif et gradué technique) du niveau 2+ au sein de l'Institut bruxellois francophone pour la formation professionnelle figurent en annexe 4 du présent arrêté.]1
  
Art. 7. Het niveau van een graad bepaalt de plaats van die graad in de hiërarchie volgens de kwalificatie van de opleiding en de geschiktheid waarvan blijk moet worden gegeven opdat die graad kan worden toegekend.
  De rang bepaalt de betrekkelijke waarde van een graad in zijn niveau.
  De graad is de titel die de ambtenaar in een rang situeert en hem machtigt tot het bekleden van een van de betrekkingen welke met die graad overeenstemmen.
  De graden van eenzelfde rang heten gelijkwaardige graden.
  De graden worden bij besluit van het College over de onderscheiden niveaus en rangen verdeeld.
Art. 7. Le niveau d'un grade détermine la place de celui-ci dans la hiérarchie, selon la qualification de la formation et des aptitudes qui doivent être attestées pour que ce grade puisse être attribué.
  Le rang détermine l'importance relative d'un grade dans son niveau.
  Le grade est le titre qui situe le fonctionnaire à un rang et qui l'habilite à occuper un des emplois qui correspond à ce grade.
  Les grades d'un même rang sont dénommés grades équivalents.
  La répartition des grades entre les différents niveaux et rangs est déterminée par arrêté du Collège.
Art. 8. De ambtenaren-generaal zijn de ambtenaren die bekleed zijn met een graad die is ingedeeld in de [1 rang 16 en 15 (in afbouw)]1.
  
Art. 8. Les fonctionnaires généraux sont les fonctionnaires titulaires d'un grade classé aux [1 rangs 16 et 15 (en extinction)]1.
  
DEEL III. - Rechten en plichten.
PARTIE III. - Des droits et des devoirs.
Art. 9. De ambtenaren hebben het recht op vrijheid van meningsuiting ten aanzien van de feiten waarvan zij kennis hebben uit hoofde van hum ambt.
  Het is hun enkel verboden die feiten bekend te maken die betrekking hebben op de nationale veiligheid, de bescherming van de openbare orde, de financiële belangen van de overheid, het voorkomen van strafbare feiten, het medisch geheim, de rechten en vrijheden van de burger en in het bijzonder het recht op eerbied voor het privéleven; dit verbod geldt bovendien voor feiten die betrekking hebben op de voorbereiding van alle beslissingen.
  De bepalingen van de voorgaande leden gelden eveneens voor de ambtenaren die hun ambt hebben neergelegd.
Art. 9. Les fonctionnaires jouissent de la liberté d'expression à l'égard des faits dont ils ont connaissance dans l'exercice de leur fonction.
  Il leur est uniquement interdit de révéler des faits qui ont trait à la Sécurité nationale, à la protection de l'ordre public, aux intérêts financiers de l'autorité, à la prévention de faits délictueux, au secret médical, aux droits et libertés du citoyen, et notamment le droit au respect de la vie privée; ceci vaut également pour les faits qui ont trait à la préparation de toutes les décisions.
  Les dispositions des alinéas précédents s'appliquent également aux fonctionnaires qui ont cessé leurs fonctions.
Art. 10. De ambtenaren hebben recht op informatie en voortgezette opleiding wat alle aspecten betreft die nuttig zijn voor het uitvoeren van hun taak en om te kunnen voldoen aan de evaluatiecriteria en bevorderingsvereisten. De opleiding moet hun worden verstrekt wanneer ze een bevorderingsvoorwaarde is of een onderdeel van de evaluatiecriteria uitmaakt.
  Tijdens de periodes van afwezigheid die gerechtvaardigd worden door deelname aan vormingsactiviteiten is de ambtenaar in actieve dienst.
Art. 10. Les fonctionnaires ont droit à l'information continue pour tous les aspects utiles à l'exercice de leurs tâches et pour satisfaire aux critères d'évaluation et aux conditions de promotion. La formation leur est obligatoirement offerte lorsqu'elle est explicitement prévue dans les conditions de promotion et lorsqu'elle constitue un critère d'évaluation.
  Pendant les périodes d'absence justifiée par la participation aux activités de formation, le fonctionnaire est en activité de service.
Art. 11. Elke ambtenaar heeft het recht zijn persoonlijk dossier te raadplegen.
Art. 11. Tout fonctionnaire a le droit de consulter son dossier personnel.
Art. 12. § 1. Onverminderd de uitoefening van het recht op vrije meningsuiting zoals het bevestigd is in artikel 9 oefenen de ambtenaren hun ambt op loyale en integere wijze uit onder het gezag van hun hiërarchische meerderen die verantwoordelijk zijn voor de gegeven opdrachten.
  Zij moeten inzonderheid :
  1° in hun handelingen en gedragingen bij de uitoefening van hun taken, de van kracht zijnde wetten en reglementeringen, de richtlijnen van de overheid waarvan zij afhangen alsmede de billijkheid en de doelmatigheid in acht nemen;
  2° hun raadgevingen, adviezen, opties en verslagen formuleren op basis van een precieze, volledige en praktische voorstelling van de feiten;
  3° zorgvuldig, plichtsbewust en met inachtneming van de richtlijnen van de overheid waarvan zij afhangen, de beslissingen uitvoeren en de desbetreffende programma's verwezenlijken.
  § 2. De ambtenaren vervullen hun ambt met openheid en zonder enige discriminatie tegenover de gebruikers van hun dienst.
  Zij waken erover gegevens van persoonlijke aard, die werden ingezameld bij de gebruikers, uitsluitend bekend te maken aan personen die bevoegd zijn om hiervan kennis te nemen.
Art. 12. § 1. Sans préjudice de l'exercice du droit à la liberté d'expression consacrée à l'article 9, les fonctionnaires remplissent leurs fonctions avec loyauté et intégrité sous l'autorité de leurs supérieurs hiérarchiques responsables des ordres qu'ils donnent.
  Ils doivent en particulier :
  1° veiller à ce que les actes et comportements qu'ils sont amenés à poser dans l'exercice de leurs tâches, respectent les lois, décrets et règlements en vigueur, les directives de l'autorité dont ils relèvent et les considérations d'équité et d'efficacité;
  2° formuler leurs conseils, avis, options et rapports sur base d'une présentation précise, complète et pratique des faits;
  3° exécuter les décisions et réaliser les programmes avec diligence, conscience professionnelle et respect des directives de l'autorité dont ils relèvent;
  § 2. Les fonctionnaires remplissent leurs fonctions avec réceptivité et sans discrimination aucune à l'égard des utilisateurs de leurs services.
  Ils veillent à ne révéler aucune donnée à caractère personnel recueillie auprès de ces utilisateurs, sinon aux personnes habilitées à en connaître.
Art. 13. § 1. Buiten de uitoefening van hun ambt moeten de ambtenaren elke handelwijze vermijden die het vertrouwen van het publiek in hun dienst kan aantasten.
  § 2. De ambtenaren mogen, zelfs buiten hun ambt als dit aan de oorzaak ervan ligt, rechtstreeks of bij tussenpersoon geen giften, beloningen of enig voordeel vragen, eisen of aannemen.
Art. 13. § 1. Les fonctionnaires veillent, en dehors de l'exercice de leurs fonctions, à éviter tout comportement qui pourrait ébranler la confiance du public dans leur service.
  § 2. Les fonctionnaires ne peuvent solliciter, exiger ou recevoir, directement ou indirectement ou par personne interposée, même en dehors de leurs fonctions mais en raison de celles-ci, des dons, gratifications ou avantages quelconques.
Art. 14. De ambtenaren dienen zich op de hoogte te houden van de evolutie van technieken, reglementeringen en opzoekingen in de materies waarmee ze beroepshalve belast zijn.
Art. 14. Les fonctionnaires veillent à se tenir au courant de l'évolution des techniques, réglementations et recherches dans les matières dont ils sont professionnellement chargés.
Art. 15. Elke overtreding van artikel 9, 12 of 13 wordt, naarmate het geval dit vereist, bestraft met een van de tuchtstraffen vastgeteld in artikel 92, onverminderd de toepassing van de wetgeving inzake strafrecht.
Art. 15. Toute contravention aux articles 9, 12 et 13 est punie, suivant l'exigence des cas, de l'une des sanctions disciplinaires prévues à l'article 92, sans préjudice de l'application des lois pénales.
Art. 16. De bepalingen van artikelen 9, 11, 12 en 13 zijn van toepassing op stagiaires.
Art. 16. Les dispositions des articles 9, 11, 12 et 13 sont applicables aux stagiaires.
DEEL IIIbis. - [1 Selectiecommissies en evaluatiecommissie]1
PARTIE IIIbis. - [1 Des commissions de sélection et de la commission d'évaluation]1
Art. 16/1. [1 § 1. Er wordt een bevoegde selectiecommissie opgericht met het oog op de toekenning van de mandaten [4 ...]4 [2 als bedoeld in artikel 37 van het besluit van het College betreffende de loopbaan]2. Ze bevat vijf tot zeven leden.
Art. 16/1. [1 § 1er. Il est créé une commission de sélection compétente en vue de l'attribution des mandats [4 ...]4 [2 tel que visé à l'article 37 de l'arrêté du Collège relatif à la carrière]2. Elle comprend de cinq à sept membres.
Art. 16/2. [1 Het College stelt, [2 ...]2, het reglement van interne orde van de selectiecommissies vast, op voorstel van [2 het functioneel bevoegde Lid van het College]2.]1
Art. 16/2. [1 Le Collège fixe, [2 ...]2], le règlement d'ordre intérieur des commissions de sélection, sur proposition du Membre du Collège [2 fonctionnellement compétent]2.]1
Art. 16/3. [1 Om het even wie een belang zou hebben in om het even welke hoedanigheid in de selectieprocedure mag niet als lid van de selectiecommissie worden aangesteld.
Art. 16/3. [1 Quiconque aurait un intérêt en quelque qualité que ce soit dans la procédure de sélection ne peut être désigné comme membre de la commission de sélection.]1
Art. 16/4. [1 § 1. [2 Bij het Instituut]2 wordt een evaluatiecommissie opgericht belast met de evaluatie bedoeld in artikel 86/1.
Art. 16/4.[1 § 1er. [2 Au sein de l'Institut]2, il est créé une commission d'évaluation chargée de l'évaluation visée à l'article 86/1.
Art. 16/5. [1 Het College stelt, [2 ...]2, het reglement van interne orde van de evaluatiecommissies vast, op voorstel van [2 het functioneel bevoegde Lid van het College]2.]1
Art. 16/5.[1 Le Collège fixe, [2 ...]2, le règlement d'ordre intérieur de la commission d'évaluation, sur proposition du Membre du Collège [2 fonctionnellement compétent]2.]1
Art. 16/6. [1 Om het even wie een belang zou hebben in om het even welke hoedanigheid bij het onderzoek van een dossier mag niet als lid van een evaluatiecommissie zetelen.
Art. 16/6. [1 Quiconque aurait un intérêt en quelque qualité que ce soit lors de l'examen d'un dossier ne peut siéger comme membre d'une commission d'évaluation.
DEEL IV. - Werving.
PARTIE IV. - Du recrutement.
TITEL I. - Toelaatbaarheidsvereisten.
TITRE I. - Conditions d'admission.
Art. 17. § 1. Niemand kan tot ambtenaar worden benoemd indien hij niet voldoet aan de hierna volgende voorwaarden :
  1° de voor de te verlenen betrekking vereiste toelaatbaarheidsvereisten verullen;
  2° geslaagd zijn voor een vergelijkend wervingsexamen georganiseerd door [1 Selor]1;
  3° met goed gevolg de stage volbrengen.
  § 2. De in § 1, 2° en 3°, bedoelde voorwaarden zijn niet van toepassing op de categorieën van ambtenaren voor welke de wettelijke of reglementaire bepalingen specifieke benoemingsprocedures toestaan.
  
Art. 17. § 1. Nul ne peut être nommé fonctionnaire s'il ne satisfait pas aux conditions suivantes :
  1° réunir les conditions d'admissibilité imposées par l'emploi à conférer;
  2° réussir le concours de recrutement organisé par le [1 Selor]1;
  3° accomplir avec succès le stage probatoire.
  § 2. Les conditions visées au § 1er, 2° et 3° ne s'appliquent pas aux catégories de fonctionnaires pour lesquelles des dispositions légales, décrétales ou réglementaires autorisent des procédures spécifiques de nomination.
  
Art. 18. § 1. Niemand kan tot ambtenaar worden benoemd indien hij niet voldoet aan de hierna volgende algemene toelaatbaarheidsvereisten :
  1° van een gedrag zijn dat beantwoordt aan de vereisten van de betrekking;
  2° de burgerlijke en politieke rechten genieten;
  3° (...);
  4° de vereiste lichamelijke geschiktheid bezitten om de betrekking uit te oefenen;
  5° [1 houder zijn van een diploma of studiegetuigschrift dat overeenkomt met het niveau van de te verlenen graad, volgens de lijst in bijlage 2 of houder zijn van een beroepscertificering die verband houdt met de functie waarvoor het wervingsexamen georganiseerd wordt volgens de lijst in bijlage 3 of houder zijn van een of instapkaart bekomen ten gevolge van proeven voor een kwalitatieve selectie die nagaan of de kandidaat beschikt over de basisvaardigheden en cognitieve vaardigheden die vereist worden op een hoger niveau dan datgene waar hij krachten zijn diploma(`s) of zijn studiegetuigschrift(en) aanspraak op kan maken.]1.
  Tenzij in de besluiten tot uitvoering van dit statuut anders wordt bepaald, worden [1 de diploma's, studiegetuigschriften, beroepscertificeringen of instapkaarten bekomen ten gevolge van proeven voor een kwalitatieve selectie die nagaan of de kandidaat beschikt over de basisvaardigheden en cognitieve vaardigheden die vereist worden op een hoger niveau dan datgene waar hij krachten zijn diploma(`s) of zijn studiegetuigschrift(en) aanspraak op kan maken]1 die toegang verlenen tot een bepaald niveau in aanmerking genomen voor de toelating tot de graden van de lagere niveaus.
  [1 ...]1
  (De preventieadviseur-arbeidsgeneesheer voert de onderzoeken naar de lichamelijke geschiktheid uit).
  § 2. Zijn voorbehouden aan Belgische Staatsburgers, de betrekkingen waarvoor in de functiebeschrijving en het profiel werd ingeschreven dat ze een rechtstreekse of onrechtstreekse deelname aan de handelingen van de overheid inhouden of die activiteiten omvatten, bestemd tot het vrijwaren van het algemeen belang van de Franse Gemeenschapscommissie.
  § 3. De voorwaarden bedoeld in § 1, 3 tot 5, zijn niet van toepassing op de ambtenaren waarvoor wettelijke, decretale of verordenende bepalingen specifieke benoemingsprocedures machtigen.
  
Art. 18. § 1. Nul ne peut être nommé fonctionnaire, s'il ne remplit pas les conditions générales d'admissibilité qui suivent :
  1° être d'une conduite répondant aux exigences de la fonction;
  2° jouir des droits civils et politiques;
  3° (...);
  4° posséder les aptitudes physiques requises pour exercer la fonction;
  5° [1 être porteur d'un diplôme ou certificat d'études en rapport avec le niveau du grade à conférer selon la liste reprise en annexe 2 ou être porteur d'une certification professionnelle en rapport avec la fonction pour laquelle le concours de recrutement est organisé selon la liste reprise en annexe 3 ou être porteur d'une carte d'accès obtenue suite à une série d'épreuve de sélection qualitative qui vérifie si le candidat dispose des compétences de base et aptitudes cognitives qui sont exigées au niveau supérieur à celui auquel il peut prétendre en vertu de son ou ses diplôme(s) ou de son ou ses certificat(s) d'études.]1
  Sauf disposition contraire dans les arrêtés portant exécution du présent statut, [1 les diplômes, certificats d'études, certifications professionnelles ou carte d'accès obtenue suite à une série d'épreuve de sélection qualitative qui vérifie si le candidat dispose des compétences de base et aptitudes cognitives qui sont exigées au niveau supérieur à celui auquel il peut prétendre en vertu de son ou ses diplôme(s) ou de son ou ses certificat(s) d'études]1 donnant accès à un niveau déterminé sont pris en considération pour l'admission à un des grades classés dans les niveaux les moins élevés.
  [1 ...]1
  (Le conseiller en prévention- médecin du travail effectue les examens relatifs à l'aptitude physique).
  § 2. Sont réservées à des ressortissants de nationalité belge, les fonctions pour lesquelles il est établi dans la description de fonction et dans le profil qu'elles impliquent une participation directe ou indirecte aux actes de l'autorité publique ou qui comportent des activités destinées à sauvegarder les intérêts généraux de la Commission communautaire française.
  § 3. Les conditions visées au § 1er, 3° à 5° ne s'appliquent pas aux catégories de fonctionnaires pour lesquelles des dispositions légales, décrétales ou réglementaires autorisent des procédures spécifiques de nomination.
  
TITEL II. - Vergelijkende wervingsexamens.
TITRE II. - Des concours de recrutement.
Art. 19. De vergelijkende wervingsexamens worden georganiseerd voor benoeming in de graden van de laagste rang van elk niveau.
Art. 19. Les concours de recrutement sont organisés pour la nomination aux grades du rang le plus bas de chaque niveau.
Art. 20. [1 Selor]1 organiseert de vergelijkende wervingsexamens.
  [2 Selor]2 kondigt elk vergelijkend wervingsexamen aan bij wege van een in het Belgisch Staatsblad te plaatsen bericht en, wanneer hij dat wenselijk acht, door elk ander middel van bekendmaking dat hij passend vindt.
  Het bericht vermeldt ten minste de algemene vereisten waaraan de gegadigden moeten voldoen om benoemd te kunnen worden alsook de datum waarop de vereisten moeten vervuld zijn. Indien het een vergelijkend wervingsexamen met inzet betreft, vermeldt het tevens het aantal stagiaires dat kan worden toegelaten.
  
Art. 20. Les concours de recrutement sont organisés par [1 le Selor]1.
  Le [2 Selor]2 annonce chaque concours de recrutement par avis inséré au Moniteur belge et, en outre, s'il le juge opportun, par tout autre moyen de publication qu'il estime adéquat.
  L'avis mentionne au moins les conditions générales que les candidats doivent remplir afin de pouvoir être nommés ainsi que la date à laquelle ces conditions doivent être remplies. S'il s'agit d'un concours de recrutement avec enjeu, il mentionne également le nombre de stagiaires susceptibles d'être admis.
  
Art. 21. § 1. [1 Selor]1 stelt de modaliteiten van de vergelijkende wervingsexamens vast in overleg met de Leidend Ambtenaar van het Bestuur van de Franse Gemeenschapscommissie en de Leidend Ambtenaar [1 van het Instituut]1.
  Onder deze modaliteiten, moet worden verstaan :
  1° het opstellen van een ordemaatregel voor het organiseren en publiceren van de examens;
  2° het opstellen van een reglement voor de proeven, dat :
  a) de termijn vaststelt, waarin de inschrijvingen ontvankelijk zijn;
  b) het programma van de proeven en de deelnemingsvoorwaarden omvat en de datum vastlegt waarop aan al deze voorwaarden moet zijn voldaan;
  c) het aantal punten vastlegt, dat wordt toegekend aan het examen in zijn totaliteit, aan elke van de proeven en, in voorkomend geval, aan de onderverdelingen ervan;
  d) het maximum aantal punten vastlegt, dat vereist is voor het examen in zijn totaliteit, voor elke van de proeven en, in voorkomend geval, voor de onderverdelingen ervan;
  e) de geldigheidstermijn vaststelt.
  3° het aanwijzen van leden van de examenjury;
  4° het vaststellen van datum en plaats van het examen;
  5° het samenstellen van de lijst met gegadigden;
  6° het oproepen van de gegadigden;
  7° het afsluiten van het examenverslag, waarin de orde van de geslaagden wordt vastgesteld;
  8° het bekendmaken van de behaalde uitslagen aan de gegadigden.
  § 2. [2 Selor]2 bepaalt de samenstelling van de examenjury's.
  
Art. 21. § 1. Le [1 Selor]1 fixe les modalités des concours de recrutement en concertation avec le Fonctionnaire dirigeant de l'administration de la Commission communautaire française et le Fonctionnaire dirigeant [1 de l'Institut]1.
  Par les modalités, il faut entendre :
  1° l'établissement du règlement d'ordre relatif à l'organisation et à la publication des examens;
  2° l'établissement du règlement des épreuves qui :
  a) détermine le délai pendant lequel les inscriptions sont recevables;
  b) comporte le programme des épreuves ainsi que les conditions de participation et fixe la date à laquelle ces conditions doivent être remplies;
  c) détermine le nombre de points attribués à l'ensemble de l'examen, à chacune des épreuves et la cas échéant, à leurs subdivisions;
  d) détermine le minimum de points qui est exigé pour l'ensemble de l'examen, pour chacune des épreuves et le cas échéant, pour leurs subdivisions;
  e) fixe le délai de validité.
  3° la désignation des membres des jurys d'examen;
  4° la fixation de la date et du lieu de l'examen;
  5° la constitution de la liste des candidats;
  6° la convocation des candidats;
  7° l'établissement du procès-verbal fixant le classement des lauréats;
  8° la notification des résultats obtenus aux candidats.
  § 2. Le [2 Selor]2 détermine la composition des jurys d'examen.
  
Art. 22. [1 Selor]1 stelt in samenspraak met de Leidend Ambtenaren van het Bestuur van de Franse Gemeenschapscommissie [1 en van het Instituut]1 het programma van de vergelijkende wervingsexamens vast.
  De programma's moeten het mogelijk maken te onderzoeken of de kandidaten over de vereiste geschiktheid beschikken om de toe te kennen betrekking uit te oefenen.
  Voor eenzelfde graad kunnen het programma van het vergelijkend wervingsexamen en het programma van een toegangsexamen tot het hoge niveau verschillend zijn.
  
Art. 22. Le [1 Selor]1 fixe en accord avec les fonctionnaires dirigeants de l'administration de la Commission communautaire française [1 et de l'Institut]1, le programme des concours de recrutement.
  Les programmes doivent permettre d'examiner si les candidats possèdent les aptitudes nécessaires pour exercer l'emploi à conférer.
  Pour un même grade, le programme du concours de recrutement et le programme du concours d'accession au niveau supérieur peuvent être différents.
  
Art. 23. De Leidend Ambtenaar [1 van het Instituut]1, bepaalt in samenspraak met de Leidend Ambtenaar van het Bestuur van de Franse Gemeenschapscommissie of er al dan niet een reserve van geslaagden wordt aangelegd.
  
Art. 23. Le Fonctionnaire dirigeant [1 de l'Institut]1 détermine, en accord avec le Fonctionnaire dirigeant de l'administration de la Commission communautaire française, si une réserve de lauréats doit être ou non constituée.
  
Art. 24. [1 Selor]1 vaardigt de lijst met geslaagden uit en geeft de orde van de geslaagden aan.
  (De eindrangschikking van het vergelijkend examen wordt opgesteld in functie van de behaalde punten op de eerste proef.)
  De geldigheidstermijn van het vergelijkend examen gaat in op de datum waarop het verslag van het hele examen wordt afgesloten.
  [1 Selor]1 staat in voor de bekendmaking van de uitslag van het vergelijkend wervingsexamen in het Belgisch Staatsblad.
  
Art. 24. Le [1 Selor]1 arrête la liste des lauréats au procès-verbal du concours et indique leur classement.
  (Le classement final du concours est établi en fonction des points obtenus lors de la première épreuve.)
  Le délai de validité du concours prend cours à la date de la clôture du procès-verbal relatif à l'ensemble du concours.
  Le [1 Selor]1 assure la publication au Moniteur belge du résultat du concours de recrutement.
  
Art. 25. Na het afsluiten van het examenverslag kan iedere deelnemer die er schriftelijk om verzoekt, kennis nemen van zijn uitslag.
  De behaalde uitslag wordt in bijzonderheden in het beoordelingsdossier opgenomen als de gegadigden tot ambtenaar worden benoemd.
Art. 25. Après clôture du procès-verbal des concours, chaque participant qui en a fait la demande écrite, reçoit communication des résultats qu'il a obtenus.
  Les résultats détaillés obtenus par les candidats figurent à leur dossier personnel lorsqu'ils sont nommés en qualité de fonctionnaire.
Art. 26. De vergelijkende wervingsexamens worden georganiseerd wanneer dit voor de behoeften van de dienst noodzakelijk is.
Art. 26. L'organisation des concours a lieu lorsque les besoins de service l'exigent.
TITELl IIbis - [1 Toewijzing van mandaten [2 ...]2 door middel van open procedure]1
TITRE IIbis. - [1 De l'attribution des mandats [2 ...]2 par procédure ouverte]1
Art. 26/1.[1 Het mandaat [3 ...]3 wordt via open procedure vacant verklaard, waarvoor interne en externe kandidaten tezelfdertijd wedijveren.
Art. 26/1. [1 Le mandat [3 ...]3 est déclaré vacant par procédure ouverte, pour laquelle des candidats internes et externes concourent en même temps.
TITEL III. - Stage.
TITRE III. - Du stage.
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
CHAPITRE I. - Dispositions générales.
Art. 27. § 1. Onverminderd de uitzonderingen bedoeld in artikel 17, § 2, waarbij niet voorzien is in een stage, kan niemand worden benoemd dan na een stage te hebben volbracht.
  § 2. Behoudens in de door het College bepaalde gevallen kan de geslaagde tot benoeming toegelaten worden voordat zijn lichamelijke geschiktheid is gecontroleerd. Als hij aan deze vereiste niet voldoet, dan wordt hij ambtshalve ontslagen. Ten laatste op de datum van dit ontslag ambtshalve wordt met de betrokkene een arbeidscontract voor een bepaalde duur gesloten, waarvan deze laatste overeenstemt met de minimumduur welke in zijn geval vereist is om werkloosheidsuitkeringen te genieten. Wanneer hij op de datum van het ingaan van dit contract arbeidsongeschikt is of tijdens de uitvoering ervan arbeidsongeschikt wordt, wordt hem een wedde uitbetaald in het eerste geval gedurende zes maanden en in het tweede geval gedurende de periode nodig om de wachtttijd te dekken voor de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector uitkeringen.
Art. 27. § 1. Sans préjudice des exceptions visées à l'article 17, § 2, pour lesquelles un stage n'est pas prévu, nul ne peut être nommé qu'après l'accomplissement d'un stage.
  § 2. Sauf dans les cas déterminés par le Collège, le lauréat est admissible à la nomination avant la vérification de son aptitude physique. S'il ne satisfait pas à cette condition, il est démis d'office. Au plus tard à la date de cette démission d'office, il est conclu avec l'intéressé un contrat de travail à durée déterminée, celle-ci étant égale à la durée minimum exigée dans son cas pour bénéficier des allocations de chômage. Lorsqu'il est dans l'incapacité de travailler à la date à laquelle prend cours ce contrat ou lorsqu'il le devient pendant l'exécution de celui-ci, un traitement lui est payé dans le premier cas durant six mois et dans le deuxième cas durant la période nécessaire pour couvrir le stage prévu dans le cadre de l'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, secteur des indemnités.
Art. 28. De geslaagden worden tot de stage toegelaten in de orde van hun rangschikking.
Art. 28. Les lauréats sont admis au stage dans l'ordre de leur classement.
Art. 29. De stagiair is geen ambtenaar in de zin van dit besluit.
  Bepalingen van dit besluit en van de besluiten die het hebben gewijzigd of aangevuld, gelden voor de stagiaires enkel voor zover zij uitdrukkelijk op hen van toepassing zijn.
Art. 29. Le stagiaire n'a pas la qualité de fonctionnaire au sens du présent arrêté.
  Il n'est soumis aux dispositions du présent arrêté et des arrêtés qui l'ont modifié ou complété, que dans la mesure où elles lui sont rendues expressément applicables.
Art. 30. De stagiair komt in aanmerking voor hetgeen ten behoeve van de ambtenaren is bepaald inzake :
  1° allerhande uitkeringen en vergoedingen voor zover het daartoe grond opleverende feit bestaanbaar is met een ononderbroken stage;
  2° het geldelijk statuut.
  Voor de toepassing van dit artikel wordt de stagiair geacht de graad te bezitten waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld.
Art. 30. Le stagiaire bénéficie des dispositions qui régissent pour les fonctionnaires :
  1° les allocations et indemnités de toute nature, dans la mesure où le fait qui donne lieu à l'octroi d'une allocation ou d'une indemnité est compatible avec l'exercice continu du stage;
  2° le statut pécuniaire.
  Pour l'application du présent article, le stagiaire est censé être titulaire du grade auquel il s'est porté candidat.
Art. 31. § 1. Om de duur van de stage te berekenen, worden alle perioden waarin de stagiair in actieve dienst is, in aanmerking genomen.
  § 2. Zelfs indien de stagiair in actieve dienst is, leiden de afwezigheden die zich voordoen nadat de stagiair reeds vijftien werkdagen in één of verschillende malen afwezig is geweest tot een opschorting van de stage.
  Komen voor de berekening van deze dagen afwezigheid niet in aanmerking :
  1° het jaarlijks vakantieverlof;
  2° de uitzonderlijke verloven bedoeld in artikelen 6 en 6bis van het koninklijk besluit van 1 juni 1964 betreffende sommige verloven toegestaan aan personeelsleden van de rijksbesturen en betreffende de afwezigheden wegens persoonlijke aangelegenheid.
  § 3. In geval van schorsing van de stage behoudt de betrokkene zijn hoedanigheid van stagiair en zijn administratieve toestand wordt vastgesteld overeenkomstig de reglementsbepalingen die op hem van toepassing zijn.
  § 4. Na het einde van een afwezigheidsperiode die een schorsing van de stage tot gevolg heeft gehad, beslist de vormingsdirecteur of er voor de stagiair reden bestaat om zijn vorming voort te zetten.
  Gedurende de periode van verlenging van de stage behouden de betrokkenen hun hoedanigheid van stagiair.
Art. 31. § 1. Pour le calcul de la durée du stage, toutes les périodes pendant lesquelles le stagiaire se trouve dans la position d'activité de service sont prises en considération.
  § 2. Même si le stagiaire est dans une position d'activité de service, les absences qui se produisent après que le stagiaire ait été absent quinze jours ouvrables en une ou plusieurs fois entraînent une suspension de stage.
  N'interviennent pas dans le calcul de ces jours d'absence :
  1° les congés annuels de vacance;
  2° les congés exceptionnels visés aux articles 6 et 6bis de l'arrêté royal du 1er juin 1964 relatif à certains congés accordés à des agents des administrations de l'Etat et aux absences pour convenance personnelle.
  § 3. En cas de suspension du stage, l'intéressé conserve sa qualité de stagiaire et sa position administrative est fixée conformément aux dispositions réglementaires qui lui sont applicables.
  § 4. A l'issue d'une absence qui a entraîné une suspension du stage, le directeur de formation décide, s'il y a lieu, de compléter la formation du stagiaire.
  Pendant la période de prolongation du stage, les intéressés conservent leur qualité de stagiaire.
Art. 32. § 1. De Leidend Ambtenaar [1 ...]1 wijst een vormingsdirecteur aan onder de ambtenaren van rang 11 minstens, met een anciënniteit in niveau 1 van minstens vijf jaar.
  De vormingsdirecteur wordt aangewezen voor een hernieuwbare periode van vijf jaar.
  § 2. Vóór zijn aanwijzing moet de vormingsdirecteur een geschiktheidsbrevet behalen dat wordt afgeleverd na een opleidingsperiode van ten minste tien dagen en waarvan de nadere regels worden bepaald door het College.
  Komen in aanmerking voor de opleidingsperiode, de kandidaten die door de Directieraad werden weerhouden onder de ambtenaren van niveau 11 ten minste en die op hun beoordelingsstaat de gunstigste vermelding hebben bekomen.
  Ten hoogste drie kandidaten volgen de in de voorgaande leden bedoelde opleidingsperiode
  De kandidaten van wie de deelname aan de opleidingsperiode werd geweigerd, kunnen binnen de acht dagen na kennisgeving van de beslissing beroep indienen bij de Stagecommissie. Deze zal binnen vijftien dagen uitspraak doen.
  § 3. 3° Benevens de bevoegdheden die hem door dit besluit uitdrukkelijk worden toegekend, heeft de vormingsdirecteur als opdracht :
  - adviezen uitbrengen aangaande de onthaal- en opleidingsprogramma's, op zijn initiatief, op initiatief van de Leidend Ambtenaar [2 ...]2 of van zijn afgevaardigde, of op aanvraag van de afdeling Human Resources van de in artikel 2 bedoelde instellingen;
  - de stagiaires begeleiden en op hen toezicht houden;
  4° Tijdens de duur van zijn opdracht verkrijgt de vormingsdirecteur de wedde verbonden aan de eerste graad van rang 13, behalve indien hij ten minste een gelijke wedde geniet.
  Tijdens de duur van zijn opdracht moet de vormingsdirecteur kunnen deelnemen aan vervolmakende activiteiten.
  § 4. Wat de begeleiding van de stagiairs aangaat, stelt de vormingsdirecteur drie uitvoerige verslagen op ter omkleding van zijn evaluatie en maakt deze over aan de personeelsdienst.
  Het eerste verslag wordt overgemaakt vóór het einde van de tweede maand voor de stagiaires van niveau 2 en 3 en vóór het einde van de vierde maand voor de stagiaires van niveau 1 en 2+.
  Het tweede verslag wordt overgemaakt vóór het einde van de vierde maand voor de stagiaires van niveau 2 en 3 en vóór het einde van de achtste maand voor de stagiaires van niveau 1 en 2+.
  Het derde verslag wordt overgemaakt vóór het einde van de zesde maand voor de stagiaires van niveau 2 en 3 en vóór het einde van de twaalfde maand voor de stagiaires van niveau 1 en 2+.
  Ieder verslag wordt ter kennis gebracht van de stagiair, die er eventueel zijn opmerkingen aan toevoegt die in zijn persoonlijk dossier worden opgenomen.
  § 5. In afwachting van de benoeming van een vormingsdirecteur, oefent de ambtenaar verantwoordelijk voor de afdeling Human Resources [3 ...]3, tijdelijk de bevoegdheden uit die door dit besluit aan de vormingsdirecteur worden toegekend.
  
Art. 32. § 1er. Le fonctionnaire dirigeant [1 ...]1 désigne un directeur de la formation parmi les fonctionnaires d'un rang égal ou supérieur au rang 11 et comptant une ancienneté d'au moins cinq ans dans un niveau 1.
  Le Directeur de la formation est désigné pour une période de cinq ans renouvelable.
  § 2. Préalablement à sa désignation, le Directeur de la Formation doit obtenir un brevet d'aptitude, lequel est délivré à l'issue d'une période de formation d'au moins dix jours dont les modalités sont fixées par le Collège.
  Peuvent participer à ladite période de formation les candidats retenus par le Conseil de direction, parmi les fonctionnaires de niveau 11 au moins et qui ont obtenu l'évaluation la plus favorable.
  Trois candidats au plus suivent la période de formation visée aux alinéas précédents.
  Les candidats dont la participation à la période de formation a été refusée, peuvent introduire, dans les huit jours de la notification de la décision, un recours devant la Commission des stages. Celle-ci statue dans les quinze jours.
  § 3. 1° Outre les attributions qui lui sont expressément reconnues par le présent arrêté, le directeur de la formation a pour mission :
  - d'émettre des avis sur les programmes d'accueil et de formation, à son initiative, à celle du fonctionnaire dirigeant [2 des organismes visés à l'article 2]2 ou de son délégué, ou encore à la demande de la Division des Ressources humaines des organismes visés à l'article 2;
   - de guider et de contrôler les stagiaires.
  2° Pendant la durée de sa fonction, le directeur de la formation bénéficie de la première échelle de traitement liée au grade du rang 13 sauf s'il bénéficie d'un traitement au moins égal.
  Pendant la durée de sa fonction, le directeur doit pouvoir participer à des activités de perfectionnement.
  § 4. En ce qui concerne la guidance des stagiaires, le directeur de la formation établi trois rapports circonstanciés motivant son évaluation et les transmet au service du personnel.
  Le premier rapport est transmis avant la fin du deuxième mois en ce qui concerne les stagiaires des niveaux 2 et 3 et avant la fin du quatrième mois en ce qui concerne les stagiaires des niveaux 1 et 2+.
  Le deuxième rapport est transmis avant la fin du quatrième mois en ce qui concerne les stagiaires des niveaux 2 et 3 et avant la fin du huitième mois en ce qui concerne les stagiaires des niveaux 1 et 2+.
  Le troisième rapport est transmis avant la fin du sixième mois en ce qui concerne les stagiaires des niveaux 2 et 3 et avant la fin du douzième mois en ce qui concerne les stagiaires des niveaux 1 et 2+.
  Chaque rapport est communiqué au stagiaire qui y joint éventuellement ses observations et est versé à son dossier personnel.
  § 5. A titre transitoire, en l'attente de la nomination d'un directeur de la formation, le fonctionnaire responsable de la division des ressources humaines [3 ...]3 exerce les attributions dévolues par l'arrêté au directeur de la formation.
  
Art. 33. § 1. De stagiair kan wegens beroepsongeschiktheid worden afgedankt met opzegging van drie maanden.
  Ten laatste op de datum van de beslissing tot afdanking wordt met de betrokkene een arbeidsovereenkomst voor een bepaalde duur van drie maanden gesloten die overeenstemt met de in het eerste lid bedoelde opzeggingstermijn.
  § 2. Voor elke zware fout begaan gedurende of ter gelegenheid van de stage kan de stagiair die er zich schuldig aan maakt zonder opzegging worden afgedankt. De betrokkene moet vooraf worden opgeroepen om gehoord te worden.
  § 3. De afdanking wordt uitgesproken door de instantie die de benoemingsmacht uitoefent op voorstel van de Stagecommissie.
Art. 33. § 1. Le stagiaire peut être licencié pour cause d'inaptitude professionnelle moyennant un préavis de trois mois.
  Au plus tard à la date de décision de licenciement, il est conclu avec l'intéressé un contrat de travail à durée déterminée de trois mois correspondant au délai de préavis visé à l'alinéa 1er.
  § 2. Toute faute grave commise dans l'accomplissement du stage ou à l'occasion de celui-ci, peut donner lieu au licenciement sans préavis du stagiaire qui s'en rend coupable. L'intéressé doit, au préalable, être convoqué en vue d'être entendu.
  § 3. Le licenciement est prononcé par l'autorité investie du pouvoir de nomination sur proposition de la Commission des stages.
HOOFDSTUK II. - Verloop van de stage.
CHAPITRE II. - Déroulement du stage.
Art. 34. _ Het College stelt de algemene beginselen inzake stage vast.
Art. 34. Le Collège définit les principes généraux qui régissent le stage.
Art. 35. De vormingsdirecteur stelt, met inachtneming van de in artikel 34 bedoelde algemene beginselen, de vormingsactiviteiten vast waaraan de stagigiares moeten deelnemen.
  Elke stagiair moet de vormingsdirecteur een eindverhandeling ter hand stellen volgens de modaliteiten en binnen de termijn die hij vaststelt.
Art. 35. Le directeur de la formation détermine, en se conformant aux principes généraux visés à l'article 34, les activités de formation auxquelles les stagiaires sont tenus de participer.
  Chaque stagiaire doit faire parvenir un mémoire de fin de stage au directeur de la formation selon les modalités et dans les délais qu'il détermine.
Art. 36. § 1. De geslaagden die werden toegelaten door [1 Selor]1 worden benoemd door de instantie die de benoemingsmacht uitoefent.
  Zij worden door de Directieraad in die hoedanigheid in dienst geroepen en aangesteld voor een permanent vacante betrekking met het genot van al hun administratieve en geldelijke rechten, uiterlijk op de eerste dag van de derde maand volgend op die waarin de Vaste Wervingssecretaris de geslaagden ter beschikking van de Minister heeft gesteld.
  Wanneer een geslaagde een opzeggingsperiode moet volbrengen in toepassing van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, dan wordt de in het tweede lid vastgestelde termijn verlengd tot op de eerste dag van de maand die volgt op de datum waarop de opzegging verstrijkt.
  § 2. De stage duurt één jaar voor gegadigden [2 van niveau 2 en 3]2. Zij kan ten hoogste met één derde van haar duur worden verlengd in de in artikel 38 bedoelde gevallen.
  
Art. 36. § 1. Les lauréats admis par le [1 Selor]1 sont nommés en qualité de stagiaire par l'autorité qui détient le pouvoir de nomination.
  Ils sont appelés en service en cette qualité et affectés par le Conseil de direction à un emploi permanent vacant avec la jouissance de tous leurs droits administratifs et pécuniaires au plus tard le premier jour du troisième mois suivant celui où le [1 Selor]1 a mis les lauréats à la disposition de cette autorité.
  Lorsqu'un lauréat doit accomplir une période de préavis en application de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, le délai fixé à l'alinéa 2 est prolongé jusqu'au premier jour du mois qui suit la date d'expiration du préavis.
  § 2. Le stage est d'une durée d'un an pour les niveaux 1 et 2+ et de six mois pour [2 les niveaux 2 et 3]2. Il peut être prolongé au maximum d'un tiers de sa durée dans les cas prévus à l'article 38.
  
Art. 37. De stagiair wordt onder het toezicht van de vormingsdirecteur geplaatst. Hij wordt eraan gehouden deel te nemen aan de activiteiten die door de vormingsdirecteur worden georganiseerd.
Art. 37. Le stagiaire est placé sous la surveillance du directeur de la formation. Il est tenu de participer aux activités que le directeur de la formation organise.
Art. 38. § 1. Indien de drie in artikel 32 bedoelde verslagen over het geheel niet gunstig zijn voor de stagiair of indien de stagiair niet voldoet aan de verplichtingen bedoeld in artikel 35, tweede lid, legt de vormingsdirecteur het geval aan de stagecommissie voor.
  Daartoe maakt hij een verslag op dat hij aan de stagiair meedeelt.
  § 2. De stagecommissie hoort de stagiair, op zijn verzoek, alvorens een beslissing te nemen over de verlenging van de stage of alvorens de afdanking of de benoeming voor te stellen.
  Nadat de Commissie de nodige informatie ingewonnen heeft, inzonderheid bij de betrokken dienstchefs, en volgens het geval :
  1° beslist zij of de stage kan worden voortgezet of moet worden verlengd;
  2° legt zij aan de instantie die de benoemingsmacht uitoefent een met redenen omkleed afdankingsvoorstel voor;
  3° legt zij aan de instantie die de benoemingsmacht uitoefent een met redenen omkleed benoemingsvoorstel voor;
  § 3. De stagiair kan zich door een advocaat of een afgevaardigde van een erkende vakorganisatie laten bijstaan.
Art. 38. § 1. Si les trois rapports visés à l'article 32 ne sont pas, dans l'ensemble, favorables au stagiaire, ou si le stagiaire ne satisfait pas à l'obligation prévue à l'article 35, alinéa 2, le directeur de la formation saisit la Commission des stages.
  A cet effet, il établit un rapport qu'il communique au stagiaire.
  § 2. La Commission des stages entend le stagiaire à la demande de celui-ci, avant de décider de la prolongation du stage, avant de proposer le licenciement ou la nomination.
  Après avoir recueilli toutes les informations utiles, notamment auprès des chefs de service intéressés, la Commission selon le cas :
  1° décide si le stage doit être prolongé;
  2° soumet à l'autorité revêtue du pouvoir de nomination une proposition motivée de licenciement;
  3° soumet à l'autorité revêtue du pouvoir de nomination une proposition motivée de nomination.
  § 3. Le stagiaire peut se faire assister par un avocat ou un délégué d'une organisation syndicale agréée.
Art. 39. § 1. De hetzij door de vormingsdirecteur hetzij door de Stagecommissie geschikt bevonden stagiair wordt tot ambtenaar benoemd in de graad waarvoor hij zich kandidat heeft gesteld.
  § 2. Voor de berekening van zijn anciënniteit in wedde en voor zijn rangschikking, neemt hij rang in op de dag waarop zijn stage is begonnen.
  Indien de toelating tot de stage werd vertraagd omdat een onderzoek geboden was om uit te maken of de stagiair van een gedrag is dat beantwoordt aan de vereisten van de betrekking en of de stagiair in de instelling door één of meer na hem gerangschikte geslaagden van hetzelfde vergelijkend examen voorbijgegaan is, dan neemt hij echter rang in op de datum waarop die geslaagde of de best gerangschikte van die geslaagden zijn stage heeft aangevat.
  § 3. Dit artikel mag geen afbreuk doen aan de bepalingen die van toepassing zijn op de wegens lichamelijke ongeschiktheid onder voorbehoud toegelaten stagiairs.
Art. 39. § 1. A l'issue du stage, le stagiaire jugé apte, soit par le directeur de la formation, soit par la Commission des stages, est nomme en qualité de fonctionnaire au grade auquel il s'est porté candidat.
  § 2. Pour le calcul de son ancienneté de traitement et pour son classement, il prend rang à la date à laquelle a débuté son stage.
  Si l'admission au stage a été retardée parce qu'une enquête s'imposait pour apprécier si la conduite du stagiaire répond aux exigences de la fonction, et si le stagiaire a été dépassé au sein de l'organisme par un ou plusieurs lauréats du même concours classés après lui, il prend toutefois rang à la date à laquelle ce lauréat ou le mieux classé de ces lauréats a commencé son stage.
  § 3. Le présent article ne peut porter préjudice aux dispositions applicables aux stagiaires admis sous réserve pour des raisons d'inaptitude physique.
Art. 40. § 1. [1 ...]1 wordt een stagecommissie opgericht.
  De stagecommissie is paritair samengesteld uit :
  1° twee ambtenaren van rang 13 ten minste, aangeduid door de instantie die de benoemingsmacht uitoefent, en de vormingsdirecteur;
  2° de leden, aangeduid door de representatieve vakorganisaties a rato van één lid per organisatie.
  De instantie die de benoemingsmacht uitoefent, wijst één van de in lid 2, 1°, bedoelde ambtenaren aan om het voorzitterschap van de Commissie waar te nemen. Ze mag eveneens andere ambtenaren van rang 13 ten minste aanwijzen in de hoedanigheid van plaatsvervangend lid.
  Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend.
  § 2. De dienstchef die de stagiair onder zijn toezicht heeft, woont de beraadslagingen bij met raadgevende stem.
  
Art. 40. § 1. [1 ...]1 est créée une Commission des stages.
  La Commission se compose paritairement :
  1° de deux fonctionnaires de rang 13 au moins, désignés par l'autorité investie du pouvoir de nomination et du directeur de la formation;
  2° de membres désignés par les organisations syndicales représentatives à raison d'un membre par organisation.
  L'autorité investie du pouvoir de nomination désigne un des fonctionnaires visés à l'alinéa 2, 1° pour assurer la présidence de la Commission. Il peut également désigner d'autres fonctionnaires de rang 13 au moins en qualité de suppléant.
  En cas de partage des voix, la voix du Président est prépondérante.
  § 2. Le chef de service qui a le stagiaire sous ses ordres participe aux délibérations avec voix consultative.
  
Art. 41. De instantie die de benoemingsmacht uitoefent, kan ambtenaren van niveau 1 belasten met het opmaken van de in artikel 32 bedoelde stageverslagen voor de personeelsleden [1 van niveau 2+, 2 en 3]1.
  
Art. 41. L'autorité investie du pouvoir de nomination peut charger des fonctionnaires de niveau 1 de l'établissement des rapports de stage visés à l'article 32 pour les fonctionnaires [1 des niveaux 2+, 2 et 3]1.
  
TITEL IV. - Benoeming als ambtenaar.
TITRE IV. - De la nomination en qualité de fonctionnaire.
Art. 42. De stagiairs leggen de eed af wanneer zij tot ambtenaar worden benoemd.
  Zij worden geacht als ambtenaar in dienst te zijn getreden zodra zij de eed hebben afgelegd.
Art. 42. Les stagiaires prêtent serment lors de leur nomination en qualité de fonctionnaire.
  Ils sont réputés entrer en fonction en cette qualité dès le moment de la prestation de serment.
Art. 43. De in het vorig artikel bedoelde eed wordt afgelegd in termen, bepaald in artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831.
Art. 43. Le serment prévu au précédent article s'énonce dans les termes fixés par l'article 2 du décret du 20 juillet 1831.
Art. 44. Met uitzondering van de Ambtenaren-generaal leggen de ambtenaren de eed af in handen van de Leidend Ambtenaar [2 ...]2 of, in voorkomend geval, in handen van de [1 Adjunct-leidend ambtenaar (in afbouw)]1.
  De Ambtenaren-generaal leggen de eed af in handen van het Lid van het College, belast met het Openbaar Ambt.
  
Art. 44. A l'exception des Fonctionnaires généraux, les fonctionnaires prêtent serment entre les mains du Fonctionnaire dirigeant [2 ...]2 ou, le cas échéant, du [1 Fonctionnaire dirigeant adjoint (en extinction)]1.
  Les Fonctionnaires généraux prêtent serment entre les mains du Membre du Collège chargé de la Fonction publique.
  
Art. 45. Indien zij verzuimen de in artikel 42 bedoelde eed af te leggen, wordt hun benoeming met terugwerkende kracht vernietigd.
Art. 45. S'ils s'abstiennent de prêter le serment visé à l'article 42, leur nomination est annulée avec effet rétroactif.
DEEL V. - Het onthaal en de vorming.
PARTIE V. - De l'accueil et de la formation.
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
CHAPITRE Ier. - Des dispositions générales.
Art. 46. De bepalingen van dit deel zijn van toepassing op :
  - 1° de leden van het vastbenoemde statutair personeel [1 ...]1;
  - 2° op de stagiairs met uitzondering van de bepalingen van de artikelen 48 tot 52 van het statuut;
  - 3° op de leden van het contractueel personeel (administratief) [2 ...]2;
  
Art. 46. Les dispositions de la présente partie sont applicables :
  - 1° Aux membres du personnel statutaire définitif [1 ...]1.
  - 2° Aux stagiaires à l'exception des dispositions des articles 48 à 52 du statut.
  - 3° Aux membres du personnel contractuel (administratif) [2 ...]2.
  
HOOFDSTUK II. - Het onthaal.
CHAPITRE II. - De l'accueil.
Art. 47. Onder onthaal dient elke maatregel te worden verstaan ter bevordering van de integratie van de nieuwe personeelsleden [1 bij het Instituut]1.
  
Art. 47. Il y a lieu d'entendre par accueil toute mesure favorisant l'intégration des nouveaux membres du personnel [1 au sein de l'Institut]1.
  
Art. 47/2. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-10/35, art. 3; Inwerkingtreding : 29-07-2004> § 1. Het College neemt, op voordracht van het Lid van het College bevoegd voor het Openbaar Ambt, de richtsnoeren aan inzake onthaal.
  § 2. De Leidend Ambtenaar [1 ...]1 bepaalt, na advies van de Directieraad overeenkomstig de krachtens in de vorige paragraaf bepaalde richtsnoeren, het onthaalprogramma dat beantwoordt aan de behoeften van zijn administratie en van zijn personeel.
  
Art. 47/2. § 1er. Le Collège adopte les lignes directrices qui régissent l'accueil sur proposition du membre du Collège compétent en matière de Fonction publique.
  § 2. Le fonctionnaire dirigeant [1 ]1 fixe, après avis du Conseil de direction en se conformant aux lignes directrices définies en vertu du paragraphe précédent, le programme d'accueil répondant aux besoins de son administration et de son personnel.
  
Art. 47/3. De afdeling Human Resources wordt belast met de uitvoering van het onthaalprogramma.
Art. 47/3. La division des ressources humaines est chargée de l'exécution du programme d'accueil.
Art. 47/4. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-10/35, art. 3; Inwerkingtreding : 29-07-2004> Tijdens de periodes van afwezigheid die gerechtvaardigd worden door toepassing van de bepalingen van deze paragraaf, is de ambtenaar in actieve dienst.
Art. 47/4. Pendant les périodes d'absence justifiées par l'application des dispositions du présent chapitre, l'agent est en activité de service.
HOOFDSTUK III. - De opleiding.
CHAPITRE III. - De la formation.
Art. 48. Onder beroepsopleiding dient men te verstaan, elke opleiding die rechtstreeks betrekking heeft op de uitgeoefende of de in de toekomst uit te oefenen betrekking [1 bij het Instituut]1.
  Worden ambtshalve beschouwd als beroepsopleidingen :
  - de voorbereidende opleidingen op een vergelijkend wervingsexamen georganiseerd door SELOR,
  - de voorbereidende opleidingen op een loopbaanexamen.
  
Art. 48. Il y a lieu d'entendre par formation professionnelle toute formation qui se rapporte directement à la fonction exercée ou à exercer à l'avenir [1 au sein de l'Institut]1.
  Sont considérées d'office comme des formations professionnelles :
  - Les formations qui préparent à un concours de recrutement organisé par le SELOR.
  - Les formations qui préparent à une épreuve de carrière.
  
Art. 48/2. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-10/35, art. 3; Inwerkingtreding : 29-07-2004> Er wordt een dienstvrijstelling van drie dagen toegekend aan elk personeelslid of aan een groep personeelsleden die deelnemen aan het loopbaanexamen of aan een examen georganiseerd door SELOR en die geen specifieke opleiding volgen.
Art. 48/2. Une dispense de service de trois jours est accordée aux membres du personnel qui participent à une épreuve de carrière ou à un examen organisé par le SELOR et qui ne suivent pas de formation spécifique.
Art. 48/3. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-10/35, art. 3; Inwerkingtreding : 29-07-2004> § 1. Jaarlijks wordt een indicatief opleidingsplan uitgewerkt voor elke personeelslid of elke groep personeelsleden die dezelfde betrekking uitoefenen : deze laatste heeft betrekking op de periode tussen 1 september en 31 augustus van het volgende jaar.
  § 2. Het opleidingsplan wordt uitgewerkt door de afdeling Human Resources.
  § 3. Dit plan doet melding van :
  1° De verplichte beroepsopleiding die het personeelslid zal moeten volgen gedurende het jaar waarop het opleidingsplan betrekking heeft. Men verstaat onder verplichte beroepsopleiding, de opleiding opgelegd [1 door het Instituut]1 met het oog op de uitgeoefende of uit te oefenen betrekkingen.
  2° De beroepsopleiding die het personeelslid wenst te volgen gedurende het jaar waarop het opleidingsplan betrekking heeft.
  
Art. 48/3. § 1er. Chaque année, un plan de formation indicatif est établi pour tout membre du personnel ou tout groupe de membres du personnel exerçant la même fonction : celui-ci à trait à la période comprise entre le 1er septembre et le 31 août de l'année suivante.
  § 2. Le plan de formation est établi par la division des ressources humaines.
  § 3. Ce plan mentionne :
  - 1° La formation professionnelle obligatoire que devra suivre le membre du personnel durant l'année à laquelle se réfère le plan de formation. On entend par formation obligatoire, la formation imposée [1 par l'Institut]1 en raison des fonctions exercées ou à exercer.
  - 2° La formation professionnelle que souhaite suivre le membre du personnel durant l'année à laquelle se réfère le plan de formation.
  
Art. 49. Voor de verplichte beroepsopleiding georganiseerd [1 binnen of buiten het Instituut]1 verkrijgt de ambtenaar een dienstvrijstelling. De opleidingsuren buiten de diensturen worden gecompenseerd in toepassing van het reglement dat van toepassing is op het betrokken personeelslid.
  
Art. 49. Pour la formation professionnelle obligatoire organisée [1 dans ou à l'extérieur de l'Institut]1, l'agent reçoit une dispense de service. Les heures de formation qui se situent en dehors des heures de service sont compensées en application du règlement applicable au membre du personnel concerné.
  
Art. 49/2. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-10/35, art. 3; Inwerkingtreding : 29-07-2004> Er wordt een opleidingsverlof toegekend voor de beroepsopleiding op voorwaarde dat de gekozen opleidingsverstrekker geaccrediteerd is.
  De opleidingsverstrekkers die in bijlage IV van dit besluit vermeld worden, zijn geaccrediteerd en de opleidingen van de instellingen die bepaald worden door de afdeling Human Resources.
Art. 49/2. Un congé de formation est accordé pour la formation professionnelle, à la condition que le dispensateur de la formation choisie soit accrédité.
  Sont accrédités les dispensateurs de formation qui figurent à l'annexe IV du présent arrêté et les formations propres aux organismes qui sont déterminées par la division des Ressources humaines.
Art. 49/3. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-10/35, art. 3; Inwerkingtreding : 29-07-2004>
  § 1. Voor het verkrijgen van een opleidingsverlof deelt het personeelslid de gekozen opleiding mee aan zijn hiërarchische overste. Deze laatste maakt zijn aanvraag met zijn gemotiveerd advies binnen tien dagen over aan de afdeling Human Resources.
  De afdeling Human Resources verleent het opleidingsverlof binnen tien dagen na de overbrenging van de aanvraag.
  Indien er geen beslissing komt binnen de vooropgestelde termijn wordt de beslissing gunstig geacht.
  Wanneer de afdeling Human Resources het opleidingsverlof weigert, kan beroep worden ingesteld bij de Beroepscommissie inzake opleiding waarvan de samenstelling en de werkingswijzen in artikel 52 worden vastgelegd.
  § 2. Het opleidingsverlof mag in geen geval worden geweigerd voor de in artikel 48, lid 2, bedoelde opleidingen, wanneer het een eerste deelname betreft aan het examen of de proef in kwestie.
Art. 49/3.
  § 1er. Pour l'obtention d'un congé de formation, le membre du personnel communique la formation choisie à son supérieur hiérarchique. Celui-ci communique la demande avec son avis motivé à la division des ressources humaines dans les dix jours.
  La division des ressources humaines autorise le congé de formation dans les dix jours de la transmission de la demande.
  L'absence de décision dans les délais prévus est réputée constituer une décision favorable.
  Lorsque la Division des Ressources humaines refuse le congé de formation un recours est ouvert auprès de la Commission de recours en matière de formation dont la composition et les modes de fonctionnement sont fixés à l'article 52.
  § 2. Le congé de formation ne peut en aucun cas être refusé pour les formations visées à l'article 48, alinéa 2, lorsqu'il s'agit d'une première participation à l'examen ou à l'épreuve en question.
Art. 49/4. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-10/35, art. 3; Inwerkingtreding : 29-07-2004>
  Tijdens de door de deelname aan de georganiseerde activiteiten in het kader van dit hoofdstuk gemotiveerde afwezigheden, is de ambtenaar in actieve dienst.
Art. 49/4.
  Pendant les périodes d'absences justifiées par la participation aux activités organisées dans le cadre de ce chapitre, l'agent est en activité de service.
Art. 49/5. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-10/35, art. 3; Inwerkingtreding : 29-07-2004>
  § 1. Het opleidingsverlof is gelijk aan het aantal opleidingsuren, zonder evenwel per referentiejaar het plafond van 120 uren te mogen overtreffen.
  Het aantal uren waarvan de ambtenaar die is vrijgesteld wegens vorige of huidige studies, wordt in dezelfde mate in vermindering gebracht van het plafond.
  Men verstaat onder " referentiejaar " de periode vanaf 1 september van een academisch jaar tot 31 augustus van het volgende jaar.
  Het aantal opleidingsuren wordt, voor de opleiding die geen regelmatige aanwezigheid vereist, gelijkgesteld met het aantal lessen van het leerprogramma.
  § 2. Het opleidingsverlof kan worden geweigerd indien het niet verenigbaar is met het belang van de dienst. Een dergelijke weigering mag geen twee opeenvolgende jaren geschieden.
  § 3. Het opleidingsverlof mag niet meer dan tweemaal voor dezelfde opleiding worden toegekend.
Art. 49/5.
  § 1er. Le congé de formation est égal au nombre d'heures de formation, sans toutefois pouvoir dépasser le plafond de 120 heures par année.
  Le nombre d'heures dont l'agent est dispensé en raison d'études antérieures ou en cours est déduit de ce plafond à due concurrence.
  On entend par " année " la période s'étendant du 1er septembre d'une année académique au 31 août de l'année suivante.
  Pour une formation n'exigeant pas de présence régulière, le nombre d'heures de la formation est assimilé au nombre de leçons du programme d'étude.
  § 2. Le congé de formation peut être refusé quand l'intérêt du service s'y oppose. Toutefois, un tel refus ne peut être opposé à l'agent deux années consécutives.
  § 3. Le congé de formation ne peut être accordé plus de deux fois pour la même formation.
Art. 49/6. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-10/35, art. 3; Inwerkingtreding : 29-07-2004>
  Het recht op een dienstvrijstelling of op een opleidingsverlof wordt geschorst indien na afloop van een opleiding, blijkt uit het over te maken getuigschrift van nauwgezetheid dat de ambtenaar ongewettigd afwezig is geweest op de opleidingslessen en dit gedurende meer dan één vijfde van de duur ervan.
Art. 49/6.
  Le droit à une dispense de service ou à un congé de formation est suspendu si au terme d'une formation, il résulte que l'attestation d'assiduité à transmettre que l'agent a été absent au cours de sa formation sans raison légitime et ce pendant plus d'un cinquième de sa durée.
Art. 50.
  Het toezicht op de dienstvrijstelling en op het opleidingsverlof gebeurt op grond van volgende getuigschriften :
  1° een getuigschrift van regelmatige inschrijving met vermelding van de opleiding waarvoor de ambtenaar is ingeschreven, het aantal uren van de opleiding en ook het tijdsschema.
  2° in het geval deze kan worden uitgereikt, een getuigschrift over de nauwgezetheid waarmee de ambtenaar de opleiding heeft gevolgd
  De attesten zijn conform de modellen uit bijlagen 5 en 6 van dit besluit.
Art. 50.
  Le contrôle de la dispense de service et du congé de formation se fait sur la base des attestations suivantes :
  1° Une attestation d'inscription régulière mentionnant la formation à laquelle l'agent est inscrit, le nombre d'heures de la formation ainsi que le calendrier.
  2° Lorsqu'elle peut être délivrée, une attestation relative à l'assiduité avec laquelle l'agent a suivi la formation.
  Les attestations sont conformes aux modèles des annexes 5 et 6 au présent arrêté.
Art. 50/2. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-10/35, art. 3; Inwerkingtreding : 29-07-2004>
  Het formulier van getuigschrift van regelmatige inschrijving wordt door de ambtenaar overgemaakt aan de opleidingsverstrekker.
  De ambtenaar dient het getuigschrift van inschrijving behoorlijk ingevuld over te maken aan de afdeling Human Resources.
Art. 50/2.
  Le formulaire d'attestation d'inscription régulière est transmis par l'agent au dispensateur de formation.
  L'agent est tenu de remettre l'attestation d'inscription dûment complétée à la division des ressources humaines.
Art. 50/3. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-10/35, art. 3; Inwerkingtreding : 29-07-2004>
  § 1. Het formulier van getuigschrift over de nauwgezetheid wordt overgemaakt door de ambtenaar aan de opleidingsverstrekker na afloop van de opleiding of van het leerprogramma.
  Deze reikt het getuigschrift uit binnen twintig dagen na het beëindigen van de opleiding.
  Binnen dertig dagen na het beëindigen van de opleiding of het leerprogramma, overhandigt de ambtenaar het getuigschrift aan de afdeling Human Resources.
  Dezelfde verplichting geldt voor de ambtenaar die voortijdig de opleiding opgeeft.
  § 2. Het opgeven van de opleiding dient onverwijld te worden gemeld aan de opleidingsverstrekker.
Art. 50/3.
  § 1er. Le formulaire de l'attestation relative à l'assiduité est transmis par l'agent au dispensateur de formation à l'issue de la formation ou du programme d'étude.
  Celui-ci délivre l'attestation dans les vingt jours qui suivent la fin de la formation.
  Dans les trente jours qui suivent la fin de la formation ou du programme d'études, l'agent remet l'attestation à la division des ressources humaines.
  La même obligation est imposée à l'agent qui abandonne prématurément la formation.
  § 2. L'abandon de la formation doit être signalé immédiatement au dispensateur de formation.
Art. 50/4. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-10/35, art. 3; Inwerkingtreding : 29-07-2004>
  Voor de opleiding die geen regelmatige aanwezigheid vereist, moet de dienstvrijstelling of het opleidingsverlof opgenomen worden tussen het aanvatten van de opgelegde taken en het beëindigen ervan. Wanneer deze opleiding gevolgd wordt door de deelname aan een examen, wordt de periode verlengd tot het einde van de eerste of eventueel tweede examenzittijd.
Art. 50/4.
  La dispense de service ou le congé de formation afférents aux formations pour lesquelles une présence régulière n'est pas requise, sont pris entre le début et la fin des travaux imposés. Si cette formation est suivie de la participation à un examen, la période est prolongée jusqu'à la fin de la première ou éventuellement de la seconde session d'examens.
Art. 50/5. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-10/35, art. 3; Inwerkingtreding : 29-07-2004>
  Rekening houdend met de behoeften van de dienst en met het aantal uren of lessen van de opleiding vermeld op het getuigschrift van regelmatige inschrijving, kan desgevallend een planning voor de dienstvrijstelling of het opleidingsverlof opgelegd worden. De planning wordt opgesteld door het diensthoofd, na raadpleging van de betrokken ambtenaar. Zij wordt overgemaakt aan de afdeling Human Resources.
Art. 50/5.
  Compte tenu des besoins du service et du nombre d'heures ou de leçons de la formation mentionnés dans l'attestation d'inscription régulière, une répartition planifiée de la dispense de service ou du congé de formation peut le cas échéant être imposée. Cette répartition est établie par le chef de service après consultation de l'agent intéressé. Elle est transmise à la division des ressources humaines.
Art. 51.
  De ambtenaar die door zijn hiërarchische meerdere en/of de afdeling Human Resources verplicht wordt een opleiding te volgen, heeft recht op terugbetaling van de reiskosten.
  De kosten verbonden aan een door de hiërarchische meerdere of de afdeling Human Resources verplichte opleiding worden integraal door de instelling ten laste genomen.
Art. 51.
  L'agent qui participe à une formation exigée par son supérieur hiérarchique et/ou la division des ressources humaines, a droit au remboursement des frais de parcours.
  Les frais inhérents à une formation exigée par le supérieur hiérarchique ou la division des ressources humaines, sont intégralement pris en charge par l'organisme.
Art. 51/2. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-10/35, art. 3; Inwerkingtreding : 29-07-2004>
  De kosten verbonden aan een opleiding die de ambtenaar op eigen verzoek volgt, kunnen het voorwerp uitmaken van een financiële tussenkomst vanwege de instelling. De modaliteiten en voorwaarden waaronder deze wordt toegekend, worden vastgesteld door het College van de Franse Gemeenschapscommissie en ten uitvoer gelegd door de Directeur-generaal.
Art. 51/2.
  Les frais inhérents à une formation demandée par l'agent peuvent faire l'objet d'une participation financière de la part de l'organisme. Les modalités et conditions dans lesquelles elles sont octroyées sont définies par le Collège de la Commission communautaire française et mise en oeuvre par le Directeur général.
Art. 52.
  § 1. Het personeelslid kan beroep aantekenen tegen de beslissing tot afwijzing van zijn aanvraag om een opleiding te volgen of tegen de beslissing de opleiding te beëindigen.
  Te dien einde wordt bij de instelling een Beroepscommissie inzake opleiding opgericht.
  § 2. De commissie is samengesteld uit :
  Een voorzitter en een plaatsvervangende voorzitter, aangewezen door het Beheerscomité op voordracht van de Directeur-generaal;
  Drie effectieve en drie plaatsvervangende leden, aangewezen door de Directeur-generaal;
  Drie effectieve en drie plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve werknemersorganisaties van het Instituut (één lid per representatieve vakorganisatie);
  Een secretaris, aangewezen door de Directeur-generaal, die niet stemgerechtigd is.
  De Commissie stelt een huishoudelijk reglement op en legt het ter goedkeuring voor aan het Beheerscomité.
  § 3. De ambtenaar beschikt over tien dagen tijd om beroep aan te tekenen, te rekenen, al naargelang het geval, vanaf de datum waarop hem de beslissing tot afwijzing van zijn aanvraag wordt medegedeeld of vanaf de datum waarop hij ervan op de hoogte wordt gesteld dat een einde wordt gemaakt aan zijn opleiding.
  § 4. Behalve bij wettige verhindering verschijnt de ambtenaar persoonlijk voor de Commissie; hij kan zich laten bijstaan door een personeelslid van het Instituut of door een afgevaardigde van een representatieve vakorganisatie van het Instituut. Deze raadsman mag in geen geval deel uitmaken van de Commissie.
  De verdediging van de aangevochten maatregel wordt waargenomen door een ambtenaar die door de Directeur-generaal wordt aangewezen.
  Noch deze ambtenaar, noch de appellant of zijn raadsman mogen bij de beraadslaging aanwezig zijn.
  Tegen de beslissing van de Commissie is geen intern beroep mogelijk.
Art. 52.
  § 1er. Le membre du personnel peut introduire un recours contre la décision de refus opposée à sa demande de formation ou contre la décision de mettre fin à sa formation.
  A cette fin, il est créé au sein de l'organisme une Commission de recours en matière de formation.
  § 2. Cette commission est composée :
  D'un président et d'un suppléant désignés par le Comité de gestion sur proposition du directeur général;
  De trois membres effectifs et de trois membres suppléants désignés par le directeur général;
  De trois membres effectifs et de trois membres suppléants désignés par les organisations syndicales représentatives des travailleurs de l'Institut (un membre par organisation syndicale représentative);
  D'un secrétaire désigné par le Directeur général, n'ayant pas de voix délibérative.
  La Commission arrête son règlement d'ordre intérieur et le soumet à l'approbation du Comité de gestion.
  § 3. L'agent dispose, pour introduire son recours, d'un délai de dix jours prenant cours, selon le cas, à la date à laquelle il a été avisé de la décision de refus opposée à sa demande ou à la date à laquelle il a été averti qu'il était mis fin à sa formation.
  § 4. A moins d'empêchement légitime, l'agent se présente en personne devant la Commission; il peut se faire assister d'un membre du personnel de l'Institut ou d'un délégué d'une organisation syndicale représentative de l'Institut. Ce défenseur ne peut faire partie, à aucun titre de la Commission.
  La mesure contestée est défendue par un agent que désigne le directeur général.
  Ni cet agent, ni l'auteur du recours, ou son défenseur ne peuvent assister à la délibération.
  La décision de la Commission ne peut faire l'objet d'aucun recours interne.
DEEL VI. - Loopbaan van de ambtenaren.
PARTIE VI. - De la carrière des fonctionnaires.
Art. 53. [1 Het personeelsplan bedoeld in artikel 5/2 houdt de toestemming in van de bezetting van de betrekkingen die door aanwerving, promotie, mobiliteit of indienstneming worden voorzien. Het personeelsplan geldt als de vacantverklaring door het College van elke openstaande betrekking of elke betrekking die binnen de eerstvolgende zes maanden vrijkomt en die het gevolg is van het vertrek van de titularis van de betrekking of wegens een vastgestelde nieuwe behoefte of een tijdelijke openstaande betrekking.
   Dit artikel is niet van toepassing op mandaatbetrekkingen.]1

  
Art. 53. [1 Le plan de personnel visé à l'article 5/2 implique l'autorisation d'occupation des emplois y prévus par recrutement, promotion, mutation ou engagement. Le plan de personnel vaut déclaration de vacance par le Collège de tout emploi inoccupé ou de tout emploi qui cessera d'être occupé dans les six mois à venir, qui fait suite au départ du titulaire de l'emploi ou parce qu'il s'agit d'un nouveau besoin identifié ou d'une inoccupation temporaire.
   Le présent article n'est pas d'application aux emplois de mandataires.]1

  
Art. 54. § 1. De bevordering is de benoeming van een ambtenaar tot een graad van een hogere rang, die bij hetzelfde of een hoger niveau is ingedeeld. Er zijn twee soorten van bevordering :
  1° bevordering door verhoging in graad in eenzelfde niveau;
  2° bevordering door overgang naar het niveau boven dat van de ambtenaar.
  § 2. [1 ...]1
  § 3. De bevordering door overgang naar het hogere niveau wordt verleend bij wege van een vergelijkend examen.
  
Art. 54. § 1. La promotion est la nomination d'un fonctionnaire à un grade d'un rang supérieur classé au même niveau ou au niveau supérieur. Il y a deux espèces de promotion :
  1° la promotion par avancement de grade dans un même niveau;
  2° la promotion par accession au niveau supérieur à celui du fonctionnaire.
  § 2. [1 ...]1
  § 3. La promotion par accession au niveau supérieur est attribuée par voie de concours.
  
Art. 55. § 1. [2 De vergelijkende examens voor overgang naar het hogere niveau worden georganiseerd door de leidend ambtenaar volgens de modaliteiten vastgelegd door het College.]2
  § 2. [2 ...]2
  
Art. 55. § 1. [2 Les concours d'accession au niveau supérieur sont organisés par le fonctionnaire dirigeant selon les modalités fixées par le Collège]2
  § 2. [2 ...]2
  
Art. 56. De verandering in graad is de benoeming van een ambtenaar tot een graad die gelijkwaardig is met de zijne.
Art. 56. Le changement de grade est la nomination d'un fonctionnaire à un grade équivalent au sien.
Art. 57. Bevordering en verandering van graad zijn alleen mogelijk wanneer een vaste betrekking van de toe te kennen graad vacant is.
  Zij worden verleend volgens de regels bepaald door het College.
Art. 57. La promotion et le changement de grade ne peuvent avoir lieu qu'en cas de vacance d'un emploi permanent du grade à conférer.
  Ils sont accordés selon des règles fixées par le Collège.
Art. 58. [1 De procedure en modaliteiten voor de vacantverklaring zijn vastgelegd in het besluit van het College betreffende de loopbaan]1
  
Art. 58. [1 La procédure et les modalités de déclaration de vacance sont fixées dans l'arrêté du Collège relatif à la carrière]1
  
Art. 59. De bevordering in een vlakke loopbaan bestaat in opeenvolgende benoemingen van een ambtenaar tot graden van een steeds hogere rang van hetzelfde niveau, die, in afwijking van het vorige artikel, plaatshebben zonder dat er vaste betrekkingen van de te begeven graden vacant zijn en zonder verplichting voor de betrokkene om zich kandidaat te stellen.
  De voorwaarden voor toekenning van de vlakke lopbaan worden door het College bepaald.
Art. 59. La promotion en carrière plane consiste en des nominations successives d'un fonctionnaire à des grades d'un rang de plus en plus élevé d'un même niveau attribué par dérogation à l'article précédent sans qu'il existe des emplois permanents vacants des grades à conférer et sans que l'intéressé doive faire acte de candidature.
  Les conditions d'octroi de la carrière plane sont fixées par le Collège.
Art. 60. Onder de door het College vastgestelde voorwaarden en voor een periode van hoogstens 6 jaar kan een vacante betrekking van rang [1 ...]1 13 bij mandaat worden toegekend aan een ambtenaar van niveau 1 die de meest positieve waardering gekregen heeft.
  
Art. 60. Aux conditions fixées par le Collège, un emploi vacant de rang [1 ...]1 13 peut être attribué par mandat à un fonctionnaire de niveau 1 qui a l'appréciation la plus positive pour une durée limitée qui ne peut excéder 6 ans.
  
Art. 61. Om aan een examen voor verhoging in graad of aan een vergelijkend examen voor overgang naar het hogere niveau deel te nemen, moet de ambtenaar zich in een administratieve stand bevinden waarin hij zijn aanspraken op bevordering kan doen gelden.
  De in het vorige lid bepaalde voorwaarde moet vervuld zijn op de door [1 [2 leidend-ambtenaar]2]1 bepaalde datum.
  De ambtenaar die tijdens de examengedeelten niet langer de in het eerste lid bepaalde voorwaarden vervult, verliest het voordeel van zijn eventueel slagen voor het examen of voor het vergelijkend examen.
  Om een bevordering of een verandering van graad te verkrijgen, moet de ambtenaar zich in een administratieve stand bevinden waarin hij zijn aanspraken op bevordering kan doen gelden.
  
Art. 61. Pour participer à un examen d'avancement de grade ou à un concours d'accession au niveau supérieur, le fonctionnaire doit se trouver dans une position administrative où il peut faire valoir ses titres à la promotion.
  La condition visée à l'alinéa précèdent doit être remplie à la date fixée par le [1 [2 Fonctionnaire dirigeant]2]1.
  Le fonctionnaire qui pendant les épreuves cesse de remplir la condition fixée à l'alinéa 1er perd le bénéfice de la réussite éventuelle de l'examen ou du concours.
  Pour obtenir une promotion ou un changement de grade, le fonctionnaire doit se trouver dans une position administrative où il peut faire valoir ses titres à la promotion.
  
DEEL VII. - Overplaatsing, wedertewerkstelling en [1 intra-institutionele]1 mobiliteit.
PARTIE VII. - De la mutation, de la réaffectation et de la mobilité [1 intra-institutionnelle]1.
Afdeling 1. - Overplaatsing en wedertewerkstelling
Section 1. - Mutation et réaffectation.
Art. 62. Overplaatsing is de overheveling van een personeelslid naar een ambt van zijn graad waarin is voorzien in de personeelsformatie en dat deel uitmaakt hetzij van dezelfde dienst, hetzij van een andere dienst [1 van het Instituut]1.
  Het ambt moet vacant zijn of bezet kunnen worden door postenruil met een ander personeelslid.
  De overplaatsing kan op verzoek van het personeelslid toegekend worden.
  De aanvraag om overplaatsing naar een ambt van niveau 1 moet schriftelijk worden ingediend bij de leidend ambtenaar [2 van het Instituut]2. Deze legt de aanvraag voor aan de Directieraad die oordeelt of ze verenigbaar is met de belangen van de dienst.
  De aanvraag om overplaatsing naar een ambt [3 van niveau 2+, 2 of 3]3 moet schriftelijk worden ingediend bij de ambtenaren belast met de leiding van de betrokken diensten. Deze sturen de aanvraag met hun eventuele opmerkingen door aan de leidend ambtenaar. Deze adieert de Directieraad die zich dan over de aanvraag moet uitspreken.
  Het personeelslid die een overplaatsingsaanvraag indient, mag vragen om door de Directieraad gehoord te worden.
  
Art. 62. La mutation est le transfert d'un membre du personnel vers un emploi de son grade, prévu au cadre et appartenant soit au même service soit à un autre service [1 de l'Institut]1.
  L'emploi doit être vacant ou pouvoir être occupé par permutation avec un autre membre du personnel.
  La mutation peut être accordée sur requête du membre du personnel.
  La demande de mutation vers un emploi de niveau 1 doit être introduite par écrit auprès du Fonctionnaire dirigeant [2 de l'Institut]2. Celui-ci la soumet au Conseil de direction qui apprécie si elle s'accorde avec les intérêts du service.
  La demande de mutation vers un emploi [3 de niveau 2+, 2 ou 3]3 doit être introduite par écrit auprès des fonctionnaires qui ont la direction des services concernés. Ceux-ci la transmettent accompagnée de leurs remarques éventuelles au Fonctionnaire dirigeant. Celui-ci saisit le Conseil de direction qui statue sur la demande.
  Le membre du personnel qui fait une demande de mutation peut demander à être entendu par le Conseil de direction.
  
Art. 63. Wedertewerkstelling is de aanwijzing van een personeelslid in een ambt van zijn graad in een andere dienst dan die waar hij oorspronkelijk tewerkgesteld werd. Ze wordt door de leidend ambtenaar verricht in het belang van de dienst en na beslissing van de Directieraad.
Art. 63. La réaffectation est la désignation d'un membre du personnel dans un emploi de son grade dans un autre service que celui où il avait été affecté à l'origine. Elle est opérée par le Fonctionnaire dirigeant dans l'intérêt du service après décision du Conseil de direction.
Art. 64. De leidend ambtenaar brengt het beheerscomité en/of het terzake bevoegde Lid van het College op de hoogte van de overplaatsing of van de wedertewerkstelling van een ambtenaar van niveau 1.
Art. 64. Le Fonctionnaire dirigeant informe le Comité de gestion et/ou le Membre du Collège fonctionnellement compétent, de la mutation ou de la réaffectation d'un fonctionnaire de niveau 1.
Afdeling 2. [1 - Intra-institutionele mobiliteit.]1
Section 2. [1 - Mobilité intra-institutionnelle]1
Art. 65. [1 De voorwaarden voor mobiliteit tussen de Franse Gemeenschapscommissie en haar instelling van openbaar nut worden uiteengezet in besluit 2024/105 van het College van de Franse Gemeenschapscommissie van 6 juni 2024 houdende regeling van de mobiliteit in de Franse Gemeenschapscommissie en haar instelling van openbaar nut - Bruxelles Formation.]1
  
Art. 65. [1 Les conditions de mobilité entre la Commission communautaire française et son organisme d'intérêt public sont fixées dans l'arrêté 2024/105 du Collège de la Commission communautaire française du 6 juin 2024 fixant le régime de mobilité au sein de la Commission communautaire française et de Bruxelles Formation.]1
  
DEEL VIII. - Onverenigbaarheden.
PARTIE VIII. - Des incompatibilités.
Art. 66. Met de hoedanigheid van ambtenaar is onverenigbaar elke bezigheid die, hetzij door de ambtenaar zelf, hetzij door een tussenpersoon verricht wordt, en die het vervullen van de ambtsplichten in de weg kan staan of met de waardigheid van het ambt in strijd is.
Art. 66. Est incompatible avec la qualité de fonctionnaire, toute occupation exercée soit par le fonctionnaire lui-même, soit par personne interposée, qui serait de nature à nuire à l'accomplissement des devoirs de la fonction ou contraire à la dignité de celle-ci.
Art. 67. Met de hoedanigheid van ambtenaar wordt bovendien onverenigbaar geacht elke, zelfs onbezoldigde opdracht of dienst in handelsvennootschappen, met uitzondering van de opdrachten die namens het College in particuliere zaken met winstoogmerken worden uitgeoefend.
  De in het vorige lid bedoelde bepaling vindt echter geen toepassing op voogdij en op curatele over onbekwamen, verkwisters en onnozelen.
Art. 67. Est en outre incompatible avec la qualité de fonctionnaire, tout mandat ou service même gratuit dans des sociétés à forme commerciale à l'exception de ceux exercés au nom du Collège dans des affaires privées à but lucratif.
  La disposition visée à l'alinéa précédent n'est toutefois pas applicable à la tutelle ou à la curatelle des incapables, prodigues ou faibles d'esprit.
Art. 68. Van het vorig artikel kan, op schriftelijk verzoek van belanghebbende en op verslag van de Directieraad, afgeweken worden door de overheid bevoegd om te benoemen.
Art. 68. Des dérogations au précédent article pourront, sur demande écrite de l'intéressé et sur rapport du Conseil de direction, être accordées par l'autorité investie du pouvoir de nomination.
Art. 69. De bepalingen van dit deel gelden zowel voor de ambtenaar als voor de stagiairs.
Art. 69. Les dispositions de la présente partie sont applicables aux fonctionnaires et aux stagiaires.
DEEL IX. - Directieraad.
PARTIE IX. - Du conseil de direction.
Art. 70. [1 Er bestaat, binnen [2 het Instituut]2, een Directieraad. Deze bestaat uit de mandataris van rang 16 en de titularissen van een graad van rang 15 (in afbouw) en 13.]1
  
Art. 70. [1 Il existe, au sein [2 ]de l'Institut-2, un Conseil de direction. Celui-ci comprend le mandataire de rang 16 et les titulaires d'un grade classé au rang 15 (en extinction) et 13.]1
  
Art. 71. Behalve de bevoegdheid die dit statuut hem met name toekent, neemt de Directieraad kennis van alle vraagstukken met algemene strekking die verband houden met de toepassing van de statutaire regels. Hij oefent onder meer het hoog toezicht uit over de beoordeling en de afwikkeling van de loopbaan van de ambtenaren.
Art. 71. Outre les attributions qui lui sont nommément reconnues par le présent statut, le Conseil de direction connaît de toute question à portée générale relative à l'application des règles statutaires. Il exerce notamment la haute surveillance de l'évaluation et du déroulement des carrières.
Art. 72. De Directieraad wordt voorgezeten door de leidend ambtenaar [2 van het Instituut]2. In geval van verhindering, wordt hij voorgezeten door [1 het lid van de Raad aangeduid door de leidend ambtenaar]1.
  De Directieraad duidt onder zijn leden twee ambtenaren aan als secretaris en plaatsvervangende secretaris.
  
Art. 72. Le Conseil de direction est présidé par le Fonctionnaire dirigeant [2 de l'Institut]2. En cas d'empêchement, il est présidé par le [1 le membre du Conseil désigné par le Fonctionnaire dirigeant]1.
  Le Conseil désigne en son sein deux fonctionnaires en qualité de secrétaire et de secrétaire suppléant.
  
Art. 73. De Directieraad vergadert minstens één keer om de drie maanden op een datum vastgesteld door zijn voorzitter die tevens de agenda opstelt.
  De secretaris roept de leden van de Directieraad op. Behoudens de door de Directieraad aangenomen dringende gevallen, zendt hij ze minstens vijf dagen voor de vergaderdatum de documenten die betrekking hebben op de punten die op de agenda staan.
Art. 73. Le Conseil de direction se réunit une fois au moins par trimestre à une date fixée par son Président, qui en établit l'ordre du jour.
  Le Secrétaire adresse les convocations aux membres du Conseil. Sauf dans les cas d'urgence admis par le Conseil, il leur communique les documents relatifs aux points inscrits à l'ordre du jour au moins cinq jours avant la date de la séance.
Art. 74. § 1. De Directieraad kan slechts beraadslagen als minstens de helft van zijn leden aanwezig zijn.
  Als het vereiste quorum niet bereikt is, wordt de Directieraad acht dagen later opnieuw opgeroepen; hij kan dan geldig beraadslagen ongeacht het aantal aanwezige leden.
  Als er over een punt beraadslaagd wordt waarbij een lid een persoonlijk belang heeft, verlaat dit lid de vergadering tijdens de bespreking van dit punt. Hiervan wordt melding gemaakt in de notulen.
  § 2. De beslissingen worden genomen bij meerderheid van stemmen. Er wordt enkel rekening gehouden met de geldig uitgebrachte stemmen. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter beslissend.
  Elke individuele beslissing over een ambtenaar wordt bij geheime stemming genomen.
Art. 74. § 1. Le Conseil de direction ne peut délibérer que si la moitié au moins de ses membres sont présents.
  A défaut du quorum requis, le Conseil est convoqué à huitaine et délibère alors valablement quel que soit le nombre de membres présents.
  Lorsqu'il est délibéré au sujet d'un point pour lequel un membre du Conseil à un intérêt personnel, celui-ci se retire lors de l'examen de ce point. Le procès-verbal en fait mention.
  § 2. Les décisions sont prises à la majorité des suffrages. Il n'est tenu compte que des votes régulièrement exprimés. En cas de parité, la voix du Président est prépondérante.
  Toute décision individuelle prise à l'égard d'un fonctionnaire a lieu au scrutin secret.
Art. 75. De Directieraad kan iedere persoon verzoeken om bij de bespreking van zijn agendapunten aanwezig te zijn, als diens getuigenis, kennis of bevoegdheid licht kunnen werpen op zijn werkzaamheden. Deze persoon verlaat de vergadering wanneer de Directieraad het verder verloop van zijn beraadslagingen hervat.
Art. 75. Le Conseil de direction peut solliciter la présente, lors de l'examen de points de son ordre du jour, de toute personne dont le témoignage, les connaissances ou les compétences sont de nature à éclairer ses travaux. Cette personne se retire lorsque le Conseil reprend le cours de ses délibérations.
Art. 76. Binnen tien dagen na de vergadering stuurt de Secretaris het ontwerp van de notulen toe aan de leden van de Directieraad.
  Bij gebrek aan opmerkingen meegedeeld aan de secretaris binnen acht dagen na het versturen van het ontwerp, wordt het ontwerp van de notulen goedgekeurd geacht.
  Als er over het ontwerp van de notulen opmerkingen gemaakt worden, wordt slechts in de volgende vergadering over de goedkeuring ervan beraadslaagd.
  De beraadslagingen en de notulen worden door de voorzitter en de secretaris getekend. De notulen worden toegestuurd aan de leden van de Directieraad en aan de Voorzitter van het College van de Franse Gemeenschapscommissie of die van het Beheerscomité.
Art. 76. Le Secrétaire transmet le projet de procès-verbal aux membres du Conseil dans les dix jours qui suivent la séance.
  En l'absence de remarques parvenues au Secrétaire dans les huit jours de l'envoi du projet, le projet de procès-verbal est réputé approuvé.
  En cas de remarques, l'approbation des points du procès-verbal ayant fait l'objet desdites remarques, est délibérée lors de la séance suivante.
  Les délibérations et le procès-verbal sont signés par le Président et par le Secrétaire. Le procès-verbal est adressé aux membres du Conseil de direction et au Président du Collège de la Commission communautaire française ou du Comité de gestion.
Art. 77. De personen die deelnemen aan een zitting van de Directieraad hebben een zwijgplicht ten aanzien van de documenten waarvan ze kennis hebben moeten nemen en ten aanzien van de beraadslagingen.
Art. 77. Les personnes participant à une séance du Conseil de direction sont tenues au devoir de discrétion à l'égard des documents dont ils ont eu à connaître et des délibérations.
DEEL X. - Evaluatie.
PARTIE X. - De l'évaluation.
Art. 78. De evaluatie heeft toe doel de beroepsbekwaamheid van de ambtenaar te bepalen.
  Ze is verplicht voor ieder ambtenaar [1 van het Instituut]1.
  
Art. 78. L'évaluation a pour objet de déterminer les aptitudes professionnelles du fonctionnaire.
  Elle revêt un caractère obligatoire pour tout fonctionnaire [1 de l'Institut]1.
  
Art. 79. § 1. De evaluatie wordt om de twee jaar verricht. Ze vindt echter plaats ten laatste een jaar na het opnemen van een nieuw ambt, onafhankelijk van een bevorderingsprocedure of van de toekenning van een hogere functie of van een mandaat.
  § 2. De ambtenaar die een middelmatige of negatieve waardering gekregen heeft, kan, op zijn verzoek, aan een nieuwe evaluatie onderworpen worden vóór het verstrijken van de termijn van twee jaar.
Art. 79. § 1. L'évaluation est effectuée tous les deux ans. Elle a toutefois lieu au plus tard un an après que le fonctionnaire a exercé de nouvelles fonctions, indépendamment d'une procédure de promotion ou de l'octroi d'une fonction supérieure ou d'un mandat.
  § 2. Le Fonctionnaire ayant reçu une appréciation moyenne ou négative peut, à sa demande, faire l'objet d'une nouvelle évaluation avant l'écoulement du délai de deux ans.
Art. 80. De evaluatie gebeurt collegiaal door twee hiërarchische meerderen :
  - de onmiddellijke hiërarchische meerderen van de beoordeelde ambtenaar,
  - de onmiddellijke hiërarchische meerdere van niveau 1 van wie de betrokken ambtenaar afhangt volgens het organigram van de diensten.
Art. 80. L'évaluation est assurée collégialement par deux supérieurs hiérarchiques :
  - l'un est le supérieur hiérarchique immédiat du fonctionnaire évalué,
  - l'autre est le supérieur hiérarchique immédiat de niveau 1 dont dépend le fonctionnaire selon l'organigramme des services.
Art. 81. § 1. De ambtenaar krijgt een van de volgende drie vermeldingen :
  1. positief;
  2. middelmatig;
  3. negatief.
  § 2. De meest postitieve waardering bestaat in de toekenning van de hoogste vermelding voor de meerderheid van de criteria die vermeld staan op het bij dit besluit gevoegde evaluatieverslag.
Art. 81. § 1. Le fonctionnaire se voit attribuer l'une des trois évaluations suivantes :
  1. positive;
  2. moyenne;
  3. négative.
  § 2. L'évaluation la plus positive correspond à l'attribution de la mention supérieure pour la majorité des critères figurant au bulletin annexé au présent arrêté.
Art. 82. § 1. Voor de evaluatie vindt er een onderhoud plaats tussen de geëvalueerde ambtenaar en de meerderen belast met de evaluatie.
  § 2. Het verslag van dit onderhoud wordt door de met de evaluatie belaste meerderen aan de geëvalueerde ter kennis gebracht. Binnen vijftien dagen na de kennisgeving kan deze zijn eventuele opmerkingen meedelen.
  Het geviseerde verslag en de daarmee gepaard gaande opmerkingen worden bij het evaluatieverslag gevoegd.
  Het evaluatieverslag wordt gezamenlijk opgesteld door de meerderen belast met de evaluatie.
Art. 82. § 1. Un entretien entre les évaluateurs et l'évalué est préalable à l'évaluation.
  § 2. Un rapport de l'entretien est notifié par les évaluateurs à l'évalué. Celui-ci peut, dans les quinze jours de la notification, faire connaître ses remarques éventuelles.
  Le rapport visé par l'évalué ainsi que ses remarques sont annexés au bulletin d'évaluation.
  Le bulletin d'évaluation est établi conjointement par les évaluateurs.
Art. 83. Het evaluatieverslag wordt naar de personeelsdienst gezonden die het toetst aan dit statuut en vervolgens de betrokken ambtenaar ervan in kennis stelt.
Art. 83. _ Le bulletin d'évaluation est transmis au service du personnel qui, après vérification de sa conformité avec le présent statut, notifie au fonctionnaire son évaluation.
Art. 84. Indien de ambtenaar er niet mee kan instemmen dat hij niet de meest positieve waardering heeft gekregen, kan hij een beroep ten gronde indienen bij de Directieraad binnen vijftien dagen na de kennisgeving.
  De ambtenaar verschijnt zelf en kan zijn opmerking doen gelden. Hij heeft het recht zich voor zijn verdediging te laten bijstaan door een persoon naar eigen keuzen. Het beroep is opschortend.
Art. 84. Si le fonctionnaire ne peut se rallier au fait de ne pas avoir reçu l'appréciation la plus positive, il a la faculté de saisir quant au fond, le Conseil de direction dans les quinze jours de la notification.
  Le fonctionnaire comparait en personne et peut faire valoir ses observations. Il peut, pour sa défense, se faire assister par la personne de son choix. Le recours est suspensif.
Art. 85. § 1. Uitgezonderd in het geval bedoeld in artikel 84 kan de ambtenaar die niet instemt met de waardering waarvan hij kennis gekregen heeft, tegen de inhoud en de vorm van die waardering een beroep instellen bij de beroepscommissie inzake evaluatie.
  De in artikel 84 bedoelde ambtenaar kan tevens de beroepscommissie adiëren als hij een gebrek in de vorm kan aanvoeren. De ambtenaar verschijnt zelf en kan zijn opmerkingen doen gelden; hij heeft het recht zich voor zijn verdediging te laten bijstaan door een persoon naar eigen keuze. Het beroep is opschortend.
  § 2. (De beroepscommissie ingericht [1 bij het Instituut]1, bevoegd voor evaluatie van verlof en afwezigheden en van verklaring van definitieve werkonbekwaamheid is samengesteld uit :
  - een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter, magistraten aangeduid door het College van de Franse Gemeenschapscommissie;
  - paritair aantal assessoren gekozen uit de statutaire ambtenaren [2 van het Instituut]2 in verhouding met minstens drie gewone leden van rang 13 en minstens drie plaatsvervangende leden van niveau 1 aangesteld door het College van de Franse Gemeenschapscommissie, en drie gewone en drie plaatsvervangende leden gekozen uit de statutaire ambtenaren van de instelling van openbaar nut of bij ontstentenis, uit het statutair personeel van het College, aangeduid door de representatieve vakbondsorganisaties;
  - een griffier, belast met het secretariaat en het archiveren voor de commissie, die niet-stemgerechtigd is. "
  De Commissie spreekt zich uit binnen een maand na de aanhangigmaking. Voor elk beroep worden een ambtenaar en zijn plaatsvervanger aangesteld door het Beheerscomité om het betwiste voorstel te verdedigen.
  Tenzij een wettige reden van verhindering kan worden voorgelegd, verschijnt de ambtenaar in eigen persoon.
  De eiser heeft het recht zich te laten bijstaan door een persoon naar eigen keuze. Deze verdediger mag hoe dan ook geen deel mag uitmaken van de Commissie.
  De gewone of plaatsvervangende assessoren die zetelen voor een onderzoek van een zaak moeten behoren tot eenzelfde of een hoger niveau dan dat van de eiser.
  De eiser heeft het recht de assessoren te wraken. Van dit recht kan hij slechts eenmaal voor eenzelfde zaak gebruik maken.
  De griffier betekent bij een ter post aangetekende brief aan de eiser, de lijst van de gewone of plaatsvervangende assessoren die zijn opgeroepen voor het onderzoek van zijn zaak.
  Binnen een termijn van acht dagen na de betekening van de lijst zendt de eiser deze terug, bij een ter post aangetekende zending, naar de griffie met vermelding van de naam van de eiser die hij wraakt.
  Eens deze termijn verstreken is, dient de ambtenaar afstand te doen van zijn wrakingsrecht.
  Bovendien wraakt de voorzitter de assessor die beschouwd zou kunnen worden als rechter in eigen zaak.
  Indien de regelmatig opgeroepen ambtenaar, tenzij hij een wettige reden van verhindering voorlegt, niet verschijnt, dient hij afstand te doen van zijn recht op beroep.
  De Commissie kan slechts beraadslagen indien de meerderheid van de voor de zitting opgeroepen assessoren aanwezig is.
  De assessoren die deelnemen aan de stemming dienen in gelijke getale te zijn. In voorkomend geval wordt de pariteit hersteld door de niet-deelneming aan de stemming van één of meerdere assessoren, in functie van hun leeftijd.
  De stemming is geheim.
  De beslissing van de Commissie is niet vatbaar voor hoger beroep.
  De Commissie stelt haar reglement van orde vast. Dit reglement wordt door het Beheerscomité [3 van het Instituut]3 goedgekeurd.)
  
Art. 85. § 1. A l'exception du cas visé à l'article 84, si le fonctionnaire ne peut marquer son accord sur l'évaluation qui lui est notifiée, il peut saisir, quant au fond et à la forme, la Commission de recours en matière d'évaluation.
  Le fonctionnaire visé à l'article 84 peut également saisir la Commission de recours lorsqu'il peut se prévaloir d'un vice de forme. Le fonctionnaire comparaît en personne et peut faire valoir ses observations; il peut, pour sa défense, se faire assister par la personne de son choix. Le recours est suspensif.
  § 2. (La Commission de recours instituée [1 au sein de l'Institut]1, compétente en matière d'évaluation, de congés et d'absences, ainsi que de déclaration d'inaptitude professionnelle définitive se compose :
  - d'un président et d'un président suppléant, magistrats nommés par le Collège de la Commission communautaire française;
  - paritairement d'assesseurs choisis parmi les agents statutaires [2 de l'Institut]2 à raison de trois membres effectif du rang 13 au moins et de trois membres suppléants de niveau 1 au moins désignés par le Collège de la Commission communautaire française, ainsi que de trois membres effectifs et de trois membres suppléants choisis parmi les agents statutaires [2 de l'Institut]2 ou à défaut parmi le personnel statutaire des services du Collège, désignés par les organisations syndicales représentatives;
  - d'un greffier, chargé du secrétariat et de la conservation des archives de la commission, qui n'a pas voix délibérative. "
  La Commission statue dans le mois de la saisie. Lors de chaque recours, un fonctionnaire et un suppléant à celui-ci sont désignés par le Comité de gestion pour défendre la proposition contestée.
  A moins d'un empêchement légitime, le fonctionnaire comparaît en personne.
  Le requérant peut se faire assister de la personne de son choix. Ce défenseur ne peut faire partie à aucun titre de la Commission.
  Les assesseurs effectifs ou suppléants qui siègent pour l'examen d'une affaire doivent appartenir à un niveau égal ou supérieur à celui du requérant.
  Le requérant a le droit de récuser les assesseurs. Ce droit ne peut être exercé qu'une seule fois pour une même affaire.
  Le greffier notifie au requérant, par lettre recommandée à la poste, la liste des assesseurs effectifs et suppléants convoqués pour l'examen de l'affaire le concernant.
  Dans un délai de huit jours à partir de la notification de la liste, le requérant renvoie celle-ci, par lettre recommandée à la poste, au greffe en y indiquant le nom des assesseurs qu'il récuse.
  Passé ce délai, l'agent est censé renoncer à son droit de récusation.
  En outre, le président récuse l'assesseur qui pourrait être considéré comme juge et partie.
  Si, bien que régulièrement convoqué, le fonctionnaire, à moins d'un empêchement légitime, s'abstient de comparaître, il est censé renoncer à son recours.
  La Commission ne peut délibérer que si la majorité des assesseurs convoqués à l'audience est présente.
  Les assesseurs prenant part au vote doivent être en nombre égal. Le cas échéant, la parité est rétablie par la non participation au vote d'un ou de plusieurs assesseurs, en fonction de l'âge de ceux-ci.
  Le vote a lieu au scrutin secret.
  La décision de la commission est sans appel.
  La commission fixe son règlement d'ordre intérieur. Celui-ci est approuvé par le Comité de gestion [3 de l'Institut]3.)
  
GEDEELTE Xbis. - [1 De evaluatie van de mandaathouders [2 ...]2]1
PARTIE Xbis. - [1 De l'évaluation des mandataires [2 ...]2]1
Art. 86/1.[1 De evaluatie van de mandataris [2 ...]2 heeft tot doel :
Art. 86/1. [1 L'évaluation du mandataire [2 ...]2 a pour but :
Art. 86/2.[1 § 1. Ter voorbereiding van elk evaluatiegesprek stelt de mandataris [2 ...]2 een verslag op waarin wordt aangegeven in welke mate de hem toegewezen doelstellingen zijn of worden bereikt en welke middelen daartoe werden aangewend.
Art. 86/2. [1 § 1er. En préparation de chaque entretien d'évaluation, le mandataire [2 ...]2 rédige un rapport détaillant dans quelle mesure les objectifs qui lui sont assignés sont atteints ou sont en voie d'être atteints et les moyens qui ont été mis en oeuvre pour y parvenir.
Art. 86/3.[1 § 1. [3 De mandataris [5 ...]5 wordt uitgenodigd voor een eerste evaluatiegesprek twee jaar na de aanvang van het mandaat en uiterlijk twee jaar en drie maanden na de aanvang van het mandaat.]3
Art. 86/3. [1 § 1er. [3 Le mandataire [5 ...]5 est convoqué à un premier entretien d'évaluation deux ans après le début du mandat et, au plus tard, deux ans et trois mois après le début du mandat.]3
Art. 86/4.[1 § 1. De mandataris [2 ...]2 die niet akkoord gaat met de vermelding "voldoende" of "onvoldoende" beschikt over veertien dagen vanaf de kennisgeving van zijn evaluatie om beroep aan te tekenen bij het College.
Art. 86/4. [1 § 1er. Le mandataire [2 ...]2 qui ne marque pas son accord sur la mention " satisfaisant " ou " défavorable " dispose de quatorze jours à partir de la notification de son évaluation pour introduire un recours devant le Collège.
Art. 86/5.[1 Het College doet uitspraak binnen zestig dagen na ontvangst van het beroep. Deze termijn wordt automatisch met een maand verlengd als het beroep tussen 1 juni en 31 juli wordt ontvangen. Op zijn verzoek wordt de mandataris gehoord. Hij kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze.
Art. 86/5. [1 Le Collège doit se prononcer dans les soixante jours de la réception du recours. Ce délai est prolongé de plein droit d'un mois lorsque le recours est reçu entre le 1er juin et le 31 juillet. A sa demande, le mandataire est entendu. Il peut se faire assister par la personne de son choix.
DEEL XI. - Anciënniteit en rangschikking.
PARTIE XI. - De l'ancienneté et du classement.
Art. 87. § 1. Voor de toepassing van de verordeningsbepalingen die uitgaan van de anciënniteit, wordt onder de ambtenaren wier anciënniteit moet worden vergeleken, de voorrang als volgt bepaald :
  1° de ambtenaar met de grootste ranganciënniteit;
  2° bij gelijke rangsanciënniteit, de ambtenaar met de grootste dienstanciënniteit;
  3° bij gelijke rang- en dienstanciënniteit, de oudste ambtenaar.
  § 2. Voor de toepassing van de verordeningsbepalingen die uitgaan van de rang- de niveau- of de dienstanciënniteit, wordt de anciënniteit van de ambtenaar bepaald overeenkomstig dit deel.
Art. 87. § 1. Pour l'application des dispositions réglementaires qui se fondent sur l'ancienneté, l'ordre de préférence entre fonctionnaires dont l'ancienneté doit être comparée s'établit de la façon suivante :
  1° le fonctionnaire dont l'ancienneté de rang est la plus grande;
  2° à égalité de rang, le fonctionnaire dont l'ancienneté de service est la plus grande;
  3° à égalité d'ancienneté de rang et de service, le fonctionnaire le plus âgé.
  § 2. Pour l'application des dispositions réglementaires qui se fondent sur l'ancienneté de rang, l'ancienneté de niveau ou l'ancienneté de service, l'ancienneté du fonctionnaire est déterminée conformément à la présente partie.
Art. 88. § 1. Voor het berekenen van de graad- en niveau-anciënniteit komen alleen in aanmerking de werkelijke diensten die de ambtenaar als stagiair en als ambtenaar zonder vrijwillige onderbreking heeft verricht als lid van het personeel van een ministerie of van een overheidsinstelling die afhangt van de Staat, de Gemeenschappen of de Gewesten, een provincie of een plaatselijk bestuur, en als titularis van een ambt met volledige of onvolledige prestaties.
  Wat de deeltijdse prestaties betreft, wordt de anciënniteit berekend naar rata van de verrichte prestaties.
  § 2. Voor de graadanciënniteit worden de in aanmerking komende diensten aangerekend vanaf de datum waarop de ambtenaar is benoemd in de graden die door de toe te passen bepalingen in aanmerking worden genomen, of vanaf de datum waarop de ambtenaar voor latere bevordering is gerangschikt ingevolge terugwerking van zijn benoeming in zulke graden.
  § 3. Voor de niveau-anciënniteit worden de in aanmerking komende diensten aangerekend vanaf de datum waarop de ambtenaar is benoemd in een graad van het betreffende niveau, of vanaf de datum waarop de ambtenaar voor latere bevordering is gerangschikt ingevolge terugwerking van zijn benoeming in zulk een graad.
Art. 88. § 1. Pour le calcul de l'ancienneté de grade et de niveau, sont seuls admissibles les services prestés, en qualité de stagiaire et d'agent faisant partie d'un ministère ou d'un organisme public dépendant de l'Etat, des Communautés ou des Régions, ou relevant d'une province ou d'un pouvoir local, sans interruption volontaire et comme titulaire d'une fonction comportant des prestations complètes ou partielles.
  Pour ce qui concerne les prestations partielles, le calcul de l'ancienneté se fait au prorata des prestations effectuées.
  § 2. Pour l'ancienneté de grade, les services admissibles sont comptés à partir de la date à laquelle le fonctionnaire a été nommé aux grades pris en considération par les dispositions qui doivent lui être appliquées, ou à laquelle il a été classé pour la promotion par un effet rétroactif formel de sa nomination à de tels grades.
  § 3. Pour l'ancienneté de niveau, les services admissibles sont comptés à partir de la date à laquelle le fonctionnaire a été nommé à un grade du niveau considéré ou à laquelle il a été classé pour la promotion par effet rétroactif formel de sa nomination à un tel grade.
Art. 89. (§ 1.) Voor de berekening van de dienstanciënniteit komen in aanmerking de werkelijke diensten welke de ambtenaar in enigerlei hoedanigheid zonder vrijwillige onderbreking heeft verricht als lid van het personeel van een ministerie of van een overheidsinstelling die afhangt van de Staat, de Gemeenschappen of de Gewesten, een provincie of een plaatselijk bestuur, en als titularis van een ambt met volledige of onvolledige prestaties.
  (§ 2. Komen eveneens in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit, de werkelijke diensten die worden gepresteerd onder dezelfde omstandigheden als die bepaald in § 1 in de openbare sector in een lid-Staat van de Europese Unie. De erkenning van de toelaatbaarheid moet worden goedgekeurd door het Lid van het College dat bevoegd is voor het Openbaar Ambt.)
Art. 89. (§ 1er.) Pour le calcul de l'ancienneté de service, sont admissibles les services effectifs que le fonctionnaire a prestés en faisant partie à quelque titre que ce soit et sans interruption volontaire d'un ministère ou d'un organisme public dépendant de l'Etat, des Communautés ou des Régions ou relevant d'un pouvoir subordonné, d'une province ou d'un pouvoir local, comme titulaire d'une fonction comportant des prestations complètes ou partielles.
  (§ 2. Son également admissibles pour le calcul de l'ancienneté de service, les services effectifs prestés dans les mêmes conditions que celles prévues au § 1er dans le secteur public d'un Etat membre de l'Union européenne. La reconnaissance de l'admissibilité doit être approuvée par le Membre du Collège chargé de la Fonction publique.)
Art. 90. De ambtenaar wordt geacht werkelijke diensten te verrichten zolang hij zich bevindt in een administratieve toestand op grond waarvan hij, krachtens zijn statuut, zijn activiteitswedde of bij gemis daarvan, zijn aanspraak op bevordering tot een hogere wedde behoudt.
  Vrijwillig is de onderbreking die door de daad of de schuld van de ambtenaar is veroorzaakt.
  Volledig zijn de prestaties waarvan de uurregeling een normale beroepsactiviteit volledig in beslag neemt.
Art. 90. Le fonctionnaire est réputé prester les services effectifs tant qu'il se trouve dans une position administrative qui lui vaut, de par son statut, son traitement d'activité ou à défaut, la conservation de ses titres à l'avancement de traitement.
  L'interruption est volontaire lorsqu'elle est due au fait ou à la faute du fonctionnaire.
  Sont complètes les prestations dont l'horaire est tel qu'elles absorbent totalement une activité professionnelle normale.
Art. 91. § 1. De in aanmerking komende diensten die in volle kalendermaanden berekend zijn, worden rechtstreeks gevaloriseerd in de rang-, de niveau- en de dienstanciënniteit.
  § 2. Aan het einde van het jaar wordt het totaal opgemaakt van de in aanmerking komende diensten die in maandgedeelten berekend zijn. De maandgedeelten waarvan het totaal overeenstemt met een aantal periodes van dertig dagen, worden gevaloriseerd in de administratieve anciënniteiten naar rata van één maand per periode van dertig dagen.
  De in aanmerking komende diensten bedoeld in het vorige lid hebben slechts uitwerking met ingang van 1 januari van het volgende jaar.
  De maandgedeelten waarvan het totaal aan het einde van het jaar minder bedraagt dan een periode van dertig dagen, worden naar het volgende jaar of naar het einde van het volgende dienstjaar overgedragen. Ze zijn dan opnieuw onderworpen aan de in paragraaf 1 en in het vorige lid bedoelde bepalingen.
Art. 91. § 1. Les services admissibles comptés par mois entiers de calendrier sont directement valorisés dans les anciennetés de rang, de niveau et de service.
  § 2. Les services admissibles comptés par fraction de mois sont totalisés en fin d'année. Les fractions de mois totalisant des périodes de trente jours sont valorisées dans les anciennetés administratives, à concurrence d'un mois par période de trente jours.
  Les services admissibles visés au paragraphe précédent ne prennent effet qu'au 1er janvier de l'année qui suit.
  Les fractions de mois inférieures en fin d'année à une période de trente jours reportées à l'année suivante ou, en fin d'exercice. Les dispositions prévues au paragraphe 1er et à l'alinéa précédent leur sont à nouveau appliquées.
DEEL XII. - Tuchtregeling.
PARTIE XII. - Du régime disciplinaire.
TITEL I. - Tuchtstraffen.
TITRE I. - Des sanctions disciplinaires.
Art. 92. De volgende tuchtstraffen kunnen tegen ambtenaren worden uitgesproken :
  1° blaam;
  2° verplaatsing bij tuchtmaatregel;
  3° inhouding van wedde;
  4° tuchtschorsing;
  5° terugzetting in graad;
  6° afzetting.
Art. 92. Les sanctions disciplinaires suivantes peuvent être infligées aux fonctionnaires :
  1° le blâme;
  2° le déplacement disciplinaire;
  3° la retenue de traitement;
  4° la suspension disciplinaire;
  5° la rétrogradation;
  6° la révocation.
Art. 93. § 1. Inhouding van wedde wordt toegepast gedurende ten hoogste drie maanden. Zij mag niet meer dan twintig procent van de brutowedde bedragen.
  § 2. Het College waarborgt de ambtenaar die inhouding van wedde als tuchtstraf opgelegd krijgt, een maandelijkse wedde waarvan het nettobedrag minstens gelijk is aan het bestaansminimum zoals bepaald krachtens de wet van 7 augustus 1974 houdende instelling van het recht op een bestaansminimum.
  § 3. Als de ambtenaar deeltijds werkt, wordt het gewaarborgd bedrag vastgesteld naar rata van de duur van zijn prestaties.
Art. 93. § 1. La retenue de traitement ne peut s'appliquer pendant une durée supérieure à trois mois. Elle s'élève au maximum à vingt pour cent du traitement brut.
  § 2. Le Collège garantit au fonctionnaire sanctionné par une retenue de traitement, un traitement mensuel dont le montant net égale au moins le montant du minimum de moyens d'existence tel qu'il est fixé en vertu de la loi du 7 août 1974 instituant le droit à un minimum de moyens d'existence.
  § 3. Lorsque le fonctionnaire preste à temps partiel, le montant garanti est fixé proportionnellement à la durée des prestations.
Art. 94. De bij tuchtmaatregel verplaatste ambtenaar kan op zijn aanvraag geen nieuwe aanwijzing noch verplaatsing bekomen gedurende de termijn die voor de doorhaling van zijn tuchtstraf is bepaald.
Art. 94. Le fonctionnaire déplacé par mesure disciplinaire ne peut obtenir à sa demande aucune nouvelle affectation ou aucun transfert pendant le délai qui est fixé pour la radiation de sa sanction.
Art. 95. Tuchtschorsing wordt uitgesproken voor ten hoogste drie maanden.
  Het College waarborgt de gestrafte ambtenaar een maandelijkse wedde waarvan het nettobedrag minstens gelijk is aan het bestaansminimum zoals bepaald krachtens de wet van 7 augustus 1974 houdende instelling van het recht op een bestaansminimum.
Art. 95. La suspension disciplinaire est prononcée pour une période de trois mois au plus.
  Le Collège garantit au fonctionnaire sanctionné un traitement mensuel dont le montant net égale au moins le montant du minimum de moyens d'existence tel qu'il est fixé en vertu de la loi du 7 août 1974 instituant le droit minimum de moyens d'existence.
Art. 96. § 1. Terugzetting in graad bestaat in de toekenning :
  1° van een lagere weddeschaal ingedeeld in dezelfde rang; of
  2° van een graad van een lagere rang die in hetzelfde niveau is ingedeeld, wanneer de ambtenaar titularis is van een bevorderingsgraad; of
  3° van een graad van het rechtstreeks lager niveau, wanneer de ambtenaar titularis is van een wervingsgraad.
  § 2. In ieder geval moet de graad waarin de terugzetting plaatsheeft, voorkomen in de personeelsformatie.
  § 3. De ambtenaar neemt in de nieuwe graad rang in op de datum waarop de in de eerste paragraaf bedoelde toekenning van een graad uitwerking heeft.
Art. 96. § 1. La rétrogradation consiste en l'attribution :
  1° soit d'une échelle de traitement inférieure classée dans le même rang;
  2° soit d'un grade d'un rang inférieur classé dans le même niveau, lorsque le fonctionnaire est titulaire d'un grade de promotion;
  3° soit d'un grade du niveau immédiatement inférieur lorsque le fonctionnaire est titulaire d'un grade de recrutement.
  § 2. Dans tous les cas, le grade dans lequel la rétrogradation est appliquée doit figurer au cadre organique.
  § 3. Le fonctionnaire prend rang dans le nouveau grade à la date à laquelle l'attribution de grade visée au paragraphe 1er produit ses effets.
Art. 97. Elke tuchtstraf wordt in het evaluatiedossier van de betrokken ambtenaar opgenomen.
Art. 97. Toute sanction disciplinaire fait l'objet d'une inscription au dossier d'évaluation du fonctionnaire.
TITEL II. - Bevoegde overheid.
TITRE II. - De l'autorité compétente.
Art. 98. Wat de ambtenaren van niveau 1 aangaat, wordt de tuchtstraf uitgesproken door de tot benoemen bevoegde overheid.
  Wat de ambtenaren [1 van niveau 2+, 2 en 3]1 betreft, wordt de tuchtstraf uitgesproken door de daartoe gemachtigde leidend ambtenaar.
  In afwijking van de vorige leden wordt de blaam voor alle ambtenaren uitgesproken door de hiërarchische meerdere van niveau 1 [2 die daartoe gemachtigd is zoals voorzien in het besluit van het College betreffende de loopbaan]2.
  
Art. 98. Pour ce qui concerne les fonctionnaires de niveau 1, la sanction disciplinaire est infligée par l'autorité investie du pouvoir de nomination.
  Pour ce qui concerne les fonctionnaires [1 de niveau 2+, 2 et 3]1, la sanction disciplinaire est infligée par le fonctionnaire dirigeant délégué à cet effet.
  Par dérogations aux alinéas qui précèdent, le blâme est infligé, pour tous les fonctionnaires, par le supérieur hiérarchique de niveau 1 habilité à cet effet [2 tel que prévu par l'arrêté du Collège relatif à la carrière]2.
  
TITEL III. - Procedure.
TITRE III. - De la procédure.
Art. 99. § 1. Andere tuchtstraffen dan de blaam worden uitgesproken na een voorlopig voorstel door de hiërarchische meerdere [1 die daartoe gemachtigd is zoals voorzien in het besluit van het College betreffende de loopbaan]1.
  Deze maakt zijn voorstel tegelijk over aan de Directieraad en aan de overheid die bevoegd is om de tuchtstraf uit te spreken.
  § 2. De Directieraad brengt het definitieve voorstel uit binnen een termijn van twee maanden die ingaat op de dag nadat het voorlopig voorstel van de hiërarchische meerdere op het secretariaat van de Directieraad ontvangen is.
  Er wordt kennis gegeven van dit definitieve voorstel aan de betrokken ambtenaar en aan de overheid bevoegd om de tuchtstraf uit te spreken.
  § 3. De overheid bevoegd om de tuchtstraf uit te spreken, geeft aan de betrokken ambtenaar kennis van haar beslissing binnen een maand na de dag waarop het definitieve voorstel aan die overheid is medegedeeld; zo niet wordt zij geacht van de tuchtstraf af te zien.
  
Art. 99. § 1. Les sanctions disciplinaires autres que le blâme sont infligées après une proposition provisoire faite par le supérieur hiérarchique de niveau 1 habilité à cet effet [1 tel que prévu par l'arrêté du Collège relatif à la carrière]1.
  Celui-ci transmet sa proposition simultanément au Conseil de direction et à l'autorité compétente pour inflige la sanction disciplinaire.
  § 2. Le Conseil de direction émet la proposition définitive dans un délai de deux mois prenant cours le jour qui suit celui où la proposition provisoire du supérieur hiérarchique a été réceptionnée par le secrétariat du Conseil de direction.
  Celle-ci est notifiée au fonctionnaire concerne et à l'autorité compétente pour infliger la sanction disciplinaire.
  § 3. L'autorité compétente pour infliger la sanction disciplinaire, notifie sa décision au fonctionnaire concerné dans le mois à dater du jour où elle a réceptionné la proposition définitive sous peine de renoncer à infliger la sanction.
  
Art. 100. Het opleggen van de blaam alsook elk voorlopig of definitief voorstel dat ertoe strekt een zwaardere straf op te leggen, wordt schriftelijk geformuleerd, met redenen omkleed en aan de betrokken ambtenaar medegedeeld.
  De ambtenaar wordt vooraf over de feiten ondervraagd. Hij mag zich voor zijn verdediging laten bijstaan door een persoon naar eigen keuze.
  Na de kennisgeving heeft de ambtenaar vijftien dagen de tijd om zijn eventuele bezwaren schriftelijk uiteen te zetten. Zijn bij aangetekende brief toegestuurde bezwaarschrift wordt bij het dossier gevoegd.
Art. 100. Le blâme, de même que toute proposition provisoire ou définitive visant à appliquer une sanction plus lourde, est formulé par écrit, motivé et notifie au fonctionnaire concerné.
  Le fonctionnaire est interpellé au préalable au sujet des faits. Il peut, pour sa défense, être assisté par la personne de son choix.
  Dans un délai de quinze jours à dater de la notification, le fonctionnaire concerné peut exposer par écrit ses objections éventuelles. Sa réclamation, adressée par pli recommandé, est jointe au dossier.
Art. 101. De ambtenaar tegen wie een andere tuchtstraf dan de blaam definitief voorgesteld is, kan binnen tien dagen hiertegen een beroep instellen bij de raad van beroep die een gemotiveerd advies uitbrengt voor iedere beslissing van de overheid bevoegd om de tuchtstraf uit te spreken.
Art. 101. Le fonctionnaire à charge duquel une sanction disciplinaire autre que le blâme est définitivement proposée, peut introduire un recours endéans les 10 jours contre cette proposition auprès de la Chambre de recours qui émet un avis motivé préalable à toute décision de l'autorité compétente pour infliger la sanction.
Art. 102. § 1. Behoudens nieuwe elementen die de heropening van het dossier rechtvaardigen, kan niemand het voorwerp zijn van een tuchtvordering voor reeds bestrafte feiten.
  § 2. Wanneer in de loop van een tuchtprocedure een nieuw feit ten laste van de ambtenaar wordt gelegd, kan dit tot een nieuwe procedure aanleiding geven zonder dat de lopende procedure onderbroken wordt.
  § 3. Een strafvordering over hetzelfde voorwerp schorst de tuchtprocedure en de tuchtuitspraak.
  Ongeacht het resultaat van de strafvordering oordeelt de overheid alleen over de gepastheid een tuchtstraf uit te spreken.
Art. 102. § 1. Sauf élément nouveau justifiant la réouverture du dossier, aucun fonctionnaire ne peut faire l'objet d'une action disciplinaire pour des faits déjà sanctionnés.
  § 2. Si un nouveau fait est reproché au fonctionnaire pendant le déroulement d'une procédure disciplinaire, une nouvelle procédure peut être entamée sous que la procédure en cours ne soit interrompue.
  § 3. L'action pénale relative au même objet est suspensive de la procédure et du prononcé disciplinaire.
  Quelle que soit l'issue de cette action, l'autorité reste seule juge de l'opportunité d'infliger une sanction disciplinaire.
Art. 103. § 1. De overheid die bevoegd is om de tuchtstraf uit te spreken, kan geen zwaardere straf opleggen dan die welke in laatste instantie werd voorgesteld en zij mag slechts rekening houden met de feiten die de tuchtprocedure gerechtvaardigd hebben.
  De straf mag geen uitwerking hebben over een periode voor de uitspraak.
  § 2. De overheid die bevoegd is om de tuchtstraf uit te spreken, motiveert elke beslissing die niet overeenstemt met het voorstel dat haar werd gedaan.
  Ze mag geen andere feiten ter sprake brengen dan die welke het advies van de raad van beroep hebben gemotiveerd.
Art. 103. § 1. L'autorité compétente pour infliger la sanction disciplinaire ne peut aggraver la sanction qui lui a été proposée en dernière instance et ne peut avoir égard qu'aux faits qui ont justifié la procédure disciplinaire.
  La sanction ne peut produire d'effet antérieurement à son prononcé.
  § 2. L'autorité compétente pour infliger la sanction disciplinaire motive toute décision non décision non conforme à la proposition dont elle a été saisie.
  Elle ne peut évoquer d'autres faits que ceux ayant motivé l'avis de la Chambre de recours.
TITEL IV. - Doorhaling van de tuchtstraf.
TITRE IV. - De la radiation de la sanction disciplinaire.
Art. 104. § 1. Elke tuchtstraf behalve het ambtshalve ontslag en de afzetting wordt in het persoonlijk dossier van de ambtenaar doorgehaald onder de in § 2 bepaalde voorwaarden.
  Onverminderd de uitvoering van de straf, heeft de doorhaling tot gevolg dat met de doorgehaalde tuchtstraf geen rekening meer mag worden gehouden inzonderheid bij de appreciatie van de aanspraken op bevordering van de ambtenaar, noch bij de toekenning van de beoordeling.
  [...]
  § 2. De doorhaling van de tuchtstraffen geschiedt van ambtswege na een termijn waarvan de duur is vastgesteld op :
  - negen maanden voor de blaam;
  - één jaar voor de verplaatsing bij tuchtmaatregel;
  - achttien maanden voor de inhouding van wedde;
  - twee jaar voor de tuchtschorsing;
  - drie jaar voor de terugzetting in graad.
  De termijn loopt vanaf de datum waarop de straf is uitgesproken.
Art. 104. § 1. A l'exception de la démission d'office et de la révocation, toute sanction disciplinaire est radiée du dossier individuel du fonctionnaire dans les conditions fixées au paragraphe 2.
  Sans préjudice de l'exécution de la sanction, la radiation a pour effet qu'il ne peut plus être tenu compte de la sanction disciplinaire radiée, notamment pour l'application des titres à la promotion du fonctionnaire ni lors de l'attribution de l'évaluation.
  Par la radiation, toute mention ou référence à la sanction disciplinaire est retirée du dossier.
  § 2. La radiation des sanctions disciplinaires se fait d'office après une période dont la durée est fixée à :
  - neuf mois pour le blâme;
  - un an pour le déplacement disciplinaire;
  - dix-huit mois pour la retenue de traitement;
  - deux ans pour la suspension disciplinaire;
  - trois ans pour la rétrogradation.
  Le délai prend cours à la date à laquelle la sanction a été prononcée.
TITEL V. - Verjaring van de tuchtvordering.
TITRE V. - De la prescription de l'action disciplinaire.
Art. 105. De tuchtvordering mag alleen betrekking hebben op feiten die zich hebben voorgedaan of werden vastgesteld binnen een termijn van zes maanden voorafgaande aan de datum waarop de vordering wordt ingesteld.
  In geval van strafvordering en indien het Openbaar Ministerie de einduitspraak van het gerecht ter kennis heeft gebracht van de overheid die bevoegd is om de tuchtstraf uit te spreken, moet de tuchtvordering ingesteld worden binnen zes maanden na de datum na de datum van kennisgeving.
Art. 105. L'action disciplinaire ne peut se rapporter qu'à des faits qui se sont produits ou qui ont été constates dans les six mois précédents la date à laquelle l'action est entamée.
  En cas d'action pénale et si le ministère public a notifié la décision judiciaire définitive à l'autorité compétente pour infliger la sanction disciplinaire, l'action disciplinaire doit être entamée dans les six mois qui suivent la date de la notification.
Art. 106. Deze titel geldt eveneens voor de stagiairs.
Art. 106. Le présent titre est applicable aux stagiaires.
DEEL XIII. - Schorsing in het belang van de dienst.
PARTIE XIII. - De la suspension dans l'intérêt du service.
Afdeling 1. - Feiten.
Section 1. - Des faits.
Art. 107. Wanneer een ambtenaar vervolgd wordt hetzij strafrechtelijk, hetzij tuchtrechtelijk met het oog op het opleggen van een andere tuchtstraf dan de blaam, en zijn aanwezigheid onverenigbaar is met het belang van de dienst, kan de betrokken ambtenaar preventief worden geschorst als maatregel van orde.
Art. 107. Lorsque le fonctionnaire fait l'objet soit de poursuites pénales, soit de poursuites disciplinaires tendant à infliger une sanction autre que le blâme, et que sa présence est incompatible avec l'intérêt du service, le fonctionnaire concerné peut être suspendu préventivement à titre de mesure d'ordre.
Afdeling 2. - Bevoegde overheid.
Section 2. - De l'autorité compétente.
Art. 108. De overheid die bevoegdheid is om een andere tuchtstraf dan de blaam uit te spreken, is tevens bevoegd om een schorsing in het belang van de dienst uit te spreken.
Art. 108. L'autorité compétente pour infliger une sanction disciplinaire autre que le blâme, l'est également pour prononcer une suspension dans l'intérêt du service.
Afdeling 3. - Procedure.
Section 3. - De la procédure.
Art. 109. De schorsing in het belang van de dienst kan slechts uitgesproken worden nadat de betrokken ambtenaar vooraf gehoord is over de feiten die hem ten laste gelegd worden.
  Hijkan zich voor zijn verdediging laten bijstaan door een persoon naar eigen keuze.
Art. 109. La suspension dans l'intérêt du service ne peut être prononcée qu'après que le fonctionnaire concerné ait été entendu au préalable au sujet des faits qui lui sont reprochés.
  Il peut être assisté, pour sa défense, par la personne de son choix.
Art. 110. Van de beslissing waarbij de schorsing is uitgesproken, wordt aan de betrokken ambtenaar kennis gegeven. Bij gebrek aan kennisgeving van de beslissing binnen vijftien dagen, wordt deze ingetrokken geacht.
  In dat geval kan de overheid geen nieuwe schorsing in het belang van de dienst uitspreken op basis van dezelfde feiten.
Art. 110. La décision prononçant la suspension est notifiée au fonctionnaire concerné. A défaut de notification de la décision dans les quinze jours, celle-ci est réputée rapportée.
  Dans ce cas, l'autorité ne peut pas prononcer une nouvelle suspension dans l'intérêt du service pour les mêmes faits.
Afdeling 4. - Duur en gevolgen van de schorsing in het belang van de dienst.
Section 4. - De la durée et des effets de la suspension dans l'intérêt du service.
Art. 111. § 1. De schorsing in het belang van de dienst wordt uitgesproken voor een periode van ten hoogste zes maanden.
  In geval van strafrechtelijke vervolging kan de overheid deze termijn verlengen met opeenvolgende perioden van ten hoogste zes maanden, tot de kennisgeving van een rechterlijke eindbeslissing.
  § 2. Als er binnen de in paragraaf 1 bedoelde termijn geen tuchtstraf uitgesproken is, worden alle gevolgen van de schorsing in het belang van de dienst opgeheven.
Art. 111. § 1. La suspension dans l'intérêt du service est prononcée pour une période de six mois au plus.
  En cas de poursuites pénales, l'autorité peut proroger ce terme pour des périodes consécutives de six mois au plus, jusqu'à notification d'une décision judiciaire définitive.
  § 2. Si aucune sanction disciplinaire n'est infligée dans le délai vise au paragraphe 1er, tous les effets de la suspension dans l'intérêt du service sont levés.
Art. 112. § 1. De ambtenaar die in het belang van de dienst geschorst is, kan het recht ontzegd worden om zijn aanspraken op bevordering en op verhoging in wedde te doen gelden en het voorwerp zijn van een vermindering van wedde, in de volgende gevallen :
  1° wanneer hij strafrechtelijk vervolgd wordt;
  2° wanneer hij tuchtrechtelijk vervolgd wordt wegens een ernstig vergrijp waarbij hij op heterdaad is betrapt en waarvoor er afdoende aanwijzingen zijn.
  § 2. De in paragraaf 1 bedoelde vermindering van wedde mag evenwel niet meer bedragen dan die bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers.
Art. 112. § 1. Le fonctionnaire suspendu dans l'intérêt du service peut privé de la faculté de faire valoir ses titres à la promotion et son droit à l'avancement de traitement et peut faire l'objet d'une réduction de traitement dans les cas suivants :
  1° lorsqu'il fait l'objet de poursuites pénales;
  2° lorsqu'il fait l'objet de poursuites disciplinaires en raison d'une faute grave pour laquelle sont constatés le flagrant délit ou des indices probants.
  § 2. La réduction de traitement visée au paragraphe 1er ne peut être supérieure à celle visée à l'article 23, alinéa 2 de la loi du 12 avril 1965 sur la protection de la rémunération des travailleurs.
Afdeling 5. - Beroep.
Section 5. - Du recours.
Art. 113. De in deel XIV van dit besluit bedoelde raad van beroep neemt kennis van de beroepen ingesteld tegen de beslissingen in verband met de schorsing in het belang van de dienst en met de in artikel 112 bedoelde maatregelen.
  De procedure in hoger beroep is die welke voor de beroepen in tuchtzaken geldt.
Art. 113. La Chambre de recours visée à la partie XIV du présent arrêté connaît des recours exercés à l'égard des décisions relatives à la suspension dans l'intérêt du service et à l'égard des mesures visées à l'article 112.
  La procédure de recours est celle prévue pour les recours en matière disciplinaire.
Afdeling 6. - Einde van de schorsing in het belang van de dienst.
Section 6. - Fin de la suspension dans l'intérêt du service.
Art. 114. Wanneer een tuchtstraf met inhouding van wedde uitgesproken wordt tegen een ambtenaar die in het belang van de dienst geschorst werd met vermindering van wedde, heeft de tuchtstraf, in afwijking van artikel 103, uitwerking ten vroegste met ingang van de dag waarop de schorsing in het belang van de dienst in werking treedt.
  In dat geval wordt de duur van de schorsing in het belang van de dienst aangerekend tot het passende beloop op de duur van de tuchtschorsing. Het bedrag van de tijdens de tuchtschorsing ingehouden wedde wordt afgetrokken van het bedrag van het verlies van wedde dat met de tuchtschorsing gepaard gaat. Als het bedrag van de ingehouden wedde hoger is dan het bedrag van het verlies van wedde dat met de tuchtschorsing gepaard gaat, wordt het verschil door de overheid aan de ambtenaar terugbetaald.
Art. 114. Par dérogation à l'article 103, lorsqu'une sanction entraînant une retenue de traitement est infligée au fonctionnaire qui a été suspendu dans l'intérêt du service avec réduction de traitement, la sanction disciplinaire produit ses effets au plus tôt le jour de l'entrée en vigueur de la suspension dans l'intérêt du service.
  Dans ce cas, la durée de la suspension dans l'intérêt du service est imputée à due concurrence sur la durée de la sanction entraînant une retenue de traitement. Le montant du traitement retenu pendant la suspension dans l'intérêt du service, est déduit du montant de la perte de traitement liée à la sanction entraînant une retenue de traitement. Si le montant du traitement retenu est plus important que le montant de la perte de traitement liée à la sanction entraînant une retenue de traitement, l'autorité rembourse la différence au fonctionnaire.
Art. 115. Na afloop van het onderzoek van het dossier worden de bij toepassing van artikel 111 genomen maatregelen ingetrokken door beslissingen die terugwerken tot de dag met ingang waarvan die maatregelen uitwerking hebben gehad, behalve :
  1° indien tot besluit van dat onderzoek de ambtenaar van ambtswege ontslagen of afgezet wordt;
  2° voor de periode van schorsing in belang van de dienst aangerekend op de duur van de tuchtschorsing bij toepassing van artikel 114.
Art. 115. Au terme de l'examen du dossier, les mesures prises en application de l'article 111 sont retirées par des décisions rétroagissant à la date à partir de laquelle ces mesures ont produit effet sauf :
  1° si, au terme de l'instruction du dossier, le fonctionnaire fait l'objet d'une démission d'office ou d'une révocation;
  2° pour la période de suspension dans l'intérêt du service imputée sur la durée de la suspension disciplinaire en application de l'article 114.
Art. 116. De bepalingen van dit deel gelden eveneens voor de stagiairs.
Art. 116. Les dispositions de la présente partie s'appliquent également aux stagiaires.
DEEL XIV. - Raad van beroep.
PARTIE XIV. - Chambre de recours.
Art. 117. (Er wordt een gemeenschappelijke kamer van beroep opgericht voor de diensten van het College [1 en voor het Instituut]1.) .
  Deze neemt kennis van de beroepen inzake tuchtregeling, van de schorsingen in het belang van de dienst en van elke andere aangelegenheid waarvoor een beroep voor de raad van beroep georganiseerd is door het College.
  De bepalingen van dit deel met betrekking tot het beroep inzake tuchtregeling zijn van overeenkomstige toepassing op de beroepen in de andere aangelegenheden.
  
Art. 117. (Il est constitue une chambre de recours commune aux Services du Collège [1 et à l'Institut]1.)
  Celle-ci connaît des recours en matière disciplinaire, de suspension dans l'intérêt du service et de toute autre matière pour laquelle un recours devant la Chambre de recours est organisée par le Collège.
  Les dispositions de la présente partie qui se rapportent au recours en matière disciplinaire s'appliquent mutatis mutandis au recours dans les autres matières.
  
Art. 118. De raad van beroep is samengesteld uit :
  1° een voorzitter en een plaatsvervangende voorzitter, aangewezen door het College op de voordracht van het Lid van het College bevoegd voor het Openbaar Ambt, onder de magistraten en eremagistraten van de Franse taalrol;
  2° twee assessoren en plaatsvervangende assessoren per representatieve vakorganisatie, aangewezen door de vakorganisaties;
  3° evenveel assessoren en plaatsvervangende assessoren, die de overheidsdelegatie vormen en die aangewezen worden door het College uit een lijst opgemaakt [1 door de Directieraad van het Instituut]1. De lijst voorgesteld door de Directieraad van het Instituut wordt eerst voor goedkeuring voorgelegd aan het Beheerscomité van het Franstalig Brussels Instituut voor Beroepsopleiding;
  (4° van een griffier-verslaggever en zijn plaatsvervanger, aangeduid door het College onder de ambtenaren van de Diensten van het College of van de instellingen van openbaar nut van de Commissie. Hij is niet stemgerechtigd.)
  
Art. 118. La Chambre de recours se compose de la façon suivante :
  1° d'un Président et d'un Président suppléant désignés par le Collège sur proposition du Membre du Collège chargé de la Fonction publique parmi les magistrats ou les magistrats honoraires du régime linguistique français;
  2° de deux assesseurs et de leur assesseur suppléant par organisation syndicale représentative, désignés par les organisations syndicales;
  3° d'un nombre égal d'assesseurs et de leur assesseur suppléant formant la délégation de l'autorité, désignés par le Collège sur une liste établie [1 par le Conseil de direction de l'Institut]1; l'avis préalable du Comité de gestion de l'Institut bruxellois francophone pour la formation professionnelle est requis sur la liste proposée par le Conseil de direction de l'Institut.
  (4° d'un greffier rapporteur et son suppléant, désignés par le Collège parmi les fonctionnaires des Services du Collège ou des organismes d'intérêt public de la Commission. Il n'a pas voix délibérative.)
  
Art. 119. Behoudens overmacht, neemt het verhinderde lid contact op met zijn plaatsvervanger ten laatste drie werkdagen voor de in de oproeping vastgestelde datum, om in zijn plaatsvervanging te voorzien.
  Het gewone lid brengt de griffie van de raad van beroep hiervan op de hoogte.
Art. 119. En cas d'empêchement, le membre effectif prend, sauf cas de force majeure, contact avec son suppléant au plus tard trois jours ouvrables avant la date fixée dans la convocation fin d'assurer son remplacement.
  Le membre effectif en informe le greffe de la Chambre de recours.
Art. 120. Voor elke zaak wordt een ambtenaar van de in artikel 2 bedoelde instellingen door het College aangewezen om het bestreden voorstel te verdedigen.
  Wat betreft een beroep ingediend door een ambtenaar-generaal, wijst het Lid van het College bevoegd voor het Openbaar Ambt een advocaat aan om het voorstel van de overheid te verdedigen.
Art. 120. Dans chaque affaire, un fonctionnaire des organismes visés à l'article 2 est désigné par le Collège pour défendre la proposition contestée.
  Pour ce qui concerne un recours introduit par un fonctionnaire général, le Membre du Collège compétent en matière de Fonction publique désigne un avocat pour défendre la proposition des autorités.
Art. 121. De raad van beroep stelt een reglement van orde op en legt het ter goedkeuring voor aan het College.
  Het voorafgaand advies van het Beheerscomité van het Franstalig Brussels Instituut voor Beroepsopleiding is vereist.
Art. 121. La Chambre de recours établit un règlement d'ordre intérieur et le soumet pour approbation au Collège.
  L'avis préalable du Comité de gestion de l'Institut bruxellois francophone pour la formation professionnelle est requis.
Art. 122. De raad van beroep beraadslaagt geldig als de leden die er volgens artikel 118 deel van uitmaken, voor alle zaken voltallig aanwezig zijn.
  Indien de raad van beroep na de eerste oproeping niet voltallig is, vergadert hij een tweede keer en beraadslaagt hij geldig ongeacht het aantal aanwezige leden.
Art. 122. La Chambre de recours délibère valablement si, pour chaque affaire, tous les membres la composant conformément à l'article 118 sont présents.
  Si après la première convocation, la Chambre n'est pas au complet, elle se réunit valablement une seconde fois quel que soit le nombre de présents.
Art. 123. Wanneer in een bepaalde zaak, die voorgelegd is aan de raad van beroep, een assessor niet ten minste tot verzoekers niveau behoort, wordt hij vervangen door een plaatsvervangend assessor van dat of van een hoger niveau.
  Wanneer te weinig plaatsvervangende assessoren aan die eis voldoen, worden binnen ten hoogste één maand, volgens de regelen die voor de aanwijzing van de gewone en plaatsvervangende assessoren gelden, plaatsvervangende assessoren aangewezen, die aan de niveau-eis voldoen.
  Hoe het ook zij, na verloop van de termijn van een maand beraadslaagt de raad van beroep geldig, zonder dat er evenveel door de overheid als door de vakorganisaties aangewezen assessoren hoeven te zijn.
Art. 123. Lorsque dans une affaire soumise à la Chambre de recours, un assesseur de la délégation de l'autorité appartient à un niveau inférieur à celui du requérant, il est remplacé par un assesseur suppléant d'un niveau égal ou supérieur à celui du requérant.
  Lorsque le nombre d'assesseurs suppléants répondant à cette condition est insuffisant, il est procédé dans un délai maximum d'un mois suivant les dispositions régissant la désignation des assesseurs effectifs et des assesseurs suppléants, à la désignation d'assesseurs suppléants répondant à la condition de niveau.
  En tout cas, à l'expiration de ce délai d'un mois, la Chambre de recours délibère valablement sans qu'il puisse être exigé que les assesseurs de la délégation de l'autorité et les assesseurs de la délégation des organisations syndicales soient en nombre égal.
Art. 124. De verzoeker heeft het recht assessoren te wraken in een proportie die de helft van de door de overheid aangewezen assessoren en de helft van de door de vakorganisaties aangewezen assessoren niet mag overschrijden.
  De voorzitter wraakt de assessor wiens onpartijdigheid in twijfel kan worden getrokken.
Art. 124. Le requérant a le droit de récuser les assesseurs dans une proportion qui ne peut excéder la moitié des assesseurs de la délégation de l'autorité et la moitié des assesseurs de la délégation syndicale.
  Le Président récuse l'assesseur dont l'impartialité pourrait être mise en cause.
Art. 125. De raad van beroep kan niet beraadslagen of beslissen indien de meerderheid van de ter zitting opgeroepen assessoren niet aanwezig is. Behalve wanneer toepassing wordt gemaakt van artikel 123, derde lid, moeten evenveel door de overheid als door de vakorganisaties aangewezen assessoren aan de stemming deelnemen.
  In voorkomend geval wordt de pariteit hersteld door uitschakeling van een of meer bij loting aangewezen assessoren.
  De stemming is geheim. Bij staking van stemmen wordt het advies als gunstig voor de verzoeker beschouwd.
Art. 125. La Chambre de recours ne peut délibérer que si la majorité des assesseurs convoqués à l'audience est présente, sauf lorsqu'il est fait application de l'article 123, alinéa 3, les assesseurs de la délégation de l'autorité et les assesseurs des organisations syndicales qui prennent part au vote, doivent être en nombre égal.
  Le cas échéant, la parité est rétablie par élimination d'un ou plusieurs assesseurs après tirage au sort.
  Le vote a lieu au scrutin secret. En cas de partage des voix, l'avis est réputé favorable au requérant.
Art. 126. Om zijn voornemen te kennen te geven beroep in te stellen beschikt de ambtenaar hoe dan ook over een termijn van vijftien dagen, ingaande de dag waarop hem kennis gegeven wordt van het bestreden voorstel van regel of straf.
Art. 126. En outre circonstance, le fonctionnaire dispose pour manifester son intention d'introduire son recours, d'un délai de quinze jours à partir de la date à laquelle la proposition de mesures ou de sanctions incriminées lui est notifiée.
Art. 127. § 1. De zaak wordt bij de raad van beroep aanhangig gemaakt door toedoen van de overheid die bevoegd is om een tuchtstraf uit te spreken, binnen een termijn van vijftien werkdagen te rekenen vanaf de ontvangst van de beroepsaanvraag.
  § 2. Deze zendt het volledig dossier van de zaak door binnen een termijn van ten hoogste een maand te rekenen vanaf de aanhangigmaking.
  § 3. De raad van beroep spant de procedure aan binnen een termijn van 30 dagen te rekenen vanaf de ontvangst van het dossier.
Art. 127. § 1. La Chambre de recours est saisie de l'affaire par les soins de l'autorité investie du pouvoir de nomination dans un délai de quinze jours ouvrables à dater de la réception de la demande de recours.
  § 2. Celle-ci transmet à la Chambre de recours le dossier complet de l'affaire dans un délai maximum d'un mois à dater de la saisine.
  § 3. La Chambre de recours entame la procédure dans un délai de 30 jours à dater de la réception du dossier.
Art. 128. De raad van beroep mag over geen aanvraag beraadslagen of beslissen indien het onderzoek niet geheel beëindigd is, indien de verzoeker niet in de gelegenheid werd gesteld zijn verweermiddelen te doen gelden, en indien het dossier niet alle dienende gegevens bevat opdat de raad met volle kennis van zaken advies kan geven.
Art. 128. Aucun recours ne peut faire l'objet de délibérations de la Chambre de recours si les enquêtes ne sont pas complètement terminées, si le requérant n'a pas été mis en position de faire valoir ses moyens de défense et si le dossier ne contient pas tous les éléments utiles susceptibles de permettre à cette Chambre d'émettre un avis en pleine connaissance de cause.
Art. 129. § 1. De ambtenaar wordt minstens vijftien dagen voor zijn verschijning voor de raad van beroep bij ter post aangetekende brief opgeroepen. Deze oproeping dient volgende vermeldingen te bevatten :
  1° de feiten die het bestreden voorstel van straf of maatregel rechtvaardigen;
  2° de samenstelling van een volledig administratief dossier met betrekking tot het voorstel van straf of maatregel;
  3° de plaats, dag en uur van de verschijning;
  4° het recht van de betrokkene om zich voor zijn verdediging te laten bijstaan door een persoon naar eigen keuze;
  5° de plaats en periode waarin het in punt 2 bedoelde dossier geraadpleegd kan worden;
  6° het recht om te vragen om getuigen te horen.
  § 2. Vanaf de ontvangst van de oproeping tot verschijnen voor de raad van beroep tot de dag die aan de verschijning voorafgaat, mogen de ambtenaar en zijn raadsman het administratief dossier raadplegen en, als ze dat wensen, de verweermiddelen aan de raad van beroep schriftelijk meedelen.
Art. 129. § 1. Au moins quinze jours avant sa comparution devant la Chambre de recours, le fonctionnaire est convoqué par lettre recommandée à la poste. Cette convocation doit mentionner :
  1° les faits justifiant la proposition de sanction et/ou la mesure incriminée;
  2° la constitution d'un dossier administratif complet relatif à la proposition de sanction ou à la mesure;
  3° le lieu, le jour et l'heure de la comparution;
  4° le droit de l'intéressé de se faire assister par un défenseur de son choix;
  5° le lieu et le délai dans lequel le dossier visé au point 2 peut être consulté;
  6° le droit de demander l'audition de témoins.
  § 2. A partir de la réception de la convocation à comparaître devant la Chambre de recours jusqu'à la veille de la comparution, le fonctionnaire et son défenseur peuvent consulter le dossier administratif et communiquer par écrit, s'ils le souhaitent, les moyens de défense à la Chambre de recours.
Art. 130. § 1. Behalve bij wettige verhindering verschijnt de appellant persoonlijk. Hij mag zich voor zijn verdediging laten bijstaan door een persoon naar eigen keuze.
  § 2. De ambtenaar die niet verschijnt, ofschoon behoorlijk opgeroepen, wordt geacht af te zien van zijn beroep behalve bij wettige verhindering.
Art. 130. § 1. A moins d'un empêchement légitime, le fonctionnaire comparait en personne. Il peut être assisté, pour sa défense, par la personne de son choix. Le défenseur ne peut faire partie à aucun titre de la Chambre de recours.
  § 2. Si, bien que régulièrement convoqué, le fonctionnaire, à moins d'un empêchement légitime, s'abstient de comparaître, il est censé renoncer à son recours.
Art. 131. § 1. De raad van beoep kan ambtshalve of op verzoek van de ambtenaar of van zijn raadsman beslissen getuigen te horen.
  Het verhoor van de getuigen heeft plaats in aanwezigheid van de ambtenaar. De als getuige opgeroepen ambtenaar mag zich niet verzetten tegen zijn verhoor.
  § 2. De raad van beroep kan een aanvullend onderzoek aanbevelen en vragen dat daartoe assessoren die de beraadslagingen hebben bijgewoond, worden afgevaardigd. Behalve de gevallen waarin geen assessor aangewezen is door de vakorganisaties, worden deze assessoren gekozen de ene uit de leden aangewezen door de overheid, de andere uit de leden aangewezen door de vakorganisaties.
Art. 131. § 1. La Chambre de recours peut décider d'office ou à la demande du fonctionnaire ou de son défenseur d'entendre des témoins.
  L'audition des témoins a lieu en présence du fonctionnaire. Le fonctionnaire convoqué en qualité de témoin ne peut s'opposer à être entendu.
  § 2. La Chambre de recours peut recommander des enquêtes complémentaires et y déléguer des assesseurs qui ont assisté aux délibérations. Ces assesseurs, hors les cas où aucun assesseur n'est désigné par les organisations syndicales, sont choisis, l'un parmi la délégation de l'autorité, l'autre parmi la délégation des organisations syndicales.
Art. 132. § 1. Er wordt een verslag van de verschijning opgesteld. Het verslag dat na het verhoor opgesteld is, wordt naar de woonplaats van de ambtenaar toegezonden bij aangetekende brief met ontvangstbewijs. De ambtenaar wordt hierbij gevraagd het verslag te tekenen.
  Binnen vijftien dagen na ontvangst stuurt hij dit verslag met zijn eventuele opmerkingen terug bij aangetekende brief.
  § 2. Indien de ambtenaar schriftelijk afstand doet van zijn recht om gehoord te worden of indien hij niet komt opdagen, behalve bij wettige verhindering, wordt een proces-verbaal van afstand opgesteld.
  Dit proces-verbaal vermeldt al de vereiste handelingen van de procedure en geeft aan of zij nageleefd zijn.
Art. 132. § 1. Il est dressé procès-verbal de la comparution. Le procès-verbal est dressé après l'audition et communiqué au fonctionnaire par pli recommandé avec accusé de réception à son domicile avec invitation à la signer.
  Celui-ci le retransmet sous pli recommandé dans les quinze jours de la réception avec ses remarques éventuelles.
  § 2. Si le fonctionnaire a renoncé par écrit à être entendu ou si il ne s'est présenté à la comparution, à moins d'un empêchement légitime, il est établi un procès-verbal de renonciation.
  Le procès-verbal de renonciation comprend l'énumération de tous les actes de procédure requis et mentionne l'accomplissement de chacun d'eux.
Art. 133. Na afloop van het onderzoek van het dossier, stuurt de raad van beroep dit dossier naar de overheid die bevoegd is om de beslissing te nemen of om het definitieve voorstel te formuleren, en geeft hij haar zijn gemotiveerd advies. Hij vermeldt met hoeveel stemmen voor of tegen de stemming werd verkregen.
  De raad van beroep geeft tegelijk aan de bevoegde overheid en aan de verzoeker kennis van het uitgebrachte advies.
Art. 133. Après avoir terminé l'examen du dossier, la Chambre de recours l'envoie à l'autorité compétente pour prendre la décision ou pour formuler la proposition définitive en y joignant son avis motivée. Elle mentionne par quel nombre de voix pour ou contre le vote a été acquis.
  La Chambre de recours donne connaissance simultanément à l'autorité compétente et au requérant de l'avis qu'elle a émis.
Art. 134. Is het advies van de raad van beroep gunstig voor de verzoeker, dan wordt de definitieve beslissing genomen door de overheid bevoegd om te benoemen. Deze notificeert de beslissing aan de raad van beroep.
Art. 134. En cas d'avis de la Chambre de recours favorable au requérant, la décision définitive est prise par l'autorité investie du pouvoir de nomination. Elle notifie cette décision à la Chambre de recours.
Art. 135. De overheid die bevoegd is om de beslissing te nemen of om het definitieve voorstel te formuleren, spreekt zich uit binnen twee maanden na het afsluiten van het proces-verbaal van verschijning of van afstand.
  Als er in voornoemde termijn geen beslissing of definitief voorstel wordt goedgekeurd, wordt de overheid geacht af te zien van de maatregel.
  De gemotiveerde beslissing of het gemotiveerde voorstel wordt aan de betrokkene medegedeeld hetzij bij aangetekende brief met ontvangstbewijs, hetzij door afgifte tegen ontvangstbewijs.
  Bij gebrek aan kennisgeving van de beslissing of van het definitief voorstel binnen een termijn van vijftien dagen vanaf de ontvangst, wordt deze als ingetrokken beschouwd.
  De procedure mag niet overgedaan worden. De kennisgeving van de beslissing of van het definitieve voorstel vermeldt de voorziene beroepen en de termijn waarbinnen deze ingesteld kunnen worden.
Art. 135. L'autorité compétente pour prendre la décision ou pour formuler la proposition définitive se prononce dans les deux mois de la clôture du procès-verbal de comparution ou de renonciation.
  Si aucune décision ou proposition définitive n'est adoptée dans le délai susvisé, l'autorité est réputée renoncer à la mesure.
  La décision ou la proposition motivée est notifiée à l'intéressé soit par lettre recommandée avec accusé de réception, soit par remise contre accusé de réception.
  A défaut de notification de la décision ou de la proposition définitive dans un délai de quinze jours à dater de la réception, celle-ci est réputée rapportée.
  La procédure ne peut être recommencée. La notification de la décision ou de la proposition définitive fait mention des recours prévus et du délai dans lequel ceux-ci peuvent être exercés.
Art. 136. Aan de voorzitter, de assessoren en de raadslieden die deel uitmaken van de ambtenaren van de in artikel 2 bedoelde instellingen, wordt een vergoeding voor reiskosten toegekend.
  Dit geldt ook voor de verzoeker en de raadsman [1 die geen ambtenaar van het Instituut zijn]1, van een in artikel 2 bedoelde instelling, wanneer het advies van de raad van beroep gunstig is voor de verzoeker.
  
Art. 136. Des indemnités pour frais de parcours sont accordées au Président, aux assesseurs, aux défenseurs qui font partie des fonctionnaires des organismes visés à l'article 2.
  Il en va de même pour le requérant et le défenseur [1 qui n'est pas un fonctionnaire de l'Institut]1, lorsque l'avis de la Chambre de recours est favorable au requérant.
  
Art. 137. De bepalingen van dit deel gelden ook voor de stagiairs.
Art. 137. Les dispositions de la présente partie s'appliquent également aux stagiaires.
DEEL XV. - Persoonlijke aansprakelijkheid.
PARTIE XV. - De la responsabilité personnelle.
Art. 138. Buiten hun aansprakelijkheid tegenover derden zijn ambtenaren tegenover het bestuur persoonlijk aansprakelijk voor de schade die zij hebben berokkend door plichtverzuim, hetzij opzettelijk, hetzij uit nalatigheid of onvoorzichtigheid.
  De grenzen en voorwaarden van die aansprakelijkheid worden bepaald door de overheid die bevoegd is om te benoemen. Deze aansprakelijkheid van geldelijke aard wordt gelijkgesteld met de verantwoordelijkheid die aanleiding geeft tot het opleggen van tuchtstraffen; terzake van de bestraffing gelden dezelfde rechtsmiddelen als tegen deze straffen.
  Onverminderd de bevoegdheid van de rechtbanken terzake wordt de aansprakelijkheid op advies van de directieraad vastgesteld door de overheid die bevoegd is om te benoemen; deze stelt de vergoeding van de schade vast.
Art. 138. Indépendamment de leur responsabilité à l'égard des tiers, les fonctionnaires sont personnellement responsables vis-à-vis de l'administration du dommage qu'ils lui ont causé en violant leurs devoirs de service, soit intentionnellement, soit par négligence ou imprudence.
  Les limites et les conditions de cette responsabilité seront fixée par le pouvoir de nomination. Cette responsabilité de nature pécuniaire est assimilée à celle qui donne lieu à l'application des sanctions disciplinaires et sa sanction est subordonnée aux voies de recours prévues contre celles-ci.
  Sans préjudice de la compétence des tribunaux en la matière, l'autorité investie du pouvoir de nomination, sur avis du Conseil de direction, constate la responsabilité et fixe le montant de la réparation du dommage.
Art. 139. Dit deel is niet van toepassing op de openbare rekenplichtigen en ordonnateurs die, in dezen, geheel onderworpen blijven aan de hen betreffende bijzondere bepalingen, noch op andere ambtenaren wier aansprakelijkheid bij de wet geregeld is.
Art. 139. La présente partie n'est pas applicable aux comptables publics et aux ordonnateurs, lesquels en cette matière, restent entièrement soumis aux dispositions spéciales qui les régissent, ni aux autres fonctionnaires dont les lois ont réglé la responsabilité.
Art. 140. De bepalingen van dit deel gelden ook voor de stagiairs.
Art. 140. Les dispositions de la présente partie s'appliquent aux stagiaires.
DEEL XVI. - DEEL XVI. - Administratieve standen, afwezigheden en verloven.
PARTIE XVI. - PARTIE XVI. - Des positions administratives, des absences et des congés.
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
CHAPITRE I. - Dispositions générales.
Art. 141. § 1. De bepalingen van dit deel zijn van toepassing op de ambtenaren die vast benoemd zijn in de zin van het besluit van het College van de Franse Gemeenschapscommissie van 20 oktober 1994 [3 houdende het statuut van de ambtenaren van het Franstalig Brussels Instituut voor Beroepsopleiding]3.
  Deze bepalingen zijn ook van toepassing op de stagiairs, met uitzondering van de bepalingen betreffende :
  1° het verlof om een stage of een proefperiode te verrichten;
  2° [6 ...]6;
  3° de disponibiliteit wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst;
  4° het opleidingsverlof;
  5° het verlof wegens opdracht van algemeen belang;
  6° het verlof voor loopbaanonderbreking;
  7° de afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden;
  8° het verlof voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheid.
  § 2. [1 oor het bij arbeidsovereenkomst in dienst genomen personeel en voorzover deze regeling gunstiger is dan die bepaald bij de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en de bijzondere wetten gelden de bepalingen van dit deel betreffende:
   1° het jaarlijks vakantieverlof en de feestdagen;
   2° het omstandigheidsverlof;
   3° het verlof om medische of humanitaire redenen;
   4° het verlof voor deelname aan een assisenjury;
   5° het ouderschapsverlof;
   6° het opvangverlof met het oog op adoptie of pleegvoogdij;
   7° de opvang, de dienstvrijstellingen voor opleiding en de opleidingsverloven;
   8° het verlof om politieke redenen;
   9° de vierdagenweek;]1

  [2 10° : het verlof voor detachering van een nationale deskundige bij de Europese Commissie;]2
  [4 11° moederschapsbescherming ;
   12° geboorteverlof.]4

  [5 Behoudens uitzonderingen die specifiek zijn bepaald in de bepalingen van dit Statuut, wordt het in het eerste lid bedoelde verlof toegekend volgens de procedures die van toepassing zijn op de statutaire personeelsleden.]5
  
Art. 141. § 1er. Les dispositions de la présente partie sont applicables aux agents nommés à titre définitif aux sens de l'arrêté du Collège de la Commission communautaire française du 20 octobre 1994 [3 portant statut des fonctionnaires de l'Institut bruxellois francophone pour la formation professionnelle]3.
  Les présentes dispositions s'appliquent également aux stagiaires, à l'exception des dispositions relatives :
  1° au congé pour accomplir un stage ou une période d'essai;
  2° [6 ...]6
  3° à la disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service;
  4° au congé de formation;
  5° au congé pour mission d'intérêt général;
  6° au congé pour interruption de la carrière professionnelle;
  7° à l'absence de longue durée pour raisons personnelles;
  8° aux prestations réduites pour convenance personnelle.
  § 2. [1 Sont applicables au personnel engagé sous contrat de travail et ce pour autant que ce régime soit plus favorable que celui prévu par la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail et les lois particulières, les dispositions de la présente partie relative :
   1° au congé annuel de vacances et au congé pour jours fériés;
   2° au congé de circonstances;
   3° au congé pour raisons médicales ou humanitaires;
   4° au congé pour participer au jury d'une cours d'assises;
   5° au congé parental;
   6° au congé d'accueil en vue de l'adoption et de la tutelle officieuse;
   7° à l'accueil, aux dispenses et congés de formation;
   8° au congé pour raison politique ;
   9° à la semaine de quatre jours;]1

  [2 10° : au congé pour détachement d'un expert national auprès de la Commission européenne;]2
  [4 11° à la protection de la maternité ;
   12° au congé de naissance.]4

  [5 Sauf exceptions spécifiquement précisées dans les dispositions du présent Statut, les congés visés à l'alinéa 1er sont octroyés selon les modalités applicables au personnel statutaire.]5
  
HOOFDSTUK II. - Administratieve standen.
CHAPITRE II. - Des positions administratives.
Afdeling 1. - Algemene bepalingen.
Section 1re. - Dispositions générales.
Art. 142. De ambtenaar bevindt zich in een van de volgende administratieve standen :
  1° dienstactiviteit;
  2° non-activiteit;
  3° disponibiliteit.
Art. 142. Le fonctionnaire se trouve dans une des positions administratives suivantes :
  1° activité de service;
  2° non-activité;
  3° disponibilité.
Art. 142/2. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-03/39, art. 2; Inwerkingtreding : 2003-01-01> De ambtenaar wordt voor de vaststelling van zijn administratieve stand altijd geacht in actieve dienst te zijn behoudens uitdrukkelijke bepaling die hem hetzij van rechtswege, hetzij bij beslissing van de bevoegde overheid in een andere administratieve stand plaatst.
Art. 142/2. Pour la détermination de sa position administrative, le fonctionnaire est toujours censé être en activité de service, sauf disposition formelle le plaçant soit de plein droit, soit sur décision de l'autorité compétente, dans une autre position administrative.
Afdeling 2. - Dienstactiviteit.
Section 2. - De l'activité de service.
Art. 143. De dienstactiviteit is de gewone administratieve stand van de ambtenaar.
  Tenzij anders bepaald, heeft de ambtenaar in dienstactiviteit recht op wedde en op verhoging in zijn weddeschaal.
  Hij kan zijn aanspraken op bevordering, op toekenning van een mandaat doen gelden.
Art. 143. L'activité de service est la position administrative habituelle de l'agent.
  Sauf dispositions contraires, l'agent en activité de service a droit à son traitement et à l'avancement dans son échelle de traitement.
  Il peut faire valoir ses titres à la promotion, à l'attribution d'un mandat.
Art. 143/2. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-03/39, art. 2; Inwerkingtreding : 2003-01-01>
  Behalve de in de artikelen 147 tot 157/14 bedoelde verloven kan de ambtenaar in actieve dienst, onder de door het College vastgestelde voorwaarden, om de volgende redenen afwezig zijn :
  1° verlof om hem toe te laten een stage of proefperiode te vervullen in een andere betrekking van een overheidsdienst, van het gesubsidieerd onderwijs, van het universitair onderwijs, van een gesubsidieerd psycho-medisch-sociaal centrum, van een gesubsidieerde dienst voor beroepskeuze of van een gesubsidieerd medisch-pedagogisch instituut;
  2° verlof wegens ziekte of gebrekkigheid;
  3° verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte of gebrekkigheid;
  4° verlof voor verminderde prestaties gewettigd door sociale of familiale redenen;
  5° afwezigheid wegens persoonlijke aangelegenheid;
  6° disponibiliteit voor persoonlijke aangelegenheid;
  7° afwezigheden van lange duur gewettigd door familiale redenen;
  8° onderbreking van de beroepsloopbaan;
  9° verlof voor internationale opdracht;
  10° verlof voor opdracht;
  11° verlof om ter beschikking van de Koning te worden gesteld;
  12° verlof voor het verrichten van sommige militaire prestaties in vredestijd en van diensten in uitvoering van de wetten op de gewetensbezwaarden, gecoördineerd op 20 februari 1980;
  13° verlof voor onthaal en opleiding.
Art. 143/2.
  Outre les congés visés aux articles 147 à 157/14, le fonctionnaire en activité de service peut s'absenter pour les motifs suivants, aux conditions fixées par le Collège :
  1° Congé pour lui permettre d'accomplir un stage ou une période d'essai dans un autre emploi d'un service public, de l'enseignement subventionné, de l'enseignement universitaire, d'un centre psycho-médico-social subventionné, d'un office d'orientation professionnelle subventionné ou d'un institut medico-pédagogique subventionné;
  2° congés pour maladie ou infirmité ;
  3° conges pour prestations réduites en cas de maladie ou d'infirmité;
  4° congés pour prestations réduites justifiés par des raisons sociales ou familiales;
  5° absences pour convenance personnelle;
  6° disponibilité pour convenance personnelle;
  7° absences de longue durée justifiées par des raisons familiales;
  8° interruption de la carrière professionnelle;
  9° congé pour mission internationale;
  10° congé pour mission;
  11° congé pour être mis à la disposition du Roi;
  12° congé en vue de l'accomplissement, en temps de paix, des prestations militaires ou des services en exécution des lois sur les objecteurs de conscience, coordonnées le 20 février 1980;
  13° congé d'accueil et de formation.
Art. 143/3. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-03/39, art. 2; Inwerkingtreding : 2003-01-01> Zolang het College de voorwaarden voor het verkrijgen van de in artikel 143/2 bedoelde verloven niet bepaald heeft, worden volgende koninklijke besluiten en hun wijzigingsbesluiten mutatis mutandis toegepast :
  1° Koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende bepaalde verloven toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen en afwezigheden wegens persoonlijke aangelegenheid, voor de in artikel 143/2, 1° tot 5°, bedoelde verloven.
  2° Koninklijk besluit van 13 november 1967 betreffende de stand disponibiliteit van het rijkspersoneel, voor het verlof bedoeld in artikel 143/2, 6°.
  3° Koninklijk besluit van 26 mei 1975 betreffende de afwezigheden van lange duur gewettigd door familiale redenen, voor het verlof bedoeld in artikel 143/2, 7°.
  4° [1 ...]1
  5° Koninklijk besluit nr. 33 van 20 juli 1967 tot vaststelling van het statuut van sommige ambtenaren van de openbare diensten, die met een internationale opdracht worden belast, voor het verlof bedoeld in artikel 143/2, 9°.
  6° Koninklijk besluit van 13 november 1967 tot vaststelling van de administratieve toestand van de rijksambtenaren die met een opdracht worden belast, voor het verlof bedoeld in artikel 143/2, 10°.
  7° Koninklijk besluit van 12 augustus 1993 betreffende het verlof toegekend aan bepaalde ter beschikking van de Koning of de Prinsen en Prinsessen van België gestelde personeelsleden van de rijksbesturen, voor het verlof bedoeld in artikel 143/2, 11°.
  8° Koninklijk besluit van 1 juni 1964 tot vaststelling van de administratieve toestand van sommige ambtenaren van de rijksbesturen die in vredestijd militaire prestaties verrichten of diensten in uitvoering van de op 20 februari 1980 gecoördineerde wetten houdende het statuut van de gewetensbezwaarden, voor het verlof bedoeld in artikel 143/2, 12°.
  
Art. 143/3. Tant que le Collège n'a pas fixé les conditions d'obtention des congés visés a l'article 143/2, il est fait application, mutatis mutandis, des arrêtés royaux suivants et de leurs arrêtés modificatifs :
  1° Arrêté royal du 19 novembre 1998 relatif à certains congés accordés à des agents des administrations de l'Etat et aux absences pour convenance personnelle, pour les congés visés à l'article 143/2, 1° à 5°.
  2° Arrêté royal du 13 novembre 1967 relatif à la position de disponibilité des agents de l'Etat, pour le congé visé à l'article 143/2, 6°.
  3° Arrêté royal du 26 mai 1975 relatif aux absences de longue durée justifiées par des raisons familiales, pour le congé visé à l'article 143/2, 7°.
  4° [1 ...]1
  5° Arrêté royal n° 33 du 20 juillet 1967 fixant le statut de certains agents des services publics chargés d'une mission internationale, pour le congé visé à l'article 143/2, 9°.
  6° Arrêté royal du 13 novembre 1967 fixant la situation administrative des agents de l'Etat chargés d'une mission, pour le congé visé à l'article 143/2, 10°.
  7° Arrêté royal du 12 août 1993 relatif au congé accordé à certains agents des services de l'Etat mis à la disposition du Roi ou des Princes et Princesses de Belgique, pour le congé visé à l'article 143/2, 11°.
  8° Arrêté royal du 1er juin 1964 fixant la position administrative de certains agents des administrations de l'Etat qui accomplissent, en temps de paix, des prestations militaires ou des services en exécution des lois coordonnées le 20 février 1980 portant le statut des objecteurs de conscience, pour le congé visé à l'article 143/2, 12°.
  
Art. 143/3bis. [1 De ziekteverlofdagen toegekend ten gevolge van pesterijen die zijn erkend door een rechterlijke beslissing waartegen geen beroep meer kan worden ingesteld, worden niet in aanmerking genomen om het aantal ziekteverlofdagen te bepalen dat het personeelslid nog kan bekomen krachtens artikel 143/3, 1°.]1
  
Art. 143/3bis. [1 Les jours de congé de maladie accordés à la suite de harcèlement qui a été reconnu par une décision de justice qui n'est plus susceptible de recours ne sont pas pris en considération pour déterminer le nombre de jours de congé de maladie que l'agent peut encore obtenir en vertu de l'article 143/3, 1°.]1
  
Art. 143/3ter. [1 De ziekteverlofdagen waarvoor met een medisch attest wordt erkend dat ze het gevolg zijn van zwangerschap worden niet in aanmerking genomen om het aantal ziekteverlofdagen te bepalen dat het personeelslid nog kan bekomen krachtens artikel 143/3, 1°.]1
  
Art. 143/3ter. [1 Les jours de congé de maladie dont il est reconnu par certificat médical qu'ils sont dus à la grossesse ne sont pas pris en considération pour déterminer le nombre de jours de congé de maladie que l'agent peut encore obtenir en vertu de l'article 143/3, 1°.]1
  
Art. 143/4. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-03/39, art. 2; Inwerkingtreding : 2003-01-01> De ambtenaar wiens ambt afgeschaft wordt en die is wedertewerkgesteld, is in dienstactiviteit.
Art. 143/4. Le fonctionnaire dont l'emploi est supprimé et qui est en réaffectation, est en activité de service.
Section 3. - Non-activiteit.
Section 3. - De la non-activité.
Art. 144. De ambtenaar kan, krachtens de bepalingen van dit besluit, van rechtswege of bij beslissing van de bevoegde overheid in non-activiteit worden geplaatst.
  Tenzij anders bepaald, heeft de ambtenaar in deze stand geen recht op zijn wedde.
  Hij kan alleen onder de door het statuut gestelde voorwaarden aanspraken op bevordering, toekenning van een mandaat en op verhoging in zijn weddeschaal doen gelden.
Art. 144. L'agent peut, conformément aux dispositions du présent arrêté, être mis en non-activité de plein droit ou sur décision de l'autorité compétente.
  Sauf dispositions contraires, l'agent dans cette position, n'a pas droit à son traitement.
  Il ne peut faire valoir ses titres ni à la promotion, ni à l'attribution d'un mandat, ni à l'avancement dans son échelle de traitement qu'aux conditions fixées par le statut.
Art. 144/2. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-03/39, art. 2; Inwerkingtreding : 2003-01-01> Onder de door het College gestelde voorwaarden is de ambtenaar op non-activiteit :
  1° wanneer hij in vredestijd sommige militaire prestaties verricht of voor de civiele bescherming of voor taken van openbaar nut aangewezen wordt bij toepassing van de wetten houdende het statuut van de gewetensbezwaarders, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 20 februari 1980;
  2° wanneer hij de uitvoering voortzet van een opdracht die niet erkend is van algemeen belang te zijn;
  3° wanneer aan de ambtenaar, om familiale redenen, toegestaan wordt voor een periode van lange duur afwezig te zijn;
  4° prorata temporis, wanneer hij in zijn ambt verminderde prestaties uitoefent wegens persoonlijke aangelegenheid;
  5° wanneer hij een facultatief of ambtshalve politiek verlof geniet;
  6° wanneer hij tuchtschorsing als tuchtstraf opgelegd krijgt.
Art. 144/2. Aux conditions fixées par le Collège, le fonctionnaire est en non-activité :
  1° lorsqu'il accomplit, en temps de paix, certaines prestations militaires ou est affecté à la protection civile ou à des tâches d'utilité publique en application des lois portant le statut des objecteurs de conscience, coordonnées par l'arrêté royal du 20 février 1980;
  2° lorsqu'il prolonge l'exercice d'une mission qui n'est pas reconnue d'intérêt général;
  3° lorsque, pour des raisons familiales, il est autorisé à s'absenter pour une période de longue durée;
  4° prorata temporis, lorsqu'il exerce des prestations réduites pour des raisons de convenance personnelle;
  5° lorsqu'il bénéficie d'un congé politique facultatif ou d'office;
  6° lorsqu'il est frappé d'une sanction de suspension disciplinaire.
Art. 144/3. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-03/39, art. 2; Inwerkingtreding : 2003-01-01> Tuchtschorsing plaatst de ambtenaar ambtshalve in de administratieve stand non-activiteit.
  Tijdens de periodes van tuchtschorsing kan de ambtenaar zijn aanspraken op bevordering of op bevordering tot een hogere wedde niet doen gelden en kan hij aan een inhouding van wedde worden onderworpen. Het College waarborgt de ambtenaar die een inhouding van wedde ondergaat, echter een maandelijkse wedde waarvan het nettobedrag minstens gelijk is aan het bestaansminimum zoals bepaald krachtens de wet van 7 augustus 1974 houdende instelling van het recht op een bestaansminimum.
Art. 144/3. La suspension disciplinaire place de plein droit le fonctionnaire dans la position administrative de non-activité.
  Durant les périodes de suspension disciplinaire, le fonctionnaire ne peut faire valoir ses titres à la promotion ou à l'avancement de traitement et peut subir une retenue de traitement. Cependant, le Collège garantit au fonctionnaire qui subit une retenue de traitement, un traitement mensuel dont le montant net égale au moins le montant du minimum de moyens d'existence tel qu'il est fixé en vertu de la loi du 7 août 1974 instituant le droit à un minimum de moyens d'existence.
Art. 144/4. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-03/39, art. 2; Inwerkingtreding : 2003-01-01> Niemand kan in non-activiteit gesteld of gehouden worden wanneer hij aan de voorwaarden voldoet om te worden gepensioneerd.
Art. 144/4. Nul ne peut être mis ou maintenu en non-activité s'il se trouve dans les conditions de mise à la retraite.
Section 4. - Disponibiliteit.
Section 4. - De la disponibilité.
Onderafdeling 1. - Disponibiliteit wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst.
Sous-section 1re. - De la disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service.
Art. 145.
  De ambtenaar kan, zonder opzegging, in disponibiliteit worden gesteld wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst wanneer hij een bepaald ambt niet kan uitoefenen en hij niet onmiddellijk in een beter geschikte betrekking wedertewerkgesteld kan worden.
  Op voorstel van de directieraad neemt de benoemende overheid een beslissing omtrent het in disponibiliteit stellen. De betrokkene wordt vooraf door de directieraad gehoord en kan worden bijgestaan door een persoon van zijn keuze.
Art. 145.
  L'agent peut, sans préavis, être mis en disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service s'il ne peut exercer une fonction déterminée et s'il ne peut pas être immédiatement réaffecté à un emploi plus adapté.
  Sur la proposition du conseil de direction, l'autorité investie du pouvoir de nomination se prononce sur la mise en disponibilité. L'intéressé est préalablement entendu par le conseil de direction et peut être assisté par la personne de son choix.
Art. 145/2. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-03/39, art. 2; Inwerkingtreding : 2003-01-01>
  De ambtenaar in disponibiliteit wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst heeft geen recht op wedde of op verhoging in zijn weddenschaal.
  Hij verliest zijn aanspraken op bevordering of toekenning van een mandaat.
  Hij geniet het eerste jaar een wachtgeld gelijk aan zijn laatste activiteitswedde. Vanaf het tweede jaar is dit wachtgeld gelijk aan 1/60e van de laatste activiteitswedde per dienstjaar dat hij telt op de datum waarop hij in disponibiliteit is gesteld.
Art. 145/2.
  L'agent en disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service n'a droit ni au traitement, ni à l'avancement dans son échelle de traitement.
  Il ne peut faire valoir ses titres à la promotion ou à l'attribution d'un mandat.
  Il bénéficie néanmoins durant la première année d'un traitement d'attente équivalant à son dernier traitement d'activité. A partir de la deuxième année, ce traitement d'attente est égal à 1/60e du dernier traitement d'activité, multiplié par le nombre d'années de service qu'il compte à la date de sa mise en disponibilité.
Onderafdeling 2. - Disponibiliteit wegens ziekte.
Sous-section 2. - De la disponibilité pour maladie.
Art. 145/3. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-03/39, art. 2; Inwerkingtreding : 2003-01-01>
  § 1. De ambtenaar die afwezig is wegens ziekte is na het wettelijk toegekende aantal verlofdagen te hebben bereikt van rechtswege in disponibiliteit wegens ziekte.
  Hij behoudt zijn recht op bevordering en op bevordering in zijn weddenschaal.
  § 2. De ambtenaar die in disponibiliteit wegens ziekte is ontvangt een wachtgeld dat gelijk is aan 60 % van zijn laatste activiteitswedde.
  Het bedrag van dit wachtgeld mag echter in geen geval lager liggen dan :
  1° de vergoedingen die de betrokkene in dezelfde toestand zou ontvangen indien de socialezekerheidsregeling op hem toepasselijk was geweest sinds het begin van zijn afwezigheid;
  2° het pensioen dat hij verkregen zou hebben indien hij, op het ogenblik dat hij in disponibiliteit gesteld werd, tot de vervroegde oppensioenstelling wegens lichamelijke ongeschiktheid toegelaten zou zijn.
  § 3. De ambtenaar heeft recht op een maandelijks wachtgeld dat gelijk is aan het bedrag van zijn laatste activiteitswedde indien de kwaal waaraan hij lijdt door [1 Medex]1 als een ernstige en langdurige ziekte wordt erkend. Dit recht heeft slechts uitwerking nadat de ambtenaar in disponibiliteit wegens ziekte werd gesteld voor een ononderbroken periode van ten minste drie maanden.
  Dit recht heeft een herziening van de toestand van de ambtenaar tot gevolg met geldelijke uitwerking op de dag waarop zijn disponibiliteit een aanvang heeft genomen.
  § 4. De disponibiliteit wegens ziekte maakt geen einde aan de stelsels van loopbaanonderbreking bedoeld, noch aan de stelsels van halftijdse vervroegde uittreding en van vrijwillige vierdagenweek zoals bedoeld in de wet van 10 april 1995 betreffende arbeidsverdeling in de openbare sector.
  Voor de toepassing van § 2 van dit artikel, is de laatste activiteitswedde deze, welke voor de verminderde prestaties verschuldigd was.
  
Art. 145/3.
  § 1er. L'agent qui est absent pour maladie après avoir atteint le nombre de jours de congés légalement accordés, se trouve de plein droit en disponibilité pour maladie.
  Il conserve ses titres à la promotion et à l'avancement dans son échelle de traitement.
  § 2. L'agent en disponibilité pour maladie reçoit un traitement d'attente égal à 60 % de son dernier traitement d'activité.
  Toutefois, le montant de ce traitement d'attente ne peut en aucun cas être inférieur :
  1° aux indemnités que l'intéressé obtiendrait dans la même situation si le régime de la sécurité sociale lui avait été applicable dès le début de son absence;
  2° à la pension qu'il obtiendrait si, à la date de sa mise en disponibilité, il avait été admis à la retraite anticipée pour cause d'inaptitude physique.
  § 3. L'agent a droit à un traitement d'attente mensuel égal au montant de son dernier traitement d'activité si l'affection dont il souffre est reconnue comme maladie grave et de longue durée par [1 le Medex]1. Ce droit ne produit ses effets qu'à partir du moment où l'agent a été mis en disponibilité pour une période ininterrompue de trois mois au moins.
  Ce droit entraîne une révision de la situation de l'agent avec effet pécuniaire au jour où sa disponibilité a débuté.
  § 4. La disponibilité pour maladie ne met pas fin aux régimes de l'interruption de la carrière professionnelle, ni aux régimes du départ anticipé à mi-temps et de la semaine volontaire de quatre jours visés dans la loi du 10 avril 1995 relative à la redistribution du travail dans le secteur public.
  Pour l'application du § 2 du présent article, le dernier traitement d'activité est celui dû avant les prestations réduites.
  
Art. 145/4. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-03/39, art. 2; Inwerkingtreding : 2003-01-01>
  De ambtenaar die in disponibiliteit werd gesteld wegens ziekte, wordt ieder jaar medisch onderzocht door de medische controledienst in de loop van de maand overeenstemmend met die waarin hij in disponibiliteit werd gesteld.
  Verschijnt de ambtenaar niet voor de medische controledienst op het tijdstip bepaald in het eerste lid, dan wordt de uitkering van zijn wachtgeld vanaf dat tijdstip geschorst tot hij verschijnt.
Art. 145/4.
  L'agent qui est mis en disponibilité pour maladie, subit chaque année un examen médical auprès du service de contrôle médical dans le courant du mois correspondant à celui au cours duquel il a été mis en disponibilité.
  Si l'agent ne comparaît pas devant le service de contrôle médical à l'époque fixée par l'alinéa 1er, le paiement de son traitement d'attente est suspendu depuis cette époque jusqu'à sa comparution.
Onderafdeling 3. - Disponibiliteit wegens persoonlijke aangelegenheid.
Sous-section 3. - De la disponibilité pour convenance personnelle.
Art. 145/5. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-03/39, art. 2; Inwerkingtreding : 2003-01-01>
  De ambtenaar in disponibiliteit wegens persoonlijke aangelegenheid krijgt geen wachtgeld. Hij kan ook geen aanspraken doen gelden op ziektes opgedaan gedurende de periode van disponibiliteit.
  Hij verliest zijn aanspraken op bevordering of toekenning van een mandaat.
Art. 145/5.
  Le fonctionnaire mis en disponibilité pour convenance personnelle ne reçoit aucun traitement d'attente. Il ne peut se prévaloir de maladie contractée pendant la période de disponibilité.
  Il ne peut faire valoir ses titres à la promotion ou à l'attribution d'un mandat.
Onderafdeling 4. - Gemeenschappelijke bepalingen.
Sous-section 4. - Dispositions communes.
Art. 145/6. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-03/39, art. 2; Inwerkingtreding : 2003-01-01>
  De benoemende overheid kan, op advies van de directieraad, de betrekking waarvan de in disponibiliteit gestelde ambtenaar titularis was, onmiddellijk vacant verklaren in geval van disponibiliteit wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst.
  De vacantverklaring kan slechts worden beslist na verloop van een jaar in geval van disponibiliteit wegens ziekte.
Art. 145/6.
  L'autorité investie du pouvoir de nomination peut, sur avis du conseil de direction, déclarer immédiatement vacant l'emploi dont l'agent placé en disponibilité était titulaire, en cas de disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service.
  En cas de disponibilité pour maladie, la déclaration de vacance ne peut être décidée qu'après un an.
Art. 145/7. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-03/39, art. 2; Inwerkingtreding : 2003-01-01>
  De benoemende overheid kan de in disponibiliteit gestelde ambtenaar in actieve dienst terugroepen indien hij de vereiste beroeps- en lichamelijke geschiktheid bezit.
  De ambtenaar in disponibiliteit wegens ziekte, wiens betrekking niet vacant werd verklaard, neemt haar opnieuw op wanneer hij zijn dienst hervat.
  De ambtenaar moet in ieder geval, binnen de door de benoemende overheid gestelde termijn, het aangewezen ambt opnemen. Indien hij zonder geldige reden weigert, wordt hij, na een afwezigheid van tien werkdagen, ambtshalve ontslagen.
Art. 145/7.
  L'autorité investie du pouvoir de nomination peut rappeler en activité de service l'agent placé en disponibilité s'il possède les aptitudes professionnelles et physiques requises.
  L'agent en disponibilité pour maladie dont l'emploi n'a pas été déclaré vacant, le reprend lorsqu'il réintègre son service.
  L'agent est tenu en tous cas d'occuper, dans les délais fixés par l'autorité investie du pouvoir de nomination, l'emploi qui lui est assigné. L'agent qui s'y refuse sans raison valable est, après dix jours ouvrables d'absence, démis d'office.
Art. 145/8. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-03/39, art. 2; Inwerkingtreding : 2003-01-01>
  Niemand kan in disponibiliteit gesteld of gehouden worden wanneer hij voldoet aan de voorwaarden om gepensioneerd te worden.
Art. 145/8.
  Nul ne peut être mis ou maintenu en disponibilité s'il se trouve dans les conditions de mise à la retraite.
HOOFDSTUK III. - Afwezigheden.
CHAPITRE III. - Des absences.
Art. 146.
  De ambtenaar mag niet afwezig zijn zonder verlof of dienstvrijstelling te hebben gekregen.
  Onder dienstvrijstelling wordt verstaan de toestemming gegeven aan een ambtenaar om gedurende de diensturen afwezig te zijn voor een bepaalde duur met het behoud van al zijn rechten.
  Met uitzondering van de in dit besluit bepaalde gevallen worden de verloven en dienstvrijstellingen door de leidende ambtenaar of de door hem aangewezen ambtenaar toegekend.
Art. 146.
  L'agent ne peut s'absenter s'il n'a pas obtenu un congé ou une dispense de service.
  Par dispense de service, il y a lieu d'entendre l'autorisation accordée à l'agent de s'absenter pendant les heures de service pour une durée déterminée avec maintien de ses droits.
  A l'exception des cas prévus dans le présent arrêté, le fonctionnaire dirigeant ou l'agent désigné par lui accorde les congés et dispenses de service.
Art. 146/2. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-03/39, art. 2; Inwerkingtreding : 2003-01-01>
  Deelneming van een ambtenaar aan een georganiseerde werkonderbreking kan voor de ambtenaar slechts het verlies van zijn wedde tot gevolg hebben.
Art. 146/2.
  La participation de l'agent à la cessation concertée du travail ne peut entraîner pour cet agent que la privation de son traitement.
Art. 146/3. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-03/39, art. 2; Inwerkingtreding : 2003-01-01>
  Onverminderd de eventuele toepassing van een tuchtstraf, bevindt de ambtenaar die zonder toestemming afwezig is of de duur van zijn verlof zonder geldige reden overschrijdt, zich van rechtswege in non-activiteit.
Art. 146/3.
  Sans préjudice de l'application éventuelle d'une peine disciplinaire, l'agent qui s'absente sans autorisation ou dépasse le terme de son congé sans motif valable, se trouve de plein droit en non-activité.
Art. 146/4. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-03/39, art. 2; Inwerkingtreding : 2003-01-01>
  Indien de ambtenaar zonder geldige reden meer dan tien werkdagen afwezig is, wordt hij ambtshalve ontslagen.
Art. 146/4.
  L'agent qui, sans raison valable, s'absente plus de dix jours ouvrables, est démis d'office.
HOOFDSTUK IV. [1 - De vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar]1
CHAPITRE IV. [1 - De la semaine de quatre jours et du travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans]1
Afdeling 1. [1 - De vierdagenweek]1
Section 1re. [1 - De la semaine de quatre jours]1
Art. 147. [1 § 1. De voltijds tewerkgestelde ambtenaren en de voltijds tewerkgestelde contractuele administratieve personeelsleden hebben het recht vier vijfde van de prestaties uit te voeren die hen normaal gezien worden opgelegd. De prestaties worden gespreid over vier werkdagen per week.
   § 2. De ambtenaar, evenals het contractuele administratieve personeelslid, van minder dan 55 jaar oud kan gebruikmaken van de vierdagenweek zoals bedoeld in § 1 gedurende een periode van maximaal 60 maanden. De maximale duur van 60 maanden wordt verminderd met de al opgenomen periodes van de vrijwillige vierdagenweek krachtens de wet van 10 april 1995 betreffende arbeidsverdeling in de openbare sector, vanaf de datum van inwerkingtreding van de wet van 19 juli 2012 wet van 19 juli 2012 betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector.
   § 3. De ambtenaar die de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt, kan gebruikmaken van de vierdagenweek, bedoeld in § 1, tot de datum van de al dan niet vervroegde opruststelling wanneer de ambtenaar op de begindatum van dit verlof voldoet aan één van de volgende voorwaarden:
   1° hij heeft een dienstanciënniteit van ten minste achtentwintig jaar;
   2° hij is voorafgaand aan de vierdagenweek actief in een zwaar beroep gedurende minstens vijf jaar in de voorafgaande tien jaar of gedurende minstens zeven jaar in de daaraan voorafgaande vijftien jaar.
   Voor de toepassing van het eerste lid, 2°, wordt als zwaar beroep beschouwd, het zwaar beroep zoals gedefinieerd in artikel 4, § 3, tweede en derde lid van de wet van 19 juli 2012 betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector.
   § 4. De ambtenaar die de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt, kan gebruikmaken van de vierdagenweek, bedoeld in § 1, tot de datum van de al dan niet vervroegde opruststelling.]1

  
Art. 147. [1 § 1er. Les fonctionnaires occupés à temps plein ainsi que les membres du personnel administratifs contractuels occupés à temps plein ont le droit d'effectuer quatre cinquièmes des prestations qui leur sont normalement imposées. Les prestations sont réparties sur quatre jours ouvrables par semaine.
   § 2. Le fonctionnaire ainsi que le membre du personnel administratif contractuel et âgé de moins de 55 ans peut faire usage de la semaine de quatre jours, visée au § 1er, pendant une période de maximum 60 mois. La durée maximale de 60 mois est diminuée des périodes déjà prises de la semaine volontaire de quatre jours en vertu de la loi du 10 avril 1995 relative à la redistribution du travail dans le secteur public à partir de la date d'entrée en vigueur de la loi du 19 juillet 2012 relative à la semaine de quatre jours et au travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans dans le secteur public.
   § 3. Le fonctionnaire qui a atteint l'âge de 50 ans peut faire usage de la semaine de quatre jours, visée au § 1er, jusqu'à la date de la retraite anticipée ou non, lorsque le fonctionnaire satisfait, à la date de début de ce congé, à l'une des conditions suivantes :
   1° il a une ancienneté de service d'au moins vingt-huit ans;
   2° antérieurement à la semaine de quatre jours, il a effectué un métier lourd pendant au moins cinq ans durant les dix années précédentes ou au moins pendant sept ans durant les quinze années précédentes.
   Pour l'application de l'alinéa 1er, 2°, on entend par métier lourd le métier lourd tel que défini à l'article 4, § 3, alinéas 2 et 3 de la loi du 19 juillet 2012 relative à la semaine de quatre jours et au travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans dans le secteur public.
   § 4. Le fonctionnaire qui a atteint l'âge de 55 ans peut faire usage de la semaine de quatre jours, visée au § 1er, jusqu'à la date de la retraite anticipée ou non.]1

  
Art. 147/2. [1 § 1. Het personeelslid dat houder is van een graad behorende tot rang 13 of tot een hogere rang mag geen aanspraak maken op het recht op de vierdagenweek. Het kan evenwel, mits de voorafgaande toestemming van de leidende ambtenaar, het recht genieten op de vierdagenweek in de gevallen waarbij de goede werking van de dienst niet in het gedrang komt.
   § 2. Het personeelslid dat wenst gebruik te maken van het recht op de vierdagenweek dient een aanvraag in bij zijn hiërarchische overste minstens drie maanden voor de aanvang van de periode waarin het zijn prestaties zal vervullen op basis van de vierdagenweek.
   De machtiging voor de vierdagenweek wordt toegekend voor een periode van ten minste drie maanden en ten hoogste vierentwintig maanden. Voor elke verlenging wordt een aanvraag van het personeelslid vereist. Zij moet ten minste een maand voor het verstrijken van de lopende periode worden ingediend.
   § 3. De aanvraag van het verlof bevat de wensen van het personeelslid rond de dag waarop het in verlof is.
   De hiërarchische overste bepaalt de werkkalender. Hij kan voorstellen om het begin van het verlof uit te stellen met maximum vier maanden omwille van de noden van de dienst.
   In functie van de noden van de dienst of op vraag van het personeelslid kan de werkkalender door de hiërarchische overste worden aangepast. Het personeelslid wordt twee maanden op voorhand op de hoogte gebracht van deze aanpassing.
   Een tijdelijke aanpassing van werkkalender is mogelijk bij onderling akkoord.
   § 4. Tijdens de periode dat het personeelslid in het kader van de vierdagenweek geen prestaties dient te verrichten mag het geen beroepsbedrijvigheid uitoefenen. Onder beroepsbedrijvigheid moet worden verstaan elke bezigheid waarvan de opbrengst een beroepsinkomen is dat bedoeld wordt in artikel 23 van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992.
   § 5. De periode van de vierdagenweek neemt een aanvang op de eerste dag van een maand.
   Tijdens de periode van vierdagenweek kan het personeelslid niet worden gemachtigd verminderde prestaties om welke reden dan ook uit te oefenen. Het kan evenmin aanspraak maken op een regeling van deeltijdse loopbaanonderbreking.
   Het verlof voor vierdagenweek wordt ambtshalve opgeschort wanneer het personeelslid één van de volgende verloven geniet:
   1° moederschapsverlof en het verlof wegens vrijstelling van arbeid in toepassing van de artikelen 42 en 43 van de arbeidswet van 16 maart 1971 en het artikel 18 van de wet van 14 december 2000 tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de openbare sector;
   2° ouderschapsverlof;
   3° verlof voor de opvang met het oog op adoptie en pleegvoogdij;
   4° verlof voor loopbaanonderbreking teneinde palliatieve zorg te verstrekken of voor het bijstaan van of voor het verstrekken van verzorging aan een lid van het gezin of aan een familielid;
   5° verminderde prestaties wegens gezondheidsredenen.
   Wanneer het personeelslid een schorsing bekomt in toepassing van het derde lid, dan worden deze schorsingsperioden niet aangerekend op de maximumperiode van 60 maanden bedoeld in artikel 147, § 2, noch op de lopende periode van de vierdagenweek.
   Wanneer het personeelslid, in toepassing van het tweede lid, niet tijdens een volledige maand het verlof voor vierdagenweek heeft genoten, dan wordt de premie bedoeld in paragraaf 6 van de wet vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller het aantal kalenderdagen van de periode van het verlof voor vierdagenweek en de noemer het aantal kalenderdagen van de maand is.
   § 6. Het personeelslid dat gebruik maakt van het recht op de vierdagenweek ontvangt 80 % van de wedde, vermeerderd met een premie van 70,14 euro per maand. Dit bedrag is gekoppeld aan de spilindex 138,01.
   Wanneer 80% van de wedde niet volledig wordt betaald, dan wordt de premie bedoeld in het eerste lid prorata verminderd.
   § 7. Het personeelslid kan een einde stellen aan het stelsel van de vierdagenweek mits een opzeggingstermijn van drie maanden, behalve indien op verzoek van de betrokkene, de hiërarchische overste instemt met een kortere termijn.
   § 8. Voor de ambtenaar wordt de periode van afwezigheid als verlof beschouwd en met dienstactiviteit gelijkgesteld.
   § 9. Voor het contractuele administratieve personeelslid wordt de uitvoering van het contract opgeschort gedurende de afwezigheid.]1

  
Art. 147/2. [1 § 1er. Le membre du personnel d'un grade classé au rang 13 ou à un rang supérieur ne peut se prévaloir du droit à la semaine de quatre jours. Il peut toutefois, moyennant l'autorisation préalable du fonctionnaire dirigeant, bénéficier du droit à la semaine de quatre jours dans les cas où le bon fonctionnement du service ne s'en trouve pas compromis.
   § 2. Le membre du personnel qui désire faire usage du droit à la semaine de quatre jours introduit sa demande auprès de son supérieur hiérarchique trois mois au moins avant le début de la période au cours de laquelle il exercera ses prestations sur base de la semaine de quatre jours.
   L'autorisation pour la semaine de quatre jours est accordée pour une période de minimum trois mois et maximum vingt-quatre mois. Pour chaque prolongation, une demande du membre du personnel est requise. Cette demande doit être introduite au moins un mois avant l'expiration de la période en cours.
   § 3. La demande de congé précise les souhaits du membre du personnel concernant le jour où il est en congé.
   Le supérieur hiérarchique détermine le calendrier de travail. Il peut proposer de reporter le début du congé de maximum quatre mois pour les besoins du service.
   En fonction des besoins du service ou à la demande du membre du personnel, le calendrier peut être adapté par le supérieur hiérarchique. Le membre du personnel est informé de cette adaptation deux mois à l'avance.
   Une adaptation temporaire du calendrier de travail est possible par accord mutuel.
   § 4. Pendant la période pendant laquelle le membre du personnel n'a pas de prestations à fournir dans le cadre de la semaine de quatre jours, il ne peut exercer aucune activité professionnelle. Par activité professionnelle, il faut entendre toute occupation dont le produit est un revenu professionnel visé à l'article 23 du Code des impôts sur les revenus 1992.
   § 5. La période de la semaine de quatre jours prend cours le premier jour d'un mois.
   Pendant la période de la semaine de quatre jours, le membre du personnel ne peut pas être autorisé à exercer des prestations réduites pour quelque motif que ce soit. Il ne peut pas non plus prétendre à un régime d'interruption à temps partiel de la carrière professionnelle.
   Le congé pour la semaine de quatre jours est d'office suspendu lorsque le membre du personnel bénéficie d'un des congés suivants :
   1° congé de maternité et congé pour dispense de travail en application des articles 42 et 43 de la loi sur le travail du 16 mars 1971 et de l'article 18 de la loi du 14 décembre 2000 fixant certains aspects de l'aménagement du temps de travail dans le secteur public;
   2° congé parental;
   3° congé d'accueil en vue de l'adoption ou de la tutelle officieuse;
   4° congé pour interruption de la carrière professionnelle pour soins palliatifs ou pour soins pour un membre du ménage ou de la famille qui est gravement malade;
   5° prestations réduites pour raisons médicales.
   Lorsque le membre du personnel obtient une suspension en application de l'alinéa 3, ces périodes de suspension ne sont pas imputées sur la période maximale de 60 mois visée à l'article 147, § 2, ni sur la période en cours de la semaine de quatre jours.
   Lorsque le membre du personnel, en application de l'alinéa 2, n'a pas bénéficié du congé pour la semaine de quatre jours pendant un mois complet, la prime visée au paragraphe 6 est alors multipliée par une fraction dont le numérateur est le nombre de jours de calendrier de la période de congé pour la semaine de quatre jours et le dénominateur est le nombre de jours de calendrier du mois.
   § 6. Le membre du personnel qui fait usage du droit à la semaine de quatre jours reçoit 80 % du traitement, augmenté d'une prime de 70,14 euros par mois. Ce montant est lié à l'indice-pivot 138,01.
   Lorsque les 80 % du traitement ne sont pas entièrement payés, la prime visée à l'alinéa 1er est réduite de façon proportionnelle.
   § 7. Le membre du personnel peut mettre fin au régime de la semaine de quatre jours moyennant un préavis de trois mois, à moins qu'à la demande de l'intéressé, le supérieur hiérarchique n'accepte un délai plus court.
   § 8. Pour le fonctionnaire, la période d'absence est considérée comme congé et est assimilée à une période d'activité de service.
   § 9. Pour l'agent administratif contractuel, l'exécution du contrat est suspendue pendant l'absence.]1

  
Afdeling 2. [1 - Halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar]1
Section 2. [1 - Du travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans]1
Art. 147/3. [1 § 1. De ambtenaar heeft het recht om halftijds te werken vanaf 50 jaar tot aan de datum van zijn al dan niet vervroegde opruststelling wanneer dit op de begindatum van dit verlof cumulatief voldoet aan de volgende voorwaarden:
   1° hij was voorafgaand actief in een zwaar beroep gedurende minstens vijf jaar in de voorafgaande tien jaar of gedurende minstens zeven jaar in de daaraan voorafgaande vijftien jaar;
   2° dit zwaar beroep komt voor op de lijst van de beroepen waarvoor een significant tekort aan arbeidskrachten bestaat, opgemaakt in toepassing van artikel 8bis, § 1, van het koninklijk besluit van 7 mei 1999 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van het personeel van de besturen.
   Voor de toepassing van het eerste lid wordt als zwaar beroep beschouwd, het zwaar beroep zoals gedefinieerd in artikel 4, § 3, tweede en derde lid van de wet van 19 juli 2012 betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector.
   § 2. De ambtenaar heeft het recht om halftijds te werken vanaf 55 jaar tot aan de datum van zijn al dan niet vervroegde opruststelling.
   § 3. De ambtenaar die houder is van een graad behorende tot rang 13 of tot een hogere rang mag geen aanspraak maken op het recht op het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar.
   Hij kan evenwel, mits de voorafgaande toestemming van de leidende ambtenaar, het recht genieten op het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de gevallen waarbij de goede werking van de dienst niet in het gedrang komt.
   § 4. De ambtenaar die wenst gebruik te maken van het recht op het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar dient een aanvraag in bij zijn hiërarchische overste minstens drie maanden voor de aanvang van de periode.
   De aanvraag van het verlof bevat de wensen van de ambtenaar rond de dagen waarop hij in verlof is. Onder " halftijds werken " wordt een arbeidsregeling verstaan waarbij de ambtenaar in de loop van een maand de helft van de prestaties dient te verrichten die verbonden zijn aan een voltijdse tewerkstelling. De verdeling van de prestaties geschiedt in volledige of halve dagen.
   De hiërarchische overste bepaalt de werkkalender. Hij kan voorstellen om het begin van het verlof uit te stellen met maximum vier maanden omwille van de noden van de dienst.
   In functie van de noden van de dienst of op vraag van de ambtenaar kan de werkkalender door de hiërarchische overste worden aangepast. De ambtenaar wordt twee maanden op voorhand op de hoogte gebracht van deze aanpassing.
   Een tijdelijke aanpassing van werkkalender is mogelijk bij onderling akkoord.
   § 5. Tijdens de periode dat de ambtenaar in de halftijdse arbeidsregeling geen prestaties dient te verrichten mag hij geen beroepsbedrijvigheid uitoefenen. Onder beroepsbedrijvigheid moet worden verstaan elke bezigheid waarvan de opbrengst een beroepsinkomen is dat bedoeld wordt in artikel 23 van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992.
   § 6. De periode van de halftijdse prestaties neemt een aanvang op de eerste dag van een maand.
   Tijdens de periode van het halftijds werken kan de ambtenaar niet worden gemachtigd verminderde prestaties om welke redenen dan ook uit te oefenen. Hij kan evenmin aanspraak maken op een regeling voor deeltijdse loopbaanonderbreking.
   § 7. De ambtenaar die gebruik maakt van het recht op halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar ontvangt de helft van de wedde, alsook een maandelijkse premie van 295,95 euro.
   Wanneer de helft van de wedde niet volledig wordt betaald, dan wordt de premie bedoeld in het eerste lid prorata verminderd.
   § 8. De ambtenaar kan afzien van de in § 7 bedoelde maandelijkse premie als de inning ervan de uitbetaling van een pensioen uitsluit. Hij richt daartoe een bij de post aangetekende brief aan de leidende ambtenaar.
   § 9. De ambtenaar kan een einde stellen aan de halftijdse arbeidsregeling vanaf 50 of 55 jaar mits een opzeggingstermijn van drie maanden, behalve indien op verzoek van de betrokkene, de hiërarchische overste instemt met een kortere termijn. In dit geval, kan de betrokkene geen nieuwe aanvraag meer indienen voor het stelsel van halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar.]1

  
Art. 147/3. [1 § 1er. Le fonctionnaire a le droit, à partir de 50 ans, de travailler à mi-temps jusqu'à la date de sa mise à la retraite anticipée ou non lorsque celui-ci, à la date de début de ce congé, satisfait de manière cumulative aux conditions suivantes :
   1° antérieurement il a effectué un métier lourd pendant au moins cinq ans durant les dix années précédentes ou pendant au moins sept ans durant les quinze années précédentes;
   2° ce métier lourd figure sur la liste des métiers pour lesquels il existe une pénurie significative de main-d'oeuvre, établie en application de l'article 8bis, § 1er, de l'arrêté royal du 7 mai 1999 relatif à l'interruption de la carrière professionnelle du personnel des administrations.
   Pour l'application de l'alinéa 1er, on entend par métier lourd le métier lourd tel que défini à l'article 4, § 3, alinéas 2 et 3 de la loi du 19 juillet 2012 relative à la semaine de quatre jours et au travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans dans le secteur public.
   § 2. Le fonctionnaire a le droit, à partir de 55 ans, de travailler à mi-temps jusqu'à la date de sa mise à la retraite anticipée ou non.
   § 3. Le fonctionnaire titulaire d'un grade classé au rang 13 ou à un rang supérieur ne peut pas se prévaloir du droit au travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans.
   Il peut toutefois, moyennant l'autorisation préalable du fonctionnaire dirigeant, bénéficier du travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans dans le cas où le bon fonctionnement du service ne s'en trouve pas compromis.
   § 4. Le fonctionnaire qui désire faire usage du droit au travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans introduit sa demande auprès de son supérieur hiérarchique trois mois au moins avant le début de la période.
   La demande de congé précise les souhaits du fonctionnaire concernant les jours pendant lesquels il est en congé. Par " travail à mi-temps ", il faut entendre un régime de travail dans lequel le fonctionnaire doit, au cours d'un mois, effectuer la moitié des prestations qui sont liées à un emploi à temps plein. La répartition des prestations se fait en jours entiers ou en demi-jours.
   Le supérieur hiérarchique détermine le calendrier de travail. Il peut proposer de reporter le début du congé de maximum quatre mois pour les besoins du service.
   En fonction des besoins du service ou à la demande du fonctionnaire, le calendrier de travail peut être adapté par le supérieur hiérarchique. Le fonctionnaire est informé de cette adaptation deux mois à l'avance.
   Une adaptation temporaire du calendrier de travail est possible par accord mutuel.
   § 5. Pendant la période durant laquelle le fonctionnaire n'a pas de prestations à fournir dans le cadre du régime de travail à mi-temps, il ne peut exercer aucune activité professionnelle. Par activité professionnelle, il faut entendre toute occupation dont le produit est un revenu professionnel visé à l'article 23 du Code des impôts sur les revenus 1992.
   § 6. La période de prestations à mi-temps prend cours le premier jour d'un mois.
   Pendant la période de travail à mi-temps, le fonctionnaire ne peut pas être autorisé à exercer des prestations réduites pour quelque raison que ce soit. Il ne peut pas non plus prétendre à un régime d'interruption à temps partiel de la carrière professionnelle.
   § 7. Le fonctionnaire qui fait usage du droit au travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans reçoit la moitié du traitement ainsi qu'une prime mensuelle d'un montant de 295,99 euros.
   Lorsque la moitié du traitement n'est pas entièrement payée, la prime visée à l'alinéa 1er est réduite de façon proportionnelle.
   § 8. Le fonctionnaire peut renoncer à la prime mensuelle visée au § 7 si sa perception exclut le paiement d'une pension. Il adresse à cet effet une lettre recommandée à la poste au fonctionnaire dirigeant.
   § 9. Le fonctionnaire peut mettre fin au régime de travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans moyennant un préavis de trois mois, à moins qu'à la demande de l'intéressé, le supérieur hiérarchique n'accepte un délai plus court. En ce cas, l'intéressé ne peut plus introduire une nouvelle demande de régime de travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans.]1

  
HOOFDSTUK V. - Verloven van korte duur.
CHAPITRE V. - Des congés de courte durée.
Afdeling 1. - Jaarlijks vakantieverlof.
Section 1re. - Des vacances annuelles.
Art. 148.
  De ambtenaar heeft recht op een jaarlijks vakantieverlof van 35 werkdagen. De ambtenaar geniet een bijkomend vakantieverlof van één werkdag na vijf dienstjaren; hetzij twee dagen na tien dienstjaren.
Art. 148.
  L'agent a droit à trente-cinq jours ouvrables par an de conge de vacances. Il bénéficie d'un supplément de congé annuel de vacances d'un jour ouvrable après cinq années d'ancienneté de service; soit deux jours après dix années d'ancienneté de service.
Art. 148/2. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-03/39, art. 2; Inwerkingtreding : 2003-01-01>
  De ambtenaar geniet bijkomend jaarlijks vakantieverlof op grond van zijn leeftijd. Zo heeft hij tussen de 60 en de [1 67 jaar]1 elk jaar recht op een bijkomende vakantiedag.
  Aldus,
  1. op 60 jaar, geniet de ambtenaar één werkdag bijkomende vakantie;
  2. op 61 jaar, geniet de ambtenaar twee werkdagen bijkomende vakantie;
  3. op 62 jaar, geniet de ambtenaar drie werkdagen bijkomende vakantie;
  4. op 63 jaar, geniet de ambtenaar vier werkdagen bijkomende vakantie;
  5. op 64 jaar, geniet de ambtenaar vijf werkdagen bijkomende vakantie;
  [1 6. op 65 jaar, geniet de ambtenaar zes werkdagen bijkomende vakantie;
   7. op 66 jaar, geniet de ambtenaar zeven werkdagen bijkomende vakantie.]1

  
Art. 148/2.
  L'agent jouit d'un congé annuel de vacances supplémentaires en raison de son âge. Il bénéficiera ainsi d'un jour supplémentaire chaque année entre 60 et [1 67 ans]1.
  Donc,
  1. à 60 ans, l'agent bénéficiera d'un jour ouvrable.
  2. à 61 ans, l'agent bénéficiera de deux jours ouvrables.
  3. à 62 ans, l'agent bénéficiera de trois jours ouvrables.
  4. à 63 ans, l'agent bénéficiera de quatre jours ouvrables.
  5. à 64 ans, l'agent bénéficiera de cinq jours ouvrables.
  [1 6. à 65 ans, l'agent bénéficiera de six jours ouvrables.
   7. à 66 ans, l'agent bénéficiera de sept jours ouvrables.]1

  
Art. 148/3. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-03/39, art. 2; Inwerkingtreding : 2003-01-01>
  Het vakantieverlof wordt genomen naar keuze van de ambtenaar en met inachtneming van de behoeften van de dienst.
  De ambtenaar heeft recht op een vakantieverlof van minstens tien opeenvolgende werkdagen.
Art. 148/3.
  Les congés de vacances sont pris selon les convenances de l'agent tout en tenant compte des nécessités du service.
  L'agent a droit à un congé de vacances d'au moins dix jours ouvrables consécutifs.
Art. 148/4. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-03/39, art. 2; Inwerkingtreding : 2003-01-01>
  De ambtenaar heeft het recht om, binnen een periode van 35 werkdagen, vier werkdagen verlof te nemen om te zorgen voor een persoon die onder hetzelfde dak woont en die ziek is of die het slachtoffer is van een ongeval, zonder dat het belang van de dienst hiertegen kan worden ingeroepen.
  Als persoon die onder hetzelfde dak woont dient te worden beschouwd : de echtgeno(o)t(e), de persoon met wie de ambtenaar samenleeft, een bloed- of aanverwant van de ambtenaar, van de echtgeno(o)t(e) of van de persoon met wie de ambtenaar samenleeft, een persoon opgenomen met het oog op adoptie of pleegvoogdij.
  De ambtenaar moet een doktersattest voorleggen om het volgende te bewijzen :
  1. de ziekte of het ongeval;
  2. de dringende noodzaak van de aanwezigheid van de ambtenaar.
Art. 148/4.
  L'agent a le droit de prendre, dans les limites des trente-cinq jours ouvrables, quatre jours ouvrables de congé sans que l'intérêt du service puisse lui être opposé pour prendre soin d'une personne habitant sous son toit qui est victime d'une maladie ou d'un accident.
  Par personne vivant sous le même toit, il faut entendre : le conjoint, la personne avec laquelle il vit en couple, un parent soit de l'agent, soit du conjoint ou de la personne avec laquelle l'agent vit en couple, une personne accueillie en vue de son adoption ou de l'exercice d'une tutelle officieuse.
  L'agent doit produire un certificat médical attestant :
  1. la maladie ou l'accident;
  2. la nécessité impérieuse de la présence de l'agent.
Art. 148/5. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-03/39, art. 2; Inwerkingtreding : 2003-01-01>
  Als de ambtenaar de vier werkdagen bedoeld in artikel 148/4, eerste lid, of alle werkdagen bepaald in artikel 148, heeft opgenomen, heeft hij/zij recht op twee bijkomende werkdagen voor dezelfde redenen en onder dezelfde voorwaarden als in artikel 148/4.
Art. 148/5.
  Si l'agent a utilisé les quatre jours ouvrables visés à l'article 148/4, alinéa premier, ou s'il a utilisé intégralement les jours ouvrables prévus à l'article 148, il a droit à deux jours ouvrables supplémentaires pour les mêmes motifs et dans les mêmes conditions qu'à l'article 148/4.
Art. 148/6. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-03/39, art. 2; Inwerkingtreding : 2003-01-01>
  Het jaarlijks verlof wordt opgenomen in het kalenderjaar, volgens de voorwaarden die door de leidende ambtenaar zijn vastgelegd. (Om uitzonderlijke redenen waarover de leidende ambtenaar beslist, kan deze laatste evenwel een overdracht van maximaal 5 onbestede vakantiedagen naar het volgende kalenderjaar toestaan.)
Art. 148/6.
  Le congé annuel est pris dans l'année civile selon les modalités fixées par le fonctionnaire dirigeant. (Toutefois, pour des raisons exceptionnelles laissées a l'appréciation du fonctionnaire dirigeant un report de maximum 5 jours de vacances non utilises peut être autorisé par celui-ci sur l'année civile suivante.)
Art. 148/7. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-03/39, art. 2; Inwerkingtreding : 2003-01-01>
  [1 Bij het Instituut geldt]1 een standaardwerktijdregeling met onderscheid tussen stamtijden, glijtijden en bereikbaarheid van de dienst.
  De aanwezigheid van de ambtenaar die onderworpen is aan het reglement betreffende de flexibele werktijd wordt 's morgens, 's middags en 's avonds geregistreerd. De gepresteerde uren in meer worden geregulariseerd op de glijtijden.
  
Art. 148/7.
  [1 L'Institut est doté]1 d'un régime de travail standard qui prévoit des plages fixes et des plages mobiles et des permanences de service.
  La présence de l'agent soumis au règlement relatif à l'horaire dynamique est enregistrée le matin, le midi et le soir. Les heures prestées en surplus sont régularisées pendant les plages mobiles.
  
Art. 148/8. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-03/39, art. 2; Inwerkingtreding : 2003-01-01>
  Elke periode van dienstactiviteit geeft recht op jaarlijks verlof. Dit verlof wordt verminderd :
  1. wanneer de ambtenaar in de loop van het jaar in dienst treedt of zijn/haar ambt neerlegt;
  2. [1 wanneer de ambtenaar tijdens het jaar verloven heeft verkregen:
   - [...]
   - voor het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar;
   - voor de vierdagenweek;
   - [...]]1

  Het op die manier berekend aantal dagen heeft altijd betrekking op een aantal halve of volledige dagen. Dit aantal wordt naar boven afgerond tot op een halve of volledige dag.
  
Art. 148/8.
  Toute période d'activité de service donne droit aux vacances annuelles. Ces dernières sont réduites à due concurrence :
  1. lorsque l'agent entre en service dans le courant de l'année ou démissionne de ses fonctions;
  2. [1 lorsqu'il obtient au cours de l'année des congés :
   - [...]
   - en application du travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans;
   - en application de la semaine de quatre jours;
   - [...]]1

  Le nombre de jours ainsi calculé est toujours un demi-jour ou un jour complet. Ce nombre est arrondi au demi-jour ou au jour complet supérieur.
  
Art. 148/9. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-03/39, art. 2; Inwerkingtreding : 2003-01-01>
  De in dit hoofdstuk bepaalde vakantiedagen worden opgeschort bij ziekte voorzover de geneeskundige controle mogelijk is.
Art. 148/9.
  Les jours de vacances fixes dans le présent chapitre sont suspendus en cas de maladie pour autant que le contrôle médical soit possible.
Art. 148/10. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-03/39, art. 2; Inwerkingtreding : 2003-01-01>
  Het jaarlijkse vakantieverlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Dit geldt eveneens voor de twee bijkomende dagen voorzien in artikel 148/5.
Art. 148/10.
  Le congé annuel de vacances est assimilé à une période d'activité de service. Il en est de même pour les deux jours supplémentaires prévus à l'article 148/5.
Afdeling 2. - Feestdagen.
Section 2. - Des jours fériés.
Art. 149.
  § 1. De ambtenaar heeft verlof tijdens de wettelijke feestdagen, alsook op [1 8 mei]1 27 september, 2 en 15 november en 26 december.
  § 2. De in § 1 bedoelde verlofdagen die samenvallen met een zaterdag of een zondag, worden gecompenseerd door een verlof van 27 december tot en met 31 december.
  § 3. De ambtenaar die krachtens de arbeidstijdregeling die op hem van toepassing is, of ten gevolge van de behoeften van de dienst, verplicht is te werken op één van de dagen bedoeld in § 1, verkrijgt vervangende verlofdagen die kunnen worden genomen onder dezelfde voorwaarden als het jaarlijks vakantieverlof.
  § 4. De verloven bedoeld in dit artikel worden gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.
  
Art. 149. § 1er.
  L'agent est en congé les jours fériés légaux, ainsi que les [1 8 mai,]1 27 septembre, 2 et 15 novembre et le 26 décembre.
  § 2. Les jours de congés visés au § 1er qui coïncident avec un samedi ou un dimanche peuvent être compensés par un congé du 27 décembre au 31 décembre inclus.
  § 3. L'agent qui en vertu du régime de travail qui lui est applicable ou en raison des nécessités du service, est obligé de travailler l'un des jours mentionnés au § 1er obtient en substitution des jours de vacances qui peuvent être pris aux mêmes conditions que le congé annuel de vacances.
  § 4. Les congés visés au présent article sont assimilés à une période d'activité de service.
  
Afdeling 3. - Uitzonderlijk verlof.
Section 3. - Du congé exceptionnel.
Art. 149/2. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-03/39, art. 2; Inwerkingtreding : 2003-01-01>
  Uitzonderlijk verlof wordt toegekend binnen de perken zoals hierna bepaald :
  1. verandering van standplaats opgelegd in het belang van de dienst : 2 werkdagen;
  2. om deel uit te maken van de jury van het hof van assisen en dit tijdens de duur van de zitting.
  Het verlof bedoeld in dit artikel wordt bezoldigd en gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.
Art. 149/2.
  Des congés exceptionnels sont accordés dans les limites fixées ci-après :
  1. le changement de résidence ordonné dans l'intérêt du service : deux jours ouvrables;
  2. la participation à un jury de cour d'assises et ce, pour la durée de la session.
  Les congés visés au présent article sont rémunérés et sont assimilés à une période d'activité de service.
Afdeling 4. - Verlof om familiale redenen.
Section 4. - Du congé pour raisons familiales.
Onderafdeling 1. - Omstandigheidsverlof.
Sous-section 1re. - Des congés de circonstance.
Art. 150. [1 § 1. "Voor de toepassing van dit artikel wordt gelijkgesteld met:
   1° het huwelijk: het afleggen van een verklaring van wettelijke samenwoning door twee personen van hetzelfde of een ander geslacht die samenleven als koppel;
   2° de partner van het personeelslid: persoon van hetzelfde of een ander geslacht met wie het personeelslid op hetzelfde adres als koppel samenleeft;
   3° de echtgenoot/echtgenote van het personeelslid: persoon van hetzelfde of een ander geslacht met wie het personeelslid op hetzelfde adres als koppel samenleeft;
   4° de vader/moeder: de persoon van hetzelfde of een ander geslacht getrouwd met de vader of de moeder of die met hem/haar op hetzelfde adres als koppel samenleeft.
   § 2. Het personeelslid krijgt binnen de perken zoals hierna bepaald verlof toegekend naar aanleiding van de volgende gebeurtenissen:
   1. Huwelijk van het personeelslid: 4 werkdagen
   2. Huwelijk van een kind van het personeelslid of van een kind van de partner: 2 werkdagen
   3. Huwelijk van een broer, van een zus, van een schoonbroer, van een schoonzus, van de vader, van de moeder, van de schoonvader, van de tweede echtgenoot van de moeder, van de schoonmoeder, van de tweede echtgenote van de vader, van het kleinkind van het personeelslid of van diens partner: 1 werkdag
   4. Bevalling van de echtgenote van het personeelslid: [3 4]3 werkdagen
   5. Overlijden van de partner van het personeelslid: [4 10]4 werkdagen
   6. Overlijden van een bloed- of aanverwant (persoon met wie hij als koppel samenleeft) in de eerste graad van het personeelslid of van diens partner: 4 werkdagen. [4 In het geval dat de ouder in de eerste graad het kind is van het personeelslid, van de echtgeno(o)t(e) of van de persoon met wie het personeelslid samenleeft, worden de vier werkdagen opgetrokken tot tien werkdagen;]4
   7. Overlijden van een bloed- of aanverwant in om het even welke graad van het personeelslid of van diens partner, met wie het personeelslid onder hetzelfde dak woont: 2 werkdagen
   8. Overlijden van een bloed- of aanverwant tot in de derde graad van het personeelslid of van diens partner, met wie het personeelslid niet onder hetzelfde dak woont: 1 werkdag
   9. Overlijden van een van een opvangouder van het personeelslid, voor zover de plaatsing minstens twee onafgebroken jaren heeft geduurd: 4 werkdagen;
  [2 10° de geboorte van een kleinkind, hetzij van de ambtenaar, hetzij van zijn/haar echtgenoot/echtgenote: 1 werkdag;]2
  [2 11° de ontvangst van een kind jonger dan twee jaar geadopteerd door het kind, hetzij van de ambtenaar, hetzij van zijn/haar echtgenoot/echtgenote: 1 werkdag;]2
  [4 12° de verhuizing van het personeelslid: 1 werkdag per 10 jaar.]4
   § 3. [5 Met uitzondering van het verlof voorzien in punt 4, dat kan worden opgenomen binnen een termijn van vier maanden na de gebeurtenis, en van het verlof voorzien in punt 12, dat kan worden opgenomen binnen een termijn van 3 dagen rond de gebeurtenis, moet dit omstandigheidsverlof worden opgenomen op het tijdstip van de gebeurtenis of, in de gevallen waarin het personeelslid meer dan een dag verlof krijgt toegekend en voor de resterende dagen na de verlofdag opgenomen op het tijdstip van de gebeurtenis, op een datum heel dicht erbij, binnen een tijdsbestek van 10 werkdagen, bij gebreke waarvan het gemotiveerd moet worden met een formeel bewijsstuk. Anders gaat het verloren.]5
   Onder werkdagen wordt verstaan: de dagen gedurende welke het personeelslid moet werken krachtens de arbeidsregeling die op hem van toepassing is. Wanneer de dag van de gebeurtenis valt op een feestdag, een gewone inactiviteitsdag voor de voltijdse personeelsleden (zaterdag of zondag), een inactiviteitsdag voor een deeltijds personeelslid of om het even welke andere dag van opschorting (jaarlijkse vakantie, ziekte, ...) kan het personeelslid geen aanspraak maken op het uitstel van het omstandigheidsverlof, uitgezonderd wanneer het een gebeurtenis betreft die het personeelslid toelaat om een andere dag naar keuze afwezig te zijn.
   Wanneer een personeelslid een dag omstandigheidsverlof wil genieten, moet de aanvraag steunen op een officieel document.
   Als de gebeurtenis zich voordoet in de loop van een deeltijdse werkperiode, wordt het verlof prorata verminderd, met dien verstande dat een verlofdag overeenstemt met het aantal uren dat het personeelslid zou moeten presteren hebben op de dag waarop hij verlof geniet.
   Dit verlof kan worden opgenomen per volledige dag of per halve dag, voor zover het niet onverenigbaar is met het belang van de dienst.
   Dit verlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.]1

  
Art. 150. [1 § 1. Pour l'application du présent article, sont assimilés :
   1° au mariage, l'enregistrement d'une déclaration de cohabitation légale par deux personnes de sexe différent ou de même sexe qui cohabitent en tant que couple;
   2° au conjoint de l'agent, la personne, de sexe différent ou de même sexe, avec qui l'agent vit en couple au même domicile;
   3° à l'épouse de l'agent, la personne, de sexe différent ou de même sexe, avec qui l'agent vit en couple au même domicile;
   4° au père et à la mère, la personne de sexe opposé ou de même sexe mariée au père ou à la mère ou vivant en couple avec lui/elle au même domicile.
   § 2. L'agent obtient, dans les limites fixées ci-après, un congé à l'occasion des événements suivants:
   1. Mariage de l'agent : 4 jours ouvrables
   2. Mariage d'un enfant de l'agent ou de l'enfant du conjoint : 2 jours ouvrables
   3. Mariage d'un frère, d'une soeur, d'un beau-frère, d'une belle-soeur, du père, de la mère, du beau-père, du second mari de la mère, de la belle-mère, de la seconde femme du père, d'un petit-enfant de l'agent ou de son conjoint : 1 jour ouvrable
   4. L'accouchement de l'épouse de l'agent : [3 4]3 jours ouvrables
   5. Décès du conjoint de l'agent : [4 10]4 jours ouvrables
   6. Décès d'un parent ou allié (personne avec laquelle il vit en couple) au premier degré de l'agent ou de son conjoint : 4 jours ouvrables. [4 Dans le cas où le parent au premier degré est l'enfant de l'agent, du conjoint ou de la personne avec laquelle l'agent vit en couple, les quatre jours ouvrables sont portés à dix jours ouvrables;]4
   7. Décès d'un parent ou allié à quelque degré que ce soit de l'agent ou de son conjoint, habitant sous le même toit : 2 jours ouvrables
   8. Décès d'un parent ou allié jusqu'au troisième degré de l'agent ou de son conjoint, n'habitant pas sous le même toit : 1 jour ouvrable
   9. Décès d'un parent d'accueil de l'agent pour autant que le placement ait été d'une durée ininterrompue de deux ans au moins : 4 jours ouvrables
  [2 10° la naissance d'un petit-enfant, soit de l'agent, soit de son conjoint : 1 jour ouvrable;]2
  [2 11° l'accueil d'un enfant de moins de deux ans adopté par l'enfant, soit de l'agent, soit de son conjoint : 1 jour ouvrable;]2
  [4 12° le déménagement de l'agent : 1 jour ouvrable par 10 ans.]4
   § 3. [5 A l'exception du congé prévu au point 4, lequel peut être pris dans un délai de quatre mois après l'événement, et du congé prévu au point 12, lequel peut être pris dans un délai de 3 jours autour de l'événement, ces congés de circonstances doivent être pris au moment de l'événement ou, dans les cas où l'agent se voit octroyer plus d'un jour de congé et pour les jours restants après le jour de congé pris au moment de l'événement, à une date très proche de celui-ci, dans un laps de temps de 10 jours ouvrables, à défaut de quoi ils doivent être motivés par un document justificatif formel ou ils sont perdus.]5
   Par jours ouvrables, il faut entendre les jours où l'agent est tenu de travailler, en vertu du régime de travail qui lui est imposé. Dès lors, lorsque le jour de l'événement tombe un jour férié, un jour habituel d'inactivité pour les agents à temps plein (samedi ou dimanche), un jour d'inactivité pour un agent travaillant à temps partiel ou toute autre journée de suspension (vacances annuelles, maladie, ...), l'agent ne peut prétendre au report du congé de circonstance, excepté lorsqu'il s'agit d'un événement qui permet à l'agent de s'absenter à son choix un autre jour.
   Quand un agent désire bénéficier d'un jour de congé de circonstance, la demande doit être appuyée par un document officiel.
   Si l'événement se produit au cours d'une période de travail à temps partiel, la durée du congé est réduite à due concurrence, étant entendu qu'un jour de congé correspond au nombre d'heures qui auraient dû être presté par l'agent le jour où il bénéficie du congé.
   Ces congés peuvent être pris par jour entier ou par demi-jour, pour autant que l'intérêt du service ne s'y oppose pas.
   Ces congés sont assimilés à une période d'activité de service.]1

  
Onderafdeling 2. - Verlof om dwingende redenen van familiale aard.
Sous-section 2. - Du congé pour des motifs impérieux d'ordre familial.
Art. 150/2. [1 Met een maximum van vijfenveertig werkdagen per kalenderjaar, kan een statutair personeelslid verlof krijgen wegens:
   1. ziekenhuisopname van een persoon die met het personeelslid onder hetzelfde dak woont of van een bloed- of aanverwant in de eerste graad die niet met het personeelslid onder hetzelfde dak woont;
   2. bijstand aan een persoon die bedlegerig is en die met het personeelslid onder hetzelfde dak woont, of van een bloed- of aanverwant in de eerste graad die niet met het personeelslid onder hetzelfde dak woont, maar speciale zorgen nodig heeft omwille van zijn gezondheidstoestand;
   3de kinderopvang voor een van zijn kinderen jonger dan 15 jaar;
   4. de opvang van een gehandicapt kind zonder leeftijdslimiet.
   Als het verlof om dwingende redenen van familiale aard wordt opgenomen in een deeltijdse werkperiode, wordt het verlof prorata ingekort, met dien verstande dat een verlofdag overeenstemt met het aantal uren dat het personeelslid zou moeten presteren hebben op de dag waarop hij verlof geniet. .
   De aanvraag voor een verlof als bepaald in 3° en 4° moet één maand voor het begin van dit verlof ingediend worden, deze termijn kan beperkt worden in onderling overleg.
   Dit verlof kan worden opgenomen per volledige dag of per halve dag, voor zover het niet onverenigbaar is met het belang van de dienst.]1

  
Art. 150/2. [1 Un agent statutaire peut obtenir un congé de maximum quarante-cinq jours ouvrables par année civile en raison de :
   1. l'hospitalisation d'une personne habitant sous le même toit que l'agent, ou d'un parent ou allié au premier degré n'habitant pas sous le même toit que l'agent;
   2. l'assistance à une personne alitée habitant sous le même toit que l'agent ou à un parent ou à un allié au premier degré n'habitant pas sous le même toit que l'agent, qui doit recevoir des soins particuliers en raison de son état de santé ;
   3. la garde d'un de ses enfants qui n'a pas atteint l'âge de 15 ans.
   4. La garde d'un enfant handicapé sans limite d'âge.
   Si le congé pour des motifs impérieux d'ordre familial est pris au cours d'une période de travail à temps partiel, sa durée est réduite à due concurrence, étant entendu qu'un jour de congé correspond au nombre d'heures qui auraient dû être presté par l'agent le jour où il bénéficie du congé. .
   La demande visant un congé prévu au 3° et 4° doit être introduite un mois avant le début de ce congé ; ce délai peut être réduit de commun accord.
   Ce congé peut être pris par jour entier ou par demi-jour pour autant que l'intérêt du service ne s'y oppose pas]1

  
Art. 150/3. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-03/39, art. 2; Inwerkingtreding : 2003-01-01>
  Dit verlof wordt niet bezoldigd. Voor het overige wordt het gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.
Art. 150/3.
  Ce congé n'est pas rémunéré. Il est assimile pour le surplus à une période d'activité de service.
Onderafdeling 3. - Ouderschapsverlof.
Sous-section 3. - Du congé parental.
Art. 150/4. [1 1 § . De ambtenaar in actieve dienst krijgt, bij de geboorte of de adoptie van zijn kind, ouderschapsverlof dat kan worden genomen:
   - ofwel onder de vorm van voltijds verlof gedurende een periode van vier maanden; op vraag van de ambtenaar kan deze periode worden opgesplitst in maanden;
   - ofwel, wanneer hij voltijds tewerkgesteld is, onder de vorm van een vermindering van de prestaties met de helft gedurende een periode van acht maanden; op vraag van de ambtenaar kan deze periode worden opgesplitst in periodes van twee maanden of een veelvoud van dit cijfer.
   De ambtenaar heeft de mogelijkheid om bij het uitoefenen van zijn recht op ouderschapsverlof gebruik te maken van de verschillende modaliteiten voorzien in paragraaf 1. Bij een wijziging van de opnamevorm moet rekening worden gehouden met het principe dat één maand voltijds verlof gelijk is aan twee maanden verminderde prestaties met de helft.
   § 2. De ambtenaar heeft recht op ouderschapsverlof:
   - wegens de geboorte van zijn kind, en dit uiterlijk tot het kind twaalf jaar wordt;
   - wegens de adoptie van een kind, gedurende een periode die loopt vanaf de inschrijving van het kind als deel uitmakend van zijn gezin, in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van de gemeente waar de werknemer zijn verblijfplaats heeft, en dit uiterlijk tot het kind twaalf jaar wordt.
   Wanneer het kind getroffen is door een fysieke of mentale ongeschiktheid of door een aandoening die tot gevolg heeft dat een verhoogde kinderbijslag werd toegekend krachtens de regelgeving met betrekking tot de gezinsbijslagen die van toepassing zijn voor hem, is er geen leeftijdsgrens.
   Op het einde van het ouderschapsverlof heeft de ambtenaar het recht om zijn functie terug te krijgen of, in geval van onmogelijkheid, een gelijkwaardige of gelijksoortige job.]1

  
Art. 150/4. [1 § 1er. Le fonctionnaire en activité de service obtient, lors de la naissance ou de l'adoption de son enfant, un congé parental qui peut être pris :
   - soit sous la forme d'un congé à temps plein durant une période de quatre mois; au choix du fonctionnaire, cette période peut être fractionnée par mois;
   - soit, quand il est employé à temps plein, sous la forme d'une réduction des prestations de moitié durant une période de huit mois ; au choix du fonctionnaire, cette période peut être fractionnée en périodes de deux mois ou un multiple de ce chiffre.
   Le fonctionnaire a la possibilité dans le cadre de l'exercice de son droit au congé parental de faire usage des différentes modalités prévues au paragraphe 1er. Lors d'un changement de forme, il convient de tenir compte du principe qu'un mois de congé à temps plein est équivalent à deux mois de prestations réduites de moitié.
   § 2. Le fonctionnaire a droit au congé parental :
   - en raison de la naissance de son enfant, jusqu'à ce que l'enfant atteigne son douzième anniversaire;
   - en raison de l'adoption d'un enfant, pendant une période qui court à partir de l'inscription de l'enfant comme faisant partie de son ménage, au registre de la population ou au registre des étrangers de la commune où le fonctionnaire a sa résidence, jusqu'à ce que l'enfant atteigne son douzième anniversaire.
   Lorsque l'enfant est atteint d'une incapacité physique ou mentale ou d'une affection qui a pour conséquence qu'une allocation familiale majorée lui a été reconnue en vertu de la réglementation relative aux allocations familiales qui lui est applicable, il n'y a pas de limite d'âge.
   A l'issue du congé parental, le fonctionnaire a le droit de retrouver son poste de travail ou, en cas d'impossibilité, un travail équivalent ou similaire.]1

  
Art. 150/4bis. [1 De ambtenaar kan een aangepast werkrooster aanvragen voor de periode van zes maanden die volgt op het einde van het ouderschapsverlof.
   De aanpassing van het werkrooster dient rekening te houden met de behoeften van de dienst en die van de ambtenaar om een betere combinatie tussen werk- en gezinsleven mogelijk te maken.
   De ambtenaar bezorgt hiertoe ten laatste drie weken voor het einde van de lopende periode van ouderschapsverlof een schriftelijke aanvraag aan de administrateur-generaal.
   Deze beoordeelt deze aanvraag en geeft er schriftelijk gevolg aan ten laatste één week voor het einde van het lopende ouderschapsverlof.]1

  
Art. 150/4bis. [1 Le fonctionnaire peut demander un aménagement de son horaire de travail pour la période de six mois suivant la fin du congé parental.
   L'aménagement de l'horaire doit tenir compte des besoins du service et de ceux du fonctionnaire afin de favoriser une meilleure conciliation entre vie professionnelle et vie de famille.
   Le fonctionnaire adresse, à cet effet, au plus tard trois semaines avant la fin de la période en cours du congé parental, une demande écrite à l'Administrateur général.
   Celui-ci examine cette demande et y répond par écrit au plus tard une semaine avant la fin du congé parental en cours.]1

  
Art. 150/5. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-03/39, art. 2; Inwerkingtreding : 2003-01-01>
  Dit ouderschapsverlof wordt niet bezoldigd. Het wordt voor het overige gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.
Art. 150/5.
  Le congé parental n'est pas rémunéré. Il est assimilé pour le surplus à une période d'activité de service.
Onderafdeling 4. - Opvangverlof met het oog op adoptie of pleegvoogdij.
Sous-section 4. - Du congé d'accueil en vue de l'adoption et de la tutelle officieuse.
Art. 150/6. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-03/39, art. 2; Inwerkingtreding : 2003-01-01>
  De ambtenaar kan verlof krijgen wanneer een kind beneden tien jaar in zijn gezin wordt opgenomen met het oog op adoptie of pleegvoogdij.
  De maximumduur van het verlof bedraagt vier weken indien het opgenomen kind ouder is dan drie jaar en zes weken indien het die leeftijd nog niet heeft bereikt.
  De maximumduur van het opvangverlof wordt verdubbeld wanneer het opgenomen kind mindervalide is en aan de voorwaarden voldoet om kinderbijslag te genieten overeenkomstig artikel 47 van de gecoördineerde wetten betreffende de kindertoeslagen voor de loonarbeiders of artikel 26 van het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslagen ten voordele van de zelfstandigen.
Art. 150/6.
  L'agent peut obtenir un congé lorsqu'un enfant de moins de dix ans est accueilli dans sa famille en vue de son adoption ou de sa tutelle officieuse.
  La durée maximum du congé est de quatre semaines si l'enfant accueilli a atteint l'âge de trois ans et de six semaines s'il n'a pas encore atteint cet âge.
  La durée maximum du congé d'accueil est doublée lorsque l'enfant accueilli est handicapé et satisfait aux conditions requises pour bénéficier des allocations familiales en application de l'article 47 des lois coordonnées relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés ou de l'article 26 de l'arrêté royal du 8 avril 1976 établissant le régime des prestations familiales en faveur des travailleurs indépendants.
Art. 150/7. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-03/39, art. 2; Inwerkingtreding : 2003-01-01>
  Het opvangverlof met het oog op adoptie en pleegvoogdij wordt bezoldigd en gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.
Art. 150/7.
  Le congé d'accueil en vue de l'adoption et de la tutelle officieuse est rémunéré et assimilé à une période d'activité de service.
Onderafdeling 5. [1 - Geboorteverlof]1
Sous-section 5. [1 - Du congé de naissance]1
Art.150/8... [1 Het personeelslid bekomt, binnen de hierna gestelde perken, geboorteverlof van 15 werkdagen naar aanleiding van de bevalling van zijn echtgenote of van de persoon met wie het personeelslid op het tijdstip van de gebeurtenis samenleeft. Deze 15 werkdagen worden opgetrokken tot 20 werkdagen voor de geboortes die plaatsvinden vanaf 1 januari 2023.
   Dit geboorteverlof kan naar keuze van het personeelslid worden opgenomen binnen vier maanden na de bevallingsdatum. In afwijking hiervan kan, naar keuze van het personeelslid, binnen een termijn van 4 maanden vanaf de datum van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van deze onderafdeling, worden genomen voor geboorten die hebben plaatsgevonden tussen 1 januari 2021 en genoemde datum van publicatie in het Belgisch Staatsblad.
   In geval van geboorte van een tweeling of een meerling wordt het recht op geboorteverlof slechts één maal erkend.
   De aanvraag moet steunen op een officieel document. Als de gebeurtenis zich voordoet in de loop van een deeltijdse werkperiode, wordt het verlof prorata verminderd.]1

  
Art. 150/8. [1 L'agent obtient, dans les limites fixées ci-après, un congé de naissance de 15 jours ouvrables à l'occasion de l'accouchement de son épouse ou de la personne avec laquelle il vit en couple au moment de l'événement. Ces 15 jours ouvrables sont portés à 20 jours ouvrables pour les naissances ayant lieu à partir du 1er janvier 2023.
   Ce congé de naissance peut être pris, au choix de l'agent, dans un délai de quatre mois à dater du jour de l'accouchement. Par dérogation, il peut être pris, au choix de l'agent, dans un délai de 4 mois à dater de la date de publication au Moniteur belge de la présente sous-section pour les naissances ayant eu lieu entre le 1er janvier 2021 et ladite date de publication au Moniteur belge.
   En cas de naissance de jumeaux ou de naissance multiple le droit au congé de naissance n'est reconnu qu'une fois.
   La demande doit être appuyée par un document officiel. Si l'événement se produit au cours d'une période de travail à temps partiel, la durée du congé est réduite à due concurrence.]1

  
Art. 150/9. [1 Dit verlof kan worden opgenomen per volledige dag of per halve dag. Dit verlof wordt bezoldigd en gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.
   In afwijking van de vorige paragraaf worden de krachtens een arbeidsovereenkomst aangeworven personeelsleden die dit verlof opnemen, vergoed overeenkomstig artikel 30 § 2 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst.]1

  
Art. 150/9. [1 Ce congé peut être pris par jour entier ou par demi-jour. Ce congé est rémunéré et assimilé à une période d'activité de service.
   Par dérogation au paragraphe précédent, le personnel engagé sous contrat de travail qui prend ce congé est rémunéré conformément à l'article 30 § 2 de la loi du 3 juillet 1978 relative au contrat de travail.]1

  
Art. 150/10. [1 Dit verlof kan gecombineerd worden met het omstandigheidsverlof voor de bevalling van de echtgenote, bedoeld in artikel 150, § 2, 4.]1
  
Art. 150/10. [1 Ce congé est cumulable avec le congé de circonstance pour accouchement de l'épouse, visé à l'article 150, § 2, 4.]1
  
Afdeling 5. [1 - Moederschapsbescherming]1
Section 5. [1 - Protection de la maternité]1
Art. 151. [1 Het moederschapsverlof bedoeld in artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971 op wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.]1
  
Art. 151. [1 Le congé de maternité prévu par l'article 39 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail est assimilé à une période d'activité de service.]1
  
Art. 151/2. [1 § 1 Worden gelijkgesteld met werkdagen die tot na het postnataal verlof verschoven kunnen worden, de volgende afwezigheden gedurende de zes weken die vallen voor de zevende dag welke aan de werkelijke bevallingsdatum voorafgaan :
   1° het jaarlijks vakantieverlof ;
   2° de dagen bedoeld in artikel 149;
   3° de dagen bedoeld in de artikelen 148/4, 148/5, 150 een 152/6;
   4° het verlof om dwingende redenen van familiaal belang;
   5° de afwezigheden wegens ziekte;
   6° de volledige werkverwijdering bedoeld in artikel 151/5.
   § 2. Dagen van postnataal rustverlof worden gelijkgesteld met een dienstactiviteit.]1

  
Art. 151/2. [1 § 1er Sont assimilées à des journées de travail susceptibles d'être reportées au-delà du congé postnatal les absences suivantes se situant pendant les six semaines qui tombent avant le septième jour qui précède la date réelle de l'accouchement :
   1° le congé annuel de vacances;
   2° les jours visés à l'article 149;
   3° les congés visés aux articles 148/4, 148/5, 150 et 152/6;
   4° le congé pour motifs impérieux d'ordre familial;
   5° les absences pour maladie ;
   6° l'écartement complet du travail visé à l'article 151/5.
   § 2. Les jours de congé de repos postnatal sont assimilés à une activité de service.]1

  
Art. 151/3. [1 Zwangere of borstvoedende personeelsleden mogen geen overuren verrichten. Als overuren dienen, voor de toepassing van dit artikel, te worden beschouwd, alle werk bovenop 38 uren per week.]1
  
Art. 151/3. [1 En période de grossesse ou d'allaitement, les agents féminins ne peuvent effectuer du travail supplémentaire. Est à considérer comme travail supplémentaire, pour l'application du présent article, tout travail effectué au-delà de 38 heures par semaine.]1
  
Art. 151/4. [1 Het personeelslid dat met toepassing van de artikelen 42 en 43 van de arbeidswet van 16 maart 1971 is vrijgesteld van arbeid, wordt ambtshalve in verlof gesteld voor de nodige periode. Dit verlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.]1
  
Art. 151/4. [1 L'agent qui, en application des articles 42 et 43 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail, est dispensé de travail, est mis d'office en congé pour la durée nécessaire. Le congé est assimilé à une période d'activité de service.]1
  
Art. 151/5. [1 § 1. Als, op de datum van de bevalling, de moeder van het kind overlijdt of in het ziekenhuis wordt opgenomen, verkrijgt de vader van het kind op eigen verzoek een vaderschapsverlof om in de opvang van het kind te voorzien. Hetzelfde geldt in geval van overlijden of van heropname in het ziekenhuis van de moeder van het kind tussen de datum van de bevalling en die van het einde van het moederschapsverlof.
   § 2. In geval van overlijden van de moeder is de duur van het verlof ter vervanging van het moederschapsverlof ten hoogste gelijk aan de duur van het bevallingsverlof dat de moeder nog niet opgebruikt had. Het personeelslid dat de vader van het kind is of de persoon met wie de moeder samenleeft op het moment van de geboorte van het kind en die het verlof ter vervanging van het moederschapsverlof wenst te genieten stelt daar schriftelijk de overheid waaronder hij ressorteert van op de hoogte binnen zeven dagen vanaf het overlijden van de moeder. De brief waarin hij dat doet vermeldt de begindatum en de vermoedelijke duur van het verlof ter vervanging van het moederschapsverlof. Een uittreksel uit de overlijdensakte van de moeder wordt zo spoedig mogelijk voorgelegd.
   § 3. In geval van hospitalisatie van de moeder kan het personeelslid dat de vader van het kind is of de persoon met wie de moeder samenleeft op het moment van de geboorte van het kind een verlof ter vervanging van het moederschapsverlof genieten onder de volgende voorwaarden:
   1° de pasgeborene moet het ziekenhuis hebben verlaten;
   2° de hospitalisatie van de moeder moet langer dan zeven dagen duren.
   Het verlof ter vervanging van het moederschapsverlof kan niet aanvangen vóór de zevende dag volgend op de dag van de geboorte van het kind en wordt beëindigd op het ogenblik dat de hospitalisatie van de moeder ten einde loopt en uiterlijk op het einde van het gedeelte van het moederschapsverlof dat door de moeder nog niet was opgebruikt.
   Het personeelslid dat de vader van het kind is of de persoon met wie de moeder samenleeft op het moment van de geboorte van het kind en die het verlof ter vervanging van het moederschapsverlof wenst te genieten, stelt daar schriftelijk de overheid waaronder hij ressorteert van op de hoogte. De brief waarin hij dat doet vermeldt de begindatum en de vermoedelijke duur van het verlof. De verlofaanvraag wordt gestaafd met een getuigschrift dat de duur van de hospitalisatie van de moeder vermeldt bovenop de zeven dagen volgend op de datum van de bevalling en de datum waarop de pasgeborene het ziekenhuis heeft verlaten.
   § 4. Het verlof ter vervanging van het moederschapsverlof wordt bezoldigd en gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Het kan niet gecumuleerd worden met het omstandigheidsverlof bedoeld in artikel 150, § 2, 4, en met het geboorteverlof voorzien in onderafdeling 5 van afdeling 4.]1

  
Art. 151/5. [1 § 1er. Si, à la date de l'accouchement la mère de l'enfant décède ou est hospitalisée, le père de l'enfant ou la personne avec laquelle la mère vit en couple au moment de la naissance de l'enfant obtient, à sa demande, un congé en vue d'assurer l'accueil de l'enfant. Il en va de même en cas de décès ou de ré-hospitalisation de la mère de l'enfant entre la date de l'accouchement et celle de la fin du congé de maternité.
   § 2. En cas de décès de la mère, la durée du congé de remplacement du congé de maternité est au maximum égale à la durée du congé de maternité non encore épuisée par la mère. L'agent qui est le père de l'enfant ou la personne avec laquelle la mère vit en couple au moment de la naissance de l'enfant et qui souhaite bénéficier du congé de remplacement du congé de maternité en informe par écrit l'autorité dont il relève dans les sept jours à dater du décès de la mère. Cet écrit mentionne la date du début de congé de remplacement du congé de maternité et sa durée probable. Un extrait de l'acte de décès de la mère est produit dans les meilleurs délais.
   § 3. En cas d'hospitalisation de la mère, l'agent qui est le père de l'enfant ou la personne avec laquelle la mère vit en couple au moment de la naissance de l'enfant peut bénéficier du congé de remplacement du congé de maternité aux conditions suivantes :
   1° le nouveau-né doit avoir quitté l'hôpital;
   2° l'hospitalisation de la mère doit avoir une durée de plus de sept jours.
   Le congé de remplacement du congé de maternité ne peut débuter avant le septième jour qui suit le jour de la naissance de l'enfant et se termine au moment où prend fin l'hospitalisation de la mère et au plus tard au terme de la partie du congé de maternité non encore épuisé par la mère.
   L'agent qui est le père de l'enfant ou la personne avec laquelle la mère vit en couple au moment de la naissance de l'enfant et qui souhaite bénéficier du congé de remplacement du congé de maternité en informe par écrit l'autorité dont il relève. Cet écrit mentionne la date du début du congé et sa durée probable. La demande de congé est appuyée par une attestation certifiant la durée de l'hospitalisation de la mère au-delà des sept jours qui suivent la date de l'accouchement et la date à laquelle le nouveau-né est sorti de l'hôpital.
   § 4. Le congé de remplacement du congé de maternité est rémunéré et assimilé à une période d'activité de service. Il est non cumulable avec le congé de circonstance visé à l'article 150, § 2, 4, et avec le congé de naissance prévu à la sous-section section 5 de la section 4.]1

  
Art. 151/6. [1 Wanneer het pasgeboren kind na de eerste zeven dagen te rekenen vanaf zijn geboorte in de verplegingsinrichting moet opgenomen blijven, kan op verzoek van het vrouwelijke personeelslid de postnatale rustperiode verlengd worden met een duur gelijk aan de periode dat haar kind na die eerste zeven dagen in de verplegingsinrichting opgenomen blijft. De duur van deze verlenging mag vierentwintig weken niet overschrijden. Met dat doel bezorgt het vrouwelijke personeelslid aan de overheid waaronder zij ressorteert :
   1° bij het einde van de postnatale rustperiode, een getuigschrift van de verplegingsinrichting waaruit blijkt dat het pasgeboren kind in de verplegingsinrichting opgenomen blijft na de eerste zeven dagen vanaf zijn geboorte en met vermelding van de duur van de opname;
   2° in voorkomend geval een nieuw getuigschrift van de verplegingsinrichting bij het einde van de verlenging die voortvloeit uit het bepaalde in dit lid waaruit blijkt dat tijdens deze verlenging het pasgeboren kind de verplegingsinrichting nog niet heeft mogen verlaten en met vermelding van de duur van de opname.]1

  
Art. 151/6. [1 Dans le cas où, après les sept premiers jours à compter de sa naissance, le nouveau-né doit rester dans l'établissement hospitalier, le congé de repos postnatal peut, à la demande de l'agent féminin, être prolongé d'une durée égale à la période pendant laquelle son enfant est resté hospitalisé après les sept premiers jours. La durée de cette prolongation ne peut dépasser vingt-quatre semaines. A cet effet, l'agent féminin remet à l'autorité dont elle relève :
   1° à la fin de la période de repos postnatal, une attestation de l'établissement hospitalier certifiant que le nouveau-né est resté hospitalisé après les sept premiers jours à dater de sa naissance et mentionnant la durée de l'hospitalisation;
   2° le cas échéant, à la fin de la période de prolongation qui résulte des dispositions prévues dans le présent alinéa, une nouvelle attestation de l'établissement hospitalier certifiant que le nouveau-né n'a pas encore quitté l'établissement hospitalier et mentionnant la durée de l'hospitalisation.]1

  
Art. 151/7. [1 § 1. Het personeelslid heeft recht op een dienstvrijstelling om haar kind met moedermelk te voeden en/of melk af te kolven tot zeven maanden na de geboorte van het kind.
   In uitzonderlijke omstandigheden die verband houden met de gezondheidstoestand van het kind en voor zover één en ander blijkt uit een medisch getuigschrift, kan de totale duur tijdens welke het personeelslid recht heeft op borstvoedingspauzes, met maximum twee maanden worden verlengd.
   § 2. De borstvoedingspauze duurt een half uur. Het personeelslid dat tijdens een werkdag vier uur of langer werkt, heeft die dag recht op één pauze. Het personeelslid dat tijdens een werkdag ten minste zeven en een half uur werkt, heeft die dag recht op twee pauzes. Als het personeelslid recht heeft op twee pauzes tijdens een werkdag, kan zij deze opnemen in één keer of twee keer.
   De duur van borstvoedingspauze(s) is bij de duur van de prestaties van de werkdag begrepen.
   Het personeelslid dient met haar hiërarchische meerdere overeen te komen op welk(e) tijdstip(pen) van de dag zij de borstvoedingspauzes kan nemen. Het personeelslid dat de borstvoedingspauzes wenst te genieten, brengt haar hiërarchische meerdere van ten minste rang 13 hiervan schriftelijk twee weken op voorhand op de hoogte, tenzij deze op verzoek van het betrokken personeelslid een kortere termijn aanvaardt.
   Het recht op borstvoedingspauzes wordt toegekend mits het bewijs van borstvoeding wordt geleverd. Het bewijs wordt vanaf het begin van de uitoefening van het recht, naar keuze van het personeelslid geleverd door een attest van een consultatiebureau voor zuigelingen (Kind en Gezin, "O.N.E." of "Dienst für Kind und Familie") of door een medisch getuigschrift.
   Nadien bezorgt het personeelslid de bevoegde overheid elke maand een attest of een medisch getuigschrift, telkens op de datum waarop de uitoefening van het recht op borstvoedingspauzes voor het eerst is ingegaan.]1

  
Art. 151/7. [1 § 1er. L'agent a droit à une dispense de service afin d'allaiter son enfant au lait maternel et/ou de tirer son lait jusqu'à sept mois après la naissance de l'enfant.
   Dans des circonstances exceptionnelles liées à l'état de santé de l'enfant, attestées par un certificat médical, la période totale pendant laquelle l'agent a le droit de prendre des pauses d'allaitement peut être prolongée de deux mois maximum.
   § 2. La pause d'allaitement dure une demi-heure. L'agent qui preste quatre heures ou plus par journée de travail a droit à une pause à prendre pendant ce même jour. L'agent qui preste au moins sept heures et demie par journée de travail a droit à deux pauses à prendre ce même jour. Lorsque l'agent a droit à deux pauses au cours de la journée de travail, elle peut les prendre en une ou deux fois sur cette même journée.
   La durée de la ou des pause(s) d'allaitement est incluse dans la durée des prestations de la journée de travail.
   Le(s) moment(s) de la journée au(x)quel(s) l'agent peut prendre la ou les pause(s) d'allaitement est (sont) à convenir entre l'agent et son supérieur hiérarchique. L'agent qui souhaite obtenir le bénéfice des pauses d'allaitement avertit par écrit deux semaines à l'avance son supérieur hiérarchique de rang 13 au moins, à moins que celui-ci n'accepte de réduire ce délai à la demande de l'intéressée.
   Le droit aux pauses d'allaitement est accordé moyennant la preuve de l'allaitement. La preuve de l'allaitement est, à partir du début de l'exercice du droit aux pauses d'allaitement apportée, au choix de l'agent, par une attestation d'un centre de consultation des nourrissons (O.N.E., Kind en Gezin ou Dienst für Kind und Familie) ou par un certificat médical.
   Une attestation ou un certificat médical doit ensuite être remis par l'agent chaque mois à l'autorité dont elle relève, à la date anniversaire de l'exercice du droit aux pauses d'allaitement.]1

  
Afdeling 6. - Verlof wegens ziekte of humanitaire reden.
Section 6. - Du congé pour raisons médicales ou humanitaires.
Art. 152.
  De vrouwelijke ambtenaar kan dienstvrijstelling krijgen om naar prenatale medische onderzoeken te gaan die niet buiten de diensturen kunnen plaatsvinden.
  De aanvraag moet met een doktersattest worden gestaafd.
Art. 152.
  Un agent féminin peut obtenir à sa demande une dispense de service pour subir des examens médicaux prénataux qui ne peuvent avoir lieu en dehors des heures de service.
  La demande doit être appuyée par un certificat médical.
Art. 152/2. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-03/39, art. 2; Inwerkingtreding : 2003-01-01>
  De ambtenaar krijgt verlof naar aanleiding van het geven van :
  1. bloed : één dag;
  2. bloedplasma : een halve dag;
  3. bloedplaatjes : één dag.
  Dit verlof kan op de dag zelf of de dag nadien worden genomen. Per jaar kunnen maximaal vier werkdagen worden opgespaard.
  De ambtenaar moet een bewijs kunnen voorleggen van het geven van bloed, plasma, of bloedplaatjes.
Art. 152/2.
  L'agent obtient un conge pour don de :
  1. sang : à concurrence d'un jour;
  2. plasma sanguin : à concurrence d'un demi-jour;
  3. Plaquettes : à concurrence d'un jour.
  Ce congé peut être pris soit le jour même, soit le lendemain, avec un maximum cumulé de quatre jours ouvrables par an.
  L'agent doit fournir la preuve de son don de sang, de plasma ou de plaquettes.
Art. 152/3. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-03/39, art. 2; Inwerkingtreding : 2003-01-01>
  De ambtenaar verkrijgt een verlof voor het afstaan van beenmerg, organen of weefsels.
  Dit verlof wordt toegestaan voor een periode die met de duur van de hospitalisatie en van de herstelperiode overeenkomt. Met de duur van de voorafgaande geneeskundige onderzoeken kan eveneens rekening worden gehouden.
  De aanvraag moet met een doktersattest worden gestaafd.
Art. 152/3.
  L'agent obtient un congé pour don de moelle osseuse, d'organes ou de tissus.
  La durée de ce congé est celle requise par l'hospitalisation et la convalescence. Le temps nécessaire pour effectuer les examens médicaux préalables peut également être pris en compte.
  La demande doit être appuyée par un certificat médical.
Art. 152/4. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-03/39, art. 2; Inwerkingtreding : 2003-01-01>
  Wanneer de echtgeno(o)t(e) of de persoon met wie de ambtenaar samenleeft of een lid van het gezin, dat onder hetzelfde dak woont als de ambtenaar, wordt getroffen door een ziekte waarvan de ernst en de besmettelijkheid door de arts zijn vastgesteld, moet deze arts met de hoofdarts [1 van Medex]1, waaronder de ambtenaar ressorteert, contact opnemen, teneinde in onderlinge overeenstemming de meest geschikte preventieve maatregelen te bepalen met inbegrip van chimioprophylaxie en eventueel verlof.
  
Art. 152/4.
  Lorsque le conjoint ou la personne avec laquelle il est en couple ou un membre de leur famille, habitant sous le même toit que l'agent est atteint d'une maladie dont son médecin établit la gravité et le haut degré de contagiosité, ce médecin doit contacter le médecin chef [1 du Medex]1 dont relève l'agent afin de déterminer de commun accord les mesures préventives les mieux appropriées, en ce compris la chimioprophylaxie et les congés éventuels.
  
Art. 152/5. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-03/39, art. 2; Inwerkingtreding : 2003-01-01>
  De ambtenaar krijgt verlof naar aanleiding van :
  1. het volgen van lessen aan de school bij het korps van de Civiele Bescherming;
  2. het verrichten van prestaties als vrijwillige dienstnemer bij dit korps in vredestijd.
Art. 152/5.
  L'agent peut obtenir un congé pour :
  1. suivre les cours de l'école du corps de la protection civile;
  2. effectuer en temps de paix des prestations en qualité d'engagé volontaire auprès de ce corps.
Art. 152/6. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-03/39, art. 2; Inwerkingtreding : 2003-01-01>
  Voorzover het niet onverenigbaar is met het belang van de dienst, kan de ambtenaar verlof krijgen van maximaal vijf werkdagen per jaar om mindervaliden en zieken te vergezellen of om andere humanitaire diensten te verrichten tijdens vakantiereizen en -verblijven in België of in het buitenland.
  Deze reizen of verblijven worden georganiseerd door een openbare instelling of een vereniging waarvan de opdracht erin bestaat de zorg voor mindervaliden, zieken of humanitaire acties op zich te nemen. De instelling of vereniging moet erkend zijn door de Belgische Staat of een van haar gefedereerde entiteiten.
  De verlofaanvraag moet worden gestaafd met een attest waarbij de vereniging of instelling verklaart dat de reis of het verblijf onder haar verantwoordelijkheid valt.
Art. 152/6.
  Pour autant que l'intérêt du service ne s'y oppose pas, l'agent peut obtenir un congé de maximum cinq jours ouvrables par an pour accompagner des handicapés et des malades ou pour effectuer d'autres missions humanitaires au cours de voyages et de séjours en Belgique ou à l'étranger.
  Ces voyages ou séjours doivent être organisés par un organisme public ou une association dont la mission est la prise en charge de handicapés, de malades ou l'action humanitaire. L'organisme ou l'association doit être reconnue par l'Etat belge ou une de ses entités fédérées.
  La demande de congé doit être appuyée par une attestation par laquelle l'association ou l'institution certifie que le voyage ou le séjour est placé sous sa responsabilité.
Art. 152/7. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-03/39, art. 2; Inwerkingtreding : 2003-01-01>
  Het verlof om medische of humanitaire redenen wordt bezoldigd en gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.
Art. 152/7.
  Les congés pour raisons médicales ou humanitaires sont rémunérés et assimilés à des périodes d'activités de service.
HOOFDSTUK Vbis. [1 - Het verlof voor detachering van een nationale deskundige bij de Europese Commissie]1
CHAPITRE Vbis. [1 - Du congé pour détachement d'un expert national auprès de la Commission européenne]1
Art. 152bis. [1 De ambtenaar kan verlof bekomen om een betrekking van Gedetacheerd nationaal deskundige (GND) uit te oefenen bij de Europese Commissie in het kader van een aanstelling krachtens de beslissing van 12 november 2008 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen tot vaststelling van de regeling die van toepassing is op nationale deskundigen die gedetacheerd zijn bij de diensten van de Commissie.]1
  
Art. 152bis. [1 L'agent peut obtenir un congé pour exercer une fonction d'Expert National Détaché (END) auprès de la Commission européenne dans le cadre d'une désignation en vertu de la décision du 12 novembre 2008 de la Commission des Communautés européennes fixant le régime applicable aux experts nationaux détachés auprès des services de la Commission.]1
  
Art. 152ter. [1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden de statutaire ambtenaren in de administratieve stand dienstactiviteit geplaatst.]1
  
Art. 152ter. [1 Pour l'application du présent chapitre, les agents statutaires sont placés dans une position administrative d'activité de service.]1
  
Art. 152quater. [1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt voor de personeelsleden die bij arbeidsovereenkomst in dienst werden genomen, de uitvoering van hun overeenkomst opgeschort.
   De toegekende periodes van verlof om een betrekking van Gedetacheerd nationaal deskundige uit te oefenen bij de Europese Commissie, vormen niettemin periodes van administratieve dienst die gelijkgesteld kunnen worden met het oog op een weddeverhoging.]1

  
Art. 152quater. [1 Pour l'application du présent chapitre, les membres du personnel engagés sous contrat de travail voient l'exécution de leur contrat suspendu.
   Les périodes de congés accordées pour exercer une fonction d'Expert National Détaché auprès de la Commission européenne constituent néanmoins des périodes de service administratif assimilables en vue de l'avancement du traitement.]1

  
Art. 152quinquies. [1 § 1. Het verlof is bezoldigd en de wedde van de ambtenaar blijft ten laste van het Institut.
   De voordelen verbonden aan de wedde of aan de hoedanigheid van personeelslid van het Institut, inzonderheid de maaltijdcheques, het MIVB-MTB-abonnement en de individuele of collectieve voordelen van de sociale dienst, blijven verworven tijdens de duur van het verlof.]1

  
Art. 152quinquies. [1 § 1er. Le congé est rémunéré et le traitement de l'agent reste à charge de l'Institut.
   Les avantages liés au traitement ou à la qualité de membre du personnel de l'Institut, notamment les titres-repas, l'abonnement STIB-MTB, les avantages individuels ou collectifs du service social, restent acquis pendant la durée du congé.]1

  
Art. 152sexies. [1 Dit verlof is beperkt tot maximum vier jaar voor de volledige loopbaan van het gedetacheerde personeelslid, in periodes van minimaal 6 maanden tot maximaal twee jaar.]1
  
Art. 152sexies. [1 Ce congé est limité à quatre années au maximum pour le total de la carrière du membre du personnel détaché, par périodes de 6 mois minimum et deux ans maximum.]1
  
Hoofdstuk Vter. [1 - Verlof voor intra-institutionele mobiliteit]1
Chapitre Vter. [1 Du congé pour mobilité intra-institutionnelle]1
Art.152septies. [1 § 1. De ambtenaar die zijn functie verlaat in het kader van intra-institutionele mobiliteit, geniet verlof voor intra-institutionele mobiliteit gedurende maximaal zes maanden vanaf de datum van zijn indiensttreding bij de ontvangende instelling in de zin van besluit 2024/105 van het College van de Franse Gemeenschapscommissie houdende regeling van de mobiliteit in de Franse Gemeenschapscommissie en haar instelling van openbaar nut - Bruxelles Formation.
Art. 152septies. [1 § 1er. Le fonctionnaire qui quitte sa fonction dans le cadre de la mobilité intra-institutionnelle se trouve en congé pour mobilité intra-institutionnelle pendant maximum six mois à dater de son entrée en service auprès de l'institution d'accueil au sens de l'arrêté 2024/105 du Collège de la Commission communautaire française fixant le régime de mobilité au sein de la Commission communautaire française et de Bruxelles Formation.
HOOFDSTUK VI. - Verloven om politieke redenen.
CHAPITRE VI. - Des congés pour raisons politiques.
Afdeling 1. - Algemene bepalingen.
Section 1re. - Dispositions générales.
Art. 153.
  Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden de ambtenaren in de administratieve stand dienstactiviteit geplaatst. Het verlof toegekend krachtens de hierna vermelde bepalingen wordt echter niet bezoldigd.
Art. 153.
  Pour l'application du présent chapitre, les agents statutaires sont placés dans une position administrative d'activité de service. Le congé accordé en vertu des dispositions énoncées ci-après n'est cependant pas rémunéré.
Art. 153/2. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-03/39, art. 2; Inwerkingtreding : 2003-01-01>
  Voor de toepassing van dit hoofdstuk en tenzij anders bepaald, wordt voor het personeel dat bij arbeidsovereenkomst in dienst is genomen de uitvoering van hun overeenkomst opgeschort.
  De toegekende periodes van verlof om politieke redenen vormen niettemin periodes van administratieve dienst die gelijkgesteld kunnen worden met het oog een weddeverhoging.
Art. 153/2.
  Pour l'application du présent chapitre, les membres du personnel engages sous contrat de travail voient l'exécution de leur contrat suspendu sauf disposition contraire.
  Les périodes de congés pour raisons politiques accordées constituent néanmoins des périodes de service administratif assimilables en vue de l'avancement du traitement.
Art. 153/3. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-03/39, art. 2; Inwerkingtreding : 2003-01-01>
  De toepassing van deze bepalingen gebeurt met inachtneming van de onverzoenbaarheden en verboden die op de personeelsleden van toepassing zijn.
Art. 153/3.
  L'application des présentes dispositions se fait dans le respect des incompatibilités et interdictions applicables aux membres du personnel.
Afdeling 2. - Verlof om zich kandidaat te stellen bij verkiezingen.
Section 2. - Du congé pour présenter sa candidature aux élections.
Art. 154.
  De ambtenaar kan een verlof krijgen om zich kandidaat te stellen voor de wetgevende, regionale, provinciale, gemeentelijke of Europese verkiezingen.
  Dit verlof wordt toegekend voor een periode die overeenstemt met de duur van de verkiezingscampagne waaraan hij deelneemt.
Art. 154.
  L'agent peut obtenir un congé lui permettant de présenter sa candidature aux élections législatives, régionales, provinciales, communales ou européennes.
  Ce congé est accordé pour la durée de la campagne électorale à laquelle participe l'intéressé en tant que candidat.
Afdeling 3. - Verlof om een functie uit te oefenen bij een erkende politieke fractie.
Section 3. - Du congé pour l'exercice d'une fonction auprès d'un groupe politique reconnu.
Art. 155.
  Een erkende politieke fractie is een groep verkozenen die als dusdanig is erkend overeenkomstig het reglement van de wetgevende vergadering waartoe zij behoren.
Art. 155.
  Il y a lieu d'entendre par groupe politique reconnu un groupe d'élus reconnu comme tel conformément au règlement de l'assemblée législative à laquelle ces élus appartiennent.
Art. 155/2. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-03/39, art. 2; Inwerkingtreding : 2003-01-01>
  De ambtenaar kan verlof krijgen om een ambt uit te oefenen bij een erkende politieke fractie.
  De voorzitter van een politieke fractie dient hiertoe een verzoek in bij de leidende ambtenaar.
  De directieraad gaat na of het belang van de dienst er zich niet tegen verzet.
  Met het akkoord van de functioneel bevoegde minister kent het lid van het College belast met het Openbaar Ambt het verlof toe.
Art. 155/2.
  L'agent peut obtenir un congé pour exercer une fonction dans un groupe politique reconnu.
  Le président d'un groupe politique introduit à cet effet une demande auprès du fonctionnaire dirigeant.
  Le Conseil de direction vérifiera que ce congé ne va pas à l'encontre de l'intérêt du service.
  Avec l'accord du Ministre fonctionnellement compétent, le Membre du Collège chargé de la Fonction publique accorde le congé.
Art. 155/3. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-03/39, art. 2; Inwerkingtreding : 2003-01-01>
  De beslissing vermeldt de duur van het toegekende verlof, alsmede de politieke fractie waarbij de ambtenaar een ambt zal uitoefenen.
Art. 155/3.
  L'arrêté mentionne la durée du congé accordé, ainsi que le groupe politique au sein duquel l'agent exercera une fonction.
Art. 155/4. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-03/39, art. 2; Inwerkingtreding : 2003-01-01>
  De Minister kan om dienstredenen het verlof beëindigen mits hij een opzeggingstermijn van één maand respecteert.
Art. 155/4.
  Le Ministre peut mettre fin au congé pour des raisons de service moyennant le respect d'un délai de préavis d'un mois.
Afdeling 4. - Verlof voor detachering bij een ministerieel kabinet.
Section 4. - Du congé pour détachement auprès d'un cabinet ministériel.
Art. 156.
  De ambtenaar krijgt verlof wanneer hij aangewezen wordt om een functie te vervullen op het kabinet van een Minister of een Staatssecretaris of ermee gelijkgesteld :
  1) van de federale Regering;
  2) van de Regering van een Gemeenschap of Gewest;
  3) van het College van de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de Franse Gemeenschapscommissie of de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie.
  De aanstelling vindt plaats na akkoord van het Beheerscomité.
  Op het einde van zijn detachering en tenzij hij naar een ander kabinet overgaat, krijgt de ambtenaar, per maand activiteit in een kabinet, één dag verlof met een minimum van drie werkdagen en een maximum van vijftien werkdagen.
Art. 156.
  L'agent obtient un congé lorsqu'il est désigné pour exercer une fonction dans le cabinet d'un Ministre ou un Secrétaire d'Etat ou assimilé :
  1) du Gouvernement fédéral;
  2) du Gouvernement d'une Communauté ou Région;
  3) du Collège de la Commission communautaire française, de la Commission communautaire flamande ou de la Commission communautaire commune.
  La désignation intervient après accord du Comité de gestion.
  Au terme de son détachement et à moins d'un nouveau détachement dans un autre cabinet, l'agent obtient un jour de congé par mois d'activité dans un cabinet, avec un minimum de trois jours ouvrables et un maximum de quinze jours ouvrables.
Afdeling 5. - Verlof om een politiek mandaat uit te oefenen.
Section 5. - Du congé pour exercer un mandat politique.
Art. 157.
  De personeelsleden [1 van het Instituut]1 hebben recht op politiek verlof voor de uitoefening van een politiek mandaat of van een functie die daarmee gelijkgesteld kan worden.
  
Art. 157.
  Les membres du personnel [1 de l'Institut]1 ont droit au congé politique pour l'exercice d'un mandat politique ou d'une fonction qui peut y être assimilée.
  
Art. 157/2. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-03/39, art. 2; Inwerkingtreding : 2003-01-01>
  Onder politiek verlof voor de uitoefening van een politiek mandaat of een functie die daarmee kan worden gelijkgesteld, dient te worden begrepen :
  1. hetzij een vrijstelling van dienst die geen enkele invloed heeft op de administratieve en geldelijke situatie van de personeelsleden;
  2. hetzij een facultatief politiek verlof toegekend op vraag van de personeelsleden;
  3. hetzij een van ambtswege politiek verlof dat het personeelslid niet kan weigeren.
Art. 157/2.
  Par congé politique pour l'exercice d'un mandat politique ou d'une fonction qui peut y être assimilée, il faut entendre :
  1. soit une dispense de service qui n'a aucune incidence sur la situation administrative et pécuniaire des membres du personnel;
  2. soit un congé politique facultatif accordé à la demande des membres du personnel;
  3. soit un congé politique d'office auquel le membre du personnel ne peut pas renoncer.
Art. 157/3. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-03/39, art. 2; Inwerkingtreding : 2003-01-01>
  De ambtenaar krijgt op zijn aanvraag vrijstelling van dienst, ten belope van :
  1. een halve dag per maand, voor de uitoefening van een mandaat van gemeenteraadslid, burgemeester, schepen of lid van de raad voor maatschappelijk welzijn, de voorzitter inbegrepen, in een gemeente tot 10 000 inwoners;
  2. één dag per maand, voor de uitoefening van een mandaat van :
  a) gemeenteraadslid of lid van de raad voor maatschappelijk welzijn in een gemeente van 10 001 inwoners of meer;
  b) burgemeester, schepen of voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn in een gemeente van 10 001 tot 30 000 inwoners;
  c) schepen of voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn in een gemeente van 30 001 tot 50 000 inwoners;
  d) provincieraadslid, niet-lid van de bestendige deputatie.
Art. 157/3.
  L'agent peut obtenir, à sa demande, une dispense de service à raison de :
  1. un demi-jour par mois pour exercer un mandat de conseiller communal, bourgmestre, échevin ou membre du conseil de l'aide sociale, y compris le président, dans une commune comptant jusqu'à 10 000 habitants;
  2. un jour par mois pour exercer un mandat de :
  a) conseiller communal ou membre du conseil de l'aide sociale dans une commune de 10 001 habitants ou plus;
  b) bourgmestre, échevin ou président du conseil de l'aide sociale dans une commune de 10 001 à 30 000 habitants;
  c) échevin ou président du conseil de l'aide sociale dans une commune de 30 001 à 50 000 habitants;
  d) conseiller provincial non membre de la députation permanente.
Art. 157/4. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-03/39, art. 2; Inwerkingtreding : 2003-01-01>
  De vrijstelling van dienst bepaald in artikel 157/3, wordt naar keuze van de ambtenaar genomen in dagen of halve dagen. Zij mag niet van een maand naar een andere worden overgedragen.
Art. 157/4.
  La dispense de service prévue à l'article 157/3 se prend à la convenance de l'agent par jour ou demi-jour. Elle ne peut être reportée d'un mois à l'autre.
Art. 157/5. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-03/39, art. 2; Inwerkingtreding : 2003-01-01>
  De ambtenaar kan op zijn aanvraag, behalve de vrijstelling van dienst bepaald in artikel 157/3, een facultatief politiek verlof krijgen, ten belope van :
  1. één of twee dagen per maand voor de uitoefening van een mandaat van burgemeester, schepen, voorzitter of lid van het vast bureau van de raad voor maatschappelijk welzijn, in een gemeente tot 10 000 inwoners;
  2. één tot drie dagen per maand, voor de uitoefening van een mandaat van :
  a) burgemeester van een gemeente van 10 001 tot 30 000 inwoners;
  b) schepen of voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn in een gemeente van 10 001 tot 50 000 inwoners;
  c) lid van het vast bureau van de raad voor maatschappelijk welzijn in een gemeente van 10 001 tot 20 000 inwoners.
  . één tot vijf dagen per maand, voor de uitoefening van een mandaat van lid van het vast bureau van de raad voor maatschappelijk welzijn in een gemeente van meer dan 20 000 inwoners;
  4. een kwart van een voltijds ambt, voor de uitoefening van een mandaat van :
  a) burgemeester van een gemeente van 30 001 tot 50 000 inwoners;
  b) schepen of voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn in een gemeente van 50 001 tot 80 000 inwoners.
  5. de helft van een voltijds ambt, voor de uitoefening van een mandaat van :
  a) burgemeester van een gemeente van 50 001 tot 80 000 inwoners;
  b) schepen of voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn in een gemeente van 80 001 tot 130 000 inwoners.
Art. 157/5.
  L'agent peut obtenir, à sa demande, outre la dispense de service prévue à l'article 157/3, un congé politique facultatif à raison de :
  1. un ou deux jours par mois pour exercer un mandat de bourgmestre, échevin, président ou de membre du bureau permanent du conseil de l'aide sociale, dans une commune comptant jusqu'à 10 000 habitants;
  2. un à trois jours par mois pour exercer un mandat de :
  a) bourgmestre dans une commune de 10 001 à 30 000 habitants;
  b) échevin ou président du conseil de l'aide sociale dans une commune de 10 001 à 50 000 habitants;
  c) membre du bureau permanent du conseil de l'aide sociale dans une commune de 10 001 à 20 000 habitants.
  3. un à cinq jours par mois pour exercer un mandat de membre du bureau permanent du conseil de l'aide sociale dans une commune de plus de 20 000 habitants;
  4. d'un quart d'un emploi à temps plein pour exercer un mandat de :
  a) bourgmestre dans une commune de 30 001 à 50 000 habitants;
  b) échevin ou président du conseil de l'aide sociale dans une commune de 50 001 à 80 000 habitants.
  5. la moitié d'un emploi à temps plein pour exercer un mandat de :
  a) bourgmestre dans une commune de 50 001 à 80 000 habitants;
  b) échevin ou président du conseil de l'aide sociale dans une commune de 80 001 à 130 000 habitants.
Art. 157/6. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-03/39, art. 2; Inwerkingtreding : 2003-01-01>
  De ambtenaar is in politiek verlof van ambtswege, ten belope van :
  1. twee dagen per maand voor de uitoefening van een mandaat van :
  a) burgemeester van een gemeente van 20 001 tot 30 000 inwoners;
  b) schepen of voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn in een gemeente van 20 001 tot 50 000 inwoners.
  2. een kwart van een voltijds ambt voor de uitoefening van een mandaat van :
  a) burgemeester van een gemeente van 30 001 tot 50 000 inwoners;
  b) schepen of voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn in een gemeente van 50 001 tot 80 000 inwoners.
  3. de helft van een voltijds ambt voor de uitoefening van een mandaat van :
  a) burgemeester van een gemeente van 50 001 tot 80 000 inwoners;
  b) schepen of voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn in een gemeente van 80 001 tot 130 000 inwoners.
  4. een voltijds ambt voor de uitoefening van een mandaat van :
  a) burgemeester van een gemeente met meer dan 80 000 inwoners;
  b) schepen of voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn in een gemeente met meer dan 130 000 inwoners;
  c) lid van de bestendige deputatie van een provincieraad.
Art. 157/6.
  L'agent est en congé politique d'office, à raison de :
  1. deux jours par mois pour exercer un mandat de :
  a) bourgmestre dans une commune de 20 001 à 30 000 habitants;
  b) échevin ou président du conseil de l'aide sociale dans une commune de 20 001 à 50 000 habitants.
  2. d'un quart d'un emploi à temps plein pour exercer un mandat de :
  a) bourgmestre dans une commune de 30 001 à 50 000 habitants;
  b) échevin ou président du conseil de l'aide sociale dans une commune de 50.001 à 80.000 habitants.
  3. la moitié d'un emploi à temps plein pour exercer un mandat de :
  a) bourgmestre dans une commune de 50 001 à 80 000 habitants;
  b) échevin ou président du conseil de l'aide sociale dans une commune de 80 001 à 130 000 habitants.
  4. d'un emploi à temps plein pour exercer un mandat de :
  a) bourgmestre dans une commune de plus de 80 000 habitants;
  b) échevin ou président du conseil de l'aide sociale dans une commune de plus de 130 000 habitants;
  c) membre de la députation permanente d'un conseil provincial.
Art. 157/7. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-03/39, art. 2; Inwerkingtreding : 2003-01-01>
  De personeelsleden zijn in politiek verlof van ambtswege, ten belope van een voltijds ambt, voor de uitoefening van de volgende politieke mandaten :
  - lid van één der Wetgevende Kamers of van de federale Regering;
  - lid van een Gemeenschaps- of Gewestraad;
  - lid van een Gemeenschaps- of Gewestregering;
  - lid van het Europees Parlement of van de Europese Commissie.
Art. 157/7.
  Les membres du personnel sont mis en congé politique à temps plein d'office pour l'exercice des mandats politiques suivants :
  - Membre d'une des Chambres législatives ou du Gouvernement fédéral;
  - Membre d'un conseil de Communauté ou de Région;
  - Membre d'un Gouvernement de Communauté ou de Région;
  - Membre du Parlement européen ou de la Commission européenne.
Art. 157/8. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-03/39, art. 2; Inwerkingtreding : 2003-01-01>
  Het politiek verlof van ambtswege vangt aan op de datum van de eedaflegging.
Art. 157/8.
  Le congé politique d'office prend cours à la date de la prestation de serment.
Art. 157/9. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-03/39, art. 2; Inwerkingtreding : 2003-01-01>
  Voor de toepassing van de artikelen 156/3, 156/5 en 156/6, wordt het aantal inwoners bepaald overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 5 en 29 van de Nieuwe Gemeentewet.
Art. 157/9.
  Pour l'application des articles 156/3, 156/5 et 156/6, le nombre d'habitants est déterminé conformément aux dispositions des articles 5 et 29 de la nouvelle loi communale.
Art. 157/10. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-03/39, art. 2; Inwerkingtreding : 2003-01-01>
  De ambtenaar die geen voltijds ambt uitoefent wordt met voltijds politiek verlof van ambtswege gezonden indien aan zijn politiek mandaat reeds een politiek verlof van ambtswege beantwoordt waarvan de duur ten minste de helft van een voltijds ambt beloopt.
Art. 157/10.
  L'agent qui n'exerce pas une fonction à temps plein est mis en congé politique d'office à temps plein dès lors que son mandat politique correspond déjà à un congé politique d'office d'au moins la moitié d'un emploi à temps plein.
Art. 157/11. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-03/39, art. 2; Inwerkingtreding : 2003-01-01>
  De ambtenaar die recht heeft op een politiek verlof waarvan de duur niet de helft van een voltijds ambt overschrijdt, kan, op zijn aanvraag, halftijds of voltijds politiek verlof krijgen.
  De ambtenaar die recht heeft op een halftijds politiek verlof, kan op zijn aanvraag, voltijds politiek verlof krijgen.
Art. 157/11.
  L'agent qui a droit à un congé politique dont la durée n'excède pas la moitié d'un emploi à temps plein, peut, à sa demande, obtenir un congé politique à mi-temps ou à temps plein.
  L'agent qui a droit à un congé politique à mi-temps, peut, à sa demande, obtenir un conge politique à temps plein.
Art. 157/12. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-03/39, art. 2; Inwerkingtreding : 2003-01-01>
  De periodes welke door facultatief politiek verlof of politiek verlof van ambtswege worden gedekt, worden gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Ze worden evenwel niet bezoldigd.
  Voor de personeelsleden die zijn aangeworven met een arbeidscontract, vormen de periodes die gedekt zijn door een facultatief politiek verlof of door een van ambtswege politiek verlof periodes van opschorting van dienst die moeten worden beschouwd als diensten die in aanmerking komen voor de weddeverhoging.
Art. 157/12.
  Les périodes couvertes par le congé politique facultatif ou le congé politique d'office sont assimilées à des périodes d'activité de service. Elles ne sont toutefois pas rémunérées.
  Pour les membres du personnel engagés par contrat de travail, les périodes couvertes par un congé politique facultatif ou un congé politique d'office constituent des périodes de suspension de service à considérer néanmoins comme services admissibles en vue de l'avancement de traitement.
Art. 157/13. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-03/39, art. 2; Inwerkingtreding : 2003-01-01>
  Het politiek verlof eindigt uiterlijk op de laatste dag van de maand die volgt op die tijdens de welke het mandaat een einde neemt.
  Vanaf dat ogenblik, herkrijgt de belanghebbende zijn rechten. Wanneer hij niet in zijn betrekking werd vervangen, bezet hij die betrekking wanneer hij zijn dienst hervat. Indien hij wel werd vervangen, wordt hij voor een andere betrekking aangewezen in overeenstemming met de bepalingen die voor hem van toepassing zijn inzake reaffectatie en mobiliteit.
Art. 157/13.
  Le congé politique expire au plus tard le dernier jour du mois qui suit celui de la fin du mandat.
  A ce moment, l'intéressé recouvre ses droits. S'il n'a pas été remplacé dans son emploi, il réintègre cet emploi lorsqu'il reprend son activité. S'il a été remplacé, il est affecté à un autre emploi conformément aux dispositions qui lui sont applicables en matière de réaffectation et de mobilité.
Art. 157/14. <INGEVOEGD bij BESL 2004-06-03/39, art. 2; Inwerkingtreding : 2003-01-01>
  De ambtenaar mag na zijn wederopneming zijn wedde niet cumuleren met voordelen die verbonden zijn aan de uitoefening van een politiek mandaat en die een wederaanpassingsvergoeding betreffen.
Art. 157/14.
  Après sa réintégration, l'agent ne peut pas cumuler son traitement avec des avantages qui sont liés à l'exercice d'un mandat politique et qui tiennent lieu d'indemnité de réadaptation."
DEEL XVII. - Verlies van de hoedanigheid van ambtenaar en definitieve ambtsneerlegging.
PARTIE XVII. - De la perte de la qualité de fonctionnaire et de la cessation définitive des fonctions.
Art. 158. Een ambtenaar [1 van het Instituut]1 kan zijn hoedanigheid van ambtenaar niet verliezen voor de normale leeftijd van de inrustestelling, behalve in de gevallen bepaald door de pensioenwetgeving of door dit besluit.
  
Art. 158. Le fonctionnaire [1 de l'Institut]1 ne peut perdre sa qualité avant l'âge normal de la retraite, sauf dans les cas prévus par la législation relative aux pensions ou par le présent arrêté.
  
Art. 159. Ambtshalve en zonder opzegging wordt een einde gemaakt aan de hoedanigheid van ambtenaar [1 van het Instituut voor]1 :
  1° de ambtenaar van wie vastgesteld wordt dat zijn benoeming onregelmatig gebeurd is binnen de termijn vastgesteld vor het indienen van een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State; deze termijn geldt niet in geval van arglist of bedrog van de ambtenaar;
  2° de ambtenaar die niet meer voldoet aan de nationaliteitsvereisten, die de burgerlijke en politieke rechten niet meer geniet, die niet meer voldoet aan de dienstplichtwetten of wiens lichamelijke ongeschiktheid behoorlijk werd vastgesteld;
  3° onverminderd de georganiseerde werkonderbreking, de ambtenaar die zonder geldige reden zijn post verlaat en meer dan tien dagen afwezig blijft;
  4° de ambtenaar die zich in een geval bevindt waarin de toepassing van de burgerlijke wetten en van de strafwetten de ambtsneerlegging ten gevolge heeft;
  5° bij ontslag van ambtswege;
  6° bij afzetting.
  Onder dezelfde voorwaarden wordt eveneens een einde gemaakt aan de stage.
  
Art. 159. Perd d'office et sans préavis la qualité de fonctionnaire [1 de l'Institut ]1 :
  1° le fonctionnaire dont la nomination est constatée irrégulière dans le délai de recours en annulation devant le Conseil d'Etat; ce délai ne vaut pas en cas de fraude ou dol du fonctionnaire;
  2° le fonctionnaire qui ne satisfait plus à la condition de nationalité telle que visée à l'article 18, § 2 ou qui ne jouit plus de ses droits civils et politiques, ou dont l'inaptitude physique a été dûment constatée;
  3° sans préjudice de la cessation contestée du travail, le fonctionnaire qui, sans motif valable, abandonne son poste et reste absent pendant plus de dix jours;
  4° le fonctionnaire qui se trouve dans un cas où l'application des lois civiles et pénales entraîne la cessation des fonctions;
  5° en cas de démission d'office;
  6° en cas de révocation;
  Il est mis fin au stage dans les mêmes conditions.
  
Art. 160. Tot ambtsneerlegging geven aanleiding :
  1° het vrijwillig ontslag, in dit geval mag de ambtenaar slechts na behoorlijke machtiging en na een opzeggingstermijn van ten minste acht dagen, zijn dienst verlaten;
  2° de inrustestelling;
  3° de beroepsongeschiktheid die definitief vastgesteld is door de overheid bevoegd om te benoemen.
  De bepaling onder 1° geldt mede voor de stagiairs.
Art. 160. Entraînent la cessation des fonctions :
  1° la démission volontaire; dans ce cas, le fonctionnaire ne peut abandonner son service qu'à condition d'y avoir été dûment autorisé et après un préavis d'au moins huit jours;
  2° la mise à la retraite;
  3° l'inaptitude professionnelle définitivement constatée par l'autorité investie du pouvoir de nomination;
  Le 1° est également applicable aux stagiaires.
Art. 161. § 1. De Directieraad kan een ambtenaar slechts beroepsongeschikt verklaren nadat de betrokken ambtenaar twee opeenvolgende malen de in artikel 81 bedoelde meest negatieve evaluatie heeft gekregen.
  § 2. Voor de ambtenaar over wie een definitief voorstel tot verklaring van beroepsongeschiktheid geformuleerd is, staat een beroep open bij de raad van beroep zoals bedoeld in artikel 117.
  De ambtenaar stelt zijn beroep in binnen vijftien dagen nadat hij kennis gekregen heeft van het definitief voorstel tot verklaring van arbeidsongeschiktheid.
Art. 161. § 1. Le Conseil de direction ne peut émettre une déclaration d'inaptitude professionnelle qu'après que le fonctionnaire se soit vu deux fois consécutivement attribuer l'évaluation négative visée à l'article 81.
  § 2. Le fonctionnaire à l'égard duquel une proposition définitive de déclaration d'inaptitude professionnelle est formulée dispose d'un recours devant la Chambre de recours visée à l'article 117.
  Le fonctionnaire introduit son recours dans les quinze jours de la notification qui lui est faite de la proposition définitive de déclaration d'inaptitude professionnelle.
Art. 163. Het Lid van het College bevoegd voor Openbaar Ambt is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 163. Le Membre du Collège chargé de la Fonction publique est chargé de l'exécution du présent arrêté.
Bijlagen.
Annexes.
Art. N1. Bijlage 1. Evaluatieverslag.
Art. N1. Annexe 1. - Bulletin d'évaluation.
Art. 1N1. I. IDENTIFICATIE.
  Naam :
  Voornaam :
  Graad :
  Bestuur of dienst :
  Datum van indienstneming :
  Verkregen bevorderingen en uitgeoefende ambten :
  Benoemingsdatum :
  (Vroegere evaluaties (met vermelding van de evaluerende ambtenaren en de perioden waarop deze evaluaties slaan)).
Art. 1N1. I. IDENTIFICATION.
  Nom :
  Prénom :
  Grade :
  Direction ou service :
  Date d'entrée en service :
  Promotions intervenues et fonctions exercées :
  Date et nomination :
  (Evaluations antérieures (avec indication des évaluateurs et des périodes d'évaluation))
Art. 2N1. II. OMSCHRIJVING VAN DE ACTIVITEITEN.
  1. Aan de ambtenaar opgelegde taken (korte beschrijving met verwijzing naar de omschrijving van het ambt).
  2. Staat van de realisaties voor de betrokken periode.
  3. Vergelijking tussen de gestelde doelstellingen en de bereikte resultaten.
  - Uiteenzetting van de doelstellingen en moeilijkheidsgraad;
  - Bereikte resultaten en breikte niveau.
  4. Analyse van het niveau van de resultaten.
  In aanmerking komende criteria :
  - Opleiding.
  Bezit betrokkene de geschikte opleiding voor zijn werk?!
  Zo niet, wat ontbreekt hem?!
  Is hij bereid om zijn vorming te vervolmaken?!
  - Ervaring.
  Heeft betrokkene de nodige ervaring voor zijn werk?!
  Zo niet, zijn er voorstellen om hem/haar deze ervaring te doen verkrijgen?!
  - Persoonlijke kwaliteiten, bekeken in functie van de beroepsactiviteit.
  - begripsvermogen;
  - strategisch vermogen;
  - kennis van de eigen werkomgeving;
  - beschikbaarheid;
  - synthetisch denkvermogen;
  - rendement op zowel kwalitatief als kwantitatief vlak;
  - zorg voor details;
  - bekwaamheid om bepaalde zaken aan iemand anders over te dragen;
  - leidingsvermogen;
  - aanpassingsvermogen;
  - naleving van de doelstellingen (inhoud + streefdatum);
  - naleving van de regels;
  - creativiteit;
  - zijn voor initiatief;
  - werkwijze;
  - doorzettingsvermogen;
  - stiptheid;
  - houding;
  - onthaal;
  - communicatie (intern en extern);
  - gastvrijheid;
  - openheid;
  - wederzijdse bijstand;
  - rondborstigheid;
  - betrekkingen met de hiërarchische meerderen;
  - respect voor de anderen;
  - motivering;
  - kritische ingesteldheid;
  - beleefdheid, takt;
  - ....
  Bijzondere punten.
  Werd betrokkene in de afgelopen periode met bijzondere of onverwachte situaties geconfronteerd?!
  - In het kader van zijn beroep;
  - Omstandigheden buiten de dienst. Antwoorden met ja of neen, zonder de feiten te beschrijven.
  5. Sterke en zwakke punten.
  Voor welke aspecten of werkgebieden haalt betrokkene de beste resultaten?!
  Voor welke aspecten of werkgebieden komen er leemten aan de dag?!
  6. Opleidingen gevolgd gedurende de afgelopen periode.
  Aan welke vormingsactiviteiten heeft betrokkene deelgenomen of gevraagd om deel te nemen gedurende de afgelopen evaluatieperiode en welke zijn de resultaten hiervan zowel voor betrokkene als voor de dienst?!
Art. 2N1. II. DESCRIPTIF DES ACTIVITES.
  1. Tâches assignées au fonctionnaires (description par référence à la définition de l'emploi).
  2. Etat des réalisations de la période.
  3. Comparaison entre les objectifs fixés et les résultats atteints.
  - Enoncé des objectifs et degré de difficulté;
  - Résultats atteints et mention du niveau de résultat.
  4. Analyse du niveau de résultat.
  Les critères suivants pouvant servir de guide à cette analyse.
  - Formation.
  L'intéressé a-t-il la formation adéquate à l'exécution de son travail?!
  - si non, que lui manque-t-il?!
  Est-il disposé à parfaire sa formation?!
  - Expérience.
  A-t-il expérience nécessaire pour l'exécution de son travail?!
  - si non, quelles sont les propositions pour acquérir cette expérience?!
  - Qualités individuelles, examinées en fonction de l'activité professionnelle;
  - Capacité conceptuelle;
  - Capacité stratégique;
  - Connaissance de son environnement de travail;
  - Disponibilité;
  - Esprit de synthèse;
  - Rendement qualitatif et quantitatif;
  - Souci du détail;
  - Aptitude à déléguer;
  - Aptitude à diriger;
  - Capacité d'adaptation;
  - Respect des objectifs (contenu + date);
  - Respect des règles;
  - Créativité;
  - Initiative;
  - Méthode;
  - Persévérance;
  - Ponctualité;
  - Tenue;
  - Accueil;
  - Communication (interne + externe);
  - Convivialité;
  - Ouverture d'esprit;
  - Entraide;
  - Franchise;
  - Relation avec la hiérarchie;
  - Respect des autres;
  - Motivation;
  - Esprit critique;
  - Courtoisie, tact;
  - ....
  Points particuliers.
  Pendant la période écoulée, l'intéressé a-t-il été confronté à des situations particulières ou non prévues?!
  - A titre professionnel?!
  - Circonstances étrangères au fonctionnement du service. Répondre par l'affirmative ou la négative, sans description des faits.
  5. Points forts et points faibles.
  Dans quels aspects ou domaines d'activités l'intéressé réussit-il?!
  - Dans quels aspects ou domaines d'activités des lacunes apparaissent-elles particulièrement?!
  6. Formations suivies au cours de la période.
  A quelles activités de formation l'intéressé a-t-il participé ou demandé de participer au cours de la période d'évaluation écoulée et quels sont les résultats pour l'intéressé et pour le service?!
Art. 3N1. III. WAARDERINGEN.
  1. Kwaliteit van het gepresteerde werk (kwaliteit, zorg, juistheid, nauwkeurigheid en afwerkingsgraad) afgezien van het kwantitatief aspect.
  2. Hoeveelheid werk (omvang van het werk dat binnen een bepaalde tijd gepresteerd wordt).
  3. Multifunctioneel aspect : bekwaamheid om verschillende taken uit te voeren.
  4. Aanpassingsvermogen : reacties op de druk die ontstaat uit bijzondere omstandigheden of uit een verandering in de werkomgeving.
  5. Creativiteit, zin voor initiatief : vindingrijkheid, bevordering van nieuwe ideeën en situationeel beheersvermogen.
  6. Teamgeest en sociabiliteit : werk in groepsverband met het oog op het bereiken van een gezamenlijke doelstelling - eigen bijdrage tot het gezellig blijven van de werksfeer.
  7. Solidariteit : bekwaamheid om zijn collega's te helpen.
  Voor elke ambtenaar die met de leiding van een team belast zou kunnen worden.
  8. Bekwaamheid om een project tot een goed einde te brengen.
  9. Bekwaamheid om een team te beheren.
  Globale waardering : Positief.
  Middelmatig.
  Negatief.
Art. 3N1. III. APPRECIATIONS.
  1. Qualité du travail (qualité, soin, exactitude, précision et degré d'achèvement) sans considérer l'aspect quantitatif.
  2. Quantitatif du travail (masse effectuée dans un temps déterminé).
  3. Polyvalence : capacité d'effectuer des travaux différents.
  4. Faculté d'adaptation : réactions aux contraintes qui résultent de circonstances particulières ou d'un changement dans l'environnement de travail.
  5. Créativité, initiative : imagination et promotion d'idées nouvelles et aptitude à gérer des situations.
  6. Esprit d'équipe et sociabilité : travail en groupe en vue de réaliser un objectif commun - contribution à maintenir un environnement agréable.
  7. Sens de la solidarité : capacité à aider ses collègues.
  Pour tout fonctionnaire susceptible de diriger une équipe.
  8. Capacité de mener un projet à terme.
  9. Capacité à gérer une équipe.
  Appréciation globale : Positive.
  Moyenne.
  Négative.
Art. 4N1. IV. VOORUITZICHTEN.
  1. Zou betrokkene in een andere dienst of in een ander ambt produktiever zijn?!
  2. Doelstellingen voor de toekomst.
  3. In welke werkgebieden zou een opleiding nuttig kunnen zijn om de in punt 2 beschreven doelstellingen te bereiken?!
  4. Alleen voor de ambtenaren van niveau 1 :
  is de ambtenaar bekwaam om functies van een hogere rang bij mandaat uit te oefenen?!
Art. 4N1. IV. PERSPECTIVES.
  1. L'intéressé pourrait-il être mieux mis en valeur dans un autre service ou dans une autre fonction?!
  2. Objectifs pour la période future.
  3. Dans quels domaines, la formation pourrait-elle être utile à la réalisation des objectifs décrits au point 2?!
  4. Uniquement pour les fonctionnaires de niveau 1 :
  le fonctionnaire est-il apte à assumer des fonctions de rang supérieur sous mandat?!
Art. 5N1. V. ANALYSE VAN DE RESULTATEN.
  Hierbij dient een onderscheid gemaakt te worden tussen de oorzaken die aan betrokkene toe te schrijven zijn en die welke met hem niets te maken hebben : het hoog of te laag niveau van een realisatie kan verschillende oorzaken hebben : uitzonderlijke toename of onverwachte vermindering van de werklast, gebrek aan wil of, integendeel, wil om te slagen; gebrek aan kennis vanwege betrokkene of gebrek aan middelen, werkregeling, beroepsactiviteit die buiten de dienst wettelijk uitgeoefend wordt, enz.
Art. 5N1. V. ANALYSE DES RESULTATS.
  Faire apparaître les causes imputables à l'intéressé et celles qui lui sont étrangères : le niveau élevé ou médiocre d'une réalisation peut être dû à diverses causes : accroissement extraordinaire de travail ou diminution inattendue de celle-ci; absence de volonté ou acharnement à réussir; manque de connaissances de l'intéressé ou manque de moyens, régime de travail, activité extérieure légalement exercée, etc...
Art. N2. Bijlage 2. De volgende diploma's of getuigschriften komen in aanmerking voor de toelating tot de instellingen van openbaar nut van de Franse Gemeenschapscommissie naargelang van de niveaus :
Art. N2. Annexe 2. Les diplômes ou certificats pris en considération pour l'admission dans les organismes d'intérêt public de la Commission communautaire française sont, selon les niveaux, les suivants :
Art. 1N2. NIVEAU 1 :
  a) wettelijke diploma's der academische graden van licenciaat, doctor, apotheker, ingenieur of geaggregeerde;
  b) de andere diploma's van licenciaat, doctor, apotheker, ingenieur of geaggregeerde, uitgereikt overeenkomstig de wet van 11 september 1933 op de bescherming van de titels van hoger onderwijs, door de Belgische universiteiten met inbegrip van de aan die universiteiten verbonden scholen, of door de bij de wet of bij decreet daarmee gelijkgestelde instellingen, indien de studies ten minste vier jaar hebben omvat, zelfs als een gedeelte van die studies niet in een van de voormelde onderwijsinstellingen werd volbracht;
  c) diploma's van licenciaat in de handelswetenschappen, met of zonder bijkomende kwalificatie, van geaggregeerde voor het hoger secundair onderwijs in de handelswetenschappen, van handelsingenieur, van licenciaat in de bestuurswetenschappen, van licenciaat-vertaler, van licenciaat-tolk, van licenciaat in de nautische wetenschappen, van industrieel ingenieur of van architekt, uitgereikt overeenkomstig dezelfde wet door een door de Staat of door een der Gemeenschappen opgerichte, gesubsidieerde of erkende instelling voor hoger onderwijs van het lange type of door een door de Staat of door een der Gemeenschappen ingestelde examencommissie;
  d) getuigschrift uitgereikt aan degenen die met vrucht de studies aan de polytechnische afdeling of aan de afdeling " Alle Wapens " van de Koninklijke Militaire School hebben voleindigd en die krachtens dezelfde wet gerechtigd zijn tot het voeren van de titel van burgerlijk ingenieur of van licenciaat, met de door de Koning bepaalde kwalificatie.
Art. 1N2. NIVEAU 1 :
  a) diplômes légaux des grades académiques de licencié, docteur, pharmacien, ingénieur ou agrégé;
  b) les autres diplômes de licencié, docteur, pharmacien, ingénieur ou agrégé, délivrés conformément à la loi du 11 septembre 1933 sur la protection des titres de l'enseignement supérieur, par les universités belges, y compris les écoles annexées à ces universités, ou par les établissements y assimilés par la loi ou par le décret, si les études ont comporté au moins quatre années, même une partie de ces études n'a pas été accomplie dans un des établissements d'enseignement précités;
  c) diplômes de licencié en sciences commerciales, avec ou sans qualification complémentaire, d'agrégé de l'enseignement secondaire supérieur pour les sciences commerciales, d'ingénieur commercial, de licencié en sciences administratives, de licencié-traducteur, de licencié-interprète, de licencié en sciences nautiques, d'ingénieur industriel ou d'architecte, délivrés conformément à la même loi, par un établissement d'enseignement supérieur de type long, créé, subventionné ou reconnu par l'Etat ou par l'une des Communautés ou par un jury d'examens institué par l'Etat ou l'une des Communautés;
  d) certificat délivré à ceux qui ont terminé avec fruit les études de la section polytechnique ou de la section " Toutes Armes " de l'Ecole royale militaire et qui peuvent porter le titre d'ingénieur civil ou celui de licencié, avec la qualification déterminée par le Roi, en vertu de la même loi.
Art. 2N2. NIVEAU 1 (overgangsmaatregelen) :
  a) diploma van licenciaat in de politieke wetenschappen, de sociale wetenschappen, de bestuurswetenschappen en de handelswetenschappen ter bekroning van studies die vóór 1 oktober 1943 werden aangevangen en die ten minste een cyclus van drie jaar hebben omvat;
  b) diploma uitgereikt door de Koloniale Hogeschool van België te Antwerpen of licenciaatsdiploma uitgereikt door het Universitair Instituut voor Overzeese Gebieden te Antwerpen indien de studies ten minste vier jaar hebben omvat;
  c) diploma van licenciaat in de handelswetenschappen, met of zonder bijkomende kwalificatie, van handelsingenieur, van geaggregeerde voor het hoger secundiair onderwijs in de handelswetenschappen, van licenciaat-vertaler of van licenciaat-tolk, uitgereikt overeenkomstig de wet van 11 september 1933 op de bescherming van de titels van hoger onderwijs, door inrichtingen van hoger technisch onderwijs van de derde graad of door inrichtingen van technisch onderwijs - gerangschikt als handelshogescholen categorie A5 - of door een door de Staat ingestelde examencommissie;
  d) diploma of eindgetuigschrift uitgereikt na een cyclus van vijf jaar door de afdeling bestuurswetenschappen van het " Institut d'enseignement supérieur Lucien Cooremans " te Brussel of door het Hoger Instituut voor Bestuurs- en Handelswetenschappen te Elsene of door het Provinciaal Hoger Instituut voor Bestuurswetenschappen te Antwerpen.
Art. 2N2. NIVEAU 1 (mesures transitoires) :
  a) diplôme de licencié en sciences politiques, en sciences sociales, en sciences administratives et en sciences commerciales, couronnant des études commencées avant le 1er octobre 1943 et qui ont comporté au moins un cycle de trois années;
  b) diplôme délivré par l'Université coloniale de Belgique à Anvers ou diplôme de licencié délivré par l'Institut universitaire des Territoires d'Outre-Mer à Anvers, si les études ont comporte au moins quatre années;
  c) diplôme de licencié en sciences commerciales, avec ou sans qualification complémentaire, d'ingénieur commercial, d'agrégé de l'enseignement secondaire supérieur pour les sciences commerciales, de licencié-traducteur ou de licencié-interprète, délivré conformément à la loi du 11 septembre 1933 sur la protection des titres de l'enseignement supérieur, par des établissements d'enseignement technique supérieur du troisième degré, ou par des établissements d'enseignement technique - classés comme instituts supérieurs d'enseignement technique - classés comme instituts supérieurs de commerce A5 - ou par un jury d'examens institué par l'Etat;
  d) diplôme ou certificat de fin d'études délivré après un cycle de cinq ans par la section des sciences administratives de l'Institut d'enseignement supérieur Lucien Cooremans à Bruxelles ou du " Hoger Instituut voor Bestuurs- en Handelswetenschappen " à Ixelles ou par le " Provinciaal Hoger Instituut voor Bestuurswetenschappen " à Anvers.
Art. 3N2. NIVEAU 2+ :
  a) getuigschrift, diploma of brevet van het zeevaartonderwijs van de hogere cyclus;
  b) diploma van meetkundig schatter van onroerende goederen;
  c) diploma van mijnmeter;
  d) diploma van het hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan, uitgereikt door een inrichting opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat of door een der Gemeenschappen;
  e) kandidaatsdiploma of -getuigschrift uitgereikt na een cyclus van ten minste twee jaar studie, overeenkomstig de wet van 11 september 1933 op de bescherming van de titels van hoger onderwijs, ofwel door de Belgische universiteiten met inbegrip van de aan die universiteiten verbonden scholen, de bij de wet ermee gelijkgestelde instellingen of de instellingen voor hoger onderwijs van het lange type opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat of door een der Gemeenschappen ofwel door een door de Staat of door een der Gemeenschappen ingestelde examencommissies;
  f) diploma van technisch ingenieur uitgereikt na hogere technische leergangen van de tweede graad;
  g) diploma van de afdeling ingedeeld in het economisch hoger of het sociaal hoger onderwijs van het korte type of voor sociale promotie, uitgereikt door een inrichting opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat of door een der Gemeenschappen;
  h) getuigschrift ten bewijze van het slagen voor de eerste twee studiejaren van de polytechnische afdeling of van de afdeling " Alle Wapens " van de Koninklijke Militaire School;
  i) diploma van hoger kunst- of technisch onderwijs van de 3de, 2de of 1ste graad uitgereikt door een inrichting opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat of door een der Gemeenschappen.
Art. 3N2. NIVEAU 2+ :
  a) certificat, diplôme ou brevet d'enseignement maritime du cycle supérieur;
  b) diplôme de géomètre expert immobilier;
  c) diplôme de géomètre des mines;
  d) diplôme de l'enseignement supérieur de type court et de plein exercice, délivré par un établissement, créé, subventionné ou reconnu par l'Etat ou l'une des Communautés;
  e) diplôme ou certificat de candidature délivré après un cycle d'au moins deux années d'études, conformément à la loi du 11 septembre 1933 sur la protection des titres de l'enseignement supérieur, soit par les universités belges, y compris les écoles annexées à ces universités, les établissements y assimilés par la loi ou les établissements d'enseignement supérieur de type long, créés, subventionnés ou reconnus par l'Etat ou l'une des Communautés, soit par un jury d'examens institué par l'Etat ou l'une des Communautés;
  f) diplôme d'ingénieur technicien délivré après des cours supérieurs techniques du deuxième degré;
  g) diplôme d'une section classée dans l'enseignement supérieure économique ou supérieur social du type court et de promotion sociale, délivré par un établissement créé, subventionné ou reconnu par l'Etat ou l'une des Communautés;
  h) certificat attestant la réussite des deux premières années d'études de la section polytechnique ou de la section " toutes Armes " de l'Ecole royale militaire;
  i) diplôme d'enseignement artistique ou technique supérieur du 3e, du 2e ou du 1er degré délivré par un établissement créé, subventionné ou reconnu par l'Etat ou l'une des Communautés.
Art. 4N2. NIVEAU 2+ (overgangsmaatregelen) :
  a) diploma uitgereikt na een cyclus van ten minste twee jaar studie, door de Koloniale Hogeschool van België te Antwerpen of kandidaatsdiploma uitgereikt door het Universitair Instituut voor Overzeese Gebieden te Antwerpen;
  b) kandidaatsdiploma uitgereikt na een cyclus van ten minste twee jaar studie door een inrichting van hoger technisch onderwijs van de derde graad of door een inrichting van technisch onderwijs, gerangschikt als handelshogeschool in de categorie A5;
  c) diploma van burgerlijk conducteur, uitgereikt door een Belgische universiteit;
  d) diploma van burgerlijk ingenieur uitgereikt door een Belgische universiteit;
  e) diploma van geaggregeerde voor het lager secundair onderwijs, van lager onderwijzer, lagere onderwijzeres of bewaarschoolonderwijzeres;
  f) diploma van gegradueerde in de landbouwwetenschappen, uitgereikt overeenkomstig de bepalingen van artikel 8 van het koninklijk besluit van 31 oktober 1934 tot vaststelling van de voorwaarden voor het toekennen der diploma's van landbouwkundig ingenieur, van boerderijbouwkundig ingenieur, van ingenieur der landbouwbedrijven, zoals het werd gewijzigd bij het koninklijk besluit van 16 juli 1936;
  g) diploma uitgereikt door een inrichting voor het hoger technisch onderwijs van de eerste graad met volledig leerplan opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat of door een van gereringswege samengestelde examencommissie;
  h) diploma uitgereikt door een inrichting voor hoger technisch onderwijs, opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat en gerangschikt in een van navolgende categorieën : A1, A6/A1, A7/A1, C1/A1, A8/A1, A1/D, A2An, C1/D, C5/C1/D, C1/An of door een van regeringswege samengestelde examencommissie;
  i) diploma uitgereikt na een cyclus van ten minste zevenhonderdvijftig lestijden, door een inrichting voor technisch onderwijs gerangschikt in de categorie B3/B1, opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat en die, bij de toelating, een diploma eist van volledige hogere secundiaire studies of het welslagen voor een daarmede gelijkgesteld toelatingsexamen of een diploma van een afdeling gerangschikt in de categorie B3/B2, uitgereikt door een inrichting voor technisch onderwijs, opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat en die bij de toelating een diploma eist van lagere secundaire studies of het welslagen voor een daarmede gelijkgesteld toelatingsexamen.
Art. 4N2. NIVEAU 2+ (mesures transitoires) :
  a) diplôme délivré après un cycle d'au moins deux années d'études par l'Université coloniale de Belgique à Anvers ou diplôme de candidature délivré par l'Institut universitaire des Territoires d'Outre-Mer à Anvers;
  b) diplôme de candidature délivré après un cycle d'au moins deux années d'études par une école d'enseignement technique supérieur du troisième degré ou par des établissements d'enseignement technique, classés comme instituts supérieurs de commerce dans la catégorie A5;
  c) diplôme de conducteur civil délivré par une université belge;
  d) diplôme d'ingénieur civil délivré par une université belge;
  e) diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire inférieur, d'instituteur primaire, d'institutrice primaire ou d'institutrice gardienne;
  f) diplôme de gradué en sciences agronomiques, délivré conformément aux dispositions de l'article 8 de l'arrêté royal du 31 octobre 1934 fixant les conditions de collation des diplômes d'ingénieur agronome, d'ingénieur du génie rural, d'ingénieur des industries agricoles; tel qu'il a été modifié par l'arrêté royal du 16 juillet 1936;
  g) diplôme délivré par un établissement d'enseignement technique supérieur du premier degré et de plein exercice, créé, subventions ou reconnu par l'Etat ou par un jury d'Etat;
  h) diplôme délivré par un établissement d'enseignement technique supérieur, créé, subventionné ou reconnu par l'Etat et classé dans l'une des catégories suivantes : A1, A6/A1, A7/A1, C1/A1, A8/A1, A1/D, A2An, C1/D, C5/C1/D, C1/An ou par un jury d'Etat;
  i) diplôme délivré après un cycle d'au moins sept cent cinquante périodes, par un établissement d'enseignement technique classé dans la catégorie B3/B1, créé, subventionné ou reconnu par l'Etat et sui, lors de l'admission, exige un diplôme d'études secondaires supérieures complètes ou la réussite d'un examen d'entrée y assimilé ou un diplôme d'une section classée en catégorie B3/B2, délivré par un établissement d'enseignement technique, créé, subventionné ou reconnu par l'Etat et qui lors de l'admission exige un diplôme d'études secondaires inférieures ou la réussite d'un examen d'entrée y assimilé.
Art. 5N2. NIVEAU 2 :
  a) gehomologeerd of door de examencommissie van de Staat of van een der Gemeenschappen voor het secundair onderwijs uitgereikt getuigschrift van hoger secundair onderwijs;
  b) gehomologeerd of door de examencommissie van de Staat of van een der Gemeenschappen voor het secundair onderwijs uitgereikt bekwaamheidsdiploma dat toegang verleent tot het hoger onderwijs;
  c) diploma uitgereikt na het examen bedoeld in artikel 5 van de wetten op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens, gecoördineerd op 31 december 1949;
  d) brevet van verpleeg- of ziekenhuisassistent(e) of van verpleger of verpleegster uitgereikt, hetzij door een door de Staat in de categorie van de aanvullende secundaire beroepsscholen opgerichte, gesubsidieerde of erkende verplegingsafdeling, hetzij door een door de Staat of een der Gemeenschappen ingestelde examencommissie;
  e) einddiploma, studiegetuigschrift of getuigschrift uitgereikt na het volgen, met vrucht, van het zesde leerjaar van het algemeen, het technisch, het kunst- of het beroepssecundair onderwijs met volledig leerplan, uitgereikt door een inrichting opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat of door een der Gemeenschappen;
  f) getuigschrift, diploma of brevet van het zeevaartonderwijs van de hogere secundaire cyclus;
  g) diploma van een tot de groep handel, administratie en organisatie behorende afdeling van een hogere secundaire technische leergang van een inrichting voor technisch onderwijs, opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat of door een der Gemeenschappen, uitgereikt na een cyclus van ten minste zevenhonderd vijftig lestijden.
Art. 5N2. NIVEAU 2 :
  a) certificat d'enseignement secondaire supérieur homologué ou délivré par le jury d'Etat ou de l'une des Communauté pour l'enseignement secondaire;
  b) diplôme d'aptitude à accéder à l'enseignement supérieur, homologué ou délivré par le jury d'Etat ou de l'une des Communautés pour l'enseignement secondaire;
  c) diplôme délivré à la suite de l'examen prévu à l'article 5 des lois sur la collation des grades académiques et le programme des examens universitaires, coordonnées le 31 décembre 1949;
  d) brevet d'hospitalier ou d'hospitalière ou d'assistant ou d'assistante en soins hospitaliers ou d'infirmier ou d'infirmière délivré, soit par une section de nursing créée, subventionnée ou reconnue par l'Etat dans la catégorie des écoles professionnelles complémentaires soit par un jury d'examen institué par l'Etat ou d'une des Communautés;
  e) diplôme, certificat d'études ou attestation de fréquentation avec fruit de la sixième année d'enseignement général, technique artistique ou professionnel secondaire de plein exercice, délivré par un établissement subventionné ou reconnu par l'Etat ou par l'une des Communautés;
  f) certificat, diplôme ou brevet d'enseignement maritime du cycle secondaire supérieur;
  g) diplôme d'une section appartenant au groupe commerce, administration et organisation d'un cours technique secondaire supérieur d'un établissement d'enseignement technique, créé subventionné ou reconnu par l'Etat ou l'une des Communautés, délivrés après un cycle d'au moins sept cinquante périodes.
Art. 6N2. NIVEAU 2 (overgangsmaatregelen) :
  a) getuigschrift uitgereikt na een van de voorbereidende proeven voorgeschreven in de artikelen 10, 10bis en 12 van de op 31 december 1949 gecoördineerde wetten op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens, zoals die bepalingen bestonden voor 8 juni 1964;
  b) gehomologeerd of door de examencommissie van de Staat voor het hoger middelbaar onderwijs afgeleverd diploma of getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs;
  c) erkend diploma van middelbare studies van de hogere graad (handelsafdeling);
  d) diploma of eindgetuigschrift van hoger middelbaar onderwijs behaald met vrucht;
  e) gehomologeerd diploma van de hogere secundaire technische school of eindgetuigschrift van studies in een hogere secundaire technische school, uitgereikt na een cyclus van drie jaren hogere secundaire studies, met vrucht, door een inrichting van technisch onderwijs, opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat of diploma van de hogere secundaire technische school uitgereikt door de examenscommissie van de Staat;
  f) diploma of eindgetuigschrift van de hogere secundaire technische school - vroegere categorieën A2, A6/A2, A6/C1/A2, A7/A2, A8/A2, A2A, C1, C1A, C5/C1, C1/C2 - uitgereikt na een cyclus van drie jaren hogere secundaire studies, met vrucht, door een inrichting van een technisch onderwijs, opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat of door een examencommissie van de Staat;
  g) gehomologeerd diploma van hoger secundair kunstonderwijs met volledig leerplan uitgereikt overeenkomstig de voorwaarden bepaald bij het koninklijk besluit van 10 februari 1971 tot vaststelling van de gelijkwaardigheid van het studiepeil van de inrichtingen voor kunstonderwijs met dat van de hogere secundaire technische scholen en waarbij de voorwaarden voor het uitreiken van de diploma's bepaald worden en het koninklijk besluit van 25 juni 1976 tot regeling van de studies van sommige hogere secundaire afdelingen van de inrichtingen voor kunstonderwijs met volledig leerplan;
  h) einddiploma, eindgetuigschrift, studieattest of brevet van het zesde jaar van het kunst- of beroepssecundair onderwijs met volledig leerplan uitgereikt door een inrichting opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat;
  i) brevet of eindgetuigschrift uitgereikt na afloop van de hogere cyclus van een beroepsafdeling verbonden aan een inrichting voor technisch onderwijs opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat en gerangschikt in een van de categorieën A4, C3, C2, C5;
  j) diploma uitgereikt na een cyclus van ten minste zevenhonderdvijftig lestijden door een inrichting voor technisch onderwijs gerangschikt in de categorie B3/B1, opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat;
  k) einddiploma of -getuigschrift uitgereikt na een cyclus van ten minste zevenhonderdvijftig lestijden door een inrichting voor technisch onderwijs gerangschikt in de categorie B3/B2, opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat, en die bij de toelating een diploma eist van lagere secundaire studies of het welslagen voor een daarmee gelijkgesteld toelatingsexamen.
Art. 6N2. NIVEAU 2 (mesures transitoires) :
  a) certificat délivré à la suite d'une des épreuves préparatoires prévues aux articles 10, 10bis et 12, des lois sur la collation des grades académiques et le programme des examens universitaires, coordonnées le 31 décembre 1949, telles que ces dispositions existaient avant le 8 juin 1964;
  b) diplôme ou certificat de l'enseignement moyen supérieur, homologué ou délivré par le jury d'examens de l'Etat pour l'enseignement moyen supérieur;
  c) diplôme agréé de fin d'études moyennes du degré supérieur (section commerciale);
  d) diplôme ou certificat de fin d'études de l'enseignement moyen supérieur obtenu avec fruit;
  e) diplôme homologué d'école technique secondaire supérieure ou certificat de fin d'études d'école technique secondaire supérieure délivré après un cycle de trois années d'études secondaires supérieures, avec fruit, par un établissement d'enseignement technique, créé, subventionné ou reconnu par l'Etat ou diplôme d'école technique secondaire supérieure délivré par le jury d'Etat;
  f) diplôme ou certificat de fin d'études d'école technique secondaire supérieure - anciennes catégories A2, A6/A2, A6/C1/A2, A7/A2, A8/A2, A2A, C1, C1A, C5/C1, C1/C2 - délivré après un cycle de trois années d'études secondaires supérieures, avec fruit, par un établissement d'enseignement technique, créé, subventionné ou reconnu par l'Etat ou par un jury d'Etat de l'enseignement secondaire;
  g) diplôme homologué d'enseignement artistique secondaire supérieur de plein exercice délivré conformément aux dispositions de l'arrêté royal du 10 février 1971 fixant l'équivalence du niveau des études des établissements d'enseignement artistique à celui de l'école technique secondaire supérieure et déterminant les conditions dans lesquelles les diplômes sont délivrés et de l'arrêté royal du 25 juin 1976 réglant les études de certaines sections secondaires supérieures des établissements d'enseignement artistique de plein exercice;
  h) diplôme, certificat de fin d'études, brevet ou attestation d'études de la sixième année de l'enseignement artistique ou professionnel secondaire supérieur de plein exercice, délivré par un établissement créé, subventionné ou reconnu par l'Etat;
  i) brevet ou certificat de fin d'études délivré après la fréquentation du cycle secondaire supérieur d'une section professionnelle d'enseignement technique créé, subventionné ou reconnu par l'Etat et classé dans l'une des catégories A4, C3, C2, C5;
  j) diplôme délivré après un cycle d'au moins sept cent cinquante périodes, par un établissement d'enseignement technique classé dans la catégorie B3/B1, créé, subventionné ou reconnu par l'Etat;
  k) diplôme ou certificat de fin d'études délivré après un cycle d'au moins sept cent cinquante périodes par un établissement d'enseignement technique classé dans la catégorie B3/B2, créé, subventionné ou reconnu par l'Etat et qui lors de l'admission exige un diplôme d'études secondaires inférieures ou la réussite d'un examen d'entrée y assimilé.
Art. 7N2. NIVEAU 3 :
  a) gehomologeerd getuigschrift van lagere secundaire studies of gelijkwaardig getuigschrift uitgereikt door een van regeringswege samengestelde examencommissie;
  b) diploma waaruit blijkt dat het eerste technisch examen voor het verkrijgen van de titel van meetkundig schatter van onroerende goederen met vrucht werd afgelegd;
  c) getuigschrift, diploma of brevet van het zeevaartonderwijs van de lagere secundaire cyclus;
  d) diploma, getuigschrift of attest uitgereikt na het volgen, met vrucht, van het derde leerjaar van het algemeen, het technisch, het kunst- of het beroepssecundair onderwijs met volledig leerplan, door een inrichting opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat of door een der Gemeenschappen;
  e) diploma van een tot de groep handel, administratie en organisatie behorende afdeling van een lagere secundaire technische leergang van een inrichting voor technisch onderwijs, opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat, uitgereikt na een cyclus van ten minste zevenhonderdvijftig lestijden;
  Komen eveneens in aanmerking bij overgangsmaatregel :
  a) studiegetuigschrift waaruit blijkt dat de eerste twee jaren lagere normaalstudies aangevat onder de regeling van kracht op 31 augustus 1957, met vrucht, werden gevolgd;
  b) diploma of studiegetuigschrift waaruit blijkt dat het derde jaar van het middelbaar onderwijs met vrucht gevolgd en beëindigd werd voor het schooljaar 1965-1966 in een door de Staat opgerichte, gesubsidieerde of erkende inrichting van middelbaar onderwijs;
  c) diploma, getuigschrift of attest waaruit blijkt dat het derde jaar in een technische school of in een technische afdeling toegevoegd of aan een middelbare school, opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat en gerangschikt in een van de hiernavolgende categorieën : A3, A6/A3, A6/C1/A3, A7/A3, A3A, C1, C5/C1, C2Aa, met vrucht werd gevolgd;
  d) getuigschrift van de lagere secundaire beroepsschool uitgereikt, met vrucht, door een inrichting opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat;
  e) brevet of eindgetuigschrift uitgereikt na afloop van de lagere cyclus van een beroepsafdeling verbonden aan een inrichting voor technisch onderwijs, opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat en gerangschikt in een van de categorieën A4, C3, C2, C5;
  f) diploma of eindgetuigschrift uitgereikt na een cyclus van ten minste zevenhonderdvijftig lestijden door een inrichting voor technisch onderwijs gerangschikt in de categorie B3/B2, opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat.
  De ambtenaren van het niveau 4 worden vrijgesteld van de voorwaarde inzake diploma- en studievereiste voor de deelneming aan de vergelijkende wervingsexamens van het niveau 3.
Art. 7N2. NIVEAU 3 :
  a) certificat homologué d'études secondaires inférieures ou certificat équivalent délivré par un jury d'examens constitué par le gouvernement;
  b) diplôme attestant que le premier examen technique pour l'obtention du titre de géomètre expert immobilier a été subi avec fruit;
  c) certificat, diplôme ou brevet d'enseignement maritime du cycle secondaire inférieur;
  d) diplôme, certificat ou attestation constatant la fréquentation avec fruit de la troisième année d'enseignement général, technique, artistique ou professionnel secondaire de plein exercice délivré par un établissement subventionne ou reconnu par l'Etat ou par l'une des Communautés;
  e) diplôme d'une section appartenant au groupe commerce, administration et organisation d'un cours technique secondaire inférieur d'un établissement d'enseignement technique, créé, subventionné ou reconnu par l'Etat, délivré après un cycle d'au moins sept cent cinquante périodes.
  Sont également admis par mesure transitoire :
  a) certificat d'études constatant la fréquentation avec fruit des deux premières années d'études normales primaires entreprises sous le régime en vigueur au 31 août 1957;
  b) diplôme ou certificat d'études constatant la fréquentation avec fruit de la troisième année de l'enseignement moyen terminée avant l'année scolaire 1965-1966, dans un établissement d'enseignement moyen créé, subventionné ou reconnu par l'Etat;
  c) diplôme, certificat ou attestation constatant la fréquentation avec fruit de la troisième année d'études dans un école technique ou dans une section technique annexée à une école moyenne créée, subventionnée ou reconnue par l'Etat et classée dans l'une des catégories suivantes : A3, A6/A3, A6/C1/A3, A7/A3, A3A, C1, C5/C1, C2Aa;
  d) certificat d'études, avec fruit, de l'école professionnelle secondaire inférieure délivré par un établissement créé, subventionné ou reconnu par l'Etat;
  e) brevet ou certificat de fin d'études délivré après la fréquentation du cycle inférieur d'une section professionnelle d'enseignement technique créé, subventionné ou reconnu par l'Etat et classés dans l'une des catégories A4, C3, C2, C5;
  f) diplôme ou certificat de fin d'études délivré après un cycle d'au moins sept cent cinquante périodes par un établissement d'enseignement technique classé dans la catégorie B3/B2, créé, subventionné ou reconnu par l'Etat.
  La condition de diplôme et de certificat d'études requises pour la présentation au concours de recrutement de niveau 3 n'est pas requise pour les fonctionnaires du niveau 4.
Art. 8N2. NIVEAU 4 :
  Geen enkele vereiste van diploma of studiegetuigschrift wordt gesteld.
  Aangenomen worden eveneens de in overeenstemming met een buitenlandse regeling behaalde diploma's en studiegetuigschriften die, krachtens verdragen of internationale overeenkomsten of met toepassing van de procedure voor het verlenen van de gelijkwaardigheid, voorgeschreven bij de wet van 19 maart 1971 betreffende de gelijkwaardigheid van de buitenlandse diploma's en studiegetuigschriften, gelijkwaardig worden verklaard met een van de in deze lijst bedoelde diploma's of studiegetuigschriften.
Art. 8N2. NIVEAU 4 :
  Aucune condition de diplôme ou de certificat d'études n'est requise.
  Sont admis également les diplômes et certificats d'études obtenus selon un régime étranger qui, en vertu de traités ou de conventions internationales ou en application de la procédure d'octroi de l'équivalence prévue par la loi du 19 mars 1971 relative à l'équivalence des diplômes et certificats d'études étrangers, sont déclarés équivalents à l'un des diplômes ou certificats d'études visés dans la présente liste.
Art. N3. [1 Bijlage 3.
   Lijst met beroepscertiferingen die in aanmerking komen voor de toelating tot rang 20 (bestuursassistent en technisch assistent) van niveau 2 bij het Franstalig Brussels Instituut voor Beroepsopleiding
   1. "Certificat d'apprentissage" uitgereikt door het IFAPME of de SFPME
   2. "Diplôme de chef d'entreprise" uitgereikt door het IFAPME of de SFPME
   3. "Diplôme de coordination et d'encadrement" uitgereikt door het IFAPME of de SFPME
   4. "Certificat de Connaissances de Gestion de base" uitgereikt door het IFAPME of de SFPME
   5. "Certificat de compétences acquises en formation" ("CeCAF") uitgereikt door een openbare opleidingsoperator (Bruxelles Formation, het IFAPME, Forem of de SFPME)
   6. "Titre de Compétence" uitgereikt door het "Consortium de Validation des Compétences"
   Lijst met beroepscertiferingen die in aanmerking komen voor de toelating tot rang 26 (administratief gegradueerde en technisch gegradueerde) van niveau 2+ bij het Franstalig Brussels Instituut voor Beroepsopleiding
   1. "Certificat d'apprentissage" uitgereikt door het IFAPME of de SFPME, minstens "Niveau 5 CFC/CEC"
   2. "Diplôme de chef d'entreprise" uitgereikt door het IFAPME of de SFPME, minstens "Niveau 5 CFC/CEC" of waarvoor de toegangsvoorwaarde een GHSO is
   3. "Diplôme de coordination et d'encadrement" uitgereikt door het IFAPME of de SFPME, minstens "Niveau 5 CFC/CEC" of waarvoor de toegangsvoorwaarde een GHSO is
   4. "Certificat de compétences acquises en formation" ("CeCAF") uitgereikt door een openbare opleidingsoperator (Bruxelles Formation, het IFAPME, Forem of de SFPME), minstens "Niveau 5 CFC/CEC"
   5. "Titre de Compétence" uitgereikt door het "Consortium de Validation des Compétences", minstens "Niveau 5 CFC/CEC]1

  
Art. N3. [1 Annexe 3.
   Liste des certifications professionnelles prises en considération pour l'admission au rang 20 (assistant administratif et assistant technique) du niveau 2 au sein de l'Institut bruxellois francophone pour la formation professionnelle
   1. Certificat d'apprentissage délivré par l'IFAPME ou le SFPME
   2. Diplôme de chef d'entreprise délivré par l'IFAPME ou le SFPME
   3. Diplôme de coordination et d'encadrement délivré par l'IFAPME ou le SFPME
   4. Certificat de Connaissances de Gestion de base délivré par l'IFAPME ou le SFPME
   5. Certificat de compétences acquises en formation (CeCAF) délivré par un opérateur public de formation (Bruxelles Formation, l'IFAPME, le Forem ou le SFPME)
   6. Titre de Compétence délivré par le Consortium de Validation des Compétences
   Liste des certifications professionnelles prises en considération pour l'admission au rang 26 (gradué administratif et gradué technique) du niveau 2+ au sein de l'Institut bruxellois francophone pour la formation professionnelle
   1. Certificat d'apprentissage délivré par l'IFAPME ou le SFPME de Niveau 5 CFC/CEC minimum
   2. Diplôme de chef d'entreprise délivré par l'IFAPME ou le SFPME de Niveau 5 CFC/CEC minimum ou dont la condition d'accès est le CESS
   3. Diplôme de coordination et d'encadrement délivré par l'IFAPME ou le SFPME de Niveau 5 CFC/CEC minimum ou dont la condition d'accès est le CESS
   4. Certificat de compétences acquises en formation (CeCaf) délivré par un opérateur public de formation (Bruxelles Formation, IFAPME, le FOREM ou le SFPME) de Niveau 5 CFC/CEC minimum
   5. Titre de compétence délivré par le Consortium de validation des compétences de Niveau 5 CFC/CEC minimum. ]1

  
Art. 1N3. I. Voor het " Institut bruxellois francophone pour la formation professionnelle " :
  * voor het ambt van adviseur.
  Ten minste 5 jaar nuttige ervaring hebben op het stuk van vorming, sociaal-professionele inschakeling of onderwijs, en een diploma bezitten dat toegang verleent tot werving voor de ambten van niveau 1 zoals opgenomen in bijlage 2 bij voornoemd besluit.
  * voor het ambt van bestuurssecretaris.
  Ten minste 2 jaar nuttige ervaring hebben,
  en een diploma bezitten dat toegang verleent tot werving voor de ambten van niveau 1 zoals opgenomen in bijlage 2 bij voornoemd besluit.
  * voor het ambt van maatschappelijk assistent.
  Ten minste 3 jaar nuttige ervaring hebben,
  en een diploma bezitten van maatschappelijk assistent of van gegradueerde in arbeidswetenschappen.
  * voor het ambt van vertaler.
  Ten minste 3 jaar nuttige ervaring hebben,
  en een diploma bezitten van licenciaat-vertaler of gegradueerde vertaler.
  * voor het ambt van directiesecretaresse.
  Ten minste 3 jaar nuttige ervaring hebben op het stuk van directiesecretariaat en gebruik van tekstverwerker,
  en een diploma bezitten dat toegang verleent tot werving voor niveau 2 of 2+ zoals opgenomen in bijlage 2 bij voornoemd besluit,
  * voor het ambt van onderbureauchef.
  Ten minste 2 jaar nuttige ervaring hebben op he stuk van administratief of boekhouding beheer,
  en een diploma bezitten dat toegang verleent tot werving voor de ambten van niveau 2 zoals opgenomen in bijlage 2 bij voornoemd besluit.
  * voor het ambt van adjunct-werkopzichter.
  Ten minste 2 jaar nuttige ervaring hebben,
  en een diploma bezitten dat toegang verleend tot werving voor de ambten van niveau 2 zoals opgenomen in bijlage 2 bij voornoemd besluit.
  * voor het ambt van bestuurschef.
  Ten minste 3 jaar nuttige ervaring hebben op het stuk van administratief beheer,
  en een diploma bezitten dat toegang verleent tot werving voor de ambten van niveau 2 zoals opgenomen in bijlage 2 bij voornoemd besluit.
  * voor het ambt van opsteller.
  Ten minste 2 jaar nuttige ervaring hebben,
  en een diploma bezitten dat toegang verleent tot werving voor de ambten van niveau 2 zoals opgenomen in bijlage 1 bij voornoemd besluit.
  * voor het ambt van verpleegster.
  Ten minste 2 jaar nuttige ervaring hebben,
  en een diploma bezitten dat toegang verleent tot werving voor de ambten van niveau 2 zoals opgenomen in bijlage 2 bij voornoemd besluit.
  * voor het ambt van klerk.
  Ten minste 2 jaar nuttige ervaring hebben,
  en een diploma bezitten dat toegang verleent tot werving voor de ambten van niveau 3 zoals opgenomen in bijlage 2 bij voornoemd besluit.
  * voor het ambt van klerk-stenotypist.
  Ten minste 2 jaar nuttige ervaring hebben,
  en een diploma bezitten dat toegang verleent tot werving voor de ambten van niveau 3 zoals opgenomen in bijlage 2 bij voornoemd besluit.
  * voor het ambt van deurwaarder.
  Ten minste 2 jaar nuttige ervaring hebben.
  * voor het ambt van telefonist(e).
  Ten minste 2 jaar nuttige ervaring hebben.
  * voor het ambt van werkman.
  Ten minste 2 jaar nuttige ervaring hebben.
Art. 1N3. I. Pour l'Institut bruxellois francophone pour la formation professionnelle :
  - pour l'emploi de Conseiller.
  Justifier d'une expérience utile de 5 années au moins, soit dans le domaine de la gestion administrative ou de la formation ou de l'insertion socioprofessionnelle ou de l'enseignement,
  et être porteur d'un diplôme donnant accès au recrutement aux emplois de niveau 1 tel que repris à l'annexe 2 de l'arrêté susvisé.
  - pour l'emploi de Secrétaire d'administration.
  Justifier d'une expérience utile de 2 années au moins,
  et être porteur d'un diplôme donnant accès au recrutement aux emplois de niveau 1 tel que repris à l'annexe 2 de l'arrêté susvisé.
  - pour l'emploi d'Assistant social.
  Justifier d'une expérience utile de 3 années au moins,
  et être porteur d'un diplôme d'assistant social ou de gradué en sciences du travail.
  - pour l'emploi de Traducteur.
  Justifier d'une expérience utile de 3 années au moins,
  et être porteur d'un diplôme de licence ou de graduat en traduction.
  - pour l'emploi de Secrétaire de direction.
  Justifier d'une expérience utile de 3 années au moins en secrétariat de direction, avec utilisation du traitement de texte,
  et être porteur d'un diplôme donnant accès au recrutement de niveau 2 ou 2+ tel que repris à l'annexe 2 de l'arrêté susvisé.
  - pour l'emploi de Chef administratif.
  Justifier d'une expérience utile de 3 années au moins dans le domaine de la gestion administrative,
  et être porteur d'un diplôme donnant accès au recrutement aux emplois de niveau 2 tel que repris à l'annexe 2 de l'arrêté susvisé.
  - pour l'emploi de Sous-chef de bureau. Justifier d'une expérience utile de deux années au moins dans le domaine de la gestion administrative ou comptable.
  et être porteur d'un diplôme donnant accès recrutement aux emplois de niveau 2 tel que repris à l'annexe 2 de l'arrêté susvisé.
  - pour l'emploi de Contrôleur adjoint des travaux.
  Justifier d'une expérience utile de 2 années au moins,
  et être porteur d'un diplôme donnant accès au recrutement aux emplois de niveau 2 tel que repris à l'annexe 2 de l'arrêté susvisé.
  - pour l'emploi de Rédacteur.
  Justifier d'une expérience utile de 2 années au moins,
  et être porteur d'un diplôme donnant accès au recrutement aux emplois de niveau 2 tel que repris à l'annexe 2 de l'arrêté susvisé.
  - pour l'emploi d'Infirmière.
  Justifier d'une expérience utile de 2 années au moins,
  et être porteur d'un diplôme donnant accès au recrutement aux emplois de niveau 2 tel que repris à l'annexe 2 de l'arrêté susvisé.
  - pour l'emploi de Commis.
  Justifier d'une expérience utile de 2 années au moins,
  et être porteur d'un diplôme donnant accès au recrutement aux emplois de niveau 3 tel que repris à l'annexe 2 de l'arrêté susvisé.
  - pour l'emploi de Commis-dactylographe.
  Justifier d'un expérience utile de 2 années au moins.
  et être porteur d'un diplôme donnant accès au recrutement aux emplois de niveau 3 tel que repris à l'annexe 2 de l'arrêté susvisé.
  - pour l'emploi de Huissier.
  Justifier d'une expérience utile de 2 années au moins.
  - pour l'emploi de Téléphoniste.
  Justifier d'une expérience utile de 2 années au moins.
  - pour l'emploi d'ouvrier.
  Justifier d'une expérience utile de 2 années au moins.
Art. 2N3. II. Voor het " Fonds bruxellois francophone pour l'intégration sociale et professionnelle des personnes handicapées " :
  * voor het ambt van adviseur.
  Ten minste 5 jaar nuttige ervaring hebben op het stuk van hetzij administratief beheer, hetzij sociaal-professionele inschakeling van gehandicapten,
  en een diploma bezitten dat toegang verleent tot werving voor de ambten van niveau 1 zoals opgenomen in bijlage 2 bij voornoemd besluit.
  * voor het ambt van maatschappelijk assistent.
  Ten minste 3 jaar nuttige ervaring hebben,
  en een diploma bezitten van maatschappelijk assistent.
Art. 2N3. II. Pour le Fonds bruxellois francophone pour l'intégration sociale et professionnelle des personnes handicapées :
  - pour l'emploi de Conseiller.
  Justifier d'une expérience utile de 5 années au moins, soit dans le domaine de la gestion administrative, soit dans le domaine de l'insertion socio-professionnelle des personnes handicapées,
  et être porteur d'un diplôme donnant accès au recrutement aux emplois de niveau 1 tel que repris à l'annexe 2 de l'arrêté susvisé.
  - pour l'emploi d'Assistant social.
  Justifier d'un expérience utile de 3 années au moins,
  et être porteur d'un diplôme d'assistant social.